- Marcus: overzicht.
- Marcus taalgebruik - Marcus
taalgebruik A - Marcus
taalgebruik B - Marcus
taalgebruik C - Marcus
taalgebruik D - Marcus
taalgebruik E - Marcus
taalgebruik F - Marcus
taalgebruik G - Marcus
taalgebruik H - Marcus
taalgebruik I - Marcus
taalgebruik J - Marcus
taalgebruik K - Marcus
taalgebruik L - Marcus
taalgebruik M - Marcus
taalgebruik N - Marcus
taalgebruik O - Marcus
taalgebruik P - Marcus
taalgebruik Q - Marcus
taalgebruik R - Marcus
taalgebruik S - Marcus
taalgebruik T - Marcus
taalgebruik U - Marcus
taalgebruik Z -
- Mc: commentaar.
Overzicht: Mc
1 , Mc 2 , Mc 3 , Mc 4 , Mc
5 , Mc 6 , Mc 7 , Mc 8 , Mc
9 , Mc 10 , Mc 11 , Mc 12 , Mc
13 , Mc 14 , Mc 15 , Mc 16 ,
Tekstuitleg - Mc
12,1-12 - Mc
12,13-17 - Mc
12,18-27 - Mc
12,28-34 - Mc
12,35-37a - Mc
12,37b-40 - Mc
12,41-44 -
- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12 - Mc 12,13 - Mc 12,14 - Mc 12,15 - Mc 12,16 - Mc 12,17 - Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 - Mc 12,28 - Mc 12,29 - Mc 12,30 - Mc 12,31 - Mc 12,32 - Mc 12,33 - Mc 12,34 - Mc 12,35 - Mc 12,36 - Mc 12,37 - Mc 12,38 - Mc 12,39 - Mc 12,40 - Mc 12,41 - Mc 12,42 - Mc 12,43 - Mc 12,44 -
In hun Synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse
Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en
Marc Vervenne volgende pericopen in het twaalfde hoofdstuk van het Marcusevangelie:
289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers: Mc
12,1-12 - Mt
21,33-46 - Lc
20,9-19
291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer: Mc
12,13-17 - Mt
22,15-22 - Lc
20,20-26
292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis: Mc
12,18-27 - Mt
22,23-33 - Lc
20,27-38
293. Vraag naar het eerste gebod: Mc
12,28-34 - Mt
22,34-40 - Lc
20,39-40
294. Zoon en Heer van David: Mc
12,35-37a - Mt
22,41-46 - Lc
20,41-44
295. Aanklacht tegen schriftgeleerden en Farizeeën: Mc
12,37b-40 - Mt
23,1-12 - Lc
20,45-47
298. De penningen van de weduwe: Mc
12,41-44 - Lc
21,1-4
289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers: Mc 12,1-12 - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12 -
| Mc 12,1 - Mc 12,1: 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12 | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [1] And he began to speak unto them by parables. A certain
man planted a vineyard, and set an hedge about it, and digged a place for the
winefat, and built a tower, and let it out to husbandmen, and went into a far
country.
Luther-Bibel. 12 1 Und er fing an, zu ihnen in Gleichnissen zu reden: Ein Mensch
pflanzte einen Weinberg und zog einen Zaun darum und grub eine Kelter und baute
einen Turm und verpachtete ihn an Weingärtner und ging außer Landes.
καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers mann enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) παραβολαῖς (= parabolais: parabolais, gelijkenissen; zn dat vr mv van het zn παραβολη = parabolè: parabel, gelijkenis) λαλεῖν (= lalein: om te spreken; wkw act inf praes van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten), Ἀμπελῶνα (= amplôna: wijngaard, wijnberg; zn acc mann enk van het zn ἀμπελῶν = amplôn: wijngaard, wijnberg) ἄνθρωπος (= anthrôpos: mens; zn nom mann enk) ἐφύτευσεν (= efuteusen: hij plantte; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw φυτευω = futeuô: planten, voortbrengen, verwekken), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) περιέθηκεν (= periethèken; hij stelde rondom; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw περιτιθημι = peritithèmi: plaatsen, rondom leggen, rondom aanbrengen) φραγμὸν (= fragmon: afsluiting, omheining; zn acc mann enk van het zn φραγμος = fragmos) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὤρυξεν (ôruksen = hij groef; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw ορυσσω = orussô: graven, uitdelven) ὑπολήνιον (= hupolènion: ondergezette kuip; zn acc onz enk) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ᾠκοδόμησεν (oikodomèsen: hij bouwde; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw οικοδομεω = oikodomeô: bouwen) πύργον (= purgon: toren; zn acc mann enk van het zn πυργος = purgos: toren), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξέδετο (= eksedeto: hij gaf uit handen; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw εκδιδωμι = ekdidômi: uit handen geven) αυτον (= auton: hem; ^pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) γεωργοῖς, (= geôrgois: landbouwer, wijngaardenier; zn dat mann mv van het zn γεωργος = georgos: landbouwer, wijngaardenier) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπεδήμησεν (= apedèmèsen: hij was weg; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw αποδημεω = apodèmeô: weg zijn, uit het land zijn).
Tekstuitleg van Mc 12,1. Variabele lezingen. De inleiding (Mc 12,1a) op de parabel telt 6 woorden. Mc 12,1b heeft zes nevenschikkende zinnen en heeft 18 woorden, dit is gemiddeld 3 woorden per zin, waarvan 6X καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Het beginvers van de parabel (Mc 12,1b) gelijkt sterk op Js 5,2 maar verschilt helemaal in de verdere uitwerking. In Js 5 geeft de wijngaard slechte vruchten. Daarop besluit de eigenaar om de wijngaard te niet te doen. In Mc 12,1-8 eisten de wijnbouwers het eigenaarschap voor zich op. Uiteindelijk besluit de eigenaar om de wijngaard in huurleen aan anderen te geven (die het eigenaarschap voor zich niet zouden opeisen).
Mc 12,1.1.
καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D: und.
Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
Mc 12,1.2. ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers mann enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen). Taalgebruik in het NT: archomai
(beginnen, aanvangen, heersen). Taalgebruik in Mc: archomai
(beginnen, aanvangen, heersen). OT (35). NT (41). Mt
(7). Mc (18). Lc (11). Joh (1). Hnd (4).
Mc (18): (1) Mc
1,45. (2) Mc
4,1. (3) Mc
5,20. (4) Mc
6,2. (5) Mc
6,7. (6) Mc
6,34. (7) Mc
8,31. (8) Mc
8,32. (9) Mc
10,28. (10) Mc
10,32. (11) Mc
10,47. (12) Mc
11,15. (13) Mc
12,1. (14) Mc
13,5. (15) Mc
14,33. (16) Mc
14,69. (17) Mc
14,71. (18) Mc
15,8. Een vorm van αρχομαι (= archomai: beginnen) in Mc in 27 verzen.
- Ned: beginnen. Afleiding met → be- van een niet-overgeleverd (oorspr. sterk) werkwoord *ginnan ‘aanvangen’. Stam = ! (a/ee) - r - k: ar(k) / eer-(ste).
Mc 12,1.1.-2. καὶ ἤρξατο (= kai èrksato: en hij begon). LXX (21). NT (9). Mc (6/18): (1) Mc
5,20. (2) Mc
6,7. (3) Mc 6,34. (4) Mc
8,31. (5) Mc
10,28. (6) Mc
12,1. (7) Mc
14,33. (8) Lc 7,15. (9) Joh 13,5.
- Hebr: וַיּפְתַּח (= wajjiphëthach: en hij opende; < prefix consecutivum wë + wkw act qal imperf 3de pers mann enk van het wkw פָתַח = pâthach: openen).
Inchoatief werkwoord (Inchoatief werkwoord - Wikipedia)Een inchoatief werkwoord is een werkwoordsvorm waarvan de betekenis "iets dat begint of aan het ontstaan is" is. Deze betekenis wordt - meestal door middel van een gebonden morfeem - afgeleid van een ander werkwoord. Het inchoatieve aspect is daarmee een apart aspect van werkwoorden. In veel talen zoals het Grieks en Latijn heeft inchoativiteit een sterk productief karakter. Door middel van een infix kan van allerlei werkwoorden een secundaire inchoatieve betekenis worden afgeleid. In het Nederlands is het meest productieve element met een inchoatieve betekenis het voorvoegsel in-: (in-schakelen, in-zetten, enz.) LatijnIn het Latijn heeft met name het infix -sc- een inchoatieve betekenis. Dit infix is in veel vormen van de tegenwoordige tijd aanwezig:
In de meeste Romaanse talen (zoals het Italiaans) heeft dit infix zijn inchoatieve betekenis verloren. Zo betekent de vorm fin-isco met een dergelijk infix tegenwoordig niets anders meer dan "ik (be-)eindig", terwijl het inchoatieve infix ontbreekt in de overeenkomende meervoudsvorm fin-iamo, "wij (be-)eindigen". GrieksHet Oudgrieks had een gelijksoortig infix -sk- met inchoatieve betekenis. Wanneer de stam van werkwoorden op een medeklinker eindigt wordt -ισκ- toegevoegd, wanneer de stam op een klinker eindigt wordt -σκ- toegevoegd.
|
Mc 12,1.3.
αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord
autos.
Mc (117). Mc 12 (8): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,15. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,28. (7) Mc
12,43. (8) Mc
12,44.
Mc 12,1.1.-3. καὶ ἤρξατο αὐτοῖς (= kai èrksato autois: en hij begon hen). Bijbel/NT (1): Mc 12,1.
Mc 12,1.2.-3. ἤρξατο αὐτοῖς (= èrksato autois: hij begon hen). Bijbel/NT (2): (1) Mc 10,32. (2) Mc 12,1.
Mc 12,1.4. ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd). Taalgebruik in het NT: en
(in). Taalgebruik in Mc: en
(in). Hebr: bë. Fr: en. Ned: in. Fr: dans.
Mc (119). Mc 12 (9): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,11. (3) Mc
12,23. (4) Mc
12,25. (5) Mc
12,26. (6) Mc
12,35. (7) Mc
12,36.. (8) Mc
12,38. (9) Mc
12,39.
Mc 12,1.5.
παραβολαῖς (= parabolais: parabolais, gelijkenissen; zn dat vr mv van het zn παραβολη = parabolè: parabel, gelijkenis). Taalgebruik in het
NT: parabolè
(parabel, gelijkenis). Taalgebruik in Mc: parabolè
(parabel, gelijkenis). Zie wkw παραβαλλω (= paraballô: naast elkaar werpen, vergelijken).
Mc (5): (1) Mc
3,23. (2) Mc
4,2. (3) Mc
4,11. (4) Mc
4,33. (5) Mc
12,1. Een vorm van παραβολη (= parabolè: parabel, gelijkenis) in Mc in 13 verzen.
| παραβολη (= parabolè: parabel, gelijkenis) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 6 | παραβολαῖς (= parabolais: parabolais, gelijkenissen; zn dat vr mv) | 16 | 4 | 12 | 6 | 5 | 1 | 12 | 12 | ||||||
| totaal | 94 | 44 | 50 | 17 | 13 | 18 | 2 | 48 | 48 | 2 |
Mc 12,1.4.-5. ἐν παραβολαῖς (= en parabolais: in parabels, gelijkenissen). LXX (3). NT (11). Mc (4/5). Mc (4): (1) Mc
3,23. (2) Mc
4,2. (3) Mc
4,11. (4) Mc
12,1. Niet in: Mc
4,33.
- met een vorm van legô (zeggen):
-- Mc
3,23: ἐν παραβολαῖς ἔλεγεν αὐτοῖς (= en parabolais elegen autois: in parabels zei hij hen).
-- Mc 4,2: καὶ ἐδίδασκεν αὐτοὺς ἐν παραβολαῖς πολλά, καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς ἐν τῇ διδαχῇ αὐτοῦ (= kai edidasken autous en parabolais polla kai elegen autois en tè didachè autou: hij onderrichtte hen in parabels en hij zei hen in zijn onderricht).
- met een vorm van lalô (spreken):
-- Mc
4,33: Καὶ τοιαύταις παραβολαῖς πολλαῖς ἐλάλει αὐτοῖς (= kai toiautais parabolais pollais elalei autois: en met vele dergelijke
parabels sprak hij hen).
-- Mc 12,1: ηρξατο αυτοις εν παραβολαις λεγειν (= èrxato autois en parabolais lalein: hij begon hen in parabels te spreken).
| παραβολη (= parabolè: parabel, gelijkenis) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 6 | παραβολαῖς (= parabolais: parabolais, gelijkenissen; zn dat vr mv) | 16 | 4 | 12 | 6 | 5 | 1 | 12 | 12 | ||||||
| totaal | 94 | 44 | 50 | 17 | 13 | 18 | 2 | 48 | 48 | 2 |
- Jezus begint zijn openbaar spreken met een spreken in parabels. Hij beëindigt zijn openbaar spreken ook met het spreken in parabels. Sommige parabels sprak hij uit in Galilea, andere in Jeruzalem. In Mc 12,1 begint Jezus opnieuw in gesluierde taal te spreken. Maar er is ook een ernstige overgang: van open, vrijmoedig spreken naar een gesluierd, in parabels spreken. Mc 3,23 en Mc 12,1a stemmen in woordgebruik het sterkst met elkaar overeen.
Mc 12,1.6. λαλεῖν (= lalein: om te spreken; wkw act inf aor van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken,
praten). Taalgebruik in het NT: laleô
(lallen, spreken, praten). Taalgebruik in Mc: laleô
(lallen, spreken, praten).
Mc (3): (1) Mc
1,34. (2) Mc
7,37. (3) Mc
12,1. Een vorm van λαλεω (= laleô: lallen, spreken,
praten) in Mc in
19 verzen.
| λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten). | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| λαλεῖν (= lalein: om te spreken) | 37 | 16 | 21 | 2 | 3 | 2 | 1 | 6 | 7 | 7 | 8 |
- λέγειν (= legein: te zeggen; van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep).
| λεγω (= legô: zeggen) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| λέγειν (= legein: te zeggen; wkw act inf praes) | 51 | 11 | 40 | 5 | 8 | 12 | 1 | 6 | 8 | 25 | 26 | |
| totaal | 2928 | 1837 | 1091 | 265 | 150 | 191 | 196 | 79 | 124 | 86 | 606 | 802 |
Mc 12,1.2.-6. ηρξατο (...) λεγειν (= èrxato (...) legein: hij begon te zeggen). LXX (1). NT (5). Mc (5): (1) Mc 10,28. (2) Mc 10,32. (3) Mc 10,47. (4) Mc 13,5. (5) Mc 14,69. Variante lezing: Mc 12,1.
----------------------
Mc 12,1.7. Ἀμπελῶνα (= ampelôna: wijngaard, wijnberg; zn acc mann enk van het zn ἀμπελῶν = ampelôn: wijngaard, wijnberg). LXX (26). (1) Gn 9,20. (2) Ex 22,4. (3) Ex 23,11. (4) Lv 19,10. (5) Lv 19,19. (6) Nu 21,22. (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . (12) . (13) . (14) . (15) . (16) . (17) . (18) . (19) . (20) . (21) . (22) . (23) .
(24) . (25) . (26) . NT (11). (1) Mt 20,1. (2) Mt 20,2. (3) Mt 20,4. (4) Mt 20,7. (5) Mt 21,33. (6) Mt 21,41. (7) Mc 12,1. (8) Mc
12,9. (9) Lc 20,9. (10) Lc 20,16. (11) 1 Kor 9,7.
- ἀμπελῶν (= ampelôn: druivelaar, wijngaard, wijnberg; zn nom mann enk). LXX (16). NT (0).
- L: vinea. Fr: vigne. Ned: wijn-gaard. E: vineyard.
- De parabel omhelst Mc12,1b-8. Het eerste woord van de parabel in Mc 12,1b is αμπελῶνα (= ampelôna: wijngaard, wijnberg), het voorlaatste woord in Mc 12,8 is eveneens dit woord. Wijngaard omvat het geheel van de parabel. Het is een inclusio. De wijngaard is het symbool voor Israël. De zorg voor de wijngaard staat symbool voor de zorg die God voor zijn volk draagt.
Mc 12,1.8. ἄνθρωπος (= anthrôpos: mens; zn nom mann enk). Taalgebruik in het NT: anthrôpos (mens). Taalgebruik in Mc: anthrôpos (mens). Mc (14): (1) Mc 1,23. (2) Mc 2,27. (3) Mc 3,1. (4) Mc 4,26. (5) Mc 5,2. (6) Mc 7,11. (7) Mc 8,37. (8) Mc 10,7. (9) Mc 10,9. (10) Mc 12,1. (11) Mc 13,34. (12) Mc 14,13. (13) Mc 14,21. (14) Mc 15,39. Het woord ἄνθρωπος (= anthrôpos: mens) wordt in de Bijbel heel veel gebruikt. We zouden het in dit vers kunnen vertalen door "iemand".
| ἄνθρωπος (= anthrôpos: mens) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1 | nom. mann. enk. anthrôpos | 512 | 394 | 118 | 21 | 14 | 24 | 21 | 10 | 27 | 1 | 59 | 80 |
| Totaal | 1760 | 1233 | 527 | 108 | 53 | 94 | 57 | 45 | 145 | 25 | 255 | 312 |
Mc 12,1.9. ἐφύτευσεν (= efuteusen: hij plantte; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw φυτευω = futeuô: planten, een put maken, voortbrengen, verwekken; stam Gr: fut-eu-ô / Ned: planten: f/p - u/l - (n) -t); wkw met eu: grondwoord gebruiken, uitvoeren OF putten, een put maken.) LXX (9). (1) Gn 2,8. (2) Gn 9,20. (3) Gn 21,33. (4) Dt 20,6. (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . NT (4): (1) Mt 15,13. (2) Mt 21,33. (3) Mc 12,1. (4) Lc 20,9.
- ἐφύτευσα (= efuteusa: ik plantte; wkw act ind aor 1ste pers enk van het wkw φυτευω = futeuô: planten, voortbrengen, verwekken; stam Gr: fut-eu-ô / Ned: planten: f/p - u/l - (n) -t); wkw met eu: grondwoord gebruiken, uitvoeren OF putten, een put maken.) LXX (4): (1) Pr 2,4. (2) Js 5,2. (3) Jr 2,21. (4) Jr 51,34 . NT (1): 1 Kor 3,6.
- Paulus gebruikt het beeld van de akker om het aandeel van Gods medewerkers aan te duiden. Maar God geeft de wasdom.
Mc 12,1.7.9. Ἀμπελῶνα ... ἐφύτευσεν (= ampelôna ... efuteusen: een wijngaard ... plantte hij). Bijbel/NT (1): Mc 12,1 (misdadige wijnbouwers).
- εφυτευσεν αμπελωνα (= efuteusen ampelôna: hij plantte een wijngaard). LXX (2). (1) Gn 9,20. (Noach plantte een wijngaard, dronk ervan en werd zat). (2) Dt 20,6 (de eerste vruchten plukken van de wijngaard). NT (2): (1) Mt 21,33 (misdadige wijnbouwers). (2) Lc 20,9 (misdadige wijnbouwers).
- Er wordt een wijngaard aangeplant. In sommige gevallen gaat het om de letterlijke betekenis, in andere gevallen om een metaforische betekenis. In Gn 2,8 is er sprake dat God een paradijs aanplant in Eden. Hier is reeds een aanwijzing dat Mc zich heeft geïnspireerd op Js 5.
Mc 12,1.10. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
- Een tweede nevenschikkende zin in Mc 12,1b: een omheining aanbrengen rondom de wijngaard.
Mc 12,1.11. περιέθηκεν (= periethèken; hij stelde rondom; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw περιτιθημι = peritithèmi: plaatsen, rondom leggen, rondom aanbrengen). LXX (9). NT (2). (1) Mt 21,33. (2) Mc 12,1.
Lat: circumdedit (hij omgaf; wkw act ind perf 3de pers enk van het wkw circumdare: omgeven). Mc 12,1.
- περιέθηκα (= periethèka; ik stelde rondom; wkw act ind aor 1ste pers enk van het wkw περιτιθημι = peritithèmi: plaatsen, rondom leggen, rondom aanbrengen). LXX (6). (1) . (2) . (3) . (4) . (5) Js 5,2. (6) . NT (0).
Mc 12,1.12. φραγμὸν (= fragmon: afsluiting, omheining; zn acc mann enk van het zn φραγμος = fragmos). LXX (11). (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) Js 5,2. (11) Js 5,5. NT (2): (1) Mt 21,33. (2) Mc 12,1. Zie wkw φραζω (= fradzô: omheinen, afsluiten, blokkeren < frakJô, vandaar zn frag-mos).
- sepem (omheining; zn acc vr enk van het zn sepes = saepes:omheining, heg, haag, versperring). Mc 12,1.
Mc 12,1.11.-12. περιέθηκεν φραγμὸν (= periethèken fragmon; hij stelde een omheining rondom). Bijbel/NT (1): Mc 12,1.
- φραγμὸν ... περιέθηκεν (= fragmon... perithèken: een omheining stelde hij rondom). Bijbel/NT (1): Mt 21,33.
- περιέθηκα φραγμὸν (= periethèka fragmon; ik stelde een omheining rondom). Bijbel/OT (1): Js 5,2.
- Lat: circumdedit sepem (= hij omgaf met een omheining). Mc 12,1. Lat: sepivit
(= hij omheinde; wkw act ind perf 3de pers enk van het wkw sepite = saepire: omheinen, omgeven, omringen, versperren, beschermen). Js 5,2.
- Je zou verwachten dat de wijngaard pas geplant wordt wanneer alle voorbereidingen zijn gebeurd. In Mc 12,1 wordt de wijngaard eerst geplant en dan alle voorzorgsmaatregelen. Deze getuigen van de grote zorg van de eigenaar voor zijn wijngaard. Met zijn inclusio van wijngaard wilde de auteur de klemtoon leggen op de wijngaard. Vandaar komt dit woord op de eerste plaats in de parabel.
Mc 12,1.13. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
- De derde nevenschikkende zin in Mc 12,1b: een perskuip uitgraven. Het gaat om de vruchten van de wijngaard, om de druiven, en uiteindelijk om de wijn. In Js 5,1-5 brengt de wijngaard zure vruchten voort, in Mc 12,1b-8 brengt de wijngaard wel goede vruchten voort, maar de wijn wordt door misdadige wijnbouwers afhandig gemaakt van de eigenaar, die hen ontslaat en de wijngaard aan anderen in beheer geeft.
Mc 12,1.14. ὤρυξεν (ôruksen = hij groef; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw ορυσσω / ορυττω= orussô: graven, uitdelven; Fr: creuser: k-r-u/v/f-s; stam: ?/g/c - r -t/s/ks/f). LXX (7): (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . NT (2): (1) Mt 21,33. (2) Mt 25,18 (3) Mc 12,1.
Mc 12,1.15. ὑπολήνιον (= hupolènion: ondergezette kuip; zn acc onz enk). LXX (1). NT (1): Mc 12,1.
Mc 12,1.16. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
- De vierde nevenschikkende zin in Mc 12,1b: een wachttoren bouwen.
Mc 12,1.17. ᾠκοδόμησεν (= oikodomèsen: hij bouwde; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw οικοδομεω = oikodomeô: bouwen). LXX (124). NT (6): (1) Mt 7,24. (2) Mt 7,26. (3) Mt 21,33. (4) Mc 12, 1. (5) Lc 7,5. (6) Hnd 7,47.
- ωκοδομησα (= ôkodomèsa: ik bouwde; wkw act ind aor 1ste pers mann enk van het wkw οικοδομεω = oikodomeô: bouwen). LXX (17). o.a. Js 5,2.
Mc 12,1.18.ᾠκοδόμησεν πύργον (= oikodomèsen purgon: hij bouwde een toren). Bijbel/NT (2): (1) Mt 21,33. (2) Mc 12,1.
- ωκοδομησα πυργον (= ôkodomèsa purgon: ik bouwde een toren). Bijbel (1): Js 5,2.
- Naast het aanleggen van een omheining behoort het bouwen van een wachttoren tot een maatregel om de wijngaard te beveiligen. Landdieren, vogels en mensen kunnen de wijngaard bedreigen.
Mc 12,1.19. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
- De vijfde nevenschikkende zin in Mc 12,1b: verhuren van de wijngaard aan wijnbouwers.
Mc 12,1.20. εξεδοτο / εξεδετο (= eksedoto / eksedeto: hij gaf uit handen; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εκδιδωμι = ekdidômi: uit handen geven). LXX (1): Ex 3,21. NT (3): (1) Mt 21,33. (2) Mc 12,1. (3) Lc 20,9.
19.-20. καὶ εξεδοτο / εξεδετο (= kai eksedoto / eksedeto: en hij gaf uit handen). LXX (1): Ex 3,21. NT (3): (1) Mt 21,33. (2) Mc 12,1. (3) Lc 20,9.
Mc 12,1.21.
αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 12 (12): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,3. (3) Mc
12,6. (4) Mc
12,7. (5) Mc
12,8. (6) Mc
12,12. (7) Mc
12,13. (8) Mc
12,18. (9) Mc
12,28. (10) Mc
12,33. (11) Mc
12,34. (12) Mc
12,37.
Mc 12,1.22. γεωργοῖς, (= geôrgois: landbouwer, wijnbouwer; zn dat mann mv van het zn γεωργος = georgos: landbouwer, wijnbouwer). NT (5): NT (3): (1) Mt 21,33. (2) Mt 21,40. (3) Mt 21,41. (4) Mc 12,1. (5) Lc 20,9. Een vorm van γεωργος (= georgos: landbouwer, wijnbouwer) in NT (19); Mt (6). Mc (5). Lc (5). Joh (1). Andere (2).
19.-22. καὶ εξεδοτο / εξεδετο αὐτὸν γεωργοῖς (= kai eksedoto / eksedeto auton geôrgois : en hij gaf hem uit handen aan wijnbouwers).
- De eigenaar van de wijngaard verhuurt de wijngaard aan wijnbouwers.
Mc 12,1.23. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
- De zesde nevenschikkende zin in Mc 12,1b: het vertrek van de eigenaar van de wijngaard op reis.
Mc 12,1.24.; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αποδημεω = apodèmeô: op reis, naar het buitenland zijn / gaan).Taalgebruik in het NT : apodèmeô (op reis, naar het buitenland zijn / gaan).Taalgebruik in de LXX : apodèmeô (op reis, naar het buitenland zijn / gaan).Taalgebruik in Lc : apodèmeô (op reis, naar het buitenland zijn / gaan). Bijbel = NT (5): (1) Mt 21,33. (2) Mt 25,15. (3) Mc 12,1. (4) Lc 15,13. (5) Lc 20,9. Een vorm van αποδημεω (= apodèmeô: op reis, naar het buitenland zijn / gaan) in NT (6). Vorige + Mt 25,14.
Mc 12,1.23-24. καὶ απεδημησεν ( = apedèmèsen: hij ging op reis). Bijbel / NT: (4): (1) Mt
21,33. (2) Mt
25,15. (3) Mc 12,1. (4) Lc
20,9.
- Wat gaan werknemers doen bij afwezigheid van hun werkgever? Hoe zullen zij beheren? Hoe worden de werknemers vergoed en is dit in verhouding tot de winst van de beheerde goederen? Hoe gaan de werknemers de goederen beheren? Welke inspanning zullen zij doen? In de parabel van de vader en zijn twee zonen gaat de jongste zoon op reis in de veronderstelling dat het elders beter is dan thuis.
| Mc 12,2 - Mc 12,2: 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12 | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [2] And at the season he sent to the husbandmen a servant,
that he might receive from the husbandmen of the fruit of the vineyard.
Luther-Bibel. 2 Und er sandte, als die Zeit kam, einen Knecht zu den Weingärtnern,
damit er von den Weingärtnern seinen Anteil an den Früchten des Weinbergs hole.
Tekstuitleg van Mc 12,2. De wijngaard wordt toevertrouwd aan wijnbouwers. Zij werken in dienst van de eigenaar van de wijngaard, die verwacht dat op het gepaste moment de wijn aan hem worden overgedragen.
καὶ ἀπέστειλεν πρὸς τοὺς γεωργοὺς τῷ καιρῷ δοῦλον, ἵνα παρὰ τῶν γεωργῶν λάβῃ ἀπὸ τῶν καρπῶν τοῦ ἀμπελῶνος:
En hij zond ter gepaster tijde een dienaar naar de landbouwers, opdat hij bij de landbouwers van de vruchten van de wijngaard zou nemen.
Mc 12,2 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπέστειλεν (= apesteilen: hij zond; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden) προς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γεωργοὺς (= geôrgous: landbouwer, wijngaardenier; zn acc mann mv van het zn γεωργος = georgos: landbouwer, wijngaardenier) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) καιρῷ (= kairô: gunstige tijd; zn dat mann enk van het zn καιρὸς = kairos: tijd, gunstig moment) δοῦλον (= doulon: dienaar; zn acc mann enk van het zn δουλος = doulos: slaaf, dienaar), ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) παρὰ (= para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par' ; vz met gen, dat en acc) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γεωργῶν (= geôrgôn: landbouwer; zn gen mann mv van het zn γεωργος = georgos: landbouwer, wijngaardenier) λάβῃ (= labè: hij zou nemen; wkw act conjunct aor 3de pers mann enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) ἀπὸ (= apo: af, weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker, en αφ' = af' : vóór een aangeblazen klinker) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) καρπῶν (= karpôn: vruchten; zn gen mann mv van het zn καρπος = karpos: vrucht) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀμπελῶνος (= ampelônos: wijngaard; zn gen mann enk van het zn ἀμπελῶν = amplôn: wijngaard, wijnberg):
Mc 12,2.1.
καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D: und.
Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
Mc 12,2.2. ἀπέστειλεν (= apesteilen: hij zond; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden). Mc (5): (1) Mc 8,26. (2) Mc 12,2. (3) Mc 12,4. (4) Mc 12,5. (5) Mc 12,6.
| αποστελλω (= apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden). | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| ind. aor. 3de p. enk. apesteilen | 347 | 309 | 38 | 9 | 5 | 9 | 9 | 3 | 2 | 1 | 23 | 32 | 1 | 1 | |
| Totaal | 558 | 457 | 101 | 18 | 17 | 18 | 26 | 15 | 5 | 2 | 53 | 79 | 2 | 3 |
Mc 12,2.3. προς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting). Taalgebruik in het NT: pros
(naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros
(naar, bij).
Mc (62). Mc 12 (7): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,4. (3) Mc
12,6. (4) Mc
12,7. (5) Mc
12,12. (6) Mc
12,13. (7) Mc
12,18.
Mc 12,2.4. τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc (52). Mc 12 (4): (1) Mc 12,2. (2) Mc 12,9. (3) Mc 12,36. (4) Mc 12,43.
Mc 12,2.5. γεωργοὺς (= geôrgous: landbouwers, wijnbouwers; zn acc mann mv van het zn γεωργος = georgos: landbouwer, wijngaardenier). OT (1): Jr 51,16. NT (5): (1) Mt 21,34. (2) Mc 12,2. (3) Mc 12,9. (4) Lc 20,16.
Mc 12,2.4. - 5. τοὺς γεωργοὺς (= tous geôrgous: de landbouwers, de wijngaardeniers). NT (5): (1) Mt 21,34. (2) Mc 12,2. (3) Mc 12,9. (4) Lc 20,10. (5) Lc 20,16.
Mc 12,2.3. - 5. προς τοὺς γεωργοὺς (= pros tous geôrgous: tot de landbouwers, de wijngaardeniers). NT (3): (1) Mt 21,34. (2) Mc 12,2. (3) Lc 20,10.
Mc 12,2.6. τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc (68). Mc 12 (5): (1) Mc 12,2. (2) Mc 12,17. (3) Mc 12,19. (4) Mc 12,35. (5) Mc 12,36.
Mc 12,2.7. καιρῷ (= kairô: gunstige tijd; zn dat mann enk van het zn καιρὸς = kairos: tijd, gunstig moment). Taalgebruik in het NT : kairos (gunstig moment). Taalgebruik in de LXX : kairos (gunstig moment). Taalgebruik in Mc : kairos (gunstig moment). Taalgebruik in Lc : kairos (gunstig moment). LXX (198). NT (25). Mc (2): (1) Mc 10,30. (2) Mc 12,2. Een vorm van kairos (gunstig moment) in de LXX (487).
| καιρὸς (= kairos: tijd, gunstig moment) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| καιρῷ (= kairô: gunstige tijd; zn dat mann enk). | 197 | 173 | 24 | 5 | 2 | 6 | 1 | 10 | 13 | 13 | 8 | 2 | ||
| totaal | 455 | 371 | 84 | 10 | 5 | 13 | 2 | 9 | 38 | 7 | 28 | 30 | 34 | 4 |
Mc 12,2.6. - 7. τῷ καιρῷ (= kairô: op de gunstige tijd). LXX (94). NT (10). Mc (2): (1) Mc 10,30. (2) Mc 12,2.
Mc 12,2.8. δοῦλον (= doulon: dienaar; zn acc mann enk van het zn δουλος = doulos: slaaf, dienaar). Mc (3): (1) Mc 12,2. (2) Mc 12,4. (3) Mc 14,47.
| δουλος (= doulos: slaaf, dienaar). | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 5 | acc. enk. doulon | 60 | 43 | 17 | 2 | 3 | 9 | 1 | 2 | 14 | 15 | 2 | |||
| Totaal | 430 | 315 | 115 | 29 | 4 | 26 | 11 | 2 | 32 | 11 | 59 | 70 | 27 | 5 |
Mc 12,2.9. ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel).
Mc 12,2.10. παρὰ (= para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par' ; vz met gen, dat en acc). Taalgebruik in het NT: para
(langs).
Mc (11). (1) Mc
1,16. (2) Mc
2,13. (3) Mc
4,1. (4) Mc
4,4. (5) Mc
4,15. (6) Mc
5,21. (7) Mc
10,27. (8) Mc
10,46. (9) Mc
12,2. (10) Mc
12,11. (11) Mc
14,43.
- para + gen. (vanwege) in Mc (4): (1) Mc
10,27. (2) Mc
12,2. (3) Mc
12,11. (4 Mc
14,43.
- para + acc. + plaatsbepaling in Mc (7) (3X tèn hodon = langs de weg: (1) Mc
4,4. (2) Mc
4,15. (3) Mc
10,46. 4X tèn thalassan = langs het meer: (1) Mc
1,16. (2) Mc 2,13. (3) Mc
4,1. (4) Mc
5,21.
Mc 12,2.11. τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc (90). Mc 12 (9): (1) Mc 12,2. (2) Mc 12,13. (3) Mc 12,26. (4) Mc 12,28. (5) Mc 12,33. (6) Mc 12,36. (7) Mc 12,38. (8) Mc 12,40. (9) Mc 12,43.
Mc 12,2.12. γεωργῶν (= geôrgôn: landbouwer; zn gen mann mv van het zn γεωργος = georgos: landbouwer, wijngaardenier). Bijbel = Mc (1): Mc 12,2.
Mc 12,2.13. λάβῃ (= labè: hij zou nemen; wkw act conjunct aor 3de pers mann enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab). LXX (20). NT (8). Mc (2): (1) Mc 10,30. (2) Mc 12,2.
Mc 12,2.14. ἀπὸ (= apo: af, weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker, en αφ' = af' : vóór een aangeblazen klinker). Taalgebruik in het NT: apo (af, van-weg). Taalgebruik in Mc: apo (af, van-weg). Mc (33 + 12). apo (af, weg) in Mc 12 (3): (1) Mc 12,2. (2) Mc 12,34. (3) Mc 12,38.
Mc 12,2.15. τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het). Taalgebruik in het
NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord.
Mc (90). Mc 12 (9): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,13. (3) Mc
12,26. (4) Mc
12,28. (5) Mc
12,33. (6) Mc
12,36. (7) Mc
12,38. (8) Mc
12,40. (9) Mc
12,43.
Mc 12,2.16. καρπῶν (= karpôn: vruchten; zn gen mann mv van het zn καρπος = karpos: vrucht).
| καρπος (= karpos: vrucht). | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 6 | gen. mv. karpôn | 22 | 16 | 6 | 3 | 1 | 2 | ||||||
| Totaal | 182 | 121 | 61 | 16 | 5 | 11 | 8 | 1 | 18 | 2 |
Alternatieve lezing: καρπου (= karpou: vrucht; zn gen mann enk van het zn καρπος = karpos: vrucht). Mc (0).
| καρπος (= karpos: vrucht). | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. enk. karpou | 18 | 14 | 4 | 1 | 2 | 1 | ||||||
| Totaal | 182 | 121 | 61 | 16 | 5 | 11 | 8 | 1 | 18 | 2 |
Mc 12,2.17. τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord.
Mc (116). Mc 12 (10): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,8. (3) Mc
12,9. (4) Mc
12,14. (5) Mc
12,17. (6) Mc
12,24. (7) Mc
12,26. (8) Mc
12,34. (9) Mc
12,41. (10) Mc
12,44.
Mc 12,2.18. ἀμπελῶνος (= ampelônos: wijngaard; zn gen mann enk van het zn ἀμπελῶν = amplôn: wijngaard, wijnberg). LXX (9). NT (10). Mc (3): (1) Mc 12,2. (2) Mc 12,8. (3) Mc 12,9.
| Mc 12,3 - Mc 12,3: 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12 | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [3] And they caught him, and beat him, and sent him away
empty.
Luther-Bibel. 3 Sie nahmen ihn aber, schlugen ihn und schickten ihn mit leeren
Händen fort.
Tekstuitleg van Mc 12,3. In Js 5 gaf de wijngaard geen goede vruchten. In Mc 12,3 geeft hij wel goede vruchten, maar de wijnbouwers sturen de dienaar met lege handen terug, zodat de wijngaardenier met lege handen staat. De wijngaardenier heeft wel zijn dienaar terug, die hij zond.
καὶ λαβόντες αὐτὸν ἔδειραν καὶ ἀπέστειλαν κενόν.
En hem nemende mishandelden zij hem en zij zonden hem ledig terug.
Mc 12,3 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λαβόντες (= labontes: nemende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) αυτον (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἔδειραν (= edeiran: zij mishandelden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw derô: mishandelen) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπέστειλαν (= apesteilan: zij zonden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden) κενόν (= kenon: leeg; bv nw acc mann enk van het bv nw κενος = kenos: leeg, met lege handen, tevergeefs).
Mc 12,3.1.καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
Mc 12,3.2. λαβόντες (= labontes: nemende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab). LXX (26). NT (16). Mc (2): (1) Mc 12,3. (2) Mc 12,8.
Mc 12,3.3. αυτον (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc (146). Mc 12 (12): (1) Mc 12,1. (2) Mc 12,3. (3) Mc 12,6. (4) Mc 12,7. (5) Mc 12,8. (6) Mc 12,12. (7) Mc 12,13. (8) Mc 12,18. (9) Mc 12,28. (10) Mc 12,33. (11) Mc 12,34. (12) Mc 12,37.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1 | nom. mann. enk. autos | 15 | 1 | 1 | 1 | 2 | 1 | 3 | 1 | 2 | 2 | 1 | 654 | 490 | 164 | 12 | 15 | 45 | 18 | 17 | 49 | 8 | 72 | 90 | ||||||
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| 3 | dat. mann. enk. autô(i) | 109 | 10 | 6 | 4 | 3 | 9 | 7 | 3 | 9 | 7 | 14 | 5 | 6 | 2 | 16 | 8 | 2475 | 1686 | 789 | 159 | 109 | 144 | 153 | 79 | 114 | 31 | 412 | 565 | |
| 4 | acc. mann. enk. auton | 146 | 11 | 4 | 12 | 5 | 12 | 8 | 9 | 6 | 16 | 8 | 7 | 12 | 1 | 14 | 17 | 4 | 2872 | 2032 | 840 | 114 | 146 | 184 | 154 | 136 | 85 | 21 | 598 | 752 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 12,3.2. - 3. λαβόντες αυτον (= labontes: nemende hem). LXX (1): Gn 36,34. NT (3): (1) Mt 21,33. (2) Mc 12,3. (3) Mc 12,8.
Mc 12,3.4. ἔδειραν (= edeiran: zij mishandelden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw derô: mishandelen). NT (2): (1)Mt 21,35. (2) Mc 12,3.
Mc 12,3.5. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en).
Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
Mc 12,3.6. ἀπέστειλαν (= apesteilan: zij zonden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden). LXX (35). NT (14).
Mc 12,3.7. κενόν (= kenon: leeg; bv nw acc mann enk van het bv nw κενος = kenos: leeg, met lege handen, tevergeefs). LXX (20) NT (9). Mc (1): Mc 12,3.
Mc 12,3.6. - 7. ἀπέστειλαν κενόν (= apesteilan kenon: zij zonden met lege handen). Bijbel (1): Mc 12,3.
| Mc 12,4 - Mc 12,4: 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12 | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [4] And again he sent unto them another servant; and at
him they cast stones, and wounded him in the head, and sent him away shamefully
handled.
Luther-Bibel. 4 Abermals sandte er zu ihnen einen andern Knecht; dem schlugen
sie auf den Kopf und schmähten ihn.
Tekstuitleg van Mc
12,4. In Mc
12,4 krijgen we een reactie van de wijngaardenier en een reactie hierop van de wijnbouwers. De wijngaardenier stuurt een nieuwe dienaar. De wijnbouwers slaan hem op het hoofd en beledigen hem. Is deze dienaar kunnen teruggaan of hebben zij hem gevangen gehouden? Ook dit kan erop wijzen dat hij met lege handen werd teruggestuurd.
- Kevers (Parabels, Meerstemmig, p.33) stelt dat de zending in Mc
12,2a en Mc
12,4a parallel is opgebouwd. Dat is niet het geval in Mc
12,5. Dit is één van de elementen om te beweren dat Mc
12,5 een latere toevoeging is. Bij weglating van dit vers behoudt men de driedeling, die in vele parabels voorkomt zoals in de parabel van de zaaier (Mc 4,3-8) waarbij het zaad op de weg, op de rots of tussen distels en doornen valt of in de parabel van de onwillige genodigden (Lc 14,16-24), die drie verschillende verontschuldigingen hebben.
| Mc 12,2a | καὶ | ἀπέστειλεν | πρὸς τοὺς γεωργοὺς | τῷ καιρῷ | δοῦλον | ||||
| Mc 12,4a | καὶ | πάλιν | ἀπέστειλεν | πρὸς αὐτοὺς | ἄλλον δοῦλον | ||||
καὶ πάλιν ἀπέστειλεν πρὸς αὐτοὺς ἄλλον δοῦλον: κἀκεῖνον ἐκεφαλίωσαν καὶ ἠτίμασαν.
En opnieuw zond hij naar hen een andere dienaar; ook die sloegen ze op het hoofd en beledigden zij hem.
Mc 12,4 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) ἀπέστειλεν (= apesteilen: hij zond; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden) προς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἄλλον (= allon: een andere; bv nw acc mann enk van het bv nw αλλος = allos: ander) δοῦλον (= doulon: dienaar; zn acc mann enk van het zn δουλος = doulos: slaaf, dienaar): κἀκεῖνον (= kakeinon: ook die; samentrekking van het nevenschikkend vw και = kai: en, en het aanwijz vnw acc mann enk van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) ἐκεφαλίωσαν (= ekefaliôsan: zij sloegen op zijn hoofd; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw kefalioô: op het hoofd slaan) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἠτίμασαν (=ètimasan: zij beledigden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ατιμαω = atimaô: verachten, krenken, beledigen).
Mc 12,4.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
Mc 12,4.2. πάλιν (= palin: opnieuw; partikel).
| palin (opnieuw) | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 14 | Mc 15 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 14 | Mc 15 |
| 2 : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,13 . | 2 : (3) Mc 3,1 . (4) Mc 3,20 . | 1 : (5) Mc 4,1 . | 1 : Mc 5,21 . | 2 : (7) Mc 7,14 . (8) Mc 7,31 . | 3 : (9) Mc 8,1 . (10) Mc 8,13 . (11) Mc 8,25 . | 4 : (12) Mc 10,1 . (13) Mc 10,10 . (14) Mc 10,24 . (15) Mc 10,32 . | 2 : (16) Mc 11,3 . (17) Mc 11,27 . | 1 : (18) Mc 12,4 . | 5 : (19) Mc 14,39 . (20) Mc 14,40 . (21) Mc 14,61 . (22) Mc 14,69 . (23) Mc 14,70 . | 3 : (24) Mc 15,4 . (25) Mc 15,12 . (26) Mc 15,13 . | 206 | 70 | 136 | 16 | 26 | 26 | 45 | 5 | 16 | 2 | 68 | 113 | 2 | 2 | 1 | 1 | 2 | 3 | 4 | 2 | 1 | 5 | 3 | |
| kai palin (en opnieuw) | 1 : Mc 4,1 . | 1 : Mc 7,31 . | 1 : Mc 12,4 . | 2 : (1) Mc 14,39 . (2) Mc 14,40 . | 30 | 1 | 5 | 1 | 8 | 3 | 12 | 8 | 16 | 1 | 1 | 2 | 1 |
Mc 12,4.3. ἀπέστειλεν (= apesteilen: hij zond; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden). Mc (5): (1) Mc 8,26. (2) Mc 12,2. (3) Mc 12,4. (4) Mc 12,5. (5) Mc 12,6.
| αποστελλω (= apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden). | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| ind. aor. 3de p. enk. apesteilen | 347 | 309 | 38 | 9 | 5 | 9 | 9 | 3 | 2 | 1 | 23 | 32 | 1 | 1 | |
| Totaal | 558 | 457 | 101 | 18 | 17 | 18 | 26 | 15 | 5 | 2 | 53 | 79 | 2 | 3 |
Mc 12,4.4.προς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting). Taalgebruik in het NT: pros
(naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros
(naar, bij).
Mc (62). Mc 12 (7): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,4. (3) Mc
12,6. (4) Mc
12,7. (5) Mc
12,12. (6) Mc
12,13. (7) Mc
12,18.
| pros (bij) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | O.T. | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 62 | 6 | 3 | 4 | 2 | 4 | 6 | 2 | 1 | 7 | 6 | 5 | 7 | 1 | 5 | 2 | 1 | 3919 | 3272 | 647 | 41 | 62 | 158 | 91 | 122 | 166 | 7 | 261 | 352 |
Mc 12,4.5. αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
| autoi | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 5 | nom. mann. mv.autoi | 2 | 356 | 271 | 85 | 10 | 2 | 19 | 9 | 12 | 30 | 3 | 31 | 40 | ||||||||||||||||
| 6 | gen. mv.autôn | 37 | 4 | 4 | 1 | 1 | 4 | 1 | 1 | 4 | 2 | 3 | 3 | 6 | 1 | 2 | 3701 | 3203 | 498 | 93 | 37 | 94 | 31 | 87 | 91 | 65 | 224 | 255 | ||
| 7 | dat. mann. en onz. mv.autois | 117 | 4 | 6 | 5 | 10 | 5 | 13 | 5 | 7 | 10 | 12 | 7 | 8 | 2 | 13 | 7 | 3 | 1722 | 1180 | 542 | 101 | 117 | 89 | 97 | 75 | 47 | 16 | 307 | 404 |
| 8 | acc. mann. mv. autous | 40 | 3 | 1 | 4 | 2 | 2 | 6 | 6 | 4 | 4 | 1 | 3 | 1 | 2 | 1 | 1991 | 1652 | 339 | 46 | 40 | 83 | 18 | 95 | 32 | 25 | 169 | 187 | ||
| totaal | 196 | 7770 | 6306 | 1464 | 250 | 196 | 285 | 155 | 269 | 200 | 109 | 731 | 886 |
Mc 12,4.4. - 5. pros autous (naar hen). Mc (5): (1) Mc 6,48. (2) Mc 6,51. (3) Mc 9,16. (4) Mc 12,4. (5) Mc 12,12.
Mc 12,4.6. ἄλλον (= allon: een andere; bv nw acc mann enk van het bv nw αλλος = allos: ander).
Mc 12,4.7. δοῦλον (= doulon: dienaar; zn acc mann enk van het zn δουλος = doulos: slaaf, dienaar). Mc (3): (1) Mc 12,2. (2) Mc 12,4. (3) Mc 14,47.
| δουλος (= doulos: slaaf, dienaar). | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 5 | acc. enk. doulon | 60 | 43 | 17 | 2 | 3 | 9 | 1 | 2 | 14 | 15 | 2 | |||
| Totaal | 430 | 315 | 115 | 29 | 4 | 26 | 11 | 2 | 32 | 11 | 59 | 70 | 27 | 5 |
Mc 12,4.8. κἀκεῖνον (= kakeinon: ook die; samentrekking van het nevenschikkend vw και = kai: en, en het aanwijz vnw acc mann enk van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die).
Mc 12,4.9. ἐκεφαλίωσαν (= ekefaliôsan: zij sloegen op zijn hoofd; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw kefalioô: op het hoofd slaan). Bijbel (1): Mc 12,4.
Mc 12,4.10. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
Mc 12,4.11. ἠτίμασαν (=ètimasan: zij beledigden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ατιμαω = atimaô: verachten, krenken, beledigen). LXX (1): 1 S 15,9. NT (1) Mc 12,4.
| Mc 12,5 - Mc 12,5: 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12 | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [5] And again he sent another; and him they killed, and
many others; beating some, and killing some.
Luther-Bibel. 5 Und er sandte noch einen andern, den töteten sie; und viele
andere: die einen schlugen sie, die andern töteten sie.
Tekstuitleg van Mc 12,5. Voor de derde maal stuurt de wijngaardenier een ander(e) (dienaar). De wijnbouwers doden hem. Vele anderen stuurt de wijngaardenier. De wijnbouwers mishandelen en oden hen.
καὶ ἄλλον ἀπέστειλεν, κἀκεῖνον ἀπέκτειναν, καὶ πολλοὺς ἄλλους, οὓς μὲν δέροντες οὓς δὲ ἀποκτέννοντες.
En hij zond een andere; ook die doodden zij, en (hij zond) vele anderen, die zij enerzijds mishandelden, die zij anderzijds doodden.
Mc 12,5 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἄλλον (= allon: een andere; bv nw acc mann enk van het bv nw αλλος = allos: ander) ἀπέστειλεν (= apesteilen: hij zond; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden), κἀκεῖνον (= kakeinon: ook die; samentrekking van het nevenschikkend vw και = kai: en, en het aanwijz vnw acc mann enk van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) ἀπέκτειναν (= apekteinan: zij doodden; wkw act ind aor 3de pers mann mv van het wkw αποκτεινω = apokteinô: doden), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πολλοὺς (= pollous: velen; bv nw acc mann mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) ἄλλους (= allous: anderen; bv nw acc mann mv van het bv nw αλλος = allos: ander), οὓς (= hous: die; betrekk vnw acc mann mv van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat) μὲν (= men: wel, enerzijds, partikel om een zwakke tegenstelling uit te drukken) δέροντες (= derontes: mishandelende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw derô: mishandelen) οὓς (= hous: die; betrekk vnw acc mann mv van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἀποκτέννοντες (=apôktennontes: dodende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw αποκτεινω = apokteinô: doden).
Mc 12,5.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
3. ἀπέστειλεν (= apesteilen: hij zond; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden). Mc (5): (1) Mc 8,26. (2) Mc 12,2. (3) Mc 12,4. (4) Mc 12,5. (5) Mc 12,6.
| αποστελλω (= apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden). | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| ind. aor. 3de p. enk. apesteilen | 347 | 309 | 38 | 9 | 5 | 9 | 9 | 3 | 2 | 1 | 23 | 32 | 1 | 1 | |
| Totaal | 558 | 457 | 101 | 18 | 17 | 18 | 26 | 15 | 5 | 2 | 53 | 79 | 2 | 3 |
Mc 12,5.6. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
Mc 12,5.13.
de (echter). Taalgebruik in het NT: de
(echter). Taalgebruik in Mc: de
(echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden.
Mc (149 + 2). Mc 12 (7): (1) Mc
12,5. (2) Mc
12,7. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,16. (5) Mc
12,17. (6) Mc
12,26. (7) Mc
12,44.
| Mc 12,6 - Mc 12,6: 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12 | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [6] Having yet therefore one son, his wellbeloved, he sent
him also last unto them, saying, They will reverence my son.
Luther-Bibel. 6 Da hatte er noch einen, seinen geliebten Sohn; den sandte er
als Letzten auch zu ihnen und sagte sich: Sie werden sich vor meinem Sohn scheuen.
Tekstuitleg van Mc 12,6.
ἔτι ἕνα εἶχεν, υἱὸν ἀγαπητόν: ἀπέστειλεν αὐτὸν ἔσχατον πρὸς αὐτοὺς λέγων ὅτι Ἐντραπήσονται τὸν υἱόν μου.
Nog één had hij, een geliefde zoon; hij zond hem als laatste naar hen zeggende dat zij mijn zoon zullen ontzien
Mc 12,6 ἔτι (= eti: ook, nog; bw) ἕνα (= hena: één; hoofdtelw bv nw acc mann enk van het hoofdtelw bv nw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) εἶχεν (= eichen: hij had; wkw act ind imperf 3de pers mann enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) υἱὸν (= huion: zoon; zn acc mann enk van het zn υἱος = huios: zoon) ἀγαπητόν (= agapèton: geliefde; bv nw acc mann enk van het bv nw αγαπητος = agapètos: beminde, geliefde): ἀπέστειλεν (= apesteilen: hij zondt; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden) αυτον (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἔσχατον (= eschaton: laatste; bv nw acc mann enk van het bv nw ἔσχατος = eschatos: laatste) προς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λέγων (= legôn: zeggende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Ἐντραπήσονται (= entrapèsontai: zij zullen ontzien; wkw med / pass ind fut 3de pers mv van het wkw = entrepô: achten, ontzien, zich schamen voor) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱόν (= huion: zoon; zn acc mann enk van het zn υἱος = huios: zoon) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij).
Mc 12,6.3.
act. ind. imperf. 3de pers. eichen van het werkw. echô (hebben, bezitten). Taalgebruik: echô
(hebben, bezitten) in het NT. Taalgebruik: echô
(hebben, bezitten) in Mc. Lat. habere. Ned. hebben. Fr. avoir.
Mc (6): (1) Mc
4,5. (2) Mc
5,3. (3) Mc
7,25. (4) Mc
12,6. (5) Mc
12,44. (6) Mc
16,8.
6. ἀπέστειλεν (= apesteilen: hij zond; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden). Mc (5): (1) Mc 8,26. (2) Mc 12,2. (3) Mc 12,4. (4) Mc 12,5. (5) Mc 12,6.
| αποστελλω (= apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden). | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| ind. aor. 3de p. enk. apesteilen | 347 | 309 | 38 | 9 | 5 | 9 | 9 | 3 | 2 | 1 | 23 | 32 | 1 | 1 | |
| Totaal | 558 | 457 | 101 | 18 | 17 | 18 | 26 | 15 | 5 | 2 | 53 | 79 | 2 | 3 |
Mc 12,6.7.
pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 12 (12): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,3. (3) Mc
12,6. (4) Mc
12,7. (5) Mc
12,8. (6) Mc
12,12. (7) Mc
12,13. (8) Mc
12,18. (9) Mc
12,28. (10) Mc
12,33. (11) Mc
12,34. (12) Mc
12,37.
9. pros (naar, bij). Taalgebruik in het NT: pros
(naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros
(naar, bij). Voorzetsel.
Mc (62). Mc 12 (7): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,4. (3) Mc
12,6. (4) Mc
12,7. (5) Mc
12,12. (6) Mc
12,13. (7) Mc
12,18.
11. act. participium praesens nominatief mann. enk. legôn (zeggend) van
het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô
(zeggen). Taalgebruik in Mc: legô
(zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; lesOT
Fr. leçon.
Mc (18): (1) Mc
1,7. (2) Mc
1,15. (3) Mc
1,24. (4) Mc
1,25. (5) Mc
1,40. (6) Mc
5,23. (7) Mc
8,15. (8) Mc
8,26. (9) Mc
8,27. (10) Mc
9,25. (11) Mc
12,6. (12) Mc
12,26. (13) Mc
14,44. (14) Mc
14,60. (15) Mc
14,68. (16) Mc
15,4. (17) Mc
15,9. (18) Mc
15,36. Een vorm van legô (zeggen) in Mc 12 in 9 verzenOT van eipon
(ik zei) in 10 verzen.
Mc 12,6.12.
hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti
(dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti
(dat, omdat).
Mc (92). Mc 12 (12): (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,7. (3) Mc
12,12. (4) Mc
12,14. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,26. (7) Mc
12,28. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,32. (10) Mc
12,34. (11) Mc
12,35. (12) Mc
12,43.
11. - 12. legôn autô(i) hoti = zeggend hem dat. Slechts in Mc 1,40. legôn hoti = zeggend dat: (1) Mc 1,15. (2) Mc 5,23. (3) Mc 12,6.
Mc 12,6.14.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (124). Mc 12 (7): (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,12. (4) Mc
12,30. (5) Mc
12,31. (6) Mc
12,33. (7) Mc
12,44.
| Mc 12,7 - Mc 12,7: 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12 | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [7] But those husbandmen said among themselves, This is
the heir; come, let us kill him, and the inheritance shall be ours.
Luther-Bibel. 7 Sie aber, die Weingärtner, sprachen untereinander: Dies ist
der Erbe; kommt, lasst uns ihn töten, so wird das Erbe unser sein!
Tekstuitleg van Mc 12,7.
ἐκεῖνοι δὲ οἱ γεωργοὶ πρὸς ἑαυτοὺς εἶπαν ὅτι Οὗτός ἐστιν ὁ κληρονόμος: δεῦτε ἀποκτείνωμεν αὐτόν, καὶ ἡμῶν ἔσται ἡ κληρονομία.
Maar die landbouwers zeiden tot elkaar dat deze de erfgenaam is; welaan, laten wij hem doden en de erfenis zal van ons zijn.
Mc 12,7 ἐκεῖνοι (= ekeinoi: die; aanwijz vnw nom mann mv van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γεωργοὶ (= geôrgoi: landbouwers, wijngaardeniers; zn nom mann mv van het zn γεωργος = georgos: landbouwer, wijngaardenier) προς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) ἑαυτοὺς (= heautous: zichzelf; wederkerig vnw acc mann mv van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf) εἶπαν (= eipan: zij zeiden; wkw act ind aor 3de pers mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Οὗτός (= houtos: deze; aanwijz vnw nom mann enk) ἐστιν (= estin: hij is, wkw act ind praes 3de pers mann enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, τtgtgyutyhujiyui ο = to: de - het) κληρονόμος (= klèronomos: erfgenaam; zn nom mann enk): δεῦτε (= deute: welaan; bw) ἀποκτείνωμεν (= apokteinômen: laten wij doden; wkw act conjunct praes 1ste pers mv van het wkw αποκτεινω = apokteinô: doden).αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἡμῶν (= hèmôn: van onze; pers vnw 1ste pers gen mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: wij) ἔσται (= estai: zij zal zijn; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat: esse) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κληρονομία (= klèronomia: erfenis; zn nom vr enk).
Mc 12,7.3.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (101). Mc 12 (7): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,22. (5) Mc
12,23. (6) Mc
12,35. (7) Mc
12,40.
5. pros (naar, bij). Taalgebruik in het NT: pros
(naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros
(naar, bij). Voorzetsel.
Mc (62). Mc 12 (7): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,4. (3) Mc
12,6. (4) Mc
12,7. (5) Mc
12,12. (6) Mc
12,13. (7) Mc
12,18.
Mc 12,7.8.
hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti
(dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti
(dat, omdat).
Mc (92). Mc 12 (12): (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,7. (3) Mc
12,12. (4) Mc
12,14. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,26. (7) Mc
12,28. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,32. (10) Mc
12,34. (11) Mc
12,35. (12) Mc
12,43.
Mc 12,7.9.
nom. mann. enk. houtos. Taalgebruik: houtos
(deze). Taalgebruik: houtos
(deze).
Mc (12): (1) Mc
2,7. (2) Mc
3,35. (3) Mc
4,41. (4) Mc
6,3. (5) Mc
6,16. (6) Mc
7,6. (7) Mc
9,7. (8) Mc
12,7. (9) Mc
12,10. (10) Mc
13,13. (11) Mc
14,69. (12) Mc
15,39.
Mc 12,7.11.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (219). Mc 12 (16): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,20. (7) Mc
12,21. (8) Mc
12,24. (9) Mc
12,26. (10) Mc
12,29. (11) Mc
12,32. (12) Mc
12,34. (13) Mc
12,35. (14) Mc
12,37. (15) Mc
12,41. (16) Mc
12,42.
Mc 12,7.13.
deute (welaan). Taalgebruik in het NT: deute
(welaan). Taalgebruik in Mc:: deute
(welaan). Een soort imperatief 2de pers. mv..
Mc (3): (1) Mc
1,17. (2) Mc
6,31. (3) Mc
12,7.
Mc 12,7.15.
pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 12 (12): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,3. (3) Mc
12,6. (4) Mc
12,7. (5) Mc
12,8. (6) Mc
12,12. (7) Mc
12,13. (8) Mc
12,18. (9) Mc
12,28. (10) Mc
12,33. (11) Mc
12,34. (12) Mc
12,37.
Mc 12,7.16. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
Mc 12,7.19.
bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (76). Mc 12 (5): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,14. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,22. (5) Mc
12,43.
| Mc 12,8 - Mc 12,8: 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12 | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [8] And they took him, and killed him, and cast him out
of the vineyard.
Luther-Bibel. 8 Und sie nahmen ihn und töteten ihn und warfen ihn hinaus vor
den Weinberg.
Tekstuitleg van Mc 12,8.
καὶ λαβόντες ἀπέκτειναν αὐτόν, καὶ ἐξέβαλον αὐτὸν ἔξω τοῦ ἀμπελῶνος.
En nemende doodden zij hem en zij wierpen hem buiten de wijngaard.
Mc 12,8 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λαβόντες (= labontes: nemende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) ἀπέκτειναν (= apekteinan: zij doodden; wkw act ind aor 3de pers mann mv van het wkw αποκτεινω = apokteinô: doden) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξέβαλον (= eksebalon: zij wierpen buiten; wkw act ind aor 3de pers mann mv van het wkw εκβαλλω = ekballô: uitwerpen, buitenwerpen) αυτον (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἔξω (= exô: buiten; bw) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀμπελῶνος (= ampelônos: wijngaard; zn gen mann enk van het zn ἀμπελῶν = amplôn: wijngaard, wijnberg).
Mc 12,8.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
Mc 12,8.4.
pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 12 (12): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,3. (3) Mc
12,6. (4) Mc
12,7. (5) Mc
12,8. (6) Mc
12,12. (7) Mc
12,13. (8) Mc
12,18. (9) Mc
12,28. (10) Mc
12,33. (11) Mc
12,34. (12) Mc
12,37.
Mc 12,8.5. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
Mc 12,8.7.
pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 12 (12): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,3. (3) Mc
12,6. (4) Mc
12,7. (5) Mc
12,8. (6) Mc
12,12. (7) Mc
12,13. (8) Mc
12,18. (9) Mc
12,28. (10) Mc
12,33. (11) Mc
12,34. (12) Mc
12,37.
Mc 12,8.9.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (116). Mc 12 (10): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,8. (3) Mc
12,9. (4) Mc
12,14. (5) Mc
12,17. (6) Mc
12,24. (7) Mc
12,26. (8) Mc
12,34. (9) Mc
12,41. (10) Mc
12,44.
| Mc 12,9 - Mc 12,9: 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12 | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [9] What shall therefore the lord of the vineyard do? he
will come and destroy the husbandmen, and will give the vineyard unto others.
Luther-Bibel. 9 Was wird nun der Herr des Weinbergs tun? Er wird kommen und
die Weingärtner umbringen und den Weinberg andern geben.
Tekstuitleg van Mc 12,9.
τί [οὖν] ποιήσει ὁ κύριος τοῦ ἀμπελῶνος; ἐλεύσεται καὶ ἀπολέσει τοὺς γεωργούς, καὶ δώσει τὸν ἀμπελῶνα ἄλλοις.
Wat zal de Heer van de wijngaard dan doen? Hij zal komen en hij zal de landbouwers ombrengen en hij zal de wiingaard aan anderen geven.
Mc 12,9 τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) [οὖν (= oun: dus, bijgevolg; partikel)] ποιήσει (= poièsei: hij zal doen; wkw act ind fut 3de pers mann enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κύριος (= kurios: heer; zn nom mann enk; stam: k/h - r).τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀμπελῶνος (= ampelônos: wijngaard; zn gen mann enk van het zn ἀμπελῶν = amplôn: wijngaard, wijnberg): ἐλεύσεται (= eleusetai: hij zal komen; wkw med ind fut 3de pers mann enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπολέσει (= apolesei: hij zal doden; wkw act ind fut 3de pers mann enk van het wkw απολλυμι = apollumi: ten gronde richten, doden, verliezen) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γεωργούς (= geôrgous: landbouwer, wijngaardenier; zn acc mann mv van het zn γεωργος = georgos: landbouwer, wijngaardenier), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) δώσει (= dôsei: hij zal geven; wkw act ind fut 3de pers mann enk van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave gift. Fr: donner - don: geven - gave) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀμπελῶνα (= amplôna: wijngaard, wijnberg; zn acc mann enk van het zn ἀμπελῶν = amplôn: wijngaard, wijnberg) ἄλλοις (= allois: aan anderen; bv nw dat mann mv van het bv nw αλλος = allos: ander).
Mc 12,9.4.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (219). Mc 12 (16): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,20. (7) Mc
12,21. (8) Mc
12,24. (9) Mc
12,26. (10) Mc
12,29. (11) Mc
12,32. (12) Mc
12,34. (13) Mc
12,35. (14) Mc
12,37. (15) Mc
12,41. (16) Mc
12,42.
Mc 12,9.6.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (116). Mc 12 (10): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,8. (3) Mc
12,9. (4) Mc
12,14. (5) Mc
12,17. (6) Mc
12,24. (7) Mc
12,26. (8) Mc
12,34. (9) Mc
12,41. (10) Mc
12,44.
Mc 12,9.10.
ind. fut. 3de pers. enk. apolesei (hij zal verliezen) van het werkw. apollumi
(ten gronde richtenOT dodenOT verliezen). Taalgebruik in het NT: apollumi
( ten gronde richtenOT dodenOT verliezen ). Taalgebruik in Mc: apollumi
(ten gronde richtenOT dodenOT verliezen). < ap- + ollumi < ol-numi. Hebr. ´âbhad. Lat. perdere. Fr. perdre. Lat. perditio. Fr.
perdition. Ned. verderf (v / p - r - d)OT verdoemenis.
Mc (2): (1) Mc
8,35 (2X). Mc
12,9 .
Mc 12,9.11.
bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (52). Mc 12 (4): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,36. (4) Mc
12,43.
Mc 12,9.13. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
Mc 12,9.14.
act. ind. fut. 3de pers. enk. dôsei (hij / zij zal geven) van het werkw.
didômi (geven). Taalgebruik in het NT: didômi
(geven). Taalgebruik in Mc: didômi
(geven). Hebr. nâthan (tha). Lat. dare / donare - donum: geven - gaveOT gift. Fr.
donner - don: geven - gave.
Mc (2): (1) Mc
12,9. (2) Mc
13,24. Een vorm van didômi (geven) in Mc in 35 verzen.
Mc 12,9.15.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (124). Mc 12 (7): (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,12. (4) Mc
12,30. (5) Mc
12,31. (6) Mc
12,33. (7) Mc
12,44.
| Mc 12,10 - Mc 12,10: 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12 | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [10] And have ye not read this scripture; The stone which
the builders rejected is become the head of the corner:
Luther-Bibel. 10 Habt ihr denn nicht dieses Schriftwort gelesen (Psalm 118,22-23):
»Der Stein, den die Bauleute verworfen haben, der ist zum Eckstein geworden.
Tekstuitleg van Mc 12,10.
Mc 12,10 οὐδὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραφὴν ταύτην ἀνέγνωτε (= anegnôte: jullie lazen; wkw act ind aor 2de pers mv van het wkw αναγιγνωσκω = anagignôskô: lezen), Λίθον ὃν ἀπεδοκίμασαν (= apedokimasan: zij verwierpen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αποδοκιμαζω = apodokimazô: verwerpen) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) οἰκοδομοῦντες (= oikodomountes: bouwers; wkw act part praes nom mann mv van het wkw οικοδομεω = oikodomeô: bouwen), οὗτος ἐγενήθη (= egenèthè: hij werd; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) κεφαλὴν γωνίας:
Mc 12,10.4.
acc. vr. enk. tautèn (dit) van het bezitt. voornaamw. houtos (deze).
Taalgebruik: houtos
(deze). Taalgebruik: houtos
(deze).
Mc (52). Mc (4): (1) Mc
4,13. (2) Mc
10,5. (3) Mc
11,28. (4) Mc
12,10.
Mc 12,10.9.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (101). Mc 12 (7): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,22. (5) Mc
12,23. (6) Mc
12,35. (7) Mc
12,40.
Mc 12,10.11. nom. mann. enk. houtos. Taalgebruik: houtos (deze). Taalgebruik: houtos (deze). Mc (12): (1) Mc 2,7. (2) Mc 3,35. (3) Mc 4,41. (4) Mc 6,3. (5) Mc 6,16. (6) Mc 7,6. (7) Mc 9,7. (8) Mc 12,7. (9) Mc 12,10. (10) Mc 13,13. (11) Mc 14,69. (12) Mc 15,39.
| Mc 12,11 - Mc 12,11: 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12 | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [11] This was the Lord's doing, and it is marvellous in
our eyes?
Luther-Bibel. 11 Vom Herrn ist das geschehen und ist ein Wunder vor unsern
Augen«?
Tekstuitleg van Mc 12,11.
Mc 12,11 παρὰ κυρίου ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai: gebeuren, worden; stam: gen)(= egeneto: het gebeurde; med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai: gebeuren, worden; stam: gen) αὕτη, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἔστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: ziijn; stam es-OT zie Lat.: esse) θαυμαστὴ ἐν ὀφθαλμοῖς ἡμῶν;
Mc 12,11.1.
para (langs). Taalgebruik in Mc: para
(langs). Taalgebruik in het NT: para
(langs) .
Mc (11). (1) Mc
1,16. (2) Mc
2,13. (3) Mc
4,1. (4) Mc
4,4. (5) Mc
4,15. (6) Mc
5,21. (7) Mc
10,27. (8) Mc
10,46. (9) Mc
12,2. (10) Mc
12,11. (11) Mc
14,43.
- para + gen. (vanwege) in Mc (4): (1) Mc
10,27. (2) Mc
12,2. (3) Mc
12,11. (4 Mc
14,43.
- para + acc. + plaatsbepaling in Mc (7) (3X tèn hodon = langs de weg: (1) Mc
4,4. (2) Mc
4,15. (3) Mc
10,46. 4X tèn thalassan = langs het meer: (1) Mc
1,16. (2) Mc 2,13. (3) Mc
4,1. (4) Mc
5,21.
Mc 12,11.4.
voornaamw. nom. vr. enk. autè (zij, deze) van het voornaamw. autos.
Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (10): (1) Mc
8,12. (2) Mc
10,12. (3) Mc
12,11. (4) Mc
12,16. (5) Mc
12,31. (6) Mc
12,43. (7) Mc
12,44. (8) Mc
13,30. (9) Mc
14,4. (10) Mc
14,9.
Mc 12,11.5.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
Mc 12,11.8.
en (in). Taalgebruik in het NT: en
(in). Taalgebruik in Mc: en
(in). Hebr. bë. Fr. en. Ned. in. Fr. dans.
Mc 12 (9): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,11. (3) Mc
12,23. (4) Mc
12,25. (5) Mc
12,26. (6) Mc
12,35. (7) Mc
12,36. (8) Mc
12,38. (9) Mc
12,39.
| Mc 12,12 - Mc 12,12: 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers - Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,1 - Mc 12,2 - Mc 12,3 - Mc 12,4 - Mc 12,5 - Mc 12,6 - Mc 12,7 - Mc 12,8 - Mc 12,9 - Mc 12,10 - Mc 12,11 - Mc 12,12 | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [12] And they sought to lay hold on him, but feared the
people: for they knew that he had spoken the parable against them: and they
left him, and went their way.
Luther-Bibel. 12 Und sie trachteten danach, ihn zu ergreifen, und fürchteten
sich doch vor dem Volk; denn sie verstanden, dass er auf sie hin dies Gleichnis
gesagt hatte. Und sie ließen ihn und gingen davon. Die Frage nach der Steuer
(»Der Zinsgroschen«)
Tekstuitleg van Mc 12,12. Dit vers Mc 12,12 telt 20 (2 X 2 X 5) woorden en 105 (3 X 5 X 7) letters. De getalswaarde van Mc 12,12 is 10831.
Mc 12,12
Καὶ ἐζήτουν αὐτὸν κρατῆσαι, καὶ ἐφοβήθησαν τὸν ὄχλον, ἔγνωσαν γὰρ ὅτι πρὸς αὐτοὺς τὴν παραβολὴν εἶπεν. καὶ ἀφέντες αὐτὸν ἀπῆλθον.
En zij zochten en zochten om hem te overmeesteren, en zij vreesden het volk, want zij wisten dat hij de parabel tot hen zei en hem achterlatende gingen zij weg.
Mc 12,12 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐζήτουν (= ezètoun: zij zochten; wkw act ind imperf 3de pers mann mv van het wkw ζητεω = zèteô: zoeken) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) κρατῆσαι (= kratèsai: om te overmeesteren; wkw act inf aor van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐφοβήθησαν (= efobèthèsan: zij vreesden; wkw med / pass ind aor 3de pers mann mv van het wkw φοβεομαι = fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὄχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte), ἔγνωσαν (= egnôsan: zij wisten; wkw act ind aor 3de pers mann mv van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: kennen, weten) γὰρ (= gar: want; nevenschikkend vw van reden) ὅτι (= hoti: dat; ondergeschikt vw dat een objectzin inleidt) προς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παραβολὴν (= parabolèn: parabel, gelijkenis; acc vr enk van het zn παραβολη = parabolè: parabel, gelijkenis) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers mann enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀφέντες (= afentes: achterlatende, aflatende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἀπῆλθον (= apèlthon: zij gingen weg; wkw act ind aor 3de pers mann mv van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan; het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden).
Mc 12,12.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
Mc 12,12.2.
ἐζήτουν (= edzètoun: zij zochten; wkw act ind imperf 3de pers mann mv van het wkw ζητεω = dzèteô: zoeken). Taalgebruik in het NT: dzèteô
(zoeken). Taalgebruik in Mc: dzèteô
(zoeken). Met het imperfectum beklemtoont Marcus het voortdurend zoeken.
- Hebr. bâqasj. Ned. zoeken. Lat. quaerere. Fr. chercher
(ch / q - r). E. search. D. suchen.
- Bijbel (26). OT (8). NT (18): Mt (1). Mc (4). Lc (5). Joh (7). Hnd
(1). NT (18): (1) Mt
26,59. (2) Mc
11,18. (3) Mc
12,12. (4) Mc
14,1. (5) Mc
14,55. (6) Lc
5,18. (7) Lc
6,19. (8) Lc
11,16. (9) Lc
19,47. (10) Lc
22,2. (11) Joh
5,18. (12) Joh
7,1. (13) Joh
7,11. (14) Joh
7,30. (15) Joh
10,39. (16) Joh
11,8. (17) Joh
11,56. (18) Hnd
17,5. Er zijn tekstvarianten zoals in Lc
4,42.
| ζητεω = dzèteô: zoeken | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br | Apk | syn | ev |
| ζητουντες (= dzètountes: zoekende; wkw part praes nom mann mv) | 33 | 23 | 10 | 4 | 1 | 1 | 1 | 3 | ||||
| ἐζήτουν (= edzètoun: zij zochten; wkw act ind imperf 3de pers mann mv) | 27 | 8 | 18 | 1 | 4 | 5 | 7 | 1 | 10 | 17 | ||
| ἐζήτησαν (= edzètèsan: zij zochten; wkw act ind aor 3de pers mv) | 18 | 17 | 1 | 1 | 1 | 1 |
Mc (4): (1) Mc
11,18. (2) Mc
12,12. (3) Mc
14,1. (4) Mc
14,55. In 4 verzen in Mc in de imperfectumvorm. De imperfectumvorm om de duur van het zoeken uit te drukken. In een reeks van vier. Telkens zijn
hogepriesters erbij betrokken om Jezus te zoeken met het oog om hem te doden.
- Mc 11,18: καὶ ἤκουσαν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς καὶ ἐζήτουν (= kai èkousan hoi archiereis kai hoi grammateis kai edzètoun: en de hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden en zij zochten) πῶς αὐτὸν ἀπολέσωσιν (= pôs
auton apolesôsin: hoe ze hem zouden ombrengen).
- Mc 12,12 : Καὶ ἐζήτουν (= kai edzètoun: en zij zochten) αὐτὸν κρατῆσαι (= auton kratèsai: om
hem te bemachtigen).
- Mc 14,1: καὶ ἐζήτουν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς (= kai edzètoun hoi archiereis kai hoi grammateis: en de hogepriesters
en de schriftgeleerden zochten) πῶς αὐτὸν ἐν δόλῳ κρατήσαντες ἀποκτείνωσιν (= pôs auton en dolôi kratèsantes
apokteinôsin: hoe ze hem bemachtende door een list hem zouden
doden).
- Mc 14,55: οἱ δὲ ἀρχιερεῖς καὶ ὅλον τὸ συνέδριον ἐζήτουν κατὰ τοῦ Ἰησοῦ μαρτυρίαν (= oi de archiereis kai olon to sunedrion edzètoun kata tou ièsou marturian: maar
de hogepriesters en het hele sanhedrin zochten tegen Jezus een getuigenis) εἰς τὸ θανατῶσαι αὐτόν (= eis
to thanatôsai auton: om hem te doden).
| 1. ἐζήτουν (= kai edzètoun: en zij zochten) | 2. ἐζήτουν (= kai edzètoun: en zij zochten) | 3. ἐζήτουν (= kai edzètoun: en zij zochten) | 4. ἐζήτουν (= kai edzètoun: en zij zochten) | |
| Mc 11,18 | Mc 12,12 | Mc 14,1 | Mc 14,11 | Mc 14,55 |
| kai èkousan (en hoorden het) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | |
| hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden) | hoi de archiereis kai holon to sunedrion (de hogepriesters echter en heel het sanhedrin | |||
| kai edzètoun (en zij zochten) | edzètoun (zij zochten) | ezdètoun (zij zochten) hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden) | edzètei (hij zocht) | edzètoun kata tou Ièsou marturian (zochten een getuigenis tegen Jezus) |
| pôs (hoe) | pôs (hoe) | pôs (hoe) | eis (om) | |
| auton (hem) | auton (hem) | auton (hem) | auton (hem) | |
| apolesôsin (zij zouden ombrengen) | kratèsai (te overmachtigen) | apokteinôsin (zij zouden doden) | eukairôs paradoi (op een gunstig moment zou overleveren) | to thanatôsai auton (te doden hem) |
| 284. Jezus in de tempel. Terugkeer naar Betanië: Mc 11,18-19 - Mt 21,14-17 - Lc 19,47-48 - | 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers: Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 - | 317. Complot tegen Jezus: Mc
14,1-2 - Mt
26,1-5 - Lc
22,1-2 - |
319. Verraad van Judas: Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 - | 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc
14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc
22,66-71 - |
- Vanaf zijn aansluiting bij Johannes de Doper leefde Jezus voortdurend onder doodsbedreigingen. Er is een crescendo in die dreiging. Het begint met de gevangenneming van Johannes de Doper (Mc 1,9), daarna met met het besluit van de Farizeeën en de Herodianen om Jezus te doden. Vervolgens is er de dood van Johannes de Doper (Mc 6). Na de tempelreiniging (Mc 11) komen o.a. de hogepriesters in actie om te zoeken hoe ze Jezus zouden kunnen ombrengen. In Mc 3,6 namen de Farizeeën samen met de Herodianen het besluit om Jezus te doden. In Mc 15,1 nemen de hogepriesters, de priesters, de schriftgeleerdenOTen het hele Sanhedrin het besluit om Jezus aan Pilatus over te leveren. In Mc 15,3 brengen de hogepriesters vele beschuldigingen tegen Jezus voor Pilatus. In Mc 15,3 wordt Jezus overgeleverd om gekruisigd te worden.
Mc 12,12.3. αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos. Mc (146). Mc 12 (12): (1) Mc 12,1. (2) Mc 12,3. (3) Mc 12,6. (4) Mc 12,7. (5) Mc 12,8. (6) Mc 12,12. (7) Mc 12,13. (8) Mc 12,18. (9) Mc 12,28. (10) Mc 12,33. (11) Mc 12,34. (12) Mc 12,37.
2. - 3. ἐζήτουν αὐτὸν (= edzètoun auton: zij zochten hem). Bijbel = NT (8). Mc (1): Mc
12,12.
(6) Lc
5,18. (9) Lc
19,47. (10) Lc
22,2. (11) Joh
5,18. (12) Joh
7,1. (13) Joh
7,11. (14) Joh
7,30. (15) Joh
10,39. (16) Joh
11,8. (17) Joh
11,56. (18) Hnd
17,5.
4. κρατῆσαι (= kratèsai: om te overmeesteren; wkw act inf aor van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van). Bijbel (6). OT (2). NT (4): (1) Mt 21,46 // Mc 12,12. (2) Mc 3,21. (3) Mc 12,12 // Mt 21,46. (4) Heb 6,18. Een vorm van κρατεω (= krateô: vastnemen, bemachtigen) in de LXX (153), in het NT (47), in Mc 15 (13).
3. - 4. αὐτὸν κρατῆσαι (= auton kratèsai: hem in de macht te krijgen). Bijbel = NT (2): (1) Mt 26,59. (2) Mc 12,12.
5. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
Mc 12,12.6. ἐφοβήθησαν (= efobèthèsan: zij vreesden; wkw med / pass ind aor 3de pers mann mv van het wkw φοβεομαι = fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden). Taalgebruik in het NT: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden). Taalgebruik in Mc: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden). Mc (3): (1) Mc 4,41. (2) Mc 5,15. (3) Mc 12,12. Een vorm van φοβεομαι (= fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden) in Mc (12): (1) Mc 4,41. (2) Mc 5,15. (3) Mc 5,33. (4) Mc 5,36. (5) Mc 6,20. (6) Mc 6,50. (7) Mc 9,32. (8) Mc 10,32. (9) Mc 11,18. (10) Mc 11,32. (11) Mc 12,12. (12) Mc 16,8.
| φοβεομαι (= fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden). | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn | ev | P | Ab | |
| ἐφοβήθησαν (= efobèthèsan: zij vreesden; wkw med / pass ind aor 3de pers mann mv). | 49 | 35 | 14 | 4 | 3 | 4 | 1 | 1 | 1 | 11 | 12 | 1 | |||
| Een vorm van φοβεομαι (= fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden). | 460 | 95 | 12 | 21 |
Mc 12,12.7.
τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr: to. tè... Ned: de. E: the. D: der, die, das
enz. Fr: le, la enz. (< lat. aanwijz vnw il-lumOT il-lam).
Mc (124). Mc 12 (7): (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,12. (4) Mc
12,30. (5) Mc
12,31. (6) Mc
12,33. (7) Mc
12,44.
6. - 7. ἐφοβήθησαν τὸν (= efobèthèsan: zij vreesden de / het). LXX (4). NT (2): (1) Mc 12,12. (2) Lc 20,19.
8. ὄχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte).
| οχλος (= ochlos: menigte). | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Apk | syn | ev | |
| 4 | οχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enkcc. mann. enk). | 41 | 6 | 35 | 10 | 13 | 4 | 2 | 6 | 27 | 29 | |
| totaal enk. en mv. | 212 | 39 | 173 | 50 | 36 | 41 | 20 | 23 | 3 | 127 | 147 |
9. ἔγνωσαν (= egnôsan: zij wisten; wkw act ind aor 3de pers mann mv van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: kennen, weten).
Mc 12,12.10. γὰρ (= gar: want; nevenschikkend vw van reden). Taalgebruik in het NT: gar
(want). Taalgebruik in Mc: gar
(want). Mc (63). Mc 12 (5): (1) Mc
12,12. (2) Mc
12,14. (3) Mc
12,23. (4) Mc
12,25. (5) Mc
12,44.
Hebr: kî. Lat: enim. Fr: car.
Ned: want.
| γὰρ (= gar: want). | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br | Apk | syn | ev | |
| 3 | 1 | 3 | 2 | 3 | 8 | 4 | 4 | 7 | 4 | 3 | 5 | 6 | 6 | 2 | 2 | 63 | 2289 | 1299 | 990 | 123 | 63 | 92 | 61 | 73 | 563 | 15 | 278 | 339 |
Mc 12,12.11.
ὅτι (= hoti: dat; ondergeschikt vw dat een objectzin inleidt) Taalgebruik in het NT: hoti
(dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti
(dat, omdat).
Mc (92). Mc 12 (12): (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,7. (3) Mc
12,12. (4) Mc
12,14. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,26. (7) Mc
12,28. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,32. (10) Mc
12,34. (11) Mc
12,35. (12) Mc
12,43.
| ὁτι (= hoti: dat, omdat). | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn | ev |
| 4396 | 3213 | 1183 | 137 | 92 | 160 | 237 | 114 | 389 | 54 | 389 | 626 |
Mc 12,12.12.
προς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting). Taalgebruik in het NT: pros
(naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros
(naar, bij).
Mc (62). Mc 12 (7): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,4. (3) Mc
12,6. (4) Mc
12,7. (5) Mc
12,12. (6) Mc
12,13. (7) Mc
12,18.
Mc 12,12.12. - 13. pros autous (naar hen). Mc (5): (1) Mc 6,48. (2) Mc 6,51. (3) Mc 9,16. (4) Mc 12,4. (5) Mc 12,12.
Mc 12,12.15.
acc. vr. enk. parabolèn (parabel) van het zelfst. naamw. parabolè
(parabel, gelijkenis). Taalgebruik in het NT: parabolè
(parabel, gelijkenis). Taalgebruik in Mc: parabolè
(parabel, gelijkenis). Paraballô: naast elkaar werpenOT vergelijken.
Mc (4): (1) Mc
4,13. (2) Mc
7,17. (3) Mc
12,12. (4) Mc
13,28. Een vorm van parabolè (parabel) in 13 verzen in Mc.
Mc 12,12.16.
act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô
(zeggen). Taalgebruik in Mc: legô
(zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; lesOT
Fr. leçon.
Mc (56). Mc 12 (8): (1) Mc
12,12. (2) Mc
12,15. (3) Mc
12,17. (4) Mc
12,26. (5) Mc
12,32. (6) Mc
12,34. (7) Mc
12,36. (8) Mc
12,43. Een vorm van legô in Mc 12 in 9 verzenOT van eipon (ik zei)
in 10 verzen.
17. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
18. ἀφέντες (= afentes: achterlatende, aflatende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. laten, afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8). Taalgebruik in het NT: afièmi
(aflaten, achterlaten). Taalgebruik in Mc: afièmi
(aflaten, achterlaten). Slechts in het NT (15). Mt (4): (1) Mt
4,20. (2) Mt
4,22. (3) Mt
22,22. (4) Mt
26,56. Mc (6): (1) Mc
1,18. (2) Mc
1,20. (3) Mc
4,36. (4) Mc
7,8. (5) Mc
12,12. (6) Mc
14,50. Lc (3): (1) Lc 5,11. (2) Lc
10,30. (3) Lc
18,28. Verder: (1) Rom 1,27. (2) Heb 6,1. Een vorm van αφιημι = afièmi: aflaten, achterlaten, in de LXX (138), in het NT (142), Mt (47). Mc (34). Lc (31).
- par-donner (par-don): ver-geven. s'excuser (ex-causa) = buiten de zaak zich ver-ont-schuld-igen. kwijt-schelden, ont-schulden.
Mc 12,12.19.
αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 12 (12): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,3. (3) Mc
12,6. (4) Mc
12,7. (5) Mc
12,8. (6) Mc
12,12. (7) Mc
12,13. (8) Mc
12,18. (9) Mc
12,28. (10) Mc
12,33. (11) Mc
12,34. (12) Mc
12,37.
18. - 19. αφεντες αυτον (= afentes auton: hem achtergelaten). NT (4): (1) Mt 22,22 // Mc 12,12. (2) Mt 26,56 // Mc 14,50. (3) Mc 12,12 // Mt 22,22. (4) Mc 14,50 // Mt 26,56. In het eerste geval laten tegenstanders Jezus achter, in het tweede geval zijn het alle leerlingen. In tegenstelling tot: (1) Mt 4,20 // Mc 1,18. (2) Mt 4,22 // Mc 1,20. (3) Mc 1,18 // Mt 4,20. (4) Mc 1,20 // Mt 4,22 lieten de leerlingen van alles achter om Jezus te volgen.
291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer: Mc 12,13-17 - Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,13 - Mc 12,14 - Mc 12,15 - Mc 12,16 - Mc 12,17 -
| Mc 12,13 - Mc 12,13: 291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer - Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,13 - Mc 12,14 - Mc 12,15 - Mc 12,16 - Mc 12,17 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [13] And they send unto him certain of the Pharisees and
of the Herodians, to catch him in his words.
Luther-Bibel. 13 Und sie sandten zu ihm einige von den Pharisäern und von den
Anhängern des Herodes, dass sie ihn fingen in Worten.
Hebr. vertaling. lëlâkhëdô (lë + lâkhëdô: om hem te vangen) bëdâbâr (bë + dâbâr:
door een woord).
Tekstuitleg van Mc 12,13. Dit vers Mc 12,13 telt 14 (2 X 7) woordenOT 78 (2 X 3 X 13) letters. De getalswaarde van Mc 12,13 is 12599 (43 X 293). In Mc 3,6 namen de Farizeeën samen met de Herodianen het besluit om Jezus om te brengen.
Mc 12,13 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀποστέλλουσιν (= apostellousin: zij zenden; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturenOT afzenden) (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτόν τινας τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Φαρισαίων (= Farisaiôn: van de Farizeeën; zn gen mann mv van het zn φαρισαιος = farisaios: Farizeeër; Griekse uitgang -aios: zn naar bv nw zelfstandig gebruikt: afgescheidene; Hebr: mv përusjim van het wkw pârasj: onderscheiden, 'apart' zetten) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ἡρῳδιανῶν ἵνα (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἀγρεύσωσιν (agreusôsin: zij zouden vangen; wkw act conjunct aor 3de pers mv van het wkw αγρευω = agr-euô: jagen, van-gen, najagen) λόγῳ.
Mc 12,13.1.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
2. act. ind. pr. 3de p. mv. apostellousin (zij zenden). apostellô (afsturen,
afzenden). Taalgebruik in het NT: apostellô
(afsturen, wegsturenOT afzenden). Taalgebruik in Mc: apostellô
(afsturen, wegsturenOT afzenden). apo-stellô: af- / weg- sturenOT wegzendenOT afzenden (afgezant)OT zenden.
Mc (1): Mc
12,13. Een vorm van apostellô (afsturen, afzenden) in Mc in 20 verzen.
3. pros (naar, bij). Taalgebruik in het NT: pros
(naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros
(naar, bij). Voorzetsel.
Mc (62). Mc 12 (7): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,4. (3) Mc
12,6. (4) Mc
12,7. (5) Mc
12,12. (6) Mc
12,13. (7) Mc
12,18.
Mc 12,13.4.
pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 12 (12): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,3. (3) Mc
12,6. (4) Mc
12,7. (5) Mc
12,8. (6) Mc
12,12. (7) Mc
12,13. (8) Mc
12,18. (9) Mc
12,28. (10) Mc
12,33. (11) Mc
12,34. (12) Mc
12,37.
Mc 12,13.3. - 4. pros auton (naar hem, bij hem). Naar Jezus. Mc (14): (1) Mc 1,32. (2) Mc 1,40. (3) Mc 1,45. (4) Mc 2,3. (5) Mc 2,13. (6) Mc 3,8. (7) Mc 3,13. (8) Mc 3,31. (9) Mc 4,1. (10) Mc 7,1. (11) Mc 9,20. (12) Mc 10,1. (13) Mc 12,13. (14) Mc 12,18.
6. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in
het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (90). Mc 12 (9): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,13. (3) Mc
12,26. (4) Mc
12,28. (5) Mc
12,33. (6) Mc
12,36. (7) Mc
12,38. (8) Mc
12,40. (9) Mc
12,43.
Mc 12,13.7.
gen. mann. mv. farisaiôn (van de Farizeeën). Taalgebruik in het
NT: Pharisaioi
(Farizeeën). Taalgebruik in Mc: Pharisaioi
(Farizeeën).
Mc (4): (1) Mc
2,16. (2) Mc
2,18. (3) Mc
8,15. (4) Mc
12,13.
nom. mann. mv. farisaioi (Farizeeën). Mc (8): (1) Mc
2,18. (2) Mc
2,24. (3) Mc
3,6. (4) Mc
7,1. (5) Mc
7,3. (6) Mc
7,5. (7) Mc
8,11. (8) Mc
10,2.
8. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
9. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in
het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (90). Mc 12 (9): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,13. (3) Mc
12,26. (4) Mc
12,28. (5) Mc
12,33. (6) Mc
12,36. (7) Mc
12,38. (8) Mc
12,40. (9) Mc
12,43.
Mc 12,13.12.
pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 12 (12): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,3. (3) Mc
12,6. (4) Mc
12,7. (5) Mc
12,8. (6) Mc
12,12. (7) Mc
12,13. (8) Mc
12,18. (9) Mc
12,28. (10) Mc
12,33. (11) Mc
12,34. (12) Mc
12,37.
Mc 12,13.14. Grieks: agr-euô (jagenOT van-genOT najagen. agreuma: jachtbuitOT vangstOT jachtnet. Het werkwoord is een hapax in het NT. Hebr. lâkhad (l-k-d: 12): vangenOT gevangen nemenOT veroveren. lèkhèd: netOT strik. Fr. piège: netOT valstrik.
| Mc 12,14 - Mc 12,14: 291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer - Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,13 - Mc 12,14 - Mc 12,15 - Mc 12,16 - Mc 12,17 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [14] And when they were come, they say unto him, Master,
we know that thou art true, and carest for no man: for thou regardest not the
person of men, but teachest the way of God in truth: Is it lawful to give tribute
to Caesar, or not?
Luther-Bibel. 14 Und sie kamen und sprachen zu ihm: Meister, wir wissen, dass
du wahrhaftig bist und fragst nach niemand; denn du achtest nicht das Ansehen
der Menschen, sondern du lehrst den Weg Gottes recht. Ist's recht, dass man
dem Kaiser Steuern zahlt, oder nicht? Sollen wir sie zahlen oder nicht zahlen?
Mc 12,14 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐλθόντες (= elthontes: komende; ww med part aor nom mann mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 ww met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-egOT - aor επ = ep) αὐτῷ, Διδάσκαλε, οἴδαμεν (= oidamen: wij weten; wkw act ind aor 1ste pers mv; zie het wkw οιδα = oida: ik weet) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἀληθὴς εἶ (= ei: jij bent; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-OT zie Lat.: esse) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) μέλει (= melei: het gaat je ter harte; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw μελω = melô: ter harte gaan, zich bekommeren om) σοι περὶ οὐδενός,οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) βλέπεις (= blepeis: jij ziet; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw βλεπω = blepô: kijken, zien) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) πρόσωπον ἀνθρώπων, ἀλλ' (= all': maar; afkorting van αλλα = alla; partikel van tegenstelling) ἐπ' ἀληθείας τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὁδὸν τοῦ θεοῦ διδάσκεις: (= didaskeis: jij leert; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) ἔξεστιν (= exestin: het is toegelaten) δοῦναι (= dounai: om te geven; wkw act inf aor van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gaveOT gift. Fr: donner - don: geven - gave) κῆνσον καισαρι ἢ οὔ; δῶμεν ἢ μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) δῶμεν (= dômen: wij zouden geven; wkw act conjunct aor 1ste pers mv van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gaveOT gift. Fr: donner - don: geven - gave);
Tekstuitleg van Mc 12,14.
1. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
5. voc. mann. enk. didaskale (leermeester) van het zelfst. naamw. didaskalos
(leraarOT leermeester). Taalgebruik in het NT: didaskalos
(leraarOT leermeester). Taalgebruik in Mc: didaskalos
(leraarOT leermeester).
Mc (10): (1) Mc
4,38. (2) Mc
9,17. (3) Mc
9,38. (4) Mc
10,17. (5) Mc
10,20. (6) Mc
10,35. (7) Mc
12,14. (8) Mc
12,19. (9) Mc
12,32. (10) Mc
13,1. Een vorm van didaskalos (leraarOT leermeester) in Mc in 12 verzen.
Mc 12,14.7.
hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti
(dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti
(dat, omdat).
Mc (92). Mc 12 (12): (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,7. (3) Mc
12,12. (4) Mc
12,14. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,26. (7) Mc
12,28. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,32. (10) Mc
12,34. (11) Mc
12,35. (12) Mc
12,43.
10. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
16. act. ind. pr. 2de p. enk. blepeis (jij kijkt) van het werkw. blepô (kijken, zien). Taalgebruik in het NT: blepô (kijken, zien). Taalgebruik in Mc: blepô (kijken, zien). Mc (4): (1) Mc 5,31. (2) Mc 8,23. (3) Mc 12,14. (4) Mc 13,2. Een vorm van blepô (kijken, zien) in Mc in 14 verzen.
Mc 12,14.17.
gar (want). Taalgebruik in het NT: gar
(want). Taalgebruik in Mc: gar
(want). Redengevend voegwoord. Hebr. kî. Lat. enim. Fr. car.
Ned.: want.
Mc (63). Mc 12 (5): (1) Mc
12,12. (2) Mc
12,14. (3) Mc
12,23. (4) Mc
12,25. (5) Mc
12,44.
24. gen. vr. enk. alètheias (in waarheid) van het zelfst. naamw. alètheia (waarheid). Taalgebruik in het NT: alètheia (waarheid). Taalgebruik in Mc: alètheia (waarheid). Mc (2): (1) Mc 12,14. (2) Mc 12,32. Een vorm van alètheia (waarheid) in Mc in 3 verzen.
Mc 12,14.26.
acc. vr. enk. hodon (weg) van het zelfst. naamw. hodos (weg). Taalgebruik in
het NT: hodos
(weg). Taalgebruik in Mc: hodos
(weg).
Mc (10): (1) Mc
1,2. (2) Mc
1,3. (3) Mc
2,23. (4) Mc
4,4. (5) Mc
4,15. (6) Mc
6,8. (7) Mc
10,17. (8) Mc
10,46. (9) Mc
11,8. (10) Mc
12,14.
Mc 12,14.27.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (116). Mc 12 (10): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,8. (3) Mc
12,9. (4) Mc
12,14. (5) Mc
12,17. (6) Mc
12,24. (7) Mc
12,26. (8) Mc
12,34. (9) Mc
12,41. (10) Mc
12,44.
29. act. ind. pr. 2de p.enk. didaskeis (jij leert) van het werkw. didaskô (leren, onderrichten). Taalgebruik in NT: didaskô (leren). Taalgebruik in Mc: didaskô (leren). Auto-didact: iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven. Didactiek: leer van het onderrichten. Lat. docere (doctor). Cfr docentOT documentatie. Mc (1): Mc 12,14 . Een vorm van didaskô (leren, onderrichten) in Mc in 17 verzen.
Mc 12,14.30.
exestin (het is toegelaten). Taalgebruik in het NT: exestin
(het is toegelaten). Taalgebruik in Mc: exestin
(het is toegelaten).
Mc (6): (1) Mc
2,24. (2) Mc
2,26. (3) Mc
3,4. (4) Mc
6,18. (5) Mc
10,2. (6) Mc
12,14 .
In twee soorten zinnen. 1. In een ontkennende zin nl. ouk exestin = het is
niet toegelaten. Mc (3): (1) Mc
2,24. (2) Mc
2,26. (3) Mc
6,18.
2. In een vraagzin nl. exestin = is het toegelaten ? Mc (3): (1) Mc
3,4. (2) Mc
10,2. (3) Mc
12,14.
Mc 12,14.34.
partikel van vergelijking è (of) OFWEL bep. lidw. nom. vr. enk. hè
(de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (76). Mc 12 (5): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,14. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,22. (5) Mc
12,43.
Mc 12,14.37.
partikel van vergelijking è (of) OFWEL bep. lidw. nom. vr. enk. hè
(de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (76). Mc 12 (5): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,14. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,22. (5) Mc
12,43.
| Mc 12,15 - Mc 12,15: 291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer - Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,13 - Mc 12,14 - Mc 12,15 - Mc 12,16 - Mc 12,17 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [15] Shall we give, or shall we not give? But he, knowing
their hypocrisy, said unto them, Why tempt ye me? bring me a penny, that I may
see it.
Luther-Bibel. 15 Er aber merkte ihre Heuchelei und sprach zu ihnen: Was versucht
ihr mich? Bringt mir einen Silbergroschen, dass ich ihn sehe!
Tekstuitleg van Mc 12,15.
Mc 12,15 ὁ δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) εἰδὼς (= eidôs: wetende, kennende; wkw act part aor nom mann enk; zie het wkw οιδα = oida: ik weet) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὑπόκρισιν εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-egOT - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij)OT Τί με πειράζετε (= peirazete: jullie beproeven; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw πειραζω = peirazô: beproeven); φέρετέ (= ferete: brengt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw φερω = ferô: dragen, brengen) μοι δηνάριον ἵνα ἴδω (= idô: ik zou weten; wkw act conjunct aor 1ste pers enk; zie het wkw οιδα = oida: ik weet).
Mc 12,15.1.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (219). Mc 12 (16): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,20. (7) Mc
12,21. (8) Mc
12,24. (9) Mc
12,26. (10) Mc
12,29. (11) Mc
12,32. (12) Mc
12,34. (13) Mc
12,35. (14) Mc
12,37. (15) Mc
12,41. (16) Mc
12,42.
Mc 12,15.2.
de (echter). Taalgebruik in het NT: de
(echter). Taalgebruik in Mc: de
(echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden.
Mc (149 + 2). Mc 12 (7): (1) Mc
12,5. (2) Mc
12,7. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,16. (5) Mc
12,17. (6) Mc
12,26. (7) Mc
12,44.
Mc 12,15.7.
act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô
(zeggen). Taalgebruik in Mc: legô
(zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; lesOT
Fr. leçon.
Mc (56). Mc 12 (8): (1) Mc
12,12. (2) Mc
12,15. (3) Mc
12,17. (4) Mc
12,26. (5) Mc
12,32. (6) Mc
12,34. (7) Mc
12,36. (8) Mc
12,43. Een vorm van legô in Mc 12 in 9 verzenOT van eipon (ik zei)
in 10 verzen.
Mc 12,15.8.
pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen). pers. voornaamw.
autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (117). Mc 12 (8): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,15. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,28. (7) Mc
12,43. (8) Mc
12,44.
Mc 12,15.11.
act. ind. pr. + imp. 2de p. mv. peirazete (jullie beproeven) van het werkw.
van het werkw. peirazô (beproeven, op de proef stellen). Taalgebruik
in het NT: peirazô
(beproeven, op de proef stellen). Taalgebruik in Mc: peirazô
(beproeven, op de proef stellen). peira: proefOT poging. Lat. probare
(proberenOT be-proeven). ex-periment (uit-proberingOT ervaring). Hebr. nâsâh.
Mc (1): Mc
12,15. Een vorm van peirazô (beproeven) in 4 verzen in Mc: (1) Mc
1,13. (2) Mc
8,11. (3) Mc
10,2. (4) Mc
12,15.
| Mc 12,16 - Mc 12,16: 291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer - Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,13 - Mc 12,14 - Mc 12,15 - Mc 12,16 - Mc 12,17 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [16] And they brought it. And he saith unto them, Whose
is this image and superscription? And they said unto him, Caesar's.
Luther-Bibel. 16 Und sie brachten einen. Da sprach er: Wessen Bild und Aufschrift
ist das? Sie sprachen zu ihm: Des Kaisers.
Tekstuitleg van Mc 12,16.
Mc 12,16 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἤνεγκαν (= ènegkan: zij brachten; wkw act ind aor 3de pers mv bij het wkw φερω = ferô: dragen, brengen). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-egOT - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij)OT Τίνος ἡ εἰκὼν αὕτη καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἡ ἐπιγραφή; οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) εἶπαν (= eipan: zij zeiden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-egOT - aor επ = ep) αὐτῷ, καισαρος.
Mc 12,16.1.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (101). Mc 12 (7): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,22. (5) Mc
12,23. (6) Mc
12,35. (7) Mc
12,40.
Mc 12,16.2.
de (echter). Taalgebruik in het NT: de
(echter). Taalgebruik in Mc: de
(echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden.
Mc (149 + 2). Mc 12 (7): (1) Mc
12,5. (2) Mc
12,7. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,16. (5) Mc
12,17. (6) Mc
12,26. (7) Mc
12,44.
Mc 12,16.4.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
Mc 12,16.6.
pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen). pers. voornaamw.
autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (117). Mc 12 (8): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,15. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,28. (7) Mc
12,43. (8) Mc
12,44.
Mc 12,16.8.
bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (76). Mc 12 (5): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,14. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,22. (5) Mc
12,43.
Mc 12,16.10.
voornaamw. nom. vr. enk. autè (zij, deze) van het voornaamw. autos.
Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (10): (1) Mc
8,12. (2) Mc
10,12. (3) Mc
12,11. (4) Mc
12,16. (5) Mc
12,31. (6) Mc
12,43. (7) Mc
12,44. (8) Mc
13,30. (9) Mc
14,4. (10) Mc
14,9.
Mc 12,16.11.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
Mc 12,16.12.
bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (76). Mc 12 (5): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,14. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,22. (5) Mc
12,43.
Mc 12,16.14.bep.
lidw. nom. mann. mv. hoi (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (101). Mc 12 (7): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,22. (5) Mc
12,23. (6) Mc
12,35. (7) Mc
12,40.
Mc 12,16.15.
de (echter). Taalgebruik in het NT: de
(echter). Taalgebruik in Mc: de
(echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden.
Mc (149 + 2). Mc 12 (7): (1) Mc
12,5. (2) Mc
12,7. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,16. (5) Mc
12,17. (6) Mc
12,26. (7) Mc
12,44.
Mc 12,16.16.
act. ind. aor. 3de p. mv. eipan (zij zeiden) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô
(zeggen). Taalgebruik in Mc: legô
(zeggen).
Mc (9): (1) Mc
8,5. (2) Mc
8,28. (3) Mc
10,4. (4) Mc
10,37. (5) Mc
10,39. (6) Mc
11,6. (7) Mc
12,7. (8) Mc
12,16. (9) Mc
16,8. Enkele Farizeeën en Herodianen antwoorden op een tussen vraag
van Jezus. De tussenvraag is: van wie is deze beeltenis (tinos...).
Mc 12,16.14.
- 16. act. ind. aor. 3de p. mv. eipan (zij zeiden) van het werkw. legô
(zeggen). Taalgebruik in NT: legô
(zeggen). Taalgebruik in Mc: legô
(zeggen).
Mc (9): (1) Mc
8,5. (2) Mc
8,28. (3) Mc
10,4. (4) Mc
10,37. (5) Mc
10,39. (6) Mc
11,6. (7) Mc
12,7. (8) Mc
12,16. (9) Mc
16,8.
Mc 12,16.17.
pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) van het pers. voornaamw.
autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (109). Mc
Mc 12,16.14. - 17. hoi de eipan (zij echter zeiden) + autô(i) (hem). Mc (4 / 7): (1) Mc 8,5. (2) Mc 8,28. (3) Mc 10,4. (4) Mc 10,37. (5) Mc 10,39. (6) Mc 11,6. (7) Mc 12,16.
| Mc 12,17 - Mc 12,17: 291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer - Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,13 - Mc 12,14 - Mc 12,15 - Mc 12,16 - Mc 12,17 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [17] And Jesus answering said unto them, Render to Caesar
the things that are Caesar's, and to God the things that are God's. And they
marvelled at him.
Luther-Bibel. 17 Da sprach Jesus zu ihnen: So gebt dem Kaiser, was des Kaisers
ist, und Gott, was Gottes ist! Und sie wunderten sich über ihn.
Tekstuitleg van Mc 12,17.
Mc 12,17 ὁ δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Ἰησοῦς εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-egOT - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij)OT τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) καισαρος ἀπόδοτε (= apodote: geeft wat afkomstig is van / geeft terug; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw = αποδιδωμι: apodidômi: geven wat afkomstig is van, teruggeven; zie het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gaveOT gift. Fr: donner - don: geven - gave) καισαρι καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τοῦ θεοῦτῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θεῷ. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐξεθαύμαζον (= eksethaumadzon; zij verwonderden zich zeer; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw εκθαυμαζω = ekthaumadzô: zich zeer verwonderen over) ἐπ' αὐτῷ.
Mc 12,17.1.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). bepaald lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (219). Mc 12 (16): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,20. (7) Mc
12,21. (8) Mc
12,24. (9) Mc
12,26. (10) Mc
12,29. (11) Mc
12,32. (12) Mc
12,34. (13) Mc
12,35. (14) Mc
12,37. (15) Mc
12,41. (16) Mc
12,42.
Mc 12,17.2.
de (echter). Taalgebruik in het NT: de
(echter). Taalgebruik in Mc: de
(echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden.
Mc (149 + 2). Mc 12 (7): (1) Mc
12,5. (2) Mc
12,7. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,16. (5) Mc
12,17. (6) Mc
12,26. (7) Mc
12,44.
Mc 12,17.3.
nom. mann. enk. Ièsous (Jezus). Taalgebruik in het NT: Ièsous
(Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous
(Jezus).
Mc (57). Mc 12 (5): (1) Mc
12,17. (2) Mc
12,24. (3) Mc
12,29. (4) Mc
12,34. (5) Mc
12,35. Een vorm van ièsous (Jezus) in Mc in 81 verzen.
Mc 12,17.4.
act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô
(zeggen). Taalgebruik in Mc: legô
(zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; lesOT
Fr. leçon.
Mc (56). Mc 12 (8): (1) Mc
12,12. (2) Mc
12,15. (3) Mc
12,17. (4) Mc
12,26. (5) Mc
12,32. (6) Mc
12,34. (7) Mc
12,36. (8) Mc
12,43. Een vorm van legô in Mc 12 in 9 verzenOT van eipon (ik zei)
in 10 verzen.
Mc 12,17.5.
pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen). Taalgebruik in het
NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (117). Mc 12 (8): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,15. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,28. (7) Mc
12,43. (8) Mc
12,44.
Mc 12,17.1. - 5. ho de ièsous eipen autois (Jezus echter zei hen). Mc (4): (1) Mc 10,5. (2) Mc 10,38. (3) Mc 10,39. (4) Mc 12,17. In de verzen Mc 10,5 en Mc 12,17 leidt het het antwoord van Jezus op de beginvraag in. In beide verhalen zijn er Farizeeën betrokken bij het stellen van de vraag (beginnend met de woorden: is het toegelaten...). In de verzen Mc 10,38 en Mc 10,39 leidt het de antwoorden van Jezus op het verzoek van Jakobus en Johannes in.
Mc 12,17.6.
bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de). bepaald lidwoord. Taalgebruik in
het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (47). Mc 12 (1): Mc
12,17.
Mc 12,17.10.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
Mc 12,17.11.
bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de). bepaald lidwoord. Taalgebruik in
het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (47). Mc 12 (1): Mc
12,17.
Mc 12,17.12.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (116). Mc 12 (10): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,8. (3) Mc
12,9. (4) Mc
12,14. (5) Mc
12,17. (6) Mc
12,24. (7) Mc
12,26. (8) Mc
12,34. (9) Mc
12,41. (10) Mc
12,44.
Mc 12,17.14.
bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (68). Mc 12 (5): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,17. (3) Mc
12,19. (4) Mc
12,35. (5) Mc
12,36.
Mc 12,17.16.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis: Mc 12,18-27 -- Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 -
| Mc 12,18 - Mc 12,18: 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [18] Then come unto him the Sadducees, which say there is
no resurrection; and they asked him, saying,
Luther-Bibel. 18 Da traten die Sadduzäer zu ihm, die lehren, es gebe keine
Auferstehung; die fragten ihn und sprachen:
Tekstuitleg van Mc 12,18.
Mc 12,18 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) (= erchontai: zij gaan; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) Σαδδουκαῖοι (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτόν, οἵ (= tines: sommigen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw τις - τι = tis, ti: iemand, iets; mv: sommigen) λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-egOT - aor επ = ep) ἀνάστασιν μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) εἶναι (= einai: om te zijn; wkw act inf praes van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-OT zie Lat.: esse), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐπηρώτων (= epèrôtôn: zij ondervroegen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λέγοντες (= legontes: zeggende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-egOT - aor επ = ep),
4. pros (naar, bij). Taalgebruik in het NT: pros
(naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros
(naar, bij). Voorzetsel.
Mc (62). Mc 12 (7): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,4. (3) Mc
12,6. (4) Mc
12,7. (5) Mc
12,12. (6) Mc
12,13. (7) Mc
12,18.
Mc 12,18.4. - 5. pros auton (naar hem, bij hem). Naar Jezus. Mc (14): (1) Mc 1,32. (2) Mc 1,40. (3) Mc 1,45. (4) Mc 2,3. (5) Mc 2,13. (6) Mc 3,8. (7) Mc 3,13. (8) Mc 3,31. (9) Mc 4,1. (10) Mc 7,1. (11) Mc 9,20. (12) Mc 10,1. (13) Mc 12,13. (14) Mc 12,18.
Mc 12,18.6.
pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 12 (12): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,3. (3) Mc
12,6. (4) Mc
12,7. (5) Mc
12,8. (6) Mc
12,12. (7) Mc
12,13. (8) Mc
12,18. (9) Mc
12,28. (10) Mc
12,33. (11) Mc
12,34. (12) Mc
12,37.
Mc 12,18.10.
act. inf. praes. einai (zijn) van het werkw. eimi (zijn). Taalgebruik in het
NT: eimi
(zijn). Taalgebruik in Mc: eimi
(zijn). Hebr. hâjâh. Lat. esse. Fr. être. Ned. zijn. E. to be.
Mc (7): (1) Mc
8,27. (2) Mc
8,29. (3) Mc
9,5. (4) Mc
9,35. (5) Mc
10,44. (6) Mc
12,18. (7) Mc
14,64.
Mc 12,18.13.
pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 12 (12): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,3. (3) Mc
12,6. (4) Mc
12,7. (5) Mc
12,8. (6) Mc
12,12. (7) Mc
12,13. (8) Mc
12,18. (9) Mc
12,28. (10) Mc
12,33. (11) Mc
12,34. (12) Mc
12,37.
| Mc 12,19 - Mc 12,19: 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [19] Master, Moses wrote unto us, If a man's brother die,
and leave his wife behind him, and leave no children, that his brother should
take his wife, and raise up seed unto his brother.
Luther-Bibel. 19 Meister, Mose hat uns vorgeschrieben (5.Mose 25,5-6): »Wenn
jemand stirbt und hinterlässt eine Frau, aber keine Kinder, so soll sein Bruder
sie zur Frau nehmen und seinem Bruder Nachkommen erwecken.«
Tekstuitleg van Mc 12,19.
Mc 12,19 Διδάσκαλε, Μωϋσῆς ἔγραψεν (= egrapsen: hij schreef; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) ἡμῖν ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἐάν τινος ἀδελφὸς ἀποθάνῃ (= apothanè: hij zou sterven; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw αποθνῃσκω = apothnè(i)skô: sterven) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) καταλίπῃ (= katalipè: hij zou achterlaten; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw καταλειπω = kataleipô: achterlaten) γυναῖκα καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἀφῇ (= afè: hij zou achterlaten; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) τέκνον, ἵνα λάβῃ (= labè: hij zou nemen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀδελφὸς αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γυναῖκα καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐξαναστήσῃ (eksanastèsè: hij zou doen opstaan; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw εξ-αν-ι-στη-μι = eks-an-i-stè-mi:: op-staan; stam: sta-) σπέρματῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀδελφῷ αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
1. voc. mann. enk. didaskale (leermeester) van het zelfst. naamw. didaskalos
(leraarOT leermeester). Taalgebruik in het NT: didaskalos
(leraarOT leermeester). Taalgebruik in Mc: didaskalos
(leraarOT leermeester).
Mc (10): (1) Mc
4,38. (2) Mc
9,17. (3) Mc
9,38. (4) Mc
10,17. (5) Mc
10,20. (6) Mc
10,35. (7) Mc
12,14. (8) Mc
12,19. (9) Mc
12,32. (10) Mc
13,1. Een vorm van didaskalos (leraarOT leermeester) in Mc in 12 verzen.
Mc 12,19.2.
nom. mann. enk. môusès (Mozes). Taalgebruik in het NT: môusès
(Mozes). Taalgebruik in Mc: môusès
(Mozes).
Mc (5): (1) Mc
1,44. (2) Mc
7,10. (3) Mc
10,3. (4) Mc
10,4. (5) Mc
12,19.
Mc 12,19.4.
pers. voornaamw. dat. mv. hèmin (ons) van het pers. voornaamw. hèmeis. Taalgebruik in het NT: persoonlijk
voornaamwoord. Taalgebruik in Mc: persoonlijk
voornaamwoord.
Mc (9): (1) Mc
1,24. (2) Mc
9,22. (3) Mc
9,38. (4) Mc
10,35. (5) Mc
10,37. (6) Mc
12,19. (7) Mc
13,4. (8) Mc
14,15. (9) Mc
16,3.
Mc 12,19.5.
hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti
(dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti
(dat, omdat).
Mc (92). Mc 12 (12): (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,7. (3) Mc
12,12. (4) Mc
12,14. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,26. (7) Mc
12,28. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,32. (10) Mc
12,34. (11) Mc
12,35. (12) Mc
12,43.
Mc 12,19.12.
acc. vr. enk. gunaika (vrouw) van het zelfst. naamw. gunè (vrouw). Taalgebruik
in het NT: gunè
(vrouw). Taalgebruik in Mc: gunè
(vrouw). Hebr. ´isjsjâh. Lat. uxor. Fr. femme (> Lat.
femina). Ned. vrouw. D. Frau.
Mc (8): (1) Mc
6,17. (2) Mc
6,18. (3) Mc
10,2. (4) Mc
10,7. (5) Mc
10,11. (6) Mc
12,19. (7) Mc
12,20. (8) Mc
12,23.
Mc 12,19.19.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (219). Mc 12 (16): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,20. (7) Mc
12,21. (8) Mc
12,24. (9) Mc
12,26. (10) Mc
12,29. (11) Mc
12,32. (12) Mc
12,34. (13) Mc
12,35. (14) Mc
12,37. (15) Mc
12,41. (16) Mc
12,42.
Mc 12,19.21.
pers. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (143). Mc 12 (5): (1) Mc
12,19. (2) Mc
12,32. (3) Mc
12,37. (4) Mc
12,38. (5) Mc
12,43.
Mc 12,19.27.
bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (68). Mc 12 (5): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,17. (3) Mc
12,19. (4) Mc
12,35. (5) Mc
12,36.
Mc 12,19.29.
pers. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (143). Mc 12 (5): (1) Mc
12,19. (2) Mc
12,32. (3) Mc
12,37. (4) Mc
12,38. (5) Mc
12,43.
| Mc 12,20 - Mc 12,20: 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [20] Now there were seven brethren: and the first took a
wife, and dying left no seed.
Luther-Bibel. 20 Nun waren sieben Brüder. Der erste nahm eine Frau; der starb
und hinterließ keine Kinder.
Tekstuitleg van Mc 12,20.
Mc 12,20 ἑπτὰ ἀδελφοὶ ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-OT zie Lat.: esse) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πρῶτος ἔλαβεν (= elaben: hij nam; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) γυναῖκα, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀποθνῄσκων (= apothnèskôn: gestorven; wkw act part praes nom mann enk van het wkw αποθνῃσκω = apothnè(i)skô: sterven) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀφῆκεν (= afèken: hij liet achter; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) σπέρμα:
Mc 12,20.5.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (219). Mc 12 (16): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,20. (7) Mc
12,21. (8) Mc
12,24. (9) Mc
12,26. (10) Mc
12,29. (11) Mc
12,32. (12) Mc
12,34. (13) Mc
12,35. (14) Mc
12,37. (15) Mc
12,41. (16) Mc
12,42.
Mc 12,20.6. nom. mann. enk. prôtos (eerste) van het bijvoegl. naamw. (rangtelwoord) prôtos (eerste). Taalgebruik in het NT: prôtos (eerste). Taalgebruik in Mc: prôtos (eerste). Mc (3): (1) Mc 9,35. (2) Mc 10,44. (3) Mc 12,20.
Mc 12,20.8.
acc. vr. enk. gunaika (vrouw) van het zelfst. naamw. gunè (vrouw). Taalgebruik
in het NT: gunè
(vrouw). Taalgebruik in Mc: gunè
(vrouw). Hebr. ´isjsjâh. Lat. uxor. Fr. femme (> Lat.
femina). Ned. vrouw. D. Frau.
Mc (8): (1) Mc
6,17. (2) Mc
6,18. (3) Mc
10,2. (4) Mc
10,7. (5) Mc
10,11. (6) Mc
12,19. (7) Mc
12,20. (8) Mc
12,23.
| Mc 12,21 - Mc 12,21: 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [21] And the second took her, and died, neither left he
any seed: and the third likewise.
Luther-Bibel. 21 Und der zweite nahm sie und starb und hinterließ auch keine
Kinder. Und der dritte ebenso.
Tekstuitleg van Mc 12,21.
Mc 12,21 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δεύτερος ἔλαβεν (= elaben: hij nam; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) αὐτήν, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀπέθανεν (= apethanen: hij stierf; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αποθνῃσκω = apothnè(i)skô: sterven) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) καταλιπὼν (= katalipôn: achterlatende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw καταλειπω = kataleipô: achterlaten) σπέρμα: καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) τρίτος ὡσαύτως:
Mc 12,21.2.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (219). Mc 12 (16): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,20. (7) Mc
12,21. (8) Mc
12,24. (9) Mc
12,26. (10) Mc
12,29. (11) Mc
12,32. (12) Mc
12,34. (13) Mc
12,35. (14) Mc
12,37. (15) Mc
12,41. (16) Mc
12,42.
Mc 12,21.5.
pers. voornaamw. acc. vr. enk. autèn (haar). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (14): (1) Mc
1,31. (2) Mc
4,30. (3) Mc
6,17. (4) Mc
6,26. (5) Mc
6,28. (6) Mc
8,35. (7) Mc
9,43. (8) Mc
10,11. (9) Mc
10,15. (10) Mc
11,2. (11) Mc
11,13. (12) Mc
12,21. (13) Mc
12,23. (14) Mc
14,6.
Mc 12,21.12.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (219). Mc 12 (16): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,20. (7) Mc
12,21. (8) Mc
12,24. (9) Mc
12,26. (10) Mc
12,29. (11) Mc
12,32. (12) Mc
12,34. (13) Mc
12,35. (14) Mc
12,37. (15) Mc
12,41. (16) Mc
12,42.
| Mc 12,22 - Mc 12,22: 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [22] And the seven had her, and left no seed: last of all
the woman died also.
Luther-Bibel. 22 Und alle sieben hinterließen keine Kinder. Zuletzt nach allen
starb die Frau auch.
Tekstuitleg van Mc 12,22.
Mc 12,22 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἑπτὰ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀφῆκαν (= afèkan: zij lieten achter; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) σπέρμα. ἔσχατον πάντων καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἡ γυνὴ ἀπέθανεν (= apethanen: zij stierf; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αποθνῃσκω = apothnè(i)skô: sterven).
2. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (101). Mc 12 (7): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,22. (5) Mc
12,23. (6) Mc
12,35. (7) Mc
12,40.
8. gen. mv. pantôn (allen / alles) van het bijvoegl naamw. pas (ieder,
elk, alles). Taalgebruik in het NT: pas
(ieder, elk, alles). Taalgebruik in Mc: pas
(ieder, elk, alles). Hebr. kol. Lat. omnis. Fr. tout. Ned. elkOT ieder.
Mc (10): (1) Mc
2,12. (2) Mc
4,31. (3) Mc
4,32. (4) Mc
9,35. (5) Mc
10,44. (6) Mc
12,22. (7) Mc
12,28. (8) Mc
12,33. (9) Mc
12,43. (10) Mc
13,13. Een vorm van pas (ieder, al) in Mc in 66 verzen.
Mc 12,22.10.
bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (76). Mc 12 (5): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,14. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,22. (5) Mc
12,43.
Mc 12,22.11.
nom. vr. enk. gunè (vrouw). Taalgebruik in het NT: gunè
(vrouw). Taalgebruik in Mc: gunè
(vrouw). Hebr. ´isjsjâh. Lat. uxor. Fr. femme (> Lat.
femina). Ned. vrouw. D. Frau.
Mc (7): (1) Mc
5,25. (2) Mc
5,33. (3) Mc
7,25. (4) Mc
7,26. (5) Mc
12,22. (6) Mc
12,23. (7) Mc
14,3.
| Mc 12,23 - Mc 12,23: 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [23] In the resurrection therefore, when they shall rise,
whose wife shall she be of them? for the seven had her to wife.
Luther-Bibel. 23 Nun in der Auferstehung, wenn sie auferstehen: wessen Frau
wird sie sein unter ihnen? Denn alle sieben haben sie zur Frau gehabt.
Tekstuitleg van Mc 12,23.
Mc 12,23 ἐν τῇ ἀναστάσει [,ὅταν ἀναστῶσιν,] τίνος αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἔσται (= estai: hij/zij/het zal zijn; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-OT zie Lat.: esse) γυνή; οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἑπτὰ ἔσχον (= eschon: zij hadden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) αὐτὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γυναῖκα.
Mc 12,23.1.
en (in). Taalgebruik in het NT: en
(in). Taalgebruik in Mc: en
(in). Hebr. bë. Fr. en. Ned. in. Fr. dans.
Mc 12 (9): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,11. (3) Mc
12,23. (4) Mc
12,25. (5) Mc
12,26. (6) Mc
12,35. (7) Mc
12,36. (8) Mc
12,38. (9) Mc
12,39.
Mc 12,23.2.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc 12 (3): (1) Mc
12,23. (2) Mc
12,26. (3) Mc
12,38.
Mc 12,23.9.
nom. vr. enk. gunè (vrouw). Taalgebruik in het NT: gunè
(vrouw). Taalgebruik in Mc: gunè
(vrouw). Hebr. ´isjsjâh. Lat. uxor. Fr. femme (> Lat.
femina). Ned. vrouw. D. Frau.
Mc (7): (1) Mc
5,25. (2) Mc
5,33. (3) Mc
7,25. (4) Mc
7,26. (5) Mc
12,22. (6) Mc
12,23. (7) Mc
14,3.
Mc 12,23.10.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (101). Mc 12 (7): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,22. (5) Mc
12,23. (6) Mc
12,35. (7) Mc
12,40.
Mc 12,23.11.
gar (want). Taalgebruik in het NT: gar
(want). Taalgebruik in Mc: gar
(want). Redengevend voegwoord. Hebr. kî. Lat. enim. Fr. car.
Ned.: want.
Mc (63). Mc 12 (5): (1) Mc
12,12. (2) Mc
12,14. (3) Mc
12,23. (4) Mc
12,25. (5) Mc
12,44.
Mc 12,23.14.
pers. voornaamw. acc. vr. enk. autèn (haar). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (14): (1) Mc
1,31. (2) Mc
4,30. (3) Mc
6,17. (4) Mc
6,26. (5) Mc
6,28. (6) Mc
8,35. (7) Mc
9,43. (8) Mc
10,11. (9) Mc
10,15. (10) Mc
11,2. (11) Mc
11,13. (12) Mc
12,21. (13) Mc
12,23. (14) Mc
14,6.
Mc 12,23.15.
acc. vr. enk. gunaika (vrouw) van het zelfst. naamw. gunè (vrouw). Taalgebruik
in het NT: gunè
(vrouw). Taalgebruik in Mc: gunè
(vrouw). Hebr. ´isjsjâh. Lat. uxor. Fr. femme (> Lat.
femina). Ned. vrouw. D. Frau.
Mc (8): (1) Mc
6,17. (2) Mc
6,18. (3) Mc
10,2. (4) Mc
10,7. (5) Mc
10,11. (6) Mc
12,19. (7) Mc
12,20. (8) Mc
12,23.
| Mc 12,24 - Mc 12,24: 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [24] And Jesus answering said unto them, Do ye not therefore
err, because ye know not the scriptures, neither the power of God?
Luther-Bibel. 24 Da sprach Jesus zu ihnen: Ist's nicht so? Ihr irrt, weil ihr
weder die Schrift kennt noch die Kraft Gottes.
Tekstuitleg van Mc 12,24.
Mc 12,24 ἔφη (= egè: hij beweerde, hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw φημι = fèmi: beweren, zeggen) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς,οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τοῦτο πλανᾶσθε (= planasthe: jullie worden misleid, jullie dwalen; wkw pass ind praes 2de pers mv van het wkw πλαναω = planaô: dwalen, bedriegen, misleid worden) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) εἰδότες (= eidôτεσ: wetende, kennende; wkw act part aor nom mann mv; zie het wkw οιδα = oida: ik weet) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραφὰς μηδὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δύναμιν τοῦ θεοῦ;
Mc 12,24.2.
pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen). pers. voornaamw.
autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (117). Mc 12 (8): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,15. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,28. (7) Mc
12,43. (8) Mc
12,44.
Mc 12,24.3.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (219). Mc 12 (16): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,20. (7) Mc
12,21. (8) Mc
12,24. (9) Mc
12,26. (10) Mc
12,29. (11) Mc
12,32. (12) Mc
12,34. (13) Mc
12,35. (14) Mc
12,37. (15) Mc
12,41. (16) Mc
12,42.
4. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus). Taalgebruik in het NT: Ièsous
(Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous
(Jezus).
Mc (57). Mc 12 (5): (1) Mc
12,17. (2) Mc
12,24. (3) Mc
12,29. (4) Mc
12,34. (5) Mc
12,35. Een vorm van ièsous (Jezus) in Mc in 81 verzen.
Mc 12,24.11.
bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (27): Mc 12 (2): (1) Mc
12,24. (2) Mc
12,40.
Mc 12,24.16.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (116). Mc 12 (10): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,8. (3) Mc
12,9. (4) Mc
12,14. (5) Mc
12,17. (6) Mc
12,24. (7) Mc
12,26. (8) Mc
12,34. (9) Mc
12,41. (10) Mc
12,44.
| Mc 12,25 - Mc 12,25: 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [25] For when they shall rise from the dead, they neither
marry, nor are given in marriage; but are as the angels which are in heaven.
Luther-Bibel. 25 Wenn sie von den Toten auferstehen werden, so werden sie weder
heiraten noch sich heiraten lassen, sondern sie sind wie die Engel im Himmel.
Tekstuitleg van Mc 12,25.
Mc 12,25 ὅταν γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἐκ νεκρῶν ἀναστῶσιν, οὔτε γαμοῦσιν (= gamousin: zij huwen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw γαμεω = gameô: huwen) οὔτε γαμίζονται (= gamidzontai: zij worden uitgehuwelijkt; wkw pass ind praes 3de pers mv van het wkw γαμιζω = gamidzô: uithuwelijken), ἀλλ' (= all': maar; afkorting van αλλα = alla; partikel van tegenstelling) εἰσὶν ὡς ἄγγελοι ἐν τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) οὐρανοῖς.
Mc 12,25.2.
gar (want). Taalgebruik in het NT: gar
(want). Taalgebruik in Mc: gar
(want). Redengevend voegwoord. Hebr. kî. Lat. enim. Fr. car.
Ned.: want.
Mc (63). Mc 12 (5): (1) Mc
12,12. (2) Mc
12,14. (3) Mc
12,23. (4) Mc
12,25. (5) Mc
12,44.
Mc 12,25.3.
ek - ex (uit). Taalgebruik in het NT: ek
(uit). Taalgebruik in Mc: ek
(uit). Ned. uit. D. aus. E. out. Fr. de.
Mc (38 + 20). Mc 12 (3 + 2): (1) Mc
12,25. (2) Mc
12,36. (3) Mc
12,44. Mc (12): (1) Mc
12,30. (2) Mc
12,33.
13. nom. mann. mv. aggeloi van het zelfst. naamw. aggelos (engel, boodschapper). Taalgebruik in het NT: aggelos
(engel). Taalgebruik in Mc: aggelos
(engel). Stam: n - g - l. L. angelus. Fr. ange. N. engel. Fr. un messager
uit L. mittere (zenden)OT missus = gezonden. Hebr. malë´akh.
Mc (3): (1) Mc
1,13. (2) Mc
12,25. (3) Mc
13,32. Een vorm van aggelos (engel, boodschapper) in Mc (6): (1) Mc
1,2. (2) Mc
1,13. (3) Mc
8,38. (4) Mc
12,25. (5) Mc
13,27. (6) Mc
13,32.
Mc 12,25.14.
en (in). Taalgebruik in het NT: en
(in). Taalgebruik in Mc: en
(in). Hebr. bë. Fr. en. Ned. in. Fr. dans.
Mc 12 (9): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,11. (3) Mc
12,23. (4) Mc
12,25. (5) Mc
12,26. (6) Mc
12,35. (7) Mc
12,36. (8) Mc
12,38. (9) Mc
12,39.
| Mc 12,26 - Mc 12,26: 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [26] And as touching the dead, that they rise: have ye not
read in the book of Moses, how in the bush God spake unto him, saying, I am
the God of Abraham, and the God of Isaac, and the God of Jacob?
Luther-Bibel. 26 Aber von den Toten, dass sie auferstehen, habt ihr nicht gelesen
im Buch des Mose, bei dem Dornbusch, wie Gott zu ihm sagte und sprach (2.Mose
3,6): »Ich bin der Gott Abrahams und der Gott Isaaks und der Gott Jakobs«?
Tekstuitleg van Mc 12,26.
Mc 12,26 περὶ δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) νεκρῶν ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἐγείρονται (= egeirontai: zij worden opgewekt; wkw pass ind praes 3de pers mv van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀνέγνωτε (= anegnôte: jullie lazen; wkw act ind aor 2de pers mv van het wkw αναγιγνωσκω = anagignôskô: lezen) ἐν τῇ βίβλῳ Μωϋσέως ἐπὶ τοῦ βάτου πῶς εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-egOT - aor επ = ep) αὐτῷ ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θεὸς λέγων (= legôn: zeggende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-egOT - aor επ = ep), Ἐγὼ ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θεὸς Ἀβραὰμ καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) [ὁ] θεὸς Ἰσαὰκ καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) [ὁ] θεὸς Ἰακώβ;
Mc 12,26.2.
de (echter). Taalgebruik in het NT: de
(echter). Taalgebruik in Mc: de
(echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden.
Mc (149 + 2). Mc 12 (7): (1) Mc
12,5. (2) Mc
12,7. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,16. (5) Mc
12,17. (6) Mc
12,26. (7) Mc
12,44.
3. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in
het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (90). Mc 12 (9): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,13. (3) Mc
12,26. (4) Mc
12,28. (5) Mc
12,33. (6) Mc
12,36. (7) Mc
12,38. (8) Mc
12,40. (9) Mc
12,43.
Mc 12,26.5.
hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti
(dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti
(dat, omdat).
Mc (92). Mc 12 (12): (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,7. (3) Mc
12,12. (4) Mc
12,14. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,26. (7) Mc
12,28. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,32. (10) Mc
12,34. (11) Mc
12,35. (12) Mc
12,43.
Mc 12,26.9.
en (in). Taalgebruik in het NT: en
(in). Taalgebruik in Mc: en
(in). Hebr. bë. Fr. en. Ned. in. Fr. dans.
Mc 12 (9): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,11. (3) Mc
12,23. (4) Mc
12,25. (5) Mc
12,26. (6) Mc
12,35. (7) Mc
12,36. (8) Mc
12,38. (9) Mc
12,39.
Mc 12,26.10.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc 12 (3): (1) Mc
12,23. (2) Mc
12,26. (3) Mc
12,38.
Mc 12,26.14.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (116). Mc 12 (10): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,8. (3) Mc
12,9. (4) Mc
12,14. (5) Mc
12,17. (6) Mc
12,24. (7) Mc
12,26. (8) Mc
12,34. (9) Mc
12,41. (10) Mc
12,44.
16. pôs (hoe). Taalgebruik in het NT: pôs
(hoe). Taalgebruik in Mc: pôs
(hoe). Vragend of onbepaald voornaamw. van wijze.
Mc (14): (1) Mc
2,26. (2) Mc
3,23. (3) Mc
4,13. (4) Mc
4,30. (5) Mc
5,16. (6) Mc
9,12. (7) Mc
10,23. (8) Mc
10,24. (9) Mc
11,18. (10) Mc
12,26. (11) Mc
12,35. (12) Mc
12,41. (13) Mc
14,1. (14) Mc
14,11.
Mc 12,26.17.
act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô
(zeggen). Taalgebruik in Mc: legô
(zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; lesOT
Fr. leçon.
Mc (56). Mc 12 (8): (1) Mc
12,12. (2) Mc
12,15. (3) Mc
12,17. (4) Mc
12,26. (5) Mc
12,32. (6) Mc
12,34. (7) Mc
12,36. (8) Mc
12,43. Een vorm van legô in Mc 12 in 9 verzenOT van eipon (ik zei)
in 10 verzen.
Mc 12,26.19.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (219). Mc 12 (16): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,20. (7) Mc
12,21. (8) Mc
12,24. (9) Mc
12,26. (10) Mc
12,29. (11) Mc
12,32. (12) Mc
12,34. (13) Mc
12,35. (14) Mc
12,37. (15) Mc
12,41. (16) Mc
12,42.
Mc 12,26.23.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (219). Mc 12 (16): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,20. (7) Mc
12,21. (8) Mc
12,24. (9) Mc
12,26. (10) Mc
12,29. (11) Mc
12,32. (12) Mc
12,34. (13) Mc
12,35. (14) Mc
12,37. (15) Mc
12,41. (16) Mc
12,42.
Mc 12,26.27.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (219). Mc 12 (16): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,20. (7) Mc
12,21. (8) Mc
12,24. (9) Mc
12,26. (10) Mc
12,29. (11) Mc
12,32. (12) Mc
12,34. (13) Mc
12,35. (14) Mc
12,37. (15) Mc
12,41. (16) Mc
12,42.
Mc 12,26.31.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (219). Mc 12 (16): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,20. (7) Mc
12,21. (8) Mc
12,24. (9) Mc
12,26. (10) Mc
12,29. (11) Mc
12,32. (12) Mc
12,34. (13) Mc
12,35. (14) Mc
12,37. (15) Mc
12,41. (16) Mc
12,42.
| Mc 12,27 - Mc 12,27: 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,18 - Mc 12,19 - Mc 12,20 - Mc 12,21 - Mc 12,22 - Mc 12,23 - Mc 12,24 - Mc 12,25 - Mc 12,26 - Mc 12,27 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [27] He is not the God of the dead, but the God of the living:
ye therefore do greatly err.
Luther-Bibel. 27 Gott ist nicht ein Gott der Toten, sondern der Lebenden. Ihr
irrt sehr.
Tekstuitleg van Mc 12,27.
Mc 12,27 οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-OT zie Lat.: esse) θεὸς νεκρῶν ἀλλὰ ζώντων: πολὺ πλανᾶσθε (= planasthe: jullie worden misleid, jullie dwalen; wkw pass ind praes 2de pers mv van het wkw πλαναω = planaô: dwalen, bedriegen, misleid worden).
293. Vraag naar het eerste gebod: Mc 12,28-34 -- Mc 12,28-34 - Mt 22,34-40 - Lc 20,39-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,28 - Mc 12,29 - Mc 12,30 - Mc 12,31 - Mc 12,32 - Mc 12,33 - Mc 12,34 -
| Mc 12,28 - Mc 12,28: 293. Vraag naar het eerste gebod - Mc 12,28-34 - Mt 22,34-40 - Lc 20,39-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,28 - Mc 12,29 - Mc 12,30 - Mc 12,31 - Mc 12,32 - Mc 12,33 - Mc 12,34 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [28] And one of the scribes came, and having heard them
reasoning together, and perceiving that he had answered them well, asked him,
Which is the first commandment of all?
Luther-Bibel. 28 Und es trat zu ihm einer von den Schriftgelehrten, der ihnen
zugehört hatte, wie sie miteinander stritten. Und als er sah, dass er ihnen
gut geantwortet hatte, fragte er ihn: Welches ist das höchste Gebot von allen?
Tekstuitleg van Mc 12,28.
Mc 12,28.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 12,28.2. part. aor. nom. mann. enk. προσελθων = proselthôn (naderbijgekomen) van het werkw. proserchomai (naderbijkomen). Taalgebruik in het NT: proserchomai (naderbijkomen). Taalgebruik in de LXX: proserchomai (naderbijkomen). Taalgebruik in Mc: proserchomai (naderbijkomen). Mc (3): (1) Mc 1,31. (2) Mc 12,28. (3) Mc 14,45. Een vorm van προσερχομαι = proserchomai in de LXX (113)OT in het NT (87).
| proserchomai (naderbijgaan) | Mc | Mc 1 | Mc 6 | Mc 10 | Mc 12 | Mc 14 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | syn. | ev. | |
| 1 | part. aor. nom. mann. enk. proselthôn | 3 | (1) Mc 1,31. | (2) Mc 12,28. | (3) Mc 14,45. | 28 | 5 | 23 | 14 | 3 | 3 | 3 | 20 | 20 | ||||
| 2 | part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes | 2 | (1) Mc 6,35. | (2) Mc 10,2. | 23 | 6 | 17 | 11 | 2 | 3 | 1 | 16 | 16 | |||||
| 5 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 111 | 40 | 71 | 49 | 5 | 8 | 1 | 7 | 1 | 62 | 63 |
Mc 12,28.4. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. των = tôn (van de) van het bepaald lidw. ὁ = hoOT ἡ = hèOT το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc (90). Mc 12 (9): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,13. (3) Mc
12,26. (4) Mc
12,28. (5) Mc
12,33. (6) Mc
12,36. (7) Mc
12,38. (8) Mc
12,40. (9) Mc
12,43.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 13. | gen. m. + vr. + onz. mv. tôn | 90 | 4 | 4 | 4 | 2 | 7 | 6 | 10 | 6 | 3 | 3 | 5 | 9 | 3 | 13 | 9 | 2 | 5178 | 4144 | 1034 | 178 | 90 | 119 | 98 | 166 | 267 | 116 |
- bepaald lidw. Ned.: de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: derOT dieOT das enz.. E.: the. Fr.: leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam). Grieks: ὁ = hoOT ἡ = hèOT το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 12,28.3. - 4. εἱς των = heis tôn (één van de). LXX (19). NT (15). Mc (5): (1) Mc 5,22. (2) Mc 6,15. (3) Mc 12,28. (4) Mc 13,1. (5) Mc 14,10.
Mc 12,28.5. gen. mann. mv. γραμματεων = grammateôn (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. γραμματευς = grammateus (schriftgeleerde). Taalgebruik in het NT: grammateus (schriftgeleerde). Taalgebruik in de LXX: grammateus (schriftgeleerde). Taalgebruik in Mc: grammateus (schriftgeleerde). Mc (8): (1) Mc 2,6. (2) Mc 7,1. (3) Mc 8,31. (4) Mc 12,28. (5) Mc 12,38. (6) Mc 14,43. (7) Mc 15,1. (8) Mc 15,31.
| grammateus (schriftgeleerde) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 14 | Mc 15 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | |
| 1 | nom. + voc. enk. grammateus | 1 | (1) Mc 12,32. | 29 | 24 | 5 | 2 | 1 | 1 | 1 | ||||||||||||
| 5 | nom. + voc. + acc. mv. grammateis | 11 | (1) Mc 1,22. | (2) Mc 2,16. | (3) Mc 3,22. | (4) Mc 7,5. | (5) Mc 9,11. (6) Mc 9,14. | (7) Mc 11,18. (8) Mc 11,27. | (9) Mc 12,35. | (10) Mc 14,1. (11) Mc 14,53. | 61 | 22 | 39 | 14 | 11 | 11 | 1 | 2 | ||||
| 6 | gen. mv. grammateôn | 8 | (1) Mc 2,6. | (2) Mc 7,1. | (3) Mc 8,31. | (4) Mc 12,28. (5) Mc 12,38. | (6) Mc 14,43. | (7) Mc 15,1. (8) Mc 15,31. | 20 | 3 | 17 | 5 | 8 | 3 | 1 | |||||||
| 7 | dat. mv. grammateusin | 1 | (1) Mc 10,33. | 5 | 3 | 2 | 1 | 1 | ||||||||||||||
| Totaal | 21 | 1 | 2 | 1 | 2 | 1 | 2 | 1 | 2 | 4 | 3 | 2 | 140 | 77 | 63 | 22 | 21 | 14 | 1 | 3 | 1 |
Mc 12,28.3. - 5. εἱς των γραμματεων = heis tôn grammateôn (één van de schriftgeleerden). Bijbel = NT (1): Mc 12,28.
Mc 12,28.6. act. part. aor. nom. mann. enk. ακουσας = akousas (gehoord) van het werkw. ακουω = akouô (horen). Taalgebruik in het NT: akouô (horen). Taalgebruik in de Septuaginta: akouô (horen). Taalgebruik in Lc: akouô (horen). Taalgebruik in Hnd: akouô (horen). Bijbel (54). OT (21). NT (33). Mt (8): (1) Mt 2,3 (+ de). (2) Mt 2,22 (+ de). (3) Mt 4,12 (+ de). (4) Mt 8,10 (+ de). (5) Mt 9,12. (6) Mt 11,2. (7) Mt 14,13. (8) Mt 19,22 (+ de). Mc (5): (1) Mc 2,17. (2) Mc 6,16 (+ de). (3) Mc 6,20. (4) Mc 10,47. (5) Mc 12,28. Lc (8): (1) Lc 6,49. (2) Lc 7,3. (3) Lc 7,9. (4) Lc 8,50. (5) Lc 14,15. (6) Lc 18,22. (7) Lc 18,36. (8) Lc 23,6. Een vorm van ακουω = akouô (horen) in de LXX (1069)OT in het NT (427)OT in Lc (58).
- Hebreeuws. act. part. nom. mann. enk. שֹׁמֵעַ = sjome`a (luisterend) van het werkw. שָׁמַע = sjâma` (horen, luisteren). Taalgebruik in Tenakh: sjâma` (horen, luister getalswaarde: sjin = 21 of 300OT mem = 13 of 40OT ajin = 16 of 70 ; 50 (2 X 5²) of 410 (2 X 5 X 41). Structuur: 3 - 4 - 7. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (30).
- Horen en oor zijn verwant met elkaar. oor < Lat. ausOT aurisOT zie Gr. ous / ôsOT ôtis. auscultare (het oor lenen aanOT toehorenOT aanhoren) -> écouter. D. hören.
Mc 12,28.7. pers. voornaamw. gen. mv. αυτων = autôn van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc (37). Mc 12 (3):
| autoi (mv.) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 6. | gen. mv.autôn | 3701 | 3203 | 498 | 93 | 37 | 94 | 31 | 87 | 91 | 65 | 224 | 255 |
| totaal | 7770 | 6306 | 1464 | 250 | 196 | 285 | 155 | 269 | 200 | 109 | 731 | 886 |
| autoi | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 6 | gen. mv.autôn | 37 | 4 | 4 | 1 | 1 | 4 | 1 | 1 | 4 | 2 | 3 | 3 | 6 | 1 | 2 | 3701 | 3203 | 498 | 93 | 37 | 94 | 31 | 87 | 91 | 65 | 224 | 255 |
Mc 12,28.8.
Mc 12,28.9. act. part. aor. nom. mann. enk. ιδων = idôn (gezien) van het werkw. ειδεν = eiden (hij zag). Taalgebruik in het NT: eiden (hij zag). Taalgebruik in de LXX: eiden (hij zag). Taalgebruik in Mc.: eiden (hij zag). Mt (12): (1) Mt 2,16. (2) Mt 3,7. (3) Mt 5,1. (4) Mt 8,18. (5) Mt 9,2. (6) Mt 9,4. (7) Mt 9,22. (8) Mt 9,23. (9) Mt 9,36. (10) Mt 21,19. (11) Mt 27,3. (12) Mt 27,24. Mc (12): (1) Mc 2,5. (2) Mc 5,6. (3) Mc 5,22. (4) Mc 6,48. (5) Mc 8,33. (6) Mc 9,20. (7) Mc 9,25. (8) Mc 10,14. (9) Mc 11,13. (10) Mc 12,28. (11) Mc 12,34. (12) Mc 15,39. Met Jezus als onderwerp. Mc (7 / 12. expliciet: 4 / 12OT impliciet: 3 / 12). Expliciet (4 / 12): (1) Mc 2,5. (2) Mc 9,25. (3) Mc 10,14. (4) Mc 12,34. Impliciet (3 / 12): (1) Mc 6,48. (2) Mc 8,33. (3) Mc 11,13. Andere (5 / 12): (1) Mc 5,6 (bezetene). (2) Mc 5,22 (Jaïrus). (3) Mc 9,20 (onreine geest). (4) Mc 12,28 (een schriftgeleerde). (5) Mc 15,39 (centurio). Lc (20): (1) Lc 1,12. (2) Lc 5,8. (3) Lc 5,12. (4) Lc 5,20. (5) Lc 7,13. (6) Lc 7,39. (7) Lc 8,28. (8) Lc 10,31. (9) Lc 10,32. (10) Lc 10,33. (11) Lc 11,38. (12) Lc 13,12. (13) Lc 17,14. (14) Lc 17,15. (15) Lc 18,24. (16) Lc 18,43. (17) Lc 19,41. (18) Lc 22,58. (19) Lc 23,8. (20) Lc 23,47. ειδον / ειδεν = eidon / eiden in het NT (336).
| zien | Mc | Mc 2 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 15 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| part. aor. nom. mann. enk. idôn | 12 | (1) Mc 2,5. | (2) Mc 5,6. (3) Mc 5,22. | (4) Mc 6,48. | (5) Mc 8,33. | (6) Mc 9,20. (7) Mc 9,25. | (8) Mc 10,14. | (9) Mc 11,13. | (10) Mc 12,28. (11) Mc 12,34. | (12) Mc 15,39. | 106 | 45 | 61 | 12 | 12 | 20 | 3 | 12 | 1 | 1 | 44 | 47 | 1 |
- Hebreeuws: w-j-r-´: (1) prefix verbindingswoord wë + act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיַּרְא = wajjarë´ (en hij zag). (2) prefix verbindingswoord wë + pass. nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיֵּרָא = wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen). (3) prefix verbindingswoord wë + hifil imperf. derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיַּרְא = wajjarë´ van het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen). Het is een verkorte vormOT zie Joüon 79i. Taalgebruik in Tenakh: râ´âh (zien). Taalgebruik in Genesis: râ´âh (zien). getalswaarde: resj = 20 of 200OT aleph = 1OT he = 5 ; totaal: 26 of 206 (2 X 103). Structuur: 2 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (162). Pentateuch (85). Eerdere Profeten (49). Latere Profeten (7). 12 Kleine Profeten (2). Geschriften (19).
- Ned.: zien. Arabisch: رَاهَ = ra´â (zien). Taalgebruik in de Qoran: ra´â (zien). D.: sehenOT schauen. E.: to see. Fr.: voir. Gr.: ειδεν = eiden (hij zag) < stam wid-. Taalgebruik in het NT: eiden (hij zag). Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien). Hebreeuws: רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen). Taalgebruik in Tenakh: râ´âh (zien). Lat.: videre. Indogermaans: weid -> Ned.: weten. Sanskriet: veda. Latijn: videre.
Mc 12,28.10. ὁτι = hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het ΝΤ: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in de LXX: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat). Mc (92). Mc 12 (12): (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,7. (3) Mc 12,12. (4) Mc 12,14. (5) Mc 12,19. (6) Mc 12,26. (7) Mc 12,28. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,32. (10) Mc 12,34. (11) Mc 12,35. (12) Mc 12,43.
| hoti ( datOT omdat ) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 92 | 4 | 6 | 5 | 3 | 5 | 9 | 5 | 8 | 9 | 3 | 3 | 12 | 4 | 10 | 2 | 4 | 4396 | 3213 | 1183 | 137 | 92 | 160 | 237 | 114 | 389 | 54 | 389 | 626 |
- Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik in Tenakh: kî (want, omdat). Taalgebruik in Dt: kî (want, omdat). Getalswaarde: kaph = 11 of 20OT jod = 10 ; totaal: 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5). Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (3849). Pentateuch (884). Eerdere Profeten (726). Latere Profeten (841). 12 Kleine Profeten (241). Geschriften (1157). Dt (235). Dt 4 (14): (1) Dt 4,3. (2) Dt 4,6. (3) Dt 4,7. (4) Dt 4,15. (5) Dt 4,22. (6) Dt 4,24. (7) Dt 4,25. (8) Dt 4,26. (9) Dt 4,29. (10) Dt 4,31. (11) Dt 4,32. (12) Dt 4,35. (13) Dt 4,37. (14) Dt 4,39.
- כִּי = kî (want, omdat) < een woord met 1 medeklinker. De lange î is î gebleven omdat het een proclitisch woord is. Proclitisch wil zeggen dat een eenlettergrepig onbeklemtoond woord wordt gehecht aan het volgende (Lettinga(6) 13d).
Mc 12,28.11. καλως = kalôs (goed). Bijwoord. Taalgebruik in het NT: kalôs (goed). Taalgebruik in de LXX: kalôs (goed). Taalgebruik in Mc: kalôs (goed). Mc (6): (1) Mc 7,6. (2) Mc 7,9. (3) Mc 7,37. (4) Mc 12,28. (5) Mc 12,32. (6) Mc 16,18.
| kalôs (goed) | Mc 7 | Mc 12 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| (1) Mc 7,6. (2) Mc 7,9. (3) Mc 7,37. | (4) Mc 12,28. (5) Mc 12,32. | (6) Mc 16,18. | 65 | 29 | 36 | 2 | 6 | 4 | 4 | 2 | 18 | 12 | 16 | 13 | 5 |
Mc 12,28.12. ind. aor. 3de pers. enk. απεκριθη = apekrithè (hij antwoordde) van het werkw. αποκρινομαι = apokrinomai (antwoorden). Taalgebruik in het NT: apokrinomai (antwoorden). Taalgebruik in de LXX: apokrinomai (antwoorden). Taalgebruik in Mc: apokrinomai (antwoorden). Mc (7): (1) Mc 7,28. (2) Mc 9,17. (3) Mc 12,28. (4) Mc 12,29. (5) Mc 12,34. (6) Mc 15,5. (7) Mc 15,9. Een vorm van αποκρινομαι = apokrinomai (antwoorden) in de LXX (277)OT in het NT (231)OT in Mt (55)OT in Mc (30)OT in Lc (46)OT in Joh (78).
| apokrinomai (antwoorden) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | ind. aor. 3de pers. enk. apekrithè | 7 | (1) Mc 7,28. | (2) Mc 9,17. | (3) Mc 12,28. (4) Mc 12,29. (5) Mc 12,34. | (6) Mc 15,5. (7) Mc 15,9. | 176 | 94 | 82 | 2 | 7 | 4 | 57 | 11 | 1 | 13 | 70 |
Mc 12,28.13. dat. mann. en onz. mv. αυτοις = autois van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc (117). Mc 12 (8): (1) Mc 12,1. (2) Mc 12,15. (3) Mc 12,16. (4) Mc 12,17. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,28. (7) Mc 12,43. (8) Mc 12,44.
| autoi | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 7 | dat. mann. en onz. mv.autois | 117 | 4 | 6 | 5 | 10 | 5 | 13 | 5 | 7 | 10 | 12 | 7 | 8 | 2 | 13 | 7 | 3 | 1722 | 1180 | 542 | 101 | 117 | 89 | 97 | 75 | 47 | 16 | 307 | 404 |
Mc 12,28.14. act. ind. aor. 3de pers. enk. επηρωτησεν = epèrôtèsen (hij ondervroeg) van het werkw. επερωταω = eperôtaô ( 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen). Taalgebruik in het NT: eperotaô (epi - erôtaô). Taalgebruik in de LXX: eperotaô (epi - erôtaô). NT (16). Mt (3): (1) Mt 22,35. (2) Mt 22,41. (3) Mt 27,11 // Mc 15,2. Mc (6): (1) Mc 9,16. (2) Mc 9,21. (3) Mc 12,28. (4) Mc 14,60. (5) Mc 15,2 // Mt 27,11. (6) Mc 15,44. Lc (5): (1) Lc 8,30. (2) Lc 9,18. (3) Lc 18,18. (4) Lc 18,40. (5) Lc 23,6. Joh (1): Joh 18,7. Hnd (1) Hnd 5,27. Het betreft o.a. de ondervraging van Jezus door de hogepriester en door Pilatus: (1) Mt 27,11 // Mc 15,2. (2) Mc 14,60. (3) Mc 15,2 // Mt 27,11. In Hnd 5,27 ondervroeg de hogepriester Petrus en Johannes. Een vorm van επερωταω = eperôtaô ( 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) in de LXX (75)OT in het NT (56)OT in Mt (8)OT in Mc (25)OT in Lc (17).
| eperôtaô | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| act. ind. aor. 3de pers. enk. epèrôtèsen | 32 | 16 | 16 | 3 | 6 | 5 | 1 | 1 | 14 | 15 |
Mc 12,28.15. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc (146). Mc 12 (12): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,3. (3) Mc
12,6. (4) Mc
12,7. (5) Mc
12,8. (6) Mc
12,12. (7) Mc
12,13. (8) Mc
12,18. (9) Mc
12,28. (10) Mc
12,33. (11) Mc
12,34. (12) Mc
12,37.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 4 | acc. mann. enk. auton | 146 | 11 | 4 | 12 | 5 | 12 | 8 | 9 | 6 | 16 | 8 | 7 | 12 | 1 | 14 | 17 | 4 | 2872 | 2032 | 840 | 114 | 146 | 184 | 154 | 136 | 85 | 21 | 598 | 752 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 12,28.14. - 15. επηρωτησεν αυτον = epèrôtèsen auton (hij ondervroeg hem). NT (9): (1) Mt 27,11 // Mc 15,2. (2) Mc 12,28. (3) Mc 15,2 // Mt 27,11. (4) Mc 15,4 (variante lezing). (5) Mc 15,44. (6) Lc 8,30. (7 Lc 18,18. (8) Lc 18,40. (9) Lc 23,3 (variante lezing).
Mc 12,28.17. act. ind. praes. 3de pers. enk. εστιν = estin van het werkw. ειμι = eimi (zijn). Taalgebruik in het NT: eimi (zijn). Taalgebruik in de Septuaginta: eimi (zijn). Een vorm van ειμι = eimi (zijn) in de LXX (6947)OT in het NT (2450)OT in Mc (192)
| eimi (zijn) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| estin | 69 | (1): Mc 1,27. | (4): (1) Mc 2,1. (2) Mc 2,9. (3) Mc 2,19. (4) Mc 2,28. | (4): (1) | (3): (1) Mc 4,22. (2) Mc 4,26. (3) Mc 4,41. | (2): | (6): | 6: (1) Mc 7,2. (2) Mc 7,4. (3) Mc 7,11. (4) Mc 7,15. (5) Mc 7,27. (6) Mc 7,34. | (0) | (1) Mc 9,5. (2) Mc 9,7. (3) Mc 9,10. (4) Mc 9,21. (5) Mc 9,39. (6) Mc 9,40. (7) Mc 9,42. (8) Mc 9,43. (9) Mc 9,45. (10) Mc 9,47. | (7) (1) Mc 10,14. (2) Mc 10,24. (3) Mc 10,25. (4) Mc 10,29. (5) Mc 10,40. (6) Mc 10,43. (7) Mc 10,47. | (0) | (11): | (3): | (7): | (4): | (1): | 2371 | 1558 | 813 | 114 | 69 | 96 | 147 | 66 | 296 | 25 |
- werkw. Ned.: zijn. Arabisch: كانَ = kâna (zijn). Taalgebruik in de Qoran: kâna (zijn). D.: sein. E.: to be. E.: to be. Grieks: ειμι = eimi (zijn). Taalgebruik in het NT: eimi (zijn). Hebreeuws: הָיָה = hâjâh (zijn). Taalgebruik in Tenakh: hâjâh (zijn). Lat.: esse.
Mc 12,28.20. gen. mann.OT vr. en onz. mv. παντων = pantôn (van allen /alles) van het bijvoegl. naamw. πας = pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in het NT: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in de LXX: pas (ieder, elk, alles). Mc (10): (1) Mc 2,12. (2) Mc 4,31. (3) Mc 4,32. (4) Mc 9,35. (5) Mc 10,44. (6) Mc 12,22. (7) Mc 12,28. (8) Mc 12,33. (9) Mc 12,43. (10) Mc 13,13. Een vorm van πας = pas (ieder, al) in Mc in 66 verzen.
| pas (al) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 12 | gen. mv. pantôn | 10 | (1) Mc 2,12. | 2 : (1) Mc 4,31. (2) Mc 4,32. | (1) Mc 9,35. | (1) Mc 10,44. | 4 : (1) Mc 12,22. (2) Mc 12,28. (3) Mc 12,33. (4) Mc 12,43. | (1) Mc 13,13. | 1 | 443 | 317 | 126 | 5 | 10 | 17 | 3 | 22 | 65 | 4 | 32 | 35 |
| Mc 12,29 - Mc 12,29: 293. Vraag naar het eerste gebod - Mc 12,28-34 - Mt 22,34-40 - Lc 20,39-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,28 - Mc 12,29 - Mc 12,30 - Mc 12,31 - Mc 12,32 - Mc 12,33 - Mc 12,34 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [29] And Jesus answered him, The first of all the commandments
is, Hear, O Israel; The Lord our God is one Lord:
Luther-Bibel. 29 Jesus aber antwortete ihm: Das höchste Gebot ist das: »Höre,
Israel, der Herr, unser Gott, ist der Herr allein,
Tekstuitleg van Mc 12,29.
Mc 12,29.1. ind. aor. 3de pers. enk. απεκριθη = apekrithè (hij antwoordde) van het werkw. αποκρινομαι = apokrinomai (antwoorden). Taalgebruik in het NT: apokrinomai (antwoorden). Taalgebruik in de LXX: apokrinomai (antwoorden). Taalgebruik in Mc: apokrinomai (antwoorden). Mc (7): (1) Mc 7,28. (2) Mc 9,17. (3) Mc 12,28. (4) Mc 12,29. (5) Mc 12,34. (6) Mc 15,5. (7) Mc 15,9. Een vorm van αποκρινομαι = apokrinomai (antwoorden) in de LXX (277)OT in het NT (231)OT in Mt (55)OT in Mc (30)OT in Lc (46)OT in Joh (78).
| apokrinomai (antwoorden) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | ind. aor. 3de pers. enk. apekrithè | 7 | (1) Mc 7,28. | (2) Mc 9,17. | (3) Mc 12,28. (4) Mc 12,29. (5) Mc 12,34. | (6) Mc 15,5. (7) Mc 15,9. | 176 | 94 | 82 | 2 | 7 | 4 | 57 | 11 | 1 | 13 | 70 |
Mc 12,29.2. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho. Zie bepaald lidwoord ὁ = hoOT ἡ = hèOT το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (219). Mc (219). Mc 12 (16): (1) Mc 12,7. (2) Mc 12,9. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,17. (5) Mc 12,19. (6) Mc 12,20. (7) Mc 12,21. (8) Mc 12,24. (9) Mc 12,26. (10) Mc 12,29. (11) Mc 12,32. (12) Mc 12,34. (13) Mc 12,35. (14) Mc 12,37. (15) Mc 12,41. (16) Mc 12,42.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1. | nom. m. enk. ho | 219 | 12 | 13 | 5 | 12 | 8 | 17 | 6 | 5 | 18 | 28 | 11 | 16 | 16 | 27 | 21 | 4 | 8495 | 6052 | 2443 | 408 | 219 | 331 | 436 | 281 | 612 | 156 | 958 | 1394 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- bepaald lidw. de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: derOT dieOT das enz.. E.: the. Fr.: leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam). Grieks: ὁ = hoOT ἡ = hèOT το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 12,29.3. nom. mann. enk. ιησους = ièsous (Jezus). Taalgebruik in het NT: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in de LXX: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus). Mc (57). Mc 12 (5): (1) Mc 12,17. (2) Mc 12,24. (3) Mc 12,29. (4) Mc 12,34. (5) Mc 12,35. Een vorm van ièsous (Jezus) in Mc in 81 verzen.
| Ièsous (Jezus) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1 | nom. mann. enk. Ièsous | 57 | 4 | 4 | 1 | 3 | 1 | 1 | 5 | 16 | 4 | 5 | 2 | 7 | 3 | 1 | 604 | 149 | 455 | 110 | 57 | 55 | 194 | 10 | 28 | 1 | 222 | 416 | ||
| totaal | 81 | 6 | 5 | 1 | 8 | 2 | 1 | 8 | 18 | 6 | 5 | 2 | 11 | 6 | 2 | 1115 | 223 | 892 | 150 | 81 | 87 | 238 | 69 | 255 | 12 | 318 | 556 |
| Ièsous (Jezus) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | |
| 1 | nom. mann. enk. Ièsous | 57 | 4: (1) Mc 1,9. (2) Mc 1,14. (3) Mc 1,17. (4) Mc 1,25. | 4:: (1) Mc 2,5. (2) Mc 2,8. (3) Mc 2,17. (4) Mc 2,19. | 1: Mc 3,7. | 3: (1) Mc 5,20. (2) Mc 5,30. (3) Mc 5,36. | 1: Mc 6,4. | 1: Mc 8,27. | 5: (1) Mc 9,2. (2) Mc 9,23. (3) Mc 9,25. (4) Mc 9,27. (5) Mc 9,39. | 16: (1) Mc 10,5. (2) Mc 10,14. (3) Mc 10,18. (4) Mc 10,21. (5) Mc 10,23. (6) Mc 10,24. (7) Mc 10,27. (8) Mc 10,29. (9) Mc 10,32. (10) Mc 10,38. (11) Mc 10,39. (12) Mc 10,42. (13) Mc 10,47. (14) Mc 10,49. (15) Mc 10,51. (16) Mc 10,52. | 4: (1) Mc 11,6. (2) Mc 11,22. (3) Mc 11,29. (4) Mc 11,33. | 5: (1) Mc 12,17. (2) Mc 12,24. (3) Mc 12,29. (4) Mc 12,34. (5) Mc 12,35. | 2: (1) Mc 13,2. (2) Mc 13,5. | 7: (1) Mc 14,6. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,48. (6) Mc 14,62. (7) Mc 14,72. | 3: (1) Mc 15,5. (2) Mc 15,34. (3) Mc 15,37. | 1: Mc 16,19. | |
| totaal | 81 | 6 | 5 | 1 | 8 | 2 | 1 | 8 | 18 | 6 | 5 | 2 | 11 | 6 | 2 |
Mc 12,29.2. - 3. ὁ ιησους = ho ièsous (Jezus). Mc (44): (1) Mc 1,14. (2) Mc 1,17. (3) Mc 1,25. (4) Mc 2,5. (5) Mc 2,8. (6) Mc 2,17. (7) Mc 2,19. (8) Mc 3,7. (9) Mc 5,13. (10) Mc 5,20. (11) Mc 5,30. (12) Mc 6,4. (13) Mc 6,34. (14) Mc 8,1. (15) Mc 8,17. (16) Mc 8,27. (17) Mc 9,2. (18) Mc 9,25.. (19) Mc 10,5. (20) Mc 10,14. (21) Mc 10,23. (22) Mc 10,27. (23) Mc 10,29. (24) Mc 10,32. (25) Mc 10,49. (26) Mc 10,51. (27) Mc 11,6. (28) Mc 11,11. (29) Mc 11,14. (30) Mc 11,15. (31) Mc 11,33. (32) Mc 12,17. (33) Mc 12,24. (34) Mc 12,34. (35) Mc 12,35. (36) Mc 12,41. (37) Mc 13,2.(38) Mc 14,18. (39) Mc 14,22. (40) Mc 14,27. (41) Mc 14,30. (42) Mc 14,48. (43) Mc 14,72. (44) Mc 15,34.
Mc 12,29.1. - 3. kai apokritheis ho ièsous (en Jezus beantwoord). Mc (3): (1) Mc 11,22. (2) Mc 12,35. (3) Mc 14,48.
Mc 12,29.4. ὁτι = hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het ΝΤ: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in de LXX: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat). Mc (92). Mc 12 (12): (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,7. (3) Mc 12,12. (4) Mc 12,14. (5) Mc 12,19. (6) Mc 12,26. (7) Mc 12,28. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,32. (10) Mc 12,34. (11) Mc 12,35. (12) Mc 12,43.
| hoti ( datOT omdat ) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 92 | 4 | 6 | 5 | 3 | 5 | 9 | 5 | 8 | 9 | 3 | 3 | 12 | 4 | 10 | 2 | 4 | 4396 | 3213 | 1183 | 137 | 92 | 160 | 237 | 114 | 389 | 54 | 389 | 626 |
- Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik in Tenakh: kî (want, omdat). Taalgebruik in Dt: kî (want, omdat). Getalswaarde: kaph = 11 of 20OT jod = 10 ; totaal: 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5). Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (3849). Pentateuch (884). Eerdere Profeten (726). Latere Profeten (841). 12 Kleine Profeten (241). Geschriften (1157). Dt (235). Dt 4 (14): (1) Dt 4,3. (2) Dt 4,6. (3) Dt 4,7. (4) Dt 4,15. (5) Dt 4,22. (6) Dt 4,24. (7) Dt 4,25. (8) Dt 4,26. (9) Dt 4,29. (10) Dt 4,31. (11) Dt 4,32. (12) Dt 4,35. (13) Dt 4,37. (14) Dt 4,39.
- כִּי = kî (want, omdat) < een woord met 1 medeklinker. De lange î is î gebleven omdat het een proclitisch woord is. Proclitisch wil zeggen dat een eenlettergrepig onbeklemtoond woord wordt gehecht aan het volgende (Lettinga(6) 13d).
Mc
12,29.7. Hebreeuws: act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. שְׁמַע = sjëma` (hoor, luister) van het werkw.
שָׁמַע = sjâmâ` (horen, luisteren). Taalgebruik in Tenakh: sjâm`â
(horen, luisteren). Getalswaarde: sjin = 21 of 300OT mem = 13 of 40OT ajin
= 16 of 70. Totaal: 50 (2 X 5²) of 410 (2 X 5 X 41). Structuur: 3 - 4 - 7. De som van de elementen is telkens 5. Dt (6): (1) Dt
4,1. (2) Dt
5,1. (3) Dt
6,4. (4) Dt
9,1. (5) Dt
20,3. (6) Dt
33,7. sj-m-`. Tenakh (169). Pentateuch (42). Gn (14). Ex (11). Lv (3). Dt (14). Eerdere Profeten (34). Latere Profeten
(36). 12 Kleine Profeten (2). Geschriften (55).
- Grieks: act. imperat. 2de pers. enk. ακουε = akoue (hoor, luister) van het werkw. ακουω = akouô (horen).
Taalgebruik in het NT: akouô
(horen). Taalgebruik in de Septuaginta: akouô
(horen). LXX (46). Gn (1): Gn 21,12. Num (1): Nu 23,18. Dt (7): (1) Dt 4,1. (2) Dt
5,1. (3) Dt
6,4. (4) Dt
9,1. (5) Dt 12,28. (6) Dt
20,3. (7) Dt 27,9. NT (1): Mc
12,29. Een vorm van ακουω = akouô (horen) in het NT (427)OT in de LXX
(1069).
- act. imperat. praes. 2de pers. enk. ακουετε = akouete (hoort) van het werkw. ακουω = akouô (horen).
Taalgebruik in het NT: akouô
(horen). Taalgebruik in de Septuaginta: akouô
(horen). Bijbel (28). LXX (9): o.a. Js 28,23. Js 36,16. NT (19). Mt (5): (1) Mt
10,27. (2) Mt 11,4. (3) Mt
13,17. (4) Mt
15,10. (5) Mt 17,5. Mc 4 (2): (1) Mc
4,3. (2) Mc
4,24. Lc (3): (1) Lc 8,18. (2) Lc
9,35. (3) Lc 10,24.
- Ned.: horen. Horen en oor zijn verwant met elkaar. oor < Lat. ausOT aurisOT zie
Gr. ους = ous / ως= ôsOT ωτις = ôtis. Lat.: auscultare (het oor lenen aanOT toehorenOT
aanhoren) -> écouter. Arabisch: سَمِعَ = sami`a (luisteren, horen). Taalgebruik in de Qoran: sami`a (luisteren, horen). D. hören. E.: to hear. Fr.: écouter. Grieks: ακουω = akouô (horen).
Taalgebruik in het NT: akouô
(horen). Hebreeuws: שָׁמַע = sjâmâ` (horen, luisteren). Taalgebruik in Tenakh: sjâm`â
(horen, luisteren).
- Horen veronderstelt een lijdend voorwerp. Horen kan verwijzen naar
iets dat voorafging of het kan gevolgd worden door een object of een objectzin.
Mc 12,29.8. Hebreeuws: יִשְׂרָאֵל = jishërâ´el (Israël). Getalswaarde: jod = 10OT shin = 21 of 300OT resj = 20 of 200OT aleph = 1OT lameth = 12 of 30 ; totaal: 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster). Structuur: 1 - 3 - 2 - 1 - 3. De som van de elementen is telkens 1. De eigennaam is samengesteld uit een werkwoordvorm en een zelfst. naamw.: act. ind. imperf. 3de pers. mann. enk. יִשְׂרָה = jishrâ´ (hij strijdt) van het werkw. שָׂרָה = shârâh (strijden) + אֵל = ´el (God): God strijdt. In Gn 32,29 wordt de naam Israël verklaard als: hij streed met God en met mensen. Dat gebeurt in het verhaal van de nachtelijke strijd van Jakob aan de Jabbok. Dt (55). Dt 4 (4): (1) Dt 4,4. (2) Dt 4,44. (3) Dt 4,45. (4) Dt 4,46. Dt 5 (1): Dt 5,1 (2X). Dt 6 (2): (1) Dt 6,3. (2) Dt 6,4. Dt 9 (1): Dt 9,1. Dt 10 (2): (1) Dt 10,6. (2) Dt 10,12. Dt 20 (1): Dt 20,3.
| Tenakh | Pentateuch | Eerdere Profeten | Latere Profeten | 12 Kleine Profeten | Geschriften | Gn | Ex | Lv | Nu | Dt | ||
| 2044 | 502 | 765 | 350 | 89 | 337 | 36 | 157 | 58 | 196 | 55 |
- Grieks: ισραηλ = israèl (Israël). Taalgebruik in de LXX: Israèl (Israël). Taalgebruik in het NT: Israèl (Israël). Bijbel (2392). NT (64). Mc (2): (1) Mc 12,29. (2) Mc 15,32.
Mc
12,29.7. - 8. שְׁמַע יִשְׂרָאֵל = sjëma` jishërâ´el ((luister / hoor Israël).
Tenakh (4): (1) Dt
5,1. (2) Dt
6,4. (3) Dt
9,1. (4) Dt
20,3.
- יִשְׂרָאֵל שְׁמַע = ishërâ´el sjëma` (IsraëlOT luister). Tenakh (2): (1) Dt 4,1. (2) 1 S 23,10.
- In Dt
4,1 staat de uitdrukking aan het begin van de grote redevoering (Dt 4-11). In Dt 5,1 opent het het hoofdstuk met de tien geboden. In Dt
6,4 opent het de hoofdsectie (Dt 6,4-7,11). In Dt
9,1 opent het de pericope binnen de grotere concentrische opbouw van Dt
4-11.
- ακουε ισραηλ = akoue israèl (hoor, luister Israël). LXX (6): (1) Dt
5,1. (2) Dt
6,4. (3) Dt
9,1. (4) Dt
20,3. (5) Dt 27,9. (6) Bar 3,9. NT (1): Mc
12,29.
Mc 12,29.9. יהוה = JHWH. Eigennaam van God. Taalgebruik in Tenach: JHWH. Taalgebruik in Exodus: JHWH. Getalswaarde: jod = 10OT he = 5OT waw = 6. Totaal: 26. Structuur: 1 - 5 - 6 - 5. Tenach (5193). Pentateuch (1326). Eerdere Profeten (1013). Latere Profeten (1357). 12 Kleine Profeten (387). Geschriften (1110). Dt (413). Dt 6 (18/25). Niet in: Dt 6,6-9. Verder niet in: (1) Dt 6,11. (2) Dt 6,14. (3) Dt 6,23. De stam יהוה = JHWH komt voor in Tenakh (9743).
| Tenakh | Pentateuch | Eerdere Profeten | Latere Profeten | 12 Kleine Profeten | Geschriften | Gn | Ex | Lv | Nu | Dt | |
| ´èlohîm (God) | 299 | 216 | 28 | 25 | 12 | 16 | 140 | 31 | 0 | 7 | 29 |
| JHWH | 5193 | 1326 | 1013 | 1357 | 387 | 1110 | 128 | 299 | 199 | 287 | 413 |
- Grieks. κυριος = kurios (heer). Taalgebruik in
het NT: kurios
(heer). Taalgebruik in
de LXX: kurios
(heer). Een vorm van
kurios (heer) in de Septuaginta (8591)OT in het NT (718).
- Ned.: Heer. Arabisch: رَب = rabb (God, Heer). Taalgebruik in de Qoran: rabb (God, Heer). Aramees: יוי = JWJ. D.: Herr. E.: Lord. Fr.: seigneur. Grieks: κυριος = kurios (heer). Taalgebruik in
het NT: kurios
(heer). Hebreeuws: יהוה = JHWH. Taalgebruik in Tenakh: JHWH. Latijn: Dominus. (Eerste medeklinker Gr. kOT Ned. + D. h ; tweede medeklinker: Gr. + Ned. + D.: r ).
- Sabbah Messod & RogerOT Les secrets de l'ExodeOT Jean-Cyrille GodefroyOT 2000OT p.93-96. Op deze blz. wordt een verband tussen anokhi Adonai (ik de Heer) en farao Achnaton gelegd. De uitspraak van JHWH is AdonaiOT waarin we het Egyptische AtonOT de zonneschijfOT zien.
Mc 12,29.10.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (219). Mc 12 (16): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,20. (7) Mc
12,21. (8) Mc
12,24. (9) Mc
12,26. (10) Mc
12,29. (11) Mc
12,32. (12) Mc
12,34. (13) Mc
12,35. (14) Mc
12,37. (15) Mc
12,41. (16) Mc
12,42.
Mc 12,29.10. - 12. אֱלֹהֵינוּ = ´è:lohe(j)nû (onze God) < stat. constr. + suffix bezittelijk voornaamw. 1ste pers. mv. van het zelfst. naamw. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God). Taalgebruik in Tenakh: ´èlohîm (God). Getalswaarde: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal: 41 of 86 (2 X 43). Structuur: 1 - 3 -5 -1 - 4. De som van de elementen is telkens 5. De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´el. Getalswaarde is: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld). Structuur: 1 - 3. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (164). Pentateuch (29). Eerdere Profeten (20). Latere Profeten (29). 12 Kleine Profeten (4). Geschriften (82).Gn (0). Ex (7). Lv (0). Nu (0). Dt (22): (1) Dt 1,6. (2) Dt 1,19. (3) Dt 1,20. (4) Dt 1,25. (5) Dt 1,41. (6) Dt 2,29. (7) Dt 2,33. (8) Dt 2,36. (9) Dt 2,37. (10) Dt 3,3. (11) Dt 4,7. (12) Dt 5,2. (13) Dt 5,24. (14) Dt 5,25. (15) Dt 5,27 (2X). (16) Dt 6,4. (17) Dt 6,20. (18) Dt 6,24. (19) Dt 6,25. (20) Dt 29,14. (21) Dt 29,14. (22) Dt 29,17. Eerdere Profeten (20): (1) Joz 18,6. (2) Joz 22,19. (3) Joz 22,29. (4) Joz 24,17. (5) Joz 24,18. (6) Joz 24,24. (7) Re 10,10. (8) Re 11,24. (9) Re 16,23. (10) Re 16,24. (11) 1 S 5,7. (12) 1 S 7,8. (13) 2 S 10,12. (14) 2 S 22,32. (15) 1 K 8,57. (16) 1 K 8,59. (17) 1 K 8,61. (18) 1 K 8,65. (19) 2 K 18,22. (20) 2 K 19,19. De stam van אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt voor in Tenakh (2658).
Mc 12,29.9. - 12. הוה אֱלֹהֵינוּ = JHWH ´è:lohe(j)nû (JHWH, onze God). Tenakh (85). Pentateuch
(21). Ex (1) Ex
10,26. Dt (20/22): (1) Dt
1,6. (2) Dt
1,19. (3) Dt
1,20. (4) Dt
1,25. (5) Dt
1,41. (6) Dt
2,29. (7) Dt
2,33. (8) Dt
2,36. (9) Dt
2,37. (10) Dt
3,3. (11) Dt
5,2. (12) Dt
5,24. (13) Dt
5,25. (14) Dt
5,27 (2X). (15) Dt
6,4. (16) Dt
6,20. (17) Dt
6,24. (18) Dt
6,25. (19) Dt
29,14. (20) Dt
29,17. Eerdere Profeten (13): (1) Joz
18,6. (2) Joz
22,19. (3) Joz
22,29. (4) Joz
24,17. (5) Joz
24,24. (6) Re
11,24. (7) 1
S 7,8. (8) 1
K 8,57. (9) 1
K 8,59. (10) 1
K 8,61. (11) 1
K 8,65. (12) 2
K 18,22. (13) 2
K 19,19. Dus: 10X in Dt 1-3OT 10X in in Dt 4-26 (volgens LabuschagneOT Deuteronomium (1993)OT blz. 17)OT wellicht is het Dt 4- 30.
- Vooreerst beklemtoont de auteur wie de God van Israël isOT nl. JHWH. Israël moet er dus geen andere goden op nahouden.
Mc 12,29.13. יהוה = JHWH. Eigennaam van God. Taalgebruik in Tenach: JHWH. Taalgebruik in Exodus: JHWH. Getalswaarde: jod = 10OT he = 5OT waw = 6. Totaal: 26. Structuur: 1 - 5 - 6 - 5. Tenach (5193). Pentateuch (1326). Eerdere Profeten (1013). Latere Profeten (1357). 12 Kleine Profeten (387). Geschriften (1110). Dt (413). Dt 6 (18/25). Niet in: Dt 6,6-9. Verder niet in: (1) Dt 6,11. (2) Dt 6,14. (3) Dt 6,23. De stam יהוה = JHWH komt voor in Tenakh (9743).
| Tenakh | Pentateuch | Eerdere Profeten | Latere Profeten | 12 Kleine Profeten | Geschriften | Gn | Ex | Lv | Nu | Dt | |
| ´èlohîm (God) | 299 | 216 | 28 | 25 | 12 | 16 | 140 | 31 | 0 | 7 | 29 |
| JHWH | 5193 | 1326 | 1013 | 1357 | 387 | 1110 | 128 | 299 | 199 | 287 | 413 |
- Grieks. κυριος = kurios (heer). Taalgebruik in
het NT: kurios
(heer). Taalgebruik in
de LXX: kurios
(heer). Een vorm van
kurios (heer) in de Septuaginta (8591)OT in het NT (718).
- Ned.: Heer. Arabisch: رَب = rabb (God, Heer). Taalgebruik in de Qoran: rabb (God, Heer). Aramees: יוי = JWJ. D.: Herr. E.: Lord. Fr.: seigneur. Grieks: κυριος = kurios (heer). Taalgebruik in
het NT: kurios
(heer). Hebreeuws: יהוה = JHWH. Taalgebruik in Tenakh: JHWH. Latijn: Dominus. (Eerste medeklinker Gr. kOT Ned. + D. h ; tweede medeklinker: Gr. + Ned. + D.: r ).
- Sabbah Messod & RogerOT Les secrets de l'ExodeOT Jean-Cyrille GodefroyOT 2000OT p.93-96. Op deze blz. wordt een verband tussen anokhi Adonai (ik de Heer) en farao Achnaton gelegd. De uitspraak van JHWH is AdonaiOT waarin we het Egyptische AtonOT de zonneschijfOT zien.
Mc 12,29.14. - 15. אֶחָד = èchâd / ´achad (één). Taalgebruik in Tenakh: ´èchâd
(één). Getalswaarde: aleph = 1OT chet = 8OT daleth = 4.
Totaal: 13. Structuur: 1 - 8 - 4. De som van de elementen is telkens 4. God is één of 13. Tenakh
(400). Pentateuch (150). Eerdere Profeten (111). Latere Profeten (68). 12
Kleine Profeten (12). Geschriften (59). Dt (9): (1) Dt 1,2. (2) Dt 1,23. (3) Dt 6,4. (4) Dt 17,6. (5) Dt 19,15. (6) Dt 25,5. (7) Dt 28,7. (8) Dt 28,25. (9) Dt 32,30.
- De betekenis kan verrijkt worden vanuit Gn
22,2: יְחִידֶךָ = jëchîdèkhâ (jouw enige) < prefix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. + bijvoegl. naamw. יָחִיד = jâchîd (enig, eenzaam, verlaten). Taalgebruik in Tenakh: jâchîd (enig, eenzaam, verlaten). Tenakh (3): (1) Gn 22,2. (2) Gn 22,12. (3) Gn 22,16. In jâchîd zitten de medeklinkers j-ch-d zoals in ´èchad (één). jâchîd en jâlad (verwekken, baren) verschillen slechts in de middelste medeklinker (wat de medeklinkers betreft) ; bij vermenging van de 2 krijg je in het lat. uni-genitus (enig-geboren). jâchîd en ´âhabh (beminnen) kunnen ook dicht bij elkaar liggen: jod en alelph zijn gemakkelijk verwisselbaar ; de ch en de h liggen dicht bij elkaar ; slechts de laatste medeklinker verschilt van elkaar: d en bh. Het Griekse agapaô benadert de klank van het Hebreeuwse ´âhabh ; allereerst de aOT vervolgens de g en de hOT tenslotte de p en de b. Zo kan jâchîd (enig) naar het Griekse agapètos (beminde) vertaald worden.
- Qatîlvorm: een naamw. met 3 medeklinkers en een lange klinker in de 2de lettergreep. Lettinga (12, 2012, 22e4): "Arameïserende vormen: קְטִיל = qëtîl (vgl. Aram.pt. pass. qal = qatîl > qtîl). Zie het Hebreeuwse werkw. יָחַד = jâchad (zich verenigen, zich aansluiten, zich verbinden met). Taalgebruik in Tenakh: jâchad (zich verenigen, zich aansluiten, zich verbinden met). יְחִידֶךָ = jëchîdèkhâ (jouw enige) kan dan betekenen: de met jou verenigdeOT de met jou verbondene.
- Grieks: acc. mann. enk. αγαπητον = agapèton van het bijvoegl. naamw. αγαπητος = agapètos (beminde, geliefde). Zie het werkw. αγαπαω = agapaô
(liefhebben). Taalgebruik in het NT: agapaô
(liefhebben). Taalgebruik in de LXX: agapaô
(liefhebben). Bijbel (11). LXX (4): (1) Gn 22,2. (2) Zach
12,10. (3) Ps 38,21. (4) Sir 15,13. NT (7): (1) Mc 12,6. (2) Lc 20,13. (3) Rom 16,5. (4) Rom 16,8. (5) Rom 16,9. (6) 1
Kor 4,17. (7) Film
1,16. Een vorm van αγαπητος = agapètos (beminde, geliefde) in de LXX (24)OT in het NT (61).
- De Hebreeuwse passiefvorm werd in het Grieks vaak vertaald door de werkwoordvorm + τος = tos. αγαπη-τος = agapè-tos (beminde) ; χρισ-τος = chris-tos (gezalfde) ; κλη-τος = klè-tos (geroepene).
- Lat. unigenitum (eniggeboren). Bijbel (5): (1) Gn 22,2. (2) Zach
12,10. (3) Joh
3,16. (4) Heb 11,17. (5) 1
Joh 4,9. In het Grieks is de acc. mann. enk. μονογενη = monogenè (eniggeboren) van het bijvoegl. naamw. μονογενης = monogenès (eniggeboren). Taalgebruik in het NT: monogenès (eniggeboren). Taalgebruik in de LXX: monogenès (eniggeboren). Bijbel (5). LXX (2): (1) Ps 22,21. (2) Ps 35,17. NT (3): (1) Joh
3,16. (2) Heb 11,17. (3) 1
Joh 4,9. In (1) Ps 22,21. (2) Ps 35,17 is het Griekse μονογενη = monogenè (eniggeboren) de vertaling van het Hebreeuwse jâchîd (enig). Ook in het Latijn wordt een passiefvorm gebruikt.
Mc 12,29.13. - 15. אֶחָד = èchâd / ´achad (één). Taalgebruik in Tenakh: ´èchâd
(één). Getalswaarde: aleph = 1OT chet = 8OT daleth = 4.
Totaal: 13. Structuur: 1 - 8 - 4. De som van de elementen is telkens 4. God is één of 13. Tenakh
(400). Pentateuch (150). Eerdere Profeten (111). Latere Profeten (68). 12
Kleine Profeten (12). Geschriften (59). Dt (9): (1) Dt 1,2. (2) Dt 1,23. (3) Dt 6,4. (4) Dt 17,6. (5) Dt 19,15. (6) Dt 25,5. (7) Dt 28,7. (8) Dt 28,25. (9) Dt 32,30.
- De betekenis kan verrijkt worden vanuit Gn
22,2: יְחִידֶךָ = jëchîdèkhâ (jouw enige) < prefix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. + bijvoegl. naamw. יָחִיד = jâchîd (enig, eenzaam, verlaten). Taalgebruik in Tenakh: jâchîd (enig, eenzaam, verlaten). Tenakh (3): (1) Gn 22,2. (2) Gn 22,12. (3) Gn 22,16. In jâchîd zitten de medeklinkers j-ch-d zoals in ´èchad (één). jâchîd en jâlad (verwekken, baren) verschillen slechts in de middelste medeklinker (wat de medeklinkers betreft) ; bij vermenging van de 2 krijg je in het lat. uni-genitus (enig-geboren). jâchîd en ´âhabh (beminnen) kunnen ook dicht bij elkaar liggen: jod en alelph zijn gemakkelijk verwisselbaar ; de ch en de h liggen dicht bij elkaar ; slechts de laatste medeklinker verschilt van elkaar: d en bh. Het Griekse agapaô benadert de klank van het Hebreeuwse ´âhabh ; allereerst de aOT vervolgens de g en de hOT tenslotte de p en de b. Zo kan jâchîd (enig) naar het Griekse agapètos (beminde) vertaald worden.
- Qatîlvorm: een naamw. met 3 medeklinkers en een lange klinker in de 2de lettergreep. Lettinga (12, 2012, 22e4): "Arameïserende vormen: קְטִיל = qëtîl (vgl. Aram.pt. pass. qal = qatîl > qtîl). Zie het Hebreeuwse werkw. יָחַד = jâchad (zich verenigen, zich aansluiten, zich verbinden met). Taalgebruik in Tenakh: jâchad (zich verenigen, zich aansluiten, zich verbinden met). יְחִידֶךָ = jëchîdèkhâ (jouw enige) kan dan betekenen: de met jou verenigdeOT de met jou verbondene.
- Grieks: acc. mann. enk. αγαπητον = agapèton van het bijvoegl. naamw. αγαπητος = agapètos (beminde, geliefde). Zie het werkw. αγαπαω = agapaô
(liefhebben). Taalgebruik in het NT: agapaô
(liefhebben). Taalgebruik in de LXX: agapaô
(liefhebben). Bijbel (11). LXX (4): (1) Gn 22,2. (2) Zach
12,10. (3) Ps 38,21. (4) Sir 15,13. NT (7): (1) Mc 12,6. (2) Lc 20,13. (3) Rom 16,5. (4) Rom 16,8. (5) Rom 16,9. (6) 1
Kor 4,17. (7) Film
1,16. Een vorm van αγαπητος = agapètos (beminde, geliefde) in de LXX (24)OT in het NT (61).
- De Hebreeuwse passiefvorm werd in het Grieks vaak vertaald door de werkwoordvorm + τος = tos. αγαπη-τος = agapè-tos (beminde) ; χρισ-τος = chris-tos (gezalfde) ; κλη-τος = klè-tos (geroepene).
- Lat. unigenitum (eniggeboren). Bijbel (5): (1) Gn 22,2. (2) Zach
12,10. (3) Joh
3,16. (4) Heb 11,17. (5) 1
Joh 4,9. In het Grieks is de acc. mann. enk. μονογενη = monogenè (eniggeboren) van het bijvoegl. naamw. μονογενης = monogenès (eniggeboren). Taalgebruik in het NT: monogenès (eniggeboren). Taalgebruik in de LXX: monogenès (eniggeboren). Bijbel (5). LXX (2): (1) Ps 22,21. (2) Ps 35,17. NT (3): (1) Joh
3,16. (2) Heb 11,17. (3) 1
Joh 4,9. In (1) Ps 22,21. (2) Ps 35,17 is het Griekse μονογενη = monogenè (eniggeboren) de vertaling van het Hebreeuwse jâchîd (enig). Ook in het Latijn wordt een passiefvorm gebruikt.
| Mc 12,30 - Mc 12,30: 293. Vraag naar het eerste gebod - Mc 12,28-34 - Mt 22,34-40 - Lc 20,39-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,28 - Mc 12,29 - Mc 12,30 - Mc 12,31 - Mc 12,32 - Mc 12,33 - Mc 12,34 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [30] And thou shalt love the Lord thy God with all thy heart,
and with all thy soul, and with all thy mind, and with all thy strength: this
is the first commandment.
Luther-Bibel. 30 und du sollst den Herrn, deinen Gott, lieben von ganzem Herzen,
von ganzer Seele, von ganzem Gemüt und von allen deinen Kräften« (5.Mose 6,4-5).
Tekstuitleg van Mc 12,30.
Mc 12,30.4. bep. lidw. acc. mann. enk. τον = ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc (124). Mc 12 (7): (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,9. (3) Mc 12,12. (4) Mc 12,30. (5) Mc 12,31. (6) Mc 12,33. (7) Mc 12,44.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 8. | acc. m. + onz. enk. ton | 124 | 8 | 9 | 5 | 11 | 10 | 7 | 13 | 6 | 9 | 5 | 4 | 7 | 2 | 12 | 11 | 5 | 6202 | 4880 | 1322 | 167 | 124 | 191 | 197 | 244 | 338 | 61 | 482 | 679 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: derOT dieOT das enz.. E.: the. Fr.: leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam). Gr. ὁ = hoOT ἡ = hèOT το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 12,30.7.
ek - ex (uit). Taalgebruik in het NT: ek
(uit). Taalgebruik in Mc: ek
(uit). Ned. uit. D. aus. E. out. Fr. de.
Mc (38 + 20). Mc 12 (3 + 2): (1) Mc
12,25. (2) Mc
12,36. (3) Mc
12,44. Mc (12): (1) Mc
12,30. (2) Mc
12,33.
Mc 12,30.9.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (65). Mc 12 (4): (1) Mc
12,30. (2) Mc
12,33. (3) Mc
12,34. (4) Mc
12,44.
Mc 12,30.12. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 12,30.13.
ek - ex (uit). Taalgebruik in het NT: ek
(uit). Taalgebruik in Mc: ek
(uit). Ned. uit. D. aus. E. out. Fr. de.
Mc (38 + 20). Mc 12 (3 + 2): (1) Mc
12,25. (2) Mc
12,36. (3) Mc
12,44. Mc (12): (1) Mc
12,30. (2) Mc
12,33.
Mc 12,30.15.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (65). Mc 12 (4): (1) Mc
12,30. (2) Mc
12,33. (3) Mc
12,34. (4) Mc
12,44.
Mc 12,30.16. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 12,30.19.
ek - ex (uit). Taalgebruik in het NT: ek
(uit). Taalgebruik in Mc: ek
(uit). Ned. uit. D. aus. E. out. Fr. de.
Mc (38 + 20). Mc 12 (3 + 2): (1) Mc
12,25. (2) Mc
12,36. (3) Mc
12,44. Mc (12): (1) Mc
12,30. (2) Mc
12,33.
Mc 12,30.21.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (65). Mc 12 (4): (1) Mc
12,30. (2) Mc
12,33. (3) Mc
12,34. (4) Mc
12,44.
Mc 12,30.24. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 12,30.25.
ek - ex (uit). Taalgebruik in het NT: ek
(uit). Taalgebruik in Mc: ek
(uit). Ned. uit. D. aus. E. out. Fr. de.
Mc (38 + 20). Mc 12 (3 + 2): (1) Mc
12,25. (2) Mc
12,36. (3) Mc
12,44. Mc (12): (1) Mc
12,30. (2) Mc
12,33.
Mc 12,30.27.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (65). Mc 12 (4): (1) Mc
12,30. (2) Mc
12,33. (3) Mc
12,34. (4) Mc
12,44.
Mc 12,30.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 12,30. (1. -) 2. וְאָהַבְתָּ = wë´âhabhëthâ (en jij bemint) < prefix verbindingswoord wë + act. qal perf. 2de pers. mann. enk. van het werkw. אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben). Taalgebruik in Tenakh: ´âhabh
(beminnen, liefhebben). Getalswaarde: aleph = 1OT he = 5OT beth = 2 ; totaal: 8 (2³). Structuur: 1 - 5 - 2. De som van de elementen is telkens 8. Tussen de aleph en de beth staat de he (aanblazen). Het Hebreeuws en het Arabisch hebben dezelfde wortel: 'hb. Tenakh (4): (1) Lv 19,18. (2) Lv 19,34. (3) Dt 6,5. (4) Dt 11,1. De stam אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben) komt voor in Tenakh (251).
- וְאָהַבְתָּם = wë´âhabhëthèm (en jullie beminnen) < prefix verbindingswoord wë + act. qal perf. 2de pers. mann. mv. van het werkw. אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben). Taalgebruik in Tenakh: ´âhabh
(beminnen, liefhebben). Getalswaarde: aleph = 1OT he = 5OT beth = 2 ; totaal: 8 (2³). Structuur: 1 - 5 - 2. De som van de elementen is telkens 8. Tussen de aleph en de beth staat de he (aanblazen). Het Hebreeuws en het Arabisch hebben dezelfde wortel: 'hb. Tenakh (1): Dt 10,19.
- act. qal perf. 2de pers. mann. enk. אָהַבְתָּ = ´âhabhëthâ (jij bemint) van het werkw. אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben). Taalgebruik in Tenakh: ´âhabh
(beminnen, liefhebben). Getalswaarde: aleph = 1OT he = 5OT beth = 2 ; totaal: 8 (2²). Structuur: 1 - 5 - 2. De som van de elementen is telkens 8. Tussen de aleph en de beth staat de he (aanblazen). Het Hebreeuws en het Arabisch hebben dezelfde wortel: 'hb. Tenakh (6): (1) Gn 22,2. (2) Hos 9,1. (3) Ps 45,8. (4) Ps 52,5. (5) Ps 52,6. (6) Pr 9,9.
- לאַהֲבָה = lë´ahäbhâh (om te beminnen) < prefix voorzetsel lë + werkwoordvorm qal inf. stat. construct.. Zie אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben). Taalgebruik in Tenakh: ´âhabh
(beminnen, liefhebben). getalswaarde: aleph = 1OT he = 5OT beth = 2 ; totaal: 8 (2²). Structuur: 1 - 5 - 2. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (11). Dt (7): (1) Dt 10,15. (2) Dt 11,13. (3) Dt 11,22. (4) Dt 19,9. (5) Dt 30,6. (6) Dt 30,16. (7) Dt 30,20.
- וּלאַהֲבָה = ûlë´ahäbhâh (en om te beminnen) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel lë + werkwoordvorm qal inf. stat. construct.. Zie אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben). Taalgebruik in Tenakh: ´âhabh
(beminnen, liefhebben). getalswaarde: aleph = 1OT he = 5OT beth = 2 ; totaal: 8 (2²). Structuur: 1 - 5 - 2. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (2): (1) Dt 10,12. (2) Js 56,6.
- Grieks. act. ind. futurum 2de pers. enk. αγαπησεις = agapèseis (jij bemint) van het werkw. αγαπαω = agapaô
(liefhebben). Taalgebruik in het NT: agapaô
(liefhebben). Taalgebruik in de LXX: agapaô
(liefhebben). Bijbel (14): (1) Lv 19,18. (2) Lv 19,34. (3) Dt 6,5. (4) Dt 11,1. (5) Mt
5,43. (6) Mt
19,19. (7) Mt
22,37. (8) Mt
22,39. (9) Mc
12,30. (10) Mc
12,31. (11) Lc
10,27. (12) Rom 13,9. (13) Gal 5,14. (14) Jak 2,8. Een vorm van αγαπαω = agapaô in de LXX (283)OT in het NT (141)OT in Lc (13?): (1) Lc
6,27. (2) Lc
6,32 (2 vormen). (3) Lc
6,35. (4) Lc 7,5. (5) Lc
7,42. (6) Lc
7,47. (7) Lc
10,27. (8) Lc
11,43. (9) Lc 16,13. In de LXX kan een vorm van αγαπαω = agapaô de vertaling van 19 verschillende Hebreeuwse werkw. zijn. Vergelijk het Hebreeuws en Grieks werkw.: aleph - aOT g - hOT p - b.
| agapaô | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| act. ind. fut. 2de pers. enk. agapèseis | 14 | 4 | 10 | 4 | 2 | 1 | 3 | 7 | 7 | 2 | 1 |
- Latijn. act. ind. futurum 2de pers. enk. diliges (jij bemint) van het werkw. diligere (beminnen, liefhebben, uitkiezen, verkiezen). Bijbel (12)OT zie het Griekse αγαπησεις = agapèseisOT maar niet in (1) Lv 19,34.
(2) Dt 11,1.
- act. ind. praes. 2de pers. enk. diligis (jij bemint, hebt liefOT kiest uitOT verkiest). Bijbel (10). LXX (8): (1) Gn
22,2. (2) Dt 13,7. (3) Re 14,16. (4) 1 S 20,30. (5) 2 S 19,7. (6) Ps 51,8. (7) Pr 9,9. (8) W 11,24. NT (2): (1) Joh
21,15. (2) Joh
21,16
- Ned.: beminnenOT liefhebben. Arabisch: اَدَبَّ = ´ahabba (beminnen, liefhebben). Taalgebruik in de Qoran: ´ahabba (beminnen, liefhebben). D.: lieben. E.: to love. Fr.: aimer. Grieks: αγαπαω = agapaô
(liefhebben). Taalgebruik in het NT: agapaô
(liefhebben). Hebreeuws: אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben). Taalgebruik in Tenakh: ´âhabh
(beminnen, liefhebben). Lat.: amare. In het Hebreeuwse zelfst. naamw. לֵב = lebh (hart) zit het woordje lefOT lief. Er wordt dan een verband gelegd tussen hart en lief-de. In Dt
6,5 volgt 'met heel je hart' op 'jij zult liefhebben'.
Mc 12,30.1. - 2. וְאָהַבְתָּ אֵת = wë´âhabhëthâ ´eth (en jij zult beminnen). Tenakh (2): (1) Dt
6,5. (2) Dt
11,1.
- αγαπησεις τον = agapèseis ton (jij zult beminnen de). Bijbel (8): (1) Lv 19,18. (2) Mt
5,43. (3) Mt
19,19. (4) Mt
22,39. (5) Mc
12,31. (6) Rom 13,9. (7) Gal 5,14. (8) Jak 2,8.
Mc 12,30.3. יהוה = JHWH. Eigennaam van God. Taalgebruik in Tenach: JHWH. Taalgebruik in Exodus: JHWH. Getalswaarde: jod = 10OT he = 5OT waw = 6. Totaal: 26. Structuur: 1 - 5 - 6 - 5. Tenach (5193). Pentateuch (1326). Eerdere Profeten (1013). Latere Profeten (1357). 12 Kleine Profeten (387). Geschriften (1110). Dt (413). Dt 6 (18/25). Niet in: Dt 6,6-9. Verder niet in: (1) Dt 6,11. (2) Dt 6,14. (3) Dt 6,23. De stam יהוה = JHWH komt voor in Tenakh (9743).
| Tenakh | Pentateuch | Eerdere Profeten | Latere Profeten | 12 Kleine Profeten | Geschriften | Gn | Ex | Lv | Nu | Dt | |
| ´èlohîm (God) | 299 | 216 | 28 | 25 | 12 | 16 | 140 | 31 | 0 | 7 | 29 |
| JHWH | 5193 | 1326 | 1013 | 1357 | 387 | 1110 | 128 | 299 | 199 | 287 | 413 |
- Grieks. acc. mann. enk. κυριον = kurion (Heer) van het zelfst. naamw. κυριος = kurios (heer). Taalgebruik in het NT: kurios (heer). Taalgebruik in de LXX: kurios (heer). Mc (2): (1) Mc 12,30. (2) Mc 12,37. Een vorm van κυριος = kurios (heer) in de Septuaginta (8591)OT in het NT (718).
| kurios (heer) enk. | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn.. | ev. | Paul. | Ap. br. | |
| 5 | acc. mann. enk. kurion | 673 | 605 | 68 | 6 | 2 | 10 | 6 | 12 | 32 | 18 | 24 | 27 | 5 | |
| totaal | 7754 | 7073 | 681 | 75 | 17 | 99 | 51 | 104 | 315 | 20 | 191 | 242 | 273 | 42 |
- Ned.: Heer. Arabisch: رَب = rabb (God, Heer). Taalgebruik in de Qoran: rabb (God, Heer). Aramees: יוי = JWJ. D.: Herr. E.: Lord. Fr.: seigneur. Grieks: κυριος = kurios (heer). Taalgebruik in
het NT: kurios
(heer). Hebreeuws: יהוה = JHWH. Taalgebruik in Tenakh: JHWH. Latijn: Dominus. (Eerste medeklinker Gr. kOT Ned. + D. h ; tweede medeklinker: Gr. + Ned. + D.: r ).
- Sabbah Messod & RogerOT Les secrets de l'ExodeOT Jean-Cyrille GodefroyOT 2000OT p.93-96. Op deze blz. wordt een verband tussen anokhi Adonai (ik de Heer) en farao Achnaton gelegd. De uitspraak van JHWH is AdonaiOT waarin we het Egyptische AtonOT de zonneschijfOT zien.
Mc 12,30.2. - 3. אֶת יהוה = ´èth JHWH (JHWH). Tenakh (210). Dt (?). Dt 6 (5): (1) Dt 6,2. (2) Dt 6,5 . (3) Dt 6,12. (4) Dt 6,13. (5) Dt 6,16. (6) Dt 6,24. Dt 11 (3): (1) Dt 11,1. (2) Dt 11,13. (3) Dt 11,22.
Mc 12,30.1. - 3. וְאָהַבְתָּ אֵת יהוה = wë´âhabhëthâ ´eth JHWH (en jij zult JHWH beminnen). Tenakh (2): (1) Dt
6,5. (2) Dt
11,1.
- לאַהֲבָה אֶת יהוה = lë´ahäbhâh ´èth JHWH (om JHWH te beminnen). Tenakh (8): (1) Dt 11,13. (2) Dt 11,22. (3) Dt 19,9. (4) Dt 30,6. (5) Dt 30,16. (6) Dt 30,20. (7) Joz 22,5. (8) Joz 23,11.
- αγαπησεις κυριον = agapèseis kurion (jij zult beminnen de Heer). Bijbel (5): (1) Lv 19,18. (2) Dt
11,1. (3) Mt
22,37. (4) Mc
12,30. (5) Lc
10,27.
- αγαπαν κυριον = agapan kurion (om de Heer te beminnen). LXX (10): (1) Dt 7,8. (2) Dt 11,13. (3) Dt 11,22. (4) Dt 19,9. (5) Dt 30,6. (6) Dt 30,16. (7) Dt 30,20. (8) Joz 22,5. (9) Joz 23,11. (10) 1 K 10,9.
Mc 12,30.4. bep. lidw. acc. mann. enk. τον = ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc (124). Mc 12 (7): (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,9. (3) Mc 12,12. (4) Mc 12,30. (5) Mc 12,31. (6) Mc 12,33. (7) Mc 12,44.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 8. | acc. m. + onz. enk. ton | 124 | 8 | 9 | 5 | 11 | 10 | 7 | 13 | 6 | 9 | 5 | 4 | 7 | 2 | 12 | 11 | 5 | 6202 | 4880 | 1322 | 167 | 124 | 191 | 197 | 244 | 338 | 61 | 482 | 679 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: derOT dieOT das enz.. E.: the. Fr.: leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam). Gr. ὁ = hoOT ἡ = hèOT το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 12,30.5. אֱלֹהֶיךָ = ´êlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (je God) < stat. constr. mann. mv. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk.. Zie: אֱלֹהִים = ´èlohîm
(God). Taalgebruik in Tenakh: ´èlohîm
(God). Getalswaarde: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ;
mem = 13 of 40 ; totaal: 41 of 86 (2 X 43). Structuur: 1 - 3 -5 -1 - 4.
De som van de elementen is telkens 5. De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl. Getalswaarde is: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld). Structuur: 1 - 3. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (299). Pentateuch (216). Eerdere Profeten (28). Latere Profeten (25). 12 Kleine
Profeten (14). Geschriften (16). Ex (11): (1) Ex 15,26. (2) Ex 20,2. (3) Ex 20,5. (4) Ex 20,7. (5) Ex 20,10. (6) Ex 20,12. (7) Ex 23,19. (8) Ex 32,4. (9) Ex 32,8. (10) Ex 34,24. (11) Ex 34,26. Dt (199). Dt 6 (5): (1) Dt 6,2. (2) Dt 6,5. (3) Dt 6,10. (4) Dt 6,13. (5) Dt 6,15. De stam אֱלֹהִים = ´èlohîm
(God) komt voor in Tenakh (2658).
- Grieks: acc. mann. enk. θεοn = theon (God) van het zelfst. naamw. θεος = theos (God) . Taalgebruik in het
NT: theos
(God). Taalgebruik in de LXX: theos
(God). Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984)OT in het NT (1314).
| theos (God) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn.. | ev. | Paul. | Ap. br. | |
| 4 | acc. enk. theon (God) | 3 | 1 : Mc 2,12. | 1 : Mc 5,7. | 1 : Mc 12,30. | 496 | 354 | 142 | 7 | 3 | 23 | 12 | 30 | 62 | 5 | 33 | 45 | 43 | 19 | |||||||||||||
| Totaal | 44 | 4 | 3 | 2 | 3 | 2 | 3 | 1 | 2 | 8 | 1 | 9 | 1 | 1 | 3 | 1 | 4132 | 2908 | 1224 | 44 | 44 | 117 | 76 | 157 | 695 | 91 | 205 | 281 | 576 | 119 |
- τον θεον σου = ton theon sou (jouw God). LXX (33). NT (7): (1) Mt
4,7. (2) Mt
4,10. (3) Mt
22,37. (4) Mc
12,30. (5) Lc 4,8. (6) Lc 4,12. (7) Lc
10,27.
- Ned.: God. Arabisch: اَللە = ´allah (Allah). Taalgebruik in de Qoran: ´allah (Allah). In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven). D.: Gott. E.: God. Fr.: dieu. De vloek dju. Grieks: θεος = theos (God) . Taalgebruik in het
NT: theos
(God). Hebreeuws: אֱלֹהִים = ´èlohîm
(God). Taalgebruik in Tenakh: ´èlohîm
(God).
- אֱלֹהִים = ´èlohîm
(God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen: goden. Als collectief zouden we kunnen vertalen: god. Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden. Onder goden kan / kunnen zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn.
- De Godsnaam JHWH wordt veelvuldiger dan de naam ´èlohîm (god) gebruikt. Vergelijk maar: יהוה = JHWH. Eigennaam van God. Taalgebruik in Tenakh: JHWH. Getalswaarde: jod = 10OT he = 5OT waw = 6. Totaal: 26. Structuur: 1 -
5 - 6 - 5. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (5193). Pentateuch (1326). Eerdere Profeten (1013). Latere
Profeten (1357). 12 Kleine Profeten (387). Geschriften (1110). Gn (128).
Ex (299). Lv (199). Nu (287). Dt (413). In Gn: ´èlohîm (god) (140)OT de Godsnaam JHWH (128)OT vooral in Gn 1-25. Ex 20 (6): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,5. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,22.
| Tenakh | Pentateuch | Eerdere Profeten | Latere Profeten | 12 Kleine Profeten | Geschriften | Gn | Ex | Lv | Nu | Dt | Dt 6 | ||
| ´èlohîm (God) | 635 | 207 | 118 | 39 | 17 | 25 | 140 | 31 | 0 | 7 | 29 | ||
| JHWH | 5193 | 1326 | 1013 | 1357 | 387 | 1110 | 128 | 299 | 199 | 287 | 413 | 18 | |
| ´èlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (je God) | 299 | 216 | 28 | 25 | 12 | 16 | 2 | 11 | 4 | 0 | 199 | 5 | |
| ´èlohekhèm (jullie God) | 154 | 82 | 32 | 15 | 10 | 15 | 1 | 7 | 26 | 3 | 45 | ||
| JHWH ´êlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (JHWHOT je God) | 267 | 1 | 8 | 116 | 5 | ||||||||
| JHWH ´êlohè(j)khèm (JHWH, jullie God) | 123 | 74 | 0 | 4 | 26 | 4 | 40 |
Mc 12,30.3. - 6. יְהוָה אֱלֹהֶיךָ = JHWH ´êlohè(j)khâ (JHWH, je God). Tenakh (231). Gn (1): Gn 27,20. Ex (8): (1) Ex 15,26. (2) Ex 20,2. (3) Ex 20,5. (4) Ex 20,7. (5) Ex 20,12. (6) Ex 23,19. (7) Ex 34,24. (8) Ex 34,26. Dt 6 (5): (1) Dt 6,2. (2) Dt 6,5. (3) Dt 6,10. (4) Dt 6,13. (5) Dt 6,15. Dt (10): (1). (2). (3). (4). (5). (6). Dt 11 (3): (1) Dt
11,1. (2) Dt 11,12 (2X). (3) Dt 11,29.
- יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם = JHWH ´êlohè(j)khèm (JHWH, jullie God). Tenakh (123). Pentateuch (74). Gn (0). Ex (4). Lv (26). Nu (4). Dt (40).
- κυριον τον θεον σου = kurion ton theon sou (de Heer jouw God). LXX (27). NT (7): (1) Mt
4,7. (2) Mt
4,10. (3) Mt
22,37. (4) Mc
12,30. (5) Lc 4,8. (6) Lc 4,12. (7) Lc
10,27.
Dt 6,5.5. בְכֹל = bëkol (met al, met geheel) van het bijvoegl. naamw. כל = kl (al). Taalgebruik in Tenakh: kl (al). Getalswaarde: kaph = 11 of 20OT lamed = 12 of 30 ; totaal: 23 OF 50 (2 X 5²). Structuur: 2 - 3. De som van de elementen is telkens 5. Bijbel (440). Pentateuch (132). Dt (43). Dt 4 (2): (1) Dt 4,7. (2) Dt 4,29. Dt 5 (1): Dt 5,33. Dt 6 (1): Dt 6,5. Dt 10 (1): Dt 10,12. Dt 11 (2): (1) Dt 11,13. (2) Dt 11,22. Dt 26 (2): (1) Dt 26,11. (2) Dt 26,16. Dt 30 (4): (1) Dt 30,1. (2) Dt 30,2. (3) (Dt 30,6. (4) Dt 30,10.
Dt
6,5.56. לְבָבְךָ = lëbhâbhëkhâ (je hart) < zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk.. Zie: לֵב = lebh (hart). Taalgebruik in Tenakh: lebh (hart). Getalswaarde: lamed = 12 of 30OT beth = 2 ; totaal: 14 (2 X 7) OF 32 (2² X 2³). Structuur: 3 - 2. De som van de elementen is telkens 5 Tenakh (38). Pentateuch (19). Eerdere Profeten (8). Latere Profeten (4). 12 Kleine
Profeten (0). Geschriften (7). Dt (18): (1) Dt
4,29. (2) Dt 4,39. (3) Dt
6,5. (4) Dt 6,6. (5) Dt 8,5. (6) Dt 8,14. (7) Dt 9,5. (8) Dt
10,12. (9) Dt 15,7. (10) Dt 15,9. (11) Dt 15,10. (12) Dt
26,16. (13) Dt 28,67. (14) Dt 30,1. (15) Dt
30,2. (16) (Dt 30,6. (17) Dt
30,10. (18) Dt 30,17.
- Qill-vorm = naamwoord met 2 medeklinkers waarvan de tweede verdubbeld is.
- לְבַבְכֶם = lëbhabhëkhèm (jullie hart) < zelfst. naamw. stat. construct. mann. enk. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. mv.. Zie: לֵב = lebh (hart). Taalgebruik in Tenakh: lebh (hart). getalswaarde: lamed = 12 of 30OT beth = 2 ; totaal: 14 (2 X 7) OF 32 (2² X 2³). Structuur: 3 - 2. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (33). Pentateuch (8): (1) Nu 15,39. (2) Dt 10,16. (3) Dt 11,13. (4) Dt 11,16. (5) Dt 11,18. (6) Dt 13,4. (7) Dt 20,3. (8) Dt 32,46.
Dt
6,5.5. - 6. בְכֹל לְבָבְךָ = bëkhôl lëbhâbhëkhâ (met heel je hart). Tenakh (6): (1) Dt
4,29. (2) Dt
6,5. (3) Dt
10,12. (4) Dt
26,16. (5) Dt
30,2. (6) Dt
30,10. Ook Dt 30,6 (bëkhâl...).
- בְּכָל לְבָבוֹ = bëkhâl lëbhâbhô (met heel zijn hart). Tenakh (6): (1) 1 K 14,8 (verwijzing naar David tegenover Jerobeam). (2) 2 K 10,31 (Jehu). (3) 2 K 23,25 (Josia). (4) 2 Kr 22,9. (5) 2
Kr 31,21. (6) 2
Kr 34,31.
- εξ ὁλης της καρδιας σου = ex holès tès kardias sou (uit heel je hart). LXX (8): (1) Dt
4,29. (2) Dt
6,5. (3) Dt
10,12. (4) Dt 11,13.(5) Dt
30,2. (6) Dt 30,6. (7) Dt
30,10. (8) Sef 3,14. NT (2): (1) Mc
12,30. (2) Lc
10,27.
Dt 6,5.7. וּבְכָל = ûbhëkhâl (en met al / geheel) < prefix voegw. wë + prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. לֵב = lebh (hart). Taalgebruik in Tenakh: lebh (hart). Getalswaarde: lamed = 12 of 30OT beth = 2 ; totaal: 14 (2 X 7) OF 32 (2² X 2³). Structuur: 3 - 2. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (94). Pentateuch (36). Dt (14): (1) Dt 4,29. (2) Dt 6,5. (3) Dt 6,22. (4) Dt 10,12. (5) Dt 11,13. (6) Dt 13,4. (7) Dt 14,26. (8) Dt 15,10. (9) Dt 16,15. (10) Dt 26,16. (11) Dt 28,8. (12) Dt 30,2. (13) (Dt 30,6. (14) Dt 30,10.
Dt 6,5.8. נַפְשְׁךָ = naphësjëkhâ (je ziel) < zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk.. Zie נֶפֶשׁ = nèphèsj (geest). Taalgebruik in Tenakh: nèphèsj (geest). Getalswaarde: nun = 14 of 50OT phe = 17 of 80OT sjin = 21 of 300 ; totaal: 52 (2 X 26) of 430 (2 X 5 X 43). Het spiegelbeeld van 43 is 34 (2 X 17). 4 + 3 = 7 ; 3 + 4 = 7 ; 43 + 34 = 77. 43 = 17 + 26 (de 2 godsgetallen). Structuur: 5 - 8 - 3. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (66). Pentateuch (16). Dt (12): (1) Dt 4,9. (2) Dt 4,29. (3) Dt 6,5. (4) Dt 10,12. (5) Dt 12,15. (6) Dt 12,20. (7) Dt 12,21. (8) Dt 14,26. (9) Dt 26,16. (10) Dt 30,2. (11) (Dt 30,6. (12) Dt 30,10.
Dt
6,5.7. - 8. וּבְכָל נַפְשְׁךָ = ûbhëkhâl naphësjëkhâ (en met heel je ziel). Tenakh (3): (1) Dt
4,29. (2) Dt
6,5. (2) Dt 30,6.
- וּבְכָל נַפְשֹוֹ = ûbhëkhâl naphësjô (en met heel zijn ziel). Tenakh (2): (1) 2 K 23,25 (Josia). (2) 2
Kr 34,31.
- εξ ὁλης της ψυχης σου = ex holès tès psuchès sou (uit heel je ziel). LXX (7): (1) Dt
4,29. (2) Dt
6,5. (3) Dt
10,12. (4) Dt 11,13.(5) Dt
30,2. (6) Dt 30,6. (7) Dt
30,10. NT (2): (1) Mc
12,30. (2) Lc
10,27.
Dt
6,5.5. - 8. בְכֹל לְבָבְךָ וּבְכָל נַפְשְׁךָ = bëkhôl lëbhâbhëkhâ ûbhëkhâl naphësjëkhâ (met heel je hart en met heel je ziel). Tenakh (3): (1) Dt
4,29. (2) Dt
6,5. (2) Dt 30,6.
- בְּכָל לְבָבוֹ וּבְכָל נַפְשֹוֹ = bëkhâl lëbhâbhô ûbhëkhâl naphësjô (met heel zijn hart en met heel zijn ziel). Tenakh (2): (1) 2 K 23,25 (Josia). (2) 2
Kr 34,31.
- εξ ὁλης της καρδιας σου και εξ ὁλης της ψυχης σου = ex holès tès kardias sou kai ex holès tès psuchès sou (uit heel je hart en uit heel je ziel). LXX (7): (1) Dt
4,29. (2) Dt
6,5. (3) Dt
10,12. (4) Dt 11,13.(5) Dt
30,2. (6) Dt 30,6. (7) Dt
30,10. NT (2): (1) Mc
12,30. (2) Lc
10,27.
Dt 6,5.9. וּבְכָל = ûbhëkhâl (en met al / geheel) < prefix voegw. wë + prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. לֵב = lebh (hart). Taalgebruik in Tenakh: lebh (hart). Getalswaarde: lamed = 12 of 30OT beth = 2 ; totaal: 14 (2 X 7) OF 32 (2² X 2³). Structuur: 3 - 2. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (94). Pentateuch (36). Dt (14): (1) Dt 4,29. (2) Dt 6,5. (3) Dt 6,22. (4) Dt 10,12. (5) Dt 11,13. (6) Dt 13,4. (7) Dt 14,26. (8) Dt 15,10. (9) Dt 16,15. (10) Dt 26,16. (11) Dt 28,8. (12) Dt 30,2. (13) (Dt 30,6. (14) Dt 30,10.
Dt 6,5.10. מְאֹדֶךָ = më´odèkhâ (jouw kracht) < zelfst. naamw. + suffix bezitt. voornaamw. 2de pers. enk.. Zie: מְאדֹ = më´od (hevigheid, kracht, vermogen). Taalgebruik in Tenakh: më´od (hevigheid, kracht, vermogen). Getalswaarde: mem = 13 of 40OT aleph = 1OT daleth = 4 ; totaal: 18 (2 X 3²) OF 45 (3² X 5). Structuur: 4 - 1 - 4. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (1): Dt 6,5.
| Mc 12,31 - Mc 12,31: 293. Vraag naar het eerste gebod - Mc 12,28-34 - Mt 22,34-40 - Lc 20,39-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,28 - Mc 12,29 - Mc 12,30 - Mc 12,31 - Mc 12,32 - Mc 12,33 - Mc 12,34 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [31] And the second is like, namely this, Thou shalt love
thy neighbour as thyself. There is none other commandment greater than these.
Luther-Bibel. 31 Das andre ist dies: »Du sollst deinen Nächsten lieben wie
dich selbst« (3.Mose 19,18). Es ist kein anderes Gebot größer als diese.
Tekstuitleg van Mc 12,31.
2. voornaamw. nom. vr. enk. autè (zij, deze) van het voornaamw. autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (10): (1) Mc
8,12. (2) Mc
10,12. (3) Mc
12,11. (4) Mc
12,16. (5) Mc
12,31. (6) Mc
12,43. (7) Mc
12,44. (8) Mc
13,30. (9) Mc
14,4. (10) Mc
14,9.
3. act. ind. fut. 2de pers. enk. agapèseis (jij zult beminnen) van het werkw. agapaô (liefhebben). Taalgebruik in het NT: agapaô (liefhebben). Taalgebruik in Mc: agapaô (liefhebben). Mc (2): (1) Mc 12,30. (2) Mc 12,31. Een vorm van agapaô (liefhebben) in Mc in 4 verzen.
| Mc 12,32 - Mc 12,32: 293. Vraag naar het eerste gebod - Mc 12,28-34 - Mt 22,34-40 - Lc 20,39-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,28 - Mc 12,29 - Mc 12,30 - Mc 12,31 - Mc 12,32 - Mc 12,33 - Mc 12,34 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [32] And the scribe said unto him, Well, Master, thou hast
said the truth: for there is one God; and there is none other but he:
Luther-Bibel. 32 Und der Schriftgelehrte sprach zu ihm: Meister, du hast wahrhaftig
recht geredet! Er ist nur einer, und ist kein anderer außer ihm;
Tekstuitleg van Mc 12,32.
Mc 12,32.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 12,32.2.
act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô
(zeggen). Taalgebruik in Mc: legô
(zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; lesOT
Fr. leçon.
Mc (56). Mc 12 (8): (1) Mc
12,12. (2) Mc
12,15. (3) Mc
12,17. (4) Mc
12,26. (5) Mc
12,32. (6) Mc
12,34. (7) Mc
12,36. (8) Mc
12,43. Een vorm van legô in Mc 12 in 9 verzenOT van eipon (ik zei)
in 10 verzen.
Mc 12,32.1. - 3. kai eipen autô(i) = en hij / zij zei hem. Mc (3): (1) Mc 5,33. (2) Mc 10,21. (3) Mc 12,32.
Mc 12,32.4.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (219). Mc 12 (16): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,20. (7) Mc
12,21. (8) Mc
12,24. (9) Mc
12,26. (10) Mc
12,29. (11) Mc
12,32. (12) Mc
12,34. (13) Mc
12,35. (14) Mc
12,37. (15) Mc
12,41. (16) Mc
12,42.
Mc 12,32.6. καλως = kalôs (goed). Bijwoord. Taalgebruik in het NT: kalôs (goed). Taalgebruik in de LXX: kalôs (goed). Taalgebruik in Mc: kalôs (goed). Mc (6): (1) Mc 7,6. (2) Mc 7,9. (3) Mc 7,37. (4) Mc 12,28. (5) Mc 12,32. (6) Mc 16,18.
| kalôs (goed) | Mc 7 | Mc 12 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| (1) Mc 7,6. (2) Mc 7,9. (3) Mc 7,37. | (4) Mc 12,28. (5) Mc 12,32. | (6) Mc 16,18. | 65 | 29 | 36 | 2 | 6 | 4 | 4 | 2 | 18 | 12 | 16 | 13 | 5 |
Mc 12,28.12. ind. aor. 3de pers. enk. απεκριθη = apekrithè (hij antwoordde) van het werkw. αποκρινομαι = apokrinomai (antwoorden). Taalgebruik in het NT: apokrinomai (antwoorden). Taalgebruik in de LXX: apokrinomai (antwoorden). Taalgebruik in Mc: apokrinomai (antwoorden). Mc (7): (1) Mc 7,28. (2) Mc 9,17. (3) Mc 12,28. (4) Mc 12,29. (5) Mc 12,34. (6) Mc 15,5. (7) Mc 15,9. Een vorm van αποκρινομαι = apokrinomai (antwoorden) in de LXX (277)OT in het NT (231)OT in Mt (55)OT in Mc (30)OT in Lc (46)OT in Joh (78).
7. voc. mann. enk. didaskale (leermeester) van het zelfst. naamw. didaskalos
(leraarOT leermeester). Taalgebruik in het NT: didaskalos
(leraarOT leermeester). Taalgebruik in Mc: didaskalos
(leraarOT leermeester).
Mc (10): (1) Mc
4,38. (2) Mc
9,17. (3) Mc
9,38. (4) Mc
10,17. (5) Mc
10,20. (6) Mc
10,35. (7) Mc
12,14. (8) Mc
12,19. (9) Mc
12,32. (10) Mc
13,1. Een vorm van didaskalos (leraarOT leermeester) in Mc in 12 verzen.
9. gen. vr. enk. alètheias (in waarheid) van het zelfst. naamw. alètheia (waarheid). Taalgebruik in het NT: alètheia (waarheid). Taalgebruik in Mc: alètheia (waarheid). Mc (2): (1) Mc 12,14. (2) Mc 12,32. Een vorm van alètheia (waarheid) in Mc in 3 verzen.
Mc 12,32.11. ὁτι = hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het ΝΤ: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in de LXX: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat). Mc (92). Mc 12 (12): (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,7. (3) Mc 12,12. (4) Mc 12,14. (5) Mc 12,19. (6) Mc 12,26. (7) Mc 12,28. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,32. (10) Mc 12,34. (11) Mc 12,35. (12) Mc 12,43.
| hoti ( datOT omdat ) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 92 | 4 | 6 | 5 | 3 | 5 | 9 | 5 | 8 | 9 | 3 | 3 | 12 | 4 | 10 | 2 | 4 | 4396 | 3213 | 1183 | 137 | 92 | 160 | 237 | 114 | 389 | 54 | 389 | 626 |
- Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik in Tenakh: kî (want, omdat). Taalgebruik in Dt: kî (want, omdat). Getalswaarde: kaph = 11 of 20OT jod = 10 ; totaal: 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5). Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (3849). Pentateuch (884). Eerdere Profeten (726). Latere Profeten (841). 12 Kleine Profeten (241). Geschriften (1157). Dt (235). Dt 4 (14): (1) Dt 4,3. (2) Dt 4,6. (3) Dt 4,7. (4) Dt 4,15. (5) Dt 4,22. (6) Dt 4,24. (7) Dt 4,25. (8) Dt 4,26. (9) Dt 4,29. (10) Dt 4,31. (11) Dt 4,32. (12) Dt 4,35. (13) Dt 4,37. (14) Dt 4,39.
- כִּי = kî (want, omdat) < een woord met 1 medeklinker. De lange î is î gebleven omdat het een proclitisch woord is. Proclitisch wil zeggen dat een eenlettergrepig onbeklemtoond woord wordt gehecht aan het volgende (Lettinga(6) 13d).
Mc 12,32.14. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 12,32.19.
pers. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (143). Mc 12 (5): (1) Mc
12,19. (2) Mc
12,32. (3) Mc
12,37. (4) Mc
12,38. (5) Mc
12,43.
| Mc 12,33 - Mc 12,33: 293. Vraag naar het eerste gebod - Mc 12,28-34 - Mt 22,34-40 - Lc 20,39-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,28 - Mc 12,29 - Mc 12,30 - Mc 12,31 - Mc 12,32 - Mc 12,33 - Mc 12,34 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [33] And to love him with all the heart, and with all the
understanding, and with all the soul, and with all the strength, and to love
his neighbour as himself, is more than all whole burnt offerings and sacrifices.
Luther-Bibel. 33 und ihn lieben von ganzem Herzen, von ganzem Gemüt und von
allen Kräften, und seinen Nächsten lieben wie sich selbst, das ist mehr als
alle Brandopfer und Schlachtopfer.
Tekstuitleg van Mc 12,33.
Mc 12,33.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 12,33.2.
bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc 12 (3): (1) Mc
12,33. (2) Mc
12,41. (3) Mc
12,43.
4. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 12 (12): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,3. (3) Mc
12,6. (4) Mc
12,7. (5) Mc
12,8. (6) Mc
12,12. (7) Mc
12,13. (8) Mc
12,18. (9) Mc
12,28. (10) Mc
12,33. (11) Mc
12,34. (12) Mc
12,37.
Mc 12,33.5.
ek - ex (uit). Taalgebruik in het NT: ek
(uit). Taalgebruik in Mc: ek
(uit). Ned. uit. D. aus. E. out. Fr. de.
Mc (38 + 20). Mc 12 (3 + 2): (1) Mc
12,25. (2) Mc
12,36. (3) Mc
12,44. Mc (12): (1) Mc
12,30. (2) Mc
12,33.
Mc 12,33.7.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (65). Mc 12 (4): (1) Mc
12,30. (2) Mc
12,33. (3) Mc
12,34. (4) Mc
12,44.
Mc 12,33.9. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 12,33.10.
ek - ex (uit). Taalgebruik in het NT: ek
(uit). Taalgebruik in Mc: ek
(uit). Ned. uit. D. aus. E. out. Fr. de.
Mc (38 + 20). Mc 12 (3 + 2): (1) Mc
12,25. (2) Mc
12,36. (3) Mc
12,44. Mc (12): (1) Mc
12,30. (2) Mc
12,33.
Mc 12,33.12.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (65). Mc 12 (4): (1) Mc
12,30. (2) Mc
12,33. (3) Mc
12,34. (4) Mc
12,44.
Mc 12,33.14. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 12,33.15.
ek - ex (uit). Taalgebruik in het NT: ek
(uit). Taalgebruik in Mc: ek
(uit). Ned. uit. D. aus. E. out. Fr. de.
Mc (38 + 20). Mc 12 (3 + 2): (1) Mc
12,25. (2) Mc
12,36. (3) Mc
12,44. Mc (12): (1) Mc
12,30. (2) Mc
12,33.
Mc 12,33.17.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (65). Mc 12 (4): (1) Mc
12,30. (2) Mc
12,33. (3) Mc
12,34. (4) Mc
12,44.
19. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 12,33.20.
bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc 12 (3): (1) Mc
12,33. (2) Mc
12,41. (3) Mc
12,43.
Mc 12,33.22.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (124). Mc 12 (7): (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,12. (4) Mc
12,30. (5) Mc
12,31. (6) Mc
12,33. (7) Mc
12,44.
Mc 12,33.28.
gen. mv. pantôn (allen / alles) van het bijvoegl naamw. pas (ieder, elk,
alles). Taalgebruik in het NT: pas
(ieder, elk, alles). Taalgebruik in Mc: pas
(ieder, elk, alles). Hebr. kol. Lat. omnis. Fr. tout. Ned. elkOT ieder.
Mc (10): (1) Mc
2,12. (2) Mc
4,31. (3) Mc
4,32. (4) Mc
9,35. (5) Mc
10,44. (6) Mc
12,22. (7) Mc
12,28. (8) Mc
12,33. (9) Mc
12,43. (10) Mc
13,13. Een vorm van pas (ieder, al) in Mc in 66 verzen.
29. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. των = tôn (van de) van het bepaald lidw. ὁ = hoOT ἡ = hèOT το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc (90). Mc 12 (9): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,13. (3) Mc
12,26. (4) Mc
12,28. (5) Mc
12,33. (6) Mc
12,36. (7) Mc
12,38. (8) Mc
12,40. (9) Mc
12,43.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 13. | gen. m. + vr. + onz. mv. tôn | 90 | 4 | 4 | 4 | 2 | 7 | 6 | 10 | 6 | 3 | 3 | 5 | 9 | 3 | 13 | 9 | 2 | 5178 | 4144 | 1034 | 178 | 90 | 119 | 98 | 166 | 267 | 116 |
- bepaald lidw. Ned.: de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: derOT dieOT das enz.. E.: the. Fr.: leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam). Grieks: ὁ = hoOT ἡ = hèOT το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 12,33.31. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
| Mc 12,34 - Mc 12,34: 293. Vraag naar het eerste gebod - Mc 12,28-34 - Mt 22,34-40 - Lc 20,39-40 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,28 - Mc 12,29 - Mc 12,30 - Mc 12,31 - Mc 12,32 - Mc 12,33 - Mc 12,34 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [34] And when Jesus saw that he answered discreetly, he
said unto him, Thou art not far from the kingdom of God. And no man after that
durst ask him any question.
Luther-Bibel. 34 Als Jesus aber sah, dass er verständig antwortete, sprach
er zu ihm: Du bist nicht fern vom Reich Gottes. Und niemand wagte mehr, ihn
zu fragen.
Tekstuitleg van Mc 12,34. Het vers Mc 12,34 telt 24 (2 X 2 X 2 X 3) woorden en 116 (2 X 2 X 29) letters. De getalswaarde van Mc 12,34 is 14493 (3 X 4831).
Mc 12,34.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 12,34.2.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (219). Mc 12 (16): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,20. (7) Mc
12,21. (8) Mc
12,24. (9) Mc
12,26. (10) Mc
12,29. (11) Mc
12,32. (12) Mc
12,34. (13) Mc
12,35. (14) Mc
12,37. (15) Mc
12,41. (16) Mc
12,42.
Mc 12,34.3.
nom. mann. enk. Ièsous (Jezus). Taalgebruik in NT: Ièsous
(Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous
(Jezus).
Mc (57). Mc 12 (5): (1) Mc
12,17. (2) Mc
12,24. (3) Mc
12,29. (4) Mc
12,34. (5) Mc
12,35. Een vorm van ièsous (Jezus) in 81 verzen.
Het is uitzonderlijk dat het onderwerp ho ièsous (Jezus) op het verleden
deelwoord idôn = gezien (12) volgt. In de andere verzen (11 / 12) staat
idôn (gezien) bij het begin van het versOT ofwel na kai (en)OT ofwel voor
de (echter).
Mc 12,34.1. - 3. kai ho ièsous (en Jezus). Vooraan de zin. Mc (5 / 59): Mc (5): (1) Mc 3,7. (2) Mc 10,52. (3) Mc 11,33. (4) Mc 12,34. (5) Mc 13,2.
Mc 12,34.4. act. part. aor. nom. mann. enk. ιδων = idôn (gezien) van het werkw. ειδεν = eiden (hij zag). Taalgebruik in het NT: eiden (hij zag). Taalgebruik in de LXX: eiden (hij zag). Taalgebruik in Mc.: eiden (hij zag). Mt (12): (1) Mt 2,16. (2) Mt 3,7. (3) Mt 5,1. (4) Mt 8,18. (5) Mt 9,2. (6) Mt 9,4. (7) Mt 9,22. (8) Mt 9,23. (9) Mt 9,36. (10) Mt 21,19. (11) Mt 27,3. (12) Mt 27,24. Mc (12): (1) Mc 2,5. (2) Mc 5,6. (3) Mc 5,22. (4) Mc 6,48. (5) Mc 8,33. (6) Mc 9,20. (7) Mc 9,25. (8) Mc 10,14. (9) Mc 11,13. (10) Mc 12,28. (11) Mc 12,34. (12) Mc 15,39. Met Jezus als onderwerp. Mc (7 / 12. expliciet: 4 / 12OT impliciet: 3 / 12). Expliciet (4 / 12): (1) Mc 2,5. (2) Mc 9,25. (3) Mc 10,14. (4) Mc 12,34. Impliciet (3 / 12): (1) Mc 6,48. (2) Mc 8,33. (3) Mc 11,13. Andere (5 / 12): (1) Mc 5,6 (bezetene). (2) Mc 5,22 (Jaïrus). (3) Mc 9,20 (onreine geest). (4) Mc 12,28 (een schriftgeleerde). (5) Mc 15,39 (centurio). Lc (20): (1) Lc 1,12. (2) Lc 5,8. (3) Lc 5,12. (4) Lc 5,20. (5) Lc 7,13. (6) Lc 7,39. (7) Lc 8,28. (8) Lc 10,31. (9) Lc 10,32. (10) Lc 10,33. (11) Lc 11,38. (12) Lc 13,12. (13) Lc 17,14. (14) Lc 17,15. (15) Lc 18,24. (16) Lc 18,43. (17) Lc 19,41. (18) Lc 22,58. (19) Lc 23,8. (20) Lc 23,47. ειδον / ειδεν = eidon / eiden in het NT (336).
| zien | Mc | Mc 2 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 15 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| part. aor. nom. mann. enk. idôn | 12 | (1) Mc 2,5. | (2) Mc 5,6. (3) Mc 5,22. | (4) Mc 6,48. | (5) Mc 8,33. | (6) Mc 9,20. (7) Mc 9,25. | (8) Mc 10,14. | (9) Mc 11,13. | (10) Mc 12,28. (11) Mc 12,34. | (12) Mc 15,39. | 106 | 45 | 61 | 12 | 12 | 20 | 3 | 12 | 1 | 1 | 44 | 47 | 1 |
- Hebreeuws: w-j-r-´: (1) prefix verbindingswoord wë + act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיַּרְא = wajjarë´ (en hij zag). (2) prefix verbindingswoord wë + pass. nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיֵּרָא = wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen). (3) prefix verbindingswoord wë + hifil imperf. derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיַּרְא = wajjarë´ van het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen). Het is een verkorte vormOT zie Joüon 79i. Taalgebruik in Tenakh: râ´âh (zien). Taalgebruik in Genesis: râ´âh (zien). getalswaarde: resj = 20 of 200OT aleph = 1OT he = 5 ; totaal: 26 of 206 (2 X 103). Structuur: 2 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (162). Pentateuch (85). Eerdere Profeten (49). Latere Profeten (7). 12 Kleine Profeten (2). Geschriften (19).
- Ned.: zien. Arabisch: رَاهَ = ra´â (zien). Taalgebruik in de Qoran: ra´â (zien). D.: sehenOT schauen. E.: to see. Fr.: voir. Gr.: ειδεν = eiden (hij zag) < stam wid-. Taalgebruik in het NT: eiden (hij zag). Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien). Hebreeuws: רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen). Taalgebruik in Tenakh: râ´âh (zien). Lat.: videre. Indogermaans: weid -> Ned.: weten. Sanskriet: veda. Latijn: videre.
Mc 12,34.1. - 4. kai idôn ho ièsous (en Jezus gezien): Mc 2,5. kai ho ièsous idôn (en JezusOT gezien): Mc 12,34.
Mc 12,34.5.
pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 12 (12): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,3. (3) Mc
12,6. (4) Mc
12,7. (5) Mc
12,8. (6) Mc
12,12. (7) Mc
12,13. (8) Mc
12,18. (9) Mc
12,28. (10) Mc
12,33. (11) Mc
12,34. (12) Mc
12,37.
Mc 12,34.6. ὁτι = hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het ΝΤ: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in de LXX: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat). Mc (92). Mc 12 (12): (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,7. (3) Mc 12,12. (4) Mc 12,14. (5) Mc 12,19. (6) Mc 12,26. (7) Mc 12,28. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,32. (10) Mc 12,34. (11) Mc 12,35. (12) Mc 12,43.
| hoti ( datOT omdat ) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 92 | 4 | 6 | 5 | 3 | 5 | 9 | 5 | 8 | 9 | 3 | 3 | 12 | 4 | 10 | 2 | 4 | 4396 | 3213 | 1183 | 137 | 92 | 160 | 237 | 114 | 389 | 54 | 389 | 626 |
- Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik in Tenakh: kî (want, omdat). Taalgebruik in Dt: kî (want, omdat). Getalswaarde: kaph = 11 of 20OT jod = 10 ; totaal: 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5). Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (3849). Pentateuch (884). Eerdere Profeten (726). Latere Profeten (841). 12 Kleine Profeten (241). Geschriften (1157). Dt (235). Dt 4 (14): (1) Dt 4,3. (2) Dt 4,6. (3) Dt 4,7. (4) Dt 4,15. (5) Dt 4,22. (6) Dt 4,24. (7) Dt 4,25. (8) Dt 4,26. (9) Dt 4,29. (10) Dt 4,31. (11) Dt 4,32. (12) Dt 4,35. (13) Dt 4,37. (14) Dt 4,39.
- כִּי = kî (want, omdat) < een woord met 1 medeklinker. De lange î is î gebleven omdat het een proclitisch woord is. Proclitisch wil zeggen dat een eenlettergrepig onbeklemtoond woord wordt gehecht aan het volgende (Lettinga(6) 13d).
8. ind. aor. 3de pers. enk. απεκριθη = apekrithè (hij antwoordde) van het werkw. αποκρινομαι = apokrinomai (antwoorden). Taalgebruik in het NT: apokrinomai (antwoorden). Taalgebruik in de LXX: apokrinomai (antwoorden). Taalgebruik in Mc: apokrinomai (antwoorden). Mc (7): (1) Mc 7,28. (2) Mc 9,17. (3) Mc 12,28. (4) Mc 12,29. (5) Mc 12,34. (6) Mc 15,5. (7) Mc 15,9. Een vorm van αποκρινομαι = apokrinomai (antwoorden) in de LXX (277)OT in het NT (231)OT in Mt (55)OT in Mc (30)OT in Lc (46)OT in Joh (78).
| apokrinomai (antwoorden) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | ind. aor. 3de pers. enk. apekrithè | 7 | (1) Mc 7,28. | (2) Mc 9,17. | (3) Mc 12,28. (4) Mc 12,29. (5) Mc 12,34. | (6) Mc 15,5. (7) Mc 15,9. | 176 | 94 | 82 | 2 | 7 | 4 | 57 | 11 | 1 | 13 | 70 |
Mc 12,34.9.
act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô
(zeggen). Taalgebruik in Mc: legô
(zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; lesOT
Fr. leçon.
Mc (56). Mc 12 (8): (1) Mc
12,12. (2) Mc
12,15. (3) Mc
12,17. (4) Mc
12,26. (5) Mc
12,32. (6) Mc
12,34. (7) Mc
12,36. (8) Mc
12,43. Een vorm van legô in Mc 12 in 9 verzenOT van eipon (ik zei)
in 10 verzen.
Mc 12,34.1.
- 3. 9. - 10. In Mc
12,34 staat een tussenzinOT wat in de andere zinnen niet het geval is.
De tussenzin staat tussen het onderwerp ho ièsous (Jezus) en het werkwoord
eipen (hij zei). De tussenzin is een deelwoordzin bij het onderwerp.
- Mc 10,52: kai ho ièsous (en Jezus) eipen autô(i) (zei hem).
- Mc 11,33: kai ho ièsous (en Jezus) legei autois (zegt hen).
- Mc 12,34: kai ho ièsous (en Jezus)... eipen autô(i) (zei hem).
- Mc 13,2: kai ho ièsous (en Jezus) eipen autô(i) (zei hem).
Mc 12,34.14.
apo (af, van-weg). afkoring ap'. Taalgebruik in het NT: apo
(afOT van-weg). Taalgebruik in Mc: apo
(afOT van-weg). Voorzetsel.
Mc (33 + 12). apo (af, weg) in Mc 12 (3): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,34. (3) Mc
12,38.
Mc 12,34.15.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (65). Mc 12 (4): (1) Mc
12,30. (2) Mc
12,33. (3) Mc
12,34. (4) Mc
12,44.
Mc 12,34.16. gen. vr. enk. basileias (van het koninkrijk) van het zelfstandig naamw. basileia (koninkrijk). Taalgebruik in het NT: basileia (koninkrijk). Taalgebruik in Mc: basileia (koninkrijk). Mc (3): (1) Mc 4,11. (2) Mc 6,23. (3) Mc 12,34. Een vorm van basileia (koninkrijk) in Mc in 19 verzen: (1) Mc 1,15. (2) Mc 3,24. (3) Mc 4,11. (4) Mc 4,26. (5) Mc 4,30. (6) Mc 6,23. (7) Mc 9,1. (8) Mc 9,47. (9) Mc 10,14. (10) Mc 10,15. (11) Mc 10,23. (12) Mc 10,24. (13) Mc 10,25. (14) Mc 11,10. (15) Mc 12,34. (16) Mc 13,8 (2 vormen). (17) Mc 14,25. (18) Mc 15,43.
Mc 12,34.17.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (116). Mc 12 (10): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,8. (3) Mc
12,9. (4) Mc
12,14. (5) Mc
12,17. (6) Mc
12,24. (7) Mc
12,26. (8) Mc
12,34. (9) Mc
12,41. (10) Mc
12,44.
Mc 12,34.18. gen. mann. enk. theou (van God) van het zelfst. naamw. theos (God). Taalgebruik in het NT: theos (God). Taalgebruik in Mc: theos (God). Vergelijk: L. deusOT Fr. dieu. De vloek dju.
Mc 12,34.15. - 18. tès basileias tou theou (van het koninkrijk van God). Mc (2 / 3). (1) Mc 4,11. (2) Mc 12,34.
Mc 12,34.19. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc 12,6. (2) Mc 12,10. (3) Mc 12,15. (4) Mc 12,23. (5) Mc 12,24. (6) Mc 12,25. (7) Mc 12,27. (8) Mc 12,29. (9) Mc 12,31. (10) Mc 12,36. (11) Mc 12,44.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
23. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 12 (12): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,3. (3) Mc
12,6. (4) Mc
12,7. (5) Mc
12,8. (6) Mc
12,12. (7) Mc
12,13. (8) Mc
12,18. (9) Mc
12,28. (10) Mc
12,33. (11) Mc
12,34. (12) Mc
12,37.
24. act. inf. aor. επερωτησαι = eperôtèsai (om te ondervragen) van het werkw. επερωταω = eperôtaô ( 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen). Taalgebruik in het NT: eperotaô (epi - erôtaô). Taalgebruik in de LXX: eperotaô (epi - erôtaô). NT (3): (1) Mt 22,46. (2) Mc 9,32. (3) Mc 12,34.
| eperôtaô | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| act. inf. aor. eperôtèsai | 11 | 8 | 3 | 1 | 2 | 3 | 3 |
294. Zoon en Heer van David: Mc 12,35-37a - Mc 12,35-37a - Mt 22,41-46 - Lc 20,41-44 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,35 - Mc 12,36 - Mc 12,37 -
| Mc 12,35 - Mc 12,35: 294. Zoon en Heer van David - Mc 12,35-37a - Mt 22,41-46 - Lc 20,41-44 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,35 - Mc 12,36 - Mc 12,37 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [35] And Jesus answered and said, while he taught in the
temple, How say the scribes that Christ is the Son of David?
Luther-Bibel. 35 Und Jesus fing an und sprach, als er im Tempel lehrte: Wieso
sagen die Schriftgelehrten, der Christus sei Davids Sohn?
Tekstuitleg van Mc 12,35. Het vers Mc 12,35 telt 19 woorden en 90 (2 X 3 X 3 X 5) letters. De getalswaarde van Mc 12,35 is 10495 (5 X 2099).
Mc 12,35.1.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
Mc 12,35.2.
part. aor. nom. mann. enk. apokritheis (geantwoord) van het werkw. apokrinomai
(antwoorden). Taalgebruik in het NT: apokrinomai
(antwoorden). Taalgebruik in Mc: apokrinomai
(antwoorden).
Mc (14): (1) Mc
3,33. (2) Mc
6,37. (3) Mc
8,29. (4) Mc
9,5. (5) Mc
9,19. (6) Mc
10,3. (7) Mc
10,24. (8) Mc
10,51. (9) Mc
11,14. (10) Mc
11,22. (11) Mc
12,35. (12) Mc
14,48. (13) Mc
15,2. (14) Mc
15,12. Een vorm van apokrinomai (antwoorden) in Mc in 30 verzen.
Mc 12,35.1.
- 2. kai apokritheis (en beantwoord) of ho de (...) apokritheis (hij echter
beantwoord. Mc (13 / 14). Niet in Mc
8,29.
- kai apokritheis (en beantwoord). Mc 7 / 14: (1) Mc
3,33. (2) Mc
9,5. (3) Mc
10,51. (4) Mc
11,14. (5) Mc
11,22. (6) Mc
12,35. (7) Mc
14,48.
- ho de (...) apokritheis (hij echter beantwoord. (Mc 6 / 14). (1) Mc
6,37. (2) Mc
9,19. (3) Mc
10,3. (4) Mc
10,24. (5) Mc
15,2. (6) Mc
15,12.
Mc 12,35.3.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (219). Mc 12 (16): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,20. (7) Mc
12,21. (8) Mc
12,24. (9) Mc
12,26. (10) Mc
12,29. (11) Mc
12,32. (12) Mc
12,34. (13) Mc
12,35. (14) Mc
12,37. (15) Mc
12,41. (16) Mc
12,42.
Mc 12,35.4.
nom. mann. enk. Ièsous (Jezus). Taalgebruik in het NT: Ièsous
(Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous
(Jezus).
Mc (57). Mc 12 (5): (1) Mc
12,17. (2) Mc
12,24. (3) Mc
12,29. (4) Mc
12,34. (5) Mc
12,35. Een vorm van ièsous (Jezus) in Mc in 81 verzen.
Mc 12,35.1. - 4. kai apokritheis ho ièsous (en Jezus beantwoord). Mc (3): (1) Mc 11,22. (2) Mc 12,35. (3) Mc 14,48.
5. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô
(zeggen). Taalgebruik in Mc: legô
(zeggen). Taalgebruik in het NT: legô
(zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen
/ lec-tuur ; lesOT Fr. leçon.
Mc (31). Mc (1) Mc
12,35. (2) Mc
12,38. Een vorm van legô (zeggen) in Mc in 9 verzenOT van eipon
(ik zeg) in 10 verzen.
- Mc 12,35:... elegen didaskôn (hij zei lerend).
- Mc 12,38: kai en tè(i) didachè(i) autou elegen (en in zijn lering zei
hij).
2. 5. apokritheis (...) + een vorm van legô (zeggen) in Mc (14 / 14). + elegen (hij zei) in Mc (2 / 14): (1) Mc 12,35. (2) Mc 15,12.
6. act. part. praes. nom. mann. enk. didaskôn (lerend) van het werkw.
didaskô (leren, onderrichten). Taalgebruik in NT: didaskô
(leren). Taalgebruik in Mc: didaskô
(leren). Auto-didact: iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft
verworven. Didactiek: leer van het onderrichten. Lat. docere (doctor). Cfr
docentOT documentatie.
Mc (4): (1) Mc
1,22. (2) Mc
6,6. (3) Mc
12,35. (4) Mc
14,49. Een vorm van didaskô (leren) in Mc (17).
Mc 12,35.7.
en (in). Taalgebruik in het NT: en
(in). Taalgebruik in Mc: en
(in). Hebr. bë. Fr. en. Ned. in. Fr. dans.
Mc 12 (9): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,11. (3) Mc
12,23. (4) Mc
12,25. (5) Mc
12,26. (6) Mc
12,35. (7) Mc
12,36. (8) Mc
12,38. (9) Mc
12,39.
Mc 12,35.8.
bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (68). Mc 12 (5): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,17. (3) Mc
12,19. (4) Mc
12,35. (5) Mc
12,36.
Mc 12,35.9.
dat. onz. enk. hierô(i) (heiligdom, tempel) Taalgebruik in het NT: hieron
(heiligdom, tempel). Taalgebruik in Mc: hieron
(heiligdom, tempel). Een vorm van hieron is steeds voorafgegaan door een
voorzetsel.
1. dia tou hierou (door de tempel). Mc (1): Mc
11,16.
2. eis to hieron (naar de tempel). Mc (2): (1) Mc
11,11. (2) Mc
11,15.
3. ek tou hierou (uit de tempel). Mc (1): Mc
13,1.
4. en tô(i) hierô(i) (in de tempel). Mc (4): (1) Mc
11,15. (2) Mc
11,27. (3) Mc
12,35. (4) Mc
14,49.
5. katenanti tou hierou (tegenover de tempel). Mc (1): Mc
13,3.
Een vorm van hieron (tempel) in Mc 11 (5): (1) eis to hieron (naar de tempel): Mc 11,11. (2) eis to hieron (naar de tempel): Mc
11,15. (3) en tô(i) hierô(i) (in de tempel): Mc
11,15. (4) dia tou hierou (door de tempel): Mc
11,16. (5) en tô(i) hierô(i) (in de tempel): Mc
11,27.
10. pôs (hoe). Taalgebruik in het NT: pôs
(hoe). Taalgebruik in Mc: pôs
(hoe). Vragend of onbepaald voornaamw. van wijze.
Mc (14): (1) Mc
2,26. (2) Mc
3,23. (3) Mc
4,13. (4) Mc
4,30. (5) Mc
5,16. (6) Mc
9,12. (7) Mc
10,23. (8) Mc
10,24. (9) Mc
11,18. (10) Mc
12,26. (11) Mc
12,35. (12) Mc
12,41. (13) Mc
14,1. (14) Mc
14,11.
Mc 12,35.12.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (101). Mc 12 (7): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,22. (5) Mc
12,23. (6) Mc
12,35. (7) Mc
12,40.
Mc 12,35.13. nom. + voc. + acc. mann. mv. grammateis (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. grammateus (schriftgeleerde). Taalgebruik in het NT: grammateus (schriftgeleerde). Taalgebruik in Mc: grammateus (schriftgeleerde). Mc (11): (1) Mc 1,22. (2) Mc 2,16. (3) Mc 3,22. (4) Mc 7,5. (5) Mc 9,11. (6) Mc 9,14. (7) Mc 11,18. (8) Mc 11,27. (9) Mc 12,35. (10) Mc 14,1. (11) Mc 14,53.
Mc 12,35.14.
hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti
(dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti
(dat, omdat).
Mc (92). Mc 12 (12): (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,7. (3) Mc
12,12. (4) Mc
12,14. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,26. (7) Mc
12,28. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,32. (10) Mc
12,34. (11) Mc
12,35. (12) Mc
12,43.
Mc 12,35.15.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (219). Mc 12 (16): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,20. (7) Mc
12,21. (8) Mc
12,24. (9) Mc
12,26. (10) Mc
12,29. (11) Mc
12,32. (12) Mc
12,34. (13) Mc
12,35. (14) Mc
12,37. (15) Mc
12,41. (16) Mc
12,42.
Mc 12,35.18.
dauid (David). Taalgebruik in het NT: dauid
(David). Taalgebruik in Mc: dauid
(David).
Mc (7): (1) Mc
2,25. (2) Mc
10,47. (3) Mc
10,48. (4) Mc
11,20. (5) Mc
12,35. (6) Mc
12,36. (7) Mc
12,37.
| Mc 12,36 - Mc 12,36: 294. Zoon en Heer van David - Mc 12,35-37a - Mt 22,41-46 - Lc 20,41-44 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,35 - Mc 12,36 - Mc 12,37 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [36] For David himself said by the Holy Ghost, The Lord
said to my Lord, Sit thou on my right hand, till I make thine enemies thy footstool.
Luther-Bibel. 36 David selbst hat durch den Heiligen Geist gesagt (Psalm 110,1):
»Der Herr sprach zu meinem Herrn: Setze dich zu meiner Rechten, bis ich deine
Feinde unter deine Füße lege.«
Tekstuitleg van Mc 12,36.
Mc 12,36.1.
voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij zelf) van het voornaamw. autos. Taalgebruik
in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (15): (1) Mc
1,8. (2) Mc
2,25. (3) Mc
3,13. (4) Mc
4,27. (5) Mc
4,38. (6) Mc
5,40. (7) Mc
6,17. (8) Mc
6,45. (9) Mc
6,47. (10) Mc
8,29. (11) Mc
12,36. (12) Mc
12,37. (13) Mc
14,15. (14) Mc
14,44. (15) Mc
15,43.
Mc 12,36.2.
dauid (David). Taalgebruik in het NT: dauid
(David). Taalgebruik in Mc: dauid
(David).
Mc (7): (1) Mc
2,25. (2) Mc
10,47. (3) Mc
10,48. (4) Mc
11,20. (5) Mc
12,35. (6) Mc
12,36. (7) Mc
12,37.
Mc 12,36.3.
act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô
(zeggen). Taalgebruik in Mc: legô
(zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; lesOT
Fr. leçon.
Mc (56). Mc 12 (8): (1) Mc
12,12. (2) Mc
12,15. (3) Mc
12,17. (4) Mc
12,26. (5) Mc
12,32. (6) Mc
12,34. (7) Mc
12,36. (8) Mc
12,43. Een vorm van legô in Mc 12 in 9 verzenOT van eipon (ik zei)
in 10 verzen.
Mc 12,36.4.
en (in). Taalgebruik in het NT: en
(in). Taalgebruik in Mc: en
(in). Hebr. bë. Fr. en. Ned. in. Fr. dans.
Mc 12 (9): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,11. (3) Mc
12,23. (4) Mc
12,25. (5) Mc
12,26. (6) Mc
12,35. (7) Mc
12,36. (8) Mc
12,38. (9) Mc
12,39.
Mc 12,36.5.
bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (68). Mc 12 (5): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,17. (3) Mc
12,19. (4) Mc
12,35. (5) Mc
12,36.
Mc 12,36.6.
dat. onz. enk. pneumati van het zelfst. naamw. pneuma (geest). Taalgebruik
in het NT: pneuma
(geest). Taalgebruik in Mc: pneuma
(geest). Lat. spiritus. Fr. esprit. Ned. geest.
Mc (7): (1) Mc
1,8. (2) Mc
1,23. (3) Mc
2,8. (4) Mc
5,2. (5) Mc
8,12. (6) Mc
9,25. (7) Mc
12,36.
Mc 12,36.7.
bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc 12 (5): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,17. (3) Mc
12,19. (4) Mc
12,35. (5) Mc
12,36.
Mc 12,36.11.
bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc 12 (5): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,17. (3) Mc
12,19. (4) Mc
12,35. (5) Mc
12,36.
Mc 12,36.15.
ek - ex (uit). Taalgebruik in het NT: ek
(uit). Taalgebruik in Mc: ek
(uit). Ned. uit. D. aus. E. out. Fr. de.
Mc (38 + 20). Mc 12 (3 + 2): (1) Mc
12,25. (2) Mc
12,36. (3) Mc
12,44. Mc (12): (1) Mc
12,30. (2) Mc
12,33.
Mc 12,36.16.
gen. mv. dexiôn (rechts) van het bijvoegl. naamw. dexios (rechts). Taalgebruik
in het NT: dexios
(rechts). Taalgebruik in Mc: dexios
(rechts).
Mc (6): (1) Mc
10,37. (2) Mc
10,40. (3) Mc
12,36. (4) Mc
14,62. (5) Mc
15,27. (6) Mc
16,19.
Mc 12,36.21.
bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (52). Mc 12 (4): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,36. (4) Mc
12,43.
Mc 12,36.25.
bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in het
NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (90). Mc 12 (9): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,13. (3) Mc
12,26. (4) Mc
12,28. (5) Mc
12,33. (6) Mc
12,36. (7) Mc
12,38. (8) Mc
12,40. (9) Mc
12,43.
| Mc 12,37 - Mc 12,37: 294. Zoon en Heer van David - Mc 12,35-37a - Mt 22,41-46 - Lc 20,41-44 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,35 - Mc 12,36 - Mc 12,37 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [37] David therefore himself calleth him Lord; and whence
is he then his son? And the common people heard him gladly.
Luther-Bibel. 37 Da nennt ihn ja David selbst seinen Herrn. Woher ist er dann
sein Sohn? Und alles Volk hörte ihn gern. Warnung vor den Schriftgelehrten
Tekstuitleg van Mc 12,37.
Mc 12,37.1.
voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij zelf) van het voornaamw. autos. Taalgebruik
in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (15): (1) Mc
1,8. (2) Mc
2,25. (3) Mc
3,13. (4) Mc
4,27. (5) Mc
4,38. (6) Mc
5,40. (7) Mc
6,17. (8) Mc
6,45. (9) Mc
6,47. (10) Mc
8,29. (11) Mc
12,36. (12) Mc
12,37. (13) Mc
14,15. (14) Mc
14,44. (15) Mc
15,43.
Mc 12,37.2.
dauid (David). Taalgebruik in het NT: dauid
(David). Taalgebruik in Mc: dauid
(David).
Mc (7): (1) Mc
2,25. (2) Mc
10,47. (3) Mc
10,48. (4) Mc
11,20. (5) Mc
12,35. (6) Mc
12,36. (7) Mc
12,37.
Mc 12,37.4.
pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 12 (12): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,3. (3) Mc
12,6. (4) Mc
12,7. (5) Mc
12,8. (6) Mc
12,12. (7) Mc
12,13. (8) Mc
12,18. (9) Mc
12,28. (10) Mc
12,33. (11) Mc
12,34. (12) Mc
12,37.
Mc 12,37.6.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
Mc 12,37.8.
pers. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (143). Mc 12 (5): (1) Mc
12,19. (2) Mc
12,32. (3) Mc
12,37. (4) Mc
12,38. (5) Mc
12,43.
Mc 12,37.11.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
Mc 12,37.12.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (219). Mc 12 (16): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,20. (7) Mc
12,21. (8) Mc
12,24. (9) Mc
12,26. (10) Mc
12,29. (11) Mc
12,32. (12) Mc
12,34. (13) Mc
12,35. (14) Mc
12,37. (15) Mc
12,41. (16) Mc
12,42.
Mc 12,37.14. zelfst. naamw. nom. mann. enk. ochlos (menigte). Taalgebruik in NT: ochlos (menigte). Taalgebruik in Mc: ochlos (menigte). Met één uitzondering (Mc 10,1) gebruikt Mc ochlos (menigte) in het enk. Mc (13): (1) Mc 2,13. (2) Mc 3,20. (3) Mc 3,32. (4) Mc 4,1. (5) Mc 5,21. (6) Mc 5,24a - Mc 5,24b. (7) Mc 9,15. (8) Mc 9,25. (9) Mc 11,18. (10) Mc 12,37. (11) Mc 12,41. (12) Mc 12,43. (13) Mc 15,8. In deze gevallen is ochlos (menigte) onderwerp.
Mc 12,37.16.
pers. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (143). Mc 12 (5): (1) Mc
12,19. (2) Mc
12,32. (3) Mc
12,37. (4) Mc
12,38. (5) Mc
12,43.
295. Aanklacht tegen schriftgeleerden en Farizeeën: Mc 12,37b-40 - Mc 12,37b-40 - Mt 23,1-12 - Lc 20,45-47 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,38 - Mc 12,39 - Mc 12,40 -
| Mc 12,38 - Mc 12,38: 295. Aanklacht tegen schriftgeleerden en Farizeeën - Mc 12,37b-40 - Mt 23,1-12 - Lc 20,45-47 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,38 - Mc 12,39 - Mc 12,40 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [38] And he said unto them in his doctrine, Beware of the
scribes, which love to go in long clothing, and love salutations in the marketplaces,
Luther-Bibel. 38 Und er lehrte sie und sprach zu ihnen: Seht euch vor vor den
Schriftgelehrten, die gern in langen Gewändern gehen und lassen sich auf dem
Markt grüßen
Tekstuitleg van Mc 12,38. Het vers Mc 12,38 telt 21 (3 X 7) woordenOT X lettergrepen en 110 (2 X 5 X 11) letters. De getalswaarde van Mc 12,38 is 12504 (2 X 2 X 2 X 3 X 521).
Mc 12,38.1.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
Mc 12,38.2.
en (in). Taalgebruik in het NT: en
(in). Taalgebruik in Mc: en
(in). Hebr. bë. Fr. en. Ned. in. Fr. dans.
Mc (119). Mc 12 (9): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,11. (3) Mc
12,23. (4) Mc
12,25. (5) Mc
12,26. (6) Mc
12,35. (7) Mc
12,36. (8) Mc
12,38. (9) Mc
12,39.
Mc 12,38.3.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (55). Mc 12 (3): (1) Mc
12,23. (2) Mc
12,26. (3) Mc
12,38.
Mc 12,38.4.
nom. (didachè) + dat. vr. enk. didachè(i) van het zelfst. naamw.
didachè (lering, onderrichting) . Taalgebruik in het NT: didachè
(lering, onderrichting). Taalgebruik in Mc: didachè
(lering, onderrichting).
Mc (5): (1) Mc
1,22 (dat.). (2) Mc
1,27 (nom.). (3) Mc
4,2 (dat.). (4) Mc
11,18 (dat.). (5) Mc
12,38 (dat.).
dat. vr. enk. didachè(i) in Mc (4).
- en tè(i) didachè(i) autou (in zijn leer / onderrichting). Mc
(2): (1) Mc
4,2. (2) Mc
12,38.
- epi tè(i) didachè(i) autou (over zijn leer). Mc (2): (1) Mc
1,22. (2) Mc
11,18.
Mc 12,38.5.
pers. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (143). Mc 12 (5): (1) Mc
12,19. (2) Mc
12,32. (3) Mc
12,37. (4) Mc
12,38. (5) Mc
12,43.
Mc 12,38.6.
act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô
(zeggen). Taalgebruik in NT: legô
(zeggen) . Taalgebruik in
Mc: legô
(zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; lesOT
Fr. leçon.
Mc (31). Mc 12 (2): (1) Mc
12,35. (2) Mc
12,38. Een vorm van legô (zeggen) in Mc 12 in 9 verzenOT van eipon
(ik zei) in 10 verzen.
- Mc 12,35:... elegen didaskôn (hij zei lerend).
- Mc 12,38: kai en tè(i) didachè(i) autou elegen (en in zijn lering zei
hij).
Mc 12,38.1.
- 6.
- Mc 4,2 (dat.): kai elegen autois en tè(i) didachè(i) autou = en hij
zei hen in zijn leer.
- Mc 12,38 (dat.): kai en tè(i) didachè(i) autou elegen = en in zijn leer
zei hij.
Mc 12,38.7.
act. ind. pr. + imperat. pr. 2de pers. mv. blepete (jullie kijken, kijkt). van het werkw. blepô (kijken, zien). Taalgebruik in het NT: blepô
(kijken, zien). Taalgebruik in Mc: blepô
(kijken, zien).
Mc (8): (1) Mc
4,24. (2) Mc
8,15. (3) Mc
8,18. (4) Mc
12,38. (5) Mc
13,5. (6) Mc
13,9. (7) Mc
13,23. (8) Mc
13,33. Een vorm van blepô (kijken, zien) in Mc in 14 verzen.
Mc 12,38.8.
apo (af, van-weg). afkoring ap'. Taalgebruik in het NT: apo
(afOT van-weg). Taalgebruik in Mc: apo
(afOT van-weg). Voorzetsel.
Mc (33 + 12). apo (af, weg) in Mc 12 (3): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,34. (3) Mc
12,38.
Mc 12,38.9.
bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in het
NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (90). Mc 12 (9): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,13. (3) Mc
12,26. (4) Mc
12,28. (5) Mc
12,33. (6) Mc
12,36. (7) Mc
12,38. (8) Mc
12,40. (9) Mc
12,43.
Mc 12,38.11.
bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in het
NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (90). Mc 12 (9): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,13. (3) Mc
12,26. (4) Mc
12,28. (5) Mc
12,33. (6) Mc
12,36. (7) Mc
12,38. (8) Mc
12,40. (9) Mc
12,43.
Mc 12,38.13.
en (in). Taalgebruik in het NT: en
(in). Taalgebruik in Mc: en
(in). Hebr. bë. Fr. en. Ned. in. Fr. dans.
Mc 12 (9): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,11. (3) Mc
12,23. (4) Mc
12,25. (5) Mc
12,26. (6) Mc
12,35. (7) Mc
12,36. (8) Mc
12,38. (9) Mc
12,39.
14. dat. vr. mv. stolais (kleren) van het zelfst. naamw. stolè (kleed). Taalgebruik in het NT: stolè
(kleed). Taalgebruik in Mc: stolè
(kleed).
Mc (1): Mc
12,38. Nog een andere vorm (acc. vr. enk. stolèn) in Mc
16,5.
Mc 12,38.16.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
Mc 12,38.18.
en (in). Taalgebruik in het NT: en
(in). Taalgebruik in Mc: en
(in). Hebr. bë. Fr. en. Ned. in. Fr. dans.
Mc 12 (9): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,11. (3) Mc
12,23. (4) Mc
12,25. (5) Mc
12,26. (6) Mc
12,35. (7) Mc
12,36. (8) Mc
12,38. (9) Mc
12,39.
Mc 12,38.19.
bep. lidw. dat. vr. mv. tais (de van het bep. lidw. hoOT hèOT to (de
/ het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (10): (1) Mc
1,9. (2) Mc
2,6. (3) Mc
2,8. (4) Mc
6,56. (5) Mc
8,1. (6) Mc
12,38. (7) Mc
12,39. (8) Mc
13,17. (9) Mc
13,24. (10) Mc
16,18.
20. ἀγοραῖς (= agorais: markten; zn dat vr mv van het zn ἀγορα = agora: vergadering, bijeenkomst, markt)
| Mc 12,39 - Mc 12,39: 295. Aanklacht tegen schriftgeleerden en Farizeeën - Mc 12,37b-40 - Mt 23,1-12 - Lc 20,45-47 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,38 - Mc 12,39 - Mc 12,40 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [39] And the chief seats in the synagogues, and the uppermost
rooms at feasts:
Luther-Bibel. 39 und sitzen gern obenan in den Synagogen und am Tisch beim
Mahl;
Tekstuitleg van Mc 12,39.
1. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
2. πρωτοκαθεδρίας (= prôtokathedrias: ereplaatsen; zn acc vr mv van het zn πρωτοκαθεδρία = prôtokathedria: eerste plaats, ereplaats).
3. en (in). Taalgebruik in het NT: en
(in). Taalgebruik in Mc: en
(in). Hebr. bë. Fr. en. Ned. in. Fr. dans.
Mc 12 (9): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,11. (3) Mc
12,23. (4) Mc
12,25. (5) Mc
12,26. (6) Mc
12,35. (7) Mc
12,36. (8) Mc
12,38. (9) Mc
12,39.
4. bep. lidw. dat. vr. mv. tais (de van het bep. lidw. hoOT hèOT to
(de / het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (10): (1) Mc
1,9. (2) Mc
2,6. (3) Mc
2,8. (4) Mc
6,56. (5) Mc
8,1. (6) Mc
12,38. (7) Mc
12,39. (8) Mc
13,17. (9) Mc
13,24. (10) Mc
16,18.
5. συναγωγαις (= sunagôgais: synagogen; zn dat vr mv van het zn συναγωγα = synagoge: synagoge, bijeenkomst). Taalgebruik: sunagôgè
(synagoge). Taalgebruik: sunagôgè
(synagoge).
Mc (1): Mc
12,39.
3. - 5. en tais sunagôgais (in de synagogen). Mc (1): Mc 12,39.
6. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
7. πρωτοκλισίας (= prôtoklisias: voornaamste aanligbedden; zn acc vr mv van het zn πρωτοκλισία: voornaamste aanligbed).
8. en (in). Taalgebruik in het NT: en
(in). Taalgebruik in Mc: en
(in). Hebr. bë. Fr. en. Ned. in. Fr. dans.
Mc 12 (9): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,11. (3) Mc
12,23. (4) Mc
12,25. (5) Mc
12,26. (6) Mc
12,35. (7) Mc
12,36. (8) Mc
12,38. (9) Mc
12,39.
10. δείπνοις (= deipnois: maaltijden; zn dat onz mv van het zn δείπνον = deipnon: hoofdmaaltijd, middag-maaltijd).
| Mc 12,40 - Mc 12,40: 295. Aanklacht tegen schriftgeleerden en Farizeeën - Mc 12,37b-40 - Mt 23,1-12 - Lc 20,45-47 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,38 - Mc 12,39 - Mc 12,40 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [40] Which devour widows' houses, and for a pretence make
long prayers: these shall receive greater damnation.
Luther-Bibel. 40 sie fressen die Häuser der Witwen und verrichten zum Schein
lange Gebete. Die werden ein umso härteres Urteil empfangen.
Tekstuitleg van Mc 12,40.
1. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (101). Mc 12 (7): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,22. (5) Mc
12,23. (6) Mc
12,35. (7) Mc
12,40.
2. κατεσθίοντες (= katesthiontes: etende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw κατεσθιω = katesthiô: eten, verscheuren, verslinden)
3. bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (27): Mc 12 (2): (1) Mc
12,24. (2) Mc
12,40.
4. οἰκίας (= oikias: huizen; zn acc vr mv van het zn οικια = oikia: huis).
5. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in
het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (90). Mc 12 (9): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,13. (3) Mc
12,26. (4) Mc
12,28. (5) Mc
12,33. (6) Mc
12,36. (7) Mc
12,38. (8) Mc
12,40. (9) Mc
12,43.
6. χηρῶν (= chèrôn: van de weduwen; zn gen vr mv van het zn χηρα = chèra: weduwe, verweesd). Taalgebruik in het NT: chèra
(weduwe). Taalgebruik in Mc: chèra
(weduwe).
Mc (1): Mc
12,40. Een vorm van chèra (weduwe) in Mc in 3 verzen.
7. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
8. προφάσει (= profasei: schijn; zn dat vr enk van het zn προφάσις = profasis: voorwendsel, schijn, verontschuldiging).
9. μακρὰ (= makra: lange; bv nw acc onz mv van het bv nw μακρος = lang, groot, hoog, diep, ver).
10. προσευχόμενοι (= proseuchomenoi: biddende; wkw med/pass part praes nom mann mv van het wkw προσεύχομαι: bidden).
11. οὗτοι (= houtoi: dezen; aanwijz vnw nom mann mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu).
12. λήμψονται (= lèmpsontai: zij zullen voor zich nemen; wkw med fut 3de pers mv van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab).
14. κρίμα (= krima: oordeel, beslissing, vonnis, veroordeling; zn acc onz enk).
298. De penningen van de weduwe: Mc 12,41-44 - Mc 12,41-44 - Lc 21,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,41 - Mc 12,42 - Mc 12,43 - Mc 12,44 -
Evangelie van de 32ste
(tweeendertigste) zondag door het b-jaar: Mc
12,41-44:
In die tijd ging Jezus in de tempel tegenover de offerkist zitten en keek toe,
hoe het volk koperstukken daarin wierp terwijl menige rijke er veel in liet
vallen. Er kwam ook een arme weduwe die er twee penningen, ter waarde van een
cent in wierp. Hij riep nu zijn leerlingen bij zich en sprak: "Voorwaar,
Ik zeg u: die arme weduwe heeft het meest geofferd van allen die iets in de
offerkist wierpen; allen wierpen ze er iets in van hun overvloed maar zij offerde
van haar armoe al wat ze bezat, alles waar ze van leven moest."
| Mc 12,41 - Mc 12,41: 298. De penningen van de weduwe - Mc 12,41-44 - Lc 21,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,41 - Mc 12,42 - Mc 12,43 - Mc 12,44 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [41] And Jesus sat over against the treasury, and beheld
how the people cast money into the treasury: and many that were rich cast in
much.
Luther-Bibel. 41 Und Jesus setzte sich dem Gotteskasten gegenüber und sah zu,
wie das Volk Geld einlegte in den Gotteskasten. Und viele Reiche legten viel
ein.
Tekstuitleg van Mc 12,41. Variabele lezing.
Mc 12,41.1.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
Mc 12,41.2. καθίσας (= kathisas: gezeten; wkw act part aor nom mann enk van het wkw καθιζω = kathizô: zitten) Taalgebruik in het NT: kathizô (zitten). Taalgebruik in Mc: kathizô (zitten). Mc (2): (1) Mc 9,35. (2) Mc 12,41. Een vorm van kathizô (zitten) in 9 verzen in Mc: (1) Mc 9,35. (2) Mc 10,37. (3) Mc 10,40. (4) Mc 11,2. (5) Mc 11,7. (6) Mc 12,36. (7) Mc 12,41. (8) Mc 14,32. (9) Mc 16,19.
Mc 12,41.3. κατέναντι (= katenanti: tegenover: vz met gen). Taalgebruik in het NT: katenanti (tegenover). Taalgebruik in Mc: katenanti (tegenover). N. tegeover. D. gegenüber. E. against. Lat. contra. Fr. face à. Mc (3): (1) Mc 11,2. (2) Mc 12,41. (3) Mc 13,3.
Mc 12,41.4.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (116). Mc 12 (10): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,8. (3) Mc
12,9. (4) Mc
12,14. (5) Mc
12,17. (6) Mc
12,24. (7) Mc
12,26. (8) Mc
12,34. (9) Mc
12,41. (10) Mc
12,44.
Mc 12,41.5. γαζοφυλακίου (= gadzofulakiou: schatkist; zn gen onz enk γαζοφυλακίον = gazofulakion: schatkist). Taalgebruik in het NT: gazofulakeion (schatkist). Taalgebruik in Mc: gazofulakeion (schatkist). Mc (1): Mc 12,41. Een vorm van gazofulakion (schatkist) in Mc in 2 verzen.
6. ἐθεώρει (= etheôrei: hij zag; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw θεωρεω = theôreô: kijken, zien)
7. pôs (hoe). Taalgebruik in het NT: pôs
(hoe). Taalgebruik in Mc: pôs
(hoe). Vragend of onbepaald voornaamw. van wijze.
Mc (14): (1) Mc
2,26. (2) Mc
3,23. (3) Mc
4,13. (4) Mc
4,30. (5) Mc
5,16. (6) Mc
9,12. (7) Mc
10,23. (8) Mc
10,24. (9) Mc
11,18. (10) Mc
12,26. (11) Mc
12,35. (12) Mc
12,41. (13) Mc
14,1. (14) Mc
14,11.
Mc 12,41.8.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (219). Mc 12 (16): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,20. (7) Mc
12,21. (8) Mc
12,24. (9) Mc
12,26. (10) Mc
12,29. (11) Mc
12,32. (12) Mc
12,34. (13) Mc
12,35. (14) Mc
12,37. (15) Mc
12,41. (16) Mc
12,42.
Mc 12,41.9.
zelfst. naamw. nom. mann. enk. ochlos (menigte). Taalgebruik in NT: ochlos
(menigte). Taalgebruik in Mc: ochlos
(menigte). Met één uitzondering (Mc
10,1) gebruikt Mc ochlos (menigte) in het enk.
Mc (13): (1) Mc
2,13. (2) Mc
3,20. (3) Mc
3,32. (4) Mc
4,1. (5) Mc
5,21. (6) Mc
5,24a - Mc
5,24b. (7) Mc
9,15. (8) Mc
9,25. (9) Mc
11,18. (10) Mc
12,37. (11) Mc
12,41. (12) Mc
14,43. (13) Mc
15,8. In deze gevallen is ochlos (menigte) onderwerp.
Mc 12,41.10. βάλλει (= ballei: hij werpt, hij laat vallen; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen). Taalgebruik in het NT: ballô (werpen, gooien). Taalgebruik in Mc: ballô (werpen, gooien). Mc (1): Mc 12,41. Een vorm van ballô (werpen, gooien) in Mc in '18' verzen.
11, χαλκὸν (= chalkon: koperen munt; bv nw acc onz enk van het bv nw χαλκὸς = chalkos: koperen, bronzen, koperen munt),
Mc 12,41.13.
bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc 12 (3): (1) Mc
12,33. (2) Mc
12,41. (3) Mc
12,43.
Mc 12,41.14. acc. onz. enk. gazofulakion van het zelfst. naamw. gazofulakion (schatkist). Taalgebruik in het NT: gazofulakeion (schatkist). Taalgebruik in Mc: gazofulakeion (schatkist). Mc (2): (1) Mc 12,41. (2) Mc 12,43. Telkens in de bepaling: eis to gazofulakion = in de schatkist. Een vorm van gazofulakion (schatkist) in Mc in 2 verzen.
Mc 12,41.15.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
16. πλούσιοι (= plousioi: rijken; bv nom mann mv van het bn πλουσιος = plousios: rijk-e).
Mc 12,41.18. ἔβαλλον (= eballon: zij wierpen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen). Taalgebruik in het NT: ballô (werpen, gooien). Taalgebruik in Mc: ballô (werpen, gooien). Mc (1) Mc 12,41. Een vorm van ballô (werpen, gooien) in Mc in '18' verzen.
Mc 12,41.19.
nom. + acc. onz. mv. polla (veel) van het bijvoegl. naamw. polus (veel). Taalgebruik
in het NT: polus
(veel). Taalgebruik in Mc: polus
(veel).
Mc (21): (1) Mc
1,34. (2) Mc
1,45. (3) Mc
3,12. (4) Mc
4,2. (5) Mc
5,10. (6) Mc
5,23. (7) Mc
5,26. (8) Mc
5,38. (9) Mc
5,43. (10) Mc
6,13. (11) Mc
6,20. (12) Mc
6,23. (13) Mc
6,34. (14) Mc
7,4. (15) Mc
7,13. (16) Mc
8,31. (17) Mc
9,12. (18) Mc
9,26. (19) Mc
10,22. (20) Mc
12,41. (21) Mc
15,3.
| Mc 12,42 - Mc 12,42: 298. De penningen van de weduwe - Mc 12,41-44 - Lc 21,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,41 - Mc 12,42 - Mc 12,43 - Mc 12,44 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [42] And there came a certain poor widow, and she threw
in two mites, which make a farthing.
Luther-Bibel. 42 Und es kam eine arme Witwe und legte zwei Scherflein ein;
das macht zusammen einen Pfennig.
Tekstuitleg van Mc 12,42.
Mc 12,42.1.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
Mc 12,42.4.
χήρα (= chèra: weduwe, verweesd; zn nom vr enk). Taalgebruik in het NT: chèra
(weduwe). Taalgebruik in Mc: chèra
(weduwe).
Mc (2): (1) Mc
12,42. (2) Mc
12,43. Een vorm van chèra (weduwe) in Mc in 3 verzen.
Mc 12,42.5.
nom. vr. enk. ptôchè (arme). Taalgebruik in het NT: ptôchos
(arme). Taalgebruik in Mc: ptôchos
(arme).
Mc (2): (1) Mc
12,42. (2) Mc
12,43.
Mc 12,42.6.
act. ind. aor. 3de prs. enk. ebalen (zij wierp) van het werkw. ballô (werpen,
gooien). Taalgebruik in het NT: ballô
(werpen, gooien). Taalgebruik in Mc: ballô
(werpen, gooien).
Mc (5). (1) Mc
7,33. (2) Mc
9,22. (3) Mc
12,42. (4) Mc
12,43. (5) Mc
12,44. Een vorm van ballô (werpen, gooien) in Mc in '18' verzen.
7 λεπτὰ (= lepta: muntjes; zn acc onz mv van het zn λεπτον = lepton: een stuk kleingeld).
Mc 12,42.9.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (219). Mc 12 (16): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,20. (7) Mc
12,21. (8) Mc
12,24. (9) Mc
12,26. (10) Mc
12,29. (11) Mc
12,32. (12) Mc
12,34. (13) Mc
12,35. (14) Mc
12,37. (15) Mc
12,41. (16) Mc
12,42.
11. κοδράντης (= kodrantès: quadrans, een kwartje; zn nom mann enk).
| Mc 12,43 - Mc 12,43: 298. De penningen van de weduwe - Mc 12,41-44 - Lc 21,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,41 - Mc 12,42 - Mc 12,43 - Mc 12,44 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [43] And he called unto him his disciples, and saith unto
them, Verily I say unto you, That this poor widow hath cast more in, than all
they which have cast into the treasury:
Luther-Bibel. 43 Und er rief seine Jünger zu sich und sprach zu ihnen: Wahrlich,
ich sage euch: Diese arme Witwe hat mehr in den Gotteskasten gelegt als alle,
die etwas eingelegt haben.
Tekstuitleg van Mc 12,43. Het vers Mc 12,43 telt 24 (2 X 2 X 3) woorden en 122 (2 X 61) letters. De getalswaarde van Mc 12,43 is 15674 (2 X 17 X 461)
Mc 12,43.1.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Mc 12. Van de 44 verzen niet in 11 verzen: (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,10. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,23. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,25. (7) Mc
12,27. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,31. (10) Mc
12,36. (11) Mc
12,44.
Mc 12,43.2.
participium aorist nom. mann. enk. proskalesamenos van het werkw. proskaleomai
(bij zich roepen). Taalgebruik in het NT: proskaleomai
(bij zich roepen) . Taalgebruik in Mc: proskaleomai
(bij zich roepen) .
Mc (7): (1) Mc
3,23. (2) Mc
7,14. (3) Mc
8,1. (4) Mc
8,34. (5) Mc
10,42. (6) Mc
12,43. (7) Mc
15,44. In 6 / 7 is Jezuis onderwerp. In 1 / 7 is het Pilatus (Mc
15,44). In 7 / 7 volgt op het part. proskalesamenos (bij zich geroepen)
een lijdend voorwerp.
Een vorm van proskaleomai (bij zich roepen) in Mc in 9 verzen.
Mc 12,43.3.
bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (52). Mc 12 (4): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,36. (4) Mc
12,43.
Mc 12,43.4.
acc. mann. mv. mathètas (leerlingen). van het zelfst. naamw. mathètès
(leerling). Taalgebruik in het NT: mathètès
(leerling). Taalgebruik in Mc: mathètès
(leerling). Bij Mc niet in het enk.
Mc (7): (1) Mc
6,45. (2) Mc
8,1. (3) Mc
8,27. (4) Mc
8,33. (5) Mc
9,14. (6) Mc
9,31. (7) Mc
12,43. Een vorm van mathètès (leerling) in Mc in 43 verzen.
Mc 12,43.2.
- 4. proskalesamenos (samengeroepen bij zich). Mc (7):
- proskalesamenos autous (samengeroepen hen) in Mc (2): (1) Mc
3,23. (2) Mc
10,42. Zeshoek ABCDEF diagonaal AE.
- proskalesamenos (...) ton ochlon (samengeroepen het volk) in Mc (2): (1) Mc 7,14. (2) Mc
8,34. Zeshoek ABCDEF diagonaal BD.
- proskalesamenos tous mathètas (samengeroepen de leerlingen) in Mc (2): (1) Mc
8,1. (2) Mc
12,43. Zeshoek ABCDEF diagonaal CF.
- proskalesamenos ton ochlos sun tois mathètais autou (samengeroepen
het volk met zijn leerlingen) in Mc (1): Mc
8,34.
Mc 12,43.5.
pers. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (143). Mc 12 (5): (1) Mc
12,19. (2) Mc
12,32. (3) Mc
12,37. (4) Mc
12,38. (5) Mc
12,43.
Mc 12,43.3. - 5. tous mathètas autou (zijn leerlingen). Mc (5 / 7). Niet in (1) Mc 8,1. (2) Mc 9,14.
Mc 12,43.6.
act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô
(zeggen). Taalgebruik in Mc: legô
(zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; lesOT
Fr. leçon.
Mc (56). Mc 12 (8): (1) Mc
12,12. (2) Mc
12,15. (3) Mc
12,17. (4) Mc
12,26. (5) Mc
12,32. (6) Mc
12,34. (7) Mc
12,36. (8) Mc
12,43. Een vorm van legô in Mc 12 in 9 verzenOT van eipon (ik zei)
in 10 verzen.
- + autô(i) = hij zei hem. Mc (3): (1) Mc
12,26. (2) Mc
12,32. (3) Mc
12,34.
- + autois = hij zei hen. Mc (3): (1) Mc
12,15. (2) Mc
12,17. (3) Mc
12,43.
Mc 12,43.7.
pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen). pers. voornaamw.
autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (117). Mc 12 (8): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,15. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,28. (7) Mc
12,43. (8) Mc
12,44.
Mc 12,43.1.
- 7. enerzijds - anderzijds:
- Mc 8,1: proskalesamenos tous mathètas legei autois (samengeroepen de leerlingen
zegt hij aan hen).
- Mc 12,43: kai proskalesamenos tous mathètas autou eipen autois (en samengeroepen
de leerlingen zei hij aan hen).
- proskalesamenos (bij zich geroepen)... eipen autois (zei hij hen). Mc (2): (1) Mc 8,34. (2) Mc 12,43. Zeshoek ABCDEF diagonaal DF
Mc 12,43.8.
amèn (amen, ja, voorwaar). Taalgebruik in het NT: amèn
(amen, ja, voorwaar). Taalgebruik in Mc: amèn
(amen, ja, voorwaar).
Mc (13): (1) Mc
3,28. (2) Mc
8,12. (3) Mc
9,1. (4) Mc
9,41. (5) Mc
10,15. (6) Mc
10,29. (7) Mc
11,23. (8) Mc
12,43. (9) Mc
13,30. (10) Mc
14,9. (11) Mc
14,18. (12) Mc
14,25. (13) Mc
14,30.
Mc 12,43.9. act. ind. praes. 1ste pers. enk. legô (ik zeg) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc (19). (1) Mc 2,11. (2) Mc 3,28. (3) Mc 5,41. (4) Mc 8,12. (5) Mc 9,1. (6) Mc 9,13. (7) Mc 9,41. (8) Mc 10,15. (9) Mc 10,29. (10) Mc 11,23. (11) Mc 11,24. (12) Mc 11,33. (13) Mc 12,43. (14) Mc 13,30. (15) Mc 13,37. (16) Mc 14,9. (17) Mc 14,18. (18) Mc 14,25. (19) Mc 14,30. OF: Mc (13: amèn legô = voorwaar ik zeg): (1) Mc 3,28. (2) Mc 8,12. (3) Mc 9,1. (4) Mc 9,41. (5) Mc 10,15. (6) Mc 10,29. (7) Mc 11,23. (8) Mc 12,43. (9) Mc 13,30. (10) Mc 14,9. (11) Mc 14,18. (12) Mc 14,25. (13) Mc 14,30. + (6): (1) Mc 2,11. (2) Mc 5,41. (3) Mc 9,13. (4) Mc 11,24. (5) Mc 11,33. (6) Mc 13,37. Een vorm van legô in Mc 12 in 9 verzenOT van eipon (ik zei) in 10 verzen.
Mc 12,43.10.
pers. voornaamw. 2de pers. dat. mann. mv. humin (aan jullie) van het pers. voornaamw.
humeis (jullie). Taalgebruik in het NT: persoonlijk
voornaamwoord. Taalgebruik in Mc.: persoonlijk
voornaamwoord.
Mc (34). Mc 12 (1): Mc
12,43. amèn legô humin = voorwaar ik zeg jullie. Mc (12): (1) Mc
3,28. (2) Mc
8,12. (3) Mc
9,1. (4) Mc
9,41. (5) Mc
10,15. (6) Mc
10,29. (7) Mc
11,23. (8) Mc
12,43. (9) Mc
13,30. (10) Mc
14,9. (11) Mc
14,18. (12) Mc
14,25. amèn legô soi = voorwaar ik zeg jou. Mc (1): Mc
14,30.
Mc 12,43.8. - 10. amèn legô humin (voorwaar ik zeg jullie). Mc (13): (1) Mc 3,28. (2) Mc 8,12. (3) Mc 9,1. (4) Mc 9,41. (5) Mc 10,15. (6) Mc 10,29. (7) Mc 11,23. (8) Mc 12,43. (9) Mc 13,30. (10) Mc 14,9. (11) Mc 14,18. (12) Mc 14,25. (13) Mc 14,30.
Mc 12,43.11.
hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti
(dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti
(dat, omdat).
Mc (92). Mc 12 (12): (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,7. (3) Mc
12,12. (4) Mc
12,14. (5) Mc
12,19. (6) Mc
12,26. (7) Mc
12,28. (8) Mc
12,29. (9) Mc
12,32. (10) Mc
12,34. (11) Mc
12,35. (12) Mc
12,43.
Mc 12,43.8. - 11. amèn legô humin hoti (voorwaar ik zeg jullie dat). Mc (7): (1) Mc 3,28. (2) Mc 9,1. (3) Mc 11,23. (4) Mc 12,43. (5) Mc 13,30. (6) Mc 14,18. (7) Mc 14,25.
Mc 12,43.12.
bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (76). Mc 12 (5): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,14. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,22. (5) Mc
12,43.
13. nom. + dat. vr. enk. chèra(i) (weduwe). Taalgebruik in het
NT: chèra
(weduwe). Taalgebruik in Mc: chèra
(weduwe).
Mc (2): (1) Mc
12,42. (2) Mc
12,43. Een vorm van chèra (weduwe) in Mc in 3 verzen.
14. voornaamw. nom. vr. enk. autè (zij, deze) van het voornaamw. autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (10): (1) Mc
8,12. (2) Mc
10,12. (3) Mc
12,11. (4) Mc
12,16. (5) Mc
12,31. (6) Mc
12,43. (7) Mc
12,44. (8) Mc
13,30. (9) Mc
14,4. (10) Mc
14,9.
Mc 12,43.15.
bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (76). Mc 12 (5): (1) Mc
12,7. (2) Mc
12,14. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,22. (5) Mc
12,43.
16. nom. vr. enk. ptôchè (arme). Taalgebruik in het NT: ptôchos
(arme). Taalgebruik in Mc: ptôchos
(arme).
Mc (2): (1) Mc
12,42. (2) Mc
12,43.
Mc 12,43.18.
gen. mv. pantôn (allen / alles) van het bijvoegl naamw. pas (ieder, elk,
alles). Taalgebruik in het NT: pas
(ieder, elk, alles). Taalgebruik in Mc: pas
(ieder, elk, alles). Hebr. kol. Lat. omnis. Fr. tout. Ned. elkOT ieder.
Mc (10): (1) Mc
2,12. (2) Mc
4,31. (3) Mc
4,32. (4) Mc
9,35. (5) Mc
10,44. (6) Mc
12,22. (7) Mc
12,28. (8) Mc
12,33. (9) Mc
12,43. (10) Mc
13,13. Een vorm van pas (ieder, al) in Mc in 66 verzen.
Mc 12,43.19.
act. ind. aor. 3de prs. enk. ebalen (zij wierp) van het werkw. ballô (werpen,
gooien). Taalgebruik in het NT: ballô
(werpen, gooien). Taalgebruik in Mc: ballô
(werpen, gooien).
Mc (5). (1) Mc
7,33. (2) Mc
9,22. (3) Mc
12,42. (4) Mc
12,43. (5) Mc
12,44. Een vorm van ballô (werpen, gooien) in Mc in '18' verzen.
Mc 12,43.20.
bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in het
NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (90). Mc 12 (9): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,13. (3) Mc
12,26. (4) Mc
12,28. (5) Mc
12,33. (6) Mc
12,36. (7) Mc
12,38. (8) Mc
12,40. (9) Mc
12,43.
Mc 12,43.21. act. part. praes. gen. mv. ballontôn (werpenden) van het werkw. ballô (werpen, gooien). Taalgebruik in het NT: ballô (werpen, gooien). Taalgebruik in Mc: ballô (werpen, gooien). Mc (1): Mc 12,43. Een vorm van ballô (werpen, gooien) in Mc in '18' verzen.
Mc 12,43.23.
bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc 12 (3): (1) Mc
12,33. (2) Mc
12,41. (3) Mc
12,43.
Mc 12,43.24. acc. onz. enk. gazofulakion van het zelfst. naamw. gazofulakion (schatkist). Taalgebruik in het NT: gazofulakeion (schatkist). Taalgebruik in Mc: gazofulakeion (schatkist). Mc (2): (1) Mc 12,41. (2) Mc 12,43. Telkens in de bepaling: eis to gazofulakion = in de schatkist. Een vorm van gazofulakion (schatkist) in Mc in 2 verzen.
Duality
- proskalesamenos tous mathètas (samengeroepen de leerlingen) in Mc
(2): (1) Mc
8,1. (2) Mc
12,43.
- proskalesamenos (bij zich geroepen)... eipen autois (zei hij hen). Mc (2): (1) Mc
8,34. (2) Mc
12,43.
| Mc 12,44 - Mc 12,44: 298. De penningen van de weduwe - Mc 12,41-44 - Lc 21,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 12 -- Mc 12,41 - Mc 12,42 - Mc 12,43 - Mc 12,44 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible. [44] For all they did cast in of their abundance; but she
of her want did cast in all that she had, even all her living.
Luther-Bibel. 44 Denn sie haben alle etwas von ihrem Überfluss eingelegt; diese
aber hat von ihrer Armut ihre ganze Habe eingelegt, alles, was sie zum Leben
hatte.
Tekstuitleg van Mc 12,44. Het vers Mc 12,44 telt 21 (3 X 7) woordenOT X lettergrepen en 100 (2 X 2 X 5 X 5) letters. De getalswaarde van Mc 12,44 is 11889 (3 X 3 X 1321).
Mc 12,44.1.
nom. mann. mv. pantes (allen) van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, al). Taalgebruik
in het NT: pas
(ieder, elk, alles). Taalgebruik in Mc: pas
(ieder, elk, alles).Hebr. kol. Lat. omnis. Fr. tout. Ned. elkOT ieder.
Mc (15): (1) Mc
1,5. (2) Mc
1,37. (3) Mc
5,20. (4) Mc
6,42. (5) Mc
6,50. (6) Mc
7,3. (7) Mc
7,14. (8) Mc
12,44. (9) Mc
14,23. (10) Mc
14,27. (11) Mc
14,29. (12) Mc
14,31. (13) Mc
14,50. (14) Mc
14,53. (15) Mc
14,64. Een vorm van pas (ieder, al) in Mc in 66 verzen.
Mc 12,44.2.
gar (want). Taalgebruik in het NT: gar
(want). Taalgebruik in Mc: gar
(want). Redengevend voegwoord. Hebr. kî. Lat. enim. Fr. car.
Ned.: want.
Mc (63). Mc 12 (5): (1) Mc
12,12. (2) Mc
12,14. (3) Mc
12,23. (4) Mc
12,25. (5) Mc
12,44.
1. - 2. pantes gar (want allen). Mc (2): (1) Mc 6,50. (2) Mc 12,44.
Mc 12,44.3.
ek - ex (uit). Taalgebruik in het NT: ek
(uit). Taalgebruik in Mc: ek
(uit). Ned. uit. D. aus. E. out. Fr. de.
Mc (38 + 20). Mc 12 (3 + 2): (1) Mc
12,25. (2) Mc
12,36. (3) Mc
12,44. Mc (12): (1) Mc
12,30. (2) Mc
12,33.
Mc 12,44.4.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (116). Mc 12 (10): (1) Mc
12,2. (2) Mc
12,8. (3) Mc
12,9. (4) Mc
12,14. (5) Mc
12,17. (6) Mc
12,24. (7) Mc
12,26. (8) Mc
12,34. (9) Mc
12,41. (10) Mc
12,44.
Mc 12,44.5. περισσεύοντος (= perisseuontos: van het overbodige; wkw act part praes gen onz enk van het wkw περισσεύω = perisseuô: in overvloed aanwezig zijn, overbodig zijn). Taalgebruik in het NT: perisseuô (overtollig zijnOT overvloed hebben). Taalgebruik in Mc: perisseuô (overtollig zijnOT overvloed hebben). Mc (1) Mc 12,44. Dit is de enigste vorm van Mc.
Mc 12,44.6.
pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen). pers. voornaamw.
autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (117). Mc 12 (8): (1) Mc
12,1. (2) Mc
12,15. (3) Mc
12,16. (4) Mc
12,17. (5) Mc
12,24. (6) Mc
12,28. (7) Mc
12,43. (8) Mc
12,44.
Mc 12,44.7. act. ind. aor. 3de pers. mv. ebalon (zij wierpen) van het werkw. ballô (werpen, gooien). Taalgebruik in het NT: ballô (werpen, gooien). Taalgebruik in Mc: ballô (werpen, gooien). Mc (1): Mc 12,44. Een vorm van ballô (werpen, gooien) in Mc in '18' verzen.
Mc 12,44.8.
voornaamw. nom. vr. enk. autè (zij, deze) van het voornaamw. autos.
Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (10): (1) Mc
8,12. (2) Mc
10,12. (3) Mc
12,11. (4) Mc
12,16. (5) Mc
12,31. (6) Mc
12,43. (7) Mc
12,44. (8) Mc
13,30. (9) Mc
14,4. (10) Mc
14,9.
Mc 12,44.9.
de (echter). Taalgebruik in het NT: de
(echter). Taalgebruik in Mc: de
(echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden.
Mc (149 + 2). Mc 12 (7): (1) Mc
12,5. (2) Mc
12,7. (3) Mc
12,15. (4) Mc
12,16. (5) Mc
12,17. (6) Mc
12,26. (7) Mc
12,44.
Mc 12,44.10.
ek - ex (uit). Taalgebruik in het NT: ek
(uit). Taalgebruik in Mc: ek
(uit). Ned. uit. D. aus. E. out. Fr. de.
Mc (38 + 20). Mc 12 (3 + 2): (1) Mc
12,25. (2) Mc
12,36. (3) Mc
12,44. Mc (12): (1) Mc
12,30. (2) Mc
12,33.
Mc 12,44.11.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (65). Mc 12 (4): (1) Mc
12,30. (2) Mc
12,33. (3) Mc
12,34. (4) Mc
12,44.
Mc 12,44.12. gen. vr. enk. husterèseôs (van het tekort, gebrek) van het zelfst. naamw. husterèsis (tekort, gebrek). Taalgebruik in het NT: husterèsis (tekort, gebrek). Taalgebruik in Mc: husterèsis (tekort, gebrek). Mc (1): Mc 12,44.
Mc 12,44.13.
voornaamw. gen. vr. enk. autès. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (14): (1) Mc
1,30. (2) Mc
5,26. (3) Mc
5,29. (4) Mc
6,24. (5) Mc
6,28. (6) Mc
7,25. (7) Mc
7,26. (8) Mc
7,30. (9) Mc
10,12. (10) Mc
12,44. (11) Mc
13,24. (12) Mc
13,28. (13) Mc
14,9. (14) Mc
16,11.
Mc 12,44.14. acc. m. enk.OT nom. m. + onz. mv. panta (elk) van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, al). Taalgebruik in het NT: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in Mc: pas (ieder, elk, alles).Hebr. kol. Lat. omnis. Fr. tout. Ned. elkOT ieder. Mc (21). Mc 12 (1): Mc 12,44. Een vorm van pas (ieder, al) in Mc in 66 verzen.
Mc 12,44.15. nom. + acc. onz. mv. hosa van het bijvoegl. naamw. hosos (zo groot als). Taalgebruik in het NT: hosos (zo groot als). Taalgebruik in Mc: hosos (zo groot als). Mc (9): (1) Mc 3,8. (2) Mc 3,28. (3) Mc 5,19. (4) Mc 5,20 . (5) Mc 6,30. (6) Mc 9,13. (7) Mc 10,21. (8) Mc 11,24. (9) Mc 12,44. Een vorm van hosos (zo groot als) in Mc in 13 verzen.
14. - 15. panta hosa (al wat). Mc (3): (1) Mc 6,30. (2) Mc 11,24. (3) Mc 12,44.
Mc 12,44.16.
act. ind. imperf. 3de pers. eichen van het werkw. echô (hebben, bezitten). Taalgebruik: echô
(hebben, bezitten) in het NT. Taalgebruik: echô
(hebben, bezitten) in Mc. Lat. habere. Ned. hebben. Fr. avoir.
Mc (6): (1) Mc
4,5. (2) Mc
5,3. (3) Mc
7,25. (4) Mc
12,6. (5) Mc
12,44. (6) Mc
16,8.
14. - 16. In drie pericopen in Mc is er sprake van arme(n). In Mc
10,21 stelt Jezus aan de rijke voor om al wat hij bezit te verkopenOT het
aan de armen te geven en hem te volgen (hosa echeis = zoveel als je hebt).
In Mc
12,44 wierp de arme weduwe al wat ze had (panta hosa eichen) in de offerblok. De weduwe vormt een scherp contrast met de rijke, die geen afstand kon doen
van zijn bezittingen. De arme weduwe geeft wat ze bezit. Dit staat eveneens
in schril contrast met de schriftgeleerden die maar niet genoeg krijgen (Mc
12,40).
De apocalyptische rede van Mc 13 wordt omarmd door een verhaal over een vrouw. In Mc
12,41-44 staat het verhaal over de arme weduwe die haar laatste cent in
de offerblok werptOT in Mc
14,3-9 over een vrouw die Jezus zalft met dure balsem. 'Dat had aan de
armen kunnen besteed worden'OT is de kritiek van sommige omstaanders (ho eschen
= zij deed wat zij had).
Mc 12,44.17.
act. ind. aor. 3de prs. enk. ebalen (zij wierp) van het werkw. ballô (werpen,
gooien). Taalgebruik in het NT: ballô
(werpen, gooien). Taalgebruik in Mc: ballô
(werpen, gooien).
Mc (5). (1) Mc
7,33. (2) Mc
9,22. (3) Mc
12,42. (4) Mc
12,43. (5) Mc
12,44. Een vorm van ballô (werpen, gooien) in Mc in '18' verzen.
Mc 12,44.18. nom. + acc. onz. + acc. mann. enk. holon (heel) van het bijvoegl. naamw. holos (heel). Taalgebruik in het NT: holos (heel). Taalgebruik in Mc: holos (heel). Mc (5): (1) Mc 8,36. (2) Mc 12,44. (3) Mc 14,9. (4) Mc 14,54. (5) Mc 15,1. Een vorm van holos (heel) in Mc in 13 verzen.
Mc 12,44.19.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to..OT tè... N.: de. E.: the. D. derOT dieOT das
enz. Fr. leOT la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lumOT il-lam).
Mc (124). Mc 12 (7): (1) Mc
12,6. (2) Mc
12,9. (3) Mc
12,12. (4) Mc
12,30. (5) Mc
12,31. (6) Mc
12,33. (7) Mc
12,44.
Mc 12,44.20. acc. mann. enk. bion (leven) van het zelfst. naamw. bios (leven). Taalgebruik in het NT: bios (leven). Taalgebruik in Mc: bios (leven). F. vie. E. life. N. leven. Mc (1): Mc 12,44.
Mc 12,44.21.
voornaamw. gen. vr. enk. autès. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (14): (1) Mc
1,30. (2) Mc
5,26. (3) Mc
5,29. (4) Mc
6,24. (5) Mc
6,28. (6) Mc
7,25. (7) Mc
7,26. (8) Mc
7,30. (9) Mc
10,12. (10) Mc
12,44. (11) Mc
13,24. (12) Mc
13,28. (13) Mc
14,9. (14) Mc
16,11.
Eénmaligheid
- act. part. praes. gen. mann. + onz. enk. perisseuontos (van het overtollige)
van het werkw. perisseuô (overtollig zijnOT overvloed hebben). Mc (1) Mc 12,44. Dit is de enigste vorm van Mc.
- act. ind. aor. 3de pers. mv. ebalon (zij wierpen) van het werkw. ballô
(werpen, gooien). Mc (1): Mc
12,44.
- gen. vr. enk. husterèseôs (van het tekort, gebrek) van het zelfst.
naamw. husterèsis (tekort, gebrek). Mc (1): Mc
12,44.
- acc. mann. enk. bion (leven) van het zelfst. naamw. bios (leven). Mc (1): Mc 12,44.
Griekse tekst
1Καὶ ἤρξατο αὐτοῖς ἐν παραβολαῖς λαλεῖν, Ἀμπελῶνα ἄνθρωπος ἐφύτευσεν, καὶ περιέθηκεν φραγμὸν καὶ ὤρυξεν ὑπολήνιον καὶ ᾠκοδόμησεν πύργον, καὶ ἐξέδετο αὐτὸν γεωργοῖς, καὶ ἀπεδήμησεν. 2καὶ ἀπέστειλεν πρὸς τοὺς γεωργοὺς τῷ καιρῷ δοῦλον, ἵνα παρὰ τῶν γεωργῶν λάβῃ ἀπὸ τῶν καρπῶν τοῦ ἀμπελῶνος: 3καὶ λαβόντες αὐτὸν ἔδειραν καὶ ἀπέστειλαν κενόν. 4καὶ πάλιν ἀπέστειλεν πρὸς αὐτοὺς ἄλλον δοῦλον: κἀκεῖνον ἐκεφαλίωσαν καὶ ἠτίμασαν. 5καὶ ἄλλον ἀπέστειλεν, κἀκεῖνον ἀπέκτειναν, καὶ πολλοὺς ἄλλους, οὓς μὲν δέροντες οὓς δὲ ἀποκτέννοντες. 6ἔτι ἕνα εἶχεν, υἱὸν ἀγαπητόν: ἀπέστειλεν αὐτὸν ἔσχατον πρὸς αὐτοὺς λέγων ὅτι Ἐντραπήσονται τὸν υἱόν μου. 7ἐκεῖνοι δὲ οἱ γεωργοὶ πρὸς ἑαυτοὺς εἶπαν ὅτι Οὗτός ἐστιν ὁ κληρονόμος: δεῦτε ἀποκτείνωμεν αὐτόν, καὶ ἡμῶν ἔσται ἡ κληρονομία. 8καὶ λαβόντες ἀπέκτειναν αὐτόν, καὶ ἐξέβαλον αὐτὸν ἔξω τοῦ ἀμπελῶνος. 9τί [οὖν] ποιήσει ὁ κύριος τοῦ ἀμπελῶνος; ἐλεύσεται καὶ ἀπολέσει τοὺς γεωργούς, καὶ δώσει τὸν ἀμπελῶνα ἄλλοις. 10οὐδὲ τὴν γραφὴν ταύτην ἀνέγνωτε, Λίθον ὃν ἀπεδοκίμασαν οἱ οἰκοδομοῦντες, οὗτος ἐγενήθη εἰς κεφαλὴν γωνίας: 11παρὰ κυρίου ἐγένετο αὕτη, καὶ ἔστιν θαυμαστὴ ἐν ὀφθαλμοῖς ἡμῶν; 12 Καὶ ἐζήτουν αὐτὸν κρατῆσαι, καὶ ἐφοβήθησαν τὸν ὄχλον, ἔγνωσαν γὰρ ὅτι πρὸς αὐτοὺς τὴν παραβολὴν εἶπεν. καὶ ἀφέντες αὐτὸν ἀπῆλθον. 13Καὶ ἀποστέλλουσιν πρὸς αὐτόν τινας τῶν Φαρισαίων καὶ τῶν Ἡρῳδιανῶν ἵνα αὐτὸν ἀγρεύσωσιν λόγῳ. 14καὶ ἐλθόντες λέγουσιν αὐτῷ, Διδάσκαλε, οἴδαμεν ὅτι ἀληθὴς εἶ καὶ οὐ μέλει σοι περὶ οὐδενός, οὐ γὰρ βλέπεις εἰς πρόσωπον ἀνθρώπων, ἀλλ' ἐπ' ἀληθείας τὴν ὁδὸν τοῦ θεοῦ διδάσκεις: ἔξεστιν δοῦναι κῆνσον Καίσαρι ἢ οὔ; δῶμεν ἢ μὴ δῶμεν; 15ὁ δὲ εἰδὼς αὐτῶν τὴν ὑπόκρισιν εἶπεν αὐτοῖς, Τί με πειράζετε; φέρετέ μοι δηνάριον ἵνα ἴδω. 16οἱ δὲ ἤνεγκαν. καὶ λέγει αὐτοῖς, Τίνος ἡ εἰκὼν αὕτη καὶ ἡ ἐπιγραφή; οἱ δὲ εἶπαν αὐτῷ, Καίσαρος. 17ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, Τὰ Καίσαρος ἀπόδοτε Καίσαρι καὶ τὰ τοῦ θεοῦ τῷ θεῷ. καὶ ἐξεθαύμαζον ἐπ' αὐτῷ. 18Καὶ ἔρχονται Σαδδουκαῖοι πρὸς αὐτόν, οἵτινες λέγουσιν ἀνάστασιν μὴ εἶναι, καὶ ἐπηρώτων αὐτὸν λέγοντες, 19Διδάσκαλε, Μωϋσῆς ἔγραψεν ἡμῖν ὅτι ἐάν τινος ἀδελφὸς ἀποθάνῃ καὶ καταλίπῃ γυναῖκα καὶ μὴ ἀφῇ τέκνον, ἵνα λάβῃ ὁ ἀδελφὸς αὐτοῦ τὴν γυναῖκα καὶ ἐξαναστήσῃ σπέρμα τῷ ἀδελφῷ αὐτοῦ. 20ἑπτὰ ἀδελφοὶ ἦσαν: καὶ ὁ πρῶτος ἔλαβεν γυναῖκα, καὶ ἀποθνῄσκων οὐκ ἀφῆκεν σπέρμα: 21καὶ ὁ δεύτερος ἔλαβεν αὐτήν, καὶ ἀπέθανεν μὴ καταλιπὼν σπέρμα: καὶ ὁ τρίτος ὡσαύτως: 22καὶ οἱ ἑπτὰ οὐκ ἀφῆκαν σπέρμα. ἔσχατον πάντων καὶ ἡ γυνὴ ἀπέθανεν. 23ἐν τῇ ἀναστάσει [,ὅταν ἀναστῶσιν,] τίνος αὐτῶν ἔσται γυνή; οἱ γὰρ ἑπτὰ ἔσχον αὐτὴν γυναῖκα. 24ἔφη αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς, Οὐ διὰ τοῦτο πλανᾶσθε μὴ εἰδότες τὰς γραφὰς μηδὲ τὴν δύναμιν τοῦ θεοῦ; 25ὅταν γὰρ ἐκ νεκρῶν ἀναστῶσιν, οὔτε γαμοῦσιν οὔτε γαμίζονται, ἀλλ' εἰσὶν ὡς ἄγγελοι ἐν τοῖς οὐρανοῖς. 26περὶ δὲ τῶν νεκρῶν ὅτι ἐγείρονται οὐκ ἀνέγνωτε ἐν τῇ βίβλῳ Μωϋσέως ἐπὶ τοῦ βάτου πῶς εἶπεν αὐτῷ ὁ θεὸς λέγων, Ἐγὼ ὁ θεὸς Ἀβραὰμ καὶ [ὁ] θεὸς Ἰσαὰκ καὶ [ὁ] θεὸς Ἰακώβ; 27οὐκ ἔστιν θεὸς νεκρῶν ἀλλὰ ζώντων: πολὺ πλανᾶσθε. 28Καὶ προσελθὼν εἷς τῶν γραμματέων ἀκούσας αὐτῶν συζητούντων, ἰδὼν ὅτι καλῶς ἀπεκρίθη αὐτοῖς, ἐπηρώτησεν αὐτόν, Ποία ἐστὶν ἐντολὴ πρώτη πάντων; 29ἀπεκρίθη ὁ Ἰησοῦς ὅτι Πρώτη ἐστίν, Ἄκουε, Ἰσραήλ, κύριος ὁ θεὸς ἡμῶν κύριος εἷς ἐστιν, 30καὶ ἀγαπήσεις κύριον τὸν θεόν σου ἐξ ὅλης τῆς καρδίας σου καὶ ἐξ ὅλης τῆς ψυχῆς σου καὶ ἐξ ὅλης τῆς διανοίας σου καὶ ἐξ ὅλης τῆς ἰσχύος σου. 31δευτέρα αὕτη, Ἀγαπήσεις τὸν πλησίον σου ὡς σεαυτόν. μείζων τούτων ἄλλη ἐντολὴ οὐκ ἔστιν. 32καὶ εἶπεν αὐτῷ ὁ γραμματεύς, Καλῶς, διδάσκαλε, ἐπ' ἀληθείας εἶπες ὅτι εἷς ἐστιν καὶ οὐκ ἔστιν ἄλλος πλὴν αὐτοῦ: 33καὶ τὸ ἀγαπᾶν αὐτὸν ἐξ ὅλης τῆς καρδίας καὶ ἐξ ὅλης τῆς συνέσεως καὶ ἐξ ὅλης τῆς ἰσχύος καὶ τὸ ἀγαπᾶν τὸν πλησίον ὡς ἑαυτὸν περισσότερόν ἐστιν πάντων τῶν ὁλοκαυτωμάτων καὶ θυσιῶν. 34καὶ ὁ Ἰησοῦς ἰδὼν [αὐτὸν] ὅτι νουνεχῶς ἀπεκρίθη εἶπεν αὐτῷ, Οὐ μακρὰν εἶ ἀπὸ τῆς βασιλείας τοῦ θεοῦ. καὶ οὐδεὶς οὐκέτι ἐτόλμα αὐτὸν ἐπερωτῆσαι. 35Καὶ ἀποκριθεὶς ὁ Ἰησοῦς ἔλεγεν διδάσκων ἐν τῷ ἱερῷ, Πῶς λέγουσιν οἱ γραμματεῖς ὅτι ὁ Χριστὸς υἱὸς Δαυίδ ἐστιν; 36αὐτὸς Δαυὶδ εἶπεν ἐν τῷ πνεύματι τῷ ἁγίῳ, Εἶπεν κύριος τῷ κυρίῳ μου, Κάθου ἐκ δεξιῶν μου ἕως ἂν θῶ τοὺς ἐχθρούς σου ὑποκάτω τῶν ποδῶν σου. 37αὐτὸς Δαυὶδ λέγει αὐτὸν κύριον, καὶ πόθεν αὐτοῦ ἐστιν υἱός; καὶ [ὁ] πολὺς ὄχλος ἤκουεν αὐτοῦ ἡδέως. 38Καὶ ἐν τῇ διδαχῇ αὐτοῦ ἔλεγεν, Βλέπετε ἀπὸ τῶν γραμματέων τῶν θελόντων ἐν στολαῖς περιπατεῖν καὶ ἀσπασμοὺς ἐν ταῖς ἀγοραῖς 39καὶ πρωτοκαθεδρίας ἐν ταῖς συναγωγαῖς καὶ πρωτοκλισίας ἐν τοῖς δείπνοις: 40οἱ κατεσθίοντες τὰς οἰκίας τῶν χηρῶν καὶ προφάσει μακρὰ προσευχόμενοι, οὗτοι λήμψονται περισσότερον κρίμα. 41Καὶ καθίσας κατέναντι τοῦ γαζοφυλακίου ἐθεώρει πῶς ὁ ὄχλος βάλλει χαλκὸν εἰς τὸ γαζοφυλάκιον: καὶ πολλοὶ πλούσιοι ἔβαλλον πολλά: 42καὶ ἐλθοῦσα μία χήρα πτωχὴ ἔβαλεν λεπτὰ δύο, ὅ ἐστιν κοδράντης. 43καὶ προσκαλεσάμενος τοὺς μαθητὰς αὐτοῦ εἶπεν αὐτοῖς, Ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι ἡ χήρα αὕτη ἡ πτωχὴ πλεῖον πάντων ἔβαλεν τῶν βαλλόντων εἰς τὸ γαζοφυλάκιον: 44πάντες γὰρ ἐκ τοῦ περισσεύοντος αὐτοῖς ἔβαλον, αὕτη δὲ ἐκ τῆς ὑστερήσεως αὐτῆς πάντα ὅσα εἶχεν ἔβαλεν, ὅλον τὸν βίον αὐτῆς.
kai èrxato autois en parabolais lalein, ampelôna anthrôpos efuteusen, kai periethèken fragmon kai ôruxen upolènion kai ôkodomèsen purgon, kai exedeto auton geôrgois, kai apedèmèsen. 2kai apesteilen pros tous geôrgous tô kairô doulon, ina para tôn geôrgôn labè apo tôn karpôn tou ampelônos: 3kai labontes auton edeiran kai apesteilan kenon. 4kai palin apesteilen pros autous allon doulon: kakeinon ekefaliôsan kai ètimasan. 5kai allon apesteilen, kakeinon apekteinan, kai pollous allous, ous men derontes ous de apoktennontes. 6eti ena eichen, uion agapèton: apesteilen auton eschaton pros autous legôn oti entrapèsontai ton uion mou. 7ekeinoi de oi geôrgoi pros eautous eipan oti outos estin o klèronomos: deute apokteinômen auton, kai èmôn estai è klèronomia. 8kai labontes apekteinan auton, kai exebalon auton exô tou ampelônos. 9ti [oun] poièsei o kurios tou ampelônos; eleusetai kai apolesei tous geôrgous, kai dôsei ton ampelôna allois. 10oude tèn grafèn tautèn anegnôte, lithon on apedokimasan oi oikodomountes, outos egenèthè eis kefalèn gônias: 11para kuriou egeneto autè, kai estin thaumastè en ofthalmois èmôn; 12kai ezètoun auton kratèsai, kai efobèthèsan ton ochlon, egnôsan gar oti pros autous tèn parabolèn eipen. kai afentes auton apèlthon. 13kai apostellousin pros auton tinas tôn farisaiôn kai tôn èrôdianôn ina auton agreusôsin logô. 14kai elthontes legousin autô, didaskale, oidamen oti alèthès ei kai ou melei soi peri oudenos, ou gar blepeis eis prosôpon anthrôpôn, all ep alètheias tèn odon tou theou didaskeis: exestin dounai kènson kaisari è ou; dômen è mè dômen; 15o de eidôs autôn tèn upokrisin eipen autois, ti me peirazete; ferete moi dènarion ina idô. 16oi de ènegkan. kai legei autois, tinos è eikôn autè kai è epigrafè; oi de eipan autô, kaisaros. 17o de ièsous eipen autois, ta kaisaros apodote kaisari kai ta tou theou tô theô. kai exethaumazon ep autô. 18kai erchontai saddoukaioi pros auton, oitines legousin anastasin mè einai, kai epèrôtôn auton legontes, 19didaskale, môusès egrapsen èmin oti ean tinos adelfos apothanè kai katalipè gunaika kai mè afè teknon, ina labè o adelfos autou tèn gunaika kai exanastèsè sperma tô adelfô autou. 20epta adelfoi èsan: kai o prôtos elaben gunaika, kai apothnèskôn ouk afèken sperma: 21kai o deuteros elaben autèn, kai apethanen mè katalipôn sperma: kai o tritos ôsautôs: 22kai oi epta ouk afèkan sperma. eschaton pantôn kai è gunè apethanen. 23en tè anastasei [,otan anastôsin,] tinos autôn estai gunè; oi gar epta eschon autèn gunaika. 24efè autois o ièsous, ou dia touto planasthe mè eidotes tas grafas mède tèn dunamin tou theou; 25otan gar ek nekrôn anastôsin, oute gamousin oute gamizontai, all eisin ôs aggeloi en tois ouranois. 26peri de tôn nekrôn oti egeirontai ouk anegnôte en tè biblô môuseôs epi tou batou pôs eipen autô o theos legôn, egô o theos abraam kai [o] theos isaak kai [o] theos iakôb; 27ouk estin theos nekrôn alla zôntôn: polu planasthe. 28kai proselthôn eis tôn grammateôn akousas autôn suzètountôn, idôn oti kalôs apekrithè autois, epèrôtèsen auton, poia estin entolè prôtè pantôn; 29apekrithè o ièsous oti prôtè estin, akoue, israèl, kurios o theos èmôn kurios eis estin, 30kai agapèseis kurion ton theon sou ex olès tès kardias sou kai ex olès tès psuchès sou kai ex olès tès dianoias sou kai ex olès tès ischuos sou. 31deutera autè, agapèseis ton plèsion sou ôs seauton. meizôn toutôn allè entolè ouk estin. 32kai eipen autô o grammateus, kalôs, didaskale, ep alètheias eipes oti eis estin kai ouk estin allos plèn autou: 33kai to agapan auton ex olès tès kardias kai ex olès tès suneseôs kai ex olès tès ischuos kai to agapan ton plèsion ôs eauton perissoteron estin pantôn tôn olokautômatôn kai thusiôn. 34kai o ièsous idôn [auton] oti nounechôs apekrithè eipen autô, ou makran ei apo tès basileias tou theou. kai oudeis ouketi etolma auton eperôtèsai. 35kai apokritheis o ièsous elegen didaskôn en tô ierô, pôs legousin oi grammateis oti o christos uios dauid estin; 36autos dauid eipen en tô pneumati tô agiô, eipen kurios tô kuriô mou, kathou ek dexiôn mou eôs an thô tous echthrous sou upokatô tôn podôn sou. 37autos dauid legei auton kurion, kai pothen autou estin uios; kai [o] polus ochlos èkouen autou èdeôs. 38kai en tè didachè autou elegen, blepete apo tôn grammateôn tôn thelontôn en stolais peripatein kai aspasmous en tais agorais 39kai prôtokathedrias en tais sunagôgais kai prôtoklisias en tois deipnois: 40oi katesthiontes tas oikias tôn chèrôn kai profasei makra proseuchomenoi, outoi lèmpsontai perissoteron krima. 41kai kathisas katenanti tou gazofulakiou etheôrei pôs o ochlos ballei chalkon eis to gazofulakion: kai polloi plousioi eballon polla: 42kai elthousa mia chèra ptôchè ebalen lepta duo, o estin kodrantès. 43kai proskalesamenos tous mathètas autou eipen autois, amèn legô umin oti è chèra autè è ptôchè pleion pantôn ebalen tôn ballontôn eis to gazofulakion: 44pantes gar ek tou perisseuontos autois ebalon, autè de ek tès usterèseôs autès panta osa eichen ebalen, olon ton bion autès.
VULGAAT
1 et coepit illis in parabolis loqui vineam pastinavit homo et circumdedit sepem et fodit lacum et aedificavit turrem et locavit eam agricolis et peregre profectus est 2 et misit ad agricolas in tempore servum ut ab agricolis acciperet de fructu vineae 3 qui adprehensum eum ceciderunt et dimiserunt vacuum 4 et iterum misit ad illos alium servum et illum capite vulneraverunt et contumeliis adfecerunt 5 et rursum alium misit et illum occiderunt et plures alios quosdam caedentes alios vero occidentes 6 adhuc ergo unum habens filium carissimum et illum misit ad eos novissimum dicens quia reverebuntur filium meum 7 coloni autem dixerunt ad invicem hic est heres venite occidamus eum et nostra erit hereditas 8 et adprehendentes eum occiderunt et eiecerunt extra vineam 9 quid ergo faciet dominus vineae veniet et perdet colonos et dabit vineam aliis 10 nec scripturam hanc legistis lapidem quem reprobaverunt aedificantes hic factus est in caput anguli 11 a Domino factum est istud et est mirabile in oculis nostris 12 et quaerebant eum tenere et timuerunt turbam cognoverunt enim quoniam ad eos parabolam hanc dixerit et relicto eo abierunt 13 et mittunt ad eum quosdam ex Pharisaeis et Herodianis ut eum caperent in verbo 14 qui venientes dicunt ei magister scimus quoniam verax es et non curas quemquam nec enim vides in faciem hominis sed in veritate viam Dei doces licet dari tributum Caesari an non dabimus 15 qui sciens versutiam eorum ait illis quid me temptatis adferte mihi denarium ut videam 16 at illi adtulerunt et ait illis cuius est imago haec et inscriptio dicunt illi Caesaris 17 respondens autem Iesus dixit illis reddite igitur quae sunt Caesaris Caesari et quae sunt Dei Deo et mirabantur super eo 18 et venerunt ad eum Sadducaei qui dicunt resurrectionem non esse et interrogabant eum dicentes 19 magister Moses nobis scripsit ut si cuius frater mortuus fuerit et dimiserit uxorem et filios non reliquerit accipiat frater eius uxorem ipsius et resuscitet semen fratri suo 20 septem ergo fratres erant et primus accepit uxorem et mortuus est non relicto semine 21 et secundus accepit eam et mortuus est et nec iste reliquit semen et tertius similiter 22 et acceperunt eam similiter septem et non reliquerunt semen novissima omnium defuncta est et mulier 23 in resurrectione ergo cum resurrexerint cuius de his erit uxor septem enim habuerunt eam uxorem 24 et respondens Iesus ait illis non ideo erratis non scientes scripturas neque virtutem Dei 25 cum enim a mortuis resurrexerint neque nubent neque nubentur sed sunt sicut angeli in caelis 26 de mortuis autem quod resurgant non legistis in libro Mosi super rubum quomodo dixerit illi Deus inquiens ego sum Deus Abraham et Deus Isaac et Deus Iacob 27 non est Deus mortuorum sed vivorum vos ergo multum erratis 28 et accessit unus de scribis qui audierat illos conquirentes et videns quoniam bene illis responderit interrogavit eum quod esset primum omnium mandatum 29 Iesus autem respondit ei quia primum omnium mandatum est audi Israhel Dominus Deus noster Deus unus est 30 et diliges Dominum Deum tuum ex toto corde tuo et ex tota anima tua et ex tota mente tua et ex tota virtute tua hoc est primum mandatum 31 secundum autem simile illi diliges proximum tuum tamquam te ipsum maius horum aliud mandatum non est 32 et ait illi scriba bene magister in veritate dixisti quia unus est et non est alius praeter eum 33 et ut diligatur ex toto corde et ex toto intellectu et ex tota anima et ex tota fortitudine et diligere proximum tamquam se ipsum maius est omnibus holocaustomatibus et sacrificiis 34 Iesus autem videns quod sapienter respondisset dixit illi non es longe a regno Dei et nemo iam audebat eum interrogare 35 et respondens Iesus dicebat docens in templo quomodo dicunt scribae Christum Filium esse David 36 ipse enim David dicit in Spiritu Sancto dixit Dominus Domino meo sede a dextris meis donec ponam inimicos tuos scabillum pedum tuorum 37 ipse ergo David dicit eum Dominum et unde est filius eius et multa turba eum libenter audivit 38 et dicebat eis in doctrina sua cavete a scribis qui volunt in stolis ambulare et salutari in foro 39 et in primis cathedris sedere in synagogis et primos discubitus in cenis 40 qui devorant domos viduarum sub obtentu prolixae orationis hii accipient prolixius iudicium 41 et sedens Iesus contra gazofilacium aspiciebat quomodo turba iactaret aes in gazofilacium et multi divites iactabant multa 42 cum venisset autem una vidua pauper misit duo minuta quod est quadrans 43 et convocans discipulos suos ait illis amen dico vobis quoniam vidua haec pauper plus omnibus misit qui miserunt in gazofilacium 44 omnes enim ex eo quod abundabat illis miserunt haec vero de penuria sua omnia quae habuit misit totum victum suum
- een vorm van legô (zeggen) en eipon (ik zei) in Mc 12.
act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô
(zeggen). Taalgebruik in Mc: legô
(zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; lesOT
Fr. leçon.
Mc (56). Mc 12 (8): (1) Mc
12,12. (2) Mc
12,15. (3) Mc
12,17. (4) Mc
12,26. (5) Mc
12,32. (6) Mc
12,34. (7) Mc
12,36. (8) Mc
12,43. Een vorm van legô in Mc 12 in 9 verzen OT van eipon (ik zei)
in 10 verzen.
- + autô(i) = hij zei hem. Mc (3): (1) Mc
12,26. (2) Mc
12,32. (3) Mc
12,34.
- + autois = hij zei hen. Mc (3): (1) Mc
12,15. (2) Mc
12,17. (3) Mc
12,43.