²MARCUSEVANGELIE ELFDE HOOFDSTUK - MC 11 -
- bijbeloverzicht
-- taalgebruik
-- Mc (Marcus)
-- Mc 11
-
- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -
- Marcus
: overzicht .
- Marcus taalgebruik - Marcus
taalgebruik A - Marcus
taalgebruik B - Marcus
taalgebruik C - Marcus
taalgebruik D - Marcus
taalgebruik E - Marcus
taalgebruik F - Marcus
taalgebruik G - Marcus
taalgebruik H - Marcus
taalgebruik I - Marcus
taalgebruik J - Marcus
taalgebruik K - Marcus
taalgebruik L - Marcus
taalgebruik M - Marcus
taalgebruik N - Marcus
taalgebruik O - Marcus
taalgebruik P - Marcus
taalgebruik Q - Marcus
taalgebruik R - Marcus
taalgebruik S - Marcus
taalgebruik T - Marcus
taalgebruik U - Marcus
taalgebruik V - Marcus
taalgebruik W - Marcus
taalgebruik X - Marcus
taalgebruik Y - Marcus
taalgebruik Z -
- Mc
: commentaar .
Overzicht van het N.T. : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,
- Mc : overzicht , Mc : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Mc : commentaar
Overzicht van het Marcusevangelie : Mc
1 , Mc
2 , Mc
3 , Mc
4 , Mc
5 , Mc
6 , Mc
7 , Mc
8 , Mc
9 , Mc
10 , Mc
11 , Mc
12 , Mc
13 , Mc
14 , Mc
15 , Mc
16
Tekstuitleg per periccope - Mc
11,1-10 - Mc
11,11 - Mc
11,12-14 - Mc
11,15-17 - Mc
11,18-19 - Mc
11,20-25 - Mc
11,27-33
Tekstuitleg vers per vers - Mc
11,1 - Mc
11,2 - Mc
11,3 - Mc
11,4 - Mc
11,5 - Mc
11,6 - Mc
11,7 - Mc
11,8 - Mc
11,9 - Mc
11,10 - Mc
11,11 - Mc
11,12 - Mc
11,13 - Mc
11,14 - Mc
11,15 - Mc
11,16 - Mc
11,17 - Mc
11,18 - Mc
11,19 - Mc
11,20 - Mc
11,21 - Mc
11,22 - Mc
11,23 - Mc
11,24 - Mc
11,25 - Mc
11,26 - Mc
11,27 - Mc
11,28 - Mc
11,29 - Mc
11,30 - Mc
11,31 - Mc
11,32 - Mc
11,33 -
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| http://www.bible-history.com/isbe/ | http://www.sacrednamebible.com/kjvstrongs/index2.htm | Studiebijbel 3 | Luther-Bibel 1984 |
| bijbelvertalingen Lexilogos | De Griekse bijbel | bijbelweb | info-bible | interBible | http://www.diebibel.de/ |
| 1. LXX , Griekse tekst N.T. | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem (2) | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel | liturgische lezing |
Overzicht van de bijbelboeken
- bijbeloverzicht
, taalgebruik
- A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z -
, Oude Testament
, Pentateuch
, Historische
boeken , Profeten
, Wijsheidsboeken
, NT : overzicht
, Evangelies
, Synoptici
, Brieven
- OT : Gn
(Genesis ) , Ex
(Exodus) , Lv
(Leviticus) , Nu
(Numeri) , Dt
(Deuteronomium) , Joz
(Jozua) , Re (Rechters)
, Rt (Ruth) ,
1 S (1 Samuël)
, 2 S (2 Samuël)
, 1 K (1 Koningen)
, 2 K (2 Koningen)
, 1 Kr ( 1 Kronieken)
, 2 Kr (2 Kronieken)
, Ezr (Ezra)
, Neh (Nehemia)
, Tob (Tobia)
, Jdt (Judith)
, Est (Esther)
, 1 Mak (1 Makkabeeën)
, 2 Mak (2 Makkabeeën)
, Job , Ps
(Psalmen ) , Spr
(Spreuken) , Pr
(Prediker) , Hl
(Hooglied) , W
(Wijsheid) , Sir
(Sirach) , Js
(Jesaja) , Jr
(Jeremia) , Kl
(Klaagliederen) , Bar
(Baruch) , Ez
(Ezechiël) , Da
(Daniël) , Hos
(Hosea) , Jl (Joël)
, Am (Amos) ,
Ob (Obadja) ,
Jon (Jona) ,
Mi (Micha) , Nah
(Nahum) , Hab
(Habakuk) , Sef
(Sefanja) , Hag
(Haggai) , Zach
(Zacharia) , Mal
(Maleachi) .
- NT : Mt
(Matteüs) - Mc
(Marcus) - Lc
(Lucas) - Joh
(Johannes) - Hnd
(Handelingen) , Rom
(Rome) , 1 Kor
(Korinte) , 2 Kor
(Korinte) , Gal
(Galatië) , Ef
(Efese) , Fil
(Filippi) , Kol
(Kolosse) , 1 Tes
(Tessalonika) , 2
Tes (Tessalonika) , 1
Tim (Timoteüs) , 2
Tim (Timoteüs) , Tit
(Titus) , Film
(Filemon) , Heb
(Hebreeën) , Jak
(Jakobus) , 1 Pe
(Petrus) , 2 Pe
(Petrus) , 1 Joh
(Johannes) , 2 Joh
(Johannes) , 2 Joh
(Johannes) , Jud
(Judas) , Apk
(Apokalyps) .
Overzicht van
de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie
bijbel -
bibliografie
van het Oude Testament - bibliografie
Matteüsevangelie - bibliografie
Marcusevangelie - bibliografie
Lucasevangelie - bibliografie
van het Johannesevangelie - bibliografie
van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse
Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en
Marc Vervenne volgende pericopen in het elfde hoofdstuk van het Marcusevangelie
:
279. Intocht in Jeruzalem : Mc
11,1-10 - Mt
21,1-9 - Lc
19,29-40 -
281. Jezus gaat Jerzalem binnen : Mc
11,11 - Mt
21,10-11 -
282. Vervloeking van de vijgeboom : Mc
11,12-14 - Mt
21,18-19 -
283. Tempelreiniging : Mc
11,15-17 - Mt
21,12-13 - Lc
19,45-46 -
284. Jezus in de tempel. Terugkeer naar Betanië : Mc
11,18-19 - Mt
21,14-17 - Lc
19,47-48 -
286. De verdorde vijgeboom en de kracht van het geloof : Mc
11,20-25 - Mt
21,20-22 -
287. Vraag naar Jezus'macht : Mc
11,27-33 - Mt
21,23-27 - Lc
20,1-8 -
279. Intocht in Jeruzalem : Mc 11,1-10 - Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 -
| 1. Jezus | 2. twee leerlingen | 3. omstaanders | 4. twee leerlingen | 5. omstaanders | 6. twee leerlingen | 7. Jezus | 8. velen | 9. de voorlopers en de volgers | |
| Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 | Mc 11,4 | Mc 11,5 | Mc 11,6a | Mc 11,6b | Mc 11,7a | Mc 11,7b | Mc 11,8 | Mc 11,9 | |
| kai (en) | kai (en) | kai (en) | oi de (zij echter) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | hoi de ochloi (de menigten echter) |
Het verhaal bestaat uit vele personages : Jezus en zijn leerlingen, twee leerlingen, de omstaanders bij de ezel en het veulen, velen, voorlopers en volgers. Het verhaal bestaat uit 9 scènes. Bij iedere overgang van personage wordt kai (en) gebruikt behalve in Mc 11,6a en Mc 11,9 .
We constateren dat Marcus vaak de tegenwoordige tijd gebruikt. erchontai (zij gaan). De indicatief praesens 3de persoon meervoud wendt Marcus in 12 verzen aan; in 6 verzen is Jezus en zijn leerlingen onderwerp; in 5 gevallen gaan de personages die onderwerp zijn, naar Jezus; in 1 geval gaan de vrouwen naar het graf. In 11 van de 12 gevallen begint de zin met kai (en). Betekent dit dat er geen verandering van personage is? Komen deze zinnen bij het begin of in de loop van de pericope? In een aantal gevallen hebben we met over-gangs (gaan!)verzen te maken. En vermits de overgang naar een bepaalde plaats gebeurt, is het vanzelfsprekend dat de overgang van ergens elders gebeurt. Van het meer van Galilea (Mc 1,16 ) naar Kafarnaüm (Mc 1,21 - Mc 1,21 -).
| Mc 11,1 - Mc 11,1 -- Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,1 . Het vers Mc 11,1 telt 19 woorden en 97 letters . De getalwaarde van Mc 11,1 is 11191 (19 X 10 X 31) .
Mc 11,1.1.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen
: (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
Mc 11,1.2.
hote (toen) . Taalgebruik in het N.T. : hote
(toen) . Taalgebruik in Mc : hote
(toen) . Voegwoord van tijd .
Mc (12) : (1) Mc
1,32 . (2) Mc
2,25 . (3) Mc
4,6 . (4) Mc
4,10 . (5) Mc
6,21 . (6) Mc
7,17 . (7) Mc
8,19 . (8) Mc
8,20 . (9) Mc
11,1 . (10) Mc
14,12 . (11) Mc
15,20 . (12) Mc
15,41 .
Mc 11,1.1. - 2. kai hote (en toen) . Mc (6) : (1) Mc 4,6 . (2) Mc 4,10 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,1 . (5) Mc 15,20 . (6) Mc 15,41 .
Mc 11,1.3.
act. ind. praes. 3de pers. mv. eggizousin (zij naderen) van eggizô (naderen)
. Taalgebruik in het N.T. : eggizô
(naderen) . Taalgebruik in Mc : eggizô
(naderen) . In Mc hapax : Mc
11,1 . In Mc
11,1 zouden we erchontai (zij gaan) in plaats van het voor Mc hapaxvorm
eggizousin (zij naderen) verwachten . Dat is niet het geval . Zoals dat ook
niet het geval was in Mc
1,21 , waar we eisporeuontai (zij begeven zich op weg naar) lezen :
- Mc 1,21
: kai eisporeuontai eis Kafarnanaoum = en zij begeven zich op weg naar Kafarnaüm
.
- Mc 11,1
: kai hote eggizousin eis Hierosoluma = en dan naderen zij tot Jeruzalem .
Mc 11,1.4.
eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc
11 (8) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,2 . (3) Mc
11,8 . (4) Mc
11,11 . (5) Mc
11,14 . (6) Mc
11,15 . (7) Mc
11,23 . (8) Mc
11,27 .
Mc 11,1.5.
Hierosuluma (Jeruzalem) wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een
voorzetsel ; in 3 verzen door het voorzetsel apo (van-weg) + gen. (Hierosolumôn)
, in 7 door eis (naar) + acc. (Hierosoluma) . Taalgebruik in het N.T. : Hierosoluma
(Jeruzalem) . Taalgebruik in Mc :
Hierosoluma (Jeruzalem) .
- apo Hierosolumôn (van Jeruzalem) . Mc (3) : (1) Mc
3,8 . (2) Mc
3,22 . (3) Mc
7,1 .
- eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) . Mc (7) : (1) Mc
10,32 . (2) Mc
10,33 . (3) Mc
11,1 . (4) Mc
11,11 . (5) Mc
11,15 . (6) Mc
11,27 . (7) Mc
15,41 .
Mc 11,1.6.
eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc
11 (8) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,2 . (3) Mc
11,8 . (4) Mc
11,11 . (5) Mc
11,14 . (6) Mc
11,15 . (7) Mc
11,23 . (8) Mc
11,27 .
Mc 11,1.8.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 ..
9. bèthania (Betanië) . Taalgebruik in het N.T. : bèthania
(Bethanië) . Taalgebruik in Mc : bèthania
(Bethanië) . Plaatsnaam . De getalwaarde van het woord Bèthania
(Betanië) = 2 + 8 + 9 + 1 + 50 + 10 + 1 = 81 . Een vorm van Betanië
(4) .
- apo bèthanias (van Betanië) . Mc (1) : Mc
11,12 .
- eis bèthanian (naar Bethanië) . Mc (2) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,11 .
- en bèthania(i) (in Betanië) . Mc (1) : Mc
14,3 .
11. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (4) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,11 . (3) Mc
11,15 . (4) Mc
11,30 .
19. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos
. Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 11 (6) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,3 . (3) Mc
11,14 . (4) Mc
11,18 . (5) Mc
11,23 . (6) Mc
11,27 .
15. - 19. apostellei duo tôn mathètôn autou (hij zendt twee van zijn leerlingen) . Mc (2) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 14,13 .
Duality
- apostellei duo tôn mathètôn autou (hij zendt twee van zijn leerlingen) . Mc (2) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 14,13 .
| Mc 11,2 - Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,2 . Variable lezingen . O.a. 28 woorden .
Mc 11,2.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
2. actief indicatief praesens derde persoon enkelvoud legei (hij zegt) van
het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les ,
Fr. leçon .
Mc (62) . Mc 11 (4) : (1) Mc
11,2 . (2) Mc
11,21 . (3) Mc
11,22 . (4) Mc
11,33 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc in 10 verzen , van eipon
(ik zei) in 7 verzen .
4. act. imperat. praes. 2de pers. mv. hupagete (ga weg, vertrek)
van het werkw. hupagô (onder iets brengen, weggaan) . Taalgebruik in het
N.T. : hupagô
(onder iets brengen, weggaan) . Taalgebruik in Mc : hupagô
(onder iets brengen, weggaan) .
Mc (4 : vierkant ABCD) : (1) Mc
6,38 (A) . (2) Mc
11,2 (B) . (3) Mc
14,13 (C) . (4) Mc
16,7 (D) . In 3 verzen is het een woord van Jezus : (1) Mc
6,38 . (2) Mc
11,2 . (3) Mc
14,13 .
- hupagete (ga) gevolgd door een imperatief 2de pers. mv. . (1) Mc
6,38 : hupagete idete (ga , zie = ga zien) . (2) Mc
16,7 : hupagete eipate (ga, zeg = ga zeggen) . Zijde A-D van het vierkant
ABCD .
- kai legei autois hupagete eis tèn kômèn / polin (en hij
zegt hen : ga naar het dorp / de stad) . Mc (2) : (1) Mc
11,2 . (2) Mc
14,13 . Zijde BC van het vierkant ABCD .
Mc 11,2.5. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mc 11 (8) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,2 . (3) Mc 11,8 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,14 . (6) Mc 11,15 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 11,27 .
1. - 7. kai legei autois hupagete eis tèn kômèn / polin (en hij zegt hen : ga naar het dorp / de stad) . Mc (2) : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 14,13 .
9.
Mc 11,2.11.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
Mc 11,2.14.
eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 11 (8) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,2 . (3) Mc
11,8 . (4) Mc
11,11 . (5) Mc
11,14 . (6) Mc
11,15 . (7) Mc
11,23 . (8) Mc
11,27 .
Mc 11,2.15.
pers. voornaamw. acc. vr. enk. autèn (haar) . Taalgebruik in het N.T.
: voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (14) : (1) Mc
1,31 . (2) Mc
4,30 . (3) Mc
6,17 . (4) Mc
6,26 . (5) Mc
6,28 . (6) Mc
8,35 . (7) Mc
9,43 . (8) Mc
10,11 . (9) Mc
10,15 . (10) Mc
11,2 . (11) Mc
11,13 . (12) Mc
12,21 . (13) Mc
12,23 . (14) Mc
14,6 .
26. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 11 (7) : (1) Mc
11,2 . (2) Mc
11,3 . (3) Mc
11,4 . (4) Mc
11,7 . (5) Mc
11,17 . (6) Mc
11,18 . (7) Mc
11,27 .
Mc 11,2.27.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
Duality
- kai legei autois hupagete eis tèn kômèn / polin (en hij zegt hen : ga naar het dorp / de stad) . Mc (2) : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 14,13 .
| Mc 11,3- Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,3 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
10. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (11) : (1) Mc
11,3 . (2) Mc
11,6 . (3) Mc
11,9 . (4) Mc
11,13 . (5) Mc
11,18 . (6) Mc
11,21 . (7) Mc
11,22 . (8) Mc
11,23 . (9) Mc
11,25 . (10) Mc
11,29 . (11) Mc
11,33 .
12. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos
. Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 11 (6) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,3 . (3) Mc
11,14 . (4) Mc
11,18 . (5) Mc
11,23 . (6) Mc
11,27 .
15. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
17. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 11 (7) : (1) Mc
11,2 . (2) Mc
11,3 . (3) Mc
11,4 . (4) Mc
11,7 . (5) Mc
11,17 . (6) Mc
11,18 . (7) Mc
11,27 .
| Mc 11,4- Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,4 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
3. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
13. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
7. - 8. pros thuran (bij een deur) . Mc (3) : (1) Mc 1,33 . (2) Mc 2,2 . (3) Mc 11,4 .
15. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 11 (7) : (1) Mc
11,2 . (2) Mc
11,3 . (3) Mc
11,4 . (4) Mc
11,7 . (5) Mc
11,17 . (6) Mc
11,18 . (7) Mc
11,27 .
| Mc 11,5 - Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,5 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
4. ekei (daar, hier) . Taalgebruik in het N.T. : ekei (daar) . Taalgebruik in Mc : ekei (daar) . Ned. hier . Fr. ici . Mc (11) : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 3,1 . (4) Mc 5,11 . (5) Mc 6,5 . (6) Mc 6,10 . (7) Mc 6,33 . (8) Mc 11,5 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 14,15 . (11) Mc 16,7 .
| Mc 11,6 - Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,6 .
1. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 11 (5) : (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,9 . (3) Mc 11,14 . (4) Mc 11,18 . (5) Mc 11,27 .
7. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (11) : (1) Mc
11,3 . (2) Mc
11,6 . (3) Mc
11,9 . (4) Mc
11,13 . (5) Mc
11,18 . (6) Mc
11,21 . (7) Mc
11,22 . (8) Mc
11,23 . (9) Mc
11,25 . (10) Mc
11,29 . (11) Mc
11,33 .
9. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
11. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 11 (1) : Mc
11,6 .
| Mc 11,7 - Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,7 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
2. act. indic. praes. 3de pers. mv. ferousin (zij voeren) van het werkw. ferô
(voeren, dragen) . Taalgebruik in het N.T. : ferô
(voeren, dragen) . Taalgebruik in Mc : ferô
(voeren, dragen) .
Mc (4) : (1) Mc
7,32 . (2) Mc
8,22 . (3) Mc
11,7 . (4) Mc
15,22 .
5. - 7. pros ton Ièsoun (naar Jezus) . Mc (5) : (1) Mc 5,15 . (2) Mc 6,30 . (3) Mc 10,50 . (4) Mc 11,7 . (5) Mc 11,27 .
8. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
13. voornaamw. gen. mv. autôn van het voornaamw. autos . Taalgebruik
in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 11 (3) : (1) Mc
11,7 . (2) Mc
11,8 . (3) Mc
11,12 .
14. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
17. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 11 (7) : (1) Mc
11,2 . (2) Mc
11,3 . (3) Mc
11,4 . (4) Mc
11,7 . (5) Mc
11,17 . (6) Mc
11,18 . (7) Mc
11,27 .
| Mc 11,8 - Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,8 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
5. voornaamw. gen. mv. autôn van het voornaamw. autos . Taalgebruik in
het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 11 (3) : (1) Mc
11,7 . (2) Mc
11,8 . (3) Mc
11,12 .
7. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mc 11 (8) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,2 . (3) Mc 11,8 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,14 . (6) Mc 11,15 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 11,27 .
| Mc 11,9 - Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,9 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
2. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 11 (5) : (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,9 . (3) Mc 11,14 . (4) Mc 11,18 . (5) Mc 11,27 .
4. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
5. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 11 (5) : (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,9 . (3) Mc 11,14 . (4) Mc 11,18 . (5) Mc 11,27 .
7. act. ind. imperf. 3de pers. mv. ekrazon van het werkw. krazô (schreeuwen, roepen) . Taalgebruik in het N.T. : krazô (schreeuwen, roepen) . Taalgebruik in Mc : krazô (schreeuwen, roepen) . Ned. krijsen . Mc (2) (1) Mc 3,11 . (2) Mc 11,9 .
9. acc. vr. enk. hodon (weg) van het zelfst. naamw. hodos (weg)
. Taalgebruik in het N.T. : hodos
(weg) . Taalgebruik in Mc : hodos
(weg) .
Mc (10) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
2,23 . (4) Mc
4,4 . (5) Mc
4,15 . (6) Mc
6,8 . (7) Mc
10,17 . (8) Mc
10,46 . (9) Mc
11,8 . (10) Mc
12,14 .
10. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (11) : (1) Mc
11,3 . (2) Mc
11,6 . (3) Mc
11,9 . (4) Mc
11,13 . (5) Mc
11,18 . (6) Mc
11,21 . (7) Mc
11,22 . (8) Mc
11,23 . (9) Mc
11,25 . (10) Mc
11,29 . (11) Mc
11,33 .
12. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 11 (10) : (1) Mc
11,9 . (2) Mc
11,10 . (3) Mc
11,13 . (4) Mc
11,15. (5) Mc
11,23 . (6) Mc
11,25 . (7) Mc
11,27 . (8) Mc
11,28 . (9) Mc
11,29 . (10) Mc
11,33 .
| Mc 11,10 - Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,10 .
4. nom. + dat enk. basileia(i) (koninkrijk) . Taalgebruik in het N.T. : basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in Mc : basileia (koninkrijk) . Mc (7) : (1) Mc 1,15 (nom.) . (2) Mc 3,24 (nom.) . (3) Mc 4,26 (nom.) . (4) Mc 10,14 (nom.) . (5) Mc 11,10 (nom.) . (6) Mc 13,8 (nom.) . (7) Mc 14,25 (dat.) .
10. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 11 (10) : (1) Mc
11,9 . (2) Mc
11,10 . (3) Mc
11,13 . (4) Mc
11,15. (5) Mc
11,23 . (6) Mc
11,25 . (7) Mc
11,27 . (8) Mc
11,28 . (9) Mc
11,29 . (10) Mc
11,33 .
281. Jezus gaat Jeruzalem binnen : Mc 11,11 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,11 -
| Mc 11,11 - Mc 11,11 : 281. Jezus gaat Jeruzalem binnen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . And Jesus entered into Jerusalem, and into the temple: and
when he had looked round about upon all things, and now the eventide was come,
he went out unto Bethany with the twelve.
Luther-Bibel . 11 Und Jesus ging hinein nach Jerusalem in den Tempel und er
besah ringsum alles, und spät am Abend ging er hinaus nach Betanien mit
den Zwölfen.
Tekstuitleg van Mc 11,11 . Dit vers Mc 11,11 telt 24 (2 X 2 X 2 X 3) woorden en 117 (3 X 3 X 13) letters . De getalwaarde van Mc 11,11 is 11390 (2 X 5 X 17 X 67) .
Mc 11,11.1.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
Mc 11,11.2.
ind. aor. 3de pers. enk. eisèlthen (hij ging - naar - binnen) . Taalgebruik
in het N.T. : eiserchomai
(binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai
(binnengaan) . Mc (5) : (1) Mc
2,26 . (2) Mc
3,1 . (3) Mc
7,17 . (4) Mc
11,11 . (5) Mc
15,43 . Samengesteld werkw. met herhaling van het voorzetsel : eis ... eis
. In 3 / 5 is Jezus onderwerp : (1) Mc
3,1 . (2) Mc
7,17 . (3) Mc
11,11 . In Mc
2,26 is David onderwerp , in Mc
15,43 Jozef van Armatea .
In Mc 11,1
naderden Jezus en zijn leerlingen Jeruzalem . In Mc
11,11 ging Jezus Jeruzalem binnen . De situatie met het gaan van Jezus naar
Kafarnaüm is vergelijkbaar .
In Mc 3,1
ging Jezus naar de synagoge , in Mc
11,11 naar de tempel . Parallelle opbouw van de twee zinnen .
In Mc
11,11 linkt eisèlthen (hij ging naar binnen) bij het begin van het
vers aan exèlthen (hij ging naar buiten) bij het einde van het vers .
Mc 11,11.1. - 2. kai ... eisèlthen (en ... hij ging naar) . Mc (3) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 11,11 . kai eisèlthen (en hij ging naar binnen) in Mc (2 / 5) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 11,11 .
Mc 11,11.3.
eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 11 (8) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,2 . (3) Mc
11,8 . (4) Mc
11,11 . (5) Mc
11,14 . (6) Mc
11,15 . (7) Mc
11,23 . (8) Mc
11,27 .
Mc 11,11.2.
- 3. eisèlthen eis (hij ging naar binnen in) . Mc (4) (1) Mc
2,26 . (2) Mc
3,1 . (3) Mc
7,17 . (4) Mc
11,11 . Niet in Mc
15,43
(1) Mc
2,26 : eisèlthen eis ton oikon tou theou (hij ging naar binnen in
het huis van God) .
(2) Mc 3,1
: kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging
binnen opnieuw in de synagoge) .
(3) Mc
7,17 : kai hote eisèlthen eis oikon (en toen hij binnenging in huis)
.
(4) Mc
11,11 : kai eisèlthen eis Hierosoluma eis to hieron (en hij ging
binnen in Jeruzalem in de tempel) .
(5) Mc
15,43 : eisèlthen pros ton Pilaton (hij ging binnen bij Pilatus)
.
Mc 11,11.1. - 3. kai... eisèlthen eis (en hij ging naar binnen in) . Mc (3) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 11,11 . kai eisèlthen eis (en hij ging naar) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 11,11 .
Mc 11,11.3. - 4. eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) . Mc (7) : (1) Mc 10,32 . (2) Mc 10,33 . (3) Mc 11,1 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,15 . (6) Mc 11,27 . (7) Mc 15,41 .
Mc 11,11.5.
eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 11 (8) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,2 . (3) Mc
11,8 . (4) Mc
11,11 . (5) Mc
11,14 . (6) Mc
11,15 . (7) Mc
11,23 . (8) Mc
11,27 .
Mc 11,11.6.
bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (4) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,11 . (3) Mc
11,15 . (4) Mc
11,30 .
Mc 11,11.7.
acc. onz. enk. hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in het N.T. : hieron
(heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Mc : hieron
(heiligdom, tempel) . Een vorm van hieron (tempel) is steeds voorafgegaan
door een voorzetsel (9 / 9) .
1. dia tou hierou (door de tempel) . Mc (1 / 9) : Mc
11,16 .
2. eis to hieron (naar de tempel) . Mc (2 / 9) : (1) Mc
11,11 . (2) Mc
11,15 .
3. ek tou hierou (uit de tempel) . Mc (1 / 9) : Mc
13,1 .
4. en tô(i) hierô(i) (in de tempel) . Mc (4 / 9) : (1) Mc
11,15 . (2) Mc
11,27 . (3) Mc
12,35 . (4) Mc
14,49 .
5. katenanti tou hierou (tegenover de tempel) . Mc (1 / 9 ) : Mc
13,3 .
Een vorm van hieron (tempel) in Mc 11 (5 / 9) : (1) eis to hieron (naar de tempel)
: Mc 11,11
. (2) eis to hieron (naar de tempel) : Mc
11,15 . (3) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc
11,15 . (4) dia tou hierou (door de tempel) : Mc
11,16 . (5) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc
11,27 .
Mc 11,11.8.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
Mc 11,11.9.
med. part. aor. nom. mann. enk. periblepsamenos (rond zich gekeken / nadat hij
had rondgekeken) van het werkw. periblepô (rondkijken) . Taalgebruik in
het N.T. : periblepô
(rondkijken) . Taalgebruik in Mc : periblepô
(rondkijken) .
In 4 / 6 verzen in Mc : (1) Mc
3,5 . (2) Mc
3,34 . (3) Mc
10,23 . (4) Mc
11,11 . In 3 / 4 volgt legei (hij zegt) als hoofdwerkw. : (1) Mc
3,5 . (2) Mc
3,34 . (3) Mc
10,23 , exèlthen (hij ging naar buiten) in Mc
11,11 . In Mc
3,6 gingen de Farizeeën naar buiten (exelthontes = buitengegaan) om
te besluiten Jezus te doden . In Mc
11,11 ging Jezus naar buiten (exèlthen = hij ging naar buiten) om
's anderendaags terug te komen om de tempel te zuiveren . Het ene verhaal speelt
zich af in de synagoge , het andere in de tempel . In 2 verzen : (1) Mc
3,34 . (2) Mc
10,23 . richt Jezus zich tot zijn leerlingen .
Een vorm van periblepô (rondkijken) in 6 verzen in Mc : (1) Mc
3,5 . (2) Mc
3,34 . (3) Mc
5,32 . (4) Mc
9,8 . (5) Mc
10,23 . (6) Mc
11,11 . In 2 / 6 staat een vorm van eiden (hij zag) in relatie tot een vorm
van periblepô (rondkijken) : (3) Mc
5,32 ( + idein : hij keek rond zich om te zien). (4) Mc
9,8 (ouketi ouden eidon : zij zagen hoegenaamd niets meer) .
In 5 / 6 verzen is Jezus onderwerp : (1) Mc
3,5 . (2) Mc
3,34 . (3) Mc
5,32 . (4) Mc
10,23 . (5) Mc
11,11 . Slechts in Mc
10,23 wordt Jezus uitdrukkelijk vermeld . In Mc
9,8 zijn drie leerlingen onderwerp .
In de 6 verzen in Mc gaat het verbindingswoord kai (en) vooraf aan een vorm
van periblepô (rondkijken) .
In 3 / 6 volgt een lijdend voorwerp in de acc. : (1) Mc
3,5 . (2) Mc
3,34 . (6) Mc
11,11 . en 1 / 6 een infinitiefzin : (3) Mc
5,32 .
Mc 11,11.10.
acc. m. enk. , nom. m. + onz. mv. panta (al, alles) van het bijvoegl. naamw.
pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas
(ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas
(ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder
.
Mc (21) : (1) Mc
3,28 . (2) Mc
4,11 . (3) Mc
4,34 . (4) Mc
5,26 . (5) Mc
6,30 . (6) Mc
7,19 . (7) Mc
7,23 . (8) Mc
7,37 . (9) Mc
9,12 . (10) Mc
9,23 . (11) Mc
10,20 . (12) Mc
10,27 . (13) Mc
10,29 . (14) Mc
11,11 . (15) Mc
11,24 . (16) Mc
12,44 . (17) Mc
13,4 . (18) Mc
13,10 . (19) Mc
13,23 . (20) Mc
13,30 . (21) Mc
14,36 . Mc 11 (2) : (1) Mc
11,11 . (2) Mc
11,24 . Een vorm van pas (ieder, elk , al) in Mc in 66 verzen .
Mc 11,11.11.
genitief vrouwelijk enkelvoud opsias ('s avonds) . Taalgebruik in het N.T. :
opsia
(avond) . Taalgebruik in Mc : opsia
(avond) . D. Abend . E. evening . Lat. ad vesperas . Gr. hespera . Lat.
serus (serenade) . Fr. soir . Bij de joden begint de nieuwe dag met het vallen
van de avond , na zonsondergang .
Mc (6) : (1) Mc
1,32 . (2) Mc
4,35 . (3) Mc
6,47 . (4) Mc
11,11 . (5) Mc
14,17 . (6) Mc
15,42 .
Mc 11,11.12.
èdè (reeds) Taalgebruik in het N.T. : èdè
(reeds) . Taalgebruik in Mc : èdè
(reeds) .
Mc (7) : (1) Mc
4,37 . (2) Mc
6,35 . (3) Mc
8,2 . (4) Mc
11,11 . (5) Mc
13,28 . (6) Mc
15,42 . (7) Mc
15,44 .
Mc 11,11.11. - 12. opsias èdè (avond reeds) . Slechts in Mc 11,11 (toen het reeds het uur van de avond was) .
Mc 11,11.14.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (2) : (1) Mc
11,11 . (2) Mc
11,19 .
Mc 11,11.15.
gen. vr. enk. hôras (uur) van het zelfst. naamw. hôra (uur) . Taalgebruik
in het N.T. : hôra
(uur) . Taalgebruik in Mc : hôra
(uur) .
Mc (4) : (1) Mc
6,35 . (2) Mc
11,11 . (3) Mc
13,32 . (4) Mc
15,33 .
nom. + dat. vr. enk. hôra(i) . Mc (6) : (1) Mc
6,35 . (2) Mc
13,11 . (3) Mc
14,35 . (4) Mc
14,41 . (5) Mc
15,25 . (6) Mc
15,34 .
Vergelijk :
- Mc 11,11
: opsias èdè ousès tès hôras (terwijl het
reeds het uur van de avond is) . Einde van de eerste dag in Jeruizalem .
- Mc 11,19
: kai hotan opse egeneto (en zodra het laat was geworden) . Einde van de tweede
dag in Jeruzalem .
Mc 11,11.16.
ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen (hij ging uit) van het werkw. exerchomai
(uitgaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Zie ook Taalgebruik in Mc : eiserchomai
(binnengaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals
een huis , een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt
om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .
Mc ( 11) : (1) Mc
1,26 . (2) Mc
1,28 . (3) Mc
1,35 . (4) Mc
2,12 . (5) Mc
2,13 . (6) Mc
4,3 . (7) Mc
6,1 . (8) Mc
8,27 . (9) Mc
9,26 . (10) Mc
11,11 . (11) Mc
14,68 .
Een vorm van exerchomai (uitgaan) in Mc 11 (2) : (1) Mc
11,11 . (2) Mc
11,12 .
Mc 11,11.17.
eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 11 (8) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,2 . (3) Mc
11,8 . (4) Mc
11,11 . (5) Mc
11,14 . (6) Mc
11,15 . (7) Mc
11,23 . (8) Mc
11,27 .
Mc 11,11.16. - 17. exèlthen eis (hij ging uit naar) . Mc (2) : (1) Mc 11,11 . (2) Mc 14,68 .
Mc 11,11.18.
bèthania (Betanië) . Taalgebruik in het N.T. : bèthania
(Bethanië) . Taalgebruik in Mc : bèthania
(Bethanië) . Plaatsnaam . De getalwaarde van het woord Bèthania
(Betanië) = 2 + 8 + 9 + 1 + 50 + 10 + 1 = 81 . Een vorm van Betanië
(4) .
- apo bèthanias (van Betanië) . Mc (1) : Mc
11,12 .
- eis bèthanian (naar Bethanië) . Mc (2) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,11 .
- en bèthania(i) (in Betanië) . Mc (1) : Mc
14,3 .
Mc 11,11.19.
meta (met , na) . Taalgebruik in het N.T. : meta
(na , met) . Taalgebruik in Mc : meta
(na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr.
avec (< apud hoc : met dat) .
- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum
= tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Mc (34) . Mc 11 (1) : Mc
11,11 .
Dualiteit
Marcus schrijft in parallel Mc
3,1-6 en Mc
11,11 . In het ene verhaal ging Jezus naar de synagoge , in het tweede naar
de tempel .
(2) Mc 3,1
: kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging
opnieuw naar de synagoge) .
(4) Mc
11,11 : kai eisèlthen eis Hierosoluma eis to hieron (en hij ging
naar Jeruzalem naar de tempel) .
periblepsamenos (rond zich gekeken / nadat hij had rondgekeken) in Mc 3,1 en Mc 11,11 . In Mc 11,11 (1 / 4) volgt exèlthen (hij ging naar buiten) als hoofdwerkw. op periblepsamenos (rond zich gekeken / nadat hij had rondgekeken) . In Mc 3,6 gingen de Farizeeën naar buiten (exelthontes = buitengegaan) om te besluiten Jezus te doden . In Mc 11,11 ging Jezus naar buiten (exèlthen = hij ging naar buiten) om 's anderendaags terug te komen om de tempel te zuiveren . Het ene verhaal speelt zich af in de synagoge , het andere in de tempel .
282. Vervloeking van de vijgeboom : Mc 11,12-14 - Mc 11,12-14 - Mt 21,18-19 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 - Mc 11,12 - Mc 11,13 - Mc 11,14 -
SANDWICH-MODEL :
1. Mc 3,20-21 (Mc 3,22-30) Mc 3,31-35 .
2. Mc 5,21-24 (Mc 5,25-34) Mc 5,35-43 .
3. Mc 6,7-13 (Mc 6,14-29) Mc 6,30-32 .
4. Mc 11,12-14 (Mc 11,15-19) Mc 11,20-26 .
5. Mc 14,1-2 (Mc 14,3-9) Mc 14,10-11 .
6. Mc 14,12-16 (Mc 14,17-21) Mc 14,22-25 .
7. Mc 14,54 (Mc 14,55-65) Mc 14,66-72 .
| Mc 11,12 : 282. Vervloeking van de vijgeboom - Mc 11,12-14 - Mt 21,18-19 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 - Mc 11,12 - Mc 11,13 - Mc 11,14 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,12 . Het vers Mc 11,12 telt 8 (2 X 2 X 2) woorden en 48 (2 X 2 X 2 X 2 X 3) letters . De getalwaarde van Mc 11,12 is 4783 .
Mc 11,12.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
Mc 11,12.2.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (3) : (1) Mc
11,12 . (2) Mc
11,18 . (3) Mc
11,23 .
Mc 11,12.3.
epaurion (de dag erop) . Taalgebruik in het N.T. : tè(i)
epaurion ('s anderendaags) . Taalgebruik in Mc : tè(i)
epaurion ('s anderendaags) . Gr. aurion (bijwoord) : morgen (vroeg) . ep-aurion
: de dag erop , de volgende dag . Fr. lendemain < le - en - demain ->
l'endemain -> lendemain -> le lendemain . demain > Lat. de mane (matin)
. Lat. altera die -> Ned. 's anderendaags .
Mc (1) : Mc
11,12 .
Mc 11,12.2. - 3. tè(i) epaurion (op de andere dag , 's anderendaags) . Mc (1) : Mc 11,12 .
Mc 11,12.4.
part. aor. gen. mv. exelthontôn (uitgegaan) van het werkw. exerchomai
(uitgaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Zie ook Taalgebruik in Mc : eiserchomai
(binnengaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals
een huis , een stad enz. naar buiten gaan .
Mc (2) : (1) Mc
6,54 . (2) Mc
11,12 .
Een vorm van exerchomai (uitgaan) in Mc 11 (2) : (1) Mc
11,11 . (2) Mc
11,12 .
Mc 11,12.5.
voornaamw. gen. mv. autôn van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het
N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 11 (3) : (1) Mc
11,7 . (2) Mc
11,8 . (3) Mc
11,12 .
Mc 11,12.6.
apo (af, van-weg) . Taalgebruik in het N.T. : apo
(af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo
(af , van-weg) . Voorzetsel .
Mc (33) . Mc 11 (2) : (1) Mc
11,12 . (2) Mc
11,13 .
Mc 11,12.7.
bèthania (Betanië) . Taalgebruik in het N.T. : bèthania
(Bethanië) . Taalgebruik in Mc : bèthania
(Bethanië) . Plaatsnaam . De getalwaarde van het woord Bèthania
(Betanië) = 2 + 8 + 9 + 1 + 50 + 10 + 1 = 81 . Een vorm van Betanië
(4) .
- apo bèthanias (van Betanië) . Mc (1) : Mc
11,12 .
- eis bèthanian (naar Bethanië) . Mc (2) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,11 .
- en bèthania(i) (in Betanië) . Mc (1) : Mc
14,3 .
| Mc 11,13 : 282. Vervloeking van de vijgeboom - Mc 11,12-14 - Mt 21,18-19 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 - Mc 11,12 - Mc 11,13 - Mc 11,14 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,13 . Het vers Mc 11,13 telt 27 (3³) woorden en 110 (2 X 5 X 11) letters . De getalwaarde van Mc 11,13 is 12571 (13 X 967) .
Mc 11,13.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555) . Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .
Mc 11,13.3.
acc. vr. enk. sukèn van het zelfst. naamw. sukè (vijgeboom) .
Taalgebruik in het N.T. : sukè
(vijgeboom) . Taalgebruik in Mc : sukè
(vijgeboom) .
Mc (1) : (1) Mc
11,13 . (2) Mc
11,20 . Een vorm van sukè (vijgeboom) in Mc in 5 verzen : (1) Mc
11,13 (sukèn) . (2) Mc
11,13 (sukôn) . (3) Mc
11,20 . (4) Mc
11,21 . (5) Mc
13,28 .
Mc 11,13.4.
apo (af, van-weg) . Taalgebruik in het N.T. : apo
(af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo
(af , van-weg) . Voorzetsel .
Mc (33) . Mc 11 (2) : (1) Mc
11,12 . (2) Mc
11,13 .
Mc 11,13.9.
part. aor. nom. mann. enk. periblepsamenos (rondgekeken) van het werkw. periblepô
(rondkijken) . Taalgebruik in het N.T. : periblepô
(rondkijken) . Taalgebruik in Mc : periblepô
(rondkijken) .
Mc (4) : (1) Mc
3,5 . (2) Mc
3,34 . (3) Mc
10,23 . (4) Mc
11,11 . Een vorm van periblepô (rondkijken) in 6 verzen in Mc : (1)
Mc 3,5
. (2) Mc
3,34 . (3) Mc
5,32 . (4) Mc
9,8 . (5) Mc
10,23 . (6) Mc
11,11 .
Mc 11,13.8. - 9. kai periblepsamenos (en rondgekeken / en nadat hij had rondgekeken) in de 4 verzen . In 3 verzen wordt het gevold door een lijdend voorwerp in de acc. : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 11,11 . In 3 verzen is legei (hij zegt) het hoofdwerkw. : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 10,23 .
Mc 11,13.13.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 11 (10) : (1) Mc
11,9 . (2) Mc
11,10 . (3) Mc
11,13 . (4) Mc
11,15. (5) Mc
11,23 . (6) Mc
11,25 . (7) Mc
11,27 . (8) Mc
11,28 . (9) Mc
11,29 . (10) Mc
11,33 .
Mc 11,13.15.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
Mc 11,13.18.
pers. voornaamw. acc. vr. enk. autèn (haar) . Taalgebruik in het N.T.
: voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (14) : (1) Mc
1,31 . (2) Mc
4,30 . (3) Mc
6,17 . (4) Mc
6,26 . (5) Mc
6,28 . (6) Mc
8,35 . (7) Mc
9,43 . (8) Mc
10,11 . (9) Mc
10,15 . (10) Mc
11,2 . (11) Mc
11,13 . (12) Mc
12,21 . (13) Mc
12,23 . (14) Mc
14,6 .
Mc 11,13.24.
bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (11) : (1) Mc
11,3 . (2) Mc
11,6 . (3) Mc
11,9 . (4) Mc
11,13 . (5) Mc
11,18 . (6) Mc
11,21 . (7) Mc
11,22 . (8) Mc
11,23 . (9) Mc
11,25 . (10) Mc
11,29 . (11) Mc
11,33 .
Mc 11,13.25.
gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar
(want) . Taalgebruik in Mc : gar
(want) . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc 11 (3) : (1) Mc
11,13 . (2) Mc
11,18 . (3) Mc
11,32 .
Mc 11,13.29. gen. vr. mv. sukôn (van de vijgebomen) van het zelfst. naamw. sukè (vijgeboom) . Taalgebruik in het N.T. : sukè (vijgeboom) . Taalgebruik in Mc : sukè (vijgeboom) . Mc (1) : Mc 11,13 . Een vorm van sukè (vijgeboom) in Mc in 5 verzen : (1) Mc 11,13 (sukèn) . (2) Mc 11,13 (sukôn) . (3) Mc 11,20 . (4) Mc 11,21 . (5) Mc 13,28 .
| Mc 11,14 : 282. Vervloeking van de vijgeboom - Mc 11,12-14 - Mt 21,18-19 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 - Mc 11,12 - Mc 11,13 - Mc 11,14 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,14 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
6. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc
11 (8) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,2 . (3) Mc
11,8 . (4) Mc
11,11 . (5) Mc
11,14 . (6) Mc
11,15 . (7) Mc
11,23 . (8) Mc
11,27 .
14. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
16. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (5) : (1) Mc
11,6 . (2) Mc
11,9 . (3) Mc
11,14 . (4) Mc
11,18 . (5) Mc
11,27 .
18. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos
. Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 11 (6) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,3 . (3) Mc
11,14 . (4) Mc
11,18 . (5) Mc
11,23 . (6) Mc
11,27 .
283. Tempelreiniging : Mc 11,15-17 - Mc 11,15-17 - Mt 21,12-13 - Lc 19,45-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,15 - Mc 11,16 - Mc 11,17 -
| Mc 11,15 - Mc 11,15 : 283. Tempelreiniging : Mc 11,15-17 - Mc 11,15-17 - Mt 21,12-13 - Lc 19,45-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,15 - Mc 11,16 - Mc 11,17 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,15 . Er zijn verschillende tekstlezingen . Een lezing : het vers Mc 11,15 telt 33 (3 X 11) woorden en 181 letters . De getalwaarde van Mc 11,15 is 23771 (11 X 2161) .
| Mc 1,21 | Kai (en) | eisporeuontai (zij begeven zich op weg) | eis (naar) | Kafarnaoum (Kafarnaüm) | kai... (en) | eiselthôn (binnengegaan) | eis (naar) | tèn sunagôgèn (de synagoge) |
| Mc 11,15 | Kai (en) | erchontai (zij gaan) | eis (naar) | Hierosoluma (Jeruzalem) | Kai (en) | eiselthôn (binnengegaan) | eis (naar) | to hieron (de tempel) |
Mc 11,15 . Tussen Mc 1,21 en Mc 11,15 bestaat een opmerkelijke overeenkomst . In beide gevallen wordt het gaan naar de stad vermeld en vervolgens het binnengaan in het plaatselijk heiligdom ; respectievelijk Kafarnaüm en Jeruzalem , synagoge en tempel . In Mc 1 gaat het om de eerste stad , in Mc 11 om de laatste stad waar Jezus verblijft . De eerste hoofdzin van Mc 1,21 bestaat uit 4 woorden en 11 (1 + 5 + 1 + 4) lettergrepen . De eerste hoofdzin van Mc 11,15 bestaat eveneens uit 4 woorden en 11 (1 + 3 + 1 + 6) lettergrepen .
Mc 11,15.1.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen
: (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 . In dit vers komt 5X het voegwoord kai (en) voor .
Mc 11,15.2.
indicatief tegenwoordige tijd derde persoon meervoud erchontai (zij gaan) van
het werkwoord erchomai ( gaan , komen ) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai
(gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai
(gaan, komen) .
Mc (12) : (1) Mc
2,3 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
5,15 . (4) Mc
5,35 . (5) Mc
5,38 . (6) Mc
8,22 . (7) Mc
10,46 . (8) Mc
11,15 . (9) Mc
11,27 . (10) Mc
12,18 . (11) Mc
14,32 . (12) . Mc
16,2 .
Mc 11,15.3.
eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc
11 (8) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,2 . (3) Mc
11,8 . (4) Mc
11,11 . (5) Mc
11,14 . (6) Mc
11,15 . (7) Mc
11,23 . (8) Mc
11,27 .
Mc 11,15.4.
Hierosuluma (Jeruzalem) wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een
voorzetsel ; in 3 verzen door het voorzetsel apo (van-weg) + gen. (Hierosolumôn)
, in 7 door eis (naar) + acc. (Hierosoluma) . Taalgebruik in het N.T. : Hierosoluma
(Jeruzalem) . Taalgebruik in Mc :
Hierosoluma (Jeruzalem) .
- apo Hierosolumôn (van Jeruzalem) . Mc (3) : (1) Mc
3,8 . (2) Mc
3,22 . (3) Mc
7,1 .
- eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) . Mc (7) : (1) Mc
10,32 . (2) Mc
10,33 . (3) Mc
11,1 . (4) Mc
11,11 . (5) Mc
11,15 . (6) Mc
11,27 . (7) Mc
15,41 .
Mc 11,15.1.
- 4. Op de blijde inkomstdag had Jezus een kijkje gaan nemen in de tempel .
Op de tweede en de derde dag is Jezus actief aanwezig in de tempel . Beide pericopen
worden identiek ingeleid :
- Mc 11,15
: kai erchontai eis Hierosoluma = en zij gaan naar Jeruzalem .
- Mc 11,27
: kai erchontai palin eis Hierosoluma = en zij gaan opnieuw naar Jeruzalem .
STAP VOOR STAP !
Mc 11,15.5.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen
: (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
Mc 11,15.6.
actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud eiselthôn (binnengegaan)
van het werkwoord eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het N.T. : eiserchomai
(binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai
(binnengaan) .
Mc (6) : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
2,1 . (3) Mc
3,27 . (4) Mc
5,39 . (5) Mc
7,24 . (6) Mc
11,15 .
Mc 11,15.7. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mc 11 (8) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,2 . (3) Mc 11,8 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,14 . (6) Mc 11,15 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 11,27 .
Mc 11,15.6.
- 7. Een vorm van eiserchomai (binnengaan) + eis (in) in Mc : 22 / 30 .
- eiselthôn eis (binnengegaan in) . Mc (5 / 6) : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
2,1 . (3) Mc
3,27 . (4) Mc
7,24 . (5) Mc
11,15 .
(1) Mc
1,21 : kai ... eiselthôn eis tèn sunagôgèn (en
... binnengegaan in de synagoge) .
(2) Mc
2,1 : eiselthôn palin eis Kafarnaoum (binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm)
.
(3) Mc
3,27 : eis tèn oikian tou ischurou eiselthôn (in het huis van
de sterke binnengegaan) .
() Mc 5,39
: eiselthôn (binnengegaan) . NIET .
(4) Mc
7,24 : eiselthôn eis oikian (in huis binnengegaan) .
(5) Mc
11,15 : eiselthôn eis to hieron (binnengegaan in de tempel) .
8. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (4) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,11 . (3) Mc
11,15 . (4) Mc
11,30 .
9. acc. onz. enk. hieron (heiligdom, tempel) Taalgebruik in het N.T. : hieron
(heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Mc : hieron
(heiligdom, tempel) . Een vorm van hieron is steeds voorafgegaan door een
voorzetsel .
1. dia tou hierou (door de tempel) . Mc (1) : Mc
11,16 .
2. eis to hieron (naar de tempel) . Mc (2) : (1) Mc
11,11 . (2) Mc
11,15 .
3. ek tou hierou (uit de tempel) . Mc (1) : Mc
13,1 .
4. en tô(i) hierô(i) (in de tempel) . Mc (4) : (1) Mc
11,15 . (2) Mc
11,27 . (3) Mc
12,35 . (4) Mc
14,49 .
5. katenanti tou hierou (tegenover de tempel) . Mc (1) : Mc
13,3 .
Een vorm van hieron (tempel) in Mc 11 (5) : (1) eis to hieron (naar de tempel)
: Mc 11,11
. (2) eis to hieron (naar de tempel) : Mc
11,15 . (3) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc
11,15 . (4) dia tou hierou (door de tempel) : Mc
11,16 . (5) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc
11,27 .
11. act. inf. praes. ekballein (uitvaren, uitgooien) van het werkw. ekballô
. Taalgebruik in het N.T. : ekballô
(uitwerpen, uitvallen) . Taalgebruik in Mc : ekballô
(uitwerpen, uitvallen) .
Mc (3) : (1) Mc
3,15 . (2) Mc
3,23 . (3) Mc
11,15 .
12. bep. lidw. acc. mann. mv. tous de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (52) . Mc 11 (1) : Mc
11,15 .
14. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
15. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (52) . Mc 11 (1) : Mc
11,15 .
17. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 11 (10) : (1) Mc
11,9 . (2) Mc
11,10 . (3) Mc
11,13 . (4) Mc
11,15. (5) Mc
11,23 . (6) Mc
11,25 . (7) Mc
11,27 . (8) Mc
11,28 . (9) Mc
11,29 . (10) Mc
11,33 .
18. bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. :
bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (4) : (1) Mc
11,15 . (2) Mc
11,23 . (3) Mc
11,27 . (4) Mc
11,33 .
19. dat. onz. enk. hierô(i) (heiligdom, tempel) Taalgebruik in het N.T.
: hieron
(heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Mc : hieron
(heiligdom, tempel) . Een vorm van hieron is steeds voorafgegaan door een
voorzetsel .
1. dia tou hierou (door de tempel) . Mc (1) : Mc
11,16 .
2. eis to hieron (naar de tempel) . Mc (2) : (1) Mc
11,11 . (2) Mc
11,15 .
3. ek tou hierou (uit de tempel) . Mc (1) : Mc
13,1 .
4. en tô(i) hierô(i) (in de tempel) . Mc (4) : (1) Mc
11,15 . (2) Mc
11,27 . (3) Mc
12,35 . (4) Mc
14,49 .
5. katenanti tou hierou (tegenover de tempel) . Mc (1) : Mc
13,3 .
Een vorm van hieron (tempel) in Mc 11 (5) : (1) eis to hieron (naar de tempel)
: Mc 11,11
. (2) eis to hieron (naar de tempel) : Mc
11,15 . (3) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc
11,15 . (4) dia tou hierou (door de tempel) : Mc
11,16 . (5) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc
11,27 .
20. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen
: (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
25. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen
: (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
kai (en) staat aan het begin van de pericope. Na het voegwoord staat het werkwoord in de tegenwoordige tijd. Hierna volgt het voorzetsel eis (naar) met de plaatsbepaling. zie erchontai (zij gaan) - Mc 11,1-10 -
| Mc 3,2 // Mt 12,10 // Lc 6,7 | Mc 3, 6 // Mt 12,14 // Lc 6,11 | Mc 11,18 // Lc 19,47 | Mc 12, 12b-13 // Mt 22,15 // Lc 20,20 | Mc 14,1 // Mt 26,3 // Lc 22,2 | Mc 14,11 | Mc 14,55 // Mt 26,59 | Mc 15,1 | Mc 15,3 // Mt 27,12 |
| kai | ekselthontes (naar buiten gaande) | kai ijkousan (en hoorden het) | kai afentes auton apijlthon (en zij leten hem staan en gingen weg) | kai (en) | kai (en) | kai euthus (en terstond) prooi ('smorgens) | ||
| hoi Farisaioi euthus meta toon Hijroodianoon (de Farizeeën terstond met de Herodianen | hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden) | kai apostellousin pros auton tinas toon Farisaioon kai toon Hijrodianoon (en zijn zenden naar hem sommige Farizeeën en Herodianen) | ezijtoun (zij zochten) | hoi de archiereis kai holon to sunedrion (de hogepriesters echter en heel het sanhedrin | sumboulion hetoimasantes (een besluit genomen hebbende) | |||
| paretijroun auton... (zij hielden hem in het oog) | sumboulion edidoun (namen het besluit) kat'autou (tegen hem) | kai ezijtoon (en zij zochten) | hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden) | ezijtei (hij zocht) | ezijtoun kata tou Iijsou marturian (zochten een getuigenis tegen Jezus) | hoi archiereus meta toon presbuteroon kai grammateoon kai holon to sunedrion (de hogepriesters samen met de priesters en schriftgeleerden en heel het sanhedrin) | ||
| hina (opdat) | hopoos (opdat) | poos (hoe) | hina (opdat) | poos (hoe) | poos (hoe) | eis (om) | ||
| auton (hem) | auton (hem) | auton (hem) | auton (hem) | auton (hem) | ||||
| katijgorijsoosin autou (zij hem zouden beschuldigen)- | apolesoosin (zij zouden doden) | apolesoosin (zij zouden doden) | agreusoosin logooi (zij met het woord zouden vangen) | apokteinoosin (zij zouden doden) | eukairoos paradoi (op een gunstig moment zou overleveren) | to thanatoosai auton (te doden hem) | kai katijgoroun autou hoi archiereis polla (en de hogepriesters beschuldigden hem van vele dingen) | |
| 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 // Mt 12,9-14 // Lc 6,6-11 // (Lc 14,1-6) | 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 // Mt 12,9-14 // Lc 6,6-11 // (Lc 14,1-6) | 284. Jezus in de tempel. Terugkeer naar Betanië : Mc 11,18-19 // Mt 21,14-17 // Lc 19,47-48 | 290. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer : Mc 12,13-17 // Mt 22,15-22 // Lc 20,20-26 | 317. Complot tegen Jezus : Mc 14,1-2 // Mt 26,1-5
// Lc 22,1-2 |
319. Verraad van Judas : Mc 14,10-11 // Mt 26,14-16 // Lc 22,3-6 | 332. Jezus voor het Sanhedrin : Mc 14,55-64 // Mt
26,59-66 // (Lc 22,66-71) |
336. Naar Pilatus : Mc 15,1 // Mt 27,1-2 // Lc 22,66-71;
23,1 |
338. Jezus vóór Pilatus : Mc 15,2-5
// Mt 27,11-14 // Lc 23,2-5 |
| Mc 11,16 - Mc 11,16 : 283. Tempelreiniging : Mc 11,15-17 - Mc 11,15-17 - Mt 21,12-13 - Lc 19,45-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,15 - Mc 11,16 - Mc 11,17 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,16 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
10. gen. onz. enk. hierou (heiligdom, tempel) Taalgebruik in het N.T. : hieron
(heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Mc : hieron
(heiligdom, tempel) . Een vorm van hieron is steeds voorafgegaan door een
voorzetsel .
1. dia tou hierou (door de tempel) . Mc (1) : Mc
11,16 .
2. eis to hieron (naar de tempel) . Mc (2) : (1) Mc
11,11 . (2) Mc
11,15 .
3. ek tou hierou (uit de tempel) . Mc (1) : Mc
13,1 .
4. en tô(i) hierô(i) (in de tempel) . Mc (4) : (1) Mc
11,15 . (2) Mc
11,27 . (3) Mc
12,35 . (4) Mc
14,49 .
5. katenanti tou hierou (tegenover de tempel) . Mc (1) : Mc
13,3 .
Een vorm van hieron (tempel) in Mc 11 (5) : (1) eis to hieron (naar de tempel)
: Mc 11,11
. (2) eis to hieron (naar de tempel) : Mc
11,15 . (3) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc
11,15 . (4) dia tou hierou (door de tempel) : Mc
11,16 . (5) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc
11,27 .
| Mc 11,17 - Mc 11,17 : 283. Tempelreiniging : Mc 11,15-17 - Mc 11,15-17 - Mt 21,12-13 - Lc 19,45-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,15 - Mc 11,16 - Mc 11,17 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,17 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. edidasken (hij onderrichtte) van het werkw.
didaskô (onderrichten, leren) . Taalgebruik in N.T. : didaskô
(leren) . Taalgebruik in Mc : didaskô
(leren) . Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft
verworven . Didactiek : leer van het onderrichten .
Mc (6) : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
2,13 . (3) Mc
4,2 . (4) Mc
9,31 . (5) Mc
10,1 . (6) Mc
11,17 .
3. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
4. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
1. - 5.
- Mc 4,2
: kai edidasken autous en parabolais polla kai elegen autois en tè didachè autou
(hij onderrichtte hen in parabels en hij zei hen in zijn onderricht) .
- Mc 9,31
: edidasken gar tous mathètas autou kai elegen autois (want hij onderrichtte
zijn leerlingen en hij zei hen) .
- Mc 11,17
: kai edidasken kai elegen autois (en hij onderrichtte en hij zei hen) .
18. pers. nom. mann. mv. 2de pers. humeis (jullie) . Taalgebruik in het N.T.
: persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (10) : (1) Mc
6,31 . (2) Mc
6,37 . (3) Mc
7,11 . (4) Mc
7,18 . (5) Mc
8,29 . (6) Mc
11,17 . (7) Mc
13,9 . (8) Mc
13,11 . (9) Mc
13,23 . (10) Mc
13,29
21. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 11 (7) : (1) Mc
11,2 . (2) Mc
11,3 . (3) Mc
11,4 . (4) Mc
11,7 . (5) Mc
11,17 . (6) Mc
11,18 . (7) Mc
11,27 .
284. Jezus in de tempel . Terugkeer naar Betanië : Mc 11,18-19 - Mc 11,18-19 - Mt 21,14-17 - Lc 19,47-48 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 - Mc 11,18 - Mc 11,19 -
| Mc 11,18 - Mc 11,18 : 284. Jezus in de tempel . Terugkeer naar Betanië - Mc 11,18-19 - Mt 21,14-17 - Lc 19,47-48 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 - Mc 11,18 - Mc 11,19 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,18 . Dit vers Mc 11,18 telt 24 (2 X 2 X 2 X 3) woorden en 123 (3 X 41) letters . De getalwaarde van Mc 11,18 is 13867 (7 X 7 X 283) . In dit vers komen enerzijds de reactie van de toehoorders in de synagoge van Kafarnaüm (buiten zichzelf van verwondering) (Mc 1,22) en de reactie van de Farizeeën en de Herodianen om Jezus uit de weg te ruimen na het conflict in de synagoge (Mc 3,6) .
Mc 11,18.1.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 11 .
Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
Mc 11,18.2. act. ind. aor. 3de pers. mv. èkousan (zij hoorden) van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Mc (1) : Mc 11,18 .
Mc 11,18.3.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (5) : (1) Mc
11,6 . (2) Mc
11,9 . (3) Mc
11,14 . (4) Mc
11,18 . (5) Mc
11,27 .
Mc 11,18.4.
nom. mann. mv. archiereis (hogepriesters) . Taalgebruik in het N.T. : archiereus
(hogepriester) . Taalgebruik in Mc : archiereus
(hogepriester) .
Mc (11) . (1) Mc
11,18 . (2) Mc
11,27 . (3) Mc
14,1 . (4) Mc
14,10 . (5) Mc
14,53 . (6) Mc
14,55 . (7) Mc
15,1 . (8) Mc
15,3 . (9) Mc
15,10 . (10) Mc
15,11 . (11) Mc
15,31 .
Mc 11,18.5.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 11 .
Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
Mc 11,18.6.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (5) : (1) Mc
11,6 . (2) Mc
11,9 . (3) Mc
11,14 . (4) Mc
11,18 . (5) Mc
11,27 .
Mc 11,18.7.
nom. + voc. + acc. mann. mv. grammateis (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw.
grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in het N.T. : grammateus
(schriftgeleerde) . Taalgebruik in Mc : grammateus
(schriftgeleerde) .
Mc (11) : (1) Mc
1,22 . (2) Mc
2,16 . (3) Mc
3,22 . (4) Mc
7,5 . (5) Mc
9,11 . (6) Mc
9,14 . (7) Mc
11,18 . (8) Mc
11,27 . (9) Mc
12,35 . (10) Mc
14,1 . (11) Mc
14,53 . Nom. (10) . Acc. (1) : Mc
9,14 .
Mc 11,18.3.
- 7. hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden)
. Mc (2) : (1) Mc
11,18 . (2) Mc
14,1 .
- Mc 11,18
: kai ezètoun pôs auton apolesôsin (en zij zochten hoe ze
hem zouden opruimen) .
- Mc 14,1
: kai ezètoun hoi archiereis kai hoi grammateis pôs auton en dolô(i)
kratèsantes apokteinôsin (en de hogepriesters en de schriftgeleerden
zochten hoe ze hem - met een list overmeesterd - zouden doden) .
Mc 11,18.8.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
Mc 11,18.9.
act. ind. imperf. 3de pers. mv. ezètoun (zij zochten) van het werkw.
zèteô (zoeken) . Taalgebruik in het N.T. : zèteô
(zoeken) . Taalgebruik in Mc : zèteô
(zoeken) . Hebr. bâqasj . Ned. zoeken . Lat. quaerere . Fr. chercher
(ch / q - r) . E. search . D. suchen . D. zoeken . Mc (4) : (1) Mc
11,18 . (2) Mc
12,12 . (3) Mc
14,1 . (4) Mc
14,55 . In 4 verzen in Mc in de imperfectumvorm . In een reeks van vier
. De imperfectumvorm om de duur van het zoeken uit te drukken . Telkens zijn
hogepriesters erbij betrokken om Jezus te zoeken met het oog om hem te doden
.
- Mc 11,18
: kai èkousan hoi archiereis kai hoi grammateis kai ezètoun
(en de hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden en zij zochten) pôs
auton apolesôsin (hoe ze hem zouden uitschakelen) .
- Mc 12,12
: kai ezètoun (en zij zochten) auton kratèsai (om
hem te bemachtigen) .
- Mc 14,1
: kai ezètoun hoi archiereis kai hoi grammateis (en de hogepriesters
en de schriftgeleerden zochten) pôs auton en dolôi kratèsantes
apokteinôsin (hoe ze hem door een list te bemachtigen hem zouden
doden) .
- Mc 14,55
: oi de archiereis kai olon to sunedrion ezètoun kata tou ièsou marturian (maar
de hogepriesters en het hele sanhedrin zochten tegen Jezus een getuigenis) eis
to thanatôsai auton (om hem te doden) .
Mc 11,18.10. pôs (hoe) . Taalgebruik in het N.T. : pôs (hoe) . Taalgebruik in Mc : pôs (hoe) . Vragend of onbepaald voornaamw. van wijze . Mc 11 (1) : Mc 11,18 . In relatie tot hopôs (opdat) van Mc 3,6 . Een vorm van zèteô (zoeken) gevolgd door pôs (hoe) : (1) Mc 11,18 . (2) Mc 14,1 . (3) Mc 14,11 .
Mc 11,18.11.
voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 11 (7) : (1) Mc
11,2 . (2) Mc
11,3 . (3) Mc
11,4 . (4) Mc
11,7 . (5) Mc
11,17 . (6) Mc
11,18 . (7) Mc
11,27 .
Mc 11,18.12.
conjunctief aor. 3de pers. mv. apolesôsin (zij zouden doden) . Taalgebruik
in het N.T. : apollumi
( ten gronde richten , doden , verliezen ) . Taalgebruik in Mc : apollumi
(ten gronde richten , doden , verliezen) . < ap- + ollumi < ol-numi
. Hebr. ´âbhad . Lat. perdere . Fr. perdre . Lat. perditio . Fr.
perdition . Ned. verderf , verdoemenis . Mc (2) :
(1) Mc 3,6
: hopôs auton apolelôsin (opdat zij hem zouden doden) .
(4) Mc
11,18 : pôs auton apolelôsin ( hoe zij hem zouden doden) .
De dag na de enthousiaste intrede ruimt Jezus de beestenstal in de tempel op
. Daarop zoeken de hogepriesters en de schriftgeleerden Jezus te doden . Maar
het volk loopt over van zijn leer . Deze pericope verwijst o.a. naar twee pericopen
. Naar het eerste optreden van Jezus op sabbat in Kafarnaüm waar Jezus
leert en het volk uitzinnig is van zijn leer . Hij drijft ook een duivel uit
, die Jezus voor de voeten werpt : ben jij gekomen om ons te vernietigen . Naar
het tweede optreden van Jezus op sabbat in de synagoge waar Jezus een man geneest
waarop de Farizeeën buitengaan en met de Herodianen het advies uitbrengen
om Jezus te vernietigen .
In Mc
11,18 zochten de hogepriesters en de schriftgeleerden hoe ze Jezus zouden
vernietigen (doden) . De beslissing van de Farizeeën en de Herodianen om
Jezus te doden (Mc
3,6) wordt versterkt door het besluit van de hogepriesters en de schriftgeleerden
. Van vrije groeperingen tot de hoogste instanties . Van partijdigheid (Farizeeën)
tot het hoogste gezag (hogepriesters) en een fundamentele verantwoording (schriftgeleerden)
.
13. ind. imperf. 3de pers. mv. efounto (zij vreesden) van het werkw. fobeomai
(vrezen) . Taalgebruik in het N.T. : fobeomai
(vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in Mc : fobeomai
(vrezen, door fobieën bevangen worden) .
Mc (5) : (1) Mc
9,32 . (2) Mc
10,32 . (3) Mc
11,18 . (4) Mc
11,32 . (5) Mc
16,8 .
Mc 11,18.14.
gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar
(want) . Taalgebruik in Mc : gar
(want) . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc 11 (3) : (1) Mc
11,13 . (2) Mc
11,18 . (3) Mc
11,32 .
Mc 11,18.15.
voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 11 (7) : (1) Mc
11,2 . (2) Mc
11,3 . (3) Mc
11,4 . (4) Mc
11,7 . (5) Mc
11,17 . (6) Mc
11,18 . (7) Mc
11,27 .
Mc 11,18.16. nom. mann. enk. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Mc (5) . In vier verzen wordt het als bijvoeglijk naamwoord bij ho ochlos (de menigte) gebruikt : nl. (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 . Eénmaal wordt het zelfstandig gebruikt nl. Mc 9,49 .
Mc 11,18.17.
gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar
(want) . Taalgebruik in Mc : gar
(want) . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc 11 (3) : (1) Mc
11,13 . (2) Mc
11,18 . (3) Mc
11,32 .
Mc 11,18.18.
bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (11) : (1) Mc
11,3 . (2) Mc
11,6 . (3) Mc
11,9 . (4) Mc
11,13 . (5) Mc
11,18 . (6) Mc
11,21 . (7) Mc
11,22 . (8) Mc
11,23 . (9) Mc
11,25 . (10) Mc
11,29 . (11) Mc
11,33 .
Mc 11,18.19.
nom. mann. enk. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos
(menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos
(menigte) . Met één uitzondering (Mc
10,1) gebruikt Mc ochlos (menigte) in het enk .
Mc (13) : (1) Mc
2,13 . (2) Mc
3,20 . (3) Mc
3,32 . (4) Mc
4,1 . (5) Mc
5,21 . (6) Mc
5,24a - Mc
5,24b . (7) Mc
9,15 . (8) Mc
9,25 . (9) Mc
11,18 . (10) Mc
12,37 . (11) Mc
12,41 . (12) Mc
12,43 . (13) Mc
15,8 . In deze gevallen is ochlos (menigte) onderwerp .
Mc 11,18.16. 18. - 19. pas ho ochlos (de hele menigte) . Mc (4) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 . In (1) Mc 2,13 en (2) Mc 4,1 stroomt de menigte samen en onderricht Jezus het volk . In Mc 9,15 is de menigte met verbazing geslagen bij het zien van Jezus .
Mc 11,18.20.
pass. imperf. 3de pers. enk. exeplèsseto (het was buiten zichzelf) pass.
imperf. 3de pers. mv. exeplèssonto van het werkw. ekplèssomai
(buiten zichzelf raken van angst , verbazing , vreugde , bewondering) . Overlopen
van . Taalgebruik in het N.T. : ekplèssomai
(buiten zichzelf raken, ontzet zijn) . Taalgebruik in Mc : ekplèssomai
(buiten zichzelf raken, ontzet zijn) . Mc (1) : Mc
11,18 .
pass. imperf. 3de pers. mv. exeplèssonto (zij waren buiten zichzelf)
van het werkw. ekplèssomai (buiten zichzelf raken van angst , verbazing
, vreugde , bewondering) . Overlopen van . Taalgebruik in het N.T. : ekplèssomai
(buiten zichzelf raken, ontzet zijn) . Taalgebruik in Mc : ekplèssomai
(buiten zichzelf raken, ontzet zijn) . Mc (4) : (1) Mc
1,22 . (2) Mc
6,2 . (3) Mc
7,37 . (4) Mc
10,26 .
De toehoorders in de synagoge van Kafarnaüm waren buiten zichzelf van verbazing
over de leer van Jezus . Omdat hij leerde op (eigen) gezag en niet zoals de
schriftgeleerden (op gezag van de schrift) . In Mc
11,18 wordt deze verbazing een reden voor de hogepriesters en de schriftgeleerden
om Jezus te vrezen .
Mc 11,18.21. epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Ned. op . Het voorzetsel epi in Mc 11 (2) : (1) Mc 11,4 . (2) Mc 11,18 .
Mc 11,18.22.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (3) : (1) Mc
11,12 . (2) Mc
11,18 . (3) Mc
11,23 .
Mc 11,18.23. nom. (didachè) + dat. vr. enk. didachè(i) van het zelfst. naamw. didachè (lering, onderrichting) . Taalgebruik in het N.T. : didachè (lering, onderrichting) . Taalgebruik in Mc : didachè (lering, onderrichting) . Mc (5) : (1) Mc 1,22 (dat.) . (2) Mc 1,27 (nom.) . (3) Mc 4,2 (dat.) . (4) Mc 11,18 (dat.) . (5) Mc 12,38 (dat.) .
24. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos
. Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 11 (6) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,3 . (3) Mc
11,14 . (4) Mc
11,18 . (5) Mc
11,23 . (6) Mc
11,27 .
Mc 11,18.20.
- 24. exeplèsseto) (Mc
1,22) exeplèssonto (Mc
11,18) epi tè(i) didachè(i) autou (over zijn leer) . Mc (2)
: (1) Mc
1,22 (dat.) . (2) Mc
11,18 (dat.) .
Verdere vergelijking :
- Mc 4,2
(dat.) : kai elegen autois en tè(i) didachè(i) autou = en hij
zei hen in zijn leer .
- Mc 12,38
(dat.) : kai en tè(i) didachè(i) autou elegen = en in zijn leer
zei hij .
| Mc 11,19 - Mc 11,19 : 284. Jezus in de tempel . Terugkeer naar Betanië - Mc 11,18-19 - Mt 21,14-17 - Lc 19,47-48 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 - Mc 11,18 - Mc 11,19 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,19 . Het vers Mc 11,19 telt 8 (2 X 2 X 2) woorden en 39 (3 X 13) letters . De getalwaarde van Mc 11,19 is 5277 (3 X 1759) . Einde van de tweede dag in Jeruzalem .
Mc 11,19.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
Mc 11,19.2.
hotan (telkens wanneer, wanneer, zodra) . Taalgebruik in het N.T. : hotan
(telkens wanneer , wanneer, zodra) . Taalgebruik in Mc : hotan
(telkens wanneer , wanneer, zodra) .
Mc (21) . Mc 11 (2) : (1) Mc
11,19 . (2) Mc
11,25 .
Mc 11,19.3.
opse (laat) . Taalgebruik in het N.T. : opse
(laat) . Taalgebruik in Mc : opse
(laat) . Avond . D. Abend . E. evening . Lat. ad vesperas . Gr. hespera
. Lat. serus (serenade) . Fr. soir .
Mc (2) : (1) Mc
11,19 . (2) Mc
13,35 .
Mc 11,19.4.
ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai
(worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai
(worden) .
Mc (21) . Mc 11 (1) : Mc
11,19 .
Mc 11,19.1.
- 4. Vergelijk :
- Mc 11,11
: opsias èdè ousès tès hôras (terwijl het
reeds het uur van de avond is) . Einde van de eerste dag in Jeruizalem .
- Mc 11,19
: kai hotan opse egeneto (en zodra het laat was geworden) .
Mc 11,19.5.
ind. imperf. 3de pers. enk. exeporeueto van het werkw. ekporeuomai (zich
op weg begeven uit) . Taalgebruik in het N;T. : ekporeuomai
(zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in Mc : ekporeuomai
(zich op weg begeven uit) . + por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig
naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare
plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het
woord behoort tot de groep van varen .
Mc (1) : Mc
11,19 . In Mc
11,11 exèlthen (hij ging uit) .
We wezen reeds op de gelijkenis tussen de eerste dag in Kafarnaüm (Mc
1,21) en de tweede dag in Jeruzalem (Mc
11,15) .
- Mc 1,21
: kai eisporeuonto eis kafarnaoum (en zij begeven zich op weg naar Kafarnaüm)
.
- Mc
11,19 : kai exeporeuonto exô tès poleôs (en zij begaven
zich uit buiten de stad) .
Mc 11,19.6.
exô (buiten) . Taalgebruik in het N.T. : exô
(buiten) . Taalgebruik in Mc : exô
(buiten) .
Mc (10) . Mc 11 (2) : (1) Mc
11,4 . (2) Mc
11,19 .
Mc 11,19.7.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (2) : (1) Mc
11,11 . (2) Mc
11,19 .
Mc 11,19.8.
gen. vr. enk. poleôs (van de stad) van het zelfst. naamw. polis (stad)
. Taalgebruik in het N.T. : polis
(stad) . Taalgebruik in Mc : polis
(stad) .
Mc (1) : Mc
11,19 . Een vorm van polis (stad) in Mc in 8 verzen : (1) Mc
1,33 . (2) Mc
1,45 . (3) Mc
5,14 . (4) Mc
6,33 . (5) Mc
6,56 . (6) Mc
11,19 . (7) Mc
14,13 . (8) Mc
14,16 .
286. De verdorde vijgeboom en de kracht van het geloof : Mc 11,20-25 // Mt 21,20-22 - Mc 11,20-25 - Mt 21,20-22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,20 - Mc 11,21 - Mc 11,22 - Mc 11,23 - Mc 11,24 - Mc 11,25 -
| Mc 11,20 - Mc 11,20 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,20 .
Mc 11,20.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
Mc 11,20.2.
part. praes. nom. mann. mv. paraporeuomenoi (zich op weg begeven langs)
van het werkw. paraporeuomai (zich op weg begeven langs) . Taalgebruik in het
N.T. : paraporeuomai
(zich begeven langs) . Taalgebruik in Mc : paraporeuomai
(zich begeven langs) .
Mc (2) : (1) Mc
11,20 . (2) Mc
15,29 . Een vorm van paraporeuomai (zich op weg begeven langs) in 4 verzen
in Mc : (1) Mc
2,23 . (2) Mc
9,30 . (3) Mc
11,20 . (4) Mc
15,29 .
| Mc 11,21 - Mc 11,21 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc
11,21 . In Mc
11,21 en Mc
11,22 is de inleiding op het citaat bijna op identieke wijze opgebouwd :
1. verbindingswoord kai (en) . 2. het verleden deelwoord (aor.) van een samengesteld
werkw. met voorzetsel ana- / apo- , werkw.stam mnès- /kri- en de werkwoorduitgang
van het part. aor. theis . 3. bepaald lidwoord van het onderwerp ho (de) . 4.
onderwerp : een persoonsnaam : petros (Petrus) / ièsous (Jezus) . 5.
hoofdwerkw. act. tegenw. tijd , 3de pers. enk. legei (zegt) . 6. meewerk. voornaamw.
dat. mann. enk. / mv. : autô(i) (hem) / autois (hen) .
- Mc 11,21
: kai anamnèstheis ho petros legei autô(i) (en Petrus herinnerd
zegt hem) .
- Mc 11,22
: kai apokritheis ho ièsous legei autois (en Jezus beantwoord zegt hen)
.
Mc 11,21.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
Mc 11,21.3.
bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (11) : (1) Mc
11,3 . (2) Mc
11,6 . (3) Mc
11,9 . (4) Mc
11,13 . (5) Mc
11,18 . (6) Mc
11,21 . (7) Mc
11,22 . (8) Mc
11,23 . (9) Mc
11,25 . (10) Mc
11,29 . (11) Mc
11,33 .
Mc 11,21.5.
actief indicatief praesens derde persoon enkelvoud legei (hij zegt) van het
werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les ,
Fr. leçon .
Mc (62) . Mc 11 (4) : (1) Mc
11,2 . (2) Mc
11,21 . (3) Mc
11,22 . (4) Mc
11,33 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc in 10 verzen , van eipon
(ik zei) in 7 verzen .
Mc 11,21.5. - 6. legei autô(i) (hij / zij zei hem) . Mc (12) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 5,19 . (5) Mc 7,28 . (6) Mc 7,34 . (7) Mc 8,29 . (8) Mc 10,51 . (9) Mc 11,21 . (10) Mc 13,1 . (11) Mc 14,30 . (12) Mc 14,61 .
Mc 11,21.10.
nom. vr. enk. sukè (vijgeboom) . Taalgebruik in het N.T. : sukè
(vijgeboom) . Taalgebruik in Mc : sukè
(vijgeboom) .
Mc (1) : Mc
11,21 . Een vorm van sukè (vijgeboom) in Mc in 5 verzen : (1) Mc
11,13 (sukèn) . (2) Mc
11,13 (sukôn) . (3) Mc
11,20 . (4) Mc
11,21 . (5) Mc
13,28 .
| Mc 11,22 - Mc 11,22 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc
11,22 . In Mc
11,21 en Mc
11,22 is de inleiding op het citaat bijna op identieke wijze opgebouwd :
1. verbindingswoord kai (en) . 2. het verleden deelwoord (aor.) van een samengesteld
werkw. met voorzetsel ana- / apo- , werkw.stam mnès- /kri- en de werkwoorduitgang
van het part. aor. theis . 3. bepaald lidwoord van het onderwerp ho (de) . 4.
onderwerp : een persoonsnaam : petros (Petrus) / ièsous (Jezus) . 5.
hoofdwerkw. act. tegenw. tijd , 3de pers. enk. legei (zegt) . 6. meewerk. voornaamw.
dat. mann. enk. / mv. : autô(i) (hem) / autois (hen) .
- Mc 11,21
: kai anamnèstheis ho petros legei autô(i) (en Petrus herinnerd
zegt hem) .
- Mc 11,22
: kai apokritheis ho ièsous legei autois (en Jezus beantwoord zegt hen)
.
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
2. part. aor. nom. mann. enk. apokritheis (geantwoord) van het werkw. apokrinomai
(antwoorden) . Taalgebruik in het N.T. : apokrinomai
(antwoorden) . Taalgebruik in Mc : apokrinomai
(antwoorden) .
Mc (14) : (1) Mc
3,33 . (2) Mc
6,37 . (3) Mc
8,29 . (4) Mc
9,5 . (5) Mc
9,19 . (6) Mc
10,3 . (7) Mc
10,24 . (8) Mc
10,51 . (9) Mc
11,14 . (10) Mc
11,22 . (11) Mc
12,35 . (12) Mc
14,48 . (13) Mc
15,2 . (14) Mc
15,12 . Een vorm van apokrinomai (antwoorden) in Mc in 30 verzen .
1. - 2. kai apokritheis (en beantwoord) of ho de (...) apokritheis (hij echter
beantwoord . Mc (13 / 14) . Niet in Mc
8,29 .
- kai apokritheis (en beantwoord) . Mc 7 / 14 : (1) Mc
3,33 . (2) Mc
9,5 . (3) Mc
10,51 . (4) Mc
11,14 . (5) Mc
11,22 . (6) Mc
12,35 . (7) Mc
14,48 .
- ho de (...) apokritheis (hij echter beantwoord . (Mc 6 / 14) . (1) Mc
6,37 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
10,3 . (4) Mc
10,24 . (5) Mc
15,2 . (6) Mc
15,12 .
3. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 11 (11) : (1) Mc
11,3 . (2) Mc
11,6 . (3) Mc
11,9 . (4) Mc
11,13 . (5) Mc
11,18 . (6) Mc
11,21 . (7) Mc
11,22 . (8) Mc
11,23 . (9) Mc
11,25 . (10) Mc
11,29 . (11) Mc
11,33 .
4. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous
(Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous
(Jezus) .
Mc (57) . Mc 12 (5) : (1) Mc
12,17 . (2) Mc
12,24 . (3) Mc
12,29 . (4) Mc
12,34 . (5) Mc
12,35 . Een vorm van ièsous (Jezus) in Mc in 81 verzen .
1. - 4. kai apokritheis ho ièsous (en Jezus beantwoord) . Mc (3) : (1) Mc 11,22 . (2) Mc 12,35 . (3) Mc 14,48 .
5. actief indicatief praesens derde persoon enkelvoud legei (hij zegt) van
het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les ,
Fr. leçon .
Mc (62) . Mc 11 (4) : (1) Mc
11,2 . (2) Mc
11,21 . (3) Mc
11,22 . (4) Mc
11,33 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc in 10 verzen , van eipon
(ik zei) in 7 verzen .
8. acc. vr. enk. pistin (geloof, vertrouwen) van het zelfst. naamw. pistis
(geloof, vertrouwen) . Taalgebruik in het N.T. : pistis
(geloof) . Taalgebruik in Mc : pistis
(geloof) . Mc (3) : (1) Mc
2,5 . (2) Mc
4,40 . (3) Mc
11,22 .
nom. vr. enk. pistis (geloof, vertrouwen) . Mc (2) : (1) Mc
5,34 . (2) Mc
10,52 .
- Mc 4,40
: oupô echete pistin (heb je nog geen geloof) . Mc
11,22 : echete pistin theou (heb geloof in God) .
| Mc 11,23 - Mc 11,23 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,23 .
2. act. ind. praes. 1ste pers. enk. legô (ik zeg) van het werkw. legô
(zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
Mc (19) . Mc
3. pers. voornaamw. 2de pers. dat. mann. mv. humin (aan jullie) van het pers.
voornaamw. humeis (jullie) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (34) . Mc
4. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti
(dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti
(dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 11 (3) : (1) Mc
11,23 . (2) Mc
11,24 . (3) Mc
11,32 .
8. bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. :
bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (4) : (1) Mc
11,15 . (2) Mc
11,23 . (3) Mc
11,27 . (4) Mc
11,33 .
12. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
Mc 11,23.14.
eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 11 (8) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,2 . (3) Mc
11,8 . (4) Mc
11,11 . (5) Mc
11,14 . (6) Mc
11,15 . (7) Mc
11,23 . (8) Mc
11,27 .
17. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
20. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 11 (10) : (1) Mc
11,9 . (2) Mc
11,10 . (3) Mc
11,13 . (4) Mc
11,15. (5) Mc
11,23 . (6) Mc
11,25 . (7) Mc
11,27 . (8) Mc
11,28 . (9) Mc
11,29 . (10) Mc
11,33 .
Mc 11,23.21.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (3) : (1) Mc
11,12 . (2) Mc
11,18 . (3) Mc
11,23 .
23. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos
. Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 11 (6) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,3 . (3) Mc
11,14 . (4) Mc
11,18 . (5) Mc
11,23 . (6) Mc
11,27 .
26. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti
(dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti
(dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 11 (3) : (1) Mc
11,23 . (2) Mc
11,24 . (3) Mc
11,32 .
27. betrekk. voornaamw. acc. onz. enk. ho (wat) (+ bepaald lidw. nom. mann.
enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (11) : (1) Mc
11,3 . (2) Mc
11,6 . (3) Mc
11,9 . (4) Mc
11,13 . (5) Mc
11,18 . (6) Mc
11,21 . (7) Mc
11,22 . (8) Mc
11,23 . (9) Mc
11,25 . (10) Mc
11,29 . (11) Mc
11,33 .
| Mc 11,24 - Mc 11,24 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,24 .
8. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
11. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti
(dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti
(dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 11 (3) : (1) Mc
11,23 . (2) Mc
11,24 . (3) Mc
11,32 .
13. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
| Mc 11,25 - Mc 11,25 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,25 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
9. kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in het N.T. : kata
(tegen, volgens) . Taalgebruik in Mc : kata
(tegen, volgens) .
Mc (9) : (1) Mc
4,10 . (2) Mc
5,13 . (3) Mc
6,40 . (4) Mc
7,5 . (5) Mc
11,25 . (6) Mc
13,8 . (7) Mc
14,19 . (8) Mc
14,55 . (9) Mc
15,6 .
12. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
13. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (11) : (1) Mc
11,3 . (2) Mc
11,6 . (3) Mc
11,9 . (4) Mc
11,13 . (5) Mc
11,18 . (6) Mc
11,21 . (7) Mc
11,22 . (8) Mc
11,23 . (9) Mc
11,25 . (10) Mc
11,29 . (11) Mc
11,33 .
16. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (11) : (1) Mc
11,3 . (2) Mc
11,6 . (3) Mc
11,9 . (4) Mc
11,13 . (5) Mc
11,18 . (6) Mc
11,21 . (7) Mc
11,22 . (8) Mc
11,23 . (9) Mc
11,25 . (10) Mc
11,29 . (11) Mc
11,33 .
17. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 11 (10) : (1) Mc
11,9 . (2) Mc
11,10 . (3) Mc
11,13 . (4) Mc
11,15. (5) Mc
11,23 . (6) Mc
11,25 . (7) Mc
11,27 . (8) Mc
11,28 . (9) Mc
11,29 . (10) Mc
11,33 .
| Mc 11,26 - Mc 11,26 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,26 .
287. Vraag naar Jezus'macht : Mc 11,27-33 - Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,27 - Mc 11,28 - Mc 11,29 - Mc 11,30 - Mc 11,31 - Mc 11,32 - Mc 11,33 -
| Mc 11,27 - Mc 11,27 : 287. Vraag naar Jezus'macht - Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,27 - Mc 11,28 - Mc 11,29 - Mc 11,30 - Mc 11,31 - Mc 11,32 - Mc 11,33 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,27 .
Mc 11,27.1.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
Mc 11,27.2.
indicatief tegenwoordige tijd derde persoon meervoud erchontai (zij gaan) van
het werkwoord erchomai (gaan , komen) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai
(gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai
(gaan, komen) .
Mc (12) : (1) Mc
2,3 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
5,15 . (4) Mc
5,35 . (5) Mc
5,38 . (6) Mc
8,22 . (7) Mc
10,46 . (8) Mc
11,15 . (9) Mc
11,27 . (10) Mc
12,18 . (11) Mc
14,32 . (12) . Mc
16,2 . Een vorm van erchomai (gaan , komen) in Mc 11 in 5 (6X) verzen .
Mc 11,27.4.
eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc (151) . Mc 11 (8) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,2 . (3) Mc
11,8 . (4) Mc
11,11 . (5) Mc
11,14 . (6) Mc
11,15 . (7) Mc
11,23 . (8) Mc
11,27 .
Mc 11,27.5.
Hierosuluma (Jeruzalem) wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een
voorzetsel ; in 3 verzen door het voorzetsel apo (van-weg) + gen. (Hierosolumôn)
, in 7 door eis (naar) + acc. (Hierosoluma) . Taalgebruik in het N.T. : Hierosoluma
(Jeruzalem) . Taalgebruik in Mc :
Hierosoluma (Jeruzalem) .
- apo Hierosolumôn (van Jeruzalem) . Mc (3) : (1) Mc
3,8 . (2) Mc
3,22 . (3) Mc
7,1 .
- eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) . Mc (7) : (1) Mc
10,32 . (2) Mc
10,33 . (3) Mc
11,1 . (4) Mc
11,11 . (5) Mc
11,15 . (6) Mc
11,27 . (7) Mc
15,41 .
Mc 11,27.1.
- 5. Op de blijde inkomstdag had Jezus een kijkje gaan nemen in de tempel .
Op de tweede en de derde dag is Jezus actief aanwezig in de tempel . Beide pericopen
worden identiek ingeleid :
- Mc 11,15
: kai erchontai eis Hierosoluma = en zij gaan naar Jeruzalem .
- Mc 11,27
: kai erchontai palin eis Hierosoluma = en zij gaan opnieuw naar Jeruzalem .
Mc 11,27.6.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
Mc 11,27.7.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc (119) . Mc 11 (10) : (1) Mc
11,9 . (2) Mc
11,10 . (3) Mc
11,13 . (4) Mc
11,15. (5) Mc
11,23 . (6) Mc
11,25 . (7) Mc
11,27 . (8) Mc
11,28 . (9) Mc
11,29 . (10) Mc
11,33 .
Mc 11,27.8.
bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 11 (4) : (1) Mc
11,15 . (2) Mc
11,23 . (3) Mc
11,27 . (4) Mc
11,33 .
Mc 11,27.9.
dat. onz. enk. hierô(i) (heiligdom, tempel) Taalgebruik in het N.T. :
hieron
(heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Mc : hieron
(heiligdom, tempel) . Een vorm van hieron is steeds voorafgegaan door een
voorzetsel .
1. dia tou hierou (door de tempel) . Mc (1) : Mc
11,16 .
2. eis to hieron (naar de tempel) . Mc (2) : (1) Mc
11,11 . (2) Mc
11,15 .
3. ek tou hierou (uit de tempel) . Mc (1) : Mc
13,1 .
4. en tô(i) hierô(i) (in de tempel) . Mc (4) : (1) Mc
11,15 . (2) Mc
11,27 . (3) Mc
12,35 . (4) Mc
14,49 .
5. katenanti tou hierou (tegenover de tempel) . Mc (1) : Mc
13,3 .
Een vorm van hieron (tempel) in Mc 11 (5) : (1) eis to hieron (naar de tempel)
: Mc 11,11
. (2) eis to hieron (naar de tempel) : Mc
11,15 . (3) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc
11,15 . (4) dia tou hierou (door de tempel) : Mc
11,16 . (5) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc
11,27 .
Mc 11,27.10.
act. part. praes. gen. mann. enk. peripatountos (terwijl hij rondwandelt) van
het werkw. peripateô (rondwandelen) . Taalgebruik in het N.T. : peripateô
(rondwandelen) . Taalgebruik in Mc : peripateô
(rondwandelen) .
Mc (1) : Mc
11,27 . Een vorm van peripateô (rondwandelen) in Mc in 9 verzen .
Mc 11,27.11.
voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos .
Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 11 (6) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,3 . (3) Mc
11,14 . (4) Mc
11,18 . (5) Mc
11,23 . (6) Mc
11,27 .
Mc 11,27.12.
indicatief tegenwoordige tijd derde persoon meervoud erchontai (zij gaan) van
het werkwoord erchomai (gaan , komen) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai
(gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai
(gaan, komen) .
Mc (12) : (1) Mc
2,3 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
5,15 . (4) Mc
5,35 . (5) Mc
5,38 . (6) Mc
8,22 . (7) Mc
10,46 . (8) Mc
11,15 . (9) Mc
11,27 . (10) Mc
12,18 . (11) Mc
14,32 . (12) . Mc
16,2 . Een vorm van erchomai (gaan , komen) in Mc 11 in 5 (6X) verzen .
Mc 11,27.13.
pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros
(naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros
(naar, bij) . Voorzetsel .
Mc (62) . Mc 11 (5) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,4 . (3) Mc
11,7 (pros ton Ièsoun = naar Jezus) . (4) Mc
11,27 . (5) Mc
11,31 .
Mc 11,27.14.
voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 11 (7) : (1) Mc
11,2 . (2) Mc
11,3 . (3) Mc
11,4 . (4) Mc
11,7 . (5) Mc
11,17 . (6) Mc
11,18 . (7) Mc
11,27 .
Mc 11,27.13.
- 14. pros auton (naar hem, bij hem) . Mc (15) .
-- Naar Johannes de Doper : (1) Mc
1,5 .
-- Naar Jezus . Mc (14)) : (1) Mc
1,32 . (2) Mc
1,40 . (3) Mc
1,45 . (4) Mc
2,3 . (5) Mc
2,13 . (6) Mc
3,8 . (7) Mc
3,13 . (8) Mc
3,31 . (9) Mc
4,1 . (10) Mc
7,1 . (11) Mc
9,20 . (12) Mc
10,1 . (13) Mc
12,13 . (14) Mc
12,18 . Een variabele lezing in Mc
11,27 : pros ton ièsoun i.p.v. pros auton .
Mc 11,27.15.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 11 (5) : (1) Mc
11,6 . (2) Mc
11,9 . (3) Mc
11,14 . (4) Mc
11,18 . (5) Mc
11,27 .
Mc 11,27.16.
nom. mann. mv. archiereis (hogepriesters) . Taalgebruik in het N.T. : archiereus
(hogepriester) . Taalgebruik in Mc : archiereus
(hogepriester) .
Mc (11) . (1) Mc
11,18 . (2) Mc
11,27 . (3) Mc
14,1 . (4) Mc
14,10 . (5) Mc
14,53 . (6) Mc
14,55 . (7) Mc
15,1 . (8) Mc
15,3 . (9) Mc
15,10 . (10) Mc
15,11 . (11) Mc
15,31 .
Mc 11,27.17.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
Mc 11,27.18.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 11 (5) : (1) Mc
11,6 . (2) Mc
11,9 . (3) Mc
11,14 . (4) Mc
11,18 . (5) Mc
11,27 .
Mc 11,27.19.
nom. + voc. + acc. mann. mv. grammateis (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw.
grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in het N.T. : grammateus
(schriftgeleerde) . Taalgebruik in Mc : grammateus
(schriftgeleerde) .
Mc (11) : (1) Mc
1,22 . (2) Mc
2,16 . (3) Mc
3,22 . (4) Mc
7,5 . (5) Mc
9,11 . (6) Mc
9,14 . (7) Mc
11,18 . (8) Mc
11,27 . (9) Mc
12,35 . (10) Mc
14,1 . (11) Mc
14,53 .
Mc 11,27.15. - 19. hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden) . Mc (2) : (1) Mc 11,18 . (2) Mc 14,1 .
Mc 11,27.20.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
Mc 11,27.21.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 11 (5) : (1) Mc
11,6 . (2) Mc
11,9 . (3) Mc
11,14 . (4) Mc
11,18 . (5) Mc
11,27 .
| Mc 11,28 - Mc 11,28 : 287. Vraag naar Jezus'macht - Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,27 - Mc 11,28 - Mc 11,29 - Mc 11,30 - Mc 11,31 - Mc 11,32 - Mc 11,33 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,28
| exousia (macht) bij Marcus : Mc 11,27-33 | ||
| Mc 11,27 | Mc 11,29 | Mc 11,33 |
| kai erô humin (en ik zal je zeggen) | oude legô humin (noch zeg ik je) | |
| en poiai exousia(i) (door welke machtiging) | en poiai exousia(i) (door welke machtiging) | en poiai exousiai (door welke machtiging) |
| tauta poièis (doe je dit?) | tauta poiô (ik dit doe) | tauta poiô (ik dit doe) |
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
4. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 11 (10) : (1) Mc
11,9 . (2) Mc
11,10 . (3) Mc
11,13 . (4) Mc
11,15. (5) Mc
11,23 . (6) Mc
11,25 . (7) Mc
11,27 . (8) Mc
11,28 . (9) Mc
11,29 . (10) Mc
11,33 .
6. exousiai (in welk gezag) . Datief enkelvoud van exousia (gezag , macht) . Taalgebruik : exousia (macht), zie Mt 28,18 .
14. acc. vr. enk. exousian (macht, gezag) . Taalgebruik in het N.T. : exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in Mc : exousia (gezag, macht) . Mc (7) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 1,27 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 3,15 . (5) Mc 6,7 . (6) Mc 11,28 . (7) Mc 12,34 .
15. acc. vr. enk. tautèn (dit) van het bezitt. voornaamw. houtos (deze)
. Taalgebruik : houtos
(deze) . Taalgebruik : houtos
(deze) .
Mc (52) . Mc (4) : (1) Mc
4,13 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
11,28 . (4) Mc
12,10 .
| Mc 11,29 - Mc 11,29 : 287. Vraag naar Jezus'macht - Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,27 - Mc 11,28 - Mc 11,29 - Mc 11,30 - Mc 11,31 - Mc 11,32 - Mc 11,33 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,29 .
1. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (11) : (1) Mc
11,3 . (2) Mc
11,6 . (3) Mc
11,9 . (4) Mc
11,13 . (5) Mc
11,18 . (6) Mc
11,21 . (7) Mc
11,22 . (8) Mc
11,23 . (9) Mc
11,25 . (10) Mc
11,29 . (11) Mc
11,33 .
9. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
12. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
15. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 11 (10) : (1) Mc
11,9 . (2) Mc
11,10 . (3) Mc
11,13 . (4) Mc
11,15. (5) Mc
11,23 . (6) Mc
11,25 . (7) Mc
11,27 . (8) Mc
11,28 . (9) Mc
11,29 . (10) Mc
11,33 .
| Mc 11,30 - Mc 11,30 : 287. Vraag naar Jezus'macht - Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,27 - Mc 11,28 - Mc 11,29 - Mc 11,30 - Mc 11,31 - Mc 11,32 - Mc 11,33 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,30 .
1. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (4) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,11 . (3) Mc
11,15 . (4) Mc
11,30 .
2. nom. + acc. onz. enk. baptisma (doopsel) . Taalgebruik in het N.T. : baptisma
(doopsel) . Taalgebruik in Mc : baptisma
(doopsel) .
Mc (4) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
10,38 . (3) Mc
10,39 . (4) Mc
11,30 .
3. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (4) : (1) Mc
11,1 . (2) Mc
11,11 . (3) Mc
11,15 . (4) Mc
11,30 .
4. gen. mann. enk. Iôannou (van Johannes) . Taalgebruik in het N.T. :
Iôannès
(Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès
(Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean
. E. John .
Johannes de Doper : Mc (5) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
6,24 . (4) Mc
6,25 . (5) Mc
11,30 .
Een vorm van Jôhannès (Johannes) de Doper in Mc (15) : (1) Mc
1,4 (nom. Iôannès) . (2) Mc 1,6 (nom. Iôannès)
. (3) Mc
1,9 (gen. Iôannou) . (4) Mc
1,14 (acc. Iôannèn) . (5) Mc
2,18 (gen. Iôannou) . (6) Mc
6,14 (nom. Iôannès) . (7) Mc
6,16 (acc. Iôannèn) . (8) Mc
6,17 (acc. Iôannèn) . (9) Mc
6,18 (nom. Iôannès) . (10) Mc
6,20 (acc. Iôannèn) . (11) Mc
6,24 (gen. Iôannou) . (12) Mc
6,25 (gen. Iôannou) . (13) Mc
8,28 (acc. Iôannèn) . (14) Mc
11,30 (gen. Iôannou) . (15) Mc
11,32 (acc. Iôannèn) .
| Mc 11,31 - Mc 11,31 : 287. Vraag naar Jezus'macht - Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,27 - Mc 11,28 - Mc 11,29 - Mc 11,30 - Mc 11,31 - Mc 11,32 - Mc 11,33 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,31 .
1. 9. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
12. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
| Mc 11,32 - Mc 11,32 : 287. Vraag naar Jezus'macht - Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,27 - Mc 11,28 - Mc 11,29 - Mc 11,30 - Mc 11,31 - Mc 11,32 - Mc 11,33 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,32 .
Mc 11,32.5.
ind. imperf. 3de pers. mv. efobounto (zij vreesden) van het werkw. fobeomai
(vrezen) . Taalgebruik in het N.T. : fobeomai
(vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in Mc : fobeomai
(vrezen, door fobieën bevangen worden) .
Mc (5) : (1) Mc
9,32 . (2) Mc
10,32 . (3) Mc
11,18 . (4) Mc
11,32 . (5) Mc
16,8 .
Mc 11,32.8. nom. mann. mv. hapantes van het bijvoegl. naamw. hapas (ieder, allen, alles) . Taalgebruik in het N.T. : hapas (ieder, allen, alles) . Taalgebruik in Mc : hapas (ieder, allen, alles) . Mc (2) : (1) Mc 1,27 . (2) Mc 11,32 . Een vorm van hapas (ieder, allen, alles) in Mc in 4 verzen : (1) Mc 1,27 . (2) Mc 8,25 . (3) Mc 11,32 . (4) Mc 16,15 .
Mc 11,32.9.
gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar
(want) . Taalgebruik in Mc : gar
(want) . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc 11 (3) : (1) Mc
11,13 . (2) Mc
11,18 . (3) Mc
11,32 .
Mc 11,32.14.
hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti
(dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti
(dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 11 (3) : (1) Mc
11,23 . (2) Mc
11,24 . (3) Mc
11,32 .
Mc 11,32.15.
nom. mann. enk. profètès (profeet) . Taalgebruik in het N.T. :
profètès
(profeet) . Taalgebruik in Mc : profètès
(profeet) .
Mc (3) : (1) Mc
6,4 . (2) Mc
6,15 . (3) Mc
11,32 . Een vorm van profètès (profeet) in Mc in 5 verzen
: (1) Mc
1,2 . (2) Mc
6,4 . (3) Mc
6,15 (2 vormen) . (4) Mc
8,28 . (5) Mc
11,32 .
| Mc 11,33 - Mc 11,33 : 287. Vraag naar Jezus'macht - Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,27 - Mc 11,28 - Mc 11,29 - Mc 11,30 - Mc 11,31 - Mc 11,32 - Mc 11,33 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 11,33 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen : (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
3. bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. :
bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (4) : (1) Mc
11,15 . (2) Mc
11,23 . (3) Mc
11,27 . (4) Mc
11,33 .
8. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen
: (1) Mc
11,10 . (2) Mc
11,26 . (3) Mc
11,30 . (4) Mc
11,32 .
9. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (11) : (1) Mc
11,3 . (2) Mc
11,6 . (3) Mc
11,9 . (4) Mc
11,13 . (5) Mc
11,18 . (6) Mc
11,21 . (7) Mc
11,22 . (8) Mc
11,23 . (9) Mc
11,25 . (10) Mc
11,29 . (11) Mc
11,33 .
10. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) . Mc 11 (4) : (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,22 . (3) Mc 11,29 . (4) Mc 11,33 .
8. - 10. kai ho ièsous (en Jezus) . Vooraan de zin . Mc (4) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 11,33 . (3) Mc 12,34 . (4) Mc 13,2 .
11. actief indicatief praesens derde persoon enkelvoud legei (hij zegt) van
het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les ,
Fr. leçon .
Mc (62) . Mc 11 (4) : (1) Mc
11,2 . (2) Mc
11,21 . (3) Mc
11,22 . (4) Mc
11,33 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc in 10 verzen , van eipon
(ik zei) in 7 verzen .
17. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 11 (10) : (1) Mc
11,9 . (2) Mc
11,10 . (3) Mc
11,13 . (4) Mc
11,15. (5) Mc
11,23 . (6) Mc
11,25 . (7) Mc
11,27 . (8) Mc
11,28 . (9) Mc
11,29 . (10) Mc
11,33 .
GRIEKSE TEKST
1kai ote eggizousin eis ierosoluma eis bèthfagè kai bèthanian pros to oros tôn elaiôn, apostellei duo tôn mathètôn autou 2kai legei autois, upagete eis tèn kômèn tèn katenanti umôn, kai euthus eisporeuomenoi eis autèn eurèsete pôlon dedemenon ef on oudeis oupô anthrôpôn ekathisen: lusate auton kai ferete. 3kai ean tis umin eipè, ti poieite touto; eipate, o kurios autou chreian echei, kai euthus auton apostellei palin ôde. 4kai apèlthon kai euron pôlon dedemenon pros thuran exô epi tou amfodou, kai luousin auton. 5kai tines tôn ekei estèkotôn elegon autois, ti poieite luontes ton pôlon; 6oi de eipan autois kathôs eipen o ièsous: kai afèkan autous. 7kai ferousin ton pôlon pros ton ièsoun, kai epiballousin autô ta imatia autôn, kai ekathisen ep auton. 8kai polloi ta imatia autôn estrôsan eis tèn odon, alloi de stibadas kopsantes ek tôn agrôn. 9kai oi proagontes kai oi akolouthountes ekrazon, ôsanna: eulogèmenos o erchomenos en onomati kuriou: 10eulogèmenè è erchomenè basileia tou patros èmôn dauid: ôsanna en tois upsistois. 11kai eisèlthen eis ierosoluma eis to ieron: kai periblepsamenos panta, opsias èdè ousès tès ôras, exèlthen eis bèthanian meta tôn dôdeka. 12kai tè epaurion exelthontôn autôn apo bèthanias epeinasen. 13kai idôn sukèn apo makrothen echousan fulla èlthen ei ara ti eurèsei en autè, kai elthôn ep autèn ouden euren ei mè fulla: o gar kairos ouk èn sukôn. 14kai apokritheis eipen autè, mèketi eis ton aiôna ek sou mèdeis karpon fagoi. kai èkouon oi mathètai autou. 15kai erchontai eis ierosoluma. kai eiselthôn eis to ieron èrxato ekballein tous pôlountas kai tous agorazontas en tô ierô, kai tas trapezas tôn kollubistôn kai tas kathedras tôn pôlountôn tas peristeras katestrepsen, 16kai ouk èfien ina tis dienegkè skeuos dia tou ierou. 17kai edidasken kai elegen autois, ou gegraptai oti o oikos mou oikos proseuchès klèthèsetai pasin tois ethnesin; umeis de pepoièkate auton spèlaion lèstôn. 18kai èkousan oi archiereis kai oi grammateis, kai ezètoun pôs auton apolesôsin: efobounto gar auton, pas gar o ochlos exeplèsseto epi tè didachè autou. 19kai otan opse egeneto, exeporeuonto exô tès poleôs. 20kai paraporeuomenoi prôi eidon tèn sukèn exèrammenèn ek rizôn. 21kai anamnèstheis o petros legei autô, rabbi, ide è sukè èn katèrasô exèrantai. 22kai apokritheis o ièsous legei autois, echete pistin theou, 23amèn legô umin oti os an eipè tô orei toutô, arthèti kai blèthèti eis tèn thalassan, kai mè diakrithè en tè kardia autou alla pisteuè oti o lalei ginetai, estai autô. 24dia touto legô umin, panta osa proseuchesthe kai aiteisthe, pisteuete oti elabete, kai estai umin. 25kai otan stèkete proseuchomenoi, afiete ei ti echete kata tinos, ina kai o patèr umôn o en tois ouranois afè umin ta paraptômata umôn. 26kai 27erchontai palin eis ierosoluma. kai en tô ierô peripatountos autou erchontai pros auton oi archiereis kai oi grammateis kai oi presbuteroi 28kai elegon autô, en poia exousia tauta poieis; è tis soi edôken tèn exousian tautèn ina tauta poiès; 29o de ièsous eipen autois, eperôtèsô umas ena logon, kai apokrithète moi, kai erô umin en poia exousia tauta poiô: 30to baptisma to iôannou ex ouranou èn è ex anthrôpôn; apokrithète moi. 31kai dielogizonto pros eautous legontes, ean eipômen, ex ouranou, erei, dia ti [oun] ouk episteusate autô; 32alla eipômen, ex anthrôpôn; efobounto ton ochlon, apantes gar eichon ton iôannèn ontôs oti profètès èn. 33kai apokrithentes tô ièsou legousin, ouk oidamen. kai o ièsous legei autois, oude egô legô umin en poia exousia tauta poiô.
VULGAAT
1 et cum adpropinquarent Hierosolymae et Bethaniae ad montem Olivarum mittit duos ex discipulis suis 2 et ait illis ite in castellum quod est contra vos et statim introeuntes illuc invenietis pullum ligatum super quem nemo adhuc hominum sedit solvite illum et adducite 3 et si quis vobis dixerit quid facitis dicite quia Domino necessarius est et continuo illum dimittet huc 4 et abeuntes invenerunt pullum ligatum ante ianuam foris in bivio et solvunt eum 5 et quidam de illic stantibus dicebant illis quid facitis solventes pullum 6 qui dixerunt eis sicut praeceperat illis Iesus et dimiserunt eis 7 et duxerunt pullum ad Iesum et inponunt illi vestimenta sua et sedit super eo 8 multi autem vestimenta sua straverunt in via alii autem frondes caedebant de arboribus et sternebant in via 9 et qui praeibant et qui sequebantur clamabant dicentes osanna benedictus qui venit in nomine Domini 10 benedictum quod venit regnum patris nostri David osanna in excelsis 11 et introivit Hierosolyma in templum et circumspectis omnibus cum iam vespera esset hora exivit in Bethania cum duodecim 12 et alia die cum exirent a Bethania esuriit 13 cumque vidisset a longe ficum habentem folia venit si quid forte inveniret in ea et cum venisset ad eam nihil invenit praeter folia non enim erat tempus ficorum 14 et respondens dixit ei iam non amplius in aeternum quisquam fructum ex te manducet et audiebant discipuli eius 15 et veniunt Hierosolymam et cum introisset templum coepit eicere vendentes et ementes in templo et mensas nummulariorum et cathedras vendentium columbas evertit 16 et non sinebat ut quisquam vas transferret per templum 17 et docebat dicens eis non scriptum est quia domus mea domus orationis vocabitur omnibus gentibus vos autem fecistis eam speluncam latronum 18 quo audito principes sacerdotum et scribae quaerebant quomodo eum perderent timebant enim eum quoniam universa turba admirabatur super doctrina eius 19 et cum vespera facta esset egrediebatur de civitate 20 et cum mane transirent viderunt ficum aridam factam a radicibus 21 et recordatus Petrus dicit ei rabbi ecce ficus cui maledixisti aruit 22 et respondens Iesus ait illis habete fidem Dei 23 amen dico vobis quicumque dixerit huic monti tollere et mittere in mare et non haesitaverit in corde suo sed crediderit quia quodcumque dixerit fiat fiet ei 24 propterea dico vobis omnia quaecumque orantes petitis credite quia accipietis et veniet vobis 25 et cum stabitis ad orandum dimittite si quid habetis adversus aliquem ut et Pater vester qui in caelis est dimittat vobis peccata vestra 26 quod si vos non dimiseritis nec Pater vester qui in caelis est dimittet vobis peccata vestra 27 et veniunt rursus Hierosolymam et cum ambularet in templo accedunt ad eum summi sacerdotes et scribae et seniores 28 et dicunt illi in qua potestate haec facis et quis tibi dedit hanc potestatem ut ista facias 29 Iesus autem respondens ait illis interrogabo vos et ego unum verbum et respondete mihi et dicam vobis in qua potestate haec faciam 30 baptismum Iohannis de caelo erat an ex hominibus respondete mihi 31 at illi cogitabant secum dicentes si dixerimus de caelo dicet quare ergo non credidistis ei 32 sed dicemus ex hominibus timebant populum omnes enim habebant Iohannem quia vere propheta esset 33 et respondentes dicunt Iesu nescimus respondens Iesus ait illis neque ego dico vobis in qua potestate haec faciam
Willibrordvertaling
Intocht in Jeruzalem
[1] Toen ze dicht bij Jeruzalem waren, bij Betfage en Betanië*, tegen de
Olijfberg aan, stuurde Hij twee* van zijn leerlingen eropuit [2] met de opdracht:
‘Ga naar het dorp daar vlak voor je. Meteen als je er binnenkomt, zul
je een veulen vinden dat vastgebonden staat en waarop nog geen mens gezeten
heeft. Maak het los en neem het mee. [3] Als iemand tegen jullie zegt: “Wat
doen jullie daar?” zeg dan: “De Heer heeft het nodig; Hij stuurt
het meteen weer terug.” ’ [4] Ze gingen weg en vonden een veulen,
vastgebonden bij een deur, buiten aan de straat, en ze maakten het los. [5]
Sommige omstanders zeiden tegen hen: ‘Wat doen jullie daar, waarom maken
jullie dat veulen los?’ [6] Ze antwoordden hun zoals Jezus gezegd had.
En ze lieten hen hun gang gaan. [7] Ze namen het veulen mee naar Jezus, wierpen
er hun kleren overheen, en Hij ging erop zitten. [8] Velen spreidden hun kleren
uit op de weg, anderen deden hetzelfde met twijgen die ze op het veld gesneden
hadden. [9] Zowel de mensen die voorop gingen als die volgden, schreeuwden:
‘Hosanna*!
Gezegend is Hij die komt
in de naam van de Heer.
[10] Gezegend het koninkrijk
dat komen gaat,
van onze vader David.
Hosanna in de hoogste hemel!
[11] Hij trok Jeruzalem binnen en ging naar de tempel. Toen Hij alles in ogenschouw genomen had, ging Hij, omdat het al laat was, samen met de twaalf naar Betanië.
Tempel en vijgenboom
[12] Toen ze de volgende dag uit Betanië kwamen, kreeg Hij honger. [13]
In de verte zag Hij een vijgenboom, die volop in blad stond, en Hij ging kijken
of Hij er misschien iets aan zou vinden. Toen Hij erbij kwam, vond Hij niets
dan blad. Want het was niet de tijd van de vijgen. [14] Hij zei tegen die boom:
‘Laat* niemand ooit nog vruchten van je eten.’ Zijn leerlingen hoorden
dat.
[15] Ze kwamen in Jeruzalem aan. Hij ging de tempel binnen en begon de mensen
die daar kochten en verkochten weg te jagen; de tafels van de geldwisselaars
en de stoelen van de duivenverkopers gooide Hij om, [16] en Hij liet niet toe
dat iemand iets vervoerde over het tempelplein. [17] Hij leerde hun: ‘Er
staat toch geschreven: Mijn huis zal een huis van gebed heten voor alle volken?
Maar u hebt er een rovershol van gemaakt.’ [18] De hogepriesters en de
schriftgeleerden hoorden dat, en zij zochten een manier om Hem uit de weg te
ruimen. Ze waren namelijk bang voor Hem, omdat het hele volk geestdriftig* was
over zijn onderricht. [19] Toen het avond werd, gingen ze de stad uit.
[20] Toen ze ’s morgens vroeg langs de vijgenboom kwamen, zagen ze dat
hij tot op de wortel verdord was. [21] Petrus herinnerde het zich en zei tegen
Hem: ‘Rabbi*, kijk, de vijgenboom die U vervloekt hebt, is verdord.’
[22] Jezus antwoordde hem: ‘Heb vertrouwen in God. [23] Ik verzeker jullie:
ieder die tot die berg zegt: “Verhef je en stort je in zee”, en
geen twijfel heeft in zijn hart, maar erop vertrouwt dat zal gebeuren wat hij
zegt, hem zal het ten deel vallen. [24] Daarom zeg Ik jullie: alles waar je
om bidt en vraagt, vertrouw erop dat je het al ontvangen hebt, en het zal je
ten deel vallen. [25] En wanneer je staat te bidden, vergeef dan degene tegen
wie je iets hebt, opdat je Vader in de hemel ook jullie je overtredingen vergeeft.’*
Vraag naar Jezus’ bevoegdheid
[27] Ze kwamen weer in Jeruzalem. Toen Hij in de tempel rondliep, kwamen de
hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten naar Hem toe [28] en zeiden tegen
Hem: ‘Met welke bevoegdheid doet U dit? Of wie heeft U de bevoegdheid
gegeven om dit te doen?’ [29] Maar Jezus zei hun: ‘Ik zal u één
vraag stellen; geef Me daarop antwoord, dan zal Ik u zeggen met welke bevoegdheid
Ik dit doe. [30] De doop van Johannes, kwam die van de hemel of van de mensen?
Geef Me daarop eens antwoord.’ [31] Ze overlegden met elkaar en zeiden:
‘Als we antwoorden: “Van de hemel”, zal Hij zeggen: “Waarom
hebt u hem dan geen geloof geschonken?” [32] Maar moeten we dan antwoorden:
“Van de mensen”?’ Ze waren bang voor de menigte, want allemaal
meenden ze dat Johannes inderdaad een profeet was geweest. [33] Ze gaven Jezus
als antwoord: ‘We weten het niet.’ Daarop zei Jezus tegen hen: ‘Dan
zeg Ik u ook niet met welke bevoegdheid Ik dit doe.’