MARCUSEVANGELIE , TWAALFDE HOOFDSTUK (MC 12) -
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -
-
Mc 12,41-44 -

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -

Overzicht van het N.T. : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

- Marcus : overzicht .
- Marcus taalgebruik - Marcus taalgebruik A - Marcus taalgebruik B - Marcus taalgebruik C - Marcus taalgebruik D - Marcus taalgebruik E - Marcus taalgebruik F - Marcus taalgebruik G - Marcus taalgebruik H - Marcus taalgebruik I - Marcus taalgebruik J - Marcus taalgebruik K - Marcus taalgebruik L - Marcus taalgebruik M - Marcus taalgebruik N - Marcus taalgebruik O - Marcus taalgebruik P - Marcus taalgebruik Q - Marcus taalgebruik R - Marcus taalgebruik S - Marcus taalgebruik T - Marcus taalgebruik U - Marcus taalgebruik Z -
- Mc : commentaar .

Overzicht : Mc 1 , Mc 2 , Mc 3 , Mc 4 , Mc 5 , Mc 6 , Mc 7 , Mc 8 , Mc 9 , Mc 10 , Mc 11 , Mc 12 , Mc 13 , Mc 14 , Mc 15 , Mc 16 ,
Tekstuitleg - Mc 12,1-12 - Mc 12,13-17 - Mc 12,18-27 - Mc 12,28-34 - Mc 12,35-37a - Mc 12,37b-40 - Mc 12,41-44 -
- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12 - Mc 12,13 - Mc 12,14 - Mc 12,15 - Mc 12,16 - Mc 12,17 - Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 - Mc 12,28 - Mc 12,29 - Mc 12,30 - Mc 12,31 - Mc 12,32 - Mc 12,33 - Mc 12,34 - Mc 12,35 - Mc 12,36 - Mc 12,37 - Mc 12,38 - Mc 12,39 - Mc 12,40 - Mc 12,41 - Mc 12,42 - Mc 12,43 - Mc 12,44 -


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
http://www.bible-history.com/isbe/ http://www.sacrednamebible.com/kjvstrongs/index2.htm Studiebijbel 3 Luther-Bibel 1984      
bijbelweb info-bible interBible http://www.diebibel.de/
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem (2) 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat

Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik

Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

- OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


In hun Synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het twaalfde hoofdstuk van het Marcusevangelie :
289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers : Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19
291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer : Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26
292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis : Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38
293. Vraag naar het eerste gebod : Mc 12,28-34 - Mt 22,34-40 - Lc 20,39-40
294. Zoon en Heer van David : Mc 12,35-37a - Mt 22,41-46 - Lc 20,41-44
295. Aanklacht tegen schriftgeleerden en Farizeeën : Mc 12,37b-40 - Mt 23,1-12 - Lc 20,45-47
298. De penningen van de weduwe : Mc 12,41-44 - Lc 21,1-4


289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers : Mc 12,1-12 - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12 -

Mc 12,1 - Mc 12,1 : 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai èrxato autois en parabolais lalein, ampelôna anthrôpos efuteusen, kai periethèken fragmon kai ôruxen upolènion kai ôkodomèsen purgon, kai exedeto auton geôrgois, kai apedèmèsen.   1 et coepit illis in parabolis loqui vineam pastinavit homo et circumdedit sepem et fodit lacum et aedificavit turrem et locavit eam agricolis et peregre profectus est      1 En Hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggen: Een mens plantte een wijngaard, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak, en bouwde een toren, en verhuurde dien aan de landlieden, en reisde buiten 's lands.   [1] Hij begon in gelijkenissen tegen hen te spreken: ‘Iemand legde een wijngaard aan, zette die af met een omheining, groef een perskuil* en bouwde er een wachttoren. Hij verpachtte* hem aan wijnbouwers, en ging naar het buitenland.   [1] Hij begon tegen hen te spreken in gelijkenissen: ‘Een man legde een wijngaard aan en omheinde die. Hij groef een kuil voor de wijnpers en bouwde een uitkijktoren. Hij verpachtte de wijngaard aan wijnbouwers en ging op reis.   1 ¶ Dan vangt hij aan tot hen te spreken in gelijkenissen: een mens plant een wijngaard; hij zet er een haag omheen, graaft een persbak uit en bouwt er een wachttoren bij; hij geeft hem uit aan landbouwers en gaat op reis;   1. Il se mit à leur parler en paraboles : « Un homme planta une vigne, l'entoura d'une clôture, y creusa un pressoir et y bâtit une tour ; puis il la loua à des vignerons et partit en voyage.  

King James Bible . [1] And he began to speak unto them by parables. A certain man planted a vineyard, and set an hedge about it, and digged a place for the winefat, and built a tower, and let it out to husbandmen, and went into a far country.
Luther-Bibel . 12 1 Und er fing an, zu ihnen in Gleichnissen zu reden: Ein Mensch pflanzte einen Weinberg und zog einen Zaun darum und grub eine Kelter und baute einen Turm und verpachtete ihn an Weingärtner und ging außer Landes.

Tekstuitleg van Mc 12,1 . Variabele lezingen . De inleiding op de parabel telt 6 woorden .

Mc 12,1.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

2. ind. aor. 3de pers. enk. èrxato (hij begon) van het werkw. archomai (beginnen) . Taalgebruik in het N.T. : archomai (beginnen, aanvangen, heersen) . Taalgebruik in Mc : archomai (beginnen, aanvangen, heersen) .
Mc (18) : (1) Mc 1,45 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 5,20 . (4) Mc 6,2 . (5) Mc 6,7 . (6) Mc 6,34 . (7) Mc 8,31 . (8) Mc 8,32 . (9) Mc 10,28 . (10) Mc 10,32 . (11) Mc 10,47 . (12) Mc 11,15 . (13) Mc 12,1 . (14) Mc 13,5 . (15) Mc 14,33 . (16) Mc 14,69 . (17) Mc 14,71 . 18) Mc 15,8 . Een vorm van archomai (beginnen) in Mc in 27 verzen .

Mc 12,1.3. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 12 (8) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,15 . (3) Mc 12,16 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,28 . (7) Mc 12,43 . (8) Mc 12,44 .

Mc 12,1.4. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 12 (9) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,11 . (3) Mc 12,23 . (4) Mc 12,25 . (5) Mc 12,26 . (6) Mc 12,35 . (7) Mc 12,36 . (8) Mc 12,38 . (9) Mc 12,39 .

Mc 12,1.5. dat. vr. mv. parabolais (parabels, gelijkenissen) van het zelfst. naamw. van het zelfst. naamw. parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in het N.T. : parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in Mc : parabolè (parabel, gelijkenis) . Paraballô : naast elkaar werpen , vergelijken .
Mc (5) : (1) Mc 3,23 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,33 .  (5) Mc 12,1 . Een vorm van parabolè (parabel, gelijkenis) in Mc in 13 verzen .
- en parabolais (in parabels, gelijkenissen) . Mc (4 / 5) . Mc (4) : (1) Mc 3,23 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,11 .  (4) Mc 12,1 .
- met een vorm van legô (zeggen) :
-- Mc 3,23 : en parabolais elegen autois (in parabels zei hij hen) .
-- Mc 4,2 : kai edidasken autous en parabolais polla kai elegen autois en tè didachè autou (hij onderrichtte hen in parabels en hij zei hen in zijn onderricht) .
- met een vorm van lalô (spreken) :
-- Mc 4,33 : kai toiautais parabolais pollais elalei autois (en met vele dergelijke parabels sprak hij hen) .
-- Mc 12,1 : kai èrxato autois en parabolais lalein (en hij begon hen in parabels te spreken) .

6. act. inf. aor. lalein (spreken) van het werkw. laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het N.T. : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Mc : laleô (lallen, spreken, praten) .
Mc (3) : (1) Mc 1,34 . (2) Mc 7,37 .   (3) Mc 12,1 .  Een vorm van laleô (lallen, spreken, praten) in Mc in 19 verzen .

Mc 12,1.8. nom. mann. enk. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) . Mc (14) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 2,27 . (3) Mc 3,1 . (4) Mc 4,26 . (5) Mc 5,2 . (6) Mc 7,11 . (7) Mc 8,37 . (8) Mc 10,7 . (9) Mc 10,9 . (10) Mc 12,1 . (11) Mc 13,34 . (12) Mc 14,13 . (13) Mc 14,21 . (14) Mc 15,39 .

Mc 12,1.10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,1.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,1.16. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,1.18. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,1.20. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,3 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,8 . (6) Mc 12,12 . (7) Mc 12,13 . (8) Mc 12,18 . (9) Mc 12,28 . (10) Mc 12,33 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 .

Mc 12,1.22. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,2 - Mc 12,2 : 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2kai apesteilen pros tous geôrgous tô kairô doulon, ina para tôn geôrgôn labè apo tôn karpôn tou ampelônos:  2 et misit ad agricolas in tempore servum ut ab agricolis acciperet de fructu vineae      2 En als het de tijd was, zond hij een dienstknecht tot de landlieden, opdat hij van de landlieden ontving van de vrucht des wijngaards.  [2] Toen het er de tijd voor was, stuurde hij een slaaf naar de wijnbouwers om van de opbrengst van de wijngaard zijn deel in ontvangst te nemen.  [2] Na verloop van tijd stuurde hij een knecht naar de wijnbouwers om zijn deel van de opbrengst van hen te ontvangen;  2 hij zendt, als het de tijd is, tot de landbouwers een dienaar om bij de landbouwers zijn deel van de vruchten van de wijngaard aan te nemen;   2. Il envoya un serviteur aux vignerons, le moment venu, pour recevoir d'eux une part des fruits de la vigne.  

King James Bible . [2] And at the season he sent to the husbandmen a servant, that he might receive from the husbandmen of the fruit of the vineyard.
Luther-Bibel . 2 Und er sandte, als die Zeit kam, einen Knecht zu den Weingärtnern, damit er von den Weingärtnern seinen Anteil an den Früchten des Weinbergs hole.

Tekstuitleg van Mc 12,2 .

Mc 12,2.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

3. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Voorzetsel .
Mc (62) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,4 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,12 . (6) Mc 12,13 . (7) Mc 12,18 .

Mc 12,2.4. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (52) . Mc 12 (4) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,36 . (4) Mc 12,43 .

Mc 12,2.6. bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,17 . (3) Mc 12,19 . (4) Mc 12,35 . (5) Mc 12,36 .

Mc 12,2.10. para (langs) . Taalgebruik in Mc : para (langs) . Taalgebruik in het N.T. : para (langs) .
Mc (11) . (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 4,4 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,46 . (9) Mc 12,2 . (10) Mc 12,11 . (11) Mc 14,43 .
- para + gen. (vanwege) in Mc (4) : (1) Mc 10,27 . (2) Mc 12,2 . (3) Mc 12,11 . (4 Mc 14,43 .
- para + acc. + plaatsbepaling in Mc (7) (3X tèn hodon = langs de weg : (1) Mc 4,4 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 10,46 . 4X tèn thalassan = langs het meer : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,21 .

Mc 12,2.11. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 12 (9) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,13 . (3) Mc 12,26 . (4) Mc 12,28 . (5) Mc 12,33 . (6) Mc 12,36 . (7) Mc 12,38 . (8) Mc 12,40 . (9) Mc 12,43 .

Mc 12,2.14. apo (af, van-weg) . afkoring ap' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Mc (33 + 12) . apo (af, weg) in Mc 12 (3) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,34 . (3) Mc 12,38 .

Mc 12,2.15. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 12 (9) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,13 . (3) Mc 12,26 . (4) Mc 12,28 . (5) Mc 12,33 . (6) Mc 12,36 . (7) Mc 12,38 . (8) Mc 12,40 . (9) Mc 12,43 .

Mc 12,2.17. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 12 (10) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,8 . (3) Mc 12,9 . (4) Mc 12,14 . (5) Mc 12,17 . (6) Mc 12,24 . (7) Mc 12,26 . (8) Mc 12,34 . (9) Mc 12,41 . (10) Mc 12,44 .

Mc 12,3 - Mc 12,3 : 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3kai labontes auton edeiran kai apesteilan kenon.  3 qui adprehensum eum ceciderunt et dimiserunt vacuum      3 Maar zij namen en sloegen hem, en zonden hem ledig heen.   [3] Ze grepen hem vast, gaven hem een pak slaag en stuurden hem met lege handen weg.   [3] maar ze grepen hem vast, mishandelden hem en stuurden hem met lege handen terug.   3 en ze nemen hem vast, mishandelen hem en zenden hem ledig heen;   3. Mais ils se saisirent de lui, le battirent et le renvoyèrent les mains vides. 

King James Bible . [3] And they caught him, and beat him, and sent him away empty.
Luther-Bibel . 3 Sie nahmen ihn aber, schlugen ihn und schickten ihn mit leeren Händen fort.

Tekstuitleg van Mc 12,3 .

Mc 12,3.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,3.3. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,3 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,8 . (6) Mc 12,12 . (7) Mc 12,13 . (8) Mc 12,18 . (9) Mc 12,28 . (10) Mc 12,33 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 .

Mc 12,3.5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,4 - Mc 12,4 : 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4kai palin apesteilen pros autous allon doulon: kakeinon ekefaliôsan kai ètimasan.   4 et iterum misit ad illos alium servum et illum capite vulneraverunt et contumeliis adfecerunt      4 En hij zond wederom een anderen dienstknecht tot hen, en dien stenigden zij, en wondden hem het hoofd, en zonden hem henen, schandelijk behandeld zijnde.   [4] Hij stuurde opnieuw een slaaf naar hen toe. Die sloegen ze in zijn gezicht en mishandelden ze.   [4] Daarna stuurde hij een andere knecht naar hen toe, die ze in het gezicht sloegen en vernederden.   4 weer zendt hij iemand tot hen, een andere dienaar; en die geven ze op zijn kop en onteren ze;   4. De nouveau, il leur envoya un autre serviteur : celui-là aussi, ils le frappèrent à la tête et le couvrirent d'outrages.  

King James Bible . [4] And again he sent unto them another servant; and at him they cast stones, and wounded him in the head, and sent him away shamefully handled.
Luther-Bibel . 4 Abermals sandte er zu ihnen einen andern Knecht; dem schlugen sie auf den Kopf und schmähten ihn.

Tekstuitleg van Mc 12,4 .

Mc 12,4.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

4. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Voorzetsel .
Mc (62) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,4 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,12 . (6) Mc 12,13 . (7) Mc 12,18 .

Mc 12,4.4. - 5. pros autous (naar hen) . Mc (5) : (1) Mc 6,48 . (2) Mc 6,51 . (3) Mc 9,16 . (4) Mc 12,4 . (5) Mc 12,12 .

Mc 12,4.10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,5 - Mc 12,5 : 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5kai allon apesteilen, kakeinon apekteinan, kai pollous allous, ous men derontes ous de apoktennontes.   5 et rursum alium misit et illum occiderunt et plures alios quosdam caedentes alios vero occidentes      5 En wederom zond hij een anderen, en dien doodden zij; en vele anderen, waarvan zij sommigen sloegen, en sommigen doodden.   [5] Hij stuurde er nog een, en die vermoordden ze; en zo nog veel anderen, die ze afranselden of vermoordden.   [5] Hij stuurde nog een derde, die ze doodden, en nog vele anderen; sommigen werden door de wijnbouwers mishandeld en anderen werden door hen gedood.   5 een ander zendt hij; en die doden ze, en zo vele anderen: sommigen mishandelen ze, sommigen doden ze;  5. Et il en envoya un autre : celui-là, ils le tuèrent ; puis beaucoup d'autres : ils battirent les uns, tuèrent les autres.  

King James Bible . [5] And again he sent another; and him they killed, and many others; beating some, and killing some.
Luther-Bibel . 5 Und er sandte noch einen andern, den töteten sie; und viele andere: die einen schlugen sie, die andern töteten sie.

Tekstuitleg van Mc 12,5 .

Mc 12,5.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,5.6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,5.13. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,5 . (2) Mc 12,7 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,16 . (5) Mc 12,17 . (6) Mc 12,26 . (7) Mc 12,44 .

Mc 12,6 - Mc 12,6 : 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
6eti ena eichen, uion agapèton: apesteilen auton eschaton pros autous legôn oti entrapèsontai ton uion mou.  6 adhuc ergo unum habens filium carissimum et illum misit ad eos novissimum dicens quia reverebuntur filium meum      6 Als hij dan nog een zoon had, die hem lief was, zo heeft hij ook dien ten laatste tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijn zoon ontzien.  [6] Toen had hij alleen nog zijn liefste zoon*. Hij stuurde hem als laatste naar hen toe met de gedachte: Mijn zoon zullen ze ontzien.   [6] Ten slotte was alleen nog zijn geliefde zoon over; die stuurde hij als laatste naar hen toe, met de gedachte: Voor mijn zoon zullen ze wel ontzag hebben.   6 nog één had hij er over, een geliefde zoon; hem zendt hij als laatste tot hen; hij zegt: voor mijn zoon zullen ze wel zwichten!–  6. Il lui restait encore quelqu'un, un fils bien-aimé ; il le leur envoya le dernier, en se disant : «Ils respecteront mon fils. » 

King James Bible . [6] Having yet therefore one son, his wellbeloved, he sent him also last unto them, saying, They will reverence my son.
Luther-Bibel . 6 Da hatte er noch einen, seinen geliebten Sohn; den sandte er als Letzten auch zu ihnen und sagte sich: Sie werden sich vor meinem Sohn scheuen.

Tekstuitleg van Mc 12,6 .

Mc 12,6.3. act. ind. imperf. 3de pers. eichen van het werkw. echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het N.T. . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in Mc . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir .
Mc (6) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 5,3 . (3) Mc 7,25 . (4) Mc 12,6 . (5) Mc 12,44 . (6) Mc 16,8 .

Mc 12,6.7. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,3 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,8 . (6) Mc 12,12 . (7) Mc 12,13 . (8) Mc 12,18 . (9) Mc 12,28 . (10) Mc 12,33 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 .

9. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Voorzetsel .
Mc (62) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,4 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,12 . (6) Mc 12,13 . (7) Mc 12,18 .

11. act. participium praesens nominatief mann. enk. legôn (zeggend) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (18) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,15 . (3) Mc 1,24 . (4) Mc 1,25 . (5) Mc 1,40 . (6) Mc 5,23 . (7) Mc 8,15 . (8) Mc 8,26 . (9) Mc 8,27 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 12,6 . (12) Mc 12,26 . (13) Mc 14,44 . (14) Mc 14,60 . (15) Mc 14,68 . (16) Mc 15,4 . (17) Mc 15,9 . (18) Mc 15,36 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc 12 in 9 verzen , van eipon (ik zei) in 10 verzen .

Mc 12,6.12. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,7 . (3) Mc 12,12 . (4) Mc 12,14 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,26 . (7) Mc 12,28 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,32 . (10) Mc 12,34 . (11) Mc 12,35 . (12) Mc 12,43 .

11. - 12. legôn autô(i) hoti = zeggend hem dat . Slechts in Mc 1,40 . legôn hoti = zeggend dat : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 5,23 . (3) Mc 12,6 .

Mc 12,6.14. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,12 . (4) Mc 12,30 . (5) Mc 12,31 . (6) Mc 12,33 . (7) Mc 12,44 .

Mc 12,7 - Mc 12,7 : 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7ekeinoi de oi geôrgoi pros eautous eipan oti outos estin o klèronomos: deute apokteinômen auton, kai èmôn estai è klèronomia.  7 coloni autem dixerunt ad invicem hic est heres venite occidamus eum et nostra erit hereditas      7 Maar die landlieden zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, en de erfenis zal onze zijn.  [7] Maar die wijnbouwers zeiden tegen elkaar: “Dat is de erfgenaam. Kom, laten we hem doden, dan is de erfenis voor ons.”  [7] Maar de wijnbouwers zeiden tegen elkaar: “Dat is de erfgenaam. Kom op, laten we hem doden, dan is de erfenis van ons.”   7 maar die landbouwers zeggen tot elkaar: dat is de erfgenaam,– kom, laten we hem doden dan is het erfgoed van ons!–  7. Mais ces vignerons se dirent entre eux : «Celui-ci est l'héritier ; venez, tuons-le, et l'héritage sera à nous. »  

King James Bible . [7] But those husbandmen said among themselves, This is the heir; come, let us kill him, and the inheritance shall be ours.
Luther-Bibel . 7 Sie aber, die Weingärtner, sprachen untereinander: Dies ist der Erbe; kommt, lasst uns ihn töten, so wird das Erbe unser sein!

Tekstuitleg van Mc 12,7 .

Mc 12,7.3. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,16 . (4) Mc 12,22 . (5) Mc 12,23 . (6) Mc 12,35 . (7) Mc 12,40 .

5. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Voorzetsel .
Mc (62) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,4 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,12 . (6) Mc 12,13 . (7) Mc 12,18 .

Mc 12,7.8. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,7 . (3) Mc 12,12 . (4) Mc 12,14 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,26 . (7) Mc 12,28 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,32 . (10) Mc 12,34 . (11) Mc 12,35 . (12) Mc 12,43 .

Mc 12,7.9. nom. mann. enk. houtos . Taalgebruik : houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) .
Mc (12) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 3,35 . (3) Mc 4,41 . (4) Mc 6,3 . (5) Mc 6,16 . (6) Mc 7,6 . (7) Mc 9,7 . (8) Mc 12,7 . (9) Mc 12,10 . (10) Mc 13,13 . (11) Mc 14,69 . (12) Mc 15,39 .

Mc 12,7.11. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 12 (16) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,20 . (7) Mc 12,21 . (8) Mc 12,24 . (9) Mc 12,26 . (10) Mc 12,29 . (11) Mc 12,32 . (12) Mc 12,34 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 12,41 . (16) Mc 12,42 .

Mc 12,7.13. deute (welaan) . Taalgebruik in het N.T. : deute (welaan) . Taalgebruik in Mc :: deute (welaan) . Een soort imperatief 2de pers. mv. .
Mc (3) : (1) Mc 1,17 . (2) Mc 6,31 . (3) Mc 12,7 .

Mc 12,7.15. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,3 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,8 . (6) Mc 12,12 . (7) Mc 12,13 . (8) Mc 12,18 . (9) Mc 12,28 . (10) Mc 12,33 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 .

Mc 12,7.16. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,7.19. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,7. (2) Mc 12,14. (3) Mc 12,16 . (4) Mc 12,22 . (5) Mc 12,43 .

Mc 12,8 - Mc 12,8 : 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8kai labontes apekteinan auton, kai exebalon auton exô tou ampelônos.  8 et adprehendentes eum occiderunt et eiecerunt extra vineam      8 En zij namen en doodden hem, en wierpen hem uit, buiten den wijngaard.   [8] Ze grepen hem vast, doodden hem en gooiden hem buiten de wijngaard.   [8] Ze grepen hem vast en doodden hem en gooiden zijn lichaam buiten de wijngaard.   8 ze nemen hem vast, slaan hem dood en werpen hem weg, de wijngaard uit;  8. Et le saisissant, ils le tuèrent et le jetèrent hors de la vigne.  

King James Bible . [8] And they took him, and killed him, and cast him out of the vineyard.
Luther-Bibel . 8 Und sie nahmen ihn und töteten ihn und warfen ihn hinaus vor den Weinberg.

Tekstuitleg van Mc 12,8 .

Mc 12,8.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,8.4. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,3 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,8 . (6) Mc 12,12 . (7) Mc 12,13 . (8) Mc 12,18 . (9) Mc 12,28 . (10) Mc 12,33 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 .

Mc 12,8.5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,8.7. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,3 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,8 . (6) Mc 12,12 . (7) Mc 12,13 . (8) Mc 12,18 . (9) Mc 12,28 . (10) Mc 12,33 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 .

Mc 12,8.9. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 12 (10) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,8 . (3) Mc 12,9 . (4) Mc 12,14 . (5) Mc 12,17 . (6) Mc 12,24 . (7) Mc 12,26 . (8) Mc 12,34 . (9) Mc 12,41 . (10) Mc 12,44 .

Mc 12,9 - Mc 12,9 : 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9ti [oun] poièsei o kurios tou ampelônos; eleusetai kai apolesei tous geôrgous, kai dôsei ton ampelôna allois.   9 quid ergo faciet dominus vineae veniet et perdet colonos et dabit vineam aliis      9 Wat zal dan de heer des wijngaards doen? Hij zal komen, en de landlieden verderven, en den wijngaard aan anderen geven.   [9] Wat zal de eigenaar van de wijngaard nu doen? Hij zal komen en de wijnbouwers ter dood brengen, en de wijngaard zal hij aan anderen geven.   [9] Wat zal de eigenaar van de wijngaard daarna doen? Hij zal zelf komen om de wijnbouwers om te brengen en hij zal de wijngaard aan anderen geven.   9 wat zal de heer van de wijngaard doen?– hij zal zelf komen, die landbouwers ombrengen en de wijngaard aan anderen geven!–   9. Que fera le maître de la vigne ? Il viendra, fera périr les vignerons et donnera la vigne à d'autres.  

King James Bible . [9] What shall therefore the lord of the vineyard do? he will come and destroy the husbandmen, and will give the vineyard unto others.
Luther-Bibel . 9 Was wird nun der Herr des Weinbergs tun? Er wird kommen und die Weingärtner umbringen und den Weinberg andern geben.

Tekstuitleg van Mc 12,9 .

Mc 12,9.4. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 12 (16) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,20 . (7) Mc 12,21 . (8) Mc 12,24 . (9) Mc 12,26 . (10) Mc 12,29 . (11) Mc 12,32 . (12) Mc 12,34 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 12,41 . (16) Mc 12,42 .

Mc 12,9.6. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 12 (10) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,8 . (3) Mc 12,9 . (4) Mc 12,14 . (5) Mc 12,17 . (6) Mc 12,24 . (7) Mc 12,26 . (8) Mc 12,34 . (9) Mc 12,41 . (10) Mc 12,44 .

Mc 12,9.10. ind. fut. 3de pers. enk. apolesei (hij zal verliezen) van het werkw. apollumi (ten gronde richten , doden , verliezen) . Taalgebruik in het N.T. : apollumi ( ten gronde richten , doden , verliezen ) . Taalgebruik in Mc : apollumi (ten gronde richten , doden , verliezen) . < ap- + ollumi < ol-numi . Hebr. ´âbhad . Lat. perdere . Fr. perdre . Lat. perditio . Fr. perdition . Ned. verderf (v / p - r - d) , verdoemenis .
Mc (2) : (1) Mc 8,35 (2X) .  Mc 12,9 .

Mc 12,9.11. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (52) . Mc 12 (4) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,36 . (4) Mc 12,43 .

Mc 12,9.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,9.14. act. ind. fut. 3de pers. enk. dôsei (hij / zij zal geven) van het werkw. didômi (geven) . Taalgebruik in het N.T. : didômi (geven) . Taalgebruik in Mc : didômi (geven) . Hebr. nâthan (tha) . Lat. dare / donare - donum : geven - gave , gift . Fr. donner - don : geven - gave .
Mc (2) : (1) Mc 12,9 . (2) Mc 13,24 . Een vorm van didômi (geven) in Mc in 35 verzen .

Mc 12,9.15. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,12 . (4) Mc 12,30 . (5) Mc 12,31 . (6) Mc 12,33 . (7) Mc 12,44 .

Mc 12,10 - Mc 12,10 : 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10oude tèn grafèn tautèn anegnôte, lithon on apedokimasan oi oikodomountes, outos egenèthè eis kefalèn gônias:   10 nec scripturam hanc legistis lapidem quem reprobaverunt aedificantes hic factus est in caput anguli       10 Hebt gij ook deze Schrift niet gelezen: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks;   [10] Hebt u dit schriftwoord niet gelezen: De steen die de bouwlieden hadden afgekeurd, die is de hoeksteen geworden.   [10] Hebt u deze schrifttekst dan niet gelezen: “De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden   10 kent ge niet dit schriftwoord?– ‘de steen die de bouwers afkeurden, die is tot hoeksteen geworden; 10. Et n'avez-vous pas lu cette Écriture : La pierre qu'avaient rejetée les bâtisseurs, c'est elle qui est devenue pierre de faîte ; 

King James Bible . [10] And have ye not read this scripture; The stone which the builders rejected is become the head of the corner:
Luther-Bibel . 10 Habt ihr denn nicht dieses Schriftwort gelesen (Psalm 118,22-23): »Der Stein, den die Bauleute verworfen haben, der ist zum Eckstein geworden.

Tekstuitleg van Mc 12,10 .

Mc 12,10.4. acc. vr. enk. tautèn (dit) van het bezitt. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) .
Mc (52) . Mc (4) : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 11,28 . (4) Mc 12,10 .

Mc 12,10.9. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,16 . (4) Mc 12,22 . (5) Mc 12,23 . (6) Mc 12,35 . (7) Mc 12,40 .

Mc 12,10.11. nom. mann. enk. houtos . Taalgebruik : houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) . Mc (12) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 3,35 . (3) Mc 4,41 . (4) Mc 6,3 . (5) Mc 6,16 . (6) Mc 7,6 . (7) Mc 9,7 . (8) Mc 12,7 . (9) Mc 12,10 . (10) Mc 13,13 . (11) Mc 14,69 . (12) Mc 15,39 .

Mc 12,11 - Mc 12,11 : 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11para kuriou egeneto autè, kai estin thaumastè en ofthalmois èmôn;   11 a Domino factum est istud et est mirabile in oculis nostris       11 Van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?   [11] De Heer heeft dit gedaan, het is een wonder in onze ogen.’   [11] Dankzij de Heer is dit gebeurd, wonderbaarlijk is het om te zien.”’   11 van de Heer uit is dit geschied, en het is wonderbaar in onze ogen!’   11. c'est là l'œuvre du Seigneur et elle est admirable à nos yeux ? »  

King James Bible . [11] This was the Lord's doing, and it is marvellous in our eyes?
Luther-Bibel . 11 Vom Herrn ist das geschehen und ist ein Wunder vor unsern Augen«?

Tekstuitleg van Mc 12,11 .

Mc 12,11.1. para (langs) . Taalgebruik in Mc : para (langs) . Taalgebruik in het N.T. : para (langs) .
Mc (11) . (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 4,4 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,46 . (9) Mc 12,2 . (10) Mc 12,11 . (11) Mc 14,43 .
- para + gen. (vanwege) in Mc (4) : (1) Mc 10,27 . (2) Mc 12,2 . (3) Mc 12,11 . (4 Mc 14,43 .
- para + acc. + plaatsbepaling in Mc (7) (3X tèn hodon = langs de weg : (1) Mc 4,4 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 10,46 . 4X tèn thalassan = langs het meer : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,21 .

Mc 12,11.4. voornaamw. nom. vr. enk. autè (zij, deze) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (10) : (1) Mc 8,12 . (2) Mc 10,12 . (3) Mc 12,11 . (4) Mc 12,16 . (5) Mc 12,31 . (6) Mc 12,43 . (7) Mc 12,44 . (8) Mc 13,30 . (9) Mc 14,4 . (10) Mc 14,9 .

Mc 12,11.5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,11.8. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 12 (9) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,11 . (3) Mc 12,23 . (4) Mc 12,25 . (5) Mc 12,26 . (6) Mc 12,35 . (7) Mc 12,36 . (8) Mc 12,38 . (9) Mc 12,39 .

Mc 12,12 - Mc 12,12 : 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12kai ezètoun auton kratèsai, kai efobèthèsan ton ochlon, egnôsan gar oti pros autous tèn parabolèn eipen. kai afentes auton apèlthon.   12 et quaerebant eum tenere et timuerunt turbam cognoverunt enim quoniam ad eos parabolam hanc dixerit et relicto eo abierunt       12 En zij zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de schare; want zij verstonden, dat Hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten Hem en gingen weg.  [12] Ze zochten een gelegenheid om Hem te grijpen, ook al waren ze bang voor de mensen, want ze begrepen dat Hij met die gelijkenis op hen had gedoeld. Ze lieten Hem achter en gingen weg.   [12] Daarop wilden ze hem gevangennemen, want ze wisten dat hij hen op het oog had bij het vertellen van deze gelijkenis, maar ze waren bang voor de reactie van de menigte. Dus lieten ze hem staan en gingen weg.   12 Zij hebben een kans gezocht om hem te grijpen, en zijn tegelijk bevreesd voor de schare; want ze herkennen dat hij deze gelijkenis zegt met het oog op hen. Ze laten hem waar hij is en gaan weg.   12. Ils cherchaient à l'arrêter, mais ils eurent peur de la foule. Ils avaient bien compris, en effet, que c'était pour eux qu'il avait dit la parabole. Et le laissant, ils s'en allèrent. 

King James Bible . [12] And they sought to lay hold on him, but feared the people: for they knew that he had spoken the parable against them: and they left him, and went their way.
Luther-Bibel . 12 Und sie trachteten danach, ihn zu ergreifen, und fürchteten sich doch vor dem Volk; denn sie verstanden, dass er auf sie hin dies Gleichnis gesagt hatte. Und sie ließen ihn und gingen davon. Die Frage nach der Steuer (»Der Zinsgroschen«)

Tekstuitleg van Mc 12,12 . Dit vers Mc 12,12 telt 20 (2 X 2 X 5) woorden en 105 (3 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Mc 12,12 is 10831 .

Mc 12,12.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,12.2. act. ind. imperf. 3de pers. mv. ezètoun (zij zochten) van het werkw. zèteô (zoeken) . Taalgebruik in het N.T. : zèteô (zoeken) . Taalgebruik in Mc : zèteô (zoeken) . Hebr. bâqasj . Ned. zoeken . Lat. quaerere . Fr. chercher (ch / q - r) . E. search . D. suchen . D. zoeken .
Mc (4) : (1) Mc 11,18 . (2) Mc 12,12 . (3) Mc 14,1 . (4) Mc 14,55 . In 4 verzen in Mc in de imperfectumvorm . In een reeks van vier . De imperfectumvorm om de duur van het zoeken uit te drukken . Telkens zijn hogepriesters erbij betrokken om Jezus te zoeken met het oog om hem te doden .
- Mc 11,18 : kai èkousan  hoi archiereis kai hoi grammateis kai ezètoun (en de hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden en zij zochten) pôs auton  apolesôsin  (hoe ze hem zouden uitschakelen) .
- Mc 12,12  : kai ezètoun (en zij zochten) auton  kratèsai  (om hem te bemachtigen) .
- Mc 14,1 : kai ezètoun hoi archiereis kai hoi grammateis (en de hogepriesters en de schriftgeleerden zochten) pôs auton en dolôi kratèsantes apokteinôsin (hoe ze hem door een list te bemachtigen hem zouden doden) .
- Mc 14,55 : oi de archiereis kai olon to sunedrion ezètoun kata tou ièsou marturian (maar de hogepriesters en het hele sanhedrin zochten tegen Jezus een getuigenis) eis to thanatôsai auton (om hem te doden) .

Mc 12,12.3. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (146) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,3 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,8 . (6) Mc 12,12 . (7) Mc 12,13 . (8) Mc 12,18 . (9) Mc 12,28 . (10) Mc 12,33 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 .

Mc 12,12.6. ind. aor. 3de pers. mv. efobèthèsan (zij vreesden) van het werkw. fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in het N.T. : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in Mc : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Mc (3) : (1) Mc 4,41 . (2) Mc 5,15 . (3) Mc 12,12 . Een vorm van fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) in Mc in 12 verzen : (1) Mc 4,41 . (2) Mc 5,15 . (3) Mc 5,33 . (4) Mc 5,36 . (5) Mc 6,20 . (6) Mc 6,50 . (7) Mc 9,32 . (8) Mc 10,32 . (9) Mc 11,18 . (10) Mc 11,32 . (11) Mc 12,12 . (12) Mc 16,8 .

Mc 12,12.7. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,12 . (4) Mc 12,30 . (5) Mc 12,31 . (6) Mc 12,33 . (7) Mc 12,44 .

Mc 12,12.10. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want . Mc (63) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,12 . (2) Mc 12,14 . (3) Mc 12,23 . (4) Mc 12,25 . (5) Mc 12,44 .

Mc 12,12.11. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,7 . (3) Mc 12,12 . (4) Mc 12,14 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,26 . (7) Mc 12,28 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,32 . (10) Mc 12,34 . (11) Mc 12,35 . (12) Mc 12,43 .

Mc 12,12.12. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Voorzetsel .
Mc (62) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,4 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,12 . (6) Mc 12,13 . (7) Mc 12,18 .

Mc 12,12.12. - 13. pros autous (naar hen) . Mc (5) : (1) Mc 6,48 . (2) Mc 6,51 . (3) Mc 9,16 . (4) Mc 12,4 . (5) Mc 12,12 .

Mc 12,12.15. acc. vr. enk. parabolèn (parabel) van het zelfst. naamw. parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in het N.T. : parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in Mc : parabolè (parabel, gelijkenis) . Paraballô : naast elkaar werpen , vergelijken .
Mc (4) : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 12,12 . (4) Mc 13,28 . Een vorm van parabolè (parabel) in 13 verzen in Mc .

Mc 12,12.16. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (56) . Mc 12 (8) : (1) Mc 12,12 . (2) Mc 12,15 . (3) Mc 12,17 . (4) Mc 12,26 . (5) Mc 12,32 . (6) Mc 12,34 . (7) Mc 12,36 . (8) Mc 12,43 . Een vorm van legô in Mc 12 in 9 verzen , van eipon (ik zei) in 10 verzen .

18. act. part. aor. nom. mann. mv. αφεντες = afentes (achtergelaten) van het werkw. αφιημι = afièmi (aflaten, achterlaten) . Taalgebruik in het NT : afièmi (aflaten, achterlaten) . Taalgebruik in de LXX : afièmi (aflaten, achterlaten) . Taalgebruik in Mc : afièmi (aflaten, achterlaten) . par-donner (pardon) : ver-geven . s'excuser (ex -causa) = buiten de zaak , zich ver-ont-schuld-igen . kwijt-schelden (ont-schulden) . Slechts in het NT (15) . Mt (4) : (1) Mt 4,20 . (2) Mt 4,22 . (3) Mt 22,22 . (4) Mt 26,56 . Mc (6) : (1) Mc 1,18 . (2) Mc 1,20 . (3) Mc 4,36 . (4) Mc 7,8 . (5) Mc 12,12 . (6) Mc 14,50 . Lc (3) : (1) Lc 5,11 . (2) Lc 10,30 . (3) Lc 18,28 . Verder : (1) Rom 1,27 . (2) Heb 6,1 . Een vorm van αφιημι = afièmi (aflaten, achterlaten) in de LXX (138) , in het NT (142) , Mt (47) , Mc (34) , Lc (31) .

Mc 12,12.19. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,3 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,8 . (6) Mc 12,12 . (7) Mc 12,13 . (8) Mc 12,18 . (9) Mc 12,28 . (10) Mc 12,33 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 .

18. - 19. αφεντες αυτον = afentes auton (hem achtergelaten) . NT (4) : (1) Mt 22,22 // Mc 12,12 . (2) Mt 26,56 // Mc 14,50 . (3) Mc 12,12 // Mt 22,22 . (4) Mc 14,50 // Mt 26,56 . In het eerste geval laten tegenstanders Jezus achter , in het tweede geval zijn het alle leerlingen . In tegenstelling tot : (1) Mt 4,20 // Mc 1,18 . (2) Mt 4,22 // Mc 1,20 . (3) Mc 1,18 // Mt 4,20 . (4) Mc 1,20 // Mt 4,22 lieten de leerlingen van alles achter om Jezus te volgen .

2. Actief imperfectum 3de pers. mv. ezètoun (zij zochten) . Taalgebruik : zèteô (zoeken) . Hebr. bâqasj . Ned. zoeken . Lat. quaerere . Fr. chercher (ch / q - r) . Mc 12,12 (ezètoun = zij zochten) // Mt 21,46 (zètountes = zoekende) // Lc 20,19 (ezètèsan = zij zochten) . Mc (4) : (1) Mc 11,18 . (2) Mc 12,12 . (3) Mc 14,1 . (4) Mc 14,55 . In 4 verzen in Mc in de imperfectumvorm . In een reeks van vier . De imperfectumvorm om de duur van het zoeken uit te drukken . Telkens zijn hogepriesters erbij betrokken om Jezus te zoeken met het oog om hem te doden .

zèteô (zoeken) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br Apk syn. ev.
part. pr. nom. mv. zètountes  33  23  10     
ind. imp. 3de p. mv. ezètoun 27 8 18 1 4 5 7 1     10  17 
ind. aor. 3de p. mv. ezètèsan   18  17             

1. ezètoun (zij zochten) 2. ezètoun (zij zochten) 3. ezètoun (zij zochten)   4. ezètoun (zij zochten)
Mc 11,18 Mc 12,12 Mc 14,1 Mc 14,11 Mc 14,55
kai èkousan (en hoorden het)  kai (en)  kai (en)  kai (en)  
hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden)       hoi de archiereis kai holon to sunedrion (de hogepriesters echter en heel het sanhedrin 
kai ezètoun (en zij zochten) ezètoun (zij zochten)  ezètoun (zij zochten) hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden) ezètei (hij zocht) ezètoun kata tou Ièsou marturian (zochten een getuigenis tegen Jezus)
pôs (hoe)   pôs (hoe) pôs (hoe) eis  (om)
auton (hem)  auton (hem)  auton (hem) auton (hem)  
apolesôsin  (zij zouden ombrengen) kratèsai (te overmachtigen) apokteinôsin (zij zouden doden) eukairôs paradoi (op een gunstig moment zou overleveren) to thanatôsai auton (te doden hem) 
284. Jezus in de tempel. Terugkeer naar Betanië : Mc 11,18-19 - Mt 21,14-17 - Lc 19,47-48 - 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers : Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 - 317. Complot tegen Jezus : Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 -
319. Verraad van Judas : Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 - 332. Jezus voor het Sanhedrin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -

291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer : Mc 12,13-17 - Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,13 - Mc 12,14 - Mc 12,15 - Mc 12,16 - Mc 12,17 -

Mc 12,13 - Mc 12,13 : 291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer - Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,13 - Mc 12,14 - Mc 12,15 - Mc 12,16 - Mc 12,17 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13kai apostellousin pros auton tinas tôn farisaiôn kai tôn èrôdianôn ina auton agreusôsin logô.  13 et mittunt ad eum quosdam ex Pharisaeis et Herodianis ut eum caperent in verbo    13 En zij zonden tot Hem enigen der Farizeën en der Herodianen, opdat zij Hem in Zijn rede vangen zouden.   [13] Toen stuurden ze enkele farizeeën* en herodianen* op Hem af, om Hem op een woord te vangen.   [13] Ze stuurden enkele Farizeeën en Herodianen naar hem toe om hem een ongeoorloofde uitspraak te ontlokken.   13 ¶ Dan zenden ze tot hem enkelen van de farizeeërs en de herodianen, om hem op een woord te vangen.   13. Ils lui envoient alors quelques-uns des Pharisiens et des Hérodiens pour le prendre au piège dans sa parole.  

King James Bible . [13] And they send unto him certain of the Pharisees and of the Herodians, to catch him in his words.
Luther-Bibel . 13 Und sie sandten zu ihm einige von den Pharisäern und von den Anhängern des Herodes, dass sie ihn fingen in Worten.
Hebr. vertaling . lëlâkhëdô (lë + lâkhëdô : om hem te vangen) bëdâbâr (bë + dâbâr : door een woord) .

Tekstuitleg van Mc 12,13 . Dit vers Mc 12,13 telt 14 (2 X 7) woorden , 78 (2 X 3 X 13) letters . De getalwaarde van Mc 12,13 is 12599 (43 X 293) . In Mc 3,6 namen de Farizeeën samen met de Herodianen het besluit om Jezus om te brengen .

Mc 12,13.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

2. act. ind. pr. 3de p. mv. apostellousin (zij zenden) . apostellô (afsturen, afzenden) . Taalgebruik in het N.T. : apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . Taalgebruik in Mc : apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . apo-stellô : af- / weg- sturen , wegzenden , afzenden (afgezant) , zenden .
Mc (1) : Mc 12,13 . Een vorm van apostellô (afsturen, afzenden) in Mc in 20 verzen .

3. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Voorzetsel .
Mc (62) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,4 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,12 . (6) Mc 12,13 . (7) Mc 12,18 .

Mc 12,13.4. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,3 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,8 . (6) Mc 12,12 . (7) Mc 12,13 . (8) Mc 12,18 . (9) Mc 12,28 . (10) Mc 12,33 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 .

Mc 12,13.3. - 4. pros auton (naar hem, bij hem) . Naar Jezus . Mc (14) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .

6. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 12 (9) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,13 . (3) Mc 12,26 . (4) Mc 12,28 . (5) Mc 12,33 . (6) Mc 12,36 . (7) Mc 12,38 . (8) Mc 12,40 . (9) Mc 12,43 .

Mc 12,13.7. gen. mann. mv. farisaiôn (van de Farizeeën) . Taalgebruik in het N.T. : Pharisaioi (Farizeeën) . Taalgebruik in Mc : Pharisaioi (Farizeeën) .
Mc (4) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 8,15 . (4) Mc 12,13 .
nom. mann. mv. farisaioi (Farizeeën) . Mc (8) : (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,24 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 7,1 . (5) Mc 7,3 . (6) Mc 7,5 . (7) Mc 8,11 . (8) Mc 10,2 .

8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

9. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 12 (9) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,13 . (3) Mc 12,26 . (4) Mc 12,28 . (5) Mc 12,33 . (6) Mc 12,36 . (7) Mc 12,38 . (8) Mc 12,40 . (9) Mc 12,43 .

Mc 12,13.12. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,3 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,8 . (6) Mc 12,12 . (7) Mc 12,13 . (8) Mc 12,18 . (9) Mc 12,28 . (10) Mc 12,33 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 .

Mc 12,13.14. Grieks : agr-euô (jagen , van-gen , najagen . agreuma : jachtbuit , vangst , jachtnet . Het werkwoord is een hapax in het N.T. . Hebr. lâkhad (l-k-d : 12) : vangen , gevangen nemen , veroveren . lèkhèd : net , strik . Fr. piège : net , valstrik .

Mc 12,14 - Mc 12,14 : 291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer - Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,13 - Mc 12,14 - Mc 12,15 - Mc 12,16 - Mc 12,17 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14kai elthontes legousin autô, didaskale, oidamen oti alèthès ei kai ou melei soi peri oudenos, ou gar blepeis eis prosôpon anthrôpôn, all ep alètheias tèn odon tou theou didaskeis: exestin dounai kènson kaisari è ou; dômen è mè dômen;  14 qui venientes dicunt ei magister scimus quoniam verax es et non curas quemquam nec enim vides in faciem hominis sed in veritate viam Dei doces licet dari tributum Caesari an non dabimus     14 Dezen nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester! wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan, maar Gij leert den weg Gods in der waarheid; is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven?   [14] Die kwamen en zeiden: ‘Meester, we weten dat U een waarheidslievend man bent en U door niemand laat beïnvloeden, want U ziet geen mens naar de ogen, maar U geeft naar waarheid onderricht over de weg van God. Mag men belasting* betalen aan de keizer* of niet? Moeten we betalen of niet?’  [14] Toen ze bij hem gekomen waren, zeiden ze tegen hem: ‘Meester, we weten dat u oprecht bent en dat u zich aan niemand iets gelegen laat liggen. U kijkt niemand naar de ogen, maar geeft in alle oprechtheid onderricht over de weg van God. Is het toegestaan belasting te betalen aan de keizer of niet? Moeten we betalen of niet?’  14 Die komen en zeggen tot hem: leermeester, we weten dat u een man van waarheid bent en u van niemand iets aantrekt; want u ziet mensen niet naar de ogen maar leert hun de weg van God in waarheid; is het geoorloofd aan Caesar belasting te betalen, of niet?– moeten wij geven of niet geven?   14. Ils viennent et lui disent : « Maître, nous savons que tu es véridique et que tu ne te préoccupes pas de qui que ce soit ; car tu ne regardes pas au rang des personnes, mais tu enseignes en toute vérité la voie de Dieu. Est-il permis ou non de payer l'impôt à César ? Devons-nous payer, oui ou non ? »  

King James Bible . [14] And when they were come, they say unto him, Master, we know that thou art true, and carest for no man: for thou regardest not the person of men, but teachest the way of God in truth: Is it lawful to give tribute to Caesar, or not?
Luther-Bibel . 14 Und sie kamen und sprachen zu ihm: Meister, wir wissen, dass du wahrhaftig bist und fragst nach niemand; denn du achtest nicht das Ansehen der Menschen, sondern du lehrst den Weg Gottes recht. Ist's recht, dass man dem Kaiser Steuern zahlt, oder nicht? Sollen wir sie zahlen oder nicht zahlen?

Tekstuitleg van Mc 12,14 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

5. voc. mann. enk. didaskale (leermeester) van het zelfst. naamw. didaskalos (leraar , leermeester) . Taalgebruik in het N.T. : didaskalos (leraar , leermeester) . Taalgebruik in Mc : didaskalos (leraar , leermeester) .
Mc (10) : (1) Mc 4,38 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,38 . (4) Mc 10,17 . (5) Mc 10,20 . (6) Mc 10,35 . (7) Mc 12,14 . (8) Mc 12,19 . (9) Mc 12,32 . (10) Mc 13,1 . Een vorm van didaskalos (leraar , leermeester) in Mc in 12 verzen .

Mc 12,14.7. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,7 . (3) Mc 12,12 . (4) Mc 12,14 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,26 . (7) Mc 12,28 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,32 . (10) Mc 12,34 . (11) Mc 12,35 . (12) Mc 12,43 .

10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

16. act. ind. pr. 2de p. enk. blepeis (jij kijkt) van het werkw. blepô (kijken, zien) . Taalgebruik in het N.T. : blepô (kijken, zien) . Taalgebruik in Mc : blepô (kijken, zien) . Mc (4) : (1) Mc 5,31 .  (2) Mc 8,23 .  (3) Mc 12,14 .  (4) Mc 13,2 . Een vorm van blepô (kijken, zien) in Mc in 14 verzen .

Mc 12,14.17. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,12 . (2) Mc 12,14 . (3) Mc 12,23 . (4) Mc 12,25 . (5) Mc 12,44 .

24. gen. vr. enk. alètheias (in waarheid) van het zelfst. naamw. alètheia (waarheid) . Taalgebruik in het N.T. : alètheia (waarheid) . Taalgebruik in Mc : alètheia (waarheid) . Mc (2) : (1) Mc 12,14 . (2) Mc 12,32 . Een vorm van alètheia (waarheid) in Mc in 3 verzen .

Mc 12,14.26. acc. vr. enk. hodon (weg) van het zelfst. naamw. hodos (weg) . Taalgebruik in het N.T. : hodos (weg) . Taalgebruik in Mc : hodos (weg) .
Mc (10) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 .  (3) Mc 2,23 .  (4) Mc 4,4 . (5) Mc 4,15 .  (6) Mc 6,8 .    (7) Mc 10,17 . (8) Mc 10,46 .  (9) Mc 11,8 .  (10) Mc 12,14 .

Mc 12,14.27. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 12 (10) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,8 . (3) Mc 12,9 . (4) Mc 12,14 . (5) Mc 12,17 . (6) Mc 12,24 . (7) Mc 12,26 . (8) Mc 12,34 . (9) Mc 12,41 . (10) Mc 12,44 .

29. act. ind. pr. 2de p.enk. didaskeis (jij leert) van het werkw. didaskô (leren, onderrichten) . Taalgebruik in N.T. : didaskô (leren) . Taalgebruik in Mc : didaskô (leren) . Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven . Didactiek : leer van het onderrichten . Lat. docere (doctor) . Cfr docent , documentatie . Mc (1) : Mc 12,14 . Een vorm van didaskô (leren, onderrichten) in Mc in 17 verzen .

Mc 12,14.30. exestin (het is toegelaten) . Taalgebruik in het N.T. : exestin (het is toegelaten) . Taalgebruik in Mc : exestin (het is toegelaten) .
Mc (6) : (1) Mc 2,24 . (2) Mc 2,26 . (3) Mc 3,4 . (4) Mc 6,18 . (5) Mc 10,2 . (6) Mc 12,14 .
In twee soorten zinnen . 1. In een ontkennende zin nl. ouk exestin = het is niet toegelaten . Mc (3) : (1) Mc 2,24 . (2) Mc 2,26 . (3) Mc 6,18 .
2. In een vraagzin nl. exestin = is het toegelaten ? Mc (3) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 10,2 . (3) Mc 12,14 .

Mc 12,14.34. partikel van vergelijking è (of) OFWEL bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,7. (2) Mc 12,14. (3) Mc 12,16 . (4) Mc 12,22 . (5) Mc 12,43 .

Mc 12,14.37. partikel van vergelijking è (of) OFWEL bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,7. (2) Mc 12,14. (3) Mc 12,16 . (4) Mc 12,22 . (5) Mc 12,43 .

Mc 12,15 - Mc 12,15 : 291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer - Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,13 - Mc 12,14 - Mc 12,15 - Mc 12,16 - Mc 12,17 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15o de eidôs autôn tèn upokrisin eipen autois, ti me peirazete; ferete moi dènarion ina idô.   15 qui sciens versutiam eorum ait illis quid me temptatis adferte mihi denarium ut videam     15 En Hij, wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een penning, dat Ik hem zie.   [15] Maar Hij doorzag hun huichelarij en zei tegen hen: ‘Waarom stelt u Me op de proef? Laat Me eens een denarie zien.’   15] Maar omdat hij hun huichelarij doorzag, antwoordde hij: ‘Waarom stelt u me op de proef? Laat me eens een geldstuk zien.’   15 Maar hij beseft het onechte van hun vraag en zegt tot hen: waarom stelt ge mij op de proef?– brengt me een dinar, ik wil hem zien!  15. Mais lui, sachant leur hypocrisie, leur dit : « Pourquoi me tendez-vous un piège ? Apportez-moi un denier, que je le voie. » 

King James Bible . [15] Shall we give, or shall we not give? But he, knowing their hypocrisy, said unto them, Why tempt ye me? bring me a penny, that I may see it.
Luther-Bibel . 15 Er aber merkte ihre Heuchelei und sprach zu ihnen: Was versucht ihr mich? Bringt mir einen Silbergroschen, dass ich ihn sehe!

Tekstuitleg van Mc 12,15 .

Mc 12,15.1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 12 (16) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,20 . (7) Mc 12,21 . (8) Mc 12,24 . (9) Mc 12,26 . (10) Mc 12,29 . (11) Mc 12,32 . (12) Mc 12,34 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 12,41 . (16) Mc 12,42 .

Mc 12,15.2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,5 . (2) Mc 12,7 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,16 . (5) Mc 12,17 . (6) Mc 12,26 . (7) Mc 12,44 .

Mc 12,15.7. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (56) . Mc 12 (8) : (1) Mc 12,12 . (2) Mc 12,15 . (3) Mc 12,17 . (4) Mc 12,26 . (5) Mc 12,32 . (6) Mc 12,34 . (7) Mc 12,36 . (8) Mc 12,43 . Een vorm van legô in Mc 12 in 9 verzen , van eipon (ik zei) in 10 verzen .

Mc 12,15.8. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 12 (8) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,15 . (3) Mc 12,16 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,28 . (7) Mc 12,43 . (8) Mc 12,44 .

Mc 12,15.11. act. ind. pr. + imp. 2de p. mv. peirazete (jullie beproeven) van het werkw. van het werkw. peirazô (beproeven, op de proef stellen) . Taalgebruik in het N.T. : peirazô (beproeven, op de proef stellen) . Taalgebruik in Mc : peirazô (beproeven, op de proef stellen) . peira : proef , poging . Lat. probare (proberen , be-proeven) . ex-periment (uit-probering , ervaring) . Hebr. nâsâh .
Mc (1) : Mc 12,15 . Een vorm van peirazô (beproeven) in 4 verzen in Mc : (1) Mc 1,13 .  (2) Mc 8,11 . (3) Mc 10,2 .  (4) Mc 12,15 .

Mc 12,16 - Mc 12,16 : 291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer - Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,13 - Mc 12,14 - Mc 12,15 - Mc 12,16 - Mc 12,17 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
16oi de ènegkan. kai legei autois, tinos è eikôn autè kai è epigrafè; oi de eipan autô, kaisaros.   16 at illi adtulerunt et ait illis cuius est imago haec et inscriptio dicunt illi Caesaris     16 En zij brachten een. En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld, en het opschrift? en zij zeiden tot Hem: Des keizers.   [16] Dat deden ze. Hij zei hun: ‘Van wie is die afbeelding en het opschrift?’ Ze zeiden tegen Hem: ‘Van de keizer.’   [16] Ze gaven hem een munt en hij vroeg hun: ‘Van wie is dit een afbeelding en van wie is het opschrift?’ ‘Van de keizer,’ antwoordden ze.   16 Zij brengen er een. Hij zegt tot hen: van wie is deze beeltenis en het opschrift? Zij zeggen tot hem: van Caesar!   16. Ils en apportèrent un et il leur dit : « De qui est l'effigie que voici ? Et l'inscription ? » Ils lui dirent : « De César. »  

King James Bible . [16] And they brought it. And he saith unto them, Whose is this image and superscription? And they said unto him, Caesar's.
Luther-Bibel . 16 Und sie brachten einen. Da sprach er: Wessen Bild und Aufschrift ist das? Sie sprachen zu ihm: Des Kaisers.

Tekstuitleg van Mc 12,16 .

Mc 12,16.1. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,16 . (4) Mc 12,22 . (5) Mc 12,23 . (6) Mc 12,35 . (7) Mc 12,40 .

Mc 12,16.2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,5 . (2) Mc 12,7 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,16 . (5) Mc 12,17 . (6) Mc 12,26 . (7) Mc 12,44 .

Mc 12,16.4. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,16.6. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 12 (8) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,15 . (3) Mc 12,16 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,28 . (7) Mc 12,43 . (8) Mc 12,44 .

Mc 12,16.8. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,7. (2) Mc 12,14. (3) Mc 12,16 . (4) Mc 12,22 . (5) Mc 12,43 .

Mc 12,16.10. voornaamw. nom. vr. enk. autè (zij, deze) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (10) : (1) Mc 8,12 . (2) Mc 10,12 . (3) Mc 12,11 . (4) Mc 12,16 . (5) Mc 12,31 . (6) Mc 12,43 . (7) Mc 12,44 . (8) Mc 13,30 . (9) Mc 14,4 . (10) Mc 14,9 .

Mc 12,16.11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,16.12. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,7. (2) Mc 12,14. (3) Mc 12,16 . (4) Mc 12,22 . (5) Mc 12,43 .

Mc 12,16.14.bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,16 . (4) Mc 12,22 . (5) Mc 12,23 . (6) Mc 12,35 . (7) Mc 12,40 .

Mc 12,16.15. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,5 . (2) Mc 12,7 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,16 . (5) Mc 12,17 . (6) Mc 12,26 . (7) Mc 12,44 .

Mc 12,16.16. act. ind. aor. 3de p. mv. eipan (zij zeiden) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (9) : (1) Mc 8,5 . (2) Mc 8,28 . (3) Mc 10,4 . (4) Mc 10,37 . (5) Mc 10,39 . (6) Mc 11,6 . (7) Mc 12,7 . (8) Mc 12,16 . (9) Mc 16,8 . Enkele Farizeeën en Herodianen antwoorden op een tussen vraag van Jezus . De tussenvraag is : van wie is deze beeltenis (tinos...) .

Mc 12,16.14. - 16. act. ind. aor. 3de p. mv. eipan (zij zeiden) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (9) : (1) Mc 8,5 . (2) Mc 8,28 . (3) Mc 10,4 . (4) Mc 10,37 . (5) Mc 10,39 . (6) Mc 11,6 . (7) Mc 12,7 . (8) Mc 12,16 . (9) Mc 16,8 .

Mc 12,16.17. pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (109) . Mc

Mc 12,16.14. - 17. hoi de eipan (zij echter zeiden) + autô(i) (hem) . Mc (4 / 7) : (1) Mc 8,5 . (2) Mc 8,28 . (3) Mc 10,4 . (4) Mc 10,37 . (5) Mc 10,39 . (6) Mc 11,6 . (7) Mc 12,16 .

Mc 12,17 - Mc 12,17 : 291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer - Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,13 - Mc 12,14 - Mc 12,15 - Mc 12,16 - Mc 12,17 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
17o de ièsous eipen autois, ta kaisaros apodote kaisari kai ta tou theou tô theô. kai exethaumazon ep autô.   17 respondens autem Iesus dixit illis reddite igitur quae sunt Caesaris Caesari et quae sunt Dei Deo et mirabantur super eo     17 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem.   [17] Jezus zei hun: ‘Geef aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat van God is.’ Ze stonden verbaasd over Hem.   [17] Toen zei Jezus tegen hen: ‘Geef wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.’ En ze waren met stomheid geslagen.   17 Dan zegt Jezus tot hen: geeft dan aan Caesar af wat van Caesar is en aan God wat van God is! Ze zijn over hem een en al verwondering geweest.   17. Alors Jésus leur dit : « Rendez à César ce qui est à César et à Dieu ce qui est à Dieu. » Et ils étaient fort surpris à son sujet.  

King James Bible . [17] And Jesus answering said unto them, Render to Caesar the things that are Caesar's, and to God the things that are God's. And they marvelled at him.
Luther-Bibel . 17 Da sprach Jesus zu ihnen: So gebt dem Kaiser, was des Kaisers ist, und Gott, was Gottes ist! Und sie wunderten sich über ihn.

Tekstuitleg van Mc 12,17 .

Mc 12,17.1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 12 (16) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,20 . (7) Mc 12,21 . (8) Mc 12,24 . (9) Mc 12,26 . (10) Mc 12,29 . (11) Mc 12,32 . (12) Mc 12,34 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 12,41 . (16) Mc 12,42 .

Mc 12,17.2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,5 . (2) Mc 12,7 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,16 . (5) Mc 12,17 . (6) Mc 12,26 . (7) Mc 12,44 .

Mc 12,17.3. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) .
Mc (57) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,17 . (2) Mc 12,24 . (3) Mc 12,29 . (4) Mc 12,34 . (5) Mc 12,35 . Een vorm van ièsous (Jezus) in Mc in 81 verzen .

Mc 12,17.4. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (56) . Mc 12 (8) : (1) Mc 12,12 . (2) Mc 12,15 . (3) Mc 12,17 . (4) Mc 12,26 . (5) Mc 12,32 . (6) Mc 12,34 . (7) Mc 12,36 . (8) Mc 12,43 . Een vorm van legô in Mc 12 in 9 verzen , van eipon (ik zei) in 10 verzen .

Mc 12,17.5. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 12 (8) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,15 . (3) Mc 12,16 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,28 . (7) Mc 12,43 . (8) Mc 12,44 .

Mc 12,17.1. - 5. ho de ièsous eipen autois (Jezus echter zei hen) . Mc (4) : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,38 . (3) Mc 10,39 . (4) Mc 12,17 . In de verzen Mc 10,5 en Mc 12,17 leidt het het antwoord van Jezus op de beginvraag in . In beide verhalen zijn er Farizeeën betrokken bij het stellen van de vraag (beginnend met de woorden : is het toegelaten...) . In de verzen Mc 10,38 en Mc 10,39 leidt het de antwoorden van Jezus op het verzoek van Jakobus en Johannes in .

Mc 12,17.6. bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (47) . Mc 12 (1) : Mc 12,17 .

Mc 12,17.10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,17.11. bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (47) . Mc 12 (1) : Mc 12,17 .

Mc 12,17.12. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 12 (10) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,8 . (3) Mc 12,9 . (4) Mc 12,14 . (5) Mc 12,17 . (6) Mc 12,24 . (7) Mc 12,26 . (8) Mc 12,34 . (9) Mc 12,41 . (10) Mc 12,44 .

Mc 12,17.14. bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,17 . (3) Mc 12,19 . (4) Mc 12,35 . (5) Mc 12,36 .

Mc 12,17.16. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis : Mc 12,18-27 -- Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 -

Mc 12,18 - Mc 12,18 : 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 -
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
18kai erchontai saddoukaioi pros auton, oitines legousin anastasin mè einai, kai epèrôtôn auton legontes,   18 et venerunt ad eum Sadducaei qui dicunt resurrectionem non esse et interrogabant eum dicentes      18 En de Sadduceën kwamen tot Hem, welke zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, zeggende:   [18] Er kwamen ook sadduceeën* naar Hem toe. Die ontkennen dat er een opstanding is. Ze legden Hem de volgende vraag voor:   [18] Er kwamen enkele Sadduceeën naar hem toe; volgens de Sadduceeën is er geen opstanding uit de dood. Ze vroegen hem:   18 ¶ Er komen ook sadduceeërs tot hem, zij die zeggen dat er geen opstanding is, en zij stellen hem een vraag en zeggen:  18. Alors viennent à lui des Sadducéens - de ces gens qui disent qu'il n'y a pas de résurrection - et ils l'interrogeaient en disant :  

King James Bible . [18] Then come unto him the Sadducees, which say there is no resurrection; and they asked him, saying,
Luther-Bibel . 18 Da traten die Sadduzäer zu ihm, die lehren, es gebe keine Auferstehung; die fragten ihn und sprachen:

Tekstuitleg van Mc 12,18 .

4. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Voorzetsel .
Mc (62) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,4 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,12 . (6) Mc 12,13 . (7) Mc 12,18 .

Mc 12,18.4. - 5. pros auton (naar hem, bij hem) . Naar Jezus . Mc (14) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .

Mc 12,18.6. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,3 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,8 . (6) Mc 12,12 . (7) Mc 12,13 . (8) Mc 12,18 . (9) Mc 12,28 . (10) Mc 12,33 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 .

Mc 12,18.10. act. inf. praes. einai (zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (7) : (1) Mc 8,27 . (2) Mc 8,29 .  (3) Mc 9,5 . (4) Mc 9,35 .  (5) Mc 10,44 .   (6) Mc 12,18 .   (7) Mc 14,64 .

Mc 12,18.13. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,3 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,8 . (6) Mc 12,12 . (7) Mc 12,13 . (8) Mc 12,18 . (9) Mc 12,28 . (10) Mc 12,33 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 .

Mc 12,19 - Mc 12,19 : 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 -
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
19didaskale, môusès egrapsen èmin oti ean tinos adelfos apothanè kai katalipè gunaika kai mè afè teknon, ina labè o adelfos autou tèn gunaika kai exanastèsè sperma tô adelfô autou.   19 magister Moses nobis scripsit ut si cuius frater mortuus fuerit et dimiserit uxorem et filios non reliquerit accipiat frater eius uxorem ipsius et resuscitet semen fratri suo      19 Meester! Mozes heeft ons geschreven: Indien iemands broeder sterft, en een vrouw achterlaat, en geen kinderen nalaat, dat zijn broeder deszelfs vrouw nemen zal en zijn broeder zaad verwekken.   [19] ‘Meester, Mozes heeft ons voorgeschreven: Als iemand sterft en een vrouw achterlaat zonder kinderen, moet zijn broer trouwen met die vrouw en nakomelingen verwekken voor zijn broer.   [19] ‘Meester, Mozes heeft ons het volgende voorgeschreven: “Als iemand sterft en een vrouw achterlaat, maar geen kinderen, moet zijn broer die vrouw bij zich nemen en nakomelingen verwekken voor zijn broer.”   19 leermeester, Mozes heeft ons voorgeschreven, als van iemand een broer sterft en hij laat een vrouw achter maar laat geen kind na, dat diens broer zijn vrouw moet nemen en een nazaat moet doen opstaan voor zijn broer;   19. « Maître, Moïse a écrit pour nous : «Si quelqu'un a un frère qui meurt en laissant une femme sans enfant, que ce frère prenne la femme et suscite une postérité à son frère. » 

King James Bible . [19] Master, Moses wrote unto us, If a man's brother die, and leave his wife behind him, and leave no children, that his brother should take his wife, and raise up seed unto his brother.
Luther-Bibel . 19 Meister, Mose hat uns vorgeschrieben (5.Mose 25,5-6): »Wenn jemand stirbt und hinterlässt eine Frau, aber keine Kinder, so soll sein Bruder sie zur Frau nehmen und seinem Bruder Nachkommen erwecken.«

Tekstuitleg van Mc 12,19 .

1. voc. mann. enk. didaskale (leermeester) van het zelfst. naamw. didaskalos (leraar , leermeester) . Taalgebruik in het N.T. : didaskalos (leraar , leermeester) . Taalgebruik in Mc : didaskalos (leraar , leermeester) .
Mc (10) : (1) Mc 4,38 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,38 . (4) Mc 10,17 . (5) Mc 10,20 . (6) Mc 10,35 . (7) Mc 12,14 . (8) Mc 12,19 . (9) Mc 12,32 . (10) Mc 13,1 . Een vorm van didaskalos (leraar , leermeester) in Mc in 12 verzen .

Mc 12,19.2. nom. mann. enk. môusès (Mozes) . Taalgebruik in het N.T. : môusès (Mozes) . Taalgebruik in Mc : môusès (Mozes) .
Mc (5) : (1) Mc 1,44 .  (2) Mc 7,10 .  (3) Mc 10,3 . (4) Mc 10,4 .  (5) Mc 12,19 .

Mc 12,19.4. pers. voornaamw. dat. mv. hèmin (ons) van het pers. voornaamw. hèmeis . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (9) : (1) Mc 1,24 . (2) Mc 9,22 . (3) Mc 9,38 . (4) Mc 10,35 . (5) Mc 10,37 . (6) Mc 12,19 . (7) Mc 13,4 . (8) Mc 14,15 . (9) Mc 16,3 .

Mc 12,19.5. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,7 . (3) Mc 12,12 . (4) Mc 12,14 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,26 . (7) Mc 12,28 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,32 . (10) Mc 12,34 . (11) Mc 12,35 . (12) Mc 12,43 .

Mc 12,19.12. acc. vr. enk. gunaika (vrouw) van het zelfst. naamw. gunè (vrouw) . Taalgebruik in het N.T. : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Mc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau .
Mc (8) : (1) Mc 6,17 . (2) Mc 6,18 . (3) Mc 10,2 . (4) Mc 10,7 . (5) Mc 10,11 . (6) Mc 12,19 . (7) Mc 12,20 . (8) Mc 12,23 .

Mc 12,19.19. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 12 (16) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,20 . (7) Mc 12,21 . (8) Mc 12,24 . (9) Mc 12,26 . (10) Mc 12,29 . (11) Mc 12,32 . (12) Mc 12,34 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 12,41 . (16) Mc 12,42 .

Mc 12,19.21. pers. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (143) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,19 . (2) Mc 12,32 . (3) Mc 12,37 . (4) Mc 12,38 . (5) Mc 12,43 .

Mc 12,19.27. bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,17 . (3) Mc 12,19 . (4) Mc 12,35 . (5) Mc 12,36 .

Mc 12,19.29. pers. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (143) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,19 . (2) Mc 12,32 . (3) Mc 12,37 . (4) Mc 12,38 . (5) Mc 12,43 .

Mc 12,20 - Mc 12,20 : 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 -
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
20epta adelfoi èsan: kai o prôtos elaben gunaika, kai apothnèskôn ouk afèken sperma:   20 septem ergo fratres erant et primus accepit uxorem et mortuus est non relicto semine      20 Er waren nu zeven broeders, en de eerste nam een vrouw, en stervende liet geen zaad na.   [20] Nu waren er zeven broers. De eerste trouwde met een vrouw, en hij stierf zonder nakomeling.  [20] Er waren eens zeven broers. De eerste nam een vrouw en stierf zonder nakomelingen;   20 nu waren er eens zeven broers; de eerste neemt een vrouw, en als hij sterft laat hij geen nazaat na;   20. Il y avait sept frères. Le premier prit femme et mourut sans laisser de postérité. 

King James Bible . [20] Now there were seven brethren: and the first took a wife, and dying left no seed.
Luther-Bibel . 20 Nun waren sieben Brüder. Der erste nahm eine Frau; der starb und hinterließ keine Kinder.

Tekstuitleg van Mc 12,20 .

Mc 12,20.5. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 12 (16) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,20 . (7) Mc 12,21 . (8) Mc 12,24 . (9) Mc 12,26 . (10) Mc 12,29 . (11) Mc 12,32 . (12) Mc 12,34 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 12,41 . (16) Mc 12,42 .

Mc 12,20.6. nom. mann. enk. prôtos (eerste) van het bijvoegl. naamw. (rangtelwoord) prôtos (eerste) . Taalgebruik in het N.T. : prôtos (eerste) . Taalgebruik in Mc : prôtos (eerste) . Mc (3) : (1) Mc 9,35 . (2) Mc 10,44 . (3) Mc 12,20 .

Mc 12,20.8. acc. vr. enk. gunaika (vrouw) van het zelfst. naamw. gunè (vrouw) . Taalgebruik in het N.T. : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Mc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau .
Mc (8) : (1) Mc 6,17 . (2) Mc 6,18 . (3) Mc 10,2 . (4) Mc 10,7 . (5) Mc 10,11 . (6) Mc 12,19 . (7) Mc 12,20 . (8) Mc 12,23 .

Mc 12,21 - Mc 12,21 : 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 -
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
21kai o deuteros elaben autèn, kai apethanen mè katalipôn sperma: kai o tritos ôsautôs:   21 et secundus accepit eam et mortuus est et nec iste reliquit semen et tertius similiter      21 De tweede nam haar ook, en is gestorven, en ook deze liet geen zaad na; en de derde desgelijks.  [21] En de tweede trouwde met haar; ook hij stierf zonder nakomeling. En zo ook de derde.   [21] de tweede nam haar tot vrouw, maar stierf ook zonder nakomelingen; en met de derde ging het net zo.   21 de tweede neemt haar, en als hij sterft laat hij ook geen nazaat achter; de derde evenzo;  21. Le second prit la femme et mourut aussi sans laisser de postérité, et de même le troisième ; 

King James Bible . [21] And the second took her, and died, neither left he any seed: and the third likewise.
Luther-Bibel . 21 Und der zweite nahm sie und starb und hinterließ auch keine Kinder. Und der dritte ebenso.

Tekstuitleg van Mc 12,21 .

Mc 12,21.2. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 12 (16) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,20 . (7) Mc 12,21 . (8) Mc 12,24 . (9) Mc 12,26 . (10) Mc 12,29 . (11) Mc 12,32 . (12) Mc 12,34 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 12,41 . (16) Mc 12,42 .

Mc 12,21.5. pers. voornaamw. acc. vr. enk. autèn (haar) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (14) : (1) Mc 1,31 . (2) Mc 4,30 . (3) Mc 6,17 . (4) Mc 6,26 . (5) Mc 6,28 . (6) Mc 8,35 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 10,11 . (9) Mc 10,15 . (10) Mc 11,2 . (11) Mc 11,13 . (12) Mc 12,21 . (13) Mc 12,23 . (14) Mc 14,6 .

Mc 12,21.12. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 12 (16) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,20 . (7) Mc 12,21 . (8) Mc 12,24 . (9) Mc 12,26 . (10) Mc 12,29 . (11) Mc 12,32 . (12) Mc 12,34 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 12,41 . (16) Mc 12,42 .

Mc 12,22 - Mc 12,22 : 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 -
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22kai oi epta ouk afèkan sperma. eschaton pantôn kai è gunè apethanen.  22 et acceperunt eam similiter septem et non reliquerunt semen novissima omnium defuncta est et mulier       22 En al de zeven namen dezelve, en lieten geen zaad na; de laatste van allen is ook de vrouw gestorven.   [22] De zeven hadden geen nakomelingen. Als laatste van allen stierf ook de vrouw.  [22] Geen van de zeven kreeg nakomelingen. Het laatst van allen stierf de vrouw.  22 alle zeven laten ze geen nazaat na; het laatst van allen sterft ook de vrouw;   22. et aucun des sept ne laissa de postérité. Après eux tous, la femme aussi mourut.  

King James Bible . [22] And the seven had her, and left no seed: last of all the woman died also.
Luther-Bibel . 22 Und alle sieben hinterließen keine Kinder. Zuletzt nach allen starb die Frau auch.

Tekstuitleg van Mc 12,22 .

2. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,16 . (4) Mc 12,22 . (5) Mc 12,23 . (6) Mc 12,35 . (7) Mc 12,40 .

8. gen. mv. pantôn (allen / alles) van het bijvoegl naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder .
Mc (10) : (1) Mc 2,12 . (2) Mc 4,31 . (3) Mc 4,32 . (4) Mc 9,35 . (5) Mc 10,44 . (6) Mc 12,22 . (7) Mc 12,28 . (8) Mc 12,33 . (9) Mc 12,43 . (10) Mc 13,13 . Een vorm van pas (ieder, al) in Mc in 66 verzen .

Mc 12,22.10. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,7. (2) Mc 12,14. (3) Mc 12,16 . (4) Mc 12,22 . (5) Mc 12,43 .

Mc 12,22.11. nom. vr. enk. gunè (vrouw) . Taalgebruik in het N.T. : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Mc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau .
Mc (7) : (1) Mc 5,25 . (2) Mc 5,33 . (3) Mc 7,25 . (4) Mc 7,26 . (5) Mc 12,22 . (6) Mc 12,23 .  (7) Mc 14,3 .

Mc 12,23 - Mc 12,23 : 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 -
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23en tè anastasei [,otan anastôsin,] tinos autôn estai gunè; oi gar epta eschon autèn gunaika.  23 in resurrectione ergo cum resurrexerint cuius de his erit uxor septem enim habuerunt eam uxorem      23 In de opstanding dan, wanneer zij zullen opgestaan zijn, wiens vrouw zal zij van dezen zijn? Want die zeven hebben haar tot een vrouw gehad.   [23] Wanneer ze nu bij de opstanding opstaan, van wie van hen zal zij dan de vrouw zijn? Want alle zeven hebben ze haar als vrouw gehad.’   [23] Wiens vrouw zal ze dan zijn bij de opstanding, wanneer ze opstaan uit de dood? Alle zeven zijn ze immers met haar getrouwd geweest.’  23 in de opstanding, wanneer zij opstaan, van wie zal zij dan de vrouw zijn?– want alle zeven hebben ze haar als vrouw gehad!   23. A la résurrection, quand ils ressusciteront, duquel d'entre eux sera-t-elle la femme ? Car les sept l'auront eue pour femme. » 

King James Bible . [23] In the resurrection therefore, when they shall rise, whose wife shall she be of them? for the seven had her to wife.
Luther-Bibel . 23 Nun in der Auferstehung, wenn sie auferstehen: wessen Frau wird sie sein unter ihnen? Denn alle sieben haben sie zur Frau gehabt.

Tekstuitleg van Mc 12,23 .

Mc 12,23.1. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 12 (9) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,11 . (3) Mc 12,23 . (4) Mc 12,25 . (5) Mc 12,26 . (6) Mc 12,35 . (7) Mc 12,36 . (8) Mc 12,38 . (9) Mc 12,39 .

Mc 12,23.2. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 12 (3) : (1) Mc 12,23 . (2) Mc 12,26 . (3) Mc 12,38 .

Mc 12,23.9. nom. vr. enk. gunè (vrouw) . Taalgebruik in het N.T. : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Mc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau .
Mc (7) : (1) Mc 5,25 . (2) Mc 5,33 . (3) Mc 7,25 . (4) Mc 7,26 . (5) Mc 12,22 . (6) Mc 12,23 .  (7) Mc 14,3 .

Mc 12,23.10. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,16 . (4) Mc 12,22 . (5) Mc 12,23 . (6) Mc 12,35 . (7) Mc 12,40 .

Mc 12,23.11. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,12 . (2) Mc 12,14 . (3) Mc 12,23 . (4) Mc 12,25 . (5) Mc 12,44 .

Mc 12,23.14. pers. voornaamw. acc. vr. enk. autèn (haar) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (14) : (1) Mc 1,31 . (2) Mc 4,30 . (3) Mc 6,17 . (4) Mc 6,26 . (5) Mc 6,28 . (6) Mc 8,35 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 10,11 . (9) Mc 10,15 . (10) Mc 11,2 . (11) Mc 11,13 . (12) Mc 12,21 . (13) Mc 12,23 . (14) Mc 14,6 .

Mc 12,23.15. acc. vr. enk. gunaika (vrouw) van het zelfst. naamw. gunè (vrouw) . Taalgebruik in het N.T. : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Mc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau .
Mc (8) : (1) Mc 6,17 . (2) Mc 6,18 . (3) Mc 10,2 . (4) Mc 10,7 . (5) Mc 10,11 . (6) Mc 12,19 . (7) Mc 12,20 . (8) Mc 12,23 .

Mc 12,24 - Mc 12,24 : 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 -
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
24efè autois o ièsous, ou dia touto planasthe mè eidotes tas grafas mède tèn dunamin tou theou;   24 et respondens Iesus ait illis non ideo erratis non scientes scripturas neque virtutem Dei      24 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Dwaalt gij niet, daarom, dat gij de Schriften niet weet, noch de kracht Gods?  [24] Jezus zei tegen hen: ‘Zit u niet op een dwaalspoor, doordat u de Schriften niet kent en evenmin de macht van God?   [24] Jezus antwoordde: ‘Dwaalt u niet? U kent blijkbaar de Schriften niet en evenmin de macht van God.   24 Jezus brengt tot hen uit: dwaalt ge niet?, daarom dat ge van de Schriften geen weet hebt en evenmin van de kracht van God;   24. Jésus leur dit : « N'êtes-vous pas dans l'erreur, en ne connaissant ni les Écritures ni la puissance de Dieu ?  

King James Bible . [24] And Jesus answering said unto them, Do ye not therefore err, because ye know not the scriptures, neither the power of God?
Luther-Bibel . 24 Da sprach Jesus zu ihnen: Ist's nicht so? Ihr irrt, weil ihr weder die Schrift kennt noch die Kraft Gottes.

Tekstuitleg van Mc 12,24 .

Mc 12,24.2. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 12 (8) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,15 . (3) Mc 12,16 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,28 . (7) Mc 12,43 . (8) Mc 12,44 .

Mc 12,24.3. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 12 (16) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,20 . (7) Mc 12,21 . (8) Mc 12,24 . (9) Mc 12,26 . (10) Mc 12,29 . (11) Mc 12,32 . (12) Mc 12,34 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 12,41 . (16) Mc 12,42 .

4. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) .
Mc (57) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,17 . (2) Mc 12,24 . (3) Mc 12,29 . (4) Mc 12,34 . (5) Mc 12,35 . Een vorm van ièsous (Jezus) in Mc in 81 verzen .

Mc 12,24.11. bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (27) : Mc 12 (2) : (1) Mc 12,24 . (2) Mc 12,40 .

Mc 12,24.16. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 12 (10) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,8 . (3) Mc 12,9 . (4) Mc 12,14 . (5) Mc 12,17 . (6) Mc 12,24 . (7) Mc 12,26 . (8) Mc 12,34 . (9) Mc 12,41 . (10) Mc 12,44 .

Mc 12,25 - Mc 12,25 : 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 -
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
25otan gar ek nekrôn anastôsin, oute gamousin oute gamizontai, all eisin ôs aggeloi en tois ouranois.  25 cum enim a mortuis resurrexerint neque nubent neque nubentur sed sunt sicut angeli in caelis       25 Want als zij uit de doden zullen opgestaan zijn, zo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn gelijk engelen, die in de hemelen zijn.   [25] Want wanneer ze uit de doden opstaan, trouwen ze niet en worden ze niet uitgehuwelijkt, maar zijn ze als engelen in de hemel.  [25] Want wanneer de mensen uit de dood opstaan, trouwen ze niet en worden ze niet uitgehuwelijkt, maar zijn ze als engelen in de hemel.   25 want wanneer zij uit de doden zullen opstaan, huwen ze niet en worden ze niet uitgehuwelijkt; nee, zij zijn als engelen in de hemelen;   25. Car, lorsqu'on ressuscite d'entre les morts, on ne prend ni femme ni mari, mais on est comme des anges dans les cieux.  

King James Bible . [25] For when they shall rise from the dead, they neither marry, nor are given in marriage; but are as the angels which are in heaven.
Luther-Bibel . 25 Wenn sie von den Toten auferstehen werden, so werden sie weder heiraten noch sich heiraten lassen, sondern sie sind wie die Engel im Himmel.

Tekstuitleg van Mc 12,25 .

Mc 12,25.2. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,12 . (2) Mc 12,14 . (3) Mc 12,23 . (4) Mc 12,25 . (5) Mc 12,44 .

Mc 12,25.3. ek - ex (uit) . Taalgebruik in het N.T. : ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc (38 + 20) . Mc 12 (3 + 2) : (1) Mc 12,25 . (2) Mc 12,36 . (3) Mc 12,44 . Mc (12) : (1) Mc 12,30 . (2) Mc 12,33 .

13. nom. mann. mv. aggeloi van het zelfst. naamw. aggelos (engel, boodschapper) . Taalgebruik in het N.T. : aggelos (engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos (engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden . Hebr. malë´akh .
Mc (3) : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 12,25 .  (3) Mc 13,32 . Een vorm van aggelos (engel, boodschapper) in Mc (6) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 8,38 . (4) Mc 12,25 .  (5) Mc 13,27 .  (6) Mc 13,32 .

Mc 12,25.14. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 12 (9) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,11 . (3) Mc 12,23 . (4) Mc 12,25 . (5) Mc 12,26 . (6) Mc 12,35 . (7) Mc 12,36 . (8) Mc 12,38 . (9) Mc 12,39 .

Mc 12,26 - Mc 12,26 : 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 -
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
26peri de tôn nekrôn oti egeirontai ouk anegnôte en tè biblô môuseôs epi tou batou pôs eipen autô o theos legôn, egô o theos abraam kai [o] theos isaak kai [o] theos iakôb;  26 de mortuis autem quod resurgant non legistis in libro Mosi super rubum quomodo dixerit illi Deus inquiens ego sum Deus Abraham et Deus Isaac et Deus Iacob      26 Doch aangaande de doden, dat zij opgewekt zullen worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornenbos tot hem gesproken heeft, zeggende: Ik ben de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs?  [26] Wat betreft de vraag of de doden opgewekt worden: hebt u niet in het boek van Mozes gelezen, in het verhaal over de doornstruik, hoe God tegen hem zei: “Ik ben de God van Abraham en de God van Isaak en de God van Jakob”?   [[26] Wat betreft de opwekking van de doden, hebt u in het boek van Mozes in het gedeelte over de doornstruik niet gelezen dat God tegen hem zei: “Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob”?   26 en wat de doden betreft, dat zij worden opgewekt: hebt ge in de boekrol van Mozes bij de braamstruik niet gelezen hoe God tot hem heeft gezegd en nog steeds zegt: ik ben de God van Abraham en de God van Isaak en de God van Jakob! –  26. Quant au fait que les morts ressuscitent, n'avez-vous pas lu dans le Livre de Moïse, au passage du Buisson, comment Dieu lui a dit : Je suis le Dieu d'Abraham, le Dieu d'Isaac et le Dieu de Jacob ? 

King James Bible . [26] And as touching the dead, that they rise: have ye not read in the book of Moses, how in the bush God spake unto him, saying, I am the God of Abraham, and the God of Isaac, and the God of Jacob?
Luther-Bibel . 26 Aber von den Toten, dass sie auferstehen, habt ihr nicht gelesen im Buch des Mose, bei dem Dornbusch, wie Gott zu ihm sagte und sprach (2.Mose 3,6): »Ich bin der Gott Abrahams und der Gott Isaaks und der Gott Jakobs«?

Tekstuitleg van Mc 12,26 .

Mc 12,26.2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,5 . (2) Mc 12,7 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,16 . (5) Mc 12,17 . (6) Mc 12,26 . (7) Mc 12,44 .

3. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 12 (9) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,13 . (3) Mc 12,26 . (4) Mc 12,28 . (5) Mc 12,33 . (6) Mc 12,36 . (7) Mc 12,38 . (8) Mc 12,40 . (9) Mc 12,43 .

Mc 12,26.5. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,7 . (3) Mc 12,12 . (4) Mc 12,14 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,26 . (7) Mc 12,28 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,32 . (10) Mc 12,34 . (11) Mc 12,35 . (12) Mc 12,43 .

Mc 12,26.9. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 12 (9) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,11 . (3) Mc 12,23 . (4) Mc 12,25 . (5) Mc 12,26 . (6) Mc 12,35 . (7) Mc 12,36 . (8) Mc 12,38 . (9) Mc 12,39 .

Mc 12,26.10. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 12 (3) : (1) Mc 12,23 . (2) Mc 12,26 . (3) Mc 12,38 .

Mc 12,26.14. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 12 (10) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,8 . (3) Mc 12,9 . (4) Mc 12,14 . (5) Mc 12,17 . (6) Mc 12,24 . (7) Mc 12,26 . (8) Mc 12,34 . (9) Mc 12,41 . (10) Mc 12,44 .

16. pôs (hoe) . Taalgebruik in het N.T. : pôs (hoe) . Taalgebruik in Mc : pôs (hoe) . Vragend of onbepaald voornaamw. van wijze .
Mc (14) : (1) Mc 2,26 . (2) Mc 3,23 . (3) Mc 4,13 . (4) Mc 4,30 . (5) Mc 5,16 . (6) Mc 9,12 . (7) Mc 10,23 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 11,18 . (10) Mc 12,26 . (11) Mc 12,35 . (12) Mc 12,41 . (13) Mc 14,1 . (14) Mc 14,11 .

Mc 12,26.17. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (56) . Mc 12 (8) : (1) Mc 12,12 . (2) Mc 12,15 . (3) Mc 12,17 . (4) Mc 12,26 . (5) Mc 12,32 . (6) Mc 12,34 . (7) Mc 12,36 . (8) Mc 12,43 . Een vorm van legô in Mc 12 in 9 verzen , van eipon (ik zei) in 10 verzen .

Mc 12,26.19. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 12 (16) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,20 . (7) Mc 12,21 . (8) Mc 12,24 . (9) Mc 12,26 . (10) Mc 12,29 . (11) Mc 12,32 . (12) Mc 12,34 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 12,41 . (16) Mc 12,42 .

Mc 12,26.23. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 12 (16) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,20 . (7) Mc 12,21 . (8) Mc 12,24 . (9) Mc 12,26 . (10) Mc 12,29 . (11) Mc 12,32 . (12) Mc 12,34 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 12,41 . (16) Mc 12,42 .

Mc 12,26.27. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 12 (16) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,20 . (7) Mc 12,21 . (8) Mc 12,24 . (9) Mc 12,26 . (10) Mc 12,29 . (11) Mc 12,32 . (12) Mc 12,34 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 12,41 . (16) Mc 12,42 .

Mc 12,26.31. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 12 (16) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,20 . (7) Mc 12,21 . (8) Mc 12,24 . (9) Mc 12,26 . (10) Mc 12,29 . (11) Mc 12,32 . (12) Mc 12,34 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 12,41 . (16) Mc 12,42 .

Mc 12,27 - Mc 12,27 : 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 -
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
27ouk estin theos nekrôn alla zôntôn: polu planasthe.  27 non est Deus mortuorum sed vivorum vos ergo multum erratis      27 God is niet een God der doden, maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer.  [27] Hij is geen God van doden maar van levenden. U zit duidelijk op een dwaalspoor.’   [27] Hij is geen God van doden, maar van levenden; u dwaalt vreselijk!’   27 hij is niet een God van doden maar van levenden; gij dwaalt wel zeer!   27. Il n'est pas un Dieu de morts, mais de vivants. Vous êtes grandement dans l'erreur ! »  

King James Bible . [27] He is not the God of the dead, but the God of the living: ye therefore do greatly err.
Luther-Bibel . 27 Gott ist nicht ein Gott der Toten, sondern der Lebenden. Ihr irrt sehr.

Tekstuitleg van Mc 12,27 .



293. Vraag naar het eerste gebod : Mc 12,28-34 -- Mc 12,28-34 - Mt 22,34-40 - Lc 20,39-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,28 - Mc 12,29 - Mc 12,30 - Mc 12,31 - Mc 12,32 - Mc 12,33 - Mc 12,34 -

Mc 12,28 - Mc 12,28 : 293. Vraag naar het eerste gebod - Mc 12,28-34 - Mt 22,34-40 - Lc 20,39-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,28 - Mc 12,29 - Mc 12,30 - Mc 12,31 - Mc 12,32 - Mc 12,33 - Mc 12,34 -
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
28kai proselthôn eis tôn grammateôn akousas autôn suzètountôn, idôn oti kalôs apekrithè autois, epèrôtèsen auton, poia estin entolè prôtè pantôn;  28 et accessit unus de scribis qui audierat illos conquirentes et videns quoniam bene illis responderit interrogavit eum quod esset primum omnium mandatum       28 En een der Schriftgeleerden horende, dat zij te zamen in woorden waren, en wetende, dat Hij hun wel geantwoord had, kwam tot Hem, en vraagde Hem: Welk is het eerste gebod van alle?  [28] Toen iemand van de schriftgeleerden hen had horen redeneren en zag dat Hij hun een juist antwoord had gegeven, ging hij Hem vragen: ‘Wat is het allereerste gebod?’  [28] Een van de schriftgeleerden die naar hen geluisterd had terwijl ze discussieerden, en gemerkt had dat hij hun correct had geantwoord, kwam dichterbij en vroeg: ‘Wat is van alle geboden het belangrijkste gebod?’   28 ¶ Dan komt tot hem een van de schriftgeleerden; hij heeft hen horen redetwisten en gezien dat hij hun goed geantwoord heeft; hij stelt hem de vraag: welk gebod is het eerste van alle?   28. Un scribe qui les avait entendus discuter, voyant qu'il leur avait bien répondu, s'avança et lui demanda : « Quel est le premier de tous les commandements ? »  

King James Bible . [28] And one of the scribes came, and having heard them reasoning together, and perceiving that he had answered them well, asked him, Which is the first commandment of all?
Luther-Bibel . 28 Und es trat zu ihm einer von den Schriftgelehrten, der ihnen zugehört hatte, wie sie miteinander stritten. Und als er sah, dass er ihnen gut geantwortet hatte, fragte er ihn: Welches ist das höchste Gebot von allen?

Tekstuitleg van Mc 12,28 .

Mc 12,28.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 12,28.2. part. aor. nom. mann. enk. προσελθων = proselthôn (naderbijgekomen) van het werkw. proserchomai (naderbijkomen) . Taalgebruik in het NT : proserchomai (naderbijkomen) . Taalgebruik in de LXX : proserchomai (naderbijkomen) . Taalgebruik in Mc : proserchomai (naderbijkomen) . Mc (3) : (1) Mc 1,31 . (2) Mc 12,28 . (3) Mc 14,45 . Een vorm van προσερχομαι = proserchomai in de LXX (113) , in het NT (87) .

  proserchomai (naderbijgaan) Mc Mc 1 Mc 6 Mc 10 Mc 12 Mc 14 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. syn. ev.
1 part. aor. nom. mann. enk. proselthôn (1) Mc 1,31 .       (2) Mc 12,28 .   (3) Mc 14,45 .   28  23  14      20  20 
2 part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes   (1) Mc 6,35 .   (2) Mc 10,2 .       23  6 17  11      16  16 
    111  40  71  49  62   63

Mc 12,28.4. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. των = tôn (van de) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (90) . Mc 12 (9) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,13 . (3) Mc 12,26 . (4) Mc 12,28 . (5) Mc 12,33 . (6) Mc 12,36 . (7) Mc 12,38 . (8) Mc 12,40 . (9) Mc 12,43 .

  lidw. mv. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  ΟΤ  ΝΤ  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  syn. ev.
13. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn 90  4 10  13  5178  4144  1034  178  90  119  98  166  267  116     

- bepaald lidw. Ned. : de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 12,28.3. - 4. εἱς των = heis tôn (één van de) . LXX (19) . NT (15) . Mc (5) : (1) Mc 5,22 . (2) Mc 6,15 . (3) Mc 12,28 . (4) Mc 13,1 . (5) Mc 14,10 .

Mc 12,28.5. gen. mann. mv. γραμματεων = grammateôn (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. γραμματευς = grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in het NT : grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in de LXX : grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in Mc : grammateus (schriftgeleerde) . Mc (8) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 7,1 .  (3) Mc 8,31 . (4) Mc 12,28 . (5) Mc 12,38 . (6) Mc 14,43 .  (7) Mc 15,1 . (8) Mc 15,31 .  

  grammateus (schriftgeleerde) Mc   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 14 Mc 15 bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. 
1 nom. + voc. enk. grammateus 1                 (1) Mc 12,32 .       29 24 5 2 1     1 1
5 nom. + voc. + acc. mv. grammateis 11 (1) Mc 1,22 .   (2) Mc 2,16 .   (3) Mc 3,22 .   (4) Mc 7,5 .     (5) Mc 9,11 . (6) Mc 9,14 .     (7) Mc 11,18 . (8) Mc 11,27 .   (9) Mc 12,35 . (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,53 .     61 22 39 14 11 11 1 2  
6 gen. mv. grammateôn 8   (1) Mc 2,6 .     (2) Mc 7,1 .   (3) Mc 8,31 .         (4) Mc 12,28 . (5) Mc 12,38 .   (6) Mc 14,43 .   (7) Mc 15,1 . (8) Mc 15,31 .   20 3 17 5 8 3   1  
7 dat. mv. grammateusin 1             (1) Mc 10,33 .           5 3 2 1 1        
  Totaal   21 140 77 63 22 21 14 1 3 1

Mc 12,28.3. - 5. εἱς των γραμματεων = heis tôn grammateôn (één van de schriftgeleerden) . Bijbel = NT (1) : Mc 12,28 .

Mc 12,28.6. act. part. aor. nom. mann. enk. ακουσας = akousas (gehoord) van het werkw. ακουω = akouô (horen) . Taalgebruik in het NT : akouô (horen) . Taalgebruik in de Septuaginta : akouô (horen) . Taalgebruik in Lc : akouô (horen) . Taalgebruik in Hnd : akouô (horen) . Bijbel (54) . OT (21) . NT (33) . Mt (8) : (1) Mt 2,3 (+ de) . (2) Mt 2,22 (+ de) . (3) Mt 4,12 (+ de) . (4) Mt 8,10 (+ de) . (5) Mt 9,12 . (6) Mt 11,2 . (7) Mt 14,13 . (8) Mt 19,22 (+ de) . Mc (5) : (1) Mc 2,17 . (2) Mc 6,16 (+ de) . (3) Mc 6,20 . (4) Mc 10,47 . (5) Mc 12,28 . Lc (8) : (1) Lc 6,49 . (2) Lc 7,3 . (3) Lc 7,9 . (4) Lc 8,50 . (5) Lc 14,15 . (6) Lc 18,22 . (7) Lc 18,36 . (8) Lc 23,6 . Een vorm van ακουω = akouô (horen) in de LXX (1069) , in het NT (427) , in Lc (58) .
- Hebreeuws . act. part. nom. mann. enk. שֹׁמֵעַ = sjome`a (luisterend) van het werkw. שָׁמַע = sjâma` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâma` (horen, luister Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 ; 50 (2 X 5²) of 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 3 - 4 - 7 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (30) .
- Horen en oor zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . D. hören .

Mc 12,28.7. pers. voornaamw. gen. mv. αυτων = autôn van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (37) . Mc 12 (3) :

  autoi (mv.) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
6. gen. mv.autôn  3701  3203  498  93  37  94  31  87  91  65  224  255 
  totaal  7770  6306  1464  250  196  285  155  269  200  109  731  886 

  autoi  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
6 gen. mv.autôn  37      3701  3203  498  93  37  94  31  87  91  65  224  255 

Mc 12,28.8.

Mc 12,28.9. act. part. aor. nom. mann. enk. ιδων = idôn (gezien) van het werkw. ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Taalgebruik in de LXX : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . Mt (12) : (1) Mt 2,16 . (2) Mt 3,7 . (3) Mt 5,1 . (4) Mt 8,18 . (5) Mt 9,2 . (6) Mt 9,4 . (7) Mt 9,22 . (8) Mt 9,23 . (9) Mt 9,36 . (10) Mt 21,19 . (11) Mt 27,3 . (12) Mt 27,24 . Mc (12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,25 . (8) Mc 10,14 . (9) Mc 11,13 . (10) Mc 12,28 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 15,39 . Met Jezus als onderwerp . Mc (7 / 12 . expliciet : 4 / 12 , impliciet : 3 / 12) . Expliciet (4 / 12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 9,25 . (3) Mc 10,14 . (4) Mc 12,34 . Impliciet (3 / 12) : (1) Mc 6,48 . (2) Mc 8,33 . (3) Mc 11,13 . Andere (5 / 12) : (1) Mc 5,6 (bezetene) . (2) Mc 5,22 (Jaïrus) . (3) Mc 9,20 (onreine geest) . (4) Mc 12,28 (een schriftgeleerde) . (5) Mc 15,39 (centurio) . Lc (20) : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 7,13 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,28 . (8) Lc 10,31 . (9) Lc 10,32 . (10) Lc 10,33 . (11) Lc 11,38 . (12) Lc 13,12 . (13) Lc 17,14 . (14) Lc 17,15 . (15) Lc 18,24 . (16) Lc 18,43 . (17) Lc 19,41 . (18) Lc 22,58 . (19) Lc 23,8 . (20) Lc 23,47 . ειδον / ειδεν = eidon / eiden in het NT (336) .

  zien  Mc Mc 2 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 15 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  part. aor. nom. mann. enk. idôn  12  (1) Mc 2,5 (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 .   (5) Mc 8,33 .   (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,25 .   (8) Mc 10,14 .   (9) Mc 11,13 .   (10) Mc 12,28 . (11) Mc 12,34 .   (12) Mc 15,39 106  45  61  12  12  20  12  44  47   

- Hebreeuws : w-j-r-´ : (1) prefix verbindingswoord wë + act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיַּרְא = wajjarë´ (en hij zag) . (2) prefix verbindingswoord wë + pass. nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיֵּרָא = wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) . (3) prefix verbindingswoord wë + hifil imperf. derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיַּרְא = wajjarë´ van het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Het is een verkorte vorm , zie Joüon 79i . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Taalgebruik in Genesis : râ´âh (zien) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (19) .
- Ned. : zien . Arabisch : رَاهَ = ra´â (zien) . Taalgebruik in de Qoran : ra´â (zien) . D. : sehen , schauen . E. : to see . Fr. : voir . Gr. : ειδεν = eiden (hij zag) < stam wid- . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) . Hebreeuws : רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Lat. : videre . Indogermaans : weid -> Ned. : weten . Sanskriet : veda . Latijn : videre .

Mc 12,28.10. ὁτι = hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het ΝΤ : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in de LXX : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) . Mc (92) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,7 . (3) Mc 12,12 . (4) Mc 12,14 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,26 . (7) Mc 12,28 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,32 . (10) Mc 12,34 . (11) Mc 12,35 . (12) Mc 12,43 .

hoti ( dat , omdat )   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel ΟΤ ΝΤ Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  92  12  10  4396  3213  1183  137  92  160  237  114  389  54  389  626 

- Hebreeuws : כִּי = kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Taalgebruik in Dt : kî (want, omdat) . Getalswaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Structuur : 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (3849) . Pentateuch (884) . Eerdere Profeten (726) . Latere Profeten (841) . 12 Kleine Profeten (241) . Geschriften (1157) . Dt (235) . Dt 4 (14) : (1) Dt 4,3 . (2) Dt 4,6 . (3) Dt 4,7 . (4) Dt 4,15 . (5) Dt 4,22 . (6) Dt 4,24 . (7) Dt 4,25 . (8) Dt 4,26 . (9) Dt 4,29 . (10) Dt 4,31 . (11) Dt 4,32 . (12) Dt 4,35 . (13) Dt 4,37 . (14) Dt 4,39 .
- כִּי = kî (want, omdat) < een woord met 1 medeklinker . De lange î is î gebleven omdat het een proclitisch woord is . Proclitisch wil zeggen dat een eenlettergrepig onbeklemtoond woord wordt gehecht aan het volgende (Lettinga(6) 13d) .

Mc 12,28.11. καλως = kalôs (goed) . Bijwoord . Taalgebruik in het NT : kalôs (goed) . Taalgebruik in de LXX : kalôs (goed) . Taalgebruik in Mc : kalôs (goed) . Mc (6) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,9 . (3) Mc 7,37 . (4) Mc 12,28 . (5) Mc 12,32 . (6) Mc 16,18 .

kalôs (goed)   Mc 7 Mc 12 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,9 .  (3) Mc 7,37 . (4) Mc 12,28 .  (5) Mc 12,32 . (6) Mc 16,18 .   65  29  36  18    12  16  13 

Mc 12,28.12. ind. aor. 3de pers. enk. απεκριθη = apekrithè (hij antwoordde) van het werkw. αποκρινομαι = apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het NT : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in de LXX : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in Mc : apokrinomai (antwoorden) . Mc (7) : (1) Mc 7,28 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 12,28 . (4) Mc 12,29 . (5) Mc 12,34 . (6) Mc 15,5 . (7) Mc 15,9 . Een vorm van αποκρινομαι = apokrinomai (antwoorden) in de LXX (277) , in het NT (231) , in Mt (55) , in Mc (30) , in Lc (46) , in Joh (78) .

  apokrinomai (antwoorden)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Apk syn.  ev. 
ind. aor. 3de pers. enk. apekrithè               (1) Mc 7,28 .     (2) Mc 9,17 .       (3) Mc 12,28 . (4) Mc 12,29 . (5) Mc 12,34 .       (6) Mc 15,5 . (7) Mc 15,9 .     176  94  82  57  11  13  70 

Mc 12,28.13. dat. mann. en onz. mv. αυτοις = autois van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (117) . Mc 12 (8) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,15 . (3) Mc 12,16 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,28 . (7) Mc 12,43 . (8) Mc 12,44 .

  autoi  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
7 dat. mann. en onz. mv.autois  117  10  13 10  12  13  1722  1180  542  101  117  89  97  75  47  16  307  404 

Mc 12,28.14. act. ind. aor. 3de pers. enk. επηρωτησεν = epèrôtèsen (hij ondervroeg) van het werkw. επερωταω = eperôtaô ( 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) . Taalgebruik in het NT : eperotaô (epi - erôtaô) . Taalgebruik in de LXX : eperotaô (epi - erôtaô) . NT (16) . Mt (3) : (1) Mt 22,35 . (2) Mt 22,41 . (3) Mt 27,11 // Mc 15,2 . Mc (6) : (1) Mc 9,16 . (2) Mc 9,21 . (3) Mc 12,28 . (4) Mc 14,60 . (5) Mc 15,2 // Mt 27,11 . (6) Mc 15,44 . Lc (5) : (1) Lc 8,30 . (2) Lc 9,18 . (3) Lc 18,18 . (4) Lc 18,40 . (5) Lc 23,6 . Joh (1) : Joh 18,7 . Hnd (1) Hnd 5,27 . Het betreft o.a. de ondervraging van Jezus door de hogepriester en door Pilatus : (1) Mt 27,11 // Mc 15,2 . (2) Mc 14,60 . (3) Mc 15,2 // Mt 27,11 . In Hnd 5,27 ondervroeg de hogepriester Petrus en Johannes . Een vorm van επερωταω = eperôtaô ( 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) in de LXX (75) , in het NT (56) , in Mt (8) , in Mc (25) , in Lc (17) .

  eperôtaô   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. epèrôtèsen  32  16  16      14  15     

Mc 12,28.15. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (146) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,3 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,8 . (6) Mc 12,12 . (7) Mc 12,13 . (8) Mc 12,18 . (9) Mc 12,28 . (10) Mc 12,33 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
4 acc. mann. enk. auton   146  11  12  12  16  12  14  17  2872  2032  840  114  146  184  154  136  85  21  598  752 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 12,28.14. - 15. επηρωτησεν αυτον = epèrôtèsen auton (hij ondervroeg hem) . NT (9) : (1) Mt 27,11 // Mc 15,2 . (2) Mc 12,28 . (3) Mc 15,2 // Mt 27,11 . (4) Mc 15,4 (variante lezing) . (5) Mc 15,44 . (6) Lc 8,30 . (7 Lc 18,18 . (8) Lc 18,40 . (9) Lc 23,3 (variante lezing) .

Mc 12,28.17. act. ind. praes. 3de pers. enk. εστιν = estin van het werkw. ειμι = eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Een vorm van ειμι = eimi (zijn) in de LXX (6947) , in het NT (2450) , in Mc (192)

eimi (zijn) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
estin  69  (1) : Mc 1,27 . (4) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,9 . (3) Mc 2,19 . (4) Mc 2,28 (4) : (1) (3) : (1) Mc 4,22 . (2) Mc 4,26 . (3) Mc 4,41 . (2) : (6) : 6 : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,4 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,27 . (6) Mc 7,34 .   (0) (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,21. (5) Mc 9,39 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,42 . (8) Mc 9,43 . (9) Mc 9,45 . (10) Mc 9,47 .   (7) (1) Mc 10,14 . (2) Mc 10,24 . (3) Mc 10,25 . (4) Mc 10,29 . (5) Mc 10,40 . (6) Mc 10,43 . (7) Mc 10,47 .   (0) (11) : (3) : (7) : (4) : (1) : 2371  1558  813  114  69  96  147  66  296  25         

- werkw. Ned. : zijn . Arabisch : كانَ = kâna (zijn) . Taalgebruik in de Qoran : kâna (zijn) . D. : sein . E. : to be . E. : to be . Grieks : ειμι = eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Hebreeuws : הָיָה = hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Lat. : esse .

Mc 12,28.20. gen. mann. , vr. en onz. mv. παντων = pantôn (van allen /alles) van het bijvoegl. naamw. πας = pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in de LXX : pas (ieder, elk, alles) . Mc (10) : (1) Mc 2,12 . (2) Mc 4,31 . (3) Mc 4,32 . (4) Mc 9,35 . (5) Mc 10,44 . (6) Mc 12,22 . (7) Mc 12,28 . (8) Mc 12,33 . (9) Mc 12,43 . (10) Mc 13,13 . Een vorm van πας = pas (ieder, al) in Mc in 66 verzen .

  pas (al) Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  O.T.  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
12 gen. mv. pantôn 10    (1) Mc 2,12 .     2 : (1) Mc 4,31 . (2) Mc 4,32 .       (1) Mc 9,35 . (1) Mc 10,44 .     4 : (1) Mc 12,22 . (2) Mc 12,28 . (3) Mc 12,33 . (4) Mc 12,43 . (1) Mc 13,13 .       443 317 126 10  17 22 65  32  35 

Mc 12,29 - Mc 12,29 : 293. Vraag naar het eerste gebod - Mc 12,28-34 - Mt 22,34-40 - Lc 20,39-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,28 - Mc 12,29 - Mc 12,30 - Mc 12,31 - Mc 12,32 - Mc 12,33 - Mc 12,34 -
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
29apekrithè o ièsous oti prôtè estin, akoue, israèl, kurios o theos èmôn kurios eis estin,  29 Iesus autem respondit ei quia primum omnium mandatum est audi Israhel Dominus Deus noster Deus unus es      29 En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israël! de Heere, onze God, is een enig Heere.   [29] Jezus antwoordde: ‘Het eerste is dit: Luister Israël*, de Heer onze God is de enige Heer;   [29] Jezus antwoordde: ‘Het voornaamste is: “Luister, Israël! De Heer, onze God, is de enige Heer;   29 Jezus antwoordt: het eerste is ‘hoor, Israël, de Heer is onze God, de Heer is één;   29. Jésus répondit : « Le premier c'est : Écoute, Israël, le Seigneur notre Dieu est l'unique Seigneur, 

King James Bible . [29] And Jesus answered him, The first of all the commandments is, Hear, O Israel; The Lord our God is one Lord:
Luther-Bibel . 29 Jesus aber antwortete ihm: Das höchste Gebot ist das: »Höre, Israel, der Herr, unser Gott, ist der Herr allein,

Tekstuitleg van Mc 12,29 .

Mc 12,29.1. ind. aor. 3de pers. enk. απεκριθη = apekrithè (hij antwoordde) van het werkw. αποκρινομαι = apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het NT : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in de LXX : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in Mc : apokrinomai (antwoorden) . Mc (7) : (1) Mc 7,28 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 12,28 . (4) Mc 12,29 . (5) Mc 12,34 . (6) Mc 15,5 . (7) Mc 15,9 . Een vorm van αποκρινομαι = apokrinomai (antwoorden) in de LXX (277) , in het NT (231) , in Mt (55) , in Mc (30) , in Lc (46) , in Joh (78) .

  apokrinomai (antwoorden)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Apk syn.  ev. 
ind. aor. 3de pers. enk. apekrithè               (1) Mc 7,28 .     (2) Mc 9,17 .       (3) Mc 12,28 . (4) Mc 12,29 . (5) Mc 12,34 .       (6) Mc 15,5 . (7) Mc 15,9 .     176  94  82  57  11  13  70 

Mc 12,29.2. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc (219) . Mc 12 (16) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,20 . (7) Mc 12,21 . (8) Mc 12,24 . (9) Mc 12,26 . (10) Mc 12,29 . (11) Mc 12,32 . (12) Mc 12,34 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 12,41 . (16) Mc 12,42 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- bepaald lidw. de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 12,29.3. nom. mann. enk. ιησους = ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in de LXX : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) . Mc (57) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,17 . (2) Mc 12,24 . (3) Mc 12,29 . (4) Mc 12,34 . (5) Mc 12,35 . Een vorm van ièsous (Jezus) in Mc in 81 verzen .

  Ièsous (Jezus)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
1 nom. mann. enk. Ièsous 57 4 4 1   3 1   1 5 16 4 5 2 7 3 1 604  149  455  110 57 55 194 10 28 1 222 416
  totaal 81 6 5 1   8 2   1 8 18 6 5 2 11 6 2 1115  223  892  150 81 87 238 69 255 12 318 556

  Ièsous (Jezus)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
1 nom. mann. enk. Ièsous 57 4 : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,17 . (4) Mc 1,25 . 4 : : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . 1 : Mc 3,7 .   3 : (1) Mc 5,20 . (2) Mc 5,30 . (3) Mc 5,36 . 1 : Mc 6,4 . 1 : Mc 8,27 . 5 : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,23 . (3) Mc 9,25. (4) Mc 9,27 . (5) Mc 9,39 . 16 : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,18 . (4) Mc 10,21 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,29 . (9) Mc 10,32 . (10) Mc 10,38 . (11) Mc 10,39 . (12) Mc 10,42 . (13) Mc 10,47 . (14) Mc 10,49 . (15) Mc 10,51 . (16) Mc 10,52 . 4 : (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,22 . (3) Mc 11,29 . (4) Mc 11,33 . 5 : (1) Mc 12,17 . (2) Mc 12,24 . (3) Mc 12,29 . (4) Mc 12,34 . (5) Mc 12,35 . 2 : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . 7 : (1) Mc 14,6 . (2) Mc 14,18 . (3) Mc 14,27 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,48 . (6) Mc 14,62 . (7) Mc 14,72 . 3 : (1) Mc 15,5 . (2) Mc 15,34 . (3) Mc 15,37 . 1 : Mc 16,19 .
  totaal 81 6 5 1   8 2 1 8 18 6 5 2 11 6 2

Mc 12,29.2. - 3. ὁ ιησους = ho ièsous (Jezus) . Mc (44) : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 1,17 . (3) Mc 1,25 . (4) Mc 2,5 . (5) Mc 2,8 . (6) Mc 2,17 . (7) Mc 2,19 . (8) Mc 3,7 . (9) Mc 5,13 . (10) Mc 5,20 . (11) Mc 5,30 . (12) Mc 6,4 . (13) Mc 6,34 . (14) Mc 8,1 . (15) Mc 8,17 . (16) Mc 8,27 . (17) Mc 9,2 . (18) Mc 9,25.. (19) Mc 10,5 . (20) Mc 10,14 . (21) Mc 10,23 . (22) Mc 10,27 . (23) Mc 10,29 . (24) Mc 10,32 . (25) Mc 10,49 . (26) Mc 10,51 . (27) Mc 11,6 . (28) Mc 11,11 . (29) Mc 11,14 . (30) Mc 11,15 . (31) Mc 11,33 . (32) Mc 12,17 . (33) Mc 12,24 . (34) Mc 12,34 . (35) Mc 12,35 . (36) Mc 12,41 . (37) Mc 13,2 .(38) Mc 14,18 . (39) Mc 14,22 . (40) Mc 14,27 . (41) Mc 14,30 . (42) Mc 14,48 . (43) Mc 14,72 . (44) Mc 15,34 .

Mc 12,29.1. - 3. kai apokritheis ho ièsous (en Jezus beantwoord) . Mc (3) : (1) Mc 11,22 . (2) Mc 12,35 . (3) Mc 14,48 .

Mc 12,29.4. ὁτι = hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het ΝΤ : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in de LXX : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) . Mc (92) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,7 . (3) Mc 12,12 . (4) Mc 12,14 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,26 . (7) Mc 12,28 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,32 . (10) Mc 12,34 . (11) Mc 12,35 . (12) Mc 12,43 .

hoti ( dat , omdat )   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel ΟΤ ΝΤ Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  92  12  10  4396  3213  1183  137  92  160  237  114  389  54  389  626 

- Hebreeuws : כִּי = kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Taalgebruik in Dt : kî (want, omdat) . Getalswaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Structuur : 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (3849) . Pentateuch (884) . Eerdere Profeten (726) . Latere Profeten (841) . 12 Kleine Profeten (241) . Geschriften (1157) . Dt (235) . Dt 4 (14) : (1) Dt 4,3 . (2) Dt 4,6 . (3) Dt 4,7 . (4) Dt 4,15 . (5) Dt 4,22 . (6) Dt 4,24 . (7) Dt 4,25 . (8) Dt 4,26 . (9) Dt 4,29 . (10) Dt 4,31 . (11) Dt 4,32 . (12) Dt 4,35 . (13) Dt 4,37 . (14) Dt 4,39 .
- כִּי = kî (want, omdat) < een woord met 1 medeklinker . De lange î is î gebleven omdat het een proclitisch woord is . Proclitisch wil zeggen dat een eenlettergrepig onbeklemtoond woord wordt gehecht aan het volgende (Lettinga(6) 13d) .

Mc 12,29.7. Hebreeuws : act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. שְׁמַע = sjëma` (hoor, luister) van het werkw. שָׁמַע = sjâmâ` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâm`â (horen, luisteren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 . Totaal : 50 (2 X 5²) of 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 3 - 4 - 7 . De som van de elementen is telkens 5 . Dt (6) : (1) Dt 4,1 . (2) Dt 5,1 . (3) Dt 6,4 . (4) Dt 9,1 . (5) Dt 20,3 . (6) Dt 33,7 . sj-m-` . Tenakh (169) . Pentateuch (42) . Gn (14) . Ex (11) . Lv (3) . Dt (14) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (36) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (55) .
- Grieks : act. imperat. 2de pers. enk. ακουε = akoue (hoor, luister) van het werkw. ακουω = akouô (horen) . Taalgebruik in het NT : akouô (horen) . Taalgebruik in de Septuaginta : akouô (horen) . LXX (46) . Gn (1) : Gn 21,12 . Num (1) : Nu 23,18 . Dt (7) : (1) Dt 4,1 . (2) Dt 5,1 . (3) Dt 6,4 . (4) Dt 9,1 . (5) Dt 12,28 . (6) Dt 20,3 . (7) Dt 27,9 . NT (1) : Mc 12,29 . Een vorm van ακουω = akouô (horen) in het NT (427) , in de LXX (1069) .
- act. imperat. praes. 2de pers. enk. ακουετε = akouete (hoort) van het werkw. ακουω = akouô (horen) . Taalgebruik in het NT : akouô (horen) . Taalgebruik in de Septuaginta : akouô (horen) . Bijbel (28) . LXX (9) : o.a. Js 28,23 . Js 36,16 . NT (19) . Mt (5) : (1) Mt 10,27 . (2) Mt 11,4 . (3) Mt 13,17 . (4) Mt 15,10 . (5) Mt 17,5 . Mc 4 (2) : (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,24 . Lc (3) : (1) Lc 8,18 . (2) Lc 9,35 . (3) Lc 10,24 .
- Ned. : horen . Horen en oor zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ους = ous / ως= ôs , ωτις = ôtis . Lat. : auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Arabisch : سَمِعَ = sami`a (luisteren, horen) . Taalgebruik in de Qoran : sami`a (luisteren, horen) . D. hören . E. : to hear . Fr. : écouter . Grieks : ακουω = akouô (horen) . Taalgebruik in het NT : akouô (horen) . Hebreeuws : שָׁמַע = sjâmâ` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâm`â (horen, luisteren) .
- Horen veronderstelt een lijdend voorwerp . Horen kan verwijzen naar iets dat voorafging of het kan gevolgd worden door een object of een objectzin .

Mc 12,29.8. Hebreeuws : יִשְׂרָאֵל = jishërâ´el (Israël) . Getalswaarde : jod = 10 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 , lameth = 12 of 30 ; totaal : 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Structuur : 1 - 3 - 2 - 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 1 . De eigennaam is samengesteld uit een werkwoordvorm en een zelfst. naamw. : act. ind. imperf. 3de pers. mann. enk. יִשְׂרָה = jishrâ´ (hij strijdt) van het werkw. שָׂרָה = shârâh (strijden) + אֵל = ´el (God) : God strijdt . In Gn 32,29 wordt de naam Israël verklaard als : hij streed met God en met mensen . Dat gebeurt in het verhaal van de nachtelijke strijd van Jakob aan de Jabbok . Dt (55) . Dt 4 (4) : (1) Dt 4,4 . (2) Dt 4,44 . (3) Dt 4,45 . (4) Dt 4,46 . Dt 5 (1) : Dt 5,1 (2X) . Dt 6 (2) : (1) Dt 6,3 . (2) Dt 6,4 . Dt 9 (1) : Dt 9,1 . Dt 10 (2) : (1) Dt 10,6 . (2) Dt 10,12 . Dt 20 (1) : Dt 20,3 .

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt  
  2044 502 765 350 89 337 36 157 58 196 55  

- Grieks : ισραηλ = israèl (Israël) . Taalgebruik in de LXX : Israèl (Israël) . Taalgebruik in het NT : Israèl (Israël) . Bijbel (2392) . NT (64) . Mc (2) : (1) Mc 12,29 . (2) Mc 15,32 .

Mc 12,29.7. - 8. שְׁמַע יִשְׂרָאֵל = sjëma` jishërâ´el ((luister / hoor Israël) . Tenakh (4) : (1) Dt 5,1 . (2) Dt 6,4 . (3) Dt 9,1 . (4) Dt 20,3 .
- יִשְׂרָאֵל שְׁמַע = ishërâ´el sjëma` (Israël , luister) . Tenakh (2) : (1) Dt 4,1 . (2) 1 S 23,10 .
- In Dt 4,1 staat de uitdrukking aan het begin van de grote redevoering (Dt 4-11) . In Dt 5,1 opent het het hoofdstuk met de tien geboden . In Dt 6,4 opent het de hoofdsectie (Dt 6,4-7,11) . In Dt 9,1 opent het de pericope binnen de grotere concentrische opbouw van Dt 4-11 .
- ακουε ισραηλ = akoue israèl (hoor, luister Israël) . LXX (6) : (1) Dt 5,1 . (2) Dt 6,4 . (3) Dt 9,1 . (4) Dt 20,3 . (5) Dt 27,9 . (6) Bar 3,9 . NT (1) : Mc 12,29 .

Mc 12,29.9. יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenach : JHWH . Taalgebruik in Exodus : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenach (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Dt (413) . Dt 6 (18/25) . Niet in : Dt 6,6-9 . Verder niet in : (1) Dt 6,11 . (2) Dt 6,14 . (3) Dt 6,23 . De stam יהוה = JHWH komt voor in Tenakh (9743) .

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt
´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 31 0 7 29
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 287 413

- Grieks . κυριος = kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Taalgebruik in de LXX : kurios (heer) . Een vorm van kurios (heer) in de Septuaginta (8591) , in het NT (718) .
- Ned. : Heer . Arabisch : رَب = rabb (God, Heer) . Taalgebruik in de Qoran : rabb (God, Heer) . Aramees : יוי = JWJ . D. : Herr . E. : Lord . Fr. : seigneur . Grieks : κυριος = kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Hebreeuws : יהוה = JHWH . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Latijn : Dominus . (Eerste medeklinker Gr. k , Ned. + D. h ; tweede medeklinker : Gr. + Ned. + D. : r ) .
- Sabbah Messod & Roger , Les secrets de l'Exode , Jean-Cyrille Godefroy , 2000 , p.93-96 . Op deze blz. wordt een verband tussen anokhi Adonai (ik de Heer) en farao Achnaton gelegd . De uitspraak van JHWH is Adonai , waarin we het Egyptische Aton , de zonneschijf , zien .

Mc 12,29.10. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 12 (16) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,20 . (7) Mc 12,21 . (8) Mc 12,24 . (9) Mc 12,26 . (10) Mc 12,29 . (11) Mc 12,32 . (12) Mc 12,34 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 12,41 . (16) Mc 12,42 .

Mc 12,29.10. - 12. אֱלֹהֵינוּ = ´è:lohe(j)nû (onze God) < stat. constr. + suffix bezittelijk voornaamw. 1ste pers. mv . van het zelfst. naamw. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalswaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´el . Getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (164) . Pentateuch (29) . Eerdere Profeten (20) . Latere Profeten (29) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (82) .Gn (0) . Ex (7) . Lv (0) . Nu (0) . Dt (22) : (1) Dt 1,6 . (2) Dt 1,19 . (3) Dt 1,20 . (4) Dt 1,25 . (5) Dt 1,41 . (6) Dt 2,29 . (7) Dt 2,33 . (8) Dt 2,36 . (9) Dt 2,37 . (10) Dt 3,3 . (11) Dt 4,7 . (12) Dt 5,2 . (13) Dt 5,24 . (14) Dt 5,25 . (15) Dt 5,27 (2X) . (16) Dt 6,4 . (17) Dt 6,20 . (18) Dt 6,24 . (19) Dt 6,25 . (20) Dt 29,14 . (21) Dt 29,14 . (22) Dt 29,17 . Eerdere Profeten (20) : (1) Joz 18,6 . (2) Joz 22,19 . (3) Joz 22,29 . (4) Joz 24,17 . (5) Joz 24,18 . (6) Joz 24,24 . (7) Re 10,10 . (8) Re 11,24 . (9) Re 16,23 . (10) Re 16,24 . (11) 1 S 5,7 . (12) 1 S 7,8 . (13) 2 S 10,12 . (14) 2 S 22,32 . (15) 1 K 8,57 . (16) 1 K 8,59 . (17) 1 K 8,61 . (18) 1 K 8,65 . (19) 2 K 18,22 . (20) 2 K 19,19 . De stam van אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt voor in Tenakh (2658) .

Mc 12,29.9. - 12. הוה אֱלֹהֵינוּ = JHWH ´è:lohe(j)nû (JHWH, onze God) . Tenakh (85) . Pentateuch (21) . Ex (1) Ex 10,26 . Dt (20/22) : (1) Dt 1,6 . (2) Dt 1,19 . (3) Dt 1,20 . (4) Dt 1,25 . (5) Dt 1,41 . (6) Dt 2,29 . (7) Dt 2,33 . (8) Dt 2,36 . (9) Dt 2,37 . (10) Dt 3,3 . (11) Dt 5,2 . (12) Dt 5,24 . (13) Dt 5,25 . (14) Dt 5,27 (2X) . (15) Dt 6,4 . (16) Dt 6,20 . (17) Dt 6,24 . (18) Dt 6,25 . (19) Dt 29,14 . (20) Dt 29,17 . Eerdere Profeten (13) : (1) Joz 18,6 . (2) Joz 22,19 . (3) Joz 22,29 . (4) Joz 24,17 . (5) Joz 24,24 . (6) Re 11,24 . (7) 1 S 7,8 . (8) 1 K 8,57 . (9) 1 K 8,59 . (10) 1 K 8,61 . (11) 1 K 8,65 . (12) 2 K 18,22 . (13) 2 K 19,19 . Dus : 10X in Dt 1-3 , 10X in in Dt 4-26 (volgens Labuschagne , Deuteronomium (1993) , blz. 17) , wellicht is het Dt 4- 30.
- Vooreerst beklemtoont de auteur wie de God van Israël is , nl. JHWH . Israël moet er dus geen andere goden op nahouden .

Mc 12,29.13. יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenach : JHWH . Taalgebruik in Exodus : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenach (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Dt (413) . Dt 6 (18/25) . Niet in : Dt 6,6-9 . Verder niet in : (1) Dt 6,11 . (2) Dt 6,14 . (3) Dt 6,23 . De stam יהוה = JHWH komt voor in Tenakh (9743) .

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt
´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 31 0 7 29
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 287 413

- Grieks . κυριος = kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Taalgebruik in de LXX : kurios (heer) . Een vorm van kurios (heer) in de Septuaginta (8591) , in het NT (718) .
- Ned. : Heer . Arabisch : رَب = rabb (God, Heer) . Taalgebruik in de Qoran : rabb (God, Heer) . Aramees : יוי = JWJ . D. : Herr . E. : Lord . Fr. : seigneur . Grieks : κυριος = kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Hebreeuws : יהוה = JHWH . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Latijn : Dominus . (Eerste medeklinker Gr. k , Ned. + D. h ; tweede medeklinker : Gr. + Ned. + D. : r ) .
- Sabbah Messod & Roger , Les secrets de l'Exode , Jean-Cyrille Godefroy , 2000 , p.93-96 . Op deze blz. wordt een verband tussen anokhi Adonai (ik de Heer) en farao Achnaton gelegd . De uitspraak van JHWH is Adonai , waarin we het Egyptische Aton , de zonneschijf , zien .

Mc 12,29.14. - 15. אֶחָד = èchâd / ´achad (één) . Taalgebruik in Tenakh : ´èchâd (één) . Getalswaarde : aleph = 1 , chet = 8 , daleth = 4 . Totaal : 13 . Structuur : 1 - 8 - 4 . De som van de elementen is telkens 4 . God is één of 13 . Tenakh (400) . Pentateuch (150) . Eerdere Profeten (111) . Latere Profeten (68) . 12 Kleine Profeten (12) . Geschriften (59) . Dt (9) : (1) Dt 1,2 . (2) Dt 1,23 . (3) Dt 6,4 . (4) Dt 17,6 . (5) Dt 19,15 . (6) Dt 25,5 . (7) Dt 28,7 . (8) Dt 28,25 . (9) Dt 32,30 .
- De betekenis kan verrijkt worden vanuit Gn 22,2 : יְחִידֶךָ = jëchîdèkhâ (jouw enige) < prefix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. + bijvoegl. naamw. יָחִיד = jâchîd (enig, eenzaam, verlaten) . Taalgebruik in Tenakh : jâchîd (enig, eenzaam, verlaten) . Tenakh (3) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,12 . (3) Gn 22,16 . In jâchîd zitten de medeklinkers j-ch-d zoals in ´èchad (één) . jâchîd en jâlad (verwekken, baren) verschillen slechts in de middelste medeklinker (wat de medeklinkers betreft) ; bij vermenging van de 2 krijg je in het lat. uni-genitus (enig-geboren) . jâchîd en ´âhabh (beminnen) kunnen ook dicht bij elkaar liggen : jod en alelph zijn gemakkelijk verwisselbaar ; de ch en de h liggen dicht bij elkaar ; slechts de laatste medeklinker verschilt van elkaar : d en bh . Het Griekse agapaô benadert de klank van het Hebreeuwse ´âhabh ; allereerst de a , vervolgens de g en de h , tenslotte de p en de b . Zo kan jâchîd (enig) naar het Griekse agapètos (beminde) vertaald worden .
- Qatîlvorm : een naamw. met 3 medeklinkers en een lange klinker in de 2de lettergreep . Lettinga (12, 2012, 22e4) : "Arameïserende vormen : קְטִיל = qëtîl (vgl. Aram.pt. pass. qal = qatîl > qtîl) . Zie het Hebreeuwse werkw. יָחַד = jâchad (zich verenigen, zich aansluiten, zich verbinden met) . Taalgebruik in Tenakh : jâchad (zich verenigen, zich aansluiten, zich verbinden met) . יְחִידֶךָ = jëchîdèkhâ (jouw enige) kan dan betekenen : de met jou verenigde , de met jou verbondene .
- Grieks : acc. mann. enk. αγαπητον = agapèton van het bijvoegl. naamw. αγαπητος = agapètos (beminde, geliefde) . Zie het werkw. αγαπαω = agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in het NT : agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in de LXX : agapaô (liefhebben) . Bijbel (11) . LXX (4) : (1) Gn 22,2 . (2) Zach 12,10 . (3) Ps 38,21 . (4) Sir 15,13 . NT (7) : (1) Mc 12,6 . (2) Lc 20,13 . (3) Rom 16,5 . (4) Rom 16,8 . (5) Rom 16,9 . (6) 1 Kor 4,17 . (7) Film 1,16 . Een vorm van αγαπητος = agapètos (beminde, geliefde) in de LXX (24) , in het NT (61) .
- De Hebreeuwse passiefvorm werd in het Grieks vaak vertaald door de werkwoordvorm + τος = tos . αγαπη-τος = agapè-tos (beminde) ; χρισ-τος = chris-tos (gezalfde) ; κλη-τος = klè-tos (geroepene) .
- Lat. unigenitum (eniggeboren) . Bijbel (5) : (1) Gn 22,2 . (2) Zach 12,10 . (3) Joh 3,16 . (4) Heb 11,17 . (5) 1 Joh 4,9 . In het Grieks is de acc. mann. enk. μονογενη = monogenè (eniggeboren) van het bijvoegl. naamw. μονογενης = monogenès (eniggeboren) . Taalgebruik in het NT : monogenès (eniggeboren) . Taalgebruik in de LXX : monogenès (eniggeboren) . Bijbel (5) . LXX (2) : (1) Ps 22,21 . (2) Ps 35,17 . NT (3) : (1) Joh 3,16 . (2) Heb 11,17 . (3) 1 Joh 4,9 . In (1) Ps 22,21 . (2) Ps 35,17 is het Griekse μονογενη = monogenè (eniggeboren) de vertaling van het Hebreeuwse jâchîd (enig) . Ook in het Latijn wordt een passiefvorm gebruikt .

Mc 12,29.13. - 15. אֶחָד = èchâd / ´achad (één) . Taalgebruik in Tenakh : ´èchâd (één) . Getalswaarde : aleph = 1 , chet = 8 , daleth = 4 . Totaal : 13 . Structuur : 1 - 8 - 4 . De som van de elementen is telkens 4 . God is één of 13 . Tenakh (400) . Pentateuch (150) . Eerdere Profeten (111) . Latere Profeten (68) . 12 Kleine Profeten (12) . Geschriften (59) . Dt (9) : (1) Dt 1,2 . (2) Dt 1,23 . (3) Dt 6,4 . (4) Dt 17,6 . (5) Dt 19,15 . (6) Dt 25,5 . (7) Dt 28,7 . (8) Dt 28,25 . (9) Dt 32,30 .
- De betekenis kan verrijkt worden vanuit Gn 22,2 : יְחִידֶךָ = jëchîdèkhâ (jouw enige) < prefix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. + bijvoegl. naamw. יָחִיד = jâchîd (enig, eenzaam, verlaten) . Taalgebruik in Tenakh : jâchîd (enig, eenzaam, verlaten) . Tenakh (3) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,12 . (3) Gn 22,16 . In jâchîd zitten de medeklinkers j-ch-d zoals in ´èchad (één) . jâchîd en jâlad (verwekken, baren) verschillen slechts in de middelste medeklinker (wat de medeklinkers betreft) ; bij vermenging van de 2 krijg je in het lat. uni-genitus (enig-geboren) . jâchîd en ´âhabh (beminnen) kunnen ook dicht bij elkaar liggen : jod en alelph zijn gemakkelijk verwisselbaar ; de ch en de h liggen dicht bij elkaar ; slechts de laatste medeklinker verschilt van elkaar : d en bh . Het Griekse agapaô benadert de klank van het Hebreeuwse ´âhabh ; allereerst de a , vervolgens de g en de h , tenslotte de p en de b . Zo kan jâchîd (enig) naar het Griekse agapètos (beminde) vertaald worden .
- Qatîlvorm : een naamw. met 3 medeklinkers en een lange klinker in de 2de lettergreep . Lettinga (12, 2012, 22e4) : "Arameïserende vormen : קְטִיל = qëtîl (vgl. Aram.pt. pass. qal = qatîl > qtîl) . Zie het Hebreeuwse werkw. יָחַד = jâchad (zich verenigen, zich aansluiten, zich verbinden met) . Taalgebruik in Tenakh : jâchad (zich verenigen, zich aansluiten, zich verbinden met) . יְחִידֶךָ = jëchîdèkhâ (jouw enige) kan dan betekenen : de met jou verenigde , de met jou verbondene .
- Grieks : acc. mann. enk. αγαπητον = agapèton van het bijvoegl. naamw. αγαπητος = agapètos (beminde, geliefde) . Zie het werkw. αγαπαω = agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in het NT : agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in de LXX : agapaô (liefhebben) . Bijbel (11) . LXX (4) : (1) Gn 22,2 . (2) Zach 12,10 . (3) Ps 38,21 . (4) Sir 15,13 . NT (7) : (1) Mc 12,6 . (2) Lc 20,13 . (3) Rom 16,5 . (4) Rom 16,8 . (5) Rom 16,9 . (6) 1 Kor 4,17 . (7) Film 1,16 . Een vorm van αγαπητος = agapètos (beminde, geliefde) in de LXX (24) , in het NT (61) .
- De Hebreeuwse passiefvorm werd in het Grieks vaak vertaald door de werkwoordvorm + τος = tos . αγαπη-τος = agapè-tos (beminde) ; χρισ-τος = chris-tos (gezalfde) ; κλη-τος = klè-tos (geroepene) .
- Lat. unigenitum (eniggeboren) . Bijbel (5) : (1) Gn 22,2 . (2) Zach 12,10 . (3) Joh 3,16 . (4) Heb 11,17 . (5) 1 Joh 4,9 . In het Grieks is de acc. mann. enk. μονογενη = monogenè (eniggeboren) van het bijvoegl. naamw. μονογενης = monogenès (eniggeboren) . Taalgebruik in het NT : monogenès (eniggeboren) . Taalgebruik in de LXX : monogenès (eniggeboren) . Bijbel (5) . LXX (2) : (1) Ps 22,21 . (2) Ps 35,17 . NT (3) : (1) Joh 3,16 . (2) Heb 11,17 . (3) 1 Joh 4,9 . In (1) Ps 22,21 . (2) Ps 35,17 is het Griekse μονογενη = monogenè (eniggeboren) de vertaling van het Hebreeuwse jâchîd (enig) . Ook in het Latijn wordt een passiefvorm gebruikt .


Mc 12,30 - Mc 12,30 : 293. Vraag naar het eerste gebod - Mc 12,28-34 - Mt 22,34-40 - Lc 20,39-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,28 - Mc 12,29 - Mc 12,30 - Mc 12,31 - Mc 12,32 - Mc 12,33 - Mc 12,34 -
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
30kai agapèseis kurion ton theon sou ex olès tès kardias sou kai ex olès tès psuchès sou kai ex olès tès dianoias sou kai ex olès tès ischuos sou.  30 et diliges Dominum Deum tuum ex toto corde tuo et ex tota anima tua et ex tota mente tua et ex tota virtute tua hoc est primum mandatum      30 En gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod.   [30] u zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel, met heel uw verstand en met heel uw kracht.   [30] heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht.”   30 heb dan lief de Heer, je God, uit heel je hart, uit heel je ziel, uit heel je verstand en uit heel je kracht!’   30. et tu aimeras le Seigneur ton Dieu de tout ton cœur, de toute ton âme, de tout ton esprit et de toute ta force.  

King James Bible . [30] And thou shalt love the Lord thy God with all thy heart, and with all thy soul, and with all thy mind, and with all thy strength: this is the first commandment.
Luther-Bibel . 30 und du sollst den Herrn, deinen Gott, lieben von ganzem Herzen, von ganzer Seele, von ganzem Gemüt und von allen deinen Kräften« (5.Mose 6,4-5).

Tekstuitleg van Mc 12,30 .

 

Mc 12,30.4. bep. lidw. acc. mann. enk. τον = ton (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (124) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,12 . (4) Mc 12,30 . (5) Mc 12,31 . (6) Mc 12,33 . (7) Mc 12,44 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
8. acc. m. + onz. enk. ton 124  8 9 5 11 10 7 13 6 9 5 4 7 2 12 11 5 6202  4880  1322  167  124  191  197  244 338  61  482  679 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

 

Mc 12,30.7. ek - ex (uit) . Taalgebruik in het N.T. : ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc (38 + 20) . Mc 12 (3 + 2) : (1) Mc 12,25 . (2) Mc 12,36 . (3) Mc 12,44 . Mc (12) : (1) Mc 12,30 . (2) Mc 12,33 .

Mc 12,30.9. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (65) . Mc 12 (4) : (1) Mc 12,30 . (2) Mc 12,33 . (3) Mc 12,34 . (4) Mc 12,44 .

Mc 12,30.12. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 12,30.13. ek - ex (uit) . Taalgebruik in het N.T. : ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc (38 + 20) . Mc 12 (3 + 2) : (1) Mc 12,25 . (2) Mc 12,36 . (3) Mc 12,44 . Mc (12) : (1) Mc 12,30 . (2) Mc 12,33 .

Mc 12,30.15. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (65) . Mc 12 (4) : (1) Mc 12,30 . (2) Mc 12,33 . (3) Mc 12,34 . (4) Mc 12,44 .

Mc 12,30.16. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 12,30.19. ek - ex (uit) . Taalgebruik in het N.T. : ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc (38 + 20) . Mc 12 (3 + 2) : (1) Mc 12,25 . (2) Mc 12,36 . (3) Mc 12,44 . Mc (12) : (1) Mc 12,30 . (2) Mc 12,33 .

Mc 12,30.21. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (65) . Mc 12 (4) : (1) Mc 12,30 . (2) Mc 12,33 . (3) Mc 12,34 . (4) Mc 12,44 .

Mc 12,30.24. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 12,30.25. ek - ex (uit) . Taalgebruik in het N.T. : ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc (38 + 20) . Mc 12 (3 + 2) : (1) Mc 12,25 . (2) Mc 12,36 . (3) Mc 12,44 . Mc (12) : (1) Mc 12,30 . (2) Mc 12,33 .

Mc 12,30.27. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (65) . Mc 12 (4) : (1) Mc 12,30 . (2) Mc 12,33 . (3) Mc 12,34 . (4) Mc 12,44 .


Mc 12,30.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 12,30. (1. -) 2. וְאָהַבְתָּ = wë´âhabhëthâ (en jij bemint) < prefix verbindingswoord wë + act. qal perf. 2de pers. mann. enk. van het werkw. אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Taalgebruik in Tenakh : ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Getalswaarde : aleph = 1 , he = 5 , beth = 2 ; totaal : 8 (2³) . Structuur : 1 - 5 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tussen de aleph en de beth staat de he (aanblazen) . Het Hebreeuws en het Arabisch hebben dezelfde wortel : 'hb . Tenakh (4) : (1) Lv 19,18 . (2) Lv 19,34 . (3) Dt 6,5 . (4) Dt 11,1 . De stam אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben) komt voor in Tenakh (251) .
- וְאָהַבְתָּם = wë´âhabhëthèm (en jullie beminnen) < prefix verbindingswoord wë + act. qal perf. 2de pers. mann. mv. van het werkw. אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Taalgebruik in Tenakh : ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Getalswaarde : aleph = 1 , he = 5 , beth = 2 ; totaal : 8 (2³) . Structuur : 1 - 5 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tussen de aleph en de beth staat de he (aanblazen) . Het Hebreeuws en het Arabisch hebben dezelfde wortel : 'hb . Tenakh (1) : Dt 10,19 .
- act. qal perf. 2de pers. mann. enk. אָהַבְתָּ = ´âhabhëthâ (jij bemint) van het werkw. אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Taalgebruik in Tenakh : ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Getalswaarde : aleph = 1 , he = 5 , beth = 2 ; totaal : 8 (2²) . Structuur : 1 - 5 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tussen de aleph en de beth staat de he (aanblazen) . Het Hebreeuws en het Arabisch hebben dezelfde wortel : 'hb . Tenakh (6) : (1) Gn 22,2 . (2) Hos 9,1 . (3) Ps 45,8 . (4) Ps 52,5 . (5) Ps 52,6 . (6) Pr 9,9 .
- לאַהֲבָה = lë´ahäbhâh (om te beminnen) < prefix voorzetsel lë + werkwoordvorm qal inf. stat. construct. . Zie אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Taalgebruik in Tenakh : ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Getalwaarde : aleph = 1 , he = 5 , beth = 2 ; totaal : 8 (2²) . Structuur : 1 - 5 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (11) . Dt (7) : (1) Dt 10,15 . (2) Dt 11,13 . (3) Dt 11,22 . (4) Dt 19,9 . (5) Dt 30,6 . (6) Dt 30,16 . (7) Dt 30,20 .
- וּלאַהֲבָה = ûlë´ahäbhâh (en om te beminnen) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel lë + werkwoordvorm qal inf. stat. construct. . Zie אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Taalgebruik in Tenakh : ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Getalwaarde : aleph = 1 , he = 5 , beth = 2 ; totaal : 8 (2²) . Structuur : 1 - 5 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (2) : (1) Dt 10,12 . (2) Js 56,6 .
- Grieks . act. ind. futurum 2de pers. enk. αγαπησεις = agapèseis (jij bemint) van het werkw. αγαπαω = agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in het NT : agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in de LXX : agapaô (liefhebben) . Bijbel (14) : (1) Lv 19,18 . (2) Lv 19,34 . (3) Dt 6,5 . (4) Dt 11,1 . (5) Mt 5,43 . (6) Mt 19,19 . (7) Mt 22,37 . (8) Mt 22,39 . (9) Mc 12,30 . (10) Mc 12,31 . (11) Lc 10,27 . (12) Rom 13,9 . (13) Gal 5,14 . (14) Jak 2,8 . Een vorm van αγαπαω = agapaô in de LXX (283) , in het NT (141) , in Lc (13?) : (1) Lc 6,27 . (2) Lc 6,32 (2 vormen) . (3) Lc 6,35 . (4) Lc 7,5 . (5) Lc 7,42 . (6) Lc 7,47 . (7) Lc 10,27 . (8) Lc 11,43 . (9) Lc 16,13 . In de LXX kan een vorm van αγαπαω = agapaô de vertaling van 19 verschillende Hebreeuwse werkw. zijn . Vergelijk het Hebreeuws en Grieks werkw. : aleph - a , g - h , p - b .

  agapaô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. fut. 2de pers. enk. agapèseis   14  10       

- Latijn . act. ind. futurum 2de pers. enk. diliges (jij bemint) van het werkw. diligere (beminnen, liefhebben, uitkiezen, verkiezen) . Bijbel (12) , zie het Griekse αγαπησεις = agapèseis , maar niet in (1) Lv 19,34 . (2) Dt 11,1 .
- act. ind. praes. 2de pers. enk. diligis (jij bemint, hebt lief , kiest uit , verkiest) . Bijbel (10) . LXX (8) : (1) Gn 22,2 . (2) Dt 13,7 . (3) Re 14,16 . (4) 1 S 20,30 . (5) 2 S 19,7 . (6) Ps 51,8 . (7) Pr 9,9 . (8) W 11,24 . NT (2) : (1) Joh 21,15 . (2) Joh 21,16
- Ned. : beminnen , liefhebben . Arabisch : اَدَبَّ = ´ahabba (beminnen, liefhebben) . Taalgebruik in de Qoran : ´ahabba (beminnen, liefhebben) . D. : lieben . E. : to love . Fr. : aimer . Grieks : αγαπαω = agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in het NT : agapaô (liefhebben) . Hebreeuws : אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Taalgebruik in Tenakh : ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Lat. : amare . In het Hebreeuwse zelfst. naamw. לֵב = lebh (hart) zit het woordje lef , lief . Er wordt dan een verband gelegd tussen hart en lief-de . In Dt 6,5 volgt 'met heel je hart' op 'jij zult liefhebben' .

Mc 12,30.1. - 2. וְאָהַבְתָּ אֵת = wë´âhabhëthâ ´eth (en jij zult beminnen) . Tenakh (2) : (1) Dt 6,5 . (2) Dt 11,1 .
- αγαπησεις τον = agapèseis ton (jij zult beminnen de) . Bijbel (8) : (1) Lv 19,18 . (2) Mt 5,43 . (3) Mt 19,19 . (4) Mt 22,39 . (5) Mc 12,31 . (6) Rom 13,9 . (7) Gal 5,14 . (8) Jak 2,8 .

Mc 12,30.3. יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenach : JHWH . Taalgebruik in Exodus : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenach (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Dt (413) . Dt 6 (18/25) . Niet in : Dt 6,6-9 . Verder niet in : (1) Dt 6,11 . (2) Dt 6,14 . (3) Dt 6,23 . De stam יהוה = JHWH komt voor in Tenakh (9743) .

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt
´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 31 0 7 29
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 287 413

- Grieks . acc. mann. enk. κυριον = kurion (Heer) van het zelfst. naamw. κυριος = kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Taalgebruik in de LXX : kurios (heer) . Mc (2) : (1) Mc 12,30 . (2) Mc 12,37 . Een vorm van κυριος = kurios (heer) in de Septuaginta (8591) , in het NT (718) .

  kurios (heer)  enk. bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn..  ev. Paul. Ap. br.  
5 acc. mann. enk. kurion 673 605 68 6 2 10 6 12 32   18 24 27 
  totaal 7754 7073 681 75 17 99 51 104 315 20 191 242 273  42 

- Ned. : Heer . Arabisch : رَب = rabb (God, Heer) . Taalgebruik in de Qoran : rabb (God, Heer) . Aramees : יוי = JWJ . D. : Herr . E. : Lord . Fr. : seigneur . Grieks : κυριος = kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Hebreeuws : יהוה = JHWH . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Latijn : Dominus . (Eerste medeklinker Gr. k , Ned. + D. h ; tweede medeklinker : Gr. + Ned. + D. : r ) .
- Sabbah Messod & Roger , Les secrets de l'Exode , Jean-Cyrille Godefroy , 2000 , p.93-96 . Op deze blz. wordt een verband tussen anokhi Adonai (ik de Heer) en farao Achnaton gelegd . De uitspraak van JHWH is Adonai , waarin we het Egyptische Aton , de zonneschijf , zien .

Mc 12,30.2. - 3. אֶת יהוה = ´èth JHWH (JHWH) . Tenakh (210) . Dt (?) . Dt 6 (5) : (1) Dt 6,2 . (2) Dt 6,5 . (3) Dt 6,12 . (4) Dt 6,13 . (5) Dt 6,16 . (6) Dt 6,24 . Dt 11 (3) : (1) Dt 11,1 . (2) Dt 11,13 . (3) Dt 11,22 .

Mc 12,30.1. - 3. וְאָהַבְתָּ אֵת יהוה = wë´âhabhëthâ ´eth JHWH (en jij zult JHWH beminnen) . Tenakh (2) : (1) Dt 6,5 . (2) Dt 11,1 .
- לאַהֲבָה אֶת יהוה = lë´ahäbhâh ´èth JHWH (om JHWH te beminnen) . Tenakh (8) : (1) Dt 11,13 . (2) Dt 11,22 . (3) Dt 19,9 . (4) Dt 30,6 . (5) Dt 30,16 . (6) Dt 30,20 . (7) Joz 22,5 . (8) Joz 23,11 .
- αγαπησεις κυριον = agapèseis kurion (jij zult beminnen de Heer) . Bijbel (5) : (1) Lv 19,18 . (2) Dt 11,1 . (3) Mt 22,37 . (4) Mc 12,30 . (5) Lc 10,27 .
- αγαπαν κυριον = agapan kurion (om de Heer te beminnen) . LXX (10) : (1) Dt 7,8 . (2) Dt 11,13 . (3) Dt 11,22 . (4) Dt 19,9 . (5) Dt 30,6 . (6) Dt 30,16 . (7) Dt 30,20 . (8) Joz 22,5 . (9) Joz 23,11 . (10) 1 K 10,9 .

Mc 12,30.4. bep. lidw. acc. mann. enk. τον = ton (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (124) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,12 . (4) Mc 12,30 . (5) Mc 12,31 . (6) Mc 12,33 . (7) Mc 12,44 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
8. acc. m. + onz. enk. ton 124  8 9 5 11 10 7 13 6 9 5 4 7 2 12 11 5 6202  4880  1322  167  124  191  197  244 338  61  482  679 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 12,30.5. אֱלֹהֶיךָ = ´êlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (je God) < stat. constr. mann. mv. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Zie : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalswaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (299) . Pentateuch (216) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (16) . Ex (11) : (1) Ex 15,26 . (2) Ex 20,2 . (3) Ex 20,5 . (4) Ex 20,7 . (5) Ex 20,10 . (6) Ex 20,12 . (7) Ex 23,19 . (8) Ex 32,4 . (9) Ex 32,8 . (10) Ex 34,24 . (11) Ex 34,26 . Dt (199) . Dt 6 (5) : (1) Dt 6,2 . (2) Dt 6,5 . (3) Dt 6,10 . (4) Dt 6,13 . (5) Dt 6,15 . De stam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt voor in Tenakh (2658) .
- Grieks : acc.  mann. enk. θεοn = theon (God) van het zelfst. naamw. θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) .

  theos (God)  Mc   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn.. ev. Paul. Ap. br.
4 acc.  enk. theon (God)   1 : Mc 2,12 .     1 : Mc 5,7 .             1 : Mc 12,30 .         496  354  142  23  12  30  62  33 45 43 19
  Totaal   44    1 4132  2908  1224  44  44  117  76  157  695 91  205 281 576  119 

- τον θεον σου = ton theon sou (jouw God) . LXX (33) . NT (7) : (1) Mt 4,7 . (2) Mt 4,10 . (3) Mt 22,37 . (4) Mc 12,30 . (5) Lc 4,8 . (6) Lc 4,12 . (7) Lc 10,27 .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen : goden . Als collectief zouden we kunnen vertalen : god . Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden . Onder goden kan / kunnen zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn .
- De Godsnaam JHWH wordt veelvuldiger dan de naam ´èlohîm (god) gebruikt . Vergelijk maar : יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Ex (299) . Lv (199) . Nu (287) . Dt (413) . In Gn : ´èlohîm (god) (140) , de Godsnaam JHWH (128) , vooral in Gn 1-25 . Ex 20 (6) : (1) Ex 20,2 . (2) Ex 20,5 . (3) Ex 20,7 . (4) Ex 20,11 . (5) Ex 20,12 . (6) Ex 20,22 .

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Dt 6  
´èlohîm (God) 635 207 118 39 17 25 140 31 0 7 29    
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 287 413 18  
´èlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (je God) 299 216 28 25 12 16 2 11 4 0 199 5  
´èlohekhèm (jullie God) 154 82 32 15 10 15 1 7 26 3 45    
JHWH ´êlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (JHWH , je God) 267           1 8     116 5  
JHWH ´êlohè(j)khèm (JHWH, jullie God) 123 74         0 4 26 4 40    

Mc 12,30.3. - 6. יְהוָה אֱלֹהֶיךָ = JHWH ´êlohè(j)khâ (JHWH, je God) . Tenakh (231) . Gn (1) : Gn 27,20 . Ex (8) : (1) Ex 15,26 . (2) Ex 20,2 . (3) Ex 20,5 . (4) Ex 20,7 . (5) Ex 20,12 . (6) Ex 23,19 . (7) Ex 34,24 . (8) Ex 34,26 . Dt 6 (5) : (1) Dt 6,2 . (2) Dt 6,5 . (3) Dt 6,10 . (4) Dt 6,13 . (5) Dt 6,15 . Dt (10) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . Dt 11 (3) : (1) Dt 11,1 . (2) Dt 11,12 (2X) . (3) Dt 11,29 .
- יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם = JHWH ´êlohè(j)khèm (JHWH, jullie God) . Tenakh (123) . Pentateuch (74) . Gn (0) . Ex (4) . Lv (26) . Nu (4) . Dt (40) .
- κυριον τον θεον σου = kurion ton theon sou (de Heer jouw God) . LXX (27) . NT (7) : (1) Mt 4,7 . (2) Mt 4,10 . (3) Mt 22,37 . (4) Mc 12,30 . (5) Lc 4,8 . (6) Lc 4,12 . (7) Lc 10,27 .

Dt 6,5.5. בְכֹל = bëkol (met al, met geheel) van het bijvoegl. naamw. כל = kl (al) . Taalgebruik in Tenakh : kl (al) . Getalswaarde : kaph = 11 of 20 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 23 OF 50 (2 X 5²) . Structuur : 2 - 3 . De som van de elementen is telkens 5 . Bijbel (440) . Pentateuch (132) . Dt (43) . Dt 4 (2) : (1) Dt 4,7 . (2) Dt 4,29 . Dt 5 (1) : Dt 5,33 . Dt 6 (1) : Dt 6,5 . Dt 10 (1) : Dt 10,12 . Dt 11 (2) : (1) Dt 11,13 . (2) Dt 11,22 . Dt 26 (2) : (1) Dt 26,11 . (2) Dt 26,16 . Dt 30 (4) : (1) Dt 30,1 . (2) Dt 30,2 . (3) (Dt 30,6 . (4) Dt 30,10 .

Dt 6,5.56. לְבָבְךָ = lëbhâbhëkhâ (je hart) < zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Zie : לֵב = lebh (hart) . Taalgebruik in Tenakh : lebh (hart) . Getalswaarde : lamed = 12 of 30 , beth = 2 ; totaal : 14 (2 X 7) OF 32 (2² X 2³) . Structuur : 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 Tenakh (38) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (8) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (7) . Dt (18) : (1) Dt 4,29 . (2) Dt 4,39 . (3) Dt 6,5 . (4) Dt 6,6 . (5) Dt 8,5 . (6) Dt 8,14 . (7) Dt 9,5 . (8) Dt 10,12 . (9) Dt 15,7 . (10) Dt 15,9 . (11) Dt 15,10 . (12) Dt 26,16 . (13) Dt 28,67 . (14) Dt 30,1 . (15) Dt 30,2 . (16) (Dt 30,6 . (17) Dt 30,10 . (18) Dt 30,17 .
- Qill-vorm = naamwoord met 2 medeklinkers waarvan de tweede verdubbeld is .
- לְבַבְכֶם = lëbhabhëkhèm (jullie hart) < zelfst. naamw. stat. construct. mann. enk. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. mv. . Zie : לֵב = lebh (hart) . Taalgebruik in Tenakh : lebh (hart) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , beth = 2 ; totaal : 14 (2 X 7) OF 32 (2² X 2³) . Structuur : 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (33) . Pentateuch (8) : (1) Nu 15,39 . (2) Dt 10,16 . (3) Dt 11,13 . (4) Dt 11,16 . (5) Dt 11,18 . (6) Dt 13,4 . (7) Dt 20,3 . (8) Dt 32,46 .

Dt 6,5.5. - 6. בְכֹל לְבָבְךָ = bëkhôl lëbhâbhëkhâ (met heel je hart) . Tenakh (6) : (1) Dt 4,29 . (2) Dt 6,5 . (3) Dt 10,12 . (4) Dt 26,16 . (5) Dt 30,2 . (6) Dt 30,10 . Ook Dt 30,6 (bëkhâl ...) .
- בְּכָל לְבָבוֹ = bëkhâl lëbhâbhô (met heel zijn hart) . Tenakh (6) : (1) 1 K 14,8 (verwijzing naar David tegenover Jerobeam) . (2) 2 K 10,31 (Jehu) . (3) 2 K 23,25 (Josia) . (4) 2 Kr 22,9 . (5) 2 Kr 31,21 . (6) 2 Kr 34,31 .
- εξ ὁλης της καρδιας σου = ex holès tès kardias sou (uit heel je hart) . LXX (8) : (1) Dt 4,29 . (2) Dt 6,5 . (3) Dt 10,12 . (4) Dt 11,13 .(5) Dt 30,2 . (6) Dt 30,6 . (7) Dt 30,10 . (8) Sef 3,14 . NT (2) : (1) Mc 12,30 . (2) Lc 10,27 .

Dt 6,5.7. וּבְכָל = ûbhëkhâl (en met al / geheel) < prefix voegw. wë + prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. לֵב = lebh (hart) . Taalgebruik in Tenakh : lebh (hart) . Getalswaarde : lamed = 12 of 30 , beth = 2 ; totaal : 14 (2 X 7) OF 32 (2² X 2³) . Structuur : 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (94) . Pentateuch (36) . Dt (14) : (1) Dt 4,29 . (2) Dt 6,5 . (3) Dt 6,22 . (4) Dt 10,12 . (5) Dt 11,13 . (6) Dt 13,4 . (7) Dt 14,26 . (8) Dt 15,10 . (9) Dt 16,15 . (10) Dt 26,16 . (11) Dt 28,8 . (12) Dt 30,2 . (13) (Dt 30,6 . (14) Dt 30,10 .

Dt 6,5.8. נַפְשְׁךָ = naphësjëkhâ (je ziel) < zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Zie נֶפֶשׁ = nèphèsj (geest) . Taalgebruik in Tenakh : nèphèsj (geest) . Getalswaarde : nun = 14 of 50 , phe = 17 of 80 , sjin = 21 of 300 ; totaal : 52 (2 X 26) of 430 (2 X 5 X 43) . Het spiegelbeeld van 43 is 34 (2 X 17) . 4 + 3 = 7 ; 3 + 4 = 7 ; 43 + 34 = 77 . 43 = 17 + 26 (de 2 godsgetallen) . Structuur : 5 - 8 - 3 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (66) . Pentateuch (16) . Dt (12) : (1) Dt 4,9 . (2) Dt 4,29 . (3) Dt 6,5 . (4) Dt 10,12 . (5) Dt 12,15 . (6) Dt 12,20 . (7) Dt 12,21 . (8) Dt 14,26 . (9) Dt 26,16 . (10) Dt 30,2 . (11) (Dt 30,6 . (12) Dt 30,10 .

Dt 6,5.7. - 8. וּבְכָל נַפְשְׁךָ = ûbhëkhâl naphësjëkhâ (en met heel je ziel) . Tenakh (3) : (1) Dt 4,29 . (2) Dt 6,5 . (2) Dt 30,6 .
- וּבְכָל נַפְשֹוֹ = ûbhëkhâl naphësjô (en met heel zijn ziel) . Tenakh (2) : (1) 2 K 23,25 (Josia) . (2) 2 Kr 34,31 .
- εξ ὁλης της ψυχης σου = ex holès tès psuchès sou (uit heel je ziel) . LXX (7) : (1) Dt 4,29 . (2) Dt 6,5 . (3) Dt 10,12 . (4) Dt 11,13 .(5) Dt 30,2 . (6) Dt 30,6 . (7) Dt 30,10 . NT (2) : (1) Mc 12,30 . (2) Lc 10,27 .

Dt 6,5.5. - 8. בְכֹל לְבָבְךָ וּבְכָל נַפְשְׁךָ = bëkhôl lëbhâbhëkhâ ûbhëkhâl naphësjëkhâ (met heel je hart en met heel je ziel) . Tenakh (3) : (1) Dt 4,29 . (2) Dt 6,5 . (2) Dt 30,6 .
- בְּכָל לְבָבוֹ וּבְכָל נַפְשֹוֹ = bëkhâl lëbhâbhô ûbhëkhâl naphësjô (met heel zijn hart en met heel zijn ziel) . Tenakh (2) : (1) 2 K 23,25 (Josia) . (2) 2 Kr 34,31 .
- εξ ὁλης της καρδιας σου και εξ ὁλης της ψυχης σου = ex holès tès kardias sou kai ex holès tès psuchès sou (uit heel je hart en uit heel je ziel) . LXX (7) : (1) Dt 4,29 . (2) Dt 6,5 . (3) Dt 10,12 . (4) Dt 11,13 .(5) Dt 30,2 . (6) Dt 30,6 . (7) Dt 30,10 . NT (2) : (1) Mc 12,30 . (2) Lc 10,27 .

Dt 6,5.9. וּבְכָל = ûbhëkhâl (en met al / geheel) < prefix voegw. wë + prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. לֵב = lebh (hart) . Taalgebruik in Tenakh : lebh (hart) . Getalswaarde : lamed = 12 of 30 , beth = 2 ; totaal : 14 (2 X 7) OF 32 (2² X 2³) . Structuur : 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (94) . Pentateuch (36) . Dt (14) : (1) Dt 4,29 . (2) Dt 6,5 . (3) Dt 6,22 . (4) Dt 10,12 . (5) Dt 11,13 . (6) Dt 13,4 . (7) Dt 14,26 . (8) Dt 15,10 . (9) Dt 16,15 . (10) Dt 26,16 . (11) Dt 28,8 . (12) Dt 30,2 . (13) (Dt 30,6 . (14) Dt 30,10 .

Dt 6,5.10. מְאֹדֶךָ = më´odèkhâ (jouw kracht) < zelfst. naamw. + suffix bezitt. voornaamw. 2de pers. enk. . Zie : מְאדֹ = më´od (hevigheid, kracht, vermogen) . Taalgebruik in Tenakh : më´od (hevigheid, kracht, vermogen) . Getalswaarde : mem = 13 of 40 , aleph = 1 , daleth = 4 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 45 (3² X 5) . Structuur : 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (1) : Dt 6,5 .


Mc 12,31 - Mc 12,31 : 293. Vraag naar het eerste gebod - Mc 12,28-34 - Mt 22,34-40 - Lc 20,39-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,28 - Mc 12,29 - Mc 12,30 - Mc 12,31 - Mc 12,32 - Mc 12,33 - Mc 12,34 -
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
31deutera autè, agapèseis ton plèsion sou ôs seauton. meizôn toutôn allè entolè ouk estin.  31 secundum autem simile illi diliges proximum tuum tamquam te ipsum maius horum aliud mandatum non est       31 En het tweede aan dit gelijk, is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze.  [31] Het tweede is dit: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Een ander gebod, groter dan deze twee, is er niet.’   [31] Het op een na belangrijkste is dit: “Heb uw naaste lief als uzelf.” Er zijn geen geboden belangrijker dan deze.’   31 Het tweede is dit: ‘heb je naaste lief als jezelf!’– een ander gebod, groter dan deze, is er niet!  31. Voici le second : Tu aimeras ton prochain comme toi-même. Il n'y a pas de commandement plus grand que ceux-là. »  

King James Bible . [31] And the second is like, namely this, Thou shalt love thy neighbour as thyself. There is none other commandment greater than these.
Luther-Bibel . 31 Das andre ist dies: »Du sollst deinen Nächsten lieben wie dich selbst« (3.Mose 19,18). Es ist kein anderes Gebot größer als diese.

Tekstuitleg van Mc 12,31 .

2. voornaamw. nom. vr. enk. autè (zij, deze) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (10) : (1) Mc 8,12 . (2) Mc 10,12 . (3) Mc 12,11 . (4) Mc 12,16 . (5) Mc 12,31 . (6) Mc 12,43 . (7) Mc 12,44 . (8) Mc 13,30 . (9) Mc 14,4 . (10) Mc 14,9 .

3. act. ind. fut. 2de pers. enk. agapèseis (jij zult beminnen) van het werkw. agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in het N.T. : agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in Mc: agapaô (liefhebben) . Mc (2) : (1) Mc 12,30 . (2) Mc 12,31 .  Een vorm van agapaô (liefhebben) in Mc in 4 verzen .

Mc 12,32 - Mc 12,32 : 293. Vraag naar het eerste gebod - Mc 12,28-34 - Mt 22,34-40 - Lc 20,39-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,28 - Mc 12,29 - Mc 12,30 - Mc 12,31 - Mc 12,32 - Mc 12,33 - Mc 12,34 -
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
32kai eipen autô o grammateus, kalôs, didaskale, ep alètheias eipes oti eis estin kai ouk estin allos plèn autou:   32 et ait illi scriba bene magister in veritate dixisti quia unus est et non est alius praeter eum       32 En de schriftgeleerde zeide tot Hem: Meester, Gij hebt wel in der waarheid gezegd, dat er een enig God is, en er is geen ander dan Hij;   [32] De schriftgeleerde zei Hem: ‘Juist, Meester, terecht zegt U: Hij is de Enige en er is geen ander dan Hij.   [32] De schriftgeleerde zei tegen hem: ‘Inderdaad, meester, wat u zegt is waar: hij alleen is God en er is geen andere God dan hij,   32 De schriftgeleerde zegt tot hem: prachtig, leermeester!– het is wáár wat u zegt, dat hij de Ene is en dat er geen andere is;   32. Le scribe lui dit : « Fort bien, Maître, tu as eu raison de dire qu'il est unique et qu'il n'y en a pas d'autre que Lui :  

King James Bible . [32] And the scribe said unto him, Well, Master, thou hast said the truth: for there is one God; and there is none other but he:
Luther-Bibel . 32 Und der Schriftgelehrte sprach zu ihm: Meister, du hast wahrhaftig recht geredet! Er ist nur einer, und ist kein anderer außer ihm;

Tekstuitleg van Mc 12,32 .

Mc 12,32.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 12,32.2. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (56) . Mc 12 (8) : (1) Mc 12,12 . (2) Mc 12,15 . (3) Mc 12,17 . (4) Mc 12,26 . (5) Mc 12,32 . (6) Mc 12,34 . (7) Mc 12,36 . (8) Mc 12,43 . Een vorm van legô in Mc 12 in 9 verzen , van eipon (ik zei) in 10 verzen .

Mc 12,32.1. - 3. kai eipen autô(i) = en hij / zij zei hem . Mc (3) : (1) Mc 5,33 . (2) Mc 10,21 . (3) Mc 12,32 .

Mc 12,32.4. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 12 (16) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,20 . (7) Mc 12,21 . (8) Mc 12,24 . (9) Mc 12,26 . (10) Mc 12,29 . (11) Mc 12,32 . (12) Mc 12,34 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 12,41 . (16) Mc 12,42 .

Mc 12,32.6. καλως = kalôs (goed) . Bijwoord . Taalgebruik in het NT : kalôs (goed) . Taalgebruik in de LXX : kalôs (goed) . Taalgebruik in Mc : kalôs (goed) . Mc (6) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,9 . (3) Mc 7,37 . (4) Mc 12,28 . (5) Mc 12,32 . (6) Mc 16,18 .

kalôs (goed)   Mc 7 Mc 12 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,9 .  (3) Mc 7,37 . (4) Mc 12,28 .  (5) Mc 12,32 . (6) Mc 16,18 .   65  29  36  18    12  16  13 

Mc 12,28.12. ind. aor. 3de pers. enk. απεκριθη = apekrithè (hij antwoordde) van het werkw. αποκρινομαι = apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het NT : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in de LXX : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in Mc : apokrinomai (antwoorden) . Mc (7) : (1) Mc 7,28 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 12,28 . (4) Mc 12,29 . (5) Mc 12,34 . (6) Mc 15,5 . (7) Mc 15,9 . Een vorm van αποκρινομαι = apokrinomai (antwoorden) in de LXX (277) , in het NT (231) , in Mt (55) , in Mc (30) , in Lc (46) , in Joh (78) .

7. voc. mann. enk. didaskale (leermeester) van het zelfst. naamw. didaskalos (leraar , leermeester) . Taalgebruik in het N.T. : didaskalos (leraar , leermeester) . Taalgebruik in Mc : didaskalos (leraar , leermeester) .
Mc (10) : (1) Mc 4,38 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,38 . (4) Mc 10,17 . (5) Mc 10,20 . (6) Mc 10,35 . (7) Mc 12,14 . (8) Mc 12,19 . (9) Mc 12,32 . (10) Mc 13,1 . Een vorm van didaskalos (leraar , leermeester) in Mc in 12 verzen .

9. gen. vr. enk. alètheias (in waarheid) van het zelfst. naamw. alètheia (waarheid) . Taalgebruik in het N.T. : alètheia (waarheid) . Taalgebruik in Mc : alètheia (waarheid) . Mc (2) : (1) Mc 12,14 . (2) Mc 12,32 . Een vorm van alètheia (waarheid) in Mc in 3 verzen .

Mc 12,32.11. ὁτι = hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het ΝΤ : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in de LXX : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) . Mc (92) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,7 . (3) Mc 12,12 . (4) Mc 12,14 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,26 . (7) Mc 12,28 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,32 . (10) Mc 12,34 . (11) Mc 12,35 . (12) Mc 12,43 .

hoti ( dat , omdat )   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel ΟΤ ΝΤ Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  92  12  10  4396  3213  1183  137  92  160  237  114  389  54  389  626 

- Hebreeuws : כִּי = kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Taalgebruik in Dt : kî (want, omdat) . Getalswaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Structuur : 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (3849) . Pentateuch (884) . Eerdere Profeten (726) . Latere Profeten (841) . 12 Kleine Profeten (241) . Geschriften (1157) . Dt (235) . Dt 4 (14) : (1) Dt 4,3 . (2) Dt 4,6 . (3) Dt 4,7 . (4) Dt 4,15 . (5) Dt 4,22 . (6) Dt 4,24 . (7) Dt 4,25 . (8) Dt 4,26 . (9) Dt 4,29 . (10) Dt 4,31 . (11) Dt 4,32 . (12) Dt 4,35 . (13) Dt 4,37 . (14) Dt 4,39 .
- כִּי = kî (want, omdat) < een woord met 1 medeklinker . De lange î is î gebleven omdat het een proclitisch woord is . Proclitisch wil zeggen dat een eenlettergrepig onbeklemtoond woord wordt gehecht aan het volgende (Lettinga(6) 13d) .

Mc 12,32.14. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 12,32.19. pers. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (143) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,19 . (2) Mc 12,32 . (3) Mc 12,37 . (4) Mc 12,38 . (5) Mc 12,43 .

b
Mc 12,33 - Mc 12,33 : 293. Vraag naar het eerste gebod - Mc 12,28-34 - Mt 22,34-40 - Lc 20,39-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,28 - Mc 12,29 - Mc 12,30 - Mc 12,31 - Mc 12,32 - Mc 12,33 - Mc 12,34 -
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
33kai to agapan auton ex olès tès kardias kai ex olès tès suneseôs kai ex olès tès ischuos kai to agapan ton plèsion ôs eauton perissoteron estin pantôn tôn olokautômatôn kai thusiôn.   33 et ut diligatur ex toto corde et ex toto intellectu et ex tota anima et ex tota fortitudine et diligere proximum tamquam se ipsum maius est omnibus holocaustomatibus et sacrificiis      33 En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en den naaste lief te hebben als zichzelven, is meer dan al de brandofferen en de slachtofferen.   [33] Hem liefhebben met heel ons hart en heel ons inzicht en heel onze kracht en onze naaste liefhebben als onszelf is veel meer dan alle brand- en slachtoffers.’   [33] en hem liefhebben met heel ons hart en met heel ons inzicht en met heel onze kracht, en onze naaste liefhebben als onszelf betekent veel meer dan alle brandoffers en andere offers.’   33 en dat hem liefhebben uit heel je hart, uit heel je begrip en uit heel je kracht, en de naaste liefhebben als jezelf veel meer waard is dan alle brandoffers en rookoffers!  33. l'aimer de tout son cœur, de toute son intelligence et de toute sa force, et aimer le prochain comme soi-même, vaut mieux que tous les holocaustes et tous les sacrifices. » 

King James Bible . [33] And to love him with all the heart, and with all the understanding, and with all the soul, and with all the strength, and to love his neighbour as himself, is more than all whole burnt offerings and sacrifices.
Luther-Bibel . 33 und ihn lieben von ganzem Herzen, von ganzem Gemüt und von allen Kräften, und seinen Nächsten lieben wie sich selbst, das ist mehr als alle Brandopfer und Schlachtopfer.

Tekstuitleg van Mc 12,33 .

Mc 12,33.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 12,33.2. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 12 (3) : (1) Mc 12,33 . (2) Mc 12,41 . (3) Mc 12,43 .

4. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,3 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,8 . (6) Mc 12,12 . (7) Mc 12,13 . (8) Mc 12,18 . (9) Mc 12,28 . (10) Mc 12,33 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 .

Mc 12,33.5. ek - ex (uit) . Taalgebruik in het N.T. : ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc (38 + 20) . Mc 12 (3 + 2) : (1) Mc 12,25 . (2) Mc 12,36 . (3) Mc 12,44 . Mc (12) : (1) Mc 12,30 . (2) Mc 12,33 .

Mc 12,33.7. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (65) . Mc 12 (4) : (1) Mc 12,30 . (2) Mc 12,33 . (3) Mc 12,34 . (4) Mc 12,44 .

Mc 12,33.9. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 12,33.10. ek - ex (uit) . Taalgebruik in het N.T. : ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc (38 + 20) . Mc 12 (3 + 2) : (1) Mc 12,25 . (2) Mc 12,36 . (3) Mc 12,44 . Mc (12) : (1) Mc 12,30 . (2) Mc 12,33 .

Mc 12,33.12. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (65) . Mc 12 (4) : (1) Mc 12,30 . (2) Mc 12,33 . (3) Mc 12,34 . (4) Mc 12,44 .

Mc 12,33.14. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 12,33.15. ek - ex (uit) . Taalgebruik in het N.T. : ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc (38 + 20) . Mc 12 (3 + 2) : (1) Mc 12,25 . (2) Mc 12,36 . (3) Mc 12,44 . Mc (12) : (1) Mc 12,30 . (2) Mc 12,33 .

Mc 12,33.17. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (65) . Mc 12 (4) : (1) Mc 12,30 . (2) Mc 12,33 . (3) Mc 12,34 . (4) Mc 12,44 .

19. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 12,33.20. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 12 (3) : (1) Mc 12,33 . (2) Mc 12,41 . (3) Mc 12,43 .

Mc 12,33.22. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,12 . (4) Mc 12,30 . (5) Mc 12,31 . (6) Mc 12,33 . (7) Mc 12,44 .

Mc 12,33.28. gen. mv. pantôn (allen / alles) van het bijvoegl naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder .
Mc (10) : (1) Mc 2,12 . (2) Mc 4,31 . (3) Mc 4,32 . (4) Mc 9,35 . (5) Mc 10,44 . (6) Mc 12,22 . (7) Mc 12,28 . (8) Mc 12,33 . (9) Mc 12,43 . (10) Mc 13,13 . Een vorm van pas (ieder, al) in Mc in 66 verzen .

29. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. των = tôn (van de) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (90) . Mc 12 (9) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,13 . (3) Mc 12,26 . (4) Mc 12,28 . (5) Mc 12,33 . (6) Mc 12,36 . (7) Mc 12,38 . (8) Mc 12,40 . (9) Mc 12,43 .

  lidw. mv. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  ΟΤ  ΝΤ  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  syn. ev.
13. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn 90  4 10  13  5178  4144  1034  178  90  119  98  166  267  116     

- bepaald lidw. Ned. : de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 12,33.31. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .


b
Mc 12,34 - Mc 12,34 : 293. Vraag naar het eerste gebod - Mc 12,28-34 - Mt 22,34-40 - Lc 20,39-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,28 - Mc 12,29 - Mc 12,30 - Mc 12,31 - Mc 12,32 - Mc 12,33 - Mc 12,34 -
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
34kai o ièsous idôn [auton] oti nounechôs apekrithè eipen autô, ou makran ei apo tès basileias tou theou. kai oudeis ouketi etolma auton eperôtèsai.  34 Iesus autem videns quod sapienter respondisset dixit illi non es longe a regno Dei et nemo iam audebat eum interrogare      34 En Jezus ziende, dat hij verstandelijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer vragen.   [34] Toen Jezus zag dat hij met begrip antwoordde, zei Hij tegen hem: ‘U staat niet ver van het koninkrijk van God.’ Niemand durfde Hem nog een vraag te stellen.   [34] Jezus vond dat hij verstandig had geantwoord en zei tegen hem: ‘U bent niet ver van het koninkrijk van God.’ En niemand durfde hem nog een vraag te stellen.   34 Jezus ziet aan hoe verstandig hij antwoordt, en zegt tot hem: je bent niet ver van het koninkrijk Gods! Toen heeft niemand het meer gewaagd hem een vraag te stellen.   34. Jésus, voyant qu'il avait fait une remarque pleine de sens, lui dit : « Tu n'es pas loin du Royaume de Dieu. » Et nul n'osait plus l'interroger. 

King James Bible . [34] And when Jesus saw that he answered discreetly, he said unto him, Thou art not far from the kingdom of God. And no man after that durst ask him any question.
Luther-Bibel . 34 Als Jesus aber sah, dass er verständig antwortete, sprach er zu ihm: Du bist nicht fern vom Reich Gottes. Und niemand wagte mehr, ihn zu fragen.

Tekstuitleg van Mc 12,34 . Het vers Mc 12,34 telt 24 (2 X 2 X 2 X 3) woorden en 116 (2 X 2 X 29) letters . De getalwaarde van Mc 12,34 is 14493 (3 X 4831) .

Mc 12,34.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 12,34.2. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 12 (16) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,20 . (7) Mc 12,21 . (8) Mc 12,24 . (9) Mc 12,26 . (10) Mc 12,29 . (11) Mc 12,32 . (12) Mc 12,34 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 12,41 . (16) Mc 12,42 .

Mc 12,34.3. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) .
Mc (57) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,17 . (2) Mc 12,24 . (3) Mc 12,29 . (4) Mc 12,34 . (5) Mc 12,35 . Een vorm van ièsous (Jezus) in 81 verzen .
Het is uitzonderlijk dat het onderwerp ho ièsous (Jezus) op het verleden deelwoord idôn = gezien (12) volgt . In de andere verzen (11 / 12) staat idôn (gezien) bij het begin van het vers , ofwel na kai (en) , ofwel voor de (echter) .

Mc 12,34.1. - 3. kai ho ièsous (en Jezus) . Vooraan de zin . Mc (5 / 59) : Mc (5) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 10,52 . (3) Mc 11,33 . (4) Mc 12,34 . (5) Mc 13,2 .

Mc 12,34.4. act. part. aor. nom. mann. enk. ιδων = idôn (gezien) van het werkw. ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Taalgebruik in de LXX : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . Mt (12) : (1) Mt 2,16 . (2) Mt 3,7 . (3) Mt 5,1 . (4) Mt 8,18 . (5) Mt 9,2 . (6) Mt 9,4 . (7) Mt 9,22 . (8) Mt 9,23 . (9) Mt 9,36 . (10) Mt 21,19 . (11) Mt 27,3 . (12) Mt 27,24 . Mc (12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,25 . (8) Mc 10,14 . (9) Mc 11,13 . (10) Mc 12,28 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 15,39 . Met Jezus als onderwerp . Mc (7 / 12 . expliciet : 4 / 12 , impliciet : 3 / 12) . Expliciet (4 / 12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 9,25 . (3) Mc 10,14 . (4) Mc 12,34 . Impliciet (3 / 12) : (1) Mc 6,48 . (2) Mc 8,33 . (3) Mc 11,13 . Andere (5 / 12) : (1) Mc 5,6 (bezetene) . (2) Mc 5,22 (Jaïrus) . (3) Mc 9,20 (onreine geest) . (4) Mc 12,28 (een schriftgeleerde) . (5) Mc 15,39 (centurio) . Lc (20) : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 7,13 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,28 . (8) Lc 10,31 . (9) Lc 10,32 . (10) Lc 10,33 . (11) Lc 11,38 . (12) Lc 13,12 . (13) Lc 17,14 . (14) Lc 17,15 . (15) Lc 18,24 . (16) Lc 18,43 . (17) Lc 19,41 . (18) Lc 22,58 . (19) Lc 23,8 . (20) Lc 23,47 . ειδον / ειδεν = eidon / eiden in het NT (336) .

  zien  Mc Mc 2 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 15 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  part. aor. nom. mann. enk. idôn  12  (1) Mc 2,5 (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 .   (5) Mc 8,33 .   (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,25 .   (8) Mc 10,14 .   (9) Mc 11,13 .   (10) Mc 12,28 . (11) Mc 12,34 .   (12) Mc 15,39 106  45  61  12  12  20  12  44  47   

- Hebreeuws : w-j-r-´ : (1) prefix verbindingswoord wë + act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיַּרְא = wajjarë´ (en hij zag) . (2) prefix verbindingswoord wë + pass. nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיֵּרָא = wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) . (3) prefix verbindingswoord wë + hifil imperf. derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיַּרְא = wajjarë´ van het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Het is een verkorte vorm , zie Joüon 79i . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Taalgebruik in Genesis : râ´âh (zien) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (19) .
- Ned. : zien . Arabisch : رَاهَ = ra´â (zien) . Taalgebruik in de Qoran : ra´â (zien) . D. : sehen , schauen . E. : to see . Fr. : voir . Gr. : ειδεν = eiden (hij zag) < stam wid- . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) . Hebreeuws : רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Lat. : videre . Indogermaans : weid -> Ned. : weten . Sanskriet : veda . Latijn : videre .

Mc 12,34.1. - 4. kai idôn ho ièsous (en Jezus gezien) : Mc 2,5 . kai ho ièsous idôn (en Jezus , gezien) : Mc 12,34 .

Mc 12,34.5. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,3 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,8 . (6) Mc 12,12 . (7) Mc 12,13 . (8) Mc 12,18 . (9) Mc 12,28 . (10) Mc 12,33 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 .

Mc 12,34.6. ὁτι = hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het ΝΤ : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in de LXX : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) . Mc (92) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,7 . (3) Mc 12,12 . (4) Mc 12,14 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,26 . (7) Mc 12,28 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,32 . (10) Mc 12,34 . (11) Mc 12,35 . (12) Mc 12,43 .

hoti ( dat , omdat )   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel ΟΤ ΝΤ Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  92  12  10  4396  3213  1183  137  92  160  237  114  389  54  389  626 

- Hebreeuws : כִּי = kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Taalgebruik in Dt : kî (want, omdat) . Getalswaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Structuur : 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (3849) . Pentateuch (884) . Eerdere Profeten (726) . Latere Profeten (841) . 12 Kleine Profeten (241) . Geschriften (1157) . Dt (235) . Dt 4 (14) : (1) Dt 4,3 . (2) Dt 4,6 . (3) Dt 4,7 . (4) Dt 4,15 . (5) Dt 4,22 . (6) Dt 4,24 . (7) Dt 4,25 . (8) Dt 4,26 . (9) Dt 4,29 . (10) Dt 4,31 . (11) Dt 4,32 . (12) Dt 4,35 . (13) Dt 4,37 . (14) Dt 4,39 .
- כִּי = kî (want, omdat) < een woord met 1 medeklinker . De lange î is î gebleven omdat het een proclitisch woord is . Proclitisch wil zeggen dat een eenlettergrepig onbeklemtoond woord wordt gehecht aan het volgende (Lettinga(6) 13d) .

8. ind. aor. 3de pers. enk. απεκριθη = apekrithè (hij antwoordde) van het werkw. αποκρινομαι = apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het NT : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in de LXX : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in Mc : apokrinomai (antwoorden) . Mc (7) : (1) Mc 7,28 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 12,28 . (4) Mc 12,29 . (5) Mc 12,34 . (6) Mc 15,5 . (7) Mc 15,9 . Een vorm van αποκρινομαι = apokrinomai (antwoorden) in de LXX (277) , in het NT (231) , in Mt (55) , in Mc (30) , in Lc (46) , in Joh (78) .

  apokrinomai (antwoorden)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Apk syn.  ev. 
ind. aor. 3de pers. enk. apekrithè               (1) Mc 7,28 .     (2) Mc 9,17 .       (3) Mc 12,28 . (4) Mc 12,29 . (5) Mc 12,34 .       (6) Mc 15,5 . (7) Mc 15,9 .     176  94  82  57  11  13  70 

Mc 12,34.9. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (56) . Mc 12 (8) : (1) Mc 12,12 . (2) Mc 12,15 . (3) Mc 12,17 . (4) Mc 12,26 . (5) Mc 12,32 . (6) Mc 12,34 . (7) Mc 12,36 . (8) Mc 12,43 . Een vorm van legô in Mc 12 in 9 verzen , van eipon (ik zei) in 10 verzen .

Mc 12,34.1. - 3. 9. - 10. In Mc 12,34 staat een tussenzin , wat in de andere zinnen niet het geval is . De tussenzin staat tussen het onderwerp ho ièsous (Jezus) en het werkwoord eipen (hij zei) . De tussenzin is een deelwoordzin bij het onderwerp .
- Mc 10,52 : kai ho ièsous (en Jezus) eipen autô(i) (zei hem) .
- Mc 11,33 : kai ho ièsous (en Jezus) legei autois (zegt hen) .
- Mc 12,34 : kai ho ièsous (en Jezus) ... eipen autô(i) (zei hem) .
- Mc 13,2 : kai ho ièsous (en Jezus) eipen autô(i) (zei hem) .

Mc 12,34.14. apo (af, van-weg) . afkoring ap' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Mc (33 + 12) . apo (af, weg) in Mc 12 (3) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,34 . (3) Mc 12,38 .

Mc 12,34.15. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (65) . Mc 12 (4) : (1) Mc 12,30 . (2) Mc 12,33 . (3) Mc 12,34 . (4) Mc 12,44 .

Mc 12,34.16. gen. vr. enk. basileias (van het koninkrijk) van het zelfstandig naamw. basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in het N.T. : basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in Mc : basileia (koninkrijk) . Mc (3) : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 6,23 .  (3) Mc 12,34 . Een vorm van basileia (koninkrijk) in Mc in 19 verzen : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 3,24 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,26 . (5) Mc 4,30 .  (6) Mc 6,23 . (7) Mc 9,1 . (8) Mc 9,47 . (9) Mc 10,14 . (10) Mc 10,15 . (11) Mc 10,23 . (12) Mc 10,24 . (13) Mc 10,25 . (14) Mc 11,10 . (15) Mc 12,34 .  (16) Mc 13,8 (2 vormen) . (17) Mc 14,25 . (18) Mc 15,43 .  

Mc 12,34.17. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 12 (10) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,8 . (3) Mc 12,9 . (4) Mc 12,14 . (5) Mc 12,17 . (6) Mc 12,24 . (7) Mc 12,26 . (8) Mc 12,34 . (9) Mc 12,41 . (10) Mc 12,44 .

Mc 12,34.18. gen. mann. enk. theou (van God) van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het N.T. : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . De vloek dju .

Mc 12,34.15. - 18. tès basileias tou theou (van het koninkrijk van God) . Mc (2 / 3) . (1) Mc 4,11 . (2) Mc 12,34 .

Mc 12,34.19. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

23. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,3 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,8 . (6) Mc 12,12 . (7) Mc 12,13 . (8) Mc 12,18 . (9) Mc 12,28 . (10) Mc 12,33 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 .

24. act. inf. aor. επερωτησαι = eperôtèsai (om te ondervragen) van het werkw. επερωταω = eperôtaô ( 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) . Taalgebruik in het NT : eperotaô (epi - erôtaô) . Taalgebruik in de LXX : eperotaô (epi - erôtaô) . NT (3) : (1) Mt 22,46 . (2) Mc 9,32 . (3) Mc 12,34 .

  eperôtaô   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. inf. aor. eperôtèsai   11               


294. Zoon en Heer van David : Mc 12,35-37a - Mc 12,35-37a - Mt 22,41-46 - Lc 20,41-44 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,35 - Mc 12,36 - Mc 12,37 -

Mc 12,35 - Mc 12,35 : 294. Zoon en Heer van David - Mc 12,35-37a - Mt 22,41-46 - Lc 20,41-44 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,35 - Mc 12,36 - Mc 12,37 -
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
35kai apokritheis o ièsous elegen didaskôn en tô ierô, pôs legousin oi grammateis oti o christos uios dauid estin;  35 et respondens Iesus dicebat docens in templo quomodo dicunt scribae Christum Filium esse David      35 En Jezus antwoordde en zeide, lerende in den tempel: Hoe zeggen de Schriftgeleerden, dat de Christus een Zoon van David is?   [35] Daarop zei Jezus bij zijn onderricht in de tempel: ‘Hoe komen de schriftgeleerden erbij om te zeggen dat de Messias de Zoon van David* is?   [35] Jezus vroeg de mensen bij zijn onderricht in de tempel: ‘Hoe kunnen de schriftgeleerden beweren dat de messias een zoon van David is?   35 ¶ Onderricht gevend in het heiligdom heeft Jezus ten antwoord gezegd: hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen dat de Gezalfde een zoon van David is?–  35. Prenant la parole, Jésus disait en enseignant dans le Temple : « Comment les scribes peuvent-ils dire que le Christ est fils de David ? 

King James Bible . [35] And Jesus answered and said, while he taught in the temple, How say the scribes that Christ is the Son of David?
Luther-Bibel . 35 Und Jesus fing an und sprach, als er im Tempel lehrte: Wieso sagen die Schriftgelehrten, der Christus sei Davids Sohn?

Tekstuitleg van Mc 12,35 . Het vers Mc 12,35 telt 19 woorden en 90 (2 X 3 X 3 X 5) letters . De getalwaarde van Mc 12,35 is 10495 (5 X 2099) .

Mc 12,35.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,35.2. part. aor. nom. mann. enk. apokritheis (geantwoord) van het werkw. apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het N.T. : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in Mc : apokrinomai (antwoorden) .
Mc (14) : (1) Mc 3,33 . (2) Mc 6,37 . (3) Mc 8,29 . (4) Mc 9,5 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 10,3 . (7) Mc 10,24 . (8) Mc 10,51 . (9) Mc 11,14 . (10) Mc 11,22 . (11) Mc 12,35 . (12) Mc 14,48 . (13) Mc 15,2 . (14) Mc 15,12 . Een vorm van apokrinomai (antwoorden) in Mc in 30 verzen .

Mc 12,35.1. - 2. kai apokritheis (en beantwoord) of ho de (...) apokritheis (hij echter beantwoord . Mc (13 / 14) . Niet in Mc 8,29 .
- kai apokritheis (en beantwoord) . Mc 7 / 14 : (1) Mc 3,33 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 10,51 . (4) Mc 11,14 . (5) Mc 11,22 . (6) Mc 12,35 . (7) Mc 14,48 .
- ho de (...) apokritheis (hij echter beantwoord . (Mc 6 / 14) . (1) Mc 6,37 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 10,3 . (4) Mc 10,24 . (5) Mc 15,2 . (6) Mc 15,12 .

Mc 12,35.3. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 12 (16) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,20 . (7) Mc 12,21 . (8) Mc 12,24 . (9) Mc 12,26 . (10) Mc 12,29 . (11) Mc 12,32 . (12) Mc 12,34 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 12,41 . (16) Mc 12,42 .

Mc 12,35.4. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) .
Mc (57) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,17 . (2) Mc 12,24 . (3) Mc 12,29 . (4) Mc 12,34 . (5) Mc 12,35 . Een vorm van ièsous (Jezus) in Mc in 81 verzen .

Mc 12,35.1. - 4. kai apokritheis ho ièsous (en Jezus beantwoord) . Mc (3) : (1) Mc 11,22 . (2) Mc 12,35 . (3) Mc 14,48 .

5. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (31) . Mc (1) Mc 12,35 . (2) Mc 12,38 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc in 9 verzen , van eipon (ik zeg) in 10 verzen .
- Mc 12,35 : ... elegen didaskôn (hij zei lerend) .
- Mc 12,38 : kai en tè(i) didachè(i) autou elegen (en in zijn lering zei hij) .

2. 5. apokritheis (...) + een vorm van legô (zeggen) in Mc (14 / 14) . + elegen (hij zei) in Mc (2 / 14) : (1) Mc 12,35 . (2) Mc 15,12 .

6. act. part. praes. nom. mann. enk. didaskôn (lerend) van het werkw. didaskô (leren, onderrichten) . Taalgebruik in N.T. : didaskô (leren) . Taalgebruik in Mc : didaskô (leren) . Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven . Didactiek : leer van het onderrichten . Lat. docere (doctor) . Cfr docent , documentatie .
Mc (4) : (1) Mc 1,22 .  (2) Mc 6,6 . (3) Mc 12,35 . (4) Mc 14,49 . Een vorm van didaskô (leren) in Mc (17) .

Mc 12,35.7. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 12 (9) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,11 . (3) Mc 12,23 . (4) Mc 12,25 . (5) Mc 12,26 . (6) Mc 12,35 . (7) Mc 12,36 . (8) Mc 12,38 . (9) Mc 12,39 .

Mc 12,35.8. bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,17 . (3) Mc 12,19 . (4) Mc 12,35 . (5) Mc 12,36 .

Mc 12,35.9. dat. onz. enk. hierô(i) (heiligdom, tempel) Taalgebruik in het N.T. : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Mc : hieron (heiligdom, tempel) . Een vorm van hieron is steeds voorafgegaan door een voorzetsel .
1. dia tou hierou (door de tempel) . Mc (1) : Mc 11,16 .
2. eis to hieron (naar de tempel) . Mc (2) : (1) Mc 11,11 . (2) Mc 11,15 .
3. ek tou hierou (uit de tempel) . Mc (1) : Mc 13,1 .
4. en tô(i) hierô(i) (in de tempel) . Mc (4) : (1) Mc 11,15 . (2) Mc 11,27 . (3) Mc 12,35 . (4) Mc 14,49 .
5. katenanti tou hierou (tegenover de tempel) . Mc (1) : Mc 13,3 .
Een vorm van hieron (tempel) in Mc 11 (5) : (1) eis to hieron (naar de tempel) : Mc 11,11 . (2) eis to hieron (naar de tempel) : Mc 11,15 . (3) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc 11,15 . (4) dia tou hierou (door de tempel) : Mc 11,16 . (5) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc 11,27 .

10. pôs (hoe) . Taalgebruik in het N.T. : pôs (hoe) . Taalgebruik in Mc : pôs (hoe) . Vragend of onbepaald voornaamw. van wijze .
Mc (14) : (1) Mc 2,26 . (2) Mc 3,23 . (3) Mc 4,13 . (4) Mc 4,30 . (5) Mc 5,16 . (6) Mc 9,12 . (7) Mc 10,23 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 11,18 . (10) Mc 12,26 . (11) Mc 12,35 . (12) Mc 12,41 . (13) Mc 14,1 . (14) Mc 14,11 .

Mc 12,35.12. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,16 . (4) Mc 12,22 . (5) Mc 12,23 . (6) Mc 12,35 . (7) Mc 12,40 .

Mc 12,35.13. nom. + voc. + acc. mann. mv. grammateis (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in het N.T. : grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in Mc : grammateus (schriftgeleerde) . Mc (11) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 2,16 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 9,11 . (6) Mc 9,14 . (7) Mc 11,18 . (8) Mc 11,27 . (9) Mc 12,35 . (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,53 .

Mc 12,35.14. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,7 . (3) Mc 12,12 . (4) Mc 12,14 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,26 . (7) Mc 12,28 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,32 . (10) Mc 12,34 . (11) Mc 12,35 . (12) Mc 12,43 .

Mc 12,35.15. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 12 (16) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,20 . (7) Mc 12,21 . (8) Mc 12,24 . (9) Mc 12,26 . (10) Mc 12,29 . (11) Mc 12,32 . (12) Mc 12,34 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 12,41 . (16) Mc 12,42 .

Mc 12,35.18. dauid (David) . Taalgebruik in het N.T. : dauid (David) . Taalgebruik in Mc : dauid (David) .
Mc (7) : (1) Mc 2,25 . (2) Mc 10,47 . (3) Mc 10,48 . (4) Mc 11,20 . (5) Mc 12,35 . (6) Mc 12,36 . (7) Mc 12,37 .

Mc 12,36 - Mc 12,36 : 294. Zoon en Heer van David - Mc 12,35-37a - Mt 22,41-46 - Lc 20,41-44 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,35 - Mc 12,36 - Mc 12,37 -
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
36autos dauid eipen en tô pneumati tô agiô, eipen kurios tô kuriô mou, kathou ek dexiôn mou eôs an thô tous echthrous sou upokatô tôn podôn sou.   36 ipse enim David dicit in Spiritu Sancto dixit Dominus Domino meo sede a dextris meis donec ponam inimicos tuos scabillum pedum tuorum       36 Want David zelf heeft door den Heiligen Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.   [36] Geïnspireerd door de heilige Geest, heeft David zelf gezegd: De Heer heeft gezegd tot mijn Heer: Ga zitten aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden aan uw voeten heb gelegd.   [36] Zelf heeft David, geïnspireerd door de heilige Geest, gezegd: “De Heer sprak tot mijn Heer: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, tot ik je vijanden onder je voeten heb gelegd.’”   36 zelf heeft David door de heilige Geest gezegd: ‘de Heer heeft gezegd tot mijn heer: zetel aan mijn rechterhand, totdat ik je vijanden heb gelegd onder je voeten!’ –  36. C'est David lui-même qui a dit par l'Esprit Saint : Le Seigneur a dit à mon Seigneur : Siège à ma droite, jusqu'à ce que j'aie mis tes ennemis dessous tes pieds.  

King James Bible . [36] For David himself said by the Holy Ghost, The Lord said to my Lord, Sit thou on my right hand, till I make thine enemies thy footstool.
Luther-Bibel . 36 David selbst hat durch den Heiligen Geist gesagt (Psalm 110,1): »Der Herr sprach zu meinem Herrn: Setze dich zu meiner Rechten, bis ich deine Feinde unter deine Füße lege.«

Tekstuitleg van Mc 12,36 .

Mc 12,36.1. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij zelf) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (15) : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 2,25 . (3) Mc 3,13 . (4) Mc 4,27 . (5) Mc 4,38 . (6) Mc 5,40 . (7) Mc 6,17 . (8) Mc 6,45 . (9) Mc 6,47 . (10) Mc 8,29 . (11) Mc 12,36 . (12) Mc 12,37 . (13) Mc 14,15 . (14) Mc 14,44 . (15) Mc 15,43 .

Mc 12,36.2. dauid (David) . Taalgebruik in het N.T. : dauid (David) . Taalgebruik in Mc : dauid (David) .
Mc (7) : (1) Mc 2,25 . (2) Mc 10,47 . (3) Mc 10,48 . (4) Mc 11,20 . (5) Mc 12,35 . (6) Mc 12,36 . (7) Mc 12,37 .

Mc 12,36.3. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (56) . Mc 12 (8) : (1) Mc 12,12 . (2) Mc 12,15 . (3) Mc 12,17 . (4) Mc 12,26 . (5) Mc 12,32 . (6) Mc 12,34 . (7) Mc 12,36 . (8) Mc 12,43 . Een vorm van legô in Mc 12 in 9 verzen , van eipon (ik zei) in 10 verzen .

Mc 12,36.4. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 12 (9) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,11 . (3) Mc 12,23 . (4) Mc 12,25 . (5) Mc 12,26 . (6) Mc 12,35 . (7) Mc 12,36 . (8) Mc 12,38 . (9) Mc 12,39 .

Mc 12,36.5. bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,17 . (3) Mc 12,19 . (4) Mc 12,35 . (5) Mc 12,36 .

Mc 12,36.6. dat. onz. enk. pneumati van het zelfst. naamw. pneuma (geest) . Taalgebruik in het N.T. : pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest .
Mc (7) : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,23 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 5,2 . (5) Mc 8,12 . (6) Mc 9,25 . (7) Mc 12,36 .

Mc 12,36.7. bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 12 (5) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,17 . (3) Mc 12,19 . (4) Mc 12,35 . (5) Mc 12,36 .

Mc 12,36.11. bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 12 (5) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,17 . (3) Mc 12,19 . (4) Mc 12,35 . (5) Mc 12,36 .

Mc 12,36.15. ek - ex (uit) . Taalgebruik in het N.T. : ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc (38 + 20) . Mc 12 (3 + 2) : (1) Mc 12,25 . (2) Mc 12,36 . (3) Mc 12,44 . Mc (12) : (1) Mc 12,30 . (2) Mc 12,33 .

Mc 12,36.16. gen. mv. dexiôn (rechts) van het bijvoegl. naamw. dexios (rechts) . Taalgebruik in het N.T. : dexios (rechts) . Taalgebruik in Mc : dexios (rechts) .
Mc (6) : (1) Mc 10,37 . (2) Mc 10,40 . (3) Mc 12,36 . (4) Mc 14,62 . (5) Mc 15,27 . (6) Mc 16,19 .

Mc 12,36.21. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (52) . Mc 12 (4) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,36 . (4) Mc 12,43 .

Mc 12,36.25. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 12 (9) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,13 . (3) Mc 12,26 . (4) Mc 12,28 . (5) Mc 12,33 . (6) Mc 12,36 . (7) Mc 12,38 . (8) Mc 12,40 . (9) Mc 12,43 .

Mc 12,37 - Mc 12,37 : 294. Zoon en Heer van David - Mc 12,35-37a - Mt 22,41-46 - Lc 20,41-44 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,35 - Mc 12,36 - Mc 12,37 -
Griekse tekst Vulg. Synopsis   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
37autos dauid legei auton kurion, kai pothen autou estin uios; kai [o] polus ochlos èkouen autou èdeôs.   37 ipse ergo David dicit eum Dominum et unde est filius eius et multa turba eum libenter audivit      37 David dan zelf noemt Hem zijn Heere, en hoe is Hij zijn Zoon? En de menigte der schare hoorde Hem gaarne.   [37] David zelf noemt Hem Heer, hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?’ De grote massa hoorde Hem graag.   [37] David noemt hem Heer, hoe kan hij dan zijn zoon zijn?’ De talrijke aanwezigen luisterden graag naar hem.   37 zelf spreekt David als ‘heer’ van hem, hoe is hij dan zijn zoon? Het merendeel van de schare hoorde hem gaarne.   37. David en personne l'appelle Seigneur ; comment alors peut-il être son fils ? » Et la foule nombreuse l'écoutait avec plaisir. 

King James Bible . [37] David therefore himself calleth him Lord; and whence is he then his son? And the common people heard him gladly.
Luther-Bibel . 37 Da nennt ihn ja David selbst seinen Herrn. Woher ist er dann sein Sohn? Und alles Volk hörte ihn gern. Warnung vor den Schriftgelehrten

Tekstuitleg van Mc 12,37 .

Mc 12,37.1. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij zelf) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (15) : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 2,25 . (3) Mc 3,13 . (4) Mc 4,27 . (5) Mc 4,38 . (6) Mc 5,40 . (7) Mc 6,17 . (8) Mc 6,45 . (9) Mc 6,47 . (10) Mc 8,29 . (11) Mc 12,36 . (12) Mc 12,37 . (13) Mc 14,15 . (14) Mc 14,44 . (15) Mc 15,43 .

Mc 12,37.2. dauid (David) . Taalgebruik in het N.T. : dauid (David) . Taalgebruik in Mc : dauid (David) .
Mc (7) : (1) Mc 2,25 . (2) Mc 10,47 . (3) Mc 10,48 . (4) Mc 11,20 . (5) Mc 12,35 . (6) Mc 12,36 . (7) Mc 12,37 .

Mc 12,37.4. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,3 . (3) Mc 12,6 . (4) Mc 12,7 . (5) Mc 12,8 . (6) Mc 12,12 . (7) Mc 12,13 . (8) Mc 12,18 . (9) Mc 12,28 . (10) Mc 12,33 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 .

Mc 12,37.6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,37.8. pers. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (143) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,19 . (2) Mc 12,32 . (3) Mc 12,37 . (4) Mc 12,38 . (5) Mc 12,43 .

Mc 12,37.11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,37.12. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 12 (16) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,20 . (7) Mc 12,21 . (8) Mc 12,24 . (9) Mc 12,26 . (10) Mc 12,29 . (11) Mc 12,32 . (12) Mc 12,34 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 12,41 . (16) Mc 12,42 .

Mc 12,37.14. zelfst. naamw. nom. mann. enk. ochlos (menigte) . Taalgebruik in N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos (menigte) . Met één uitzondering (Mc 10,1) gebruikt Mc ochlos (menigte) in het enk . Mc (13) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 3,32 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,21 . (6) Mc 5,24a - Mc 5,24b . (7) Mc 9,15 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 11,18 . (10) Mc 12,37 . (11) Mc 12,41 . (12) Mc 12,43 . (13) Mc 15,8 . In deze gevallen is ochlos (menigte) onderwerp .

Mc 12,37.16. pers. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (143) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,19 . (2) Mc 12,32 . (3) Mc 12,37 . (4) Mc 12,38 . (5) Mc 12,43 .

295. Aanklacht tegen schriftgeleerden en Farizeeën : Mc 12,37b-40 - Mc 12,37b-40 - Mt 23,1-12 - Lc 20,45-47 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,38 - Mc 12,39 - Mc 12,40 -

Mc 12,38 - Mc 12,38 : 295. Aanklacht tegen schriftgeleerden en Farizeeën - Mc 12,37b-40 - Mt 23,1-12 - Lc 20,45-47 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,38 - Mc 12,39 - Mc 12,40 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
38kai en tè didachè autou elegen, blepete apo tôn grammateôn tôn thelontôn en stolais peripatein kai aspasmous en tais agorais  38 et dicebat eis in doctrina sua cavete a scribis qui volunt in stolis ambulare et salutari in foro     38 En Hij zeide tot hen in Zijn leer: Wacht u voor de Schriftgeleerden, die daar gaarne willen wandelen in lange klederen, en gegroet zijn op de markten;   [38] Bij zijn onderricht zei Hij: ‘Pas op voor de schriftgeleerden, die graag in plechtige gewaden rondlopen en graag gegroet worden op het marktplein,  [38] Tijdens zijn onderricht zei hij: ‘Pas op voor de schriftgeleerden die zo graag in dure gewaden rondlopen en eerbiedig begroet willen worden op het marktplein,   38 Ook heeft hij in zijn onderricht gezegd: kijkt u uit voor de schriftgeleerden die niets liever willen dan in lange gewaden rondlopen, begroet worden op de markten,   38. Il disait encore dans son enseignement : « Gardez-vous des scribes qui se plaisent à circuler en longues robes, à recevoir les salutations sur les places publiques,  

King James Bible . [38] And he said unto them in his doctrine, Beware of the scribes, which love to go in long clothing, and love salutations in the marketplaces,
Luther-Bibel . 38 Und er lehrte sie und sprach zu ihnen: Seht euch vor vor den Schriftgelehrten, die gern in langen Gewändern gehen und lassen sich auf dem Markt grüßen

Tekstuitleg van Mc 12,38 . Het vers Mc 12,38 telt 21 (3 X 7) woorden , X lettergrepen en 110 (2 X 5 X 11) letters . De getalwaarde van Mc 12,38 is 12504 (2 X 2 X 2 X 3 X 521) .

Mc 12,38.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,38.2. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 12 (9) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,11 . (3) Mc 12,23 . (4) Mc 12,25 . (5) Mc 12,26 . (6) Mc 12,35 . (7) Mc 12,36 . (8) Mc 12,38 . (9) Mc 12,39 .

Mc 12,38.3. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (55) . Mc 12 (3) : (1) Mc 12,23 . (2) Mc 12,26 . (3) Mc 12,38 .

Mc 12,38.4. nom. (didachè) + dat. vr. enk. didachè(i) van het zelfst. naamw. didachè (lering, onderrichting)  . Taalgebruik in het N.T. : didachè (lering, onderrichting) . Taalgebruik in Mc : didachè (lering, onderrichting) .
Mc (5) : (1) Mc 1,22 (dat.) . (2) Mc 1,27 (nom.) . (3) Mc 4,2 (dat.) . (4) Mc 11,18 (dat.) . (5) Mc 12,38 (dat.) .
dat. vr. enk. didachè(i) in Mc (4) .
- en tè(i) didachè(i) autou (in zijn leer / onderrichting) . Mc (2) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 12,38 .
- epi tè(i) didachè(i) autou (over zijn leer) . Mc (2) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 11,18 .

Mc 12,38.5. pers. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (143) . Mc 12 (5) : (1) Mc 12,19 . (2) Mc 12,32 . (3) Mc 12,37 . (4) Mc 12,38 . (5) Mc 12,43 .

Mc 12,38.6. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (31) . Mc 12 (2) : (1) Mc 12,35 . (2) Mc 12,38 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc 12 in 9 verzen , van eipon (ik zei) in 10 verzen .
- Mc 12,35 : ... elegen didaskôn (hij zei lerend) .
- Mc 12,38 : kai en tè(i) didachè(i) autou elegen (en in zijn lering zei hij) .

Mc 12,38.1. - 6.
- Mc 4,2 (dat.) : kai elegen autois en tè(i) didachè(i) autou = en hij zei hen in zijn leer .
- Mc 12,38 (dat.) : kai en tè(i) didachè(i) autou elegen = en in zijn leer zei hij .

Mc 12,38.7. act. ind. pr. + imperat. pr. 2de pers. mv. blepete (jullie kijken, kijkt) . van het werkw. blepô (kijken, zien) . Taalgebruik in het N.T. : blepô (kijken, zien) . Taalgebruik in Mc : blepô (kijken, zien) .
Mc (8) : (1) Mc 4,24 . (2) Mc 8,15 . (3) Mc 8,18 . (4) Mc 12,38 . (5) Mc 13,5 . (6) Mc 13,9 . (7) Mc 13,23 . (8) Mc 13,33 . Een vorm van blepô (kijken, zien) in Mc in 14 verzen .

Mc 12,38.8. apo (af, van-weg) . afkoring ap' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Mc (33 + 12) . apo (af, weg) in Mc 12 (3) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,34 . (3) Mc 12,38 .

Mc 12,38.9. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 12 (9) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,13 . (3) Mc 12,26 . (4) Mc 12,28 . (5) Mc 12,33 . (6) Mc 12,36 . (7) Mc 12,38 . (8) Mc 12,40 . (9) Mc 12,43 .

Mc 12,38.11. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 12 (9) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,13 . (3) Mc 12,26 . (4) Mc 12,28 . (5) Mc 12,33 . (6) Mc 12,36 . (7) Mc 12,38 . (8) Mc 12,40 . (9) Mc 12,43 .

Mc 12,38.13. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 12 (9) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,11 . (3) Mc 12,23 . (4) Mc 12,25 . (5) Mc 12,26 . (6) Mc 12,35 . (7) Mc 12,36 . (8) Mc 12,38 . (9) Mc 12,39 .

14. dat. vr. mv. stolais (kleren) van het zelfst. naamw. stolè (kleed) . Taalgebruik in het N.T. : stolè (kleed) . Taalgebruik in Mc : stolè (kleed) .
Mc (1) : Mc 12,38 . Nog een andere vorm (acc. vr. enk. stolèn) in Mc 16,5 .

Mc 12,38.16. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,38.18. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 12 (9) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,11 . (3) Mc 12,23 . (4) Mc 12,25 . (5) Mc 12,26 . (6) Mc 12,35 . (7) Mc 12,36 . (8) Mc 12,38 . (9) Mc 12,39 .

Mc 12,38.19. bep. lidw. dat. vr. mv. tais (de van het bep. lidw. ho , hè , to (de / het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (10) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 6,56 . (5) Mc 8,1 . (6) Mc 12,38 . (7) Mc 12,39 . (8) Mc 13,17 . (9) Mc 13,24 . (10) Mc 16,18 .

Mc 12,39 - Mc 12,39 : 295. Aanklacht tegen schriftgeleerden en Farizeeën - Mc 12,37b-40 - Mt 23,1-12 - Lc 20,45-47 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,38 - Mc 12,39 - Mc 12,40 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
39kai prôtokathedrias en tais sunagôgais kai prôtoklisias en tois deipnois:   39 et in primis cathedris sedere in synagogis et primos discubitus in cenis     39 En de voorgestoelten hebben in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden;   [39] graag vooraan in de synagoge zitten, en op de ereplaats bij het feestmaal.   [39] en een ereplaats willen in de synagogen en bij feestmaaltijden: [  39 vooraan zitten in de synagogen en vooraan liggen bij de maaltijden;   39. à occuper les premiers sièges dans les synagogues et les premiers divans dans les festins,  

King James Bible . [39] And the chief seats in the synagogues, and the uppermost rooms at feasts:
Luther-Bibel . 39 und sitzen gern obenan in den Synagogen und am Tisch beim Mahl;

Tekstuitleg van Mc 12,39 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

3. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 12 (9) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,11 . (3) Mc 12,23 . (4) Mc 12,25 . (5) Mc 12,26 . (6) Mc 12,35 . (7) Mc 12,36 . (8) Mc 12,38 . (9) Mc 12,39 .

4. bep. lidw. dat. vr. mv. tais (de van het bep. lidw. ho , hè , to (de / het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (10) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 6,56 . (5) Mc 8,1 . (6) Mc 12,38 . (7) Mc 12,39 . (8) Mc 13,17 . (9) Mc 13,24 . (10) Mc 16,18 .

5. dat. vr. mv. sunagôgais (synagogen) van het zelfst. naamw. sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik : sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik : sunagôgè (synagoge) .
Mc (1) : Mc 12,39 .

3. - 5. en tais sunagôgais (in de synagogen) . Mc (1) : Mc 12,39 .

6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

8. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 12 (9) : (1) Mc 12,1 . (2) Mc 12,11 . (3) Mc 12,23 . (4) Mc 12,25 . (5) Mc 12,26 . (6) Mc 12,35 . (7) Mc 12,36 . (8) Mc 12,38 . (9) Mc 12,39 .

Mc 12,40 - Mc 12,40 : 295. Aanklacht tegen schriftgeleerden en Farizeeën - Mc 12,37b-40 - Mt 23,1-12 - Lc 20,45-47 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,38 - Mc 12,39 - Mc 12,40 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
40oi katesthiontes tas oikias tôn chèrôn kai profasei makra proseuchomenoi, outoi lèmpsontai perissoteron krima.   40 qui devorant domos viduarum sub obtentu prolixae orationis hii accipient prolixius iudicium    40 Welke de huizen der weduwen opeten, en dat onder den schijn van lang te bidden. Dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen.   [40] Mensen die de huizen van de weduwen opeten en voor de schijn lange gebeden opzeggen – over hen zal een bijzonder streng vonnis geveld worden.’   40] ze verslinden de huizen van de weduwen en zeggen voor de schijn lange gebeden op. Over hen zal strenger worden geoordeeld dan over anderen!’   40 die de huizen van de weduwen opeten en voor de schijn langdurig bidden: zij zullen een heel zwaar oordeel krijgen!   40. qui dévorent les biens des veuves, et affectent de faire de longues prières. Ils subiront, ceux-là, une condamnation plus sévère. » 

King James Bible . [40] Which devour widows' houses, and for a pretence make long prayers: these shall receive greater damnation.
Luther-Bibel . 40 sie fressen die Häuser der Witwen und verrichten zum Schein lange Gebete. Die werden ein umso härteres Urteil empfangen.

Tekstuitleg van Mc 12,40 .

1. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 12 (7) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,16 . (4) Mc 12,22 . (5) Mc 12,23 . (6) Mc 12,35 . (7) Mc 12,40 .

3. bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (27) : Mc 12 (2) : (1) Mc 12,24 . (2) Mc 12,40 .

5. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 12 (9) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,13 . (3) Mc 12,26 . (4) Mc 12,28 . (5) Mc 12,33 . (6) Mc 12,36 . (7) Mc 12,38 . (8) Mc 12,40 . (9) Mc 12,43 .

6. gen. vr. mv. chèrôn (weduwen) van het zelfst. naamw. chèra (weduwe) . Taalgebruik in het N.T. : chèra (weduwe) . Taalgebruik in Mc : chèra (weduwe) .
Mc (1) : Mc 12,40 .  Een vorm van chèra (weduwe) in Mc in 3 verzen .

7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

298. De penningen van de weduwe : Mc 12,41-44 - Mc 12,41-44 - Lc 21,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,41 - Mc 12,42 - Mc 12,43 - Mc 12,44 -

Evangelie van de 32ste (tweeendertigste) zondag door het b-jaar : Mc 12,41-44 :
In die tijd ging Jezus in de tempel tegenover de offerkist zitten en keek toe, hoe het volk koperstukken daarin wierp terwijl menige rijke er veel in liet vallen. Er kwam ook een arme weduwe die er twee penningen, ter waarde van een cent in wierp. Hij riep nu zijn leerlingen bij zich en sprak: "Voorwaar, Ik zeg u: die arme weduwe heeft het meest geofferd van allen die iets in de offerkist wierpen; allen wierpen ze er iets in van hun overvloed maar zij offerde van haar armoe al wat ze bezat, alles waar ze van leven moest."
Mc 12,41 - Mc 12,41 : 298. De penningen van de weduwe - Mc 12,41-44 - Lc 21,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,41 - Mc 12,42 - Mc 12,43 - Mc 12,44 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling 32ste (tweeendertigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12:41 kai kathisas katenanti tou gazofulakiou etheôrei pôs o ochlos ballei chalkon eis to gazofulakion kai polloi plousioi eballon polla  41 et sedens Iesus contra gazofilacium aspiciebat quomodo turba iactaret aes in gazofilacium et multi divites iactabant multa    41 En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin.  In die tijd ging Jezus in de tempel tegenover de offerkist zitten en keek toe, hoe het volk koperstukken daarin wierp terwijl menige rijke er veel in liet vallen.  [41] Gezeten tegenover de offerkist, bekeek Hij hoe de menigte kopergeld in de offerkist gooide. Veel rijken gooiden er veel in.   [41] Hij ging tegenover de offerkist zitten en keek hoe de mensen er geld in wierpen. Veel rijken gooiden veel geld in de kist.   41 ¶ Als hij recht tegenover de schatkist neerzit, aanschouwt hij hoe de schare geldstukken in de schatkist werpt. Vele rijken hebben er veel ingeworpen   41. S'étant assis face au Trésor, il regardait la foule mettre de la petite monnaie dans le Trésor, et beaucoup de riches en mettaient abondamment.  

King James Bible . [41] And Jesus sat over against the treasury, and beheld how the people cast money into the treasury: and many that were rich cast in much.
Luther-Bibel . 41 Und Jesus setzte sich dem Gotteskasten gegenüber und sah zu, wie das Volk Geld einlegte in den Gotteskasten. Und viele Reiche legten viel ein.

Tekstuitleg van Mc 12,41 . Variabele lezing .

Mc 12,41.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,41.2. act. part. aor. nom. mann. enk. kathisas (gezeten) van het werkw. kathizô (zitten) . Taalgebruik in het N.T. : kathizô (zitten) . Taalgebruik in Mc : kathizô (zitten) . Mc (2) : (1) Mc 9,35 . (2) Mc 12,41 . Een vorm van kathizô (zitten) in 9 verzen in Mc :  (1) Mc 9,35 . (2) Mc 10,37 . (3) Mc 10,40 .  (4) Mc 11,2 . (5) Mc 11,7 .   (6) Mc 12,36 . (7) Mc 12,41 . (8) Mc 14,32 . (9) Mc 16,19 .  

Mc 12,41.3. katenanti (tegenover) . Taalgebruik in het N.T. : katenanti (tegenover) . Taalgebruik in Mc : katenanti (tegenover) . N. tegeover . D. gegenüber . E. against . Lat. contra . Fr. face à . Mc (3) : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 12,41 . (3) Mc 13,3 .

Mc 12,41.4. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 12 (10) : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,8 . (3) Mc 12,9 . (4) Mc 12,14 . (5) Mc 12,17 . (6) Mc 12,24 . (7) Mc 12,26 . (8) Mc 12,34 . (9) Mc 12,41 . (10) Mc 12,44 .

Mc 12,41.5. gen. onz. enk. gazofulakiou van het zelfst. naamw. gazofulakion (schatkist) . Taalgebruik in het N.T. : gazofulakeion (schatkist) . Taalgebruik in Mc : gazofulakeion (schatkist) . Mc (1) : Mc 12,41 . Een vorm van gazofulakion (schatkist) in Mc in 2 verzen .

7. pôs (hoe) . Taalgebruik in het N.T. : pôs (hoe) . Taalgebruik in Mc : pôs (hoe) . Vragend of onbepaald voornaamw. van wijze .
Mc (14) : (1) Mc 2,26 . (2) Mc 3,23 . (3) Mc 4,13 . (4) Mc 4,30 . (5) Mc 5,16 . (6) Mc 9,12 . (7) Mc 10,23 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 11,18 . (10) Mc 12,26 . (11) Mc 12,35 . (12) Mc 12,41 . (13) Mc 14,1 . (14) Mc 14,11 .

Mc 12,41.8. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 12 (16) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,20 . (7) Mc 12,21 . (8) Mc 12,24 . (9) Mc 12,26 . (10) Mc 12,29 . (11) Mc 12,32 . (12) Mc 12,34 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 12,41 . (16) Mc 12,42 .

Mc 12,41.9. zelfst. naamw. nom. mann. enk. ochlos (menigte) . Taalgebruik in N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos (menigte) . Met één uitzondering (Mc 10,1) gebruikt Mc ochlos (menigte) in het enk .
Mc (13) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 3,32 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,21 . (6) Mc 5,24a - Mc 5,24b . (7) Mc 9,15 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 11,18 . (10) Mc 12,37 . (11) Mc 12,41 . (12) Mc 14,43 . (13) Mc 15,8 . In deze gevallen is ochlos (menigte) onderwerp .

Mc 12,41.10. act. ind.  praes. 3de pers. enk. ballei ( - de menigte - werpt) van het werkw. ballô (werpen, gooien) . Taalgebruik in het N.T. : ballô (werpen, gooien) . Taalgebruik in Mc : ballô (werpen, gooien) . Mc (1) : Mc 12,41 . Een vorm van ballô (werpen, gooien) in Mc in '18' verzen .

Mc 12,41.13. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 12 (3) : (1) Mc 12,33 . (2) Mc 12,41 . (3) Mc 12,43 .

Mc 12,41.14. acc. onz. enk.  gazofulakion van het zelfst. naamw. gazofulakion (schatkist) . Taalgebruik in het N.T. : gazofulakeion (schatkist) . Taalgebruik in Mc : gazofulakeion (schatkist) . Mc (2) : (1) Mc 12,41 . (2) Mc 12,43 . Telkens in de bepaling : eis to gazofulakion = in de schatkist . Een vorm van gazofulakion (schatkist) in Mc in 2 verzen .

Mc 12,41.15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,41.18. act. ind. imperf. 3de pers. mv. eballon (zij wierpen) van het werkw. ballô (werpen, gooien) . Taalgebruik in het N.T. : ballô (werpen, gooien) . Taalgebruik in Mc : ballô (werpen, gooien) . Mc (1) Mc 12,41 . Een vorm van ballô (werpen, gooien) in Mc in '18' verzen .

Mc 12,41.19. nom. + acc. onz. mv. polla (veel) van het bijvoegl. naamw. polus (veel) . Taalgebruik in het N.T. : polus (veel) . Taalgebruik in Mc : polus (veel) .
Mc (21) : (1) Mc 1,34 . (2) Mc 1,45 . (3) Mc 3,12 . (4) Mc 4,2 . (5) Mc 5,10 . (6) Mc 5,23 . (7) Mc 5,26 . (8) Mc 5,38 . (9) Mc 5,43 . (10) Mc 6,13 . (11) Mc 6,20 . (12) Mc 6,23 . (13) Mc 6,34 . (14) Mc 7,4 . (15) Mc 7,13 . (16) Mc 8,31 . (17) Mc 9,12 . (18) Mc 9,26 . (19) Mc 10,22 . (20) Mc 12,41 . (21) Mc 15,3 .

Mc 12,42 - Mc 12,42 : 298. De penningen van de weduwe - Mc 12,41-44 - Lc 21,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,41 - Mc 12,42 - Mc 12,43 - Mc 12,44 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling 32ste (tweeendertigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12:42 kai elthousa mia chèra ptôchè ebalen lepta duo o estin kodrantès   42 cum venisset autem una vidua pauper misit duo minuta quod est quadrans     42 En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort.   Er kwam ook een arme weduwe die er twee penningen, ter waarde van een cent in wierp.  [42] Er kwam een arme weduwe, die er twee muntjes* in gooide, ter waarde van een quadrans*.  [42] Er kwam ook een arme weduwe, die er twee muntjes in gooide, ter waarde van niet meer dan een quadrans.   42 als er één arme weduwe komt die er twee penningen inwerpt, dat is samen een duit.  42. Survint une veuve pauvre qui y mit deux piécettes, soit un quart d'as. 

King James Bible . [42] And there came a certain poor widow, and she threw in two mites, which make a farthing.
Luther-Bibel . 42 Und es kam eine arme Witwe und legte zwei Scherflein ein; das macht zusammen einen Pfennig.

Tekstuitleg van Mc 12,42 .

Mc 12,42.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 12 . Van de 44 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,10 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,23 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 12,25 . (7) Mc 12,27 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,31 . (10) Mc 12,36 . (11) Mc 12,44 .

Mc 12,42.4. nom. + dat. vr. enk. chèra(i)  (weduwe) . Taalgebruik in het N.T. : chèra (weduwe) . Taalgebruik in Mc : chèra (weduwe) .
Mc (2) : (1) Mc 12,42 . (2) Mc 12,43 .  Een vorm van chèra (weduwe) in Mc in 3 verzen .

Mc 12,42.5. nom. vr. enk. ptôchè (arme) . Taalgebruik in het N.T. : ptôchos (arme) . Taalgebruik in Mc : ptôchos (arme) .
Mc (2) : (1) Mc 12,42 . (2) Mc 12,43 .

Mc 12,42.6. act. ind. aor. 3de prs. enk. ebalen (zij wierp) van het werkw. ballô (werpen, gooien) . Taalgebruik in het N.T. : ballô (werpen, gooien) . Taalgebruik in Mc : ballô (werpen, gooien) .
Mc (5) . (1) Mc 7,33 . (2) Mc 9,22 . (3) Mc 12,42 . (4) Mc 12,43 . (5) Mc 12,44 . Een vorm van ballô (werpen, gooien) in Mc in '18' verzen .

7 lepton (een stuk kleingeld) .

Mc 12,42.9. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 12 (16) : (1) Mc 12,7 . (2) Mc 12,9 . (3) Mc 12,15 . (4) Mc 12,17 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,20 . (7) Mc 12,21 . (8) Mc 12,24 . (9) Mc 12,26 . (10) Mc 12,29 . (11) Mc 12,32 . (12) Mc 12,34 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 12,41 . (16) Mc 12,42 .

11. kodrantès (kwart) .

Mc 12,43 - Mc 12,43 : 298. De penningen van de weduwe - Mc 12,41-44 - Lc 21,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,41 - Mc 12,42 - Mc 12,43 - Mc 12,44 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling 32ste (tweeendertigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12:43 kai proskalesamenos tous mathètas autou eipen autois amèn legô umin oti è chèra autè è ptôchè pleion pantôn ebalen tôn ballontôn eis to gazofulakion   43 et convocans discipulos suos ait illis amen dico vobis quoniam vidua haec pauper plus omnibus misit qui miserunt in gazofilacium     43 En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben.   Hij riep nu zijn leerlingen bij zich en sprak: "Voorwaar, Ik zeg u: die arme weduwe heeft het meest geofferd van allen die iets in de offerkist wierpen;  [43] Hij riep zijn leerlingen bij zich en zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie, die arme weduwe gooide meer in de offerkist dan alle anderen.   [43] Hij riep zijn leerlingen bij zich en zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: deze arme weduwe heeft meer in de offerkist gedaan dan alle anderen die er geld in hebben gegooid;   43 Hij roept zijn leerlingen bij zich en zegt tot hen: voorwaar, voorwaar, ik zeg u dat deze arme weduwe er meer heeft ingeworpen dan allen die iets in de schatkist wierpen;   43. Alors il appela à lui ses disciples et leur dit : « En vérité, je vous le dis, cette veuve, qui est pauvre, a mis plus que tous ceux qui mettent dans le Trésor.  

King James Bible . [43] And he called unto him his disciples, and saith unto them, Verily I say unto you, That this poor widow hath cast more in, than all they which have cast into the treasury:
Luther-Bibel . 43 Und