²MARCUSEVANGELIE ELFDE HOOFDSTUK - MC 11 -
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -

- Marcus : overzicht .
- Marcus taalgebruik - Marcus taalgebruik A - Marcus taalgebruik B - Marcus taalgebruik C - Marcus taalgebruik D - Marcus taalgebruik E - Marcus taalgebruik F - Marcus taalgebruik G - Marcus taalgebruik H - Marcus taalgebruik I - Marcus taalgebruik J - Marcus taalgebruik K - Marcus taalgebruik L - Marcus taalgebruik M - Marcus taalgebruik N - Marcus taalgebruik O - Marcus taalgebruik P - Marcus taalgebruik Q - Marcus taalgebruik R - Marcus taalgebruik S - Marcus taalgebruik T - Marcus taalgebruik U - Marcus taalgebruik V - Marcus taalgebruik W - Marcus taalgebruik X - Marcus taalgebruik Y - Marcus taalgebruik Z -
- Mc : commentaar .

Overzicht van het N.T. : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

- Mc : overzicht , Mc : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Mc : commentaar

Overzicht van het Marcusevangelie :   Mc 1 , Mc 2 , Mc 3 , Mc 4 , Mc 5 , Mc 6 , Mc 7 , Mc 8 , Mc 9 , Mc 10 , Mc 11 , Mc 12 , Mc 13 , Mc 14 , Mc 15 , Mc 16
Tekstuitleg per periccope - Mc 11,1-10 - Mc 11,11 - Mc 11,12-14 - Mc 11,15-17 - Mc 11,18-19 - Mc 11,20-25 - Mc 11,27-33
Tekstuitleg vers per vers - Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 - Mc 11,11 - Mc 11,12 - Mc 11,13 - Mc 11,14 - Mc 11,15 - Mc 11,16 - Mc 11,17 - Mc 11,18 - Mc 11,19 - Mc 11,20 - Mc 11,21 - Mc 11,22 - Mc 11,23 - Mc 11,24 - Mc 11,25 - Mc 11,26 - Mc 11,27 - Mc 11,28 - Mc 11,29 - Mc 11,30 - Mc 11,31 - Mc 11,32 - Mc 11,33 -


http://www.bible-history.com/isbe/ http://www.sacrednamebible.com/kjvstrongs/index2.htm Studiebijbel 3 Luther-Bibel 1984      
bijbelvertalingen Lexilogos De Griekse bijbel bijbelweb info-bible interBible http://www.diebibel.de/
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem (2) 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - BIJ DE HAND -

HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat
- erchomai (gaan, komen). Marcus: zie Mc 11,1 . Erchontai (zij gaan) . Erchetai (hij gaat / komt) In 16 verzen bij Marcus, zie Mc 11,1 . In 7 verzen is Jezus onderwerp : (1) Mc 3,20 . (2) Mc 6,1 . (3) Mc 6,48 . (4) Mc 10,1 . (5) Mc 14,17 . (6) Mc 14,37 . (7) Mc 14,41 . In Mc 1,40 gaat een zieke naar Jezus. In Mc 5,22 gaat een synagoge-overste om genezing vragen voor zijn dienaar. Slechts in 2 verzen wordt erchetai (hij gaat / komt) + voorzetsel pros (naar) gebruikt : (1) Mc 1,40 . (2) Mc 6,48 . De andere teksten : (10) Mc 1,7 (in een citaat) . (11) Mc 3,31 (de moeder van Jezus) . (12) Mc 4,15 (de satan) . (13) Mc 4,15 (de standaard) . (14) Mc 13,35 (de huisheer) . (15) Mc 14,66 (één van de dienstmeisjes) . (16) Mc 15,36 (een omstaander zegt).- èrcheto (hij ging / kwam) . èrchonto (zij gingen / kwamen) .
- exousia (macht) bij Marcus, zie Mc 11,27 .

Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik


Bibliografie

Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

- OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het elfde hoofdstuk van het Marcusevangelie :
279. Intocht in Jeruzalem : Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -
281. Jezus gaat Jerzalem binnen : Mc 11,11 - Mt 21,10-11 -
282. Vervloeking van de vijgeboom : Mc 11,12-14 - Mt 21,18-19 -
283. Tempelreiniging : Mc 11,15-17 - Mt 21,12-13 - Lc 19,45-46 -
284. Jezus in de tempel. Terugkeer naar Betanië : Mc 11,18-19 - Mt 21,14-17 - Lc 19,47-48 -
286. De verdorde vijgeboom en de kracht van het geloof : Mc 11,20-25 - Mt 21,20-22 -
287. Vraag naar Jezus'macht : Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -

De universele geestelijke leider Jezus komt in het zicht van Jeruzalem, de toenmalige stad van de verhoopte universaliteit. De intrede van Jezus wordt voorgesteld in de lijn van koning David, die Noord en Zuid met elkaar verenigde. Dan was er nog geen sprake van een stenen tempel van JHWH. Jezus zal Jeruzalem binnengaan op de wijze waarop toen het gezag functioneerde, nl. met een koning. Hij zal als een koning de stad bionnentreden. Niet alleen als, maar effectief: hij is koning (of het gezag in de vorm van toen). Die intrede komt er zo maar niet. Ze wordt voorbereid.

Het is lente. De bomen staan in blad. Er zijn nog geen vruchten. Ze treffen er een vijgeboom aan, wel duizend jaar oud. Die vloek over die boom lijkt onrechtvaardig. Maar het verhaal gaat verder en wijst ons in welke richting we moeten zoeken. Jezus gaat naar de tempel en gooit geldwisselaars en handelaars eruit. De tempel lijkt een markt te zijn. Met geld kan je kopen en zo offeren, maar de innerlijke gesteldheid lijkt te ontbreken. Je kunt God omkopen. De priesters en de farizeeën zoeken een plan om Jezus uit de weg te ruimen. We hoorden het vroeger al eens in Mc 3,6. ' Anderendaags komen ze voorbij die vervloekte vijgeboom. Hij is tot op de wortel verdord. De berg Sion, de tempel en de tempeldienst zullen verdwijnen. Zo zal die berg verdwijnen. Geen tempel meer met eredienst. Het is niet meer nodig met geld en dieren de zonden af te kopen, zonden kan je aan elkaar vergeven. Daarvoor heb je een diep geloof en vertrouwen nodig.

Het verhaal van de vijgeboom is een duplikaat van het verhaal van de verdore hand (Mc 3,1-6). Die hand kon niet meer geven en had geen toekomst meer. Het is een beeld van de farizeeën, daar aanwezig in de synagoge. De verdorde hand symboliseert sterven, doodgaan en verdwijnen. De genezing van de verdorde hand wijst op geven, vruchtbaarheid, toekomst. Het gaat om dood en leven. De farizeeën maken plannen om Jezus te doden.

De vraag rijst: Met welke bevoegdheid doe je dat of anders uitgedrukt: wat is jouw drijfveer, van waaruit doe je dat, vanwaar die energie en waaraan wil je die energie geven.

 


279. Intocht in Jeruzalem : Mc 11,1-10 - Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 -

       
  kai ote eggizousin eis ierosoluma eis bèthfagè kai bèthanian pros to oros tôn elaiôn, apostellei duo tôn mathètôn autou 2kai legei autois, upagete eis tèn kômèn tèn katenanti umôn, kai euthus eisporeuomenoi eis autèn eurèsete pôlon dedemenon ef on oudeis oupô anthrôpôn ekathisen: lusate auton kai ferete. 3kai ean tis umin eipè, ti poieite touto; eipate, o kurios autou chreian echei, kai euthus auton apostellei palin ôde. 4kai apèlthon kai euron pôlon dedemenon pros thuran exô epi tou amfodou, kai luousin auton. 5kai tines tôn ekei estèkotôn elegon autois, ti poieite luontes ton pôlon; 6oi de eipan autois kathôs eipen o ièsous: kai afèkan autous.    
       
       
       
       
279. Intocht in Jeruzalem : Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -
1. Jezus 2. twee leerlingen 3. omstaanders 4. twee leerlingen 5. omstaanders 6. twee leerlingen 7. Jezus  8. velen  9. de voorlopers en de volgers  
  Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 Mc 11,4 Mc 11,5 Mc 11,6a Mc 11,6b Mc 11,7a Mc 11,7b Mc 11,8 Mc 11,9
  kai (en) kai (en) kai (en) oi de (zij echter) kai (en) kai (en) kai (en)  kai (en) hoi de ochloi (de menigten echter)

Het verhaal bestaat uit vele personages: Jezus en zijn leerlingen, twee leerlingen, de omstaanders bij de ezel en het veulen, velen, voorlopers en volgers. Het verhaal bestaat uit 9 scènes. Bij iedere overgang van personage wordt και = kai: en gebruikt behalve in Mc 11,6a en Mc 11,9 .

We constateren dat Marcus vaak de tegenwoordige tijd gebruikt. erchontai (zij gaan). De indicatief praesens 3de persoon meervoud wendt Marcus in 12 verzen aan; in 6 verzen is Jezus en zijn leerlingen onderwerp; in 5 gevallen gaan de personages die onderwerp zijn, naar Jezus; in 1 geval gaan de vrouwen naar het graf. In 11 van de 12 gevallen begint de zin met kai (en). Betekent dit dat er geen verandering van personage is? Komen deze zinnen bij het begin of in de loop van de pericope? In een aantal gevallen hebben we met over-gangs (gaan!)verzen te maken. En vermits de overgang naar een bepaalde plaats gebeurt, is het vanzelfsprekend dat de overgang van ergens elders gebeurt. Van het meer van Galilea (Mc 1,16 ) naar Kafarnaüm (Mc 1,21 - Mc 1,21 -).

Mc 11,1 - Mc 11,1 -- Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Kai hote eggizousin eis Hierosoluma eis Bèthfagè kai Bèthanian pros to horos tôn Elaiôn apostellei duo tôn mathètôn autou et cum adpropinquarent Hierosolymae et Bethaniae ad montem Olivarum mittit duos ex discipulis suis En toen ze Jeruzalem naderden, in Betfage en Betanië, bij de berg van de Olijven, zond hij twee van zijn leerlingen: Toen zij Jerusalem naderden in de richting van Betfage en Betanië op de Olijfberg, zond Hij twee van zijn leerlingen uit        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,1. Het vers Mc 11,1 telt 19 woorden en 97 letters. De getalswaarde van Mc 11,1 is 11191 (19 X 10 X 31).

Mc 11,1.1. και = kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë. Arabisch: اَل = ´al.

kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

Mc 11,1.2. hote (toen) . Taalgebruik in het N.T. : hote (toen) . Taalgebruik in Mc : hote (toen) . Voegwoord van tijd .
Mc (12) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 2,25 . (3) Mc 4,6 . (4) Mc 4,10 . (5) Mc 6,21 . (6) Mc 7,17 . (7) Mc 8,19 . (8) Mc 8,20 . (9) Mc 11,1 . (10) Mc 14,12 . (11) Mc 15,20 . (12) Mc 15,41 .

Mc 11,1.1. - 2. kai hote (en toen) . Mc (6) : (1) Mc 4,6 . (2) Mc 4,10 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,1 . (5) Mc 15,20 . (6) Mc 15,41 .

Mc 11,1.3. act. ind. praes. 3de pers. mv. eggizousin (zij naderen) van eggizô (naderen) . Taalgebruik in het N.T. : eggizô (naderen) . Taalgebruik in Mc : eggizô (naderen) . In Mc hapax : Mc 11,1 . In Mc 11,1 zouden we erchontai (zij gaan) in plaats van het voor Mc hapaxvorm eggizousin (zij naderen) verwachten . Dat is niet het geval . Zoals dat ook niet het geval was in Mc 1,21 , waar we eisporeuontai (zij begeven zich op weg naar) lezen :
- Mc 1,21 : kai eisporeuontai eis Kafarnanaoum = en zij begeven zich op weg naar Kafarnaüm .
- Mc 11,1 : kai hote eggizousin eis Hierosoluma = en dan naderen zij tot Jeruzalem .

Mc 11,1.4. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 11 (8) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,2 . (3) Mc 11,8 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,14 . (6) Mc 11,15 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 11,27 .

Mc 11,1.5. Hierosuluma (Jeruzalem) wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel ; in 3 verzen door het voorzetsel apo (van-weg) + gen. (Hierosolumôn) , in 7 door eis (naar) + acc. (Hierosoluma) . Taalgebruik in het N.T. : Hierosoluma (Jeruzalem)  . Taalgebruik in Mc : Hierosoluma (Jeruzalem) .
- apo Hierosolumôn (van Jeruzalem) . Mc (3) : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 3,22 . (3) Mc 7,1 .
- eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) . Mc (7) : (1) Mc 10,32 . (2) Mc 10,33 . (3) Mc 11,1 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,15 . (6) Mc 11,27 . (7) Mc 15,41 .

Mc 11,1.6. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 11 (8) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,2 . (3) Mc 11,8 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,14 . (6) Mc 11,15 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 11,27 .

Mc 11,1.8. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 ..

9. bèthania (Betanië) . Taalgebruik in het N.T. : bèthania (Bethanië) . Taalgebruik in Mc : bèthania (Bethanië) . Plaatsnaam . De getalwaarde van het woord Bèthania (Betanië) = 2 + 8 + 9 + 1 + 50 + 10 + 1 = 81 . Een vorm van Betanië (4) .
- apo bèthanias (van Betanië) . Mc (1) : Mc 11,12 .
- eis bèthanian (naar Bethanië) . Mc (2) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,11 .
- en bèthania(i) (in Betanië) . Mc (1) : Mc 14,3 .

11. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (4) :  (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,11 . (3) Mc 11,15 . (4) Mc 11,30 .

19. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 11 (6) :  (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,3 . (3) Mc 11,14 . (4) Mc 11,18 . (5) Mc 11,23 . (6) Mc 11,27 .

15. - 19. apostellei duo tôn mathètôn autou (hij zendt twee van zijn leerlingen) . Mc (2) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 14,13 .

Duality

- apostellei duo tôn mathètôn autou (hij zendt twee van zijn leerlingen) . Mc (2) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 14,13 .

Mc 11,2 - Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2kai legei autois, upagete eis tèn kômèn tèn katenanti umôn, kai euthus eisporeuomenoi eis autèn eurèsete pôlon dedemenon ef on oudeis oupô anthrôpôn ekathisen: lusate auton kai ferete. 2 et ait illis ite in castellum quod est contra vos et statim introeuntes illuc invenietis pullum ligatum super quem nemo adhuc hominum sedit solvite illum et adducite            

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,2 . Variable lezingen . O.a. 28 woorden .

Mc 11,2.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

2. actief indicatief praesens derde persoon enkelvoud legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (62) . Mc 11 (4) : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 11,21 . (3) Mc 11,22 . (4) Mc 11,33 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc in 10 verzen , van eipon (ik zei) in 7 verzen .

4. act. imperat.  praes. 2de pers. mv. hupagete (ga weg, vertrek) van het werkw. hupagô (onder iets brengen, weggaan) . Taalgebruik in het N.T. : hupagô (onder iets brengen, weggaan) . Taalgebruik in Mc : hupagô (onder iets brengen, weggaan) .
Mc (4 : vierkant ABCD) : (1) Mc 6,38 (A) . (2) Mc 11,2 (B) . (3) Mc 14,13 (C) . (4) Mc 16,7 (D) . In 3 verzen is het een woord van Jezus : (1) Mc 6,38 . (2) Mc 11,2 . (3) Mc 14,13 .
- hupagete (ga) gevolgd door een imperatief 2de pers. mv. . (1) Mc 6,38 : hupagete idete (ga , zie = ga zien) . (2) Mc 16,7 : hupagete eipate (ga, zeg = ga zeggen) . Zijde A-D van het vierkant ABCD .
- kai legei autois hupagete eis tèn kômèn / polin (en hij zegt hen : ga naar het dorp / de stad) . Mc (2) : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 14,13 . Zijde BC van het vierkant ABCD .

Mc 11,2.5. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mc 11 (8) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,2 . (3) Mc 11,8 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,14 . (6) Mc 11,15 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 11,27 .

1. - 7. kai legei autois hupagete eis tèn kômèn / polin (en hij zegt hen : ga naar het dorp / de stad) . Mc (2) : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 14,13 .

9.

Mc 11,2.11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

Mc 11,2.14. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 11 (8) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,2 . (3) Mc 11,8 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,14 . (6) Mc 11,15 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 11,27 .

Mc 11,2.15. pers. voornaamw. acc. vr. enk. autèn (haar) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (14) : (1) Mc 1,31 . (2) Mc 4,30 . (3) Mc 6,17 . (4) Mc 6,26 . (5) Mc 6,28 . (6) Mc 8,35 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 10,11 . (9) Mc 10,15 . (10) Mc 11,2 . (11) Mc 11,13 . (12) Mc 12,21 . (13) Mc 12,23 . (14) Mc 14,6 .

16.

21. nom. mann. enk. ουδεις = oudeis (niemand) . Taalgebruik in het NT : oudeis (niemand) . Taalgebruik in de LXX : oudeis (niemand) . Bijbel (136) . OT (41) . NT (95) . Mc (11) : (1) Mc 2,21 . (2) Mc 2,22 . (3) Mc 3,27 . (4) Mc 5,3 . (5) Mc 5,4 . (6) Mc 9,39 . (7) Mc 10,18 . (8) Mc 10,29 . (9) Mc 11,2 . (10) Mc 12,34 . (11) Mc 13,32 . Een vorm van ουδεις = oudeis (niemand) in het OT (270) , in het NT (226) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. mann. enk. oudeis   136 41 95   11 18                 

26. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 11 (7) : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 11,3 . (3) Mc 11,4 . (4) Mc 11,7 . (5) Mc 11,17 . (6) Mc 11,18 . (7) Mc 11,27 .

Mc 11,2.27. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

Duality

- kai legei autois hupagete eis tèn kômèn / polin (en hij zegt hen : ga naar het dorp / de stad) . Mc (2) : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 14,13 .

Mc 11,3- Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3kai ean tis umin eipè, ti poieite touto; eipate, o kurios autou chreian echei, kai euthus auton apostellei palin ôde. 3 et si quis vobis dixerit quid facitis dicite quia Domino necessarius est et continuo illum dimittet huc            

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,3 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

10. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (11) :  (1) Mc 11,3 . (2) Mc 11,6 . (3) Mc 11,9 . (4) Mc 11,13 . (5) Mc 11,18 . (6) Mc 11,21 . (7) Mc 11,22 . (8) Mc 11,23 . (9) Mc 11,25 . (10) Mc 11,29 . (11) Mc 11,33 .

12. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 11 (6) :  (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,3 . (3) Mc 11,14 . (4) Mc 11,18 . (5) Mc 11,23 . (6) Mc 11,27 .

15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

17. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 11 (7) : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 11,3 . (3) Mc 11,4 . (4) Mc 11,7 . (5) Mc 11,17 . (6) Mc 11,18 . (7) Mc 11,27 .

Mc 11,4- Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4kai apèlthon kai euron pôlon dedemenon pros thuran exô epi tou amfodou, kai luousin auton. 4 et abeuntes invenerunt pullum ligatum ante ianuam foris in bivio et solvunt eum            

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,4 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

3. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

7. - 8. pros thuran (bij een deur) . Mc (3) : (1) Mc 1,33 . (2) Mc 2,2 . (3) Mc 11,4 .

15. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 11 (7) : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 11,3 . (3) Mc 11,4 . (4) Mc 11,7 . (5) Mc 11,17 . (6) Mc 11,18 . (7) Mc 11,27 .

Mc 11,5 - Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5kai tines tôn ekei estèkotôn elegon autois, ti poieite luontes ton pôlon; 5 et quidam de illic stantibus dicebant illis quid facitis solventes pullum            

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,5 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

4. ekei (daar, hier) . Taalgebruik in het N.T. : ekei (daar) . Taalgebruik in Mc : ekei (daar) . Ned. hier . Fr. ici . Mc (11) : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 3,1 . (4) Mc 5,11 . (5) Mc 6,5 . (6) Mc 6,10 . (7) Mc 6,33 . (8) Mc 11,5 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 14,15 . (11) Mc 16,7 .

Mc 11,6 - Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
6oi de eipan autois kathôs eipen o ièsous: kai afèkan autous. 6 qui dixerunt eis sicut praeceperat illis Iesus et dimiserunt eis            

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,6 .

1. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 11 (5) :  (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,9 . (3) Mc 11,14 . (4) Mc 11,18 . (5) Mc 11,27 .

7. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (11) :  (1) Mc 11,3 . (2) Mc 11,6 . (3) Mc 11,9 . (4) Mc 11,13 . (5) Mc 11,18 . (6) Mc 11,21 . (7) Mc 11,22 . (8) Mc 11,23 . (9) Mc 11,25 . (10) Mc 11,29 . (11) Mc 11,33 .

9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

11. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 11 (1) : Mc 11,6 .

Mc 11,7 - Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7kai ferousin ton pôlon pros ton ièsoun, kai epiballousin autô ta imatia autôn, kai ekathisen ep auton. 7 et duxerunt pullum ad Iesum et inponunt illi vestimenta sua et sedit super eo            

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,7 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

2. act. indic. praes. 3de pers. mv. ferousin (zij voeren) van het werkw. ferô (voeren, dragen) . Taalgebruik in het N.T. : ferô (voeren, dragen) . Taalgebruik in Mc : ferô (voeren, dragen) .
Mc (4) : (1) Mc 7,32 . (2) Mc 8,22 . (3) Mc 11,7 . (4) Mc 15,22 .

5. - 7. pros ton Ièsoun (naar Jezus) . Mc (5) : (1) Mc 5,15 . (2) Mc 6,30 . (3) Mc 10,50 . (4) Mc 11,7 . (5) Mc 11,27 .

8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

13. voornaamw. gen. mv. autôn van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 11 (3) : (1) Mc 11,7 . (2) Mc 11,8 . (3) Mc 11,12 .

14. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

17. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 11 (7) : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 11,3 . (3) Mc 11,4 . (4) Mc 11,7 . (5) Mc 11,17 . (6) Mc 11,18 . (7) Mc 11,27 .

Mc 11,8 - Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8kai polloi ta imatia autôn estrôsan eis tèn odon, alloi de stibadas kopsantes ek tôn agrôn. 8 multi autem vestimenta sua straverunt in via alii autem frondes caedebant de arboribus et sternebant in via            

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,8 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

5. voornaamw. gen. mv. autôn van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 11 (3) : (1) Mc 11,7 . (2) Mc 11,8 . (3) Mc 11,12 .

7. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mc 11 (8) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,2 . (3) Mc 11,8 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,14 . (6) Mc 11,15 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 11,27 .

Mc 11,9 - Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9kai oi proagontes kai oi akolouthountes ekrazon, ôsanna: eulogèmenos o erchomenos en onomati kuriou: 9 et qui praeibant et qui sequebantur clamabant dicentes osanna benedictus qui venit in nomine Domini            

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,9 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

2. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 11 (5) :  (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,9 . (3) Mc 11,14 . (4) Mc 11,18 . (5) Mc 11,27 .

4. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

5. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 11 (5) :  (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,9 . (3) Mc 11,14 . (4) Mc 11,18 . (5) Mc 11,27 .

7. act. ind. imperf. 3de pers. mv. ekrazon  van het werkw. krazô (schreeuwen, roepen)  . Taalgebruik in het N.T. : krazô (schreeuwen, roepen) . Taalgebruik in Mc : krazô (schreeuwen, roepen) . Ned. krijsen . Mc (2) (1) Mc 3,11 . (2) Mc 11,9 .

9. acc. vr. enk. hodon (weg) van het zelfst. naamw. hodos (weg) . Taalgebruik in het N.T. : hodos (weg) . Taalgebruik in Mc : hodos (weg) .
Mc (10) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 .  (3) Mc 2,23 .  (4) Mc 4,4 . (5) Mc 4,15 .  (6) Mc 6,8 .    (7) Mc 10,17 . (8) Mc 10,46 .  (9) Mc 11,8 .  (10) Mc 12,14

10. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (11) :  (1) Mc 11,3 . (2) Mc 11,6 . (3) Mc 11,9 . (4) Mc 11,13 . (5) Mc 11,18 . (6) Mc 11,21 . (7) Mc 11,22 . (8) Mc 11,23 . (9) Mc 11,25 . (10) Mc 11,29 . (11) Mc 11,33 .

12. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 11 (10) : (1) Mc 11,9 . (2) Mc 11,10 . (3) Mc 11,13 . (4) Mc 11,15. (5) Mc 11,23 . (6) Mc 11,25 . (7) Mc 11,27 . (8) Mc 11,28 . (9) Mc 11,29 . (10) Mc 11,33 .

Mc 11,10 - Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,1 - Mc 11,2 - Mc 11,3 - Mc 11,4 - Mc 11,5 - Mc 11,6 - Mc 11,7 - Mc 11,8 - Mc 11,9 - Mc 11,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10eulogèmenè è erchomenè basileia tou patros èmôn dauid: ôsanna en tois upsistois. 10 benedictum quod venit regnum patris nostri David osanna in excelsis            

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,10 .

4. nom. + dat enk. basileia(i) (koninkrijk) . Taalgebruik in het N.T. : basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in Mc : basileia (koninkrijk) . Mc (7) : (1) Mc 1,15 (nom.) . (2) Mc 3,24 (nom.) . (3) Mc 4,26 (nom.) . (4) Mc 10,14 (nom.) . (5) Mc 11,10 (nom.) . (6) Mc 13,8 (nom.) . (7) Mc 14,25 (dat.) .

10. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 11 (10) : (1) Mc 11,9 . (2) Mc 11,10 . (3) Mc 11,13 . (4) Mc 11,15. (5) Mc 11,23 . (6) Mc 11,25 . (7) Mc 11,27 . (8) Mc 11,28 . (9) Mc 11,29 . (10) Mc 11,33 .

281. Jezus gaat Jeruzalem binnen : Mc 11,11 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,11 -

Mc 11,11 - Mc 11,11 : 281. Jezus gaat Jeruzalem binnen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Kai eisèlthen eis Hierosoluma eis to hieron kai periblepsamenos panta, opsias èdè ousès tès hôras, exèlthen eis Bèthanian meta tôn dôdeka. et introivit Hierosolyma in templum et circumspectis omnibus cum iam vespera esset hora exivit in Bethania   En hij ging binnen in Jeruzalem in de tempel; en nadat hij naar alles rondgekeken had, ging hij, doordat het al laat was, uit naar Betanië met de twaalf.  11 En Jezus kwam binnen Jeruzalem, en in den tempel; en als Hij alles rondom bezien had, en het nu avondstond was, ging Hij uit naar Bethanië met de twaalven. Hij trok Jeruzalem binnen en ging naar de tempel. Toen Hij alles in ogenschouw genomen had, ging Hij, omdat het al laat was, samen met de twaalf naar Betanië.  Hij trok Jeruzalem in en ging naar de tempel. Nadat hij alles in ogenschouw had genomen, ging hij – want het was al laat geworden – met de twaalf terug naar Betanië  Zo komt hij aan in Jeruzalem, in het heiligdom; hij bekijkt alles rondom, en als het al laat aan de tijd is trekt hij de stad uit naar Betanië, met de twaalf.  11. Il entra à Jérusalem dans le Temple et, après avoir tout regardé autour de lui, comme il était déjà tard, il sortit pour aller à Béthanie avec les Douze. 

King James Bible . And Jesus entered into Jerusalem, and into the temple: and when he had looked round about upon all things, and now the eventide was come, he went out unto Bethany with the twelve.
Luther-Bibel . 11 Und Jesus ging hinein nach Jerusalem in den Tempel und er besah ringsum alles, und spät am Abend ging er hinaus nach Betanien mit den Zwölfen.

Tekstuitleg van Mc 11,11 . Dit vers Mc 11,11 telt 24 (2 X 2 X 2 X 3) woorden en 117 (3 X 3 X 13) letters . De getalwaarde van Mc 11,11 is 11390 (2 X 5 X 17 X 67) .

Mc 11,11.1. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

Mc 11,11.2. ind. aor. 3de pers. enk. eisèlthen (hij ging - naar - binnen) . Taalgebruik in het N.T. : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) . Mc (5) : (1) Mc 2,26 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 15,43 . Samengesteld werkw. met herhaling van het voorzetsel : eis ... eis . In 3 / 5 is Jezus onderwerp : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 11,11 . In Mc 2,26 is David onderwerp , in Mc 15,43 Jozef van Armatea .
In Mc 11,1 naderden Jezus en zijn leerlingen Jeruzalem . In Mc 11,11 ging Jezus Jeruzalem binnen . De situatie met het gaan van Jezus naar Kafarnaüm is vergelijkbaar .
In Mc 3,1 ging Jezus naar de synagoge , in Mc 11,11 naar de tempel . Parallelle opbouw van de twee zinnen .
In Mc 11,11 linkt eisèlthen (hij ging naar binnen) bij het begin van het vers aan exèlthen (hij ging naar buiten) bij het einde van het vers .

Mc 11,11.1. - 2. kai ... eisèlthen (en ... hij ging naar) . Mc (3) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 11,11 . kai eisèlthen (en hij ging naar binnen) in Mc (2 / 5) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 11,11 .

Mc 11,11.3. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 11 (8) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,2 . (3) Mc 11,8 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,14 . (6) Mc 11,15 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 11,27 .

Mc 11,11.2. - 3. eisèlthen eis (hij ging naar binnen in) . Mc (4) (1) Mc 2,26 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,11 . Niet in Mc 15,43
(1) Mc 2,26 : eisèlthen eis ton oikon tou theou (hij ging naar binnen in het huis van God) .
(2) Mc 3,1 : kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging binnen opnieuw in de synagoge) .
(3) Mc 7,17 : kai hote eisèlthen eis oikon (en toen hij binnenging in huis) .
(4) Mc 11,11 : kai eisèlthen eis Hierosoluma eis to hieron (en hij ging binnen in Jeruzalem in de tempel) .
(5) Mc 15,43 : eisèlthen pros ton Pilaton (hij ging binnen bij Pilatus) .

Mc 11,11.1. - 3. kai... eisèlthen eis (en hij ging naar binnen in) . Mc (3) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 11,11 . kai eisèlthen eis (en hij ging naar) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 11,11 .

Mc 11,11.3. - 4. eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) . Mc (7) : (1) Mc 10,32 . (2) Mc 10,33 . (3) Mc 11,1 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,15 . (6) Mc 11,27 . (7) Mc 15,41 .

Mc 11,11.5. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 11 (8) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,2 . (3) Mc 11,8 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,14 . (6) Mc 11,15 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 11,27 .

Mc 11,11.6. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (4) :  (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,11 . (3) Mc 11,15 . (4) Mc 11,30 .

Mc 11,11.7. acc. onz. enk. hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in het N.T. : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Mc : hieron (heiligdom, tempel) . Een vorm van hieron (tempel) is steeds voorafgegaan door een voorzetsel (9 / 9) .
1. dia tou hierou (door de tempel) . Mc (1 / 9) : Mc 11,16 .
2. eis to hieron (naar de tempel) . Mc (2 / 9) : (1) Mc 11,11 . (2) Mc 11,15 .
3. ek tou hierou (uit de tempel) . Mc (1 / 9) : Mc 13,1 .
4. en tô(i) hierô(i) (in de tempel) . Mc (4 / 9) : (1) Mc 11,15 . (2) Mc 11,27 . (3) Mc 12,35 . (4) Mc 14,49 .
5. katenanti tou hierou (tegenover de tempel) . Mc (1 / 9 ) : Mc 13,3 .
Een vorm van hieron (tempel) in Mc 11 (5 / 9) : (1) eis to hieron (naar de tempel) : Mc 11,11 . (2) eis to hieron (naar de tempel) : Mc 11,15 . (3) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc 11,15 . (4) dia tou hierou (door de tempel) : Mc 11,16 . (5) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc 11,27 .

Mc 11,11.8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

Mc 11,11.9. med. part. aor. nom. mann. enk. periblepsamenos (rond zich gekeken / nadat hij had rondgekeken) van het werkw. periblepô (rondkijken) . Taalgebruik in het N.T. : periblepô (rondkijken) . Taalgebruik in Mc : periblepô (rondkijken) .
In 4 / 6 verzen in Mc : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 10,23 . (4) Mc 11,11 . In 3 / 4 volgt legei (hij zegt) als hoofdwerkw. : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 10,23 , exèlthen (hij ging naar buiten) in Mc 11,11 . In Mc 3,6 gingen de Farizeeën naar buiten (exelthontes = buitengegaan) om te besluiten Jezus te doden . In Mc 11,11 ging Jezus naar buiten (exèlthen = hij ging naar buiten) om 's anderendaags terug te komen om de tempel te zuiveren . Het ene verhaal speelt zich af in de synagoge , het andere in de tempel . In 2 verzen : (1) Mc 3,34 . (2) Mc 10,23 . richt Jezus zich tot zijn leerlingen .
Een vorm van periblepô (rondkijken) in 6 verzen in Mc : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 5,32 . (4) Mc 9,8 .  (5) Mc 10,23 . (6) Mc 11,11 . In 2 / 6 staat een vorm van eiden (hij zag) in relatie tot een vorm van periblepô (rondkijken) : (3) Mc 5,32 ( + idein : hij keek rond zich om te zien). (4) Mc 9,8 (ouketi ouden eidon : zij zagen hoegenaamd niets meer) .
In 5 / 6 verzen is Jezus onderwerp : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 5,32 .  (4) Mc 10,23 . (5) Mc 11,11 . Slechts in Mc 10,23 wordt Jezus uitdrukkelijk vermeld . In Mc 9,8 zijn drie leerlingen onderwerp .
In de 6 verzen in Mc gaat het verbindingswoord kai (en) vooraf aan een vorm van periblepô (rondkijken) .
In 3 / 6 volgt een lijdend voorwerp in de acc. : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (6) Mc 11,11 . en 1 / 6 een infinitiefzin : (3) Mc 5,32 .

Mc 11,11.10. acc. m. enk. , nom. m. + onz. mv. panta (al, alles) van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder .
Mc (21) : (1) Mc 3,28 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,34 .  (4) Mc 5,26 . (5) Mc 6,30 . (6) Mc 7,19 . (7) Mc 7,23 . (8) Mc 7,37 . (9) Mc 9,12 . (10) Mc 9,23 . (11) Mc 10,20 . (12) Mc 10,27 . (13) Mc 10,29 . (14) Mc 11,11 . (15) Mc 11,24 . (16) Mc 12,44 . (17) Mc 13,4 . (18) Mc 13,10 . (19) Mc 13,23 . (20) Mc 13,30 . (21) Mc 14,36 . Mc 11 (2) : (1) Mc 11,11 . (2) Mc 11,24 . Een vorm van pas (ieder, elk , al) in Mc in 66 verzen .

Mc 11,11.11. genitief vrouwelijk enkelvoud opsias ('s avonds) . Taalgebruik in het N.T. : opsia (avond) . Taalgebruik in Mc : opsia (avond) . D. Abend . E. evening . Lat. ad vesperas . Gr. hespera . Lat. serus (serenade) . Fr. soir . Bij de joden begint de nieuwe dag met het vallen van de avond , na zonsondergang .
Mc (6) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 4,35 . (3) Mc 6,47 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 14,17 . (6) Mc 15,42 .

Mc 11,11.12. èdè (reeds)  Taalgebruik in het N.T. : èdè (reeds) . Taalgebruik in Mc : èdè (reeds) .
Mc (7) : (1) Mc 4,37 . (2) Mc 6,35 . (3) Mc 8,2 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 13,28 . (6) Mc 15,42 . (7) Mc 15,44 .

Mc 11,11.11. - 12. opsias èdè (avond reeds) . Slechts in Mc 11,11 (toen het reeds het uur van de avond was) .

Mc 11,11.14. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (2) : (1) Mc 11,11 . (2) Mc 11,19 .

Mc 11,11.15. gen. vr. enk. hôras (uur) van het zelfst. naamw. hôra (uur) . Taalgebruik in het N.T. : hôra (uur) . Taalgebruik in Mc : hôra (uur) .
Mc (4) : (1) Mc 6,35 . (2) Mc 11,11 . (3) Mc 13,32 . (4) Mc 15,33 .  
nom. + dat. vr. enk. hôra(i) . Mc (6) : (1) Mc 6,35 . (2) Mc 13,11 . (3) Mc 14,35 . (4) Mc 14,41 . (5) Mc 15,25 . (6) Mc 15,34 .

Vergelijk :
- Mc 11,11 : opsias èdè ousès tès hôras (terwijl het reeds het uur van de avond is) . Einde van de eerste dag in Jeruizalem .
- Mc 11,19 : kai hotan opse egeneto (en zodra het laat was geworden) . Einde van de tweede dag in Jeruzalem .

Mc 11,11.16. ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen (hij ging uit) van het werkw. exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Zie ook Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals een huis , een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .
Mc ( 11)  : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 1,28 . (3) Mc 1,35 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,13 .  (6) Mc 4,3 .  (7) Mc 6,1 .  (8) Mc 8,27 . (9) Mc 9,26 . (10) Mc 11,11 . (11) Mc 14,68 .
Een vorm van exerchomai (uitgaan) in Mc 11 (2) : (1) Mc 11,11 . (2) Mc 11,12 .

Mc 11,11.17. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 11 (8) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,2 . (3) Mc 11,8 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,14 . (6) Mc 11,15 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 11,27 .

Mc 11,11.16. - 17. exèlthen eis (hij ging uit naar) . Mc (2) : (1) Mc 11,11 . (2) Mc 14,68 .

Mc 11,11.18. bèthania (Betanië) . Taalgebruik in het N.T. : bèthania (Bethanië) . Taalgebruik in Mc : bèthania (Bethanië) . Plaatsnaam . De getalwaarde van het woord Bèthania (Betanië) = 2 + 8 + 9 + 1 + 50 + 10 + 1 = 81 . Een vorm van Betanië (4) .
- apo bèthanias (van Betanië) . Mc (1) : Mc 11,12 .
- eis bèthanian (naar Bethanië) . Mc (2) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,11 .
- en bèthania(i) (in Betanië) . Mc (1) : Mc 14,3 .

Mc 11,11.19. meta (met , na) . Taalgebruik in het N.T. : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc : met dat) .
- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Mc (34) . Mc 11 (1) : Mc 11,11 .

Dualiteit

Marcus schrijft in parallel Mc 3,1-6 en Mc 11,11 . In het ene verhaal ging Jezus naar de synagoge , in het tweede naar de tempel .
(2) Mc 3,1 : kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging opnieuw naar de synagoge) .
(4) Mc 11,11 : kai eisèlthen eis Hierosoluma eis to hieron (en hij ging naar Jeruzalem naar de tempel) .

periblepsamenos (rond zich gekeken / nadat hij had rondgekeken) in Mc 3,1 en Mc 11,11 . In Mc 11,11 (1 / 4) volgt exèlthen (hij ging naar buiten) als hoofdwerkw. op periblepsamenos (rond zich gekeken / nadat hij had rondgekeken) . In Mc 3,6 gingen de Farizeeën naar buiten (exelthontes = buitengegaan) om te besluiten Jezus te doden . In Mc 11,11 ging Jezus naar buiten (exèlthen = hij ging naar buiten) om 's anderendaags terug te komen om de tempel te zuiveren . Het ene verhaal speelt zich af in de synagoge , het andere in de tempel .

282. Vervloeking van de vijgeboom : Mc 11,12-14 - Mc 11,12-14 - Mt 21,18-19 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 - Mc 11,12 - Mc 11,13 - Mc 11,14 -

SANDWICH-MODEL :

1. Mc 3,20-21 (Mc 3,22-30) Mc 3,31-35 .
2. Mc 5,21-24 (Mc 5,25-34) Mc 5,35-43 .
3. Mc 6,7-13 (Mc 6,14-29) Mc 6,30-32 .
4. Mc 11,12-14 (Mc 11,15-19) Mc 11,20-26 .
5. Mc 14,1-2 (Mc 14,3-9) Mc 14,10-11 .
6. Mc 14,12-16 (Mc 14,17-21) Mc 14,22-25 .
7. Mc 14,54 (Mc 14,55-65) Mc 14,66-72 .

Mc 11,12 : 282. Vervloeking van de vijgeboom - Mc 11,12-14 - Mt 21,18-19 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 - Mc 11,12 - Mc 11,13 - Mc 11,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12kai tè epaurion exelthontôn autôn apo bèthanias epeinasen. 12 et alia die cum exirent a Bethania esuriit            

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,12 . Het vers Mc 11,12 telt 8 (2 X 2 X 2) woorden en 48 (2 X 2 X 2 X 2 X 3) letters . De getalwaarde van Mc 11,12 is 4783 .

Mc 11,12.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

Mc 11,12.2. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (3) : (1) Mc 11,12 . (2) Mc 11,18 . (3) Mc 11,23 .

Mc 11,12.3. epaurion (de dag erop) .  Taalgebruik in het N.T. : tè(i) epaurion ('s anderendaags) . Taalgebruik in Mc : tè(i) epaurion ('s anderendaags) . Gr. aurion (bijwoord) : morgen (vroeg) . ep-aurion : de dag erop , de volgende dag . Fr. lendemain < le - en - demain -> l'endemain -> lendemain -> le lendemain . demain > Lat. de mane (matin) . Lat. altera die -> Ned. 's anderendaags .
Mc (1) : Mc 11,12 .

Mc 11,12.2. - 3. tè(i) epaurion (op de andere dag , 's anderendaags) . Mc (1) : Mc 11,12 .

Mc 11,12.4. part. aor. gen. mann. mv.  εξελθοντων = exelthontôn  van het werkw. εξερχομαι = exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het NT : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in de LXX : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Bijbel (11) : (1) Gn 9,10 . (2) Gn 44,4 . (3) Nu 1,1 . (4) Nu 9,1 . (5) Dt 4,45 . (6) Dt 4,46 . (7) Dt 6,4 . (8) 2 Kr 20,10 . (9) 2 Kr 32,21 . (10) Mc 6,54 . (11) Mc 11,12 . Een vorm van εξερχομαι = exerchomai in de LXX (216) , in het NT (742) , in Mc 11 (2) : (1) Mc 11,11 . (2) Mc 11,12 . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .

Mc 11,12.5. pers. voornaamw. gen. mv. αυτων = autôn van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (37) . Mc 11 (3) : (1) Mc 11,7 . (2) Mc 11,8 . (3) Mc 11,12 .

  autoi (mv.) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
6. gen. mv.autôn  3701  3203  498  93  37  94  31  87  91  65  224  255 
  totaal  7770  6306  1464  250  196  285  155  269  200  109  731  886 

  autoi  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
6 gen. mv.autôn  37      3701  3203  498  93  37  94  31  87  91  65  224  255 

Mc 11,12.4. - 5. εξελθοντων αυτων = exelthontôn autôn (toen zij uitgegaan waren) . LXX (6) : (1) Nu 1,1 . (2) Nu 9,1 . (3) Dt 4,45 . (4) Dt 4,46 . (5) Dt 6,4 . (6) 2 Kr 20,10 . NT = Mc (2) : (1) Mc 6,54 . (2) Mc 11,12 .

Mc 11,12.6. apo (af, van-weg) . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Mc (33) . Mc 11 (2) : (1) Mc 11,12 . (2) Mc 11,13 .

Mc 11,12.7. bèthania (Betanië) . Taalgebruik in het N.T. : bèthania (Bethanië) . Taalgebruik in Mc : bèthania (Bethanië) . Plaatsnaam . De getalwaarde van het woord Bèthania (Betanië) = 2 + 8 + 9 + 1 + 50 + 10 + 1 = 81 . Een vorm van Betanië (4) .
- apo bèthanias (van Betanië) . Mc (1) : Mc 11,12 .
- eis bèthanian (naar Bethanië) . Mc (2) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,11 .
- en bèthania(i) (in Betanië) . Mc (1) : Mc 14,3 .

Mc 11,13 : 282. Vervloeking van de vijgeboom - Mc 11,12-14 - Mt 21,18-19 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 - Mc 11,12 - Mc 11,13 - Mc 11,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  13 cumque vidisset a longe ficum habentem folia venit si quid forte inveniret in ea et cum venisset ad eam nihil invenit praeter folia non enim erat tempus ficorum            

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,13 . Het vers Mc 11,13 telt 27 (3³) woorden en 110 (2 X 5 X 11) letters . De getalwaarde van Mc 11,13 is 12571 (13 X 967) .

Mc 11,13.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555) . Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

Mc 11,13.3. acc. vr. enk. sukèn van het zelfst. naamw. sukè (vijgeboom) . Taalgebruik in het N.T. : sukè (vijgeboom) . Taalgebruik in Mc : sukè (vijgeboom) .
Mc (1) : (1) Mc 11,13 . (2) Mc 11,20 . Een vorm van sukè (vijgeboom) in Mc in 5 verzen : (1) Mc 11,13 (sukèn) . (2) Mc 11,13 (sukôn) . (3) Mc 11,20 . (4) Mc 11,21 . (5) Mc 13,28 .

Mc 11,13.4. apo (af, van-weg) . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Mc (33) . Mc 11 (2) : (1) Mc 11,12 . (2) Mc 11,13 .

Mc 11,13.9. part. aor. nom. mann. enk. periblepsamenos (rondgekeken) van het werkw. periblepô (rondkijken) . Taalgebruik in het N.T. : periblepô (rondkijken) . Taalgebruik in Mc : periblepô (rondkijken) .
Mc (4) : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 10,23 . (4) Mc 11,11 . Een vorm van periblepô (rondkijken) in 6 verzen in Mc : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 5,32 . (4) Mc 9,8 .  (5) Mc 10,23 . (6) Mc 11,11 .

Mc 11,13.8. - 9. kai periblepsamenos (en rondgekeken / en nadat hij had rondgekeken) in de 4 verzen . In 3 verzen wordt het gevold door een lijdend voorwerp in de acc. : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 11,11 . In 3 verzen is legei (hij zegt) het hoofdwerkw. : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 10,23 .

Mc 11,13.13. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 11 (10) : (1) Mc 11,9 . (2) Mc 11,10 . (3) Mc 11,13 . (4) Mc 11,15. (5) Mc 11,23 . (6) Mc 11,25 . (7) Mc 11,27 . (8) Mc 11,28 . (9) Mc 11,29 . (10) Mc 11,33 .

Mc 11,13.15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

Mc 11,13.18. pers. voornaamw. acc. vr. enk. autèn (haar) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (14) : (1) Mc 1,31 . (2) Mc 4,30 . (3) Mc 6,17 . (4) Mc 6,26 . (5) Mc 6,28 . (6) Mc 8,35 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 10,11 . (9) Mc 10,15 . (10) Mc 11,2 . (11) Mc 11,13 . (12) Mc 12,21 . (13) Mc 12,23 . (14) Mc 14,6 .

Mc 11,13.24. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (11) :  (1) Mc 11,3 . (2) Mc 11,6 . (3) Mc 11,9 . (4) Mc 11,13 . (5) Mc 11,18 . (6) Mc 11,21 . (7) Mc 11,22 . (8) Mc 11,23 . (9) Mc 11,25 . (10) Mc 11,29 . (11) Mc 11,33 .

Mc 11,13.25. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc 11 (3) : (1) Mc 11,13 . (2) Mc 11,18 . (3) Mc 11,32 .

Mc 11,13.29. gen. vr. mv. sukôn (van de vijgebomen) van het zelfst. naamw. sukè (vijgeboom) . Taalgebruik in het N.T. : sukè (vijgeboom) . Taalgebruik in Mc : sukè (vijgeboom) . Mc (1) : Mc 11,13 .  Een vorm van sukè (vijgeboom) in Mc in 5 verzen : (1) Mc 11,13 (sukèn) . (2) Mc 11,13 (sukôn) . (3) Mc 11,20 . (4) Mc 11,21 . (5) Mc 13,28 .

Mc 11,14 : 282. Vervloeking van de vijgeboom - Mc 11,12-14 - Mt 21,18-19 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 - Mc 11,12 - Mc 11,13 - Mc 11,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14kai apokritheis eipen autè, mèketi eis ton aiôna ek sou mèdeis karpon fagoi. kai èkouon oi mathètai autou. 14 et respondens dixit ei iam non amplius in aeternum quisquam fructum ex te manducet et audiebant discipuli eius            

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,14 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

6. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 11 (8) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,2 . (3) Mc 11,8 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,14 . (6) Mc 11,15 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 11,27 .

11. nom. mann. enk. μηδεις = mèdeis (niemand) < mè-d-eis : niet één , niet iemand . Taalgebruik in het NT : mèdeis (niemand) . Taalgebruik in de LXX : mèdeis (niemand) .

  mèdeis (niemand)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. mèdeis   29  14  15  2 : (1) Mc 5,43 . (2) Mc 11,14 .         11 
nom. + acc. onz. enk.  mèden 49  14  35  3 : (1) Mc 1,44 . (2) Mc 5,26 . (3) Mc 6,8 .     10  16  14 
dat. mann. + onz. enk. mèdeni  23  21  4 : (1) Mc 1,44 . (2) Mc 7,36 . (3) Mc 8,30 . (4) (4) Mc 9,9 .     10  10 
  totaal 128  39  89    21  43  23  23  37 

14. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

16. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (5) :  (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,9 . (3) Mc 11,14 . (4) Mc 11,18 . (5) Mc 11,27 .

18. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 11 (6) :  (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,3 . (3) Mc 11,14 . (4) Mc 11,18 . (5) Mc 11,23 . (6) Mc 11,27 .



283. Tempelreiniging : Mc 11,15-17 - Mc 11,15-17 - Mt 21,12-13 - Lc 19,45-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,15 - Mc 11,16 - Mc 11,17 -

Mc 11,15 - Mc 11,15 : 283. Tempelreiniging : Mc 11,15-17 - Mc 11,15-17 - Mt 21,12-13 - Lc 19,45-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,15 - Mc 11,16 - Mc 11,17 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Kai erchontai eis Hierosoluma kai eiselthôn eis to hieron èrxato ekballein tous pôlountas kai tous agorazountas en tôi hierôi, kai tas trapezas tôn kollubistôn kai tas kathedras tôn pôlountôn tas peristeras katestrepsen Hierosolymam et cum introisset templum coepit eicere vendentes et ementes in templo et mensas nummulariorum et cathedras vendentium columbas evertit            

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,15 . Er zijn verschillende tekstlezingen . Een lezing : het vers Mc 11,15 telt 33 (3 X 11) woorden en 181 letters . De getalwaarde van Mc 11,15 is 23771 (11 X 2161) .

Mc 1,21 Kai (en) eisporeuontai (zij begeven zich op weg) eis (naar) Kafarnaoum (Kafarnaüm) kai... (en) eiselthôn (binnengegaan) eis (naar) tèn sunagôgèn (de synagoge)
Mc 11,15 Kai (en) erchontai (zij gaan) eis (naar) Hierosoluma (Jeruzalem) Kai (en) eiselthôn (binnengegaan) eis (naar) to hieron (de tempel)

Mc 11,15 . Tussen Mc 1,21 en Mc 11,15 bestaat een opmerkelijke overeenkomst . In beide gevallen wordt het gaan naar de stad vermeld en vervolgens het binnengaan in het plaatselijk heiligdom ; respectievelijk Kafarnaüm en Jeruzalem , synagoge en tempel . In Mc 1 gaat het om de eerste stad , in Mc 11 om de laatste stad waar Jezus verblijft . De eerste hoofdzin van Mc 1,21 bestaat uit 4 woorden en 11 (1 + 5 + 1 + 4) lettergrepen . De eerste hoofdzin van Mc 11,15 bestaat eveneens uit 4 woorden en 11 (1 + 3 + 1 + 6) lettergrepen .

Mc 11,15.1. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 . In dit vers komt 5X het voegwoord kai (en) voor .

Mc 11,15.2. indicatief tegenwoordige tijd derde persoon meervoud erchontai (zij gaan) van het werkwoord erchomai ( gaan , komen ) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) .
Mc (12) : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 5,15 . (4) Mc 5,35 . (5) Mc 5,38 . (6) Mc 8,22 . (7) Mc 10,46 . (8) Mc 11,15 . (9) Mc 11,27 . (10) Mc 12,18 . (11) Mc 14,32 . (12) . Mc 16,2 .

Mc 11,15.3. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 11 (8) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,2 . (3) Mc 11,8 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,14 . (6) Mc 11,15 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 11,27 .

Mc 11,15.4. Hierosuluma (Jeruzalem) wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel ; in 3 verzen door het voorzetsel apo (van-weg) + gen. (Hierosolumôn) , in 7 door eis (naar) + acc. (Hierosoluma) . Taalgebruik in het N.T. : Hierosoluma (Jeruzalem)  . Taalgebruik in Mc : Hierosoluma (Jeruzalem) .
- apo Hierosolumôn (van Jeruzalem) . Mc (3) : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 3,22 . (3) Mc 7,1 .
- eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) . Mc (7) : (1) Mc 10,32 . (2) Mc 10,33 . (3) Mc 11,1 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,15 . (6) Mc 11,27 . (7) Mc 15,41 .

Mc 11,15.1. - 4. Op de blijde inkomstdag had Jezus een kijkje gaan nemen in de tempel . Op de tweede en de derde dag is Jezus actief aanwezig in de tempel . Beide pericopen worden identiek ingeleid :
- Mc 11,15 : kai erchontai eis Hierosoluma = en zij gaan naar Jeruzalem .
- Mc 11,27 : kai erchontai palin eis Hierosoluma = en zij gaan opnieuw naar Jeruzalem .
STAP VOOR STAP !

Mc 11,15.5. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

Mc 11,15.6. actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud eiselthôn (binnengegaan) van het werkwoord eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het N.T. : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) .
Mc (6) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 3,27 . (4) Mc 5,39 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 11,15 .

Mc 11,15.7. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mc 11 (8) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,2 . (3) Mc 11,8 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,14 . (6) Mc 11,15 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 11,27 .

Mc 11,15.6. - 7. Een vorm van eiserchomai (binnengaan) + eis (in) in Mc : 22 / 30 .
- eiselthôn eis (binnengegaan in) . Mc (5 / 6) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 3,27 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 11,15 .
(1) Mc 1,21 : kai ... eiselthôn eis tèn sunagôgèn (en ... binnengegaan in de synagoge) .
(2) Mc 2,1 : eiselthôn palin eis Kafarnaoum (binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm) .
(3) Mc 3,27 : eis tèn oikian tou ischurou eiselthôn (in het huis van de sterke binnengegaan) .
() Mc 5,39 : eiselthôn (binnengegaan) . NIET .
(4) Mc 7,24 : eiselthôn eis oikian (in huis binnengegaan) .
(5) Mc 11,15 : eiselthôn eis to hieron (binnengegaan in de tempel) .

8. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (4) :  (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,11 . (3) Mc 11,15 . (4) Mc 11,30 .

9. acc. onz. enk. hieron (heiligdom, tempel) Taalgebruik in het N.T. : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Mc : hieron (heiligdom, tempel) . Een vorm van hieron is steeds voorafgegaan door een voorzetsel .
1. dia tou hierou (door de tempel) . Mc (1) : Mc 11,16 .
2. eis to hieron (naar de tempel) . Mc (2) : (1) Mc 11,11 . (2) Mc 11,15 .
3. ek tou hierou (uit de tempel) . Mc (1) : Mc 13,1 .
4. en tô(i) hierô(i) (in de tempel) . Mc (4) : (1) Mc 11,15 . (2) Mc 11,27 . (3) Mc 12,35 . (4) Mc 14,49 .
5. katenanti tou hierou (tegenover de tempel) . Mc (1) : Mc 13,3 .
Een vorm van hieron (tempel) in Mc 11 (5) : (1) eis to hieron (naar de tempel) : Mc 11,11 . (2) eis to hieron (naar de tempel) : Mc 11,15 . (3) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc 11,15 . (4) dia tou hierou (door de tempel) : Mc 11,16 . (5) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc 11,27 .

11. act. inf. praes. ekballein (uitvaren, uitgooien) van het werkw. ekballô . Taalgebruik in het N.T. : ekballô (uitwerpen, uitvallen) . Taalgebruik in Mc : ekballô (uitwerpen, uitvallen) .
Mc (3) : (1) Mc 3,15 . (2) Mc 3,23 . (3) Mc 11,15 .

12. bep. lidw. acc. mann. mv. tous de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (52) . Mc 11 (1) : Mc 11,15 .

14. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

15. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (52) . Mc 11 (1) : Mc 11,15 .

17. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 11 (10) : (1) Mc 11,9 . (2) Mc 11,10 . (3) Mc 11,13 . (4) Mc 11,15. (5) Mc 11,23 . (6) Mc 11,25 . (7) Mc 11,27 . (8) Mc 11,28 . (9) Mc 11,29 . (10) Mc 11,33 .

18. bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (4) : (1) Mc 11,15 . (2) Mc 11,23 . (3) Mc 11,27 . (4) Mc 11,33 .

19. dat. onz. enk. hierô(i) (heiligdom, tempel) Taalgebruik in het N.T. : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Mc : hieron (heiligdom, tempel) . Een vorm van hieron is steeds voorafgegaan door een voorzetsel .
1. dia tou hierou (door de tempel) . Mc (1) : Mc 11,16 .
2. eis to hieron (naar de tempel) . Mc (2) : (1) Mc 11,11 . (2) Mc 11,15 .
3. ek tou hierou (uit de tempel) . Mc (1) : Mc 13,1 .
4. en tô(i) hierô(i) (in de tempel) . Mc (4) : (1) Mc 11,15 . (2) Mc 11,27 . (3) Mc 12,35 . (4) Mc 14,49 .
5. katenanti tou hierou (tegenover de tempel) . Mc (1) : Mc 13,3 .
Een vorm van hieron (tempel) in Mc 11 (5) : (1) eis to hieron (naar de tempel) : Mc 11,11 . (2) eis to hieron (naar de tempel) : Mc 11,15 . (3) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc 11,15 . (4) dia tou hierou (door de tempel) : Mc 11,16 . (5) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc 11,27 .

20. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

25. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

kai (en) staat aan het begin van de pericope. Na het voegwoord staat het werkwoord in de tegenwoordige tijd. Hierna volgt het voorzetsel eis (naar) met de plaatsbepaling. zie erchontai (zij gaan) - Mc 11,1-10 -

Mc 3,2 // Mt 12,10 // Lc 6,7  Mc 3, 6 // Mt 12,14 // Lc 6,11  Mc 11,18 // Lc 19,47 Mc 12, 12b-13 // Mt 22,15 // Lc 20,20  Mc 14,1 // Mt 26,3 // Lc 22,2 Mc 14,11 Mc 14,55 // Mt 26,59 Mc 15,1  Mc 15,3 // Mt 27,12
kai  ekselthontes (naar buiten gaande) kai ijkousan (en hoorden het)   kai afentes auton apijlthon (en zij leten hem staan en gingen weg) kai (en)  kai (en)   kai euthus (en terstond) prooi ('smorgens)  
  hoi Farisaioi euthus meta toon Hijroodianoon (de Farizeeën terstond met de Herodianen  hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden)  kai apostellousin pros auton tinas toon Farisaioon kai toon Hijrodianoon (en zijn zenden naar hem sommige Farizeeën en Herodianen) ezijtoun (zij zochten)    hoi de archiereis kai holon to sunedrion (de hogepriesters echter en heel het sanhedrin  sumboulion hetoimasantes (een besluit genomen hebbende)  
paretijroun auton... (zij hielden hem in het oog) sumboulion edidoun (namen het besluit) kat'autou (tegen hem)   kai ezijtoon (en zij zochten)    hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden) ezijtei (hij zocht)  ezijtoun kata tou Iijsou marturian (zochten een getuigenis tegen Jezus) hoi archiereus meta toon presbuteroon kai grammateoon kai holon to sunedrion (de hogepriesters samen met de priesters en schriftgeleerden en heel het sanhedrin)  
hina (opdat) hopoos (opdat)  poos (hoe)  hina (opdat)  poos (hoe) poos (hoe) eis  (om)    
  auton (hem)  auton (hem)  auton (hem)   auton (hem) auton (hem)      
katijgorijsoosin autou (zij hem zouden beschuldigen)- apolesoosin  (zij zouden doden)  apolesoosin  (zij zouden doden) agreusoosin logooi (zij met het woord zouden vangen)   apokteinoosin (zij zouden doden) eukairoos paradoi (op een gunstig moment zou overleveren) to thanatoosai auton (te doden hem)     kai katijgoroun autou hoi archiereis polla (en de hogepriesters beschuldigden hem van vele dingen)
 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 // Mt 12,9-14 // Lc 6,6-11 // (Lc 14,1-6)   95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 // Mt 12,9-14 // Lc 6,6-11 // (Lc 14,1-6)  284. Jezus in de tempel. Terugkeer naar Betanië : Mc 11,18-19 // Mt 21,14-17 // Lc 19,47-48  290. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer : Mc 12,13-17 // Mt 22,15-22 // Lc 20,20-26  317. Complot tegen Jezus : Mc 14,1-2 // Mt 26,1-5 // Lc 22,1-2
319. Verraad van Judas : Mc 14,10-11 // Mt 26,14-16 // Lc 22,3-6  332. Jezus voor het Sanhedrin : Mc 14,55-64 // Mt 26,59-66 // (Lc 22,66-71)
336. Naar Pilatus : Mc 15,1 // Mt 27,1-2 // Lc 22,66-71; 23,1
 338. Jezus vóór Pilatus : Mc 15,2-5 // Mt 27,11-14 // Lc 23,2-5

Mc 11,15.24. gen. mann. mv. κολλυβιστων = kollubistôn van het zelfst. naamw. κολλυβιστος = kollubistos (geldwisselaar) . Bijbel (3) : (1) Mt 21,12 . (2) Mc 11,15 . (3) Joh 2,15 .
- חָלַף = châlaph (verwisselen, verruilen, in de plaats stellen) . Taalgebruik in Tenakh : châlaph (verwisselen, verruilen, in de plaats stellen) .
- Levi , zoon van Alfeüs (.


Mc 11,16 - Mc 11,16 : 283. Tempelreiniging : Mc 11,15-17 - Mc 11,15-17 - Mt 21,12-13 - Lc 19,45-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,15 - Mc 11,16 - Mc 11,17 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  16 et non sinebat ut quisquam vas transferret per templum            

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,16 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

10. gen. onz. enk. hierou (heiligdom, tempel) Taalgebruik in het N.T. : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Mc : hieron (heiligdom, tempel) . Een vorm van hieron is steeds voorafgegaan door een voorzetsel .
1. dia tou hierou (door de tempel) . Mc (1) : Mc 11,16 .
2. eis to hieron (naar de tempel) . Mc (2) : (1) Mc 11,11 . (2) Mc 11,15 .
3. ek tou hierou (uit de tempel) . Mc (1) : Mc 13,1 .
4. en tô(i) hierô(i) (in de tempel) . Mc (4) : (1) Mc 11,15 . (2) Mc 11,27 . (3) Mc 12,35 . (4) Mc 14,49 .
5. katenanti tou hierou (tegenover de tempel) . Mc (1) : Mc 13,3 .
Een vorm van hieron (tempel) in Mc 11 (5) : (1) eis to hieron (naar de tempel) : Mc 11,11 . (2) eis to hieron (naar de tempel) : Mc 11,15 . (3) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc 11,15 . (4) dia tou hierou (door de tempel) : Mc 11,16 . (5) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc 11,27 .

Mc 11,17 - Mc 11,17 : 283. Tempelreiniging : Mc 11,15-17 - Mc 11,15-17 - Mt 21,12-13 - Lc 19,45-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,15 - Mc 11,16 - Mc 11,17 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  17 et docebat dicens eis non scriptum est quia domus mea domus orationis vocabitur omnibus gentibus vos autem fecistis eam speluncam latronum            

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,17 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. edidasken (hij onderrichtte) van het werkw. didaskô (onderrichten, leren) . Taalgebruik in N.T. : didaskô (leren) . Taalgebruik in Mc : didaskô (leren) . Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven . Didactiek : leer van het onderrichten .
Mc (6) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,2 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 10,1 . (6) Mc 11,17 .

3. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

4. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .

1. - 5.
- Mc 4,2 : kai edidasken autous en parabolais polla kai elegen autois en tè didachè autou (hij onderrichtte hen in parabels en hij zei hen in zijn onderricht) .
- Mc 9,31 : edidasken gar tous mathètas autou kai elegen autois (want hij onderrichtte zijn leerlingen en hij zei hen) .
- Mc 11,17 : kai edidasken kai elegen autois (en hij onderrichtte en hij zei hen) .

18. pers. nom. mann. mv. 2de pers. humeis (jullie) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (10) : (1) Mc 6,31 . (2) Mc 6,37 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,18 . (5) Mc 8,29 . (6) Mc 11,17 . (7) Mc 13,9 . (8) Mc 13,11 . (9) Mc 13,23 . (10) Mc 13,29

21. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 11 (7) : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 11,3 . (3) Mc 11,4 . (4) Mc 11,7 . (5) Mc 11,17 . (6) Mc 11,18 . (7) Mc 11,27 .

284. Jezus in de tempel . Terugkeer naar Betanië : Mc 11,18-19 - Mc 11,18-19 - Mt 21,14-17 - Lc 19,47-48 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 - Mc 11,18 - Mc 11,19 -

Mc 11,18 - Mc 11,18 : 284. Jezus in de tempel . Terugkeer naar Betanië - Mc 11,18-19 - Mt 21,14-17 - Lc 19,47-48 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 - Mc 11,18 - Mc 11,19 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai èkousan  hoi archiereis kai hoi grammateis kai ezètoun pôs auton apolesôsin 18 quo audito principes sacerdotum et scribae quaerebant quomodo eum perderent timebant enim eum quoniam universa turba admirabatur super doctrina eius     [18] De hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden dat, en zij zochten een manier om Hem uit de weg te ruimen. Ze waren namelijk bang voor Hem, omdat het hele volk geestdriftig* was over zijn onderricht.      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,18 . Dit vers Mc 11,18 telt 24 (2 X 2 X 2 X 3) woorden en 123 (3 X 41) letters .

Mc 11,18.1. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 11 . Mc (555 / 666) . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

Mc 11,18.2. act. ind. aor. 3de pers. mv. èkousan (zij hoorden) van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Mc (1) : Mc 11,18 .

Mc 11,18.3. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (5) :  (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,9 . (3) Mc 11,14 . (4) Mc 11,18 . (5) Mc 11,27 .

Mc 11,18.4. nom. mann. mv. archiereis (hogepriesters) . Taalgebruik in het N.T. : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Mc : archiereus (hogepriester) . Mc (11) . (1) Mc 11,18 . (2) Mc 11,27 . (3) Mc 14,1 . (4) Mc 14,10 . (5) Mc 14,53 . (6) Mc 14,55 . (7) Mc 15,1 . (8) Mc 15,3 . (9) Mc 15,10 . (10) Mc 15,11 . (11) Mc 15,31 .

Mc 11,18.5. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 11 .
Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

Mc 11,18.6. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (5) :  (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,9 . (3) Mc 11,14 . (4) Mc 11,18 . (5) Mc 11,27 .

Mc 11,18.7. nom. + voc. + acc. mann. mv. grammateis (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in het N.T. : grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in Mc : grammateus (schriftgeleerde) .
Mc (11) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 2,16 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 9,11 . (6) Mc 9,14 . (7) Mc 11,18 . (8) Mc 11,27 . (9) Mc 12,35 . (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,53 . Nom. (10) . Acc. (1) : Mc 9,14 .

Mc 11,18.3. - 7. hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden) . Mc (2) : (1) Mc 11,18 . (2) Mc 14,1 .
- Mc 11,18 : kai ezètoun pôs auton apolesôsin (en zij zochten hoe ze hem zouden opruimen) .
- Mc 14,1 : kai ezètoun hoi archiereis kai hoi grammateis pôs auton en dolô(i) kratèsantes apokteinôsin (en de hogepriesters en de schriftgeleerden zochten hoe ze hem - met een list overmeesterd - zouden doden) .

Mc 11,18.8. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

Mc 11,18.9. act. ind. imperf. 3de pers. mv. ezètoun (zij zochten) van het werkw. zèteô (zoeken) . Taalgebruik in het N.T. : zèteô (zoeken) . Taalgebruik in Mc : zèteô (zoeken) . Hebr. bâqasj . Ned. zoeken . Lat. quaerere . Fr. chercher (ch / q - r) . E. search . D. suchen . D. zoeken . Mc (4) : (1) Mc 11,18 . (2) Mc 12,12 . (3) Mc 14,1 . (4) Mc 14,55 . In 4 verzen in Mc in de imperfectumvorm . In een reeks van vier . De imperfectumvorm om de duur van het zoeken uit te drukken . Telkens zijn hogepriesters erbij betrokken om Jezus te zoeken met het oog om hem te doden .
- Mc 11,18 : kai èkousan  hoi archiereis kai hoi grammateis kai ezètoun (en de hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden en zij zochten) pôs auton  apolesôsin  (hoe ze hem zouden uitschakelen) .
- Mc 12,12  : kai ezètoun (en zij zochten) auton  kratèsai  (om hem te bemachtigen) .
- Mc 14,1 : kai ezètoun hoi archiereis kai hoi grammateis (en de hogepriesters en de schriftgeleerden zochten) pôs auton en dolôi kratèsantes apokteinôsin (hoe ze hem door een list te bemachtigen hem zouden doden) .
- Mc 14,55 : oi de archiereis kai olon to sunedrion ezètoun kata tou ièsou marturian (maar de hogepriesters en het hele sanhedrin zochten tegen Jezus een getuigenis) eis to thanatôsai auton (om hem te doden) .

Mc 11,18.10. pôs (hoe) . Taalgebruik in het N.T. : pôs (hoe) . Taalgebruik in Mc : pôs (hoe) . Vragend of onbepaald voornaamw. van wijze . Mc 11 (1) : Mc 11,18 . In relatie tot hopôs (opdat) van Mc 3,6 . Een vorm van zèteô (zoeken) gevolgd door pôs (hoe) : (1) Mc 11,18 . (2) Mc 14,1 . (3) Mc 14,11 .

Mc 11,18.11. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 11 (7) : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 11,3 . (3) Mc 11,4 . (4) Mc 11,7 . (5) Mc 11,17 . (6) Mc 11,18 . (7) Mc 11,27 .

Mc 11,18.10. - 11. ὁπως αυτον = hopôs auton (zodat hem) . Bijbel (5) : (1) Mt 12,14 . (2) Mt 22,15 . (3) Mt 26,59 . (4) Mc 3,6 . (5) Hnd 9,24 .
- πως αυτον = pôs auton (hoe hem) . Bijbel (3) : (1) Mc 11,18 . (2) Mc 14,1 . (3) Lc 22,4 .

Mc 11,18.12. act. conjunctief aor. 3de pers. mv. απολεσωσιν = apolesôsin (zij zouden doden) van het werkw. απολλυμι = apollumi (verderven, verdoemen) . Taalgebruik in het NT : apollumi ( ten gronde richten , doden , verliezen ) . Taalgebruik in de LXX : apollumi (ten gronde richten , doden , verliezen) . Taalgebruik in Mc : apollumi (ten gronde richten , doden , verliezen) . Bijbel (5) . LXX (1) : Dt 28,22 . NT (4) . Mt (2) : (1) Mt 12,14 // Mc 3,6 : De Farizeeën gingen naar buiten en namen het besluit tegen Jezus opdat zij hem zouden doden . (2) Mt 27,20 : Jezus echter zouden zij doden . Mc (2) : (3) Mc 3,6 // Mt 12,14 . (4) Mc 11,18 // Lc 19,47 (ezètoun auton apolesai = zij zochten hem te doden) . Het Griekse werkw. απολλυμι = apollumi (verderven, verdoemen) kan de vertaling zijn van 42 verschillende (werk)woorden . Ook het Hebreeuwse werkwoord אָבַד = ´âbhad (verdwijnen, verloren gaan) wordt in de LXX in verschillende Griekse werkwoorden vertaald .
- < ap- + ollumi < ol-numi . Hebr. ´âbhad . Lat. perdere . Fr. perdre . Lat. perditio . Fr. perdition . Ned. verderf , verdoemenis .
De dag na de enthousiaste intrede ruimt Jezus de beestenstal in de tempel op . Daarop zoeken de hogepriesters en de schriftgeleerden Jezus te doden . Maar het volk loopt over van zijn leer . Deze pericope verwijst o.a. naar twee pericopen . Naar het eerste optreden van Jezus op sabbat in Kafarnaüm waar Jezus leert en het volk uitzinnig is van zijn leer . Hij drijft ook een duivel uit , die Jezus voor de voeten werpt : ben jij gekomen om ons te vernietigen (Mc 1,24) . Naar het tweede optreden van Jezus op sabbat in de synagoge waar Jezus een man geneest waarop de Farizeeën buitengaan en met de Herodianen het advies uitbrengen om Jezus te vernietigen (Mc 3,6) .
In Mc 11,18 zochten de hogepriesters en de schriftgeleerden hoe ze Jezus zouden vernietigen (doden) . De beslissing van de Farizeeën en de Herodianen om Jezus te doden (Mc 3,6) wordt versterkt door het besluit van de hogepriesters en de schriftgeleerden . Van vrije groeperingen tot de hoogste instanties . Van partijdigheid (Farizeeën) tot het hoogste gezag (hogepriesters) en een fundamentele verantwoording (schriftgeleerden) .
- In de LXX komt deze werkwoordvorm slechts in Dt 28,22 . Het is het hoofdstuk van de vervloekingen . Door allerlei kwalen zullen de vervloekten omkomen . In Dt 28,22 is het Griekse απολλυμι = apollumi (verderven, verdoemen) de vertaling van het Hebreeuwse werkwoord אָבַד = ´âbhad (verdwijnen, verloren gaan) . Wat maakt de vergelijking van Dt 28,22 en Mc 11,18 zo interessant . De tempelreiniging wordt omkaderd door het verhaal van de verdorde vijgeboom . In Dt 28 gaat het o.a. over vervloeking . De vervloeking volgt omdat JHWH werd verlaten (Dt 28,21) . Zouden we mogen zeggen dat de hogepriesters en de schriftgeleerden zich van JHWH hebben afgekeerd , vervloeking over zich brengen en de ondergang tegemoet gaan ? In Mc 3,1-6 is een man met een verdorde hand . Door die hand kan hij zijn hand niet uitstrekken om te zegenen . Zo krijgen we verhalen die naar elkaar verwijzen . Misschien wordt het nu ook duidelijk waarom Marcus voor de werkwoordvorm απολεσωσιν = apolesôsin (zij zouden doden) van het werkw. απολλυμι = apollumi (verderven, verdoemen) koos .

Mc 11,18.10. - 12.
(1) Mc 3,6 // Mt 12,14 : ὁπως αυτον απολεσωσιν = hopôs auton apolelôsin (opdat zij hem zouden doden) .
(2) Mc 11,18 : πως αυτον απολεσωσιν = pôs auton apolelôsin ( hoe zij hem zouden doden) .

13. ind. imperf. 3de pers. mv. efobounto (zij vreesden) van het werkw. fobeomai (vrezen) . Taalgebruik in het N.T. : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in Mc : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) .
Mc (5) : (1) Mc 9,32 . (2) Mc 10,32 . (3) Mc 11,18 . (4) Mc 11,32 . (5) Mc 16,8 .  

Mc 11,18.14. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc 11 (3) : (1) Mc 11,13 . (2) Mc 11,18 . (3) Mc 11,32 .

Mc 11,18.15. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 11 (7) : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 11,3 . (3) Mc 11,4 . (4) Mc 11,7 . (5) Mc 11,17 . (6) Mc 11,18 . (7) Mc 11,27 .

Mc 11,18.16. nom. mann. enk. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Mc (5) . In vier verzen wordt het als bijvoeglijk naamwoord bij ho ochlos (de menigte) gebruikt : nl. (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 . Eénmaal wordt het zelfstandig gebruikt nl. Mc 9,49 .

Mc 11,18.17. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc 11 (3) : (1) Mc 11,13 . (2) Mc 11,18 . (3) Mc 11,32 .

Mc 11,18.18. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (11) :  (1) Mc 11,3 . (2) Mc 11,6 . (3) Mc 11,9 . (4) Mc 11,13 . (5) Mc 11,18 . (6) Mc 11,21 . (7) Mc 11,22 . (8) Mc 11,23 . (9) Mc 11,25 . (10) Mc 11,29 . (11) Mc 11,33 .

Mc 11,18.19. nom. mann. enk. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos (menigte) . Met één uitzondering (Mc 10,1) gebruikt Mc ochlos (menigte) in het enk .
Mc (13) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 3,32 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,21 . (6) Mc 5,24a - Mc 5,24b . (7) Mc 9,15 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 11,18 . (10) Mc 12,37 . (11) Mc 12,41 . (12) Mc 12,43 . (13) Mc 15,8 . In deze gevallen is ochlos (menigte) onderwerp .

Mc 11,18.16. 18. - 19. pas ho ochlos (de hele menigte) . Mc (4) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 . In (1) Mc 2,13 en (2) Mc 4,1 stroomt de menigte samen en onderricht Jezus het volk . In Mc 9,15 is de menigte met verbazing geslagen bij het zien van Jezus .

Mc 11,18.20. pass. imperf. 3de pers. enk. exeplèsseto (het was buiten zichzelf) pass. imperf. 3de pers. mv. exeplèssonto van het werkw. ekplèssomai (buiten zichzelf raken van angst , verbazing , vreugde , bewondering) . Overlopen van . Taalgebruik in het N.T. : ekplèssomai (buiten zichzelf raken, ontzet zijn) . Taalgebruik in Mc : ekplèssomai (buiten zichzelf raken, ontzet zijn) . Mc (1) : Mc 11,18 .
pass. imperf. 3de pers. mv. exeplèssonto (zij waren buiten zichzelf) van het werkw. ekplèssomai (buiten zichzelf raken van angst , verbazing , vreugde , bewondering) . Overlopen van . Taalgebruik in het N.T. : ekplèssomai (buiten zichzelf raken, ontzet zijn) . Taalgebruik in Mc : ekplèssomai (buiten zichzelf raken, ontzet zijn) . Mc (4) :  (1) Mc 1,22 . (2) Mc 6,2 . (3) Mc 7,37 . (4) Mc 10,26 .
De toehoorders in de synagoge van Kafarnaüm waren buiten zichzelf van verbazing over de leer van Jezus . Omdat hij leerde op (eigen) gezag en niet zoals de schriftgeleerden (op gezag van de schrift) . In Mc 11,18 wordt deze verbazing een reden voor de hogepriesters en de schriftgeleerden om Jezus te vrezen .

Mc 11,18.21. epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Ned. op . Het voorzetsel epi in Mc 11 (2) : (1) Mc 11,4 . (2) Mc 11,18 .

Mc 11,18.22. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (3) : (1) Mc 11,12 . (2) Mc 11,18 . (3) Mc 11,23 .

Mc 11,18.23. nom. (didachè) + dat. vr. enk. didachè(i) van het zelfst. naamw. didachè (lering, onderrichting)  . Taalgebruik in het N.T. : didachè (lering, onderrichting) . Taalgebruik in Mc : didachè (lering, onderrichting) . Mc (5) : (1) Mc 1,22 (dat.) . (2) Mc 1,27 (nom.) . (3) Mc 4,2 (dat.) . (4) Mc 11,18 (dat.) . (5) Mc 12,38 (dat.) .

24. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 11 (6) :  (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,3 . (3) Mc 11,14 . (4) Mc 11,18 . (5) Mc 11,23 . (6) Mc 11,27 .

Mc 11,18.20. - 24. exeplèsseto) (Mc 1,22) exeplèssonto (Mc 11,18) epi tè(i) didachè(i) autou (over zijn leer) . Mc (2) : (1) Mc 1,22 (dat.) . (2) Mc 11,18 (dat.) .
Verdere vergelijking :
- Mc 4,2 (dat.) : kai elegen autois en tè(i) didachè(i) autou = en hij zei hen in zijn leer .
- Mc 12,38 (dat.) : kai en tè(i) didachè(i) autou elegen = en in zijn leer zei hij .

Mc 11,19 - Mc 11,19 : 284. Jezus in de tempel . Terugkeer naar Betanië - Mc 11,18-19 - Mt 21,14-17 - Lc 19,47-48 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 - Mc 11,18 - Mc 11,19 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  19 et cum vespera facta esset egrediebatur de civitate     [19] Toen het avond werd, gingen ze de stad uit.      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,19 . Het vers Mc 11,19 telt 8 (2 X 2 X 2) woorden en 39 (3 X 13) letters . De getalwaarde van Mc 11,19 is 5277 (3 X 1759) . Einde van de tweede dag in Jeruzalem .

Mc 11,19.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

Mc 11,19.2. hotan (telkens wanneer, wanneer, zodra) . Taalgebruik in het N.T. : hotan (telkens wanneer , wanneer, zodra) . Taalgebruik in Mc : hotan (telkens wanneer , wanneer, zodra) .
Mc (21) . Mc 11 (2) : (1) Mc 11,19 . (2) Mc 11,25 .

Mc 11,19.3. opse (laat) . Taalgebruik in het N.T. : opse (laat) . Taalgebruik in Mc : opse (laat) . Avond . D. Abend . E. evening . Lat. ad vesperas . Gr. hespera . Lat. serus (serenade) . Fr. soir .
Mc (2) : (1) Mc 11,19 . (2) Mc 13,35 .

Mc 11,19.4. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) .
Mc (21) . Mc 11 (1) : Mc 11,19 .

Mc 11,19.1. - 4. Vergelijk :
- Mc 11,11 : opsias èdè ousès tès hôras (terwijl het reeds het uur van de avond is) . Einde van de eerste dag in Jeruizalem .
- Mc 11,19 : kai hotan opse egeneto (en zodra het laat was geworden) .

Mc 11,19.5. ind. imperf. 3de pers. enk. exeporeueto van het werkw. ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in het N;T. : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in Mc : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . + por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen .
Mc (1) : Mc 11,19 . In Mc 11,11 exèlthen (hij ging uit) .
We wezen reeds op de gelijkenis tussen de eerste dag in Kafarnaüm (Mc 1,21) en de tweede dag in Jeruzalem (Mc 11,15) .
- Mc 1,21 : kai eisporeuonto eis kafarnaoum (en zij begeven zich op weg naar Kafarnaüm) .
- Mc 11,19 : kai exeporeuonto exô tès poleôs (en zij begaven zich uit buiten de stad) .

Mc 11,19.6. exô (buiten) . Taalgebruik in het N.T. : exô (buiten) . Taalgebruik in Mc : exô (buiten) .
Mc (10) . Mc 11 (2) : (1) Mc 11,4 . (2) Mc 11,19 .

Mc 11,19.7. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (2) : (1) Mc 11,11 . (2) Mc 11,19 .

Mc 11,19.8. gen. vr. enk. poleôs (van de stad) van het zelfst. naamw. polis (stad) . Taalgebruik in het N.T. : polis (stad) . Taalgebruik in Mc : polis (stad) .
Mc (1) : Mc 11,19 . Een vorm van polis (stad) in Mc in 8 verzen : (1) Mc 1,33 . (2) Mc 1,45 .  (3) Mc 5,14 . (4) Mc 6,33 . (5) Mc 6,56 . (6) Mc 11,19 . (7) Mc 14,13 . (8) Mc 14,16 .

286. De verdorde vijgeboom en de kracht van het geloof : Mc 11,20-25 // Mt 21,20-22 - Mc 11,20-25 - Mt 21,20-22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,20 - Mc 11,21 - Mc 11,22 - Mc 11,23 - Mc 11,24 - Mc 11,25 -

Mc 11,20 - Mc 11,20 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  20 et cum mane transirent viderunt ficum aridam factam a radicibus              

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,20 .

Mc 11,20.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

Mc 11,20.2. part. praes. nom. mann. mv. paraporeuomenoi (zich op weg begeven langs) van het werkw. paraporeuomai (zich op weg begeven langs) . Taalgebruik in het N.T. : paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in Mc : paraporeuomai (zich begeven langs) .
Mc (2) : (1) Mc 11,20 . (2) Mc 15,29 . Een vorm van paraporeuomai (zich op weg begeven langs) in 4 verzen in Mc : (1) Mc 2,23 . (2) Mc 9,30 . (3) Mc 11,20 . (4) Mc 15,29 .

Mc 11,21 - Mc 11,21 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  21 et recordatus Petrus dicit ei rabbi ecce ficus cui maledixisti aruit             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,21 . In Mc 11,21 en Mc 11,22 is de inleiding op het citaat bijna op identieke wijze opgebouwd : 1. verbindingswoord kai (en) . 2. het verleden deelwoord (aor.) van een samengesteld werkw. met voorzetsel ana- / apo- , werkw.stam mnès- /kri- en de werkwoorduitgang van het part. aor. theis . 3. bepaald lidwoord van het onderwerp ho (de) . 4. onderwerp : een persoonsnaam : petros (Petrus) / ièsous (Jezus) . 5. hoofdwerkw. act. tegenw. tijd , 3de pers. enk. legei (zegt) . 6. meewerk. voornaamw. dat. mann. enk. / mv. : autô(i) (hem) / autois (hen) .
- Mc 11,21 : kai anamnèstheis ho petros legei autô(i) (en Petrus herinnerd zegt hem) .
- Mc 11,22 : kai apokritheis ho ièsous legei autois (en Jezus beantwoord zegt hen) .

Mc 11,21.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

Mc 11,21.3. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (11) :  (1) Mc 11,3 . (2) Mc 11,6 . (3) Mc 11,9 . (4) Mc 11,13 . (5) Mc 11,18 . (6) Mc 11,21 . (7) Mc 11,22 . (8) Mc 11,23 . (9) Mc 11,25 . (10) Mc 11,29 . (11) Mc 11,33 .

Mc 11,21.5. actief indicatief praesens derde persoon enkelvoud legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (62) . Mc 11 (4) : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 11,21 . (3) Mc 11,22 . (4) Mc 11,33 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc in 10 verzen , van eipon (ik zei) in 7 verzen .

Mc 11,21.5. - 6. legei autô(i) (hij / zij zei hem) . Mc (12) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 5,19 . (5) Mc 7,28 . (6) Mc 7,34 . (7) Mc 8,29 . (8) Mc 10,51 . (9) Mc 11,21 . (10) Mc 13,1 . (11) Mc 14,30 . (12) Mc 14,61 .

Mc 11,21.10. nom. vr. enk. sukè (vijgeboom) . Taalgebruik in het N.T. : sukè (vijgeboom) . Taalgebruik in Mc : sukè (vijgeboom) .
Mc (1) : Mc 11,21 . Een vorm van sukè (vijgeboom) in Mc in 5 verzen : (1) Mc 11,13 (sukèn) . (2) Mc 11,13 (sukôn) . (3) Mc 11,20 . (4) Mc 11,21 . (5) Mc 13,28 .

Mc 11,22 - Mc 11,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  22 et respondens Iesus ait illis habete fidem Dei              

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,22 . In Mc 11,21 en Mc 11,22 is de inleiding op het citaat bijna op identieke wijze opgebouwd : 1. verbindingswoord kai (en) . 2. het verleden deelwoord (aor.) van een samengesteld werkw. met voorzetsel ana- / apo- , werkw.stam mnès- /kri- en de werkwoorduitgang van het part. aor. theis . 3. bepaald lidwoord van het onderwerp ho (de) . 4. onderwerp : een persoonsnaam : petros (Petrus) / ièsous (Jezus) . 5. hoofdwerkw. act. tegenw. tijd , 3de pers. enk. legei (zegt) . 6. meewerk. voornaamw. dat. mann. enk. / mv. : autô(i) (hem) / autois (hen) .
- Mc 11,21 : kai anamnèstheis ho petros legei autô(i) (en Petrus herinnerd zegt hem) .
- Mc 11,22 : kai apokritheis ho ièsous legei autois (en Jezus beantwoord zegt hen) .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

2. part. aor. nom. mann. enk. apokritheis (geantwoord) van het werkw. apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het N.T. : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in Mc : apokrinomai (antwoorden) .
Mc (14) : (1) Mc 3,33 . (2) Mc 6,37 . (3) Mc 8,29 . (4) Mc 9,5 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 10,3 . (7) Mc 10,24 . (8) Mc 10,51 . (9) Mc 11,14 . (10) Mc 11,22 . (11) Mc 12,35 . (12) Mc 14,48 . (13) Mc 15,2 . (14) Mc 15,12 . Een vorm van apokrinomai (antwoorden) in Mc in 30 verzen .

1. - 2. kai apokritheis (en beantwoord) of ho de (...) apokritheis (hij echter beantwoord . Mc (13 / 14) . Niet in Mc 8,29 .
- kai apokritheis (en beantwoord) . Mc 7 / 14 : (1) Mc 3,33 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 10,51 . (4) Mc 11,14 . (5) Mc 11,22 . (6) Mc 12,35 . (7) Mc 14,48 .
- ho de (...) apokritheis (hij echter beantwoord . (Mc 6 / 14) . (1) Mc 6,37 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 10,3 . (4) Mc 10,24 . (5) Mc 15,2 . (6) Mc 15,12 .

3. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 11 (11) :  (1) Mc 11,3 . (2) Mc 11,6 . (3) Mc 11,9 . (4) Mc 11,13 . (5) Mc 11,18 . (6) Mc 11,21 . (7) Mc 11,22 . (8) Mc 11,23 . (9) Mc 11,25 . (10) Mc 11,29 . (11) Mc 11,33 .

4. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) .
Mc (57) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,17 . (2) Mc 12,24 . (3) Mc 12,29 . (4) Mc 12,34 . (5) Mc 12,35 . Een vorm van ièsous (Jezus) in Mc in 81 verzen .

1. - 4. kai apokritheis ho ièsous (en Jezus beantwoord) . Mc (3) : (1) Mc 11,22 . (2) Mc 12,35 . (3) Mc 14,48 .

5. actief indicatief praesens derde persoon enkelvoud legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (62) . Mc 11 (4) : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 11,21 . (3) Mc 11,22 . (4) Mc 11,33 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc in 10 verzen , van eipon (ik zei) in 7 verzen .

8. acc. vr. enk. pistin (geloof, vertrouwen) van het zelfst. naamw. pistis (geloof, vertrouwen) . Taalgebruik in het N.T. : pistis (geloof) . Taalgebruik in Mc : pistis (geloof) . Mc (3) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 4,40 . (3) Mc 11,22 .  
nom. vr. enk. pistis (geloof, vertrouwen) . Mc (2) : (1) Mc 5,34 .  (2) Mc 10,52
- Mc 4,40 : oupô echete pistin (heb je nog geen geloof) . Mc 11,22 : echete pistin theou (heb geloof in God) .

Mc 11,23 - Mc 11,23 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  23 amen dico vobis quicumque dixerit huic monti tollere et mittere in mare et non haesitaverit in corde suo sed crediderit quia quodcumque dixerit fiat fiet ei              

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,23 .

2. act. ind. praes. 1ste pers. enk. legô (ik zeg) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (19) . Mc

3. pers. voornaamw. 2de pers. dat. mann. mv. humin (aan jullie) van het pers. voornaamw. humeis (jullie) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (34) . Mc

4. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 11 (3) :  (1) Mc 11,23 . (2) Mc 11,24 . (3) Mc 11,32 .

8. bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (4) : (1) Mc 11,15 . (2) Mc 11,23 . (3) Mc 11,27 . (4) Mc 11,33 .

12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

Mc 11,23.14. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 11 (8) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,2 . (3) Mc 11,8 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,14 . (6) Mc 11,15 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 11,27 .

17. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

20. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 11 (10) : (1) Mc 11,9 . (2) Mc 11,10 . (3) Mc 11,13 . (4) Mc 11,15. (5) Mc 11,23 . (6) Mc 11,25 . (7) Mc 11,27 . (8) Mc 11,28 . (9) Mc 11,29 . (10) Mc 11,33 .

Mc 11,23.21. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (3) : (1) Mc 11,12 . (2) Mc 11,18 . (3) Mc 11,23 .

23. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 11 (6) :  (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,3 . (3) Mc 11,14 . (4) Mc 11,18 . (5) Mc 11,23 . (6) Mc 11,27 .

26. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 11 (3) :  (1) Mc 11,23 . (2) Mc 11,24 . (3) Mc 11,32 .

27. betrekk. voornaamw. acc. onz. enk. ho (wat) (+ bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (11) :  (1) Mc 11,3 . (2) Mc 11,6 . (3) Mc 11,9 . (4) Mc 11,13 . (5) Mc 11,18 . (6) Mc 11,21 . (7) Mc 11,22 . (8) Mc 11,23 . (9) Mc 11,25 . (10) Mc 11,29 . (11) Mc 11,33 .

Mc 11,24 - Mc 11,24 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  24 propterea dico vobis omnia quaecumque orantes petitis credite quia accipietis et veniet vobis             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,24 .

8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

11. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 11 (3) :  (1) Mc 11,23 . (2) Mc 11,24 . (3) Mc 11,32 .

13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

Mc 11,25 - Mc 11,25 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  25 et cum stabitis ad orandum dimittite si quid habetis adversus aliquem ut et Pater vester qui in caelis est dimittat vobis peccata vestra             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,25 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

9. kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in het N.T. : kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in Mc : kata (tegen, volgens) .
Mc (9) : (1) Mc 4,10 . (2) Mc 5,13 . (3) Mc 6,40 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 11,25 . (6) Mc 13,8 . (7) Mc 14,19 . (8) Mc 14,55 . (9) Mc 15,6 .

12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

13. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (11) :  (1) Mc 11,3 . (2) Mc 11,6 . (3) Mc 11,9 . (4) Mc 11,13 . (5) Mc 11,18 . (6) Mc 11,21 . (7) Mc 11,22 . (8) Mc 11,23 . (9) Mc 11,25 . (10) Mc 11,29 . (11) Mc 11,33 .

16. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (11) :  (1) Mc 11,3 . (2) Mc 11,6 . (3) Mc 11,9 . (4) Mc 11,13 . (5) Mc 11,18 . (6) Mc 11,21 . (7) Mc 11,22 . (8) Mc 11,23 . (9) Mc 11,25 . (10) Mc 11,29 . (11) Mc 11,33 .

17. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 11 (10) : (1) Mc 11,9 . (2) Mc 11,10 . (3) Mc 11,13 . (4) Mc 11,15. (5) Mc 11,23 . (6) Mc 11,25 . (7) Mc 11,27 . (8) Mc 11,28 . (9) Mc 11,29 . (10) Mc 11,33 .

Mc 11,26 - Mc 11,26 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  26 quod si vos non dimiseritis nec Pater vester qui in caelis est dimittet vobis peccata vestra             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,26 .

287. Vraag naar Jezus'macht : Mc 11,27-33 - Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,27 - Mc 11,28 - Mc 11,29 - Mc 11,30 - Mc 11,31 - Mc 11,32 - Mc 11,33 -

Mc 11,27 - Mc 11,27 : 287. Vraag naar Jezus'macht - Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,27 - Mc 11,28 - Mc 11,29 - Mc 11,30 - Mc 11,31 - Mc 11,32 - Mc 11,33 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Kai erchontai palin eis Hierosoluma. kai en tôi hierôi 27 et veniunt rursus Hierosolymam et cum ambularet in templo accedunt ad eum summi sacerdotes et scribae et seniores             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,27 .

Mc 11,27.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 11,27.2. indicatief tegenwoordige tijd derde persoon meervoud ερχονται = erchontai (zij gaan) van het werkwoord ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in de LXX : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . Mc (12) : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 5,15 . (4) Mc 5,35 . (5) Mc 5,38 . (6) Mc 8,22 . (7) Mc 10,46 . (8) Mc 11,15 . (9) Mc 11,27 . (10) Mc 12,18 . (11) Mc 14,32 . (12) . Mc 16,2 . Lc (1) Lc 23,29 . Joh (1) : Joh 3,26 . Br. (2) : (1) 1 Kor 15,35 . (2) Heb 8,8 . Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan , komen) in Mc 11 in 5 (6X) verzen .

  erchomai (gaan, komen) : bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
1 ind. pr. 3de p. enk. erchetai 130 42 88 13 16 11 37 1 7 40  77 
2 ind. pr. 3de p. mv. erchontai 65 47 18  12      15  16 

Mc 11,27.1. - 2. και ερχονται = kai erchontai (en zij gaan) . LXX (17) . NT (9) = Mc (9) : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 3,20 / Mc 3,19 (variante ερχονται = erchontai = zij gaan) . (4) Mc 5,15 . (5) Mc 5,38 . (6) Mc 8,22 . (7) Mc 10,46 . (8) Mc 11,15 . (8) Mc 11,27 . (9) Mc 12,18 . (10) Mc 14,32 .
- Hebreeuws . prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבֹאוּ = wajjâbo´û (en zij gingen) OF prefix verbindingswoord wë + act. hifil imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבִאוּ = wajjâbhi´û (en zij lieten komen, zij brachten) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalwaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) . Tenakh (195) . Pentateuch (47) . Eerdere Profeten (99) Latere Profeten (14) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (33) .

Mc 11,27.3. παλιν = palin (opnieuw) . Taalgebruik in het NT : palin (opnieuw) . Taalgebruik in de LXX : palin (opnieuw) . Taalgebruik in Mc : palin (opnieuw) . Voor de derde maal in Mc gebruikt . εις την συναγωγην = eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) van Mc 3,1 verwijst naar εις την συναγωγην = eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) van Mc 1,21 . Het is de tweede maal dat Mc uitdrukkelijk vermeldt dat Jezus een synagoge bezoekt . Een derde maal zal het in Nazaret zijn .

palin (opnieuw)   Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 7 Mc 8 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 14 Mc 15 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
  2 : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,13 . 2 : (3) Mc 3,1 . (4) Mc 3,20 . 1 : (5) Mc 4,1 . 1 : Mc 5,21 . 2 : (7) Mc 7,14 . (8) Mc 7,31 . 3 : (9) Mc 8,1 . (10) Mc 8,13 . (11) Mc 8,25 .   4 : (12) Mc 10,1 . (13) Mc 10,10 . (14) Mc 10,24 . (15) Mc 10,32 . 2 : (16) Mc 11,3 . (17) Mc 11,27 1 : (18) Mc 12,4 . 5 : (19) Mc 14,39 . (20) Mc 14,40 . (21) Mc 14,61 . (22) Mc 14,69 . (23) Mc 14,70 . 3 : (24) Mc 15,4 . (25) Mc 15,12 . (26) Mc 15,13 .   206 70 136 16 26 26 45 5 16 2 68  113 
kai palin (en opnieuw)     1 : Mc 4,1 .   1 : Mc 7,31 .       1 : Mc 12,4 . 2 : (1) Mc 14,39 . (2) Mc 14,40 .       30 1 5 1 8 3 12   8 16

- Ned. : opnieuw . D. : abermals . E. : again . Fr. : de nouveau .Grieks : παλιν = palin (opnieuw) . Taalgebruik in het NT : palin (opnieuw) . Lat.: iterum .

Mc 11,27.4. εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . Mc (151) . Mc 11 (8) : (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,2 . (3) Mc 11,8 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,14 . (6) Mc 11,15 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 11,27 .

eis (naar)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b.  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
  6930  5336  1594  215  151  210  181  260  504  73  576  757  427  77  13 5 6 8 11 14 9 10 11 13 8 7 8 20 3 5

- Ned. : naar . D. : nach . E. : for . Fr. : vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Grieks : εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Lat. : in / ad .

Mc 11,27.1. - 3. και ερχονται εις = kai erchontai eis (en zij gaan naar) . LXX (2) : (1) 2 S 2,29 . (2) 1 K 11,18 . NT (4) : (1) Mc 3,19 (variante ερχονται = erchontai = zij gaan) . (2) Mc 10,46 . (3) Mc 11,15 . (4) Mc 14,32 .

Mc 11,27.5. Hierosuluma (Jeruzalem) wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel ; in 3 verzen door het voorzetsel apo (van-weg) + gen. (Hierosolumôn) , in 7 door eis (naar) + acc. (Hierosoluma) . Taalgebruik in het N.T. : Hierosoluma (Jeruzalem)  . Taalgebruik in Mc : Hierosoluma (Jeruzalem) .
- = apo Hierosolumôn (van Jeruzalem) . Mc (3) : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 3,22 . (3) Mc 7,1 .
- = eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) . Mc (7) : (1) Mc 10,32 . (2) Mc 10,33 . (3) Mc 11,1 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,15 . (6) Mc 11,27 . (7) Mc 15,41 .

Mc 11,27.1. - 5. Op de blijde inkomstdag had Jezus een kijkje gaan nemen in de tempel . Op de tweede en de derde dag is Jezus actief aanwezig in de tempel . Beide pericopen worden identiek ingeleid :
- Mc 11,15 : = kai erchontai eis Hierosoluma = en zij gaan naar Jeruzalem .
- Mc 11,27 : = kai erchontai palin eis Hierosoluma = en zij gaan opnieuw naar Jeruzalem .

Mc 11,27.6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

Mc 11,27.7. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc (119) . Mc 11 (10) : (1) Mc 11,9 . (2) Mc 11,10 . (3) Mc 11,13 . (4) Mc 11,15. (5) Mc 11,23 . (6) Mc 11,25 . (7) Mc 11,27 . (8) Mc 11,28 . (9) Mc 11,29 . (10) Mc 11,33 .

Mc 11,27.8. bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 11 (4) : (1) Mc 11,15 . (2) Mc 11,23 . (3) Mc 11,27 . (4) Mc 11,33 .

Mc 11,27.9. dat. onz. enk. hierô(i) (heiligdom, tempel) Taalgebruik in het N.T. : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Mc : hieron (heiligdom, tempel) . Een vorm van hieron is steeds voorafgegaan door een voorzetsel .
1. dia tou hierou (door de tempel) . Mc (1) : Mc 11,16 .
2. eis to hieron (naar de tempel) . Mc (2) : (1) Mc 11,11 . (2) Mc 11,15 .
3. ek tou hierou (uit de tempel) . Mc (1) : Mc 13,1 .
4. en tô(i) hierô(i) (in de tempel) . Mc (4) : (1) Mc 11,15 . (2) Mc 11,27 . (3) Mc 12,35 . (4) Mc 14,49 .
5. katenanti tou hierou (tegenover de tempel) . Mc (1) : Mc 13,3 .
Een vorm van hieron (tempel) in Mc 11 (5) : (1) eis to hieron (naar de tempel) : Mc 11,11 . (2) eis to hieron (naar de tempel) : Mc 11,15 . (3) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc 11,15 . (4) dia tou hierou (door de tempel) : Mc 11,16 . (5) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc 11,27 .

Mc 11,27.10. act. part. praes. gen. mann. enk. peripatountos (terwijl hij rondwandelt) van het werkw. peripateô (rondwandelen) . Taalgebruik in het N.T. : peripateô (rondwandelen) . Taalgebruik in Mc : peripateô (rondwandelen) .
Mc (1) : Mc 11,27 . Een vorm van peripateô (rondwandelen) in Mc in 9 verzen .

Mc 11,27.11. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 11 (6) :  (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,3 . (3) Mc 11,14 . (4) Mc 11,18 . (5) Mc 11,23 . (6) Mc 11,27 .

Mc 11,27.12. indicatief tegenwoordige tijd derde persoon meervoud erchontai (zij gaan) van het werkwoord erchomai (gaan , komen) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) .
Mc (12) : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 5,15 . (4) Mc 5,35 . (5) Mc 5,38 . (6) Mc 8,22 . (7) Mc 10,46 . (8) Mc 11,15 . (9) Mc 11,27 . (10) Mc 12,18 . (11) Mc 14,32 . (12) . Mc 16,2 . Een vorm van erchomai (gaan , komen) in Mc 11 in 5 (6X) verzen .

Mc 11,27.13. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Voorzetsel .
Mc (62) . Mc 11 (5) :  (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,4 . (3) Mc 11,7 (pros ton Ièsoun = naar Jezus) . (4) Mc 11,27 . (5) Mc 11,31 .

Mc 11,27.14. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 11 (7) : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 11,3 . (3) Mc 11,4 . (4) Mc 11,7 . (5) Mc 11,17 . (6) Mc 11,18 . (7) Mc 11,27 .

Mc 11,27.13. - 14. pros auton (naar hem, bij hem) . Mc (15) .
-- Naar Johannes de Doper : (1) Mc 1,5 .
-- Naar Jezus . Mc (14)) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 . Een variabele lezing in Mc 11,27 : pros ton ièsoun i.p.v. pros auton .

Mc 11,27.15. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 11 (5) :  (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,9 . (3) Mc 11,14 . (4) Mc 11,18 . (5) Mc 11,27 .

Mc 11,27.16. nom. mann. mv. archiereis (hogepriesters) . Taalgebruik in het N.T. : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Mc : archiereus (hogepriester) .
Mc (11) . (1) Mc 11,18 . (2) Mc 11,27 . (3) Mc 14,1 . (4) Mc 14,10 . (5) Mc 14,53 . (6) Mc 14,55 . (7) Mc 15,1 . (8) Mc 15,3 . (9) Mc 15,10 . (10) Mc 15,11 . (11) Mc 15,31 .

Mc 11,27.17. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

Mc 11,27.18. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 11 (5) :  (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,9 . (3) Mc 11,14 . (4) Mc 11,18 . (5) Mc 11,27 .

Mc 11,27.19. nom. + voc. + acc. mann. mv. grammateis (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in het N.T. : grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in Mc : grammateus (schriftgeleerde) .
Mc (11) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 2,16 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 9,11 . (6) Mc 9,14 . (7) Mc 11,18 . (8) Mc 11,27 . (9) Mc 12,35 . (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,53 .

Mc 11,27.15. - 19. hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden) . Mc (2) : (1) Mc 11,18 . (2) Mc 14,1 .

Mc 11,27.20. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

Mc 11,27.21. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 11 (5) :  (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,9 . (3) Mc 11,14 . (4) Mc 11,18 . (5) Mc 11,27 .

Mc 11,28 - Mc 11,28 : 287. Vraag naar Jezus'macht - Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,27 - Mc 11,28 - Mc 11,29 - Mc 11,30 - Mc 11,31 - Mc 11,32 - Mc 11,33 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  28 et dicunt illi in qua potestate haec facis et quis tibi dedit hanc potestatem ut ista facias            

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,28

exousia (macht) bij Marcus : Mc 11,27-33    
Mc 11,27 Mc 11,29 Mc 11,33
  kai erô humin (en ik zal je zeggen) oude legô humin (noch zeg ik je)
en poiai exousia(i) (door welke machtiging) en poiai exousia(i) (door welke machtiging) en poiai exousiai (door welke machtiging)
tauta poièis (doe je dit?) tauta poiô (ik dit doe) tauta poiô (ik dit doe)

 

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

4. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 11 (10) : (1) Mc 11,9 . (2) Mc 11,10 . (3) Mc 11,13 . (4) Mc 11,15. (5) Mc 11,23 . (6) Mc 11,25 . (7) Mc 11,27 . (8) Mc 11,28 . (9) Mc 11,29 . (10) Mc 11,33 .

6. exousiai (in welk gezag) . Datief enkelvoud van exousia (gezag , macht) . Taalgebruik : exousia (macht), zie Mt 28,18 .

14. acc. vr. enk. exousian (macht, gezag) . Taalgebruik in het N.T. : exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in Mc : exousia (gezag, macht) . Mc (7) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 1,27 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 3,15 . (5) Mc 6,7 . (6) Mc 11,28 . (7) Mc 12,34 .

15. acc. vr. enk. tautèn (dit) van het bezitt. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) .
Mc (52) . Mc (4) : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 11,28 . (4) Mc 12,10 .

Mc 11,29 - Mc 11,29 : 287. Vraag naar Jezus'macht - Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,27 - Mc 11,28 - Mc 11,29 - Mc 11,30 - Mc 11,31 - Mc 11,32 - Mc 11,33 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  29 Iesus autem respondens ait illis interrogabo vos et ego unum verbum et respondete mihi et dicam vobis in qua potestate haec faciam            

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,29 .

1. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (11) :  (1) Mc 11,3 . (2) Mc 11,6 . (3) Mc 11,9 . (4) Mc 11,13 . (5) Mc 11,18 . (6) Mc 11,21 . (7) Mc 11,22 . (8) Mc 11,23 . (9) Mc 11,25 . (10) Mc 11,29 . (11) Mc 11,33 .

9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

15. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 11 (10) : (1) Mc 11,9 . (2) Mc 11,10 . (3) Mc 11,13 . (4) Mc 11,15. (5) Mc 11,23 . (6) Mc 11,25 . (7) Mc 11,27 . (8) Mc 11,28 . (9) Mc 11,29 . (10) Mc 11,33 .

Mc 11,30 - Mc 11,30 : 287. Vraag naar Jezus'macht - Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,27 - Mc 11,28 - Mc 11,29 - Mc 11,30 - Mc 11,31 - Mc 11,32 - Mc 11,33 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  30 baptismum Iohannis de caelo erat an ex hominibus respondete mihi            

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,30 .

1. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (4) :  (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,11 . (3) Mc 11,15 . (4) Mc 11,30 .

2. nom. + acc. onz. enk. baptisma (doopsel) . Taalgebruik in het N.T. : baptisma (doopsel) . Taalgebruik in Mc : baptisma (doopsel) .
Mc (4) : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 10,38 . (3) Mc 10,39 . (4) Mc 11,30 .

3. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (4) :  (1) Mc 11,1 . (2) Mc 11,11 . (3) Mc 11,15 . (4) Mc 11,30 .

4. gen. mann. enk. Iôannou (van Johannes) . Taalgebruik in het N.T. : Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès (Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean . E. John .
Johannes de Doper : Mc (5) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 6,24 . (4) Mc 6,25 . (5) Mc 11,30 .
Een vorm van Jôhannès (Johannes) de Doper in Mc (15) : (1) Mc 1,4 (nom. Iôannès) . (2) Mc 1,6 (nom. Iôannès) . (3) Mc 1,9 (gen. Iôannou) . (4) Mc 1,14 (acc. Iôannèn) . (5) Mc 2,18 (gen. Iôannou) . (6) Mc 6,14 (nom. Iôannès) . (7) Mc 6,16 (acc. Iôannèn) . (8) Mc 6,17 (acc. Iôannèn) . (9) Mc 6,18 (nom. Iôannès) . (10) Mc 6,20 (acc. Iôannèn) . (11) Mc 6,24 (gen. Iôannou) . (12) Mc 6,25 (gen. Iôannou) . (13) Mc 8,28 (acc. Iôannèn) . (14) Mc 11,30 (gen. Iôannou) . (15) Mc 11,32 (acc. Iôannèn) .

Mc 11,31 - Mc 11,31 : 287. Vraag naar Jezus'macht - Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,27 - Mc 11,28 - Mc 11,29 - Mc 11,30 - Mc 11,31 - Mc 11,32 - Mc 11,33 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  31 at illi cogitabant secum dicentes si dixerimus de caelo dicet quare ergo non credidistis ei            

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,31 .

1. 9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

Mc 11,32 - Mc 11,32 : 287. Vraag naar Jezus'macht - Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,27 - Mc 11,28 - Mc 11,29 - Mc 11,30 - Mc 11,31 - Mc 11,32 - Mc 11,33 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  32 sed dicemus ex hominibus timebant populum omnes enim habebant Iohannem quia vere propheta esset            

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,32 .

Mc 11,32.5. ind. imperf. 3de pers. mv. efobounto (zij vreesden) van het werkw. fobeomai (vrezen) . Taalgebruik in het N.T. : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in Mc : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) .
Mc (5) : (1) Mc 9,32 . (2) Mc 10,32 . (3) Mc 11,18 . (4) Mc 11,32 . (5) Mc 16,8 .

Mc 11,32.8. nom. mann. mv. hapantes van het bijvoegl. naamw. hapas (ieder, allen, alles) . Taalgebruik in het N.T. : hapas (ieder, allen, alles) . Taalgebruik in Mc : hapas (ieder, allen, alles) . Mc (2) : (1) Mc 1,27 . (2) Mc 11,32 . Een vorm van hapas (ieder, allen, alles) in Mc in 4 verzen : (1) Mc 1,27 . (2) Mc 8,25 . (3) Mc 11,32 . (4) Mc 16,15 .

Mc 11,32.9. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc 11 (3) : (1) Mc 11,13 . (2) Mc 11,18 . (3) Mc 11,32 .

Mc 11,32.14. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 11 (3) :  (1) Mc 11,23 . (2) Mc 11,24 . (3) Mc 11,32 .

Mc 11,32.15. nom. mann. enk. profètès (profeet) . Taalgebruik in het N.T. : profètès (profeet) . Taalgebruik in Mc : profètès (profeet) .
Mc (3) : (1) Mc 6,4 . (2) Mc 6,15 . (3) Mc 11,32 . Een vorm van profètès (profeet) in Mc in 5 verzen : (1) Mc 1,2  . (2) Mc 6,4 . (3) Mc 6,15 (2 vormen) . (4) Mc 8,28 . (5) Mc 11,32 .

Mc 11,33 - Mc 11,33 : 287. Vraag naar Jezus'macht - Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 11 -- Mc 11,27 - Mc 11,28 - Mc 11,29 - Mc 11,30 - Mc 11,31 - Mc 11,32 - Mc 11,33 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai apokrithentes tôi Ièsou legousin Ouk oidamen. Kai ho Ièsous legei autois Oude egô legô humin en poiai exousiai tauta poiô 33 et respondentes dicunt Iesu nescimus respondens Iesus ait illis neque ego dico vobis in qua potestate haec faciam            

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 11,33 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

3. bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (4) : (1) Mc 11,15 . (2) Mc 11,23 . (3) Mc 11,27 . (4) Mc 11,33 .

8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 11 . Van 33 verzen niet in 4 verzen :  (1) Mc 11,10 . (2) Mc 11,26 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,32 .

9. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 11 (11) :  (1) Mc 11,3 . (2) Mc 11,6 . (3) Mc 11,9 . (4) Mc 11,13 . (5) Mc 11,18 . (6) Mc 11,21 . (7) Mc 11,22 . (8) Mc 11,23 . (9) Mc 11,25 . (10) Mc 11,29 . (11) Mc 11,33 .

10. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) . Mc 11 (4) : (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,22 . (3) Mc 11,29 . (4) Mc 11,33 .

8. - 10. kai ho ièsous (en Jezus) . Vooraan de zin . Mc (4) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 11,33 . (3) Mc 12,34 . (4) Mc 13,2 .

11. actief indicatief praesens derde persoon enkelvoud legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (62) . Mc 11 (4) : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 11,21 . (3) Mc 11,22 . (4) Mc 11,33 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc in 10 verzen , van eipon (ik zei) in 7 verzen .

17. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 11 (10) : (1) Mc 11,9 . (2) Mc 11,10 . (3) Mc 11,13 . (4) Mc 11,15. (5) Mc 11,23 . (6) Mc 11,25 . (7) Mc 11,27 . (8) Mc 11,28 . (9) Mc 11,29 . (10) Mc 11,33 .


GRIEKSE TEKST

1kai ote eggizousin eis ierosoluma eis bèthfagè kai bèthanian pros to oros tôn elaiôn, apostellei duo tôn mathètôn autou 2kai legei autois, upagete eis tèn kômèn tèn katenanti umôn, kai euthus eisporeuomenoi eis autèn eurèsete pôlon dedemenon ef on oudeis oupô anthrôpôn ekathisen: lusate auton kai ferete. 3kai ean tis umin eipè, ti poieite touto; eipate, o kurios autou chreian echei, kai euthus auton apostellei palin ôde. 4kai apèlthon kai euron pôlon dedemenon pros thuran exô epi tou amfodou, kai luousin auton. 5kai tines tôn ekei estèkotôn elegon autois, ti poieite luontes ton pôlon; 6oi de eipan autois kathôs eipen o ièsous: kai afèkan autous. 7kai ferousin ton pôlon pros ton ièsoun, kai epiballousin autô ta imatia autôn, kai ekathisen ep auton. 8kai polloi ta imatia autôn estrôsan eis tèn odon, alloi de stibadas kopsantes ek tôn agrôn. 9kai oi proagontes kai oi akolouthountes ekrazon, ôsanna: eulogèmenos o erchomenos en onomati kuriou: 10eulogèmenè è erchomenè basileia tou patros èmôn dauid: ôsanna en tois upsistois. 11kai eisèlthen eis ierosoluma eis to ieron: kai periblepsamenos panta, opsias èdè ousès tès ôras, exèlthen eis bèthanian meta tôn dôdeka. 12kai tè epaurion exelthontôn autôn apo bèthanias epeinasen. 13kai idôn sukèn apo makrothen echousan fulla èlthen ei ara ti eurèsei en autè, kai elthôn ep autèn ouden euren ei mè fulla: o gar kairos ouk èn sukôn. 14kai apokritheis eipen autè, mèketi eis ton aiôna ek sou mèdeis karpon fagoi. kai èkouon oi mathètai autou. 15kai erchontai eis ierosoluma. kai eiselthôn eis to ieron èrxato ekballein tous pôlountas kai tous agorazontas en tô ierô, kai tas trapezas tôn kollubistôn kai tas kathedras tôn pôlountôn tas peristeras katestrepsen, 16kai ouk èfien ina tis dienegkè skeuos dia tou ierou. 17kai edidasken kai elegen autois, ou gegraptai oti o oikos mou oikos proseuchès klèthèsetai pasin tois ethnesin; umeis de pepoièkate auton spèlaion lèstôn. 18kai èkousan oi archiereis kai oi grammateis, kai ezètoun pôs auton apolesôsin: efobounto gar auton, pas gar o ochlos exeplèsseto epi tè didachè autou. 19kai otan opse egeneto, exeporeuonto exô tès poleôs. 20kai paraporeuomenoi prôi eidon tèn sukèn exèrammenèn ek rizôn. 21kai anamnèstheis o petros legei autô, rabbi, ide è sukè èn katèrasô exèrantai. 22kai apokritheis o ièsous legei autois, echete pistin theou, 23amèn legô umin oti os an eipè tô orei toutô, arthèti kai blèthèti eis tèn thalassan, kai mè diakrithè en tè kardia autou alla pisteuè oti o lalei ginetai, estai autô. 24dia touto legô umin, panta osa proseuchesthe kai aiteisthe, pisteuete oti elabete, kai estai umin. 25kai otan stèkete proseuchomenoi, afiete ei ti echete kata tinos, ina kai o patèr umôn o en tois ouranois afè umin ta paraptômata umôn. 26kai 27erchontai palin eis ierosoluma. kai en tô ierô peripatountos autou erchontai pros auton oi archiereis kai oi grammateis kai oi presbuteroi 28kai elegon autô, en poia exousia tauta poieis; è tis soi edôken tèn exousian tautèn ina tauta poiès; 29o de ièsous eipen autois, eperôtèsô umas ena logon, kai apokrithète moi, kai erô umin en poia exousia tauta poiô: 30to baptisma to iôannou ex ouranou èn è ex anthrôpôn; apokrithète moi. 31kai dielogizonto pros eautous legontes, ean eipômen, ex ouranou, erei, dia ti [oun] ouk episteusate autô; 32alla eipômen, ex anthrôpôn; efobounto ton ochlon, apantes gar eichon ton iôannèn ontôs oti profètès èn. 33kai apokrithentes tô ièsou legousin, ouk oidamen. kai o ièsous legei autois, oude egô legô umin en poia exousia tauta poiô.


VULGAAT

1 et cum adpropinquarent Hierosolymae et Bethaniae ad montem Olivarum mittit duos ex discipulis suis 2 et ait illis ite in castellum quod est contra vos et statim introeuntes illuc invenietis pullum ligatum super quem nemo adhuc hominum sedit solvite illum et adducite 3 et si quis vobis dixerit quid facitis dicite quia Domino necessarius est et continuo illum dimittet huc 4 et abeuntes invenerunt pullum ligatum ante ianuam foris in bivio et solvunt eum 5 et quidam de illic stantibus dicebant illis quid facitis solventes pullum 6 qui dixerunt eis sicut praeceperat illis Iesus et dimiserunt eis 7 et duxerunt pullum ad Iesum et inponunt illi vestimenta sua et sedit super eo 8 multi autem vestimenta sua straverunt in via alii autem frondes caedebant de arboribus et sternebant in via 9 et qui praeibant et qui sequebantur clamabant dicentes osanna benedictus qui venit in nomine Domini 10 benedictum quod venit regnum patris nostri David osanna in excelsis 11 et introivit Hierosolyma in templum et circumspectis omnibus cum iam vespera esset hora exivit in Bethania cum duodecim 12 et alia die cum exirent a Bethania esuriit 13 cumque vidisset a longe ficum habentem folia venit si quid forte inveniret in ea et cum venisset ad eam nihil invenit praeter folia non enim erat tempus ficorum 14 et respondens dixit ei iam non amplius in aeternum quisquam fructum ex te manducet et audiebant discipuli eius 15 et veniunt Hierosolymam et cum introisset templum coepit eicere vendentes et ementes in templo et mensas nummulariorum et cathedras vendentium columbas evertit 16 et non sinebat ut quisquam vas transferret per templum 17 et docebat dicens eis non scriptum est quia domus mea domus orationis vocabitur omnibus gentibus vos autem fecistis eam speluncam latronum 18 quo audito principes sacerdotum et scribae quaerebant quomodo eum perderent timebant enim eum quoniam universa turba admirabatur super doctrina eius 19 et cum vespera facta esset egrediebatur de civitate 20 et cum mane transirent viderunt ficum aridam factam a radicibus 21 et recordatus Petrus dicit ei rabbi ecce ficus cui maledixisti aruit 22 et respondens Iesus ait illis habete fidem Dei 23 amen dico vobis quicumque dixerit huic monti tollere et mittere in mare et non haesitaverit in corde suo sed crediderit quia quodcumque dixerit fiat fiet ei 24 propterea dico vobis omnia quaecumque orantes petitis credite quia accipietis et veniet vobis 25 et cum stabitis ad orandum dimittite si quid habetis adversus aliquem ut et Pater vester qui in caelis est dimittat vobis peccata vestra 26 quod si vos non dimiseritis nec Pater vester qui in caelis est dimittet vobis peccata vestra 27 et veniunt rursus Hierosolymam et cum ambularet in templo accedunt ad eum summi sacerdotes et scribae et seniores 28 et dicunt illi in qua potestate haec facis et quis tibi dedit hanc potestatem ut ista facias 29 Iesus autem respondens ait illis interrogabo vos et ego unum verbum et respondete mihi et dicam vobis in qua potestate haec faciam 30 baptismum Iohannis de caelo erat an ex hominibus respondete mihi 31 at illi cogitabant secum dicentes si dixerimus de caelo dicet quare ergo non credidistis ei 32 sed dicemus ex hominibus timebant populum omnes enim habebant Iohannem quia vere propheta esset 33 et respondentes dicunt Iesu nescimus respondens Iesus ait illis neque ego dico vobis in qua potestate haec faciam


Willibrordvertaling

Intocht in Jeruzalem
[1] Toen ze dicht bij Jeruzalem waren, bij Betfage en Betanië*, tegen de Olijfberg aan, stuurde Hij twee* van zijn leerlingen eropuit [2] met de opdracht: ‘Ga naar het dorp daar vlak voor je. Meteen als je er binnenkomt, zul je een veulen vinden dat vastgebonden staat en waarop nog geen mens gezeten heeft. Maak het los en neem het mee. [3] Als iemand tegen jullie zegt: “Wat doen jullie daar?” zeg dan: “De Heer heeft het nodig; Hij stuurt het meteen weer terug.” ’ [4] Ze gingen weg en vonden een veulen, vastgebonden bij een deur, buiten aan de straat, en ze maakten het los. [5] Sommige omstanders zeiden tegen hen: ‘Wat doen jullie daar, waarom maken jullie dat veulen los?’ [6] Ze antwoordden hun zoals Jezus gezegd had. En ze lieten hen hun gang gaan. [7] Ze namen het veulen mee naar Jezus, wierpen er hun kleren overheen, en Hij ging erop zitten. [8] Velen spreidden hun kleren uit op de weg, anderen deden hetzelfde met twijgen die ze op het veld gesneden hadden. [9] Zowel de mensen die voorop gingen als die volgden, schreeuwden: ‘Hosanna*!
Gezegend is Hij die komt
in de naam van de Heer.
[10] Gezegend het koninkrijk
dat komen gaat,
van onze vader David.
Hosanna in de hoogste hemel!

[11] Hij trok Jeruzalem binnen en ging naar de tempel. Toen Hij alles in ogenschouw genomen had, ging Hij, omdat het al laat was, samen met de twaalf naar Betanië.

Tempel en vijgenboom
[12] Toen ze de volgende dag uit Betanië kwamen, kreeg Hij honger. [13] In de verte zag Hij een vijgenboom, die volop in blad stond, en Hij ging kijken of Hij er misschien iets aan zou vinden. Toen Hij erbij kwam, vond Hij niets dan blad. Want het was niet de tijd van de vijgen. [14] Hij zei tegen die boom: ‘Laat* niemand ooit nog vruchten van je eten.’ Zijn leerlingen hoorden dat.
[15] Ze kwamen in Jeruzalem aan. Hij ging de tempel binnen en begon de mensen die daar kochten en verkochten weg te jagen; de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers gooide Hij om, [16] en Hij liet niet toe dat iemand iets vervoerde over het tempelplein. [17] Hij leerde hun: ‘Er staat toch geschreven: Mijn huis zal een huis van gebed heten voor alle volken? Maar u hebt er een rovershol van gemaakt.’ [18] De hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden dat, en zij zochten een manier om Hem uit de weg te ruimen. Ze waren namelijk bang voor Hem, omdat het hele volk geestdriftig* was over zijn onderricht. [19] Toen het avond werd, gingen ze de stad uit.
[20] Toen ze ’s morgens vroeg langs de vijgenboom kwamen, zagen ze dat hij tot op de wortel verdord was. [21] Petrus herinnerde het zich en zei tegen Hem: ‘Rabbi*, kijk, de vijgenboom die U vervloekt hebt, is verdord.’ [22] Jezus antwoordde hem: ‘Heb vertrouwen in God. [23] Ik verzeker jullie: ieder die tot die berg zegt: “Verhef je en stort je in zee”, en geen twijfel heeft in zijn hart, maar erop vertrouwt dat zal gebeuren wat hij zegt, hem zal het ten deel vallen. [24] Daarom zeg Ik jullie: alles waar je om bidt en vraagt, vertrouw erop dat je het al ontvangen hebt, en het zal je ten deel vallen. [25] En wanneer je staat te bidden, vergeef dan degene tegen wie je iets hebt, opdat je Vader in de hemel ook jullie je overtredingen vergeeft.’*

Vraag naar Jezus’ bevoegdheid
[27] Ze kwamen weer in Jeruzalem. Toen Hij in de tempel rondliep, kwamen de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten naar Hem toe [28] en zeiden tegen Hem: ‘Met welke bevoegdheid doet U dit? Of wie heeft U de bevoegdheid gegeven om dit te doen?’ [29] Maar Jezus zei hun: ‘Ik zal u één vraag stellen; geef Me daarop antwoord, dan zal Ik u zeggen met welke bevoegdheid Ik dit doe. [30] De doop van Johannes, kwam die van de hemel of van de mensen? Geef Me daarop eens antwoord.’ [31] Ze overlegden met elkaar en zeiden: ‘Als we antwoorden: “Van de hemel”, zal Hij zeggen: “Waarom hebt u hem dan geen geloof geschonken?” [32] Maar moeten we dan antwoorden: “Van de mensen”?’ Ze waren bang voor de menigte, want allemaal meenden ze dat Johannes inderdaad een profeet was geweest. [33] Ze gaven Jezus als antwoord: ‘We weten het niet.’ Daarop zei Jezus tegen hen: ‘Dan zeg Ik u ook niet met welke bevoegdheid Ik dit doe.’