MARCUSEVANGELIE, VEERTIENDE HOOFDSTUK, MC 14 -- TAALGEBRUIK -- COMMENTAAR -
Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel: http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.html.

- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 14 -
- Mc 14,1-2 - Mc 14,3-9 - Mc 14,10-11 - Mc 14,12-16 - Mc 14,17-21 - Mc 14,22-25 - Mc 14,26-31 - Mc 14,32-42 - Mc 14,43-52 - Mc 14,53-54 - Mc 14,55-64 - Mc 14,65 - Mc 14,66-72 -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website

- Marcus: overzicht.
- Marcus taalgebruik - Marcus taalgebruik A - Marcus taalgebruik B - Marcus taalgebruik C - Marcus taalgebruik D - Marcus taalgebruik E - Marcus taalgebruik F - Marcus taalgebruik G - Marcus taalgebruik H - Marcus taalgebruik I - Marcus taalgebruik J - Marcus taalgebruik K - Marcus taalgebruik L - Marcus taalgebruik M - Marcus taalgebruik N - Marcus taalgebruik O - Marcus taalgebruik P - Marcus taalgebruik Q - Marcus taalgebruik R - Marcus taalgebruik S - Marcus taalgebruik T - Marcus taalgebruik U - Marcus taalgebruik Z .
- Mc: commentaar.

Overzicht van het Marcusevangelie:   Mc 1, Mc 2, Mc 3, Mc 4, Mc 5, Mc 6, Mc 7, Mc 8, Mc 9, Mc 10, Mc 11, Mc 12, Mc 13, Mc 14, Mc 15, Mc 16

  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
                                 

Bijbeluitleg per pericope - Mc 14,1-2 - Mc 14,3-9 - Mc 14,10-11 - Mc 14,12-16 - Mc 14,17-21 - Mc 14,22-25 - Mc 14,26-31 - Mc 14,32-42 - Mc 14,43-52 - Mc 14,53-54 - Mc 14,55-64 - Mc 14,65 - Mc 14,66-72 -
Bijbeluitleg vers per vers - Mc 14,1 - Mc 14,2 - Mc 14,3 - Mc 14,4 - Mc 14,5 - Mc 14,6 - Mc 14,7 - Mc 14,8 - Mc 14,9 - Mc 14,10 - Mc 14,11 - Mc 14,12 - Mc 14,13 - Mc 14,14 - Mc 14,15 - Mc 14,16 - Mc 14,17 - Mc 14,18 - Mc 14,19 - Mc 14,20 - Mc 14,21 - Mc 14,22 - Mc 14,23 - Mc 14,24 - Mc 14,25 - Mc 14,26 - Mc 14,27 - Mc 14,28 - Mc 14,29 - Mc 14,30 - Mc 14,31 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 - Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 - Mc 14,53 - Mc 14,54 - Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 - Mc 14,65 - Mc 14,66 - Mc 14,67 - Mc 14,68 - Mc 14,69 - Mc 14,70 - Mc 14,71 - Mc 14,72 -


http://www.bible-history.com/isbe/ http://www.sacrednamebible.com/kjvstrongs/index2.htm Studiebijbel 3 Luther-Bibel 1984 Cahier biblique King James Bible: (1) -  
bijbelweb info-bible interBible http://www.diebibel.de/

 


In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het veertiende hoofdstuk van het Marcusevangelie:
317. Complot tegen Jezus: Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2.
318. Zalving van Jezus te Betanië: Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50.
319. Verraad van Judas: Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6.
320. Voorbereiding van het paasmaal: Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13.
321. Aanduiding van de verrader: Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14.
322. Instelling van de eucharistie: Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20.
328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening: Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39.
329. Jezus in Getsemane: Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46.
330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53.
331. Naar de hogepriester: Mc 14,53-54 - Mt 26,57-58 - Lc 22,54-55.
332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71.
333. Bespotting van Jezus: Mc 14,65 - Mt 26,67-68 - Lc 22,63-65.
334. Verloochening van Petrus: Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62.

317. Complot tegen Jezus: Mc 14,1-2 - Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,1 - Mc 14,2 -

Mc 14,1 - Mc 14,1: 317. Complot tegen Jezus: Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,1 - Mc 14,2 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
1*)=ην δὲ τὸ πάσχα καὶ τὰ ἄζυμα μετὰ δύο ἡμέρας. καὶ ἐζήτουν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς πῶς αὐτὸν ἐν δόλῳ κρατήσαντες ἀποκτείνωσιν:  1 erat autem pascha et azyma post biduum et quaerebant summi sacerdotes et scribae quomodo eum dolo tenerent et occiderent    1 En het pascha, en het feest der ongehevelde broden was na twee dagen. En de overpriesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem met listigheid vangen en doden zouden.   [1] Twee dagen later zou het Pasen* zijn, het feest van de ongedesemde broden. De hogepriesters en schriftgeleerden zochten een gelegenheid om Hem met een list in handen te krijgen en ter dood te brengen.  [1] De volgende dag zou het feest van Pesach en het Ongedesemde brood beginnen. De hogepriesters en schriftgeleerden zochten naar een mogelijkheid om hem door middel van een list gevangen te nemen en te doden.  1 ¶ Het zou over twee dagen Pasen en ‘Ongegiste Broden’ zijn; de overpriesters en de schriftgeleerden zochten ernaar hoe ze hem met een list zouden kunnen overmeesteren en doden;  1. La Pâque et les Azymes allaient avoir lieu dans deux jours, et les grands prêtres et les scribes cherchaient comment arrêter Jésus par ruse pour le tuer.  

King James Bible. [1] After two days was the feast of the passover, and of unleavened bread: and the chief priests and the scribes sought how they might take him by craft, and put him to death.
Luther-Bibel. 1 Es waren noch zwei Tage bis zum Passafest und den Tagen der Unges�uerten Brote. Und die Hohenpriester und Schriftgelehrten suchten, wie sie ihn mit List ergreifen und t�ten k�nnten.

Tekstuitleg van Mc 14,1. Dit vers Mc 14,1 telt 23 woorden en 108 (2 X 2 X 3 X 3 X 3) letters. De getalwaarde van Mc 14,1 is 11718 (2 X 3 X 3 X 3 X 7 X 31).

ην δὲ τὸ πάσχα καὶ τὰ ἄζυμα μετὰ δύο ἡμέρας. καὶ ἐζήτουν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς πῶς αὐτὸν ἐν δόλῳ κρατήσαντες ἀποκτείνωσιν:
Maar het was na twee dagen Pasen en de ongedesemde broden en de hogepriesters en de Schriftgeleerden zochten hoe ze met een list hem zouden overmeesteren en doden.

Mc 14,1*)=ην (= èn: hij was; wkw act ind imperf 3de mann pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat: esse; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πάσχα (= pascha; pascha, Pesach, Pasen; zn nom onz enk) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τὰ (= ta; bep lidw nom onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἄζυμα (= azuma: ongedesemde broden; bv nw nom onz mv van het bv nw ἄζυμος: ongegist, ongedesemd) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') δύο (= duo: twee; hoofdtelw) ἡμέρας. (= hèmeras: dagen, zn acc vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐζήτουν (= ezètoun: zij zochten; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ζητεω = zèteô: zoeken) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀρχιερεῖς (= archiereis: hogepriesters; zn nom mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραμματεῖς (= grammateis: Schriftgeleerden; zn nom mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde; uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα: assimilatie van de f aan de m; γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) πῶς (= pôs: hoe; onbep vrag vnw) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) δόλῳ (= dolô: met list; zn dat mann enk van het zn δόλος = dolos: list, bedrog) κρατήσαντες (= kratèsantes: overmachtigd, vastgenomen; wkw act part aor nom mann mv van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van) ἀποκτείνωσιν (= apokteinôsin: zij zouden doden; wkw act conjunct praes 3de pers mann mv van het wkw αποκτεινω = apokteinô: doden):

Mc 14,1.1. ην (= èn: hij was; wkw act ind imperf 3de mann pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat: esse; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2. .
Mc (38). Mc 14 (3): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,54. (3) Mc 14,59.

Mc 14,1.2. δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden.
Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) M14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.

Mc 14,1.3. τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.
Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.

Mc 14,1.4. πάσχα (= pascha; pascha, Pesach, Pasen; zn nom onz enk). Taalgebruik in het NT: pascha (pascha). Taalgebruik in de LXX: pascha (pascha). Taalgebruik in Mc: pascha (pascha). Mc (4 verzen, 5X): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,12. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,16. Joh (9): (1) Joh 2,13. (2) Joh 2,23. (3) Joh 6,4. (4) Joh 11,55. (5) Joh 12,1. (6) Joh 13,1. (7) Joh 18,28. (8) Joh 18,39. (9) Joh 19,14.

pascha (pascha)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  55  28  27    15  24   

Mc 14,1.5. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,1.6. τὰ (= ta; bep lidw nom onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.
Mc 14 (2): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,27.

Mc 14,1.7. ἄζυμα (= azuma: ongedesemde broden; bv nw nom onz mv van het bv nw ἄζυμος: ongegist, ongedesemd).

Mc 14,1.8. μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth').

Mc 14,1.9. δύο (= duo: twee; hoofdtelw).

Mc 14,1.10. ἡμέρας. (= hèmeras: dagen, zn acc vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?).

Mc 14,1.11. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,1.12.   ἐζήτουν (= ezètoun: zij zochten; wkw act ind imperf 3de pers mann mv van het wkw ζητεω = zèteô: zoeken). Taalgebruik in het NT: zèteô (zoeken). Taalgebruik in Mc: zèteô (zoeken).
- Hebr. bâqasj. Ned. zoeken. Lat. quaerere. Fr. chercher (ch / q - r). E. search. D. suchen.
Mc (4): (1) Mc 11,18. (2) Mc 12,12. (3) Mc 14,1. (4) Mc 14,55. In 4 verzen in Mc in de imperfectumvorm. De imperfectumvorm om de duur van het zoeken uit te drukken. In een reeks van vier. Telkens zijn hogepriesters erbij betrokken om Jezus te zoeken met het oog om hem te doden.
Mc 11,18: καὶ ἤκουσαν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς καὶ ἐζήτουν (= kai èkousan  hoi archiereis kai hoi grammateis kai ezètoun: en de hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden en zij zochten) πῶς αὐτὸν ἀπολέσωσιν (= pôs auton  apolesôsin: hoe ze hem zouden ombrengen).
Mc 12,12 : Καὶ ἐζήτουν (= kai ezètoun: en zij zochten) αὐτὸν κρατῆσαι (= auton  kratèsai: om hem te bemachtigen).
Mc 14,1: καὶ ἐζήτουν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς (= kai ezètoun hoi archiereis kai hoi grammateis: en de hogepriesters en de schriftgeleerden zochten) πῶς αὐτὸν ἐν δόλῳ κρατήσαντες ἀποκτείνωσιν (= pôs auton en dolôi kratèsantes apokteinôsin: hoe ze hem bemachtende door een list hem zouden doden).
Mc 14,55οἱ δὲ ἀρχιερεῖς καὶ ὅλον τὸ συνέδριον ἐζήτουν κατὰ τοῦ Ἰησοῦ μαρτυρίαν (= oi de archiereis kai olon to sunedrion ezètoun kata tou ièsou marturian: maar de hogepriesters en het hele sanhedrin zochten tegen Jezus een getuigenis) εἰς τὸ θανατῶσαι αὐτόν (= eis to thanatôsai auton: om hem te doden).
Nog enkele bemerkingen.
1. Het doel van het zoeken wordt in iedere zin anders uitgedrukt, maar het komt erop neer om Jezus te liquideren.
1A. (1) Mc 3,6 // Mt 12,14: ὁπως αυτον απολεσωσιν = hopôs auton apolesôsin (hoedat / opdat zij hem zouden doden).
(2) Mc 11,18: πως αυτον απολεσωσιν = pôs auton apolesôsin ( hoe zij hem zouden doden).
- Door de bijna letterlijke overeenkomst van de 2 teksten is een verband tussen beide teksten voor de hand liggend. In Mc 3,6 wordt dat besluit genomen na de genezing op sabbat van een man met een verdorde hand. In Mc 11,18 gebeurt het nadat Jezus de tempel heeft gereinigd. Het verhaal van dee tempelreiniging maakt het middenstuk van het sandwichmodel uit (Mc 11,12-26). De sandwich zelf is het verhaal van de verdorde vijgeboom. "Verdord" is het thema zowel in Mc 3,1-6 als in Mc 11,12-26.
(3) Mc 14,1. πῶς αὐτὸν ἐν δόλῳ κρατήσαντες ἀποκτείνωσιν (= pôs auton en dolôi kratèsantes apokteinôsin: hoe ze hem bemachtende door een list hem zouden doden).
1B. Mc 3,21: εξηλθον κρατησαι αυτον (= exèlthon kratèsai auton: zij gingen uit om hem te overmeesteren). Familieleden van Jezus zijn erop uitgetrokken om hem te overmeesteren en naar huis te nemen.
- Mc 12,12 : Καὶ ἐζήτουν (= kai edzètoun: en zij zochten) αὐτὸν κρατῆσαι (= auton  kratèsai: om hem te overmeesteren).

We komen stilaan tot het hoogtepunt van het verhaal. Het gaat om de liquidatie van Jezus. Het begon bij zijn tweede bezoek aan een synagoge op sabbat. Hij genas er een man met een verdorde hand. Het was echter wel sabbat. De Farizeeën en de Herodianen namen samen de beslissing om hem uit de weg te ruimen (Mc 3,6). . Bij zijn bezoek aan Jeruzalem, reinigde hij de tempel. Toen de hogepriesters en de Farizeeërn dit hoorden, zochten zij uit hoe ze hem zouden kunnen ombrengen (Mc 11,18). In Mc 12,12 willen zij hem overweldigen. Reeds in Mc 3,21 wilde zijn familie hem reeds overweldigen. In Mc 14,1 zetten de hogepriesters en de Farizeeën nog een stapje verder. Zij zoeken uit hoe zij hem met een list overweldigd, hem kunnen doden (Mc 14,1).
De hogepriesters zijn de machthebbers die iemand kunnen veroordelen en uit de weg ruimen. Van een plaatselijk conflict in Galilea is het uitgegroeid tot een nationaal conflict. Van plaatselijke Farizeeën, Herodianen en de familie van Jezus in Galilea naar de hogepriesters, schriftgeleerden en Farizeeën in Jeruzalem. De instellingen zijn heilig. Wie raakt aan synagoge of tempel, wordt geliquideerd. De tijd om dit te voltrekken is kort. Nog twee dagen; dan is het paasfeesr en het feest van de ongedesemde broden. Het zou voordien moeten gebeuren. Binnen de twee dagen. Het zal met een list moeten gebeuren.

Mc 14,1.13. οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.
Mc 14 (11): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,11. (3) Mc 14,12. (4) Mc 14,16. (5) Mc 14,40. (6) Mc 14,46. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,55. (9) Mc 14,64. (10) Mc 14,65. (11) Mc 14,70.

Mc 14,1.14. ἀρχιερεῖς (= archiereis: hogepriesters; zn nom mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester). Taalgebruik in het NT: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Mc: archiereus (hogepriester). Mc (11). (1) Mc 11,18. (2) Mc 11,27. (3) Mc 14,1. (4) Mc 14,10. (5) Mc 14,53. (6) Mc 14,55. (7) Mc 15,1. (8) Mc 15,3. (9) Mc 15,10. (10) Mc 15,11. (11) Mc 15,31.

Mc 14,1.15. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,1.16. οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.
Mc 14 (11): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,11. (3) Mc 14,12. (4) Mc 14,16. (5) Mc 14,40. (6) Mc 14,46. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,55. (9) Mc 14,64. (10) Mc 14,65. (11) Mc 14,70.

Mc 14,1.17. γραμματεῖς (= grammateis: Schriftgeleerden; zn nom mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde (uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα: assimilatie van de f aan de m; γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven. Taalgebruik in het NT: grammateus (schriftgeleerde). Taalgebruik in Mc: grammateus (schriftgeleerde).
Mc (11): (1) Mc 1,22. (2) Mc 2,16. (3) Mc 3,22. (4) Mc 7,5. (5) Mc 9,11. (6) Mc 9,14. (7) Mc 11,18. (8) Mc 11,27. (9) Mc 12,35. (10) Mc 14,1. (11) Mc 14,53. Nom. (10). Acc. (1): Mc 9,14.

Mc 14,1.13.-17. οι αρχιερεις και οι γραμματεις (= hoi archiereis kai hoi grammateis: de hogepriesters en de schriftgeleerden). NT (7).Mc (1): Mc 14,1. In Mc 14,53 worden de schriftgeleerden vermeld, na de hogepriesters en de priesters.

Mc 14,1.18. πως (= pôs: hoe; onbep vrag vnw). Taalgebruik in het NT: pôs (hoe). Taalgebruik in Mc: pôs (hoe).
Mc 14 (2): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,11.
Een vorm van ζητεω = zèteô: zoeken, gevolgd door pôs: hoe: (1) Mc 11,18. (2) Mc 14,1. (3) Mc 14,11.

19. αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos.
Mc 14 (14): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,11. (4) Mc 14,39. (5) Mc 14,44. (6) Mc 14,45. (7) Mc 14,46. (8) Mc 14,50. (9) Mc 14,51. (10) Mc 14,55. (11) Mc 14,61. (12) Mc 14,64. (13) Mc 14,65. (14) Mc 14,69.

Mc 14,1.20. ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd, middel)Taalgebruik in het NT: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in).
Mc 14 (7): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,2. (3) Mc 14,3. (4) Mc 14,6. (5) Mc 14,25. (6) Mc 14,49. (7) Mc 14,66.

Mc 14,1.21. δόλῳ (= dolô: met list; zn dat mann enk van het zn δόλος = dolos: list, bedrog). Mc 14,1.

Mc 14,1.22. κρατήσαντες (= kratèsantes: overmachtigd, vastgenomen; wkw act part aor nom mann mv van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van). Taalgebruik in het NT: krateô (vastnemen, bemachtigen). Taalgebruik in de LXX: krateô (vastnemen, bemachtigen). Bijbel (3): (1) Mt 22,6. (2) Mt 26,57. (3) Mc 14,1.

Mc 14,1.23. ἀποκτείνωσιν (= apokteinôsin: zij zouden doden; wkw act conjunct praes 3de pers mann mv van het wkw αποκτεινω = apokteinô: doden). NT (8). Mc (1).


Mc 14,2 - Mc 14,2: 317. Complot tegen Jezus: Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,1 - Mc 14,2 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:2 elegon gar m� en t� eort� m�pote estai thorubos tou laou  2 dicebant enim non in die festo ne forte tumultus fieret populi    2 Maar zij zeiden: Niet in het feest, opdat niet misschien oproer onder het volk worde.  [2] Want ze zeiden: ‘Niet op het feest, er moet geen opschudding onder het volk ontstaan.’  [2] Ze zeiden bij zichzelf: Tijdens het feest kan dat niet, want dan komt het volk in opstand.  2 want, zeiden ze: niet tijdens het feest, dan mag er in geen geval een volksoproer zijn!   2. Car ils se disaient: « Pas en pleine fête, de peur qu'il n'y ait du tumulte parmi le peuple. » 

King James Bible. [2] But they said, Not on the feast day, lest there be an uproar of the people.
Luther-Bibel. 2 Denn sie sprachen: Ja nicht bei dem Fest, damit es nicht einen Aufruhr im Volk gebe.

Tekstuitleg van Mc 14,2.

ἔλεγον γάρ, Μὴ ἐν τῇ ἑορτῇ, μήποτε ἔσται θόρυβος τοῦ λαοῦ.
Want ze zeiden: niet op het feest opdat er geen oproer van het volk zal zijn.

Mc 14,2 ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) γάρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden), μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἑορτῇ (= heortè: feest; zn dat vr enk van het zn ἑορτη = heortè: feest), μήποτε (= mèpote: opdat niet; bw: nooit, niets eens; vw: opdat niet) ἔσται (= estai: hij zal zijn; wkw act ind fut 3de pers mann enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat: esse) θόρυβος (= thorubos: oprier; nom mann enk: lawaai, rumoer, onrust, oproer) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) λαἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) γάρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden), οῦ (= laou: van het volk; zn gen mann enk van het zn λαος = laos: volk).

1. ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep).

2. γάρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden), Taalgebruik in het NT: gar (want). Taalgebruik in Mc: gar (want).
Mc (63). Mc 14 (6): (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,7. (4) Mc 14,40. (5) Mc 14,56. (6) Mc 14,70.

3. μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan).

4. ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd, middel). Taalgebruik in het NT: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in).
Mc 14 (7): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,2. (3) Mc 14,3. (4) Mc 14,6. (5) Mc 14,25. (6) Mc 14,49. (7) Mc 14,66.

5. τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het).

6. ἑορτῇ (= heortè: feest; zn dat vr enk van het zn ἑορτη = heortè: feest),

4.-6. εν τη εορτη (= en tè heortè: op/tijdens het feest). NT (6).


318. Zalving van Jezus te Betanië: Mc 14,3-9 - Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,3 - Mc 14,4 - Mc 14,5 - Mc 14,6 - Mc 14,7 - Mc 14,8 - Mc 14,9 -

Mc 14,3 - Mc 14,3: 318. Zalving van Jezus te Betanië: Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,3 - Mc 14,4 - Mc 14,5 - Mc 14,6 - Mc 14,7 - Mc 14,8 - Mc 14,9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:3 kai ontos autou en b�thania en t� oikia sim�nos tou leprou katakeimenou autou �lthen gun� echousa alabastron murou nardou pistik�s polutelous suntripsasa t�n alabastron katecheen autou t�s kefal�s  3 et cum esset Bethaniae in domo Simonis leprosi et recumberet venit mulier habens alabastrum unguenti nardi spicati pretiosi et fracto alabastro effudit super caput eius    3 En als Hij te Bethani� was, in het huis van Simon, den melaatse, daar Hij aan tafel zat, kwam een vrouw, hebbende een albasten fles met zalf van onvervalsten nardus, van groten prijs; en de albasten fles gebroken hebbende, goot die op Zijn hoofd.  
[3] Toen Hij in Betanië was, in het huis van Simon de melaatse, en daar aanlag, kwam een vrouw met een albasten flesje echte, kostbare nardusbalsem*. Ze brak het flesje en goot het leeg over zijn hoofd. 

[3] Toen hij in Betanië in het huis van Simon – degene die aan huidvraat had geleden – aanwezig was bij een feestmaal, kwam er een vrouw binnen. Ze had een albasten flesje bij zich dat gevuld was met zeer kostbare, zuivere nardusolie. Ze brak het flesje en goot de olie uit over zijn hoofd.  
3 Hij is intussen in Betanië, in het huis van Simon de Melaatse; terwijl hij aanligt komt er een vrouw aan met een albasten kruik vol kostbare echte nardusmirre; ze breekt de kruik en giet het uit over zijn hoofd.  3. Comme il se trouvait à Béthanie, chez Simon le lépreux, alors qu'il était à table, une femme vint, avec un flacon d'albâtre contenant un nard pur, de grand prix. Brisant le flacon, elle le lui versa sur la tête. 

King James Bible. [3] And being in Bethany in the house of Simon the leper, as he sat at meat, there came a woman having an alabaster box of ointment of spikenard very precious; and she brake the box, and poured it on his head.
Luther-Bibel. 3 Und als er in Betanien war im Hause Simons des Auss�tzigen und sa� zu Tisch, da kam eine Frau, die hatte ein Glas mit unverf�lschtem und kostbarem Narden�l, und sie zerbrach das Glas und goss es auf sein Haupt.

Καὶ ὄντος αὐτοῦ ἐν Βηθανίᾳ ἐν τῇ οἰκίᾳ Σίμωνος τοῦ λεπροῦ κατακειμένου αὐτοῦ ἦλθεν γυνὴ ἔχουσα ἀλάβαστρον μύρου νάρδου πιστικῆς πολυτελοῦς: συντρίψασα τὴν ἀλάβαστρον κατέχεεν αὐτοῦ τῆς κεφαλῆς.

Mc 14,3 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὄντος (= ontos: terwijl hij is; wkw act part praes gen mann enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat: esse) αὐτοῦ (= autou; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) Βηθανίᾳ (= bèthania: in Bethanië; zn eigennaam, plaatsnaam, dat vr enk van het zn Βηθανια = bèthania: Betanië < Βηθ = bèth: huis en ανια = ania: behoeftigen. De betekenis van deze naam is “Huis van lijden” of “Huis der behoeftigen / nooddruftigen”, – bet staat voor huis , – ani (Hebreeuws) of – ania (Aramees) staan voor: armoede, lijden) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) οἰκίᾳ (= oikia: huis; zn dat vr enk van het zn οικια = oikia: huis) Σίμωνος (= simônos: van Simon; zn eigennaam gen mann enk van het zn σιμων = Simôn: Simon) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) λεπροῦ (= leprou: van de melaatse; zn gen mann enk van het zn λεπρος = lepros: melaatse) κατακειμένου (= katakeimenou: terwijl hij neerligt / aanligt; wkw med part praes gen mann enk van het wkw κατακειμαι = katakeimai: neerliggen, aanliggen) αὐτοῦ (= autou; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἦλθεν (= èlthen: hij kwam; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) γυνὴ (= gunè: vrouw; zn nom vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw) ἔχουσα (= echousa: hebbende; wkw act part praes nom vr enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ἀλάβαστρον (= alabastron: albast, zalfflesje; zn acc onz enk) μύρου (= murou: van balsem; zn gen onz enk van het zn μυρος = muros: welriekende olie, zalf, balsem, parfum) νάρδου (= nardou: van nardusolie; zn gen vr enk van het zn ναρδος = nardos: nardusolie) πιστικῆς (= pistikès: van betrouwbare; bv nw gen vr enk van het bv nw πιστικος = pistikos: betrouwbaar, echt) πολυτελοῦς: (= polutelous: van kostbare; bv nw gen vr enk van het bv nw πολυτελης = polutelès: kostbaar, waardevol) συντρίψασα (= suntripsasa: stuk geslagen; wkw act part aor nom vr enk van het wkw συντριβω = suntribô: stuk slaan, tegen elkaar wrijven) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀλάβαστρον (= alabastron: albast, zalfflesje; de olie van het albastenflesje; zn acc vr enk) κατέχεεν (= katecheen: zij goot neer; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw κατα-χεω = kata- cheô: neergieten, gieten over; opgelet: het is niet het wkw κατ-εχω = kat-echô: naar beneden houden, tegenhouden) αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κεφαλῆς (= kefalès: van het hoofd; zn gen vr enk van het zn κεφαλη = kefalè: hoofd).

Tekstuitleg van Mc 14,3.

Mc 14,3.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

2. ὄντος (= ontos: terwijl hij is; wkw act part praes gen mann enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat: esse).

Mc 14,3.3. αὐτοῦ (= autou; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos.
Mc (143). Mc 14 (15): (1) Mc 14,3. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,13. (4) Mc 14,21. (5) Mc 14,23. (6) Mc 14,32. (7) Mc 14,33. (8) Mc 14,35. (9) Mc 14,43. (10) Mc 14,47. (11) Mc 14,56. (12) Mc 14,57. (13) Mc 14,58. (14) Mc 14,63. (15) Mc 14,65.

4. ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd, middel). Taalgebruik in het NT: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in).
Mc 14 (7): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,2. (3) Mc 14,3. (4) Mc 14,6. (5) Mc 14,25. (6) Mc 14,49. (7) Mc 14,66.

Mc 14,3.5. Βηθανια (= bèthania: Betanië; zn plaatsnaam). Taalgebruik in het NT: bèthania (Bethanië). Taalgebruik in Mc: bèthania (Bethanië). De getalswaarde van het woord Bèthania (Betanië) = 2 + 8 + 9 + 1 + 50 + 10 + 1 = 81. Een vorm van Betanië (4).
- απο Βηθανιας (= apo bèthanias: van Betanië). Mc (1): Mc 11,12.
- εις Βηθανιαν (= eis bèthanian: naar Bethanië). Mc (2): (1) Mc 11,1. (2) Mc 11,11.
- εν Βηθανια: en bèthania: in Betanië). Mc (1): Mc 14,3.

6. ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd, middel)Taalgebruik in het NT: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in).
Mc 14 (7): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,2. (3) Mc 14,3. (4) Mc 14,6. (5) Mc 14,25. (6) Mc 14,49. (7) Mc 14,66.

7. τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het).

8.οἰκίᾳ (= oikia: huis; zn dat vr enk van het zn οικια = oikia: huis).

9. Σίμωνος (= simônos: van Simon; zn eigennaam gen mann enk van het zn σιμων = Simôn: Simon).

10. τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het).

Mc 14,3.12. part. praes. gen. mann. enk. κατακειμενου = katakeimenou (terwijl hij neerligt) van het werkw. κατακειμαι = katakeimai (neerliggen). Taalgebruik in het NT: katakeimai (neerliggen). Taalgebruik in de LXX: katakeimai (neerliggen).Taalgebruik in Mc: katakeimai (neerliggen). Bijbel (2): (1) Mc 2,15. (2) Hnd 28,8, Een vorm van κατακειμαι = katakeimai (neerliggen) in de LXX (4), in het NT (12), in Mc (4): (1) Mc 1,30. (2) Mc 2,4. (3) Mc 2,15. (4) Mc 14,3.

  katakeimai (neerliggen)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 14 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
ind. imperf. 3de pers enk. katekeito    2 : (1) Mc 1,30.   (2) Mc 2,4.     6   2 :          
part. praes. gen. mann. enk. katakeimenou      (1) Mc 14,3.                    
inf. praes. katakeisthai    (1) Mc 2,15.                    
  Totaal  4            

Mc 14,3.13. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) pers. voornaamw. autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos.
Mc (143). Mc 14 (15): (1) Mc 14,3. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,13. (4) Mc 14,21. (5) Mc 14,23. (6) Mc 14,32. (7) Mc 14,33. (8) Mc 14,35. (9) Mc 14,43. (10) Mc 14,47. (11) Mc 14,56. (12) Mc 14,57. (13) Mc 14,58. (14) Mc 14,63. (15) Mc 14,65.

Mc 14,3.15. γυνὴ (= gunè: vrouw; zn nom nom vr enk). Taalgebruik in het NT: gunè (vrouw) .
Mc (7): (1) Mc 5,25. (2) Mc 5,33. (3) Mc 7,25. (4) Mc 7,26. (5) Mc 12,22. (6) Mc 12,23.  (7) Mc 14,3.

Mc 14,3.6. - 13.
- Mc 2,15: κατακεισθαι αυτον εν τῃ οικιᾳ αυτου (= katakeisthai auton en tè(i) oikia(i) autou: dat hij 'aan'ligt in diens huis).
- Mc 14,3: εν τῃ οικιᾳ σιμωνος του λεπρου κατακειμενου αυτου (= en tè(i) oikia(i) simônos tou leprou katakeimenou autou: terwijl hij aanligt in het huis van Simon de melaatse).
STAP VOOR STAP !
In Mc 2,15 ligt Jezus aan in het huis van een tollenaar, in Mc 14,3 in het huis van Simon de melaatse.

27. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (65). Mc 14 (6): (1) Mc 14,3. (2) Mc 14,24. (3) Mc 14,25. (4) Mc 14,35. (5) Mc 14,62. (6) Mc 14,64.

Mc 14,4 - Mc 14,4: 318. Zalving van Jezus te Betanië: Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,3 - Mc 14,4 - Mc 14,5 - Mc 14,6 - Mc 14,7 - Mc 14,8 - Mc 14,9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:4 �san de tines aganaktountes pros eautous eis ti � ap�leia aut� tou murou gegonen  4 erant autem quidam indigne ferentes intra semet ipsos et dicentes ut quid perditio ista unguenti facta est     4 En er waren sommigen, die dat zeer kwalijk namen bij zichzelven, en zeiden: Waartoe is dit verlies der zalf geschied?   [4] Sommigen zeiden verontwaardigd tegen elkaar: ‘Waar was de verspilling van die balsem nu goed voor? [4] Sommige aanwezigen zeiden geërgerd tegen elkaar: ‘Waar is deze verkwisting goed voor?  4 Maar er zijn er een paar die verontwaardigd tot elkaar zeggen: waarvoor is deze verkwisting van mirre geschied?–  4. Or il y en eut qui s'indignèrent entre eux: « A quoi bon ce gaspillage de parfum ?  

King James Bible. [4] And there were some that had indignation within themselves, and said, Why was this waste of the ointment made?
Luther-Bibel. 4 Da wurden einige unwillig und sprachen untereinander: Was soll diese Vergeudung des Salb�ls?

Tekstuitleg van Mc 14,4. Het vers Mc 14,4 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 78 (2 X 39) letters. De getalwaarde van Mc 14,4 is 8889 (3 X 2963).

Mc 14,4.1. imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn). Taalgebruik in het NT: eimi (zijn). Taalgebruik in Mc: eimi (zijn). Hebr. hâjâh. Lat. esse. Fr. être. Ned. zijn. E. to be.
Mc (16): (1) Mc 1,16. (2) Mc 2,6. (3) Mc 2,15. (4) Mc 2,18.  (5) Mc 4,1.  (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,34. (8) Mc 6,44.  (9) Mc 8,9. (10) Mc 9,4. (11): Mc 10,32.  (12) Mc 12,20.  (13) (1) Mc 14,4. (14) Mc 14,40. (15) Mc 14,56. (16) Mc 15,40. Omschrijvende structuur: èsan... + deelwoord. Mc (7): (1) Mc 2,6. (2) Mc 2,18.  (3) Mc 9,4. (4) Mc 10,32. (5) Mc 14,4. (6) Mc 14,40. (7) Mc 15,40.

Mc 14,4.2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden.
Mc (149). Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.

Mc 14,4.1. - 2. hèsan de (zij waren echter). Mc (5). In 4 / 7 van de omschrijv. structuur: (1) Mc 2,6. (2) Mc 10,32. (3) Mc 14,4. (4) Mc 15,40 + Mc 8,9.

Mc 14,4.5. pros (naar, bij). Taalgebruik in NT: pros (naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros (naar, bij). Mc 14 (5): (1) Mc 14,4. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,49. (4) Mc 14,53. (5) Mc 14,54.

Mc 14,5 - Mc 14,5: 318. Zalving van Jezus te Betanië: Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,3 - Mc 14,4 - Mc 14,5 - Mc 14,6 - Mc 14,7 - Mc 14,8 - Mc 14,9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:5 �dunato gar touto to muron prath�nai epan� d�nari�n triakosi�n kai doth�nai tois pt�chois kai enebrim�nto aut� 5 poterat enim unguentum istud veniri plus quam trecentis denariis et dari pauperibus et fremebant in eam    5 Want dezelve had kunnen boven de driehonderd penningen verkocht, en die den armen gegeven worden; en zij vergrimden tegen haar.  [5] Want die had voor meer dan driehonderd denariën verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden.’ Ze voeren tegen haar uit.  [5] Die olie had immers voor meer dan driehonderd denarie verkocht kunnen worden, en dat geld hadden we aan de armen kunnen geven.’ Ze voeren tegen haar uit.  5 want deze mirre had voor meer dan driehonderd dinars verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden! Zulke verwijten hebben ze haar gemaakt.  5. Ce parfum pouvait être vendu plus de trois cents deniers et donné aux pauvres. » Et ils la rudoyaient.  

King James Bible. [5] For it might have been sold for more than three hundred pence, and have been given to the poor. And they murmured against her.
Luther-Bibel. 5 Man h�tte dieses �l f�r mehr als dreihundert Silbergroschen verkaufen k�nnen und das Geld den Armen geben. Und sie fuhren sie an.

Tekstuitleg van Mc 14,5.

2. γάρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden), Taalgebruik in het NT: gar (want). Taalgebruik in Mc: gar (want).
Mc (63). Mc 14 (6): (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,7. (4) Mc 14,40. (5) Mc 14,56. (6) Mc 14,70.

4. τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.
Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.

10. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

13. dat. man. en onz. mv. ptôchois (armen) van het bijvoegl. naamw. ptôchos (arme). Taalgebruik in het NT: ptôchos (arme). Taalgebruik in Mc: ptôchos (arme). Mc (2): (1) Mc 10,21. (2) Mc 14,5.

14. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,6 - Mc 14,6: 318. Zalving van Jezus te Betanië: Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,3 - Mc 14,4 - Mc 14,5 - Mc 14,6 - Mc 14,7 - Mc 14,8 - Mc 14,9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:6 o de i�sous eipen afete aut�n ti aut� kopous parechete kalon ergon �rgasato en emoi  6 Iesus autem dixit sinite eam quid illi molesti estis bonum opus operata est in me    6 Maar Jezus zeide: Laat af van haar; wat doet gij haar moeite aan? Zij heeft een goed werk aan Mij gewrocht.  [6] Maar Jezus zei: ‘Laat haar. Wat maken jullie het haar toch lastig? Ze heeft een goed werk gedaan aan Mij.  [6] Maar Jezus zei: ‘Laat haar met rust, waarom vallen jullie haar lastig? Ze heeft iets goeds voor mij gedaan.  6 Maar Jezus zegt: láát haar!– waarom bezorgen jullie haar moeilijkheden?– zij heeft een goed werk aan mij gedaan;  6. Mais Jésus dit: « Laissez-la; pourquoi la tracassez-vous ? C'est une bonne œuvre qu'elle a accomplie sur moi. 

King James Bible. [6] And Jesus said, Let her alone; why trouble ye her? she hath wrought a good work on me.
Luther-Bibel. 6 Jesus aber sprach: Lasst sie in Frieden! Was betr�bt ihr sie? Sie hat ein gutes Werk an mir getan.

Tekstuitleg van Mc 14,6.

2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.

3. nom. mann. enk. Ièsous. Taalgebruik in het NT: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus). Mc 14 (7): (1) Mc 14,6. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,48. (6) Mc 14,62. (7) Mc 14,72. Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 14 (11): (1) Mc 14,6 (nom. Ièsous). (2) Mc 14,18 (nom. Ièsous). (3) Mc 14,27 (nom. Ièsous). (4) Mc 14,30 (nom. Ièsous). (5) Mc 14,48 (nom. Ièsous). (6) Mc 14,53 (acc. Ièsoun). (7) Mc 14,55 (gen Ièsou.). (8) Mc 14,60 (acc. Ièsoun). (9) Mc 14,62 (nom. Ièsous). (10) Mc 14,67 (gen. Ièsou). (11) Mc 14,72 (nom. Ièsous).

6. pers. voornaamw. acc. vr. enk. autèn (haar). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos.
Mc (14): (1) Mc 1,31. (2) Mc 4,30. (3) Mc 6,17. (4) Mc 6,26. (5) Mc 6,28. (6) Mc 8,35. (7) Mc 9,43. (8) Mc 10,11. (9) Mc 10,15. (10) Mc 11,2. (11) Mc 11,13. (12) Mc 12,21. (13) Mc 12,23. (14) Mc 14,6.

11. nom. onz. enk. + acc. mann. + onz. enk. kalon (goed) van het bijvoegl. naamw. kalos (goed, mooi, schoon). Taalgebruik in het NT: kalos (goed, mooi, schoon). Taalgebruik in Mc: kalos (goed, mooi, schoon).
Mc (9): (1) Mc 7,27. (2) Mc 9,5. (3) Mc 9,42. (4) Mc 9,43. (5) Mc 9,45. (6) Mc 9,47. (7) Mc 9,50.  (8) Mc 14,6. (9) Mc 14,21.  

14. ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd, middel)Taalgebruik in het NT: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in).
Mc 14 (7): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,2. (3) Mc 14,3. (4) Mc 14,6. (5) Mc 14,25. (6) Mc 14,49. (7) Mc 14,66.

Mc 14,7 - Mc 14,7: 318. Zalving van Jezus te Betanië: Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,3 - Mc 14,4 - Mc 14,5 - Mc 14,6 - Mc 14,7 - Mc 14,8 - Mc 14,9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:7 pantote gar tous pt�chous echete meth eaut�n kai otan thel�te dunasthe autois | [pantote] | | eu poi�sai eme de ou pantote echete  7 semper enim pauperes habetis vobiscum et cum volueritis potestis illis benefacere me autem non semper habetis    7 Want de armen hebt gij altijd met u, en wanneer gij wilt, kunt gij hun weldoen; maar Mij hebt gij niet altijd.   [7] Want de armen heb je altijd bij je, en zo vaak je wilt kun je hun goed doen, maar Mij heb je niet altijd bij je.  [7] Want de armen zijn altijd bij jullie, en jullie kunnen weldaden aan hen bewijzen wanneer je maar wilt, maar ik zal niet altijd bij jullie zijn.  7 want de armen hebt ge altijd bij u, en wanneer ge maar wilt kunt ge goed aan hen doen, maar mij hebt ge niet altijd!–  7. Les pauvres, en effet, vous les aurez toujours avec vous et, quand vous le voudrez, vous pourrez leur faire du bien, mais moi, vous ne m'aurez pas toujours.  

King James Bible. [7] For ye have the poor with you always, and whensoever ye will ye may do them good: but me ye have not always.
Luther-Bibel. 7 Denn ihr habt allezeit Arme bei euch, und wenn ihr wollt, k�nnt ihr ihnen Gutes tun; mich aber habt ihr nicht allezeit.

Tekstuitleg van Mc 14,7.

2. γάρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden), Taalgebruik in het NT: gar (want). Taalgebruik in Mc: gar (want).
Mc (63). Mc 14 (6): (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,7. (4) Mc 14,40. (5) Mc 14,56. (6) Mc 14,70.

8. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

16. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.

Mc 14,8 - Mc 14,8: 318. Zalving van Jezus te Betanië: Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,3 - Mc 14,4 - Mc 14,5 - Mc 14,6 - Mc 14,7 - Mc 14,8 - Mc 14,9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:8 o eschen epoi�sen proelaben murisai to s�ma mou eis ton entafiasmon  8 quod habuit haec fecit praevenit unguere corpus meum in sepulturam    8 Zij heeft gedaan, hetgeen zij konde; zij is voorgekomen, om Mijn lichaam te zalven, tot een voorbereiding ter begrafenis  [8] Ze heeft gedaan wat zij kon. Bij voorbaat heeft ze mijn lichaam gezalfd met het oog op mijn begrafenis.  [8] Wat ze kon, heeft ze gedaan: ze heeft mijn lichaam nu al met olie gebalsemd, met het oog op mijn begrafenis.  8 wat ze te bieden had heeft ze gedaan; zij heeft bij voorbaat mijn lichaam met mirre gezalfd voor de begrafenis;  8. Elle a fait ce qui était en son pouvoir: d'avance elle a parfumé mon corps pour l'ensevelissement 

King James Bible. [8] She hath done what she could: she is come aforehand to anoint my body to the burying.
Luther-Bibel. 8 Sie hat getan, was sie konnte; sie hat meinen Leib im Voraus gesalbt f�r mein Begr�bnis.

Tekstuitleg van Mc 14,8.

6. τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.
Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.

10. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.

Mc 14,9 - Mc 14,9: 318. Zalving van Jezus te Betanië: Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,3 - Mc 14,4 - Mc 14,5 - Mc 14,6 - Mc 14,7 - Mc 14,8 - Mc 14,9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:9 am�n de leg� umin opou ean k�ruchth� to euaggelion eis olon ton kosmon kai o epoi�sen aut� lal�th�setai eis mn�mosunon aut�s 9 amen dico vobis ubicumque praedicatum fuerit evangelium istud in universum mundum et quod fecit haec narrabitur in memoriam eius  zal er gesproken worden, tot haar gedachtenis.”  . 9 Voorwaar zeg Ik u: Alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de gehele wereld, daar zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden, van hetgeen zij gedaan heeft.   [9] Ik verzeker jullie, waar ook ter wereld de goede boodschap verkondigd wordt, daar zal ook ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan.’  [9] Ik verzeker jullie: waar ook maar ter wereld het goede nieuws verkondigd wordt, zal ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan.’  9 voorwaar, ik zeg u, overal waar het evangelie zal worden gepredikt, in heel de wereld, zal ook van wat zij heeft gedaan worden gesproken tot gedachtenis aan haar!   . 9. En vérité, je vous le dis, partout où sera proclamé l'Évangile, au monde entier, on redira aussi, à sa mémoire, ce qu'elle vient de faire. » 

King James Bible. [9] Verily I say unto you, Wheresoever this gospel shall be preached throughout the whole world, this also that she hath done shall be spoken of for a memorial of her.
Luther-Bibel. 9 Wahrlich, ich sage euch: Wo das Evangelium gepredigt wird in aller Welt, da wird man auch das sagen zu ihrem Ged�chtnis, was sie jetzt getan hat.

Tekstuitleg van Mc 14,9. Het vers Mc 14,9 telt 21 (3 X 7) woorden en 104 (2 X 2 X 2 X 13) letters. Het getalwaarde van Mc 14,9 is 10597 (priemgetal).

1. amèn (amen, ja, voorwaar). Taalgebruik in het NT: amèn (amen, ja, voorwaar). Taalgebruik in Mc: amèn (amen, ja, voorwaar). Het maakt deel uit van de formule amèn... legô humin (voorwaar ik zeg jullie).
Mc (13) (1). (2). (3). (4). (5). (6). (7). (8). (9). (10). (11). (12). (13).

Mc 14,9.2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden.
Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.
In Mc 14,6-9 reageert Jezus opvallend positief tegen de negatieve reactie van de leerlingen.

1. - 4. amèn (de) legô humin (voorwaar - echter - ik zeg jullie). Mc (13) (1). (2). (3). (4). (5). (6). (7). (8). (9). (10). (11). (12). (13).

Mc 14,9.8. τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.
Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.

9. accusatief onzijdig enkelvoud euaggelion (evangelie). Taalgebruik in het NT: euaggelion (evangelie). Taalgebruik in Mc: euaggelion (evangelie). eu-aggelion = goede boodschap. Lat. evangelium. Fr. évangile. D. Evangelium. E. gospel.
Mc (4): (1) Mc 1,14. (2) Mc 13,10. (3) Mc 14,9. (4) Mc 16,15.

Mc 14,9.8. - 9. to euaggelion (het evangelie) . Een vorm van euaggelion (goede boodschap) in Mc (8); gen. (3), dat. (1), acc. (4). Elke vorm wordt voorafgegaan door het bepaald lidwood: gen. (tou), dat. tô(i), acc. to.

11. kosmos (wereld). Taalgebruik in het NT: kosmos (wereld). Taalgebruik in Mc: kosmos (wereld).
Mc (3): (1) Mc 8,36. (2) Mc 14,9. (3) Mc 16,15.

12. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.

14. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

21. pers. voornaamw. gen. vr. enk. autès van het pers. voornaamw. autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos. Mc (14): (1) Mc 1,30. (2) Mc 5,26. (3) Mc 5,29. (4) Mc 6,24. (5) Mc 6,28. (6) Mc 7,25. (7) Mc 7,26. (8) Mc 7,30. (9) Mc 10,12. (10) Mc 12,44. (11) Mc 13,24. (12) Mc 13,28. (13) Mc 14,9. (14) Mc 16,11.


319. Verraad van Judas: Mc 14,10-11 - Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,10 - Mc 14,11 -

Mc 14,10 - Mc 14,10: 319. Verraad van Judas: Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,10 - Mc 14,11 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
Kai Ioudas Iskariôth ho heis tôn dôdeka apèlthen pros tous archiereis hina auton paradoi autois   10 et Iudas Scariotis unus de duodecim abiit ad summos sacerdotes ut proderet eum illis    10 En Judas Iskariot, een van de twaalven, ging heen tot de overpriesters, opdat hij Hem hun zou overleveren. 
[10] Judas Iskariot, een van de twaalf, ging naar de hogepriesters om Hem over te leveren. 

[10] Toen ging Judas Iskariot, een van de twaalf, naar de hogepriesters om hem aan hen uit te leveren. 
10 Dan gaat Judas Isjkariot, die ene van de twaalf, weg naar de overpriesters om hem aan hen over te leveren.  10. Judas Iscariote, l'un des Douze, s'en alla auprès des grands prêtres pour le leur livrer.

King James Bible. [10] And Judas Iscariot, one of the twelve, went unto the chief priests, to betray him unto them.
Luther-Bibel. 10 Und Judas Iskariot, einer von den Zw�lfen, ging hin zu den Hohenpriestern, dass er ihn an sie verriete.

Tekstuitleg van Mc 14,10. Mc 14,10 // Mt 26,14

Mc 14,10 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) Ἰούδας (= ioudas: Judas; zn eigennaam) Ἰσκαριὼθ (= iskariôth: Iskarioth; zn eigennaam) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δώδεκα (= dôdeka: twaalf; hoofdtelw) ἀπῆλθεν (= apèlthen: zij gingen weg; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D: Weg. E: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) προς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀρχιερεῖς (= archiereis: hogepriesters; zn nom mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) παραδοῖ (= paradoi: hij zou overleveren; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij).

Mc 14,10.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en).
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,10.2. Ἰούδας (= ioudas: Judas; zn eigennaam).

Mc 14,10.3. Ἰσκαριὼθ (= iskariôth: Iskarioth; zn eigennaam).

Mc 14,10.4. (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het).

Mc 14,10.5. εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één).

Mc 14,10.6. τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc 14,10. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,13. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,17. (6) Mc 14,20. (7) Mc 14,26. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,43. (10) Mc 14,47. (11) Mc 14,54. (12) Mc 14,62. (13) Mc 14,66.

Mc 14,10.7. δώδεκα (= dôdeka: twaalf; hoofdtelw).

Mc 14,10.8. ἀπῆλθεν (= apèlthen: zij gingen weg; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D: Weg. E: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekom n we w-ch/g: weg).
- Bij Marcus wordt het in 9 verzen gebruikt. Het weg-gaan houdt vaak een keuze in. Het weg-gaan van Mc 14,10 is een gaan, maar is tegelijkertijd een afstand nemen van, het verlaten van Jezus en de twaalf. In Mc 3,13-19 wordt verhaald over de roeping van de twaalf. Judas hoort bij de twaalf. In Mc 14,10 verbreekt Judas zijn toebehoren tot de twaalf. Judas gaat naar de hogepriesters; hij is een overloper en zoekt een gelegenheid om Jezus aan de hogepriesters over te leveren. Judas ruilt het leerling-zijn voor spion; hij verzamelt de nodige informatie om Jezus over te leveren.

Mc 14,10.9. προς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting). Taalgebruik in NT: pros (naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros (naar, bij). Mc 14 (5): (1) Mc 14,4. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,49. (4) Mc 14,53. (5) Mc 14,54.


Mc 14,10.10. τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het).

Mc 14,10.11. ἀρχιερεῖς (= archiereis: hogepriesters; zn nom mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester). Taalgebruik in het NT: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Mc: archiereus (hogepriester). Mc (11). (1) Mc 11,18. (2) Mc 11,27. (3) Mc 14,1. (4) Mc 14,10. (5) Mc 14,53. (6) Mc 14,55. (7) Mc 15,1. (8) Mc 15,3. (9) Mc 15,10. (10) Mc 15,11. (11) Mc 15,31.

Mc 14,10.12. ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel).

Mc 14,10.13. αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,11. (4) Mc 14,39. (5) Mc 14,44. (6) Mc 14,45. (7) Mc 14,46. (8) Mc 14,50. (9) Mc 14,51. (10) Mc 14,55. (11) Mc 14,61. (12) Mc 14,64. (13) Mc 14,65. (14) Mc 14,69.

Mc 14,10.14. παραδοῖ (= paradoi: hij zou overleveren; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren). zie: paradidômi (overleveren) bij Marcus, zie Mc 1,14.
- In Mc 14 is vaak sprake van paradidômi (overleveren). Dit is de eerste maal in dit hoofdstuk. Wat reeds lang woekerde, krijgt nu concrete vorm: Judas Iskarit, één van de twaalf, één uit Jezus'intieme kring gaat naar de hogepriesters om hem over te leveren. De geestelijke overheid zocht al langer een gelegenheid om Jezus te grijpen, te veroordelen en te executeren. Ook de wereldlijke overheid was gevaarlijk omwille van haar onbetrouwbaarheid.

Mc 14,10.15. αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij).


Mc 14,11 - Mc 14,11: 319. Verraad van Judas: Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,10 - Mc 14,11 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:11 oi de akousantes echar�san kai ep�ggeilanto aut� argurion dounai kai ez�tei p�s auton eukair�s paradoi 11 qui audientes gavisi sunt et promiserunt ei pecuniam se daturos et quaerebat quomodo illum oportune traderet   II Zij nu, toen ze dit hoorden, verheugden zich en beloofden hem geld te geven.En hij zocht hoe hij hem op het goede ogenblik zou overleveren. 11 En zij, dat horende, waren verblijd, en beloofden hem geld te geven; en hij zocht, hoe hij Hem bekwamelijk overleveren zou.  [11] Toen ze dat hoorden, waren ze daarmee ingenomen en ze beloofden hem geld te geven. Hij zocht naar een goede gelegenheid om Hem over te leveren.  [11] Toen zij dit hoorden, waren ze opgetogen en beloofden ze hem geld te zullen geven. En hij zon op een mogelijkheid om hem op een geschikt moment uit te leveren.  11 Als ze zijn aanbod horen zijn ze verheugd en kondigen aan dat ze hem daarvoor zilvergeld zullen geven; en hij is ernaar gaan zoeken hoe hij hem op het goede moment kon overleveren.  11. A cette nouvelle ils se réjouirent et ils promirent de lui donner de l'argent. Et il cherchait une occasion favorable pour le livrer.

King James Bible. [11] And when they heard it, they were glad, and promised to give him money. And he sought how he might conveniently betray him.
Luther-Bibel. 11 Als die das h�rten, wurden sie froh und versprachen, ihm Geld zu geben. Und er suchte, wie er ihn bei guter Gelegenheit verraten k�nnte.

Tekstuitleg van Mc 14,11.

2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden.
Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.

3. act. part. aor. nom. mv. akousantes  van het werkw. akouô (horen). Taalgebruik in het NT: akouô (horen). Beide zijn verwant met elkaar. oor < Lat. aus, auris, zie Gr. ous / ôs, ôtis. auscultare (het oor lenen aan, toehoren, aanhoren) -> écouter.
Mc (7): (1) Mc 3,21. (2) Mc 4,18. (3) Mc 6,29. (4) Mc 10,41. (5) Mc 14,11. (6) Mc 15,35. (7) Mc 16,11.

5. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

10. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

13. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,11. (4) Mc 14,39. (5) Mc 14,44. (6) Mc 14,45. (7) Mc 14,46. (8) Mc 14,50. (9) Mc 14,51. (10) Mc 14,55. (11) Mc 14,61. (12) Mc 14,64. (13) Mc 14,65. (14) Mc 14,69.


320. Voorbereiding van het paasmaal: Mc 14,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- Mc 14,12 - Mc 14,13 - Mc 14,14 - Mc 14,15 - Mc 14,16 -

Mc 14,12 - Mc 14,12: 320. Voorbereiding van het paasmaal: Taalgebruiken -- Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- Mc 14,12 - Mc 14,13 - Mc 14,14 - Mc 14,15 - Mc 14,16 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:12 kai t� pr�t� �mera t�n azum�n ote to pascha ethuon legousin aut� oi math�tai autou pou theleis apelthontes etoimas�men ina fag�s to pascha   12 et primo die azymorum quando pascha immolabant dicunt ei discipuli quo vis eamus et paremus tibi ut manduces pascha   En op de eerste dag van de ongedesemde broden, toen men het pascha slachtte,  12 En op den eersten dag der ongehevelde broden, wanneer zij het pascha slachtten, zeiden Zijn discipelen tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij heengaan, en bereiden, dat Gij het pascha eet?  [12] Op de eerste dag* van het feest van de ongedesemde broden, wanneer men het paaslam slachtte, zeiden zijn leerlingen tegen Hem: ‘Waar wilt U dat wij voorbereidingen gaan treffen voor het paasmaal?’  [12] Op de eerste dag van het feest van het Ongedesemde brood, wanneer het pesachlam wordt geslacht, zeiden zijn leerlingen tegen hem: ‘Waar wilt u dat wij voorbereidingen gaan treffen zodat u het pesachmaal kunt eten?’  12 ¶ Op de eerste dag van de Ongegiste Broden, wanneer ze het paaslam hebben geslacht, zeggen zijn leerlingen tot hem: waar wilt u dat we heengaan en alles gereedmaken dat u er het paasmaal kunt eten?   12. Le premier jour des Azymes, où l'on immolait la Pâque, ses disciples lui disent: « Où veux-tu que nous allions faire les préparatifs pour que tu manges la Pâque ? » 

King James Bible. [12] And the first day of unleavened bread, when they killed the passover, his disciples said unto him, Where wilt thou that we go and prepare that thou mayest eat the passover?
Luther-Bibel. 12 Und am ersten Tage der Unges�uerten Brote, als man das Passalamm opferte, sprachen seine J�nger zu ihm: Wo willst du, dass wir hingehen und das Passalamm bereiten, damit du es essen kannst?

Tekstuitleg van Mc 14,12.

Mc 14,12.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,12.4. nom. + dat. vr. enk. ἡμερα / ἡμερᾳ = hèmera(i) (dag). Zie: ἡμερα = hèmera (dag). Taalgebruik in het NT: hèmera (dag). Taalgebruik in de Septuaginta: hèmera (dag). Taalgebruik in Mc: hèmera (dag). Mc (3): (1) Mc 2,20. (2) Mc 4,35. (3) Mc 14,12.

  hèmera (dag)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. en dat. vr. enk. hèmera(i)  854  750  104  13  27 17  12  28  43  60    
  totaal 2508  2029  479  43  26  82  31  93  183  21  151  182     

  hèmera (dag)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 13 Mc 14 Mc 15
1 nom. en dat. vr. enk. hèmera(i)    (1) Mc 2,20.   (2) Mc 4,35.               (3) Mc 14,12.    
2 gen. vr. enk. + acc. vr. mv hèmeras  11  (1) Mc 1,13.       (2) Mc 5,5.   (3) Mc 6,21.   (4) Mc 8,31.   (5) Mc 9,2. (6) Mc 9,31.   (7) Mc 10,34.   (8) Mc 13,20. (9) Mc 13,32.   (10) Mc 14,1. (11) Mc 14,25.    
3 acc. vr. enk. hèmeran                        
4 gen. vr. mv. hèmerôn    (1) Mc 2,1                 (2) Mc 14,58.  
5 dat. vr. mv. hèmerais   (1) Mc 1,9.           (2) Mc 8,1     (3) Mc 13,17. (4) Mc 13,24.    
  totaal 23 

- Ned: dag. Arabisch: يَوم = jaum (dag). Taalgebruik in de Qoran: dag (jaum). D: Tag. E: day. F: jour < Lat. diurnum. Cfr journaal. Grieks: ἡμερα = hèmera (dag). Taalgebruik in het NT: hèmera (dag). Hebreeuws: יוֹם = jôm (dag). Taalgebruik in Tenakh: jôm (dag). Latijn: dies (dag). diurnus (dagelijks).

Mc 14,12.5. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc 14,10. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,13. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,17. (6) Mc 14,20. (7) Mc 14,26. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,43. (10) Mc 14,47. (11) Mc 14,54. (12) Mc 14,62. (13) Mc 14,66.

Mc 14,12.7. hote (toen). Taalgebruik in het NT: hote (toen). Taalgebruik in Mc: hote (toen). Voegwoord van tijd. Mc (12): (1) Mc 1,32. (2) Mc 2,25. (3) Mc 4,6. (4) Mc 4,10. (5) Mc 6,21.   (6) Mc 7,17. (7) Mc 8,19. (8) Mc 8,20. (9) Mc 11,1. (10) Mc 14,12. (11) Mc 15,20. (12) Mc 15,41.

Mc 14,12.8. τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.
Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.

Mc 14,12.9. πάσχα (= pascha; pascha, Pesach, Pasen; zn nom onz enk). Taalgebruik in het NT: pascha (pascha). Taalgebruik in de LXX: pascha (pascha). Taalgebruik in Mc: pascha (pascha). Mc (4 verzen, 5X): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,12. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,16. Joh (9): (1) Joh 2,13. (2) Joh 2,23. (3) Joh 6,4. (4) Joh 11,55. (5) Joh 12,1. (6) Joh 13,1. (7) Joh 18,28. (8) Joh 18,39. (9) Joh 19,14.

23. πάσχα (= pascha; pascha, Pesach, Pasen; zn nom onz enk). Taalgebruik in het NT: pascha (pascha). Taalgebruik in de LXX: pascha (pascha). Taalgebruik in Mc: pascha (pascha). Mc (4 verzen, 5X): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,12. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,16. Joh (9): (1) Joh 2,13. (2) Joh 2,23. (3) Joh 6,4. (4) Joh 11,55. (5) Joh 12,1. (6) Joh 13,1. (7) Joh 18,28. (8) Joh 18,39. (9) Joh 19,14.


Mc 14,13 - Mc 14,13: 320. Voorbereiding van het paasmaal: Taalgebruiken -- Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- Mc 14,12 - Mc 14,13 - Mc 14,14 - Mc 14,15 - Mc 14,16 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:13 kai apostellei duo t�n math�t�n autou kai legei autois upagete eis t�n polin kai apant�sei umin anthr�pos keramion udatos bastaz�n akolouth�sate aut�   13 et mittit duos ex discipulis suis et dicit eis ite in civitatem et occurret vobis homo laguenam aquae baiulans sequimini eum    13 En Hij zond twee van Zijn discipelen uit, en zeide tot hen: Gaat henen in de stad, en u zal een mens ontmoeten, dragende een kruik water, volgt dien;  [13] Daarop stuurde Hij twee* van zijn leerlingen eropuit met de opdracht: ‘Ga naar de stad. Daar zal jullie iemand tegemoet komen die een kruik water draagt. Volg hem,  [13] Hij stuurde twee van zijn leerlingen op pad en zei tegen hen: ‘Ga naar de stad. Daar zal een man die een kruik water draagt jullie tegemoet komen; volg hem,  13 Dan zendt hij twee van zijn leerlingen uit en zegt tot hen: gaat de stad in, en daar zal jullie een mens tegemoet lopen die een kruik water torst; volgt hem,  13. Il envoie alors deux de ses disciples, en leur disant: « Allez à la ville; vous rencontrerez un homme portant une cruche d'eau. Suivez-le,  

King James Bible. [13] And he sendeth forth two of his disciples, and saith unto them, Go ye into the city, and there shall meet you a man bearing a pitcher of water: follow him.
Luther-Bibel. 13 Und er sandte zwei seiner J�nger und sprach zu ihnen: Geht hin in die Stadt, und es wird euch ein Mensch begegnen, der tr�gt einen Krug mit Wasser; folgt ihm

Tekstuitleg van Mc 14,13.

Mc 14,13.1. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

4. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc 14,10. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,13. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,17. (6) Mc 14,20. (7) Mc 14,26. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,43. (10) Mc 14,47. (11) Mc 14,54. (12) Mc 14,62. (13) Mc 14,66.

2. - 6. apostellei duo tôn mathètôn autou (hij zendt twee van zijn leerlingen). Mc (2): (1) Mc 11,1. (2) Mc 14,13.

Mc 14,13.7. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,13.8. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc 14: (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67.

10. act. imperat.  praes. 2de pers. mv. hupagete (ga weg, vertrek) van het werkw. hupagô (onder iets brengen, weggaan). Taalgebruik in het NT: hupagô (onder iets brengen, weggaan). Taalgebruik in Mc: hupagô (onder iets brengen, weggaan).
Mc (4: vierkant ABCD): (1) Mc 6,38 (A). (2) Mc 11,2 (B). (3) Mc 14,13 (C). (4) Mc 16,7 (D). In 3 verzen is het een woord van Jezus: (1) Mc 6,38. (2) Mc 11,2. (3) Mc 14,13.
- hupagete (ga) gevolgd door een imperatief 2de pers. mv.. (1) Mc 6,38: hupagete idete (ga, zie = ga zien). (2) Mc 16,7: hupagete eipate (ga, zeg = ga zeggen). Zijde A-D van het vierkant ABCD.
- kai legei autois hupagete eis tèn kômèn / polin (en hij zegt hen: ga naar het dorp / de stad). Mc (2): (1) Mc 11,2. (2) Mc 14,13. Zijde BC van het vierkant ABCD.

7. - 13. kai legei autois hupagete eis tèn kômèn / polin (en hij zegt hen: ga naar het dorp / de stad). Mc (2): (1) Mc 11,2. (2) Mc 14,13.

Mc 14,13.14. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,13.17. nom. mann. enk. anthrôpos (mens). Taalgebruik in het NT: anthrôpos (mens). Taalgebruik in Mc: anthrôpos (mens). Mc (14): (1) Mc 1,23. (2) Mc 2,27. (3) Mc 3,1. (4) Mc 4,26. (5) Mc 5,2. (6) Mc 7,11. (7) Mc 8,37. (8) Mc 10,7. (9) Mc 10,9. (10) Mc 12,1. (11) Mc 13,34. (12) Mc 14,13. (13) Mc 14,21. (14) Mc 15,39.

Mc 14,13.19. gen. onz. enk. hudatos (water) van het zelfst. naamw. hudôr (water). Taalgebruik in het NT: hudôr (water). Taalgebruik in Mc: hudôr (water). Hebr. majim (wateren). Lat: aqua. Fr: eau.
Mc (3): (1) Mc 1,10.  (2) Mc 9,41.  (3) Mc 14,13.  

Duality

- apostellei duo tôn mathètôn autou (hij zendt twee van zijn leerlingen). Mc (2): (1) Mc 11,1. (2) Mc 14,13.
- kai legei autois hupagete eis tèn kômèn / polin (en hij zegt hen: ga naar het dorp / de stad). Mc (2): (1) Mc 11,2. (2) Mc 14,13.


Mc 14,14 - Mc 14,14: 320. Voorbereiding van het paasmaal: Taalgebruiken -- Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- Mc 14,12 - Mc 14,13 - Mc 14,14 - Mc 14,15 - Mc 14,16 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:14 kai opou ean eiselth� eipate t� oikodespot� oti o didaskalos legei pou estin to kataluma mou opou to pascha meta t�n math�t�n mou fag�  14 et quocumque introierit dicite domino domus quia magister dicit ubi est refectio mea ubi pascha cum discipulis meis manducem     14 En zo waar hij ingaat, zegt tot den heer des huizes: De Meester zegt: Waar is de eetzaal, daar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal?  [14] en zeg waar hij binnengaat tegen de heer des huizes: “De meester laat vragen: Waar is de kamer waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden? ”  [14] en wanneer hij ergens binnengaat, moeten jullie tegen de heer des huizes zeggen: “De Meester vraagt: ‘Waar is het gastenvertrek waar ik met mijn leerlingen het pesachmaal kan eten?’”   14 en waar hij naar binnen gaat, zegt daar tot de heer des huizes: ‘de leermeester zegt: waar is die kamer voor mij waar ik met mijn leerlingen het paasmaal kan eten?’–   14. et là où il entrera, dites au propriétaire: «Le Maître te fait dire: Où est ma salle, où je pourrai manger la Pâque avec mes disciples ?» 

King James Bible. [14] And wheresoever he shall go in, say ye to the goodman of the house, The Master saith, Where is the guestchamber, where I shall eat the passover with my disciples?
Luther-Bibel. 14 und wo er hineingeht, da sprecht zu dem Hausherrn: Der Meister l�sst dir sagen: Wo ist der Raum, in dem ich das Passalamm essen kann mit meinen J�ngern?

Tekstuitleg van Mc 14,14.

1. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

8. hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat).
Mc (92). Mc 14 (10): (1) Mc 14,14. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,21. (4) Mc 14,25. (5) Mc 14,27. (6) Mc 14,30. (7) Mc 14,58. (8) Mc 14,69. (9) Mc 14,71. (10) Mc 14,72.

11. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc 14: (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67.

14. τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.
Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.

19. πάσχα (= pascha; pascha, Pesach, Pasen; zn nom onz enk). Taalgebruik in het NT: pascha (pascha). Taalgebruik in de LXX: pascha (pascha). Taalgebruik in Mc: pascha (pascha). Mc (4 verzen, 5X): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,12. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,16. Joh (9): (1) Joh 2,13. (2) Joh 2,23. (3) Joh 6,4. (4) Joh 11,55. (5) Joh 12,1. (6) Joh 13,1. (7) Joh 18,28. (8) Joh 18,39. (9) Joh 19,14.

20. meta (na, met). Taalgebruik in het NT: meta (na, met). Taalgebruik in Mc: meta (na, met). Voorzetsel. Hebr. `im. Lat. cum. Ned. met. Fr. avec (met); après (na, < ad pressum = tot ge-perst, opeengeperst; primere, pressum: persen, ). Mc 14 (10): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,17. (4) Mc 14,28. (5) Mc 14,43. (6) Mc 14,48. (7) Mc 14,54. (8) Mc 14,62. (9) Mc 14,67. (10) Mc 14,70.

21. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc 14,10. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,13. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,17. (6) Mc 14,20. (7) Mc 14,26. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,43. (10) Mc 14,47. (11) Mc 14,54. (12) Mc 14,62. (13) Mc 14,66.

22. gen.mann. mv. mathètôn (met zijn leerlingen). Zelfstandig naamwoord mathètès (leerling). Taalgebruik in het NT: mathètès (leerling). Taalgebruik in Mc: mathètès (leerling). Mc (8): (1) Mc 3,7 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen). (2) Mc 7,2. (3) Mc 8,10 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen). (4) Mc 10,46. (5) Mc 11,1 (duo tôn mathètôn autou = twee van zijn leerlingen). (6) Mc 13,1 (heis tôn mathètôn autou = één van zijn leerlingen). (7) Mc 14,13 (duo tôn mathètôn autou = twee van zijn leerlingen). (8) Mc 14,14 (meta tôn mathètôn mou = met mijn leerlingen).

20. - 22. meta tôn mathètôn (met de leerlingen). Mc (3): (1) Mc 3,7 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen). (2) Mc 8,10 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen). (3) Mc 14,14 (meta tôn mathètôn mou = met mijn leerlingen).

Mc 14,15 - Mc 14,15: 320. Voorbereiding van het paasmaal: Taalgebruiken -- Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- Mc 14,12 - Mc 14,13 - Mc 14,14 - Mc 14,15 - Mc 14,16 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:15 kai autos umin deixei anagaion mega estr�menon etoimon kai ekei etoimasate �min 15 et ipse vobis demonstrabit cenaculum grande stratum et illic parate nobis    15 En hij zal u wijzen een grote opperzaal, toegerust en gereed; bereidt het ons aldaar.  [15] Hij zal jullie een ruime bovenzaal wijzen, die ingericht is en op orde gebracht. Maak het daar voor ons klaar.’  [15] Hij zal jullie een grote bovenzaal wijzen, die al is ingericht en waar alles gereedstaat; maak daar het pesachmaal voor ons klaar.’   15 dan zal hij u een grote bovenzaal tonen, ingericht en gereed; maakt het dáár voor ons gereed!    15. Et il vous montrera, à l'étage, une grande pièce garnie de coussins, toute prête; faites-y pour nous les préparatifs. »  

King James Bible. [15] And he will shew you a large upper room furnished and prepared: there make ready for us.
Luther-Bibel. 15 Und er wird euch einen gro�en Saal zeigen, der mit Polstern versehen und vorbereitet ist; dort richtet f�r uns zu.

Tekstuitleg van Mc 14,15.

1. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

3. pers. voornaamw. dat. mv. hèmin (ons) van het pers. voornaamw. hèmeis. Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord.
Mc (9): (1) Mc 1,24. (2) Mc 9,22. (3) Mc 9,38. (4) Mc 10,35. (5) Mc 10,37. (6) Mc 12,19. (7) Mc 13,4. (8) Mc 14,15. (9) Mc 16,3.

9. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

10. ekei (daar, hier). Taalgebruik in het NT: ekei (daar). Taalgebruik in Mc: ekei (daar). Ned. hier. Fr. ici. Mc (11): (1) Mc 1,38. (2) Mc 2,6. (3) Mc 3,1. (4) Mc 5,11. (5) Mc 6,5. (6) Mc 6,10. (7) Mc 6,33. (8) Mc 11,5. (9) Mc 13,21. (10) Mc 14,15. (11) Mc 16,7.

Mc 14,16 - Mc 14,16: 320. Voorbereiding van het paasmaal: Taalgebruiken -- Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- Mc 14,12 - Mc 14,13 - Mc 14,14 - Mc 14,15 - Mc 14,16 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
 14:16 kai ex�lthon oi math�tai kai �lthon eis t�n polin kai euron kath�s eipen autois kai �toimasan to pascha 16 et abierunt discipuli eius et venerunt in civitatem et invenerunt sicut dixerat illis et praeparaverunt pascha    16 En Zijn discipelen gingen uit, en kwamen in de stad, en vonden het, gelijk Hij hun gezegd had, en bereidden het pascha. 17 En als het avond geworden was, kwam Hij met de twaalven.   [16] De leerlingen gingen weg en kwamen in de stad. Ze troffen het aan zoals Hij hun gezegd had, en ze maakten het paasmaal klaar.  [16] De leerlingen vertrokken naar de stad, en alles gebeurde zoals hij gezegd had, en ze bereidden het pesachmaal.  16 De leerlingen trekken er op uit, komen de stad binnen, vinden alles zoals hij hun heeft gezegd en maken het paasmaal gereed.  16. Les disciples partirent et vinrent à la ville, et ils trouvèrent comme il leur avait dit, et ils préparèrent la Pâque.

King James Bible. [16] And his disciples went forth, and came into the city, and found as he had said unto them: and they made ready the passover.
Luther-Bibel. 16 Und die J�nger gingen hin und kamen in die Stadt und fanden's, wie er ihnen gesagt hatte, und bereiteten das Passalamm.

Tekstuitleg van Mc 14,16.

1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et

5. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et

Mc 14,16.6. med. ind. 2de aor. 3de pers. mv. ηλθον = èlthon (zij gingen) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in het NT: erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in de LXX: erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in Mc: erchomai (gaan, komen). ηλθον = èlthon (ik kwam of zij kwamen): Mt (8): (1) Mt 5,17a en Mt 5,17b. (2) Mt 7,25. (3) Mt 7,27. (4) Mt 9,13. (5) Mt 10,34a en Mt 10,34b. (6) Mt 10,35. (7) Mt 14,34. (8) Mt 21,1. Mc (9): (1) Mc 1,29. (2) Mc 5,1. (3) Mc 6,53. (4) Mc 9,33. (5) Mc 14,16. ('6') Mc 2,17; ('7') Mc 3,8. ('8') Mc 5,14. ('9') Mc 6,29. Lc (11): (1) Lc 1,59. (2) Lc 2,44. (3) Lc 3,12. (4) Lc 4,42. (5) Lc 5,7. (6) Lc 6,18. (7) Lc 8,35. (8) Lc 12,49. (9) Lc 23,33. (10) Lc 24,1. (11) Lc 24,23. In 1 vers staat de 1ste persoon (Mc 2,17), in de andere verzen staat de 3de persoon meervoud. In Mc 4,35 staat de cohortativus in de aoristvorm en in de 1ste pers. mv.. Dit zou de aorist en de 3de pers. mv. in Mc 5,1 kunnen verklaren. Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan, komen) in de LXX (1054), in het NT (631), in Mt (111), Mc (86), Lc (100), Joh (156) Samen in de ev. (453). Rest NT (178).
- med. ind. 2de aor. 3de pers. mv. ηλθον = èlthon (zij kwamen) van het ww. ερχομαι = erchomai (komen, gaan). We zouden ειρξονται verwachten. Deze vorm zou dan erg sterk gelijken op ηρξονται = èrksontai (zij begonnen) van het ww. αρχομαι = archomai (beginnen, heersen) gelijken en bijgevolg verwarring scheppen.

erchomai (gaan, komen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. aor. 1ste p. enk. + 3de p. mv. èlthon 197 136 61 8 9 11 17 11 4 28 45 

- Hebreeuws. prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבֹאוּ= wajjâbo´û (en zij gingen) OF prefix verbindingswoord wë + act. hifil imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבִאוּ = wajjâbhi´û (en zij lieten komen, zij brachten) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´ (gaan, komen). Getalswaarde: beth = 2, aleph = 1; totaal: 3. Structuur: 2 - 1. Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader). Tenakh (195). Pentateuch (47). Eerdere Profeten (99) Latere Profeten (14). 12 Kleine Profeten (2). Geschriften (33). Een vorm van בָּא = bâ´ (gaan, komen) in Tenakh (2552)

Mc 14,16.5. - 6. και ηλθον = kai èlthon (en zij gingen). LXX (82). NT (12): (1) Mt 7,25. (2) Mt 7,27. (3) Mt 21,1. (4) Mc 5,1. (5) Mc 14,16. (6) Lc 2,16. (7) Lc 4,42. (8) Lc 5,7. (9) Lc 8,35. (10) Joh 3,26. (11) Joh 6,24. (12) Joh 12,9.
- Tweevoud in Mc: και ηλθον = kai èlthon (en zij gingen): (1) Mc 5,1. (2) Mc 14,16. In Mc 5,1 kwamen Jezus en zijn leerlingen, in Mc 14,16 zijn het enkel de leerlingen (om het avondmaal voor te bereiden).

Mc 14,16.7. εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar).

eis (naar)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b.  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
  6930  5336  1594  215  151  210  181  260  504  73  576  757  427  77  13 5 6 8 11 14 9 10 11 13 8 7 8 20 3 5

- Ned: naar. D: nach. E: for. Fr: vers (versus: gedraaid, gekeerd; vertere: tourner, draaien) / à. Grieks: εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Hebreeuws: voorzetsel אֶל = ´èl (naar, tot). Lat: in / ad.

Mc 14,16.6. - 7. ηλθον εις = èlthon eis (zij gingen naar). LXX (38). NT (17): (1) Mt 14,34. (2) Mt 21,1. (3) Mc 1,29. (4) Mc 5,1. (5) Mc 14,16. (6) Joh 4,45. (7) Joh 6,24. (8) Joh 12,27. (9) Hnd 13,13. (10) Hnd 13,51. (11) Hnd 14,24. (12) Hnd 15,30. (13) Hnd 17,1. (14) Hnd 21,8. (15) Hnd 22,11. (16) 2 Kor 1,23. (17) Gal 1,23.
- Mc (5). In 5 verzen gaan Jezus en zijn leerlingen naar een bepaalde plaats: ηλθον = èlthon (zij gingen) + εις = eis (naar: voorzetsel van plaats) + plaatsbepaling: (1) Mc 1,29 (naar het huis van Simon). (2) Mc 5,1 (naar de overzijde van het meer). (3) Mc 6,53 (naar Genesaret). (4) Mc 9,33 (naar Kafarnaüm). (5) Mc 14,16 (naar de stad).

Mc 14,16.5. - 7. και ηλθον εις = kai èlthon eis (en zij gingen naar). LXX (32). NT (4). Mt (1): Mt 21,1. Mc (2): (1) Mc 5,1. (2) Mc 14,16. Joh (1): Joh 6,24. In Mc 14,16 gaan de leerlingen van Jezus naar de stad om het paasmaal te bereiden. Pesach is overgang, doortocht.
- και ερχεται εις = kai erchetai eis (en hij gaat naar, en hij komt naar). LXX (5). NT (2): (1) Mc 5,38 (variante ερχονται = erchontai: zij gaan; dochter van Jaïrus). (2) Mc 8,22 (variante ερχονται =ερχονται = erchontai = zij gaan; Betsaïda).
- και ερχονται εις = kai erchontai eis (en zij gaan naar). LXX (2): (1) 2 S 2,29. (2) 1 K 11,18. NT (4): (1) Mc 3,20 (een huis). (2) Mc 10,46 (Jericho). (3) Mc 11,15 (Jeruzalem). (4) Mc 14,32 (streek van Getsemani).

Mc 14,16.10. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et

Mc 14,16.15. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et

Mc 14,16.17. τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.
Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
3. nom. + acc. onz. enk. to 108  12  12  22  5941  4582  1359  186  108  181  121  172  482  109  475  596 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

Mc 14,16.18. πάσχα (= pascha; pascha, Pesach, Pasen; zn nom onz enk). Taalgebruik in het NT: pascha (pascha). Taalgebruik in de LXX: pascha (pascha). Taalgebruik in Mc: pascha (pascha). Mc (4 verzen, 5X): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,12. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,16. Joh (9): (1) Joh 2,13. (2) Joh 2,23. (3) Joh 6,4. (4) Joh 11,55. (5) Joh 12,1. (6) Joh 13,1. (7) Joh 18,28. (8) Joh 18,39. (9) Joh 19,14.


- Mc 14,1 - Mc 14,2 - Mc 14,3 - Mc 14,4 - Mc 14,5 - Mc 14,6 - Mc 14,7 - Mc 14,8 - Mc 14,9 - Mc 14,10 - Mc 14,11 - Mc 14,12 - Mc 14,13 - Mc 14,14 - Mc 14,15 - Mc 14,16 - Mc 14,17 - Mc 14,18 - Mc 14,19 - Mc 14,20 - Mc 14,21 - Mc 14,22 - Mc 14,23 - Mc 14,24 - Mc 14,25 - Mc 14,26 - Mc 14,27 - Mc 14,28 - Mc 14,29 - Mc 14,30 - Mc 14,31 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 - Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 - Mc 14,53 - Mc 14,54 - Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 - Mc 14,65 - Mc 14,66 - Mc 14,67 - Mc 14,68 - Mc 14,69 - Mc 14,70 - Mc 14,71 - Mc 14,72 -



321. Aanduiding van de verrader: Mc 14,17-21 - Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,17 - Mc 14,18 - Mc 14,19 - Mc 14,20 - Mc 14,21 -

Mc 14,17 - Mc 14,17: 321. Aanduiding van de verrader: Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,17 - Mc 14,18 - Mc 14,19 - Mc 14,20 - Mc 14,21 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
  14:17 kai opsias genomen�s erchetai meta t�n d�deka 17 vespere autem facto venit cum duodecim  En toen het avond was, kwam hij er met de twaalf   17 En als het avond geworden was, kwam Hij met de twaalven.  [17] Toen de avond gevallen was, kwam Hij met de twaalf.   [17] Toen de avond was gevallen, kwam hij met de twaalf.  17 Als het later op de dag wordt komt hij er met de twaalf.  17. Le soir venu, il arrive avec les Douze.

King James Bible. And in the evening he cometh with the twelve.
Luther-Bibel. 17 Und am Abend kam er mit den Zwölfen.

Tekstuitleg van Mc 14,17. Dit vers Mc 14,17 telt 7 woorden en 37 letters. De getalwaarde van Mc 14,17 is 4794 (2 X 3 X 17 X 47).

Mc 14,17. 1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

kai (en)  kai (en)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666)     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115)     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8
555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7
123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1

- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et.

Mc 14,17.2. gen. vr. enk. οψιας = opsias ('s avonds) van het zelfst. naamw. οψια = opsia (avond). Taalgebruik in het NT: opsia (avond). Taalgebruik in de LXX: opsia (avond). Taalgebruik in Mc: opsia (avond). Bijbel = NT (14). Mt (7): (1) Mt 8,16. (2) Mt 14,15. (3) Mt 14,23. (4) Mt 16,2. (5) Mt 20,8. (6) Mt 26,20. (7) Mt 27,57. Mc (6): (1) Mc 1,32. (2) Mc 4,35. (3) Mc 6,47. (4) Mc 11,11. (5) Mc 14,17. (6) Mc 15,42. Joh (1): Joh 20,19. Synoptici: 1) Mt 8,16 // Mc 1,32. (2) Mt 14,23 // Mc 6,47. (3) Mt 26,20 // Mc 14,17. (4) Mt 27,57 // Mc 15,42.

opsia (avond)   bijbel OT NT Mt Mc Joh syn.  ev. 
nom. + dat. mann. enk. opsia(i) (avond)  1 : Jdt 13,1     1 : Joh 6,16.  
gen. mann. enk. opsias ('s avonds)  14    14  7: (1) Mt 8,16. (2) Mt 14,15. (3) Mt 14,23. (4) Mt 16,2. (5) Mt 20,8. (6) Mt 26,20. (7) Mt 27,57. 6 : (1) Mc 1,32. (2) Mc 4,35. (3) Mc 6,47. (4) Mc 11,11. (5) Mc 14,17. (6) Mc 15,42. 1 : Joh 20,19. 13 : (1) Mt 8,16 // Mc 1,32. (2) Mt 14,23 // Mc 6,47. (3) Mt 26,20 // Mc 14,17. (4) Mt 27,57 // Mc 15,42   14 
acc. mann. enk. opsian              
totaal 16  15  13  15 
opsias... genomenès       7   5:  (1) Mc 1,32. (2) Mc 4,35. (3) Mc 6,47. (4). (5) Mc 14,17. (6) Mc 15,42. Niet in (4) Mc 11,11.      

- Hebreeuws. עֶרֶב = `èrèbh (avond). Taalgebruik in Tenakh: `èrèbh (avond). Getalwaarde: ajin = 16 of 70, resj = 20 of 200, beth = 2; totaal: 38 (2 X 19) OF 272 (2² X 2² X 17). Structuur: 7 - 2 - 2. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (48). Pentateuch (20). Eerdere Profeten (2). Latere Profeten (5). 12 Kleine Profeten (3). Geschriften (18). Gn (10): (1) Gn 1,5. (2) Gn 1,8. (3) Gn 1,13. (4) Gn 1,19. (5) Gn 1,23. (6) Gn 1,31. (7) Gn 8,11. (8) Gn 24,11. (9) Gn 24,63. (10) Gn 44,32.
- Ned: avond. Arabisch: مَسَاء = masâ´ (avond). Taalgebruik in de Qoran: masâ´ (avond). D: Abend. E. evening. Fr: soir. Gr: οψια = opsia (avond). Taalgebruik in het NT: opsia (avond). Hebr: עֶרֶב = `èrèbh (avond). Taalgebruik in Tenakh: `èrèbh (avond. Lat. ad vesperas.
Bij de joden begint de nieuwe dag met het vallen van de avond, na zonsondergang. De eerste zonsondergang heeft plaats na de sabbat, bij het begin van de eerste dag. De laatste zonsondergang heeft plaats op het einde van de zesde dag. De avond van Mc 14,17 is misschien het einde van de vijfde dag of het begin van de zesde dag.

Mc 14,17.1. - 2. οψιας δε = opsias de ('s avonds echter). Bijbel = NT (7): (1) Mt 8,16. (2) Mt 14,15. (3) Mt 14,23. (4) Mt 20,8. (5) Mt 26,20. (6) Mt 27,57. (7) Mc 1,32. Parallelteksten: Mc 1,32.// Mt 8,16.
- και οψιας = kai opsias (en 's avonds). Bijbel = NT: (1) Mc 6,47. (2) Mc 14,17. Parallelteksten: Mc 6,47 // Mt 14,23. Mc 14,17 // Mt 26,20.
- Hebr: וָעֶרֶב = wâ`èrèbh (en de avond). Tenakh (1): Ps 65,9.

Mc 14,17.3. part. aor. gen. vr. enk. γενομενης = genomenès (geworden) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren). Taalgebruik in de LXX: ginomai (worden). Taalgebruik in het NT: ginomai (worden). Taalgebruik in Mc: ginomai (worden). Mt (9): (1) Mt 8,16. (2) Mt 13,21. (3) Mt 14,15. (4) Mt 14,23. (5) Mt 16,2. (6) Mt 20,8. (7) Mt 27,1. (8) Mt 26,20. (9) Mt 27,57. Mc (9). (1) Mc 1,32. (2) Mc 4,17. (3) Mc 4,35. (4) Mc 6,21. (5) Mc 6,35. (6) Mc 6,47. (7) Mc 14,17. (8) Mc 15,33. (9) Mc 15,42. Lc (2): (1) Lc 4,42. (2) Lc 6,48. Joh (1): Joh 21,4. Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174), in het NT (667).

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  part. aor. gen. vr. enk. genomenès  41  33  11    20  21 

- Hebreeuws. prefix verbindingswoord wa + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn). De getalwaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31. 31 is de getalwaarde van אֵל = ´el (God); aleph = 1, lamed = 12 of 30; totaal: 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld).Taalgebruik in Tenakh: hâjâh (zijn). Getalwaarde: he = 5, jod = 10; totaal: 20 (2² X 5). Structuur: 5 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (784). Pentateuch (181). Eerdere Profeten (339). Latere Profeten (116). 12 Kleine Profeten (22). Geschriften (126). In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren).

Mc 14,17.1. - 3. οψιας γενομενης = opsias genomenès (nadat het avond was geworden). NT (12): (1) Mt 8,16. (2) Mt 14,15. (3) Mt 14,23. (4) Mt 16,2. (5) Mt 20,8. (6) Mt 26,20. (7) Mt 27,57. (8) Mc 1,32. (9) Mc 4,35. (10) Mc 6,47. (11) Mc 14,17. (12) Mc 15,42.
- οψιας δε γενομενης = opsias de genomenès (nadat het echter avond was geworden). NT (7): (1) Mt 8,16. (2) Mt 14,15. (3) Mt 14,23. (4) Mt 20,8. (5) Mt 26,20. (6) Mt 27,57. (7) Mc 1,32.
- και οψιας γενομενης = kai opsias genomenès (en nadat het avond was geworden). NT (2): (1) Mc 6,47. (2) Mc 14,17.
-
- και... οψιας γενομενης = kai... opsias genomenès (en... nadat het avond was geworden). NT (2): (1) Mc 4,35. (2) Mc 15,42.
- Hebr: וַיְהִי עֶרֶב = wajëhî `èrèbh (en het werd avond). Tenakh (6): (1) Gn 1,5. (2) Gn 1,8. (3) Gn 1,13. (4) Gn 1,19. (5) Gn 1,23. (6) Gn 1,31

6. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc 14,10. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,13. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,17. (6) Mc 14,20. (7) Mc 14,26. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,43. (10) Mc 14,47. (11) Mc 14,54. (12) Mc 14,62. (13) Mc 14,66.

Mc 14,18 - Mc 14,18: 321. Aanduiding van de verrader: Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,17 - Mc 14,18 - Mc 14,19 - Mc 14,20 - Mc 14,21 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
amèn legô humin hoti heis ex humôn paradôsei me 14:18 kai anakeimen�n aut�n kai esthiont�n o i�sous eipen am�n leg� umin oti eis ex um�n parad�sei me o esthi�n met emou   18 et discumbentibus eis et manducantibus ait Iesus amen dico vobis quia unus ex vobis me tradet qui manducat mecum    18 En als zij aanzaten en aten, zeide Jezus: Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u, die met Mij eet, Mij zal verraden.  [18] Toen ze aan tafel waren gegaan, zei Jezus onder het eten: ‘Ik verzeker jullie, een van jullie, die nu met Mij eet, zal Mij overleveren.’  [18] Terwijl ze aanlagen voor de maaltijd, zei Jezus: ‘Ik verzeker jullie: een van jullie, die met mij eet, zal mij uitleveren.’  18 En als zij aanliggen en eten zegt Jezus: voorwaar, voorwaar, ik zeg u dat één van u mij zal overleveren, ‘die met mij eet’!  voorwaar ik zeg je dat één uit jullie mij zal overleveren)18. Et tandis qu'ils étaient à table et qu'ils mangeaient, Jésus dit: « En vérité, je vous le dis, l'un de vous me livrera, un qui mange avec moi. »

King James Bible. [18] And as they sat and did eat, Jesus said, Verily I say unto you, One of you which eateth with me shall betray me.
Luther-Bibel. 18 Und als sie bei Tisch waren und a�en, sprach Jesus: Wahrlich, ich sage euch: Einer unter euch, der mit mir isst, wird mich verraten.

Tekstuitleg van Mc 14,18.

1. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,18.2. part. praes. gen. mv. ανακειμενων = anakeimenôn (aanliggende) van het werkw. ανακειμαι = anakeimai (aanliggen). Taalgebruik in het NT: anakeimai (aanliggen). Taalgebruik in de LXX: anakeimai (aanliggen). Bijbel (4): (1) Mt 22,10. (2) Mc 14,18. (3) Joh 12,2. (4) Joh 13,28. Een vorm van ανακειμαι = anakeimai (aanliggen) in de LXX (2), in het NT (14), in Mc (3).

4. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

7. nom. mann. enk. Ièsous. Mc 14 (7): (1) Mc 14,6. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,48. (6) Mc 14,62. (7) Mc 14,72. Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 14 (11): (1) Mc 14,6 (nom. Ièsous). (2) Mc 14,18 (nom. Ièsous). (3) Mc 14,27 (nom. Ièsous). (4) Mc 14,30 (nom. Ièsous). (5) Mc 14,48 (nom. Ièsous). (6) Mc 14,53 (acc. Ièsoun). (7) Mc 14,55 (gen Ièsou.). (8) Mc 14,60 (acc. Ièsoun). (9) Mc 14,62 (nom. Ièsous). (10) Mc 14,67 (gen. Ièsou). (11) Mc 14,72 (nom. Ièsous). Taalgebruik in het NT: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus).

12. hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat).
Mc (92). Mc 14 (10): (1) Mc 14,14. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,21. (4) Mc 14,25. (5) Mc 14,27. (6) Mc 14,30. (7) Mc 14,58. (8) Mc 14,69. (9) Mc 14,71. (10) Mc 14,72.

Mc 14,19 - Mc 14,19: 321. Aanduiding van de verrader: Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,17 - Mc 14,18 - Mc 14,19 - Mc 14,20 - Mc 14,21 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:19 �rxanto lupeisthai kai legein aut� eis kata eis m�ti eg�   19 at illi coeperunt contristari et dicere ei singillatim numquid ego    19 En zij begonnen bedroefd te worden, en de een na den ander tot Hem te zeggen: Ben ik het? En een ander: Ben ik het?  [19] Zij werden bedroefd en de een na de ander zei tegen Hem: ‘Ik toch niet?’  [19] Ze werden bedroefd en vroegen een voor een aan hem: ‘Ik ben het toch niet?’  19 Zij beginnen bedroefd te worden en tot hem te zeggen, de een na de ander: ík toch niet?   19. Ils devinrent tout tristes et se mirent à lui dire l'un après l'autre: « Serait-ce moi ? » 

King James Bible. [19] And they began to be sorrowful, and to say unto him one by one, Is it I? and another said, Is it I?
Luther-Bibel. 19 Und sie wurden traurig und fragten ihn, einer nach dem andern: Bin ich's?

Tekstuitleg van Mc 14,19.

3. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

7. kata (tegen, volgens). Taalgebruik in het NT: kata (tegen, volgens). Taalgebruik in Mc: kata (tegen, volgens).
Mc (9): (1) Mc 4,10. (2) Mc 5,13. (3) Mc 6,40. (4) Mc 7,5. (5) Mc 11,25. (6) Mc 13,8. (7) Mc 14,19. (8) Mc 14,55. (9) Mc 15,6.

Mc 14,20 - Mc 14,20: 321. Aanduiding van de verrader: Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,17 - Mc 14,18 - Mc 14,19 - Mc 14,20 - Mc 14,21 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:20 o de eipen autois eis t�n d�deka o embaptomenos met emou eis to | [en] | | trublion   20 qui ait illis unus ex duodecim qui intinguit mecum in catino    20 Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het is een uit de twaalven, die met Mij in den schotel indoopt.  [20] Maar Hij zei hun: ‘Een van de twaalf, die met Mij zijn hand in de schaal doopt.   [20] Maar hij zei tegen hen: ‘Het is een van jullie twaalf, die met mij uit dezelfde kom eet.  20 Maar hij zegt tot hen: één van de twaalf, dus een die met mij in de schaal indoopt!–  20. Il leur dit: « C'est l'un des Douze, qui plonge avec moi la main dans le même plat.

King James Bible. [20] And he answered and said unto them, It is one of the twelve, that dippeth with me in the dish.
Luther-Bibel. 20 Er aber sprach zu ihnen: Einer von den Zw�lfen, der mit mir seinen Bissen in die Sch�ssel taucht.

Tekstuitleg van Mc 14,20.

2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden.
Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.

1. - 4. ho de... eipen autois (hij echter zei hen). Mc (5): (1) Mc 6,37. (2) Mc 7,6. (3) Mc 9,12. (4) Mc 10,3. (5) Mc 14,20.

6. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc 14,10. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,13. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,17. (6) Mc 14,20. (7) Mc 14,26. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,43. (10) Mc 14,47. (11) Mc 14,54. (12) Mc 14,62. (13) Mc 14,66.

13. τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.
Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.

Mc 14,21 - Mc 14,21: 321. Aanduiding van de verrader: Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,17 - Mc 14,18 - Mc 14,19 - Mc 14,20 - Mc 14,21 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:21 oti o men uios tou anthr�pou upagei kath�s gegraptai peri autou ouai de t� anthr�p� ekein� di ou o uios tou anthr�pou paradidotai kalon aut� ei ouk egenn�th� o anthr�pos ekeinos  21 et Filius quidem hominis vadit sicut scriptum est de eo vae autem homini illi per quem Filius hominis traditur bonum ei si non esset natus homo ille    21 De Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is; maar wee dien mens, door welken de Zoon des mensen verraden wordt! Het ware hem goed, zo die mens niet geboren ware geweest.  [21] De Mensenzoon gaat wel heen zoals over Hem geschreven staat, maar wee die mens, door wie de Mensenzoon overgeleverd wordt. Het zou beter voor die mens zijn, als hij niet geboren was.’   [21] Want de Mensenzoon zal heengaan zoals over hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon uitgeleverd wordt: het zou beter voor hem zijn als hij nooit geboren was.’  21 omdat de mensenzoon wel heengaat zoals over hem geschreven staat, maar wee die mens door wie de mensenzoon wordt uitgeleverd!– het zou beter voor hem zijn als hij nooit geboren was, die mens!   ouai (wee) de (anderzijds) tôi anthrôpôi ekeinôi (die mens) di'hou (door wie) ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon) paradidotai (wordt overgeleverd)  

King James Bible. [21] The Son of man indeed goeth, as it is written of him: but woe to that man by whom the Son of man is betrayed! good were it for that man if he had never been born.
Luther-Bibel. 21 Der Menschensohn geht zwar hin, wie von ihm geschrieben steht; weh aber dem Menschen, durch den der Menschensohn verraten wird! Es w�re f�r diesen Menschen besser, wenn er nie geboren w�re.

Tekstuitleg van Mc 14,21.

Mc 14,21 A. hoti (want) ho men (enerzijds) huios tou anthrôpou (de mensenzoon) hupagei (gaat heen) kathôs (zoals) gegraptai (geschreven staat) peri autou (over hem)
B. ouai (wee) de (anderzijds) tôi anthrôpôi ekeinôi (die mens) di'hou (door wie) ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon) paradidotai (wordt overgeleverd)
C. (het zou) kalon (beter) (zijn) autôi (voor hem) ei (als) ouk (hij niet) egennèthè (geboren was) ho anthrôpos ekeinos (die mens).

Er zijn drie zinnen. De eerste zin handelt over de mensenzoon, de derde zin over de overleveraar en de tweede zin combineert de twee: de mensenzoon (de overgeleverde) en de overleveraar. De twee eerste zinnen (A en B) worden met elkaar verbonden door de voegwoorden men (enerzijds) de (anderzijds). De twee laatste zinnen (B en C) vatten aan met een tegenstelling: ouai (wee) en kalon (het ware beter geweest). Iedere zin is onderverdeeld in een hoofdzin en een ondergeschikte zin. De eerste zin telt: 6 + 4 woorden, 11 + 9 lettergrepen; de tweede zin: 5 + 7 woorden, 10 + 14 lettergrepen; de derde zin: 2 + 6 woorden, 4 + 13 lettergrepen. In totaal: 10 + 12 + 8 = 30 woorden, 20 + 24 + 17 = 61 lettergrepen. De hoofdzinnen van de tweede en de derde zin zijn gelijkaardig opgebouwd. Aan de uitersten van het geheel staat enerzijds (A) ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon) en anderzijds (C) ho anthrôpos ekeinos (die mens) of de overgeleverde en de overleveraar. Ze functioneren als onderwerp van de hoofdzin (A) en de bijzin (C). Ho huios tou antrôpou (de mensenzoon) bevat 4 woorden en 7 lettergrepen, het woord ho anthrôpos ekeinos (die mens) 4 woorden en 7 lettergrepen, samen 7 woorden en 14 lettergrepen. De twee woorden Ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon) en ho anthroopos ekeinos (die mens) komen in de tweede zin voor (B) maar dan in omgekeerde volgorde en wel zo dat ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon) in de ondergeschikte zin staat en ho anthrôpos ekeinos (die mens) in de hoofdzin. In A en C is het precies omgekeerd: ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon) staat in de hoofdzin en ho anthrôpos ekeinos (die mens) in de bijzin. Zo is er een chiastische structuur tussen de hoofdzin van de eerste zin (A) en de ondergeschikte zin van de tweede zin (B). Zo is dat ook het geval met de tweede en de derde zin.
In de eerste zin is er sprake van "weggaan" dat wijst op Jezus'dood. In de laatste zin is er sprake van geboren worden: de mensenzoon gaat weg... ware niet geboren die mens. De relatie tussen de twee wordt gegeven door het woord paradidotai (wordt overgeleverd). Ofschoon de eerste zin wordt geformuleerd als een noodzaak (kathôs gegraptai: zoals geschreven staat), de derde zin drukt een wens in de irreële wijze uit.
Er is een spanning bij wat gebeurt. Het moet ergens een goddelijke bedoeling hebben. Dit sluit echter de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid niet uit.

1. hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat).
Mc (92). Mc 14 (10): (1) Mc 14,14. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,21. (4) Mc 14,25. (5) Mc 14,27. (6) Mc 14,30. (7) Mc 14,58. (8) Mc 14,69. (9) Mc 14,71. (10) Mc 14,72.

13. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden.
Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.

15. dat. mann. enk. anthrôpô(i) (aan de mens) van het zelfstandig naamw. anthrôpos (mens). Taalgebruik in het NT: anthrôpos (mens). Taalgebruik in Mc: anthrôpos (mens).
Mc (3): (1) Mc 3,3. (2) Mc 3,5. (3) Mc 14,21. Een vorm van anthrôpos (mens) in 53 verzen.

23. pass. ind. praes. 3de pers. enk. paradidotai (hij wordt overgeleverd) van het werkw. paradidômi (overleveren)  . Taalgebruik in het NT: paradidômi (overleveren). Taalgebruik in Mc: paradidômi (overleveren). Lat. tradere (trans -dare). Fr. trahir. Ned. overleveren, overgeven. Hebr. mâsar. Bij (Gr. para) langs, naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is. Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over: tegenover, aan de andere zijde. Zo kan para-didômi betekenen: geven aan de tegenovergestelde, de andere, de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen. Mc (3): (1) Mc 9,31.  (2) Mc 14,21. (3) Mc 14,41.  

24. nom. onz. enk. + acc. mann. + onz. enk. kalon (goed) van het bijvoegl. naamw. kalos (goed, mooi, schoon). Taalgebruik in het NT: kalos (goed, mooi, schoon). Taalgebruik in Mc: kalos (goed, mooi, schoon).
Mc (9): (1) Mc 7,27. (2) Mc 9,5. (3) Mc 9,42. (4) Mc 9,43. (5) Mc 9,45. (6) Mc 9,47. (7) Mc 9,50.  (8) Mc 14,6. (9) Mc 14,21.  

30. nom. mann. enk. anthrôpos (mens). Taalgebruik in het NT: anthrôpos (mens). Taalgebruik in Mc: anthrôpos (mens).
Mc (14): (1) Mc 1,23. (2) Mc 2,27. (3) Mc 3,1. (4) Mc 4,26. (5) Mc 5,2. (6) Mc 7,11. (7) Mc 8,37. (8) Mc 10,7. (9) Mc 10,9. (10) Mc 12,1. (11) Mc 13,34. (12) Mc 14,13. (13) Mc 14,21. (14) Mc 15,39.



322. Instelling van de eucharistie: Mc 14,22-25 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- Mc 14,22 - Mc 14,23 - Mc 14,24 - Mc 14,25 -

Mc 14,22 - Mc 14,22: 322. Instelling van de eucharistie: Taalgebruiken -- Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- Mc 14,22 - Mc 14,23 - Mc 14,24 - Mc 14,25 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Staten-vertaling Willibrord-vertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:22 22 Καὶ ἐσθιόντων αὐτῶν λαβὼν ἄρτον εὐλογήσας ἔκλασεν καὶ ἔδωκεν αὐτοῖς καὶ εἶπεν, Λάβετε, τοῦτό ἐστιν τὸ σῶμά μου. 22 et manducantibus illis accepit Iesus panem et benedicens fregit et dedit eis et ait sumite hoc est corpus meum    22 En als zij aten, nam Jezus brood, en als Hij gezegend had, brak Hij het, en gaf het hun, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.   [22] Tijdens de maaltijd nam Hij een brood*, sprak de zegenbede uit, brak het brood, gaf het hun en zei: ‘Neem het, dit is mijn lichaam.’  [22] Terwijl ze aten, nam hij een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei: ‘Neem hiervan, dit is mijn lichaam.’  22 Terwijl zij eten neemt hij een brood, spreekt de zegenbede, breekt het, geeft het hun en zegt: neemt dit aan, dit is mijn lichaam!  22. Et tandis qu'ils mangeaient, il prit du pain, le bénit, le rompit et le leur donna en disant: « Prenez, ceci est mon corps. » 

King James Bible. [22] And as they did eat, Jesus took bread, and blessed, and brake it, and gave to them, and said, Take, eat: this is my body.
Luther-Bibel. 22 Und als sie a�en, nahm Jesus das Brot, dankte und brach's und gab's ihnen und sprach: Nehmet; das ist mein Leib.

Tekstuitleg van Mc 14,22 // Mt 26,26 // Lc 22,19. In dit vers van Mc staan 7 vervoegde werkwoorden. In sommige uitgaven staan er 8 vervoegde werkwoorden (+ ).
- Mc 14:22 Καὶ ἐσθιόντων αὐτῶν λαβὼν ἄρτον εὐλογήσας ἔκλασεν καὶ ἔδωκεν αὐτοῖς καὶ εἶπεν, Λάβετε, τοῦτό ἐστιν τὸ σῶμά μου.
- Mt 26:26 esthiontôn de autôn labôn o ièsous arton kai eulogèsas eklasen kai dous tois mathètais eipen labete fagete touto estin to sôma mou
- Lc 22:19 kai labôn arton eucharistèsas eklasen kai edôken autois legôn touto estin to sôma mou | [[to | to | uper umôn didomenon touto poieite eis tèn emèn

Misschien was het Laatste Avondmaal een gewone maaltijd zoals altijd. Noch Jezus noch de leerlingen wisten dat het hun laatste maaltijd samen zou zijn. Achteraf komen indrukken en beelden van die laatste naar boven. Na de dood van Jezus is er heel wat gezocht naar betekenis. Zo kregen we dan een geconstrueerd verhaal.

Mc 14,22.1. και (= kai: en; nevensch vw). D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: וְ = wë (en). Arabisch: اَل = ´al (de). και (= kai: en) kan gezien worden als een vertkale streep I (stop), verbonden met een haak naar rechts (open naar rechts: beginnen). In dit geval wordt een perikope met een andere perikoop verbonden. Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64. Wellicht komt deze kai voort uit de Hebreeuwse waw van de imperfectum consecutivum וַיּאֹכְלוּ (= wajjo´khëlû: en zij aten) < wa consecutivum + wkw act ind imperf 3de pers mann mv. Mc 6,42.
- We zien dat και (= kai: en), in vergelijking met de andere geschriften van het NT veel gebruikt wordt: in 81,85 percent van het aantal verzen in Mc. In Mc 14,22 komt het 3X voor: in het begin van de zin, bij een handeling, en in de inleidingszin bij de woorden. In Mc 14 komt και (= kai: en) 83,33 percent voor.

και (= kai: en). bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen      7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
και (= kai: en).   26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil     2844 366 123 329 349 347 1297 33 18 1167

και (= kai: en). Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8
και (= kai: en). (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7
verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1

Mc 14,22.2. ἐσθιόντων (= esthiontôn: etende; wkw act part praes gen mann mv van het wkw  εσθιω = esthiô: eten). Taalgebruik in de Bijbel: esthiô (eten). Gr: εσθιω (= esthiô, fut. εδομαι = edomai, aor. εφαγον = efagon, perf. εδηδως = edèdôs), EΝ het wkw φαγω (= fagô: eten). Bijbel (6): (1) Job 1,18. (2) Da 1,15. (3) Mt 26,21. (4) Mt 26,26. (5) Mc 14,18. (6) Mc 14,22 . Een vorm van esθιω (= esthiô: eten) in de LXX (686), in het NT (65), in Mt (11), in Mc (11), in Lc (12). Een vorm van φαγω = fagô in de LXX (zie εσθιω = esthiô), in het NT (94), in Mt (13), in Mc (17), in Lc (21), in Joh (15).
- Ned: eten. D: essen. E: eat.
- אָכַל (= ´âkhal: eten).
- Lat: mandere, mandeo, mandi, mansum. manducare. Fr: manger.
- Gaat het om het laatste avondmaal? Was dit een paasmaaltijd of een gewone andere avondmaaltijd?

Mc 14,22.1. - 2. Hebr: וַיּאֹכְלוּ (= wajjo´khëlû: en zij aten; < wa consecutivum + wkw act ind imperf 3de pers mann mv van het wkw אָכַל = ´âkhal: eten). Tenakh (25). Pentateuch (5) : (1) Gn 24,54. (2) Gn 26,30. (3) Gn 31,46. (4) Gn 31,54. (5) Ex 24,11. Vroege Profeten (10) : (1) Joz 5,11. (2) Joz 5,12. (3) Re 9,27. (4) Re 19,4. (5) Re 19,6. (6) Re 19,8. (7) Re 19,21. (8) 2 K 4,44. (9) 2 K 6,23. (10) 2 K 7,8. Ps (2) : (1) Ps 78,29. (2) Ps 106,28.
- και εσθιοντων (= kai esthiontôn: en terwijl zij eten): Bijbel = NT (2): (1) Mc 14,22. (2) Mt 26,21.
- εσθιοντων δε (= esthiontôn: terwijl zij eten): Mt 26,26.

Mc 14,22.3. αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos. Mc (37).

  αυτοι (= autoi: zij; pers vnw mann  mv). bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
6. αὐτῶν (= autôn; pers vnw gen mv)   3701  3203  498  93  37  94  31  87  91  65  224  255 
  totaal  7770  6306  1464  250  196  285  155  269  200  109  731  886 

   αυτοι (= autoi: zij; pers vnw mann  mv). Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
6 αὐτῶν (= autôn; pers vnw gen mv)   37      3701  3203  498  93  37  94  31  87  91  65  224  255 

Mc 14,22.2 - 3. εσθιοντων αυτων (= esthiontôn autôn: terwijl zij eten, tijdens de maaltijd): Bijbel = NT (2): (1) Mc 14,22. (2) Mt 26,21. Losse genitief. Tegenwoordige tijd, gelijktijdigheid.
- και εσθιοντων αυτων (= kai esthiontôn autôn: en terwijl zij eten, en tijdens de maaltijd): Bijbel = NT (2): (1) Mc 14,22. (2) Mt 26,21.
- εσθιοντων δε αυτων (= esthiontôn de autôn: terwijl zij echter eten): Mt 26,26.
- Hebr: ובאכלם (= uv'okhlâm: en tijdens hun eten; verbindingswoord ו (= wë:en) + prefix ב (= bë: tijdens) + wkw act inf praes van het wkw אכל (= 'âkhal: eten) + suffix pers vnw 3de pers mann mv ם (= m: zij).
- Het optreden van Jezus tijdens zijn laatste maaltijd wordt door de evangelist Marcus beperkt weergegeven, nl. tot het breken van het brood en het geven van de beker en de bij behorende woorden.

Mc 14,22.4. - Grieks. λαβων (= labôn: genomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab). Mc 6,41. Taalgebruik in het NT: lambanô (nemen). Bijbel (86). LXX (46). NT (40). Pentateuch (27). Ex (9). Ex 24 (3): Ex 24,6 - Ex 24,7 - Ex 24,8. Mt (11): (1) Mt 13,31. (2) Mt 14,19. (3) Mt 17,27. (4) Mt 25,16. (5) Mt 25,18. (6) Mt 25,20. (7) Mt 26,26. (8) Mt 26,27. (9) Mt 27,24. (10) Mt 27,48. (11) Mt 27,59. Mc (5): (1) Mc 6,41. (2) Mc 8,6. (3) Mc 9,36. (4) Mc 14,22. (5) Mc 14,23. Lc (7): (1) Lc 6,4. (2) Lc 9,16. (3) Lc 13,19. (4) Lc 20,29. (5) Lc 22,19. (6) Lc 24,30. (7) Lc 24,43. Joh (4): (1) Joh 3,33. (2) Joh 13,4. (3) Joh 13,30. (4) Joh 18,3. Een vorm van λαμβανω (= lambanô: nemen) in het NT (258), in de LXX (1335). In Lc: X vormen van lambanô (nemen) in 23 verzen in 11 / 24 hoofdstukken. In Hnd: X vormen van lambanô (nemen) in 29 verzen in 18 / 28 hoofdstukken.
- λαβων δε (= labôn de: genomen hebbende echter). LXX (6): (1) Gn 31,45. (2) Gn 48,13. (3) Ex 24,6. (4) Ex 24,8. (5) 2 Mak 4,25. (6) Job 42,17. NT (1): Lc 9,16.
- και λαβων (= kai labôn: en genomen hebbende). LXX (15). NT (15). Synoptici: Mt (5): (1) Mt 14,19. (2) Mt 15,36.(3) Mt 26,27. (4) Mt 27,48. (5) Mt 27,59. Mc (4): (1) Mc 6,41. (2) Mc 8,6. (3) Mc 9,36. (4) Mc 14,23. Lc (7): (1) Lc 22,19. (2) Lc 24,43. Joh (1): Joh 13,4.
- ἔλαβεν (= elaben: hij nam; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab). Taalgebruik in de Septuaginta: lambanô (nemen). Taalgebruik in het NT: lambanô (nemen). Bijbel (353). NT (20): (1) Mt 8,17. (2) Mt 15,36. (3) Mc 12,20. (4) Mc 12,21. (5) Mc 15,23. (6) Lc 5,26 . (7) Lc 7,16. (8) Lc 20,31. (9) Joh 6,11. (10) Joh 13,12. (11) Joh 19,1. (12) Joh 19,27. (13) Joh 19,30. (14) Hnd 24,27. (15) Rom 4,11. (16) 1 Kor 11,23. (17) Heb 2,2. (18) Heb 11,11. (19) 1 Pe 4,10. (20) Apk 5,8.
- Ned: nemen. Arabisch: أخذ = akhadha. Zie: http://www.arabischlexicon.com/157-akhadha-nemen-157115821584.html. D: nehmen. E: take. Fr: prendre. Grieks: λαμβανω (= lambanô: nemen). Taalgebruik in het NT: lambanô (nemen). Hebreeuws: לָקַח (= lâqach: nemen, grijpen, ontvangen). Taalgebruik in Tenakh: lâqach (nemen, grijpen, ontvangen). Lat: accipere (ad-capere = aan-grijpen, aannemen).
- וַיּקַּח (= wajjiqqach: en hij nam; < prefix nevensch vw waw + wkw act qal imperf 3de pers mann enk van het wkw לָקַח = lâqach: nemen, grijpen, ontvangen). Taalgebruik in Tenakh: lâqach (nemen, grijpen, ontvangen). Getalswaarde: lamed = 12 of 30, qoph = 19 of 100, chet = 8; totaal: 39 (3 X 13) OF 138 (2 X 3 X 23). Structuur: 3 - 1 - 8. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (199). Pentateuch (86). Eerdere Profeten (80). Latere Profeten (17). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (15). Ex (15): (1) Ex 2,1. (2) Ex 4,20. (3) Ex 6,20. (4) Ex 6,23. (5) Ex 13,19. (6) Ex 14,7. (7) Ex 18,2. (8) Ex 18,12. (9) Ex 24,6. (10) Ex 24,7. (11) Ex 24,8. (12) Ex 32,4. (13) Ex 32,20. (14) Ex 34,4. (15) Ex 40,20.
Ex 24 (3). Ex 24,6 - Ex 24,7 - Ex 24,8 beginnen met וַיּקַּח = wajjiqqach (en hij nam). Een vorm van לָקַח (= lâqach: nemen, grijpen, ontvangen) in Tenakh (965).

Mc 14,22.5. ἄρτον (= arton: brood; zn acc mann enk van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d). Mc 3,20. Taalgebruik in het NT: artos (brood). Taalgebruik in de Septuaginta: artos (brood). Bijbel (133). LXX (96). NT (37). Mt (5): (1) Mt 6,11. (2) Mt 7,9. (3) Mt 15,2. (4) Mt 15,26. (5) Mt 26,26. Mc (6): (1) Mc 3,20. (2) Mc 6,8. (3) Mc 7,5. (4) Mc 7,27. (5) Mc 8,14. (6) Mc 14,22. Lc (7): (1) Lc 7,33. (2) Lc 9,3. (3) Lc 11,3. (4) Lc 14,1. (5) Lc 14,15. (6) Lc 22,19. (7) Lc 24,30. Een vorm van αρτος = artos (brood) in het NT (97), in de LXX (307). In de LXX kan αρτος = artos de vertaling van 5 verschillende Hebreeuwse woorden van Tenakh zijn.

αρτος (= artos: brood). bijbel  OT NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
ἄρτον (= arton: brood; zn acc mann enk). 133 96 37 5 6 7 8 4 7   18 26
Totaal 414 307 97 21 21 15 24 5 11   57 81

- Hebreeuws. לֶחֶמ = lèchèm (brood). qatl-vorm (לַחמ); de 2de medeklinker, een gutturaal, ח = chet heeft normalerwijze een patach ַ (Joüon 88Cc). Het is moeilijk om zeggen waarom de 2 woorden לֶחֶמ = lèchèm (brood) en רֶחֶמ = rèchèm (schoot, moederschoot) een segol ֶ hebben (Joüon 96Ai). Taalgebruik in Tenakh: lèchèm (brood). Getalswaarde: lamed = 12 of 30, chet = 8, mem = 13 of 40. Totaal: 33 (3 X 11) of 78 ( 2 X 39 OF 6 X 13). Structuur: 3 - 8 - 4. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (227). Pentateuch (51). Eerdere Profeten (81). Latere Profeten (21). 12 Kleine Profeten (5). Geschriften (69). In Tenakh komt een vorm van לֶחֶמ = lèchèm in 277 verzen voor.
- Ned: brood. Arabisch: خُبز = chubz (brood). Taalgebruik in de Qoran: chubz (brood). In het Arabisch heeft lachm een andere betekenis. Zie لَحْم = lachm (vlees). Taalgebruik in de Qoran: lachm (vlees). Aramees: לַחְמָא = lachëmâ´(brood); לְחֵים = lëche(j)m; לְחֵם = lëchem. D: Brot. E: bread. Grieks: αρτος (= artos: brood). Taalgebruik in het NT: artos (brood). Hebreeuws: לֶחֶמ = lèchèm (brood). Taalgebruik in Tenakh: lèchèm (brood). Lat: panis. Fr. pain.

- τον αρτον (= ton arton: het brood). NT (16): Mt (5): (1) Mt 6,11. (2) Mt 15,26. (3) Mt 26,26. (4) Mc 7,5. (5) Mc 7,27. (5) Mc 8,14. (6) Lc 11,3. (4) Lc 14,1. (7) Lc 24,30. (8) Joh 6,23. (9) Joh 6,32 (2X) . (10) Joh 6,34. (11) Joh 6,58. (12) Joh 13,18. (13) Joh 21,13. (14) 1 Kor 10,16. (15) 1 Kor 11,26. (16) 1 Kor 11,27.
- הלחם (= hallèchèm: het brood).

Mc 14,22.4. - 5. λαβων (τον) αρτον (= labôn (ton) arton: - het - brood genomen). Lc (2): (1) Lc 22,19. (2) Lc 24,30 (met lidwoord). Hnd (1) Hnd 27,35.
- λαβων ὁ ιησους τον αρτον (= labôn ho Ièsous ton arton: Jezus het brood genomen): Mt 26,26.
- λαβων αρτον (= labôn arton: brood genomen): Mc 14,22.
- De kribbe is een voederbak (Lc 2,7). De kribbe verwijst naar het graf (k/g - r - b/f) als gedenkteken (Lc 23,53). Maar in dat gedenktekengraf is Jezus niet; "Hij is niet hier" (Lc 24,6). De leerlingen van Emmaüs herkenden hem bij het breken van het brood (Lc 24,30). Dat brengt ons bij het verhaal van het laatste avondmaal (Lc 22,19), waar Jezus het brood breekt. De voederbak waarin Jezus ligt, verwijst naar het brood dat hij breekt. Hij is brood, voedsel en herkenbaar in het breken van het brood. Zo is de kribbe meer dan alleen maar een toevallige plaats waarin Jezus werd gelegd.
- De huisvader leidt de maaltijd. Zo doet Jezus ook bij de maaltijd met zijn leerlingen. Hij zal vele malen het brood genomen hebben, het gebroken hebben en het aan zijn leerlingen hebben gegeven. De woorden over het brood en over de breker zijn parallel opgebouwd. Zo ook de inleidende zin op de woorden. In (1) Ex 24,6. (2) Ex 24,7. (3) Ex 24,8. nam Mozes... In Ex 24,8 nam Mozes het bloed... en zei: Ziehier het bloed van het verbond. Nadat Jezus als Messias is erkend, wordt Mozes het proto-type van Jezus Messias en worden vele Oudtestamentische teksten gezien als afspiegelingen van wat in Jezus Messias tot vervulling komt. Mogen wij de woorden van Jezus als historisch beschouwen of zijn het interpretatieve teksten van de eerste christenen? Ik ben geneigd het tweede te denken.

Mc 14,22.6. ευλογησας (= eulogèsas: gezegend; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ευλογεω = eulogeô: zegenen, goed spreken, loven, prijzen). Lc 24,50. Taalgebruik in het NT: eulogeô (goed spreken, loven, prijzen). Taalgebruik in Mc: eulogeô (goed spreken, loven, prijzen). Taalgebruik in de Septuaginta: eulogeô (goed spreken, loven, prijzen). OT (8). NT (5): (1) Mt 26,26. (2) Mc 8,7. (3) Mc 14,22. (4) Ef 1,3. (5) Heb 7,1.
- Lat: benedicere (benedijen). Fr: bénir. Ned: zegenen < signare (tekenen), het signum (teken) van het kruis slaan. D: segnen. E: to bless.
- בָרַך (= bârakh: zegenen, loven, prijzen). Getalswaarde: beth = 2, resj = 20 of 200, kaf = 11 of 20. Totaal: 33 (3 X 11) of 222 (6 X 37 OF 2 X 111). Structuur: 2 - 2 - 2. De som van de elementen is telkens 6.
- Een vorm van ευλογεω (= eulogeô: goed spreken, loven, prijzen) in Mc in 5 verzen: (1) Mc 6,41. (2) Mc 8,7. (3) Mc 11,9. (4) Mc 11,10. (5) Mc 14,22. In Mc: 4 vormen van ευλογεω (= eulogeô: goed spreken, loven, prijzen); in 5 verzen in 4 hoofdstukken. In de verhalen van de broodvermenigvuldigingen, van de intocht van Jezus in Jeruzalem en van het laatste Avondmaal.
- Een vorm van ευλογεω = eulogeô in de LXX (516), in het NT (42), Mt (5): (1) Mt 14,19. (2) Mt 21,9. (3) Mt 23,39. (4) Mt 25,34. (5) Mt 26,26, Mc (5): (1) Mc 6,41. (2) Mc 8,7. (3) Mc 11,9. (4) Mc 11,10. (5) Mc 14,22. Lc (13): (1) Lc 1,28. (2) Lc 1,42. (3) Lc 1,64. (4) Lc 2,28. (5) Lc 2,34. (6) Lc 6,28. (7) Lc 9,16. (8) Lc 13,35. (9) Lc 19,38. (10) Lc 24,30. (11) Lc 24,50. (12) Lc 24,51. (13) Lc 24,53.
- וַיְבָרֶך (= wajëbhârèkh: en hij zegende; wkw waw consec + act piel imperf 3de pers mann enk van het wkw בָרַך = bârakh: zegenen, loven, prijzen). Getalswaarde: beth = 2, resj = 20 of 200, kaf = 11 of 20. Totaal: 33 (3 X 11) of 222 (6 X 37 OF 2 X 111). Structuur: 2 - 2 - 2. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (33). Pentateuch (20) : (1) Gn 1,22. (2) Gn 1,28. (3) Gn 2,3. (4) Gn 5,2. (5) Gn 9,1. (6) Gn 24,11. (7) Gn 25,11. (8) Gn 28,1. (9) Gn 30,30. (10) Gn 32,1. (11) Gn 32,30. (12) Gn 35,9. (13) Gn 39,5. (14) Gn 47,7. (15) Gn 47,10. (16) Gn 48,3. (17) Gn 48,15. (18) Gn 49,28. (19) Ex 39,43. (20) Dt 1,1. Verder : (21) Joz 24,10. (22) 2 S 6,11. (23) 2 S 6,18. (24) 2 S 14,22. (25) 1 K 8,14. (26) 1 K 8,55. (27) Ps 145,21. (28) Neh 8,6. (29) 1 Kr 13,14. (30) 1 Kr 16,2. (31) 1 Kr 29,10. (32) 2 Kr 6,3. (33) 2 Kr 6,13.
- Na het nemen van het brood spreekt Jezus een zegenwens uit. Gebeurt dit terwijl hij het brood breekt en het aan zijn leerlingen geeft. Maken de woorden: neemt en eet... , deel uit van de zegenwens?

Mc 14,22.7. εκλασεν (= eklasen: hij brak; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw κλαω = klaô: breken). Lc 22,19. Taalgebruik in het NT: klaô (breken). Bijbel (6): (1) Mt 15,36. (2) Mt 26,26. (3) Mc 8,6. (4) Mc 14,22. (5) Lc 22,19. (6) 1 Kor 11,24. Een vorm van κλαω = klaô in de LXX (3), in het NT (14).
- Ned: breken, brak, gebroken. Lat: fra-n-gere (nasalisatie), fregi, fractum. Ned: zn: breuk. Fr: briser (breken, ver-brijz-elen: latijnse fregi= frezi).
- וַיְשַׁבֵּ֥ר (= wajjësjabber: en bij brak; wkw waw consec + act piel imperf 3de pers mann enk van het wkw שבר = sjâbar: breken). Ex 32,19. Hebr: sjâbhar. sj (misschien van sjeni: twee) br: in twee breken. br in Hebr en in Ned, Lat: b/f- r. Arabisch: thabara.

Mc 14,22.6. - 7. ευλογησας εκλασεν (= eulogèsas eklasen: zegenend brek hij). Bijbel / NT (2): (1) Mc 14,22. (2) Mt 26,26.

Mc 14,22.8.και (= kai: en; nevensch vw). D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: וְ = wë (en). Arabisch: اَل = ´al (de). και (= kai: en) kan gezien worden als een vertkale streep I (stop), verbonden met een haak naar rechts (open naar rechts: beginnen). In dit geval wordt een perikope met een andere perikoop verbonden. Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64. Wellicht komt deze kai voort uit de Hebreeuwse waw van de imperfectum consecutivum וַיּאֹכְלוּ (= wajjo´khëlû: en zij aten) < wa consecutivum + wkw act ind imperf 3de pers mann mv. Mc 6,42.
- We zien dat και (= kai: en), in vergelijking met de andere geschriften van het NT veel gebruikt wordt: in 81,85 percent van het aantal verzen in Mc. In Mc 14,22 komt het 3X voor: in het begin van de zin, bij een handeling, en in de inleidingszin bij de woorden. In Mc 14 komt και (= kai: en) 83,33 percent voor.

και (= kai: en). bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen      7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
και (= kai: en).   26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil     2844 366 123 329 349 347 1297 33 18 1167

και (= kai: en). Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8
και (= kai: en). (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7
verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1

Mc 14,22.9. εδωκεν (= edôken: hij gaf; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw διδωμι = didômi: geven). Taalgebruik in de Septuaginta: didômi (geven). Taalgebruik in het NT: didômi (geven). Bijbel (462). OT (399). NT (63). Mc (7).
- וַיִּתֵּן (= wajjiththen: en hij zal geven / en hij gaf; < verbindingsletter wë + wkw act qal imperf 3de pers mann enk van het wkw נָתַן = nâthan: geven). Taalgebruik in Tenach: nâthan (geven). Getalswaarde: nun = 14 of 50, thaw = 22 of 40 ; totaal: 50 of 500. Structuur: 5 - 4 - 5. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (185). Pentateuck (73). Ex (11): (1) Ex 2,21 . (2) Ex 11,3 . (3) Ex 18,25 . (4) Ex 31,18 . (5) Ex 34,33 . (6) Ex 37,13 . (7) Ex 40,18 . (8) Ex 40,20 . (9) Ex 40,22 . (10) Ex 40,30 . (11) Ex 40,33 .

Mc 14,22.7. - 9. εκλασεν και εδωκεν (= eklasen kai edôken: brak hij en gaf hij). NT (3): (1) Mt 15,36. (2) Mc 14,22. (3) Lc 22,19.

Mc 14,22.10. αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
- לָהֶ֛ם (= lâhem: aan hen). Tenakh (644).

Mc 14,22.9. - 10.εδωκεν αὐτοῖς (= edôken autois: hij gaf hen). LXX (28). NT (13).
- וַיִּתֵּ֣ן לָ֭הֶם (= wajjithen lâhem: en hij gaf hen). Tenakh (14).

Mc 14,22.11. και (= kai: en; nevensch vw). D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: וְ = wë (en). Arabisch: اَل = ´al (de). και (= kai: en) kan gezien worden als een vertkale streep I (stop), verbonden met een haak naar rechts (open naar rechts: beginnen). In dit geval wordt een perikope met een andere perikoop verbonden. Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64. Wellicht komt deze kai voort uit de Hebreeuwse waw van de imperfectum consecutivum וַיּאֹכְלוּ (= wajjo´khëlû: en zij aten) < wa consecutivum + wkw act ind imperf 3de pers mann mv. Mc 6,42.
- We zien dat και (= kai: en), in vergelijking met de andere geschriften van het NT veel gebruikt wordt: in 81,85 percent van het aantal verzen in Mc. In Mc 14,22 komt het 3X voor: in het begin van de zin, bij een handeling, en in de inleidingszin bij de woorden. In Mc 14 komt και (= kai: en) 83,33 percent voor.

και (= kai: en). bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen      7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
και (= kai: en).   26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil     2844 366 123 329 349 347 1297 33 18 1167

και (= kai: en). Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8
και (= kai: en). (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7
verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1

Mc 14,22.12.
- Grieks: εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon). Taalgebruik in NT: legô (zeggen). Taalgebruik in de Septuaginta: legô (zeggen). Een vorm van λεγω (= legô: zeggen) in de LXX (4610), in het NT (1318); van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608), in het NT (925).

  εἶπεν (= eipen: hij zei). bijbel OT LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
    3024  2426  2275 + 151 684 985 234 63 309 378 149 15 98 44 598  118  56  223  114  75  397  511 

- Ned: zeggen. Arabisch: قَالَ = qâla (zeggen). Taalgebruik in de Qoran: qâla (zeggen). Aramees: קְרָא = qërâ´ (roepen). D: sagen (zeggen). E: to say. Fr: dire. Grieks: λεγω (= legô: zeggen). Taalgebruik in NT: legô (zeggen). Hebreeuws: אָמַר (= ´âmar: zeggen). Taalgebruik in Tenakh: ´âmar (zeggen). Lat: legere: l (قَالَ = qâla) en r (קְרָא = qâra) liggen dicht bij elkaar. Orgaan van roepen is de stem; zie Hebreeuws:קוֹל = qôl (stem, roep). Taalgebruik in Tenakh: qôl (stem). Lat: dicere. Fr: dire. Italiaans: dire. Spaans: decir.
- In het wkw אָמַר (= ´âmar: zeggen) zit het woord אְמ (= ´em: moeder); om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is? Beide woorden beginnen met aleph, de eerste letter van het alfabet en duiden וַיּאֹמֶר (= wajjo´mèr: en hij zei; < prefix verbindingswoord wë consecutivum + wkw qal act imperf 3de pers mann enk van,het wkw אמר = ´-m-r: zeggen). Taalgebruik in Tenakh: ´âmar (zeggen). Getalswaarde: aleph = 1, mem = 13 of 40, resj = 20 of 200; totaal: 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal). Structuur: 1 - 4 - 2. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (1879). Pentateuch (594). Eerdere Profeten (868). Latere Profeten (120). 12 Kleine Profeten (56). Geschriften (241)..

וַיּאֹמֶר (= wajjo´mèr: en hij zei). Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Gn 12  
  1879 594 868 120 56 241 315 150 10 95 24 4  

- Lettinga 12, 2012, 53c2: Het wkw begint met een aleph. Het is een gutturaal, maar de zwakste van de gutturalen. Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal wkw een bijzondere behandeling voor de qal imperf.. Dit is het geval voor ons wkw.. In het imperf gaat een medeklinker vooraf aan de aleph. De aleph quiesceert: ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b). In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o: jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c). De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b). In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a: jomur -> jomar (i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012, 15g). In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è, vandaar wajjo´mèr. (Zie ook Jouön, 73).

Mc 14,22.14. τουτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr: tu). Taalgebruik in het NT: houtos (deze). Taalgebruik in de LXX: houtos (deze). Mc (15): (1) Mc 1,27. (2) Mc 1,38. (3) Mc 5,32. (4) Mc 5,43. (5) Mc 6,14. (6) Mc 9,21. (7) Mc 9,29. (8) Mc 11,3. (9) Mc 11,24. (10) Mc 12,24. (11) Mc 13,11. (12) Mc 14,5. (13) Mc 14,22. (14) Mc 14,24. (15) Mc 14,36.
- Ned: deze, dat / dit. D: der - die - das. E: this - that. Fr: ceci. Lat: hic - haec - hoc.

  ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit). bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  τουτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom onz enk). 1103  898  305  31  15  37  50 29            
  Totaal   4411 1388 147 78 230 237 268            

- זֶ֣ה (= zèh: dit; aanwijz vnw mann enk). Taalgebruik in Tenakh: zèh (dit). Getalswaarde: zajin = 7, he = 5; totaal: 12 (2² X 3). Structuur: 7 - 5. Tenach (305). Pentateuch (87). Eerdere Profeten (77). Latere Profeten (37). 12 Kleine Profeten (7). Geschriften (97).
- Waarnaar verwijst τουτο (= touto: dit)? Naar ἄρτον (= arton: brood)? Maar dit is een mannelijk zn. Is τουτο (= touto: dit) het onderwerp van de gezegdezin en verwijst τουτο (= touto: dit) naar τὸ σῶμά μου (= to sôma mou: mijn lichaam)? Verwijst τουτο (= touto: dit) naar het geheel van de voorbije handelingen. Het zou dan de betekenis hebben van: wat hier gebeurt met dit brood, gebeurt met mijn lichaam. Het brood wordt gebroken en gegeten, zo wordt het lichaam gebroken, sterft. Maar dat gebroken, gestorven lichaam, de persoon Jezus leeft verder. Hiervan leven christenen. Door Jezus Messias zullen zij eeuwig leven.

Mc 14,22.15.  ἔστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι =  eimi: zijn; stam es-, zie Lat.: esse).

Mc 14,22.14. - 15. τουτο ἔστιν (= touto estin: dit is). LXX (22). NT (7).

Mc 14,22.16. τὸ (= to: het; bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.

Mc 14,22.17. σωμα (= sôma: lichaam: zn acc onz enk) Taalgebruik in het NT: sôma (lichaam). Taalgebruik in de Septuaginta: sôma (lichaam). Taalgebruik in Lc: sôma (lichaam). Taalgebruik in Hnd: sôma (lichaam). Bijbel (118). OT (55). NT (63). Lc (10): (1) Lc 11,34. (2) Lc 11,36. (3) Lc 12,4. (4) Lc 12,23. (5) Lc 17,37. (6) Lc 22,19. (7) Lc 23,52. (8) Lc 23,55. (9) Lc 24,3. (10) Lc 24,23. Een vorm van σωμα = sôma (lichaam) in de LXX (136), in het NT (142), in Lc (11): (1) Lc 11,34. (2) Lc 11,36. (3) Lc 12,4. (4) Lc 12,22. (5) Lc 12,23. (6) Lc 17,37. (7) Lc 22,19. (8) Lc 23,52. (9) Lc 23,55. (10) Lc 24,3. (11) Lc 24,23. In Lc: 3 vormen in 6 hoofdstukken en 11 verzen. In Lc: 3 vormen in 6 / 24 hoofdstukken en 11 verzen. In Hnd: 1 vorm in 1 vers in 1 / 28 hoofdstukken.
- Hebr.בָּשָׂר (= bâshâr: vlees, lichaam). Taalgebruik in Tenach: bâshâr (vlees, lichaam). Lat. corpus. Fr. corps. N. lichaam. D. Leib. E. body.
- גּוּפָה (= gûphâh: lichaam;

Mc 14,22.18. μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij).

Mc 14,22.16. - 18. τὸ σῶμά μου (= to sôma mou: mijn lichaam). LXX (5). NT (1).

Mc 14,22.14 - 18. τοῦτό ἐστιν τὸ σῶμά μου (= touto estin to sôma mou: dit is mijn lichaam). NT (3):
- Deze handelingen en woorden zijn aanleiding geweest voor vele interpretaties. Lichaam en bloed werden symbool van sterven, overgave aan de dood, offer. Breken en delen werden symbool van solidariteit. In het OT werd offeren uitsluitend door priesters verricht. Zo zou tijdens het laatste avondmaal de eucharistie en het priesterschap zijn ingesteld. Met de transsubstantatie werd de taak van de priester nog verder beklemtoond. Naast de offerende functie werd het priesterschap nog verder uitgebreid naar een lerende en leidende functie, m.a.w. alle verantwoordelijkheid berust op de hiërarchie van de kerk.


Mc 14,23 - Mc 14,23: 322. Instelling van de eucharistie: Taalgebruiken -- Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- Mc 14,22 - Mc 14,23 - Mc 14,24 - Mc 14,25 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:23 καὶ λαβὼν ποτήριον εὐχαριστήσας ἔδωκεν αὐτοῖς, καὶ ἔπιον ἐξ αὐτοῦ πάντες. 23 et accepto calice gratias agens dedit eis et biberunt ex illo omnes    23 En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien; en zij dronken allen uit denzelven. [23] Ook nam Hij een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun die beker; ze dronken er allen uit.  [23] En hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun de beker, en allen dronken eruit.  23 Dan neemt hij een drinkbeker, spreekt het dankgebed uit en geeft hem aan hen, en zij drinken er allen uit.  23. Puis, prenant une coupe, il rendit grâces et la leur donna, et ils en burent tous.  

King James Bible. [23] And he took the cup, and when he had given thanks, he gave it to them: and they all drank of it.
Luther-Bibel. 23 Und er nahm den Kelch, dankte und gab ihnen den; und sie tranken alle daraus.

23 καὶ λαβὼν ποτήριον εὐχαριστήσας ἔδωκεν αὐτοῖς, καὶ ἔπιον ἐξ αὐτοῦ πάντες.

Tekstuitleg van Mc 14,23 // Mt 26,27 // Lc 22,20. Bij de verbondssluiting in Ex 24,8 worden eerst de handelingen vermeld en dan de woorden. Dat is evenzo het geval in Mc. Wellicht is de zin van het ritueel van het bloed het eerst geformuleerd, overeenkomstig Ex 24,8.
- De eerste christenen zochten naar de zin van Jezus'lijden en dood. Ze interpreteerden het als een offer. Maar misschien gaat het om veel meer. Bij de verbondssluiting van God met Mozes ging het om het volk van God. Het hernemen van de terminologie zou erop kunnen wijzen dat het gaat om een nieuw verbond en om een nieuw volk van God. Dan zou het kunnen gaan om het zoeken van een eigen identiteit van de christenen tegenover de Joden. De verbondssluiting van God met Mozes moest natuurlijk onderdoen voor dat van Jezus. In het ene werden dieren geofferd, in het laatste een mens. Zo wordt ook de weg geopend dat het Oude Verbond zijn vervulling krijgt in het Nieuwe Verbond. Misschien heeft Jezus zijn sterven nooit gezien als een offer. Dat kunnen wel de eerste martelaren hebben gedaan: hun lichaam werd gebroken, hun bloed werd vergoten. Ze deelden het leven van Jezus in wel en wee, ook in lijden en dood.
- Het is zo verwarrend dat christenen bij de communie "het lichaam van Christus" zouden eten en "zijn bloed" zouden drinken. Hoe is men toch tot zulke formuleringen kunnen komen. In de katholieke kerk zijn het de heiligste formuleringen die een priester uitspreekt en waardoor brood en wijn van gedaante veranderen in lichaam en bloed van Christus. Het mag dan nog theologische en symbolische taal zijn, het heeft dan toch iets weg van geestelijk kannibalisme.
- Dit alles kan overschaduwen waarom het bij Jezus ging: niemand uitsluiten, opnemen in de gemeenschap, solidair zijn met elkaar: het brood breken met elkaar en de beker delen.

Mc 14,23.1. και (= kai: en; nevensch vw). D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: וְ = wë (en) Arabisch: اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

kai (en)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen      7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8
kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7
verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1

Mc 14,23.2. - Grieks. λαβων (= labôn: genomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab). Mc 6,41. Taalgebruik in het NT: lambanô (nemen). Bijbel (86). LXX (46). NT (40). Pentateuch (27). Ex (9). Ex 24 (3): Ex 24,6 - Ex 24,7 - Ex 24,8. Mt (11): (1) Mt 13,31. (2) Mt 14,19. (3) Mt 17,27. (4) Mt 25,16. (5) Mt 25,18. (6) Mt 25,20. (7) Mt 26,26. (8) Mt 26,27. (9) Mt 27,24. (10) Mt 27,48. (11) Mt 27,59. Mc (5): (1) Mc 6,41. (2) Mc 8,6. (3) Mc 9,36. (4) Mc 14,22. (5) Mc 14,23. Lc (7): (1) Lc 6,4. (2) Lc 9,16. (3) Lc 13,19. (4) Lc 20,29. (5) Lc 22,19. (6) Lc 24,30. (7) Lc 24,43. Joh (4): (1) Joh 3,33. (2) Joh 13,4. (3) Joh 13,30. (4) Joh 18,3. Een vorm van λαμβανω (= lambanô: nemen) in het NT (258), in de LXX (1335).
- λαβων δε (= labôn de: genomen hebbende echter). LXX (6): (1) Gn 31,45. (2) Gn 48,13. (3) Ex 24,6. (4) Ex 24,8. (5) 2 Mak 4,25. (6) Job 42,17. NT (1): Lc 9,16.
- και λαβων (= kai labôn: en genomen hebbende). LXX (15). NT (15). Synoptici: Mt (5): (1) Mt 14,19. (2) Mt 15,36.(3) Mt 26,27. (4) Mt 27,48. (5) Mt 27,59. Mc (4): (1) Mc 6,41. (2) Mc 8,6. (3) Mc 9,36. (4) Mc 14,23. Lc (7): (1) Lc 22,19. (2) Lc 24,43. Joh (1): Joh 13,4.
- Ned: nemen. Arabisch: أخذ = akhadha. Zie: http://www.arabischlexicon.com/157-akhadha-nemen-157115821584.html. D: nehmen. E: take. Fr: prendre. Grieks: λαμβανω (= lambanô: nemen). Taalgebruik in het NT: lambanô (nemen). Hebreeuws: לָקַח (= lâqach: nemen, grijpen, ontvangen). Taalgebruik in Tenakh: lâqach (nemen, grijpen, ontvangen). Lat: accipere (ad-capere: aan-grijpen, aannemen).
- וַיּקַּח (= wajjiqqach: en hij nam; < prefix nevensch vw waw + wkw act qal imperf 3de pers mann enk van het wkw לָקַח = lâqach: nemen, grijpen, ontvangen). Taalgebruik in Tenakh: lâqach (nemen, grijpen, ontvangen). Getalswaarde: lamed = 12 of 30, qoph = 19 of 100, chet = 8; totaal: 39 (3 X 13) OF 138 (2 X 3 X 23). Structuur: 3 - 1 - 8. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (199). Pentateuch (86). Eerdere Profeten (80). Latere Profeten (17). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (15). Ex (15): (1) Ex 2,1. (2) Ex 4,20. (3) Ex 6,20. (4) Ex 6,23. (5) Ex 13,19. (6) Ex 14,7. (7) Ex 18,2. (8) Ex 18,12. (9) Ex 24,6. (10) Ex 24,7. (11) Ex 24,8. (12) Ex 32,4. (13) Ex 32,20. (14) Ex 34,4. (15) Ex 40,20.
Ex 24 (3). Ex 24,6 - Ex 24,7 - Ex 24,8 beginnen met וַיּקַּח = wajjiqqach (en hij nam). Een vorm van לָקַח (= lâqach: nemen, grijpen, ontvangen) in Tenakh (965).

Mc 14,23.3. ποτηριον (= potèrion: beker; zn nom onz enk; zn eindigend op -tèrion geeft een instrument aan, hier: een middel om te drinken: drinkbeker; zie wkw ποτιζω = potizô: drinken). Taalgebruik in het NT: potèrion (beker). Taalgebruik in de LXX: potèrion (beker). OT (20): (1) Gn 40,11. (2) Gn 40,13. (3) Gn 40,21. (4) Js 51,17. (5) Js 51,22. (6) Jr 16,7. (7) Jr 25,15. (8) Jr 25,17. (9) Jr 25,28. (10) Jr 49,12. (11) Jr 51,7. (12) Ez 23,31. (13) Ez 23,32. (14) Ez 23,33. (15) Hab 2,16. (16) Ps 23,5. (17) Ps 75,9. (18) Ps 116,13. (19) Kl 2,13. (20) Kl 4,21. NT (21). Ev. (14). Mt (5): (1) Mt 10,32. (2) Mt 20,22. (3) Mt 20,23. (4) Mt 26,27. (5) Mt 26,39. Mc (5): (1) Mc 9,41. (2) Mc 10,38. (3) Mc 10,39. (4) Mc 14,23. (5) Mc 14,36. Lc (3): (1) Lc 22,17. (2) Lc 22,20. (3) Lc 22,42. Joh (1): Joh 18,11. 1 Kor (5): (1) 1 Kor 10,16. (2) 1 Kor 10,21. (3) 1 Kor 11,25. (4) Kor 11,26. (5) 1 Kor 11,27. Apk (2): (1) Apk 16,19. (2) Apk 17,4. Een vorm van ποτηριον = potèrion in het OT (33), in het NT (31). In de LXX kan ποτηριον = potèrion de vertaling van 3 Hebreeuwse woorden zijn.

  potèrion (beker)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk.  potèrion 41  20  21    13  14     
  Totaal 64 33 31 7 6 5 1   8 4 18 19    

- Hebr. כּוֹס (= kôs: beker). Taalgebruik in Tenakh: kôs (beker). Getalswaarde: kaph = 11 of 20, waw = 6, samekh = 15 of 60; totaal: 32 (2² X 2³) OF 86 (2 X 43). Structuur: 2 - 6 - 6. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (15): (1) Gn 40,11. (2) Gn 40,13. (3) 1 K 7,26. (4) Js 51,17. (5) Js 51,22. (6) Jr 16,7. (7) Jr 25,15. (8) Jr 51,7. (9) Ez 23,32. (10) Ez 23,33. (11) Hab 2,16. (12) Ps 75,9. (13) Ps 116,13. (14) Kl 4,21. (15) 2 Kr 4,5. Een vorm van כּוֹס = kôs (beker) in Tenakh (26).
- Ned: beker. Arabisch: كوب = kub. D: Kelck. E: cup. Fr: coup. Grieks: ποτηριον (= potèrion: beker). Hebreeuws: כּוֹס (= kôs: beker). Taalgebruik in Tenakh: kôs (beker). Taalgebruik in het NT: potèrion (beker). Lat: calix.

Mc 14,23.1. - 3. וַיּקַּח מֹשֶׁה אֶת הַדָּם (= wajjiqqach mosjèh ´èth haddâm: en Mozes nam het bloed). Tenakh (2): (1) Ex 24,8. (2) Lv 8,15.
- In het NT lezen we 2X: και λαβων το ποτηριον (= kai labôn to potèrion: en genomen de beker): (1) Mt 26,27. (2) Mc 14,23. In het NT is er sprake dat Jezus de beker nam.
- λαβων δε μωυσης το αἱμα (= labôn de moüsès to haima: Mozes echter het bloed genomen hebbende). Bijbel (1): Ex 24,8.
- λαβων το αἱμα (= labôn to haima: het bloed genomen hebbende). Bijbel (2). LXX (1): Ex 29,16. NT (1): Heb 9,19.
- λαβων το ποτηριον (= labôn to potèrion: de beker genomen). NT (2): (1) Mt 26,27. (2) Mc 14,23.

Mc 14,23.4. ευχαριστησας (= eucharistèsas: gedankt; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ευχαριστεω = eucharisteô: danken). Taalgebruik in het NT: eucharisteô (danken). ch - r. L. gratia. Fr. grace. Vertaling: gratie, genade, char-me, bevalligheid. ευχαριστεω = eucharisteô: welgevallen, goede bevalligheid brengen. Bijbel (9): (1) Mt 15,36. (2) Mt 26,27. (3) Mc 8,6. (4) Mc 14,23. (5) Lc 22,17. (6) Lc 22,19. (7) Joh 6,11. (8) Hnd 28,15. (9) 1 Kor 11,24. Een vorm van ευχαριστεω = eucharisteô in de LXX (6), in het NT (38), in Lc (4): (1) Lc 17,16. (2) Lc 18,11. (3) Lc 22,17. (4) Lc 22,19.

eucharisteô (danken) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
part. aor. nom. m. + vr. enk. eucharistèsas 9   9 2 2 2 1 1 1   6 7

Mc 14,23.5. εδωκεν (= edôken: hij gaf; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw διδωμι = didômi: geven). Taalgebruik in de Septuaginta: didômi (geven). Taalgebruik in het NT: didômi (geven). Bijbel (462). OT (399). NT (63). Mc (7).

Mc 14,23.6. αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).

Mc 14,23.7. και (= kai: en; nevensch vw). D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: וְ = wë (en) Arabisch: اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

kai (en)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen      7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8
kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7
verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1

8. ἔπιον (= epion: zij dronken; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw πινω = drinken).

9. ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz).

10. αὐτοῦ (= autou: van het; pers vnw 3de pers gen onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).

11. πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder). Taalgebruik in het NT: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in de LXX: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in Mc: pas (ieder, elk, alles).

  pas (al) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
10 nom. mann. mv. pantes 724 558 166 18  15 25 14  33 57 58  72 

  pas (al) Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16
10 nom. mann. mv. pantes 15 2 : (1) Mc 1,5. (2) Mc 1,37.       (1) Mc 5,20.   2 : (1) Mc 6,42. (2) Mc 6,50. 2 : (1) Mc 7,3. (2) Mc 7,14.       (1) Mc 12,44.     7 : (1) Mc 14,23. (2) Mc 14,27. (3) Mc 14,29. (4) Mc 14,31. (5) Mc 14,50. (6) Mc 14,53. (7) Mc 14,64.  

- Hebr. kol. kl (al). Taalgebruik in Tenakh: kl (al). Lat. omnis. Fr. tout. Ned. elk, ieder. Arabisch: kull (al). Taalgebruik in de Koran: kull (al).


Mc 14,24 - Mc 14,24: 322. Instelling van de eucharistie: Taalgebruiken -- Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- Mc 14,22 - Mc 14,23 - Mc 14,24 - Mc 14,25 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:24 kai eipen autois touto estin to aima mou t�s diath�k�s to ekchunnomenon uper poll�n  24 et ait illis hic est sanguis meus novi testamenti qui pro multis effunditur     24 En Hij zeide tot hen: Dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt.   [24] En Hij zei hun: ‘Dit is mijn bloed van het verbond, dat voor velen wordt vergoten.   [24] Hij zei tegen hen: ‘Dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor velen vergoten wordt.  24 Hij zegt tot hen: dit is mijn bloed van het verbond,– dat voor velen wordt vergoten;  24. Et il leur dit: « Ceci est mon sang, le sang de l'alliance, qui va être répandu pour une multitude.  

King James Bible. [24] And he said unto them, This is my blood of the new testament, which is shed for many.
Luther-Bibel. 24 Und er sprach zu ihnen: Das ist mein Blut des Bundes, das f�r viele vergossen wird.

Tekstuitleg van Mc 14,24.

- Het bloed van het verbond dat vergoten wordt roept duidelijk de tekst op van het ritueel dat Mozes voltrok (Ex 24,6.8). Het is een interpretatie van de kruisdood van Jezus. Die interpretatie kwam achteraf, na de dood van Jezus. De leerlingen vroegen zich af waarom Jezus de kruisdood was gestorven. Door de lezing van de Oudtestamentische teksten interpreteerden ze zijn dood als een offer aan God, waarmee het verbond gesloten werd. Zo dit correct is, kan Jezus moeilijk die woorden hebben gezegd. En zo zou het verhaal van het Laatste Avondmaal een interpretatieverhaal van de leerlingen zijn geweest, waarmee ze de betekenis van de handelingen van de laatste maaltijd met Jezus hebben aangegeven.
- In Ex 24 werd het bloed in twee schalen opgevangen. Het bloed van de ene schaal werd over het altaar uitgegoten (Ex 24,6). Het bloed van de andere schaal werd over het volk gesprenkeld (Ex 24,8).

Mc 14,24.1. και (= kai: en; nevensch vw). D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: וְ = wë (en) Arabisch: اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

kai (en)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen      7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8
kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7
verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1

- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et.

Mc 14,24.2. וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordsvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. `-m-r. (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt). (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg).Taalgebruik in Tenakh: ´âmar (zeggen). Getalswaarde: aleph = 1, mem = 13 of 40, resj = 20 of 200; totaal: 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal). Structuur: 1 - 4 - 2. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (1879). Pentateuch (594). Eerdere Profeten (868). Latere Profeten (120). 12 Kleine Profeten (56). Geschriften (241). Gn (315). Gn 1-11 (49). Gn 12 (4): (1) Gn 12,1. (2) Gn 12,7. (3) Gn 12,11. (4) Gn 12,18. In Gn 12,1 is het de 50ste keer. De stam `-m-r in Tenakh (5422).

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Gn 12  
  1879 594 868 120 56 241 315 150 10 95 24 4  

- Lettinga 12, 2012, 53c2: Het werkw. begint met een aleph. Het is een gutturaal, maar de zwakste van de gutturalen. Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal werkw. een bijzondere behandeling voor de qal imperf.. Dit is het geval voor ons werkw.. In het imperf. gaat een medeklinker vooraf aan de aleph. De aleph quiesceert: ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b). In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o: jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c). De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b). In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a: jomur -> jomar (i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012, 15g). In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è, vandaar wajjo´mèr. (Zie ook Jouön, 73).
- Grieks: wkw act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô (zeggen). Taalgebruik in de Septuaginta: legô (zeggen). λεγω = legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur; les. IEen vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610), in het NT (1318); van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608), in het NT (925).

  eipen bijbel OT LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 12 Ex Lv Nu Dt NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
    3024  2426  2275 + 151 684 985 234 63 309 378 4 149 15 98 44 598  118  56  223  114  75  397  511 

- Ned: zeggen. Arabisch: قَالَ = qâla (zeggen). Taalgebruik in de Qoran: qâla (zeggen). Aramees: קְרָא = qërâ´ (roepen). D: sagen (zeggen). E: to say. Fr: dire. Grieks: λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô (zeggen). Hebreeuws: אָמַר = ´âmar (zeggen). Taalgebruik in Tenakh: ´âmar (zeggen). Lat: legere. l (قَالَ = qâla) en r (קְרָא = qâra) liggen dicht bij elkaar. Orgaan van roepen is de stem; zie Hebreeuws:קוֹל = qôl (stem, roep). Taalgebruik in Tenakh: qôl (stem). Lat: dicere. Fr: dire. Italiaans: dire. Spaans: decir.
- In het werkw. אָמַר = ´âmar (zeggen) zit het woord אְמ = ´em (moeder); om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph, de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aa

Mc 14,24.3. dat. mann. en onz. mv. αυτοις = autois van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos. Mc (117).

  autoi  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
7 dat. mann. en onz. mv.autois  117  10  13 10  12  13  1722  1180  542  101  117  89  97  75  47  16  307  404 

Mc 14,24.1. - 3. και λεγει αυτοις = kai legei autois (en hij zegt hen). LXX (3): (1) Ex 20,20. (2) Ex 32,2. (3) Ex 32,27. NT (31). Slechts in de evangelies. Mt (9). Mc (14): (1) Mc 1,38. (2) Mc 3,4. (3) Mc 4,13. (4) Mc 4,35. (5) Mc 6,50.  (6) Mc 7,18. (7) Mc 9,35.  (8) Mc 10,11. (9) Mc 11,2. (10) Mc 12,16. (11) Mc 14,13. (12) Mc 14,27. (13) Mc 14,34. (14) Mc 14,41. Lc (1): Lc 24,36. Joh (7).
- και ελεγεν αυτοις = kai elegen autois (en hij zei hen). NT (13). Mc (12): (1) Mc 2,27. (2) Mc 4,2. (3) Mc 4,9. (4) Mc 4,11. (5) Mc 4,21. (6) Mc 4,24. (7) Mc 6,10. (8) Mc 7,9. (9) Mc 8,21. (10) Mc 9,1. (11) Mc 9,31. (12) Mc 12,38. Lc (1): Lc 6,5.
- ελαλει αυτοις = elalei autois (en hij sprak tot hen). LXX (1): Jdt 14,8. NT (6): (1) Mt 13,34. (2) Mc 2,2. (3) Mc 4,33. (4) Mc 4,34. (5) Lc 9,11. (6) Joh 10,6.
- και ειπεν προς αυτους = kai eipen pros autous (en hij zei tot hen). NT (= Lc) (8): (1) Lc 2,49. (2) Lc 3,14. (3) Lc 4,23. (4) Lc 8,22. (5) Lc 9,3. (6) Lc 11,5. (7) Lc 19,13. (8) Lc 22,15.
- ειπεν δε προς αυτους = eipen de pros autous (hij zei echter tot hen). NT (6): (1) Lc 9,13. (2) Lc 12,15. (3) Lc 15,3. (4) Lc 20,41. (5) Lc 24,17. (6) Hnd 1,7.
- και ειπεν αυτοις = kai eipen autois (en hij zei hen). NT (30). Slechts in de evangelies. Mt (3): (1) Mt 8,32. (2) Mt 9,15. (3) Mt 20,17. Mc (8): (1) Mc 1,17. (2) Mc 2,19. (3) Mc 4,40. (4) Mc 6,31. (5) Mc 9,29. (6) Mc 10,14. (7) Mc 14,24. (8) Mc 16,15. Lc (9): (1) Lc 2,10. (2) Lc 9,48. (3) Lc 13,22. (4) Lc 16,15. (5) Lc 22,35. (6) Lc 22,46. (7) Lc 24,19. (8) Lc 24,38. (9) Lc 24,46. Joh (10).
- ειπεν δε αυτοις = eipen de autois (hij zei echter aan hen). NT (7): (1) Lc 8,25. (2) Lc 9,20. (3) Lc 10,18. (4) Lc 11,2. (5) Lc 22,67. (6) Lc 24,44. (7) Joh 6,35.
- וַיּאֹמֶר לָהֶם = wajjo´mèr lâhèm (en hij zei hen).

4. nom. en acc. onz. enk. τουτο = touto (dit) van het aanwijz. voornaamw. οὑτος = houtos (deze). Taalgebruik in het NT: houtos (deze). Taalgebruik in de LXX: houtos (deze). Mc (15): (1) Mc 1,27. (2) Mc 1,38. (3) Mc 5,32. (4) Mc 5,43. (5) Mc 6,14. (6) Mc 9,21. (7) Mc 9,29. (8) Mc 11,3. (9) Mc 11,24. (10) Mc 12,24. (11) Mc 13,11. (12) Mc 14,5. (13) Mc 14,22. (14) Mc 14,24. (15) Mc 14,36.
- Ned: deze, dat / dit. D: der - die - das. E: this - that. Fr: ceci. Lat: hic - haec - hoc.

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk. touto  1103  898  305  31  15  37  50 29            

5. act. ind. praes. 3de pers. enk. εστιν = estin van het werkw. ειμι = eimi (zijn). Taalgebruik in het NT: eimi (zijn). Taalgebruik in de Septuaginta: eimi (zijn). Een vorm van ειμι = eimi (zijn) in de LXX (6947), in het NT (2450), in Mc (192).

eimi (zijn) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
estin  69  (1): (4): (1) Mc 2,1. (2) Mc 2,9. (3) Mc 2,19. (4) Mc 2,28 (4): (3): (2): (6): 6: (1) Mc 7,2. (2) Mc 7,4. (3) Mc 7,11. (4) Mc 7,15. (5) Mc 7,27. (6) Mc 7,34.   (0) (1) Mc 9,5. (2) Mc 9,7. (3) Mc 9,10. (4) Mc 9,21. (5) Mc 9,39. (6) Mc 9,40. (7) Mc 9,42. (8) Mc 9,43. (9) Mc 9,45. (10) Mc 9,47.   (7) (1) Mc 10,14. (2) Mc 10,24. (3) Mc 10,25. (4) Mc 10,29. (5) Mc 10,40. (6) Mc 10,43. (7) Mc 10,47.   (0) (11): (3): (7): (4): (1): 2371  1558  813  114  69  96  147  66  296  25         

- werkw. Ned: zijn. Arabisch: كانَ = kâna (zijn). Taalgebruik in de Qoran: kâna (zijn). D: sein. E: to be. E: to be. Grieks: ειμι = eimi (zijn). Taalgebruik in het NT: eimi (zijn). Hebreeuws: הָיָה = hâjâh (zijn). Taalgebruik in Tenakh: hâjâh (zijn). Lat: esse.

Mc 14,24.6. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.

Mc 14,24.7. הַדָּם = haddâm (het bloed) < prefix bepaald lidw. + zelfst. naamw. דָם = dâm (bloed, bloedschuld). Taalgebruik in Tenakh: dâm (bloed, bloedschuld). getalswaarde: daleth = 4, mem = 13 of 40; totaal: 17 OF 44 (4 X 11). Structuur: 4 - 4. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (58). Ex (10): (1) Ex 7,21. (2) Ex 12,7. (3) Ex 12,13. (4) Ex 12,22. (5) Ex 12,23. (6) Ex 24,6. (7) Ex 24,8. (8) Ex 29,12. (9) Ex 29,20. (10) Ex 29,21.
- דָם = dâm (bloed, bloedschuld). Taalgebruik in Tenakh: dâm (bloed, bloedschuld). Getalswaarde: daleth = 4, mem = 13 of 40; totaal: 17 OF 44 (4 X 11). Structuur: 4 - 4. De som van de elementen is telkens 8. dm: Tenakh (70). Ex (4): (1) Ex 7,19. (2) Ex 23,18. (3) Ex 24,8. (4) Ex 34,25.
- Grieks. nom. + acc. onz. enk.  αἱμα = haima (bloed). Taalgebruik in het NT: haima (bloed). Taalgebruik in de LXX: haima (bloed). Mt (5): (1) Mt 16,17. (2) Mt 23,35. (3) Mt 26,28. (4) Mt 27,4. (5) Mt 27,25. Mc (1): Mc 14,24. Lc (2): (1) Lc 11,50. (2) Lc 13,1. Joh (5): (1) Joh 6,53. (2) Joh 6,54. (3) Joh 6,55. (4) Joh 6,56. (5) Joh 19,34. Hnd (6): (1) Hnd 2,19. (2) Hnd 2,20. (3) Hnd 5,28. (4) Hnd 18,6. (5) Hnd 21,25. (6) Hnd 22,20. Een vorm van  αἱμα = haima (bloed) in de LXX (401), in het NT (97), in Mt (10): (1) Mt 16,17. (2) Mt 23,30. (3) Mt 23,35. (4) Mt 26,28. (5) Mt 27,4. (6) Mt 27,6. (7) Mt 27,8. (8) Mt 27,24. (9) Mt 27,25. (10) Mt 27,49, in Mc (3): (1) Mc 5,25. (2) Mc 5,29. (3) Mc 14,24. in Lc (7): (1) Lc 8,43. (2) Lc 8,44. (3) Lc 11,50. (4) Lc 11,51. (5) Lc 13,1. (6) Lc 22,20. (7) Lc 22,44.

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk.  haima 225  183  42  12  11  13  10 

- Ned: bloed. Arabisch: دَم = dam (bloed). Taalgebruik in de Qoran: dam (bloed). D: Blut. E: blood. Fr: sang. Gr: αἱμα = haima (bloed). Taalgebruik in het NT: haima (bloed). Hebreeuws: דָם = dâm (bloed, bloedschuld). Taalgebruik in Tenakh: dâm (bloed, bloedschuld). Lat: sanguis

Mc 14,24.6. - 8. to haima mou (mijn bloed). NT (3): (1) Mt 26,28. (2) Mc 14,24. (3) Joh 6,55.

Mc 14,24.9. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (65). Mc 14 (6): (1) Mc 14,3. (2) Mc 14,24. (3) Mc 14,25. (4) Mc 14,35. (5) Mc 14,62. (6) Mc 14,64.

Mc 14,24.10. gen. vr. enk. diathèkès van het zelfst. naamw. diathèkè (verbond). Taalgebruik in het NT: diathèkè (verbond). Taalgebruik in de LXX: diathèkè (verbond). Taalgebruik in Lc: diathèkè (verbond). Hebr. bërîth (verbond). Taalgebruik in Tenach: bërîth (verbond). Lat. testamentum. E. testament. Ned. testament, verbond. D. Bund. Fr. alliance. Bijbel (128). OT (103). NT (15): (1) Mt 26,28. (2) Mc 14,24. (3) Lc 1,72. (4) Hnd 3,25. (5) 2 Kor 3,6. (6) 2 Kor 3,14. (7) Heb 7,22. (8) Heb 8,6. (9) Heb 9,4. (10) Heb 9,15. (11) Heb 9,20. (12) Heb 10,29. (13) Heb 12,24. (14) Heb 13,20. (15) Apk 11,19. Een vorm van diathèkè (verbond) in Lc in 2 verzen: (1) Lc 1,72. (2) Lc 22,20. In Hnd: 2 vormen van diathèkè (verbond) in 2 verzen in 2 hoofdstukken: (1) Hnd 3,25. (2) Hnd 7,8. Een vorm van diathèkè (verbond) in het NT (33), in de LXX (358).

Mc 14,24.12. pass. part. praes. nom. + acc. onz. enk. εκχυννομενον = ekchunnomenon (uitgegoten, vergoten) van het werkw. εκχεω = ekchunnô (gieten, vergieten). Taalgebruik in de Bijbel: ekchunnô (gieten, vergieten). Een vorm van in de LXX (0), in het NT (11). NT (4): (1) Mt 23,35. (2) Mt 26,28. (3) Mc 14,24. (4) Lc 22,20.

Mc 14,24.14. gen. mv. pollôn (velen) van het bijvoegl. naamw. polus (veel). Taalgebruik in het NT: polus (veel). Taalgebruik in Mc: polus (veel).
Mc (3): (1) Mc 5,26. (2) Mc 10,45. (3) Mc 14,24. Een vorm van polus (veel) in Mc (49), in Mc 14 (2): (1) Mc 14,24. (2) Mc 14,56.


Mc 14,25 - Mc 14,25: 322. Instelling van de eucharistie: Taalgebruiken -- Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- Mc 14,22 - Mc 14,23 - Mc 14,24 - Mc 14,25 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:25 am�n leg� umin oti ouketi ou m� pi�* ek tou gen�matos t�s ampelou e�s t�s �meras ekein�s otan auto pin� kainon en t� basileia tou theou 25 amen dico vobis quod iam non bibam de genimine vitis usque in diem illum cum illud bibam novum in regno Dei     25 Voorwaar, Ik zeg u, dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer Ik dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Gods.  [25] Ik verzeker jullie, Ik zal niet meer drinken van de vrucht van de wijnstok tot de dag waarop Ik de nieuwe oogst zal drinken in het koninkrijk van God.’   [25] Ik verzeker jullie: ik zal niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken tot de dag komt dat ik er opnieuw van zal drinken in het koninkrijk van God.’  25 voorwaar, ik zeg u dat ik niet meer zal drinken van de vrucht van de wijnstok tot aan díe dag, wanneer ik hem nieuw zal drinken in het koninkrijk van God!   25. En vérité, je vous le dis, je ne boirai plus du produit de la vigne jusqu'au jour où je boirai le vin nouveau dans le Royaume de Dieu. » 

King James Bible. [25] Verily I say unto you, I will drink no more of the fruit of the vine, until that day that I drink it new in the kingdom of God.
Luther-Bibel. 25 Wahrlich, ich sage euch, dass ich nicht mehr trinken werde vom Gew�chs des Weinstocks bis an den Tag, an dem ich aufs Neue davon trinke im Reich Gottes.

Tekstuitleg van Mc 14,25.

4. hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat).
Mc (92). Mc 14 (10): (1) Mc 14,14. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,21. (4) Mc 14,25. (5) Mc 14,27. (6) Mc 14,30. (7) Mc 14,58. (8) Mc 14,69. (9) Mc 14,71. (10) Mc 14,72.

12. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (65). Mc 14 (6): (1) Mc 14,3. (2) Mc 14,24. (3) Mc 14,25. (4) Mc 14,35. (5) Mc 14,62. (6) Mc 14,64.

15. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (65). Mc 14 (6): (1) Mc 14,3. (2) Mc 14,24. (3) Mc 14,25. (4) Mc 14,35. (5) Mc 14,62. (6) Mc 14,64.

22. ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd, middel)Taalgebruik in het NT: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in).
Mc 14 (7): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,2. (3) Mc 14,3. (4) Mc 14,6. (5) Mc 14,25. (6) Mc 14,49. (7) Mc 14,66.

24. nom. + dat enk. basileia(i) (koninkrijk). Taalgebruik in het NT: basileia (koninkrijk). Taalgebruik in Mc: basileia (koninkrijk). Mc (7): (1) Mc 1,15 (nom.). (2) Mc 3,24 (nom.). (3) Mc 4,26 (nom.). (4) Mc 10,14 (nom.). (5) Mc 11,10 (nom.). (6) Mc 13,8 (nom.). (7) Mc 14,25 (dat.).



328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening: Mc 14,26-31 - Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,26 - Mc 14,27 - Mc 14,28 - Mc 14,29 - Mc 14,30 - Mc 14,31 -

1. Jezus en de leerlingen 2. Jezus 3. Petrus 4. Jezus 5. Petrus 6. andere leerlingen
Mc 14,26 Mc 14,27 Mc 14,29 Mc 14,30 Mc 14,31 Mc 14,31
  kai (en) ho de Petros (Petrus echter) kai (en) ho de (hij echter) hôsautôs de (op gelijke wijze echter)
  legei ('Jezus' zegt) efè (zei) legei ('Jezus' zegt) ekperissôs elalei (affirmeerde nog uitvoeriger) kai pantes elegon (zeiden ook de anderen)
  autois (aan hen) autôi (aan hem) autôi (aan hem)    
  ho Ièsous (Jezus)   ho Ièsous (Jezus)    
  hoti (dat) ei (indien) amèn legô soi hoti (voorwaar ik zeg je dat) ean (indien)...  
  pantes (jullie allen) kai pantes (zelfs allen) su (jij)...    
  skandalisthèesthe (zullen geschandaliseerd worden) skandalisthèsontai (geschandaliseerd zullen zijn) tris me aparnèsèi (zal je me driemaal verloochenen) ou mè se aparnèsomai (ik zal je niet verloochenen)  
     all'ouk egô (maar ik niet)      

 

Mc 14,26 - Mc 14,26: 328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening: Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,26 - Mc 14,27 - Mc 14,28 - Mc 14,29 - Mc 14,30 - Mc 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:26 kai umn�santes ex�lthon eis to oros t�n elai�n 26 et hymno dicto exierunt in montem Olivarum    26 En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg. [26] Na het zingen van de psalmen* gingen ze de stad uit, naar de Olijfberg. 
[26] Nadat ze de lofzang hadden gezongen, vertrokken ze naar de Olijfberg. 
26 Zij zingen de lofpsalmen en gaan de stad uit naar de Olijfberg.   26. Après le chant des psaumes, ils partirent pour le mont des Oliviers.  

King James Bible. [26] And when they had sung an hymn, they went out into the mount of Olives.
Luther-Bibel. 26 Und als sie den Lobgesang gesungen hatten, gingen sie hinaus an den �lberg.

Tekstuitleg van Mc 14,26.

1. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

2. humnèsantes (lofgeprezen). In 2 verzen in de bijbel: Mc 14,26 // Mt 26,30. Gr. humneô: in hymne bezingen, roemen, huldigen. Gr. humnos = Ned. hymne. Er staat een meervoud. We veronderstellen dat het Jezus en zijn leerlingen zijn. Wellicht verlaten Jezus en zijn leerlingen met een heel verschillende gemoedsgesteldheid de plaats van het laatste avondmaal. De leerlingen zijn in een euforische stemming. Ze hebben feest gevierd, wijn gedronken, liederen gezongen. Ze zijn nog niet uitgepraat over de fijne avond en praten nog na. Jezus echter is zich bewust van wat hem gaat overkomen. Hij voelt zijn uitlevering aankomen.

3. exèlthon (zij gingen naar buiten). Indicatief aorist 3de persoon meervoud van exerchomai (naar buiten gaan). In deze vorm komt het 5X voor bij Marcus. Slechts 1X is Jezus en zijn leerlingen onderwerp. We vertalen het werkwoord met: naar buiten gaan, erop uit trekken. Met dit werkwoord hebben de woorden "uitgaans-leven, uitgaanswereld" te maken.
In Mc 14,12-17 stellen de leerlingen de vraag waar Jezus de paasmaaltijd willen gebruiken. Jezus geeft hen een aantal richtlijnen, die zij uitvoeren. Het verhaal sluit af in Mc 14,17 met de vermelding dat Jezus met zijn twaalf gaat. De uitvoering van de opdracht begint met kai exèlthon hoi mathètai (en de leerlingen gingen erop uit) Mc 14,16. Mc 14,18-25 wordt omsloten door Mc 14,16-17 en Mc 14,26. In die omsluiting komt telkens het werkwoord exèlthon (zij gingen erop uit) voor.

6. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.

7. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc 14,10. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,13. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,17. (6) Mc 14,20. (7) Mc 14,26. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,43. (10) Mc 14,47. (11) Mc 14,54. (12) Mc 14,62. (13) Mc 14,66.

Mc 14,27 - Mc 14,27: 328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening: Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,26 - Mc 14,27 - Mc 14,28 - Mc 14,29 - Mc 14,30 - Mc 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
27 Καὶ λέγει αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς ὅτι Πάντες σκανδαλισθήσεσθε, ὅτι γέγραπται, Πατάξω τὸν ποιμένα, καὶ τὰ πρόβατα διασκορπισθήσονται: 27 et ait eis Iesus omnes scandalizabimini in nocte ista quia scriptum est percutiam pastorem et dispergentur oves   En Jezus zei hun: "Allen zullen jullie geërgerd worden, want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen zullen uiteengestrooid worden.   27 En Jezus zeide tot hen: Gij zult in dezen nacht allen aan Mij geërgerd worden; want er is geschreven: Ik zal den Herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden.  [27] Toen zei Jezus tegen hen: ‘Jullie zullen allemaal ten val komen, want er staat geschreven: Ik zal de herder treffen, en de schapen zullen verstrooid worden. [28] Maar na mijn   [27] Jezus zei tegen hen: ‘Jullie zullen allemaal ten val komen, want er staat geschreven: “Ik zal de herder doden, en de schapen zullen uiteengedreven worden.”  27 Dan zegt Jezus tot hen: ge zult allen ten val gebracht worden, want er staat geschreven: zal ik de herder slaan, dan zullen ook de schapen worden verstrooid!–  27. Et Jésus leur dit: « Tous vous allez succomber, car il est écrit: Je frapperai le pasteur et les brebis seront dispersées. 

King James Bible. And Jesus saith unto them, All ye shall be offended because of me this night: for it is written, I will smite the shepherd, and the sheep shall be scattered.
Luther-Bibel. 27 Und Jesus sprach zu ihnen: Ihr werdet alle Ärgernis nehmen; denn es steht geschrieben (Sacharja 13,7): »Ich werde den Hirten schlagen, und die Schafe werden sich zerstreuen.«

27 Καὶ λέγει αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς ὅτι Πάντες σκανδαλισθήσεσθε, ὅτι γέγραπται, Πατάξω τὸν ποιμένα, καὶ τὰ πρόβατα διασκορπισθήσονται:

Tekstuitleg van Mc 14,27. Dit vers Mc 14,27 telt 23 woorden en 125 (5 X 5 X 5) letters. De getalwaarde van Mc 14,27 is 11258 (2 X 13 X 433). 17 woorden.

1. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

2. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc 14: (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67.

5. nom. mann. enk. Ièsous. Mc 14 (7): (1) Mc 14,6. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,48. (6) Mc 14,62. (7) Mc 14,72. Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 14 (11): (1) Mc 14,6 (nom. Ièsous). (2) Mc 14,18 (nom. Ièsous). (3) Mc 14,27 (nom. Ièsous). (4) Mc 14,30 (nom. Ièsous). (5) Mc 14,48 (nom. Ièsous). (6) Mc 14,53 (acc. Ièsoun). (7) Mc 14,55 (gen Ièsou.). (8) Mc 14,60 (acc. Ièsoun). (9) Mc 14,62 (nom. Ièsous). (10) Mc 14,67 (gen. Ièsou). (11) Mc 14,72 (nom. Ièsous). Taalgebruik in het NT: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus).

1. - 5. Καὶ λέγει αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς (= kai legei autois ho Ièsous: En Jezus zegt hen). Mc (1): Mc 14,27.

6. hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat).
Mc (92). Mc 14 (10): (1) Mc 14,14. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,21. (4) Mc 14,25. (5) Mc 14,27. (6) Mc 14,30. (7) Mc 14,58. (8) Mc 14,69. (9) Mc 14,71. (10) Mc 14,72.

7. nom. mann. mv. παντες = pantes (allen) van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in het NT: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in de LXX: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in Mc: pas (ieder, elk, alles).

  pas (al) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
10 nom. mann. mv. pantes 724 558 166 18  15 25 14  33 57 58  72 

  pas (al) Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16
10 nom. mann. mv. pantes 15 2 : (1) Mc 1,5. (2) Mc 1,37.       (1) Mc 5,20.   2 : (1) Mc 6,42. (2) Mc 6,50. 2 : (1) Mc 7,3. (2) Mc 7,14.       (1) Mc 12,44.     7 : (1) Mc 14,23. (2) Mc 14,27. (3) Mc 14,29. (4) Mc 14,31. (5) Mc 14,50. (6) Mc 14,53. (7) Mc 14,64.  

- Hebr. kol. kl (al). Taalgebruik in Tenakh: kl (al). Lat. omnis. Fr. tout. Ned. elk, ieder. Arabisch: kull (al). Taalgebruik in de Koran: kull (al).

8. σκανδαλισθήσεσθε (= skandalisthèsesthe: jullie zullen geschandaliseerd worden; wkw pass ind fut 2de pers mv van het wkw σκανδαλιζω = skandalizô: schandaliseren, ergeren, ten val brengen).

11. Πατάξω (= pataxô: ik zal slaan; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw πάτασσω = patassô: slaan). Taalgebruik: patassô (slaan), zie Mc 14,27. Bijbel (21)? OT (19). NT (2).

12. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.

14. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

15. bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (2): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,27.

17. διασκορπισθήσονται (= diaskorpisthèsontai: zij zullen verstrooid worden; wkw pass fut 3de pers mv van het wkw διασκορπιζω = diaskorpizô: uiteenwerpen, uitstrooien, verkwisten).

Mc 14,28 - Mc 14,28: 328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening: Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,26 - Mc 14,27 - Mc 14,28 - Mc 14,29 - Mc 14,30 - Mc 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:28 alla meta to egerth�nai me proax� umas eis t�n galilaian   28 sed posteaquam resurrexero praecedam vos in Galilaeam     28 Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.   opwekking zal Ik jullie voorgaan naar Galilea.’  [28] Maar nadat ik uit de dood ben opgewekt, zal ik jullie voorgaan naar Galilea.’   28 echter, nadat ik ben opgewekt zal ik u voorgaan naar Galilea!  28. Mais après ma résurrection, je vous précéderai en Galilée. »  

King James Bible. [28] But after that I am risen, I will go before you into Galilee.
Luther-Bibel. 28 Wenn ich aber auferstanden bin, will ich vor euch hingehen nach Galil�a.

Tekstuitleg van Mc 14,28. Het vers Mc 14,28 telt 10 (2 X 5) woorden, 21 (3 X 7) lettergrepen en 46 (2 X 23) letters. De getalwaarde van Mc 14,28 is 3475 (5 X 5 X 139). Het vers bestaat uit een hoofdzin, waarbij een infinitiefzin ingeleid door het voorzetsel meta (na).

Mc 14,28.1. αλλα = alla, afkorting αλλ' = all' (maar). Taalgebruik in het NT: alla (maar). Taalgebruik in de LXX: alla (maar). Taalgebruik in Mc: alla (maar). Mc (30). Mc 14 (2): (1) Mc 14,28. (2) Mc 14,36.

alla (maar)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev.  
alla 30  2 644  230  414  32  30  19  56  22  248  81  137 
all'  18          449  238  211  12  18  16  49  103  46  95 
Totaal  48  1093  468  625  44  48  35  105  30  251  12  127  232 

Mc 14,28.2. μετα = meta (met, na). Afkorting: μετ' = met' OF μεθ' = meth'. Taalgebruik in het NT: meta (na, met). Taalgebruik in de LXX: meta (na, met). Taalgebruik in Mc: meta (na, met). Mc 14 (10): (1) Mc 14,1 (meta + acc: na). (2) Mc 14,14 (meta + gen: met). (3) Mc 14,17 (meta + gen: met). (4) Mc 14,28 (meta + acc: na). (5) Mc 14,43 (meta + gen: met). (6) Mc 14,48 (meta + gen: met). (7) Mc 14,54 (meta + gen: met). (8) Mc 14,62 (meta + gen: met). (9) Mc 14,67 (meta + gen: met). (10) Mc 14,70 (meta + acc: na).

  meta (na, met)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
1 meta  34  4   10  2   1443  1159  284  42  34  37  24  48  77  22  113  137 
2 met'  16             737 611 126 18 16 21 23 14 10 24 55 78
3 meth' 3             1 1       1     217 174 43 10 3 4 8 1 16 1 17 25
  totaal  53 4 15  2398 1953 454 70 53 62 55 63 103 44 185 240

  meta (na, met)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
1 meta  34  4: (1) Mc 1,13. (2) Mc 1,14. (3) Mc 1,20. (4) Mc 1,29. 1 : Mc 2,16. 2: (1) Mc 3,6. (2) Mc 3,7 1: Mc 4,16.     1 : Mc 6,25. 3: (1) Mc 8,10. (2) Mc 8,31. (3) Mc 8,38.   2: (1) Mc 9,2. (2) Mc 9,31.   2: (1) Mc 10,30. (2) Mc 10,34.   1 : Mc 11,11. 2: (1) Mc 13,24. (2) Mc 13,26.   10: (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,17. (4) Mc 14,28. (5) Mc 14,43. (6) Mc 14,48. (7) Mc 14,54. (8) Mc 14,62. (9) Mc 14,67. (10) Mc 14,70.   3: (1) Mc 15,1. (2) Mc 15,7. (3) Mc 15,31.   2: (1) Mc 16,12. (2) Mc 16,19.  
2 met'  16 1 : Mc 1,36. 2: (1) Mc 2,19. (2) Mc 2,25.   2: (1) Mc 3,5.. (2) Mc 3,14..   1 : Mc 4,36. 4: (1) Mc 5,18. (2) Mc 5,24. (3) Mc 5,37. (4) Mc 5,40 1 : Mc 6,50.           4: (1) Mc 14,18. (2) Mc 14,20. (3) Mc 14,33. (4) Mc 14,43   1 : Mc 6,50.
3 meth' 3             1: Mc 8,14 1: Mc 9,8.         1: Mc 14,7.    
  totaal  53 4 15 

-- Lat. cum. Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen). D. mit. E. with. Fr. avec (< apud hoc: met dat).
-- Lat. post-quam. Ned. na-dat. D. nachdem. Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst, opeengeperst; primere, pressum: persen ). E. after.

Mc 14,28.1. - 2. αλλα μετα = alla meta (maar na). NT (1): Mc 14,28.

Mc 14,28.3. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. το = to (het) van het bepaald lidw. ὁ = ho, ἡ = hè, το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
3. nom. + acc. onz. enk. to 108  12  12  22  5941  4582  1359  186  108  181  121  172  482  109  475  596 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).

Mc 14,28.2. - 3. μετα δε το = meta de to. NT (5): (1) Mt 26,32. (2) Mc 1,14. (3) Hnd 15,13. (4) Hnd 20,1. (5) Heb 9,3.
- μετα το = meta to. NT (13): (1) Mc 14,28. (2) Mc 16,19. (3) Lc 12,5. (4) Lc 22,20. (5) Joh 13,27. (6) Hnd 1,3. (7) Hnd 7,4. (8) Hnd 10,37. (9) Hnd 10,41. (10) Hnd 12,4. (11) Hnd 19,21. (12) 1 Kor 11,25. (13) Heb 10,26.
- και μετα το = kai meta to (en na). NT (1): Joh 13,27.

Mc (2): (1) Mc 14,28. (2) Mc 16,19. Vermits Mc 16,9-20 als een latere toevoeging wordt beschouwd, resten nog Mc 1,14 en Mc 14,28. Ze zijn aan elkaar gelinkt. STAP VOOR STAP !
- Mc 1,14: μετα δε το παραδοθηναι τον ιωαννην = meta de to paradothènai ton Iôannèn (na echter het overgeleverd zijn van Johannes).
- Mc 14,28: αλλα μετα το εγερθηναι με = meta to egerthènai me (na het opgewekt zijn van mij).
De overlevering gebeurde in het verleden, de opwekking moet nog in de toekomst plaatsvinden. Toch staat in beide verzen een pass. inf. aor.. Deze twee verzen omvatten het hele openbaar leven van Jezus.

Mc 14,28.4. passief infinitief aorist εγερθηναι = egerthènai (opgewekt zijn) van het werkw. εγειρω = egeirô (opwekken). Taalgebruik in het NT: egeirô (wekken). Taalgebruik in de LXX: egeirô (wekken). Bijbel (1): Mc 4,38. Een vorm van εγειρω = egeirô (opwekken) in de LXX (57), in het NT (143), in Mc (19).

  egeirô (wekken) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16
ind. pr. 3de p. mv. egeirousin       (1) Mc 4,38                
imp. 2de p. enk. egeire 5   (1) Mc 2,9. (2) Mc 2,11.   (3) Mc 3,3.     (4) Mc 5,41.       (5) Mc 10,49        
ind imp. 3de p. enk. ègeiren (1) Mc 1,31.             (2) Mc 9,27.            
pas. ind. pr. 3de p. mv. egeirontai 1                 (1) Mc 12,26.        
pas. imper. praes. 2de pers. mv. egeiresthe                       (1) Mc 14,42.    
pas. conj. praes. 3de pers. enk. egeirètai        (1) Mc 4,27.                  
pas. fut. 3de p. enk. egerthèsetai                     (1) Mc 13,8.      
pas. fut. 3de p. mv.  egerthèsontai                   (1) Mc 13,22.      
pas. ind. aor. 3de p. enk. ègerthè   (1) Mc 2,12.         (2) Mc 6,16.             (3) Mc 16,6.  
10 

pas. inf. aor. egerthènai 

                    (1) Mc 14,28 .  
11 pas. perf. 3de pers. enk. egègertai            (1) Mc 6,14.              
12  pas. part. perf. acc. mann. enk. egègermenon                         (1) Mc 16,14.  
  Totaal  19 
  egeirô (opwekken) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16

- Wellicht wekken uit de slaap, op-wekken. Ned. wekken vlg. Lat. vegere: flink, levendig zijn, opgewekt zijn. Lat. resurgere. Surgere (surrexi, surrectum) = oprijzen, opstaan, rechtop staan. sur < super = op, boven + regere (rexi, rectum): richten (rechtop), leiden, sturen. -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten, terug rechtop staan. Ned. rekken (Lat. reg- ), uitstrekken. Rectus = recht. Fr. résurrection.
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare. super: op, boven + citare (citus: vlug, snel): in beweging brengen. Aldus: terug in beweging brengen, heropleven.
Fr. réveiller: wekken, ont-waken < re + vigilare (vig- wak-, wek-) waken.

Mc 14,28.5. pers. voornaamw. 1ste pers. acc. enk. με = me (mij) van het persoonl. voornaamw.. Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord.Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord. Mc (27). Mc 14 (8): (1) Mc 14,18. (2) Mc 14,28. (3) Mc 14,30. (4) Mc 14,31. (5) Mc 14,42. (6) Mc 14,48. (7) Mc 14,49. (8) Mc 14,72.

  pers. vnw. 1ste pers. enk.   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
acc. enk. me  (27) 1 : Mc 1,40.       1 : Mc 5,7. 2 : (1) Mc 6,22. (2) Mc 6,23. 2 : (1) Mc 7,6. (2) Mc 7,7. 3 : (1) Mc 8,27. (2) Mc 8,29. (3) Mc 8,38. 3 : (1) Mc 9,19. (2) Mc 9,37. (3) Mc 9,39. 5 : (1) Mc 10,14. (2) Mc 10,18. (3) Mc 10,36. (4) Mc 10,47. (5) Mc 10,48.   1 : Mc 12,15.   8 : (1) Mc 14,18. (2) Mc 14,28. (3) Mc 14,30. (4) Mc 14,31. (5) Mc 14,42. (6) Mc 14,48. (7) Mc 14,49. (8) Mc 14,72. 1  : Mc 12,34.   1568  1305  263  30  27  40 87 34   2        

Mc 14,28.6. act. ind. fut. 1ste pers. enk. προαξω = proaksô (ik zal voorgaan) van het werkw. προαγω = proagô (voorgaan). Taalgebruik in het NT: proagô (voorleiden, voorgaan). Taalgebruik in de LXX: proagô (voorleiden, voorgaan). Taalgebruik in Mc: proagô (voorleiden, voorgaan). Bijbel (2): (1) Mt 26,32. (2) Mc 14,28. Een vorm van προαγω = proagô (voorgaan) in de LXX (13), in het NT (20).

  proagô (voorgaan)  Mc Mc 6 Mc 10 Mc 11 Mc 14 Mc 16 bijbel NT Mt Mc Lc Br. syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. praes. 3de pers. enk. proagei          (1) Mc 16,7        
act. ind. fut. 1ste pers. enk. proaksô        (1) Mc 14,28.            
act.part. praes. nom. mann. enk. proagôn   (1) Mc 10,32.              
act. part. praes. nom. mann. + vr. mv. proagontes      (1) Mc 11,9.            
act. inf. praes. proagein  (1) Mc 6,45.                   
  totaal 11  11  10  10   

In het vers Mc 14,28 doet Jezus een voorzegging, in Mc 16,7 wordt die voorzegging gerealiseerd. STAP VOOR STAP !

Mc 14,28.7. persoonl. voornaamw. acc. mann. mv. υμας = humas (jullie, u). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord. Mc (13): (1) Mc 1,8 (2X). (2) Mc 1,17.(3) Mc 6,11. (4) Mc 9,19. (5) Mc 9,41. (6): Mc 11,29. (7) Mc 13,5. (8) Mc 13,9. (9) Mc 13,11. (10) Mc 13,36. (11) Mc 14,28. (12) Mc 14,49. (13) Mc 16,7 .

  pers. vnw. 2de p. mv.  Mc Mc 1 Mc 6 Mc 9 Mc 11 Mc 13 Mc 14 Mc 16 bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
4 acc. mv. humas  13 (1) Mc 1,8 (2X). (2) Mc 1,17. (3) Mc 6,11.   2  : (1) Mc 9,19. (2) Mc 9,41. 1: Mc 11,29.   4 : (1) Mc 13,5. (2) Mc 13,9. (3) Mc 13,11. (4) Mc 13,36. (11) Mc 14,28. (12) Mc 14,49. (13) Mc 16,7 . 846 456 390 31 13 35 30 26 253 2 79  109 
  totaal 69               4034 2377 1657 224 69 205 219 116 813 11 498  717 

Mc 14,28.8. εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). Mc 14 (20): (1) Mc 14,4. (2) Mc 14,8. (3) Mc 14,9. (4) Mc 14,10. (5) Mc 14,13. (6) Mc 14,16. (7) Mc 14,18. (8) Mc 14,19. (9) Mc 14,20. (10) Mc 14,26. (11) Mc 14,28. (12) Mc 14,32. (13) Mc 14,38. (14) Mc 14,41. (15) Mc 14,43. (16) Mc 14,47. (17) Mc 14,54. (18) Mc 14,55. (19) Mc 14,60. (20) Mc 14,68.

eis (naar)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b.  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
  6930  5336  1594  215  151  210  181  260  504  73  576  757  427  77  13 5 6 8 11 14 9 10 11 13 8 7 8 20 3 5

- Lat. in / ad. Fr. vers (versus: gedraaid, gekeerd; vertere: tourner, draaien) / à. Ned. naar. D. nach. E. for.

Mc 14,28.9. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 14 (7): (1) Mc 14,3. (2) Mc 14,13. (3) Mc 14,16. (4) Mc 14,28. (5) Mc 14,47. (6) Mc 14,52. (7) Mc 14,54.

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
9. acc. vr. enk. tèn 109  12 4 5 9 9 11 10 4 5 11 5 6 3 7 6 2 6161  4889  1272  180  109  149  121  198  404  111  438  559 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).

Mc 14,28.10. acc. vr. enk. γαλιλαιαν = Galilaian (Galilea). γαλιλαια = galilaia (Galilea). Taalgebruik in het NT: Galilaia (Galilea). Taalgebruik in de LXX: Galilaia (Galilea). Taalgebruik in Mc: Galilaia (Galilea).

  Galilaia (Galilea)  Mc Mc 1 Mc 3 Mc 6 Mc 7 Mc 9 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd syn.  ev. 
1 nom. + dat. vr. enk. Galilaia(i)               1 : Mc 15,41   20  13   
2 gen. vr. enk. Galilaias , telkens met het bep. lidw. tès (1) Mc 1,9. (2) Mc 1,16.  (3) Mc 1,28. (4) Mc 3,7.   (5) Mc 6,21.   (6) Mc 7,31 (7) Mc 9,30       40  36  10  25  33 
3 acc. vr. enk. Galilaian   (1) Mc 1,14. (2) Mc 1,39.           (3) Mc 14,28.     (4) Mc 16,7. 25  8 17    11  17 
  totaal  12  85  25  60  16  12  13  16  41  57 
  apo tès Galilaias (vanaf Galilea)  1: (1) Mc 3,7. En: Mc 1,9. (1) Mc 3,7.             10       
  dia tès galilaias (door Galilea)         1: Mc 9,30.                          
  eis tèn Galilaian (naar Galilea)   (1) Mc 1,14. En: Mc 1,28. En:  Mc 1,39.     En: Mc 7,31.     (2) Mc 14,28   (3) Mc 16,7. 16       
  en tè(i) Galilaia(i) (in Galilea) 1             1 : Mc 15,41   16  10  1      
      Mc 1,16.                                    

- Hebr. gälal (rollen, wentelen).
Een vorm van Galilea komt in Mc in 12 verzen voor. In 11 ervan in combinatie met een voorzetsel, niet in Mc 6,21 (de eersten van Galilea).

Mc 14,28.8. - 10. εις την γαλιλαιαν = eis tèn galilaian (naar Galilea). NT (16). Mc (3): (1) Mc 1,14. (2) Mc 14,28. (3) Mc 16,7 en 1X in de uitdrukking: εις την ὁλην την γαλιλαιαν = eis tèn holèn tèn Galilaian (naar heel Galilea) (Mc 1,39). Verder: (1) Mc 1,28 (εις ὁλην την περιχωρον της γαλιλαιας = eis holèn tèn perichôron tès galilaias = naar de hele omgeving van Galilea). (2) Mc 7,31 (εις την θαλασσαν της γαλιλαιας = eis tèn thalassan tès Galilaias = naar het meer van Galilea).

.Mc 1,14 en Mc 1,39 zijn aan elkaar gelinkt. STAP VOOR STAP: Mc 1,14 -> Mc 14,28 -> Mc 16,7.
- Mc 1,14: ηλθεν ὁ ιησους εις την γαλιλαιαν = èlthen ho Ièsous eis tèn galilaian (ging Jezus naar Galilea).
- Mc 1,39: και ηλθεν... εις την ὁλην την γαλιλαιαν = kai èlthen eis tèn holèn tèn Galilaian (en hij ging naar heel Galilea).

- Mc 14,28: προαξω υμας εις την γαλιλαιαν = proaksô humas eis tèn galilaian (ik zal jullie voorgaan naar Galilea).
- Mc 16,7: προαγει υμας εις την γαλιλαιαν = proagei humas eis tèn galilaian (hij zal jullie voorgaan naar Galilea).

(1) Mc 1,14. (2) Mc 14,28. (3) Mc 16,7 omsluiten het Mcevangelie (het gaan en het voorgaan naar Galilea). Jezus ging naar Galilea. In feite ging Jezus terug naar Galilea, want in Mc 1,9 is er de eerste keer sprake over Jezus die van Nazaret in Galilea naar Judea ging. Hoelang Jezus in Judea is gebleven, weten we niet. Wel kennen we de aanleiding waarom Jezus naar Galilea ging, namelijk de uitlevering van Johannes (de Doper). Uit het vervolg van het evangelie weten we dat de gevangenneming het signaal was om uit te wijken - voor dreigend gevaar. Wellicht moeten we dit voortdurend voor ogen houden wanneer Jezus van de ene naar de andere plaats ging: het gevaar dreigde. Mc 3,7 gebruikt het woord uitwijken wegens gevaar (Grieks: αναχωρεω = anachôreô), terwijl het bij Matteüs met deze betekenis veelvuldig voorkomt.
In Mc 14,28 kondigt Jezus bij zijn afscheid aan dat hij na zijn opwekking zijn leerlingen zal voorgaan naar Galilea. Jezus haalt hierbij een schrifttekst aan: 'Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid'. De aansporing om naar Galilea te gaan in Mc 16,7 houdt in dat hij er de verstrooide leerlingen zal verzamelen. Dat heeft Jezus wellicht ook gedaan wanneer hij na de gevangenneming van Johannes naar Galilea ging. Het is opvallend dat Jezus naar Galilea ging en leerlingen riep.


Mc 14,29 - Mc 14,29: 328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening: Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,26 - Mc 14,27 - Mc 14,28 - Mc 14,29 - Mc 14,30 - Mc 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:29 o de petros ef� aut� ei kai pantes skandalisth�sontai all ouk eg� 29 Petrus autem ait ei et si omnes scandalizati fuerint sed non ego   29 En Petrus zeide tot Hem: Of zij ook allen ge�rgerd wierden, zo zal ik toch niet ge�rgerd worden.   [29] Maar Petrus zei tegen Hem: ‘Ook al komen ze allemaal ten val, ik zeker niet.’  [29] Petrus zei tegen hem: ‘Misschien zal iedereen ten val komen, maar ik niet!’  29 Maar Petrus verzekert hem: al zullen ook allen ten val gebracht worden, ík echt niet!  29. Pierre lui dit: « Même si tous succombent, du moins pas moi ! » 

King James Bible. [29] But Peter said unto him, Although all shall be offended, yet will not I.
Luther-Bibel. 29 Petrus aber sagte zu ihm: Und wenn sie alle �rgernis nehmen, so doch ich nicht!

Tekstuitleg van Mc 14,29.

2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.

7. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

8. nom. mann. mv. παντες = pantes (allen) van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in het NT: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in de LXX: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in Mc: pas (ieder, elk, alles).

  pas (al) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
10 nom. mann. mv. pantes 724 558 166 18  15 25 14  33 57 58  72 

  pas (al) Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16
10 nom. mann. mv. pantes 15 2 : (1) Mc 1,5. (2) Mc 1,37.       (1) Mc 5,20.   2 : (1) Mc 6,42. (2) Mc 6,50. 2 : (1) Mc 7,3. (2) Mc 7,14.       (1) Mc 12,44.     7 : (1) Mc 14,23. (2) Mc 14,27. (3) Mc 14,29. (4) Mc 14,31. (5) Mc 14,50. (6) Mc 14,53. (7) Mc 14,64.  

- Hebr. kol. kl (al). Taalgebruik in Tenakh: kl (al). Lat. omnis. Fr. tout. Ned. elk, ieder. Arabisch: kull (al). Taalgebruik in de Koran: kull (al).

9. σκανδαλισθήσονται (= skandalisthèsontai: zij zullen geschandaliseerd worden; wkw pass ind fut 3de pers mv van het wkw σκανδαλιζω = skandalizô: schandaliseren, ergeren, ten val brengen).

Mc 14,30 - Mc 14,30: 328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening: Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,26 - Mc 14,27 - Mc 14,28 - Mc 14,29 - Mc 14,30 - Mc 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:30 kai legei aut� o i�sous am�n leg� soi oti su s�meron taut� t� nukti prin � dis alektora f�n�sai* tris me aparn�s� 30 et ait illi Iesus amen dico tibi quia tu hodie in nocte hac priusquam bis gallus vocem dederit ter me es negaturus      30 En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat heden in dezen nacht, eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, gij Mij driemaal zult verloochenen.   [30] Jezus zei tegen hem: ‘Ik verzeker je: vandaag, in deze nacht, nog voordat de haan twee keer kraait, zul jij Me drie keer verloochenen.’   [30] Jezus antwoordde: ‘Ik verzeker je: juist jij zult me vannacht, nog voor de haan tweemaal gekraaid heeft, driemaal verloochenen.’  30 Dan zegt Jezus tot hem: voorwaar, ik zeg je dat jíj heden, in deze nacht, voordat de haan twee keer kraait, mij drie keer zult verloochenen!  30. Jésus lui dit: « En vérité, je te le dis: toi, aujourd'hui, cette nuit même, avant que le coq chante deux fois, tu m'auras renié trois fois. »  

King James Bible. [30] And Jesus saith unto him, Verily I say unto thee, That this day, even in this night, before the cock crow twice, thou shalt deny me thrice.
Luther-Bibel. 30 Und Jesus sprach zu ihm: Wahrlich, ich sage dir: Heute, in dieser Nacht, ehe der Hahn zweimal kr�ht, wirst du mich dreimal verleugnen.

Tekstuitleg van Mc 14,30.

1. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

2. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen).
Mc 14: (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67.

2. - 3. legei autô(i) (hij / zij zei hem). Mc (12): (1) Mc 1,41. (2) Mc 1,44. (3) Mc 2,14. (4) Mc 5,19. (5) Mc 7,28. (6) Mc 7,34. (7) Mc 8,29. (8) Mc 10,51. (9) Mc 11,21. (10) Mc 13,1. (11) Mc 14,30. (12) Mc 14,61.

1. - 3. kai legei autô(i) (en hij zegt hem). Mc (7): (1) Mc 1,41. (2) Mc 1,44. (3) Mc 2,14. (4) Mc 7,28. (5) Mc 7,34. (6) Mc 14,30. (7) Mc 14,61. In 5 verzen is Jezus onderwerp: (1) Mc 1,41. (2) Mc 1,44. (3) Mc 2,14. (4) Mc 7,34. (5) Mc 14,30. In 2 verzen is iemand anders dan Jezus onderwerp: (1) Mc 7,28 (de Syrofenicische). (2) Mc 14,61 (de hogepriester).

5. nom. mann. enk. Ièsous. Mc 14 (7): (1) Mc 14,6. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,48. (6) Mc 14,62. (7) Mc 14,72. Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 14 (11): (1) Mc 14,6 (nom. Ièsous). (2) Mc 14,18 (nom. Ièsous). (3) Mc 14,27 (nom. Ièsous). (4) Mc 14,30 (nom. Ièsous). (5) Mc 14,48 (nom. Ièsous). (6) Mc 14,53 (acc. Ièsoun). (7) Mc 14,55 (gen Ièsou.). (8) Mc 14,60 (acc. Ièsoun). (9) Mc 14,62 (nom. Ièsous). (10) Mc 14,67 (gen. Ièsou). (11) Mc 14,72 (nom. Ièsous). Taalgebruik in het NT: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus).

9. hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat).
Mc (92). Mc 14 (10): (1) Mc 14,14. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,21. (4) Mc 14,25. (5) Mc 14,27. (6) Mc 14,30. (7) Mc 14,58. (8) Mc 14,69. (9) Mc 14,71. (10) Mc 14,72.

10. pers. vnw. 2de pers. enk. nom. su (jij, gij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord. Mc (9): (1) Mc 1,11. (2) Mc 3,11. (3) Mc 8,29. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,36. (6) Mc 14,61. (7) Mc 14,67. (8) Mc 14,68. (9) Mc 15,2.

Mc 14,31 - Mc 14,31: 328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening: Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,26 - Mc 14,27 - Mc 14,28 - Mc 14,29 - Mc 14,30 - Mc 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:31 o de ekperiss�s elalei ean de� me sunapothanein soi ou m� se aparn�somai �saut�s | [de] | de | kai pantes elegon 31 at ille amplius loquebatur et si oportuerit me simul conmori tibi non te negabo similiter autem et omnes dicebant     31 Maar hij zeide nog des te meer: Al moest ik met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen! En insgelijks zeiden zij ook allen.  [31] Maar hij verklaarde met nog meer nadruk: ‘Ook al moet ik samen met U sterven, ik zal U niet verloochenen.’ Dat zeiden ze allemaal.  [31] Maar Petrus hield met grote stelligheid vol: ‘Al zou ik met u moeten sterven, ik zal u nooit verloochenen.’ Alle anderen zeiden iets dergelijks.  31 Maar nadrukkelijk heeft hij uitgesproken: al moet ik tegelijk met u sterven, ik zal u nooit verloochenen! Evenzo hebben ook allen gezegd.  31. Mais lui reprenait de plus belle: « Dussé-je mourir avec toi, non, je ne te renierai pas. » Et tous disaient de même.  

King James Bible. [31] But he spake the more vehemently, If I should die with thee, I will not deny thee in any wise. Likewise also said they all.
Luther-Bibel. 31 Er aber redete noch weiter: Auch wenn ich mit dir sterben m�sste, werde ich dich nicht verleugnen! Das Gleiche sagten sie alle.

Tekstuitleg van Mc 14,31.

2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.

16. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

17. nom. mann. mv. παντες = pantes (allen) van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in het NT: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in de LXX: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in Mc: pas (ieder, elk, alles).

  pas (al) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
10 nom. mann. mv. pantes 724 558 166 18  15 25 14  33 57 58  72 

  pas (al) Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16
10 nom. mann. mv. pantes 15 2 : (1) Mc 1,5. (2) Mc 1,37.       (1) Mc 5,20.   2 : (1) Mc 6,42. (2) Mc 6,50. 2 : (1) Mc 7,3. (2) Mc 7,14.       (1) Mc 12,44.     7 : (1) Mc 14,23. (2) Mc 14,27. (3) Mc 14,29. (4) Mc 14,31. (5) Mc 14,50. (6) Mc 14,53. (7) Mc 14,64.  

- Hebr. kol. kl (al). Taalgebruik in Tenakh: kl (al). Lat. omnis. Fr. tout. Ned. elk, ieder. Arabisch: kull (al). Taalgebruik in de Koran: kull (al).

329. Jezus in Getsemane: Mc 14,32-42 - Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 -

De perikope bestaat uit 11 verzen. In deze perikope komt 20X het nevenschikkend voegwoord kai (en) voor. 2X verbindt kai (en) zinsdelen (Mc 14,33: lijdend voorwerp); in de andere gevallen leidt kai (en) een nevenschikkende zin in. Dat is 18X het geval. Van de 11 verzen beginnen 9 verzen met kai (en). We staan dus duidelijk voor een kai-(en)tekst.

Mc 14,32 - Mc 14,32 -- Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:32 kai erchontai eis ch�rion ou to onoma geths�mani kai legei tois math�tais autou kathisate �de e�s proseux�mai   32 et veniunt in praedium cui nomen Gethsemani et ait discipulis suis sedete hic donec orem     32 En zij kwamen in een plaats, welker naam was Gethsemane, en Hij zeide tot Zijn discipelen: Zit hier neder, totdat Ik gebeden zal hebben.   [32] Ze kwamen bij een plek die Getsemane* heet, en Hij zei tegen zijn leerlingen: ‘Ga hier zitten, terwijl Ik ga bidden.’  [32] Ze kwamen bij een olijfgaard die Getsemane heette, en hij zei tegen zijn leerlingen: ‘Blijven jullie hier zitten, terwijl ik ga bidden.’   32 ¶ Ze komen bij een landgoed met de naam Getsemanee, en hij zegt tot zijn leerlingen: blijft hier zitten totdat ik heb gebeden!  32. Ils parviennent à un domaine du nom de Gethsémani, et il dit à ses disciples: « Restez ici tandis que je prierai. »  

King James Bible. [32] And they came to a place which was named Gethsemane: and he saith to his disciples, Sit ye here, while I shall pray.
Luther-Bibel. 32 Und sie kamen zu einem Garten mit Namen Gethsemane. Und er sprach zu seinen J�ngern: Setzt euch hierher, bis ich gebetet habe.

Tekstuitleg van Mc 14,32. Het vers Mc 14,32 telt 17 woorden en 88 (2³ X 11) letters. De getalwaarde van Mc 14,32 is 10937 (priemgetal).

  Mc 14,32                
  14:32 kai erchontai eis chôrion ou to onoma gethsèmani kai legei tois mathètais autou kathisate ôde eôs proseuxômai                

Mc 14,32.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et.

Mc 14,32.2. ind. praes. 3de pers. mv. ερχονται = erchontai (zij gaan) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in het NT: erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in de LXX: erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in Mc: erchomai (gaan, komen). Bijbel (65). OT (47). NT (18). Mt (2): (1) Mt 7,15. (2) Mt 25,11. Mc (12): (1) Mc 2,3. (2) Mc 2,18. (3) Mc 5,15. (4) Mc 5,35. (5) Mc 5,38. (6) Mc 8,22. (7) Mc 10,46. (8) Mc 11,15. (9) Mc 11,27. (10) Mc 12,18. (11) Mc 14,32. (12) Mc 16,2. Lc (1) Lc 23,29. Joh (1): Joh 3,26 . Br. (2): (1) 1 Kor 15,35. (2) Heb 8,8.
- In 4 gevallen van Mc gaan mensen naar Jezus toe: (1) Mc 2,3. (2) Mc 2,18. (3) Mc 5,15. (4) Mc 12,18.

erchomai (gaan, komen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. pr. 3de p. mv. erchontai 65 47 18  12      15  16 
ind. pr. 3de p. enk. erchetai 130 42 88 13 16 11 37 1 7 40  77 

- ind. praes. 3de pers. enk. ερχεται = erchetai (hij gaat) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in het NT: erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in de LXX: erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in Mc: erchomai (gaan, komen). Mc (16): (1) Mc 1,7. (2) Mc 1,40. (3) Mc 3,20. (4) Mc 3,31. (5) Mc 4,15. (6) Mc 4,21. (7) Mc 5,22. (8) Mc 6,1. (9) Mc 6,48. (10) Mc 10,1. (11) Mc 13,35. (12) Mc 14,17. (13) Mc 14,37. (14) Mc 14,41. (15) Mc 14,66. (16 ) Mc 15,36. Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan, komen) in de LXX (1054), in het NT (631), Mt (111), Mc (86), Lc (100), Joh (156), Hnd (54), in Mc 1 (8): (1) Mc 1,7. (2) Mc 1,9. (3) Mc 1,14. (4) Mc 1,24. (5) Mc 1,29. (6) Mc 1,39. (7) Mc 1,40. (8) Mc 1,45.
In Mc 1,40 komt een zieke naar Jezus. In Mc 5,22 gaat een synagoge-overste om genezing vragen voor zijn dienaar.

erchomai (gaan, komen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. pr. 3de p. enk. erchetai 130 42 88 13 16 11 37 1 7 40  77 

- Hebreeuws: בָּא = bâ´ (gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´ (gaan, komen). Getalswaarde: beth = 2, aleph = 1; totaal: 3. Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader).
- Ned: gaan. D: gehen. E: go. Grieks: ερχομαι = erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in het NT: erchomai (gaan, komen). Hebreeuws: בָּא = bâ´ (gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´ (gaan, komen). Lat: ire. vadere (Fr. je vais, il va). ambulare (Fr. nous allons, vous allez).

Mc 14,32.1. - 2. και ερχεται = kai erchetai (en hij gaat, en hij komt). LXX (10): (1) 1 S 10,10. (2) 1 S 10,13. (3) 1 S 19,22. (4) 1 S 20,1. (5) 1 S 20,24. (6) 1 S 21,2. (7) 1 S 22,1. (8) 1 K 11,43. (9) 1 K 19,3. (10) 1 K 21,43. NT (11). Mt (2): (1) Mt 8,9. (2) Mt 26,40. Mc (6): (1) Mc 1,40. (2) Mc 3,20. (3) Mc 3,31. (4) Mc 5,22. (5) Mc 14,37. (6) Mc 14,41. Lc (2): (1) Lc 7,8. (2) Lc 14,27. Joh (2): (1) Joh 11,29. (2) Joh 20,2. In Mc bij het begin van het vers (6): (1) Mc 1,40. (2) Mc 3,20. (3) Mc 3,31. (4) Mc 5,22. (5) Mc 14,37. (6) Mc 14,41. In het midden van de zin: Mc 6,1.
- και ερχονται = kai erchontai (en zij gaan). LXX (7): (1) 1 S 7,1. (2) 1 S 11,4. (3) 1 S 19,16. (4) 1 S 26,1. (5) 1 S 31,7. (6) 1 K 13,11. NT (9) = Mc (9): (1) Mc 2,3. (2) Mc 2,18. (3) Mc 3,20 / Mc 3,19 (variante ερχονται = erchontai = zij gaan). (4) Mc 5,15. (5) Mc 5,38. (6) Mc 8,22. (7) Mc 10,46. (8) Mc 11,15. (8) Mc 11,27. (9) Mc 12,18. (10) Mc 14,32.
- Hebreeuws: prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיָּבּוֹא = wajjâbô´ (en hij ging) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´ (gaan, komen). Getalwaarde: beth = 2, aleph = 1; totaal: 3. Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader). Tenakh (21): (1) 1 S 4,13. (2) 1 K 3,15. (3) 1 K 7,14. (4) 1 K 13,11. (5) 1 K 22,15. (6) 1 K 22,30. (7) 1 K 22,37. (8) 2 K 9,30. (9) Js 38,1. (10) Ez 14,1. (11) Ez 23,44. (12) Ez 36,20. (13) Ez 40,6. (14) Hos 6,3. (15) Ps 24,7. (16) Job 1,6. (17) Job 2,1. (18) Est 4,2. (19) Est 4,9. (20) Est 5,10. (21) Est 6,6.
- וַּיָּבִא = wajjâbe´ (en hij ging) < prefix voegwoord consec. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk.. Tenakh (289).
- Hebreeuws: prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבֹאוּ = wajjâbo´û (en zij gingen) OF prefix verbindingswoord wë + act. hifil imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבִאוּ = wajjâbhi´û (en zij lieten komen, zij brachten) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´ (gaan, komen). Getalwaarde: beth = 2, aleph = 1; totaal: 3. Structuur: 2 - 1. Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader). Tenakh (195). Pentateuch (47). Eerdere Profeten (99) Latere Profeten (14). 12 Kleine Profeten (2). Geschriften (33).

 

indicatief tegenwoordige tijd 3de persoon meervoud erchontai (zij gaan) van het werkwoord erchomai (gaan, komen). In 12 verzen bij Marcus, zie Mc 11,1. In 6 verzen: Jezus en zijn leerlingen + voorzetsel eis (naar) + plaatsbepaling: (1) Mc 5,38 (2) Mc 8,22 (3) Mc 10,46 (4) Mc 11,15 (5) Mc 11,27 (6) Mc 14,32. Zie eveneens Mc 1,21.

4. chôrion (gebied, plek), zie Mc 14,32. In 6 verzen in de bijbel; in 1 vers in het O.T., in 5 verzen in het NT In 1 vers bij Matteüs, in 1 vers bij Marcus en in 4 verzen in Hand.

6. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.

7. onoma (naam). In 676 verzen in de bijbel; in 578 verzen in het O.T., in 98 verzen in het NT

Mc 14,32.9. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et.

Mc 14,32.10. act. ind. praes. 3de pers. enk. λεγει = legei (hij zegt) van het werkw. λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in de Septuaginta: legô (zeggen). Mc 14: (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67. Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610), in het NT (1318); van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608), in het NT (925).

  legô: act. ind. praes. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
3 act. ind. pr. 3de pers. enk.  legei 62  12  1027  702  325  54  62  14  112  11  46  26  130  242 

  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
3 3 : (1) Mc 1,38. (2) Mc 1,41. (3) Mc 1,44.   6 : (1) Mc 2,5. (2) Mc 2,8. (3) Mc 2,10. (4) Mc 2,14. (5) Mc 2,17. (6) Mc 2,25.   5 : (1) Mc 3,3. (2) Mc 3,4. (3) Mc 3,5. (4) Mc 3,33. (5) Mc 3,34.   2 : (1) Mc 4,13. (2) Mc 4,35 6 : (1) Mc 5,7. (2) Mc 5,9. (3) Mc 5,19. (4) Mc 5,36. (5) Mc 5,39. (6) Mc 5,41.   3 : (1) Mc 6,31. (2) Mc 6,38. (3) Mc 6,50.   3 : (1) Mc 7,18. (2) Mc 7,28. (3) Mc 7,34.   5 : (1) Mc 8,1. (2) Mc 8,12. (3) Mc 8,17. (4) Mc 8,29. (5) Mc 8,33.   3 : (1) Mc 9,5. (2) Mc 9,19. (3) Mc 9,35.   5 : (1) Mc 10,11. (2) Mc 10,23. (3) Mc 10,24. (4) Mc 10,27. (5) Mc 10,42 4 : (1) Mc 11,2. (2) Mc 11,21. (3) Mc 11,22. (4) Mc 11,33.   2 : (1) Mc 12,16. (2) Mc 12,37 1: Mc 13,1.   12 : (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67. 1 : Mc 15,2. 1: Mc 16,6.  

- Ned: zeggen. Arabisch: قَالَ = qâla (zeggen). Taalgebruik in de Qoran: qâla (zeggen). Aramees: קְרָא = qërâ´ (roepen). D: sagen (zeggen). E: to say. Fr: dire. Grieks: λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô (zeggen). Hebreeuws: אָמַר = ´âmar (zeggen). Taalgebruik in Tenakh: ´âmar (zeggen). Lat: legere. l (قَالَ = qâla) en r (קְרָא = qâra) liggen dicht bij elkaar. Orgaan van roepen is de stem; zie Hebreeuws:קוֹל = qôl (stem, roep). Taalgebruik in Tenakh: qôl (stem). Lat: dicere. Fr: dire. Italiaans: dire. Spaans: decir.
- In het werkw. אָמַר = ´âmar (zeggen) zit het woord אְמ = ´em (moeder); om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph, de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan.

Mc 14,32.9. - 10. και λεγει = kai legei (en hij zegt). OT (11). NT (37). Mc (11): (1) Mc 1,38. (2) Mc 2,14. (3) Mc 3,3. (4) Mc 4,13. (5) Mc 6,50.  (6) Mc 7,18. (7) Mc 9,35.  (8) Mc 10,11. (9) Mc 11,2. (10) Mc 12,16. (11) Mc 14,13.
- וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordsvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. `-m-r. (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt). (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg).Taalgebruik in Tenakh: ´âmar (zeggen). Getalswaarde: aleph = 1, mem = 13 of 40, resj = 20 of 200; totaal: 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal). Structuur: 1 - 4 - 2. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (1879). Pentateuch (594). Eerdere Profeten (868). Latere Profeten (120). 12 Kleine Profeten (56). Geschriften (241). Gn (315). Gn 1-11 (49). Gn 12 (4): (1) Gn 12,1. (2) Gn 12,7. (3) Gn 12,11. (4) Gn 12,18. In Gn 12,1 is het de 50ste keer. De stam `-m-r in Tenakh (5422).

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Gn 12  
  1879 594 868 120 56 241 315 150 10 95 24 4  

- Lettinga 12, 2012, 53c2: Het werkw. begint met een aleph. Het is een gutturaal, maar de zwakste van de gutturalen. Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal werkw. een bijzondere behandeling voor de qal imperf.. Dit is het geval voor ons werkw.. In het imperf. gaat een medeklinker vooraf aan de aleph. De aleph quiesceert: ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b). In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o: jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c). De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b). In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a: jomur -> jomar (i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012, 15g). In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è, vandaar wajjo´mèr. (Zie ook Jouön, 73).

14. act. imperat. aor. 2de pers. mv. καθισατε = kathisate (zit neer) van het werkw. καθιζω = kathizô (zitten). Taalgebruik in het NT: kathizô (zitten). Taalgebruik in de LXX: kathizô (zitten). Taalgebruik in Mc: kathizô (zitten). Bijbel (12): (1) Gn 22,5. (2) 2 S 10,5. (3) 1 K 21,9. (4) 2 K 25,24. (5) Jr 13,18. (6) Job 6,29. (7) Rt 4,2. (8) 1 Kr 19,5. (9) Bar 2,21. (10) Mt 26,36. (11) Mc 14,32. (12) Lc 24,49. Een vorm van καθιζω = kathizô in de LXX (255), in het NT (45).

  kathizô (zitten)    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. imperat. aor. 2de pers. mv. kathisate     12             

- Hebreeuws.

14. - 16. Mc 14,32: καθισατε ὡδε ἑως = kathisate hôde heôs (zit neer hier totdat). In 2 K 7,3 komt de Griekse constructie ὡδε ἑως = hôde heôs (hier totdat) met een vorm van het werkw. καθιζω = kathizô (zitten). "Waarom zouden wij zittende zijn hier totdat wij sterven?"
- Gn 22,5. MT = sjëbhû lâkhèm poh... `ad koh (zit bij elkaar hier... tot daar). LXX: καθισατε αυτου... ἑως ὡδε (zit hier... tot daar).
- Mt 26,36: καθισατε αυτου ἑως oὗ (zit hier totdat).
- Matteüs sluit het sterkst aan bij de LXX, Mc bij de MT.

Mc 14,33 - Mc 14,33 -- Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:33 kai paralambanei ton Petron kai ton Iak�bon kai ton |I�ann�n met'autou kai �rxato ekthambeisthai kai ad�monein  33 et adsumit Petrum et Iacobum et Iohannem secum et coepit pavere et taedere    33 En Hij nam met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en begon verbaasd en zeer beangst te worden;   [33] En Hij nam Petrus*, Jakobus en Johannes met zich mee en begon angstig en onrustig te worden,   [33] Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee. Hij voelde zich onrustig en angstig worden  33 Hij neemt Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee,– en begint verbaasd en angstig te worden;  33. Puis il prend avec lui Pierre, Jacques et Jean, et il commença à ressentir effroi et angoisse.  

King James Bible. [33] And he taketh with him Peter and James and John, and began to be sore amazed, and to be very heavy;
Luther-Bibel. 33 Und er nahm mit sich Petrus und Jakobus und Johannes und fing an zu zittern und zu zagen

Tekstuitleg van Mc 14,33.

Mc 14,33.1. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,33.2. act. ind. praes. 3de pers. enk. paralambanei (hij neemt naast zich) van het werkw. paralambanô (overnemen). Taalgebruik in het NT: paralambanô (overnemen). Taalgebruik in Mc: paralambanô (overnemen). Lat. accipere ( ad- capere = aan-nemen, aanvaarden ). Fr. accepter, reçevoir.
Mc (3): (1) Mc 5,40. (2) Mc 9,2. (3) Mc 14,33.

Mc 14,33.3. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.

Mc 14,33.5. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,33.6. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.

Mc 14,33.7. acc. mann. enk. iakôbon (Jakobus) van het zelfst. naamw. iakôbos (Jakobus). Taalgebruik in het NT: iakôbos (Jakobus). Taalgebruik in Mc: iakôbos (Jakobus). Mc (6): (1) Mc 1,19. (2) Mc 3,17. (3) Mc 3,18. (4) Mc 5,37. (5) Mc 9,2. (6) Mc 14,33. 15 X in Mc. Er zijn twee Jakobussen:
- Jakobus, zoon van Zebedeüs.
- Jakobus, zoon van Alfeüs.

Mc 14,33.8. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,33.9. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.

Mc 14,33.10. acc. mann. enk. Iôannèn (Johannes) van de eigennaam Iôannès (Johannes). Taalgebruik in het NT: Iôannès (Johannes). Taalgebruik in Mc: Iôannès (Johannes). Hebr. jôchanan. Ned. Johan. D. Johannes. Fr. Jean. E. John.
Mc (5): (1) Mc 1,19. (2) Mc 3,17. (3) Mc 5,37. (4) Mc 9,2. (5) Mc 14,33.

Mc 14,33.13. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,33.16. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,34 - Mc 14,34 -- Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:34 kai legei autois perilupos estin h� psuch� mou e�s thanatou meinate �de kai gr�goreite   34 et ait illis tristis est anima mea usque ad mortem sustinete hic et vigilate    34 En zeide tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier, en waakt.   [34] en zei tegen hen: ‘Ik ben dodelijk bedroefd. Blijf hier, en blijf wakker.’   [34] en zei tegen hen: ‘Ik voel me dodelijk bedroefd; blijf hier waken.’  34 hij zegt tot hen: mijn ziel is diepbedroefd, ten dode toe; blijft hier en blijft wakker!  34. Et il leur dit: « Mon âme est triste à en mourir; demeurez ici et veillez. »  

King James Bible. [34] And saith unto them, My soul is exceeding sorrowful unto death: tarry ye here, and watch.
Luther-Bibel. 34 und sprach zu ihnen: Meine Seele ist betr�bt bis an den Tod; bleibt hier und wachet!

Tekstuitleg van Mc 14,34.

Mc 14,34.1. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,34.2. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc 14: (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67.

Mc 14,34.10. gen. mann. enk.  thanatou (van de dood) van het zelfst. naamw. thanatos (dood). Taalgebruik in het NT: thanatos (dood). Taalgebruik in Mc: thanatos (dood). Mc (3): (1) Mc 9,1. (2) Mc 14,34. (3) Mc 14,64. Een vorm van thanatos (dood) in Mc in 6 verzen: (1) Mc 7,10. (2) Mc 9,1. (3) Mc 10,33. (4) Mc 13,12. (5) Mc 14,34. (6) Mc 14,64.

Mc 14,34.13. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,34.14. act. imp. 2de p. mv. grègoreite (waakt) van het werkw. grègoreô (waken). Taalgebruik in het NT: grègoreô (waken). Taalgebruik in Mc: grègoreô (waken). Mc (4): (1) Mc 13,35. (2) Mc 13,37. (3) Mc 14,34. (4) Mc 14,38. Een vorm van grègoreô (waken) in Mc in 6 verzen: (1) Mc 13,34. (2) Mc 13,35. (3) Mc 13,37. (4) Mc 14,34. (5) Mc 14,37. (6) Mc 14,38.

Als Jezus van plan was om een machtsgreep te doen, dan moet hij dat toch met zijn leerlingen besproken hebben. Ze moeten toch met elkaar overlegd hebben wanneer en hoe het zou gebeuren. Ze moeten dan toch op het sein van Jezus gewacht hebben om de aanval uit te voeren of om een aanval af te slaan. Ze moeten toch geweten hebben dat ze tijdens die nacht de bevrijding uit Egypte hadden gevierd.

Mc 14,35 - Mc 14,35 -- Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:35 kai proelth�n mikron epipten epi t�s g�s kai pros�ucheto ina ei dunaton estin parelth� ap autou � �ra 35 et cum processisset paululum procidit super terram et orabat ut si fieri posset transiret ab eo hora     35 En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op de aarde, en bad, zo het mogelijk ware, dat die ure van Hem voorbijginge.   [35] Hij ging een eindje verder en wierp zich op de grond. Hij bad dat dit uur, als het mogelijk was, aan Hem voorbij zou gaan.  [35] Hij liep nog een stukje verder, liet zich toen op de grond vallen en bad dat dit uur zo mogelijk aan hem voorbij mocht gaan.   35 Een klein stukje verdergegaan is hij ter aarde gevallen en heeft gebeden dat, als het mogelijk was, die ure aan hem voorbij mocht gaan,   35. Étant allé un peu plus loin, il tombait à terre, et il priait pour que, s'il était possible, cette heure passât loin de lui.  

King James Bible. [35] And he went forward a little, and fell on the ground, and prayed that, if it were possible, the hour might pass from him.
Luther-Bibel. 35 Und er ging ein wenig weiter, warf sich auf die Erde und betete, dass, wenn es m�glich w�re, die Stunde an ihm vor�berginge,

Tekstuitleg van Mc 14,35.

1. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

6. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (65). Mc 14 (6): (1) Mc 14,3. (2) Mc 14,24. (3) Mc 14,25. (4) Mc 14,35. (5) Mc 14,62. (6) Mc 14,64.

8. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

18. nom. + dat. vr. enk. hôra(i) (uur) van het zelfst. naamw. hôra (uur). Taalgebruik in het NT: hôra (uur). Taalgebruik in Mc: hôra (uur).
Mc (6): (1) Mc 6,35. (2) Mc 13,11. (3) Mc 14,35. (4) Mc 14,41. (5) Mc 15,25. (6) Mc 15,34.
gen. vr. enk. hôras. Mc (4): (1) Mc 6,35. (2) Mc 11,11. (3) Mc 13,32. (4) Mc 15,33.

Mc 14,36 - Mc 14,36 -- Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:36 kai elegen abba o pat�r panta dunata soi parenegke to pot�rion touto ap emou all ou ti eg� thel� alla ti su   36 et dixit Abba Pater omnia possibilia tibi sunt transfer calicem hunc a me sed non quod ego volo sed quod tu     36 En Hij zeide: Abba, Vader! alle dingen zijn U mogelijk; neem dezen drinkbeker van Mij weg, doch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt.   [36] ‘Abba, Vader,’ bad Hij, ‘U kunt alles. Neem deze beker van Mij weg. Maar niet wat Ik wil, maar wat U wilt.’  [36] Hij zei: ‘Abba, Vader, voor u is alles mogelijk, neem deze beker van mij weg. Maar laat niet gebeuren wat ik wil, maar wat u wilt.’  36 en hij heeft gezegd: Abba, Vader, alles is mogelijk voor u; draag deze drinkbeker van mij weg!– maar niet wat ík wil maar wat gíj!   36. Et il disait: « Abba Père ! tout t'est possible: éloigne de moi cette coupe; pourtant, pas ce que je veux, mais ce que tu veux ! »  

King James Bible. [36] And he said, Abba, Father, all things are possible unto thee; take away this cup from me: nevertheless not what I will, but what thou wilt.
Luther-Bibel. 36 und sprach: Abba, mein Vater, alles ist dir m�glich; nimm diesen Kelch von mir; doch nicht, was ich will, sondern was du willst!

Tekstuitleg van Mc 14,36.

1. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

10. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.

11. nom. + acc. onz. enk. potèrion (beker). Taalgebruik in het NT: potèrion (beker). Taalgebruik in Mc: potèrion (beker).
(1) Mc 9,41. (2) Mc 10,38. (3) Mc 10,39. (4) Mc 14,23. (5) Mc 14,36.

22. pers. vnw. 2de pers. enk. nom. su (jij, gij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord. Mc (9): (1) Mc 1,11. (2) Mc 3,11. (3) Mc 8,29. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,36. (6) Mc 14,61. (7) Mc 14,67. (8) Mc 14,68. (9) Mc 15,2.

Mc 14,37 - Mc 14,37 -- Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:37 kai erchetai kai euriskei autous katheudontas kai legei t� petr� sim�n katheudeis ouk ischusas mian �ran gr�gor�sai  37 et venit et invenit eos dormientes et ait Petro Simon dormis non potuisti una hora vigilare    37 En Hij kwam, en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Simon! slaapt gij? Kunt gij niet een uur waken?   [37] Hij ging terug en vond hen in slaap, en Hij zei tegen Petrus: ‘Simon, slaap je? Kon je niet één uur wakker blijven?   [37] Hij liep terug en zag dat zijn leerlingen lagen te slapen. Hij zei tegen Petrus: ‘Simon, slaap je? Kon je niet één uur waken?  37 Hij komt en vindt hen slapend, en hij zegt tot Petrus: Simon, je slaapt!– ben je niet sterk genoeg om één uur wakker te blijven?– waakt, en bidt  37. Il vient et les trouve en train de dormir; et il dit à Pierre: « Simon, tu dors ? Tu n'as pas eu la force de veiller une heure ?  

King James Bible. [37] And he cometh, and findeth them sleeping, and saith unto Peter, Simon, sleepest thou? couldest not thou watch one hour?
Luther-Bibel. 37 Und er kam und fand sie schlafend und sprach zu Petrus: Simon, schl�fst du? Vermochtest du nicht, "eine" Stunde zu wachen?

Tekstuitleg van Mc 14,37.

  Mc 14,37      
  14:37 kai erchetai kai euriskei autous katheudontas kai legei tô petrô simôn katheudeis ouk ischusas mian ôran grègorèsai      

Mc 14,37.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

kai (en)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen      7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8
kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7
verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1

- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et.

Mc 14,37.2. ind. praes. 3de pers. enk. ερχεται = erchetai (hij gaat) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in het NT: erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in de LXX: erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in Mc: erchomai (gaan, komen). Mc (16): (1) Mc 1,7. (2) Mc 1,40. (3) Mc 3,20. (4) Mc 3,31. (5) Mc 4,15. (6) Mc 4,21. (7) Mc 5,22. (8) Mc 6,1. (9) Mc 6,48. (10) Mc 10,1. (11) Mc 13,35. (12) Mc 14,17. (13) Mc 14,37. (14) Mc 14,41. (15) Mc 14,66. (16 ) Mc 15,36. Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan, komen) in de LXX (1054), in het NT (631), Mt (111), Mc (86), Lc (100), Joh (156), Hnd (54), in Mc 1 (8): (1) Mc 1,7. (2) Mc 1,9. (3) Mc 1,14. (4) Mc 1,24. (5) Mc 1,29. (6) Mc 1,39. (7) Mc 1,40. (8) Mc 1,45.
In Mc 1,40 komt een zieke naar Jezus. In Mc 5,22 gaat een synagoge-overste om genezing vragen voor zijn dienaar.

erchomai (gaan, komen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. pr. 3de p. enk. erchetai 130 42 88 13 16 11 37 1 7 40  77 

- Hebreeuws: בָּא = bâ´ (gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´ (gaan, komen). Getalwaarde: beth = 2, aleph = 1; totaal: 3. Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader).
Ned: gaan. D: gehen. E: go. Grieks: ερχομαι = erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in het NT: erchomai (gaan, komen). Hebreeuws: בָּא = bâ´ (gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´ (gaan, komen). Lat: ire. vadere (Fr. je vais, il va). ambulare (Fr. nous allons, vous allez).

Mc 14,37.1. - 2. και ερχεται = kai erchetai (en hij gaat, en hij komt). NT (11). Mt (2): (1) Mt 8,9. (2) Mt 26,40. Mc (6): (1) Mc 1,40. (2) Mc 3,20. (3) Mc 3,31. (4) Mc 5,22. (5) Mc 14,37. (6) Mc 14,41. Lc (2): (1) Lc 7,8. (2) Lc 14,27. Joh (2): (1) Joh 11,29. (2) Joh 20,2.
- Hebreeuws: prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיָּבּוֹא = wajjâbô´ (en hij ging) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´ (gaan, komen). Getalwaarde: beth = 2, aleph = 1; totaal: 3. Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader). Tenakh (21): (1) 1 S 4,13. (2) 1 K 3,15. (3) 1 K 7,14. (4) 1 K 13,11. (5) 1 K 22,15. (6) 1 K 22,30. (7) 1 K 22,37. (8) 2 K 9,30. (9) Js 38,1. (10) Ez 14,1. (11) Ez 23,44. (12) Ez 36,20. (13) Ez 40,6. (14) Hos 6,3. (15) Ps 24,7. (16) Job 1,6. (17) Job 2,1. (18) Est 4,2. (19) Est 4,9. (20) Est 5,10. (21) Est 6,6.

Mc 14,37.3. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

kai (en)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen      7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8
kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7
verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1

- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et.

Mc 14,37.1. - 3. και ερχεται και = kai erchetai kai (en hij gaat en, en hij komt en ). Bijbel = NT (3): (1) Mt 8,9. (2) Mc 14,37. (3) Lc 7,8.

6. act. part. praes. acc. mann. mv. καθευδοντας = katheudontas (slapend) van het werkw. καθευδω = katheudô (slapen). Taalgebruik in het NT: katheudô (slapen). Taalgebruik in de LXX: katheudô (slapen). Taalgebruik in Mc: katheudô . Bijbel (6): (1) Tob 8,13. (2) Mt 26,40. (3) Mt 26,43. (4) Mc 13,36. (5) Mc 14,37. (6) Mc 14,40. Een vorm van καθευδω = katheudô (slapen) in de LXX (38), in het NT (22), in Mc (8).

Mc 14,37.7. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

kai (en)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen      7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8
kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7
verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1

- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et.

Mc 14,37.8. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen).
Mc (62). Mc 14: (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67. Een vorm van legô (zeggen) in Mc 14 in 30 verzen, van eipon (ik zei) in 12 verzen.

Mc 14,37.8. - 9. legei tô(i) (hij zegt aan de). Mc (7): (1) Mc 2,5. (2) Mc 2,10. (3) Mc 3,3. (4) Mc 3,5. (5) Mc 5,36. (6) Mc 9,5. (7) Mc 14,37.

Mc 14,37.7. - 9. kai legei tô(i) (en hij zegt aan de). Mc (2): (1) Mc 3,3. (2) Mc 14,37.

Mc 14,37.17. act. inf. aor. grègorèsai (te waken) van het werkw. grègoreô (waken). Taalgebruik in het NT: grègoreô (waken). Taalgebruik in Mc: grègoreô (waken). Mc (1): Mc 14,37. Een vorm van grègoreô (waken) in Mc in 6 verzen: (1) Mc 13,34. (2) Mc 13,35. (3) Mc 13,37. (4) Mc 14,34. (5) Mc 14,37. (6) Mc 14,38.

Mc 14,38 - Mc 14,38 -- Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:38 gr�goreite kai proseuchesthe ina m� elth�te eis peirasmon to men pneuma prothumon � de sarx asthen�s   38 vigilate et orate ut non intretis in temptationem spiritus quidem promptus caro vero infirma    38 Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.   [38] Blijf wakker en bid dat jullie in de beproeving niet bezwijken. De geest is wel van goede wil, maar het vlees is zwak.’  [38] Blijf wakker en bid dat jullie niet in beproeving komen; de geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak.’  38 dat ge niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak!  38. Veillez et priez pour ne pas entrer en tentation: l'esprit est ardent, mais la chair est faible. » 

King James Bible. [38] Watch ye and pray, lest ye enter into temptation. The spirit truly is ready, but the flesh is weak.
Luther-Bibel. 38 Wachet und betet, dass ihr nicht in Versuchung fallt! Der Geist ist willig; aber das Fleisch ist schwach.

Tekstuitleg van Mc 14,38. Waarin kan de beproeving anders bestaan dan in het terugkomen op het genomen besluit.

1. act. imp. 2de p. mv. grègoreite (waakt) van het werkw. grègoreô (waken). Taalgebruik in het NT: grègoreô (waken). Taalgebruik in Mc: grègoreô (waken). Mc (4): (1) Mc 13,35. (2) Mc 13,37. (3) Mc 14,34. (4) Mc 14,38. Een vorm van grègoreô (waken) in Mc in 6 verzen: (1) Mc 13,34. (2) Mc 13,35. (3) Mc 13,37. (4) Mc 14,34. (5) Mc 14,37. (6) Mc 14,38.

2. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

9. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.

11. nom.+ acc. onz. enk. pneuma (geest). Taalgebruik in het NT: pneuma (geest). Taalgebruik in Mc: pneuma (geest). Lat. spiritus. Fr. esprit. Ned. geest.
Mc (12): (1) Mc 1,10. (2) Mc 1,12. (3) Mc 1,26. (4) Mc 3,29. (5) Mc 3,30. (6) Mc 5,8. (7) Mc 7,25. (8) Mc 9,17. (9) Mc 9,20. (10) Mc 9,25. (11) Mc 13,11. (12) Mc 14,38.

14. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.

Mc 14,39 - Mc 14,39 -- Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:39 kai palin apelth�n pros�uxato | [ton auton logon eip�n] | ton auton logon eip�n |  et iterum abiens oravit eundem sermonem dicens    39 En wederom heengegaan zijnde, bad Hij, sprekende dezelfde woorden.   [39] Hij ging weer bidden met dezelfde woorden.  [39] Weer ging hij weg om te bidden, met dezelfde woorden als daarvoor.  39 Hij gaat weer weg en bidt; hij zegt in dezelfde bewoordingen.   39. Puis il s'en alla de nouveau et pria, en disant les mêmes paroles.  

King James Bible. [39] And again he went away, and prayed, and spake the same words.
Luther-Bibel. 39 Und er ging wieder hin und betete und sprach dieselben Worte

Tekstuitleg van Mc 14,39.

1. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

5. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.

6. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,11. (4) Mc 14,39. (5) Mc 14,44. (6) Mc 14,45. (7) Mc 14,46. (8) Mc 14,50. (9) Mc 14,51. (10) Mc 14,55. (11) Mc 14,61. (12) Mc 14,64. (13) Mc 14,65. (14) Mc 14,69.

Mc 14,40 - Mc 14,40 -- Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:40 kai palin elth�n euren autous katheudontas �san gar aut�n oi ofthalmoi katabarunomenoi kai ouk �deisan ti apokrith�sin aut� 40 et reversus denuo invenit eos dormientes erant enim oculi illorum ingravati et ignorabant quid responderent ei     40 En wedergekeerd zijnde, vond Hij hen wederom slapende, want hun ogen waren bezwaard; en zij wisten niet, wat zij Hem antwoorden zouden.  [40] Toen Hij weer terugkwam, vond Hij hen wederom in slaap, want hun ogen waren zwaar, en ze wisten niet wat ze Hem moesten antwoorden.  [40] Toen hij weer terugkwam, lagen ze opnieuw te slapen, want hun ogen vielen steeds dicht, en ze wisten niet wat ze hem moesten antwoorden. 40 Als hij weer komt vindt hij hen slapend, want hun ogen zijn te zwaar geworden, en ze weten niet wat ze hem moeten antwoorden. 40. De nouveau il vint et les trouva endormis, car leurs yeux étaient alourdis; et ils ne savaient que lui répondre. 

King James Bible. [40] And when he returned, he found them asleep again, (for their eyes were heavy,) neither wist they what to answer him.
Luther-Bibel. 40 und kam zur�ck und fand sie abermals schlafend; denn ihre Augen waren voller Schlaf, und sie wussten nicht, was sie ihm antworten sollten.

Tekstuitleg van Mc 14,40.

Mc 14,40.1. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,40.7. imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn). Taalgebruik in het NT: eimi (zijn). Taalgebruik in Mc: eimi (zijn). Hebr. hâjâh. Lat. esse. Fr. être. Ned. zijn. E. to be.
Mc (16): (1) Mc 1,16. (2) Mc 2,6. (3) Mc 2,15. (4) Mc 2,18.  (5) Mc 4,1.  (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,34. (8) Mc 6,44.  (9) Mc 8,9. (10) Mc 9,4. (11): Mc 10,32.  (12) Mc 12,20.  (13) (1) Mc 14,4. (14) Mc 14,40. (15) Mc 14,56. (16) Mc 15,40. Omschrijvende structuur: èsan... + deelwoord. Mc (7): (1) Mc 2,6. (2) Mc 2,18.  (3) Mc 9,4. (4) Mc 10,32. (5) Mc 14,4. (6) Mc 14,40. (7) Mc 15,40. In Mc 10,32: èsan... anabainontes (zij waren opklimmende).

Mc 14,40.8. γάρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden), Taalgebruik in het NT: gar (want). Taalgebruik in Mc: gar (want).
Mc (63). Mc 14 (6): (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,7. (4) Mc 14,40. (5) Mc 14,56. (6) Mc 14,70.

Mc 14,40.7. - 8. èsan gar (want zij waren). Mc (4 / 16): (1) Mc 1,16. (2) Mc 2,15. (3) Mc 6,31. (4) Mc 14,40.

Mc 14,40.13. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,41 - Mc 14,41 -- Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:41 kai erchetai to triton kai legei autois katheudete | [to] | to | loipon kai anapauesthe apechei �lthen � �ra idou paradidotai o uios tou anthr�pou eis tas cheiras t�n amart�l�n  idou paradidotai ho huios tou anthrôpou eis tas cheiras tôn harmatôlôn  41 et venit tertio et ait illis dormite iam et requiescite sufficit venit hora ecce traditur Filius hominis in manus peccatorum    41 En Hij kwam ten derden male, en zeide tot hen: Slaapt nu voort, en rust; het is genoeg, de ure is gekomen; ziet, de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren.   [41] Hij kwam voor de derde keer en zei tegen hen: ‘Slaap nu maar rustig verder. Het is voorbij. Het uur is gekomen; nu wordt de Mensenzoon overgeleverd in de handen van de zondaars.  [41] Toen hij voor de derde maal terugkwam, zei hij tegen hen: ‘Liggen jullie daar nog steeds te slapen en te rusten? Het is zover: het ogenblik is gekomen waarop de Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de zondaars.  [41] Toen hij voor de derde maal terugkwam, zei hij tegen hen: ‘Liggen jullie daar nog steeds te slapen en te rusten? Het is zover: het ogenblik is gekomen waarop de Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de zondaars.   41. Une troisième fois il vient et leur dit: « Désormais vous pouvez dormir et vous reposer. C'en est fait. L'heure est venue: voici que le Fils de l'homme va être livré aux mains des pécheurs.

King James Bible. [41] And he cometh the third time, and saith unto them, Sleep on now, and take your rest: it is enough, the hour is come; behold, the Son of man is betrayed into the hands of sinners.
Luther-Bibel. 41 Und er kam zum dritten Mal und sprach zu ihnen: Ach, wollt ihr weiter schlafen und ruhen? Es ist genug; die Stunde ist gekommen. Siehe, der Menschensohn wird �berantwortet in die H�nde der S�nder.

Tekstuitleg van Mc 14,41. Vervulling van de tweede lijdensaankondiging.

Mc 14,41.1. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,41.3. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.

Mc 14,41.5. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,41.6. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc 14: (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67.

Mc 14,41.11. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,41.16. nom. + dat. vr. enk. hôra(i) (uur) van het zelfst. naamw. hôra (uur). Taalgebruik in het NT: hôra (uur). Taalgebruik in Mc: hôra (uur).
Mc (6): (1) Mc 6,35. (2) Mc 13,11. (3) Mc 14,35. (4) Mc 14,41. (5) Mc 15,25. (6) Mc 15,34.
gen. vr. enk. hôras. Mc (4): (1) Mc 6,35. (2) Mc 11,11. (3) Mc 13,32. (4) Mc 15,33.

Mc 14,41.17. idou (zie). Taalgebruik in het NT: idou (zie). Taalgebruik in Mc: idou (zie). In de 7 verzen waarin Marcus idou (zie) gebruikt, wordt het in geen enkel vers voorafgegaan door kai (en). Kai eindigt op i en idou begint op i; zo zou men vlug kaidou kunnen krijgen.
Mc (7): (1) Mc 1,2. (2) Mc 3,32. (3) Mc 4,3.  (4) Mc 10,28. (5) Mc 10,33. (6) Mc 14,41. (7) Mc 14,42. Telkens in een citaat bij het begin ervan (5): (1) Mc 1,2. (2) Mc 3,32. (3) Mc 4,3.  (4) Mc 10,28. (5) Mc 10,33 of in het midden ervan: (1) Mc 14,41. (2) Mc 14,42.

Mc 14,41.18. pass. ind. praes. 3de pers. enk. paradidotai (hij wordt overgeleverd) van het werkw. paradidômi (overleveren)  . Taalgebruik in het NT: paradidômi (overleveren). Taalgebruik in Mc: paradidômi (overleveren). Lat. tradere (trans -dare). Fr. trahir. Ned. overleveren, overgeven. Hebr. mâsar. Bij (Gr. para) langs, naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is. Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over: tegenover, aan de andere zijde. Zo kan para-didômi betekenen: geven aan de tegenovergestelde, de andere, de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen. Mc (3): (1) Mc 9,31.  (2) Mc 14,21. (3) Mc 14,41.

Mc 14,41.22.

Mc 14,41.25. acc.vr.  mv. cheiras (handen) van het zelfst. naamw. cheir (hand). Taalgebruik in het NT: cheir (hand). Taalgebruik in Mc: cheir (hand).
Mc 5 (11): (1) Mc 5,23. (2) Mc 6,5. (3) Mc 7,3. (4) Mc 8,23. (5) Mc 8,25. (6) Mc 9,31. (7) Mc 9,43. (8) Mc 10,16. (9) Mc 14,41. (10) Mc 14,46.  (11) Mc 16,18

26. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc 14,10. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,13. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,17. (6) Mc 14,20. (7) Mc 14,26. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,43. (10) Mc 14,47. (11) Mc 14,54. (12) Mc 14,62. (13) Mc 14,66.

Mc 14,41.27. gen. mann. mv. ἁμαρτωλων = hamartôlôn (zondaars) van het zelfst. naamw. ἁμαρτωλος = hamartôlos (zondaar). Taalgebruik in het NT: hamartôlos (zondaar). Taalgebruik in de LXX: hamartôlos (zondaar). Taalgebruik in Mc: hamartôlos (zondaar). Bijbel (48). OT (36). NT (12):. Mc (2): (1) Mc 2,16. (2) Mc 14,41. Een vorm van ἁμαρτωλος = hamartôlos in de LXX (178), in het NT (47).

Mc 14,42 - Mc 14,42 // Mt 26,46 - - Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:42 egeiresthe ag�men idou o paradidous me �ggiken 42 surgite eamus ecce qui me tradit prope est     42 Staat op, laat ons gaan; ziet, die Mij verraadt, is nabij.  [42] Sta op, laten we gaan. Kijk, hij die Mij overlevert, komt eraan.’  [42] Sta op, laten we gaan; kijk, hij die me uitlevert, is al vlakbij.’   [42] Sta op, laten we gaan; kijk, hij die me uitlevert, is al vlakbij.’  wees opgewekt, laten we gaan, zie de mij overleverende is nabij 42. Levez-vous ! Allons ! Voici que celui qui me livre est tout proche. »

King James Bible. [42] Rise up, let us go; lo, he that betrayeth me is at hand.
Luther-Bibel. 42 Steht auf, lasst uns gehen! Siehe, der mich verr�t, ist nahe.

Tekstuitleg van Mc 14,42.

Mc 14,42.3. idou (zie). Taalgebruik in het NT: idou (zie). Taalgebruik in Mc: idou (zie). In de 7 verzen waarin Marcus idou (zie) gebruikt, wordt het in geen enkel vers voorafgegaan door kai (en). Kai eindigt op i en idou begint op i; zo zou men vlug kaidou kunnen krijgen.
Mc (7): (1) Mc 1,2. (2) Mc 3,32. (3) Mc 4,3.  (4) Mc 10,28. (5) Mc 10,33. (6) Mc 14,41. (7) Mc 14,42. Telkens in een citaat bij het begin ervan (5): (1) Mc 1,2. (2) Mc 3,32. (3) Mc 4,3.  (4) Mc 10,28. (5) Mc 10,33 of in het midden ervan: (1) Mc 14,41. (2) Mc 14,42.

Mc 14,42.7. act. ind. perf. 3de pers. enk. èggiken van het werkw. eggizô (naderen). Taalgebruik in het NT: eggizô (naderen). Taalgebruik in Mc: eggizô (naderen). Mc (2): (1) Mc 1,15. (2) Mc 14,42.


330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 -- Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 -

Mc 14,43 - Mc 14,43: 330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
43Καὶ εὐθὺς ἔτι αὐτοῦ λαλοῦντος παραγίνεται Ἰούδας εἷς τῶν δώδεκα καὶ μετ' αὐτοῦ ὄχλος μετὰ μαχαιρῶν καὶ ξύλων παρὰ τῶν ἀρχιερέων καὶ τῶν γραμματέων καὶ τῶν πρεσβυτέρων. 43 et adhuc eo loquente venit Iudas Scarioth unus ex duodecim et cum illo turba cum gladiis et lignis a summis sacerdotibus et a scribis et a senioribus     43 En terstond, als Hij nog sprak, kwam Judas aan, die een was van de twaalven, en met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen.   [43] Hij was nog niet uitgesproken of daar kwam Judas aan, een van de twaalf, en hij had een hele bende bij zich met zwaarden en knuppels, gestuurd door de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten.  [43] Nog voor hij uitgesproken was, kwam Judas eraan, een van de twaalf, in gezelschap van een met zwaarden en knuppels bewapende bende, die door de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten was gestuurd.   43 ¶ En meteen, terwijl hij dit nog uitspreekt, verschijnt daar Judas, een van de twaalf, en met hem een schare met zwaarden en stokken, opgetrommeld door de overpriesters, de schriftgeleerden en de oudsten.  43. Et aussitôt, comme il parlait encore, survient Judas, l'un des Douze, et avec lui une bande armée de glaives et de bâtons, venant de la part des grands prêtres, des scribes et des anciens.  

King James Bible. [43] And immediately, while he yet spake, cometh Judas, one of the twelve, and with him a great multitude with swords and staves, from the chief priests and the scribes and the elders.
Luther-Bibel. 43 Und alsbald, während er noch redete, kam herzu Judas, einer von den Zwölfen, und mit ihm eine Schar mit Schwertern und mit Stangen, von den Hohenpriestern und Schriftgelehrten und ältesten.

Tekstuitleg van Mc 14,43.

9. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc 14,10. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,13. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,17. (6) Mc 14,20. (7) Mc 14,26. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,43. (10) Mc 14,47. (11) Mc 14,54. (12) Mc 14,62. (13) Mc 14,66.

Mc 14,43.14. zelfst. naamw. nom. mann. enk. ochlos (menigte). Taalgebruik in het NT: ochlos (menigte). Taalgebruik in Mc: ochlos (menigte). Met één uitzondering (Mc 10,1) gebruikt Mc ochlos (menigte) in het enk. Mc (13): (1) Mc 2,13. (2) Mc 3,20. (3) Mc 3,32. (4) Mc 4,1. (5) Mc 5,21. (6) Mc 5,24a - Mc 5,24b. (7) Mc 9,15. (8) Mc 9,25. (9) Mc 11,18. (10) Mc 12,37. (11) Mc 12,41. (12) Mc 14,43. (13) Mc 15,8. In deze gevallen is ochlos (menigte) onderwerp.

Mc 14,43..19. para (langs). Taalgebruik in Mc: para (langs). Taalgebruik in het NT: para (langs) .
Mc (11). (1) Mc 1,16. (2) Mc 2,13. (3) Mc 4,1. (4) Mc 4,4. (5) Mc 4,15. (6) Mc 5,21. (7) Mc 10,27. (8) Mc 10,46. (9) Mc 12,2. (10) Mc 12,11. (11) Mc 14,43.
- para + gen. (vanwege) in Mc (4): (1) Mc 10,27. (2) Mc 12,2. (3) Mc 12,11. (4 Mc 14,43.
- para + acc. + plaatsbepaling in Mc (7) (3X tèn hodon = langs de weg: (1) Mc 4,4. (2) Mc 4,15. (3) Mc 10,46. 4X tèn thalassan = langs het meer: (1) Mc 1,16. (2) Mc 2,13. (3) Mc 4,1. (4) Mc 5,21.

20. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc 14,10. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,13. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,17. (6) Mc 14,20. (7) Mc 14,26. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,43. (10) Mc 14,47. (11) Mc 14,54. (12) Mc 14,62. (13) Mc 14,66.

23. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc 14,10. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,13. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,17. (6) Mc 14,20. (7) Mc 14,26. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,43. (10) Mc 14,47. (11) Mc 14,54. (12) Mc 14,62. (13) Mc 14,66.

26. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc 14,10. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,13. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,17. (6) Mc 14,20. (7) Mc 14,26. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,43. (10) Mc 14,47. (11) Mc 14,54. (12) Mc 14,62. (13) Mc 14,66.

Mc 14,44 - Mc 14,44: 330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
dedôken de ho paradidous auton sussèmon autois legôn  44 dederat autem traditor eius signum eis dicens quemcumque osculatus fuero ipse est tenete eum et ducite    44 En die Hem verried, had hun een gemeen teken gegeven, zeggende: Dien ik kussen zal, Die is het, grijpt Hem, en leidt Hem zekerlijk henen.  [44] Hij die Hem overleverde, had een teken met hen afgesproken: ‘Die ik zal kussen, die is het. Grijp Hem en zet Hem veilig vast.’  [44] Met hen had zijn verrader een teken afgesproken. Hij had gezegd: ‘Degene die ik kus, die is het. Neem hem gevangen en voer hem weg onder strenge bewaking.’  44 Die hem overlevert heeft met hen een te geven teken afgesproken; hij heeft gezegd: die ik zal kussen, die is het, grijpt hem en voert hem welbewaakt weg!   44. Or, le traître leur avait donné ce signe convenu: « Celui à qui je donnerai un baiser, c'est lui; arrêtez-le et emmenez-le sous bonne garde. »

King James Bible. [44] And he that betrayed him had given them a token, saying, Whomsoever I shall kiss, that same is he; take him, and lead him away safely.
Luther-Bibel. 44 Und der Verr�ter hatte ihnen ein Zeichen genannt und gesagt: Welchen ich k�ssen werde, der ist's; den ergreift und f�hrt ihn sicher ab.

Tekstuitleg van Mc 14,44. Dit vers Mc 14,44 bevat 18 (2 X 3 X 3) woorden en 96 (2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 3) letters. De getalwaarde van Mc 14,44 is 12778 (2 X 6389).

1. dedôkei (hij heeft gegeven). Taalgebruik: didômi (geven). Actief perfect. 3de pers. enk. van het werkwoord didômi (geven). Hebr. nâthan (tha). Lat. dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr. donner - don: geven - gave. Bijbel (3). O.T. (1). NT (2).

2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.
Er is wel geen verandering van personage (Mc 14,43: Judas, één van de twaalf. Mc 14,44: de overleverende hem), maar de situatie is zo contrasterend: Jezus - Judas. Judas, één van de twaalf, die Jezus zal overleveren / over-geven had een teken gegeven om hem over te leveren. In plaats van Jezus te volgen, had Judas zich tegen Jezus gekeerd. Het lot van Jezus lag in de handen van Judas. Met een kus speelt hij Jezus door naar de tegenstanders van Jezus. Hierdoor verliest Judas zijn greep over Jezus

5. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,11. (4) Mc 14,39. (5) Mc 14,44. (6) Mc 14,45. (7) Mc 14,46. (8) Mc 14,50. (9) Mc 14,51. (10) Mc 14,55. (11) Mc 14,61. (12) Mc 14,64. (13) Mc 14,65. (14) Mc 14,69.

15. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,11. (4) Mc 14,39. (5) Mc 14,44. (6) Mc 14,45. (7) Mc 14,46. (8) Mc 14,50. (9) Mc 14,51. (10) Mc 14,55. (11) Mc 14,61. (12) Mc 14,64. (13) Mc 14,65. (14) Mc 14,69.

Mc 14,45 - Mc 14,45: 330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:45 kai elth�n euthus proselth�n aut� legei rabbi kai katefil�sen auton 45 et cum venisset statim accedens ad eum ait rabbi et osculatus est eum    45 En als hij gekomen was, ging hij terstond tot Hem, en zeide: Rabbi, en kuste Hem.  [45] Toen hij eraan kwam, ging hij recht op Hem af en zei: ‘Rabbi*’, en kuste Hem.  [45] Toen hij eraan kwam, liep hij recht op Jezus af, zei: ‘Rabbi!’ en kuste hem.  45 Als hij komt, komt hij meteen op hem af, zegt: rabbi!, en kust hem.  45. Et aussitôt arrivé, il s'approcha de lui en disant: « Rabbi », et il lui donna un baiser.  

King James Bible. [45] And as soon as he was come, he goeth straightway to him, and saith, Master, master; and kissed him.
Luther-Bibel. 45 Und als er kam, trat er alsbald zu ihm und sprach: Rabbi!, und k�sste ihn.

Tekstuitleg van Mc 14,45.

6. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc 14: (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67.


Mc 14,46 - Mc 14,46: 330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:46 oi de epebalon tas cheiras aut�i kai ekrat�san auton  46 at illi manus iniecerunt in eum et tenuerunt eum    46 En zij sloegen hun handen aan Hem, en grepen Hem.  [46] Ze grepen Hem en overmeesterden Hem.  [46] Ze grepen hem vast en namen hem gevangen.     46. Les autres mirent la main sur lui et l'arrêtèrent. 

King James Bible. [46] And they laid their hands on him, and took him.
Luther-Bibel. 46 Die aber legten Hand an ihn und ergriffen ihn.

Mc 14,46 oi de epebalon tas cheiras aut�i (zij echter wierpen de handen op hem)    
Mt 26,50 tote proselthontes epebalon tas cheiras epi ton ièsoun (dan naderbijgekomen wierpen zij de handen op de Jezus)    
       

Tekstuitleg van Mc 14,46. Dit vers Mc 14,46 telt 11 woorden en 50 letters. De getalwaarde van Mc 14,46 is 5743 (priemgetal). Mc 14,46 // Mt 26,50.

1. hoi (de). Taalgebruik: bepaald lidwoord. Mc 14 (11): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,11. (3) Mc 14,12. (4) Mc 14,16. (5) Mc 14,40. (6) Mc 14,46. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,55. (9) Mc 14,64. (10) Mc 14,65. (11) Mc 14,70.

bep. lidw. hoi nom. mann. mv.   bijbel  O.T.  NT  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
47  4230 3257 973 196 101 165 125 147 169 70 4 8 8 5 3 7 5 5 4 14 5 7 5 11 10  

2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.

3. epebalon (zij legden op). Taalgebruik: epiballô (op-werpen, over-vallen). Actief aorist derde persoon meervoud van het werkwoord epiballô (op-werpen, over-vallen). Lat. ballô. Ned. vallen -> over-vallen. Hebr. nâphal. In acht verzen in de bijbel. In drie verzen in het O.T.. In vijf verzen in het NT:
(1) Mt 26,50: tote proselthontes epebalon tas cheiras epi ton Ièsoun (en naderbijgekomen sloegen zij de handen op op Jezus).
(2) Mc 14,46: oi de epebalon tas cheiras aut�i (zij echter sloegen de handen op hem).
(3) Hnd 4,3: kai epebalon autois tas cheiras (en zij sloegen op hen de handen).
(4) Hnd 5,18: kai epebalon tas cheiras epi tous apostolous (en zij sloegen de handen op op de apostelen).
(5) Hnd 21,27: kai epebalon ep'auton tas cheiras (en zij sloegen op op hem de handen).
In de apokalyptische rede schrijft Lucas in Lc 21,12: epibalousin ef'humas tas cheiras autôn = zij zullen op jullie hun handen opslaan. Daarin zegt Jezus dat men de hand aan hen zal slaan. Het is Jezus overkomen. Het overkomt ook de apostelen (Petrus en Johannes) en Paulus. De leerling gaat dezelfde weg op als zijn leraar.

5. acc.vr.  mv. cheiras (handen) van het zelfst. naamw. cheir (hand). Taalgebruik in het NT: cheir (hand). Taalgebruik in Mc: cheir (hand).
Mc 5 (11): (1) Mc 5,23. (2) Mc 6,5. (3) Mc 7,3. (4) Mc 8,23. (5) Mc 8,25. (6) Mc 9,31. (7) Mc 9,43. (8) Mc 10,16. (9) Mc 14,41. (10) Mc 14,46.  (11) Mc 16,18

9. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,11. (4) Mc 14,39. (5) Mc 14,44. (6) Mc 14,45. (7) Mc 14,46. (8) Mc 14,50. (9) Mc 14,51. (10) Mc 14,55. (11) Mc 14,61. (12) Mc 14,64. (13) Mc 14,65. (14) Mc 14,69.

Mc 14,47 - Mc 14,47: 330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:47 eis de [tis] t�n parest�kot�n spasamenos t�n machairan epaisen ton doulon tou archiere�s kai afeilen autou to �tarion  47 unus autem quidam de circumstantibus educens gladium percussit servum summi sacerdotis et amputavit illi auriculam    47 En een dergenen, die daarbij stonden, het zwaard trekkende, sloeg den dienstknecht des hogepriesters, en hieuw hem zijn oor af.  [47] Een van de omstanders trok zijn zwaard, sloeg in op de knecht van de hogepriester en hakte hem een oor af.  [47] Een van de omstanders trok een zwaard, ging de dienaar van de hogepriester te lijf en sloeg hem een oor af.  46 En zij leggen de handen op hem en grijpen hem.  47. Alors l'un des assistants, dégainant son glaive, frappa le serviteur du Grand Prêtre et lui enleva l'oreille. 

King James Bible. [47] And one of them that stood by drew a sword, and smote a servant of the high priest, and cut off his ear.
Luther-Bibel. 47 Einer aber von denen, die dabeistanden, zog sein Schwert und schlug nach dem Knecht des Hohenpriesters und hieb ihm ein Ohr ab.

Tekstuitleg van Mc 14,47.

2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.

3. voornaamwoord τις = tis. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord tis. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord tis.

  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
mann. + vr. nom. enk. tis   24  (1) Mc 1,24. (1) Mc 2,7.   (1) Mc 3,33. (1) Mc 4,41.       2: (1) Mc 8,4. (2) Mc 8,34.   3: (1) Mc 9,30. (2) Mc 9,34. (3) Mc 9,35.           (1) Mc 14,47. (2) Mc 14,51.     824 467  357  24  24  72  50  40  156  15  120  170     

4. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc 14,10. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,13. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,17. (6) Mc 14,20. (7) Mc 14,26. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,43. (10) Mc 14,47. (11) Mc 14,54. (12) Mc 14,62. (13) Mc 14,66.

10. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.

13. gen. mann. enk. archiereôs (van de hogepriester). Taalgebruik in het NT: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Mc: archiereus (hogepriester). Mc (4): (1) Mc 2,26. (2) Mc 14,47. (3) Mc 14,54. (4) Mc 14,66.

17. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.

Mc 14,48 - Mc 14,48: 330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:48 kai apokritheis o i�sous eipen autois �s epi l�st�n ex�lthate meta machair�n kai xul�n sullabein me  48 et respondens Iesus ait illis tamquam ad latronem existis cum gladiis et lignis conprehendere me    48 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Zijt gij uitgegaan, met zwaarden en stokken, als tegen een moordenaar, om Mij te vangen?  [48] Daarop zei Jezus: ‘Alsof Ik een bandiet ben, zo bent u met zwaarden en knuppels op Mij afgekomen om Mij in handen te krijgen.  [48] Jezus zei tegen hen: ‘U bent er met zwaarden en knuppels op uitgetrokken om mij te arresteren, alsof ik een misdadiger ben!  47 Een van hen die erbij staan trekt het zwaard, slaat op de dienaar van de hogepriester in en hakt hem de oorlel af.  48. S'adressant à eux, Jésus leur dit: « Suis-je un brigand, que vous vous soyez mis en campagne avec des glaives et des bâtons pour me saisir !  

King James Bible. [48] And Jesus answered and said unto them, Are ye come out, as against a thief, with swords and with staves to take me?
Luther-Bibel. 48 Und Jesus antwortete und sprach zu ihnen: Ihr seid ausgezogen wie gegen einen R�uber mit Schwertern und mit Stangen, mich zu fangen.

Tekstuitleg van Mc 14,48. Het vers Mc 14,48 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 82 (2 X 41) letters. De getalwaarde van Mc 14,48 is 8840 (2 X 2 X 2 X 5 X 13 X 17).

Mc 14,48.1. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,48.2. part. aor. nom. mann. enk. apokritheis (geantwoord) van het werkw. apokrinomai (antwoorden). Taalgebruik in het NT: apokrinomai (antwoorden). Taalgebruik in Mc: apokrinomai (antwoorden).
Mc (14): (1) Mc 3,33. (2) Mc 6,37. (3) Mc 8,29. (4) Mc 9,5. (5) Mc 9,19. (6) Mc 10,3. (7) Mc 10,24. (8) Mc 10,51. (9) Mc 11,14. (10) Mc 11,22. (11) Mc 12,35. (12) Mc 14,48. (13) Mc 15,2. (14) Mc 15,12. Een vorm van apokrinomai (antwoorden) in Mc in 30 verzen.

Mc 14,48.1. - 2. kai apokritheis (en beantwoord) of ho de (...) apokritheis (hij echter beantwoord. Mc (13 / 14). Niet in Mc 8,29.
- kai apokritheis (en beantwoord). Mc 7 / 14: (1) Mc 3,33. (2) Mc 9,5. (3) Mc 10,51. (4) Mc 11,14. (5) Mc 11,22. (6) Mc 12,35. (7) Mc 14,48.
- ho de (...) apokritheis (hij echter beantwoord. (Mc 6 / 14). (1) Mc 6,37. (2) Mc 9,19. (3) Mc 10,3. (4) Mc 10,24. (5) Mc 15,2. (6) Mc 15,12.

Mc 12,35.3. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (219). Mc 14 (27): (1) Mc 14,6. (2) Mc 14,8. (3) Mc 14,9. (4) Mc 14,10. (5) Mc 14,14. (6) Mc 14,18. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,27. (10) Mc 14,29. (11) Mc 14,30. (12) Mc 14,31. (13) Mc 14,36. (14) Mc 14,41. (15) Mc 14,42. (16) Mc 14,44. (17) Mc 14,48. (18) Mc 14,52. (19) Mc 14,54. (20) Mc 14,60. (21) Mc 14,61. (22) Mc 14,62. (23) Mc 14,63. (24) Mc 14,68. (25) Mc 14,70. (26) Mc 14,71. (27) Mc 14,72

Mc 14,48.4. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus). Taalgebruik in het NT: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus).
Mc (57). Mc 14 (7): (1) Mc 14,6. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,48. (6) Mc 14,62. (7) Mc 14,72. Een vorm van ièsous (Jezus) in Mc in 81 verzen. Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 14 (11): (1) Mc 14,6 (nom. Ièsous). (2) Mc 14,18 (nom. Ièsous). (3) Mc 14,27 (nom. Ièsous). (4) Mc 14,30 (nom. Ièsous). (5) Mc 14,48 (nom. Ièsous). (6) Mc 14,53 (acc. Ièsoun). (7) Mc 14,55 (gen Ièsou.). (8) Mc 14,60 (acc. Ièsoun). (9) Mc 14,62 (nom. Ièsous). (10) Mc 14,67 (gen. Ièsou). (11) Mc 14,72 (nom. Ièsous).

Mc 14,48.1. - 4. kai apokritheis ho ièsous (en Jezus beantwoord). Mc (3): (1) Mc 11,22. (2) Mc 12,35. (3) Mc 14,48.
- Mc 11,22: legei autois (zegt hen).
- Mc 12,35: elegen (zei hij).
- Mc 14,48: zei hij hen).

Mc 14,49 - Mc 14,49: 330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:49 kath �meran �m�n pros umas en t� ier� didask�n kai ouk ekrat�sate me all ina pl�r�th�sin ai grafai  49 cotidie eram apud vos in templo docens et non me tenuistis sed ut adimpleantur scripturae    49 Dagelijks was Ik bij ulieden in den tempel, lerende, en gij hebt Mij niet gegrepen; maar dit geschiedt, opdat de Schriften vervuld zouden worden.  [49] Dag in dag uit gaf Ik bij u in de tempel onderricht, en u hebt Me niet opgepakt. Maar de Schriften moeten in vervulling gaan.’   [49] Dagelijks was ik bij jullie in de tempel om onderricht te geven, en toen hebben jullie me niet gevangengenomen; maar dit gebeurt omdat de Schriften in vervulling moeten gaan.’  48 Ten antwoord zegt Jezus tot hen: als tegen een rover zijt ge met zwaarden en stokken uitgetrokken om mij vast te nemen!–  49. Chaque jour j'étais auprès de vous dans le Temple, à enseigner, et vous ne m'avez pas arrêté. Mais c'est pour que les Écritures s'accomplissent. » 

King James Bible. [49] I was daily with you in the temple teaching, and ye took me not: but the scriptures must be fulfilled.
Luther-Bibel. 49 Ich bin t�glich bei euch im Tempel gewesen und habe gelehrt, und ihr habt mich nicht ergriffen. Aber so muss die Schrift erf�llt werden.

Tekstuitleg van Mc 14,49.

4. pros (naar, bij). Taalgebruik in NT: pros (naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros (naar, bij). Mc 14 (5): (1) Mc 14,4. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,49. (4) Mc 14,53. (5) Mc 14,54.

5. persoonl. voornaamw. acc. mann. mv. humas (jullie, u). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord. Mc (13): (1) Mc 1,8 (2X). (2) Mc 1,17.(3) Mc 6,11. (4) Mc 9,19. (5) Mc 9,41. (6): Mc 11,29. (7) Mc 13,5. (8) Mc 13,9. (9) Mc 13,11. (10) Mc 13,36. (11) Mc 14,28. (12) Mc 14,49. (13) Mc 16,7 .

6. ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd, middel)Taalgebruik in het NT: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in).
Mc 14 (7): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,2. (3) Mc 14,3. (4) Mc 14,6. (5) Mc 14,25. (6) Mc 14,49. (7) Mc 14,66.

8. dat. onz. enk. hierô(i) (heiligdom, tempel) Taalgebruik in het NT: hieron (heiligdom, tempel). Taalgebruik in Mc: hieron (heiligdom, tempel). Een vorm van hieron is steeds voorafgegaan door een voorzetsel.
1. dia tou hierou (door de tempel). Mc (1): Mc 11,16.
2. eis to hieron (naar de tempel). Mc (2): (1) Mc 11,11. (2) Mc 11,15.
3. ek tou hierou (uit de tempel). Mc (1): Mc 13,1.
4. en tô(i) hierô(i) (in de tempel). Mc (4): (1) Mc 11,15. (2) Mc 11,27. (3) Mc 12,35. (4) Mc 14,49.
5. katenanti tou hierou (tegenover de tempel). Mc (1): Mc 13,3.
Een vorm van hieron (tempel) in Mc 11 (5): (1) eis to hieron (naar de tempel): Mc 11,11. (2) eis to hieron (naar de tempel): Mc 11,15. (3) en tô(i) hierô(i) (in de tempel): Mc 11,15. (4) dia tou hierou (door de tempel): Mc 11,16. (5) en tô(i) hierô(i) (in de tempel): Mc 11,27.

Mc 14,50 - Mc 14,50: 330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:50 kai afentes auton efugon pantes  50 tunc discipuli eius relinquentes eum omnes fugerunt    50 En zij, Hem verlatende, zijn allen gevloden.   [50] Ze lieten Hem allemaal in de steek en vluchtten weg.   [50] Toen lieten allen hem in de steek en vluchtten weg.  49 dagelijks was ik bij u en gaf in het heiligdom onderricht en ge hebt me niet gegrepen; maar dit is opdat de Schriften in vervulling gaan!  50. Et, l'abandonnant, ils prirent tous la fuite.  

King James Bible. [50] And they all forsook him, and fled.
Luther-Bibel. 50 Da verlie�en ihn alle und flohen.

Tekstuitleg van Mc 14,50. Dramatischer kan de versregel niet: 14 = 2 X 7 en 50 = (7 X 7) + 1. Het vers Mc 14,50 telt 5 woorden en 27 (3³) letters. De getalswaarde van Mc 14,50 is 3577 (7³ X 73). Volgens Mt 26,56b lieten alle leerlingen Jezus achter en vluchtten. Volgens Mc 14,50 lieten ze (allen) Jezus achter en vluchtten. In ieder geval lieten zij Jezus alleen door hem achter te laten. Dit staat in schril contrast met de roepingsverhalen waarin de leerlingen 'alles' achterlieten om Jezus te volgen. Volgens het verhaal zullen de leerlingen geen getuigen van de verdere gebeurtenissen zijn.

Mc 14,50 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἀφέντες (= afentes: achterlatende, aflatende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἔφυγον (= efugon: zij vluchtten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw φευγω = feugô. vluchten) πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder).

Mc 14,50.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et.

Mc 14,50.2. ἀφέντες (= afentes: achterlatende, aflatende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8). Taalgebruik in het NT: afièmi (aflaten, achterlaten). Taalgebruik in de LXX: afièmi (aflaten, achterlaten). Taalgebruik in Mc: afièmi (aflaten, achterlaten). par-donner (pardon): ver-geven. s'excuser (ex -causa) = buiten de zaak, zich ver-ont-schuld-igen. kwijt-schelden (ont-schulden). Slechts in het NT (15). Mt (4): (1) Mt 4,20. (2) Mt 4,22. (3) Mt 22,22. (4) Mt 26,56. Mc (6): (1) Mc 1,18. (2) Mc 1,20. (3) Mc 4,36. (4) Mc 7,8. (5) Mc 12,12. (6) Mc 14,50. Lc (3): (1) Lc 5,11. (2) Lc 10,30. (3) Lc 18,28. Verder: (1) Rom 1,27. (2) Heb 6,1. Een vorm van αφιημι = afièmi (aflaten, achterlaten) in de LXX (138), in het NT (142), in Mc (35). In de LXX kan een vorm van het Griekse αφιημι = afièmi de vertaling van 18 Hebreeuwse / Aramese woorden zijn.

Mc 14,50.3. αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos. Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,11. (4) Mc 14,39. (5) Mc 14,44. (6) Mc 14,45. (7) Mc 14,46. (8) Mc 14,50. (9) Mc 14,51. (10) Mc 14,55. (11) Mc 14,61. (12) Mc 14,64. (13) Mc 14,65. (14) Mc 14,69.

  autos Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
4 acc. mann. enk. auton   146  11  12  12  16  12  14  17  2872  2032  840  114  146  184  154  136  85  21  598  752 

Mc 14,50.2. - 3. αφεντες αυτον = afentes auton (hem achtergelaten). NT (4): (1) Mt 22,22 // Mc 12,12. (2) Mt 26,56 // Mc 14,50. (3) Mc 12,12 // Mt 22,22. (4) Mc 14,50 // Mt 26,56. In het eerste geval laten tegenstanders Jezus achter, in het tweede geval zijn het alle leerlingen. In tegenstelling tot: (1) Mt 4,20 // Mc 1,18. (2) Mt 4,22 // Mc 1,20. (3) Mc 1,18 // Mt 4,20. (4) Mc 1,20 // Mt 4,22 lieten de leerlingen van alles achter om Jezus te volgen.

Mc 14,50.1.- 3. και αφεντες αυτον = kai afentes auton (en achtergelaten hem). Bijbel = NT (3): (1) Mt 22,22. (2) Mc 12,12. (3) Mc 14,50

Mc 14,50.4, ἔφυγον (= efugon: zij vluchtten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw φευγω = feugô. vluchten). Taalgebruik in het NT: feugô (vluchten). Taalgebruik in de LXX: feugô (vluchten). Bijbel (60). OT (52). NT (8): (1) Mt 8,33. (2) Mt 26,56. (3) Mc 5,14. (4) Mc 14,50. (5) Mc 16,8. (6) Lc 8,34. (7) Heb 11,34. (8). Heb 12,25. Een vorm van φευγω = feugô in de LXX (250), in het NT (29).

Mc 14,50.5. πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder). Taalgebruik in het NT: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in de LXX: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in Mc: pas (ieder, elk, alles).

  pas (al) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
10 nom. mann. mv. pantes 724 558 166 18  15 25 14  33 57 58  72 

  pas (al) Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16
10 nom. mann. mv. pantes 15 2 : (1) Mc 1,5. (2) Mc 1,37.       (1) Mc 5,20.   2 : (1) Mc 6,42. (2) Mc 6,50. 2 : (1) Mc 7,3. (2) Mc 7,14.       (1) Mc 12,44.     7 : (1) Mc 14,23. (2) Mc 14,27. (3) Mc 14,29. (4) Mc 14,31. (5) Mc 14,50. (6) Mc 14,53. (7) Mc 14,64.  

- Hebr. kol. kl (al). Taalgebruik in Tenakh: kl (al). Lat. omnis. Fr. tout. Ned. elk, ieder. Arabisch: kull (al). Taalgebruik in de Koran: kull (al).


Mc 14,51 - Mc 14,51: 330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:51 kai neaniskos tis sun�kolouthei aut� peribebl�menos sindona epi gumnou kai kratousin auton  51 adulescens autem quidam sequebatur illum amictus sindone super nudo et tenuerunt eum    51 En een zeker jongeling volgde Hem, hebbende een lijnwaad omgedaan over het naakte lijf, en de jongelingen grepen hem.   [51] Een jongeman* volgde Hem met slechts een linnen doek om het naakte lijf; ze grepen hem vast.   [51] Een jongeman, die alleen een linnen kleed aanhad, probeerde bij hem te blijven, maar toen ook hij werd vastgegrepen,  50 Toen lieten ze hem alleen en zijn allen gevlucht. 51 Zomaar een jongeman is hem blijven volgen, met een linnen lap om het naakte lijf geworpen; die grijpen ze ook.  51. Un jeune homme le suivait, n'ayant pour tout vêtement qu'un drap, et on le saisit;  

King James Bible. [51] And there followed him a certain young man, having a linen cloth cast about his naked body; and the young men laid hold on him:
Luther-Bibel. 51 Ein junger Mann aber folgte ihm nach, der war mit einem Leinengewand bekleidet auf der blo�en Haut; und sie griffen nach ihm.

Tekstuitleg van Mc 14,51.

Mc 14,51 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) νεανίσκος (= neaniskos: jongeman, kleine man; zn nom mann enk) τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk) συνηκολούθει (= sunèkolouthei: hij volgde mee met; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw συνακολουθεω = sunakoloutheô: mede volgen met) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) περιβεβλημένος (= peribeblèmenos: gekleed; wkw pass part perf nom mann enk van het wkw περιβαλλω = periballô: werpen rondom, bedekken) σινδόνα (= sindona: onderkleed; zn acc mann mv van het zn σινδων = sindôn: linnen weefsel) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) γυμνοῦ (= gumnou: naakt; bv nw gen onz enk van het bv nw γυμνὸς = gumnos: naakt), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) κρατοῦσιν (= kratousin: zij overmeesteren; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw κρατεω = krateô: krachtig zijn, zich meester maken over) (= kratousin: zij overmeesteren; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw κρατεω = krateô: krachtig zijn, zich meester maken over) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het):

Mc 14,51.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et.

Mc 14,51.2. νεανίσκος (= neaniskos: jongeman, kleine man; zn nom mann enk).

Mc 14,51.3. τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord tis. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord tis.

  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
mann. + vr. nom. enk. tis   24  (1) Mc 1,24. (1) Mc 2,7.   (1) Mc 3,33. (1) Mc 4,41.       2: (1) Mc 8,4. (2) Mc 8,34.   3: (1) Mc 9,30. (2) Mc 9,34. (3) Mc 9,35.           (1) Mc 14,47. (2) Mc 14,51.     824 467  357  24  24  72  50  40  156  15  120  170     

Mc 14,51.2. - 3. εἱς τις = heis tis (een zekere). Bijbel = NT (2): (1) Mc 14,51. (2) Lc 22,50.
- εἱς δε τις = heis de tis (een zekere echter). Bijbel = NT (2): (1) Mc 14,47. (2) Joh 11,49.

Mc 14,51.4. νεανίσκος (= neaniskos: jongeman, kleine man; zn nom mann enk). Taalgebruik in de Bijbel: neaniskos (jongeman, kleine man). Bijbel (11): (1) Gn 34,19. (2) Gn 41,12. (3) Nu 11,27. (4) Dt 32,25. (5) Js 62,5. (6) Spr 20,11. (7) Tob 7,2. (8) Jdt 6,16. (9) Mt 19,20. (10) Mt 19,22. (11) Mc 14,51. Een vorm van νεανισκος = neaniskos in de LXX (110), in het NT (11), in Mc (2): (1) Mc 14,51. (2) Mc 16,5.

Mc 14,51.4bis. συνηκολούθει (= sunèkolouthei: hij volgde mee met; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw συνακολουθεω = sunakoloutheô: mede volgen met).

Mc 14,51.5. αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).

Mc 14,51.6. περιβεβλημένος (= peribeblèmenos: gekleed; wkw pass part perf nom mann enk van het wkw περιβαλλω = periballô: werpen rondom, bedekken).

Mc 14,51.7. σινδόνα (= sindona: onderkleed; zn acc mann mv van het zn σινδων = sindôn: linnen weefsel). Taalgebruik in de Bijbel: sindôn (linnen weefsel). Bijbel (3): (1) Mc 14,51. (2) Mc 14,52. (3) Mc 15,46. Een vorm van σινδων = sindôn in de LXX (3): (1) Re 14,12. (2) Re 14,13. (3) Spr 31,24, in het NT (6).

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
dat. vr. enk. sindoni     1 : Mt 27,59. 1 : Mc 15,46. 1 : Lc 23,53.         3 : (1) Mt 27,59 // Mc 15,46 // Lc 23,53.    
acc. vr. enk. sindona      3 : (1) Mc 14,51. (2) Mc 14,52. (3) Mc 15,46.              
acc. vr. mv. sindonas  3 : (1) Re 14,12. (2) Re 14,13. (3) Spr 31,24.                        
totaal         6      

- Hebreeuws. סָדִין = sâdîn (onderkleed, linnen hemd). Taalgebruik in Tenakh: sâdîn (onderkleed, linnen hemd). Getalwaarde: samekh = 15 of 60, daleth = 4, jod = 10, nun = 14 of 50; totaal: 43 OF 124 (2² X 31). Structuur: 6 - 4 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 7. Een vorm van סָדִין = sâdîn in Tenakh (4): (1) Re 14,12. (2) Re 14,13. (3) Js 3,23 . (4) Spr 31,24.
- Latijn. abl. mann. enk. sindone van het zelfst. naamw. sindon, -onis. Bijbel (5): (1) Mt 27,59. (2) Mc 14,51. (3) Mc 14,52. (4) Mc 15,46. (5) Lc 23,53.
- Ned. satijn, zijde. Fr. toile = weefsel van linnen, hennep of katoen, afkomstig uit: Lat. tela (tex-la), texere = weven (Fr. tiser). E. linen. D. Leinentuch. Ned. linnen. Lat. linum (vlas). Gr. lineos. Fr. lin.

Mc 14,51.8. ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd).

Mc 14,51.9. γυμνοῦ (= gumnou: naakt; bv nw gen onz enk van het bv nw γυμνὸς = gumnos: naakt).

Mc 14,51.10. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa).

Mc 14,51.11. κρατοῦσιν (= kratousin: zij overmeesteren; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw κρατεω = krateô: krachtig zijn, zich meester maken over).

Mc 14,51.12. αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het): Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,11. (4) Mc 14,39. (5) Mc 14,44. (6) Mc 14,45. (7) Mc 14,46. (8) Mc 14,50. (9) Mc 14,51. (10) Mc 14,55. (11) Mc 14,61. (12) Mc 14,64. (13) Mc 14,65. (14) Mc 14,69.


Mc 14,52 - Mc 14,52: 330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:52 o de katalip�n t�n sindona gumnos efugen  52 at ille reiecta sindone nudus profugit ab eis     52 En hij, het lijnwaad verlatende, is naakt van hen gevloden.  [52] Maar hij liet de doek achter en vluchtte naakt weg.  [52] liet hij het kleed in hun handen achter en vluchtte naakt weg.   52 Maar hij laat de linnen lap achter en is naakt gevlucht.  52. mais lui, lâchant le drap, s'enfuit tout nu.  

King James Bible. [52] And he left the linen cloth, and fled from them naked.
Luther-Bibel. 52 Er aber lie� das Gewand fahren und floh nackt davon.

Tekstuitleg van Mc 14,52.

Mc 14,52 (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) καταλιπὼν (= katalipôn: achterlatende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw καταλειπω = kataleipô: achterlaten) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) σινδόνα (= sindona: onderkleed; zn acc mann mv van het zn σινδων = sindôn: linnen weefsel) γυμνὸς (= gumnos: naakt; bv nw nom mann enk) ἔφυγεν (= efugen; hij vluchtte; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw φευγω = feugô. vluchten).

Mc 14,52.1. (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het).

Mc 14,52.2. δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.

Mc 14,52.3. καταλιπὼν (= katalipôn: achterlatende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw καταλειπω = kataleipô: achterlaten).

Mc 14,52.4. τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het).

Mc 14,52.5. σινδόνα (= sindona: onderkleed; zn acc mann mv van het zn σινδων = sindôn: linnen weefsel). Taalgebruik in de Bijbel: sindôn (linnen weefsel). Bijbel (3): (1) Mc 14,51. (2) Mc 14,52. (3) Mc 15,46. Een vorm van σινδων = sindôn in de LXX (3): (1) Re 14,12. (2) Re 14,13. (3) Spr 31,24, in het NT (6).

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
dat. vr. enk. sindoni     1 : Mt 27,59. 1 : Mc 15,46. 1 : Lc 23,53.         3 : (1) Mt 27,59 // Mc 15,46 // Lc 23,53.    
acc. vr. enk. sindona      3 : (1) Mc 14,51. (2) Mc 14,52. (3) Mc 15,46.              
acc. vr. mv. sindonas  3 : (1) Re 14,12. (2) Re 14,13. (3) Spr 31,24.                        
totaal         6      

- Hebreeuws. סָדִין = sâdîn (onderkleed, linnen hemd). Taalgebruik in Tenakh: sâdîn (onderkleed, linnen hemd). Getalwaarde: samekh = 15 of 60, daleth = 4, jod = 10, nun = 14 of 50; totaal: 43 OF 124 (2² X 31). Structuur: 6 - 4 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 7. Een vorm van סָדִין = sâdîn in Tenakh (4): (1) Re 14,12. (2) Re 14,13. (3) Js 3,23 . (4) Spr 31,24.
- Latijn. abl. mann. enk. sindone van het zelfst. naamw. sindon, -onis. Bijbel (5): (1) Mt 27,59. (2) Mc 14,51. (3) Mc 14,52. (4) Mc 15,46. (5) Lc 23,53.
- Ned. satijn, zijde. Fr. toile = weefsel van linnen, hennep of katoen, afkomstig uit: Lat. tela (tex-la), texere = weven (Fr. tiser). E. linen. D. Leinentuch. Ned. linnen. Lat. linum (vlas). Gr. lineos. Fr. lin.

Mc 14,52.6. γυμνὸς (= gumnos: naakt; bv nw nom mann enk).

Mc 14,52.7. ἔφυγεν (= efugen; hij vluchtte; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw φευγω = feugô. vluchten).



331. Naar de hogepriester: Mc 14,53-54 -- Mc 14,53-54 - Mt 26,57-58 - Lc 22,54-55 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,53 - Mc 14,54 -

Mc 14,53 - Mc 14,53: 331. Naar de hogepriester: Mc 14,53-54 - Mt 26,57-58 - Lc 22,54-55 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,53 - Mc 14,54 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:53 kai ap�gagon ton i�soun pros ton archierea kai sunerchontai pantes oi archiereis kai oi presbuteroi kai oi grammateis  53 et adduxerunt Iesum ad summum sacerdotem et conveniunt omnes sacerdotes et scribae et seniores    53 En zij leidden Jezus henen tot den hogepriester; en bij hem vergaderden al de overpriesters, en de ouderlingen, en de Schriftgeleerden.  [53] Ze brachten Jezus naar de hogepriester, en alle hogepriesters en oudsten en schriftgeleerden kwamen bij elkaar.   [53] Jezus werd meegevoerd naar het huis van de hogepriester om te worden voorgeleid, en alle hogepriesters, oudsten en schriftgeleerden kwamen daar bijeen. 53 ¶ Ze voeren Jezus weg, naar de hogepriester, en daar komen ze allemaal samen, de overpriesters, de oudsten en de schriftgeleerden.  53. Ils emmenèrent Jésus chez le Grand Prêtre, et tous les grands prêtres, les anciens et les scribes se rassemblent.  

King James Bible. [53] And they led Jesus away to the high priest: and with him were assembled all the chief priests and the elders and the scribes.
Luther-Bibel. 53 Und sie f�hrten Jesus zu dem Hohenpriester; und es versammelten sich alle Hohenpriester und �ltesten und Schriftgelehrten.

Tekstuitleg van Mc 14,53. Dit vers Mc 14,53 bevat 19 woorden en 102 (2 X 51) letters. De getalwaarde van Mc 14,53 is 10366 (2 X 71 X 73). Het vers bestaat uit twee nevenschikkende hoofdzinnen. In de tweede zin bestaat het onderwerp uit drie groepen. In Mc 14,53 komen alle hogepriesters en oudsten en schriftgeleerden bijeen. In Mc 14,64 veroordelen zij allen Jezus ter dood. In tegenstelling tot de andere evangelisten legt Marcus de nadruk op 'allen'. In Mc 14,55 en Mc 15,1 is er sprake van het hele sanhedrin.

Mt 26,57 // Mc 14,53 // (Lc 22,54) Mc 14,53 (Lc 22,54) Lc 22,66
Hoi de kratèsantes (Zij echter overmeesterd) Kai (en) Sullabontes de (Meegenomen echter)  
ton Ièsoun (Jezus)   auton (hem)  
apègagon (leidden zij weg) apègagon (leidden zij weg) ègagon (leidden zij) ) kai eisègagon (en leidden binnen) apègagon (zij leidden weg)
  ton Ièsoun (Jezus)   auton (hem) 
      eis to sunedrion autôn (naar hun sanhedrin).  

Mc 14,53.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
- Hebr. waw (verbindingshaak). L. et. Fr. et. N. en. E. and. D. und.

kai (en)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen      7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

Mc 14,53.2. act. ind. aor. 3de pers. mv. απηγαγον = apègagon (zij leidden weg) van het werkw. απαγω = apagô (wegleiden, wegvoeren). Taalgebruik in het NT: apagô (wegleiden, afvoeren). Taalgebruik in Mc: apagô (wegleiden, afvoeren). Bijbel (12). LXX (5): (1) 1 K 1,38. (2) Job 24,3. (3) 2 Kr 36,17. (4) Jdt 6,14. (5) Bar 4,16. NT (7): (1) Mt 26,57. (2) Mt 27,2. (3) Mt 27,31. (4) Mc 14,53. (5) Mc 15,16. (6) Lc 22,66. (7) Lc 23,26. Een vorm van απαγω = apagô in de LXX (52), in het NT (15). Na zijn arrestatie in de hof van Getsemane werd Jezus weggeleid naar de hogepriester (Mc 14,53). Na de vrijlating van Barnabas werd Jezus weggeleid om gekruisigd te worden. De soldaten leidden Jezus weg en begonnen met de uitvoering van de straf (Mc 15,16). Tussen beide wegleidingen ligt het gebeuren vanaf zijn arrestatie tot zijn veroordeling.

Mc 14,53.3. bep. lidw. acc. mann. enk. τον = ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc (124). Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.
- Gr. to..., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).

Mc 14,53.4. acc. mann. enk. ιησουν = Ièsoun van de eigennaam ιησους = ièsous (Jezus). Taalgebruik in het NT: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus). Mc (11): (1) Mc 5,6. (2) Mc 5,15. (3) Mc 6,30. (4) Mc 9,8. (5) Mc 10,50. (6) Mc 11,7. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,60. (9) Mc 15,1. (10) Mc 15,15. (11) Mc 16,6.
Een vorm van ιησους = Ièsous (Jezus) in Mc 14 (11): (1) Mc 14,6 (nom. Ièsous). (2) Mc 14,18 (nom. Ièsous). (3) Mc 14,27 (nom. Ièsous). (4) Mc 14,30 (nom. Ièsous). (5) Mc 14,48 (nom. Ièsous). (6) Mc 14,53 (acc. Ièsoun). (7) Mc 14,55 (gen Ièsou.). (8) Mc 14,60 (acc. Ièsoun). (9) Mc 14,62 (nom. Ièsous). (10) Mc 14,67 (gen. Ièsou). (11) Mc 14,72 (nom. Ièsous).

  Ièsous (Jezus)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
3 acc. mann. enk. Ièsoun 163  39  124  15 11 14 26 27 31 0 40 66

Mc 14,53.3. - 4. τον ιησουν = ton Ièsoun (de Jezus). NT (66). In Mc in 10 van de 11 verzen. Niet in Mc 16,6.

Mc 14,532. - 4. απηγαγον τον ιησουν = apègagon ton Ièsoun (zij leidden Jezus weg). Slechts in Mc 14,53.
-... τον ιησουν απηγαγον = ton Ièsoun apègagon (zij leidden Jezus weg). NT (1): Mt 26,57.

Mc 14,53.5. προς = pros (naar, bij). Taalgebruik in NT: pros (naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros (naar, bij). Mc (62). Mc 14 (5): (1) Mc 14,4. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,49. (4) Mc 14,53. (5) Mc 14,54.

Mc 14,53.6. bep. lidw. acc. mann. enk. τον = ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc (124). Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.
- Gr. to..., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).

Mc 14,53.7. αρχιερεα (= archiera: hogepriester; zn acc mann enk van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester). Taalgebruik in het NT: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Mc: archiereus (hogepriester). Mc: (1) Mc 14,53.
Een vorm van αρχιερευς = archiereus (hogepriester) in Mc 14 (11, 12X): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,43. (4) Mc 14,47. (5) Mc 14,53 (archerea). (6) Mc 14,53 (archiereis). (7) Mc 14,54. (8) Mc 14,55. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,66. Een vorm van αρχιερευς = archiereus (hogepriester) in de LXX (), in het NT (122), in Mc (22): in het enk. in 8 verzen, in mv. in 14 verzen.

  archiereus (hogepriester) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn.   ev.
acc. mann. enk. archierea 16 7 9 1 1   1 1 5  

6. - 7. τον αρχιερεα = ton archierea (de hogepriester). NT (4): (1) Mt 26,57. (2) Mc 14,53. (3) Joh 18,24. (4) Hnd 23,4. En de variante van Hnd 4,6.

Mc 14,53.5. - 7. προς τον αρχιερεα = pros ton archierea (naar de hogepriester). NT. Slechts in Mc 14,53.
- προς... τον αρχιερεα = pros... ton archierea (naar... de hogepriester). (1) Mt 26,57. (2) Joh 18,24.

Mc 14,53.8. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
- Hebr. waw (verbindingshaak). L. et. Fr. et. N. en. E. and. D. und.

Mc 14,53.9. ind. praes. 3de pers. mv. sunerchontai (zij komen samen) van het werkw. sunerchomai (samenkomen). Taalgebruik in het NT: sunerchomain (samenkomen). Taalgebruik in Mc: sunerchomain (samenkomen). Bijbel en NT (2). Mc (1): Mc 14,53. Een vorm van sunerchomai (samenkomen) in Mc in 3 verzen.

10. nom. mann. mv. παντες = pantes (allen) van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in het NT: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in de LXX: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in Mc: pas (ieder, elk, alles).

  pas (al) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
10 nom. mann. mv. pantes 724 558 166 18  15 25 14  33 57 58  72 

  pas (al) Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16
10 nom. mann. mv. pantes 15 2 : (1) Mc 1,5. (2) Mc 1,37.       (1) Mc 5,20.   2 : (1) Mc 6,42. (2) Mc 6,50. 2 : (1) Mc 7,3. (2) Mc 7,14.       (1) Mc 12,44.     7 : (1) Mc 14,23. (2) Mc 14,27. (3) Mc 14,29. (4) Mc 14,31. (5) Mc 14,50. (6) Mc 14,53. (7) Mc 14,64.  

- Hebr. kol. kl (al). Taalgebruik in Tenakh: kl (al). Lat. omnis. Fr. tout. Ned. elk, ieder. Arabisch: kull (al). Taalgebruik in de Koran: kull (al).

Mc 14,53.11. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (101). Mc 14 (11): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,11. (3) Mc 14,12. (4) Mc 14,16. (5) Mc 14,40. (6) Mc 14,46. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,55. (9) Mc 14,64. (10) Mc 14,65. (11) Mc 14,70.

Mc 14,53.12. nom. mann. mv. archiereis (hogepriesters) van het zelfstandig naamw. archiereus (hogepriester).Taalgebruik in het NT: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Mc: archiereus (hogepriester).
Mc (11). (1) Mc 11,18. (2) Mc 11,27. (3) Mc 14,1. (4) Mc 14,10. (5) Mc 14,53. (6) Mc 14,55. (7) Mc 15,1. (8) Mc 15,3. (9) Mc 15,10. (10) Mc 15,11. (11) Mc 15,31.
Een vorm van archiereus (hogepriester) in Mc 14 (11, 12X): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,43. (4) Mc 14,47. (5) Mc 14,53 (archerea). (6) Mc 14,53 (archiereis). (7) Mc 14,54. (8) Mc 14,55. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,66.

10. - 12. παντες οἱ αρχιερεις = pantes archiereis (alle hogepriesters). NT (2): (1) Mt 27,1. (2) Mc 14,53.

Mc 14,53.13. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
- Hebr. waw (verbindingshaak). L. et. Fr. et. N. en. E. and. D. und.

Mc 14,53.14. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (101). Mc 14 (11): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,11. (3) Mc 14,12. (4) Mc 14,16. (5) Mc 14,40. (6) Mc 14,46. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,55. (9) Mc 14,64. (10) Mc 14,65. (11) Mc 14,70.

11. - 15. οἱ αρχιερεις και οἱ πρεσβυτεροι = hoi archiereis kai hoi presbuteroi (de hogepriesters en de oudsten). NT (7): (1) Mt 21,23. (2) Mt 26,59. (3) Mt 27,1. (4) Mt 27,20. (5) Mc 14,53. (6) Hnd 4,23. (7) Hnd 25,15.

Mc 14,53.16. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
- Hebr. waw (verbindingshaak). L. et. Fr. et. N. en. E. and. D. und.

Mc 14,53.17. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (101). Mc 14 (11): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,11. (3) Mc 14,12. (4) Mc 14,16. (5) Mc 14,40. (6) Mc 14,46. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,55. (9) Mc 14,64. (10) Mc 14,65. (11) Mc 14,70.

18. γραμματεῖςγ (= grammateis: Schriftgeleerden; zn nom mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde (uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα: assimilatie van de f aan de m; γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven. Taalgebruik in het NT: grammateus (schriftgeleerde). Taalgebruik in Mc: grammateus (schriftgeleerde).
Mc (11): (1) Mc 1,22. (2) Mc 2,16. (3) Mc 3,22. (4) Mc 7,5. (5) Mc 9,11. (6) Mc 9,14. (7) Mc 11,18. (8) Mc 11,27. (9) Mc 12,35. (10) Mc 14,1. (11) Mc 14,53. Nom. (10). Acc. (1): Mc 9,14.

Duality

- act. ind. aor. 3de pers. mv. apègagon van het werkw. apagô (wegleiden, afvoeren). Mc (2): (1) Mc 14,53. (2) Mc 15,16.

Mc 14,54 - Mc 14,54: 331. Naar de hogepriester: Mc 14,53-54 - Mt 26,57-58 - Lc 22,54-55 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,53 - Mc 14,54 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:54 kai o petros apo makrothen �kolouth�sen aut� e�s es� eis t�n aul�n tou archiere�s kai �n sugkath�menos meta t�n up�ret�n kai thermainomenos pros to f�s  54 Petrus autem a longe secutus est eum usque intro in atrium summi sacerdotis et sedebat cum ministris et calefaciebat se ad ignem     54 En Petrus volgde Hem van verre, tot binnen in de zaal des hogepriesters, en hij was mede zittende met de dienaren, en zich warmende bij het vuur.  [54] Petrus was Hem op een afstand gevolgd tot op de binnenplaats van het paleis van de hogepriester, en hij zat zich daar tussen de knechten bij het vuur te warmen.   [54] Petrus volgde hem op een afstand tot op de binnenplaats van het huis van de hogepriester, waar hij tussen de knechten ging zitten en zich warmde aan het vuur.  54 Petrus volgt hem van verre tot binnen op de hof van de hogepriester; hij zit daar bij de bedienden en warmt zich aan het licht.  54. Pierre l'avait suivi de loin jusqu'à l'intérieur du palais du Grand Prêtre et, assis avec les valets, il se chauffait à la flambée.  

King James Bible. [54] And Peter followed him afar off, even into the palace of the high priest: and he sat with the servants, and warmed himself at the fire.
Luther-Bibel. 54 Petrus aber folgte ihm nach von ferne, bis hinein in den Palast des Hohenpriesters, und sa� da bei den Knechten und w�rmte sich am Feuer.

Tekstuitleg van Mc 14,54.

6. act. ind. aor. 3de p. enk. èkolouthèsen (hij volgde) van het werkw. akoloutheô (volgen). Taalgebruik in het NT: akoloutheô (volgen). Taalgebruik in Mc: akoloutheô (volgen). Ned. acoliet.
Mc (3): (1) Mc 2,14. (1) Mc 3,7. (1) Mc 14,54.  

14. gen. mann. enk. archiereôs (van de hogepriester). Taalgebruik in het NT: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Mc: archiereus (hogepriester). Mc (4): (1) Mc 2,26. (2) Mc 14,47. (3) Mc 14,54. (4) Mc 14,66.

19. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc 14,10. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,13. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,17. (6) Mc 14,20. (7) Mc 14,26. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,43. (10) Mc 14,47. (11) Mc 14,54. (12) Mc 14,62. (13) Mc 14,66.

23. pros (naar, bij). Taalgebruik in NT: pros (naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros (naar, bij). Mc 14 (5): (1) Mc 14,4. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,49. (4) Mc 14,53. (5) Mc 14,54.

24. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.

332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 -- Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 -

Mc 14,61 Mc 15,2  Mt              
palin (opnieuw) kai (en)                
ho archiereus (de hogepriester)                  
epijroota (ondervroeg) epijrootijsen (ondervroeg)                
auton (hem) auton (hem)                
  ho Pilatos (Pilatus)                
kai legei autooi (en zei tot hem)                  
su (gij) su (gij)                
ei (zijt) ei (zijt)                
ho christos ho huios tou eulogijtou (de Christus, de zoon van de gezegende) ho basileus toon Ioudaioon (de koning van de joden)                
ho de Iijsous (Jezus echter) ho de (hij echter)                
  aprokritheis autooi (antwoordende hem)                
eipen (zei) legei (zegt)                
egoo eimi (ik ben het) su legeis (gij zegt het)                
332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 // Mt 26,59-66 // (Lc 22,66-71) 338. Jezus vóór Pilatus: Mc 15,2-5 // Mt 27,11-14 // Lc 23,2-5                

 

Mc 14,62 Mc 8,38 Mc 9,1 Mc 13,26
kai (en) hotan (wanneer) heôs an (totdat) kai tote (en dan)
opsesthe (gij zult zien)   idôsin (zij zullen zien) opsontai (zullen zij zien)
ton huion tou anthrôpou (de mensenzoon)   tèn basileian tou theou (het koninkrijk van God) ton huion tou anthrôpou (de mensenzoon)
ek deksiôn (rechts)      
kathèmenon (zittend)      
dunameôs (van de kracht)      
kai (en)      
erchomenon (komende) elthèi (hij komt)  elèluthuian  (gekomen zijnde)  erchomenon (komende)
  en tèi doksèi tou patros autou (in de heerlijkheid van zijn vader) en dunamei (in kracht) en nefelais meta dunameôs pollès kai doksès (op de wolken met grote kracht en heerlijkheid)
meta tôn nefelôn tou ouranou (op de wolken van de hemel) meta tôn aggelôn tôn hagiôn (met zijn heilige engelen)      
 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 // Mt 26,59-66 // (Lc 22,66-71) - Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -   166. Wat baat het een mens de hele wereld te winnen: Mc 8,36-38 // Mt 16,26-27 // Lc 9,25-26 - Mc 8,36-38 - Mt 16,26-27 - Lc 9,25-26 -  167. Nabijheid van het Rijk Gods: Mc 9,1 // Mt 16,28 // Lc 9,27 - Mc 9,1 - Mt 16,28 - Lc 9,27 -  305. De komst van de Mensenzoon: Mc 13,24-27 // Mt 24,29-31 // Lc 21,25-28 - Mc 13,24-27 - Mt 24,29-31 - Lc 21,25-28 -

 

Mc 14,55 - Mc 14,55: 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:55 oi de archiereis kai olon to sunedrion ez�toun kata tou i�sou marturian eis to thanat�sai auton kai ouch �uriskon 55 summi vero sacerdotes et omne concilium quaerebant adversum Iesum testimonium ut eum morti traderent nec inveniebant    55 En de overpriesters, en de gehele raad, zochten getuigenis tegen Jezus, om Hem te doden, en vonden niet.   [55] De hogepriesters en heel het Sanhedrin* zochten getuigenissen tegen Jezus om Hem ter dood te kunnen brengen, maar ze vonden niets.  [55] De hogepriesters en het hele Sanhedrin probeerden iemand een getuigenverklaring tegen Jezus te laten afleggen op grond waarvan ze hem ter dood konden veroordelen, maar dat lukte hun niet;  55 De overpriesters en heel het sanhedrin hebben een getuigenis tegen Jezus gezocht om hem ter dood te kunnen brengen, en hebben er geen gevonden.  55. Or, les grands prêtres et tout le Sanhédrin cherchaient un témoignage contre Jésus pour le faire mourir et ils n'en trouvaient pas.  

King James Bible. [55] And the chief priests and all the council sought for witness against Jesus to put him to death; and found none.
Luther-Bibel. 55 Aber die Hohenpriester und der ganze Hohe Rat suchten Zeugnis gegen Jesus, dass sie ihn zu Tode br�chten, und fanden nichts.

Tekstuitleg van Mc 14,55. In Mc 14,53 komen alle hogepriesters en oudsten en schriftgeleerden bijeen. In Mc 14,64 veroordelen zij allen Jezus ter dood. In tegenstelling tot de andere evangelisten legt Marcus de nadruk op 'allen'. In Mc 14,55 en Mc 15,1 is er sprake van het hele sanhedrin.

2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden.
Mc (149 + 2 = 151). Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.

3. nom. mann. mv. archiereis (hogepriesters). Taalgebruik in het NT: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Mc: archiereus (hogepriester).
Mc (11): (1) Mc 11,18. (2) Mc 11,27. (3) Mc 14,1. (4) Mc 14,10. (5) Mc 14,53. (6) Mc 14,55. (7) Mc 15,1. (8) Mc 15,3. (9) Mc 15,10. (10) Mc 15,11. (11) Mc 15,31. Een vorm van archiereus (priester) in Mc in 22 verzen.

4. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

5. nom. + acc. onz.  + acc. mann. enk. ὁλον = holon (heel) van het bijvoegl. naamw. ὁλος = holos (heel). Taalgebruik in de Bijbel: holos (heel). Mc (5): (1) Mc 8,36. (2) Mc 12,44. (3) Mc 14,9. (4) Mc 14,55. (5) Mc 15,1.

  holos (heel)  bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + acc. onz.  + acc. mann. enk. holon 53  20  33    19  21 

6. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.

7. συνέδριον (= sunedrion:Sanhedrin; zn nom onz enk). In het Nederlands telt Sanhedrin een lettergreep minder dan het Griekse sunedrion. Sanhedrin: http://bijbelaantekeningen.blogspot.com/2006/02/sanhedrin.html. Het Sanhedrin was het hoogste gerechtshof van de Joden, ook wel genoemd de Grote of Hoge Raad van het Jodendom. Het telde 70 leden, bestaande uit de hogepriester (als voorzitter), overpriesters (of gewezen hogepriesters) en de schriftgeleerden (als vakmensen). De naam is afgeleid van het Griekse woord synedrion: vergadering of raadsvergadering. Ook in het oude Griekenland bestonden synedrions (plaatselijke rechtbanken). Het Joodse Sanhedrin was al in de Perzische tijd actief, maar pas in de Romeinse tijd wordt er, mede door de Bijbel, meer over bekend. Als een Jood ter dood veroordeeld werd sprak het Sanhedrin de vorm van steniging uit. Na de bezetting van Israel door de Romeinen mochten zij niet meer de doodstraf uitspreken en moesten zij de verdachte overdragen aan de Romeinse bestuurders, welke indien ook zij de verdachte schuldig bevonden de persoon kruisigden. In de Talmud wordt beschreven, dat wanneer het Sanhedrin eens in de zeventig jaar een ter doodveroordeling uitsprak, dit genoeg was om de rechters moordenaars te noemen. De zittingszaal van het Sanhedrin was gelegen aan de Zuid-West-zijde van het tempelplein te Jeruzalem, half op gewijde, half op ongewijde grond. Twee deuren gaven toegang, ��n van het tempelplein en ��n van de stad uit. Na de verwoesting van de tempel verplaatst men de vergaderingen naar Jamne en Tiberias. In 425 n. Chr. wordt het Sanhedrin opgeheven. In oktober 2004 ziet in Tiberias een nieuw Sanhedrin het licht. Welke grotendeels bestaat uit ultraorthodoxe joden.

sunedrion (Sanhedrin)   bijbel  O.T.  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn.. ev.
nom. + acc. enk. sunedrion 11 1 10 1 2 1 1 5     4 5
gen. enk.  sunedriou 6 3 3         3        
dat.  enk. sunedriôi 11 4 7 1       6     1 1
Totaal   28 8 20 2 2 1 1 14     5 6

sunedrion (Sanhedrin)   bijbel  O.T.  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn.. ev.
nom. + acc. enk. sunedrion 11 1 10 1: Mt 26,59. 2: (1) Mc 14,55. (2) Mc 15,1. 1: Lc 22,66. 1: Joh 11,47. 5: (1) Hnd 5,21. (2) Hnd 6,12. (3) Hnd 22,30. (4) Hnd 23,20. (5) Hnd 23,28.     4: (1) Mt 26,59 // Mc 14,55 5
gen. enk.  sunedriou 6 3 3         3: (1) Hnd 4,15. (2) Hnd 5,41. (3) Hnd 24,20.        
dat.  enk. sunedriôi 11 4 7 1: Mt 5,22.       6: (1) Hnd 5,27. (2) Hnd 5,34. (3) Hnd 6,15. (4) Hnd 23,1. (5) Hnd 23,6. (6) Hnd 23,15.     1 1
Totaal   28 8 20 2 2 1 1 14     5 6

Nominatief in drie van de tien verzen in het NT: (1) Mt 26,59. (2) Mc 14,55 (nominatief). (3) Mc 15,1 (nominatief).
Accusatief in zeven van de tien verzen van het NT: (1) Lc 22,66. (2) Joh 11,47. (3) Hnd 5,21. (4) Hnd 6,12. (5) Hnd 22,30. (6) Hnd 23,20. (7) Hnd 23,28.

6. - 7. to sunedrion. In de negen van de tien verzen in het NT, niet in Joh 11,47.

5. - 7. holon to sunedrion: het hele Sanhedrin. In het Grieks komt het bijvoeglijk naamwoord voor of na het bepaald lidwoord en zelfstandig naamwoord, in het Nederlands staat het bijvoeglijk naamwoord tussen het bepaald lidwoord en het zelfstandig naamwoord.

holon to sunedrion (het hele sanhedrin). In drie verzen in de bijbel: (1) Mc 14,55 (nominatief). (2) Mc 15,1 (nominatief). (3) Hnd 22,30 (accusatief). Telkens komt holon to sunedrion (het hele sanhedrin) voor in combinatie met en voorafgegaan door de hogepriesters:
(1) Mc 14,55 (hoi de archiereis kai holon to sunedrion = de hogepriesters echter en het hele sanhedrin).
(2) Mc 15,1 (hoi archiereis... kai holon to sunedrion = de hogepriesters... en het hele sanhedrin).
(3) Hnd 22,30 (tous archiereis kai holon to sunedrion = de hogepriesters en het hele sanhedrin).
to sunedrion holon (het hele sanhedrin): Mt 26,59. In dit vers komen dezelfde kenmerken voor als hierboven. Mt 26,59 // Mc 14,55.
Datief: (4) Hnd 23,1: tôi sunedriôi = aan het sanhedrin. (6) Hnd 23,15: sun tôi sunedriôi = samen met het sanhedrin. In vier verzen en tôi sunedriôi = in het sanhedrin: (1) Hnd 5,27. (2) Hnd 5,34. (3) Hnd 6,15. (5) Hnd 23,6.
De verschillende vormen van sunedrion (sanhedrin) op een rijtje gezet. In veertien verzen in Hnd::(1) Hnd 4,15. (2) Hnd 5,21. (3) Hnd 5,27. (4) Hnd 5,34. (5) Hnd 5,41. (6) Hnd 6,12.(7) Hnd 6,15. (8) Hnd 22,30. (9) Hnd 23,1. (10) Hnd 23,6. (11) Hnd 23,15. (12) Hnd 23,20. (13) Hnd 23,28. (14) Hnd 24,20.

8. ἐζήτουν (= ezètoun: zij zochten; wkw act ind imperf 3de pers mann mv van het wkw ζητεω = zèteô: zoeken). Taalgebruik in het NT: zèteô (zoeken). Taalgebruik in Mc: zèteô (zoeken).
- Hebr. bâqasj. Ned. zoeken. Lat. quaerere. Fr. chercher (ch / q - r). E. search. D. suchen.
Mc (4): (1) Mc 11,18. (2) Mc 12,12. (3) Mc 14,1. (4) Mc 14,55. In 4 verzen in Mc in de imperfectumvorm. De imperfectumvorm om de duur van het zoeken uit te drukken. In een reeks van vier. Telkens zijn hogepriesters erbij betrokken om Jezus te zoeken met het oog om hem te doden.
- Mc 11,18: καὶ ἤκουσαν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς καὶ ἐζήτουν (= kai èkousan  hoi archiereis kai hoi grammateis kai ezètoun: en de hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden en zij zochten) πῶς αὐτὸν ἀπολέσωσιν (= pôs auton  apolesôsin: hoe ze hem zouden ombrengen).
- Mc 12,12 : Καὶ ἐζήτουν (= kai ezètoun: en zij zochten) αὐτὸν κρατῆσαι (= auton  kratèsai: om hem te bemachtigen).
- Mc 14,1: καὶ ἐζήτουν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς (= kai ezètoun hoi archiereis kai hoi grammateis: en de hogepriesters en de schriftgeleerden zochten) πῶς αὐτὸν ἐν δόλῳ κρατήσαντες ἀποκτείνωσιν (= pôs auton en dolôi kratèsantes apokteinôsin: hoe ze hem bemachtende door een list hem zouden doden).
- Mc 14,55: οἱ δὲ ἀρχιερεῖς καὶ ὅλον τὸ συνέδριον ἐζήτουν κατὰ τοῦ Ἰησοῦ μαρτυρίαν (= oi de archiereis kai olon to sunedrion ezètoun kata tou ièsou marturian: maar de hogepriesters en het hele sanhedrin zochten tegen Jezus een getuigenis) εἰς τὸ θανατῶσαι αὐτόν (= eis to thanatôsai auton: om hem te doden).

9. kata (tegen, volgens). Taalgebruik in het NT: kata (tegen, volgens). Taalgebruik in Mc: kata (tegen, volgens).
Mc (9): (1) Mc 4,10. (2) Mc 5,13. (3) Mc 6,40. (4) Mc 7,5. (5) Mc 11,25. (6) Mc 13,8. (7) Mc 14,19. (8) Mc 14,55. (9) Mc 15,6.

11. gen. mann. enk. Ièsou. Mc 14 (2): (1) Mc 14,55. (2) Mc 14,67. Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 14 (11): (1) Mc 14,6 (nom. Ièsous). (2) Mc 14,18 (nom. Ièsous). (3) Mc 14,27 (nom. Ièsous). (4) Mc 14,30 (nom. Ièsous). (5) Mc 14,48 (nom. Ièsous). (6) Mc 14,53 (acc. Ièsoun). (7) Mc 14,55 (gen Ièsou.). (8) Mc 14,60 (acc. Ièsoun). (9) Mc 14,62 (nom. Ièsous). (10) Mc 14,67 (gen. Ièsou). (11) Mc 14,72 (nom. Ièsous). Taalgebruik in het NT: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus).

12. marturian (getuigenis) Accusatief vrouwelijk enkelvoud.

marturia (getuigenis) bijbel  O.T. NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
nom. + dat. enk. marturia(i) 54 40 14   1: Mc 14,59.   8   4 1 1 9
gen. enk. + acc. mv. marturias 3 1 2     1: Lc 22,71.       1 1 1
acc. enk. marturian 22 4 18 pseudomarturian: Mt 26,59.   1: Mc 14,55.   6 1 3 7 1: (1) Mt 26,59 // Mc 14,55. 7
nom. + voc. mv. marturiai 1   1 pseudomarturiai: Mt 15,19.   1: Mc 14,56.           1 1
gen. mv. marturiôn 7 7                    
Totaal   87 52 35   3 1 14 1 7 9 4 18

In Mc 14,55 zijn de hogepriesters en het hele sanhedrin op zoek naar een getuigenis tegen Jezus. In Mc 14,56 vertelt de evangelist dat de getuigenissen niet gelijk zijn, dus niet met elkaar overeenstemmen. In Mc 14,58 wordt het getuigenis van de tempel gegeven. Ook over dit getuigenis is er geen overeenstemming (Mc 14,59). In de paralleltekst van Matteüs spreekt de evangelist Matteüs over een pseudogetuigenis of een vals getuigenis.

15. act. inf. aor.thanatôsai (om te doden) van het werkw. thanatoô (doden, ter dood veroordelen, terechtstellen). Taalgebruik in het NT: thanatoô (doden, ter dood veroordelen, terechtstellen). Taalgebruik in Mc: thanatoô (doden, ter dood veroordelen, terechtstellen). Mc (1): Mc 14,55.

8. 13. - 15. Duality
- Mc 13,12: paradôsei... eis thanaton (hij zal overleveren ter dood).
- Mc 14,55: ezètoun... eis to thanatôsai (zij zochten... om te doden).

16. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,11. (4) Mc 14,39. (5) Mc 14,44. (6) Mc 14,45. (7) Mc 14,46. (8) Mc 14,50. (9) Mc 14,51. (10) Mc 14,55. (11) Mc 14,61. (12) Mc 14,64. (13) Mc 14,65. (14) Mc 14,69.

17. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,56 - Mc 14,56: 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:56 polloi gar epseudomarturoun kat autou kai isai ai marturiai ouk �san  56 multi enim testimonium falsum dicebant adversus eum et convenientia testimonia non erant    56 Want velen getuigden valselijk tegen Hem, en de getuigenissen waren niet eenparig.  [56] Want velen legden wel een valse verklaring tegen Hem af, maar hun getuigenissen waren niet afdoende.  [56] want hoewel veel mensen een valse verklaring aflegden, waren hun getuigenissen niet eensluidend.  56 Want velen hebben wel een vals getuigenis tegen hem gegeven, maar die getuigenissen stemden niet overeen.   56. Car plusieurs déposaient faussement contre lui et leurs témoignages ne concordaient pas. 

King James Bible. [56] For many bare false witness against him, but their witness agreed not together.
Luther-Bibel. 56 Denn viele gaben falsches Zeugnis ab gegen ihn; aber ihr Zeugnis stimmte nicht �berein.

Tekstuitleg van Mc 14,56.

2. γάρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden), Taalgebruik in het NT: gar (want). Taalgebruik in Mc: gar (want).
Mc (63). Mc 14 (6): (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,7. (4) Mc 14,40. (5) Mc 14,56. (6) Mc 14,70.

6. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

7. nom. vr. mv. isai (gelijk aan) van het bijvoegl. naamw. isos (gelijk). Taalgebruik in het NT: isos (gelijk). Ned. gelijk, zoals, evenals. Lat. similis. Fr. pareil, comme. E. like. D. wie. Bijbel (2): (1) 1 Kr 5,14: de persoonsnaam Isai < Hebr. jësjîsjaj. (2) Mc 14,56.

. (2) W 7,1. Een vorm van isos (gelijk) in de LXX (40), in het NT (8).

Mc 14,57 - Mc 14,57: 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:57 kai tines anastantes epseudomarturoun kat autou legontes  57 et quidam surgentes falsum testimonium ferebant adversus eum dicentes     57 En enigen, opstaande, getuigden valselijk tegen Hem, zeggende:  [57] Ook stonden er enkelen tegen Hem op met de valse verklaring:  [57] Toen kwamen er een paar met de volgende valse verklaring:   57 En er zijn er opgestaan die vals tegen hem hebben getuigd   57. Quelques-uns se levèrent pour porter contre lui ce faux témoignage: 

King James Bible. [57] And there arose certain, and bare false witness against him, saying,
Luther-Bibel. 57 Und einige standen auf und gaben falsches Zeugnis ab gegen ihn und sprachen:

Tekstuitleg van Mc 14,57.

1. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,58 - Mc 14,58: 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:58 oti �meis �kousamen autou legontos oti eg� katalus� ton naon touton ton cheiropoi�ton kai dia tri�n �mer�n allon acheiropoi�ton oikodom�s�   58 quoniam nos audivimus eum dicentem ego dissolvam templum hoc manufactum et per triduum aliud non manufactum aedificabo    58 Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal dezen tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen een anderen, zonder handen gemaakt, bouwen.  [58] ‘We hebben Hem horen zeggen: “Ik zal deze door mensenhanden gemaakte tempel afbreken en in drie dagen een andere opbouwen, die niet door mensenhanden gemaakt is.” ’  [58] ‘We hebben hem horen zeggen: “Ik zal die door mensenhanden gemaakte tempel afbreken en in drie dagen een andere opbouwen die niet door mensenhanden gemaakt is.”’   58 en zeiden: wij hebben hem horen zeggen ‘ík zal deze tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en zal in drie dagen een andere bouwen, niet met handen gemaakt!’  58. « Nous l'avons entendu qui disait: Je détruirai ce Sanctuaire fait de main d'homme et en trois jours j'en rebâtirai un autre qui ne sera pas fait de main d'homme. »  

King James Bible. [58] We heard him say, I will destroy this temple that is made with hands, and within three days I will build another made without hands.
Luther-Bibel. 58 Wir haben geh�rt, dass er gesagt hat: Ich will diesen Tempel, der mit H�nden gemacht ist, abbrechen und in drei Tagen einen andern bauen, der nicht mit H�nden gemacht ist.

Tekstuitleg van Mc 14,58.

1. hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat).
Mc (92). Mc 14 (10): (1) Mc 14,14. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,21. (4) Mc 14,25. (5) Mc 14,27. (6) Mc 14,30. (7) Mc 14,58. (8) Mc 14,69. (9) Mc 14,71. (10) Mc 14,72.

6. hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat).
Mc (92). Mc 14 (10): (1) Mc 14,14. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,21. (4) Mc 14,25. (5) Mc 14,27. (6) Mc 14,30. (7) Mc 14,58. (8) Mc 14,69. (9) Mc 14,71. (10) Mc 14,72.

14. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

15. voorzetsel dia (omwille van). Taalgebruik in het NT: dia (door). Taalgebruik in Mc: dia (door). L. per, post. Fr. par, après. Ned. na.

17. genitief vrouwelijk meervoud hèmerôn van het zelfst. naamw. hèmera (dag). Mc (2): (1) Mc 2,1. (2) Mc 14,58: dia triôn hèmerôn (na drie dagen). In die context vinden we ook: èkousamen... hoti: wij hebben gehoord... dat.

9. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the.
Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.

12. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.

------------------------------------------------------------------------------------------
Mc 14,59 - Mc 14,59: 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:59 kai oude out�s is� �n � marturia aut�n   59 et non erat conveniens testimonium illorum    59 En ook alzo was hun getuigenis niet eenparig.   [59] Maar zelfs dit getuigenis was niet afdoende.  [59] Maar ook op dit punt waren de getuigenverklaringen niet afdoende.  59 Maar ook daarin is hun getuigenis niet eenstemmig geweest.   59. Et sur cela même leurs dépositions n'étaient pas d'accord. 

King James Bible. [59] But neither so did their witness agree together.
Luther-Bibel. 59 Aber ihr Zeugnis stimmte auch so nicht �berein.

Tekstuitleg van Mc 14,59.

1. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

3. houtôs (zo, op deze wijze). Taalgebruik in het NT: houtos (zo). Taalgebruik in Mc: houtos (zo).
Mc (10): (1) Mc 2,7. (2) Mc 2,8. (3) Mc 2,12.  (4) Mc 4,26.  (5) Mc 7,18.  (6) Mc 9,3.  (7) Mc 10,43.  (8) Mc 13,29.  (9) Mc 14,59.  (10) Mc 15,39.

7. nominatief vrouwelijk enkelvoud marturia (getuigenis). Taalgebuik in het NT: marturia (getuigenis). Taalgebuik in Mc: marturia (getuigenis).
Mc (1): Mc 14,59.
In Mc 14,55 zijn de hogepriester en het hele sanhedrin op zoek naar een getuigenis tegen Jezus. In Mc 14,56 vertelt de evangelist dat de getuigenissen niet gelijk zijn, dus niet met elkaar overeenstemmen. In Mc 14,58 wordt het getuigenis van de tempel gegeven. Ook over dit getuigenis is er geen overeenstemming (Mc 14,59).

Mc 14,60 - Mc 14,60: 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:60 kai anastas o archiereus eis meson ep�r�t�sen ton i�soun leg�n ouk apokrin� ouden ti outoi sou katamarturousin   60 et exsurgens summus sacerdos in medium interrogavit Iesum dicens non respondes quicquam ad ea quae tibi obiciuntur ab his     60 En de hogepriester, in het midden opstaande, vraagde Jezus, zeggende: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U;  [60] De hogepriester trad naar voren en stelde Jezus de vraag: ‘U antwoordt niets? Wat brengen ze wel niet tegen U in!’   [60] De hogepriester stond op en vroeg Jezus: ‘Waarom antwoordt u niet? U hoort toch wat deze getuigen zeggen?’  60 Dan staat de hogepriester op, loopt naar het midden om Jezus te ondervragen en zegt: antwoordt u niets op wat zij tegen u getuigen?   60. Se levant alors au milieu, le Grand Prêtre interrogea Jésus: « Tu ne réponds rien ? Qu'est-ce que ces gens attestent contre toi ? »  

King James Bible. [60] And the high priest stood up in the midst, and asked Jesus, saying, Answerest thou nothing? what is it which these witness against thee?
Luther-Bibel. 60 Und der Hohepriester stand auf, trat in die Mitte und fragte Jesus und sprach: Antwortest du nichts auf das, was diese gegen dich bezeugen?

Tekstuitleg van Mc 14,60. Het vers Mc 14,60 telt 18 (2 X 3 X 3) letters, 95 (5 X 19) letters. De getalwaarde van Mc 14,60 is 11988 (2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 11 X 17).

Mc 14,60.1. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,60.3. bep. lidw. nom. + onz. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (219). Mc 14 (27): (1) Mc 14,6. (2) Mc 14,8. (3) Mc 14,9. (4) Mc 14,10. (5) Mc 14,14. (6) Mc 14,18. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,27. (10) Mc 14,29. (11) Mc 14,30. (12) Mc 14,31. (13) Mc 14,36. (14) Mc 14,41. (15) Mc 14,42. (16) Mc 14,44. (17) Mc 14,48. (18) Mc 14,52. (19) Mc 14,54. (20) Mc 14,60. (21) Mc 14,61. (22) Mc 14,62. (23) Mc 14,63. (24) Mc 14,68. (25) Mc 14,70. (26) Mc 14,71. (27) Mc 14,72

Mc 14,60.4. nom. mann. enk. archiereus (hogepriester). Taalgebruik in het NT: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Mc: archiereus (hogepriester). Mc (3): (1) Mc 14,60. (2) Mc 14,61. (3) Mc 14,63.

Mc 14,60.5. eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in Mc: eis (naar). Voorzetsel van richting. Lat. in. Fr. vers (versus: gedraaid, gekeerd; vertere: tourner, draaien). E. for. Ned. naar. D. nach.
Mc (151). Mc

Mc 14,60.6. acc. onz. enk. meson  van het bijvoegl. naamw. mesos (zich in het midden bevindend). Taalgebruik in het NT: mesos (zich in het midden bevindend). Taalgebruik in Mc: mesos (zich in het midden bevindend).
Mc (3): (1) Mc 3,3. (2) Mc 7,31. (3) Mc 14,60.

Mc 14,60.5. - 6. eis to meson (in het midden): Mc 3,3. eis meson (naar een midden): Mc 14,60. In Mc 3,3 wordt een vorm van egeirô (wekken), in Mc 14,60 een vorm van anistèmi (opstaan) gebruikt: egeire wek, sta op) en anastas (opgestaan). Wat heeft de man met de verschrompelde hand te maken met de hogepriester ? In Mc 3,4 stelt Jezus aan de farizeeën de vraag of het toegaten is op sabbat goed of kwaad te doen, een leven te redden of verloren te laten gaan. De genezing van de man zal ertoe leiden dat de Farizeeën met de Herodianen het advies zullen geven Jezus om te brengen. In Mc 14,61 stelt de hogepriester de vraag naar de identiteit van Jezus: ben je de Christus, de zoon van de gezegende. Het antwoord van Jezus in Mc 14,62 zal leiden tot zij veroordeling tot de dood (Mc 14,64). We staan hier dus in een situatie waarin een man wordt genezen (Mc 3,5) en Jezus ter dood wordt veroordeeld (Mc 14,64). Jezus redt een man, de hogepriester laat Jezus ter dood veroordelen.
Is de hogepriester soms een gehandicapte man, die zijn hand niet kan uitsteken naar Jezus om door hem genezen te worden. Zijn de rollen in Mc 14,55-64 in vergelijking met Mc 3,1-6 nu omgekeerd. De Farizeeën lagen op de loer om Jezus te kunnen beschuldigen (Mc 3,2) en zwegen op de vraag van Jezus (Mc 3,4). In Mc 14,55-64 zwijgt op de vraag van de hogepriester of hij niet antwoordt op de getuigenissen.

Mc 14,60.8. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.

Mc 14,60.9. acc. mann. enk. Ièsoun. Mc 14 (2): (1) Mc 14,53. (2) Mc 14,60. Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 14 (11): (1) Mc 14,6 (nom. Ièsous). (2) Mc 14,18 (nom. Ièsous). (3) Mc 14,27 (nom. Ièsous). (4) Mc 14,30 (nom. Ièsous). (5) Mc 14,48 (nom. Ièsous). (6) Mc 14,53 (acc. Ièsoun). (7) Mc 14,55 (gen Ièsou.). (8) Mc 14,60 (acc. Ièsoun). (9) Mc 14,62 (nom. Ièsous). (10) Mc 14,67 (gen. Ièsou). (11) Mc 14,72 (nom. Ièsous). Taalgebruik in het NT: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus). acc. mann. enk. Ièsoun (Jezus). Mc (11): (1) Mc 5,6. (2) Mc 5,15. (3) Mc 6,30. (4) Mc 9,8. (5) Mc 10,50. (6) Mc 11,7. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,60. (9) Mc 15,1. (10) Mc 15,15. (11) Mc 16,6.

Mc 14,60.8. - 9. ton Ièsoun (Jezus). In Mc in 10 van de 11 verzen. Niet in Mc 16,6.

Mc 14,61 - Mc 14,61: 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:61 o de esi�pa kai ouk apekrinato ouden palin o archiereus ep�r�ta auton kai legei aut� su ei o christos o uios tou eulog�tou  61 ille autem tacebat et nihil respondit rursum summus sacerdos interrogabat eum et dicit ei tu es Christus Filius Benedicti  61. Hij echter zweeg en antwoordde helemaal niets. Weer ondervroeg de hogepriester hem en zei hem: “Bent u de Christus, de zoon van de Gezegende?”  61 Maar Hij zweeg stil, en antwoordde niets. Wederom vraagde Hem de hogepriester, en zeide tot Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon des gezegenden Gods? [61] Maar Hij bleef zwijgen* en antwoordde niets. Weer stelde de hogepriester Hem een vraag en zei tegen Hem: ‘Bent u de Messias*, de Zoon van de Gezegende*?’   [61] Maar hij bleef zwijgen en antwoordde niet. Toen vroeg de hogepriester hem: ‘Bent u de messias, de Zoon van de Gezegende?’  61 Maar hij is blijven zwijgen en heeft helemaal niets geantwoord. Weer heeft de hogepriester hem een vraag gesteld; hij zegt tot hem: bent u de Gezalfde, de zoon van de Gezegende?  61. Mais lui se taisait et ne répondit rien. De nouveau le Grand Prêtre l'interrogeait, et il lui dit: « Tu es le Christ, le Fils du Béni ? » -

King James Bible. [61] But he held his peace, and answered nothing. Again the high priest asked him, and said unto him, Art thou the Christ, the Son of the Blessed?
Luther-Bibel. 61 Er aber schwieg still und antwortete nichts. Da fragte ihn der Hohepriester abermals und sprach zu ihm: Bist du der Christus, der Sohn des Hochgelobten?

Tekstuitleg van Mc 14,61. Dit vers Mc 14,61 telt 22 (2 X 11) woorden, X lettergrepen en 96 (2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 3) letters. De getalwaarde van Mc 14,61 is 12715 (5 X 2543).

Mc 14,61.1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). bepaald lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 14 (27): (1) Mc 14,6. (2) Mc 14,8. (3) Mc 14,9. (4) Mc 14,10. (5) Mc 14,14. (6) Mc 14,18. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,27. (10) Mc 14,29. (11) Mc 14,30. (12) Mc 14,31. (13) Mc 14,36. (14) Mc 14,41. (15) Mc 14,42. (16) Mc 14,44. (17) Mc 14,48. (18) Mc 14,52. (19) Mc 14,54. (20) Mc 14,60. (21) Mc 14,61. (22) Mc 14,62. (23) Mc 14,63. (24) Mc 14,68. (25) Mc 14,70. (26) Mc 14,71. (27) Mc 14,72.

Mc 14,61.2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.

Mc 14,61.3. esiôpa (hij zweeg). In 2 verzen in de bijbel: (1) Mt 26,63. (2) Mc 14,61. Gr. siôpaô ( zwijgen ). Lat. tacere. Fr. taiser.
Zie Js 53,7. nè´èlâmâh ( zij verstomde, zij zweeg ). Nifal perf. 3de pers. vrouwel. enk. van het werkwoord ´âlam: verstommen. Hapax.
Gr. afônos < a- fônos ( zonder stem, stom ). In 3 verzen in de bijbel: (1) Js 53,7. (2) 2 Mak 3,29. (3) Hnd 8,32 ( in een citaat van Js 53,7 ).
Lat. obmutescet < ob - mut - escet ( hij verstomde ).
Het dubbel aspect van zwijgen en niet spreken in Js 53,7 komt in een andere formulering terug in Mc 14,61: ho de esiôpa ( hij echter zweeg ) kai ouk apekrinato ouden ( en hij antwoordde niet niets ).

Mc 14,61.9. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). bepaald lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 14 (27): (1) Mc 14,6. (2) Mc 14,8. (3) Mc 14,9. (4) Mc 14,10. (5) Mc 14,14. (6) Mc 14,18. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,27. (10) Mc 14,29. (11) Mc 14,30. (12) Mc 14,31. (13) Mc 14,36. (14) Mc 14,41. (15) Mc 14,42. (16) Mc 14,44. (17) Mc 14,48. (18) Mc 14,52. (19) Mc 14,54. (20) Mc 14,60. (21) Mc 14,61. (22) Mc 14,62. (23) Mc 14,63. (24) Mc 14,68. (25) Mc 14,70. (26) Mc 14,71. (27) Mc 14,72.

Mc 14,61.10. nom. mann. enk. archiereus (hogepriester). Taalgebruik in het NT: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Mc: archiereus (hogepriester). Mc (3): (1) Mc 14,60. (2) Mc 14,61. (3) Mc 14,63.

Mc 14,61.11. act. ind. imperf. 3de pers. enk. epèrôta (hij ondervroeg) van het werkw. eperôtaô = 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. (inter-roger: ondervragen, tussen-vragen), bijvragen. Taalgebruik in het NT: eperotaô (epi - erôtaô). Taalgebruik in Mc: eperotaô (epi - erôtaô).
Mc (9): (1) Mc 5,9.  (2) Mc 8,23. (3) Mc 8,27. (4) Mc 8,29.   (5) Mc 9,33. (6) Mc 10,17.   (7) Mc 13,3. (8) Mc 14,61. (9) Mc 15,4. Een vorm van eperôtaô in Mc (25).

12. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,11. (4) Mc 14,39. (5) Mc 14,44. (6) Mc 14,45. (7) Mc 14,46. (8) Mc 14,50. (9) Mc 14,51. (10) Mc 14,55. (11) Mc 14,61. (12) Mc 14,64. (13) Mc 14,65. (14) Mc 14,69.

Mc 14,61.11. - 12. epèrôta auton (hij vroeg hem uit). Mc (4): (3) Mc 5,9 (de man met een onreine geest aan Jezus). (2) Mc 8,23 (Jezus aan de blinde). (3) Mc 10,17 (de rijke jongeling aan Jezus). (8) Mc 14,61 (de hogepriester aan Jezus).

13. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,61.14. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc 14: (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67.

14. - 15. legei autô(i) (hij / zij zei hem). Mc (12): (1) Mc 1,41. (2) Mc 1,44. (3) Mc 2,14. (4) Mc 5,19. (5) Mc 7,28. (6) Mc 7,34. (7) Mc 8,29. (8) Mc 10,51. (9) Mc 11,21. (10) Mc 13,1. (11) Mc 14,30. (12) Mc 14,61.

Mc 14,61.13. - 15. kai legei autô(i) (en hij zegt hem). Mc (7): (1) Mc 1,41. (2) Mc 1,44. (3) Mc 2,14. (4) Mc 7,28. (5) Mc 7,34. (6) Mc 14,30. (7) Mc 14,61. In 5 verzen is Jezus onderwerp: (1) Mc 1,41. (2) Mc 1,44. (3) Mc 2,14. (4) Mc 7,34. (5) Mc 14,30. In 2 verzen is iemand anders dan Jezus onderwerp: (1) Mc 7,28 (de Syrofenicische). (2) Mc 14,61 (de hogepriester).

Mc 14,61.16. pers. vnw. 2de pers. enk. nom. su (jij, gij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord. Mc (9): (1) Mc 1,11. (2) Mc 3,11. (3) Mc 8,29. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,36. (6) Mc 14,61. (7) Mc 14,67. (8) Mc 14,68. (9) Mc 15,2.

Mc 14,61.16. - 17. su ei (jij bent, gij zijt). Mc (5 / 9): (1) Mc 1,11. (2) Mc 3,11. (3) Mc 8,29. (4) Mc 14,61. (5) Mc 15,2.
Merk volgende gelijkenissen op:
- Mc 1,11: su ei ho uios mou = jij bent mijn zoon.
- Mc 3,11: su ei ho uios tou theou = jij bent de zoon van God.
- Mc 8,29 = Mc 14,61: su ei ho christos = jij bent de messias
- Mc 15,2: su ei ho basileus tôn ioudaiôn = jij bent de koning van de joden.

Mc 14,61.18. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). bepaald lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 14 (27): (1) Mc 14,6. (2) Mc 14,8. (3) Mc 14,9. (4) Mc 14,10. (5) Mc 14,14. (6) Mc 14,18. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,27. (10) Mc 14,29. (11) Mc 14,30. (12) Mc 14,31. (13) Mc 14,36. (14) Mc 14,41. (15) Mc 14,42. (16) Mc 14,44. (17) Mc 14,48. (18) Mc 14,52. (19) Mc 14,54. (20) Mc 14,60. (21) Mc 14,61. (22) Mc 14,62. (23) Mc 14,63. (24) Mc 14,68. (25) Mc 14,70. (26) Mc 14,71. (27) Mc 14,72.

Mc 14,61.20. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). bepaald lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 14 (27): (1) Mc 14,6. (2) Mc 14,8. (3) Mc 14,9. (4) Mc 14,10. (5) Mc 14,14. (6) Mc 14,18. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,27. (10) Mc 14,29. (11) Mc 14,30. (12) Mc 14,31. (13) Mc 14,36. (14) Mc 14,41. (15) Mc 14,42. (16) Mc 14,44. (17) Mc 14,48. (18) Mc 14,52. (19) Mc 14,54. (20) Mc 14,60. (21) Mc 14,61. (22) Mc 14,62. (23) Mc 14,63. (24) Mc 14,68. (25) Mc 14,70. (26) Mc 14,71. (27) Mc 14,72.

Mc 14,62 - Mc 14,62: 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:62 o de i�sous eipen eg� eimi kai opsesthe ton uion tou anthr�pou ek dexi�n kath�menon t�s duname�s kai erchomenon meta t�n nefel�n tou ouranou  62 Iesus autem dixit illi ego sum et videbitis Filium hominis a dextris sedentem Virtutis et venientem cum nubibus caeli  62 Jezus nu zei: Ik ben het, en u zult de Mensenzoon zien aan de rechterzijde gezeten van de Kracht en komend op de wolken van de hemel  62 En Jezus zeide: Ik ben het. En gijlieden zult den Zoon des mensen zien zitten ter rechter hand der kracht Gods, en komen met de wolken des hemels.  [62] Jezus zei: ‘Ja, dat ben Ik*, en u zult de Mensenzoon* zien, gezeten aan de rechterhand van de Macht en komend op de wolken van de hemel.’  [62] Jezus zei: ‘Dat ben ik, en u zult de Mensenzoon aan de rechterhand van de Machtige zien zitten en hem zien komen op de wolken van de hemel.’  62 Jezus zegt: dat bén ik, en wat ge zult zien is ‘de mensenzoon gezeten ter rechterhand van de kracht Gods’ en ‘komende met de wolken des hemels’ !  62. « Je le suis, dit Jésus, et vous verrez le Fils de l'homme siégeant à la droite de la Puissance et venant avec les nuées du ciel. » 

King James Bible. And Jesus said, I am: and ye shall see the Son of man sitting on the right hand of power, and coming in the clouds of heaven.
Luther-Bibel. 62 Jesus aber sprach: Ich bin's; und ihr werdet sehen den Menschensohn sitzen zur Rechten der Kraft und kommen mit den Wolken des Himmels.

Tekstuitleg van Mc 14,62. Dit vers telt 24 (2 X 2 X 2 X 3) woorden en 112 (2 X 2 X 2 X 2 X 7) letters. De getalwaarde van Mc 14,62 is 15273 (3 X 3 X 1697).

Mc 14,62.1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). bepaald lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (219). Mc 14 (27): (1) Mc 14,6. (2) Mc 14,8. (3) Mc 14,9. (4) Mc 14,10. (5) Mc 14,14. (6) Mc 14,18. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,27. (10) Mc 14,29. (11) Mc 14,30. (12) Mc 14,31. (13) Mc 14,36. (14) Mc 14,41. (15) Mc 14,42. (16) Mc 14,44. (17) Mc 14,48. (18) Mc 14,52. (19) Mc 14,54. (20) Mc 14,60. (21) Mc 14,61. (22) Mc 14,62. (23) Mc 14,63. (24) Mc 14,68. (25) Mc 14,70. (26) Mc 14,71. (27) Mc 14,72

Mc 14,62.2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden.
Mc (149 + 2 = 151). Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.

Mc 14,62.3. nom. mann. enk. Ièsous. Taalgebruik in het NT: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus). Hebr. Jëhôsju`a (JHWH redt). Ièsous (Jezus). Mc 14 (7): (1) Mc 14,6. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,48. (6) Mc 14,62. (7) Mc 14,72. Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 14 (11): (1) Mc 14,6 (nom. Ièsous). (2) Mc 14,18 (nom. Ièsous). (3) Mc 14,27 (nom. Ièsous). (4) Mc 14,30 (nom. Ièsous). (5) Mc 14,48 (nom. Ièsous). (6) Mc 14,53 (acc. Ièsoun). (7) Mc 14,55 (gen Ièsou.). (8) Mc 14,60 (acc. Ièsoun). (9) Mc 14,62 (nom. Ièsous). (10) Mc 14,67 (gen. Ièsou). (11) Mc 14,72 (nom. Ièsous).

Mc 14,62.4. ind. aor. 3de p. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur; les, Fr. leçon.

Mc 14,62.7. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

Mc 14,62.8. act. ind. fut. 2de pers. mv. opsesthe (jullie zullen zien) van het werkw. horaô (zien). Taalgebruik in het NT: horaô (zien). Taalgebruik in Mc: horaô (zien). Mc (2): (1) 14,62. (2) Mc 16,7. Een vorm van horaô (zien) in Mc in 7 verzen: (1) Mc 1,44. (2) Mc 8,15. (3) Mc 8,24. (4) Mc 9,4. (5) Mc 13,26. (6) Mc 14,62. (7) Mc 16,7.

Mc 14,62.9. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (124). Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.

Mc 14,62.10. acc. mann. enk. huion (zoon) van het zelfst. naamw. huios (zoon). Taalgebruik in het NT: huios (zoon). Taalgebruik in Mc: huios (zoon). Hebr. ben. Lat. filius. Fr. fils.
Mc (6): (1) Mc 8,31.  (2) Mc 9,12. (3) Mc 9,17.  (4) Mc 12,6. (5) Mc 13,26. (6) Mc 14,62. Een vorm van huios (zoon) in Mc in 33 verzen.

Mc 14,62.11. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (116). Mc 14 (13): (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,3. (3) Mc 14,4. (4) Mc 14,21. (5) Mc 14,25. (6) Mc 14,41. (7) Mc 14,47. (8) Mc 14,54. (9) Mc 14,55. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,62. (12) Mc 14,66. (13) Mc 14,67.

Mc 14,62.12. gen. mann. enk. anthrôpou (mens) van het zelfst. naamw. anthrôpos (mens). Taalgebruik in het NT: anthrôpos (mens). Taalgebruik in Mc: anthrôpos (mens).
Mc (16): (1) Mc 2,10. (2) Mc 2,28.   (3) Mc 5,8.   (4) Mc 7,15. (5) Mc 7,20.  (6) Mc 8,31.  (7) Mc 8,38. (8) Mc 9,9. (9) Mc 9,12. (10) Mc 9,31.  (11) Mc 10,33. (12) Mc 10,45.   (13) Mc 13,26.  (14) Mc 14,21. (15) Mc 14,41. (16) Mc 14,62. Een vorm van anthrôpos (mens) in Mc in 53 verzen.

10. - 12. Een vorm van huios tou anthrôpou (mensenzoon) in 13 (14X) verzen: (1) Mc 2,10. (2) Mc 2,28. (3) Mc 8,31.  (4) Mc 8,38. (5) Mc 9,9. (6) Mc 9,12. (7) Mc 9,31.  (8) Mc 10,33. (9) Mc 10,45.   (10) Mc 13,26.  (11) Mc 14,21 (2X). (12) Mc 14,41. (13) Mc 14,62.

 

Mc 14,62.13. ek - ex (uit). Taalgebruik in het NT: ek (uit). Taalgebruik in Mc: ek (uit). Ned. uit. D. aus. E. out. Fr. de.
Mc (38 + 20 = 58). ek (uit) Mc 14 (2 + 4): (1) Mc 14,25. (2) Mc 14,72. ex (uit): Mc (14): (1) Mc 14,18. (2) Mc 14,23. (3) Mc 14,69. (4) Mc 14,70. + Mc 14,62.

Mc 14,62.14. gen. mv. dexiôn (rechts) van het bijvoegl. naamw. dexios (rechts). Taalgebruik in het NT: dexios (rechts). Taalgebruik in Mc: dexios (rechts).
Mc (6): (1) Mc 10,37. (2) Mc 10,40. (3) Mc 12,36. (4) Mc 14,62. (5) Mc 15,27. (6) Mc 16,19. Een vorm van dexios (rechts) in Mc in 7 verzen.

Mc 14,62.15. part. praes. acc. mann. enk. καθημενον = kathèmenon (gezeten) van het werkw. καθημαι = kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten). Taalgebruik in het NT: kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten). Taalgebruik in de LXX: kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten). Taalgebruik in Mc: kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten). Bijbel (17): (1) Re 18,7. (2) 1 K 1,48. (3) 1 K 13,14. (4) 1 K 22,19. (5) Js 6,1. (6) Jr 49,31. (7) 2 Kr 18,18. (8) Mt 9,9. (9) Mc 2,14. (10) Mc 5,15. (11) Mc 14,62. (12) Mc 16,5. (13) Lc 5,27. (14) Lc 8,35. (15) Lc 22,56. (16) Apk 14,14. (17) Apk 20,11. Een vorm van καθημαι = kathèmai in de LXX (180), in het NT (91), in Mt (19), in Mc (11), in Lc (13).

  kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten)  Mc Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
2 part. pr. acc. mann. enk. kathèmenon  (1) Mc 2,14.       (2) Mc 5,15.       (3) Mc 14,62. (4) Mc 16,5.     17  10           
  totaal 11  131  80  51  12  11  12  32  34 

16. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (65). Mc 14 (6): (1) Mc 14,3. (2) Mc 14,24. (3) Mc 14,25. (4) Mc 14,35. (5) Mc 14,62. (6) Mc 14,64.

17. gen. vr. enk. dunameôs van het zelfst. naamw. dunamis (macht, kracht). Taalgebruik in het NT: dunamis (macht, kracht). Taalgebruik in Mc: dunamis (macht, kracht). Mc (2): (1) Mc 13,26. (2) Mc 14,62. Een vorm van dunamis (macht, kracht) (enk.) in Mc in 7 verzen: (1) Mc 5,30. (2) Mc 6,5. (3) Mc 9,1. (4) Mc 9,39. (5) Mc 12,24. (6) Mc 13,26. (7) Mc 14,62.

Mc 14,62.18. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.

19. part. pr. acc. mann. enk. erchomenon (komende) van het werkw. erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in het NT: erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in Mc: erchomai (gaan, komen).
Mc (3): (1) Mc 13,26. (2) Mc 14,62. (3) Mc 15,21. Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Mc in 82 verzen.

20. meta (met, na). Afkorting: met'. Taalgebruik in het NT: meta (na, met). Taalgebruik in Mc: meta (na, met). Voorzetsel. Hebr. `im.
-- Lat. cum. Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen). D. mit. E. with. Fr. avec (< apud hoc: met dat).
-- Lat. post-quam. Ned. na-dat. D. nachdem. Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst, opeengeperst; primere, pressum: persen ). E. after.
Mc (34 + 16 = 50). Mc 14 (10 + 4 = 14). meta (met, na). Mc 14 (10): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,17. (4) Mc 14,28. (5) Mc 14,43. (6) Mc 14,48. (7) Mc 14,54. (8) Mc 14,62. (9) Mc 14,67. (10) Mc 14,70.  met' (met, na). Mc 14 (4): (1) Mc 14,18. (2) Mc 14,20. (3) Mc 14,33. (4) Mc 14,43

21. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc 14,10. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,13. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,17. (6) Mc 14,20. (7) Mc 14,26. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,43. (10) Mc 14,47. (11) Mc 14,54. (12) Mc 14,62. (13) Mc 14,66.

22. gen. vr. mv. nefelôn (wolken) van het zelfst. naamw. nefelè (nevel, wolk). Taalgebruik in het NT: nefelè (nevel, wolk). Taalgebruik in Mc: nefelè (nevel, wolk). Mc (1): Mc 14,62. Een vorm van nefelè (nevel, wolk) in Mc in 4 verzen: (1) Mc 9,7. (2) Mc 9,7. (3) Mc 13,26. (4) Mc 14,62.

23. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (116). Mc 14 (13): (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,3. (3) Mc 14,4. (4) Mc 14,21. (5) Mc 14,25. (6) Mc 14,41. (7) Mc 14,47. (8) Mc 14,54. (9) Mc 14,55. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,62. (12) Mc 14,66. (13) Mc 14,67.

Mc 14,63 - Mc 14,63: 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:63 o de archiereus diarr�xas tous chit�nas autou legei ti eti chreian echomen martur�n   63 summus autem sacerdos scindens vestimenta sua ait quid adhuc desideramus testes  63 De hogepriester echter scheurde zijn lijfrok (en) zei “Wat hebben we nog getuigen nodig?

 
63 En de hogepriester, verscheurende zijn klederen, zeide: Wat hebben wij nog getuigen van node?  [63] De hogepriester scheurde* zijn kleren en zei: ‘Waarvoor hebben we nog getuigen nodig?  [63] De hogepriester scheurde zijn kleren en zei: ‘Waarvoor hebben we nog getuigen nodig?  63 Maar de hogepriester scheurt zijn klederen en zegt: waarvoor hebben we nog getuigen nodig?–  63. Alors le Grand Prêtre déchira ses tuniques et dit: « Qu'avons-nous encore besoin de témoins ? 

King James Bible. [63] Then the high priest rent his clothes, and saith, What need we any further witnesses?
Luther-Bibel. 63 Da zerriss der Hohepriester seine Kleider und sprach: Was bed�rfen wir weiterer Zeugen?

Tekstuitleg van Mc 14,63.

1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). bepaald lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 14 (27): (1) Mc 14,6. (2) Mc 14,8. (3) Mc 14,9. (4) Mc 14,10. (5) Mc 14,14. (6) Mc 14,18. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,27. (10) Mc 14,29. (11) Mc 14,30. (12) Mc 14,31. (13) Mc 14,36. (14) Mc 14,41. (15) Mc 14,42. (16) Mc 14,44. (17) Mc 14,48. (18) Mc 14,52. (19) Mc 14,54. (20) Mc 14,60. (21) Mc 14,61. (22) Mc 14,62. (23) Mc 14,63. (24) Mc 14,68. (25) Mc 14,70. (26) Mc 14,71. (27) Mc 14,72.

2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.

1. - 2. ὁ δε = ho de (hij echter). NT (698).

3. nom. mann. enk. archiereus (hogepriester). Taalgebruik in het NT: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Mc: archiereus (hogepriester). Mc (3): (1) Mc 14,60. (2) Mc 14,61. (3) Mc 14,63.

Mc 14,63.4. act. part. aor. nom. mann. enk. διαρρηξας = diarrèksas (verscheurd) van het werkw. διαρρηγνυμι OF διαρρησσω = diarrègnumi OF diarrèssô (doorbreken, doorklieven, doen barsten, verscheuren, uiteenrijgen). Taalgebruik in het NT: diarrègnumi (doorbreken, doorklieven, doen barsten, verscheuren). Taalgebruik in de LXX: diarrègnumi (doorbreken, doorklieven, doen barsten, verscheuren). Bijbel (1): Mc 14,63. Een vorm van διαρρηγνυμι OF διαρρησσω = diarrègnumi OF diarrèssô in het LXX (84). Pentateuch (5): (1) Gn 37,29. (2) Gn 37,34. (3) Lv 10,6. (4) Lv 21,10. (5) Nu 14,6, in het NT (5): (1) Mt 26,65. (2) Mc 14,63. (3) Lc 5,6. (4) Lc 8,29. (5) Hnd 14,14. Parallel: Mt 26,65 // Mc 14,63.
- act. ind. aor. 3de pers. enk. διερρηξεν = dierrèksen (hij verscheurde) van het werkw. διαρρηγνυμι OF διαρρησσω = diarrègnumi OF diarrèssô (doorbreken, doorklieven, doen barsten, verscheuren, uiteenrijgen). Taalgebruik in het NT: diarrègnumi (doorbreken, doorklieven, doen barsten, verscheuren). Taalgebruik in de LXX: diarrègnumi (doorbreken, doorklieven, doen barsten, verscheuren). Bijbel (32). LXX (31). NT (1): Mt 26,65. Een vorm van διαρρηγνυμι OF διαρρησσω = diarrègnumi OF diarrèssô in het LXX (84). Pentateuch (6): (1) Gn 37,29. (2) Gn 37,34. (3) Gn 44,13. (4) Lv 10,6. (5) Lv 21,10. (6) Nu 14,6, in het NT (5): (1) Mt 26,65. (2) Mc 14,63. (3) Lc 5,6. (4) Lc 8,29. (5) Hnd 14,14. Parallel: Mt 26,65 // Mc 14,63.
- Hebreeuws. וַיִּקְרַע = wajjiqëra` (en hij scheurde) < wa: verbindingswoord consecutivum + qal ind. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. קָרַע = qâra` (scheuren, afscheuren, in stukken snijden). Taalgebruik in Tenakh: qâra` (scheuren, afscheuren, in stukken snijden). Getalwaarde: qoph = 19 of 100, resj = 20 of 200, ajin = 16 of 70; totaal: 55 (5 X 11) OF 370 (2 X 5 X 37). Structuur: 1 - 2 - 7. De som van de elementen is 1. MT (16): (1) Gn 37,29. (2) Gn 37,34. (3) Joz 7,6. (4) Re 11,35. (5) 1 S 15,27. (6) 1 S 28,17. (7) 2 S 13,31. (8) 1 K 21,27. (9) 2 K 5,7. (10) 2 K 6,30. (11) 2 K 19,1. (12) 2 K 22,11. (13) Js 37,1. (14) Job 1,20. (15) Est 4,1. (16) 2 Kr 34,19.
- Lat. scindere. Fr. déchirer. Ned. scheuren, verscheuren.

Mc 14,63.6. acc. mann. mv. χιτωνας = chitônas (kleren) van het zelfst. naamw. χιτων = chitôn (wollen of linnen onderkleed). Taalgebruik in het NT: chitôn (wollen of linnen onderkleed). Taalgebruik in de LXX: chitôn (wollen of linnen onderkleed). Taalgebruik in Lc: chitôn (wollen of linnen onderkleed). Bijbel (19): (1) Gn 3,21. (2) Ex 28,40. (3) Ex 29,9. (4) Ex 35,19. (5) Ex 36,34. (6) Ex 40,14. (7) Lv 8,13. (8) Js 3,16. (9) Js 36,22. (10) Jdt 14,19. (11) 2 Mak 4,38. (12) 2 Mak 12,40. (13) Bar 6,30. (14) Mt 10,10 // Mc 6,9 // Lc 9,3. (15) Mc 14,63. (16) Mt 10,10 // Mc 6,9 // Lc 9,3. (17) Lc 3,11. (18) Mt 10,10 // Mc 6,9 // Lc 9,3. (19) Hnd 9,39. Een vorm van χιτων = chitôn (wollen of linnen onderkleed) in de LXX (27), in het NT (10), in Lc (3):: (1) Lc 3,11. (2) Lc 6,29. (3) Lc 9,3. In de LXX kan χιτων = chitôn (wollen of linnen onderkleed) de vertaling van 5 Hebreeuwse woorden zijn.

  chitôn  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
acc. mann. enk. chitôna   18  14         
acc. mann. mv. chitônas   19  13           
  Totaal  37  27  10     

- Hebreeuws. mv. כחֳנֹח = khuthänoth (klederen) van het zelfst. naamw. כְּחֹנֶח = këthonèth (kleed). Taalgebruik in Tenakh: këthonèth (kleed). Tenakh (4): (1) Ex 28,40. (2) Ex 29,8. (3) Ex 40,14. (4) Lv 8,13. In deze 4 verzen is de vertaling in de LXX χιτωνας = chitônas (kleren).
- כָּתְנוֹת = kâthënôth (kleren) van het zelfst. naamw. כְּחֹנֶח = këthonèth (kleed). Taalgebruik in Tenakh: këthonèth (kleed). Tenakh (2): (1) Gn 3,21. (2) Neh 7,69.
- Paralleltekst in Matteüs (Mt 26,65): nom. + acc. onz. mv. ἱματια = himatia (kleren) van het zelfst. naamw. ἱματιον = himation (kleed). Taalgebruik in het NT: himation (kleed). Taalgebruik in de LXX: himation (kleed). Bijbel (144). OT (115). NT (29). Mt (6): (1) Mt 17,2. (2) Mt 21,7. (3) Mt 21,8. (4) Mt 26,65. (5) Mt 27,31. (6) Mt 27,35. Mc (5): (1) Mc 9,3. (2) Mc 11,7. (3) Mc 11,8. (4) Mc 15,20. (5) Mc 15,24. Lc (3): (1) Lc 19,35. (2) Lc 19,36. (3) Lc 23,34. Joh (4). Hnd (7). Br (1). Apk (3). Een vorm van ἱματιον = himation (kleed) in de LXX (221), in het NT (60), in Mt (13), in Mc (12), in Lc (10). In de LXX kan ἱματιον = himation (kleed) de vertaling van 11 Hebreeuwse woorden zijn.

Mc 14,63.5. - 7. τους χιτωνας αυτου = tous chitônas autou (zijn kleren). NT (1): (1) Mc 14,63.
- δυο χιτωνας = duo chitônas (2 kledingstukken). NT (4): (1) Mt 10,10 // Mc 6,9 // Lc 9,3. (2) Mt 10,10 // Mc 6,9 // Lc 9,3. (3) Lc 3,11. (4) Mt 10,10 // Mc 6,9 // Lc 9,3.

4. - 7. - Hebreeuws. (en hij scheurde zijn kleren). Bijbel (8): (1) Gn 37,29. (2) Re 11,35. (3) 2 S 13,31. (4) 2 K 6,30. (5) 2 K 19,1. (6) 2 K 22,11. (7) Js 37,1. (8) 2 Kr 34,19.

Mc 14,63.8. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc 14: (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67.


Mc 14,64 - Mc 14,64: 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:64 �kousate t�s blasf�mias ti umin fainetai oi de pantes katekrinan auton enochon einai thanatou 64 audistis blasphemiam quid vobis videtur qui omnes condemnaverunt eum esse reum mortis    64 Gij hebt de gods lastering gehoord; wat dunkt ulieden? En zij allen veroordeelden Hem, des doods schuldig te zijn.  [64] U hebt de godslastering gehoord. Wat vindt u?’ Allen oordeelden dat Hij de doodstraf verdiend had.   [64] U hebt de godslastering gehoord; wat is uw oordeel?’ Allen oordeelden dat hij schuldig was en de doodstraf verdiende.  64 ge hebt de godslastering gehoord; wat schijnt u toe? Zij zijn allen van oordeel geweest dat hij des doods schuldig was.  64. Vous avez entendu le blasphème; que vous en semble ? » Tous prononcèrent qu'il était passible de mort. 

King James Bible. [64] Ye have heard the blasphemy: what think ye? And they all condemned him to be guilty of death.
Luther-Bibel. 64 Ihr habt die Gottesl�sterung geh�rt. Was ist euer Urteil? Sie aber verurteilten ihn alle, dass er des Todes schuldig sei.

Tekstuitleg van Mc 14,64. Het vers Mc 14,64 telt 14 (2 X 7) woorden en 78 (2 X 3 X 13) letters. De getalwaarde van Mc 14,64 is 8046 (2 X 3³ X 149). In Mc 14,53 komen alle hogepriesters en oudsten en schriftgeleerden bijeen. In Mc 14,64 veroordelen zij allen Jezus ter dood. In tegenstelling tot de andere evangelisten legt Marcus de nadruk op 'allen'. In Mc 14,55 en Mc 15,1 is er sprake van het hele sanhedrin.

2. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (65). Mc 14 (6): (1) Mc 14,3. (2) Mc 14,24. (3) Mc 14,25. (4) Mc 14,35. (5) Mc 14,62. (6) Mc 14,64.

8. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.

Mc 14,64.9. nom. mann. mv. παντες = pantes (allen) van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in het NT: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in de LXX: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in Mc: pas (ieder, elk, alles).

  pas (al) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
10 nom. mann. mv. pantes 724 558 166 18  15 25 14  33 57 58  72 

  pas (al) Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16
10 nom. mann. mv. pantes 15 2 : (1) Mc 1,5. (2) Mc 1,37.       (1) Mc 5,20.   2 : (1) Mc 6,42. (2) Mc 6,50. 2 : (1) Mc 7,3. (2) Mc 7,14.       (1) Mc 12,44.     7 : (1) Mc 14,23. (2) Mc 14,27. (3) Mc 14,29. (4) Mc 14,31. (5) Mc 14,50. (6) Mc 14,53. (7) Mc 14,64.  

- Hebr. kol. kl (al). Taalgebruik in Tenakh: kl (al). Lat. omnis. Fr. tout. Ned. elk, ieder. Arabisch: kull (al). Taalgebruik in de Koran: kull (al).

11. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,11. (4) Mc 14,39. (5) Mc 14,44. (6) Mc 14,45. (7) Mc 14,46. (8) Mc 14,50. (9) Mc 14,51. (10) Mc 14,55. (11) Mc 14,61. (12) Mc 14,64. (13) Mc 14,65. (14) Mc 14,69.

13. act. inf. praes. einai (zijn) van het werkw. eimi (zijn). Taalgebruik in het NT: eimi (zijn). Taalgebruik in Mc: eimi (zijn). Hebr. hâjâh. Lat. esse. Fr. être. Ned. zijn. E. to be.
Mc (7): (1) Mc 8,27. (2) Mc 8,29.  (3) Mc 9,5. (4) Mc 9,35.  (5) Mc 10,44.   (6) Mc 12,18.   (7) Mc 14,64.

14. gen. mann. enk.  thanatou (van de dood) van het zelfst. naamw. thanatos (dood). Taalgebruik in het NT: thanatos (dood). Taalgebruik in Mc: thanatos (dood). Mc (3): (1) Mc 9,1. (2) Mc 14,34. (3) Mc 14,64. Een vorm van thanatos (dood) in Mc in 6 verzen: (1) Mc 7,10. (2) Mc 9,1. (3) Mc 10,33. (4) Mc 13,12. (5) Mc 14,34. (6) Mc 14,64.

333. Bespotting van Jezus: Mc 14,65 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,65 - Mt 26,67-68 - Lc 22,63-65 -

Mc 14,65 - Mc 14,65: 333. Bespotting van Jezus: Taalgebruiken -- Mc 14,65 - Mt 26,67-68 - Lc 22,63-65 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:65 kai �rxanto tines emptuein aut�i kai perikaluptein autou to pros�pon kai kolafizein auton kai legein aut� prof�teuson kai oi up�retai rapismasin auton elabon 65 et coeperunt quidam conspuere eum et velare faciem eius et colaphis eum caedere et dicere ei prophetiza et ministri alapis eum caedebant    65 En sommigen begonnen Hem te bespuwen, en Zijn aangezicht te bedekken, en met vuisten te slaan, en tot Hem te zeggen: Profeteer! En de dienaars gaven Hem kinnebakslagen.  [65] Sommigen begonnen Hem te bespuwen, deden Hem een blinddoek voor, sloegen Hem dan en zeiden: ‘Profeteer nu eens!’ De knechten gaven Hem een afranseling.  [65] Toen begonnen sommigen hem te bespuwen; ze blinddoekten hem en sloegen hem in het gezicht en zeiden tegen hem: ‘Profeteer nu maar!’, en ook de dienaren onthaalden hem op vuistslagen.  65 Dan beginnen sommigen hem te bespuwen, zijn aanschijn te omhullen en hem dan klappen te geven; ze zeggen tot hem: profeteer nu eens!, en onder kaakslagen nemen de bedienden hem mee.  65. Et quelques-uns se mirent à lui cracher au visage, à le gifler et à lui dire: « Fais le prophète ! » Et les valets le bourrèrent de coups. 

King James Bible. [65] And some began to spit on him, and to cover his face, and to buffet him, and to say unto him, Prophesy: and the servants did strike him with the palms of their hands.
Luther-Bibel. 65 Da fingen einige an, ihn anzuspeien und sein Angesicht zu verdecken und ihn mit F�usten zu schlagen und zu ihm zu sagen: Weissage uns! Und die Knechte schlugen ihn ins Angesicht.

Tekstuitleg van Mc 14,65.

4. emptuein. Infinitief. In 1 vers in de bijbel: Mc 14,65. Taalgebruik: emptuô (spuwen op of in: in iemands gelaat spuwen, uitspuwen, zie Js 50,6.

9. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.

334. Verloochening van Petrus: Mc 14,66-72 - Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,66 - Mc 14,67 - Mc 14,68 - Mc 14,69 - Mc 14,70 - Mc 14,71 - Mc 14,72 -

Mc 14,66 - Mc 14,66: 334. Verloochening van Petrus: Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,66 - Mc 14,67 - Mc 14,68 - Mc 14,69 - Mc 14,70 - Mc 14,71 - Mc 14,72 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:66 kai ontos tou petrou kat� en t� aul� erchetai mia t�n paidisk�n tou archiere�s  66 et cum esset Petrus in atrio deorsum venit una ex ancillis summi sacerdotis  66 En terwijl Petrus beneden in het binnenhof was, kwam een van de dienstmeisjes van de hogepriester;   66 En als Petrus beneden in de zaal was, kwam een van de dienstmaagden des hogepriesters;   [66] Terwijl Petrus beneden op de binnenplaats was, kwam daar een slavin van de hogepriester aan.  
[66] Terwijl Petrus beneden op de binnenplaats was, kwam een van de dienstmeisjes van de hogepriester voorbij. 
66 ¶ Terwijl Petrus beneden in de binnenhof is, komt een van de slavinnetjes van de hogepriester daar,  66. Comme Pierre était en bas dans la cour, arrive une des servantes du Grand Prêtre. 

King James Bible. [66] And as Peter was beneath in the palace, there cometh one of the maids of the high priest:
Luther-Bibel. 66 Und Petrus war unten im Hof. Da kam eine von den M�gden des Hohenpriesters;

Tekstuitleg van Mc 14,66.

6. ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd, middel)Taalgebruik in het NT: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in).
Mc 14 (7): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,2. (3) Mc 14,3. (4) Mc 14,6. (5) Mc 14,25. (6) Mc 14,49. (7) Mc 14,66.

11. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc 14,10. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,13. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,17. (6) Mc 14,20. (7) Mc 14,26. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,43. (10) Mc 14,47. (11) Mc 14,54. (12) Mc 14,62. (13) Mc 14,66.

14. gen. mann. enk. archiereôs (van de hogepriester). Taalgebruik in het NT: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Mc: archiereus (hogepriester). Mc (4): (1) Mc 2,26. (2) Mc 14,47. (3) Mc 14,54. (4) Mc 14,66.

Mc 14,67 - Mc 14,67: 334. Verloochening van Petrus: Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,66 - Mc 14,67 - Mc 14,68 - Mc 14,69 - Mc 14,70 - Mc 14,71 - Mc 14,72 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:67 kai idousa ton petron thermainomenon emblepsasa aut� legei kai su meta tou nazar�nou �stha tou i�sou  67 et cum vidisset Petrum calefacientem se aspiciens illum ait et tu cum Iesu Nazareno eras   67 en toen ze Perrus zag die zich warmde, keek ze hem aan (en) zei’: “Ook jij was met de Nazarener Jezus”.  67 En ziende Petrus zich warmende, zag zij hem aan, en zeide: Ook gij waart met Jezus den Nazarener.   [67] Toen ze Petrus zag, die zich zat te warmen, keek ze hem aan en zei: ‘Jij was ook bij die Jezus van Nazaret.’  [67] Toen ze Petrus bij het vuur zag zitten, keek ze hem aan en zei: ‘Jij was ook bij die Jezus van Nazaret!’   67 en als zij Petrus ziet die zich warmt, zegt zij: jíj was óók bij die Nazarener, die Jezus!  67. Voyant Pierre qui se chauffait, elle le dévisagea et dit: « Toi aussi, tu étais avec le Nazarénien Jésus. » 

King James Bible. [67] And when she saw Peter warming himself, she looked upon him, and said, And thou also wast with Jesus of Nazareth.
Luther-Bibel. 67 und als sie Petrus sah, wie er sich w�rmte, schaute sie ihn an und sprach: Und du warst auch mit dem Jesus von Nazareth.

Tekstuitleg van Mc 14,67.

3. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.

8. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc 14: (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67.

10. pers. vnw. 2de pers. enk. nom. su (jij, gij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord. Mc (9): (1) Mc 1,11. (2) Mc 3,11. (3) Mc 8,29. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,36. (6) Mc 14,61. (7) Mc 14,67. (8) Mc 14,68. (9) Mc 15,2.

16. gen. mann. enk. Ièsou. Mc 14 (2): (1) Mc 14,55. (2) Mc 14,67. Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 14 (11): (1) Mc 14,6 (nom. Ièsous). (2) Mc 14,18 (nom. Ièsous). (3) Mc 14,27 (nom. Ièsous). (4) Mc 14,30 (nom. Ièsous). (5) Mc 14,48 (nom. Ièsous). (6) Mc 14,53 (acc. Ièsoun). (7) Mc 14,55 (gen Ièsou.). (8) Mc 14,60 (acc. Ièsoun). (9) Mc 14,62 (nom. Ièsous). (10) Mc 14,67 (gen. Ièsou). (11) Mc 14,72 (nom. Ièsous). Taalgebruik in het NT: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus).

Mc 14,68 - Mc 14,68: 334. Verloochening van Petrus: Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,66 - Mc 14,67 - Mc 14,68 - Mc 14,69 - Mc 14,70 - Mc 14,71 - Mc 14,72 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:68 o de �rn�sato leg�n oute oida oute epistamai su ti legeis kai ex�lthen ex� eis to proaulion | | [kai alekt�r ef�n�sen*] |  68 at ille negavit dicens neque scio neque novi quid dicas et exiit foras ante atrium et gallus cantavit   68 Hij echter loochende het, zcggcnd: “Ik weet noch versta wat jij zegt!” En hij ging weg naar het voorhof; haan kraaide.   68 Maar hij heeft het geloochend, zeggende: Ik ken Hem niet, en ik weet niet wat gij zegt. En hij ging buiten in de voorzaal, en de haan kraaide.  [68] Maar hij ontkende dat: ‘Ik weet niet, ik begrijp niet waar je het over hebt.’ En hij ging naar buiten naar de voorhof. En er kraaide een haan.  [68] Maar hij ontkende dat en zei: ‘Ik weet niet waar je het over hebt, ik begrijp echt niet wat je bedoelt.’ Hij ging naar buiten, naar het voorportaal, en er kraaide een haan.*  68 Maar hij loochent dat en zegt: ik weet niet en ik snap niet wat jij daar zegt! Hij loopt naar buiten, naar de voorhof. Dan kraait er een haan.  68. Mais lui nia en disant: « Je ne sais pas, je ne comprends pas ce que tu dis. » Puis il se retira dehors vers le vestibule et un coq chanta.

King James Bible. [68] But he denied, saying, I know not, neither understand I what thou sayest. And he went out into the porch; and the cock crew.
Luther-Bibel. 68 Er leugnete aber und sprach: Ich wei� nicht und verstehe nicht, was du sagst. Und er ging hinaus in den Vorhof, und der Hahn kr�hte.

Tekstuitleg van Mc 14,68.

2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.

9. pers. vnw. 2de pers. enk. nom. su (jij, gij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord. Mc (9): (1) Mc 1,11. (2) Mc 3,11. (3) Mc 8,29. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,36. (6) Mc 14,61. (7) Mc 14,67. (8) Mc 14,68. (9) Mc 15,2.

13. ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen (hij ging uit) van het werkw. exerchomai (uitgaan). Taalgebruik in het NT: exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan). Taalgebruik in Mc: exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan). Zie ook Taalgebruik in Mc: eiserchomai (binnengaan). Uit-gaan kan betekenen: van een eerder besloten ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan. Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven.
Mc ( 11)  : (1) Mc 1,26. (2) Mc 1,28. (3) Mc 1,35. (4) Mc 2,12. (5) Mc 2,13.  (6) Mc 4,3.  (7) Mc 6,1.  (8) Mc 8,27. (9) Mc 9,26. (10) Mc 11,11. (11) Mc 14,68.

16. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.

20. act. ind. aor. 3de pers. enk. efônèsen (hij riep) van het werkw. foneô (roepen, schreeuwen). Taalgebruik in het NT: fôneô (roepen, schreeuwen). Taalgebruik in Mc: fôneô (roepen, schreeuwen). Mc (3): (1) Mc 9,35. (2) Mc 14,68. (3) Mc 14,72.  

Mc 14,69 - Mc 14,69: 334. Verloochening van Petrus: Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,66 - Mc 14,67 - Mc 14,68 - Mc 14,69 - Mc 14,70 - Mc 14,71 - Mc 14,72 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
69 καὶ ἡ παιδίσκη ἰδοῦσα αὐτὸν ἤρξατο πάλιν λέγειν τοῖς παρεστῶσιν ὅτι Οὗτος ἐξ αὐτῶν ἐστιν. 69 rursus autem cum vidisset illum ancilla coepit dicere circumstantibus quia hic ex illis est  69 En toen het dienstmeisje hem zag, begon ze weer te zeggen aan hen die erbij stonden: “Deze is een van hen”.  69 En de dienstmaagd, hem wederom ziende, begon te zeggen tot degenen, die daarbij stonden: Deze is een van die.  [69] Toen de slavin hem daar zag, begon ze opnieuw en zei tegen de omstanders: ‘Dat is een van hen.’  [69] Toen het meisje hem daar weer zag, zei ze opnieuw, nu tegen de omstanders: ‘Hij is een van hen!’  69 Als het slavinnetje hem daar ziet begint zij tot de omstanders wéér te zeggen ‘dit is er een van hen’.   69. La servante, l'ayant vu, recommença à dire aux assistants: « Celui-là en est ! » 

King James Bible. [69] And a maid saw him again, and began to say to them that stood by, This is one of them.
Luther-Bibel. 69 Und die Magd sah ihn und fing abermals an, denen zu sagen, die dabeistanden: Das ist einer von denen.

69 καὶ ἡ παιδίσκη ἰδοῦσα αὐτὸν ἤρξατο πάλιν λέγειν τοῖς παρεστῶσιν ὅτι Οὗτος ἐξ αὐτῶν ἐστιν.

Tekstuitleg van Mc 14,69.

Mc 14,69 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παιδίσκη (= paidiskè: dienares, slavin, meid; zn nom vr enk) ἰδοῦσα (= idousa: gezien; wkw act part aor nom vr enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag - Lat: videre; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) λέγειν (= legein: te zeggen; wkw act inf praes van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παρεστῶσιν (= parestôsin: omstaanders; wkw act part perf dat mann mv van het wkw παριστημι = paristèmi: staan bij) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Οὗτος (= houtos: deze; aanwijz vnw nom mann enk) ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse)1. .

Mc 14,69.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw).

Mc 14,69.2. ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het).

Mc 14,69.3. παιδίσκη (= paidiskè: dienares, slavin, meid; zn nom vr enk).

Mc 14,69.4. ἰδοῦσα (= idousa: gezien; wkw act part aor nom vr enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag - Lat: videre; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh)

Mc 14,69.5. αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,11. (4) Mc 14,39. (5) Mc 14,44. (6) Mc 14,45. (7) Mc 14,46. (8) Mc 14,50. (9) Mc 14,51. (10) Mc 14,55. (11) Mc 14,61. (12) Mc 14,64. (13) Mc 14,65. (14) Mc 14,69.

Mc 14,69.6. ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers mann enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen). Taalgebruik in het NT: archomai (beginnen, aanvangen, heersen). Taalgebruik in Mc: archomai (beginnen, aanvangen, heersen). OT (35). NT (41). Mt (7). Mc (18). Lc (11). Joh (1). Hnd (4).
Mc (18): (1) Mc 1,45. (2) Mc 4,1. (3) Mc 5,20. (4) Mc 6,2. (5) Mc 6,7. (6) Mc 6,34. (7) Mc 8,31. (8) Mc 8,32. (9) Mc 10,28. (10) Mc 10,32. (11) Mc 10,47. (12) Mc 11,15. (13) Mc 12,1. (14) Mc 13,5. (15) Mc 14,33. (16) Mc 14,69. (17) Mc 14,71. (18) Mc 15,8. Een vorm van αρχομαι (= archomai: beginnen) in Mc in 27 verzen.
- Ned: beginnen. Afleiding met → be- van een niet-overgeleverd (oorspr. sterk) werkwoord *ginnan ‘aanvangen’. Stam = ! (a/ee) - r - k: ar(k) / eer-(ste).

Mc 14,69.7. πάλιν (= palin: opnieuw; partikel).

Mc 14,69.8. λέγειν (= legein: te zeggen; van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep).

λεγω (= legô: zeggen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
λέγειν (= legein: te zeggen; wkw act inf praes) 51  11  40 12    25  26 
totaal 2928  1837  1091  265  150  191  196  79  124  86  606  802 

Mc 14,69.6. 8. ηρξατο (...) λεγειν (= èrxato (...) legein: hij begon te zeggen). LXX (1). NT (5). Mc (5): (1) Mc 10,28. (2) Mc 10,32. (3) Mc 10,47. (4) Mc 13,5. (5) Mc 14,69. Variante lezing: Mc 12,1

11. hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat).
Mc (92). Mc 14 (10): (1) Mc 14,14. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,21. (4) Mc 14,25. (5) Mc 14,27. (6) Mc 14,30. (7) Mc 14,58. (8) Mc 14,69. (9) Mc 14,71. (10) Mc 14,72.

12. nom. mann. enk. houtos. Taalgebruik: houtos (deze). Taalgebruik: houtos (deze). Mc (12): (1) Mc 2,7. (2) Mc 3,35. (3) Mc 4,41. (4) Mc 6,3. (5) Mc 6,16. (6) Mc 7,6. (7) Mc 9,7. (8) Mc 12,7. (9) Mc 12,10. (10) Mc 13,13. (11) Mc 14,69. (12) Mc 15,39.

Mc 14,70 - Mc 14,70: 334. Verloochening van Petrus: Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,66 - Mc 14,67 - Mc 14,68 - Mc 14,69 - Mc 14,70 - Mc 14,71 - Mc 14,72 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:70 o de palin �rneito kai meta mikron palin oi parest�tes elegon t� petr� al�th�s ex aut�n ei kai gar galilaios ei  70 at ille iterum negavit et post pusillum rursus qui adstabant dicebant Petro vere ex illis es nam et Galilaeus es  70 Hij echter loochende het weer. En een betje later, zeiden zij die erbij stonden weer aan Petrus:
“Waarlijk,
je bent een van hen, want je bent ook een Galileeër”.  
70 Maar hij loochende het wederom. En een weinig daarna, die daarbij stonden, zeiden wederom tot Petrus: Waarlijk, gij zijt een van die; want gij zijt ook een Galile�r, en uw spraak gelijkt.  [70] Hij ontkende opnieuw. Na een tijdje zeiden de omstanders op hun beurt tegen Petrus: ‘Jij hoort inderdaad bij Hem, want je bent ook een Galileeër.’  [70] Maar hij ontkende het weer. En algauw zeiden ook de omstanders tegen Petrus: ‘Je bent wel degelijk een van hen, jij komt immers ook uit Galilea.’  70 Maar hij loochent het weer. En korte tijd later hebben de omstanders weer tot Petrus gezegd: waarachtig, je bent er een van hen, want je bent óók een Galileeër! 70. Mais de nouveau il niait. Peu après, à leur tour, les assistants disaient à Pierre: « Vraiment tu en es; et d'ailleurs tu es Galiléen. » 

King James Bible. [70] And he denied it again. And a little after, they that stood by said again to Peter, Surely thou art one of them: for thou art a Galilaean, and thy speech agreeth thereto.
Luther-Bibel. 70 Und er leugnete abermals. Und nach einer kleinen Weile sprachen die, die dabeistanden, abermals zu Petrus: Wahrhaftig, du bist einer von denen; denn du bist auch ein Galil�er.

Tekstuitleg van Mc 14,70.

2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.

14. alèthôs (waarlijk). Taalgebruik in het NT: alèthôs (waarlijk). Taalgebruik in Mc: alèthôs (waarlijk). Mc (2): (1) Mc 14,70. (2) Mc 15,39.

19. γάρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden), Taalgebruik in het NT: gar (want). Taalgebruik in Mc: gar (want).
Mc (63). Mc 14 (6): (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,7. (4) Mc 14,40. (5) Mc 14,56. (6) Mc 14,70.

18. - 19. kai gar (want ook). Mc (2): (1) Mc 10,45. (2) Mc 14,70.

Mc 14,71 - Mc 14,71: 334. Verloochening van Petrus: Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,66 - Mc 14,67 - Mc 14,68 - Mc 14,69 - Mc 14,70 - Mc 14,71 - Mc 14,72 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
14:71 o de �rxato anathematizein kai omnunai oti ouk oida ton anthr�pon touton on legete   71 ille autem coepit anathematizare et iurare quia nescio hominem istum quem dicitis   71 Hij begon echter te vloeken en te zweren*: “Ik ken deze mens niet over wie jullie spreken!”  71 En hij begon zichzelven te vervloeken en te zweren: Ik ken dezen Mens niet, Dien gij zegt.  [71] Hij begon te vloeken en te zweren: ‘Ik ken die man niet over wie jullie het hebben.’   [71] Maar hij begon te vloeken en zwoer: ‘Ik ken die man over wie jullie het hebben niet!’  71 Maar hij begint te vloeken en te bezweren: ik heb geen weet van die mens over wie ge het hebt!  71. Mais il se mit à jurer avec force imprécations: « Je ne connais pas cet homme dont vous parlez. »

King James Bible. [71] But he began to curse and to swear, saying, I know not this man of whom ye speak.
Luther-Bibel. 71 Er aber fing an, sich zu verfluchen und zu schw�ren: Ich kenne den Menschen nicht, von dem ihr redet.

Tekstuitleg van Mc 14,71.

2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.

7. hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat).
Mc (92). Mc 14 (10): (1) Mc 14,14. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,21. (4) Mc 14,25. (5) Mc 14,27. (6) Mc 14,30. (7) Mc 14,58. (8) Mc 14,69. (9) Mc 14,71. (10) Mc 14,72.

10. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.

Mc 14,72 - Mc 14,72: 334. Verloochening van Petrus: Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,66 - Mc 14,67 - Mc 14,68 - Mc 14,69 - Mc 14,70 - Mc 14,71 - Mc 14,72 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
  72 et statim iterum gallus cantavit et recordatus est Petrus verbi quod dixerat ei Iesus priusquam gallus cantet bis ter me negabis et coepit flere   72 En terstond, voor een tweede maal, kraaide een haan. En Petrus herinnerde zich* het woord hoe Jezus hem gezegd had: “Vóór de haan tweemaal kraait zul je me driemaal verloochenen”. En hij sloeg de handen voor het gezicht
(en) weende
 
72 En de haan kraaide de tweede maal; en Petrus werd indachtig het woord, hetwelk Jezus tot hem gezegd had: Eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En hij, zich van daar makende, weende.   [72] Meteen kraaide voor de tweede keer de haan. En Petrus herinnerde zich wat Jezus hem gezegd had: ‘Voordat de haan twee keer kraait, zul je Me drie keer verloochenen.’ Hij barstte in tranen uit.  [72] En meteen kraaide de haan voor de tweede keer. En Petrus herinnerde zich dat Jezus tegen hem gezegd had: ‘Voordat een haan tweemaal heeft gekraaid, zul je mij driemaal verloochenen.’ En toen hem dat te binnen schoot, begon hij te huilen.  72 Meteen kraait er voor de tweede keer een haan. Dan herinnert Petrus zich het woord dat Jezus tot hem heeft gezegd: voordat er twee keer een haan kan kraaien zul je me drie keer verloochenen! Toen hij dat bedacht is hij in huilen uitgebarsten.  72. Et aussitôt, pour la seconde fois, un coq chanta. Et Pierre se ressouvint de la parole que Jésus lui avait dite: « Avant que le coq chante deux fois, tu m'auras renié trois fois. » Et il éclata en sanglots.  

King James Bible. [72] And the second time the cock crew. And Peter called to mind the word that Jesus said unto him, Before the cock crow twice, thou shalt deny me thrice. And when he thought thereon, he wept.
Luther-Bibel. 72 Und alsbald kr�hte der Hahn zum zweiten Mal. Da gedachte Petrus an das Wort, das Jesus zu ihm gesagt hatte: Ehe der Hahn zweimal kr�ht, wirst du mich dreimal verleugnen. Und er fing an zu weinen.

Tekstuitleg van Mc 14,72.

1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa)

2. εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord)

3. ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz)

4. δευτέρου (= deuteron: ten tweede, bw, zie het bijv nw δευτερος = deuteros: tweede)

5. ἀλέκτωρ (= alektôr: haan; nom mann enk)

6. ἐφώνησεν (= efônèsen: hij kraaide, hij riep; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw φωνεω = foneô: roepen, schreeuwen). Taalgebruik in het NT: fôneô (roepen, schreeuwen). Taalgebruik in Mc: fôneô (roepen, schreeuwen). Mc (3): (1) Mc 9,35. (2) Mc 14,68. (3) Mc 14,72.  

7. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa)

8. ἀνεμνήσθη (= anemnèsthè: hij werd herinnerd aan); wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw αναμιμνῃσκω = anamimnèskô: herinneren, zich weer te binnen brengen)

9. (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)

10. Πέτρος (= petros: Petrus; zn eigennaam nom mann enk)

11. τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.

12. ῥῆμα (= rèma: woord, uitspraak; zn acc onz enk). Taalgebruik in het NT: rèma (woord, uitspraak). Taalgebruik in Mc: rèma (woord, uitspraak).
Mc (2): (1) Mc 9,32. (2) Mc 14,72. In Mc 9,32 ontkennen de leerlingen het woord van Jezus over zijn lijden, dood en verrijzenis (tweede lijdensvoorzegging). In Mc 14,72 herinnert Petrus zich bij het hanengekraai het woord dat Jezus tot hem sprak. Petrus had in Mc 14,71 gezegd: ik ken die mens niet waarover je spreekt.

13. ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord).

14. εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep).

15. αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).

16. (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)

17. Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk). Mc 14 (7): (1) Mc 14,6. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,48. (6) Mc 14,62. (7) Mc 14,72. Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 14 (11): (1) Mc 14,6 (nom. Ièsous). (2) Mc 14,18 (nom. Ièsous). (3) Mc 14,27 (nom. Ièsous). (4) Mc 14,30 (nom. Ièsous). (5) Mc 14,48 (nom. Ièsous). (6) Mc 14,53 (acc. Ièsoun). (7) Mc 14,55 (gen Ièsou.). (8) Mc 14,60 (acc. Ièsoun). (9) Mc 14,62 (nom. Ièsous). (10) Mc 14,67 (gen. Ièsou). (11) Mc 14,72 (nom. Ièsous). Taalgebruik in het NT: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus).

18. ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt). Taalgebruik in het NT: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat).
Mc (92). Mc 14 (10): (1) Mc 14,14. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,21. (4) Mc 14,25. (5) Mc 14,27. (6) Mc 14,30. (7) Mc 14,58. (8) Mc 14,69. (9) Mc 14,71. (10) Mc 14,72.

19. Πρὶν (= prin: alvorens, vooraleer; vz).

20. ἀλέκτορα (= alektôra: haan; zn acc mann enk van het zn ἀλέκτωρ = alektôr: haan).

21. φωνῆσαι (= fônèsai: te kraaien, te roepen; wkw act inf aor van het wkw φωνεω = foneô: roepen, schreeuwen).

22. δὶς (= dis: tweemaal; telw).

23. τρίς (= treis: drie; hoofdtelw).

24. με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij).

25. ἀπαρνήσῃ: (= aparnèsè: hij zou ten stelligste ontkennen; wkw med ind fut 3de pers enk van het wkw ἀπαρνεομαι = aparneomai: ten stelligste ontkennen).

26. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa).

27. ἐπιβαλὼν (= epibalôn: overvallen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw επιβαλλω = epiballô: 'op-werpen', overvallen).

28. ἔκλαιεν (= eklaien: hij weende; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw κλαιω: wenen, weeklagen).


- Hebreeuwse tekst OF modern Hebreeuws NT


- Targum Onkelos


- Griekse tekst

1*)=ην δὲ τὸ πάσχα καὶ τὰ ἄζυμα μετὰ δύο ἡμέρας. καὶ ἐζήτουν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς πῶς αὐτὸν ἐν δόλῳ κρατήσαντες ἀποκτείνωσιν: 2ἔλεγον γάρ, Μὴ ἐν τῇ ἑορτῇ, μήποτε ἔσται θόρυβος τοῦ λαοῦ. 3Καὶ ὄντος αὐτοῦ ἐν Βηθανίᾳ ἐν τῇ οἰκίᾳ Σίμωνος τοῦ λεπροῦ κατακειμένου αὐτοῦ ἦλθεν γυνὴ ἔχουσα ἀλάβαστρον μύρου νάρδου πιστικῆς πολυτελοῦς: συντρίψασα τὴν ἀλάβαστρον κατέχεεν αὐτοῦ τῆς κεφαλῆς. 4ἦσαν δέ τινες ἀγανακτοῦντες πρὸς ἑαυτούς, Εἰς τί ἡ ἀπώλεια αὕτη τοῦ μύρου γέγονεν; 5ἠδύνατο γὰρ τοῦτο τὸ μύρον πραθῆναι ἐπάνω δηναρίων τριακοσίων καὶ δοθῆναι τοῖς πτωχοῖς: καὶ ἐνεβριμῶντο αὐτῇ. 6ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν, Ἄφετε αὐτήν: τί αὐτῇ κόπους παρέχετε; καλὸν ἔργον ἠργάσατο ἐν ἐμοί. 7πάντοτε γὰρ τοὺς πτωχοὺς ἔχετε μεθ' ἑαυτῶν, καὶ ὅταν θέλητε δύνασθε αὐτοῖς εὖ ποιῆσαι, ἐμὲ δὲ οὐ πάντοτε ἔχετε. 8ὃ ἔσχεν ἐποίησεν: προέλαβεν μυρίσαι τὸ σῶμά μου εἰς τὸν ἐνταφιασμόν. 9ἀμὴν δὲ λέγω ὑμῖν, ὅπου ἐὰν κηρυχθῇ τὸ εὐαγγέλιον εἰς ὅλον τὸν κόσμον, καὶ ὃ ἐποίησεν αὕτη λαληθήσεται εἰς μνημόσυνον αὐτῆς. 10Καὶ Ἰούδας Ἰσκαριὼθ ὁ εἷς τῶν δώδεκα ἀπῆλθεν πρὸς τοὺς ἀρχιερεῖς ἵνα αὐτὸν παραδοῖ αὐτοῖς. 11οἱ δὲ ἀκούσαντες ἐχάρησαν καὶ ἐπηγγείλαντο αὐτῷ ἀργύριον δοῦναι. καὶ ἐζήτει πῶς αὐτὸν εὐκαίρως παραδοῖ. 12Καὶ τῇ πρώτῃ ἡμέρᾳ τῶν ἀζύμων, ὅτε τὸ πάσχα ἔθυον, λέγουσιν αὐτῷ οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ, Ποῦ θέλεις ἀπελθόντες ἑτοιμάσωμεν ἵνα φάγῃς τὸ πάσχα; 13καὶ ἀποστέλλει δύο τῶν μαθητῶν αὐτοῦ καὶ λέγει αὐτοῖς, Ὑπάγετε εἰς τὴν πόλιν, καὶ ἀπαντήσει ὑμῖν ἄνθρωπος κεράμιον ὕδατος βαστάζων: ἀκολουθήσατε αὐτῷ, 14καὶ ὅπου ἐὰν εἰσέλθῃ εἴπατε τῷ οἰκοδεσπότῃ ὅτι Ὁ διδάσκαλος λέγει, Ποῦ ἐστιν τὸ κατάλυμά μου ὅπου τὸ πάσχα μετὰ τῶν μαθητῶν μου φάγω; 15καὶ αὐτὸς ὑμῖν δείξει ἀνάγαιον μέγα ἐστρωμένον ἕτοιμον: καὶ ἐκεῖ ἑτοιμάσατε ἡμῖν. 16καὶ ἐξῆλθον οἱ μαθηταὶ καὶ ἦλθον εἰς τὴν πόλιν καὶ εὗρον καθὼς εἶπεν αὐτοῖς, καὶ ἡτοίμασαν τὸ πάσχα. 17Καὶ ὀψίας γενομένης ἔρχεται μετὰ τῶν δώδεκα. 18καὶ ἀνακειμένων αὐτῶν καὶ ἐσθιόντων ὁ Ἰησοῦς εἶπεν, Ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι εἷς ἐξ ὑμῶν παραδώσει με, ὁ ἐσθίων μετ' ἐμοῦ. 19ἤρξαντο λυπεῖσθαι καὶ λέγειν αὐτῷ εἷς κατὰ εἷς, Μήτι ἐγώ; 20ὁ δὲ εἶπεν αὐτοῖς, Εἷς τῶν δώδεκα, ὁ ἐμβαπτόμενος μετ' ἐμοῦ εἰς τὸ τρύβλιον. 21ὅτι ὁ μὲν υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου ὑπάγει καθὼς γέγραπται περὶ αὐτοῦ, οὐαὶ δὲ τῷ ἀνθρώπῳ ἐκείνῳ δι' οὗ ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου παραδίδοται: καλὸν αὐτῷ εἰ οὐκ ἐγεννήθη ὁ ἄνθρωπος ἐκεῖνος. 22Καὶ ἐσθιόντων αὐτῶν λαβὼν ἄρτον εὐλογήσας ἔκλασεν καὶ ἔδωκεν αὐτοῖς καὶ εἶπεν, Λάβετε, τοῦτό ἐστιν τὸ σῶμά μου. 23καὶ λαβὼν ποτήριον εὐχαριστήσας ἔδωκεν αὐτοῖς, καὶ ἔπιον ἐξ αὐτοῦ πάντες. 24καὶ εἶπεν αὐτοῖς, Τοῦτό ἐστιν τὸ αἷμά μου τῆς διαθήκης τὸ ἐκχυννόμενον ὑπὲρ πολλῶν: 25ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι οὐκέτι οὐ μὴ πίω ἐκ τοῦ γενήματος τῆς ἀμπέλου ἕως τῆς ἡμέρας ἐκείνης ὅταν αὐτὸ πίνω καινὸν ἐν τῇ βασιλείᾳ τοῦ θεοῦ. 26Καὶ ὑμνήσαντες ἐξῆλθον εἰς τὸ Ὄρος τῶν Ἐλαιῶν. 27Καὶ λέγει αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς ὅτι Πάντες σκανδαλισθήσεσθε, ὅτι γέγραπται, Πατάξω τὸν ποιμένα, καὶ τὰ πρόβατα διασκορπισθήσονται: 28ἀλλὰ μετὰ τὸ ἐγερθῆναί με προάξω ὑμᾶς εἰς τὴν Γαλιλαίαν. 29ὁ δὲ Πέτρος ἔφη αὐτῷ, Εἰ καὶ πάντες σκανδαλισθήσονται, ἀλλ' οὐκ ἐγώ. 30καὶ λέγει αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς, Ἀμὴν λέγω σοι ὅτι σὺ σήμερον ταύτῃ τῇ νυκτὶ πρὶν ἢ δὶς ἀλέκτορα φωνῆσαι τρίς με ἀπαρνήσῃ. 31ὁ δὲ ἐκπερισσῶς ἐλάλει, Ἐὰν δέῃ με συναποθανεῖν σοι, οὐ μή σε ἀπαρνήσομαι. ὡσαύτως δὲ καὶ πάντες ἔλεγον. 32Καὶ ἔρχονται εἰς χωρίον οὗ τὸ ὄνομα Γεθσημανί, καὶ λέγει τοῖς μαθηταῖς αὐτοῦ, Καθίσατε ὧδε ἕως προσεύξωμαι. 33καὶ παραλαμβάνει τὸν Πέτρον καὶ [τὸν] Ἰάκωβον καὶ [τὸν] Ἰωάννην μετ' αὐτοῦ, καὶ ἤρξατο ἐκθαμβεῖσθαι καὶ ἀδημονεῖν, 34καὶ λέγει αὐτοῖς, Περίλυπός ἐστιν ἡ ψυχή μου ἕως θανάτου: μείνατε ὧδε καὶ γρηγορεῖτε. 35καὶ προελθὼν μικρὸν ἔπιπτεν ἐπὶ τῆς γῆς, καὶ προσηύχετο ἵνα εἰ δυνατόν ἐστιν παρέλθῃ ἀπ' αὐτοῦ ἡ ὥρα, 36καὶ ἔλεγεν, Αββα ὁ πατήρ, πάντα δυνατά σοι: παρένεγκε τὸ ποτήριον τοῦτο ἀπ' ἐμοῦ: ἀλλ' οὐ τί ἐγὼ θέλω ἀλλὰ τί σύ. 37καὶ ἔρχεται καὶ εὑρίσκει αὐτοὺς καθεύδοντας, καὶ λέγει τῷ Πέτρῳ, Σίμων, καθεύδεις; οὐκ ἴσχυσας μίαν ὥραν γρηγορῆσαι; 38γρηγορεῖτε καὶ προσεύχεσθε, ἵνα μὴ ἔλθητε εἰς πειρασμόν: τὸ μὲν πνεῦμα πρόθυμον ἡ δὲ σὰρξ ἀσθενής. 39καὶ πάλιν ἀπελθὼν προσηύξατο τὸν αὐτὸν λόγον εἰπών. 40καὶ πάλιν ἐλθὼν εὗρεν αὐτοὺς καθεύδοντας, ἦσαν γὰρ αὐτῶν οἱ ὀφθαλμοὶ καταβαρυνόμενοι, καὶ οὐκ ᾔδεισαν τί ἀποκριθῶσιν αὐτῷ. 41καὶ ἔρχεται τὸ τρίτον καὶ λέγει αὐτοῖς, Καθεύδετε τὸ λοιπὸν καὶ ἀναπαύεσθε; ἀπέχει: ἦλθεν ἡ ὥρα, ἰδοὺ παραδίδοται ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου εἰς τὰς χεῖρας τῶν ἁμαρτωλῶν. 42ἐγείρεσθε ἄγωμεν: ἰδοὺ ὁ παραδιδούς με ἤγγικεν. 43Καὶ εὐθὺς ἔτι αὐτοῦ λαλοῦντος παραγίνεται Ἰούδας εἷς τῶν δώδεκα καὶ μετ' αὐτοῦ ὄχλος μετὰ μαχαιρῶν καὶ ξύλων παρὰ τῶν ἀρχιερέων καὶ τῶν γραμματέων καὶ τῶν πρεσβυτέρων. 44δεδώκει δὲ ὁ παραδιδοὺς αὐτὸν σύσσημον αὐτοῖς λέγων, Ὃν ἂν φιλήσω αὐτός ἐστιν: κρατήσατε αὐτὸν καὶ ἀπάγετε ἀσφαλῶς. 45καὶ ἐλθὼν εὐθὺς προσελθὼν αὐτῷ λέγει, Ῥαββί, καὶ κατεφίλησεν αὐτόν. 46οἱ δὲ ἐπέβαλον τὰς χεῖρας αὐτῷ καὶ ἐκράτησαν αὐτόν. 47εἷς δέ [τις] τῶν παρεστηκότων σπασάμενος τὴν μάχαιραν ἔπαισεν τὸν δοῦλον τοῦ ἀρχιερέως καὶ ἀφεῖλεν αὐτοῦ τὸ ὠτάριον. 48καὶ ἀποκριθεὶς ὁ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, Ὡς ἐπὶ λῃστὴν ἐξήλθατε μετὰ μαχαιρῶν καὶ ξύλων συλλαβεῖν με; 49καθ' ἡμέραν ἤμην πρὸς ὑμᾶς ἐν τῷ ἱερῷ διδάσκων καὶ οὐκ ἐκρατήσατέ με: ἀλλ' ἵνα πληρωθῶσιν αἱ γραφαί. 50καὶ ἀφέντες αὐτὸν ἔφυγον πάντες. 51Καὶ νεανίσκος τις συνηκολούθει αὐτῷ περιβεβλημένος σινδόνα ἐπὶ γυμνοῦ, καὶ κρατοῦσιν αὐτόν: 52ὁ δὲ καταλιπὼν τὴν σινδόνα γυμνὸς ἔφυγεν. 53Καὶ ἀπήγαγον τὸν Ἰησοῦν πρὸς τὸν ἀρχιερέα, καὶ συνέρχονται πάντες οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ πρεσβύτεροι καὶ οἱ γραμματεῖς. 54καὶ ὁ Πέτρος ἀπὸ μακρόθεν ἠκολούθησεν αὐτῷ ἕως ἔσω εἰς τὴν αὐλὴν τοῦ ἀρχιερέως, καὶ ἦν συγκαθήμενος μετὰ τῶν ὑπηρετῶν καὶ θερμαινόμενος πρὸς τὸ φῶς. 55οἱ δὲ ἀρχιερεῖς καὶ ὅλον τὸ συνέδριον ἐζήτουν κατὰ τοῦ Ἰησοῦ μαρτυρίαν εἰς τὸ θανατῶσαι αὐτόν, καὶ οὐχ ηὕρισκον: 56πολλοὶ γὰρ ἐψευδομαρτύρουν κατ' αὐτοῦ, καὶ ἴσαι αἱ μαρτυρίαι οὐκ ἦσαν. 57καί τινες ἀναστάντες ἐψευδομαρτύρουν κατ' αὐτοῦ λέγοντες 58ὅτι Ἡμεῖς ἠκούσαμεν αὐτοῦ λέγοντος ὅτι Ἐγὼ καταλύσω τὸν ναὸν τοῦτον τὸν χειροποίητον καὶ διὰ τριῶν ἡμερῶν ἄλλον ἀχειροποίητον οἰκοδομήσω: 59καὶ οὐδὲ οὕτως ἴση ἦν ἡ μαρτυρία αὐτῶν. 60καὶ ἀναστὰς ὁ ἀρχιερεὺς εἰς μέσον ἐπηρώτησεν τὸν Ἰησοῦν λέγων, Οὐκ ἀποκρίνῃ οὐδέν; τί οὗτοί σου καταμαρτυροῦσιν; 61ὁ δὲ ἐσιώπα καὶ οὐκ ἀπεκρίνατο οὐδέν. πάλιν ὁ ἀρχιερεὺς ἐπηρώτα αὐτὸν καὶ λέγει αὐτῷ, Σὺ εἶ ὁ Χριστὸς ὁ υἱὸς τοῦ εὐλογητοῦ; 62ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν, Ἐγώ εἰμι, καὶ ὄψεσθε τὸν υἱὸν τοῦ ἀνθρώπου ἐκ δεξιῶν καθήμενον τῆς δυνάμεως καὶ ἐρχόμενον μετὰ τῶν νεφελῶν τοῦ οὐρανοῦ. 63ὁ δὲ ἀρχιερεὺς διαρρήξας τοὺς χιτῶνας αὐτοῦ λέγει, Τί ἔτι χρείαν ἔχομεν μαρτύρων; 64ἠκούσατε τῆς βλασφημίας: τί ὑμῖν φαίνεται; οἱ δὲ πάντες κατέκριναν αὐτὸν ἔνοχον εἶναι θανάτου. 65Καὶ ἤρξαντό τινες ἐμπτύειν αὐτῷ καὶ περικαλύπτειν αὐτοῦ τὸ πρόσωπον καὶ κολαφίζειν αὐτὸν καὶ λέγειν αὐτῷ, Προφήτευσον, καὶ οἱ ὑπηρέται ῥαπίσμασιν αὐτὸν ἔλαβον. 66Καὶ ὄντος τοῦ Πέτρου κάτω ἐν τῇ αὐλῇ ἔρχεται μία τῶν παιδισκῶν τοῦ ἀρχιερέως, 67καὶ ἰδοῦσα τὸν Πέτρον θερμαινόμενον ἐμβλέψασα αὐτῷ λέγει, Καὶ σὺ μετὰ τοῦ Ναζαρηνοῦ ἦσθα τοῦ Ἰησοῦ. 68ὁ δὲ ἠρνήσατο λέγων, Οὔτε οἶδα οὔτε ἐπίσταμαι σὺ τί λέγεις. καὶ ἐξῆλθεν ἔξω εἰς τὸ προαύλιον [:καὶ ἀλέκτωρ ἐφώνησεν]. 69καὶ ἡ παιδίσκη ἰδοῦσα αὐτὸν ἤρξατο πάλιν λέγειν τοῖς παρεστῶσιν ὅτι Οὗτος ἐξ αὐτῶν ἐστιν. 70ὁ δὲ πάλιν ἠρνεῖτο. καὶ μετὰ μικρὸν πάλιν οἱ παρεστῶτες ἔλεγον τῷ Πέτρῳ, Ἀληθῶς ἐξ αὐτῶν εἶ, καὶ γὰρ Γαλιλαῖος εἶ. 71ὁ δὲ ἤρξατο ἀναθεματίζειν καὶ ὀμνύναι ὅτι Οὐκ οἶδα τὸν ἄνθρωπον τοῦτον ὃν λέγετε. 72καὶ εὐθὺς ἐκ δευτέρου ἀλέκτωρ ἐφώνησεν. καὶ ἀνεμνήσθη ὁ Πέτρος τὸ ῥῆμα ὡς εἶπεν αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς ὅτι Πρὶν ἀλέκτορα φωνῆσαι δὶς τρίς με ἀπαρνήσῃ: καὶ ἐπιβαλὼν ἔκλαιεν. 


- Aramees - Peshitta


- Vulgata


- Statenvertaling


- Willibrordvertaling


- De Nieuwe Bijbelvertaling


- De Naardense bijbel


- Bible de Jérusalem


- King James Bible


- Luther Bibel


- Arabisch


- Structuur


- Taalgebruik

- A

- pers. voornaamw. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,11. (4) Mc 14,39. (5) Mc 14,44. (6) Mc 14,45. (7) Mc 14,46. (8) Mc 14,50. (9) Mc 14,51. (10) Mc 14,55. (11) Mc 14,61. (12) Mc 14,64. (13) Mc 14,65. (14) Mc 14,69.

  autos Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
4 acc. mann. enk. auton   146  11  12  12  16  12  14  17  2872  2032  840  114  146  184  154  136  85  21  598  752 

- B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- Commentaar