MARCUSEVANGELIE DERTIENDE HOOFDSTUK - MC 13 -
- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -

Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

Overzicht van het Marcusevangelie :   Mc 1 , Mc 2 , Mc 3 , Mc 4 , Mc 5 , Mc 6 , Mc 7 , Mc 8 , Mc 9 , Mc 10 , Mc 11 , Mc 12 , Mc 13 , Mc 14 , Mc 15 , Mc 16
Tekstuitleg per pericope - Mc 13,1-4 - Mc 13,5-8 - Mc 13,9-13 - Mc 13,14-20 - Mc 13,21-23 - Mc 13,24-27 - Mc 13,28-29 - Mc 13,30-32 - Mc 13,33-37
Bijbeluitleg vers per vers - Mc 13,1 - Mc 13,2 - Mc 13,3 - Mc 13,4 - Mc 13,5 - Mc 13,6 - Mc 13,7 - Mc 13,8 - Mc 13,9 - Mc 13,10 - Mc 13,11 - Mc 13,12 - Mc 13,13 - Mc 13,14 - Mc 13,15 - Mc 13,16 - Mc 13,17 - Mc 13,18 - Mc 13,19 - Mc 13,20 - Mc 13,21 - Mc 13,22 - Mc 13,23 - Mc 13,24 - Mc 13,25 - Mc 13,26 - Mc 13,27 - Mc 13,28 - Mc 13,29 - Mc 13,30 - Mc 13,31 - Mc 13,32 - Mc 13,33 - Mc 13,34 - Mc 13,35 - Mc 13,36 - Mc 13,37

In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het dertiende hoofdstuk van het Marcusevangelie :
299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 -
300. Het begin van het einde : Mc 13,5-8 - Mt 24,4-8 - Lc 21,8-11 -
301. Gedrag bij vervolgingen : Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 -
302. De gruwel van de verwoesting van Judea : Mc 13,14-20 - Mt 24,15-22 - Lc 21,20-24 -
303. Pseudochristussen en pseudoprofeten : Mc 13,21-23 - Mt 24,23-25 -
305. De komst van de Mensenzoon : Mc 13,24-27 - Mt 24,29-31 - Lc 21,25-28 -
306. Gelijkenis van de vijgeboom : Mc 13,28-29 - Mt 24,32-33 - Lc 21,29-31 -
307. De tijd van het einde : Mc 13,30-32 - Mt 24,34-36 - Lc 21,32-33 -
308. Slot van de eschatologische rede (Mc) : Waakzaamheid bij afwezigheid van de Heer :Mc 13,33-37 -

299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 - Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,1 - Mc 13,2 - Mc 13,3 - Mc 13,4 -

Mc 13,1 Mc 13,3
kai (en) kai (en)
ekporeuomenou (zich op weg begevende weg) kathèmenou (gezeten)
autou (hij) autou (hij)
  eis to oros tôn elaiôn (op de berg van de Olijven)
ek tou hierou (uit de tempel) katenanti tou hierou (tegenover de tempel)
299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 -  

 

Mc 13,1 - Mc 13,1 : 299. Inleiding tot de eschatologische rede - Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,1 - Mc 13,2 - Mc 13,3 - Mc 13,4 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:1 kai ekporeuomenou autou ek tou hierou legei autôi eis tôn mathètôn autou didaskale ide potapoi lithoi kai potapai oikodomai   1 et cum egrederetur de templo ait illi unus ex discipulis suis magister aspice quales lapides et quales structurae    1 Toen Jesus de tempel vcrliet, zei een van zijn leerlingen tot Hem: Meester, kijk eens, wat een stenen en wat een gebouwen!  [1] Toen Hij wegging uit de tempel, zei een van zijn leerlingen tegen Hem: ‘Meester, kijk toch eens wat een stenen en wat een gebouwen.’ [1] Toen hij de tempel verliet, zei een van zijn leerlingen tegen hem: ‘Meester, kijk eens, wat een enorme stenen en wat een imposante gebouwen!’  1 ¶ Als hij uit het heiligdom vertrekt zegt één van zijn leerlingen tot hem: leermeester, zie toch wat een steenblokken en wat een gebouwen!    

King James Bible . [1] And as he went out of the temple, one of his disciples saith unto him, Master, see what manner of stones and what buildings are here!
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,1 .

Mc 13,1.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

Mc 13,1.2. part. praes. gen. mann. enk. ekporeuomenou van het werkw. ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in het N;T. : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in Mc : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . + por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen .
Mc (3) : (1) Mc 10,17 . (2) Mc 10,46 . (3) Mc 13,1 . Een vorm van ekporeuomai (zich op weg begeven uit) in Mc in 11 verzen . Een vorm van ekporeuomai (zich op weg begeven uit) vergezeld van ek (4) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,20 . (3) Mc 7,21 . (4) Mc 13,1 , van exô (1) : Mc 11,19 , van -then (2) : (1) Mc 6,11 . (2) Mc 7,21 .

Mc 13,1.3. pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (143) . Mc 13 (6) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,16 . (5) Mc 13,27 . (6) Mc 13,34 . In 2 verzen als onderdeel van een losse genitief : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . In de 4 andere verzen als genitief bij een zelfstandig naamwoord .

Mc 13,1.2. - 3. ekporeuomenou autou = terwijl hij (Jezus) zich naar buiten op weg begeeft . Losse genitief in Mc (3) : (1) Mc 10,17 . (2) Mc 10,46 . (3) Mc 13,1 . In Mc 10,17 vertrekt Jezus uit een huis in de streek van Juda , in Mc 10,46 uit de stad Jericho en in Mc 13,1 uit de tempel van Jeruzalem .

Mc 13,1.4. ek - ex (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc (38 + 20 = 58) . ek (uit) Mc 13 (4) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,15 . (3) Mc 13,25 . (4) Mc 13,27 . (tempel - huis - hemel - 4 windstreken) .

Mc 13,1.5. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 13 (6) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,19 . (5) Mc 13,25 . (6) Mc 13,26 .

Mc 13,1.6. gen. onz. enk. hierou (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in het NT : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Mc : hieron (heiligdom, tempel) . Mc (9) . Mc 11 (5) . Mc 12 (1) . Mc 13 (2) . Mc 14 (1) . Een vorm van hieron is steeds voorafgegaan door een voorzetsel (9 / 9) .
1. dia tou hierou (door de tempel) . Mc (1) : Mc 11,16 .
2. eis to hieron (naar de tempel) . Mc (2) : (1) Mc 11,11 . (2) Mc 11,15 .
3. ek tou hierou (uit de tempel) . Mc (1) : Mc 13,1 .
4. en tô(i) hierô(i) (in de tempel) . Mc (4) : (1) Mc 11,15 . (2) Mc 11,27 . (3) Mc 12,35 . (4) Mc 14,49 .
5. katenanti tou hierou (tegenover de tempel) . Mc (1) : Mc 13,3 .
Een vorm van hieron (tempel) in Mc 11 (5) : (1) eis to hieron (naar de tempel) : Mc 11,11 . (2) eis to hieron (naar de tempel) : Mc 11,15 . (3) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc 11,15 . (4) dia tou hierou (door de tempel) : Mc 11,16 . (5) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc 11,27 .

7. act. ind. pr. 3de pers. enk.  legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (62) . Mc 13 (1) : Mc 13,1 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc 13 in 5 verzen , van eipon (ik zeg) in 3 verzen .

8. pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (109) . Mc 13 (2) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,2 . In beide verzen bij een vorm van het werkw. legô (zeggen) .

Mc 13,1.7. - 8. legei autô(i) (hij / zij zei hem) . Mc (12) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 5,19 . (5) Mc 7,28 . (6) Mc 7,34 . (7) Mc 8,29 . (8) Mc 10,51 . (9) Mc 11,21 . (10) Mc 13,1 . (11) Mc 14,30 . (12) Mc 14,61 .

Mc 13,1.9. onbepaald voornaamw. heis (iemand) OF eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 13 (8) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,12 . (6) Mc 13,13 . (7) Mc 13,14 . (8) Mc 13,16 .

10. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 13 (3) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,27 .

9. - 10. heis (tou / tôn) = iemand (van) .
- Mc 5,22 : heis tôn archisunagôgôn (iemand van de synagogeoversten) .
- heis tôn profètôn (iemand van de profeten) (2) : (1) Mc 6,15 . (2) Mc 8,28 .
- Mc 9,17 : heis ek tou ochlou (iemand uit het volk) .



11. gen. mann. mv. mathètôn (leerlingen) . Zelfstandig naamwoord mathètès (leerling) . Taalgebruik in het NT : mathètès (leerling) . Mc (8) : (1) Mc 3,7 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen) . (2) Mc 7,2 . (3) Mc 8,10 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen) . (4) Mc 10,46 . (5) Mc 11,1 (duo tôn mathètôn autou = twee van zijn leerlingen) . (6) Mc 13,1 (heis tôn mathètôn autou = één van zijn leerlingen) . (7) Mc 14,13 (duo tôn mathètôn autou = twee van zijn leerlingen) . (8) Mc 14,14 (meta tôn mathètôn mou = met mijn leerlingen) .

 

Mc 13,1.17. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

- poreuomai = zich op weg begeven (bij Marcus), zie Mc 10,1 . Ekporeuomenou autou (bij het naar buiten treden van Jezus). Participium praesens genitief enkelvoud, losse genitief : (1) Mc 10,17 (2) Mc 10,46 (3) Mc 13,1 . Het vormt een link met Mc 11,27 : kai erchontai palin eis Hierosoluma kai en tôi hierôi peripatountos autou (en zij gaan opnieuw naar Jeruzalem. En tijdens het rondwandelen van Jezus in de tempel).

Mc 13,2 - Mc 13,2 : 299. Inleiding tot de eschatologische rede - Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,1 - Mc 13,2 - Mc 13,3 - Mc 13,4 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:2 kai o ièsous eipen autô blepeis tautas tas megalas oikodomas ou mè afethè ôde lithos epi lithon os ou mè kataluthè  2 et respondens Iesus ait illi vides has omnes magnas aedificationes non relinquetur lapis super lapidem qui non destruatur    2 Maar Hij zei: Ziet ge die grote gebouwen? Geen steen zal op de andere gelaten worden, alles zal worden verwoest.  [2] Jezus zei hem: ‘Zie je die grote gebouwen? Er zal hier geen steen op de andere blijven: alles wordt neergehaald.’  [2] Jezus zei tegen hem: ‘Die grote gebouwen die je nu ziet – wees er maar zeker van dat geen enkele steen op de andere zal blijven; alles zal worden afgebroken.’  2 En Jezus zegt tot hem: je kijkt op tegen deze grote gebouwen? er zal geen steen op een steen gelaten worden die niet zal worden weggesloopt!   

King James Bible . [2] And Jesus answering said unto him, Seest thou these great buildings? there shall not be left one stone upon another, that shall not be thrown down.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,2 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

2. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 13 (16) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,11 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,16 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,33 . (15) Mc 13,35 . (16) Mc 13,37 .

3. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) . Mc 13 (2) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 .

1. - 3. kai ho ièsous (en Jezus) . Vooraan de zin . Mc (4) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 11,33 . (3) Mc 12,34 . (4) Mc 13,2 .

11. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) . Mc (42 + 66 + 6 = 114) . Mc 13 (7 + 3 + 0 = 10) . (1) Mc 13,2 (ou) . (2) Mc 13,11 (ou) . (3) Mc 13,14 (ou) . (4) Mc 13,19 (ou) . (5) Mc 13,20 (ouk) . (6) Mc 13,24 (ou) . (7) Mc 13,30 (ou) . (8) Mc 13,31 (ou) . (9) Mc 13,33 (ouk) . (10) Mc 13,35 (ouk) .

12. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc (67) . Mc 13 (14) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,11 . (5) Mc 13,15 . (6) Mc 13,16 . (7) Mc 13,18 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,20 . (10) Mc 13,21 . (11) Mc 13,30 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,36 .

16. epi , ep' , ef' (op) . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Ned. op .
Mc (51 + 14 + 6 = 71) . Mc 13 (7 + 1 = 8) : epi (op) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,6 . (3) Mc 13,8 . (4) Mc 13,9 . (5) Mc 13,12 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,29 . ep' (1) Mc 13,8 .

19. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) . Mc (42 + 66 + 6 = 114) . Mc 13 (7 + 3 + 0 = 10) . (1) Mc 13,2 (ou) . (2) Mc 13,11 (ou) . (3) Mc 13,14 (ou) . (4) Mc 13,19 (ou) . (5) Mc 13,20 (ouk) . (6) Mc 13,24 (ou) . (7) Mc 13,30 (ou) . (8) Mc 13,31 (ou) . (9) Mc 13,33 (ouk) . (10) Mc 13,35 (ouk) .

Mc 13,3 - Mc 13,3 : 299. Inleiding tot de eschatologische rede - Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,1 - Mc 13,2 - Mc 13,3 - Mc 13,4 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:3 kai kathèmenou autou eis to oros tôn elaiôn katenanti tou ierou epèrôta auton kat idian petros kai iakôbos kai iôannès kai andreas   3 et cum sederet in montem Olivarum contra templum interrogabant eum separatim Petrus et Iacobus et Iohannes et Andreas    3 En nadat Hij Zich had neergezet op de Olijfberg tegenover de tempel, stelden Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas, terwiji er verder niemand bij was, Hem de vraag:  [3] Toen Hij op de Olijfberg tegenover de tempel zat, en ze met Jakobus, Johannes en Andreas onder elkaar waren, vroeg Petrus* Hem:  
[3] Toen hij op de Olijfberg was gaan zitten, tegenover de tempel, en Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas alleen met hem waren, stelde Petrus hem de vraag:  
3 Toen hij zat op de helling van de Olijfberg, tegenover het heiligdom, heeft, nu zij op zichzelf waren, Petrus met Jakobus, Johannes en Andreas hem de vraag gesteld:    

King James Bible . [3] And as he sat upon the mount of Olives over against the temple, Peter and James and John and Andrew asked him privately,
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,3 .

Mc 13,3.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

Mc 13,3.2. part. praes. gen. mann. enk. kathèmenou (zittend) van het werkw. kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) . Taalgebruik in het NT : kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) . Taalgebruik in Mc : kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) . Mc (1) Mc 13,3 .

3. pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (143) . Mc 13 (6) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,16 . (5) Mc 13,27 . (6) Mc 13,34 . In 2 verzen als onderdeel van een losse genitief : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . In de 4 andere verzen als genitief bij een zelfstandig naamwoord .

Mc 13,3.4. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 13 (8) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,12 . (6) Mc 13,13 . (7) Mc 13,14 . (8) Mc 13,16 .

Mc 13,3.5. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 13 (12) : (1) Mc 13,3 . (2) Mc 13,4 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,11 . (6) Mc 13,13 . (7) Mc 13,14 . (8) Mc 13,16 . (9) Mc 13,22 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,34 .

7. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 13 (3) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,27 .

10. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 13 (6) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,19 . (5) Mc 13,25 . (6) Mc 13,26 .

Mc 13,3.11. gen. onz. enk. hierou (heiligdom, tempel) Taalgebruik in het NT : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Mc : hieron (heiligdom, tempel) . Een vorm van hieron is steeds voorafgegaan door een voorzetsel .
1. dia tou hierou (door de tempel) . Mc (1) : Mc 11,16 .
2. eis to hieron (naar de tempel) . Mc (2) : (1) Mc 11,11 . (2) Mc 11,15 .
3. ek tou hierou (uit de tempel) . Mc (1) : Mc 13,1 .
4. en tô(i) hierô(i) (in de tempel) . Mc (4) : (1) Mc 11,15 . (2) Mc 11,27 . (3) Mc 12,35 . (4) Mc 14,49 .
5. katenanti tou hierou (tegenover de tempel) . Mc (1) : Mc 13,3 .
Een vorm van hieron (tempel) in Mc 11 (5) : (1) eis to hieron (naar de tempel) : Mc 11,11 . (2) eis to hieron (naar de tempel) : Mc 11,15 . (3) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc 11,15 . (4) dia tou hierou (door de tempel) : Mc 11,16 . (5) en tô(i) hierô(i) (in de tempel) : Mc 11,27 .

Mc 13,3.12. act. ind. imperf. 3de pers. enk. epèrôta (hij ondervroeg) van het werkw. eperôtaô = 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen . (inter-roger : ondervragen , tussen-vragen) , bijvragen . Taalgebruik in het NT : eperotaô (epi - erôtaô) . Taalgebruik in Mc : eperotaô (epi - erôtaô) .
Mc (9) : (1) Mc 5,9 .  (2) Mc 8,23 . (3) Mc 8,27 . (4) Mc 8,29 .   (5) Mc 9,33 . (6) Mc 10,17.   (7) Mc 13,3 . (8) Mc 14,61 . (9) Mc 15,4 . Een vorm van eperôtaô in Mc (25) .

Mc 13,3.14. kat' : afkorting van kata . kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in het NT : kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in Mc : kata (tegen, volgens) .
Mc (11) . Mc 13 (1) : Mc 13,3 .

Mc 13,3.15. acc. vr. enk. idian (eigen) van het bijvoegl. naamw. idios (eigen) . Taalgebruik in het NT : idios (eigen) . Taalgebruik in Mc : idios (eigen) .
Mc (7) : (1) Mc 4,34 . (2) Mc 6,31 . (3) Mc 6,32 . (4) Mc 7,33 . (5) Mc 9,2 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 13,3 .

Mc 13,3.14. - 15. kat'idian (?? oikian) : bij zijn eigen - bij zijn huis = thuis .
In zeven verzen bij Mc : (1) Mc 4,34 . (2) Mc 6,31 . (3) Mc 6,32 . (4) Mc 7,33 . (5) Mc 9,2 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 13,3 .

Mc 13,3.17. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

Mc 13,3.18. nom. mann. enk. iakôbos (Jakobus) . Taalgebruik in het NT : iakôbos (Jakobus) . Taalgebruik in Mc : iakôbos (Jakobus) .
Mc (2) : (1) Mc 10,35 . (2) Mc 13,3 .

Mc 13,3.19. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

Mc 13,3.20. nom. mann. enk. Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in het NT : Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès (Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean . E. John .
Mc (3) : (1) Mc 9,38 . (2) Mc 10,35 . (3) Mc 13,3 .

Mc 13,3.21. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

Mc 13,3.22. nom. mann. enk. andreas (Andreas) . Taalgebruik in het NT : andreas (Andreas) . Taalgebruik in Mc : andreas (Andreas) .
Mc (1) : Mc 13,3 . Een vorm van andreas (Andreas) in 4 verzen in Mc . In het kwartet van Mc 13,3 komt hij op de 4de plaats . Zo komt hij ook op de vierde plaats in het verhaal van de roeping van de twaalf (Mc 3,18) . Dit is telkens het geval wanneer zijn broer Simon de naam Petrus draagt . Hij heeft dus zijn plaats moeten afstaan aan Jakobus en Johannes .
In Mc 1,16 en Mc 1,29 wordt hij op de tweede plaats na zijn broer Simon vermeld.

Mc 13,4 - Mc 13,4 : 299. Inleiding tot de eschatologische rede - Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,1 - Mc 13,2 - Mc 13,3 - Mc 13,4 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:4 eipon èmin pote tauta estai kai ti to sèmeion otan mellè tauta sunteleisthai panta   4 dic nobis quando ista fient et quod signum erit quando haec omnia incipient consummari    4 Zeg ons, wanneer dat zal gebeuren en wat zal het teken zijn, dat dit alles gaat voltrokken worden?   [4] ‘Zeg ons wanneer* dat zal gebeuren, en wat het teken is dat dat alles in vervulling gaat.’    [4] ‘Vertel ons, wanneer zal dat allemaal gebeuren en aan welk teken kunnen we herkennen dat het zover is?’  4 zeg ons, wanneer zal dat zijn, en wat is het teken wanneer dat alles zich gaat voltrekken?    

King James Bible . [4] Tell us, when shall these things be? and what shall be the sign when all these things shall be fulfilled?
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,4 .

2. pers. voornaamw. dat. mv. hèmin (ons) van het pers. voornaamw. hèmeis . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (9) : (1) Mc 1,24 . (2) Mc 9,22 . (3) Mc 9,38 . (4) Mc 10,35 . (5) Mc 10,37 . (6) Mc 12,19 . (7) Mc 13,4 . (8) Mc 14,15 . (9) Mc 16,3 .

3. pote (wanneer, soms)  . Taalgebruik in het NT : pote (wanneer, soms) . Taalgebruik in Mc : pote (wanneer, soms) .
Mc (99 + 3 = 102) .In vier verzen bij Marcus : (1) Mc 9,19 . (2) Mc 13,4 . (3) Mc 13,33 . (4) Mc 13,35 .
- Mc 9,19 .
- Mc 13,4 : eipon hèmin pote tauta estai (zeg ons wanneer dat zal zijn) .
- Mc 13,33 : ouk oidate gar pote ho kairos estin (want je weet niet wanneer het moment is) .
- Mc 13,35 : ouk oidate gar pote ho kurios tès oikias erchetai (want je weet niet wanneer de heer van het huis komt) .

5. nom. + acc. onz. mv. tauta (die dingen) van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) .
Mc (14) : (1) Mc 2,8 . (2) Mc 6,2 . (3) Mc 7,23 . (4) Mc 8,7 . (5) Mc 10,20 . (6) Mc 11,28 . (7) Mc 11,29 . (8) Mc 11,33 . (9) Mc 13,4 . (10) Mc 13,8 . (11) Mc 13,29 . (12) Mc 13,30 . (13) Mc 16,12 . (14) Mc 16,17 .

8. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 13 (12) : (1) Mc 13,3 . (2) Mc 13,4 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,11 . (6) Mc 13,13 . (7) Mc 13,14 . (8) Mc 13,16 . (9) Mc 13,22 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,34 .

pote (wanneer ?). Vragend voegwoord van tijd. In 4 verzen bij Marcus, zie Mc 1,32 . Zie verder : (1) Mc 9,19 (2) Mc 13,4 (3) Mc 13,33 (4) Mc 13,35

10. hotan (telkens wanneer, wanneer, zodra) . Taalgebruik in het NT : hotan (telkens wanneer , wanneer, zodra) . Taalgebruik in Mc : hotan (telkens wanneer , wanneer, zodra) .
Mc (21) : (1) Mc 2,20 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 4,15 . (4) Mc 4,16 . (5) Mc 4,29 . (6) Mc 4,31 . (7) Mc 4,32 . (8) Mc 8,38 . (9) Mc 9,9 . (10) Mc 11,19 . . (11) Mc 11,25 . . (12) Mc 12,23 . (13) Mc 12,25 . (14) Mc 13,4 . (15) Mc 13,7 . (16) Mc 13,11 . (17) Mc 13,14 . (18) Mc 13,28 . (19) Mc 13,29 . (20) Mc 14,7 . (21) Mc 14,25 .

14. acc. m. enk. , nom. m. + onz. mv. panta (alle) van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk , al) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder .
Mc (21) : (1) Mc 3,28 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,34 .  (4) Mc 5,26 . (5) Mc 6,30 . (6) Mc 7,19 . (7) Mc 7,23 . (8) Mc 7,37 . (9) Mc 9,12 . (10) Mc 9,23 . (11) Mc 10,20 . (12) Mc 10,27 . (13) Mc 10,29 . (14) Mc 11,11 . (15) Mc 11,24 . (16) Mc 12,44 . (17) Mc 13,4 . (18) Mc 13,10 . (19) Mc 13,23 . (20) Mc 13,30 . (21) Mc 14,36 .  Mc 13 (4) . (1) Mc 13,4 . (2) Mc 13,10 . (3) Mc 13,23 . (4) Mc 13,30 . Een vorm van pas (ieder, elk , al) in Mc in 66 verzen .

300. Het begin van het einde : Mc 13,5-8 - Mc 13,5-8 - Mt 24,4-8 - Lc 21,8-11 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,5 - Mc 13,6 - Mc 13,7 - Mc 13,8 -

Met Mc 13,5a begint een lange rede die de eschatologische rede (rede over de eschata : de laatste dingen) wordt genoemd . Deze rede omhelst Mc 13,5b-37 . Het is de laatste rede vooraleer de verhalen over paasmaal , lijden , dood en verrijzenis van Jezus aanvangen (Mc 14-16) . Hier eindigt in feite het evangelie . In Mc 1,15 - bij het begin van het Marcusevangelie - zegt Jezus : De gunstige tijd is vervuld . Nabij is het koninkrijk van God . In Mc 13,33 eindigt Marcus zijn eschatologische rede met de woorden : Je weet niet wanneer de gunstige tijd is . Je weet niet wanneer de huisheer komt . Er rest slechts : waken , uitzien, verwachten .

Mc 13,5 - Mc 13,5 : 300. Het begin van het einde - Mc 13,5-8 - Mt 24,4-8 - Lc 21,8-11 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,5 - Mc 13,6 - Mc 13,7 - Mc 13,8 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:5 Ho de Ièsous èrxato legein autois blepete mè tis humas planèsè 5 et respondens Iesus coepit dicere illis videte ne quis vos seducat          5 ¶ Maar Jezus vangt aan met tot hen te zeggen: kijkt uit dat niemand u tot dwaling brengt!   

King James Bible . [5] And Jesus answering them began to say, Take heed lest any man deceive you:
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,5 . Variabele lezing . Het tweede gedeelte van Mc 13,5 leidt de eschatologische rede in . Het bestaat uit een hoofdzin en een ondergeschikte zin . De ondergeschikte zin is een aansporende doelzin : opdat niet... Dit inleidend vers kunnen we vergelijken met vers 21 . Ook daar is er een hoofdzin en een ondergeschikte zin . De hoofdzin echter staat achteraan , de ondergeschikte zin vooraan . De hoofdzin : Mc 13,5 : blepete (kijk uit) , Mc 13,21 : mè pisteuete (gelooft het niet) . De ondergeschikte zin : Mc 13,5 : mè tis humas planèsèi (opdat niet iemand jullie misleide) , Mc 13,21 : kai hote ean tis humin eipèi (en wanneer iemand jullie dan zou zeggen) .
Wat de vertalingen betreft. De gebiedende wijze wordt - zoals in het Grieks - in de meervoudsvorm (V, LZ, NB) gegeven, in de enkelvoudsvorm (SDV, WV, NV) . Het persoonlijk voornaamwoord is gij (LZ) , ge (NB) of je (WV) , jullie (NV) . Vermits de gebiedende wijze aan het begin van de zin staat , wordt het werkwoord nog eens beklemtoond ; de vertalingen versterken het werkwoord door een bijwoord of een voorzetsel bij het werkwoord : goed kijken (NB) .

Mc 13,5.1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 13 (16) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,11 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,16 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,33 . (15) Mc 13,35 . (16) Mc 13,37 .

Mc 13,5.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2 = 151) . Mc 13 (13) : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,7 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,17 . (8) Mc 13,18 . (9) Mc 13,23 . (10) Mc 13,28 . (11) Mc 13,31 . (12) Mc 13,32 . (13) Mc 13,37 .

Mc 13,5.3. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) .
Mc (57) . Mc 13 (2) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc in 81 verzen . Slechts in 2 verzen in Mc 13 .

Mc 13,5.1. - 3. ho de ièsous (Jezus echter) . Mc 13 (1 / 2) : Mc 13,5 .

Mc 13,5.4. ind. aor. 3de pers. enk. èrxato (hij begon) van het werkw. archomai (beginnen) . Taalgebruik in het NT : archomai (beginnen, aanvangen, heersen) . Taalgebruik in Mc : archomai (beginnen, aanvangen, heersen) .
Mc (18) : (1) Mc 1,45 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 5,20 . (4) Mc 6,2 . (5) Mc 6,7 . (6) Mc 6,34 . (7) Mc 8,31 . (8) Mc 8,32 . (9) Mc 10,28 . (10) Mc 10,32 . (11) Mc 10,47 . (12) Mc 11,15 . (13) Mc 12,1 . (14) Mc 13,5 . (15) Mc 14,33 . (16) Mc 14,69 . (17) Mc 14,71 . 18) Mc 15,8 .

Mc 13,5.5. act. inf. praes. legein (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Mc (8) : (1) Mc 9,26 .  (2) Mc 10,28 . (3) Mc 10,32 . (4) Mc 10,47 . (5) Mc 13,5 .  (6) Mc 14,19 . (7) Mc 14,65 . (8) Mc 14,69 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc in 5 verzen , van eipon (ik zei) in 3 verzen . Mc 13,5b-37 vormt een lange rede . In de rede komt een vorm van legô (zeggen) in Mc in 3 verzen , van eipon (ik zei) in 1 vers . Een vorm van archomai (beginnen) in Mc in 27 verzen .

Mc 13,5.4. - 5. èrxato legein (hij begon te zeggen) . Mc (5) : (1) Mc 10,28 . (2) Mc 10,32 . (3) Mc 10,47 . (4) Mc 13,5 . (5) Mc 14,69 .

Mc 13,5.7. act. ind. praes. + imperat. praes. 2de pers. mv. βλεπετε = blepete (jullie kijken, kijkt) van het werkw. βλεπω = blepô (kijken, zien) . Taalgebruik in het NT : blepô (kijken, zien) . Taalgebruik in de LXX : blepô (kijken, zien) . Taalgebruik in Mc : blepô (kijken, zien) . Mc (8) : (1) Mc 4,24 . (2) Mc 8,15 . (3) Mc 8,18 . (4) Mc 12,38 . (5) Mc 13,5 . (6) Mc 13,9 . (7) Mc 13,23 . (8) Mc 13,33 . Een vorm van βλεπω = blepô (kijken, zien) in de LXX (133) , in het NT (132) , Mt (20) , Mc (14) , Lc (15) , Joh (17) . Hnd (14) . De 1ste imperartief in de rede Mc 13,5b-37 . De herhaling van de imperatief βλεπετε = blepete (kijkt uit) structureert de rede : Mc 13,5b-8 . Mc 13,9-13 . Mc 13,21-23 . Mc 13,33-37 .
- βλεπετε = blepete (kijkt uit) in Mc 13,5b leidt een sectie in die handelt over bedriegers . Deze sectie eindigt bij Mc 13,6 .
- βλεπετε = blepete (kijkt uit) in Mc 13,23a sluit een gelijkaardige sectie af . Het thema van die sectie is eveneens de bedriegers (Mc 13,21-22a) . De plaats van dit βλεπετε = blepete (kijkt uit) wordt verklaard door de inclusio (omsluitings)functie .
- βλεπετε = blepete (kijkt uit) in Mc 13,9 staat aan het begin van de vervolgingssectie . Het schema van het einde (eerst vervolging enz... en dan verheerlijking) kan ingegeven zijn door wat Jezus is overkomen : lijden , dood , verrijzenis .

Mc 13,5.8. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc (67) . Mc 13 (14) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,11 . (5) Mc 13,15 . (6) Mc 13,16 . (7) Mc 13,18 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,20 . (10) Mc 13,21 . (11) Mc 13,30 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,36 .

Mc 13,5.9. onbepaald woornaamw. tis (iemand) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord tis . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord tis .
Mc (24) . Mc 13 (2) : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,21 .

Mc 13,5.10. persoonl. voornaamw. acc. mv. humas (jullie) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (13) : (1) Mc 1,8 (2X) . (2) Mc 1,17 .(3) Mc 6,11 . (4) Mc 9,19 . (5) Mc 9,41 . (6): Mc 11,29 . (7) Mc 13,5 . (8) Mc 13,9 . (9) Mc 13,11 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 14,28 . (12) Mc 14,49 . (13) Mc 16,7 .

Mc 13,5.11. act. conj. aor. 3de pers. enk. planèsè(i) (hij zou in de war raken / misleiden) van het werkw. planaô (dwalen, in de war raken) . Taalgebruik in het NT : planaô (dwalen, in de war raken) . Taalgebruik in Mc : planaô (dwalen, in de war raken) .
Mc (1) Mc 13,5 . Een vorm van planaô (dwalen, in de war raken) in Mc in 4 verzen : (1) Mc 12,24 . (2) Mc 12,27 . (3) Mc 13,5 . (4) Mc 13,6 .

De komst van Jezus wekt hoge verwachtingen . Het moment is er . Het koninkrijk van God komt . Wanneer Jezus optrekt naar Jeruzalem , nemen de verwachtingen nog toe . Want daar zal het gebeuren . Daar zal Gods koninkrijk gevestigd worden . In voorgaande pericopen staken de tegenstanders hun verbale tegenstand . Het is de stilte voor de storm . De tegenstanders zullen tot geweld overgaan . De spanning stijgt . De leerlingen vragen wanneer het dan wel allemaal gaat gebeuren en welk teken dat gebeuren zal inzetten . De verwachtingen zullen niet ingelost worden . Jezus wordt gevangen genomen , gekruisigd . Zijn leerlingen zijn overtuigd dat Jezus verder leeft bij God , dat Hij verrezen is . Zij geloven dat Jezus weldra zal terugkomen en het koninkrijk van God zal vestigen . Maar het blijft maar uit. 'Je weet niet wanneer het koninkrijk van God komt" zegt Marcus op het einde van zijn eschatologische rede .

Mc 13,6 - Mc 13,6 : 300. Het begin van het einde - Mc 13,5-8 - Mt 24,4-8 - Lc 21,8-11 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,5 - Mc 13,6 - Mc 13,7 - Mc 13,8 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:6 polloi eleusontai epi tô onomati mou legontes oti egô eimi kai pollous planèsousin   6 multi enim venient in nomine meo dic entes quia ego sum et multos seducent          6 velen zullen komen onder mijn naam en zeggen ‘ik ben het!; en velen tot dwaling brengen;   

King James Bible . [6] For many shall come in my name, saying, I am Christ; and shall deceive many.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,6 . Variabele lezing . Mc 13,6 handelt over de misleiders en sluit dus aan op Mc 13,5 . Het vers bestaat uit 2 nevenschikkende zinnen . Bij de eerste hoofdzin staat een deelwoord (legontes : zeggende) bij het onderwerp (polloi : velen) en dat deelwoord heeft nog een voorwerpszin (hoti egô eimi : dat ik het ben) . Het tweevoudig gebruik van het woordje polloi (velen) valt op : velen zullen misleiden en velen zullen misleid worden . Wat de misleiders zeggen wordt in Mc 13,21 gezegd : ide hôde ho christos , ide ekei (zie daar de christus , zie hier) . Mc 13,22 bestaat uit 2 nevengeschikte zinnen . De tweede nevenschikkende zin bevat een infinitiefzin van doel en op zijn beurt een voorwaardelijke zin . Mc 13,22 handelt over het optreden van de misleiders . De misleiding zal erin bestaan dat sommigen zich zullen voordoen als de wedergekomen christus door zich op mij te beroepen , o.a. door de woorden ik ben het OF ik ben de christus .

Mc 13,6.1. nom. mann. mv. polloi (velen) van het bijvoegl. naamw. polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Taalgebruik in Mc : polus (veel) .
Mc (12) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,15 . (3) Mc 5,9 . (4) Mc 6,2 . (5) Mc 6,31 . (6) Mc 6,33 .  (7) Mc 10,31 . (8) Mc 10,48 .  (9) Mc 11,8 .  (10) Mc 12,41 .  (11) Mc 13,6 . (12) Mc 14,56 .

Mc 13,6.2. ind. fut. 3de pers. mv. eleusontai (zij zullen komen) van het werkw. erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) .
Mc (2) : (1) Mc 2,20 . (2) Mc 3,6 . De 1ste futurumvorm van 27 in de rede Mc 13,5b-37. Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Mc 13 in 4 verzen .

Mc 13,6.3. epi , ep' , ef' (op) . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Ned. op .
Mc (51 + 14 + 6 = 71) . Mc 13 (7 + 1 = 8) : epi (op) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,6 . (3) Mc 13,8 . (4) Mc 13,9 . (5) Mc 13,12 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,29 . ep' (1) Mc 13,8 .

Mc 13,6.4. bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 13 (2) : (1) Mc 13,6 . (2) Mc 13,34 .

Mc 13,6.5. dat. onz. enk. onomati van het zelfst. naamw. onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in Mc : onoma (naam) . Stam : N ... M . Fr. nom . Ned. naam . Eng. name .
Mc (8) : (1) Mc 5,22 .  (2) Mc 9,37 . (3) Mc 9,38 . (4) Mc 9,39 . (5) Mc 9,41 . (6) Mc 11,9 .  (7) Mc 13,6 . (8) Mc 16,17 .  

Mc 13,6.6. gen. enk. mou (van mij) van het persoonl. voornaamw. egô (ik) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (34) . Mc 13 (3) : (1) Mc 13,6 . (2) Mc 13,13 . (3) Mc 13,31 .

Mc 13,6.3. - 6. epi tô(i) onomati mou (op mijn naam) . Mc (3) : (1) Mc 9,37 . (2) Mc 9,39 . (3) Mc 13,6 .

Mc 13,6.7. act. part. praes. nom. mann. mv. legontes (zeggend) van het werkw. legein (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (15) : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 5,12 . (3) Mc 5,35 . (4) Mc 6,2 . (5) Mc 7,37 . (6) Mc 8,28 . (7) Mc 9,11 . (8) (1) Mc 10,26 . (9) Mc 10,35 . (10) Mc 10,49 . (11) Mc 11,31 . (12) Mc 12,18 . (13) Mc 13,6 . (14) Mc 14,57 . (15) Mc 15,29 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc 13 in 5 verzen , van eipon (ik zei) in 3 verzen . Mc 13,5b-37 vormt een lange rede . In de rede komt een vorm van legô (zeggen) in Mc 13 in 3 verzen , van eipon (ik zei) in 1 vers .

Mc 13,6.8. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 13 (4) : (1) Mc 13,6 . (2) Mc 13,28 . (3) Mc 13,29 . (4) Mc 13,30 .

Mc 13,6.7. - 8. legontes hoti (zeggend) (4 / 18) : (1) Mc 5,35 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 13,6 . (4) Mc 14,58 .

Mc 13,6.9. persoonl. voornaamw. 1ste pers. enk. egô (ik) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Brieven : persoonlijk voornaamwoord . Lat. ego . Ned. : ik . Fr. je . Hebr. ´ânî (653) en ´ânokhî (276) , samen (929) .
Mc (14) : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 6,16 . (3) Mc 6,50 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 10,38 . (6) Mc 10,39 . (7) Mc 11,33 . (8) Mc 12,26 . (9) Mc 13,6 . (10) Mc 14,19 . (11) Mc 14,29 . (12) Mc 14,36 . (13) Mc 14,58 . (14) Mc 14,62 .

Mc 13,6.10. act. ind. praes. 1ste pers. enk. eimi (ik ben) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Mc (4) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 6,50 . (3) Mc 13,6 . (4) Mc 14,62 .

Mc 13,6.9. - 10. egô eimi (ik ben) . Mc (3) : (1) Mc 6,50 . (2) Mc 13,6 . (3) Mc 14,62 .

Mc 13,6.11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

Mc 13,6.12. acc. mann. mv. pollous (velen) van het bijvoegl. naamw. polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Taalgebruik in Mc : polus (veel) .
Mc (6) : (1) Mc 1,34 . (2) Mc 3,10 . (3) Mc 6,13 . (4) Mc 9,26 . (5) Mc 12,5 . (6) Mc 13,6 .

Mc 13,6.13. act. ind. fut. 3de pers. mv. planèsousin (zij zullen misleiden) van het werkw. planaô (dwalen, in de war raken) . Taalgebruik in het NT : planaô (dwalen, in de war raken) . Taalgebruik in Mc : planaô (dwalen, in de war raken) .
Mc (1) : Mc 13,6 . Een vorm van planaô (dwalen, in de war raken) in Mc in 4 verzen : (1) Mc 12,24 . (2) Mc 12,27 . (3) Mc 13,5 . (4) Mc 13,6 . De tweede nevenschikkende zin van Mc 13,5 sluit aan bij de tweede nevenschikkende zin van Mc 13,6 .

Mc 13,7 - Mc 13,7 : 300. Het begin van het einde - Mc 13,5-8 - Mt 24,4-8 - Lc 21,8-11 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,5 - Mc 13,6 - Mc 13,7 - Mc 13,8 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:7 otan de akousète polemous kai akoas polemôn mè throeisthe dei genesthai all oupô to telos   7 cum audieritis autem bella et opiniones bellorum ne timueritis oportet enim fieri sed nondum finis          7 maar wanneer ge zult horen van oorlogen en geruchten van oorlogen, schrikt dan niet; ‘het móet geschieden;, maar dat is het einde nog niet;   

King James Bible . [7] And when ye shall hear of wars and rumours of wars, be ye not troubled: for such things must needs be; but the end shall not be yet.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,7 .

Mc 13,7.1. ὁταν = hotan (telkens wanneer, wanneer, zodra) . Taalgebruik in het NT : hotan (telkens wanneer , wanneer, zodra) . Taalgebruik in de LXX : hotan (telkens wanneer , wanneer, zodra) . Mc (21) : (1) Mc 2,20 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 4,15 . (4) Mc 4,16 . (5) Mc 4,29 . (6) Mc 4,31 . (7) Mc 4,32 . (8) Mc 8,38 . (9) Mc 9,9 . (10) Mc 11,19 . . (11) Mc 11,25 . . (12) Mc 12,23 . (13) Mc 12,25 . (14) Mc 13,4 . (15) Mc 13,7 . (16) Mc 13,11 . (17) Mc 13,14 . (18) Mc 13,28 . (19) Mc 13,29 . (20) Mc 14,7 . (21) Mc 14,25 . Synoptici : Mc 13 (5) . Lc 21 (5) : (1) Mc 13,4 // Lc 21,7 . (2) Mc 13,7 :// Lc 21,9 . (3) Mt 24,15 // Mc 13,14 // Lc 21,20 . (4) Mt 24,32 // Mc 13,28 // Lc 21,30 . (5) Mt 24,33 // Mc 13,29 // Lc 21,31 .

hotan  bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  298  179  119  19  21  27  16  25  67  83 

Mc 13,7.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2 = 151) . Mc 13 (13) : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,7 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,17 . (8) Mc 13,18 . (9) Mc 13,23 . (10) Mc 13,28 . (11) Mc 13,31 . (12) Mc 13,32 . (13) Mc 13,37 .

Mc 13,7.1. - 2. ὁταν δε = hotan de (telkens wanneer echter, wanneer echter, zodra echter) . NT (23) : (1) Mt 6,16 . (2) Mt 10,19 . (3) Mt 10,23 . (4) Mt 12,43 . (5) Mt 13,32 . (6) Mt 25,31 . (7) Mc 4,29 . (8) Mc 13,7 :// Lc 21,9 . (9) Mc 13,11 . (10) Mc 13,14 // Lc 21,20 . (11) Lc 12,11 . (12) Mc 13,7 :// Lc 21,9 . (13) Mc 13,14 // Lc 21,20 . (14) Joh 15,26 . (15) Joh 16,13 . (16) Joh 16,21 . (17) Joh 21,18 . (18) 1 Kor 13,10 . (19) 1 Kor 15,27 . (20) 1 Kor 15,28 . (21) 1 Kor 15,54 . (22) 1 Kor 16,3 . (23) Heb 1,6 .
- και ὁταν = kai hotan (en telkens wanneer, en wanneer, en zodra) . NT (16) : (1) Mt 6,5 . (2) Mt 23,15 . (3) Mc 4,15 . (4) Mc 4,32 . (5) Mc 11,25 . (6) Mc 14,7 . (7) Lc 5,35 . (8) Lc 6,22 . (9) Lc 12,55 . (10) Joh 2,10 . (11) Joh 10,4 . (12) Kol 4,16 . (13) Apk 4,9 . (14) Apk 11,7 . (15) Apk 17,10 . (16) Apk 20,7 .

Mc 13,7.1. - 4. ὁταν δε ακουσητε πολεμους = hotan de akousète polemous (zodra echter jullie over oorlogen horen) . NT (2) : Mc 13,7 :// Lc 21,9 .
- ὁταν δε ιδητε = hotan de idète (zodra echter jullie zien) . NT (2) : Mc 13,14 // Lc 21,20 .

Mc 13,7.3. act. conj. aor. 2de pers. mv. akousète (jullie zouden horen) van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het NT : akouô (horen) . Taalgebruik in Mc : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Mc (1) : Mc 13,7 . Een vorm van akouô (horen) in Mc in 41 verzen .

Mc 13,7.4. acc. mann. mv. polemous (oorlogen) van het zelfst. naamw. polemos (oorlog) . Taalgebruik in het NT : polemos (oorlog) . Taalgebruik in Mc : polemos (oorlog) . Mc (1) : Mc 13,7 . Twee vormen in één vers in Mc .

Mc 13,7.5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

Mc 13,7.6. acc. vr. mv. akoas (geruchten) van het zelfst. naamw. akoè (gerucht, gehoor) . Taalgebruik in het NT : akoè (gerucht, gehoor) . Taalgebruik in Mc : akoè (gerucht, gehoor) . Mc (1) : Mc 13,7 . Een vorm van akoè (gerucht, gehoor) in Mc in 3 verzen : (1) Mc 1,28 . (2) Mc 7,35 . (3) Mc 13,7 .

Mc 13,7.7. gen. mann. mv. polemôn van het zelfst. naamw. polemos (oorlog) . Taalgebruik in het NT : polemos (oorlog) . Taalgebruik in Mc : polemos (oorlog) .
Mc (1) : Mc 13,7 . Twee vormen in één vers in Mc .

Mc 13,7.8. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc (67) . Mc 13 (14) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,11 . (5) Mc 13,15 . (6) Mc 13,16 . (7) Mc 13,18 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,20 . (10) Mc 13,21 . (11) Mc 13,30 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,36 .

Mc 13,7.11. inf. aor. genesthai (worden, gebeuren) van het werkw. ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . Mc (3) : (1) Mc 1,17 . (2) Mc 10,43 . (3) Mc 13,7 . Een vorm van ginomai (worden) in Mc in 52 verzen .

Mc 13,7.12. alla , afkorting all' (maar) . Taalgebruik in het NT : alla (maar) . Taalgebruik in Mc : alla (maar) .
Mc (30 + 18 = 48) . Mc 13 (3 + 2 = 5) : (1) Mc 13,7 (all') . (2) Mc 13,11 (all') . (3) Mc 13,11 (alla) . (4) Mc 13,20 (alla) . (5) Mc 13,24 (alla) .

Mc 13,7.14. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 13 (12) : (1) Mc 13,3 . (2) Mc 13,4 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,11 . (6) Mc 13,13 . (7) Mc 13,14 . (8) Mc 13,16 . (9) Mc 13,22 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,34 .

Mc 13,8 - Mc 13,8 : 300. Het begin van het einde - Mc 13,5-8 - Mt 24,4-8 - Lc 21,8-11 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,5 - Mc 13,6 - Mc 13,7 - Mc 13,8 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:8 egerthèsetai gar ethnos ep ethnos kai basileia epi basileian esontai seismoi kata topous esontai limoi archè ôdinôn tauta  8 exsurget autem gens super gentem et regnum super regnum et erunt terraemotus per loca et fames initium dolorum haec          8 want ‘volk zal ontwaken tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk;; er zullen op sommige plaatsen aardbevingen zijn, er zullen hongersnoden zijn; het begin van de weeën is dat;   

King James Bible . [8] For nation shall rise against nation, and kingdom against kingdom: and there shall be earthquakes in divers places, and there shall be famines and troubles: these are the beginnings of sorrows.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,8 .

Mc 13,8.1. pass. ind. fut. 3de pers. mv. εγερθησονται = egerthèsontai (zij zullen opgewekt worden) van het werkw. εγειρω = egeirô (opwekken) . Taalgebruik in het NT : egeirô (wekken) . Taalgebruik in de LXX : egeirô (wekken) . Bijbel (5) : (1) Js 26,19 . (2) Mt 24,11 . (3) Mt 24,24 // Mc 13,22 . (4) Mc 13,22 // Mt 24,24 . (5) 1 Kor 15,52 . Een vorm van εγειρω = egeirô (opwekken) in de LXX (57) , in het NT (143) , in Mc (19) .
- pass. ind. fut. 3de pers. enk. εγερθησεται = egerthèsetai (hij zal opgewekt worden) van het werkw. εγειρω = egeirô (opwekken) . Taalgebruik in het NT : egeirô (wekken) . Taalgebruik in de LXX : egeirô (wekken) . Bijbel (8) : (1) Da 11,25 . (2) Mt 12,42 . (3) Mt 17,23 . (4) Mt 20,19 . (5) Mt 24,7 // Mc 13,8 // Lc 21,10 . (6) Mc 13,8 // Mt 24,7 // Lc 21,10 . (7) Lc 11,31 . (8) Lc 21,10 // Mc 13,8 // Mt 24,7 .
- pass. ind. fut. 3de pers. mv. επεγερθησονται = epegerthèsontai (zij zullen opgewekt worden) . Bijbel (2) : (1) Js 19,2 . (2) Mi 5,4 . In de LXX van Js 19,2 lezen we : en Egyptenaren zullen 'opgewekr' worden tegen Egyptenaren en een mens zal zijn broeder bevechten en een mens zijn naaste , een stad tegen een stad en een wet tegen een wet . In de MT : ... Egyptenaren tegen Egyptenaren ... stad tegen stad , koninkrijk tegen koninkrijk . In de LXX van 2 Kr 15,6 lezen we : en een volk zal oorlog voeren tegen een volk en een stad tegen een stad . Gemeenschappelijk in de 2 teksten zijn het werkwoord en stad tegen stad .

  egeirô (wekken) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16
ind. pr. 3de p. mv. egeirousin       (1) Mc 4,38                
imp. 2de p. enk. egeire 5   (1) Mc 2,9 . (2) Mc 2,11 .   (3) Mc 3,3 .     (4) Mc 5,41 .       (5) Mc 10,49        
ind imp. 3de p. enk. ègeiren (1) Mc 1,31 .             (2) Mc 9,27 .            
pas. ind. pr. 3de p. mv. egeirontai 1                 (1) Mc 12,26 .        
pas. imper. praes. 2de pers. mv. egeiresthe                       (1) Mc 14,42 .    
pas. conj. praes. 3de pers. enk. egeirètai        (1) Mc 4,27 .                  
pas. fut. 3de p. enk. egerthèsetai                     (1) Mc 13,8 .      
pas. fut. 3de p. mv.  egerthèsontai                   (1) Mc 13,22 .      
pas. ind. aor. 3de p. enk. ègerthè   (1) Mc 2,12 .         (2) Mc 6,16 .             (3) Mc 16,6 .  
10 

pas. inf. aor. egerthènai 

                    (1) Mc 14,28 .  
11 pas. perf. 3de pers. enk. egègertai            (1) Mc 6,14 .              
12  pas. part. perf. acc. mann. enk. egègermenon                         (1) Mc 16,14 .  
  Totaal  19 
  egeirô (opwekken) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16

- Wellicht wekken uit de slaap , op-wekken . Ned. wekken vlg. Lat. vegere : flink , levendig zijn , opgewekt zijn . Lat. resurgere . Surgere (surrexi , surrectum) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super = op, boven + regere (rexi , rectum) : richten (rechtop), leiden , sturen . -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten , terug rechtop staan . Ned. rekken (Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr. résurrection .
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare (citus : vlug , snel) : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven .
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-) waken .

2. gar (want) . Taalgebruik in het NT : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . In zes verzen in Mc 13 : (1) Mc 13,8 . (2) Mc 13,11 . (3) Mc 13,19 . (4) Mc 13,22 . (5) Mc 13,33 . (6) Mc 13,35 .

Mc 13,8.1. - 2. εγερθησεται γαρ = egerthèsetai gar (hij zal immers opgewekt worden) . NT (2) : (1) Mt 24,7 // Mc 13,8 . (2) Mc 13,8 // Mt 24,7 .

4. epi , ep' , ef' (op) . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Ned. op .
Mc (51 + 14 + 6 = 71) . Mc 13 (7 + 1 = 8) : epi (op) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,6 . (3) Mc 13,8 . (4) Mc 13,9 . (5) Mc 13,12 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,29 . ep' (1) Mc 13,8 .

6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

7. nom. + dat enk. basileia(i) (koninkrijk) . Taalgebruik in het NT : basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in Mc : basileia (koninkrijk) . Mc (7) : (1) Mc 1,15 (nom.) . (2) Mc 3,24 (nom.) . (3) Mc 4,26 (nom.) . (4) Mc 10,14 (nom.) . (5) Mc 11,10 (nom.) . (6) Mc 13,8 (nom.) . (7) Mc 14,25 (dat.) .

8. epi , ep' , ef' (op) . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Ned. op .
Mc (51 + 14 + 6 = 71) . Mc 13 (7 + 1 = 8) : epi (op) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,6 . (3) Mc 13,8 . (4) Mc 13,9 . (5) Mc 13,12 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,29 . ep' (1) Mc 13,8 .

9. acc. vr. enk. basileian (koninkrijk) van het zelfst. naamw. basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in het NT : basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in Mc : basileia (koninkrijk) .
Mc (9) : (1) Mc 4,30 .  2 : (2) Mc 9,1 . (3) Mc 9,47 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,25 . (8) Mc 13,8 . (9) Mc 15,43 .

10. act. ind. fut. 3de pers. mv. esontai (er zullen zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (5) : (1) Mc 10,8 . (2) Mc 10,31 . (3) Mc 13,8 . (4) Mc 13,19 . (5) Mc 13,25 .  

12. kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in het NT : kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in Mc : kata (tegen, volgens) .
Mc (9) : (1) Mc 4,10 . (2) Mc 5,13 . (3) Mc 6,40 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 11,25 . (6) Mc 13,8 . (7) Mc 14,19 . (8) Mc 14,55 . (9) Mc 15,6 .

14. act. ind. fut. 3de pers. mv. esontai (er zullen zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (5) : (1) Mc 10,8 . (2) Mc 10,31 . (3) Mc 13,8 . (4) Mc 13,19 . (5) Mc 13,25 .

16. zelfst. naamw. nom. vr. enk. archè (begin) . Taalgebruik in het NT : archè (begin, heerschappij) . Taalgebruik in Mc : archè (begin, heerschappij) . Mc (2) : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 13,8 .

18. nom. + acc. onz. mv. tauta (die dingen) van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) .
Mc (14) : (1) Mc 2,8 . (2) Mc 6,2 . (3) Mc 7,23 . (4) Mc 8,7 . (5) Mc 10,20 . (6) Mc 11,28 . (7) Mc 11,29 . (8) Mc 11,33 . (9) Mc 13,4 . (10) Mc 13,8 . (11) Mc 13,29 . (12) Mc 13,30 . (13) Mc 16,12 . (14) Mc 16,17 .

301. Gedrag bij vervolgingen : Mc 13,9-13 -- Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,9 - Mc 13,10 - Mc 13,11 - Mc 13,12 - Mc 13,13 -

Mc 13,9 - Mc 13,9 : 301. Gedrag bij vervolgingen - Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,9 - Mc 13,10 - Mc 13,11 - Mc 13,12 - Mc 13,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:9 blepete de umeis eautous paradôsousin umas eis sunedria kai eis sunagôgas darèsesthe kai epi ègemonôn kai basileôn stathèsesthe eneken emou eis marturion autois   9 videte autem vosmet ipsos tradent enim vos conciliis et in synagogis vapulabitis et ante praesides et reges stabitis propter me in testimonium illis          9 maar gij, kijkt uit voor uzelf; ze zullen u overleveren aan sanhedrins en synagogen; ge zult worden mishandeld en voor stadhouders en koningen worden opgesteld vanwege mij, tot een getuigenis voor hen;    

King James Bible . [9] But take heed to yourselves: for they shall deliver you up to councils; and in the synagogues ye shall be beaten: and ye shall be brought before rulers and kings for my sake, for a testimony against them.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,9 . Wat de vertalingen betreft. De gebiedende wijze wordt - zoals in het Grieks - in de meervoudsvorm (V, LZ, NB) gegeven, in de enkelvoudsvorm (SDV, WV, NV) . Het persoonlijk voornaamwoord is gij (LZ) , ge (NB) of je (WV) , jullie (NV) . Vermits de gebiedende wijze aan het begin van de zin staat , wordt het werkwoord nog eens beklemtoond ; de vertalingen versterken het werkwoord door een bijwoord of een voorzetsel bij het werkwoord : goed kijken (NB) .

Mc 13,9.1. act. ind. pr. + imperat. pr. 2de pers. mv. blepete (jullie kijken, kijkt) . van het werkw. blepô (kijken, zien) . Taalgebruik in het NT : blepô (kijken, zien) . Taalgebruik in Mc : blepô (kijken, zien) .
Mc (8) : (1) Mc 4,24 . (2) Mc 8,15 . (3) Mc 8,18 . (4) Mc 12,38 . (5) Mc 13,5 . (6) Mc 13,9 . (7) Mc 13,23 . (8) Mc 13,33 . Een vorm van blepô (kijken, zien) in Mc in 14 verzen . De herhaling van de imperatief blepete (kijkt uit) structureert de rede : Mc 13,5b-8 . Mc 13,9-13 . Mc 13,21-23 . Mc 13,33-37 .
Blepete (kijkt uit) in Mc 13,5b leidt een sectie in die handelt over bedriegers . Deze sectie eindigt bij Mc 13,6 .
Blepete (kijkt uit) in Mc 13,23a sluit een gelijkaardige sectie af . Het thema van die sectie is eveneens de bedriegers (Mc 13,21-22a) . De plaats van dit blepete (kijkt uit) wordt verklaard door de inclusio (omsluitings)functie .
Blepete (kijkt uit) in Mc 13,9 staat aan het begin van de vervolgingssectie . Het schema van het einde (eerst vervolging enz... en dan verheerlijking) kan ingegeven zijn door wat Jezus is overkomen : lijden , dood , verrijzenis .

Mc 13,9.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2 = 151) . Mc 13 (13) : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,7 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,17 . (8) Mc 13,18 . (9) Mc 13,23 . (10) Mc 13,28 . (11) Mc 13,31 . (12) Mc 13,32 . (13) Mc 13,37 .

Mc 13,9.3. pers. nom. mann. mv. 2de pers. humeis (jullie) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (10) : (1) Mc 6,31 . (2) Mc 6,37 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,18 . (5) Mc 8,29 . (6) Mc 11,17 . (7) Mc 13,9 . (8) Mc 13,11 . (9) Mc 13,23 . (10) Mc 13,29

Mc 13,9.5. act. ind. fut. 3de pers. mv. paradôsousin (zij zullen overleveren) van het werkw. paradidômi (overleveren)  . Taalgebruik in het NT : paradidômi (overleveren) . Taalgebruik in Mc : paradidômi (overleveren) .
Mc (2) : (1) Mc 10,33 . (2) Mc 13,9 . Een vorm van paradidômi (overleveren) in Mc in 23 verzen . In Mc 13 (3) : (1) Mc 13,9 . (2) Mc 13,11 . (3) Mc 13,12

Mc 13,9.6. persoonl. voornaamw. acc. mv. humas (jullie) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (13) : (1) Mc 1,8 (2X) . (2) Mc 1,17 .(3) Mc 6,11 . (4) Mc 9,19 . (5) Mc 9,41 . (6): Mc 11,29 . (7) Mc 13,5 . (8) Mc 13,9 . (9) Mc 13,11 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 14,28 . (12) Mc 14,49 . (13) Mc 16,7 .

Mc 13,9.7. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 13 (8) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,12 . (6) Mc 13,13 . (7) Mc 13,14 . (8) Mc 13,16 .

Mc 13,9.9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

Mc 13,9.10. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 13 (8) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,12 . (6) Mc 13,13 . (7) Mc 13,14 . (8) Mc 13,16 .

Mc 13,9.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

14. epi , ep' , ef' (op) . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Ned. op .
Mc (51 + 14 + 6 = 71) . Mc 13 (7 + 1 = 8) : epi (op) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,6 . (3) Mc 13,8 . (4) Mc 13,9 . (5) Mc 13,12 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,29 . ep' (1) Mc 13,8 .

Mc 13,10 - Mc 13,10 : 301. Gedrag bij vervolgingen - Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,9 - Mc 13,10 - Mc 13,11 - Mc 13,12 - Mc 13,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:10 kai eis panta ta ethnè prôton dei kèruchthènai to euaggelion  10 et in omnes gentes primum oportet praedicari evangelium           10 en aan al de volkeren moet eerst de vreugdeboodschap worden gepredikt;   

King James Bible . [10] And the gospel must first be published among all nations.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,10 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

2. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 13 (8) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,12 . (6) Mc 13,13 . (7) Mc 13,14 . (8) Mc 13,16 .

3. acc. m. enk. , nom. m. + onz. mv. panta (alle) van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk , al) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder .
Mc (21) : (1) Mc 3,28 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,34 .  (4) Mc 5,26 . (5) Mc 6,30 . (6) Mc 7,19 . (7) Mc 7,23 . (8) Mc 7,37 . (9) Mc 9,12 . (10) Mc 9,23 . (11) Mc 10,20 . (12) Mc 10,27 . (13) Mc 10,29 . (14) Mc 11,11 . (15) Mc 11,24 . (16) Mc 12,44 . (17) Mc 13,4 . (18) Mc 13,10 . (19) Mc 13,23 . (20) Mc 13,30 . (21) Mc 14,36 .  Mc 13 (4) . (1) Mc 13,4 . (2) Mc 13,10 . (3) Mc 13,23 . (4) Mc 13,30 . Een vorm van pas (ieder, elk , al) in Mc in 66 verzen .

9. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 13 (12) : (1) Mc 13,3 . (2) Mc 13,4 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,11 . (6) Mc 13,13 . (7) Mc 13,14 . (8) Mc 13,16 . (9) Mc 13,22 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,34 .

10. accusatief onzijdig enkelvoud euaggelion (evangelie) . Taalgebruik in het NT : euaggelion (evangelie) . Taalgebruik in Mc : euaggelion (evangelie) . eu-aggelion = goede boodschap . Lat. evangelium . Fr. évangile . D. Evangelium . E. gospel . De acc. onz. enk. euaggelion (evangelie) is telkens lijdend voorwerp van een vorm van het werkw. kèrussô (verkondigen) .
Mc (4) : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 13,10 . (3) Mc 14,9 . (4) Mc 16,15 .

9. - 10. to euaggelion (het evangelie) . Een vorm van euaggelion (goede boodschap) in Mc (8) ; gen. (3) , dat. (1) , acc. (4) . Elke vorm wordt voorafgegaan door het bepaald lidwood : gen. (tou) , dat. tô(i) , acc. to .

Mc 13,11 - Mc 13,11 : 301. Gedrag bij vervolgingen - Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,9 - Mc 13,10 - Mc 13,11 - Mc 13,12 - Mc 13,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:11 kai otan agôsin umas paradidontes mè promerimnate ti lalèsète all o ean dothè umin en ekeinè tè ôra touto laleite ou gar este umeis oi lalountes alla to pneuma to agion  11 et cum duxerint vos tradentes nolite praecogitare quid loquamini sed quod datum vobis fuerit in illa hora id loquimini non enim estis vos loquentes sed Spiritus Sanctus          11 en wanneer ze u wegvoeren en u overleveren, weest niet bezorgd wat ge zult uitspreken, nee, wat u in dat uur zal worden gegeven, spreekt dat uit; want niet gij zijt het die spreekt maar de heilige Geest;   

King James Bible . [11] But when they shall lead you, and deliver you up, take no thought beforehand what ye shall speak, neither do ye premeditate: but whatsoever shall be given you in that hour, that speak ye: for it is not ye that speak, but the Holy Ghost.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,11 .

Mc 13,11.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

Mc 13,11.2. hotan (telkens wanneer, wanneer, zodra) . Taalgebruik in het NT : hotan (telkens wanneer , wanneer, zodra) . Taalgebruik in Mc : hotan (telkens wanneer , wanneer, zodra) .
Mc (21) : (1) Mc 2,20 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 4,15 . (4) Mc 4,16 . (5) Mc 4,29 . (6) Mc 4,31 . (7) Mc 4,32 . (8) Mc 8,38 . (9) Mc 9,9 . (10) Mc 11,19 . . (11) Mc 11,25 . . (12) Mc 12,23 . (13) Mc 12,25 . (14) Mc 13,4 . (15) Mc 13,7 . (16) Mc 13,11 . (17) Mc 13,14 . (18) Mc 13,28 . (19) Mc 13,29 . (20) Mc 14,7 . (21) Mc 14,25 .

Mc 13,11.4. persoonl. voornaamw. acc. mv. humas (jullie) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (13) : (1) Mc 1,8 (2X) . (2) Mc 1,17 .(3) Mc 6,11 . (4) Mc 9,19 . (5) Mc 9,41 . (6): Mc 11,29 . (7) Mc 13,5 . (8) Mc 13,9 . (9) Mc 13,11 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 14,28 . (12) Mc 14,49 . (13) Mc 16,7 .

Mc 13,11.5. act. part. praes. nom. mann. mv. paradidontes (de overleveraars) van het werkw. paradidômi (overleveren)  . Taalgebruik in het NT : paradidômi (overleveren) . Taalgebruik in Mc : paradidômi (overleveren) .
Mc (1) : Mc 13,11 . Een vorm van paradidômi (overleveren) in Mc in 23 verzen . In Mc 13 (3) : (1) Mc 13,9 . (2) Mc 13,11 . (3) Mc 13,12 .

Mc 13,11.16. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc (67) . Mc 13 (14) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,11 . (5) Mc 13,15 . (6) Mc 13,16 . (7) Mc 13,18 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,20 . (10) Mc 13,21 . (11) Mc 13,30 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,36 .

Mc 13,11.10. alla , afkorting all' (maar) . Taalgebruik in het NT : alla (maar) . Taalgebruik in Mc : alla (maar) .
Mc (30 + 18 = 48) . Mc 13 (3 + 2 = 5) : (1) Mc 13,7 (all') . (2) Mc 13,11 (all') . (3) Mc 13,11 (alla) . (4) Mc 13,20 (alla) . (5) Mc 13,24 (alla) .

Mc 13,11.11. betrekk. voornaamw. ho (wat) OF bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 13 (16) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,11 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,16 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,33 . (15) Mc 13,35 . (16) Mc 13,37 .

Mc 13,11.15. en (in) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 13 (7) : (1) Mc 13,11 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 . (5) Mc 13,25 . (6) Mc 13,26 . (7) Mc 13,32 .

Mc 13,11.18. nom. + dat. vr. enk. hôra(i) (uur) van het zelfst. naamw. hôra (uur) . Taalgebruik in het NT : hôra (uur) . Taalgebruik in Mc : hôra (uur) .
Mc (6) : (1) Mc 6,35 . (2) Mc 13,11 . (3) Mc 14,35 . (4) Mc 14,41 . (5) Mc 15,25 . (6) Mc 15,34 .
gen. vr. enk. hôras . Mc (4) : (1) Mc 6,35 . (2) Mc 11,11 . (3) Mc 13,32 . (4) Mc 15,33 .

Mc 13,11.21. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) . Mc (42 + 66 + 6 = 114) . Mc 13 (7 + 3 + 0 = 10) . (1) Mc 13,2 (ou) . (2) Mc 13,11 (ou) . (3) Mc 13,14 (ou) . (4) Mc 13,19 (ou) . (5) Mc 13,20 (ouk) . (6) Mc 13,24 (ou) . (7) Mc 13,30 (ou) . (8) Mc 13,31 (ou) . (9) Mc 13,33 (ouk) . (10) Mc 13,35 (ouk) .

Mc 13,11.22. gar (want) . Taalgebruik in het NT : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . In zes verzen in Mc 13 : (1) Mc 13,8 . (2) Mc 13,11 . (3) Mc 13,19 . (4) Mc 13,22 . (5) Mc 13,33 . (6) Mc 13,35 .

Mc 13,11.25. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 13 (5) : (1) Mc 13,11 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,25 . (4) Mc 13,31 . (5) Mc 13,32 .

Mc 13,11.27. alla , afkorting all' (maar) . Taalgebruik in het NT : alla (maar) . Taalgebruik in Mc : alla (maar) .
Mc (30 + 18 = 48) . Mc 13 (3 + 2 = 5) : (1) Mc 13,7 (all') . (2) Mc 13,11 (all') . (3) Mc 13,11 (alla) . (4) Mc 13,20 (alla) . (5) Mc 13,24 (alla) .

Mc 13,11.28. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 13 (12) : (1) Mc 13,3 . (2) Mc 13,4 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,11 . (6) Mc 13,13 . (7) Mc 13,14 . (8) Mc 13,16 . (9) Mc 13,22 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,34 .

Mc 13,11.29. nom.+ acc. onz. enk. pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest .
Mc (12) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,26 . (4) Mc 3,29 . (5) Mc 3,30 . (6) Mc 5,8 . (7) Mc 7,25 . (8) Mc 9,17 . (9) Mc 9,20 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 13,11 . (12) Mc 14,38 .

Mc 13,12 - Mc 13,12 : 301. Gedrag bij vervolgingen - Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,9 - Mc 13,10 - Mc 13,11 - Mc 13,12 - Mc 13,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:12 kai paradôsei adelfos adelfon eis thanaton kai patèr teknon kai epanastèsontai tekna epi goneis kai thanatôsousin autous  12 tradet autem frater fratrem in mortem et pater filium et consurgent filii in parentes et morte adficient eos          12 een broeder zal een broeder ter dood overleveren en een vader een kind, en ‘kinderen zullen opstaan tegen ouders; en hen ter dood brengen;   

King James Bible . [12] Now the brother shall betray the brother to death, and the father the son; and children shall rise up against their parents, and shall cause them to be put to death.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,12 . Het vers Mc 13,12 telt 17 woorden en 101 letters . De getalwaarde van Mc 13,12 is 10000 (2 X 2 X 2 X 2 X 5 X 5 X 5 X 5) .

Mc 13,12.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

Mc 13,12.2. act. ind. fut. 3de pers. enk. paradôsei (hij zal overleveren) van het werkw. paradidômi (overleveren)  . Taalgebruik in het NT : paradidômi (overleveren) . Taalgebruik in Mc : paradidômi (overleveren) .
Mc (1) : Mc 13,12 . Een vorm van paradidômi (overleveren) in Mc in 23 verzen . In Mc 13 (3) : (1) Mc 13,9 . (2) Mc 13,11 . (3) Mc 13,12 .

Mc 13,12.3. nom. mann. enk. adelfos (broer) . Taalgebruik in het NT : adelfos (broer) . Taalgebruik in Mc : adelfos (broer) . Hebr. ´âch . L. frater . Fr. frère . Ned. broer . E. brother . D. Bruder .
Mc (4) : (1) Mc 3,35 . (2) Mc 6,3 . (3) Mc 12,19 . (4) Mc 13,12 . Een vorm van adelfos (broer) in Mc in 18 verzen .

Mc 13,12.4. acc. mann. enk. adelfon (broer) van het zelfst. naamw. adelfos (broer) . Taalgebruik in het NT : adelfos (broer) . Taalgebruik in Mc : adelfos (broer) . Hebr. ´âch . L. frater . Fr. frère . Ned. broer . E. brother . D. Bruder .
Mc (5) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 1,19 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 5,37 . (5) Mc 13,12 . Een vorm van adelfos (broer) in Mc in 18 verzen .

Mc 13,12.5. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc (151) . Mc 13 (8) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,12 . (6) Mc 13,13 . (7) Mc 13,14 . (8) Mc 13,16 .

Mc 13,12.6. acc.  mann. enk. thanaton van het zelfst. naamw. thanatos (dood) . Taalgebruik in het NT : thanatos (dood) . Taalgebruik in Mc : thanatos (dood) . Mc (1) : Mc 13,12 . Een vorm van thanatos (dood) in Mc in 6 verzen : (1) Mc 7,10 . (2) Mc 9,1 . (3) Mc 10,33 . (4) Mc 13,12 . (5) Mc 14,34 . (6) Mc 14,64 .

- Mc 13,12a : paradôsei ... eis thanaton (hij zal overleveren ter dood) .

Mc 13,12.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

Mc 13,12.10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

Mc 13,12.15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

13. epi , ep' , ef' (op) . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Ned. op .
Mc (51 + 14 + 6 = 71) . Mc 13 (7 + 1 = 8) : epi (op) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,6 . (3) Mc 13,8 . (4) Mc 13,9 . (5) Mc 13,12 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,29 . ep' (1) Mc 13,8 .

Mc 13,13 - Mc 13,13 : 301. Gedrag bij vervolgingen - Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,9 - Mc 13,10 - Mc 13,11 - Mc 13,12 - Mc 13,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:13 kai esesthe misoumenoi upo pantôn dia to onoma mou o de upomeinas eis telos outos sôthèsetai  13 et eritis odio omnibus propter nomen meum qui autem sustinuerit in finem hic salvus erit          13 ge zult gehaat zijn door allen, vanwege mijn naam; maar wie volhardt ten einde toe, die zal worden gered;   

King James Bible . [13] And ye shall be hated of all men for my name's sake: but he that shall endure unto the end, the same shall be saved.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,13 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

8. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 13 (12) : (1) Mc 13,3 . (2) Mc 13,4 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,11 . (6) Mc 13,13 . (7) Mc 13,14 . (8) Mc 13,16 . (9) Mc 13,22 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,34 .

10. gen. enk. mou (van mij) van het persoonl. voornaamw. egô (ik) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (34) . Mc 13 (3) : (1) Mc 13,6 . (2) Mc 13,13 . (3) Mc 13,31 .

11. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 13 (16) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,11 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,16 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,33 . (15) Mc 13,35 . (16) Mc 13,37 .

12. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2 = 151) . Mc 13 (13) : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,7 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,17 . (8) Mc 13,18 . (9) Mc 13,23 . (10) Mc 13,28 . (11) Mc 13,31 . (12) Mc 13,32 . (13) Mc 13,37 .

14. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 13 (8) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,12 . (6) Mc 13,13 . (7) Mc 13,14 . (8) Mc 13,16 .

16. nom. mann. enk. houtos . Taalgebruik : houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) .
Mc (12) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 3,35 . (3) Mc 4,41 . (4) Mc 6,3 . (5) Mc 6,16 . (6) Mc 7,6 . (7) Mc 9,7 . (8) Mc 12,7 . (9) Mc 12,10 . (10) Mc 13,13 . (11) Mc 14,69 . (12) Mc 15,39 .

302. De gruwel van de verwoesting van Judea : Mc 13,14-20 -- Mc 13,14-20 - Mt 24,15-22 - Lc 21,20-24 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,14 - Mc 13,15 - Mc 13,16 - Mc 13,17 - Mc 13,18 - Mc 13,19 - Mc 13,20 -

Mc 13,14 - Mc 13,14 : 302. De gruwel van de verwoesting van Judea - Mc 13,14-20 - Mt 24,15-22 - Lc 21,20-24 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,14 - Mc 13,15 - Mc 13,16 - Mc 13,17 - Mc 13,18 - Mc 13,19 - Mc 13,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:14 otan de idète to bdelugma tès erèmôseôs estèkota opou ou dei o anaginôskôn noeitô tote oi en tè ioudaia feugetôsan eis ta orè  14 cum autem videritis abominationem desolationis stantem ubi non debet qui legit intellegat tunc qui in Iudaea sunt fugiant in montes         14 ¶ wanneer ge ‘de gruwel der verwoesting; ziet staan waar het niet moet wie voorleest lette er op laten dan die in Judea vluchten naar de bergen,    

King James Bible . [14] But when ye shall see the abomination of desolation, spoken of by Daniel the prophet, standing where it ought not, (let him that readeth understand,) then let them that be in Judaea flee to the mountains:
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,14 . Het vers Mc 13,14 telt 29 woorden en 129 (3 X 43) letters . De getalwaarde van Mc 13,14 is 18267 (3 X 6089) .

Mc 13,14.1. hotan (telkens wanneer, wanneer, zodra) . Taalgebruik in het NT : hotan (telkens wanneer , wanneer, zodra) . Taalgebruik in Mc : hotan (telkens wanneer , wanneer, zodra) . Mc (21) : (1) Mc 2,20 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 4,15 . (4) Mc 4,16 . (5) Mc 4,29 . (6) Mc 4,31 . (7) Mc 4,32 . (8) Mc 8,38 . (9) Mc 9,9 . (10) Mc 11,19 . . (11) Mc 11,25 . . (12) Mc 12,23 . (13) Mc 12,25 . (14) Mc 13,4 . (15) Mc 13,7 . (16) Mc 13,11 . (17) Mc 13,14 . (18) Mc 13,28 . (19) Mc 13,29 . (20) Mc 14,7 . (21) Mc 14,25 .

Mc 13,14.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2 = 151) . Mc 13 (13) : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,7 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,17 . (8) Mc 13,18 . (9) Mc 13,23 . (10) Mc 13,28 . (11) Mc 13,31 . (12) Mc 13,32 . (13) Mc 13,37 .

Mc 13,14.4. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 13 (12) : (1) Mc 13,3 . (2) Mc 13,4 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,11 . (6) Mc 13,13 . (7) Mc 13,14 . (8) Mc 13,16 . (9) Mc 13,22 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,34 .

Mc 13,14.10. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) . Mc (42 + 66 + 6 = 114) . Mc 13 (7 + 3 + 0 = 10) . (1) Mc 13,2 (ou) . (2) Mc 13,11 (ou) . (3) Mc 13,14 (ou) . (4) Mc 13,19 (ou) . (5) Mc 13,20 (ouk) . (6) Mc 13,24 (ou) . (7) Mc 13,30 (ou) . (8) Mc 13,31 (ou) . (9) Mc 13,33 (ouk) . (10) Mc 13,35 (ouk) .

Mc 13,14.12. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 13 (16) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,11 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,16 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,33 . (15) Mc 13,35 . (16) Mc 13,37 .

Mc 13,14.15. tote (dan) . (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het NT : tote (dan) . Taalgebruik in Mc : tote (dan) .
Mc (6) : (1) Mc 2,20 . (2) Mc 3,27 . (3) Mc 13,14 . (4) Mc 13,21 . (5) Mc 13,26 . (6) Mc 13,27 .

Mc 13,14.16. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 13 (5) : (1) Mc 13,11 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,25 . (4) Mc 13,31 . (5) Mc 13,32 .

Mc 13,14.17. en (in) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 13 (7) : (1) Mc 13,11 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 . (5) Mc 13,25 . (6) Mc 13,26 . (7) Mc 13,32 .

Mc 13,14.21. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 13 (8) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,12 . (6) Mc 13,13 . (7) Mc 13,14 . (8) Mc 13,16 .

Mc 13,15 - Mc 13,15 : 302. De gruwel van de verwoesting van Judea - Mc 13,14-20 - Mt 24,15-22 - Lc 21,20-24 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,14 - Mc 13,15 - Mc 13,16 - Mc 13,17 - Mc 13,18 - Mc 13,19 - Mc 13,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:15 o | | [de] | epi tou dômatos mè katabatô mède eiselthatô | ti arai | arai ti | ek tès oikias autou 15 et qui super tectum ne descendat in domum nec introeat ut tollat quid de domo sua          15 laat wie op het dak is niet afdalen en niet binnengaan om iets weg te halen uit zijn huis,   

King James Bible . [15] And let him that is on the housetop not go down into the house, neither enter therein, to take any thing out of his house:
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,15 .

Mc 13,15.1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 13 (16) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,11 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,16 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,33 . (15) Mc 13,35 . (16) Mc 13,37 .

Mc 13,15.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2 = 151) . Mc 13 (13) : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,7 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,17 . (8) Mc 13,18 . (9) Mc 13,23 . (10) Mc 13,28 . (11) Mc 13,31 . (12) Mc 13,32 . (13) Mc 13,37 .

Mc 13,15.3. epi , ep' , ef' (op) . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Ned. op .
Mc (51 + 14 + 6 = 71) . Mc 13 (7 + 1 = 8) : epi (op) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,6 . (3) Mc 13,8 . (4) Mc 13,9 . (5) Mc 13,12 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,29 . ep' (1) Mc 13,8 .

Mc 13,15.4. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 13 (6) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,19 . (5) Mc 13,25 . (6) Mc 13,26 .

Mc 13,15.6. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc (67) . Mc 13 (14) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,11 . (5) Mc 13,15 . (6) Mc 13,16 . (7) Mc 13,18 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,20 . (10) Mc 13,21 . (11) Mc 13,30 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,36 .

Mc 13,15.12. ek - ex (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc (38 + 20 = 58) . ek (uit) Mc 13 (4) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,15 . (3) Mc 13,25 . (4) Mc 13,27 . (tempel - huis - hemel - 4 windstreken) .

Mc 13,15.15. pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (143) . Mc 13 (6) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,16 . (5) Mc 13,27 . (6) Mc 13,34 . In 2 verzen als onderdeel van een losse genitief : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . In de 4 andere verzen als genitief bij een zelfstandig naamwoord .

Mc 13,16 - Mc 13,16 : 302. De gruwel van de verwoesting van Judea - Mc 13,14-20 - Mt 24,15-22 - Lc 21,20-24 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,14 - Mc 13,15 - Mc 13,16 - Mc 13,17 - Mc 13,18 - Mc 13,19 - Mc 13,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:16 kai o eis ton agron mè epistreyatô eis ta opisô arai to imation autou   16 et qui in agro erit non revertatur retro tollere vestimentum suum           16 en laat wie op het veld is niet omkeren naar achter zich om zijn kleed op te halen;    

King James Bible . [16] And let him that is in the field not turn back again for to take up his garment.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,16 .

Mc 13,16.2. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 13 (16) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,11 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,16 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,33 . (15) Mc 13,35 . (16) Mc 13,37 .

Mc 13,16.3. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 13 (8) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,12 . (6) Mc 13,13 . (7) Mc 13,14 . (8) Mc 13,16 .

Mc 13,16.4. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 13 (2) :  (1) Mc 13,16 . (2) Mc 13,26 .

Mc 13,16.6. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc (67) . Mc 13 (14) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,11 . (5) Mc 13,15 . (6) Mc 13,16 . (7) Mc 13,18 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,20 . (10) Mc 13,21 . (11) Mc 13,30 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,36 .

Mc 13,16.8. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 13 (8) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,12 . (6) Mc 13,13 . (7) Mc 13,14 . (8) Mc 13,16 .

Mc 13,16.10. opisô (achter)  . Taalgebruik in het NT : opisô (achter) . Taalgebruik in Mc : opisô (achter) . Voorzetsel . Lat. post (uit primere , prestum ?) Fr. après (ad prestum) . Hebr. ´acher (101) en ´achärej (294) . Ned. achter .
In zes verzen in Mc : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,17 . (3) Mc 1,20 . (4) Mc 8,33 . (5) Mc 8,34 . (6) Mc 13,16 .

Mc 13,16.12. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 13 (12) : (1) Mc 13,3 . (2) Mc 13,4 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,11 . (6) Mc 13,13 . (7) Mc 13,14 . (8) Mc 13,16 . (9) Mc 13,22 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,34 .

Mc 13,16.14. pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (143) . Mc 13 (6) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,16 . (5) Mc 13,27 . (6) Mc 13,34 . In 2 verzen als onderdeel van een losse genitief : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . In de 4 andere verzen als genitief bij een zelfstandig naamwoord .

Mc 13,17 - Mc 13,17 : 302. De gruwel van de verwoesting van Judea - Mc 13,14-20 - Mt 24,15-22 - Lc 21,20-24 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,14 - Mc 13,15 - Mc 13,16 - Mc 13,17 - Mc 13,18 - Mc 13,19 - Mc 13,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:17 ouai de tais en gastri echousais kai tais thèlazousais en ekeinais tais èmerais  17 vae autem praegnatibus et nutrientibus in illis diebus          17 wee haar die in die dagen een kind in de schoot hebben en die zogen;   

King James Bible . [17] But woe to them that are with child, and to them that give suck in those days!
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,17 .

Mc 13,17.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2 = 151) . Mc 13 (13) : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,7 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,17 . (8) Mc 13,18 . (9) Mc 13,23 . (10) Mc 13,28 . (11) Mc 13,31 . (12) Mc 13,32 . (13) Mc 13,37 .

Mc 13,17.10. en (in) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 13 (7) : (1) Mc 13,11 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 . (5) Mc 13,25 . (6) Mc 13,26 . (7) Mc 13,32 .

Mc 13,17.11. aanwijz. voornaamw. dat. vr. mv. ekeinais (die) van het aanwijz. voornaamw. ekeinos (die) . Taalgebruik in het NT : ekeinos (die) . Taalgebruik in Mc : ekeinos (die) .
Mc (4) : (1) Mc 1,9 (kai egeneto ...) . (2) Mc 8,1 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 .

Mc 13,17.12. bep. lidw. dat. vr. mv. tais (de van het bep. lidw. ho , hè , to (de / het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (10) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 6,56 . (5) Mc 8,1 . (6) Mc 12,38 . (7) Mc 12,39 . (8) Mc 13,17 . (9) Mc 13,24 . (10) Mc 16,18 .

Mc 13,17.10. dat vr. enk. hèmerais (dagen) van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Mc : hèmera (dag) .
(1) Mc 1,9 (kai egeneto ...) . (2) Mc 8,1 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 . (5) en trisin hèmerais (in drie dagen) . Een vorm van hèmera (dag) in Mc in 23 verzen

Mc 13,17.7. - 10. en ekeinais tais hèmerais (in díe dagen) . Bij Marcus staat telkens en ekeinais tais hèmerais : (1) Mc 1,9 (kai egeneto ...) . (2) Mc 8,1 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 .

Mc 13,18 - Mc 13,18 : 302. De gruwel van de verwoesting van Judea - Mc 13,14-20 - Mt 24,15-22 - Lc 21,20-24 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,14 - Mc 13,15 - Mc 13,16 - Mc 13,17 - Mc 13,18 - Mc 13,19 - Mc 13,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:18 proseuchesthe de ina mè genètai cheimônos  17 vae autem praegnatibus et nutrientibus in illis diebus 18 orate vero ut hieme non fiant           18 bidt dat het niet ‘s winters geschiedt;    

King James Bible . [18] And pray ye that your flight be not in the winter.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,18 .

Mc 13,18.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2 = 151) . Mc 13 (13) : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,7 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,17 . (8) Mc 13,18 . (9) Mc 13,23 . (10) Mc 13,28 . (11) Mc 13,31 . (12) Mc 13,32 . (13) Mc 13,37 .

Mc 13,18.3. hina (opdat) . Taalgebruik in het NT : hina (opdat) . Taalgebruik in Mc : hina (opdat) .
Mc (59) . Mc 13 (2) : (1) Mc 13,18 . (2) Mc 13,34 .

Mc 13,18.4. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc (67) . Mc 13 (14) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,11 . (5) Mc 13,15 . (6) Mc 13,16 . (7) Mc 13,18 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,20 . (10) Mc 13,21 . (11) Mc 13,30 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,36 .

Mc 13,18.5. conj. aor. 3de pers. enk. genètai (zou worden, gebeuren) van het werkw. ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . Mc (5) : (1) Mc 9,50 . (2) Mc 13,18 . (3) Mc 13,19 . (4) Mc 13,28 . (5) Mc 13,30 . Een vorm van ginomai (worden) in Mc in 52 verzen .

Mc 13,19 - Mc 13,19 : 302. De gruwel van de verwoesting van Judea - Mc 13,14-20 - Mt 24,15-22 - Lc 21,20-24 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,14 - Mc 13,15 - Mc 13,16 - Mc 13,17 - Mc 13,18 - Mc 13,19 - Mc 13,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:19 esontai gar ai èmerai ekeinai thliyis oia ou gegonen toiautè ap archès ktiseôs èn ektisen o theos eôs tou nun kai ou mè genètai  19 erunt enim dies illi tribulationes tales quales non fuerunt ab initio creaturae quam condidit Deus usque nunc neque fient           19 want die dagen zullen zijn ‘een verdrukking zoals er niet geschied is vanaf het begin der schepping; die God geschapen heeft tot nu toe en niet meer geschieden zal;   

King James Bible . [19] For in those days shall be affliction, such as was not from the beginning of the creation which God created unto this time, neither shall be.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,19 .

Mc 13,19.1. act. ind. fut. 3de pers. mv. esontai (er zullen zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (5) : (1) Mc 10,8 . (2) Mc 10,31 . (3) Mc 13,8 . (4) Mc 13,19 . (5) Mc 13,25 .

Mc 13,19.2. gar (want) . Taalgebruik in het NT : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . In zes verzen in Mc 13 : (1) Mc 13,8 . (2) Mc 13,11 . (3) Mc 13,19 . (4) Mc 13,22 . (5) Mc 13,33 . (6) Mc 13,35 .

Mc 13,19.8. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) . Mc (42 + 66 + 6 = 114) . Mc 13 (7 + 3 + 0 = 10) . (1) Mc 13,2 (ou) . (2) Mc 13,11 (ou) . (3) Mc 13,14 (ou) . (4) Mc 13,19 (ou) . (5) Mc 13,20 (ouk) . (6) Mc 13,24 (ou) . (7) Mc 13,30 (ou) . (8) Mc 13,31 (ou) . (9) Mc 13,33 (ouk) . (10) Mc 13,35 (ouk) .

Mc 13,19.12. gen. vr. enk. archès (begin) van het zelfst. naamw. archè (begin, heerschappij) . Taalgebruik in het NT : archè (begin, heerschappij) . Taalgebruik in Mc : archè (begin, heerschappij) .
Mc (2) : (1) Mc 10,6 . (2) Mc 13,19 .

Mc 13,19.13. gen. vr. enk. ktiseôs  (schepping) van het zelfst. naamw. ktisis (schepping) . Taalgebruik in het NT : ktisis (schepping) . Taalgebruik in Mc : ktisis (schepping) . Mc (2) : (1) Mc 10,6 .  (2) Mc 13,19 .

Mc 13,19.11. - 13. vanaf het begin van de schepping :
- Mc 10,6 : apo de archès ktiseôs (vanaf echter het begin van de schepping) .
- Mc 13,19 : ap'archès ktiseôs (vanaf het begin van de schepping) .

Mc 13,19.16. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 13 (16) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,11 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,16 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,33 . (15) Mc 13,35 . (16) Mc 13,37 .

Mc 13,19.19. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 13 (6) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,19 . (5) Mc 13,25 . (6) Mc 13,26 .

Mc 13,19.22. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) . Mc (42 + 66 + 6 = 114) . Mc 13 (7 + 3 + 0 = 10) . (1) Mc 13,2 (ou) . (2) Mc 13,11 (ou) . (3) Mc 13,14 (ou) . (4) Mc 13,19 (ou) . (5) Mc 13,20 (ouk) . (6) Mc 13,24 (ou) . (7) Mc 13,30 (ou) . (8) Mc 13,31 (ou) . (9) Mc 13,33 (ouk) . (10) Mc 13,35 (ouk) .

Mc 13,19.23. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc (67) . Mc 13 (14) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,11 . (5) Mc 13,15 . (6) Mc 13,16 . (7) Mc 13,18 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,20 . (10) Mc 13,21 . (11) Mc 13,30 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,36 .

Mc 13,19.24. conj. aor. 3de pers. enk. genètai (zou worden, gebeuren) van het werkw. ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . Mc (5) : (1) Mc 9,50 . (2) Mc 13,18 . (3) Mc 13,19 . (4) Mc 13,28 . (5) Mc 13,30 . Een vorm van ginomai (worden) in Mc in 52 verzen .

Mc 13,20 - Mc 13,20 : 302. De gruwel van de verwoesting van Judea - Mc 13,14-20 - Mt 24,15-22 - Lc 21,20-24 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,14 - Mc 13,15 - Mc 13,16 - Mc 13,17 - Mc 13,18 - Mc 13,19 - Mc 13,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:20 kai ei mè ekolobôsen kurios tas èmeras ouk an esôthè pasa sarx alla dia tous eklektous ous exelexato ekolobôsen tas èmeras 20 et nisi breviasset Dominus dies non fuisset salva omnis caro sed propter electos quos elegit breviavit dies          20 en als de Heer die dagen niet verkortte, zou niemand van alle vlees worden gered; maar ter wille van de uitverkorenen die hij heeft uitverkoren heeft hij de dagen verkort;   

King James Bible . [20] And except that the Lord had shortened those days, no flesh should be saved: but for the elect's sake, whom he hath chosen, he hath shortened the days.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,20 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

3. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc (67) . Mc 13 (14) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,11 . (5) Mc 13,15 . (6) Mc 13,16 . (7) Mc 13,18 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,20 . (10) Mc 13,21 . (11) Mc 13,30 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,36 .

7. gen. vr. enk. + acc. vr. mv hèmeras van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Mc : hèmera (dag) .
Mc (11) : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 5,5 . (3) Mc 6,21 . (4) Mc 8,31 . (5) Mc 9,2 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 10,34 . (8) Mc 13,20 . (9) Mc 13,32 . (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,25 .

8. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) . Mc (42 + 66 + 6 = 114) . Mc 13 (7 + 3 + 0 = 10) . (1) Mc 13,2 (ou) . (2) Mc 13,11 (ou) . (3) Mc 13,14 (ou) . (4) Mc 13,19 (ou) . (5) Mc 13,20 (ouk) . (6) Mc 13,24 (ou) . (7) Mc 13,30 (ou) . (8) Mc 13,31 (ou) . (9) Mc 13,33 (ouk) . (10) Mc 13,35 (ouk) .

13. alla , afkorting all' (maar) . Taalgebruik in het NT : alla (maar) . Taalgebruik in Mc : alla (maar) .
Mc (30 + 18 = 48) . Mc 13 (3 + 2 = 5) : (1) Mc 13,7 (all') . (2) Mc 13,11 (all') . (3) Mc 13,11 (alla) . (4) Mc 13,20 (alla) . (5) Mc 13,24 (alla) .

23. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc (67) . Mc 13 (14) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,11 . (5) Mc 13,15 . (6) Mc 13,16 . (7) Mc 13,18 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,20 . (10) Mc 13,21 . (11) Mc 13,30 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,36 .

303. Pseudochristussen en pseudoprofeten : Mc 13,21-23 -- Mc 13,21-23 - Mt 24,23-25 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,21 - Mc 13,22 - Mc 13,23 -

We hebben reeds een aantal gelijkenissen aangeduid tussen Mc 13,5-6 en Mc 13,21-23 Zie : 300. Het begin van het einde : Mc 13,5-8 // Mt 24,4-8 // Lc 21,8-11 - Mc 13,5-8 - Mt 24,4-8 - Lc 21,8-11 -. We merken evenwel dat Mc 13,21-23 met een inclusio en een centraal vers is opgebouwd.

Mc 13,21a Mc 13,23b   Mc 13,21b Mc 13,23a
. kai tot ean (en dan iemand)        
tis (iemand)        
  proeirèka (ik heb vooraf gezegd)      
humin (jullie) humin (tot u)      
eipèi (zegge)     mè pisteuete (geloof het niet) humeis de blepete (jullie echter, kijkt uit!)
ide hôde ho christos, ide ekei (zie daar de christus, zie hier) panta (alles)      
303. Pseudochristussen en pseudoprofeten : Mc 13,21-23 // Mt 24,23-25 - Mc 13,21-23 - Mt 24,23-25 -        

 

Mc 13,21 - Mc 13,21 : 303. Pseudochristussen en pseudoprofeten - Mc 13,21-23 - Mt 24,23-25 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,21 - Mc 13,22 - Mc 13,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:21 kai tote ean tis umin eipè ide ôde o christos ide ekei mè pisteuete  21 et tunc si quis vobis dixerit ecce hic est Christus ecce illic ne credideritis           21 en als dán iemand tot u zegt: zie, hier is de Christus, zie daar!, gelooft het niet;   

King James Bible . [21] And then if any man shall say to you, Lo, here is Christ; or, lo, he is there; believe him not:
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,21 . Het vers Mc 13,21 telt 15 (3 X 5) woorden en 58 (2 X 29) letters . De getalwaarde van Mc 13,21 is 6816 (2³ X 2² X 3 X 71) . Het tweede gedeelte van Mc 13,5 leidt de eschatologische rede in . Het bestaat uit een hoofdzin en een ondergeschikte zin . De ondergeschikte zin is een aansporende doelzin : opdat niet... Dit inleidend vers kunnen we vergelijken met vers 21 . Ook daar is er een hoofdzin en een ondergeschikte zin . De hoofdzin echter staat achteraan , de ondergeschikte zin vooraan . De hoofdzin : Mc 13,5 : blepete (kijk uit) , Mc 13,21 : mè pisteuete (gelooft het niet) . De ondergeschikte zin : Mc 13,5 : mè tis humas planèsèi (opdat niet iemand jullie misleide) , Mc 13,21 : kai hote ean tis humin eipèi (en wanneer iemand jullie dan zou zeggen) .

Mc 13,21.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

Mc 13,21.2. tote (dan) . (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het NT : tote (dan) . Taalgebruik in Mc : tote (dan) .
Mc (6) : (1) Mc 2,20 . (2) Mc 3,27 . (3) Mc 13,14 . (4) Mc 13,21 . (5) Mc 13,26 . (6) Mc 13,27 .

Mc 13,21.1. - 2. kai tote (en dan) . Mc (5) : (1) Mc 2,20 . (2) Mc 3,27 . (3) Mc 13,21 . (4) Mc 13,26 . (5) Mc 13,27 . Niet in Mc 13,14 .

Mc 13,21.9. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 13 (16) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,11 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,16 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,33 . (15) Mc 13,35 . (16) Mc 13,37 .

Mc 13,21.12. ekei (daar, hier) . Taalgebruik in het NT : ekei (daar) . Taalgebruik in Mc : ekei (daar) . Ned. hier . Fr. ici . Mc (11) : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 3,1 . (4) Mc 5,11 . (5) Mc 6,5 . (6) Mc 6,10 . (7) Mc 6,33 . (8) Mc 11,5 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 14,15 . (11) Mc 16,7 .

Mc 13,22 - Mc 13,22 : 303. Pseudochristussen en pseudoprofeten - Mc 13,21-23 - Mt 24,23-25 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,21 - Mc 13,22 - Mc 13,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:22 egerthèsontai gar yeudochristoi kai yeudoprofètai kai dôsousin sèmeia kai terata pros to apoplanan ei dunaton tous eklektous   22 exsurgent enim pseudochristi et pseudoprophetae et dabunt signa et portenta ad seducendos si potest fieri etiam electos           22 er zullen namaakchristussen en namaakprofeten ontwaken, en zij zullen tekenen en wonderen doen, om, als dat mogelijk is, de uitverkorenen tot dwaling te brengen;   

King James Bible . [22] For false Christs and false prophets shall rise, and shall shew signs and wonders, to seduce, if it were possible, even the elect.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,22 .

1. pass. ind. fut. 3de pers. mv. εγερθησονται = egerthèsontai (zij zullen opgewekt worden) van het werkw. εγειρω = egeirô (opwekken) . Taalgebruik in het NT : egeirô (wekken) . Taalgebruik in de LXX : egeirô (wekken) . Bijbel (5) : (1) Js 26,19 . (2) Mt 24,11 . (3) Mt 24,24 // Mc 13,22 . (4) Mc 13,22 // Mt 24,24 . (5) 1 Kor 15,52 . Een vorm van εγειρω = egeirô (opwekken) in de LXX (57) , in het NT (143) , in Mc (19) .
- pass. ind. fut. 3de pers. enk. εγερθησεται = egerthèsetai (hij zal opgewekt worden) van het werkw. εγειρω = egeirô (opwekken) . Taalgebruik in het NT : egeirô (wekken) . Taalgebruik in de LXX : egeirô (wekken) . Bijbel (8) : (1) Da 11,25 . (2) Mt 12,42 . (3) Mt 17,23 . (4) Mt 20,19 . (5) Mt 24,7 // Mc 13,8 // Lc 21,10 . (6) Mc 13,8 // Mt 24,7 // Lc 21,10 . (7) Lc 11,31 . (8) Lc 21,10 // Mc 13,8 // Mt 24,7 .
- pass. ind. fut. 3de pers. mv. επεγερθησονται = epegerthèsontai (zij zullen opgewekt worden) . Bijbel (2) : (1) Js 19,2 . (2) Mi 5,4 .

  egeirô (wekken) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16
ind. pr. 3de p. mv. egeirousin       (1) Mc 4,38                
imp. 2de p. enk. egeire 5   (1) Mc 2,9 . (2) Mc 2,11 .   (3) Mc 3,3 .     (4) Mc 5,41 .       (5) Mc 10,49        
ind imp. 3de p. enk. ègeiren (1) Mc 1,31 .             (2) Mc 9,27 .            
pas. ind. pr. 3de p. mv. egeirontai 1                 (1) Mc 12,26 .        
pas. imper. praes. 2de pers. mv. egeiresthe                       (1) Mc 14,42 .    
pas. conj. praes. 3de pers. enk. egeirètai        (1) Mc 4,27 .                  
pas. fut. 3de p. enk. egerthèsetai                     (1) Mc 13,8 .      
pas. fut. 3de p. mv.  egerthèsontai                   (1) Mc 13,22 .      
pas. ind. aor. 3de p. enk. ègerthè   (1) Mc 2,12 .         (2) Mc 6,16 .             (3) Mc 16,6 .  
10 

pas. inf. aor. egerthènai 

                    (1) Mc 14,28 .  
11 pas. perf. 3de pers. enk. egègertai            (1) Mc 6,14 .              
12  pas. part. perf. acc. mann. enk. egègermenon                         (1) Mc 16,14 .  
  Totaal  19 
  egeirô (opwekken) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16

- Wellicht wekken uit de slaap , op-wekken . Ned. wekken vlg. Lat. vegere : flink , levendig zijn , opgewekt zijn . Lat. resurgere . Surgere (surrexi , surrectum) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super = op, boven + regere (rexi , rectum) : richten (rechtop), leiden , sturen . -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten , terug rechtop staan . Ned. rekken (Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr. résurrection .
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare (citus : vlug , snel) : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven .
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-) waken .

2. gar (want) . Taalgebruik in het NT : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . In zes verzen in Mc 13 : (1) Mc 13,8 . (2) Mc 13,11 . (3) Mc 13,19 . (4) Mc 13,22 . (5) Mc 13,33 . (6) Mc 13,35 .

4. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

12. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 13 (12) : (1) Mc 13,3 . (2) Mc 13,4 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,11 . (6) Mc 13,13 . (7) Mc 13,14 . (8) Mc 13,16 . (9) Mc 13,22 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,34 .

Mc 13,23 - Mc 13,23 : 303. Pseudochristussen en pseudoprofeten - Mc 13,21-23 - Mt 24,23-25 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,21 - Mc 13,22 - Mc 13,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:23 humeis de blepete proeirèka humin panta            23 gij, kijkt uit, ik heb u alles voorzegd!   

King James Bible . [23] But take ye heed: behold, I have foretold you all things.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,23 . Variabele lezing .

1

2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2 = 151) . Mc 13 (13) : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,7 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,17 . (8) Mc 13,18 . (9) Mc 13,23 . (10) Mc 13,28 . (11) Mc 13,31 . (12) Mc 13,32 . (13) Mc 13,37 .

3. act. ind. pr. + imperat. pr. 2de pers. mv. blepete (jullie kijken, kijkt) . van het werkw. blepô (kijken, zien) . Taalgebruik in het NT : blepô (kijken, zien) . Taalgebruik in Mc : blepô (kijken, zien) .
Mc (8) : (1) Mc 4,24 . (2) Mc 8,15 . (3) Mc 8,18 . (4) Mc 12,38 . (5) Mc 13,5 . (6) Mc 13,9 . (7) Mc 13,23 . (8) Mc 13,33 . Een vorm van blepô (kijken, zien) in Mc in 14 verzen . De herhaling van de imperatief blepete (kijkt uit) structureert de rede : Mc 13,5b-8 . Mc 13,9-13 . Mc 13,21-23 . Mc 13,33-37 .
Blepete (kijkt uit) in Mc 13,5b leidt een sectie in die handelt over bedriegers . Deze sectie eindigt bij Mc 13,6 .
Blepete (kijkt uit) in Mc 13,23a sluit een gelijkaardige sectie af . Het thema van die sectie is eveneens de bedriegers (Mc 13,21-22a) . De plaats van dit blepete (kijkt uit) wordt verklaard door de inclusio (omsluitings)functie .
Blepete (kijkt uit) in Mc 13,9 staat aan het begin van de vervolgingssectie . Het schema van het einde (eerst vervolging enz... en dan verheerlijking) kan ingegeven zijn door wat Jezus is overkomen : lijden , dood , verrijzenis .

Wat de vertalingen betreft. De gebiedende wijze wordt - zoals in het Grieks - in de meervoudsvorm (V, LZ, NB) gegeven, in de enkelvoudsvorm (SDV, WV, NV) . Het persoonlijk voornaamwoord is gij (LZ) , ge (NB) of je (WV) , jullie (NV) . Vermits de gebiedende wijze aan het begin van de zin staat , wordt het werkwoord nog eens beklemtoond ; de vertalingen versterken het werkwoord door een bijwoord of een voorzetsel bij het werkwoord : goed kijken (NB) .

6. acc. m. enk. , nom. m. + onz. mv. panta (alle) van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk , al) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder .
Mc (21) : (1) Mc 3,28 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,34 .  (4) Mc 5,26 . (5) Mc 6,30 . (6) Mc 7,19 . (7) Mc 7,23 . (8) Mc 7,37 . (9) Mc 9,12 . (10) Mc 9,23 . (11) Mc 10,20 . (12) Mc 10,27 . (13) Mc 10,29 . (14) Mc 11,11 . (15) Mc 11,24 . (16) Mc 12,44 . (17) Mc 13,4 . (18) Mc 13,10 . (19) Mc 13,23 . (20) Mc 13,30 . (21) Mc 14,36 .  Mc 13 (4) . (1) Mc 13,4 . (2) Mc 13,10 . (3) Mc 13,23 . (4) Mc 13,30 . Een vorm van pas (ieder, elk , al) in Mc in 66 verzen .

305. De komst van de Mensenzoon : Mc 13,24-27 - Mc 13,24-27 - Mt 24,29-31 - Lc 21,25-28 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 - Mc 13,24 - Mc 13,25 - Mc 13,26 - Mc 13,27 -

In een kader hebben we de opbouw van deze kleine pericope , onderdeel van de eschatologische rede van Marcus , geplaatst . We komen tot de opmerkelijke vaststelling dat deze pericope uit 70 woorden en 144 lettergrepen bestaat . De 70 doet denken aan de 70 weken van het boek Daniël en 144 aan de 144.000 getekenden in het boek Openbaring .
De structuur van de pericope wordt aangeduid door tijdsaanduidingen in het begin van een zin : verzen 24-25 : alla in ekeinais tais hèmerais meta tèn thipsin ekeinèn (maar in die dagen na die verdrukking) ; vers 26 : kai tote : en dan ... ; vers 27 : kai tote ... en dan . De pericope bestaat uit 7 nevenschikkende zinnen , waarvan de eerste met alla (maar) en de andere zes met kai (en) beginnen . 7X staat het werkwoord in de toekomstige tijd . De woordvolgorde in de zin is meestal : onderwerp , vervoegd werkwoord , lijdend voorwerp .
In deze pericope komt hemel 3X voor : vers 25a : ek tou ouranou piptontes (uit de hemel vallend) ; vers 25b : hai dunameis hai en tois ouranois (de krachten die in de hemelen zijn) ; vers 27 : heôs akrou ouranou (tot het uiteinde van de hemel) . Daarenboven vinden we in vers 26 : en nefelais (op de wolken) . Het getal vier speelt een belangrijke rol in deze pericope : in verzen 24-25 is er sprake van vier hemellichamen ; in vers 27 is er sprake van de vier windstreken . Verzen 24-25 tellen 36 (4 x 9) woorden en 72 (4 x 2 x 9) lettergrepen . Het totaal bestaat uit 144 (4 x 4 x 9) lettergrepen .
Met v.24 begint een nieuwe pericope. Verzen 24-25 bestaan uit vier nevengeschikte zinnen, met elkaar verbonden door het nevenschikkende woord kai (en). Opmerkelijk is wel dat deze verzen 24-25 uit 36 woorden en 72 lettergrepen bestaat . De inleiding bestaat uit 9 woorden en de eerste zin bestaat verder uit 3 woorden ; samen 12 woorden (3 X 4) . De andere drie zinnen bestaan telkens uit 8 woorden (2 X 4 ). Aan de komst van de Mensenzoon gaat een kosmische revolutie vooraf . De hemellichamen worden in volgorde van belangrijkheid voor de mens gegeven : zon , maan , sterren , hemelkrachten . De zon wordt verduisterd (tegenstelling : licht - duisternis) . De maan geeft geen licht (tegenstelling licht - duisternis) . De sterren vallen van de hemel (tegenstelling : vaste plaats aan de hemel - vallen) . De hemelkrachten worden geschud (tegenstelling : vast patroon - uit hun vast ritme raken) . De eerste twee zinnen hebben gemeen dat zon en maan geen licht meer geven ; de derde en de vierde zin bevatten de tegenstelling : ek tou ouranou (uit de hemel) en en tois ouranois (in de hemelen) . De eindkank van het eerste en het vierde werkwoord is ongeveer hetzelfde -thèsetai en -thèsontai . Om dan reeds van een chiasme te spreken lijkt me wat ver gezocht.

De komst van de mensenzoon gebeurt vanuit de hemel . De komst gaat vergezeld van een hemels gezelschap : de engelen . Zij moeten iedereen verzamelen : van boven tot beneden , van oost tot west . Sommige exegeten verbinden doksè (heerlijkheid) met de eerste twee hemellichamen , de dunamis (kracht) met de twee laatste hemellichamen (sterren en hemelkrachten) .

aanduiding bijbelvers Mc 13,24 a Mc 13,24 b Mc 13,25 a Mc 13,25 b   Mc 13,27 a Mc 13,27 b
nevenschikkend voegwoord alla (maar) kai (en) kai (en) kai (en)   kai (en) kai (en)
tijdsaanduiding en ekeinais tais hèmerais (in die dagen) meta tèn thipsin ekeinèn (na die verschrikking)         tote (dan)  
onderwerp ho hèlios (de zon) hè selènè (de maan) hoi asteres (de sterren) hai dunameis (de krachten) hai en tois ouranois (die in de hemelen)      
vervoegd werkwoord skotisthèsetai (zal verduisterd worden) ou dôsei (zal niet geven) to feggos autès (haar licht) esontai (zullen zijn) ek tou ouranou piptontes (uit de hemel vallende) saleuthèsontai (zullen geschud worden) (cfr hierboven en tois ouranois : in de hemelen)   apostelei (zal hij zenden) tous aggelous (de engelen) episunaksei (hij zal verzamelen) tous eklektous - autou - ( - zijn - uitverkorenen)
aantal woorden 12 8 8 8 Totaal verzen 24-25 : 36   5 14 Totaal vers 27: 19 (20)
aantal lettergrepen 27 13 16 16 Totaal verzen 24-25 : 72   11 29 Totaal vers 27 : 40 (42)
thema zon maan sterren hemellichamen     op aarde
305. De komst van de Mensenzoon : Mc 13,24-27 - Mt 24,29-31 - Lc 21,25-28              

 

Mc 13,24 - Mc 13,24 : 305. De komst van de Mensenzoon - Mc 13,24-27 - Mt 24,29-31 - Lc 21,25-28 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 - Mc 13,24 - Mc 13,25 - Mc 13,26 - Mc 13,27 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:24 alla en ekeinais tais èmerais meta tèn thliyin ekeinèn o èlios skotisthèsetai kai è selènè ou dôsei to feggos autès   23 vos ergo videte ecce praedixi vobis omnia 24 sed in illis diebus post tribulationem illam sol contenebrabitur et luna non dabit splendorem suum          24 ¶ maar in die dagen zal na die verdrukking ‘de zon worden verduisterd en de maan haar schijnsel niet geven;,   

King James Bible . [24] But in those days, after that tribulation, the sun shall be darkened, and the moon shall not give her light,
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,24 . Het vers Mc 13,24 telt 20 (2 X 2 X 5) woorden en 93 (3 X 31) letters . De getalwaarde van Mc 13,24 telt 8563 . Mc 13,24 en Mc 13,25 vormen een geheel . Na alla (maar) om de tegenstelling tegen voorgaande aan te duiden volgen twee tijdsaanduidingen van telkens 4 woorden . Daarop volgen vier nevenschikkende zinnen die de kosmische veranderingen weergeven : de zon (3 woorden) , de maan (8 woorden) , de sterren (8 woorden) en de hemelkrachten (8 woorden) . Deze zinnen worden met elkaar verbonden door het nevenschikkend voegwoord kai (en) . Het eerste en laatste werkw. is een passief indicatief toekomende tijd 3de pers. met assonantie : s - kotis - thèsatai (hij zal verduisterd worden) en s - aleu - thèsontai (zij zullen heen en weer geschud worden) . Deze twee werkw. tellen telkens 5 lettergrepen . De vier zinnen zijn mooi parallel opgebouwd : eventueel het verbindingswoord kai (en) , het onderwerp , het werkw. , eventueel een lijdend voorwerp . Aantal woorden : 1 - 4 - 4 - 3 (OF 12 = 3 X 4) - 8 - 8 - 8 (OF : 3 X 8 = 24) = 12 + 24 = 36 .

Mc 13,24.1. alla , afkorting all' (maar) . Taalgebruik in het NT : alla (maar) . Taalgebruik in Mc : alla (maar) .
Mc (30 + 18 = 48) . Mc 13 (3 + 2 = 5) : (1) Mc 13,7 (all') . (2) Mc 13,11 (all') . (3) Mc 13,11 (alla) . (4) Mc 13,20 (alla) . (5) Mc 13,24 (alla) . alla (maar) vormt een tegenstelling met het voorgaande .

Mc 13,24.2. en (in) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 13 (7) : (1) Mc 13,11 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 . (5) Mc 13,25 . (6) Mc 13,26 . (7) Mc 13,32 .

Mc 13,24.3. aanwijz. voornaamw. dat. vr. mv. ekeinais (die) van het aanwijz. voornaamw. ekeinos (die) . Taalgebruik in het NT : ekeinos (die) . Taalgebruik in Mc : ekeinos (die) .
Mc (4) : (1) Mc 1,9 (kai egeneto ...) . (2) Mc 8,1 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 . Een vorm van ekeinos (die) in Mc in 22 verzen .

Mc 13,24.4. bep. lidw. dat. vr. mv. tais (de) van het bep. lidw. ho , hè , to (de / het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (10) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 6,56 . (5) Mc 8,1 . (6) Mc 12,38 . (7) Mc 12,39 . (8) Mc 13,17 . (9) Mc 13,24 . (10) Mc 16,18 .

Mc 13,24.5. dat vr. enk. hèmerais (dagen) van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Mc : hèmera (dag) .
(1) Mc 1,9 (kai egeneto ...) . (2) Mc 8,1 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 . (5) Mc 15,29 : en trisin hèmerais (in drie dagen) . Een vorm van hèmera (dag) in Mc in 23 verzen

Mc 13,24.2. - 5. en ekeinais tais hèmerais (in díe dagen) . Bij Marcus staat telkens en ekeinais tais hèmerais : (1) Mc 1,9 (kai egeneto ...) . (2) Mc 8,1 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 .

Mc 13,24.6. meta (met , na) . Afkorting : met' . Taalgebruik in het NT : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc : met dat) .
-- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Mc (34 + 16 = 50) . Mc 13 (2) : (1) Mc 13,24 . (2) Mc 13,26 .

Mc 13,24.7. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 13 (3) : (1) Mc 13,24 . (2) Mc 13,28 . (3) Mc 13,34 .

Mc 13,24.8. acc. vr. enk. thlipsin van het zelfst. naamw. thlipsis (verdrukking)  . Taalgebruik in het NT : thlipsis (verdrukking) . Taalgebruik in Mc : thlipsis (verdrukking) . Mc (1) : Mc 13,24 . Een vorm van thlipsis (verdrukking) in Mc in 3 verzen : (1) Mc 4,17 . (2) Mc 13,19 . (3) Mc 13,24 .

Mc 13,24.9. aanwijz. voornaamw. acc. vr. enk. ekeinèn (die) van het aanwijz. voornaamw. ekeinos (die) . Taalgebruik in het NT : ekeinos (die) . Taalgebruik in Mc : ekeinos (die) .
Mc (2) : (1) Mc 6,55 . (2) Mc 13,24 . Een vorm van ekeinos (die) in Mc in 22 verzen .

Mc 13,24.10. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 13 (16) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,11 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,16 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,33 . (15) Mc 13,35 . (16) Mc 13,37 .

Mc 13,24.11. nom. mann. enk. hèlios (zon) . Taalgebruik in het NT : hèlios (zon) . Taalgebruik in Lc : hèlios (zon) .
Mc (3) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 4,6 . (3) Mc 13,24 . Een vorm van hèlios (zon) in Mc in 4 verzen : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 4,6 . (3) Mc 13,24 . (4) Mc 16,2 .
(1) Mc 1,32 : hote edusen ho hèlios (toen de zon was ondergegaan) . Na zonsondergang na de eerste sabbatdag van Jezus'optreden .
(2) Mc 4,6 : kai hote aneteilen ho hèlios : en toen de zon was opgegaan = na zonsopgang . Deze zin komt voor in de parabel van de zaaier .
(3) Mc 13,24 : ho hèlios skotisthèsetai (de zon zal verduisterd worden) .
(4) Mc 16,2 : anateilantos tou hèliou (nadat de zon was opgegaan) .

Mc 13,24.12. pass. ind. fut. 3de pers. enk. skotisthèsetai (hij zal verduisterd worden) van het werkw. skotizô (verduisteren) . Taalgebruik in het NT : skotizô (verduisteren) . Taalgebruik in Mc : skotizô (verduisteren) . Mc (1) Mc 13,24 . Dit is de enigste vorm van skotizô (verduisteren) in Mc .

Mc 13,24.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

Mc 13,24.14. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 13 (5) : (1) Mc 13,24 . (2) Mc 13,30 . (3) Mc 13,31 . (4) Mc 13,32 . (5) Mc 13,35 .

Mc 13,24.15. nom. vr. enk. selènè (maan) . Taalgebruik in het NT : selènè (maan) . Taalgebruik in Lc : selènè (maan) .
Mc (1) : Mc 13,24 . Dit is de enigste vorm van selènè (maan) in Mc .

Mc 13,24.16. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) . Mc (42 + 66 + 6 = 114) . Mc 13 (7 + 3 + 0 = 10) . (1) Mc 13,2 (ou) . (2) Mc 13,11 (ou) . (3) Mc 13,14 (ou) . (4) Mc 13,19 (ou) . (5) Mc 13,20 (ouk) . (6) Mc 13,24 (ou) . (7) Mc 13,30 (ou) . (8) Mc 13,31 (ou) . (9) Mc 13,33 (ouk) . (10) Mc 13,35 (ouk) .

Mc 13,24.17. act. ind. fut. 3de pers. enk. dôsei (hij / zij zal geven) van het werkw. didômi (geven) . Taalgebruik in het NT : didômi (geven) . Taalgebruik in Mc : didômi (geven) . Hebr. nâthan (tha) . Lat. dare / donare - donum : geven - gave , gift . Fr. donner - don : geven - gave .
Mc (2) : (1) Mc 12,9 . (2) Mc 13,24 . Een vorm van didômi (geven) in Mc in 35 verzen .

Mc 13,24.18. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 13 (12) : (1) Mc 13,3 . (2) Mc 13,4 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,11 . (6) Mc 13,13 . (7) Mc 13,14 . (8) Mc 13,16 . (9) Mc 13,22 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,34 .

Mc 13,24.19. nom. onz. enk. feggos (lichtglans) . Taalgebruik in het NT : feggos (lichtglans) . Taalgebruik in Mc : feggos (lichtglans) .
Mc (1) : Mc 13,24 . Dit is de enigste vorm van feggos (lichtglans) in Mc .

Mc 13,24.20. pers. voornaamw. gen. vr. enk. autès van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (14) : (1) Mc 1,30 . (2) Mc 5,26 . (3) Mc 5,29 . (4) Mc 6,24 . (5) Mc 6,28 . (6) Mc 7,25 . (7) Mc 7,26 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 10,12 . (10) Mc 12,44 . (11) Mc 13,24 . (12) Mc 13,28 . (13) Mc 14,9 . (14) Mc 16,11 .

Mc 13,25 - Mc 13,25 : 305. De komst van de Mensenzoon - Mc 13,24-27 - Mt 24,29-31 - Lc 21,25-28 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 - Mc 13,24 - Mc 13,25 - Mc 13,26 - Mc 13,27 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:25 kai oi asteres esontai ek tou ouranou piptontes kai ai dunameis ai en tois ouranois saleuthèsontai 25 et erunt stellae caeli decidentes et virtutes quae sunt in caelis movebuntur           25 en ‘de sterren zullen uit de hemel vallen, en de machten in de hemelen zullen wankelen;,   

King James Bible . [25] And the stars of heaven shall fall, and the powers that are in heaven shall be shaken.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,25 . Variabele lezing .

Mc 13,25.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

Mc 13,25.2. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 13 (5) : (1) Mc 13,11 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,25 . (4) Mc 13,31 . (5) Mc 13,32 .

Mc 13,25.3. nom. vr. mv. asteres (sterren) van het zelfst. naamw. astèr (ster) . Taalgebruik in het NT : astèr (ster) . Taalgebruik in Mc : astèr (ster) . L. stella . F. etoile . N. ster . E. star . Mc (1) : Mc 13,25 . Dit is de enigste vorm van astèr (ster) in Mc .

Mc 13,25.4. act. ind. fut. 3de pers. mv. esontai (er zullen zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (5) : (1) Mc 10,8 . (2) Mc 10,31 . (3) Mc 13,8 . (4) Mc 13,19 . (5) Mc 13,25 .

Mc 13,25.5. ek - ex (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc (38 + 20 = 58) . ek (uit) Mc 13 (4) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,15 . (3) Mc 13,25 . (4) Mc 13,27 . (tempel - huis - hemel - 4 windstreken) .

Mc 13,25.6. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 13 (6) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,19 . (5) Mc 13,25 . (6) Mc 13,26 .

Mc 13,25.7. gen. mann. enk. ouranou (van de hemel) van het zelfst. naamw. ouranos (hemel) . Taalgebruik in het NT : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Mc : ouranos (hemel) . Mc (7) : (1) Mc 4,32 . (2) Mc 8,11 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,31 . (5) Mc 13,25 . (6) Mc 13,27 . (7) Mc 14,62 . Een vorm van ouranos (hemel) in Mc in 18 verzen . Een vorm van ouranos (hemel) in Mc 13 (4) : (1) Mc 13,25 . (2) Mc 13,27 . (3) Mc 13,31 . (4) Mc 13,32 .

Mc 13,25.8. act. part. praes. nom. mann. mv. piptontes (vallende) van het werkw. piptô (vallen) . Taalgebruik in het NT : piptô (vallen) . Taalgebruik in Mc : piptô (vallen) . Hebr. nâphal = vallen , Eng. to fall . Gr. piptô . Lat. cadere . Fr. tomber .
Mc (1) : Mc 13,25 . Een vorm van piptô (vallen) in Mc in 8 verzen .

Mc 13,25.9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

Mc 13,25.13. en (in) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 13 (7) : (1) Mc 13,11 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 . (5) Mc 13,25 . (6) Mc 13,26 . (7) Mc 13,32 .

Mc 13,25.14. bep. lidw. dat. mann. + onz. mv. tois . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (47) . Mc 13 (2) : (1) Mc 13,25 . (2) Mc 13,34 .

Mc 13,25.15. dat. mann. mv. ουρανοις = ouranois van het zelfst. naamw. ouranos (hemel) . Taalgebruik in het NT : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Mc : ouranos (hemel) . Mc (3) : (1) Mc 11,25 . (2) Mc 12,25 . (3) Mc 13,25 . Een vorm van ouranos (hemel) in Mc in 18 verzen . Een vorm van ouranos (hemel) in Mc 13 (4) : (1) Mc 13,25 . (2) Mc 13,27 . (3) Mc 13,31 . (4) Mc 13,32 .

Mc 13,25.13. - 15. εν τοις ουρανοις = en tois ouranois (in de hemelen) . Mc (3) : (1) Mc 11,25 . (2) Mc 12,25 . (3) Mc 13,25 . Lc (3) : (1) Lc 10,20 .  (2) Lc 12,33 . (3) Lc 18,22 .

Mc 13,25.16. pass. ind. aor. 3de pers. mv. saleuthèsontai (zij zullen heen en weer geschud worden) van het werkw. saleuô (heen en weer bewegen, schudden) . Taalgebruik in het NT : saleuô (heen en weer bewegen, schudden) . Taalgebruik in Mc : saleuô (heen en weer bewegen, schudden) .
Mc (1) : Mc 13,25 . Dit is de enigste vorm van saleuô (heen en weer bewegen, schudden) in Mc . Zie verder bij de inleiding op Mc 13,24 .

Mc 13,26 - Mc 13,26 : 305. De komst van de Mensenzoon - Mc 13,24-27 - Mt 24,29-31 - Lc 21,25-28 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 - Mc 13,24 - Mc 13,25 - Mc 13,26 - Mc 13,27 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:26 kai tote oyontai ton uion tou anthrôpou erchomenon en nefelais meta dunameôs pollès kai doxès  26 et tunc videbunt Filium hominis venientem in nubibus cum virtute multa et gloria           26 en dan zullen ze zien ‘de mensenzoon, komend in wolken; met grote macht en heerlijkheid;    

King James Bible .[26] And then shall they see the Son of man coming in the clouds with great power and glory.

Tekstuitleg van Mc 13,26 . Het vers Mc 13,26 telt 15 (3 X 5) woorden en 77 (2 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Mc 13,26 is 9620 (2 X 2 X 5 X 13 X 37) .

Mc 13,26.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

Mc 13,26.2. tote (dan) . (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het NT : tote (dan) . Taalgebruik in Mc : tote (dan) .
Mc (6) : (1) Mc 2,20 . (2) Mc 3,27 . (3) Mc 13,14 . (4) Mc 13,21 . (5) Mc 13,26 . (6) Mc 13,27 .

Mc 13,26.1. - 2. kai tote (en dan) . Mc (5) : (1) Mc 2,20 . (2) Mc 3,27 . (3) Mc 13,21 . (4) Mc 13,26 . (5) Mc 13,27 . Niet in Mc 13,14 .

Mc 13,26.3. act. ind. fut. 3de pers. mv. opsontai (zij zullen zien) van het werkw. horaô (zien) . Taalgebruik in het NT : horaô (zien) . Taalgebruik in Mc : horaô (zien) . Taalgebruik in Lc : horaô (zien) . Mc (1) Mc 13,26 . Een vorm van horaô (zien) in Mc in 7 verzen : (1) Mc 1,44 . (2) Mc 8,15 . (3) Mc 8,24 . (4) Mc 9,4 . (5) Mc 13,26 . (6) Mc 14,62 . (7) Mc 16,7 . De mensenzoon zien komen in Mc (2) :
- Mc 13,26 : opsontai ton huion tou anthrôpou erchomenon (zij zullen de mensenzoon zien komende) .
- Mc 14,62 : opsesthe ton huion tou anthrôpou ... erchomenon (jullie zullen de mensenzoon zien ... komende) .

Mc 13,26.4. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 13 (2) :  (1) Mc 13,16 . (2) Mc 13,26 .

Mc 13,26.5. acc. mann. enk. huion (zoon) van het zelfst. naamw. huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Taalgebruik in Mc : huios (zoon) . Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils .
Mc (6) : (1) Mc 8,31 .  (2) Mc 9,12 . (3) Mc 9,17 .  (4) Mc 12,6 . (5) Mc 13,26 . (6) Mc 14,62 . Een vorm van huios (zoon) in Mc in 33 verzen .

Mc 13,26.6. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 13 (6) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,19 . (5) Mc 13,25 . (6) Mc 13,26 .

Mc 13,26.7. gen. mann. enk. anthrôpou (mens) van het zelfst. naamw. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het NT : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) .
Mc (16) : (1) Mc 2,10 . (2) Mc 2,28 .   (3) Mc 5,8 .   (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,20 .  (6) Mc 8,31 .  (7) Mc 8,38 . (8) Mc 9,9 . (9) Mc 9,12 . (10) Mc 9,31 .  (11) Mc 10,33 . (12) Mc 10,45 .   (13) Mc 13,26 .  (14) Mc 14,21 . (15) Mc 14,41 . (16) Mc 14,62 . Een vorm van anthrôpos (mens) in Mc in 53 verzen .

Mc 13,26.5. - 7. Een vorm van huios tou anthrôpou (mensenzoon) in 13 (14X) verzen : (1) Mc 2,10 . (2) Mc 2,28 . (3) Mc 8,31 .  (4) Mc 8,38 . (5) Mc 9,9 . (6) Mc 9,12 . (7) Mc 9,31 .  (8) Mc 10,33 . (9) Mc 10,45 .   (10) Mc 13,26 .  (11) Mc 14,21 (2X) . (12) Mc 14,41 . (13) Mc 14,62 .

Mc 13,26.8. part. pr. acc. mann. enk. erchomenon (komende) van het werkw. erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) .
Mc (3) : (1) Mc 13,26 . (2) Mc 14,62 . (3) Mc 15,21 . Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Mc in 82 verzen .
Het komen van de mensenzoon komt in Mc in 3 verzen voor : (1) Mc 8,38 . (2) Mc 13,26 . (3) Mc 14,62 .
De mensenzoon zien komen in Mc (2) :
- Mc 13,26 : opsontai ton huion tou anthrôpou erchomenon (zij zullen de mensenzoon zien komende) .
- Mc 14,62 : opsesthe ton huion tou anthrôpou ... erchomenon (jullie zullen de mensenzoon zien ... komende) .

Mc 13,26.9. en (in) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 13 (7) : (1) Mc 13,11 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 . (5) Mc 13,25 . (6) Mc 13,26 . (7) Mc 13,32 .

Mc 13,26.10. dat. vr. mv. nefelais (wolken) van het zelfst. naamw. nefelè (nevel, wolk) . Taalgebruik in het NT : nefelè (nevel, wolk) . Taalgebruik in Mc : nefelè (nevel, wolk) . Mc (1) : Mc 13,26 . Een vorm van nefelè (nevel, wolk) in Mc in 4 verzen : (1) Mc 9,7 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 13,26 . (4) Mc 14,62 . De komst van de mensenzoon is omgeven door wolken in Mc in 2 verzen :
- Mc 13,26 erchomenon en nefelais (komende met wolken) .
- Mc 14,62 : erchomenon meta tôn nefelôn tou ouranou (komende met de wolken van de hemel) .

Mc 13,26.11. meta (met , na) . Afkorting : met' . Taalgebruik in het NT : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc : met dat) .
-- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Mc (34 + 16 = 50) . Mc 13 (2) : (1) Mc 13,24 . (2) Mc 13,26 .

Mc 13,26.12. gen. vr. enk. dunameôs (van de kracht) van het zelfst. naamw. dunamis (macht, kracht) . Taalgebruik in het NT : dunamis (macht, kracht) . Taalgebruik in Mc : dunamis (macht, kracht) . Mc (2) : (1) Mc 13,26 . (2) Mc 14,62 . Een vorm van dunamis (macht, kracht) (enk.) in Mc in 7 verzen : (1) Mc 5,30 . (2) Mc 6,5 . (3) Mc 9,1 . (4) Mc 9,39 . (5) Mc 12,24 . (6) Mc 13,26 . (7) Mc 14,62 . Er is een overeenkomst tussen Mc 9,1 en Mc 13,26 :
- Mc 9,1 : heôs an idôsin tèn basileian tou theou elèluthuian en dunamei (totdat zij zouden zien het koninkrijk van God , gekomen in kracht) .
- Mc 13,26 : opsontai ton huion tou anthrôpou erchomenon ... meta dunameôs pollès (zij zullen de mensenzoon zien komende ... met vele kracht) .

Mc 13,26.13. gen. vrouw. enk. pollès (veel) van het bijvoegl. naamw. polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Taalgebruik in Mc : polus (veel) .
Mc (2) : (1) Mc 6,35 . (2) Mc 13,26 .

Mc 13,26.14. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

Mc 13,26.15. gen. vr. enk. doxès van het zelfst. naamw. doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in het NT : doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in Mc : doxa (heerlijkheid) . Mc (1) : (1) Mc 13,26 . Een vorm van doxa (heerlijkheid) in Mc in 3 verzen : (1) Mc 8,38 . (2) Mc 10,37 . (3) Mc 13,26 .

Mc 13,26.8. - 9. 15. het komen van de mensenzoon in heerlijkheid :
- Mc 8,38 : hotan elthè(i) en tè(i) doxè(i) tou patros autou (wanneer hij komt in de heerlijkheid van zijn vader) .
- Mc 13,26 : erchomenon en ... doxè(i) (komende in ... heerlijkheid) .

Mc 13,27 - Mc 13,27 : 305. De komst van de Mensenzoon - Mc 13,24-27 - Mt 24,29-31 - Lc 21,25-28 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 - Mc 13,24 - Mc 13,25 - Mc 13,26 - Mc 13,27 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:27 kai tote apostelei tous aggelous kai episunaxei tous eklektous [autou] ek tôn tessarôn anemôn ap akrou gès eôs akrou ouranou  27 et tunc mittet angelos suos et congregabit electos suos a quattuor ventis a summo terrae usque ad summum caeli          27 en dán zal hij de engelen uitzenden en zijn uitverkorenen ‘samenbrengen uit de vier windstreken, vanaf de rand van de aarde tot aan de rand van de hemel;;   

King James Bible . [27] And then shall he send his angels, and shall gather together his elect from the four winds, from the uttermost part of the earth to the uttermost part of heaven.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 13,27 . Het vers Mc 13,27 telt 21 (3 X 7) woorden en 108 (2² X 3³) letters . De getalwaarde van Mc 13,27 is 15650,(2 X 5² X 313) . Marcus gebruikt de profetie van Jesaja tegen Babel (Js 13,10) .

Mc 13,27.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

Mc 13,27.2. hote (dan) . (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het NT : tote (dan) . Taalgebruik in Mc : tote (dan) .
Mc (6) : (1) Mc 2,20 . (2) Mc 3,27 . (3) Mc 13,14 . (4) Mc 13,21 . (5) Mc 13,26 . (6) Mc 13,27 .

Mc 13,27.1. - 2. kai tote (en dan) . Mc (5 / 6) : (1) Mc 2,20 . (2) Mc 3,27 . (3) Mc 13,21 . (4) Mc 13,26 . (5) Mc 13,27 . Niet in (3) Mc 13,14 .

5. acc. mann. mv. aggelous van het zelfst. naamw. aggelos (engel, boodschapper) . Taalgebruik in het NT : aggelos (engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos (engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden . Hebr. malë´akh .
Mc (1) Mc 13,27 . Een vorm van aggelos (engel, boodschapper) in Mc (6) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 8,38 . (4) Mc 12,25 .  (5) Mc 13,27 .  (6) Mc 13,32 .

Mc 13,27.6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

Mc 13,27.10. pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (143) . Mc 13 (6) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,16 . (5) Mc 13,27 . (6) Mc 13,34 . In 2 verzen als onderdeel van een losse genitief : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . In de 4 andere verzen als genitief bij een zelfstandig naamwoord .

Mc 13,27.11. ek - ex (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc (38 + 20 = 58) . ek (uit) Mc 13 (4) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,15 . (3) Mc 13,25 . (4) Mc 13,27 . (tempel - huis - hemel - 4 windstreken) .

Mc 13,27.12. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 13 (3) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,27 .

20. gen. mann. enk. ouranou (van de hemel) van het zelfst. naamw. ouranos (hemel) . Taalgebruik in het NT : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Mc : ouranos (hemel) . Mc (7) : (1) Mc 4,32 . (2) Mc 8,11 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,31 . (5) Mc 13,25 . (6) Mc 13,27 . (7) Mc 14,62 . Een vorm van ouranos (hemel) in Mc in 18 verzen . Een vorm van ouranos (hemel) in Mc 13 (4) : (1) Mc 13,25 . (2) Mc 13,27 . (3) Mc 13,31 . (4) Mc 13,32 .

Bij de vraag van de hogepriester of hij de messias, de zoon van de Gezegende is, antwoordde Jezus positief en haalde dan het citaat van Daniël over de komst van de mensenzoon aan. Hiermee duidt Jezus aan dat zijn veroordeling tot de dood geen nederlaag zal zijn, maar een overwinning, geen uit de wegruiming, maar een definitieve komst. In apocalyptische taal neemt men de beelden niet letterlijk, waarom zouden we het hier doen? Ook hier is einde en begin aan elkaar gekoppeld.

Mc 14,62 Mc 8,38 Mc 9,1 Mc 13,26
kai (en) hotan (wanneer) heôs an (totdat) kai tote (en dan)
opsesthe (gij zult zien)   idôsin (zij zullen zien) opsontai (zullen zij zien)
ton huion tou anthrôpou (de mensenzoon)   tèn basileian tou theou (het koninkrijk van God) ton huion tou anthrôpou (de mensenzoon)
ek deksiôn (rechts) kathèmenon (zittend) dunameôs (van de kracht)      
kai (en) erchomenon (komende) elthèi (hij komt)  elèluthuian  (gekomen zijnde) erchomenon (komende)
  en tèi doksèi tou patros autou (in de heerlijkheid van zijn vader) en dunamei (in kracht) en nefelais meta dunameôs pollès kai doksès (op de wolken met grote kracht en heerlijkheid)
meta tôn nefelôn tou ouranou (op de wolken van de hemel) meta tôn aggelôn tôn hagiôn (met zijn heilige engelen)      
 332. Jezus voor het Sanhedrin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -   166. Wat baat het een mens de hele wereld te winnen : Mc 8,36-38 - Mt 16,26-27 - Lc 9,25-26 -  167. Nabijheid van het Rijk Gods : Mc 9,1 - Mt 16,28 - Lc 9,27 -  305. De komst van de Mensenzoon : Mc 13,24-27 - Mt 24,29-31 - Lc 21,25-28 -

 

306. Gelijkenis van de vijgeboom : Mc 13,28-29 - Mc 13,28-29 - Mt 24,32-33 - Lc 21,29-31 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,28 - Mc 13,29 -

Mc 13,28b    Mc 13, 29b
hotan (wanneer)  kai (en)  hotan (wanneer)
èdè (reeds)    idète (gij ziet)
 ho klados autès (zijn twijg)  ekfuèi (uitlopen)  
hapalos (zacht)     
genètai (wordt)  ta fulla (de bladeren) tauta ginomena (dit gebeuren) 
 ginôskete (weet)    ginôskete (weet)
hoti (dat)    hoti (dat) 
 eggus (nabij)   eggus (nabij)
 to theros (de zomer)    
 estin (is)   estin (is het)
     epi thurais (bij de deur)

 

Mc 13,28 - Mc 13,28 : 306. Gelijkenis van de vijgeboom - Mc 13,28-29 - Mt 24,32-33 - Lc 21,29-31 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,28 - Mc 13,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:28 apo de tès sukès mathete tèn parabolèn otan èdè o klados autès apalos genètai kai ekfuè ta fulla ginôskete oti eggus to theros estin  28 a ficu autem discite parabolam cum iam ramus eius tener fuerit et nata fuerint folia cognoscitis quia in proximo sit aestas   Leer nu van de vijgeboom deze gelijkenis : wanneer zijn tak al week wordt en de blaren laat ontspruiten , weet je dat de zomer nabij is ;   28 En leert van den vijgeboom deze gelijkenis; wanneer nu zijn tak teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet gij, dat de zomer nabij is.  [28] Leer van het beeld van de vijgenboom: als zijn twijgen zacht worden en zijn bladeren zich ontvouwen, dan weten jullie dat de zomer in aantocht is.    [28] Leer van de vijgenboom deze les: zo gauw zijn takken uitlopen en in blad schieten, weet je dat de zomer in aantocht is.   28 ¶ leert dan van de vijgenboom deze gelijkenis: wanneer haar hout al weer zacht wordt en haar bladeren uitschieten, herkent ge daaraan dat de zomer dichtbij is;  28. « Du figuier apprenez cette parabole. Dès que sa ramure devient flexible et que ses feuilles poussent, vous comprenez que l'été est proche. 

King James Bible . Now learn a parable of the fig tree; When her branch is yet tender, and putteth forth leaves, ye know that summer is near:
Luther-Bibel . 28 An dem Feigenbaum aber lernt ein Gleichnis: Wenn jetzt seine Zweige saftig werden und Blätter treiben, so wisst ihr, dass der Sommer nahe ist.

Tekstuitleg van Mc 13,28 . Dit vers Mc 13,28 telt 24 (2 X 2 X 2 X 3) woorden en 108 (2 X 2 X 3 X 3) letters . De getalwaarde van Mc 13,28 is 10999 (17 X 647) .
- Mc 13,28 : parabel van de vijgeboom : hotan ... ginôskete hoti eggus ... estin (wanneer ... weten jullie dat ... nabij is) .
- Mc 13,29 : de realiteit : hotan ... ginôskete hoti eggus estin ... (wanneer ... weten jullie dat nabij is ...)

Mc 13,28.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2 = 151) . Mc 13 (13) : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,7 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,17 . (8) Mc 13,18 . (9) Mc 13,23 . (10) Mc 13,28 . (11) Mc 13,31 . (12) Mc 13,32 . (13) Mc 13,37 .

Mc 13,28.4. gen. vr. enk. sukès (van de vijgeboom) van het zelfst. naamw. sukè (vijgeboom) . Taalgebruik in het NT : sukè (vijgeboom) . Taalgebruik in Mc : sukè (vijgeboom) . Mc (1) : Mc 13,28 . Een vorm van sukè (vijgeboom) in Mc in 5 verzen : (1) Mc 11,13 (sukèn) . (2) Mc 11,13 (sukôn) . (3) Mc 11,20 . (4) Mc 11,21 . (5) Mc 13,28 .

6. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 13 (3) : (1) Mc 13,24 . (2) Mc 13,28 . (3) Mc 13,34 .

Mc 13,28.7. acc. vr. enk. parabolèn (parabel) van het zelfst. naamw. parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in het NT : parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in Mc : parabolè (parabel, gelijkenis) . Paraballô : naast elkaar werpen , vergelijken .
Mc (4) : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 12,12 . (4) Mc 13,28 . Een vorm van parabolè (parabel) in 13 verzen in Mc .

8. hotan (telkens wanneer, wanneer, zodra) . Taalgebruik in het NT : hotan (telkens wanneer , wanneer, zodra) . Taalgebruik in Mc : hotan (telkens wanneer , wanneer, zodra) .
Mc (21) : (1) Mc 2,20 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 4,15 . (4) Mc 4,16 . (5) Mc 4,29 . (6) Mc 4,31 . (7) Mc 4,32 . (8) Mc 8,38 . (9) Mc 9,9 . (10) Mc 11,19 . . (11) Mc 11,25 . . (12) Mc 12,23 . (13) Mc 12,25 . (14) Mc 13,4 . (15) Mc 13,7 . (16) Mc 13,11 . (17) Mc 13,14 . (18) Mc 13,28 . (19) Mc 13,29 . (20) Mc 14,7 . (21) Mc 14,25 .

Mc 13,28.9. èdè (reeds)  Taalgebruik in het NT : èdè (reeds) . Taalgebruik in Mc : èdè (reeds) .
Mc (7) : (1) Mc 4,37 . (2) Mc 6,35 . (3) Mc 8,2 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 13,28 . (6) Mc 15,42 . (7) Mc 15,44 .

Mc 13,28.10. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 13 (16) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,11 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,16 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,33 . (15) Mc 13,35 . (16) Mc 13,37 .

12. pers. voornaamw. gen. vr. enk. autès van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (14) : (1) Mc 1,30 . (2) Mc 5,26 . (3) Mc 5,29 . (4) Mc 6,24 . (5) Mc 6,28 . (6) Mc 7,25 . (7) Mc 7,26 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 10,12 . (10) Mc 12,44 . (11) Mc 13,24 . (12) Mc 13,28 . (13) Mc 14,9 . (14) Mc 16,11 .

Mc 13,28.14. conj. aor. 3de pers. enk. genètai (zou worden, gebeuren) van het werkw. ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . Mc (5) : (1) Mc 9,50 . (2) Mc 13,18 . (3) Mc 13,19 . (4) Mc 13,28 . (5) Mc 13,30 . Een vorm van ginomai (worden) in Mc in 52 verzen .

15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

19. act. ind. praes. 2de pers. mv. ginôskete (jullie weten) van het werkw. ginôskô (kennen, weten)  . Taalgebruik in het NT : ginôskô (kennen, weten) . Taalgebruik in Mc : ginôskô (kennen, weten) .
Mc (2) : (1) Mc 13,28 . (2) Mc 13,29 . Een vorm van ginôskô (kennen, weten) in Mc in 13 verzen .

Mc 13,28.20. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 13 (4) : (1) Mc 13,6 . (2) Mc 13,28 . (3) Mc 13,29 . (4) Mc 13,30 .

Mc 13,28.22. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 13 (12) : (1) Mc 13,3 . (2) Mc 13,4 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,11 . (6) Mc 13,13 . (7) Mc 13,14 . (8) Mc 13,16 . (9) Mc 13,22 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,34 .

Mc 13,29 - Mc 13,29 : 306. Gelijkenis van de vijgeboom - Mc 13,28-29 - Mt 24,32-33 - Lc 21,29-31 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,28 - Mc 13,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:29 outôs kai umeis otan idète tauta ginomena ginôskete oti eggus estin epi thurais  29 sic et vos cum videritis haec fieri scitote quod in proximo sit in ostiis      [29] Zo moeten jullie ook weten: wanneer je deze dingen ziet gebeuren, dan staat het vlak voor de deur.   [29] Zo moeten jullie ook weten, wanneer je die dingen ziet gebeuren, dat het einde nabij is.  29 zo ook gíj; wanneer ge ziet dat dit alles geschiedt, herkent dan daaraan dat het nabij is en voor de deuren staat;  29. Ainsi vous, lorsque vous verrez cela arriver, comprenez qu'Il est proche, aux portes. 

King James Bible . [29] So ye in like manner, when ye shall see these things come to pass, know that it is nigh, even at the doors.
Luther-Bibel . 29 Ebenso auch: wenn ihr seht, dass dies geschieht, so wisst, dass er nahe vor der Tür ist.

Tekstuitleg van Mc 13,29 . Het vers Mc 13,29 telt 13 woorden en 65 (5 X 13) letters . De getalwaarde van Mc 13,29 is 7999 (19 X 421) .

Mc 13,29.1. houtôs (zo, op deze wijze) . Taalgebruik in het NT : houtos (zo) . Taalgebruik in Mc : houtos (zo) .
Mc (10) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,12 .  (4) Mc 4,26 .  (5) Mc 7,18 .  (6) Mc 9,3 .  (7) Mc 10,43 .  (8) Mc 13,29 .  (9) Mc 14,59 .  (10) Mc 15,39 .

Mc 13,29.2. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

Mc 13,29.3. persoonl. voornaamw. nom. mann. mv. 2de pers. humeis (jullie) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (10) : (1) Mc 6,31 . (2) Mc 6,37 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,18 . (5) Mc 8,29 . (6) Mc 11,17 . (7) Mc 13,9 . (8) Mc 13,11 . (9) Mc 13,23 . (10) Mc 13,29

Mc 13,29.1. - 3. houtôs kai humeis (zo ook jullie) . Mc (2) : (1) Mc 7,18 . (2) Mc 13,29 .

Mc 13,29.4. hotan (telkens wanneer, wanneer, zodra) . Taalgebruik in het NT : hotan (telkens wanneer , wanneer, zodra) . Taalgebruik in Mc : hotan (telkens wanneer , wanneer, zodra) .
Mc (21) : (1) Mc 2,20 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 4,15 . (4) Mc 4,16 . (5) Mc 4,29 . (6) Mc 4,31 . (7) Mc 4,32 . (8) Mc 8,38 . (9) Mc 9,9 . (10) Mc 11,19 . . (11) Mc 11,25 . . (12) Mc 12,23 . (13) Mc 12,25 . (14) Mc 13,4 . (15) Mc 13,7 . (16) Mc 13,11 . (17) Mc 13,14 . (18) Mc 13,28 . (19) Mc 13,29 . (20) Mc 14,7 . (21) Mc 14,25 .

Mc 13,29.6. nom. + acc. onz. mv. tauta (die dingen) van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) .
Mc (14) : (1) Mc 2,8 . (2) Mc 6,2 . (3) Mc 7,23 . (4) Mc 8,7 . (5) Mc 10,20 . (6) Mc 11,28 . (7) Mc 11,29 . (8) Mc 11,33 . (9) Mc 13,4 . (10) Mc 13,8 . (11) Mc 13,29 . (12) Mc 13,30 . (13) Mc 16,12 . (14) Mc 16,17 .

Mc 13,29.8. act. ind. praes. 2de pers. mv. ginôskete (jullie weten) van het werkw. ginôskô (kennen, weten)  . Taalgebruik in het NT : ginôskô (kennen, weten) . Taalgebruik in Mc : ginôskô (kennen, weten) .
Mc (2) : (1) Mc 13,28 . (2) Mc 13,29 . Een vorm van ginôskô (kennen, weten) in Mc in 13 verzen .

Mc 13,29.9. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 13 (4) : (1) Mc 13,6 . (2) Mc 13,28 . (3) Mc 13,29 . (4) Mc 13,30 .

12. epi , ep' , ef' (op) . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Ned. op .
Mc (51 + 14 + 6 = 71) . Mc 13 (7 + 1 = 8) : epi (op) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,6 . (3) Mc 13,8 . (4) Mc 13,9 . (5) Mc 13,12 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,29 . ep' (1) Mc 13,8 .

307. De tijd van het einde : Mc 13,30-32 -- Mc 13,30-32 - Mt 24,34-36 - Lc 21,32-33 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,30 - Mc 13,31 - Mc 13,32 -
Mc 13,30 - Mc 13,30 : 307. De tijd van het einde - Mc 13,30-32 - Mt 24,34-36 - Lc 21,32-33 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,30 - Mc 13,31 - Mc 13,32 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:30 amèn legô umin oti ou mè parelthè è genea autè mechris ou tauta panta genètai  30 amen dico vobis quoniam non transiet generatio haec donec omnia ista fiant      [30] Ik verzeker jullie, deze generatie gaat niet voorbij voordat dit allemaal gebeurd is.   [30] Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker nog niet verdwenen zijn wanneer al die dingen gebeuren.   30 voorwaar, ik zeg u dat dit geslacht niet voorbij zal gaan voordat dit alles is geschied;   30. En vérité je vous le dis, cette génération ne passera pas que tout cela ne soit arrivé.  

King James Bible . [30] Verily I say unto you, that this generation shall not pass, till all these things be done.
Luther-Bibel . 30 Wahrlich, ich sage euch: Dieses Geschlecht wird nicht vergehen, bis dies alles geschieht.

Tekstuitleg van Mc 13,30 .

4. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 13 (4) : (1) Mc 13,6 . (2) Mc 13,28 . (3) Mc 13,29 . (4) Mc 13,30 .

5. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) . Mc (42 + 66 + 6 = 114) . Mc 13 (7 + 3 + 0 = 10) . (1) Mc 13,2 (ou) . (2) Mc 13,11 (ou) . (3) Mc 13,14 (ou) . (4) Mc 13,19 (ou) . (5) Mc 13,20 (ouk) . (6) Mc 13,24 (ou) . (7) Mc 13,30 (ou) . (8) Mc 13,31 (ou) . (9) Mc 13,33 (ouk) . (10) Mc 13,35 (ouk) .

6. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc (67) . Mc 13 (14) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,11 . (5) Mc 13,15 . (6) Mc 13,16 . (7) Mc 13,18 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,20 . (10) Mc 13,21 . (11) Mc 13,30 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,36 .

8. partikel van vergelijking è OF bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 13 (5) : (1) Mc 13,24 . (2) Mc 13,30 . (3) Mc 13,31 . (4) Mc 13,32 . (5) Mc 13,35 .

13. nom. + acc. onz. mv. tauta (die dingen) van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) .
Mc (14) : (1) Mc 2,8 . (2) Mc 6,2 . (3) Mc 7,23 . (4) Mc 8,7 . (5) Mc 10,20 . (6) Mc 11,28 . (7) Mc 11,29 . (8) Mc 11,33 . (9) Mc 13,4 . (10) Mc 13,8 . (11) Mc 13,29 . (12) Mc 13,30 . (13) Mc 16,12 . (14) Mc 16,17 .

14. acc. m. enk. , nom. m. + onz. mv. panta (alle) van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk , al) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder .
Mc (21) : (1) Mc 3,28 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,34 .  (4) Mc 5,26 . (5) Mc 6,30 . (6) Mc 7,19 . (7) Mc 7,23 . (8) Mc 7,37 . (9) Mc 9,12 . (10) Mc 9,23 . (11) Mc 10,20 . (12) Mc 10,27 . (13) Mc 10,29 . (14) Mc 11,11 . (15) Mc 11,24 . (16) Mc 12,44 . (17) Mc 13,4 . (18) Mc 13,10 . (19) Mc 13,23 . (20) Mc 13,30 . (21) Mc 14,36 .  Mc 13 (4) . (1) Mc 13,4 . (2) Mc 13,10 . (3) Mc 13,23 . (4) Mc 13,30 . Een vorm van pas (ieder, elk , al) in Mc in 66 verzen .

15. conj. aor. 3de pers. enk. genètai (zou worden, gebeuren) van het werkw. ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . Mc (5) : (1) Mc 9,50 . (2) Mc 13,18 . (3) Mc 13,19 . (4) Mc 13,28 . (5) Mc 13,30 . Een vorm van ginomai (worden) in Mc in 52 verzen .

Mc 13,31 - Mc 13,31 : 307. De tijd van het einde - Mc 13,30-32 - Mt 24,34-36 - Lc 21,32-33 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,30 - Mc 13,31 - Mc 13,32 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:31 o ouranos kai è gè pareleusontai oi de logoi mou ou | | mè | pareleusontai   31 caelum et terra transibunt verba autem mea non transibunt      [31] Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.  [31] Hemel en aarde zullen verdwijnen, maar mijn woorden zullen nooit verdwijnen.   31 de hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan!   31. Le ciel et la terre passeront, mais mes paroles ne passeront point.  

King James Bible . Luther-Bibel . [31] Heaven and earth shall pass away: but my words shall not pass away.
Luther-Bibel . 31 Himmel und Erde werden vergehen; meine Worte aber werden nicht vergehen.

Tekstuitleg van Mc 13,31 . Twee nevenschikkende zinnen , parallel opgebouwd , met de gemeenschapp. werkw.vorm pareleusontai (zij zullen langskomen, voorbijgaan) .

Mc 13,31.1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 13 (16) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,11 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,16 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,33 . (15) Mc 13,35 . (16) Mc 13,37 .

Mc 13,31.2. nom. mann. enk. ouranos (hemel) . Taalgebruik in het NT : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Mc : ouranos (hemel) . Mc (1) : Mc 13,31 .

Mc 13,31.3. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 13 . Van de 37 verzen niet in 11 verzen : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,18 . (5) Mc 13,23 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 13,32 . (8) Mc 13,33 . (9) Mc 13,35 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 13,37 .

Mc 13,31.4. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 13 (5) : (1) Mc 13,24 . (2) Mc 13,30 . (3) Mc 13,31 . (4) Mc 13,32 . (5) Mc 13,35 .

Mc 13,31.5. nom. vr. enk. gè (aarde, land) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Taalgebruik in Mc : gè (aarde) .
Mc (2) : (1) Mc 4,28 . (2) Mc 13,31 . Een vorm van gè (aarde, land) in Mc in 18 verzen .

Mc 13,31.6. ind. fut. 3de pers. mv. pareleusontai (zij zullen langskomen, voorbijgaan) van het werkw. parerchomai (langskomen, voorbijgaan) . Taalgebruik in het NT : parerchomai (langskomen, voorbijgaan) . Taalgebruik in Mc : parerchomai (langskomen, voorbijgaan) . Mc (1) : Mc 13,31 (2X) . Een vorm van parerchomai (langskomen, voorbijgaan) in Mc in 4 verzen : (1) . (2) . (3) . (4) .

Mc 13,31.7. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 13 (5) : (1) Mc 13,11 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,25 . (4) Mc 13,31 . (5) Mc 13,32 .

8. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2 = 151) . Mc 13 (13) : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,7 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,17 . (8) Mc 13,18 . (9) Mc 13,23 . (10) Mc 13,28 . (11) Mc 13,31 . (12) Mc 13,32 . (13) Mc 13,37 .

Mc 13,31.9. nom. mann. mv. logoi (woorden) van het zelfst. naamw. logos (woord) . Taalgebruik in het NT : logos (woord) . Taalgebruik in Mc : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (1) : Mc 13,31 . Een vorm van logos (woord) in Mc in 24 verzen .

10. gen. enk. mou (van mij) van het persoonl. voornaamw. egô (ik) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (34) . Mc 13 (3) : (1) Mc 13,6 . (2) Mc 13,13 . (3) Mc 13,31 .

Mc 13,31.11. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) . Mc (42 + 66 + 6 = 114) . Mc 13 (7 + 3 + 0 = 10) . (1) Mc 13,2 (ou) . (2) Mc 13,11 (ou) . (3) Mc 13,14 (ou) . (4) Mc 13,19 (ou) . (5) Mc 13,20 (ouk) . (6) Mc 13,24 (ou) . (7) Mc 13,30 (ou) . (8) Mc 13,31 (ou) . (9) Mc 13,33 (ouk) . (10) Mc 13,35 (ouk) .

Mc 13,31.12. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc (67) . Mc 13 (14) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,11 . (5) Mc 13,15 . (6) Mc 13,16 . (7) Mc 13,18 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,20 . (10) Mc 13,21 . (11) Mc 13,30 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,36 .

Mc 13,31.13. ind. fut. 3de pers. mv. pareleusontai (zij zullen langskomen, voorbijgaan) van het werkw. parerchomai (langskomen, voorbijgaan) . Taalgebruik in het NT : parerchomai (langskomen, voorbijgaan) . Taalgebruik in Mc : parerchomai (langskomen, voorbijgaan) . Mc (1) : Mc 13,31 (2X) .

Mc 13,32 - Mc 13,32 : 307. De tijd van het einde - Mc 13,30-32 - Mt 24,34-36 - Lc 21,32-33 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,30 - Mc 13,31 - Mc 13,32 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:32 peri de tès èmeras ekeinès è tès ôras oudeis oiden oude oi aggeloi en ouranô oude o uios ei mè o patèr  32 de die autem illo vel hora nemo scit neque angeli in caelo neque Filius nisi Pater     
[32] Maar wanneer die dag of dat uur aanbreekt, weet niemand, de engelen in de hemel niet, de Zoon niet, maar alleen de Vader.  
[32] Niemand weet wanneer die dag of dat moment zal aanbreken, de engelen in de hemel niet en de Zoon niet, alleen de Vader.  32 maar over die dag en dat uur weet niemand iets, ook de engelen in de hemel niet en ook de Zoon niet, alleen de Vader;  32. « Quant à la date de ce jour, ou à l'heure, personne ne les connaît, ni les anges dans le ciel, ni le Fils, personne que le Père.  

King James Bible . [32] But of that day and that hour knoweth no man, no, not the angels which are in heaven, neither the Son, but the Father.
Luther-Bibel . 32 Von dem Tage aber und der Stunde weiß niemand, auch die Engel im Himmel nicht, auch der Sohn nicht, sondern allein der Vater.

Tekstuitleg van Mc 13,32 .

1. peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in het NT : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Mc : peri (over, rondom, omwille van) . Fr. pour , N. voor . Voorzetsel . Mc (22) . Mc 13 (1) : Mc 13,32 .

Mc 13,32.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2 = 151) . Mc 13 (13) : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,7 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,17 . (8) Mc 13,18 . (9) Mc 13,23 . (10) Mc 13,28 . (11) Mc 13,31 . (12) Mc 13,32 . (13) Mc 13,37 .

Mc 13,32.4. gen. vr. enk. + acc. vr. mv hèmeras van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Mc : hèmera (dag) .
Mc (11) : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 5,5 . (3) Mc 6,21 . (4) Mc 8,31 . (5) Mc 9,2 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 10,34 . (8) Mc 13,20 . (9) Mc 13,32 . (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,25 .

Mc 13,32.6. partikel van vergelijking è OF bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 13 (5) : (1) Mc 13,24 . (2) Mc 13,30 . (3) Mc 13,31 . (4) Mc 13,32 . (5) Mc 13,35 .

Mc 13,32.8. gen. vr. enk. hôras (uur) van het zelfst. naamw. hôra (uur) . Taalgebruik in het NT : hôra (uur) . Taalgebruik in Mc : hôra (uur) .
Mc (4) : (1) Mc 6,35 . (2) Mc 11,11 . (3) Mc 13,32 . (4) Mc 15,33 .  
nom. + dat. vr. enk. hôra(i) . Mc (6) : (1) Mc 6,35 . (2) Mc 13,11 . (3) Mc 14,35 . (4) Mc 14,41 . (5) Mc 15,25 . (6) Mc 15,34 .

Mc 13,32.12. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 13 (5) : (1) Mc 13,11 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,25 . (4) Mc 13,31 . (5) Mc 13,32 .

13. nom. mann. mv. aggeloi van het zelfst. naamw. aggelos (engel, boodschapper) . Taalgebruik in het NT : aggelos (engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos (engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden . Hebr. malë´akh .
Mc (3) : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 12,25 .  (3) Mc 13,32 . Een vorm van aggelos (engel, boodschapper) in Mc (6) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 8,38 . (4) Mc 12,25 .  (5) Mc 13,27 .  (6) Mc 13,32 .

Mc 13,32.14. en (in) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 13 (7) : (1) Mc 13,11 . (2) Mc 13,14 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 . (5) Mc 13,25 . (6) Mc 13,26 . (7) Mc 13,32 .

15. dat. mann. enk. ouranô(i) (hemel) van het zelfst. naamw. ouranos (hemel) . Taalgebruik in het NT : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Mc : ouranos (hemel) . Mc (2) : (1) Mc 10,21 . (2) Mc 13,32 . Een vorm van ouranos (hemel) in Mc in 18 verzen .

14. - 15. en ouranô(i) (in een / de hemel) : Mc (2) : (1) Mc 10,21 . (2) Mc 13,32 . Het is opvallend dat in deze twee verzen geen bepaald lidwoord staat .

Mc 13,32.20. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc (67) . Mc 13 (14) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,11 . (5) Mc 13,15 . (6) Mc 13,16 . (7) Mc 13,18 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,20 . (10) Mc 13,21 . (11) Mc 13,30 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,36 .

Mc 13,32.21. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 13 (16) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,11 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,16 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,33 . (15) Mc 13,35 . (16) Mc 13,37 .

308. Slot van de eschatologische rede (Mc) : Waakzaamheid bij afwezigheid van de Heer : Mc 13,33-37 - Mc 13,33-37 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,33 - Mc 13,34 - Mc 13,35 - Mc 13,36 - Mc 13,37 -

Evangelie op de 1ste (eerste) zondag van de advent B : Mc 13,33-37 .

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: "Weest op uw hoede, weest waakzaam; want gij weet niet wanneer het ogenblik daar is. Het is er mee als met een man die in het buitenland vertoeft. Bij het verlaten van zijn huis heeft hij aan zijn dienaars het beheer overgedragen, aan ieder zijn taak aangewezen en de deurwaarder bevolen waakzaam te zijn. Weest dus waakzaam, want ge weet niet wanneer de heer des huizes komt, 's avonds laat of midden in de nacht, bij het hanegekraai of 's morgens vroeg. Als hij onverwachts komt laat hij u dan niet slapend vinden. En wat Ik tot u zeg zeg Ik tot allen: weest waakzaam!"

Mc 13,33-37 sluit de eschatologische rede (Mc 13,5-37) af . Mc 13,33-37 haakt in op de vraag bij het begin van de rede : “Zeg ons : wanneer zal dat zijn en welke aanwijzingen zijn er wanneer dat alles zich zal voltrekken .” Het antwoord van Jezus is eenvoudig : jullie weten niet wanneer hét moment er is of wanneer de huisheer komt . Waken is het enige wat je te doen staat . De vergelijking met de huisheer die van huis wegging , maakt het duidelijk . Waken bestaat in het doen van wat de heer heeft opgedragen . Het is de heer verwachten .
In Mc 13,24-27 wordt in apocalyptische termen de wederkomst van de mensenzoon beschreven : Hij zal komen op de wolken van de hemel , met grote kracht en heerlijkheid om te oordelen de levenden en de doden .
De beschrijving van deze wederkomst schetst Christus als de overwinnaar . Vandaar worden oorlogen en allerlei rampen gezien als teken dat de komst nabij is , want Christus zal als overwinnaar uit de strijd te voorschijn treden .
Mc 13,33-37 sluit als ‘t ware het evangelie af . Na Mc 13 volgt het verhaal van het lijden en de opstanding (Mc 14-16) . Toen Jezus zijn optreden in Galilea begon , zei Hij : “Hét moment is er en het koninkrijk Gods is nabij” (Mc 1,15) . Wat zijn wederkomst betreft , zegt Hij: “Hét moment ken je niet.”

2. Oriëntering

Wederkomst
Tijdens het leven van Jezus hadden zijn leerlingen verwacht dat Jezus Gods koninkrijk zou stichten en machthebbers zou overwinnen . De kruisdood van Jezus maakte een abrupt einde aan hun dromen . Ze werden ervan doordrongen dat Gods koninkrijk niet van deze aarde is en dat Jezus in Gods heerlijkheid werd opgenomen en zit aan Gods rechterhand . Ze verwachtten hem elk ogenblik . Sommige christenen kwamen ertoe om passief zijn komst af te wachten . Maar de wederkomst bleef maar uit . Op de vraag wanneer de Heer zou komen , bleef men het antwoord schuldig : we weten het niet .
In de loop der geschiedenis hebben sommigen het tijdstip van Jezus’wederkomst voorspeld. Telkens bleek het een vergissing. Ook hebben sommigen zich als de teruggekomen Christus voorgesteld; ze zijn evenwel gestorven zonder een hemels koninkrijk achter te laten. Sommigen stellen dat Hij reeds gekomen is, in het verborgene, en dat de eindtijd bezig is.

Waakzaamheid
Het uitzien naar de wederkomst van Christus en de bekommernis om in het dagelijks onderhoud te voorzien moesten met elkaar worden verzoend . De evangelisten Marcus, Matteüs en Lucas brengen dat op hun eigen wijze in beeld .
Marcus brengt de gelijkenis met een huisheer die op reis is . De huisgenoten kregen elk hun werk . Bij hun werk houden ze de terugkomst van hun heer voor ogen .
Matteüs bundelt in Mt 25 een aantal gelijkenissen . De laatste gelijkenis vertelt het verhaal van het laatste oordeel . Daarin zegt de Koning : “Ik verzeker jullie , alles wat je voor één van deze minste broeders van Mij hebt gedaan , heb je voor Mij gedaan” (Mt 25,40) .
Lucas vertelt in het geboorteverhaal van Jezus dat herders tijdens de nacht in het open veld waakten over hun kudde . In de uitoefening van hun beroep stonden ze tevens open voor het hemels licht en de hemelse boodschap .

De eerste christenen leefden in benarde tijden .
Vergelijk met de benarde tijden in het leven van vluchtelingen : herkenbaarheid voor hen , zulke situaties. Het gevaar voor eigen leven hebben sommige vluchtelingen ook meegemaakt . En dan zijn ze hier , maar toch blijven ze vaak nog heel lang leven in onzekerheid . Beeld je de angst in van uitgeprocedeerde vluchtelingen om opgepakt te worden .

Elk ogenblik konden ze door een huisgenoot of bekende overgeleverd worden aan geestelijke en wereldlijke overheid en ter dood veroordeeld worden . Zo’n situatie had Jezus ook meegemaakt . Hij had in de hof van Olijven tot God gebeden (Mc 15,32-42) en hij had aan Petrus , Jakobus en Johannes gevraagd om te waken en te bidden . Zij echter beseften de ernst van de situatie niet . Ze waren te moe en sliepen . Nu beseffen de eerste christenen dat ze de weg van Jezus in lijden en dood zullen gaan . Waken en bidden zijn noodzakelijk om aan de verleiding te weerstaan om Jezus te verzaken . Waken en bidden opent de ogen voor wat kan komen . Niet in glans en heerlijkheid , maar in het gelaat van de minsten , in lijden en dood komt hun Heer hen tegemoet .

Waken betekent actief blijven . Actief de komst van de Messias verwachten . Dat betekent ook : positief blijven denken , hoop blijven houden , blijven doen wat Hij van ons zou verwachten .

In Mc 13,4 stellen de vier leerlingen aan Jezus : zeg ons wanneer dat zal zijn en wanneer dat alles zal voltooid zijn . In Mc 13,33 - Mc 13,34 - Mc 13,35 antwoordt Jezus : jullie weten niet wanneer hét moment er is (Mc 13,33) ; jullie weten niet wanneer de huisheer komt (Mc 13,35). Tussen nu en de komst van de heer is de tijd van waakzaamheid . Deze bestaat niet in een louter afwachten . Ze houdt openheid en ontvankelijkheid in . Ze is gericht op het ontvangen van de heer , op wat zal komen .

Mc 13,33 : aansporing en reden
Mc 13,34 - Mc 13,35 - Mc 13,36 : gelijkenis
Mc 13,37 : aansporing

a Mc 13,33a blepete agrupneite a' Mc 13,35a grègoreite oun
b Mc 13,33b ou oidate gar b Mc 13,35b ouk oidate gar
a' Mc 13,34 hina grègorè(i) a Mc 13,36b -Mc 13,37 mè ... katheudontas - grègoreite

 

Mc 13,33 - Mc 13,33 : 308. Slot van de eschatologische rede (Mc) : Waakzaamheid bij afwezigheid van de Heer - Mc 13,33-37 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,33 - Mc 13,34 - Mc 13,35 - Mc 13,36 - Mc 13,37 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste) zondag van de advent B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:33 blepete agrupneite ouk oidate gar pote o kairos estin   33 videte vigilate et orate nescitis enim quando tempus sit   Zie toe! Wees waakzaam! Jullie weten immers niet wanneer de tijd er is. 33 Jezus zei tot zijn leerlingen: "Weest op uw hoede, weest waakzaam; want gij weet niet wanneer het ogenblik daar is.  [33] Kijk uit, wees waakzaam. Want je weet niet wanneer het moment daar is. 
[33] Pas op, wees waakzaam, want jullie weten niet wanneer die tijd zal komen. 
33 kijkt goed, vecht tegen de slaap, want ge weet niet wanneer de tijd daar is!  33. « Soyez sur vos gardes, veillez, car vous ne savez pas quand ce sera le moment. 

King James Bible . [33] Take ye heed, watch and pray: for ye know not when the time is.
Luther-Bibel . 33 Seht euch vor, wachet! Denn ihr wisst nicht, wann die Zeit da ist.

Tekstuitleg van Mc 13,33 . Variabele lezing . We komen bij het laatste deel van de apocalyptische rede . Zoals bij het begin van de rede , zo luidt ook bij het begin van het derde deel de waarschuwing blepete (kijk uit) . Het is een rede waarin de toekomst wordt bekeken . Er speelt zich één en ander onder hun ogen af . Maar opgelet ! Laat je niet om de tuin leiden . Mensen zullen in de war komen . Sommigen zullen zich voordoen alsof ik teruggekomen ben . Zij zullen vertellen over ten oorlog trekken en over de overwinning . Zij zullen je voorhouden mee ten strijde te trekken . Velen zullen erin trappen . Of sommigen zullen vertellen over oorlogen en daarin het teken zien dat het einde in aantocht is . Want de Heer zal komen om de vijand te verslaan en de overwinning te behalen . Dat is niet het einde . Dat alles moet gebeuren . Want het ene volk zal tegen het andere opstaan en het ene koninkrijk tegen het andere . Er zullen aardbevingen zijn en hongersnood . Dat is nog maar het begin van de ellende .
Wat de vertalingen betreft. De gebiedende wijze wordt - zoals in het Grieks - in de meervoudsvorm (V, LZ, NB) gegeven , in de enkelvoudsvorm (SDV, WV, NV) . Het persoonlijk voornaamwoord is gij (LZ) , ge (NB) of je (WV) , jullie (NV) . Vermits de gebiedende wijze aan het begin van de zin staat , wordt het werkwoord nog eens beklemtoond ; de vertalingen versterken het werkwoord door een bijwoord of een voorzetsel bij het werkwoord : goed kijken (NB) .

Mc 13,33.1. act. ind. pr. + imperat. pr. 2de pers. mv. blepete (jullie kijken, kijkt) . van het werkw. blepô (kijken, zien) . Taalgebruik in het NT : blepô (kijken, zien) . Taalgebruik in Mc : blepô (kijken, zien) .
Mc (8) : (1) Mc 4,24 . (2) Mc 8,15 . (3) Mc 8,18 . (4) Mc 12,38 . (5) Mc 13,5 . (6) Mc 13,9 . (7) Mc 13,23 . (8) Mc 13,33 . Een vorm van blepô (kijken, zien) in Mc in 14 verzen . De herhaling van de imperatief blepete (kijkt uit) structureert de rede : Mc 13,5b-8 . Mc 13,9-13 . Mc 13,21-23 . Mc 13,33-37 .
Blepete (kijkt uit) in Mc 13,5b leidt een sectie in die handelt over bedriegers . Deze sectie eindigt bij Mc 13,6 .
Blepete (kijkt uit) in Mc 13,23a sluit een gelijkaardige sectie af . Het thema van die sectie is eveneens de bedriegers (Mc 13,21-22a) . De plaats van dit blepete (kijkt uit) wordt verklaard door de inclusio (omsluitings)functie .
Blepete (kijkt uit) in Mc 13,9 staat aan het begin van de vervolgingssectie . Het schema van het einde (eerst vervolging enz... en dan verheerlijking) kan ingegeven zijn door wat Jezus is overkomen : lijden , dood , verrijzenis .

Mc 13,33.2. actief imperatief praesens 2de pers. mv. agrupneite (waakt ) van het werkwoord agrupneô (slaaploos of wakker zijn, waken) . Taalgebruik in het NT : agrupneô (slaaploos of wakker zijn, waken) . Taalgebruik in Mc : agrupneô (slaaploos of wakker zijn, waken) .
In Ezr 8,29 is het de vertaling van sjiqdu (sjâqad) . Mc (1) Mc 13,33 . De enigste vorm in Mc .

Mc 13,33.3. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) . Mc (42 + 66 + 6 = 114) . Mc 13 (7 + 3 + 0 = 10) . (1) Mc 13,2 (ou) . (2) Mc 13,11 (ou) . (3) Mc 13,14 (ou) . (4) Mc 13,19 (ou) . (5) Mc 13,20 (ouk) . (6) Mc 13,24 (ou) . (7) Mc 13,30 (ou) . (8) Mc 13,31 (ou) . (9) Mc 13,33 (ouk) . (10) Mc 13,35 (ouk) .

Mc 13,33.4. act. ind. 2de pers. mv. oidate (jullie weten) van het werkw. oida (ik weet) . Taalgebruik in het NT : oida (ik weet) . Taalgebruik in Mc : oida (ik weet) .
In vijf verzen in Mc : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 10,38 . (3) Mc 10,42 . (4) Mc 13,33 . (5) Mc 13,35 . ouk oidate : In vier verzen in Mc ; niet in (3) Mc 10,42 . Een vorm van oida (ik weet) in Mc in 23 verzen .

Mc 13,33.5. gar (want) . Taalgebruik in het NT : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . In zes verzen in Mc 13 : (1) Mc 13,8 . (2) Mc 13,11 . (3) Mc 13,19 . (4) Mc 13,22 . (5) Mc 13,33 . (6) Mc 13,35 .

Mc 13,33.6. pote (wanneer, soms)  . Taalgebruik in het NT : pote (wanneer, soms) . Taalgebruik in Mc : pote (wanneer, soms) .
Mc (99 + 3 = 102) .In vier verzen bij Marcus : (1) Mc 9,19 . (2) Mc 13,4 . (3) Mc 13,33 . (4) Mc 13,35 . In Mc 13,4 wordt de vraag gesteld . In Mc 13,33 en Mc 13,35 volgt een tweevoudig antwoord .
- Mc 9,19 .
- Mc 13,4 : eipon hèmin pote tauta estai (zeg ons wanneer dat zal zijn) .
- Mc 13,33 : ouk oidate gar pote ho kairos estin (want je weet niet wanneer het moment is) .
- Mc 13,35 : ouk oidate gar pote ho kurios tès oikias erchetai (want je weet niet wanneer de heer van het huis komt) .

Mc 13,33.7. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 13 (16) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,11 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,16 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,33 . (15) Mc 13,35 . (16) Mc 13,37 .

Mc 13,33.8.

kairos (gunstig moment) bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P. A. b.
nom. mann. enk. kairos  66  50  16    4 1
totaal 455  371  84  10  13  3 28  30  34 4

- kairos (hét moment) bij Marcus, zie Mc 1,15 : Mc 1,14-15 -

grègoreite (waakt) . Imperatief praesens. In deze vorm komt het in 10 verzen in de bijbel voor, slechts in het NT In 4 verzen bij Matteüs, in 4 verzen bij Marcus. In twee verzen in Mc 13,33-37 en in twee verzen in Mc 14,32-42 . In Mc 13,37 wordt het hele hoofdstuk hiermee afgesloten.

Mc 1,15   Mc 13,33 Mc 13,35
kai legôn hoti (en zeggende dat) kai (en) ouk oidate gar +pote (je weet immers niet wanneer) ouk oidate gar pote (je weet immers nie wanneert)
peplèrôtai (tot vervulling is gekomen) èggiken (nabij is)    
ho kairos (het gepaste moment - de gunstige tijd) hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) ho kairos (de gunstige tijd) ho kurios tès oikias (de heer van het huis - de huisheer)
    estin (er is) erchetai (komt)
 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 // Mt 4,12-17 // Lc 4,14-15 - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 -    308. Slot van de eschatologische rede (Mc) : Waakzaamheid bij afwezigheid van de Heer : Mc 13,33-37 - Mc 13,33-37 -  

 

Mc 13,34 - Mc 13,34 : 308. Slot van de eschatologische rede (Mc) : Waakzaamheid bij afwezigheid van de Heer - Mc 13,33-37 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,33 - Mc 13,34 - Mc 13,35 - Mc 13,36 - Mc 13,37 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste) zondag van de advent B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:34 ôs anthrôpos apodèmos afeis tèn oikian autou kai dous tois doulois autou tèn exousian ekastô to ergon autou kai tô thurôrô eneteilato ina grègorè  34 sicut homo qui peregre profectus reliquit domum suam et dedit servis suis potestatem cuiusque operis et ianitori praecipiat ut vigilet  34 Het is zoals een mens (doie) op reis (ging) die zijn huis verliet en aan zijn dienaren de macht gaf, aan elk zijn werk, en aan de deurwachter beval hij dat hij zou waken.  34 Het is ermee als met een man die in het buitenland vertoeft. Bij het verlaten van zijn huis heeft hij aan zijn dienaars het beheer overgedragen, aan ieder zijn taak aangewezen en de deurwachter bevolen waakzaam te zijn.   34] Het is als met iemand die naar het buitenland is, zijn huis heeft achtergelaten en het beheer heeft overgedragen aan zijn knechten, ieder zijn eigen taak, en aan de poortwachter heeft opgedragen om waakzaam te zijn.  [34] Het is als met een man die op reis ging: hij verliet zijn huis en droeg het beheer over aan zijn dienaren, die elk een eigen taak kregen, en de deurwachter gaf hij opdracht om de wacht te houden.  34 het is als met een mens die op reis gaat: hij laat zijn huis achter, geeft zijn dienaren de volmacht, aan ieder zijn werk en de deurwachter gebiedt hij om wakker te zijn;  34. Il en sera comme d'un homme parti en voyage : il a quitté sa maison, donné pouvoir à ses serviteurs, à chacun sa tâche, et au portier il a recommandé de veiller.

King James Bible . [34] For the Son of man is as a man taking a far journey, who left his house, and gave authority to his servants, and to every man his work, and commanded the porter to watch.
Luther-Bibel . 34 Wie bei einem Menschen, der über Land zog und verließ sein Haus und gab seinen Knechten Vollmacht, einem jeden seine Arbeit, und gebot dem Türhüter, er solle wachen:

Tekstuitleg van Mc 13,34 .

1. hôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : hôs (zoals) . Taalgebruik in Mc : hôs (zoals) .
Mc (21) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,22 . (3) Mc 4,26 . (4) Mc 4,27 . (5) Mc 4,31 . (6) Mc 4,36 . (7) Mc 5,13 . (8) Mc 6,15 . (9) Mc 6,34 . (10) Mc 7,6 . (11) Mc 8,9 . (12) Mc 8,24 . (13) Mc 9,21 . (14) Mc 10,1 . (15) Mc 10,15 . (16) Mc 12,25 . (17) Mc 12,31 . (18) Mc 12,33 . (19) Mc 13,34 . (20) Mc 14,48 . (21) Mc 14,72 .

Mc 13,34.2. nom. mann. enk. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het NT : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) .
Mc (14) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 2,27 . (3) Mc 3,1 . (4) Mc 4,26 . (5) Mc 5,2 . (6) Mc 7,11 . (7) Mc 8,37 . (8) Mc 10,7 . (9) Mc 10,9 . (10) Mc 12,1 . (11) Mc 13,34 . (12) Mc 14,13 . (13) Mc 14,21 . (14) Mc 15,39 .

5. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 13 (3) : (1) Mc 13,24 . (2) Mc 13,28 . (3) Mc 13,34 .

Mc 13,34.7. pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (143) . Mc 13 (6) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,16 . (5) Mc 13,27 . (6) Mc 13,34 . In 2 verzen als onderdeel van een losse genitief : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . In de 4 andere verzen als genitief bij een zelfstandig naamwoord .

Mc 13,34.12. pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (143) . Mc 13 (6) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,16 . (5) Mc 13,27 . (6) Mc 13,34 . In 2 verzen als onderdeel van een losse genitief : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . In de 4 andere verzen als genitief bij een zelfstandig naamwoord .

Mc 13,34.14. acc. vr. enk. exousian (macht, gezag) . Taalgebruik in het NT : exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in Mc : exousia (gezag, macht) .
Mc (7) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 1,27 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 3,15 . (5) Mc 6,7 . (6) Mc 11,28 . (7) Mc 12,34 .

Mc 13,34.16. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 13 (12) : (1) Mc 13,3 . (2) Mc 13,4 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,11 . (6) Mc 13,13 . (7) Mc 13,14 . (8) Mc 13,16 . (9) Mc 13,22 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,34 .

Mc 13,34.18. pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (143) . Mc 13 (6) : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . (3) Mc 13,15 . (4) Mc 13,16 . (5) Mc 13,27 . (6) Mc 13,34 . In 2 verzen als onderdeel van een losse genitief : (1) Mc 13,1 . (2) Mc 13,3 . In de 4 andere verzen als genitief bij een zelfstandig naamwoord .

Mc 13,34.20. bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 13 (2) : (1) Mc 13,6 . (2) Mc 13,34 .

Mc 13,34.22. ind. aor. 3de pers. enk. eneteilato van het werkw. entellô (bevelen, opdragen, vragen) . Taalgebruik in het NT : entellô (bevelen, opdragen, vragen) . Taalgebruik in Mc : entellô (bevelen, opdragen, vragen) .
Mc (2) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 13,34 .

23. hina (opdat) . Taalgebruik in het NT : hina (opdat) . Taalgebruik in Mc : hina (opdat) .
Mc (59) . Mc 13 (2) : (1) Mc 13,18 . (2) Mc 13,34 .

Mc 13,34.24. act. conj. pr. 3de p. enk. grègorèi (hij zou waken) van het werkw. grègoreô (waken) . Taalgebruik in het NT : grègoreô (waken) . Taalgebruik in Mc : grègoreô (waken) . Mc (1) : Mc 13,34 . Een vorm van grègoreô (waken) in Mc in 6 verzen : (1) Mc 13,34 . (2) Mc 13,35 . (3) Mc 13,37 . (4) Mc 14,34 . (5) Mc 14,37 . (6) Mc 14,38 .

Mc 13,35 - Mc 13,35 : 308. Slot van de eschatologische rede (Mc) : Waakzaamheid bij afwezigheid van de Heer - Mc 13,33-37 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,33 - Mc 13,34 - Mc 13,35 - Mc 13,36 - Mc 13,37 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste) zondag van de advent B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:35 grègoreite oun ouk oidate gar pote o kurios tès oikias erchetai è opse è mesonuktion è alektorofônias è prôi 35 vigilate ergo nescitis enim quando dominus domus veniat sero an media nocte an galli cantu an mane  35 Waak dus, jullie weten immers niet wanneer de heer des huizes komt, of (‘s avonds) laat of te middernacht of bij het hanegekraai of (‘s morgens) vroeg,  35 Weest dus waakzaam, want ge weet niet wanneer de heer des huizes komt, 's avonds laat of midden in de nacht, bij het hanegekraai of 's morgens vroeg.  [35] Wees dus waakzaam, want je weet niet wanneer de heer des huizes komt, ’s avonds laat* of midden in de nacht of bij het kraaien van de haan of bij het eerste ochtendlicht,  [35] Wees dus waakzaam, want jullie weten niet wanneer de heer des huizes komt, ’s avonds, of midden in de nacht, of bij het eerste hanengekraai, of ’s morgens vroeg.  35 blijft dan wakker, want ge weet niet wanneer de heer des huizes komt, laat, middernacht, bij het hanengekraai of in de morgen,  35. Veillez donc, car vous ne savez pas quand le maître de la maison va venir, le soir, à minuit, au chant du coq ou le matin,  

King James Bible . [35] Watch ye therefore: for ye know not when the master of the house cometh, at even, or at midnight, or at the cockcrowing, or in the morning:
Luther-Bible . 35 so wacht nun; denn ihr wisst nicht, wann der Herr des Hauses kommt, ob am Abend oder zu Mitternacht oder um den Hahnenschrei oder am Morgen,

Tekstuitleg van Mc 13,35 .

Mc 13,35.1. act. imp. 2de p. mv. grègoreite (waakt) van het werkw. grègoreô (waken) . Taalgebruik in het NT : grègoreô (waken) . Taalgebruik in Mc : grègoreô (waken) . Mc (4) : (1) Mc 13,35 . (2) Mc 13,37 . (3) Mc 14,34 . (4) Mc 14,38 . Een vorm van grègoreô (waken) in Mc in 6 verzen : (1) Mc 13,34 . (2) Mc 13,35 . (3) Mc 13,37 . (4) Mc 14,34 . (5) Mc 14,37 . (6) Mc 14,38 .

Mc 13,35.2. oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in het NT : oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in Mc : oun (dus, bijgevolg) .
In zes verzen in Mc : (1) Mc 10,9 . (2) Mc 11,31 . (3) Mc 12,9 . (4) Mc 13,35 . (5) Mc 15,12 . (6) Mc 16,19 .

Mc 13,35.3. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) . Mc (42 + 66 + 6 = 114) . Mc 13 (7 + 3 + 0 = 10) . (1) Mc 13,2 (ou) . (2) Mc 13,11 (ou) . (3) Mc 13,14 (ou) . (4) Mc 13,19 (ou) . (5) Mc 13,20 (ouk) . (6) Mc 13,24 (ou) . (7) Mc 13,30 (ou) . (8) Mc 13,31 (ou) . (9) Mc 13,33 (ouk) . (10) Mc 13,35 (ouk) .

Mc 13,35.4. act. ind. 2de pers. mv. oidate (jullie weten) van het werkw. oida (ik weet) . Taalgebruik in het NT : oida (ik weet) . Taalgebruik in Mc : oida (ik weet) .
In vijf verzen in Mc : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 10,38 . (3) Mc 10,42 . (4) Mc 13,33 . (5) Mc 13,35 . ouk oidate : In vier verzen in Mc ; niet in (3) Mc 10,42 . Een vorm van oida (ik weet) in Mc in 23 verzen .

Mc 13,35.5. gar (want) . Taalgebruik in het NT : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . In zes verzen in Mc 13 : (1) Mc 13,8 . (2) Mc 13,11 . (3) Mc 13,19 . (4) Mc 13,22 . (5) Mc 13,33 . (6) Mc 13,35 .

Mc 13,35.6. pote (wanneer, soms)  . Taalgebruik in het NT : pote (wanneer, soms) . Taalgebruik in Mc : pote (wanneer, soms) .
Mc (99 + 3 = 102) .In vier verzen bij Marcus : (1) Mc 9,19 . (2) Mc 13,4 . (3) Mc 13,33 . (4) Mc 13,35 .
- Mc 9,19 .
- Mc 13,4 : eipon hèmin pote tauta estai (zeg ons wanneer dat zal zijn) .
- Mc 13,33 : ouk oidate gar pote ho kairos estin (want je weet niet wanneer het moment is) .
- Mc 13,35 : ouk oidate gar pote ho kurios tès oikias erchetai (want je weet niet wanneer de heer van het huis komt) .

Mc 13,35.7. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 13 (16) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,11 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,16 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,33 . (15) Mc 13,35 . (16) Mc 13,37 .

Mc 13,35.12. partikel van vergelijking è OF bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 13 (5) : (1) Mc 13,24 . (2) Mc 13,30 . (3) Mc 13,31 . (4) Mc 13,32 . (5) Mc 13,35 .

Mc 13,35.13. opse (laat) . Taalgebruik in het NT : opse (laat) . Taalgebruik in Mc : opse (laat) . Avond . D. Abend . E. evening . Lat. ad vesperas . Gr. hespera . Lat. serus (serenade) . Fr. soir .
Mc (2) : (1) Mc 11,19 . (2) Mc 13,35 .

Mc 13,35.14. partikel van vergelijking è OF bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 13 (5) : (1) Mc 13,24 . (2) Mc 13,30 . (3) Mc 13,31 . (4) Mc 13,32 . (5) Mc 13,35 .

Mc 13,35.16. partikel van vergelijking è OF bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 13 (5) : (1) Mc 13,24 . (2) Mc 13,30 . (3) Mc 13,31 . (4) Mc 13,32 . (5) Mc 13,35 .

Mc 13,35.18. partikel van vergelijking è OF bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 13 (5) : (1) Mc 13,24 . (2) Mc 13,30 . (3) Mc 13,31 . (4) Mc 13,32 . (5) Mc 13,35 .

Mc 13,36 - Mc 13,36 : 308. Slot van de eschatologische rede (Mc) : Waakzaamheid bij afwezigheid van de Heer - Mc 13,33-37 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,33 - Mc 13,34 - Mc 13,35 - Mc 13,36 - Mc 13,37 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste) zondag van de advent B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:36 mè elthôn exaifnès eurè umas katheudontas  36 ne cum venerit repente inveniat vos dormientes  36 opdat hij, als hij plotseling komt, jullie met slapend vindt.  36 Als hij onverwachts komt, laat hij u dan niet slapend vinden.  [36] zodat hij niet onverwacht komt en jullie in slaap vindt.   [36] Laat hij jullie niet slapend aantreffen wanneer hij plotseling komt.  36 opdat hij, als hij plotseling komt, u niet slapende zal vinden;   36. de peur que, venant à l'improviste, il ne vous trouve endormis.  

King James Bible . [36] Lest coming suddenly he find you sleeping.
Luther-Bibel . 36 damit er euch nicht schlafend finde, wenn er plötzlich kommt.

Tekstuitleg van Mc 13,36 .

1. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc (67) . Mc 13 (14) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,11 . (5) Mc 13,15 . (6) Mc 13,16 . (7) Mc 13,18 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,20 . (10) Mc 13,21 . (11) Mc 13,30 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,36 .

5. persoonl. voornaamw. acc. mv. humas (jullie) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (13) : (1) Mc 1,8 (2X) . (2) Mc 1,17 .(3) Mc 6,11 . (4) Mc 9,19 . (5) Mc 9,41 . (6): Mc 11,29 . (7) Mc 13,5 . (8) Mc 13,9 . (9) Mc 13,11 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 14,28 . (12) Mc 14,49 . (13) Mc 16,7 .

6. act. part. praes. acc. mann. mv. katheudontas

Mc 13,37 - Mc 13,37 : 308. Slot van de eschatologische rede (Mc) : Waakzaamheid bij afwezigheid van de Heer - Mc 13,33-37 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 13 -- Mc 13,33 - Mc 13,34 - Mc 13,35 - Mc 13,36 - Mc 13,37 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste) zondag van de advent B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13:37 o de umin legô pasin legô grègoreite   37 quod autem vobis dico omnibus dico vigilate   37 Wat ik Jullie echter zeg, zeg ik aan allen Waak   37 En wat Ik tot u zeg, zeg Ik tot allen: weest waakzaam!"   [37] Wat Ik jullie zeg, zeg Ik tegen iedereen: wees waakzaam.’  [37] Wat ik tegen jullie zeg, zeg ik tegen iedereen: wees waakzaam!’  37 en wat ik tot u zeg, zeg ik tot allen: blijft wakker!   37. Et ce que je vous dis à vous, je le dis à tous : veillez ! »  

King James Bible . [37] And what I say unto you I say unto all, Watch.
Luther-Bibel . 37 Was ich aber euch sage, das sage ich allen: Wachet!

Tekstuitleg van Mc 13,37 .

1. betrekk. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ho (wat) OF bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 13 (16) : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . (3) Mc 13,11 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,16 . (8) Mc 13,19 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 13,24 . (11) Mc 13,28 . (12) Mc 13,31 . (13) Mc 13,32 . (14) Mc 13,33 . (15) Mc 13,35 . (16) Mc 13,37 .

2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2 = 151) . Mc 13 (13) : (1) Mc 13,5 . (2) Mc 13,7 . (3) Mc 13,9 . (4) Mc 13,13 . (5) Mc 13,14 . (6) Mc 13,15 . (7) Mc 13,17 . (8) Mc 13,18 . (9) Mc 13,23 . (10) Mc 13,28 . (11) Mc 13,31 . (12) Mc 13,32 . (13) Mc 13,37 .

7. act. imp. 2de p. mv. grègoreite (waakt) van het werkw. grègoreô (waken) . Taalgebruik in het NT : grègoreô (waken) . Taalgebruik in Mc : grègoreô (waken) . Mc (4) : (1) Mc 13,35 . (2) Mc 13,37 . (3) Mc 14,34 . (4) Mc 14,38 . Een vorm van grègoreô (waken) in Mc in 6 verzen : (1) Mc 13,34 . (2) Mc 13,35 . (3) Mc 13,37 . (4) Mc 14,34 . (5) Mc 14,37 . (6) Mc 14,38 . In twee verzen in Mc 13,33-37 en in twee verzen in Mc 14,32-42 . In Mc 13,37 wordt het hele hoofdstuk hiermee afgesloten.


Bible de Jérusalem

1. Comme il s'en allait hors du Temple, un de ses disciples lui dit : « Maître, regarde, quelles pierres ! quelles constructions ! » 2. Et Jésus lui dit : « Tu vois ces grandes constructions ? Il n'en restera pas pierre sur pierre qui ne soit jetée bas. » 3. Et comme il était assis sur le mont des Oliviers en face du Temple, Pierre, Jacques, Jean et André l'interrogeaient en particulier : 4. « Dis-nous quand cela aura lieu et quel sera le signe que tout cela va finir. » 5. Alors Jésus se mit à leur dire : « Prenez garde qu'on ne vous abuse. 6. Il en viendra beaucoup sous mon nom, qui diront : «C'est moi», et ils abuseront bien des gens. 7. Lorsque vous entendrez parler de guerres et de rumeurs de guerres, ne vous alarmez pas : il faut que cela arrive, mais ce ne sera pas encore la fin. 8. On se dressera, en effet, nation contre nation et royaume contre royaume. Il y aura par endroits des tremblements de terre, il y aura des famines. Ce sera le commencement des douleurs de l'enfantement. 9. « Soyez sur vos gardes. On vous livrera aux sanhédrins, vous serez battus de verges dans les synagogues et vous comparaîtrez devant des gouverneurs et des rois, à cause de moi, pour rendre témoignage en face d'eux. 10. Il faut d'abord que l'Évangile soit proclamé à toutes les nations. 11. « Et quand on vous emmènera pour vous livrer, ne vous préoccupez pas de ce que vous direz, mais dites ce qui vous sera donné sur le moment : car ce n'est pas vous qui parlerez, mais l'Esprit Saint. 12. Le frère livrera son frère à la mort, et le père son enfant ; les enfants se dresseront contre leurs parents et les feront mourir. 13. Et vous serez haïs de tous à cause de mon nom, mais celui qui aura tenu bon jusqu'au bout, celui-là sera sauvé. 14. « Lorsque vous verrez l'abomination de la désolation installée là où elle ne doit pas être que le lecteur comprenne ! , alors que ceux qui seront en Judée s'enfuient dans les montagnes, 15. que celui qui sera sur la terrasse ne descende pas pour rentrer dans sa maison et prendre ses affaires ; 16. et que celui qui sera aux champs ne retourne pas en arrière pour prendre son manteau ! 17. Malheur à celles qui seront enceintes et à celles qui allaiteront en ces jours-là ! 18. Priez pour que cela ne tombe pas en hiver. 19. Car en ces jours-là il y aura une tribulation telle qu'il n'y en a pas eu de pareille depuis le commencement de la création qu'a créée Dieu jusqu'à ce jour, et qu'il n'y en aura jamais plus. 20. Et si le Seigneur n'avait abrégé ces jours, nul n'aurait eu la vie sauve ; mais à cause des élus qu'il a choisis, il a abrégé ces jours. 21. Alors si quelqu'un vous dit : «Voici : le Christ est ici ! », »Voici : il est là ! », n'en croyez rien. 22. Il surgira, en effet, des faux Christs et des faux prophètes qui opéreront des signes et des prodiges pour abuser, s'il était possible, les élus. 23. Pour vous, soyez en garde : je vous ai prévenus de tout. 24. Mais en ces jours-là, après cette tribulation, le soleil s'obscurcira, la lune ne donnera plus sa lumière, 25. les étoiles se mettront à tomber du ciel et les puissances qui sont dans les cieux seront ébranlées. 26. Et alors on verra le Fils de l'homme venant dans des nuées avec grande puissance et gloire. 27. Et alors il enverra les anges pour rassembler ses élus, des quatre vents, de l'extrémité de la terre à l'extrémité du ciel. 28. « Du figuier apprenez cette parabole. Dès que sa ramure devient flexible et que ses feuilles poussent, vous comprenez que l'été est proche. 29. Ainsi vous, lorsque vous verrez cela arriver, comprenez qu'Il est proche, aux portes. 30. En vérité je vous le dis, cette génération ne passera pas que tout cela ne soit arrivé. 31. Le ciel et la terre passeront, mais mes paroles ne passeront point. 32. « Quant à la date de ce jour, ou à l'heure, personne ne les connaît, ni les anges dans le ciel, ni le Fils, personne que le Père. 33. « Soyez sur vos gardes, veillez, car vous ne savez pas quand ce sera le moment. 34. Il en sera comme d'un homme parti en voyage : il a quitté sa maison, donné pouvoir à ses serviteurs, à chacun sa tâche, et au portier il a recommandé de veiller. 35. Veillez donc, car vous ne savez pas quand le maître de la maison va venir, le soir, à minuit, au chant du coq ou le matin, 36. de peur que, venant à l'improviste, il ne vous trouve endormis. 37. Et ce que je vous dis à vous, je le dis à tous : veillez ! »


King James Bible

[1] And as he went out of the temple, one of his disciples saith unto him, Master, see what manner of stones and what buildings are here! [2] And Jesus answering said unto him, Seest thou these great buildings? there shall not be left one stone upon another, that shall not be thrown down. [3] And as he sat upon the mount of Olives over against the temple, Peter and James and John and Andrew asked him privately, [4] Tell us, when shall these things be? and what shall be the sign when all these things shall be fulfilled? [5] And Jesus answering them began to say, Take heed lest any man deceive you: [6] For many shall come in my name, saying, I am Christ; and shall deceive many. [7] And when ye shall hear of wars and rumours of wars, be ye not troubled: for such things must needs be; but the end shall not be yet. [8] For nation shall rise against nation, and kingdom against kingdom: and there shall be earthquakes in divers places, and there shall be famines and troubles: these are the beginnings of sorrows. [9] But take heed to yourselves: for they shall deliver you up to councils; and in the synagogues ye shall be beaten: and ye shall be brought before rulers and kings for my sake, for a testimony against them. [10] And the gospel must first be published among all nations. [11] But when they shall lead you, and deliver you up, take no thought beforehand what ye shall speak, neither do ye premeditate: but whatsoever shall be given you in that hour, that speak ye: for it is not ye that speak, but the Holy Ghost. [12] Now the brother shall betray the brother to death, and the father the son; and children shall rise up against their parents, and shall cause them to be put to death. [13] And ye shall be hated of all men for my name's sake: but he that shall endure unto the end, the same shall be saved. [14] But when ye shall see the abomination of desolation, spoken of by Daniel the prophet, standing where it ought not, (let him that readeth understand,) then let them that be in Judaea flee to the mountains: [15] And let him that is on the housetop not go down into the house, neither enter therein, to take any thing out of his house: [16] And let him that is in the field not turn back again for to take up his garment. [17] But woe to them that are with child, and to them that give suck in those days! [18] And pray ye that your flight be not in the winter. [19] For in those days shall be affliction, such as was not from the beginning of the creation which God created unto this time, neither shall be. [20] And except that the Lord had shortened those days, no flesh should be saved: but for the elect's sake, whom he hath chosen, he hath shortened the days. [21] And then if any man shall say to you, Lo, here is Christ; or, lo, he is there; believe him not: [22] For false Christs and false prophets shall rise, and shall shew signs and wonders, to seduce, if it were possible, even the elect. [23] But take ye heed: behold, I have foretold you all things. [24] But in those days, after that tribulation, the sun shall be darkened, and the moon shall not give her light, [25] And the stars of heaven shall fall, and the powers that are in heaven shall be shaken. [26] And then shall they see the Son of man coming in the clouds with great power and glory. [27] And then shall he send his angels, and shall gather together his elect from the four winds, from the uttermost part of the earth to the uttermost part of heaven. [28] Now learn a parable of the fig tree; When her branch is yet tender, and putteth forth leaves, ye know that summer is near: [29] So ye in like manner, when ye shall see these things come to pass, know that it is nigh, even at the doors. [30] Verily I say unto you, that this generation shall not pass, till all these things be done. [31] Heaven and earth shall pass away: but my words shall not pass away. [32] But of that day and that hour knoweth no man, no, not the angels which are in heaven, neither the Son, but the Father. [33] Take ye heed, watch and pray: for ye know not when the time is. [34] For the Son of man is as a man taking a far journey, who left his house, and gave authority to his servants, and to every man his work, and commanded the porter to watch. [35] Watch ye therefore: for ye know not when the master of the house cometh, at even, or at midnight, or at the cockcrowing, or in the morning: [36] Lest coming suddenly he find you sleeping. [37] And what I say unto you I say unto all, Watch.


Luther-Bibel

Das Ende des Tempels
1 Und als er aus dem Tempel ging, sprach zu ihm einer seiner Jünger: Meister, siehe, was für Steine und was für Bauten! 2 Und Jesus sprach zu ihm: Siehst du diese großen Bauten? Nicht ein Stein wird auf dem andern bleiben, der nicht zerbrochen werde.

Der Anfang der Wehen
3 Und als er auf dem Ölberg saß gegenüber dem Tempel, fragten ihn Petrus und Jakobus und Johannes und Andreas, als sie allein waren: 4 Sage uns, wann wird das geschehen? Und was wird das Zeichen sein, wenn das alles vollendet werden soll? 5 Jesus fing an und sagte zu ihnen: Seht zu, dass euch nicht jemand verführe! 6 Es werden viele kommen unter meinem Namen und sagen: Ich bin's, und werden viele verführen. 7 Wenn ihr aber hören werdet von Kriegen und Kriegsgeschrei, so fürchtet euch nicht. Es muss so geschehen. Aber das Ende ist noch nicht da. 8 Denn es wird sich ein Volk gegen das andere erheben und ein Königreich gegen das andere. Es werden Erdbeben geschehen hier und dort, es werden Hungersnöte sein. Das ist der Anfang der Wehen. 9 Ihr aber seht euch vor! Denn sie werden euch den Gerichten überantworten, und in den Synagogen werdet ihr gegeißelt werden, und vor Statthalter und Könige werdet ihr geführt werden um meinetwillen, ihnen zum Zeugnis. 10 Und das Evangelium muss zuvor gepredigt werden unter allen Völkern. 11 Und wenn sie euch hinführen und überantworten werden, so sorgt euch nicht vorher, was ihr reden sollt; sondern was euch in jener Stunde gegeben wird, das redet. Denn ihr seid's nicht, die da reden, sondern der Heilige Geist. 12 Und es wird ein Bruder den andern dem Tod preisgeben und der Vater den Sohn, und die Kinder werden sich empören gegen die Eltern und werden sie töten helfen. 13 Und ihr werdet gehasst sein von jedermann um meines Namens willen. Wer aber beharrt bis an das Ende, der wird selig.

Die große Bedrängnis
14 Wenn ihr aber sehen werdet das Gräuelbild der Verwüstung stehen, wo es nicht soll - wer es liest, der merke auf! -, alsdann, wer in Judäa ist, der fliehe auf die Berge. 15 Wer auf dem Dach ist, der steige nicht hinunter und gehe nicht hinein, etwas aus seinem Hause zu holen. 16 Und wer auf dem Feld ist, der wende sich nicht um, seinen Mantel zu holen. 17 Weh aber den Schwangeren und den Stillenden zu jener Zeit! 18 Bittet aber, dass es nicht im Winter geschehe. 19 Denn in diesen Tagen wird eine solche Bedrängnis sein, wie sie nie gewesen ist bis jetzt vom Anfang der Schöpfung, die Gott geschaffen hat, und auch nicht wieder werden wird. 20 Und wenn der Herr diese Tage nicht verkürzt hätte, würde kein Mensch selig; aber um der Auserwählten willen, die er auserwählt hat, hat er diese Tage verkürzt. 21 Wenn dann jemand zu euch sagen wird: Siehe, hier ist der Christus; siehe, da ist er!, so glaubt es nicht. 22 Denn es werden sich erheben falsche Christusse und falsche Propheten, die Zeichen und Wunder tun, sodass sie die Auserwählten verführen würden, wenn es möglich wäre. 23 Ihr aber seht euch vor! Ich habe euch alles zuvor gesagt!

Das Kommen des Menschensohns
24 Aber zu jener Zeit, nach dieser Bedrängnis, wird die Sonne sich verfinstern und der Mond seinen Schein verlieren, 25 und die Sterne werden vom Himmel fallen, und die Kräfte der Himmel werden ins Wanken kommen. 26 Und dann werden sie sehen den Menschensohn kommen in den Wolken mit großer Kraft und Herrlichkeit. 27 Und dann wird er die Engel senden und wird seine Auserwählten versammeln von den vier Winden, vom Ende der Erde bis zum Ende des Himmels.

Mahnung zur Wachsamkeit
28 An dem Feigenbaum aber lernt ein Gleichnis: Wenn jetzt seine Zweige saftig werden und Blätter treiben, so wisst ihr, dass der Sommer nahe ist. 29 Ebenso auch: wenn ihr seht, dass dies geschieht, so wisst, dass er nahe vor der Tür ist. 30 Wahrlich, ich sage euch: Dieses Geschlecht wird nicht vergehen, bis dies alles geschieht. 31 Himmel und Erde werden vergehen; meine Worte aber werden nicht vergehen. 32 Von dem Tage aber und der Stunde weiß niemand, auch die Engel im Himmel nicht, auch der Sohn nicht, sondern allein der Vater. 33 Seht euch vor, wachet! Denn ihr wisst nicht, wann die Zeit da ist. 34 Wie bei einem Menschen, der über Land zog und verließ sein Haus und gab seinen Knechten Vollmacht, einem jeden seine Arbeit, und gebot dem Türhüter, er solle wachen: 35 so wacht nun; denn ihr wisst nicht, wann der Herr des Hauses kommt, ob am Abend oder zu Mitternacht oder um den Hahnenschrei oder am Morgen, 36 damit er euch nicht schlafend finde, wenn er plötzlich kommt. 37 Was ich aber euch sage, das sage ich allen: Wachet!


Jezus zei :

Ik weet het niet .
Jullie vragen
over het wat en hoe en wanneer
van het einde van de wereld
en van de wederkomst van de mensenzoon
kan ik slechts zo beantwoorden :
ik weet het niet .
Jullie willen van mij weten
wat God alleen weet .
Ik weet het dus niet .
Wat rest mij dan te zeggen ?
Slechts dit :
behoud de spanning
tussen het hier en het hierna ,
tussen het nu en het eeuwige .
Wat je nu kunt doen :
aan deze wereld werken ,
dat in dag uit
totdat de dag komt
dat het hier overgaat in het hierna
en het nu in het eeuwige .


WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@telenet.be .
websitenaam : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm . BIJ DE HAND .
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
OF (met aanvullingen) : - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z

HOOFDTHEMA'S : Levensbeschouwingen : bahá'í , boeddhisme , christendom -BIJBELGROEP(EN) - metamorfoses - RASJIKRING - BIJBELS LEERHUIS, hindoeïsme , islam , jodendom , sikhisme , Voor U gelezen , vrijzinnigheid .
- bijbel , bijbelgroepen , bijbel en koran , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , koran , liturgie : ABC-jaar . Proto-evangelie van Jakobus . Te Elfder Ure (TEU) .
- Maatschappij : allochtonen , armoede , vluchtelingen en asielzoekers ,
- Spiritualiteit :   bezinningsteksten , bijbelwoord voor iedere dag , spiritualiteit ,
- Talen : Arabisch , Aramees , bijbelverwijzingen , Duits , Frans , Grieks , Hebreeuws , Latijn , Nederlands ,
- Andere : getallen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen


- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 3 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken- bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
- Overzicht van Tenakh : Tenakh : overzicht , Tenakh : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenakh : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,
Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,
1. Hebreeuwse bijbel   2. Targumim 3. LXX (1) , LXX (2) , Griekse tekst N.T.   4. Vulgata   
5. Statenvertaling   6. Willibrordvertaling   7. Nieuwe Vertaling   8. http://naardensebijbel.nl/zoek.php .
9. Bible de Jérusalem 10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   12. liturgische lezing   13. Arabisch : http://wjsn.home.xs4all.nl/arab.htm