- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website
- Marcus: overzicht.
- Marcus taalgebruik - Marcus
taalgebruik A - Marcus
taalgebruik B - Marcus
taalgebruik C - Marcus
taalgebruik D - Marcus
taalgebruik E - Marcus
taalgebruik F - Marcus
taalgebruik G - Marcus
taalgebruik H - Marcus
taalgebruik I - Marcus
taalgebruik J - Marcus
taalgebruik K - Marcus
taalgebruik L - Marcus
taalgebruik M - Marcus
taalgebruik N - Marcus
taalgebruik O - Marcus
taalgebruik P - Marcus
taalgebruik Q - Marcus
taalgebruik R - Marcus
taalgebruik S - Marcus
taalgebruik T - Marcus
taalgebruik U - Marcus
taalgebruik Z .
- Mc: commentaar.
Overzicht van het Marcusevangelie: Mc 1, Mc 2, Mc 3, Mc 4, Mc 5, Mc 6, Mc 7, Mc 8, Mc 9, Mc 10, Mc 11, Mc 12, Mc 13, Mc 14, Mc 15, Mc 16
| Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | |
Bijbeluitleg per pericope - Mc
14,1-2 - Mc
14,3-9 - Mc
14,10-11 - Mc
14,12-16 - Mc
14,17-21 - Mc
14,22-25 - Mc
14,26-31 - Mc
14,32-42 - Mc
14,43-52 - Mc
14,53-54 - Mc
14,55-64 - Mc
14,65 - Mc
14,66-72 -
Bijbeluitleg vers per vers - Mc
14,1 - Mc
14,2 - Mc
14,3 - Mc
14,4 - Mc
14,5 - Mc
14,6 - Mc
14,7 - Mc
14,8 - Mc
14,9 - Mc
14,10 - Mc
14,11 - Mc
14,12 - Mc
14,13 - Mc
14,14 - Mc
14,15 - Mc
14,16 - Mc
14,17 - Mc
14,18 - Mc
14,19 - Mc
14,20 - Mc
14,21 - Mc
14,22 - Mc
14,23 - Mc
14,24 - Mc
14,25 - Mc
14,26 - Mc
14,27 - Mc
14,28 - Mc
14,29 - Mc
14,30 - Mc
14,31 - Mc
14,32 - Mc
14,33 - Mc
14,34 - Mc
14,35 - Mc
14,36 - Mc
14,37 - Mc
14,38 - Mc
14,39 - Mc
14,40 - Mc
14,41 - Mc
14,42 - Mc
14,43 - Mc
14,44 - Mc
14,45 - Mc
14,46 - Mc
14,47 - Mc
14,48 - Mc
14,49 - Mc
14,50 - Mc
14,51 - Mc
14,52 - Mc
14,53 - Mc
14,54 - Mc
14,55 - Mc
14,56 - Mc
14,57 - Mc
14,58 - Mc
14,59 - Mc
14,60 - Mc
14,61 - Mc
14,62 - Mc
14,63 - Mc
14,64 - Mc
14,65 - Mc
14,66 - Mc
14,67 - Mc
14,68 - Mc
14,69 - Mc
14,70 - Mc
14,71 - Mc
14,72 -
| http://www.bible-history.com/isbe/ | http://www.sacrednamebible.com/kjvstrongs/index2.htm | Studiebijbel 3 | Luther-Bibel 1984 | Cahier biblique | King James Bible: (1) - |
| bijbelweb | info-bible | interBible | http://www.diebibel.de/ |
In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse
Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en
Marc Vervenne volgende pericopen in het veertiende hoofdstuk van het Marcusevangelie:
317. Complot tegen Jezus: Mc
14,1-2 - Mt
26,1-5 - Lc
22,1-2.
318. Zalving van Jezus te Betanië: Mc
14,3-9 - Mt
26,6-13 - Lc
7,36-50.
319. Verraad van Judas: Mc
14,10-11 - Mt
26,14-16 - Lc
22,3-6.
320. Voorbereiding van het paasmaal: Mc
14,12-16 - Mt
26,17-19 - Lc
22,7-13.
321. Aanduiding van de verrader: Mc
14,17-21 - Mt
26,20-25 - Lc
22,14.
322. Instelling van de eucharistie: Mc
14,22-25 - Mt
26,26-29 - Lc
22,15-20.
328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening: Mc
14,26-31 - Mt
26,30-35 - Lc
22,39.
329. Jezus in Getsemane: Mc
14,32-42 - Mt
26,36-46 - Lc
22,40-46.
330. Gevangenneming van Jezus: Mc
14,43-52 - Mt
26,47-56 - Lc
22,47-53.
331. Naar de hogepriester: Mc
14,53-54 - Mt
26,57-58 - Lc
22,54-55.
332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc
14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc
22,66-71.
333. Bespotting van Jezus: Mc
14,65 - Mt
26,67-68 - Lc
22,63-65.
334. Verloochening van Petrus: Mc
14,66-72 - Mt
26,69-75 - Lc
22,56-62.
317. Complot tegen Jezus: Mc 14,1-2 - Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,1 - Mc 14,2 -
| Mc 14,1 - Mc 14,1: 317. Complot tegen Jezus: Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,1 - Mc 14,2 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [1] After two days was the feast of the passover, and of
unleavened bread: and the chief priests and the scribes sought how they might
take him by craft, and put him to death.
Luther-Bibel. 1 Es waren noch zwei Tage bis zum Passafest und den Tagen der
Unges�uerten Brote. Und die Hohenpriester und Schriftgelehrten suchten, wie
sie ihn mit List ergreifen und t�ten k�nnten.
Tekstuitleg van Mc 14,1. Dit vers Mc 14,1 telt 23 woorden en 108 (2 X 2 X 3 X 3 X 3) letters. De getalwaarde van Mc 14,1 is 11718 (2 X 3 X 3 X 3 X 7 X 31).
ην δὲ τὸ πάσχα καὶ τὰ ἄζυμα μετὰ δύο ἡμέρας. καὶ ἐζήτουν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς πῶς αὐτὸν ἐν δόλῳ κρατήσαντες ἀποκτείνωσιν:
Maar het was na twee dagen Pasen en de ongedesemde broden en de hogepriesters en de Schriftgeleerden zochten hoe ze met een list hem zouden overmeesteren en doden.
Mc 14,1*)=ην (= èn: hij was; wkw act ind imperf 3de mann pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat: esse; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πάσχα (= pascha; pascha, Pesach, Pasen; zn nom onz enk) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τὰ (= ta; bep lidw nom onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἄζυμα (= azuma: ongedesemde broden; bv nw nom onz mv van het bv nw ἄζυμος: ongegist, ongedesemd) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') δύο (= duo: twee; hoofdtelw) ἡμέρας. (= hèmeras: dagen, zn acc vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐζήτουν (= ezètoun: zij zochten; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ζητεω = zèteô: zoeken) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀρχιερεῖς (= archiereis: hogepriesters; zn nom mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραμματεῖς (= grammateis: Schriftgeleerden; zn nom mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde; uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα: assimilatie van de f aan de m; γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) πῶς (= pôs: hoe; onbep vrag vnw) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) δόλῳ (= dolô: met list; zn dat mann enk van het zn δόλος = dolos: list, bedrog) κρατήσαντες (= kratèsantes: overmachtigd, vastgenomen; wkw act part aor nom mann mv van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van) ἀποκτείνωσιν (= apokteinôsin: zij zouden doden; wkw act conjunct praes 3de pers mann mv van het wkw αποκτεινω = apokteinô: doden):
Mc 14,1.1. ην (= èn: hij was; wkw act ind imperf 3de mann pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat: esse; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2. .
Mc (38). Mc 14 (3): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,54. (3) Mc
14,59.
Mc 14,1.2.
δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) de (echter). Taalgebruik in het NT: de
(echter). Taalgebruik in Mc: de
(echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden.
Mc 14 (23): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,7. (5) Mc
14,9. (6) Mc
14,11. (7) Mc
14,20. (8) Mc
14,21. (9) Mc
14,29. (10) Mc
14,31. (11) Mc
14,38. (12) Mc
14,44. (13) Mc
14,46. (14) Mc
14,47. (15) Mc
14,52. (16) Mc
14,55. (17) Mc
14,61. (18) Mc
14,62. (19) Mc
14,63. (20) Mc
14,64. (21) M14,68. (22) Mc
14,70. (23) Mc
14,71.
Mc 14,1.3.
τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord.
Mc
14 (22): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,5. (3) Mc
14,8. (4) Mc
14,9. (5) Mc
14,12. (6) Mc
14,14. (7) Mc
14,16. (8) Mc
14,20. (9) Mc
14,22. (10) Mc
14,24. (11) Mc
14,26. (12) Mc
14,28. (13) Mc
14,32. (14) Mc
14,36. (15) Mc
14,38. (16) Mc
14,41. (17) Mc
14,47. (18) Mc
14,54. (19) Mc
14,55. (20) Mc
14,65. (21) Mc
14,68. (22) Mc
14,72.
Mc 14,1.4. πάσχα (= pascha; pascha, Pesach, Pasen; zn nom onz enk). Taalgebruik in het NT: pascha (pascha). Taalgebruik in de LXX: pascha (pascha). Taalgebruik in Mc: pascha (pascha). Mc (4 verzen, 5X): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,12. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,16. Joh (9): (1) Joh 2,13. (2) Joh 2,23. (3) Joh 6,4. (4) Joh 11,55. (5) Joh 12,1. (6) Joh 13,1. (7) Joh 18,28. (8) Joh 18,39. (9) Joh 19,14.
| pascha (pascha) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| 55 | 28 | 27 | 4 | 4 | 7 | 9 | 1 | 2 | 15 | 24 | 2 |
Mc 14,1.5.
καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
Mc 14,1.6. τὰ (= ta; bep lidw nom onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord.
Mc
14 (2): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,27.
Mc 14,1.7. ἄζυμα (= azuma: ongedesemde broden; bv nw nom onz mv van het bv nw ἄζυμος: ongegist, ongedesemd).
Mc 14,1.8. μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth').
Mc 14,1.9. δύο (= duo: twee; hoofdtelw).
Mc 14,1.10. ἡμέρας. (= hèmeras: dagen, zn acc vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?).
Mc 14,1.11.
καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
Mc 14,1.12. ἐζήτουν (= ezètoun: zij zochten; wkw act ind imperf 3de pers mann mv van het wkw ζητεω = zèteô: zoeken). Taalgebruik in het NT: zèteô (zoeken). Taalgebruik in Mc: zèteô (zoeken).
- Hebr. bâqasj. Ned. zoeken. Lat. quaerere. Fr. chercher (ch / q - r). E. search. D. suchen.
Mc (4): (1) Mc 11,18. (2) Mc 12,12. (3) Mc 14,1. (4) Mc 14,55. In 4 verzen in Mc in de imperfectumvorm. De imperfectumvorm om de duur van het zoeken uit te drukken. In een reeks van vier. Telkens zijn hogepriesters erbij betrokken om Jezus te zoeken met het oog om hem te doden.
- Mc 11,18: καὶ ἤκουσαν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς καὶ ἐζήτουν (= kai èkousan hoi archiereis kai hoi grammateis kai ezètoun: en de hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden en zij zochten) πῶς αὐτὸν ἀπολέσωσιν (= pôs auton apolesôsin: hoe ze hem zouden ombrengen).
- Mc 12,12 : Καὶ ἐζήτουν (= kai ezètoun: en zij zochten) αὐτὸν κρατῆσαι (= auton kratèsai: om hem te bemachtigen).
- Mc 14,1: καὶ ἐζήτουν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς (= kai ezètoun hoi archiereis kai hoi grammateis: en de hogepriesters en de schriftgeleerden zochten) πῶς αὐτὸν ἐν δόλῳ κρατήσαντες ἀποκτείνωσιν (= pôs auton en dolôi kratèsantes apokteinôsin: hoe ze hem bemachtende door een list hem zouden doden).
- Mc 14,55: οἱ δὲ ἀρχιερεῖς καὶ ὅλον τὸ συνέδριον ἐζήτουν κατὰ τοῦ Ἰησοῦ μαρτυρίαν (= oi de archiereis kai olon to sunedrion ezètoun kata tou ièsou marturian: maar de hogepriesters en het hele sanhedrin zochten tegen Jezus een getuigenis) εἰς τὸ θανατῶσαι αὐτόν (= eis to thanatôsai auton: om hem te doden).
Nog enkele bemerkingen.
1. Het doel van het zoeken wordt in iedere zin anders uitgedrukt, maar het komt erop neer om Jezus te liquideren.
1A. (1) Mc 3,6 // Mt 12,14: ὁπως αυτον απολεσωσιν = hopôs auton apolesôsin (hoedat / opdat zij hem zouden doden).
(2) Mc 11,18: πως αυτον απολεσωσιν = pôs auton apolesôsin ( hoe zij hem zouden doden).
- Door de bijna letterlijke overeenkomst van de 2 teksten is een verband tussen beide teksten voor de hand liggend. In Mc 3,6 wordt dat besluit genomen na de genezing op sabbat van een man met een verdorde hand. In Mc 11,18 gebeurt het nadat Jezus de tempel heeft gereinigd. Het verhaal van dee tempelreiniging maakt het middenstuk van het sandwichmodel uit (Mc 11,12-26). De sandwich zelf is het verhaal van de verdorde vijgeboom. "Verdord" is het thema zowel in Mc 3,1-6 als in Mc 11,12-26.
(3) Mc 14,1. πῶς αὐτὸν ἐν δόλῳ κρατήσαντες ἀποκτείνωσιν (= pôs auton en dolôi kratèsantes apokteinôsin: hoe ze hem bemachtende door een list hem zouden doden).
1B. Mc 3,21: εξηλθον κρατησαι αυτον (= exèlthon kratèsai auton: zij gingen uit om hem te overmeesteren). Familieleden van Jezus zijn erop uitgetrokken om hem te overmeesteren en naar huis te nemen.
- Mc 12,12 : Καὶ ἐζήτουν (= kai edzètoun: en zij zochten) αὐτὸν κρατῆσαι (= auton kratèsai: om hem te overmeesteren).
We komen stilaan tot het hoogtepunt van het verhaal. Het gaat om de liquidatie van Jezus. Het begon bij zijn tweede bezoek aan een synagoge op sabbat. Hij genas er een man met een verdorde hand. Het was echter wel sabbat. De Farizeeën en de Herodianen namen samen de beslissing om hem uit de weg te ruimen (Mc 3,6). . Bij zijn bezoek aan Jeruzalem, reinigde hij de tempel. Toen de hogepriesters en de Farizeeërn dit hoorden, zochten zij uit hoe ze hem zouden kunnen ombrengen (Mc 11,18). In Mc 12,12 willen zij hem overweldigen. Reeds in Mc 3,21 wilde zijn familie hem reeds overweldigen. In Mc 14,1 zetten de hogepriesters en de Farizeeën nog een stapje verder. Zij zoeken uit hoe zij hem met een list overweldigd, hem kunnen doden (Mc 14,1).
De hogepriesters zijn de machthebbers die iemand kunnen veroordelen en uit de weg ruimen. Van een plaatselijk conflict in Galilea is het uitgegroeid tot een nationaal conflict. Van plaatselijke Farizeeën, Herodianen en de familie van Jezus in Galilea naar de hogepriesters, schriftgeleerden en Farizeeën in Jeruzalem. De instellingen zijn heilig. Wie raakt aan synagoge of tempel, wordt geliquideerd. De tijd om dit te voltrekken is kort. Nog twee dagen; dan is het paasfeesr en het feest van de ongedesemde broden. Het zou voordien moeten gebeuren. Binnen de twee dagen. Het zal met een list moeten gebeuren.
Mc 14,1.13. οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord.
Mc 14 (11): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,11. (3) Mc
14,12. (4) Mc
14,16. (5) Mc
14,40. (6) Mc
14,46. (7) Mc
14,53. (8) Mc
14,55. (9) Mc
14,64. (10) Mc
14,65. (11) Mc
14,70.
Mc 14,1.14. ἀρχιερεῖς (= archiereis: hogepriesters; zn nom mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester). Taalgebruik in het NT: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Mc: archiereus (hogepriester). Mc (11). (1) Mc 11,18. (2) Mc 11,27. (3) Mc 14,1. (4) Mc 14,10. (5) Mc 14,53. (6) Mc 14,55. (7) Mc 15,1. (8) Mc 15,3. (9) Mc 15,10. (10) Mc 15,11. (11) Mc 15,31.
Mc 14,1.15. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
Mc 14,1.16.
οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord.
Mc 14 (11): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,11. (3) Mc
14,12. (4) Mc
14,16. (5) Mc
14,40. (6) Mc
14,46. (7) Mc
14,53. (8) Mc
14,55. (9) Mc
14,64. (10) Mc
14,65. (11) Mc
14,70.
Mc 14,1.17.
γραμματεῖς (= grammateis: Schriftgeleerden; zn nom mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde (uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα: assimilatie van de f aan de m; γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven. Taalgebruik in het NT: grammateus
(schriftgeleerde). Taalgebruik in Mc: grammateus
(schriftgeleerde).
Mc (11): (1) Mc
1,22. (2) Mc
2,16. (3) Mc
3,22. (4) Mc
7,5. (5) Mc
9,11. (6) Mc
9,14. (7) Mc
11,18. (8) Mc
11,27. (9) Mc
12,35. (10) Mc
14,1. (11) Mc
14,53. Nom. (10). Acc. (1): Mc
9,14.
Mc 14,1.13.-17. οι αρχιερεις και οι γραμματεις (= hoi archiereis kai hoi grammateis: de hogepriesters en de schriftgeleerden). NT (7).Mc (1): Mc 14,1. In Mc 14,53 worden de schriftgeleerden vermeld, na de hogepriesters en de priesters.
Mc 14,1.18. πως (= pôs: hoe; onbep vrag vnw). Taalgebruik in het NT: pôs
(hoe). Taalgebruik in Mc: pôs
(hoe).
Mc 14 (2): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,11.
Een vorm van ζητεω = zèteô: zoeken, gevolgd door pôs: hoe: (1) Mc
11,18. (2) Mc
14,1. (3) Mc
14,11.
19. αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord
autos.
Mc 14 (14): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,10. (3) Mc
14,11. (4) Mc
14,39. (5) Mc
14,44. (6) Mc
14,45. (7) Mc
14,46. (8) Mc
14,50. (9) Mc
14,51. (10) Mc
14,55. (11) Mc
14,61. (12) Mc
14,64. (13) Mc
14,65. (14) Mc
14,69.
Mc 14,1.20. ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd, middel)Taalgebruik in het NT: en
(in). Taalgebruik in Mc: en
(in).
Mc 14 (7): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,2. (3) Mc
14,3. (4) Mc
14,6. (5) Mc
14,25. (6) Mc
14,49. (7) Mc
14,66.
Mc 14,1.21. δόλῳ (= dolô: met list; zn dat mann enk van het zn δόλος = dolos: list, bedrog). Mc 14,1.
Mc 14,1.22. κρατήσαντες (= kratèsantes: overmachtigd, vastgenomen; wkw act part aor nom mann mv van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van). Taalgebruik in het NT: krateô (vastnemen, bemachtigen). Taalgebruik in de LXX: krateô (vastnemen, bemachtigen). Bijbel (3): (1) Mt 22,6. (2) Mt 26,57. (3) Mc 14,1.
Mc 14,1.23. ἀποκτείνωσιν (= apokteinôsin: zij zouden doden; wkw act conjunct praes 3de pers mann mv van het wkw αποκτεινω = apokteinô: doden). NT (8). Mc (1).
| Mc 14,2 - Mc 14,2: 317. Complot tegen Jezus: Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,1 - Mc 14,2 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [2] But they said, Not on the feast day, lest there be an
uproar of the people.
Luther-Bibel. 2 Denn sie sprachen: Ja nicht bei dem Fest, damit es nicht einen
Aufruhr im Volk gebe.
Tekstuitleg van Mc 14,2.
ἔλεγον γάρ, Μὴ ἐν τῇ ἑορτῇ, μήποτε ἔσται θόρυβος τοῦ λαοῦ.
Want ze zeiden: niet op het feest opdat er geen oproer van het volk zal zijn.
Mc 14,2 ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) γάρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden), μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἑορτῇ (= heortè: feest; zn dat vr enk van het zn ἑορτη = heortè: feest), μήποτε (= mèpote: opdat niet; bw: nooit, niets eens; vw: opdat niet) ἔσται (= estai: hij zal zijn; wkw act ind fut 3de pers mann enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat: esse) θόρυβος (= thorubos: oprier; nom mann enk: lawaai, rumoer, onrust, oproer) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) λαἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) γάρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden), οῦ (= laou: van het volk; zn gen mann enk van het zn λαος = laos: volk).
1. ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep).
2. γάρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden), Taalgebruik in het NT: gar
(want). Taalgebruik in Mc: gar
(want).
Mc (63). Mc 14 (6): (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,5. (3) Mc
14,7. (4) Mc
14,40. (5) Mc
14,56. (6) Mc
14,70.
3. μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan).
4. ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd, middel). Taalgebruik in het NT: en
(in). Taalgebruik in Mc: en
(in).
Mc 14 (7): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,2. (3) Mc
14,3. (4) Mc
14,6. (5) Mc
14,25. (6) Mc
14,49. (7) Mc
14,66.
5. τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het).
6. ἑορτῇ (= heortè: feest; zn dat vr enk van het zn ἑορτη = heortè: feest),
4.-6. εν τη εορτη (= en tè heortè: op/tijdens het feest). NT (6).
318. Zalving van Jezus te Betanië: Mc 14,3-9 - Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,3 - Mc 14,4 - Mc 14,5 - Mc 14,6 - Mc 14,7 - Mc 14,8 - Mc 14,9 -
| Mc 14,3 - Mc 14,3: 318. Zalving van Jezus te Betanië: Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,3 - Mc 14,4 - Mc 14,5 - Mc 14,6 - Mc 14,7 - Mc 14,8 - Mc 14,9 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [3] And being in Bethany in the house of Simon the leper,
as he sat at meat, there came a woman having an alabaster box of ointment of
spikenard very precious; and she brake the box, and poured it on his head.
Luther-Bibel. 3 Und als er in Betanien war im Hause Simons des Auss�tzigen
und sa� zu Tisch, da kam eine Frau, die hatte ein Glas mit unverf�lschtem und
kostbarem Narden�l, und sie zerbrach das Glas und goss es auf sein Haupt.
Καὶ ὄντος αὐτοῦ ἐν Βηθανίᾳ ἐν τῇ οἰκίᾳ Σίμωνος τοῦ λεπροῦ κατακειμένου αὐτοῦ ἦλθεν γυνὴ ἔχουσα ἀλάβαστρον μύρου νάρδου πιστικῆς πολυτελοῦς: συντρίψασα τὴν ἀλάβαστρον κατέχεεν αὐτοῦ τῆς κεφαλῆς.
Mc 14,3 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὄντος (= ontos: terwijl hij is; wkw act part praes gen mann enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat: esse) αὐτοῦ (= autou; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) Βηθανίᾳ (= bèthania: in Bethanië; zn eigennaam, plaatsnaam, dat vr enk van het zn Βηθανια = bèthania: Betanië < Βηθ = bèth: huis en ανια = ania: behoeftigen. De betekenis van deze naam is “Huis van lijden” of “Huis der behoeftigen / nooddruftigen”, – bet staat voor huis , – ani (Hebreeuws) of – ania (Aramees) staan voor: armoede, lijden) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) οἰκίᾳ (= oikia: huis; zn dat vr enk van het zn οικια = oikia: huis) Σίμωνος (= simônos: van Simon; zn eigennaam gen mann enk van het zn σιμων = Simôn: Simon) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) λεπροῦ (= leprou: van de melaatse; zn gen mann enk van het zn λεπρος = lepros: melaatse) κατακειμένου (= katakeimenou: terwijl hij neerligt / aanligt; wkw med part praes gen mann enk van het wkw κατακειμαι = katakeimai: neerliggen, aanliggen) αὐτοῦ (= autou; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἦλθεν (= èlthen: hij kwam; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) γυνὴ (= gunè: vrouw; zn nom vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw) ἔχουσα (= echousa: hebbende; wkw act part praes nom vr enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ἀλάβαστρον (= alabastron: albast, zalfflesje; zn acc onz enk) μύρου (= murou: van balsem; zn gen onz enk van het zn μυρος = muros: welriekende olie, zalf, balsem, parfum) νάρδου (= nardou: van nardusolie; zn gen vr enk van het zn ναρδος = nardos: nardusolie) πιστικῆς (= pistikès: van betrouwbare; bv nw gen vr enk van het bv nw πιστικος = pistikos: betrouwbaar, echt) πολυτελοῦς: (= polutelous: van kostbare; bv nw gen vr enk van het bv nw πολυτελης = polutelès: kostbaar, waardevol) συντρίψασα (= suntripsasa: stuk geslagen; wkw act part aor nom vr enk van het wkw συντριβω = suntribô: stuk slaan, tegen elkaar wrijven) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀλάβαστρον (= alabastron: albast, zalfflesje; de olie van het albastenflesje; zn acc vr enk) κατέχεεν (= katecheen: zij goot neer; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw κατα-χεω = kata- cheô: neergieten, gieten over; opgelet: het is niet het wkw κατ-εχω = kat-echô: naar beneden houden, tegenhouden) αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κεφαλῆς (= kefalès: van het hoofd; zn gen vr enk van het zn κεφαλη = kefalè: hoofd).
Tekstuitleg van Mc 14,3.
Mc 14,3.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
2. ὄντος (= ontos: terwijl hij is; wkw act part praes gen mann enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat: esse).
Mc 14,3.3.
αὐτοῦ (= autou; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). Taalgebruik
in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord
autos.
Mc (143). Mc 14 (15): (1) Mc
14,3. (2) Mc
14,12. (3) Mc
14,13. (4) Mc
14,21. (5) Mc
14,23. (6) Mc
14,32. (7) Mc
14,33. (8) Mc
14,35. (9) Mc
14,43. (10) Mc
14,47. (11) Mc
14,56. (12) Mc
14,57. (13) Mc
14,58. (14) Mc
14,63. (15) Mc
14,65.
4. ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd, middel). Taalgebruik in het NT: en
(in). Taalgebruik in Mc: en
(in).
Mc 14 (7): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,2. (3) Mc
14,3. (4) Mc
14,6. (5) Mc
14,25. (6) Mc
14,49. (7) Mc
14,66.
Mc 14,3.5.
Βηθανια (= bèthania: Betanië; zn plaatsnaam). Taalgebruik in het NT: bèthania
(Bethanië). Taalgebruik in Mc: bèthania
(Bethanië). De getalswaarde van het woord Bèthania
(Betanië) = 2 + 8 + 9 + 1 + 50 + 10 + 1 = 81. Een vorm van Betanië
(4).
- απο Βηθανιας (= apo bèthanias: van Betanië). Mc (1): Mc
11,12.
- εις Βηθανιαν (= eis bèthanian: naar Bethanië). Mc (2): (1) Mc
11,1. (2) Mc
11,11.
- εν Βηθανια: en bèthania: in Betanië). Mc (1): Mc
14,3.
6. ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd, middel)Taalgebruik in het NT: en
(in). Taalgebruik in Mc: en
(in).
Mc 14 (7): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,2. (3) Mc
14,3. (4) Mc
14,6. (5) Mc
14,25. (6) Mc
14,49. (7) Mc
14,66.
7. τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het).
8.οἰκίᾳ (= oikia: huis; zn dat vr enk van het zn οικια = oikia: huis).
9. Σίμωνος (= simônos: van Simon; zn eigennaam gen mann enk van het zn σιμων = Simôn: Simon).
10. τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het).
Mc 14,3.12. part. praes. gen. mann. enk. κατακειμενου = katakeimenou (terwijl hij neerligt) van het werkw. κατακειμαι = katakeimai (neerliggen). Taalgebruik in het NT: katakeimai (neerliggen). Taalgebruik in de LXX: katakeimai (neerliggen).Taalgebruik in Mc: katakeimai (neerliggen). Bijbel (2): (1) Mc 2,15. (2) Hnd 28,8, Een vorm van κατακειμαι = katakeimai (neerliggen) in de LXX (4), in het NT (12), in Mc (4): (1) Mc 1,30. (2) Mc 2,4. (3) Mc 2,15. (4) Mc 14,3.
| katakeimai (neerliggen) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 14 | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | ind. imperf. 3de pers enk. katekeito | 2 : | (1) Mc 1,30. | (2) Mc 2,4. | 6 | 2 | 4 | 2 : | 1 | 1 | 3 | 4 | |||||||
| 2 | part. praes. gen. mann. enk. katakeimenou | 1 | (1) Mc 14,3. | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | |||||||||||
| 3 | inf. praes. katakeisthai | 1 | (1) Mc 2,15. | 2 | 2 | 1 | 1 | 1 | 1 | ||||||||||
| Totaal | 4 | 1 | 2 | 9 | 2 | 7 | 4 | 1 | 1 | 1 | 5 | 6 |
Mc 14,3.13.
voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) pers. voornaamw. autos. Taalgebruik
in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord
autos.
Mc (143). Mc 14 (15): (1) Mc
14,3. (2) Mc
14,12. (3) Mc
14,13. (4) Mc
14,21. (5) Mc
14,23. (6) Mc
14,32. (7) Mc
14,33. (8) Mc
14,35. (9) Mc
14,43. (10) Mc
14,47. (11) Mc
14,56. (12) Mc
14,57. (13) Mc
14,58. (14) Mc
14,63. (15) Mc
14,65.
Mc 14,3.15.
γυνὴ (= gunè: vrouw; zn nom nom vr enk). Taalgebruik in het NT: gunè
(vrouw) .
Mc (7): (1) Mc
5,25. (2) Mc
5,33. (3) Mc
7,25. (4) Mc
7,26. (5) Mc
12,22. (6) Mc
12,23. (7) Mc
14,3.
Mc 14,3.6.
- 13.
- Mc 2,15: κατακεισθαι αυτον εν τῃ οικιᾳ αυτου (= katakeisthai auton en tè(i) oikia(i) autou: dat hij 'aan'ligt in diens
huis).
- Mc 14,3: εν τῃ οικιᾳ σιμωνος του λεπρου κατακειμενου αυτου (= en tè(i) oikia(i) simônos tou leprou katakeimenou autou: terwijl
hij aanligt in het huis van Simon de melaatse).
STAP VOOR STAP !
In Mc
2,15 ligt Jezus aan in het huis van een tollenaar, in Mc
14,3 in het huis van Simon de melaatse.
27. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (65). Mc 14 (6): (1) Mc
14,3. (2) Mc
14,24. (3) Mc
14,25. (4) Mc
14,35. (5) Mc
14,62. (6) Mc
14,64.
| Mc 14,4 - Mc 14,4: 318. Zalving van Jezus te Betanië: Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,3 - Mc 14,4 - Mc 14,5 - Mc 14,6 - Mc 14,7 - Mc 14,8 - Mc 14,9 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [4] And there were some that had indignation within themselves,
and said, Why was this waste of the ointment made?
Luther-Bibel. 4 Da wurden einige unwillig und sprachen untereinander: Was soll
diese Vergeudung des Salb�ls?
Tekstuitleg van Mc 14,4. Het vers Mc 14,4 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 78 (2 X 39) letters. De getalwaarde van Mc 14,4 is 8889 (3 X 2963).
Mc 14,4.1.
imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn). Taalgebruik
in het NT: eimi
(zijn). Taalgebruik in Mc: eimi
(zijn). Hebr. hâjâh. Lat. esse. Fr. être. Ned. zijn. E. to be.
Mc (16): (1) Mc
1,16. (2) Mc
2,6. (3) Mc
2,15. (4) Mc
2,18. (5) Mc
4,1. (6) Mc
6,31. (7) Mc
6,34. (8) Mc
6,44. (9) Mc
8,9. (10) Mc
9,4. (11): Mc
10,32. (12) Mc
12,20. (13) (1) Mc
14,4. (14) Mc
14,40. (15) Mc
14,56. (16) Mc
15,40. Omschrijvende structuur: èsan... + deelwoord. Mc (7):
(1) Mc
2,6. (2) Mc
2,18. (3) Mc
9,4. (4) Mc
10,32. (5) Mc
14,4. (6) Mc
14,40. (7) Mc
15,40.
Mc 14,4.2.
de (echter). Taalgebruik in het NT: de
(echter). Taalgebruik in Mc: de
(echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden.
Mc (149). Mc 14 (23): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,7. (5) Mc
14,9. (6) Mc
14,11. (7) Mc
14,20. (8) Mc
14,21. (9) Mc
14,29. (10) Mc
14,31. (11) Mc
14,38. (12) Mc
14,44. (13) Mc
14,46. (14) Mc
14,47. (15) Mc
14,52. (16) Mc
14,55. (17) Mc
14,61. (18) Mc
14,62. (19) Mc
14,63. (20) Mc
14,64. (21) Mc
14,68. (22) Mc
14,70. (23) Mc
14,71.
Mc 14,4.1. - 2. hèsan de (zij waren echter). Mc (5). In 4 / 7 van de omschrijv. structuur: (1) Mc 2,6. (2) Mc 10,32. (3) Mc 14,4. (4) Mc 15,40 + Mc 8,9.
Mc 14,4.5. pros (naar, bij). Taalgebruik in NT: pros (naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros (naar, bij). Mc 14 (5): (1) Mc 14,4. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,49. (4) Mc 14,53. (5) Mc 14,54.
| Mc 14,5 - Mc 14,5: 318. Zalving van Jezus te Betanië: Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,3 - Mc 14,4 - Mc 14,5 - Mc 14,6 - Mc 14,7 - Mc 14,8 - Mc 14,9 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [5] For it might have been sold for more than three hundred
pence, and have been given to the poor. And they murmured against her.
Luther-Bibel. 5 Man h�tte dieses �l f�r mehr als dreihundert Silbergroschen
verkaufen k�nnen und das Geld den Armen geben. Und sie fuhren sie an.
Tekstuitleg van Mc 14,5.
2. γάρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden), Taalgebruik in het NT: gar
(want). Taalgebruik in Mc: gar
(want).
Mc (63). Mc 14 (6): (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,5. (3) Mc
14,7. (4) Mc
14,40. (5) Mc
14,56. (6) Mc
14,70.
4.
τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord.
Mc
14 (22): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,5. (3) Mc
14,8. (4) Mc
14,9. (5) Mc
14,12. (6) Mc
14,14. (7) Mc
14,16. (8) Mc
14,20. (9) Mc
14,22. (10) Mc
14,24. (11) Mc
14,26. (12) Mc
14,28. (13) Mc
14,32. (14) Mc
14,36. (15) Mc
14,38. (16) Mc
14,41. (17) Mc
14,47. (18) Mc
14,54. (19) Mc
14,55. (20) Mc
14,65. (21) Mc
14,68. (22) Mc
14,72.
10. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
13. dat. man. en onz. mv. ptôchois (armen) van het bijvoegl. naamw. ptôchos (arme). Taalgebruik in het NT: ptôchos (arme). Taalgebruik in Mc: ptôchos (arme). Mc (2): (1) Mc 10,21. (2) Mc 14,5.
14. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
| Mc 14,6 - Mc 14,6: 318. Zalving van Jezus te Betanië: Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,3 - Mc 14,4 - Mc 14,5 - Mc 14,6 - Mc 14,7 - Mc 14,8 - Mc 14,9 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [6] And Jesus said, Let her alone; why trouble ye her? she
hath wrought a good work on me.
Luther-Bibel. 6 Jesus aber sprach: Lasst sie in Frieden! Was betr�bt ihr sie?
Sie hat ein gutes Werk an mir getan.
Tekstuitleg van Mc 14,6.
2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.
3. nom. mann. enk. Ièsous. Taalgebruik in het NT: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus). Mc 14 (7): (1) Mc 14,6. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,48. (6) Mc 14,62. (7) Mc 14,72. Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 14 (11): (1) Mc 14,6 (nom. Ièsous). (2) Mc 14,18 (nom. Ièsous). (3) Mc 14,27 (nom. Ièsous). (4) Mc 14,30 (nom. Ièsous). (5) Mc 14,48 (nom. Ièsous). (6) Mc 14,53 (acc. Ièsoun). (7) Mc 14,55 (gen Ièsou.). (8) Mc 14,60 (acc. Ièsoun). (9) Mc 14,62 (nom. Ièsous). (10) Mc 14,67 (gen. Ièsou). (11) Mc 14,72 (nom. Ièsous).
6. pers. voornaamw. acc. vr. enk. autèn (haar). Taalgebruik in het
NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord
autos.
Mc (14): (1) Mc
1,31. (2) Mc
4,30. (3) Mc
6,17. (4) Mc
6,26. (5) Mc
6,28. (6) Mc
8,35. (7) Mc
9,43. (8) Mc
10,11. (9) Mc
10,15. (10) Mc
11,2. (11) Mc
11,13. (12) Mc
12,21. (13) Mc
12,23. (14) Mc
14,6.
11. nom. onz. enk. + acc. mann. + onz. enk. kalon (goed) van het bijvoegl.
naamw. kalos (goed, mooi, schoon). Taalgebruik in het NT: kalos
(goed, mooi, schoon). Taalgebruik in Mc: kalos
(goed, mooi, schoon).
Mc (9): (1) Mc
7,27. (2) Mc
9,5. (3) Mc
9,42. (4) Mc
9,43. (5) Mc
9,45. (6) Mc
9,47. (7) Mc
9,50. (8) Mc
14,6. (9) Mc
14,21.
14. ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd, middel)Taalgebruik in het NT: en
(in). Taalgebruik in Mc: en
(in).
Mc 14 (7): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,2. (3) Mc
14,3. (4) Mc
14,6. (5) Mc
14,25. (6) Mc
14,49. (7) Mc
14,66.
| Mc 14,7 - Mc 14,7: 318. Zalving van Jezus te Betanië: Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,3 - Mc 14,4 - Mc 14,5 - Mc 14,6 - Mc 14,7 - Mc 14,8 - Mc 14,9 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [7] For ye have the poor with you always, and whensoever
ye will ye may do them good: but me ye have not always.
Luther-Bibel. 7 Denn ihr habt allezeit Arme bei euch, und wenn ihr wollt, k�nnt
ihr ihnen Gutes tun; mich aber habt ihr nicht allezeit.
Tekstuitleg van Mc 14,7.
2. γάρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden), Taalgebruik in het NT: gar
(want). Taalgebruik in Mc: gar
(want).
Mc (63). Mc 14 (6): (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,5. (3) Mc
14,7. (4) Mc
14,40. (5) Mc
14,56. (6) Mc
14,70.
8. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
16. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.
| Mc 14,8 - Mc 14,8: 318. Zalving van Jezus te Betanië: Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,3 - Mc 14,4 - Mc 14,5 - Mc 14,6 - Mc 14,7 - Mc 14,8 - Mc 14,9 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [8] She hath done what she could: she is come aforehand
to anoint my body to the burying.
Luther-Bibel. 8 Sie hat getan, was sie konnte; sie hat meinen Leib im Voraus
gesalbt f�r mein Begr�bnis.
Tekstuitleg van Mc 14,8.
6.
τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord.
Mc
14 (22): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,5. (3) Mc
14,8. (4) Mc
14,9. (5) Mc
14,12. (6) Mc
14,14. (7) Mc
14,16. (8) Mc
14,20. (9) Mc
14,22. (10) Mc
14,24. (11) Mc
14,26. (12) Mc
14,28. (13) Mc
14,32. (14) Mc
14,36. (15) Mc
14,38. (16) Mc
14,41. (17) Mc
14,47. (18) Mc
14,54. (19) Mc
14,55. (20) Mc
14,65. (21) Mc
14,68. (22) Mc
14,72.
10. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.
| Mc 14,9 - Mc 14,9: 318. Zalving van Jezus te Betanië: Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,3 - Mc 14,4 - Mc 14,5 - Mc 14,6 - Mc 14,7 - Mc 14,8 - Mc 14,9 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [9] Verily I say unto you, Wheresoever this gospel shall
be preached throughout the whole world, this also that she hath done shall be
spoken of for a memorial of her.
Luther-Bibel. 9 Wahrlich, ich sage euch: Wo das Evangelium gepredigt wird in
aller Welt, da wird man auch das sagen zu ihrem Ged�chtnis, was sie jetzt getan
hat.
Tekstuitleg van Mc 14,9. Het vers Mc 14,9 telt 21 (3 X 7) woorden en 104 (2 X 2 X 2 X 13) letters. Het getalwaarde van Mc 14,9 is 10597 (priemgetal).
1. amèn (amen, ja, voorwaar). Taalgebruik in het NT: amèn
(amen, ja, voorwaar). Taalgebruik in Mc: amèn
(amen, ja, voorwaar). Het maakt deel uit van de formule amèn...
legô humin (voorwaar ik zeg jullie).
Mc (13) (1). (2). (3). (4). (5). (6). (7). (8). (9). (10). (11).
(12). (13).
Mc 14,9.2.
de (echter). Taalgebruik in het NT: de
(echter). Taalgebruik in Mc: de
(echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden.
Mc 14 (23): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,7. (5) Mc
14,9. (6) Mc
14,11. (7) Mc
14,20. (8) Mc
14,21. (9) Mc
14,29. (10) Mc
14,31. (11) Mc
14,38. (12) Mc
14,44. (13) Mc
14,46. (14) Mc
14,47. (15) Mc
14,52. (16) Mc
14,55. (17) Mc
14,61. (18) Mc
14,62. (19) Mc
14,63. (20) Mc
14,64. (21) Mc
14,68. (22) Mc
14,70. (23) Mc
14,71.
In Mc 14,6-9 reageert Jezus opvallend positief tegen de negatieve reactie van
de leerlingen.
1. - 4. amèn (de) legô humin (voorwaar - echter - ik zeg jullie). Mc (13) (1). (2). (3). (4). (5). (6). (7). (8). (9). (10). (11). (12). (13).
Mc 14,9.8.
τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord.
Mc
14 (22): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,5. (3) Mc
14,8. (4) Mc
14,9. (5) Mc
14,12. (6) Mc
14,14. (7) Mc
14,16. (8) Mc
14,20. (9) Mc
14,22. (10) Mc
14,24. (11) Mc
14,26. (12) Mc
14,28. (13) Mc
14,32. (14) Mc
14,36. (15) Mc
14,38. (16) Mc
14,41. (17) Mc
14,47. (18) Mc
14,54. (19) Mc
14,55. (20) Mc
14,65. (21) Mc
14,68. (22) Mc
14,72.
9. accusatief onzijdig enkelvoud euaggelion (evangelie). Taalgebruik in het
NT: euaggelion
(evangelie). Taalgebruik in Mc: euaggelion
(evangelie). eu-aggelion = goede boodschap. Lat. evangelium. Fr. évangile. D. Evangelium. E. gospel.
Mc (4): (1) Mc
1,14. (2) Mc
13,10. (3) Mc
14,9. (4) Mc
16,15.
Mc 14,9.8. - 9. to euaggelion (het evangelie) . Een vorm van euaggelion (goede boodschap) in Mc (8); gen. (3), dat. (1), acc. (4). Elke vorm wordt voorafgegaan door het bepaald lidwood: gen. (tou), dat. tô(i), acc. to.
11. kosmos (wereld). Taalgebruik in het NT: kosmos
(wereld). Taalgebruik in Mc: kosmos
(wereld).
Mc (3): (1) Mc
8,36. (2) Mc
14,9. (3) Mc
16,15.
12. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 14 (12): (1) Mc
14,8. (2) Mc
14,9. (3) Mc
14,27. (4) Mc
14,33. (5) Mc
14,39. (6) Mc
14,47. (7) Mc
14,53. (8) Mc
14,58. (9) Mc
14,60. (10) Mc
14,62. (11) Mc
14,67. (12) Mc
14,71.
14. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
21. pers. voornaamw. gen. vr. enk. autès van het pers. voornaamw. autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos. Mc (14): (1) Mc 1,30. (2) Mc 5,26. (3) Mc 5,29. (4) Mc 6,24. (5) Mc 6,28. (6) Mc 7,25. (7) Mc 7,26. (8) Mc 7,30. (9) Mc 10,12. (10) Mc 12,44. (11) Mc 13,24. (12) Mc 13,28. (13) Mc 14,9. (14) Mc 16,11.
319. Verraad van Judas: Mc 14,10-11 - Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,10 - Mc 14,11 -
| Mc 14,10 - Mc 14,10: 319. Verraad van Judas: Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,10 - Mc 14,11 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [10] And Judas Iscariot, one of the twelve, went unto the
chief priests, to betray him unto them.
Luther-Bibel. 10 Und Judas Iskariot, einer von den Zw�lfen, ging hin zu den
Hohenpriestern, dass er ihn an sie verriete.
Tekstuitleg van Mc 14,10. Mc 14,10 // Mt 26,14
Mc 14,10 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) Ἰούδας (= ioudas: Judas; zn eigennaam) Ἰσκαριὼθ (= iskariôth: Iskarioth; zn eigennaam) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δώδεκα (= dôdeka: twaalf; hoofdtelw) ἀπῆλθεν (= apèlthen: zij gingen weg; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D: Weg. E: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) προς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀρχιερεῖς (= archiereis: hogepriesters; zn nom mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) παραδοῖ (= paradoi: hij zou overleveren; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij).
Mc
14,10.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en).
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
Mc 14,10.2. Ἰούδας (= ioudas: Judas; zn eigennaam).
Mc 14,10.3. Ἰσκαριὼθ (= iskariôth: Iskarioth; zn eigennaam).
Mc 14,10.4. ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het).
Mc 14,10.5. εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één).
Mc
14,10.6. τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in
het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc
14,10. (2) Mc
14,12. (3) Mc
14,13. (4) Mc
14,14. (5) Mc
14,17. (6) Mc
14,20. (7) Mc
14,26. (8) Mc
14,41. (9) Mc
14,43. (10) Mc
14,47. (11) Mc
14,54. (12) Mc
14,62. (13) Mc
14,66.
Mc 14,10.7. δώδεκα (= dôdeka: twaalf; hoofdtelw).
Mc
14,10.8. ἀπῆλθεν (= apèlthen: zij gingen weg; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D: Weg. E: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekom n we w-ch/g: weg).
- Bij Marcus wordt het in 9 verzen gebruikt.
Het weg-gaan houdt vaak een keuze in. Het weg-gaan van Mc
14,10 is een gaan, maar is tegelijkertijd een afstand nemen van, het verlaten
van Jezus en de twaalf. In Mc
3,13-19 wordt verhaald over de roeping van de twaalf. Judas hoort bij de
twaalf. In Mc
14,10 verbreekt Judas zijn toebehoren tot de twaalf. Judas gaat naar de
hogepriesters; hij is een overloper en zoekt een gelegenheid om Jezus aan de
hogepriesters over te leveren. Judas ruilt het leerling-zijn voor spion; hij
verzamelt de nodige informatie om Jezus over te leveren.
Mc 14,10.9. προς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting). Taalgebruik in NT: pros (naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros (naar, bij). Mc 14 (5): (1) Mc 14,4. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,49. (4) Mc 14,53. (5) Mc 14,54.
Mc
14,10.10. τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het).
Mc 14,10.11. ἀρχιερεῖς (= archiereis: hogepriesters; zn nom mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester). Taalgebruik in het NT: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Mc: archiereus (hogepriester). Mc (11). (1) Mc 11,18. (2) Mc 11,27. (3) Mc 14,1. (4) Mc 14,10. (5) Mc 14,53. (6) Mc 14,55. (7) Mc 15,1. (8) Mc 15,3. (9) Mc 15,10. (10) Mc 15,11. (11) Mc 15,31.
Mc 14,10.12. ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel).
Mc
14,10.13. αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,10. (3) Mc
14,11. (4) Mc
14,39. (5) Mc
14,44. (6) Mc
14,45. (7) Mc
14,46. (8) Mc
14,50. (9) Mc
14,51. (10) Mc
14,55. (11) Mc
14,61. (12) Mc
14,64. (13) Mc
14,65. (14) Mc
14,69.
Mc
14,10.14. παραδοῖ (= paradoi: hij zou overleveren; wkw act conjunct aor 3de pers enk van
het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren). zie: paradidômi
(overleveren) bij Marcus, zie Mc
1,14.
-
In Mc 14 is vaak sprake van paradidômi (overleveren). Dit is de eerste maal in
dit hoofdstuk. Wat reeds lang woekerde, krijgt nu concrete vorm: Judas Iskarit,
één van de twaalf, één uit Jezus'intieme kring gaat
naar de hogepriesters om hem over te leveren. De geestelijke overheid zocht
al langer een gelegenheid om Jezus te grijpen, te veroordelen en te executeren.
Ook de wereldlijke overheid was gevaarlijk omwille van haar onbetrouwbaarheid.
Mc 14,10.15. αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij).
| Mc 14,11 - Mc 14,11: 319. Verraad van Judas: Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,10 - Mc 14,11 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [11] And when they heard it, they were glad, and promised
to give him money. And he sought how he might conveniently betray him.
Luther-Bibel. 11 Als die das h�rten, wurden sie froh und versprachen, ihm Geld
zu geben. Und er suchte, wie er ihn bei guter Gelegenheit verraten k�nnte.
Tekstuitleg van Mc 14,11.
2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de
(echter). Taalgebruik in Mc: de
(echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden.
Mc 14 (23): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,7. (5) Mc
14,9. (6) Mc
14,11. (7) Mc
14,20. (8) Mc
14,21. (9) Mc
14,29. (10) Mc
14,31. (11) Mc
14,38. (12) Mc
14,44. (13) Mc
14,46. (14) Mc
14,47. (15) Mc
14,52. (16) Mc
14,55. (17) Mc
14,61. (18) Mc
14,62. (19) Mc
14,63. (20) Mc
14,64. (21) Mc
14,68. (22) Mc
14,70. (23) Mc
14,71.
3. act. part. aor. nom. mv. akousantes van het werkw. akouô (horen). Taalgebruik in het NT: akouô
(horen). Beide zijn verwant met elkaar. oor < Lat. aus, auris, zie
Gr. ous / ôs, ôtis. auscultare (het oor lenen aan, toehoren,
aanhoren) -> écouter.
Mc (7): (1) Mc
3,21. (2) Mc
4,18. (3) Mc
6,29. (4) Mc
10,41. (5) Mc
14,11. (6) Mc
15,35. (7) Mc
16,11.
5. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
10. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
13. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,10. (3) Mc
14,11. (4) Mc
14,39. (5) Mc
14,44. (6) Mc
14,45. (7) Mc
14,46. (8) Mc
14,50. (9) Mc
14,51. (10) Mc
14,55. (11) Mc
14,61. (12) Mc
14,64. (13) Mc
14,65. (14) Mc
14,69.
320. Voorbereiding van het paasmaal: Mc 14,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- Mc 14,12 - Mc 14,13 - Mc 14,14 - Mc 14,15 - Mc 14,16 -
| Mc 14,12 - Mc 14,12: 320. Voorbereiding van het paasmaal: Taalgebruiken -- Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- Mc 14,12 - Mc 14,13 - Mc 14,14 - Mc 14,15 - Mc 14,16 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [12] And the first day of unleavened bread, when they killed
the passover, his disciples said unto him, Where wilt thou that we go and prepare
that thou mayest eat the passover?
Luther-Bibel. 12 Und am ersten Tage der Unges�uerten Brote, als man das Passalamm
opferte, sprachen seine J�nger zu ihm: Wo willst du, dass wir hingehen und das
Passalamm bereiten, damit du es essen kannst?
Tekstuitleg van Mc 14,12.
Mc
14,12.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw). Taalgebruik: kai (en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai (en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
Mc 14,12.4. nom. + dat. vr. enk. ἡμερα / ἡμερᾳ = hèmera(i) (dag). Zie: ἡμερα = hèmera (dag). Taalgebruik in het NT: hèmera (dag). Taalgebruik in de Septuaginta: hèmera (dag). Taalgebruik in Mc: hèmera (dag). Mc (3): (1) Mc 2,20. (2) Mc 4,35. (3) Mc 14,12.
| hèmera (dag) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | nom. en dat. vr. enk. hèmera(i) | 854 | 750 | 104 | 13 | 3 | 27 | 17 | 12 | 28 | 4 | 43 | 60 | ||
| totaal | 2508 | 2029 | 479 | 43 | 26 | 82 | 31 | 93 | 183 | 21 | 151 | 182 |
| hèmera (dag) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | |
| 1 | nom. en dat. vr. enk. hèmera(i) | 3 | (1) Mc 2,20. | (2) Mc 4,35. | (3) Mc 14,12. | ||||||||
| 2 | gen. vr. enk. + acc. vr. mv hèmeras | 11 | (1) Mc 1,13. | (2) Mc 5,5. | (3) Mc 6,21. | (4) Mc 8,31. | (5) Mc 9,2. (6) Mc 9,31. | (7) Mc 10,34. | (8) Mc 13,20. (9) Mc 13,32. | (10) Mc 14,1. (11) Mc 14,25. | |||
| 3 | acc. vr. enk. hèmeran | 2 | |||||||||||
| 4 | gen. vr. mv. hèmerôn | 2 | (1) Mc 2,1. | (2) Mc 14,58. | |||||||||
| 5 | dat. vr. mv. hèmerais | 5 | (1) Mc 1,9. | (2) Mc 8,1. | (3) Mc 13,17. (4) Mc 13,24. | ||||||||
| totaal | 23 | 2 | 2 | 1 | 1 | 1 | 2 | 2 | 1 | 4 | 3 | 1 |
- Ned: dag. Arabisch: يَوم = jaum (dag). Taalgebruik in de Qoran: dag (jaum). D: Tag. E: day. F: jour < Lat. diurnum. Cfr journaal. Grieks: ἡμερα = hèmera (dag). Taalgebruik in het NT: hèmera (dag). Hebreeuws: יוֹם = jôm (dag). Taalgebruik in Tenakh: jôm (dag). Latijn: dies (dag). diurnus (dagelijks).
Mc
14,12.5. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in
het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc
14,10. (2) Mc
14,12. (3) Mc
14,13. (4) Mc
14,14. (5) Mc
14,17. (6) Mc
14,20. (7) Mc
14,26. (8) Mc
14,41. (9) Mc
14,43. (10) Mc
14,47. (11) Mc
14,54. (12) Mc
14,62. (13) Mc
14,66.
Mc 14,12.7. hote (toen). Taalgebruik in het NT: hote (toen). Taalgebruik in Mc: hote (toen). Voegwoord van tijd. Mc (12): (1) Mc 1,32. (2) Mc 2,25. (3) Mc 4,6. (4) Mc 4,10. (5) Mc 6,21. (6) Mc 7,17. (7) Mc 8,19. (8) Mc 8,20. (9) Mc 11,1. (10) Mc 14,12. (11) Mc 15,20. (12) Mc 15,41.
Mc
14,12.8.
τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord.
Mc
14 (22): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,5. (3) Mc
14,8. (4) Mc
14,9. (5) Mc
14,12. (6) Mc
14,14. (7) Mc
14,16. (8) Mc
14,20. (9) Mc
14,22. (10) Mc
14,24. (11) Mc
14,26. (12) Mc
14,28. (13) Mc
14,32. (14) Mc
14,36. (15) Mc
14,38. (16) Mc
14,41. (17) Mc
14,47. (18) Mc
14,54. (19) Mc
14,55. (20) Mc
14,65. (21) Mc
14,68. (22) Mc
14,72.
Mc 14,12.9. πάσχα (= pascha; pascha, Pesach, Pasen; zn nom onz enk). Taalgebruik in het NT: pascha (pascha). Taalgebruik in de LXX: pascha (pascha). Taalgebruik in Mc: pascha (pascha). Mc (4 verzen, 5X): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,12. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,16. Joh (9): (1) Joh 2,13. (2) Joh 2,23. (3) Joh 6,4. (4) Joh 11,55. (5) Joh 12,1. (6) Joh 13,1. (7) Joh 18,28. (8) Joh 18,39. (9) Joh 19,14.
23. πάσχα (= pascha; pascha, Pesach, Pasen; zn nom onz enk). Taalgebruik in het NT: pascha (pascha). Taalgebruik in de LXX: pascha (pascha). Taalgebruik in Mc: pascha (pascha). Mc (4 verzen, 5X): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,12. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,16. Joh (9): (1) Joh 2,13. (2) Joh 2,23. (3) Joh 6,4. (4) Joh 11,55. (5) Joh 12,1. (6) Joh 13,1. (7) Joh 18,28. (8) Joh 18,39. (9) Joh 19,14.
| Mc 14,13 - Mc 14,13: 320. Voorbereiding van het paasmaal: Taalgebruiken -- Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- Mc 14,12 - Mc 14,13 - Mc 14,14 - Mc 14,15 - Mc 14,16 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [13] And he sendeth forth two of his disciples, and saith
unto them, Go ye into the city, and there shall meet you a man bearing a pitcher
of water: follow him.
Luther-Bibel. 13 Und er sandte zwei seiner J�nger und sprach zu ihnen: Geht
hin in die Stadt, und es wird euch ein Mensch begegnen, der tr�gt einen Krug
mit Wasser; folgt ihm
Tekstuitleg van Mc 14,13.
Mc 14,13.1.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
4. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in
het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc
14,10. (2) Mc
14,12. (3) Mc
14,13. (4) Mc
14,14. (5) Mc
14,17. (6) Mc
14,20. (7) Mc
14,26. (8) Mc
14,41. (9) Mc
14,43. (10) Mc
14,47. (11) Mc
14,54. (12) Mc
14,62. (13) Mc
14,66.
2. - 6. apostellei duo tôn mathètôn autou (hij zendt twee van zijn leerlingen). Mc (2): (1) Mc 11,1. (2) Mc 14,13.
Mc 14,13.7.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
Mc 14,13.8. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc 14: (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67.
10. act. imperat. praes. 2de pers. mv. hupagete (ga weg, vertrek)
van het werkw. hupagô (onder iets brengen, weggaan). Taalgebruik in het
NT: hupagô
(onder iets brengen, weggaan). Taalgebruik in Mc: hupagô
(onder iets brengen, weggaan).
Mc (4: vierkant ABCD): (1) Mc
6,38 (A). (2) Mc
11,2 (B). (3) Mc
14,13 (C). (4) Mc
16,7 (D). In 3 verzen is het een woord van Jezus: (1) Mc
6,38. (2) Mc
11,2. (3) Mc
14,13.
- hupagete (ga) gevolgd door een imperatief 2de pers. mv.. (1) Mc
6,38: hupagete idete (ga, zie = ga zien). (2) Mc
16,7: hupagete eipate (ga, zeg = ga zeggen). Zijde A-D van het vierkant
ABCD.
- kai legei autois hupagete eis tèn kômèn / polin (en hij
zegt hen: ga naar het dorp / de stad). Mc (2): (1) Mc
11,2. (2) Mc
14,13. Zijde BC van het vierkant ABCD.
7. - 13. kai legei autois hupagete eis tèn kômèn / polin (en hij zegt hen: ga naar het dorp / de stad). Mc (2): (1) Mc 11,2. (2) Mc 14,13.
Mc 14,13.14.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
Mc 14,13.17. nom. mann. enk. anthrôpos (mens). Taalgebruik in het NT: anthrôpos (mens). Taalgebruik in Mc: anthrôpos (mens). Mc (14): (1) Mc 1,23. (2) Mc 2,27. (3) Mc 3,1. (4) Mc 4,26. (5) Mc 5,2. (6) Mc 7,11. (7) Mc 8,37. (8) Mc 10,7. (9) Mc 10,9. (10) Mc 12,1. (11) Mc 13,34. (12) Mc 14,13. (13) Mc 14,21. (14) Mc 15,39.
Mc 14,13.19.
gen. onz. enk. hudatos (water) van het zelfst. naamw. hudôr (water).
Taalgebruik in het NT: hudôr
(water). Taalgebruik in Mc: hudôr
(water). Hebr. majim (wateren). Lat: aqua. Fr: eau.
Mc (3): (1) Mc
1,10. (2) Mc
9,41. (3) Mc
14,13.
Duality
- apostellei duo tôn mathètôn autou (hij zendt twee van
zijn leerlingen). Mc (2): (1) Mc
11,1. (2) Mc
14,13.
- kai legei autois hupagete eis tèn kômèn / polin (en hij
zegt hen: ga naar het dorp / de stad). Mc (2): (1) Mc
11,2. (2) Mc
14,13.
| Mc 14,14 - Mc 14,14: 320. Voorbereiding van het paasmaal: Taalgebruiken -- Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- Mc 14,12 - Mc 14,13 - Mc 14,14 - Mc 14,15 - Mc 14,16 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [14] And wheresoever he shall go in, say ye to the goodman
of the house, The Master saith, Where is the guestchamber, where I shall eat
the passover with my disciples?
Luther-Bibel. 14 und wo er hineingeht, da sprecht zu dem Hausherrn: Der Meister
l�sst dir sagen: Wo ist der Raum, in dem ich das Passalamm essen kann mit meinen
J�ngern?
Tekstuitleg van Mc 14,14.
1. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
8. hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti
(dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti
(dat, omdat).
Mc (92). Mc 14 (10): (1) Mc
14,14. (2) Mc
14,18. (3) Mc
14,21. (4) Mc
14,25. (5) Mc
14,27. (6) Mc
14,30. (7) Mc
14,58. (8) Mc
14,69. (9) Mc
14,71. (10) Mc
14,72.
11. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc 14: (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67.
14.
τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord.
Mc
14 (22): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,5. (3) Mc
14,8. (4) Mc
14,9. (5) Mc
14,12. (6) Mc
14,14. (7) Mc
14,16. (8) Mc
14,20. (9) Mc
14,22. (10) Mc
14,24. (11) Mc
14,26. (12) Mc
14,28. (13) Mc
14,32. (14) Mc
14,36. (15) Mc
14,38. (16) Mc
14,41. (17) Mc
14,47. (18) Mc
14,54. (19) Mc
14,55. (20) Mc
14,65. (21) Mc
14,68. (22) Mc
14,72.
19. πάσχα (= pascha; pascha, Pesach, Pasen; zn nom onz enk). Taalgebruik in het NT: pascha (pascha). Taalgebruik in de LXX: pascha (pascha). Taalgebruik in Mc: pascha (pascha). Mc (4 verzen, 5X): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,12. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,16. Joh (9): (1) Joh 2,13. (2) Joh 2,23. (3) Joh 6,4. (4) Joh 11,55. (5) Joh 12,1. (6) Joh 13,1. (7) Joh 18,28. (8) Joh 18,39. (9) Joh 19,14.
20. meta (na, met). Taalgebruik in het NT: meta (na, met). Taalgebruik in Mc: meta (na, met). Voorzetsel. Hebr. `im. Lat. cum. Ned. met. Fr. avec (met); après (na, < ad pressum = tot ge-perst, opeengeperst; primere, pressum: persen, ). Mc 14 (10): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,17. (4) Mc 14,28. (5) Mc 14,43. (6) Mc 14,48. (7) Mc 14,54. (8) Mc 14,62. (9) Mc 14,67. (10) Mc 14,70.
21. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in
het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc
14,10. (2) Mc
14,12. (3) Mc
14,13. (4) Mc
14,14. (5) Mc
14,17. (6) Mc
14,20. (7) Mc
14,26. (8) Mc
14,41. (9) Mc
14,43. (10) Mc
14,47. (11) Mc
14,54. (12) Mc
14,62. (13) Mc
14,66.
22. gen.mann. mv. mathètôn (met zijn leerlingen). Zelfstandig naamwoord mathètès (leerling). Taalgebruik in het NT: mathètès (leerling). Taalgebruik in Mc: mathètès (leerling). Mc (8): (1) Mc 3,7 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen). (2) Mc 7,2. (3) Mc 8,10 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen). (4) Mc 10,46. (5) Mc 11,1 (duo tôn mathètôn autou = twee van zijn leerlingen). (6) Mc 13,1 (heis tôn mathètôn autou = één van zijn leerlingen). (7) Mc 14,13 (duo tôn mathètôn autou = twee van zijn leerlingen). (8) Mc 14,14 (meta tôn mathètôn mou = met mijn leerlingen).
20. - 22. meta tôn mathètôn (met de leerlingen). Mc (3): (1) Mc 3,7 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen). (2) Mc 8,10 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen). (3) Mc 14,14 (meta tôn mathètôn mou = met mijn leerlingen).
| Mc 14,15 - Mc 14,15: 320. Voorbereiding van het paasmaal: Taalgebruiken -- Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- Mc 14,12 - Mc 14,13 - Mc 14,14 - Mc 14,15 - Mc 14,16 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [15] And he will shew you a large upper room furnished and
prepared: there make ready for us.
Luther-Bibel. 15 Und er wird euch einen gro�en Saal zeigen, der mit Polstern
versehen und vorbereitet ist; dort richtet f�r uns zu.
Tekstuitleg van Mc 14,15.
1. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
3. pers. voornaamw. dat. mv. hèmin (ons) van het pers. voornaamw. hèmeis. Taalgebruik in het NT: persoonlijk
voornaamwoord. Taalgebruik in Mc: persoonlijk
voornaamwoord.
Mc (9): (1) Mc
1,24. (2) Mc
9,22. (3) Mc
9,38. (4) Mc
10,35. (5) Mc
10,37. (6) Mc
12,19. (7) Mc
13,4. (8) Mc
14,15. (9) Mc
16,3.
9. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
10. ekei (daar, hier). Taalgebruik in het NT: ekei (daar). Taalgebruik in Mc: ekei (daar). Ned. hier. Fr. ici. Mc (11): (1) Mc 1,38. (2) Mc 2,6. (3) Mc 3,1. (4) Mc 5,11. (5) Mc 6,5. (6) Mc 6,10. (7) Mc 6,33. (8) Mc 11,5. (9) Mc 13,21. (10) Mc 14,15. (11) Mc 16,7.
| Mc 14,16 - Mc 14,16: 320. Voorbereiding van het paasmaal: Taalgebruiken -- Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- Mc 14,12 - Mc 14,13 - Mc 14,14 - Mc 14,15 - Mc 14,16 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [16] And his disciples went forth, and came into the city,
and found as he had said unto them: and they made ready the passover.
Luther-Bibel. 16 Und die J�nger gingen hin und kamen in die Stadt und fanden's,
wie er ihnen gesagt hatte, und bereiteten das Passalamm.
Tekstuitleg van Mc 14,16.
1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et
5. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et
Mc
14,16.6. med. ind. 2de aor. 3de pers. mv. ηλθον = èlthon (zij gingen) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan,
komen). Taalgebruik in het NT: erchomai
(gaan, komen). Taalgebruik in de LXX: erchomai
(gaan, komen). Taalgebruik in Mc: erchomai
(gaan, komen). ηλθον = èlthon (ik kwam of zij kwamen): Mt (8): (1) Mt
5,17a en Mt
5,17b. (2) Mt
7,25. (3) Mt
7,27. (4) Mt
9,13. (5) Mt
10,34a en Mt
10,34b. (6) Mt
10,35. (7) Mt
14,34. (8) Mt
21,1. Mc (9): (1) Mc
1,29. (2) Mc
5,1. (3) Mc
6,53. (4) Mc
9,33. (5) Mc
14,16. ('6') Mc
2,17; ('7') Mc
3,8. ('8') Mc
5,14. ('9') Mc
6,29. Lc (11): (1) Lc
1,59. (2) Lc
2,44. (3) Lc
3,12. (4) Lc
4,42. (5) Lc
5,7. (6) Lc
6,18. (7) Lc
8,35. (8) Lc
12,49. (9) Lc
23,33. (10) Lc
24,1. (11) Lc
24,23. In 1 vers staat de 1ste persoon (Mc
2,17), in de andere verzen staat de 3de persoon meervoud. In Mc
4,35 staat de cohortativus in de aoristvorm en in de 1ste pers. mv.. Dit
zou de aorist en de 3de pers. mv. in Mc
5,1 kunnen verklaren. Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan, komen) in de LXX (1054), in het NT (631), in Mt (111), Mc (86), Lc (100), Joh (156) Samen in de ev. (453). Rest NT (178).
- med. ind. 2de aor. 3de pers. mv. ηλθον = èlthon (zij kwamen) van het ww. ερχομαι = erchomai (komen, gaan). We zouden ειρξονται verwachten. Deze vorm zou dan erg sterk gelijken op ηρξονται = èrksontai (zij begonnen) van het ww. αρχομαι = archomai (beginnen, heersen) gelijken en bijgevolg verwarring scheppen.
| erchomai (gaan, komen) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| ind. aor. 1ste p. enk. + 3de p. mv. èlthon | 197 | 136 | 61 | 8 | 9 | 11 | 17 | 11 | 4 | 1 | 28 | 45 |
- Hebreeuws. prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבֹאוּ= wajjâbo´û (en zij gingen) OF prefix verbindingswoord wë + act. hifil imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבִאוּ = wajjâbhi´û (en zij lieten komen, zij brachten) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´ (gaan, komen). Getalswaarde: beth = 2, aleph = 1; totaal: 3. Structuur: 2 - 1. Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader). Tenakh (195). Pentateuch (47). Eerdere Profeten (99) Latere Profeten (14). 12 Kleine Profeten (2). Geschriften (33). Een vorm van בָּא = bâ´ (gaan, komen) in Tenakh (2552)
Mc
14,16.5. - 6. και ηλθον = kai èlthon (en zij gingen). LXX (82). NT (12): (1) Mt
7,25. (2) Mt
7,27. (3) Mt 21,1. (4) Mc
5,1. (5) Mc
14,16. (6) Lc 2,16. (7) Lc
4,42. (8) Lc 5,7. (9) Lc
8,35. (10) Joh
3,26. (11) Joh
6,24. (12) Joh
12,9.
- Tweevoud in Mc: και ηλθον = kai èlthon (en zij gingen): (1) Mc
5,1. (2) Mc
14,16. In Mc
5,1 kwamen Jezus en zijn leerlingen, in Mc
14,16 zijn het enkel de leerlingen (om het avondmaal voor te bereiden).
Mc 14,16.7. εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar).
| eis (naar) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 6930 | 5336 | 1594 | 215 | 151 | 210 | 181 | 260 | 504 | 73 | 576 | 757 | 427 | 77 | 13 | 5 | 6 | 8 | 11 | 14 | 9 | 10 | 11 | 13 | 8 | 7 | 8 | 20 | 3 | 5 |
- Ned: naar. D: nach. E: for. Fr: vers (versus: gedraaid, gekeerd; vertere: tourner, draaien) / à. Grieks: εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Hebreeuws: voorzetsel אֶל = ´èl (naar, tot). Lat: in / ad.
Mc
14,16.6. - 7. ηλθον εις = èlthon eis (zij gingen naar). LXX (38). NT (17): (1) Mt
14,34. (2) Mt
21,1. (3) Mc
1,29. (4) Mc
5,1. (5) Mc
14,16. (6) Joh
4,45. (7) Joh
6,24. (8) Joh
12,27. (9) Hnd 13,13. (10) Hnd 13,51. (11) Hnd 14,24. (12) Hnd 15,30. (13) Hnd 17,1. (14) Hnd 21,8. (15) Hnd 22,11. (16) 2
Kor 1,23. (17) Gal 1,23.
- Mc (5). In 5 verzen
gaan Jezus en zijn leerlingen naar een bepaalde plaats: ηλθον = èlthon (zij
gingen) + εις = eis (naar: voorzetsel van plaats) + plaatsbepaling: (1) Mc
1,29 (naar het huis van Simon). (2) Mc
5,1 (naar de overzijde van het meer). (3) Mc
6,53 (naar Genesaret). (4) Mc
9,33 (naar Kafarnaüm). (5) Mc
14,16 (naar de stad).
Mc
14,16.5. - 7. και ηλθον εις = kai èlthon eis (en zij gingen naar). LXX (32). NT (4). Mt (1): Mt 21,1. Mc (2): (1) Mc
5,1. (2) Mc
14,16. Joh (1): Joh
6,24. In Mc
14,16 gaan de leerlingen van Jezus naar de stad om het paasmaal te bereiden. Pesach is overgang, doortocht.
- και ερχεται εις = kai erchetai eis (en hij gaat naar, en hij komt naar). LXX (5). NT (2): (1) Mc
5,38 (variante ερχονται = erchontai: zij gaan; dochter van Jaïrus). (2) Mc
8,22 (variante ερχονται =ερχονται = erchontai = zij gaan; Betsaïda).
- και ερχονται εις = kai erchontai eis (en zij gaan naar). LXX (2): (1) 2 S 2,29. (2) 1 K 11,18. NT (4): (1) Mc
3,20 (een huis). (2) Mc
10,46 (Jericho). (3) Mc
11,15 (Jeruzalem). (4) Mc
14,32 (streek van Getsemani).
Mc 14,16.10. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et
Mc 14,16.15. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et
Mc
14,16.17.
τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord.
Mc
14 (22): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,5. (3) Mc
14,8. (4) Mc
14,9. (5) Mc
14,12. (6) Mc
14,14. (7) Mc
14,16. (8) Mc
14,20. (9) Mc
14,22. (10) Mc
14,24. (11) Mc
14,26. (12) Mc
14,28. (13) Mc
14,32. (14) Mc
14,36. (15) Mc
14,38. (16) Mc
14,41. (17) Mc
14,47. (18) Mc
14,54. (19) Mc
14,55. (20) Mc
14,65. (21) Mc
14,68. (22) Mc
14,72.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3. | nom. + acc. onz. enk. to | 108 | 4 | 3 | 4 | 7 | 12 | 7 | 6 | 2 | 9 | 4 | 4 | 3 | 12 | 22 | 5 | 4 | 5941 | 4582 | 1359 | 186 | 108 | 181 | 121 | 172 | 482 | 109 | 475 | 596 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
Mc 14,16.18. πάσχα (= pascha; pascha, Pesach, Pasen; zn nom onz enk). Taalgebruik in het NT: pascha (pascha). Taalgebruik in de LXX: pascha (pascha). Taalgebruik in Mc: pascha (pascha). Mc (4 verzen, 5X): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,12. (3) Mc 14,12. (4) Mc 14,14. (5) Mc 14,16. Joh (9): (1) Joh 2,13. (2) Joh 2,23. (3) Joh 6,4. (4) Joh 11,55. (5) Joh 12,1. (6) Joh 13,1. (7) Joh 18,28. (8) Joh 18,39. (9) Joh 19,14.
- Mc 14,1 - Mc 14,2 - Mc 14,3 - Mc 14,4 - Mc 14,5 - Mc 14,6 - Mc 14,7 - Mc 14,8 - Mc 14,9 - Mc 14,10 - Mc 14,11 - Mc 14,12 - Mc 14,13 - Mc 14,14 - Mc 14,15 - Mc 14,16 - Mc 14,17 - Mc 14,18 - Mc 14,19 - Mc 14,20 - Mc 14,21 - Mc 14,22 - Mc 14,23 - Mc 14,24 - Mc 14,25 - Mc 14,26 - Mc 14,27 - Mc 14,28 - Mc 14,29 - Mc 14,30 - Mc 14,31 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 - Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 - Mc 14,53 - Mc 14,54 - Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 - Mc 14,65 - Mc 14,66 - Mc 14,67 - Mc 14,68 - Mc 14,69 - Mc 14,70 - Mc 14,71 - Mc 14,72 -
321. Aanduiding van de verrader: Mc 14,17-21 - Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,17 - Mc 14,18 - Mc 14,19 - Mc 14,20 - Mc 14,21 -
| Mc 14,17 - Mc 14,17: 321. Aanduiding van de verrader: Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,17 - Mc 14,18 - Mc 14,19 - Mc 14,20 - Mc 14,21 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. And in the evening he cometh with the twelve.
Luther-Bibel. 17 Und am Abend kam er mit den Zwölfen.
Tekstuitleg van Mc 14,17. Dit vers Mc 14,17 telt 7 woorden en 37 letters. De getalwaarde van Mc 14,17 is 4794 (2 X 3 X 17 X 47).
Mc 14,17. 1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
| kai (en) | kai (en) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
| Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 |
| 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 |
| 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 |
- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et.
Mc 14,17.2. gen. vr. enk. οψιας = opsias ('s avonds) van het zelfst. naamw. οψια = opsia (avond). Taalgebruik in het NT: opsia (avond). Taalgebruik in de LXX: opsia (avond). Taalgebruik in Mc: opsia (avond). Bijbel = NT (14). Mt (7): (1) Mt 8,16. (2) Mt 14,15. (3) Mt 14,23. (4) Mt 16,2. (5) Mt 20,8. (6) Mt 26,20. (7) Mt 27,57. Mc (6): (1) Mc 1,32. (2) Mc 4,35. (3) Mc 6,47. (4) Mc 11,11. (5) Mc 14,17. (6) Mc 15,42. Joh (1): Joh 20,19. Synoptici: 1) Mt 8,16 // Mc 1,32. (2) Mt 14,23 // Mc 6,47. (3) Mt 26,20 // Mc 14,17. (4) Mt 27,57 // Mc 15,42.
| opsia (avond) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Joh | syn. | ev. |
| nom. + dat. mann. enk. opsia(i) (avond) | 2 | 1 : Jdt 13,1 | 1 | 1 : Joh 6,16. | 1 | |||
| gen. mann. enk. opsias ('s avonds) | 14 | 14 | 7: (1) Mt 8,16. (2) Mt 14,15. (3) Mt 14,23. (4) Mt 16,2. (5) Mt 20,8. (6) Mt 26,20. (7) Mt 27,57. | 6 : (1) Mc 1,32. (2) Mc 4,35. (3) Mc 6,47. (4) Mc 11,11. (5) Mc 14,17. (6) Mc 15,42. | 1 : Joh 20,19. | 13 : (1) Mt 8,16 // Mc 1,32. (2) Mt 14,23 // Mc 6,47. (3) Mt 26,20 // Mc 14,17. (4) Mt 27,57 // Mc 15,42 | 14 | |
| acc. mann. enk. opsian | - | |||||||
| totaal | 16 | 1 | 15 | 7 | 6 | 2 | 13 | 15 |
| opsias... genomenès | 7 | 5: (1) Mc 1,32. (2) Mc 4,35. (3) Mc 6,47. (4). (5) Mc 14,17. (6) Mc 15,42. Niet in (4) Mc 11,11. |
- Hebreeuws. עֶרֶב = `èrèbh (avond). Taalgebruik in Tenakh: `èrèbh (avond). Getalwaarde: ajin = 16 of 70, resj = 20 of 200, beth = 2; totaal: 38 (2 X 19) OF 272 (2² X 2² X 17). Structuur: 7 - 2 - 2. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (48). Pentateuch (20). Eerdere Profeten (2). Latere Profeten (5). 12 Kleine
Profeten (3). Geschriften (18). Gn (10): (1) Gn 1,5. (2) Gn 1,8. (3) Gn 1,13. (4) Gn 1,19. (5) Gn 1,23. (6) Gn 1,31. (7) Gn 8,11. (8) Gn 24,11. (9) Gn 24,63. (10) Gn 44,32.
- Ned: avond. Arabisch: مَسَاء = masâ´ (avond). Taalgebruik in de Qoran: masâ´ (avond). D: Abend. E. evening. Fr: soir. Gr: οψια = opsia (avond). Taalgebruik in het NT: opsia
(avond). Hebr: עֶרֶב = `èrèbh (avond). Taalgebruik in Tenakh: `èrèbh (avond. Lat. ad vesperas.
Bij de joden begint de nieuwe dag met het vallen
van de avond, na zonsondergang. De eerste zonsondergang heeft plaats na de sabbat, bij het begin
van de eerste dag. De laatste zonsondergang heeft plaats op het einde van de
zesde dag. De avond van Mc
14,17 is misschien het einde van de vijfde dag of het begin van de zesde
dag.
Mc
14,17.1. - 2. οψιας δε = opsias de ('s avonds echter). Bijbel = NT (7): (1) Mt
8,16. (2) Mt
14,15. (3) Mt
14,23. (4) Mt
20,8. (5) Mt
26,20. (6) Mt
27,57. (7) Mc
1,32. Parallelteksten: Mc
1,32.// Mt
8,16.
- και οψιας = kai opsias (en 's avonds). Bijbel = NT: (1) Mc
6,47. (2) Mc
14,17. Parallelteksten: Mc
6,47 // Mt
14,23. Mc
14,17 // Mt
26,20.
- Hebr: וָעֶרֶב = wâ`èrèbh (en de avond). Tenakh (1): Ps 65,9.
Mc 14,17.3. part. aor. gen. vr. enk. γενομενης = genomenès (geworden) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren). Taalgebruik in de LXX: ginomai (worden). Taalgebruik in het NT: ginomai (worden). Taalgebruik in Mc: ginomai (worden). Mt (9): (1) Mt 8,16. (2) Mt 13,21. (3) Mt 14,15. (4) Mt 14,23. (5) Mt 16,2. (6) Mt 20,8. (7) Mt 27,1. (8) Mt 26,20. (9) Mt 27,57. Mc (9). (1) Mc 1,32. (2) Mc 4,17. (3) Mc 4,35. (4) Mc 6,21. (5) Mc 6,35. (6) Mc 6,47. (7) Mc 14,17. (8) Mc 15,33. (9) Mc 15,42. Lc (2): (1) Lc 4,42. (2) Lc 6,48. Joh (1): Joh 21,4. Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174), in het NT (667).
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| part. aor. gen. vr. enk. genomenès | 41 | 8 | 33 | 9 | 9 | 2 | 1 | 11 | 1 | 20 | 21 |
- Hebreeuws. prefix verbindingswoord wa + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn). De getalwaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31. 31 is de getalwaarde van אֵל = ´el (God); aleph = 1, lamed = 12 of 30; totaal: 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld).Taalgebruik in Tenakh: hâjâh (zijn). Getalwaarde: he = 5, jod = 10; totaal: 20 (2² X 5). Structuur: 5 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (784). Pentateuch (181). Eerdere Profeten (339). Latere Profeten (116). 12 Kleine Profeten (22). Geschriften (126). In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren).
Mc
14,17.1. - 3. οψιας γενομενης = opsias genomenès (nadat het avond was geworden). NT (12): (1) Mt
8,16. (2) Mt
14,15. (3) Mt
14,23. (4) Mt
16,2. (5) Mt
20,8. (6) Mt
26,20. (7) Mt
27,57. (8) Mc
1,32. (9) Mc
4,35. (10) Mc
6,47. (11) Mc
14,17. (12) Mc
15,42.
- οψιας δε γενομενης = opsias de genomenès (nadat het echter avond was geworden). NT (7): (1) Mt
8,16. (2) Mt
14,15. (3) Mt
14,23. (4) Mt
20,8. (5) Mt
26,20. (6) Mt
27,57. (7) Mc
1,32.
- και οψιας γενομενης = kai opsias genomenès (en nadat het avond was geworden). NT (2): (1) Mc
6,47. (2) Mc
14,17.
-
- και... οψιας γενομενης = kai... opsias genomenès (en... nadat het avond was geworden). NT (2): (1) Mc
4,35. (2) Mc
15,42.
- Hebr: וַיְהִי עֶרֶב = wajëhî `èrèbh (en het werd avond). Tenakh (6): (1) Gn 1,5. (2) Gn 1,8. (3) Gn 1,13. (4) Gn 1,19. (5) Gn 1,23. (6) Gn 1,31
6. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in
het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc
14,10. (2) Mc
14,12. (3) Mc
14,13. (4) Mc
14,14. (5) Mc
14,17. (6) Mc
14,20. (7) Mc
14,26. (8) Mc
14,41. (9) Mc
14,43. (10) Mc
14,47. (11) Mc
14,54. (12) Mc
14,62. (13) Mc
14,66.
| Mc 14,18 - Mc 14,18: 321. Aanduiding van de verrader: Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,17 - Mc 14,18 - Mc 14,19 - Mc 14,20 - Mc 14,21 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [18] And as they sat and did eat, Jesus said, Verily I say
unto you, One of you which eateth with me shall betray me.
Luther-Bibel. 18 Und als sie bei Tisch waren und a�en, sprach Jesus: Wahrlich,
ich sage euch: Einer unter euch, der mit mir isst, wird mich verraten.
Tekstuitleg van Mc 14,18.
1. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
Mc 14,18.2. part. praes. gen. mv. ανακειμενων = anakeimenôn (aanliggende) van het werkw. ανακειμαι = anakeimai (aanliggen). Taalgebruik in het NT: anakeimai (aanliggen). Taalgebruik in de LXX: anakeimai (aanliggen). Bijbel (4): (1) Mt 22,10. (2) Mc 14,18. (3) Joh 12,2. (4) Joh 13,28. Een vorm van ανακειμαι = anakeimai (aanliggen) in de LXX (2), in het NT (14), in Mc (3).
4. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
7. nom. mann. enk. Ièsous. Mc 14 (7): (1) Mc 14,6. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,48. (6) Mc 14,62. (7) Mc 14,72. Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 14 (11): (1) Mc 14,6 (nom. Ièsous). (2) Mc 14,18 (nom. Ièsous). (3) Mc 14,27 (nom. Ièsous). (4) Mc 14,30 (nom. Ièsous). (5) Mc 14,48 (nom. Ièsous). (6) Mc 14,53 (acc. Ièsoun). (7) Mc 14,55 (gen Ièsou.). (8) Mc 14,60 (acc. Ièsoun). (9) Mc 14,62 (nom. Ièsous). (10) Mc 14,67 (gen. Ièsou). (11) Mc 14,72 (nom. Ièsous). Taalgebruik in het NT: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus).
12. hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti
(dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti
(dat, omdat).
Mc (92). Mc 14 (10): (1) Mc
14,14. (2) Mc
14,18. (3) Mc
14,21. (4) Mc
14,25. (5) Mc
14,27. (6) Mc
14,30. (7) Mc
14,58. (8) Mc
14,69. (9) Mc
14,71. (10) Mc
14,72.
| Mc 14,19 - Mc 14,19: 321. Aanduiding van de verrader: Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,17 - Mc 14,18 - Mc 14,19 - Mc 14,20 - Mc 14,21 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [19] And they began to be sorrowful, and to say unto him
one by one, Is it I? and another said, Is it I?
Luther-Bibel. 19 Und sie wurden traurig und fragten ihn, einer nach dem andern:
Bin ich's?
Tekstuitleg van Mc 14,19.
3. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
7. kata (tegen, volgens). Taalgebruik in het NT: kata
(tegen, volgens). Taalgebruik in Mc: kata
(tegen, volgens).
Mc (9): (1) Mc
4,10. (2) Mc
5,13. (3) Mc
6,40. (4) Mc
7,5. (5) Mc
11,25. (6) Mc
13,8. (7) Mc
14,19. (8) Mc
14,55. (9) Mc
15,6.
| Mc 14,20 - Mc 14,20: 321. Aanduiding van de verrader: Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,17 - Mc 14,18 - Mc 14,19 - Mc 14,20 - Mc 14,21 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [20] And he answered and said unto them, It is one of the
twelve, that dippeth with me in the dish.
Luther-Bibel. 20 Er aber sprach zu ihnen: Einer von den Zw�lfen, der mit mir
seinen Bissen in die Sch�ssel taucht.
Tekstuitleg van Mc 14,20.
2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de
(echter). Taalgebruik in Mc: de
(echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden.
Mc 14 (23): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,7. (5) Mc
14,9. (6) Mc
14,11. (7) Mc
14,20. (8) Mc
14,21. (9) Mc
14,29. (10) Mc
14,31. (11) Mc
14,38. (12) Mc
14,44. (13) Mc
14,46. (14) Mc
14,47. (15) Mc
14,52. (16) Mc
14,55. (17) Mc
14,61. (18) Mc
14,62. (19) Mc
14,63. (20) Mc
14,64. (21) Mc
14,68. (22) Mc
14,70. (23) Mc
14,71.
1. - 4. ho de... eipen autois (hij echter zei hen). Mc (5): (1) Mc 6,37. (2) Mc 7,6. (3) Mc 9,12. (4) Mc 10,3. (5) Mc 14,20.
6. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in
het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc
14,10. (2) Mc
14,12. (3) Mc
14,13. (4) Mc
14,14. (5) Mc
14,17. (6) Mc
14,20. (7) Mc
14,26. (8) Mc
14,41. (9) Mc
14,43. (10) Mc
14,47. (11) Mc
14,54. (12) Mc
14,62. (13) Mc
14,66.
13.
τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord.
Mc
14 (22): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,5. (3) Mc
14,8. (4) Mc
14,9. (5) Mc
14,12. (6) Mc
14,14. (7) Mc
14,16. (8) Mc
14,20. (9) Mc
14,22. (10) Mc
14,24. (11) Mc
14,26. (12) Mc
14,28. (13) Mc
14,32. (14) Mc
14,36. (15) Mc
14,38. (16) Mc
14,41. (17) Mc
14,47. (18) Mc
14,54. (19) Mc
14,55. (20) Mc
14,65. (21) Mc
14,68. (22) Mc
14,72.
| Mc 14,21 - Mc 14,21: 321. Aanduiding van de verrader: Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,17 - Mc 14,18 - Mc 14,19 - Mc 14,20 - Mc 14,21 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [21] The Son of man indeed goeth, as it is written of him:
but woe to that man by whom the Son of man is betrayed! good were it for that
man if he had never been born.
Luther-Bibel. 21 Der Menschensohn geht zwar hin, wie von ihm geschrieben steht;
weh aber dem Menschen, durch den der Menschensohn verraten wird! Es w�re f�r
diesen Menschen besser, wenn er nie geboren w�re.
Tekstuitleg van Mc 14,21.
Mc 14,21 A. hoti (want) ho men (enerzijds) huios tou anthrôpou
(de mensenzoon) hupagei (gaat heen) kathôs (zoals) gegraptai (geschreven
staat) peri autou (over hem)
B. ouai (wee) de (anderzijds) tôi anthrôpôi ekeinôi
(die mens) di'hou (door wie) ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon) paradidotai
(wordt overgeleverd)
C. (het zou) kalon (beter) (zijn) autôi (voor hem) ei (als) ouk (hij niet)
egennèthè (geboren was) ho anthrôpos ekeinos (die mens).
Er zijn drie zinnen. De eerste zin handelt over de mensenzoon, de derde zin
over de overleveraar en de tweede zin combineert de twee: de mensenzoon (de
overgeleverde) en de overleveraar. De twee eerste zinnen (A en B) worden met
elkaar verbonden door de voegwoorden men (enerzijds) de (anderzijds). De twee
laatste zinnen (B en C) vatten aan met een tegenstelling: ouai (wee) en kalon
(het ware beter geweest). Iedere zin is onderverdeeld in een hoofdzin en een
ondergeschikte zin. De eerste zin telt: 6 + 4 woorden, 11 + 9 lettergrepen;
de tweede zin: 5 + 7 woorden, 10 + 14 lettergrepen; de derde zin: 2 + 6 woorden,
4 + 13 lettergrepen. In totaal: 10 + 12 + 8 = 30 woorden, 20 + 24 + 17 = 61
lettergrepen. De hoofdzinnen van de tweede en de derde zin zijn gelijkaardig
opgebouwd. Aan de uitersten van het geheel staat enerzijds (A) ho huios tou
anthrôpou (de mensenzoon) en anderzijds (C) ho anthrôpos ekeinos
(die mens) of de overgeleverde en de overleveraar. Ze functioneren als onderwerp
van de hoofdzin (A) en de bijzin (C). Ho huios tou antrôpou (de mensenzoon)
bevat 4 woorden en 7 lettergrepen, het woord ho anthrôpos ekeinos (die
mens) 4 woorden en 7 lettergrepen, samen 7 woorden en 14 lettergrepen. De twee
woorden Ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon) en ho anthroopos ekeinos
(die mens) komen in de tweede zin voor (B) maar dan in omgekeerde volgorde en
wel zo dat ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon) in de ondergeschikte
zin staat en ho anthrôpos ekeinos (die mens) in de hoofdzin. In A en C
is het precies omgekeerd: ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon) staat
in de hoofdzin en ho anthrôpos ekeinos (die mens) in de bijzin. Zo is
er een chiastische structuur tussen de hoofdzin van de eerste zin (A) en de
ondergeschikte zin van de tweede zin (B). Zo is dat ook het geval met de tweede
en de derde zin.
In de eerste zin is er sprake van "weggaan" dat wijst op Jezus'dood.
In de laatste zin is er sprake van geboren worden: de mensenzoon gaat weg...
ware niet geboren die mens. De relatie tussen de twee wordt gegeven door het
woord paradidotai (wordt overgeleverd). Ofschoon de eerste zin wordt geformuleerd
als een noodzaak (kathôs gegraptai: zoals geschreven staat), de derde
zin drukt een wens in de irreële wijze uit.
Er is een spanning bij wat gebeurt. Het moet ergens een goddelijke bedoeling
hebben. Dit sluit echter de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid niet
uit.
1. hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti
(dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti
(dat, omdat).
Mc (92). Mc 14 (10): (1) Mc
14,14. (2) Mc
14,18. (3) Mc
14,21. (4) Mc
14,25. (5) Mc
14,27. (6) Mc
14,30. (7) Mc
14,58. (8) Mc
14,69. (9) Mc
14,71. (10) Mc
14,72.
13. de (echter). Taalgebruik in het NT: de
(echter). Taalgebruik in Mc: de
(echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden.
Mc 14 (23): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,7. (5) Mc
14,9. (6) Mc
14,11. (7) Mc
14,20. (8) Mc
14,21. (9) Mc
14,29. (10) Mc
14,31. (11) Mc
14,38. (12) Mc
14,44. (13) Mc
14,46. (14) Mc
14,47. (15) Mc
14,52. (16) Mc
14,55. (17) Mc
14,61. (18) Mc
14,62. (19) Mc
14,63. (20) Mc
14,64. (21) Mc
14,68. (22) Mc
14,70. (23) Mc
14,71.
15. dat. mann. enk. anthrôpô(i) (aan de mens) van het zelfstandig
naamw. anthrôpos (mens). Taalgebruik in het NT: anthrôpos
(mens). Taalgebruik in Mc: anthrôpos
(mens).
Mc (3): (1) Mc
3,3. (2) Mc
3,5. (3) Mc
14,21. Een vorm van anthrôpos (mens) in 53 verzen.
23. pass. ind. praes. 3de pers. enk. paradidotai (hij wordt overgeleverd) van het werkw. paradidômi (overleveren) . Taalgebruik in het NT: paradidômi (overleveren). Taalgebruik in Mc: paradidômi (overleveren). Lat. tradere (trans -dare). Fr. trahir. Ned. overleveren, overgeven. Hebr. mâsar. Bij (Gr. para) langs, naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is. Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over: tegenover, aan de andere zijde. Zo kan para-didômi betekenen: geven aan de tegenovergestelde, de andere, de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen. Mc (3): (1) Mc 9,31. (2) Mc 14,21. (3) Mc 14,41.
24. nom. onz. enk. + acc. mann. + onz. enk. kalon (goed) van het bijvoegl.
naamw. kalos (goed, mooi, schoon). Taalgebruik in het NT: kalos
(goed, mooi, schoon). Taalgebruik in Mc: kalos
(goed, mooi, schoon).
Mc (9): (1) Mc
7,27. (2) Mc
9,5. (3) Mc
9,42. (4) Mc
9,43. (5) Mc
9,45. (6) Mc
9,47. (7) Mc
9,50. (8) Mc
14,6. (9) Mc
14,21.
30. nom. mann. enk. anthrôpos (mens). Taalgebruik in het NT: anthrôpos
(mens). Taalgebruik in Mc: anthrôpos
(mens).
Mc (14): (1) Mc
1,23. (2) Mc
2,27. (3) Mc
3,1. (4) Mc
4,26. (5) Mc
5,2. (6) Mc
7,11. (7) Mc
8,37. (8) Mc
10,7. (9) Mc
10,9. (10) Mc
12,1. (11) Mc
13,34. (12) Mc
14,13. (13) Mc
14,21. (14) Mc
15,39.
322. Instelling van de eucharistie: Mc 14,22-25 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- Mc 14,22 - Mc 14,23 - Mc 14,24 - Mc 14,25 -
| Mc 14,22 - Mc 14,22: 322. Instelling van de eucharistie: Taalgebruiken -- Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- Mc 14,22 - Mc 14,23 - Mc 14,24 - Mc 14,25 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [22] And as they did eat, Jesus took bread, and blessed,
and brake it, and gave to them, and said, Take, eat: this is my body.
Luther-Bibel. 22 Und als sie a�en, nahm Jesus das Brot, dankte und brach's
und gab's ihnen und sprach: Nehmet; das ist mein Leib.
Tekstuitleg van Mc
14,22 // Mt
26,26 // Lc
22,19. In dit vers van Mc staan 7 vervoegde werkwoorden. In sommige uitgaven staan er 8 vervoegde werkwoorden (+ ).
- Mc 14:22 Καὶ ἐσθιόντων αὐτῶν λαβὼν ἄρτον εὐλογήσας ἔκλασεν καὶ ἔδωκεν αὐτοῖς καὶ εἶπεν, Λάβετε, τοῦτό ἐστιν τὸ σῶμά μου.
- Mt 26:26 esthiontôn de autôn labôn
o ièsous arton kai eulogèsas eklasen kai dous tois mathètais
eipen labete fagete touto estin to sôma mou
- Lc 22:19 kai labôn arton eucharistèsas eklasen kai
edôken autois legôn touto estin to sôma mou | [[to | to | uper umôn
didomenon touto poieite eis tèn emèn
Misschien was het Laatste Avondmaal een gewone maaltijd zoals altijd. Noch Jezus noch de leerlingen wisten dat het hun laatste maaltijd samen zou zijn. Achteraf komen indrukken en beelden van die laatste naar boven. Na de dood van Jezus is er heel wat gezocht naar betekenis. Zo kregen we dan een geconstrueerd verhaal.
Mc
14,22.1. και (= kai: en; nevensch vw). D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: וְ = wë (en). Arabisch: اَل = ´al (de). και (= kai: en) kan gezien worden als een vertkale streep I (stop), verbonden met een haak naar rechts (open naar rechts: beginnen). In dit geval wordt een perikope met een andere perikoop verbonden. Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik: kai
(en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64. Wellicht komt deze kai voort uit de Hebreeuwse waw van de imperfectum consecutivum וַיּאֹכְלוּ (= wajjo´khëlû: en zij aten) < wa consecutivum + wkw act ind imperf 3de pers mann mv. Mc
6,42.
- We zien dat και (= kai: en), in vergelijking met de andere geschriften van het NT veel gebruikt wordt: in 81,85 percent van het aantal verzen in Mc. In Mc
14,22 komt het 3X voor: in het begin van de zin, bij een handeling, en in de inleidingszin bij de woorden. In Mc 14 komt και (= kai: en) 83,33 percent voor.
| και (= kai: en). | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| και (= kai: en). | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 18 | 1167 |
| και (= kai: en). | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 |
| και (= kai: en). (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 |
| verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 |
Mc
14,22.2. ἐσθιόντων (= esthiontôn: etende; wkw act part praes gen mann mv van het wkw εσθιω = esthiô: eten). Taalgebruik in de Bijbel: esthiô (eten). Gr: εσθιω (= esthiô, fut. εδομαι = edomai, aor. εφαγον = efagon, perf. εδηδως = edèdôs), EΝ het wkw φαγω (= fagô: eten). Bijbel (6): (1) Job 1,18. (2) Da 1,15. (3) Mt 26,21. (4) Mt 26,26. (5) Mc 14,18. (6) Mc 14,22 . Een vorm van esθιω (= esthiô: eten) in de LXX (686), in het NT (65), in Mt (11), in Mc (11), in Lc (12). Een vorm van φαγω = fagô in de LXX (zie εσθιω = esthiô), in het NT (94), in Mt (13), in Mc (17), in Lc (21), in Joh (15).
- Ned: eten. D: essen. E: eat.
- אָכַל (= ´âkhal: eten).
- Lat: mandere, mandeo, mandi, mansum. manducare. Fr: manger.
- Gaat het om het laatste avondmaal? Was dit een paasmaaltijd of een gewone andere avondmaaltijd?
Mc
14,22.1. - 2. Hebr: וַיּאֹכְלוּ (= wajjo´khëlû: en zij aten; < wa consecutivum + wkw act ind imperf 3de pers mann mv van het wkw אָכַל = ´âkhal: eten). Tenakh (25). Pentateuch (5) : (1) Gn 24,54. (2) Gn 26,30. (3) Gn 31,46. (4) Gn 31,54. (5) Ex 24,11. Vroege Profeten (10) : (1) Joz 5,11. (2) Joz 5,12. (3) Re 9,27. (4) Re 19,4. (5) Re 19,6. (6) Re 19,8. (7) Re 19,21. (8) 2 K 4,44. (9) 2 K 6,23. (10) 2 K 7,8. Ps (2) : (1) Ps 78,29. (2) Ps 106,28.
- και εσθιοντων (= kai esthiontôn: en terwijl zij eten): Bijbel = NT (2): (1) Mc
14,22. (2) Mt 26,21.
- εσθιοντων δε (= esthiontôn: terwijl zij eten):
Mt
26,26.
Mc 14,22.3. αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos. Mc (37).
| αυτοι (= autoi: zij; pers vnw mann mv). | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 6. | αὐτῶν (= autôn; pers vnw gen mv) | 3701 | 3203 | 498 | 93 | 37 | 94 | 31 | 87 | 91 | 65 | 224 | 255 |
| totaal | 7770 | 6306 | 1464 | 250 | 196 | 285 | 155 | 269 | 200 | 109 | 731 | 886 |
| αυτοι (= autoi: zij; pers vnw mann mv). | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 6 | αὐτῶν (= autôn; pers vnw gen mv) | 37 | 4 | 4 | 1 | 1 | 4 | 1 | 1 | 4 | 2 | 3 | 3 | 6 | 1 | 2 | 3701 | 3203 | 498 | 93 | 37 | 94 | 31 | 87 | 91 | 65 | 224 | 255 |
Mc
14,22.2 - 3. εσθιοντων αυτων (= esthiontôn autôn: terwijl zij eten, tijdens de maaltijd): Bijbel = NT (2): (1) Mc
14,22. (2) Mt 26,21. Losse genitief. Tegenwoordige tijd, gelijktijdigheid.
- και εσθιοντων αυτων (= kai esthiontôn autôn: en terwijl zij eten, en tijdens de maaltijd): Bijbel = NT (2): (1) Mc
14,22. (2) Mt 26,21.
- εσθιοντων δε αυτων (= esthiontôn de autôn: terwijl zij echter eten):
Mt
26,26.
- Hebr: ובאכלם (= uv'okhlâm: en tijdens hun eten; verbindingswoord ו (= wë:en) + prefix ב (= bë: tijdens) + wkw act inf praes van het wkw אכל (= 'âkhal: eten) + suffix pers vnw 3de pers mann mv ם (= m: zij).
- Het optreden van Jezus tijdens zijn laatste maaltijd
wordt door de evangelist Marcus beperkt weergegeven, nl. tot het breken van het brood en het geven van de beker en de bij behorende woorden.
Mc
14,22.4.
- Grieks. λαβων (= labôn: genomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab). Mc 6,41. Taalgebruik in het NT: lambanô
(nemen). Bijbel (86). LXX (46). NT (40). Pentateuch (27). Ex (9). Ex 24 (3): Ex 24,6 - Ex 24,7 - Ex 24,8. Mt (11): (1) Mt
13,31. (2) Mt
14,19. (3) Mt
17,27. (4) Mt
25,16. (5) Mt
25,18. (6) Mt
25,20. (7) Mt
26,26. (8) Mt
26,27. (9) Mt
27,24. (10) Mt
27,48. (11) Mt
27,59. Mc (5): (1) Mc 6,41. (2) Mc 8,6. (3) Mc
9,36. (4) Mc
14,22. (5) Mc
14,23. Lc (7): (1) Lc
6,4. (2) Lc
9,16. (3) Lc
13,19. (4) Lc
20,29. (5) Lc
22,19. (6) Lc
24,30. (7) Lc
24,43. Joh (4): (1) Joh
3,33. (2) Joh
13,4. (3) Joh
13,30. (4) Joh
18,3. Een vorm van λαμβανω (= lambanô: nemen) in
het NT (258), in de LXX (1335). In Lc: X vormen van lambanô (nemen)
in 23 verzen in 11 / 24 hoofdstukken. In Hnd: X vormen van lambanô (nemen)
in 29 verzen in 18 / 28 hoofdstukken.
- λαβων δε (= labôn de: genomen hebbende echter). LXX (6): (1) Gn
31,45. (2) Gn 48,13. (3) Ex 24,6. (4) Ex
24,8. (5) 2 Mak 4,25. (6) Job 42,17. NT (1): Lc 9,16.
- και λαβων (= kai labôn: en genomen hebbende). LXX (15). NT (15). Synoptici: Mt (5): (1) Mt
14,19. (2) Mt
15,36.(3) Mt
26,27. (4) Mt
27,48. (5) Mt
27,59. Mc (4): (1) Mc 6,41. (2) Mc 8,6. (3) Mc
9,36. (4) Mc
14,23. Lc (7): (1) Lc
22,19. (2) Lc
24,43. Joh (1): Joh
13,4.
- ἔλαβεν (= elaben: hij nam; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab). Taalgebruik in de Septuaginta: lambanô
(nemen). Taalgebruik in het NT: lambanô
(nemen). Bijbel (353). NT (20): (1) Mt
8,17. (2) Mt
15,36. (3) Mc
12,20. (4) Mc
12,21. (5) Mc 15,23. (6) Lc 5,26 . (7) Lc 7,16. (8) Lc
20,31. (9) Joh
6,11. (10) Joh
13,12. (11) Joh
19,1. (12) Joh
19,27. (13) Joh
19,30. (14) Hnd 24,27. (15) Rom 4,11. (16) 1
Kor 11,23. (17) Heb 2,2. (18) Heb 11,11. (19) 1 Pe
4,10. (20) Apk 5,8.
-
Ned: nemen. Arabisch: أخذ = akhadha. Zie: http://www.arabischlexicon.com/157-akhadha-nemen-157115821584.html. D: nehmen. E: take. Fr: prendre. Grieks: λαμβανω (= lambanô: nemen). Taalgebruik in het NT: lambanô
(nemen). Hebreeuws: לָקַח (= lâqach: nemen, grijpen, ontvangen). Taalgebruik in Tenakh: lâqach
(nemen, grijpen, ontvangen). Lat: accipere (ad-capere = aan-grijpen, aannemen).
- וַיּקַּח (= wajjiqqach: en hij nam; < prefix nevensch vw waw + wkw act qal imperf 3de pers mann enk van het wkw לָקַח = lâqach: nemen, grijpen, ontvangen). Taalgebruik in Tenakh: lâqach
(nemen, grijpen, ontvangen). Getalswaarde: lamed = 12 of 30, qoph = 19 of
100, chet = 8; totaal: 39 (3 X 13) OF 138 (2 X 3 X 23). Structuur: 3 - 1
- 8. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (199). Pentateuch (86). Eerdere Profeten (80). Latere Profeten (17). 12 Kleine
Profeten (1). Geschriften (15). Ex (15): (1) Ex
2,1. (2) Ex
4,20. (3) Ex
6,20. (4) Ex
6,23. (5) Ex
13,19. (6) Ex
14,7. (7) Ex
18,2. (8) Ex
18,12. (9) Ex
24,6. (10) Ex
24,7. (11) Ex
24,8. (12) Ex
32,4. (13) Ex
32,20. (14) Ex
34,4. (15) Ex
40,20.
Ex 24 (3). Ex
24,6 - Ex
24,7 - Ex
24,8 beginnen met וַיּקַּח = wajjiqqach (en hij nam). Een vorm van לָקַח (= lâqach: nemen, grijpen, ontvangen) in Tenakh (965).
Mc
14,22.5. ἄρτον (= arton: brood; zn acc mann enk van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d). Mc
3,20. Taalgebruik in het NT: artos (brood). Taalgebruik in de Septuaginta: artos (brood). Bijbel (133). LXX (96). NT (37). Mt (5): (1) Mt 6,11. (2) Mt 7,9. (3) Mt 15,2. (4) Mt 15,26. (5) Mt 26,26. Mc (6): (1) Mc 3,20. (2) Mc 6,8. (3) Mc 7,5. (4) Mc 7,27. (5) Mc 8,14. (6) Mc 14,22. Lc (7): (1) Lc 7,33. (2) Lc 9,3. (3) Lc 11,3. (4) Lc 14,1. (5) Lc 14,15. (6) Lc 22,19. (7) Lc 24,30. Een vorm van αρτος = artos (brood) in het NT (97), in de LXX (307). In de LXX kan αρτος = artos de vertaling van 5 verschillende Hebreeuwse woorden van Tenakh zijn.
| αρτος (= artos: brood). | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| ἄρτον (= arton: brood; zn acc mann enk). | 133 | 96 | 37 | 5 | 6 | 7 | 8 | 4 | 7 | 18 | 26 | |
| Totaal | 414 | 307 | 97 | 21 | 21 | 15 | 24 | 5 | 11 | 57 | 81 |
- Hebreeuws. לֶחֶמ = lèchèm (brood). qatl-vorm (לַחמ); de 2de medeklinker, een gutturaal, ח = chet heeft normalerwijze een patach ַ (Joüon 88Cc). Het is moeilijk om zeggen waarom de 2 woorden לֶחֶמ = lèchèm (brood) en רֶחֶמ = rèchèm (schoot, moederschoot) een segol ֶ hebben (Joüon 96Ai). Taalgebruik in Tenakh: lèchèm (brood). Getalswaarde: lamed = 12 of 30, chet = 8, mem = 13 of 40. Totaal: 33 (3 X 11) of 78 ( 2 X 39 OF 6 X 13). Structuur: 3 - 8 - 4. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (227). Pentateuch (51). Eerdere Profeten (81). Latere Profeten (21). 12 Kleine Profeten (5). Geschriften (69). In Tenakh komt een vorm van לֶחֶמ = lèchèm in 277 verzen voor.
- Ned: brood. Arabisch: خُبز = chubz (brood). Taalgebruik in de Qoran: chubz (brood). In het Arabisch heeft lachm een andere betekenis. Zie لَحْم = lachm (vlees). Taalgebruik in de Qoran: lachm (vlees). Aramees: לַחְמָא = lachëmâ´(brood); לְחֵים = lëche(j)m; לְחֵם = lëchem. D: Brot. E: bread. Grieks: αρτος (= artos: brood). Taalgebruik in het NT: artos (brood). Hebreeuws: לֶחֶמ = lèchèm (brood). Taalgebruik in Tenakh: lèchèm (brood). Lat: panis. Fr. pain.
- τον αρτον (= ton arton: het brood). NT (16): Mt (5): (1) Mt 6,11. (2) Mt 15,26. (3) Mt 26,26. (4) Mc 7,5. (5) Mc 7,27. (5) Mc 8,14. (6) Lc 11,3. (4) Lc 14,1. (7) Lc 24,30. (8) Joh 6,23. (9) Joh 6,32 (2X) . (10) Joh 6,34. (11) Joh 6,58. (12) Joh 13,18. (13) Joh 21,13. (14) 1 Kor 10,16. (15) 1 Kor 11,26. (16) 1 Kor 11,27.
- הלחם (= hallèchèm: het brood).
Mc
14,22.4. - 5. λαβων (τον) αρτον (= labôn (ton) arton: - het - brood genomen). Lc (2): (1) Lc 22,19. (2) Lc 24,30 (met lidwoord). Hnd (1) Hnd 27,35.
- λαβων ὁ ιησους τον αρτον (= labôn ho Ièsous ton arton: Jezus het brood genomen): Mt 26,26.
- λαβων αρτον (= labôn arton: brood genomen): Mc 14,22.
- De kribbe is een voederbak (Lc 2,7). De kribbe verwijst naar het graf (k/g - r - b/f) als gedenkteken (Lc 23,53). Maar in dat gedenktekengraf is Jezus niet; "Hij is niet hier" (Lc 24,6). De leerlingen van Emmaüs herkenden hem bij het breken van het brood (Lc 24,30). Dat brengt ons bij het verhaal van het laatste avondmaal (Lc 22,19), waar Jezus het brood breekt. De voederbak waarin Jezus ligt, verwijst naar het brood dat hij breekt. Hij is brood, voedsel en herkenbaar in het breken van het brood. Zo is de kribbe meer dan alleen maar een toevallige plaats waarin Jezus werd gelegd.
- De huisvader leidt de maaltijd. Zo doet Jezus ook bij de maaltijd met zijn leerlingen. Hij zal vele malen het brood genomen hebben, het gebroken hebben en het aan zijn leerlingen hebben gegeven. De woorden over het brood en over de breker zijn parallel opgebouwd. Zo ook de inleidende zin op de woorden. In (1) Ex
24,6. (2) Ex
24,7. (3) Ex
24,8. nam Mozes... In Ex
24,8 nam Mozes het bloed... en zei: Ziehier het bloed van het verbond. Nadat Jezus als Messias is erkend, wordt Mozes het proto-type van Jezus Messias en worden vele Oudtestamentische teksten gezien als afspiegelingen van wat in Jezus Messias tot vervulling komt. Mogen wij de woorden van Jezus als historisch beschouwen of zijn het interpretatieve teksten van de eerste christenen? Ik ben geneigd het tweede te denken.
Mc
14,22.6. ευλογησας (= eulogèsas: gezegend; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ευλογεω = eulogeô: zegenen, goed spreken, loven, prijzen). Lc 24,50. Taalgebruik in het NT: eulogeô (goed spreken, loven, prijzen). Taalgebruik in Mc: eulogeô (goed spreken, loven, prijzen). Taalgebruik in de Septuaginta: eulogeô (goed spreken, loven, prijzen). OT (8). NT (5): (1) Mt 26,26. (2) Mc 8,7. (3) Mc 14,22. (4) Ef 1,3. (5) Heb 7,1.
- Lat: benedicere (benedijen). Fr: bénir. Ned: zegenen < signare (tekenen), het signum (teken) van het kruis slaan. D: segnen. E: to bless.
- בָרַך (= bârakh: zegenen, loven, prijzen). Getalswaarde: beth = 2, resj = 20 of 200, kaf = 11 of 20. Totaal: 33 (3 X 11) of 222 (6 X 37 OF 2 X 111). Structuur: 2 - 2 - 2. De som van de elementen is telkens 6.
- Een vorm van ευλογεω (= eulogeô: goed spreken, loven, prijzen) in Mc in 5 verzen: (1) Mc 6,41. (2) Mc 8,7. (3) Mc 11,9. (4) Mc 11,10. (5) Mc 14,22. In Mc: 4 vormen van ευλογεω (= eulogeô: goed spreken, loven, prijzen); in 5 verzen in 4 hoofdstukken. In de verhalen van de broodvermenigvuldigingen, van de intocht van Jezus in Jeruzalem en van het laatste Avondmaal.
- Een vorm van ευλογεω = eulogeô in de LXX (516), in het NT (42), Mt (5): (1) Mt 14,19. (2) Mt 21,9. (3) Mt 23,39. (4) Mt 25,34. (5) Mt 26,26, Mc (5): (1) Mc 6,41. (2) Mc 8,7. (3) Mc 11,9. (4) Mc 11,10. (5) Mc 14,22. Lc (13): (1) Lc 1,28. (2) Lc 1,42. (3) Lc 1,64. (4) Lc 2,28. (5) Lc 2,34. (6) Lc 6,28. (7) Lc 9,16. (8) Lc 13,35. (9) Lc 19,38. (10) Lc 24,30. (11) Lc 24,50. (12) Lc 24,51. (13) Lc 24,53.
- וַיְבָרֶך (= wajëbhârèkh: en hij zegende; wkw waw consec + act piel imperf 3de pers mann enk van het wkw בָרַך = bârakh: zegenen, loven, prijzen). Getalswaarde: beth = 2, resj = 20 of 200, kaf = 11 of 20. Totaal: 33 (3 X 11) of 222 (6 X 37 OF 2 X 111). Structuur: 2 - 2 - 2. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (33). Pentateuch (20) : (1) Gn 1,22. (2) Gn 1,28. (3) Gn 2,3. (4) Gn 5,2. (5) Gn 9,1. (6) Gn 24,11. (7) Gn 25,11. (8) Gn 28,1. (9) Gn 30,30. (10) Gn 32,1. (11) Gn 32,30. (12) Gn 35,9. (13) Gn 39,5. (14) Gn 47,7. (15) Gn 47,10. (16) Gn 48,3. (17) Gn 48,15. (18) Gn 49,28. (19) Ex 39,43. (20) Dt 1,1. Verder : (21) Joz 24,10. (22) 2 S 6,11. (23) 2 S 6,18. (24) 2 S 14,22. (25) 1 K 8,14. (26) 1 K 8,55. (27) Ps 145,21. (28) Neh 8,6. (29) 1 Kr 13,14. (30) 1 Kr 16,2. (31) 1 Kr 29,10. (32) 2 Kr 6,3. (33) 2 Kr 6,13.
- Na het nemen van het brood spreekt Jezus een zegenwens uit. Gebeurt dit terwijl hij het brood breekt en het aan zijn leerlingen geeft. Maken de woorden: neemt en eet... , deel uit van de zegenwens?
Mc
14,22.7. εκλασεν (= eklasen: hij brak; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw κλαω = klaô: breken). Lc 22,19. Taalgebruik in het NT: klaô (breken). Bijbel (6): (1) Mt
15,36. (2) Mt
26,26. (3) Mc 8,6. (4) Mc
14,22. (5) Lc 22,19. (6) 1
Kor 11,24. Een vorm van κλαω = klaô in de LXX (3), in het NT (14).
- Ned: breken, brak, gebroken. Lat: fra-n-gere (nasalisatie), fregi, fractum. Ned: zn: breuk. Fr: briser (breken, ver-brijz-elen: latijnse fregi= frezi).
- וַיְשַׁבֵּ֥ר (= wajjësjabber: en bij brak; wkw waw consec + act piel imperf 3de pers mann enk van het wkw שבר = sjâbar: breken). Ex 32,19. Hebr: sjâbhar. sj (misschien van sjeni: twee) br: in twee breken. br in Hebr en in Ned, Lat: b/f- r. Arabisch: thabara.
Mc 14,22.6. - 7. ευλογησας εκλασεν (= eulogèsas eklasen: zegenend brek hij). Bijbel / NT (2): (1) Mc 14,22. (2) Mt 26,26.
Mc
14,22.8.και (= kai: en; nevensch vw). D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: וְ = wë (en). Arabisch: اَل = ´al (de). και (= kai: en) kan gezien worden als een vertkale streep I (stop), verbonden met een haak naar rechts (open naar rechts: beginnen). In dit geval wordt een perikope met een andere perikoop verbonden. Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik: kai
(en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64. Wellicht komt deze kai voort uit de Hebreeuwse waw van de imperfectum consecutivum וַיּאֹכְלוּ (= wajjo´khëlû: en zij aten) < wa consecutivum + wkw act ind imperf 3de pers mann mv. Mc
6,42.
- We zien dat και (= kai: en), in vergelijking met de andere geschriften van het NT veel gebruikt wordt: in 81,85 percent van het aantal verzen in Mc. In Mc
14,22 komt het 3X voor: in het begin van de zin, bij een handeling, en in de inleidingszin bij de woorden. In Mc 14 komt και (= kai: en) 83,33 percent voor.
| και (= kai: en). | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| και (= kai: en). | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 18 | 1167 |
| και (= kai: en). | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 |
| και (= kai: en). (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 |
| verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 |
Mc
14,22.9. εδωκεν (= edôken: hij gaf; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw διδωμι =
didômi: geven). Taalgebruik in de
Septuaginta: didômi
(geven). Taalgebruik in het NT: didômi
(geven). Bijbel (462). OT (399). NT (63). Mc (7).
- וַיִּתֵּן (= wajjiththen: en hij zal geven / en hij gaf; < verbindingsletter wë + wkw act qal imperf 3de pers mann enk van het wkw נָתַן = nâthan: geven). Taalgebruik in Tenach: nâthan (geven). Getalswaarde: nun = 14 of 50, thaw = 22 of 40 ; totaal: 50 of 500. Structuur: 5 - 4 - 5. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (185). Pentateuck (73). Ex (11): (1) Ex 2,21 . (2) Ex 11,3 . (3) Ex 18,25 . (4) Ex 31,18 . (5) Ex 34,33 . (6) Ex 37,13 . (7) Ex 40,18 . (8) Ex 40,20 . (9) Ex 40,22 . (10) Ex 40,30 . (11) Ex 40,33 .
Mc 14,22.7. - 9. εκλασεν και εδωκεν (= eklasen kai edôken: brak hij en gaf hij). NT (3): (1) Mt 15,36. (2) Mc 14,22. (3) Lc 22,19.
Mc
14,22.10. αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
- לָהֶ֛ם (= lâhem: aan hen). Tenakh (644).
Mc
14,22.9. - 10.εδωκεν αὐτοῖς (= edôken autois: hij gaf hen). LXX (28). NT (13).
- וַיִּתֵּ֣ן לָ֭הֶם (= wajjithen lâhem: en hij gaf hen). Tenakh (14).
Mc
14,22.11. και (= kai: en; nevensch vw). D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: וְ = wë (en). Arabisch: اَل = ´al (de). και (= kai: en) kan gezien worden als een vertkale streep I (stop), verbonden met een haak naar rechts (open naar rechts: beginnen). In dit geval wordt een perikope met een andere perikoop verbonden. Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik: kai
(en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64. Wellicht komt deze kai voort uit de Hebreeuwse waw van de imperfectum consecutivum וַיּאֹכְלוּ (= wajjo´khëlû: en zij aten) < wa consecutivum + wkw act ind imperf 3de pers mann mv. Mc
6,42.
- We zien dat και (= kai: en), in vergelijking met de andere geschriften van het NT veel gebruikt wordt: in 81,85 percent van het aantal verzen in Mc. In Mc
14,22 komt het 3X voor: in het begin van de zin, bij een handeling, en in de inleidingszin bij de woorden. In Mc 14 komt και (= kai: en) 83,33 percent voor.
| και (= kai: en). | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| και (= kai: en). | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 18 | 1167 |
| και (= kai: en). | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 |
| και (= kai: en). (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 |
| verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 |
Mc
14,22.12.
- Grieks: εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les.
Fr: leçon). Taalgebruik in NT: legô
(zeggen). Taalgebruik in de Septuaginta: legô
(zeggen). Een vorm van λεγω
(= legô: zeggen) in de LXX (4610), in het NT (1318); van
ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608), in het NT (925).
| εἶπεν (= eipen: hij zei). | bijbel | OT | LXX | Pentateuch | Eerdere Profeten | Latere Profeten | 12 Kleine Profeten | Geschriften | Gn | Ex | Lv | Nu | Dt | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3024 | 2426 | 2275 + 151 | 684 | 985 | 234 | 63 | 309 | 378 | 149 | 15 | 98 | 44 | 598 | 118 | 56 | 223 | 114 | 75 | 7 | 5 | 397 | 511 |
- Ned: zeggen. Arabisch: قَالَ = qâla (zeggen). Taalgebruik in de Qoran: qâla (zeggen). Aramees: קְרָא = qërâ´ (roepen). D: sagen (zeggen). E: to say. Fr: dire. Grieks: λεγω
(= legô: zeggen). Taalgebruik in NT: legô
(zeggen). Hebreeuws: אָמַר (= ´âmar: zeggen). Taalgebruik in Tenakh: ´âmar
(zeggen). Lat: legere: l (قَالَ = qâla) en r (קְרָא = qâra) liggen dicht bij elkaar. Orgaan van roepen is de stem; zie Hebreeuws:קוֹל = qôl (stem, roep). Taalgebruik
in Tenakh: qôl
(stem). Lat: dicere. Fr: dire. Italiaans: dire. Spaans: decir.
-
In het wkw אָמַר (= ´âmar: zeggen) zit het woord אְמ (= ´em: moeder); om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is? Beide woorden beginnen met aleph, de eerste letter van het alfabet en duiden וַיּאֹמֶר (= wajjo´mèr: en hij zei; < prefix verbindingswoord wë
consecutivum + wkw qal act imperf 3de pers mann enk van,het wkw אמר = ´-m-r: zeggen). Taalgebruik in Tenakh: ´âmar
(zeggen). Getalswaarde: aleph = 1, mem
= 13 of 40, resj = 20 of 200; totaal: 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal). Structuur: 1 - 4 - 2. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh
(1879). Pentateuch (594). Eerdere Profeten (868). Latere Profeten (120).
12 Kleine Profeten (56). Geschriften (241)..
| וַיּאֹמֶר (= wajjo´mèr: en hij zei). | Tenakh | Pentateuch | Eerdere Profeten | Latere Profeten | 12 Kleine Profeten | Geschriften | Gn | Ex | Lv | Nu | Dt | Gn 12 | |
| 1879 | 594 | 868 | 120 | 56 | 241 | 315 | 150 | 10 | 95 | 24 | 4 |
- Lettinga 12, 2012, 53c2: Het wkw begint met een aleph. Het is een gutturaal, maar de zwakste van de gutturalen. Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal wkw een bijzondere behandeling voor de qal imperf.. Dit is het geval voor ons wkw.. In het imperf gaat een medeklinker vooraf aan de aleph. De aleph quiesceert: ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b). In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o: jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c). De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b). In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a: jomur -> jomar (i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012, 15g). In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è, vandaar wajjo´mèr. (Zie ook Jouön, 73).
Mc
14,22.14. τουτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr: tu). Taalgebruik in het NT: houtos (deze). Taalgebruik in de LXX: houtos (deze). Mc (15): (1) Mc 1,27. (2) Mc 1,38. (3) Mc 5,32. (4) Mc 5,43. (5) Mc 6,14. (6) Mc 9,21. (7) Mc 9,29. (8) Mc 11,3. (9) Mc 11,24. (10) Mc 12,24. (11) Mc 13,11. (12) Mc 14,5. (13) Mc 14,22. (14) Mc 14,24. (15) Mc 14,36.
- Ned: deze, dat / dit. D: der - die - das. E: this - that. Fr: ceci. Lat: hic - haec - hoc.
| ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit). | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| τουτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom onz enk). | 1103 | 898 | 305 | 31 | 15 | 37 | 50 | 29 | |||||||
| Totaal | 4411 | 1388 | 147 | 78 | 230 | 237 | 268 |
- זֶ֣ה (= zèh: dit; aanwijz vnw mann enk). Taalgebruik in Tenakh: zèh (dit). Getalswaarde: zajin = 7, he = 5; totaal: 12 (2² X 3). Structuur: 7 - 5. Tenach (305). Pentateuch (87). Eerdere Profeten (77). Latere Profeten (37). 12 Kleine
Profeten (7). Geschriften (97).
- Waarnaar verwijst τουτο (= touto: dit)? Naar ἄρτον (= arton: brood)? Maar dit is een mannelijk zn. Is τουτο (= touto: dit) het onderwerp van de gezegdezin en verwijst τουτο (= touto: dit) naar τὸ σῶμά μου (= to sôma mou: mijn lichaam)? Verwijst τουτο (= touto: dit) naar het geheel van de voorbije handelingen. Het zou dan de betekenis hebben van: wat hier gebeurt met dit brood, gebeurt met mijn lichaam. Het brood wordt gebroken en gegeten, zo wordt het lichaam gebroken, sterft. Maar dat gebroken, gestorven lichaam, de persoon Jezus leeft verder. Hiervan leven christenen. Door Jezus Messias zullen zij eeuwig leven.
Mc 14,22.15. ἔστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-, zie Lat.: esse).
Mc 14,22.14. - 15. τουτο ἔστιν (= touto estin: dit is). LXX (22). NT (7).
Mc 14,22.16. τὸ (= to: het; bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.
Mc
14,22.17. σωμα (= sôma: lichaam: zn acc onz enk) Taalgebruik in het NT: sôma
(lichaam). Taalgebruik in de Septuaginta: sôma
(lichaam). Taalgebruik in Lc: sôma
(lichaam). Taalgebruik in Hnd: sôma
(lichaam). Bijbel (118). OT (55). NT (63). Lc (10): (1) Lc
11,34. (2) Lc
11,36. (3) Lc
12,4. (4) Lc
12,23. (5) Lc
17,37. (6) Lc
22,19. (7) Lc
23,52. (8) Lc
23,55. (9) Lc
24,3. (10) Lc
24,23. Een vorm van σωμα = sôma (lichaam) in de LXX (136), in het NT (142), in Lc (11): (1) Lc
11,34. (2) Lc
11,36. (3) Lc
12,4. (4) Lc
12,22. (5) Lc
12,23. (6) Lc
17,37. (7) Lc
22,19. (8) Lc
23,52. (9) Lc
23,55. (10) Lc
24,3. (11) Lc
24,23. In Lc: 3 vormen in 6 hoofdstukken en 11 verzen. In Lc: 3 vormen
in 6 / 24 hoofdstukken en 11 verzen. In Hnd: 1 vorm in 1 vers in 1 / 28 hoofdstukken.
- Hebr.בָּשָׂר (= bâshâr: vlees, lichaam). Taalgebruik in Tenach: bâshâr
(vlees, lichaam). Lat. corpus. Fr. corps. N. lichaam. D. Leib. E. body.
- גּוּפָה (= gûphâh: lichaam;
Mc 14,22.18. μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij).
Mc 14,22.16. - 18. τὸ σῶμά μου (= to sôma mou: mijn lichaam). LXX (5). NT (1).
Mc
14,22.14 - 18. τοῦτό ἐστιν τὸ σῶμά μου (= touto estin to sôma mou: dit is mijn lichaam). NT (3):
- Deze handelingen en woorden zijn aanleiding geweest voor vele interpretaties. Lichaam en bloed werden symbool van sterven, overgave aan de dood, offer. Breken en delen werden symbool van solidariteit. In het OT werd offeren uitsluitend door priesters verricht. Zo zou tijdens het laatste avondmaal de eucharistie en het priesterschap zijn ingesteld. Met de transsubstantatie werd de taak van de priester nog verder beklemtoond. Naast de offerende functie werd het priesterschap nog verder uitgebreid naar een lerende en leidende functie, m.a.w. alle verantwoordelijkheid berust op de hiërarchie van de kerk.
| Mc 14,23 - Mc 14,23: 322. Instelling van de eucharistie: Taalgebruiken -- Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- Mc 14,22 - Mc 14,23 - Mc 14,24 - Mc 14,25 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [23] And he took the cup, and when he had given thanks,
he gave it to them: and they all drank of it.
Luther-Bibel. 23 Und er nahm den Kelch, dankte und gab ihnen den; und sie tranken
alle daraus.
23 καὶ λαβὼν ποτήριον εὐχαριστήσας ἔδωκεν αὐτοῖς, καὶ ἔπιον ἐξ αὐτοῦ πάντες.
Tekstuitleg van Mc
14,23 // Mt
26,27 // Lc
22,20. Bij de verbondssluiting in Ex
24,8 worden eerst de handelingen vermeld en dan de woorden. Dat is evenzo het geval in Mc. Wellicht is de zin van het ritueel van het bloed het eerst geformuleerd, overeenkomstig Ex
24,8.
- De eerste christenen zochten naar de zin van Jezus'lijden en dood. Ze interpreteerden het als een offer. Maar misschien gaat het om veel meer. Bij de verbondssluiting van God met Mozes ging het om het volk van God. Het hernemen van de terminologie zou erop kunnen wijzen dat het gaat om een nieuw verbond en om een nieuw volk van God. Dan zou het kunnen gaan om het zoeken van een eigen identiteit van de christenen tegenover de Joden. De verbondssluiting van God met Mozes moest natuurlijk onderdoen voor dat van Jezus. In het ene werden dieren geofferd, in het laatste een mens. Zo wordt ook de weg geopend dat het Oude Verbond zijn vervulling krijgt in het Nieuwe Verbond. Misschien heeft Jezus zijn sterven nooit gezien als een offer. Dat kunnen wel de eerste martelaren hebben gedaan: hun lichaam werd gebroken, hun bloed werd vergoten. Ze deelden het leven van Jezus in wel en wee, ook in lijden en dood.
- Het is zo verwarrend dat christenen bij de communie "het lichaam van Christus" zouden eten en "zijn bloed" zouden drinken. Hoe is men toch tot zulke formuleringen kunnen komen. In de katholieke kerk zijn het de heiligste formuleringen die een priester uitspreekt en waardoor brood en wijn van gedaante veranderen in lichaam en bloed van Christus. Het mag dan nog theologische en symbolische taal zijn, het heeft dan toch iets weg van geestelijk kannibalisme.
- Dit alles kan overschaduwen waarom het bij Jezus ging: niemand uitsluiten, opnemen in de gemeenschap, solidair zijn met elkaar: het brood breken met elkaar en de beker delen.
Mc 14,23.1. και (= kai: en; nevensch vw). D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: וְ = wë (en) Arabisch: اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
| kai (en) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
| kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 |
| kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 |
| verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 |
Mc 14,23.2. - Grieks. λαβων (= labôn: genomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab). Mc 6,41. Taalgebruik in het NT: lambanô
(nemen). Bijbel (86). LXX (46). NT (40). Pentateuch (27). Ex (9). Ex 24 (3): Ex 24,6 - Ex 24,7 - Ex 24,8. Mt (11): (1) Mt
13,31. (2) Mt
14,19. (3) Mt
17,27. (4) Mt
25,16. (5) Mt
25,18. (6) Mt
25,20. (7) Mt
26,26. (8) Mt
26,27. (9) Mt
27,24. (10) Mt
27,48. (11) Mt
27,59. Mc (5): (1) Mc 6,41. (2) Mc 8,6. (3) Mc
9,36. (4) Mc
14,22. (5) Mc
14,23. Lc (7): (1) Lc
6,4. (2) Lc
9,16. (3) Lc
13,19. (4) Lc
20,29. (5) Lc
22,19. (6) Lc
24,30. (7) Lc
24,43. Joh (4): (1) Joh
3,33. (2) Joh
13,4. (3) Joh
13,30. (4) Joh
18,3. Een vorm van λαμβανω (= lambanô: nemen) in
het NT (258), in de LXX (1335).
- λαβων δε (= labôn de: genomen hebbende echter). LXX (6): (1) Gn
31,45. (2) Gn 48,13. (3) Ex 24,6. (4) Ex
24,8. (5) 2 Mak 4,25. (6) Job 42,17. NT (1): Lc 9,16.
- και λαβων (= kai labôn: en genomen hebbende). LXX (15). NT (15). Synoptici: Mt (5): (1) Mt
14,19. (2) Mt
15,36.(3) Mt
26,27. (4) Mt
27,48. (5) Mt
27,59. Mc (4): (1) Mc 6,41. (2) Mc 8,6. (3) Mc
9,36. (4) Mc
14,23. Lc (7): (1) Lc
22,19. (2) Lc
24,43. Joh (1): Joh
13,4.
-
Ned: nemen. Arabisch: أخذ = akhadha. Zie: http://www.arabischlexicon.com/157-akhadha-nemen-157115821584.html. D: nehmen. E: take. Fr: prendre. Grieks: λαμβανω (= lambanô: nemen). Taalgebruik in het NT: lambanô
(nemen). Hebreeuws: לָקַח (= lâqach: nemen, grijpen, ontvangen). Taalgebruik in Tenakh: lâqach
(nemen, grijpen, ontvangen). Lat: accipere (ad-capere: aan-grijpen, aannemen).
- וַיּקַּח (= wajjiqqach: en hij nam; < prefix nevensch vw waw + wkw act qal imperf 3de pers mann enk van het wkw לָקַח = lâqach: nemen, grijpen, ontvangen). Taalgebruik in Tenakh: lâqach
(nemen, grijpen, ontvangen). Getalswaarde: lamed = 12 of 30, qoph = 19 of
100, chet = 8; totaal: 39 (3 X 13) OF 138 (2 X 3 X 23). Structuur: 3 - 1
- 8. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (199). Pentateuch (86). Eerdere Profeten (80). Latere Profeten (17). 12 Kleine
Profeten (1). Geschriften (15). Ex (15): (1) Ex
2,1. (2) Ex
4,20. (3) Ex
6,20. (4) Ex
6,23. (5) Ex
13,19. (6) Ex
14,7. (7) Ex
18,2. (8) Ex
18,12. (9) Ex
24,6. (10) Ex
24,7. (11) Ex
24,8. (12) Ex
32,4. (13) Ex
32,20. (14) Ex
34,4. (15) Ex
40,20.
Ex 24 (3). Ex
24,6 - Ex
24,7 - Ex
24,8 beginnen met וַיּקַּח = wajjiqqach (en hij nam). Een vorm van לָקַח (= lâqach: nemen, grijpen, ontvangen) in Tenakh (965).
Mc 14,23.3. ποτηριον (= potèrion: beker; zn nom onz enk; zn eindigend op -tèrion geeft een instrument aan, hier: een middel om te drinken: drinkbeker; zie wkw ποτιζω = potizô: drinken). Taalgebruik in het NT: potèrion (beker). Taalgebruik in de LXX: potèrion (beker). OT (20): (1) Gn 40,11. (2) Gn 40,13. (3) Gn 40,21. (4) Js 51,17. (5) Js 51,22. (6) Jr 16,7. (7) Jr 25,15. (8) Jr 25,17. (9) Jr 25,28. (10) Jr 49,12. (11) Jr 51,7. (12) Ez 23,31. (13) Ez 23,32. (14) Ez 23,33. (15) Hab 2,16. (16) Ps 23,5. (17) Ps 75,9. (18) Ps 116,13. (19) Kl 2,13. (20) Kl 4,21. NT (21). Ev. (14). Mt (5): (1) Mt 10,32. (2) Mt 20,22. (3) Mt 20,23. (4) Mt 26,27. (5) Mt 26,39. Mc (5): (1) Mc 9,41. (2) Mc 10,38. (3) Mc 10,39. (4) Mc 14,23. (5) Mc 14,36. Lc (3): (1) Lc 22,17. (2) Lc 22,20. (3) Lc 22,42. Joh (1): Joh 18,11. 1 Kor (5): (1) 1 Kor 10,16. (2) 1 Kor 10,21. (3) 1 Kor 11,25. (4) Kor 11,26. (5) 1 Kor 11,27. Apk (2): (1) Apk 16,19. (2) Apk 17,4. Een vorm van ποτηριον = potèrion in het OT (33), in het NT (31). In de LXX kan ποτηριον = potèrion de vertaling van 3 Hebreeuwse woorden zijn.
| potèrion (beker) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| nom. + acc. onz. enk. potèrion | 41 | 20 | 21 | 5 | 5 | 3 | 1 | 5 | 2 | 13 | 14 | ||||
| Totaal | 64 | 33 | 31 | 7 | 6 | 5 | 1 | 8 | 4 | 18 | 19 |
- Hebr. כּוֹס (= kôs: beker). Taalgebruik in Tenakh: kôs (beker). Getalswaarde: kaph = 11 of 20, waw = 6, samekh = 15 of 60; totaal: 32 (2² X 2³) OF 86 (2 X 43). Structuur: 2 - 6 - 6. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (15): (1) Gn 40,11. (2) Gn 40,13. (3) 1 K 7,26. (4) Js 51,17. (5) Js 51,22. (6) Jr 16,7. (7) Jr 25,15. (8) Jr 51,7. (9) Ez 23,32. (10) Ez 23,33. (11) Hab 2,16. (12) Ps 75,9. (13) Ps 116,13. (14) Kl 4,21. (15) 2 Kr 4,5. Een vorm van כּוֹס = kôs (beker) in Tenakh (26).
- Ned: beker. Arabisch: كوب = kub. D: Kelck. E: cup. Fr: coup. Grieks: ποτηριον (= potèrion: beker). Hebreeuws: כּוֹס (= kôs: beker). Taalgebruik in Tenakh: kôs (beker). Taalgebruik in het NT: potèrion
(beker). Lat: calix.
Mc 14,23.1. - 3. וַיּקַּח מֹשֶׁה אֶת הַדָּם (= wajjiqqach mosjèh ´èth haddâm: en Mozes nam het bloed).
Tenakh (2): (1) Ex 24,8. (2) Lv 8,15.
- In het NT lezen we 2X: και λαβων το ποτηριον (= kai labôn to potèrion: en genomen de beker): (1) Mt
26,27. (2) Mc
14,23.
In het NT is er sprake dat Jezus de beker nam.
- λαβων δε μωυσης το αἱμα (= labôn de moüsès to haima: Mozes echter het bloed genomen hebbende). Bijbel (1): Ex
24,8.
- λαβων το αἱμα (= labôn to haima: het bloed genomen hebbende). Bijbel (2). LXX (1): Ex 29,16. NT (1): Heb 9,19.
- λαβων το ποτηριον (= labôn to potèrion: de beker genomen). NT (2): (1) Mt
26,27. (2) Mc
14,23.
Mc 14,23.4. ευχαριστησας (= eucharistèsas: gedankt; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ευχαριστεω = eucharisteô: danken). Taalgebruik in het NT: eucharisteô (danken). ch - r. L. gratia. Fr. grace. Vertaling: gratie, genade, char-me, bevalligheid. ευχαριστεω = eucharisteô: welgevallen, goede bevalligheid brengen. Bijbel (9): (1) Mt 15,36. (2) Mt 26,27. (3) Mc 8,6. (4) Mc 14,23. (5) Lc 22,17. (6) Lc 22,19. (7) Joh 6,11. (8) Hnd 28,15. (9) 1 Kor 11,24. Een vorm van ευχαριστεω = eucharisteô in de LXX (6), in het NT (38), in Lc (4): (1) Lc 17,16. (2) Lc 18,11. (3) Lc 22,17. (4) Lc 22,19.
| eucharisteô (danken) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| part. aor. nom. m. + vr. enk. eucharistèsas | 9 | 9 | 2 | 2 | 2 | 1 | 1 | 1 | 6 | 7 |
Mc 14,23.5. εδωκεν (= edôken: hij gaf; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw διδωμι = didômi: geven). Taalgebruik in de Septuaginta: didômi (geven). Taalgebruik in het NT: didômi (geven). Bijbel (462). OT (399). NT (63). Mc (7).
Mc 14,23.6. αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 14,23.7. και (= kai: en; nevensch vw). D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: וְ = wë (en) Arabisch: اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
| kai (en) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
| kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 |
| kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 |
| verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 |
8. ἔπιον (= epion: zij dronken; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw πινω = drinken).
9. ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz).
10. αὐτοῦ (= autou: van het; pers vnw 3de pers gen onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
11. πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder). Taalgebruik in het NT: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in de LXX: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in Mc: pas (ieder, elk, alles).
| pas (al) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 10 | nom. mann. mv. pantes | 724 | 558 | 166 | 18 | 15 | 25 | 14 | 33 | 57 | 4 | 58 | 72 |
| pas (al) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | |
| 10 | nom. mann. mv. pantes | 15 | 2 : (1) Mc 1,5. (2) Mc 1,37. | (1) Mc 5,20. | 2 : (1) Mc 6,42. (2) Mc 6,50. | 2 : (1) Mc 7,3. (2) Mc 7,14. | (1) Mc 12,44. | 7 : (1) Mc 14,23. (2) Mc 14,27. (3) Mc 14,29. (4) Mc 14,31. (5) Mc 14,50. (6) Mc 14,53. (7) Mc 14,64. |
- Hebr. kol. kl (al). Taalgebruik in Tenakh: kl (al). Lat. omnis. Fr. tout. Ned. elk, ieder. Arabisch: kull (al). Taalgebruik in de Koran: kull (al).
| Mc 14,24 - Mc 14,24: 322. Instelling van de eucharistie: Taalgebruiken -- Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- Mc 14,22 - Mc 14,23 - Mc 14,24 - Mc 14,25 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [24] And he said unto them, This is my blood of the new
testament, which is shed for many.
Luther-Bibel. 24 Und er sprach zu ihnen: Das ist mein Blut des Bundes, das
f�r viele vergossen wird.
Tekstuitleg van Mc 14,24.
- Het bloed van het verbond dat vergoten wordt roept duidelijk de tekst op van het ritueel dat Mozes voltrok (Ex 24,6.8). Het is een interpretatie van de kruisdood van Jezus. Die interpretatie kwam achteraf, na de dood van Jezus. De leerlingen vroegen zich af waarom Jezus de kruisdood was gestorven. Door de lezing van de Oudtestamentische teksten interpreteerden ze zijn dood als een offer aan God, waarmee het verbond gesloten werd. Zo dit correct is, kan Jezus moeilijk die woorden hebben gezegd. En zo zou het verhaal van het Laatste Avondmaal een interpretatieverhaal van de leerlingen zijn geweest, waarmee ze de betekenis van de handelingen van de laatste maaltijd met Jezus hebben aangegeven.
- In Ex 24 werd het bloed in twee schalen opgevangen. Het bloed van de ene schaal werd over het altaar uitgegoten (Ex 24,6). Het bloed van de andere schaal werd over het volk gesprenkeld (Ex 24,8).
Mc 14,24.1. και (= kai: en; nevensch vw). D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: וְ = wë (en) Arabisch: اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
| kai (en) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
| kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 |
| kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 |
| verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 |
- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et.
Mc 14,24.2. וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordsvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. `-m-r. (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt). (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg).Taalgebruik in Tenakh: ´âmar (zeggen). Getalswaarde: aleph = 1, mem = 13 of 40, resj = 20 of 200; totaal: 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal). Structuur: 1 - 4 - 2. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (1879). Pentateuch (594). Eerdere Profeten (868). Latere Profeten (120). 12 Kleine Profeten (56). Geschriften (241). Gn (315). Gn 1-11 (49). Gn 12 (4): (1) Gn 12,1. (2) Gn 12,7. (3) Gn 12,11. (4) Gn 12,18. In Gn 12,1 is het de 50ste keer. De stam `-m-r in Tenakh (5422).
| Tenakh | Pentateuch | Eerdere Profeten | Latere Profeten | 12 Kleine Profeten | Geschriften | Gn | Ex | Lv | Nu | Dt | Gn 12 | ||
| 1879 | 594 | 868 | 120 | 56 | 241 | 315 | 150 | 10 | 95 | 24 | 4 |
- Lettinga 12, 2012, 53c2: Het werkw. begint met een aleph. Het is een gutturaal, maar de zwakste van de gutturalen. Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal werkw. een bijzondere behandeling voor de qal imperf.. Dit is het geval voor ons werkw.. In het imperf. gaat een medeklinker vooraf aan de aleph. De aleph quiesceert: ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b). In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o: jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c). De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b). In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a: jomur -> jomar (i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012, 15g). In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è, vandaar wajjo´mèr. (Zie ook Jouön, 73).
- Grieks: wkw act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω
= legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô
(zeggen). Taalgebruik in de Septuaginta: legô
(zeggen). λεγω
= legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur; les.
IEen vorm van λεγω
= legô (zeggen) in de LXX (4610), in het NT (1318); van
ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608), in het NT (925).
| eipen | bijbel | OT | LXX | Pentateuch | Eerdere Profeten | Latere Profeten | 12 Kleine Profeten | Geschriften | Gn | Gn 12 | Ex | Lv | Nu | Dt | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3024 | 2426 | 2275 + 151 | 684 | 985 | 234 | 63 | 309 | 378 | 4 | 149 | 15 | 98 | 44 | 598 | 118 | 56 | 223 | 114 | 75 | 7 | 5 | 397 | 511 |
- Ned: zeggen. Arabisch: قَالَ = qâla (zeggen). Taalgebruik in de Qoran: qâla (zeggen). Aramees: קְרָא = qërâ´ (roepen). D: sagen (zeggen). E: to say. Fr: dire. Grieks: λεγω
= legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô
(zeggen). Hebreeuws: אָמַר = ´âmar
(zeggen). Taalgebruik in Tenakh: ´âmar
(zeggen). Lat: legere.
l (قَالَ = qâla) en r (קְרָא = qâra) liggen dicht bij elkaar. Orgaan van roepen is de stem; zie Hebreeuws:קוֹל = qôl (stem, roep). Taalgebruik
in Tenakh: qôl
(stem). Lat: dicere. Fr: dire. Italiaans: dire. Spaans: decir.
-
In het werkw. אָמַר = ´âmar (zeggen) zit het woord אְמ = ´em (moeder); om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph, de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aa
Mc 14,24.3. dat. mann. en onz. mv. αυτοις = autois van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos. Mc (117).
| autoi | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 7 | dat. mann. en onz. mv.autois | 117 | 4 | 6 | 5 | 10 | 5 | 13 | 5 | 7 | 10 | 12 | 7 | 8 | 2 | 13 | 7 | 3 | 1722 | 1180 | 542 | 101 | 117 | 89 | 97 | 75 | 47 | 16 | 307 | 404 |
Mc
14,24.1. - 3. και λεγει αυτοις = kai legei autois (en hij zegt hen). LXX (3): (1) Ex 20,20. (2) Ex 32,2. (3) Ex 32,27. NT (31). Slechts in de evangelies. Mt (9). Mc (14): (1) Mc
1,38. (2) Mc
3,4. (3) Mc
4,13. (4) Mc
4,35. (5) Mc
6,50. (6) Mc
7,18. (7) Mc
9,35. (8) Mc
10,11. (9) Mc
11,2. (10) Mc
12,16. (11) Mc
14,13. (12) Mc
14,27. (13) Mc
14,34. (14) Mc
14,41. Lc (1): Lc
24,36. Joh (7).
- και ελεγεν αυτοις = kai elegen autois (en hij zei hen). NT (13). Mc
(12): (1) Mc 2,27. (2) Mc
4,2. (3) Mc
4,9. (4) Mc
4,11. (5) Mc
4,21. (6) Mc
4,24. (7) Mc 6,10. (8) Mc 7,9. (9) Mc 8,21. (10) Mc 9,1. (11) Mc
9,31. (12) Mc
12,38. Lc (1): Lc 6,5.
- ελαλει αυτοις = elalei autois (en hij sprak tot hen). LXX (1): Jdt 14,8. NT (6): (1) Mt
13,34. (2) Mc 2,2. (3) Mc
4,33. (4) Mc
4,34. (5) Lc 9,11. (6) Joh
10,6.
- και ειπεν προς αυτους = kai eipen pros autous (en hij zei tot hen). NT (= Lc) (8): (1) Lc 2,49. (2) Lc 3,14. (3) Lc 4,23. (4) Lc 8,22. (5) Lc 9,3. (6) Lc 11,5. (7) Lc 19,13. (8) Lc 22,15.
- ειπεν δε προς αυτους = eipen de pros autous (hij zei echter tot hen). NT (6): (1) Lc 9,13. (2) Lc 12,15. (3) Lc 15,3. (4) Lc
20,41. (5) Lc 24,17. (6) Hnd
1,7.
- και ειπεν αυτοις = kai eipen autois (en hij zei hen). NT (30). Slechts in de evangelies. Mt (3): (1) Mt
8,32. (2) Mt
9,15. (3) Mt
20,17. Mc (8): (1) Mc
1,17. (2) Mc 2,19. (3) Mc
4,40. (4) Mc 6,31. (5) Mc 9,29. (6) Mc
10,14. (7) Mc
14,24. (8) Mc 16,15. Lc (9): (1) Lc
2,10. (2) Lc
9,48. (3) Lc
13,22. (4) Lc
16,15. (5) Lc
22,35. (6) Lc
22,46. (7) Lc
24,19. (8) Lc
24,38. (9) Lc
24,46. Joh (10).
- ειπεν δε αυτοις = eipen de autois (hij zei echter aan hen). NT (7): (1) Lc 8,25. (2) Lc 9,20. (3) Lc 10,18. (4) Lc 11,2. (5) Lc
22,67. (6) Lc
24,44. (7) Joh
6,35.
- וַיּאֹמֶר לָהֶם = wajjo´mèr lâhèm (en hij zei hen).
4. nom. en acc. onz. enk. τουτο = touto (dit) van het aanwijz. voornaamw. οὑτος = houtos (deze). Taalgebruik in het NT: houtos
(deze). Taalgebruik in de LXX: houtos
(deze). Mc (15): (1) Mc
1,27. (2) Mc
1,38. (3) Mc
5,32. (4) Mc
5,43. (5) Mc 6,14. (6) Mc 9,21. (7) Mc 9,29. (8) Mc 11,3. (9) Mc
11,24. (10) Mc
12,24. (11) Mc 13,11. (12) Mc 14,5. (13) Mc
14,22. (14) Mc
14,24. (15) Mc
14,36.
- Ned: deze, dat / dit. D: der
- die - das. E: this - that. Fr: ceci. Lat: hic - haec - hoc.
| bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | ||
| nom. + acc. onz. enk. touto | 1103 | 898 | 305 | 31 | 15 | 37 | 50 | 29 |
5. act. ind. praes. 3de pers. enk. εστιν = estin van het werkw. ειμι = eimi (zijn). Taalgebruik in het NT: eimi (zijn). Taalgebruik in de Septuaginta: eimi (zijn). Een vorm van ειμι = eimi (zijn) in de LXX (6947), in het NT (2450), in Mc (192).
| eimi (zijn) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| estin | 69 | (1): | (4): (1) Mc 2,1. (2) Mc 2,9. (3) Mc 2,19. (4) Mc 2,28. | (4): | (3): | (2): | (6): | 6: (1) Mc 7,2. (2) Mc 7,4. (3) Mc 7,11. (4) Mc 7,15. (5) Mc 7,27. (6) Mc 7,34. | (0) | (1) Mc 9,5. (2) Mc 9,7. (3) Mc 9,10. (4) Mc 9,21. (5) Mc 9,39. (6) Mc 9,40. (7) Mc 9,42. (8) Mc 9,43. (9) Mc 9,45. (10) Mc 9,47. | (7) (1) Mc 10,14. (2) Mc 10,24. (3) Mc 10,25. (4) Mc 10,29. (5) Mc 10,40. (6) Mc 10,43. (7) Mc 10,47. | (0) | (11): | (3): | (7): | (4): | (1): | 2371 | 1558 | 813 | 114 | 69 | 96 | 147 | 66 | 296 | 25 |
- werkw. Ned: zijn. Arabisch: كانَ = kâna (zijn). Taalgebruik in de Qoran: kâna (zijn). D: sein. E: to be. E: to be. Grieks: ειμι = eimi (zijn). Taalgebruik in het NT: eimi (zijn). Hebreeuws: הָיָה = hâjâh (zijn). Taalgebruik in Tenakh: hâjâh (zijn). Lat: esse.
Mc 14,24.6. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.
Mc
14,24.7. הַדָּם = haddâm (het bloed) < prefix bepaald lidw. + zelfst. naamw. דָם = dâm
(bloed, bloedschuld). Taalgebruik in Tenakh: dâm
(bloed, bloedschuld). getalswaarde: daleth = 4, mem = 13 of 40; totaal: 17 OF 44 (4 X 11). Structuur: 4 - 4. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (58). Ex (10): (1) Ex 7,21. (2) Ex 12,7. (3) Ex 12,13. (4) Ex 12,22. (5) Ex 12,23. (6) Ex 24,6. (7) Ex 24,8. (8) Ex 29,12. (9) Ex 29,20. (10) Ex 29,21.
- דָם = dâm
(bloed, bloedschuld). Taalgebruik in Tenakh: dâm
(bloed, bloedschuld). Getalswaarde: daleth = 4, mem = 13 of 40; totaal: 17 OF 44 (4 X 11). Structuur: 4 - 4. De som van de elementen is telkens 8. dm: Tenakh (70). Ex (4): (1) Ex 7,19. (2) Ex 23,18. (3) Ex 24,8. (4) Ex 34,25.
- Grieks. nom. + acc. onz. enk. αἱμα = haima (bloed). Taalgebruik in het NT: haima
(bloed). Taalgebruik in de LXX: haima
(bloed). Mt (5): (1) Mt
16,17. (2) Mt
23,35. (3) Mt
26,28. (4) Mt 27,4. (5) Mt
27,25. Mc (1): Mc
14,24. Lc (2): (1) Lc
11,50. (2) Lc 13,1. Joh (5): (1) Joh
6,53. (2) Joh
6,54. (3) Joh
6,55. (4) Joh
6,56. (5) Joh
19,34. Hnd (6): (1) Hnd 2,19. (2) Hnd 2,20. (3) Hnd 5,28. (4) Hnd 18,6. (5) Hnd 21,25. (6) Hnd 22,20. Een vorm van αἱμα = haima (bloed) in de LXX (401), in het NT (97), in Mt (10): (1) Mt
16,17. (2) Mt
23,30. (3) Mt
23,35. (4) Mt
26,28. (5) Mt 27,4. (6) Mt 27,6. (7) Mt 27,8. (8) Mt
27,24. (9) Mt
27,25. (10) Mt
27,49, in Mc (3): (1) Mc 5,25. (2) Mc 5,29. (3) Mc
14,24. in Lc (7): (1) Lc
8,43. (2) Lc
8,44. (3) Lc
11,50. (4) Lc
11,51. (5) Lc
13,1. (6) Lc
22,20. (7) Lc
22,44.
| bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | ||
| nom. + acc. onz. enk. haima | 225 | 183 | 42 | 5 | 1 | 2 | 5 | 6 | 12 | 11 | 8 | 13 | 10 | 2 |
Mc 14,24.6. - 8. to haima mou (mijn bloed). NT (3): (1) Mt 26,28. (2) Mc 14,24. (3) Joh 6,55.
Mc
14,24.9. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (65). Mc 14 (6): (1) Mc
14,3. (2) Mc
14,24. (3) Mc
14,25. (4) Mc
14,35. (5) Mc
14,62. (6) Mc
14,64.
Mc 14,24.10. gen. vr. enk. diathèkès van het zelfst. naamw. diathèkè (verbond). Taalgebruik in het NT: diathèkè (verbond). Taalgebruik in de LXX: diathèkè (verbond). Taalgebruik in Lc: diathèkè (verbond). Hebr. bërîth (verbond). Taalgebruik in Tenach: bërîth (verbond). Lat. testamentum. E. testament. Ned. testament, verbond. D. Bund. Fr. alliance. Bijbel (128). OT (103). NT (15): (1) Mt 26,28. (2) Mc 14,24. (3) Lc 1,72. (4) Hnd 3,25. (5) 2 Kor 3,6. (6) 2 Kor 3,14. (7) Heb 7,22. (8) Heb 8,6. (9) Heb 9,4. (10) Heb 9,15. (11) Heb 9,20. (12) Heb 10,29. (13) Heb 12,24. (14) Heb 13,20. (15) Apk 11,19. Een vorm van diathèkè (verbond) in Lc in 2 verzen: (1) Lc 1,72. (2) Lc 22,20. In Hnd: 2 vormen van diathèkè (verbond) in 2 verzen in 2 hoofdstukken: (1) Hnd 3,25. (2) Hnd 7,8. Een vorm van diathèkè (verbond) in het NT (33), in de LXX (358).
Mc 14,24.12. pass. part. praes. nom. + acc. onz. enk. εκχυννομενον = ekchunnomenon (uitgegoten, vergoten) van het werkw. εκχεω = ekchunnô (gieten, vergieten). Taalgebruik in de Bijbel: ekchunnô (gieten, vergieten). Een vorm van in de LXX (0), in het NT (11). NT (4): (1) Mt 23,35. (2) Mt 26,28. (3) Mc 14,24. (4) Lc 22,20.
Mc
14,24.14. gen. mv. pollôn (velen) van het bijvoegl. naamw. polus (veel). Taalgebruik
in het NT: polus
(veel). Taalgebruik in Mc: polus
(veel).
Mc (3): (1) Mc
5,26. (2) Mc
10,45. (3) Mc
14,24. Een vorm van polus (veel) in Mc (49), in Mc 14 (2): (1) Mc
14,24. (2) Mc
14,56.
| Mc 14,25 - Mc 14,25: 322. Instelling van de eucharistie: Taalgebruiken -- Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- Mc 14,22 - Mc 14,23 - Mc 14,24 - Mc 14,25 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [25] Verily I say unto you, I will drink no more of the
fruit of the vine, until that day that I drink it new in the kingdom of God.
Luther-Bibel. 25 Wahrlich, ich sage euch, dass ich nicht mehr trinken werde
vom Gew�chs des Weinstocks bis an den Tag, an dem ich aufs Neue davon trinke
im Reich Gottes.
Tekstuitleg van Mc 14,25.
4. hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti
(dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti
(dat, omdat).
Mc (92). Mc 14 (10): (1) Mc
14,14. (2) Mc
14,18. (3) Mc
14,21. (4) Mc
14,25. (5) Mc
14,27. (6) Mc
14,30. (7) Mc
14,58. (8) Mc
14,69. (9) Mc
14,71. (10) Mc
14,72.
12. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (65). Mc 14 (6): (1) Mc
14,3. (2) Mc
14,24. (3) Mc
14,25. (4) Mc
14,35. (5) Mc
14,62. (6) Mc
14,64.
15. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (65). Mc 14 (6): (1) Mc
14,3. (2) Mc
14,24. (3) Mc
14,25. (4) Mc
14,35. (5) Mc
14,62. (6) Mc
14,64.
22. ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd, middel)Taalgebruik in het NT: en
(in). Taalgebruik in Mc: en
(in).
Mc 14 (7): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,2. (3) Mc
14,3. (4) Mc
14,6. (5) Mc
14,25. (6) Mc
14,49. (7) Mc
14,66.
24. nom. + dat enk. basileia(i) (koninkrijk). Taalgebruik in het NT: basileia (koninkrijk). Taalgebruik in Mc: basileia (koninkrijk). Mc (7): (1) Mc 1,15 (nom.). (2) Mc 3,24 (nom.). (3) Mc 4,26 (nom.). (4) Mc 10,14 (nom.). (5) Mc 11,10 (nom.). (6) Mc 13,8 (nom.). (7) Mc 14,25 (dat.).
328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening: Mc 14,26-31 - Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,26 - Mc 14,27 - Mc 14,28 - Mc 14,29 - Mc 14,30 - Mc 14,31 -
| 1. Jezus en de leerlingen | 2. Jezus | 3. Petrus | 4. Jezus | 5. Petrus | 6. andere leerlingen |
| Mc 14,26 | Mc 14,27 | Mc 14,29 | Mc 14,30 | Mc 14,31 | Mc 14,31 |
| kai (en) | ho de Petros (Petrus echter) | kai (en) | ho de (hij echter) | hôsautôs de (op gelijke wijze echter) | |
| legei ('Jezus' zegt) | efè (zei) | legei ('Jezus' zegt) | ekperissôs elalei (affirmeerde nog uitvoeriger) | kai pantes elegon (zeiden ook de anderen) | |
| autois (aan hen) | autôi (aan hem) | autôi (aan hem) | |||
| ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) | ||||
| hoti (dat) | ei (indien) | amèn legô soi hoti (voorwaar ik zeg je dat) | ean (indien)... | ||
| pantes (jullie allen) | kai pantes (zelfs allen) | su (jij)... | |||
| skandalisthèesthe (zullen geschandaliseerd worden) | skandalisthèsontai (geschandaliseerd zullen zijn) | tris me aparnèsèi (zal je me driemaal verloochenen) | ou mè se aparnèsomai (ik zal je niet verloochenen) | ||
| all'ouk egô (maar ik niet) |
| Mc 14,26 - Mc 14,26: 328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening: Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,26 - Mc 14,27 - Mc 14,28 - Mc 14,29 - Mc 14,30 - Mc 14,31 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [26] And when they had sung an hymn, they went out into
the mount of Olives.
Luther-Bibel. 26 Und als sie den Lobgesang gesungen hatten, gingen sie hinaus
an den �lberg.
Tekstuitleg van Mc 14,26.
1. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
2. humnèsantes (lofgeprezen). In 2 verzen in de bijbel: Mc 14,26 // Mt 26,30. Gr. humneô: in hymne bezingen, roemen, huldigen. Gr. humnos = Ned. hymne. Er staat een meervoud. We veronderstellen dat het Jezus en zijn leerlingen zijn. Wellicht verlaten Jezus en zijn leerlingen met een heel verschillende gemoedsgesteldheid de plaats van het laatste avondmaal. De leerlingen zijn in een euforische stemming. Ze hebben feest gevierd, wijn gedronken, liederen gezongen. Ze zijn nog niet uitgepraat over de fijne avond en praten nog na. Jezus echter is zich bewust van wat hem gaat overkomen. Hij voelt zijn uitlevering aankomen.
3. exèlthon (zij gingen naar buiten). Indicatief aorist 3de persoon
meervoud van exerchomai (naar buiten gaan). In deze vorm komt het 5X voor bij
Marcus. Slechts 1X is Jezus en zijn leerlingen onderwerp. We vertalen het
werkwoord met: naar buiten gaan, erop uit trekken. Met dit werkwoord hebben
de woorden "uitgaans-leven, uitgaanswereld" te maken.
In Mc 14,12-17 stellen de leerlingen de vraag waar Jezus de paasmaaltijd willen
gebruiken. Jezus geeft hen een aantal richtlijnen, die zij uitvoeren. Het
verhaal sluit af in Mc 14,17 met de vermelding dat Jezus met zijn twaalf gaat. De uitvoering van de opdracht begint met kai exèlthon hoi mathètai
(en de leerlingen gingen erop uit) Mc 14,16. Mc 14,18-25 wordt omsloten door
Mc 14,16-17 en Mc 14,26. In die omsluiting komt telkens het werkwoord exèlthon
(zij gingen erop uit) voor.
6. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.
7. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in
het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc
14,10. (2) Mc
14,12. (3) Mc
14,13. (4) Mc
14,14. (5) Mc
14,17. (6) Mc
14,20. (7) Mc
14,26. (8) Mc
14,41. (9) Mc
14,43. (10) Mc
14,47. (11) Mc
14,54. (12) Mc
14,62. (13) Mc
14,66.
| Mc 14,27 - Mc 14,27: 328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening: Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,26 - Mc 14,27 - Mc 14,28 - Mc 14,29 - Mc 14,30 - Mc 14,31 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. And Jesus saith unto them, All ye shall be offended because
of me this night: for it is written, I will smite the shepherd, and the sheep
shall be scattered.
Luther-Bibel. 27 Und Jesus sprach zu ihnen: Ihr werdet alle Ärgernis nehmen;
denn es steht geschrieben (Sacharja 13,7): »Ich werde den Hirten schlagen,
und die Schafe werden sich zerstreuen.«
27 Καὶ λέγει αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς ὅτι Πάντες σκανδαλισθήσεσθε, ὅτι γέγραπται, Πατάξω τὸν ποιμένα, καὶ τὰ πρόβατα διασκορπισθήσονται:
Tekstuitleg van Mc 14,27. Dit vers Mc 14,27 telt 23 woorden en 125 (5 X 5 X 5) letters. De getalwaarde van Mc 14,27 is 11258 (2 X 13 X 433). 17 woorden.
1. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
2. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc 14: (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67.
5. nom. mann. enk. Ièsous. Mc 14 (7): (1) Mc 14,6. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,48. (6) Mc 14,62. (7) Mc 14,72. Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 14 (11): (1) Mc 14,6 (nom. Ièsous). (2) Mc 14,18 (nom. Ièsous). (3) Mc 14,27 (nom. Ièsous). (4) Mc 14,30 (nom. Ièsous). (5) Mc 14,48 (nom. Ièsous). (6) Mc 14,53 (acc. Ièsoun). (7) Mc 14,55 (gen Ièsou.). (8) Mc 14,60 (acc. Ièsoun). (9) Mc 14,62 (nom. Ièsous). (10) Mc 14,67 (gen. Ièsou). (11) Mc 14,72 (nom. Ièsous). Taalgebruik in het NT: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus).
1. - 5. Καὶ λέγει αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς (= kai legei autois ho Ièsous: En Jezus zegt hen). Mc (1): Mc 14,27.
6. hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti
(dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti
(dat, omdat).
Mc (92). Mc 14 (10): (1) Mc
14,14. (2) Mc
14,18. (3) Mc
14,21. (4) Mc
14,25. (5) Mc
14,27. (6) Mc
14,30. (7) Mc
14,58. (8) Mc
14,69. (9) Mc
14,71. (10) Mc
14,72.
7. nom. mann. mv. παντες = pantes (allen) van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in het NT: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in de LXX: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in Mc: pas (ieder, elk, alles).
| pas (al) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 10 | nom. mann. mv. pantes | 724 | 558 | 166 | 18 | 15 | 25 | 14 | 33 | 57 | 4 | 58 | 72 |
| pas (al) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | |
| 10 | nom. mann. mv. pantes | 15 | 2 : (1) Mc 1,5. (2) Mc 1,37. | (1) Mc 5,20. | 2 : (1) Mc 6,42. (2) Mc 6,50. | 2 : (1) Mc 7,3. (2) Mc 7,14. | (1) Mc 12,44. | 7 : (1) Mc 14,23. (2) Mc 14,27. (3) Mc 14,29. (4) Mc 14,31. (5) Mc 14,50. (6) Mc 14,53. (7) Mc 14,64. |
- Hebr. kol. kl (al). Taalgebruik in Tenakh: kl (al). Lat. omnis. Fr. tout. Ned. elk, ieder. Arabisch: kull (al). Taalgebruik in de Koran: kull (al).
8. σκανδαλισθήσεσθε (= skandalisthèsesthe: jullie zullen geschandaliseerd worden; wkw pass ind fut 2de pers mv van het wkw σκανδαλιζω = skandalizô: schandaliseren, ergeren, ten val brengen).
11. Πατάξω (= pataxô: ik zal slaan; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw πάτασσω = patassô: slaan). Taalgebruik: patassô
(slaan), zie Mc
14,27. Bijbel (21)? OT (19). NT (2).
12. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.
14. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
15. bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (2): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,27.
17. διασκορπισθήσονται (= diaskorpisthèsontai: zij zullen verstrooid worden; wkw pass fut 3de pers mv van het wkw διασκορπιζω = diaskorpizô: uiteenwerpen, uitstrooien, verkwisten).
| Mc 14,28 - Mc 14,28: 328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening: Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,26 - Mc 14,27 - Mc 14,28 - Mc 14,29 - Mc 14,30 - Mc 14,31 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [28] But after that I am risen, I will go before you into
Galilee.
Luther-Bibel. 28 Wenn ich aber auferstanden bin, will ich vor euch hingehen
nach Galil�a.
Tekstuitleg van Mc 14,28. Het vers Mc 14,28 telt 10 (2 X 5) woorden, 21 (3 X 7) lettergrepen en 46 (2 X 23) letters. De getalwaarde van Mc 14,28 is 3475 (5 X 5 X 139). Het vers bestaat uit een hoofdzin, waarbij een infinitiefzin ingeleid door het voorzetsel meta (na).
Mc 14,28.1. αλλα = alla, afkorting αλλ' = all' (maar). Taalgebruik in het NT: alla (maar). Taalgebruik in de LXX: alla (maar). Taalgebruik in Mc: alla (maar). Mc (30). Mc 14 (2): (1) Mc 14,28. (2) Mc 14,36.
| alla (maar) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| alla | 30 | 1 | 2 | 2 | 3 | 3 | 1 | 3 | 1 | 3 | 2 | 2 | 1 | 3 | 2 | 1 | 644 | 230 | 414 | 32 | 30 | 19 | 56 | 22 | 248 | 7 | 81 | 137 |
| all' | 18 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 2 | 1 | 3 | 2 | 2 | 3 | 449 | 238 | 211 | 12 | 18 | 16 | 49 | 8 | 103 | 5 | 46 | 95 | ||||
| Totaal | 48 | 2 | 3 | 3 | 4 | 3 | 2 | 5 | 1 | 4 | 5 | 2 | 3 | 5 | 5 | 1 | 1093 | 468 | 625 | 44 | 48 | 35 | 105 | 30 | 251 | 12 | 127 | 232 |
Mc 14,28.2. μετα = meta (met, na). Afkorting: μετ' = met' OF μεθ' = meth'. Taalgebruik in het NT: meta (na, met). Taalgebruik in de LXX: meta (na, met). Taalgebruik in Mc: meta (na, met). Mc 14 (10): (1) Mc 14,1 (meta + acc: na). (2) Mc 14,14 (meta + gen: met). (3) Mc 14,17 (meta + gen: met). (4) Mc 14,28 (meta + acc: na). (5) Mc 14,43 (meta + gen: met). (6) Mc 14,48 (meta + gen: met). (7) Mc 14,54 (meta + gen: met). (8) Mc 14,62 (meta + gen: met). (9) Mc 14,67 (meta + gen: met). (10) Mc 14,70 (meta + acc: na).
| meta (na, met) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1 | meta | 34 | 4 | 1 | 2 | 1 | 1 | 3 | 2 | 2 | 1 | 2 | 10 | 3 | 2 | 1443 | 1159 | 284 | 42 | 34 | 37 | 24 | 48 | 77 | 22 | 113 | 137 | |
| 2 | met' | 16 | 1 | 2 | 2 | 1 | 4 | 1 | 4 | 1 | 737 | 611 | 126 | 18 | 16 | 21 | 23 | 14 | 10 | 24 | 55 | 78 | ||||||
| 3 | meth' | 3 | 1 | 1 | 1 | 217 | 174 | 43 | 10 | 3 | 4 | 8 | 1 | 16 | 1 | 17 | 25 | |||||||||||
| totaal | 53 | 5 | 3 | 4 | 2 | 4 | 2 | 4 | 3 | 2 | 1 | 2 | 15 | 3 | 3 | 2398 | 1953 | 454 | 70 | 53 | 62 | 55 | 63 | 103 | 44 | 185 | 240 |
| meta (na, met) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | |
| 1 | meta | 34 | 4: (1) Mc 1,13. (2) Mc 1,14. (3) Mc 1,20. (4) Mc 1,29. | 1 : Mc 2,16. | 2: (1) Mc 3,6. (2) Mc 3,7. | 1: Mc 4,16. | 1 : Mc 6,25. | 3: (1) Mc 8,10. (2) Mc 8,31. (3) Mc 8,38. | 2: (1) Mc 9,2. (2) Mc 9,31. | 2: (1) Mc 10,30. (2) Mc 10,34. | 1 : Mc 11,11. | 2: (1) Mc 13,24. (2) Mc 13,26. | 10: (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,17. (4) Mc 14,28. (5) Mc 14,43. (6) Mc 14,48. (7) Mc 14,54. (8) Mc 14,62. (9) Mc 14,67. (10) Mc 14,70. | 3: (1) Mc 15,1. (2) Mc 15,7. (3) Mc 15,31. | 2: (1) Mc 16,12. (2) Mc 16,19. | |
| 2 | met' | 16 | 1 : Mc 1,36. | 2: (1) Mc 2,19. (2) Mc 2,25. | 2: (1) Mc 3,5.. (2) Mc 3,14.. | 1 : Mc 4,36. | 4: (1) Mc 5,18. (2) Mc 5,24. (3) Mc 5,37. (4) Mc 5,40. | 1 : Mc 6,50. | 4: (1) Mc 14,18. (2) Mc 14,20. (3) Mc 14,33. (4) Mc 14,43. | 1 : Mc 6,50. | ||||||
| 3 | meth' | 3 | 1: Mc 8,14 | 1: Mc 9,8. | 1: Mc 14,7. | |||||||||||
| totaal | 53 | 5 | 3 | 4 | 2 | 4 | 2 | 4 | 3 | 2 | 1 | 2 | 15 | 3 | 3 |
-- Lat. cum. Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen). D. mit. E. with. Fr.
avec (< apud hoc: met dat).
-- Lat. post-quam. Ned. na-dat. D. nachdem. Fr. après (< ad pressum
= tot ge-perst, opeengeperst; primere, pressum: persen ). E. after.
Mc 14,28.1. - 2. αλλα μετα = alla meta (maar na). NT (1): Mc 14,28.
Mc 14,28.3. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. το = to (het) van het bepaald lidw. ὁ = ho, ἡ = hè, το = to
(de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Mc 14 (22): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,5. (3) Mc
14,8. (4) Mc
14,9. (5) Mc
14,12. (6) Mc
14,14. (7) Mc
14,16. (8) Mc
14,20. (9) Mc
14,22. (10) Mc
14,24. (11) Mc
14,26. (12) Mc
14,28. (13) Mc
14,32. (14) Mc
14,36. (15) Mc
14,38. (16) Mc
14,41. (17) Mc
14,47. (18) Mc
14,54. (19) Mc
14,55. (20) Mc
14,65. (21) Mc
14,68. (22) Mc
14,72.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3. | nom. + acc. onz. enk. to | 108 | 4 | 3 | 4 | 7 | 12 | 7 | 6 | 2 | 9 | 4 | 4 | 3 | 12 | 22 | 5 | 4 | 5941 | 4582 | 1359 | 186 | 108 | 181 | 121 | 172 | 482 | 109 | 475 | 596 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 14,28.2.
- 3. μετα δε το = meta de to. NT (5): (1) Mt
26,32. (2) Mc
1,14. (3) Hnd 15,13. (4) Hnd 20,1. (5) Heb 9,3.
- μετα το = meta to. NT (13): (1) Mc
14,28. (2) Mc
16,19. (3) Lc 12,5. (4) Lc 22,20. (5) Joh
13,27. (6) Hnd
1,3. (7) Hnd 7,4. (8) Hnd 10,37. (9) Hnd 10,41. (10) Hnd 12,4. (11) Hnd 19,21. (12) 1
Kor 11,25. (13) Heb 10,26.
- και μετα το = kai meta to (en na). NT (1): Joh
13,27.
Mc (2): (1) Mc
14,28. (2) Mc
16,19. Vermits Mc 16,9-20 als een latere toevoeging wordt beschouwd, resten
nog Mc
1,14 en Mc
14,28. Ze zijn aan elkaar gelinkt. STAP VOOR STAP !
- Mc 1,14: μετα δε το παραδοθηναι τον ιωαννην = meta de to paradothènai ton Iôannèn (na echter het overgeleverd
zijn van Johannes).
- Mc 14,28: αλλα μετα το εγερθηναι με = meta to egerthènai me (na het opgewekt zijn van mij).
De overlevering gebeurde in het verleden, de opwekking moet nog in de toekomst
plaatsvinden. Toch staat in beide verzen een pass. inf. aor.. Deze twee verzen
omvatten het hele openbaar leven van Jezus.
Mc 14,28.4. passief infinitief aorist εγερθηναι = egerthènai (opgewekt zijn) van het werkw. εγειρω = egeirô (opwekken). Taalgebruik in het NT: egeirô (wekken). Taalgebruik in de LXX: egeirô (wekken). Bijbel (1): Mc 4,38. Een vorm van εγειρω = egeirô (opwekken) in de LXX (57), in het NT (143), in Mc (19).
| egeirô (wekken) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | |
| 1 | ind. pr. 3de p. mv. egeirousin | 1 | (1) Mc 4,38 | |||||||||||
| 2 | imp. 2de p. enk. egeire | 5 | (1) Mc 2,9. (2) Mc 2,11. | (3) Mc 3,3. | (4) Mc 5,41. | (5) Mc 10,49. | ||||||||
| 3 | ind imp. 3de p. enk. ègeiren | 2 | (1) Mc 1,31. | (2) Mc 9,27. | ||||||||||
| 4 | pas. ind. pr. 3de p. mv. egeirontai | 1 | (1) Mc 12,26. | |||||||||||
| 5 | pas. imper. praes. 2de pers. mv. egeiresthe | 1 | (1) Mc 14,42. | |||||||||||
| 6 | pas. conj. praes. 3de pers. enk. egeirètai | 1 | (1) Mc 4,27. | |||||||||||
| 7 | pas. fut. 3de p. enk. egerthèsetai | 1 | (1) Mc 13,8. | |||||||||||
| 8 | pas. fut. 3de p. mv. egerthèsontai | 1 | (1) Mc 13,22. | |||||||||||
| 9 | pas. ind. aor. 3de p. enk. ègerthè | 3 | (1) Mc 2,12. | (2) Mc 6,16. | (3) Mc 16,6. | |||||||||
| 10 | pas. inf. aor. egerthènai |
1 | (1) Mc 14,28 . | |||||||||||
| 11 | pas. perf. 3de pers. enk. egègertai | 1 | (1) Mc 6,14. | |||||||||||
| 12 | pas. part. perf. acc. mann. enk. egègermenon | 1 | (1) Mc 16,14. | |||||||||||
| Totaal | 19 | 1 | 3 | 1 | 2 | 1 | 2 | 1 | 1 | 1 | 2 | 2 | 2 | |
| egeirô (opwekken) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 |
- Wellicht wekken uit de slaap, op-wekken. Ned. wekken vlg. Lat.
vegere: flink, levendig zijn, opgewekt zijn. Lat. resurgere. Surgere
(surrexi, surrectum) = oprijzen, opstaan, rechtop staan. sur < super
= op, boven + regere (rexi, rectum): richten (rechtop), leiden, sturen. -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten, terug
rechtop staan. Ned. rekken (Lat. reg- ), uitstrekken. Rectus = recht. Fr.
résurrection.
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare. super: op, boven + citare (citus: vlug, snel): in beweging brengen. Aldus: terug in beweging brengen, heropleven.
Fr. réveiller: wekken, ont-waken < re + vigilare (vig- wak-, wek-)
waken.
Mc 14,28.5. pers. voornaamw. 1ste pers. acc. enk. με = me (mij) van het persoonl. voornaamw.. Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord.Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord. Mc (27). Mc 14 (8): (1) Mc 14,18. (2) Mc 14,28. (3) Mc 14,30. (4) Mc 14,31. (5) Mc 14,42. (6) Mc 14,48. (7) Mc 14,49. (8) Mc 14,72.
| pers. vnw. 1ste pers. enk. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 4 | acc. enk. me (27) | 1 : Mc 1,40. | 1 : Mc 5,7. | 2 : (1) Mc 6,22. (2) Mc 6,23. | 2 : (1) Mc 7,6. (2) Mc 7,7. | 3 : (1) Mc 8,27. (2) Mc 8,29. (3) Mc 8,38. | 3 : (1) Mc 9,19. (2) Mc 9,37. (3) Mc 9,39. | 5 : (1) Mc 10,14. (2) Mc 10,18. (3) Mc 10,36. (4) Mc 10,47. (5) Mc 10,48. | 1 : Mc 12,15. | 8 : (1) Mc 14,18. (2) Mc 14,28. (3) Mc 14,30. (4) Mc 14,31. (5) Mc 14,42. (6) Mc 14,48. (7) Mc 14,49. (8) Mc 14,72. | 1 : Mc 12,34. | 1568 | 1305 | 263 | 30 | 27 | 40 | 87 | 34 | 2 |
Mc 14,28.6. act. ind. fut. 1ste pers. enk. προαξω = proaksô (ik zal voorgaan) van het werkw. προαγω = proagô (voorgaan). Taalgebruik in het NT: proagô (voorleiden, voorgaan). Taalgebruik in de LXX: proagô (voorleiden, voorgaan). Taalgebruik in Mc: proagô (voorleiden, voorgaan). Bijbel (2): (1) Mt 26,32. (2) Mc 14,28. Een vorm van προαγω = proagô (voorgaan) in de LXX (13), in het NT (20).
| proagô (voorgaan) | Mc | Mc 6 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 14 | Mc 16 | bijbel | NT | Mt | Mc | Lc | Br. | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | act. ind. praes. 3de pers. enk. proagei | 1 | (1) Mc 16,7 | 2 | 2 | 1 | 1 | 2 | 2 | ||||||||
| 2 | act. ind. fut. 1ste pers. enk. proaksô | 1 | (1) Mc 14,28. | 2 | 2 | 1 | 1 | 2 | 2 | ||||||||
| 3 | act.part. praes. nom. mann. enk. proagôn | 1 | (1) Mc 10,32. | 2 | 2 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | |||||||
| 4 | act. part. praes. nom. mann. + vr. mv. proagontes | 1 | (1) Mc 11,9. | 3 | 3 | 1 | 1 | 1 | 3 | 3 | |||||||
| 5 | act. inf. praes. proagein | 1 | (1) Mc 6,45. | 2 | 2 | 1 | 1 | 2 | 2 | ||||||||
| totaal | 5 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 11 | 11 | 4 | 5 | 1 | 1 | 10 | 10 | 1 |
In het vers Mc 14,28 doet Jezus een voorzegging, in Mc 16,7 wordt die voorzegging gerealiseerd. STAP VOOR STAP !
Mc 14,28.7. persoonl. voornaamw. acc. mann. mv. υμας = humas (jullie, u). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord. Mc (13): (1) Mc 1,8 (2X). (2) Mc 1,17.(3) Mc 6,11. (4) Mc 9,19. (5) Mc 9,41. (6): Mc 11,29. (7) Mc 13,5. (8) Mc 13,9. (9) Mc 13,11. (10) Mc 13,36. (11) Mc 14,28. (12) Mc 14,49. (13) Mc 16,7 .
| pers. vnw. 2de p. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 6 | Mc 9 | Mc 11 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | bijbel | O.T. | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 4 | acc. mv. humas | 13 | (1) Mc 1,8 (2X). (2) Mc 1,17. | (3) Mc 6,11. | 2 : (1) Mc 9,19. (2) Mc 9,41. | 1: Mc 11,29. | 4 : (1) Mc 13,5. (2) Mc 13,9. (3) Mc 13,11. (4) Mc 13,36. | (11) Mc 14,28. (12) Mc 14,49. | (13) Mc 16,7 . | 846 | 456 | 390 | 31 | 13 | 35 | 30 | 26 | 253 | 2 | 79 | 109 |
| totaal | 69 | 4034 | 2377 | 1657 | 224 | 69 | 205 | 219 | 116 | 813 | 11 | 498 | 717 |
Mc 14,28.8. εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). Mc 14 (20): (1) Mc 14,4. (2) Mc 14,8. (3) Mc 14,9. (4) Mc 14,10. (5) Mc 14,13. (6) Mc 14,16. (7) Mc 14,18. (8) Mc 14,19. (9) Mc 14,20. (10) Mc 14,26. (11) Mc 14,28. (12) Mc 14,32. (13) Mc 14,38. (14) Mc 14,41. (15) Mc 14,43. (16) Mc 14,47. (17) Mc 14,54. (18) Mc 14,55. (19) Mc 14,60. (20) Mc 14,68.
| eis (naar) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 6930 | 5336 | 1594 | 215 | 151 | 210 | 181 | 260 | 504 | 73 | 576 | 757 | 427 | 77 | 13 | 5 | 6 | 8 | 11 | 14 | 9 | 10 | 11 | 13 | 8 | 7 | 8 | 20 | 3 | 5 |
- Lat. in / ad. Fr. vers (versus: gedraaid, gekeerd; vertere: tourner, draaien) / à. Ned. naar. D. nach. E. for.
Mc 14,28.9. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 14 (7): (1) Mc 14,3. (2) Mc 14,13. (3) Mc 14,16. (4) Mc 14,28. (5) Mc 14,47. (6) Mc 14,52. (7) Mc 14,54.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 9. | acc. vr. enk. tèn | 109 | 12 | 4 | 5 | 9 | 9 | 11 | 10 | 4 | 5 | 11 | 5 | 6 | 3 | 7 | 6 | 2 | 6161 | 4889 | 1272 | 180 | 109 | 149 | 121 | 198 | 404 | 111 | 438 | 559 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 14,28.10. acc. vr. enk. γαλιλαιαν = Galilaian (Galilea). γαλιλαια = galilaia (Galilea). Taalgebruik in het NT: Galilaia (Galilea). Taalgebruik in de LXX: Galilaia (Galilea). Taalgebruik in Mc: Galilaia (Galilea).
| Galilaia (Galilea) | Mc | Mc 1 | Mc 3 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 9 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | syn. | ev. | |
| 1 | nom. + dat. vr. enk. Galilaia(i) | 1 | 1 : Mc 15,41. | 20 | 13 | 7 | 3 | 1 | 1 | 2 | 5 | 7 | ||||||||
| 2 | gen. vr. enk. Galilaias , telkens met het bep. lidw. tès | 7 | (1) Mc 1,9. (2) Mc 1,16. (3) Mc 1,28. | (4) Mc 3,7. | (5) Mc 6,21. | (6) Mc 7,31. | (7) Mc 9,30. | 40 | 4 | 36 | 8 | 7 | 10 | 8 | 3 | 25 | 33 | |||
| 3 | acc. vr. enk. Galilaian | 4 | (1) Mc 1,14. (2) Mc 1,39. | (3) Mc 14,28. | (4) Mc 16,7. | 25 | 8 | 17 | 5 | 4 | 2 | 6 | 11 | 17 | ||||||
| totaal | 12 | 5 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 85 | 25 | 60 | 16 | 12 | 13 | 16 | 3 | 41 | 57 | |
| apo tès Galilaias (vanaf Galilea) | 2 | 1: (1) Mc 3,7. En: Mc 1,9. | (1) Mc 3,7. | - | - | 10 | 4 | 1 | 3 | 2 | ||||||||||
| dia tès galilaias (door Galilea) | 1 | 1: Mc 9,30. | ||||||||||||||||||
| eis tèn Galilaian (naar Galilea) | 6 | (1) Mc 1,14. En: Mc 1,28. En: Mc 1,39. | En: Mc 7,31. | (2) Mc 14,28. | (3) Mc 16,7. | - | - | 16 | 5 | 3 | 2 | 6 | ||||||||
| en tè(i) Galilaia(i) (in Galilea) | 1 | 1 : Mc 15,41. | 16 | 10 | 6 | 2 | 1 | 1 | 2 | |||||||||||
| Mc 1,16. |
- Hebr. gälal (rollen, wentelen).
Een vorm van Galilea komt in Mc in 12 verzen voor. In 11 ervan in combinatie
met een voorzetsel, niet in Mc
6,21 (de eersten van Galilea).
Mc 14,28.8. - 10. εις την γαλιλαιαν = eis tèn galilaian (naar Galilea). NT (16). Mc (3): (1) Mc 1,14. (2) Mc 14,28. (3) Mc 16,7 en 1X in de uitdrukking: εις την ὁλην την γαλιλαιαν = eis tèn holèn tèn Galilaian (naar heel Galilea) (Mc 1,39). Verder: (1) Mc 1,28 (εις ὁλην την περιχωρον της γαλιλαιας = eis holèn tèn perichôron tès galilaias = naar de hele omgeving van Galilea). (2) Mc 7,31 (εις την θαλασσαν της γαλιλαιας = eis tèn thalassan tès Galilaias = naar het meer van Galilea).
.Mc
1,14 en Mc
1,39 zijn aan elkaar gelinkt. STAP VOOR STAP: Mc 1,14 -> Mc
14,28 -> Mc
16,7.
- Mc 1,14: ηλθεν ὁ ιησους εις την γαλιλαιαν = èlthen ho Ièsous eis tèn galilaian (ging Jezus naar Galilea).
- Mc
1,39: και ηλθεν... εις την ὁλην την γαλιλαιαν = kai èlthen eis tèn holèn tèn Galilaian
(en hij ging naar heel Galilea).
- Mc
14,28: προαξω υμας εις την γαλιλαιαν = proaksô humas eis tèn galilaian (ik zal jullie voorgaan naar Galilea).
- Mc
16,7: προαγει
υμας εις την γαλιλαιαν = proagei humas eis tèn galilaian (hij zal jullie voorgaan naar Galilea).
(1) Mc
1,14. (2) Mc
14,28. (3) Mc
16,7 omsluiten het Mcevangelie (het gaan en het voorgaan naar Galilea).
Jezus ging naar Galilea. In feite ging Jezus terug naar Galilea, want in Mc 1,9 is er de eerste keer sprake over Jezus die van Nazaret in Galilea naar Judea
ging. Hoelang Jezus in Judea is gebleven, weten we niet. Wel kennen we de
aanleiding waarom Jezus naar Galilea ging, namelijk de uitlevering van Johannes
(de Doper). Uit het vervolg van het evangelie weten we dat de gevangenneming
het signaal was om uit te wijken - voor dreigend gevaar. Wellicht moeten we
dit voortdurend voor ogen houden wanneer Jezus van de ene naar de andere plaats
ging: het gevaar dreigde. Mc
3,7 gebruikt het woord uitwijken wegens gevaar (Grieks: αναχωρεω = anachôreô), terwijl het bij Matteüs met deze betekenis veelvuldig voorkomt.
In Mc
14,28 kondigt Jezus bij zijn afscheid aan dat hij na zijn opwekking zijn
leerlingen zal voorgaan naar Galilea. Jezus haalt hierbij een schrifttekst
aan: 'Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid'. De aansporing
om naar Galilea te gaan in Mc
16,7 houdt in dat hij er de verstrooide leerlingen zal verzamelen. Dat heeft Jezus wellicht
ook gedaan wanneer hij na de gevangenneming van Johannes naar Galilea ging.
Het is opvallend dat Jezus naar Galilea ging en leerlingen riep.
| Mc 14,29 - Mc 14,29: 328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening: Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,26 - Mc 14,27 - Mc 14,28 - Mc 14,29 - Mc 14,30 - Mc 14,31 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [29] But Peter said unto him, Although all shall be offended,
yet will not I.
Luther-Bibel. 29 Petrus aber sagte zu ihm: Und wenn sie alle �rgernis nehmen,
so doch ich nicht!
Tekstuitleg van Mc 14,29.
2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.
7. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
8. nom. mann. mv. παντες = pantes (allen) van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in het NT: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in de LXX: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in Mc: pas (ieder, elk, alles).
| pas (al) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 10 | nom. mann. mv. pantes | 724 | 558 | 166 | 18 | 15 | 25 | 14 | 33 | 57 | 4 | 58 | 72 |
| pas (al) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | |
| 10 | nom. mann. mv. pantes | 15 | 2 : (1) Mc 1,5. (2) Mc 1,37. | (1) Mc 5,20. | 2 : (1) Mc 6,42. (2) Mc 6,50. | 2 : (1) Mc 7,3. (2) Mc 7,14. | (1) Mc 12,44. | 7 : (1) Mc 14,23. (2) Mc 14,27. (3) Mc 14,29. (4) Mc 14,31. (5) Mc 14,50. (6) Mc 14,53. (7) Mc 14,64. |
- Hebr. kol. kl (al). Taalgebruik in Tenakh: kl (al). Lat. omnis. Fr. tout. Ned. elk, ieder. Arabisch: kull (al). Taalgebruik in de Koran: kull (al).
9. σκανδαλισθήσονται (= skandalisthèsontai: zij zullen geschandaliseerd worden; wkw pass ind fut 3de pers mv van het wkw σκανδαλιζω = skandalizô: schandaliseren, ergeren, ten val brengen).
| Mc 14,30 - Mc 14,30: 328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening: Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,26 - Mc 14,27 - Mc 14,28 - Mc 14,29 - Mc 14,30 - Mc 14,31 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [30] And Jesus saith unto him, Verily I say unto thee, That
this day, even in this night, before the cock crow twice, thou shalt deny me
thrice.
Luther-Bibel. 30 Und Jesus sprach zu ihm: Wahrlich, ich sage dir: Heute, in
dieser Nacht, ehe der Hahn zweimal kr�ht, wirst du mich dreimal verleugnen.
Tekstuitleg van Mc 14,30.
1. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
2. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt) van het werkw. legô
(zeggen). Taalgebruik in het NT: legô
(zeggen). Taalgebruik in Mc: legô
(zeggen).
Mc 14: (1) Mc
14,13. (2) Mc
14,14. (3) Mc
14,27. (4) Mc
14,30. (5) Mc
14,32. (6) Mc
14,34. (7) Mc
14,37. (8) Mc
14,41. (9) Mc
14,45. (10) Mc
14,61. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,67.
2. - 3. legei autô(i) (hij / zij zei hem). Mc (12): (1) Mc 1,41. (2) Mc 1,44. (3) Mc 2,14. (4) Mc 5,19. (5) Mc 7,28. (6) Mc 7,34. (7) Mc 8,29. (8) Mc 10,51. (9) Mc 11,21. (10) Mc 13,1. (11) Mc 14,30. (12) Mc 14,61.
1. - 3. kai legei autô(i) (en hij zegt hem). Mc (7): (1) Mc 1,41. (2) Mc 1,44. (3) Mc 2,14. (4) Mc 7,28. (5) Mc 7,34. (6) Mc 14,30. (7) Mc 14,61. In 5 verzen is Jezus onderwerp: (1) Mc 1,41. (2) Mc 1,44. (3) Mc 2,14. (4) Mc 7,34. (5) Mc 14,30. In 2 verzen is iemand anders dan Jezus onderwerp: (1) Mc 7,28 (de Syrofenicische). (2) Mc 14,61 (de hogepriester).
5. nom. mann. enk. Ièsous. Mc 14 (7): (1) Mc 14,6. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,48. (6) Mc 14,62. (7) Mc 14,72. Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 14 (11): (1) Mc 14,6 (nom. Ièsous). (2) Mc 14,18 (nom. Ièsous). (3) Mc 14,27 (nom. Ièsous). (4) Mc 14,30 (nom. Ièsous). (5) Mc 14,48 (nom. Ièsous). (6) Mc 14,53 (acc. Ièsoun). (7) Mc 14,55 (gen Ièsou.). (8) Mc 14,60 (acc. Ièsoun). (9) Mc 14,62 (nom. Ièsous). (10) Mc 14,67 (gen. Ièsou). (11) Mc 14,72 (nom. Ièsous). Taalgebruik in het NT: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus).
9. hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti
(dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti
(dat, omdat).
Mc (92). Mc 14 (10): (1) Mc
14,14. (2) Mc
14,18. (3) Mc
14,21. (4) Mc
14,25. (5) Mc
14,27. (6) Mc
14,30. (7) Mc
14,58. (8) Mc
14,69. (9) Mc
14,71. (10) Mc
14,72.
10. pers. vnw. 2de pers. enk. nom. su (jij, gij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord. Mc (9): (1) Mc 1,11. (2) Mc 3,11. (3) Mc 8,29. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,36. (6) Mc 14,61. (7) Mc 14,67. (8) Mc 14,68. (9) Mc 15,2.
| Mc 14,31 - Mc 14,31: 328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening: Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,26 - Mc 14,27 - Mc 14,28 - Mc 14,29 - Mc 14,30 - Mc 14,31 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [31] But he spake the more vehemently, If I should die with
thee, I will not deny thee in any wise. Likewise also said they all.
Luther-Bibel. 31 Er aber redete noch weiter: Auch wenn ich mit dir sterben
m�sste, werde ich dich nicht verleugnen! Das Gleiche sagten sie alle.
Tekstuitleg van Mc 14,31.
2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.
16. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
17. nom. mann. mv. παντες = pantes (allen) van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in het NT: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in de LXX: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in Mc: pas (ieder, elk, alles).
| pas (al) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 10 | nom. mann. mv. pantes | 724 | 558 | 166 | 18 | 15 | 25 | 14 | 33 | 57 | 4 | 58 | 72 |
| pas (al) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | |
| 10 | nom. mann. mv. pantes | 15 | 2 : (1) Mc 1,5. (2) Mc 1,37. | (1) Mc 5,20. | 2 : (1) Mc 6,42. (2) Mc 6,50. | 2 : (1) Mc 7,3. (2) Mc 7,14. | (1) Mc 12,44. | 7 : (1) Mc 14,23. (2) Mc 14,27. (3) Mc 14,29. (4) Mc 14,31. (5) Mc 14,50. (6) Mc 14,53. (7) Mc 14,64. |
- Hebr. kol. kl (al). Taalgebruik in Tenakh: kl (al). Lat. omnis. Fr. tout. Ned. elk, ieder. Arabisch: kull (al). Taalgebruik in de Koran: kull (al).
329. Jezus in Getsemane: Mc 14,32-42 - Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 -
De perikope bestaat uit 11 verzen. In deze perikope komt 20X het nevenschikkend voegwoord kai (en) voor. 2X verbindt kai (en) zinsdelen (Mc 14,33: lijdend voorwerp); in de andere gevallen leidt kai (en) een nevenschikkende zin in. Dat is 18X het geval. Van de 11 verzen beginnen 9 verzen met kai (en). We staan dus duidelijk voor een kai-(en)tekst.
| Mc 14,32 - Mc 14,32 -- Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [32] And they came to a place which was named Gethsemane:
and he saith to his disciples, Sit ye here, while I shall pray.
Luther-Bibel. 32 Und sie kamen zu einem Garten mit Namen Gethsemane. Und er
sprach zu seinen J�ngern: Setzt euch hierher, bis ich gebetet habe.
Tekstuitleg van Mc 14,32. Het vers Mc 14,32 telt 17 woorden en 88 (2³ X 11) letters. De getalwaarde van Mc 14,32 is 10937 (priemgetal).
| Mc 14,32 | |||||||||
| 14:32 kai erchontai eis chôrion ou to onoma gethsèmani kai legei tois mathètais autou kathisate ôde eôs proseuxômai |
Mc 14,32.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et.
Mc
14,32.2. ind. praes. 3de pers. mv. ερχονται = erchontai (zij gaan) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in het NT: erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in de LXX: erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in Mc: erchomai (gaan, komen). Bijbel (65). OT (47). NT (18). Mt (2): (1) Mt 7,15. (2) Mt 25,11. Mc (12): (1) Mc 2,3. (2) Mc 2,18. (3) Mc 5,15. (4) Mc 5,35. (5) Mc 5,38. (6) Mc 8,22. (7) Mc 10,46. (8) Mc 11,15. (9) Mc 11,27. (10) Mc 12,18. (11) Mc 14,32. (12) Mc 16,2. Lc (1) Lc 23,29. Joh (1): Joh 3,26 . Br. (2): (1) 1 Kor 15,35. (2) Heb 8,8.
- In 4 gevallen van Mc gaan mensen naar Jezus toe: (1) Mc 2,3. (2) Mc 2,18. (3) Mc 5,15. (4) Mc 12,18.
| erchomai (gaan, komen) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| ind. pr. 3de p. mv. erchontai | 65 | 47 | 18 | 2 | 12 | 1 | 1 | 2 | 15 | 16 | ||
| ind. pr. 3de p. enk. erchetai | 130 | 42 | 88 | 13 | 16 | 11 | 37 | 1 | 7 | 3 | 40 | 77 |
- ind. praes. 3de pers. enk. ερχεται = erchetai (hij gaat) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in het NT: erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in de LXX: erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in Mc: erchomai (gaan, komen). Mc (16): (1) Mc 1,7. (2) Mc 1,40. (3) Mc 3,20. (4) Mc 3,31. (5) Mc 4,15. (6) Mc 4,21. (7) Mc 5,22. (8) Mc 6,1. (9) Mc 6,48. (10) Mc 10,1. (11) Mc 13,35. (12) Mc 14,17. (13) Mc 14,37. (14) Mc 14,41. (15) Mc 14,66. (16 ) Mc 15,36. Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan, komen) in de LXX (1054), in het NT (631), Mt (111), Mc (86), Lc (100), Joh (156), Hnd (54), in Mc 1 (8): (1) Mc 1,7. (2) Mc 1,9. (3) Mc 1,14. (4) Mc 1,24. (5) Mc 1,29. (6) Mc 1,39. (7) Mc 1,40. (8) Mc 1,45.
In Mc 1,40 komt een zieke naar Jezus. In Mc 5,22 gaat een synagoge-overste om genezing vragen voor zijn dienaar.
| erchomai (gaan, komen) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| ind. pr. 3de p. enk. erchetai | 130 | 42 | 88 | 13 | 16 | 11 | 37 | 1 | 7 | 3 | 40 | 77 |
- Hebreeuws: בָּא = bâ´ (gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´ (gaan, komen). Getalswaarde: beth = 2, aleph = 1; totaal: 3. Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader).
- Ned: gaan. D: gehen. E: go. Grieks: ερχομαι = erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in het NT: erchomai (gaan, komen). Hebreeuws: בָּא = bâ´ (gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´ (gaan, komen). Lat: ire. vadere (Fr. je vais, il va). ambulare (Fr. nous allons, vous allez).
Mc
14,32.1. - 2. και ερχεται = kai erchetai (en hij gaat, en hij komt). LXX (10): (1) 1 S 10,10. (2) 1 S 10,13. (3) 1 S 19,22. (4) 1 S 20,1. (5) 1 S 20,24. (6) 1 S 21,2. (7) 1 S 22,1. (8) 1 K 11,43. (9) 1 K 19,3. (10) 1 K 21,43. NT (11). Mt (2): (1) Mt 8,9. (2) Mt 26,40. Mc (6): (1) Mc 1,40. (2) Mc 3,20. (3) Mc 3,31. (4) Mc 5,22. (5) Mc 14,37. (6) Mc 14,41. Lc (2): (1) Lc 7,8. (2) Lc 14,27. Joh (2): (1) Joh 11,29. (2) Joh 20,2. In Mc bij het begin van het vers (6): (1) Mc 1,40. (2) Mc 3,20. (3) Mc 3,31. (4) Mc 5,22. (5) Mc 14,37. (6) Mc 14,41. In het midden van de zin: Mc 6,1.
- και ερχονται = kai erchontai (en zij gaan). LXX (7): (1) 1 S 7,1. (2) 1 S 11,4. (3) 1 S 19,16. (4) 1 S 26,1. (5) 1 S 31,7. (6) 1 K 13,11. NT (9) = Mc (9): (1) Mc 2,3. (2) Mc 2,18. (3) Mc 3,20 / Mc 3,19 (variante ερχονται = erchontai = zij gaan). (4) Mc 5,15. (5) Mc 5,38. (6) Mc 8,22. (7) Mc 10,46. (8) Mc 11,15. (8) Mc 11,27. (9) Mc 12,18. (10) Mc 14,32.
- Hebreeuws: prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיָּבּוֹא = wajjâbô´ (en hij ging) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´ (gaan, komen). Getalwaarde: beth = 2, aleph = 1; totaal: 3. Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader). Tenakh (21): (1) 1 S 4,13. (2) 1 K 3,15. (3) 1 K 7,14. (4) 1 K 13,11. (5) 1 K 22,15. (6) 1 K 22,30. (7) 1 K 22,37. (8) 2 K 9,30. (9) Js 38,1. (10) Ez 14,1. (11) Ez 23,44. (12) Ez 36,20. (13) Ez 40,6. (14) Hos 6,3. (15) Ps 24,7. (16) Job 1,6. (17) Job 2,1. (18) Est 4,2. (19) Est 4,9. (20) Est 5,10. (21) Est 6,6.
- וַּיָּבִא = wajjâbe´ (en hij ging) < prefix voegwoord consec. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk.. Tenakh (289).
- Hebreeuws: prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבֹאוּ = wajjâbo´û (en zij gingen) OF prefix verbindingswoord wë + act. hifil imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבִאוּ = wajjâbhi´û (en zij lieten komen, zij brachten) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´ (gaan, komen). Getalwaarde: beth = 2, aleph = 1; totaal: 3. Structuur: 2 - 1. Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader). Tenakh (195). Pentateuch (47). Eerdere Profeten (99) Latere Profeten (14). 12 Kleine Profeten (2). Geschriften (33).
indicatief tegenwoordige tijd 3de persoon meervoud erchontai (zij gaan) van het werkwoord erchomai (gaan, komen). In 12 verzen bij Marcus, zie Mc 11,1. In 6 verzen: Jezus en zijn leerlingen + voorzetsel eis (naar) + plaatsbepaling: (1) Mc 5,38 (2) Mc 8,22 (3) Mc 10,46 (4) Mc 11,15 (5) Mc 11,27 (6) Mc 14,32. Zie eveneens Mc 1,21.
4. chôrion (gebied, plek), zie Mc 14,32. In 6 verzen in de bijbel; in 1 vers in het O.T., in 5 verzen in het NT In 1 vers bij Matteüs, in 1 vers bij Marcus en in 4 verzen in Hand.
6. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.
7. onoma (naam). In 676 verzen in de bijbel; in 578 verzen in het O.T., in 98 verzen in het NT
Mc 14,32.9. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et.
Mc 14,32.10. act. ind. praes. 3de pers. enk. λεγει = legei (hij zegt) van het werkw. λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in de Septuaginta: legô (zeggen). Mc 14: (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67. Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610), in het NT (1318); van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608), in het NT (925).
| legô: act. ind. praes. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | act. ind. pr. 3de pers. enk. legei | 62 | 3 | 6 | 5 | 2 | 6 | 3 | 3 | 5 | 3 | 5 | 4 | 2 | 1 | 12 | 1 | 1 | 1027 | 702 | 325 | 54 | 62 | 14 | 112 | 11 | 46 | 26 | 130 | 242 |
| Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | |
| 3 | 3 : (1) Mc 1,38. (2) Mc 1,41. (3) Mc 1,44. | 6 : (1) Mc 2,5. (2) Mc 2,8. (3) Mc 2,10. (4) Mc 2,14. (5) Mc 2,17. (6) Mc 2,25. | 5 : (1) Mc 3,3. (2) Mc 3,4. (3) Mc 3,5. (4) Mc 3,33. (5) Mc 3,34. | 2 : (1) Mc 4,13. (2) Mc 4,35. | 6 : (1) Mc 5,7. (2) Mc 5,9. (3) Mc 5,19. (4) Mc 5,36. (5) Mc 5,39. (6) Mc 5,41. | 3 : (1) Mc 6,31. (2) Mc 6,38. (3) Mc 6,50. | 3 : (1) Mc 7,18. (2) Mc 7,28. (3) Mc 7,34. | 5 : (1) Mc 8,1. (2) Mc 8,12. (3) Mc 8,17. (4) Mc 8,29. (5) Mc 8,33. | 3 : (1) Mc 9,5. (2) Mc 9,19. (3) Mc 9,35. | 5 : (1) Mc 10,11. (2) Mc 10,23. (3) Mc 10,24. (4) Mc 10,27. (5) Mc 10,42. | 4 : (1) Mc 11,2. (2) Mc 11,21. (3) Mc 11,22. (4) Mc 11,33. | 2 : (1) Mc 12,16. (2) Mc 12,37. | 1: Mc 13,1. | 12 : (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67. | 1 : Mc 15,2. | 1: Mc 16,6. |
- Ned: zeggen. Arabisch: قَالَ = qâla (zeggen). Taalgebruik in de Qoran: qâla (zeggen). Aramees: קְרָא = qërâ´ (roepen). D: sagen (zeggen). E: to say. Fr: dire. Grieks: λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô (zeggen). Hebreeuws: אָמַר = ´âmar (zeggen). Taalgebruik in Tenakh: ´âmar (zeggen). Lat: legere. l (قَالَ = qâla) en r (קְרָא = qâra) liggen dicht bij elkaar. Orgaan van roepen is de stem; zie Hebreeuws:קוֹל = qôl (stem, roep). Taalgebruik in Tenakh: qôl (stem). Lat: dicere. Fr: dire. Italiaans: dire. Spaans: decir.
- In het werkw. אָמַר = ´âmar (zeggen) zit het woord אְמ = ´em (moeder); om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph, de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan.
Mc
14,32.9. - 10. και λεγει = kai legei (en hij zegt). OT (11). NT (37). Mc (11): (1) Mc 1,38. (2) Mc 2,14. (3) Mc 3,3. (4) Mc 4,13. (5) Mc 6,50. (6) Mc 7,18. (7) Mc 9,35. (8) Mc 10,11. (9) Mc 11,2. (10) Mc 12,16. (11) Mc 14,13.
- וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordsvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. `-m-r. (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt). (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg).Taalgebruik in Tenakh: ´âmar (zeggen). Getalswaarde: aleph = 1, mem = 13 of 40, resj = 20 of 200; totaal: 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal). Structuur: 1 - 4 - 2. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (1879). Pentateuch (594). Eerdere Profeten (868). Latere Profeten (120). 12 Kleine Profeten (56). Geschriften (241). Gn (315). Gn 1-11 (49). Gn 12 (4): (1) Gn 12,1. (2) Gn 12,7. (3) Gn 12,11. (4) Gn 12,18. In Gn 12,1 is het de 50ste keer. De stam `-m-r in Tenakh (5422).
| Tenakh | Pentateuch | Eerdere Profeten | Latere Profeten | 12 Kleine Profeten | Geschriften | Gn | Ex | Lv | Nu | Dt | Gn 12 | ||
| 1879 | 594 | 868 | 120 | 56 | 241 | 315 | 150 | 10 | 95 | 24 | 4 |
- Lettinga 12, 2012, 53c2: Het werkw. begint met een aleph. Het is een gutturaal, maar de zwakste van de gutturalen. Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal werkw. een bijzondere behandeling voor de qal imperf.. Dit is het geval voor ons werkw.. In het imperf. gaat een medeklinker vooraf aan de aleph. De aleph quiesceert: ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b). In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o: jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c). De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b). In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a: jomur -> jomar (i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012, 15g). In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è, vandaar wajjo´mèr. (Zie ook Jouön, 73).
14. act. imperat. aor. 2de pers. mv. καθισατε = kathisate (zit neer) van het werkw. καθιζω = kathizô (zitten). Taalgebruik in het NT: kathizô (zitten). Taalgebruik in de LXX: kathizô (zitten). Taalgebruik in Mc: kathizô (zitten). Bijbel (12): (1) Gn 22,5. (2) 2 S 10,5. (3) 1 K 21,9. (4) 2 K 25,24. (5) Jr 13,18. (6) Job 6,29. (7) Rt 4,2. (8) 1 Kr 19,5. (9) Bar 2,21. (10) Mt 26,36. (11) Mc 14,32. (12) Lc 24,49. Een vorm van καθιζω = kathizô in de LXX (255), in het NT (45).
| kathizô (zitten) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | ||
| act. imperat. aor. 2de pers. mv. kathisate | 12 | 9 | 3 | 1 | 1 | 1 | 3 | 3 |
- Hebreeuws.
14. - 16. Mc
14,32: καθισατε ὡδε ἑως = kathisate hôde heôs (zit neer hier totdat). In 2 K 7,3 komt de Griekse constructie ὡδε ἑως = hôde heôs (hier totdat) met een vorm van het werkw. καθιζω = kathizô
(zitten). "Waarom zouden wij zittende zijn hier totdat wij sterven?"
- Gn 22,5. MT = sjëbhû lâkhèm poh... `ad koh (zit bij elkaar hier... tot daar). LXX: καθισατε αυτου... ἑως ὡδε (zit hier... tot daar).
- Mt
26,36: καθισατε αυτου ἑως oὗ (zit hier totdat).
- Matteüs sluit het sterkst aan bij de LXX, Mc bij de MT.
| Mc 14,33 - Mc 14,33 -- Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [33] And he taketh with him Peter and James and John, and
began to be sore amazed, and to be very heavy;
Luther-Bibel. 33 Und er nahm mit sich Petrus und Jakobus und Johannes und fing
an zu zittern und zu zagen
Tekstuitleg van Mc 14,33.
Mc 14,33.1.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
Mc 14,33.2.
act. ind. praes. 3de pers. enk. paralambanei (hij neemt naast zich) van
het werkw. paralambanô (overnemen). Taalgebruik in het NT: paralambanô
(overnemen). Taalgebruik in Mc: paralambanô
(overnemen). Lat. accipere ( ad- capere = aan-nemen, aanvaarden ). Fr.
accepter, reçevoir.
Mc (3): (1) Mc
5,40. (2) Mc
9,2. (3) Mc
14,33.
Mc 14,33.3. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.
Mc 14,33.5.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
Mc 14,33.6. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.
Mc 14,33.7.
acc. mann. enk. iakôbon (Jakobus) van het zelfst. naamw. iakôbos
(Jakobus). Taalgebruik in het NT: iakôbos
(Jakobus). Taalgebruik in Mc: iakôbos
(Jakobus). Mc (6): (1) Mc
1,19. (2) Mc
3,17. (3) Mc
3,18. (4) Mc
5,37. (5) Mc
9,2. (6) Mc
14,33. 15 X in Mc. Er zijn twee Jakobussen:
- Jakobus, zoon van Zebedeüs.
- Jakobus, zoon van Alfeüs.
Mc 14,33.8.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
Mc 14,33.9. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.
Mc 14,33.10.
acc. mann. enk. Iôannèn (Johannes) van de eigennaam Iôannès
(Johannes). Taalgebruik in het NT: Iôannès
(Johannes). Taalgebruik in Mc: Iôannès
(Johannes). Hebr. jôchanan. Ned. Johan. D. Johannes. Fr. Jean. E. John.
Mc (5): (1) Mc
1,19. (2) Mc
3,17. (3) Mc
5,37. (4) Mc
9,2. (5) Mc
14,33.
Mc 14,33.13.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
Mc 14,33.16.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
| Mc 14,34 - Mc 14,34 -- Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [34] And saith unto them, My soul is exceeding sorrowful
unto death: tarry ye here, and watch.
Luther-Bibel. 34 und sprach zu ihnen: Meine Seele ist betr�bt bis an den Tod;
bleibt hier und wachet!
Tekstuitleg van Mc 14,34.
Mc 14,34.1.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
Mc 14,34.2. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc 14: (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67.
Mc 14,34.10. gen. mann. enk. thanatou (van de dood) van het zelfst. naamw. thanatos (dood). Taalgebruik in het NT: thanatos (dood). Taalgebruik in Mc: thanatos (dood). Mc (3): (1) Mc 9,1. (2) Mc 14,34. (3) Mc 14,64. Een vorm van thanatos (dood) in Mc in 6 verzen: (1) Mc 7,10. (2) Mc 9,1. (3) Mc 10,33. (4) Mc 13,12. (5) Mc 14,34. (6) Mc 14,64.
Mc 14,34.13.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
Mc 14,34.14. act. imp. 2de p. mv. grègoreite (waakt) van het werkw. grègoreô (waken). Taalgebruik in het NT: grègoreô (waken). Taalgebruik in Mc: grègoreô (waken). Mc (4): (1) Mc 13,35. (2) Mc 13,37. (3) Mc 14,34. (4) Mc 14,38. Een vorm van grègoreô (waken) in Mc in 6 verzen: (1) Mc 13,34. (2) Mc 13,35. (3) Mc 13,37. (4) Mc 14,34. (5) Mc 14,37. (6) Mc 14,38.
Als Jezus van plan was om een machtsgreep te doen, dan moet hij dat toch met zijn leerlingen besproken hebben. Ze moeten toch met elkaar overlegd hebben wanneer en hoe het zou gebeuren. Ze moeten dan toch op het sein van Jezus gewacht hebben om de aanval uit te voeren of om een aanval af te slaan. Ze moeten toch geweten hebben dat ze tijdens die nacht de bevrijding uit Egypte hadden gevierd.
| Mc 14,35 - Mc 14,35 -- Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [35] And he went forward a little, and fell on the ground,
and prayed that, if it were possible, the hour might pass from him.
Luther-Bibel. 35 Und er ging ein wenig weiter, warf sich auf die Erde und betete,
dass, wenn es m�glich w�re, die Stunde an ihm vor�berginge,
Tekstuitleg van Mc 14,35.
1. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
6. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (65). Mc 14 (6): (1) Mc
14,3. (2) Mc
14,24. (3) Mc
14,25. (4) Mc
14,35. (5) Mc
14,62. (6) Mc
14,64.
8. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
18. nom. + dat. vr. enk. hôra(i) (uur) van het zelfst. naamw. hôra
(uur). Taalgebruik in het NT: hôra
(uur). Taalgebruik in Mc: hôra
(uur).
Mc (6): (1) Mc
6,35. (2) Mc
13,11. (3) Mc
14,35. (4) Mc
14,41. (5) Mc
15,25. (6) Mc
15,34.
gen. vr. enk. hôras. Mc (4): (1) Mc
6,35. (2) Mc
11,11. (3) Mc
13,32. (4) Mc
15,33.
| Mc 14,36 - Mc 14,36 -- Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [36] And he said, Abba, Father, all things are possible
unto thee; take away this cup from me: nevertheless not what I will, but what
thou wilt.
Luther-Bibel. 36 und sprach: Abba, mein Vater, alles ist dir m�glich; nimm
diesen Kelch von mir; doch nicht, was ich will, sondern was du willst!
Tekstuitleg van Mc 14,36.
1. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
10. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.
11. nom. + acc. onz. enk. potèrion (beker). Taalgebruik in het NT: potèrion
(beker). Taalgebruik in Mc: potèrion
(beker).
(1) Mc
9,41. (2) Mc
10,38. (3) Mc
10,39. (4) Mc
14,23. (5) Mc
14,36.
22. pers. vnw. 2de pers. enk. nom. su (jij, gij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord. Mc (9): (1) Mc 1,11. (2) Mc 3,11. (3) Mc 8,29. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,36. (6) Mc 14,61. (7) Mc 14,67. (8) Mc 14,68. (9) Mc 15,2.
| Mc 14,37 - Mc 14,37 -- Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [37] And he cometh, and findeth them sleeping, and saith
unto Peter, Simon, sleepest thou? couldest not thou watch one hour?
Luther-Bibel. 37 Und er kam und fand sie schlafend und sprach zu Petrus: Simon,
schl�fst du? Vermochtest du nicht, "eine" Stunde zu wachen?
Tekstuitleg van Mc 14,37.
| Mc 14,37 | ||||
| 14:37 kai erchetai kai euriskei autous katheudontas kai legei tô petrô simôn katheudeis ouk ischusas mian ôran grègorèsai |
Mc 14,37.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
| kai (en) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
| kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 |
| kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 |
| verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 |
- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et.
Mc 14,37.2. ind. praes. 3de pers. enk. ερχεται = erchetai (hij gaat) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan,
komen). Taalgebruik in het NT: erchomai
(gaan, komen). Taalgebruik in de LXX: erchomai
(gaan, komen). Taalgebruik in Mc: erchomai
(gaan, komen).
Mc (16): (1) Mc
1,7. (2) Mc
1,40. (3) Mc
3,20. (4) Mc
3,31. (5) Mc
4,15. (6) Mc
4,21. (7) Mc
5,22. (8) Mc
6,1. (9) Mc
6,48. (10) Mc
10,1. (11) Mc
13,35. (12) Mc
14,17. (13) Mc
14,37. (14) Mc
14,41. (15) Mc
14,66. (16 ) Mc
15,36. Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan, komen) in de LXX (1054), in het NT (631), Mt (111), Mc (86), Lc (100), Joh (156), Hnd (54), in Mc 1 (8): (1) Mc
1,7. (2) Mc
1,9. (3) Mc
1,14. (4) Mc
1,24. (5) Mc
1,29. (6) Mc
1,39. (7) Mc
1,40. (8) Mc
1,45.
In Mc
1,40 komt een zieke naar Jezus. In Mc
5,22 gaat een synagoge-overste om genezing vragen voor zijn dienaar.
| erchomai (gaan, komen) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| ind. pr. 3de p. enk. erchetai | 130 | 42 | 88 | 13 | 16 | 11 | 37 | 1 | 7 | 3 | 40 | 77 |
- Hebreeuws: בָּא = bâ´
(gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´
(gaan, komen). Getalwaarde: beth = 2, aleph = 1; totaal: 3. Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader).
Ned: gaan. D: gehen. E: go. Grieks: ερχομαι = erchomai (gaan,
komen). Taalgebruik in het NT: erchomai
(gaan, komen). Hebreeuws: בָּא = bâ´
(gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´
(gaan, komen). Lat: ire. vadere (Fr. je vais, il va). ambulare (Fr. nous allons, vous allez).
Mc 14,37.1. - 2. και ερχεται = kai erchetai (en hij gaat, en hij komt). NT (11). Mt (2): (1) Mt
8,9. (2) Mt
26,40. Mc (6): (1) Mc
1,40. (2) Mc
3,20. (3) Mc
3,31. (4) Mc
5,22. (5) Mc
14,37. (6) Mc
14,41. Lc (2): (1) Lc 7,8. (2) Lc
14,27. Joh (2): (1) Joh
11,29. (2) Joh
20,2.
- Hebreeuws: prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf.
3de pers. mann. enk. וַיָּבּוֹא = wajjâbô´ (en hij ging) van het werkw. בָּא = bâ´
(gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´
(gaan, komen). Getalwaarde: beth = 2, aleph = 1; totaal: 3. Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader). Tenakh (21): (1) 1 S 4,13. (2) 1 K 3,15. (3) 1 K 7,14. (4) 1 K 13,11. (5) 1 K 22,15. (6) 1 K 22,30. (7) 1 K 22,37. (8) 2 K 9,30. (9) Js 38,1. (10) Ez 14,1. (11) Ez 23,44. (12) Ez 36,20. (13) Ez
40,6. (14) Hos 6,3. (15) Ps 24,7. (16) Job 1,6. (17) Job 2,1. (18) Est 4,2. (19) Est 4,9. (20) Est 5,10. (21) Est 6,6.
Mc 14,37.3. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
| kai (en) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
| kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 |
| kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 |
| verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 |
- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et.
Mc 14,37.1. - 3. και ερχεται και = kai erchetai kai (en hij gaat en, en hij komt en ). Bijbel = NT (3): (1) Mt 8,9. (2) Mc 14,37. (3) Lc 7,8.
6. act. part. praes. acc. mann. mv. καθευδοντας = katheudontas (slapend) van het werkw. καθευδω = katheudô (slapen). Taalgebruik in het NT: katheudô (slapen). Taalgebruik in de LXX: katheudô (slapen). Taalgebruik in Mc: katheudô . Bijbel (6): (1) Tob 8,13. (2) Mt 26,40. (3) Mt 26,43. (4) Mc 13,36. (5) Mc 14,37. (6) Mc 14,40. Een vorm van καθευδω = katheudô (slapen) in de LXX (38), in het NT (22), in Mc (8).
Mc 14,37.7. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
| kai (en) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
| kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 |
| kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 |
| verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 |
- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et.
Mc 14,37.8.
actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt). Taalgebruik in het NT: legô
(zeggen). Taalgebruik in Mc: legô
(zeggen).
Mc (62). Mc 14: (1) Mc
14,13. (2) Mc
14,14. (3) Mc
14,27. (4) Mc
14,30. (5) Mc
14,32. (6) Mc
14,34. (7) Mc
14,37. (8) Mc
14,41. (9) Mc
14,45. (10) Mc
14,61. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,67. Een vorm van legô (zeggen) in Mc 14 in 30 verzen, van eipon
(ik zei) in 12 verzen.
Mc 14,37.8. - 9. legei tô(i) (hij zegt aan de). Mc (7): (1) Mc 2,5. (2) Mc 2,10. (3) Mc 3,3. (4) Mc 3,5. (5) Mc 5,36. (6) Mc 9,5. (7) Mc 14,37.
Mc 14,37.7. - 9. kai legei tô(i) (en hij zegt aan de). Mc (2): (1) Mc 3,3. (2) Mc 14,37.
Mc 14,37.17. act. inf. aor. grègorèsai (te waken) van het werkw. grègoreô (waken). Taalgebruik in het NT: grègoreô (waken). Taalgebruik in Mc: grègoreô (waken). Mc (1): Mc 14,37. Een vorm van grègoreô (waken) in Mc in 6 verzen: (1) Mc 13,34. (2) Mc 13,35. (3) Mc 13,37. (4) Mc 14,34. (5) Mc 14,37. (6) Mc 14,38.
| Mc 14,38 - Mc 14,38 -- Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [38] Watch ye and pray, lest ye enter into temptation. The
spirit truly is ready, but the flesh is weak.
Luther-Bibel. 38 Wachet und betet, dass ihr nicht in Versuchung fallt! Der
Geist ist willig; aber das Fleisch ist schwach.
Tekstuitleg van Mc 14,38. Waarin kan de beproeving anders bestaan dan in het terugkomen op het genomen besluit.
1. act. imp. 2de p. mv. grègoreite (waakt) van het werkw. grègoreô (waken). Taalgebruik in het NT: grègoreô (waken). Taalgebruik in Mc: grègoreô (waken). Mc (4): (1) Mc 13,35. (2) Mc 13,37. (3) Mc 14,34. (4) Mc 14,38. Een vorm van grègoreô (waken) in Mc in 6 verzen: (1) Mc 13,34. (2) Mc 13,35. (3) Mc 13,37. (4) Mc 14,34. (5) Mc 14,37. (6) Mc 14,38.
2. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
9. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.
11. nom.+ acc. onz. enk. pneuma (geest). Taalgebruik in het NT: pneuma
(geest). Taalgebruik in Mc: pneuma
(geest). Lat. spiritus. Fr. esprit. Ned. geest.
Mc (12): (1) Mc
1,10. (2) Mc
1,12. (3) Mc
1,26. (4) Mc
3,29. (5) Mc
3,30. (6) Mc
5,8. (7) Mc
7,25. (8) Mc
9,17. (9) Mc
9,20. (10) Mc
9,25. (11) Mc
13,11. (12) Mc
14,38.
14. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.
| Mc 14,39 - Mc 14,39 -- Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [39] And again he went away, and prayed, and spake the same
words.
Luther-Bibel. 39 Und er ging wieder hin und betete und sprach dieselben Worte
Tekstuitleg van Mc 14,39.
1. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
5. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.
6. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,10. (3) Mc
14,11. (4) Mc
14,39. (5) Mc
14,44. (6) Mc
14,45. (7) Mc
14,46. (8) Mc
14,50. (9) Mc
14,51. (10) Mc
14,55. (11) Mc
14,61. (12) Mc
14,64. (13) Mc
14,65. (14) Mc
14,69.
| Mc 14,40 - Mc 14,40 -- Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [40] And when he returned, he found them asleep again, (for
their eyes were heavy,) neither wist they what to answer him.
Luther-Bibel. 40 und kam zur�ck und fand sie abermals schlafend; denn ihre
Augen waren voller Schlaf, und sie wussten nicht, was sie ihm antworten sollten.
Tekstuitleg van Mc 14,40.
Mc 14,40.1.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
Mc 14,40.7.
imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn). Taalgebruik
in het NT: eimi
(zijn). Taalgebruik in Mc: eimi
(zijn). Hebr. hâjâh. Lat. esse. Fr. être. Ned. zijn. E. to be.
Mc (16): (1) Mc
1,16. (2) Mc
2,6. (3) Mc
2,15. (4) Mc
2,18. (5) Mc
4,1. (6) Mc
6,31. (7) Mc
6,34. (8) Mc
6,44. (9) Mc
8,9. (10) Mc
9,4. (11): Mc
10,32. (12) Mc
12,20. (13) (1) Mc
14,4. (14) Mc
14,40. (15) Mc
14,56. (16) Mc
15,40. Omschrijvende structuur: èsan... + deelwoord. Mc (7):
(1) Mc
2,6. (2) Mc
2,18. (3) Mc
9,4. (4) Mc
10,32. (5) Mc
14,4. (6) Mc
14,40. (7) Mc
15,40. In Mc
10,32: èsan... anabainontes (zij waren opklimmende).
Mc 14,40.8. γάρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden), Taalgebruik in het NT: gar
(want). Taalgebruik in Mc: gar
(want).
Mc (63). Mc 14 (6): (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,5. (3) Mc
14,7. (4) Mc
14,40. (5) Mc
14,56. (6) Mc
14,70.
Mc 14,40.7. - 8. èsan gar (want zij waren). Mc (4 / 16): (1) Mc 1,16. (2) Mc 2,15. (3) Mc 6,31. (4) Mc 14,40.
Mc 14,40.13.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
| Mc 14,41 - Mc 14,41 -- Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [41] And he cometh the third time, and saith unto them,
Sleep on now, and take your rest: it is enough, the hour is come; behold, the
Son of man is betrayed into the hands of sinners.
Luther-Bibel. 41 Und er kam zum dritten Mal und sprach zu ihnen: Ach, wollt
ihr weiter schlafen und ruhen? Es ist genug; die Stunde ist gekommen. Siehe,
der Menschensohn wird �berantwortet in die H�nde der S�nder.
Tekstuitleg van Mc 14,41. Vervulling van de tweede lijdensaankondiging.
Mc 14,41.1.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
Mc 14,41.3. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.
Mc 14,41.5.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
Mc 14,41.6. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc 14: (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67.
Mc 14,41.11.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
Mc 14,41.16.
nom. + dat. vr. enk. hôra(i) (uur) van het zelfst. naamw. hôra (uur). Taalgebruik in het NT: hôra
(uur). Taalgebruik in Mc: hôra
(uur).
Mc (6): (1) Mc
6,35. (2) Mc
13,11. (3) Mc
14,35. (4) Mc
14,41. (5) Mc
15,25. (6) Mc
15,34.
gen. vr. enk. hôras. Mc (4): (1) Mc
6,35. (2) Mc
11,11. (3) Mc
13,32. (4) Mc
15,33.
Mc 14,41.17.
idou (zie). Taalgebruik in het NT: idou
(zie). Taalgebruik in Mc: idou
(zie). In de 7 verzen waarin Marcus idou (zie) gebruikt, wordt het in geen
enkel vers voorafgegaan door kai (en). Kai eindigt op i en idou begint op i;
zo zou men vlug kaidou kunnen krijgen.
Mc (7): (1) Mc
1,2. (2) Mc
3,32. (3) Mc
4,3. (4) Mc
10,28. (5) Mc
10,33. (6) Mc
14,41. (7) Mc
14,42. Telkens in een citaat bij het begin ervan (5): (1) Mc
1,2. (2) Mc
3,32. (3) Mc
4,3. (4) Mc
10,28. (5) Mc
10,33 of in het midden ervan: (1) Mc
14,41. (2) Mc
14,42.
Mc 14,41.18. pass. ind. praes. 3de pers. enk. paradidotai (hij wordt overgeleverd) van het werkw. paradidômi (overleveren) . Taalgebruik in het NT: paradidômi (overleveren). Taalgebruik in Mc: paradidômi (overleveren). Lat. tradere (trans -dare). Fr. trahir. Ned. overleveren, overgeven. Hebr. mâsar. Bij (Gr. para) langs, naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is. Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over: tegenover, aan de andere zijde. Zo kan para-didômi betekenen: geven aan de tegenovergestelde, de andere, de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen. Mc (3): (1) Mc 9,31. (2) Mc 14,21. (3) Mc 14,41.
Mc 14,41.22.
Mc 14,41.25.
acc.vr. mv. cheiras (handen) van het zelfst. naamw. cheir (hand). Taalgebruik
in het NT: cheir
(hand). Taalgebruik in Mc: cheir
(hand).
Mc 5 (11): (1) Mc
5,23. (2) Mc
6,5. (3) Mc
7,3. (4) Mc
8,23. (5) Mc
8,25. (6) Mc
9,31. (7) Mc
9,43. (8) Mc
10,16. (9) Mc
14,41. (10) Mc
14,46. (11) Mc
16,18.
26. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in
het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc
14,10. (2) Mc
14,12. (3) Mc
14,13. (4) Mc
14,14. (5) Mc
14,17. (6) Mc
14,20. (7) Mc
14,26. (8) Mc
14,41. (9) Mc
14,43. (10) Mc
14,47. (11) Mc
14,54. (12) Mc
14,62. (13) Mc
14,66.
Mc 14,41.27. gen. mann. mv. ἁμαρτωλων = hamartôlôn (zondaars) van het zelfst. naamw. ἁμαρτωλος = hamartôlos (zondaar). Taalgebruik in het NT: hamartôlos (zondaar). Taalgebruik in de LXX: hamartôlos (zondaar). Taalgebruik in Mc: hamartôlos (zondaar). Bijbel (48). OT (36). NT (12):. Mc (2): (1) Mc 2,16. (2) Mc 14,41. Een vorm van ἁμαρτωλος = hamartôlos in de LXX (178), in het NT (47).
| Mc 14,42 - Mc 14,42 // Mt 26,46 - - Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 - Mc 14,32 - Mc 14,33 - Mc 14,34 - Mc 14,35 - Mc 14,36 - Mc 14,37 - Mc 14,38 - Mc 14,39 - Mc 14,40 - Mc 14,41 - Mc 14,42 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [42] Rise up, let us go; lo, he that betrayeth me is at
hand.
Luther-Bibel. 42 Steht auf, lasst uns gehen! Siehe, der mich verr�t, ist nahe.
Tekstuitleg van Mc 14,42.
Mc 14,42.3.
idou (zie). Taalgebruik in het NT: idou
(zie). Taalgebruik in Mc: idou
(zie). In de 7 verzen waarin Marcus idou (zie) gebruikt, wordt het in geen
enkel vers voorafgegaan door kai (en). Kai eindigt op i en idou begint op i;
zo zou men vlug kaidou kunnen krijgen.
Mc (7): (1) Mc
1,2. (2) Mc
3,32. (3) Mc
4,3. (4) Mc
10,28. (5) Mc
10,33. (6) Mc
14,41. (7) Mc
14,42. Telkens in een citaat bij het begin ervan (5): (1) Mc
1,2. (2) Mc
3,32. (3) Mc
4,3. (4) Mc
10,28. (5) Mc
10,33 of in het midden ervan: (1) Mc
14,41. (2) Mc
14,42.
Mc 14,42.7. act. ind. perf. 3de pers. enk. èggiken van het werkw. eggizô (naderen). Taalgebruik in het NT: eggizô (naderen). Taalgebruik in Mc: eggizô (naderen). Mc (2): (1) Mc 1,15. (2) Mc 14,42.
330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 -- Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 -
| Mc 14,43 - Mc 14,43: 330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [43] And immediately, while he yet spake, cometh Judas,
one of the twelve, and with him a great multitude with swords and staves, from
the chief priests and the scribes and the elders.
Luther-Bibel. 43 Und alsbald, während er noch redete, kam herzu Judas, einer
von den Zwölfen, und mit ihm eine Schar mit Schwertern und mit Stangen, von
den Hohenpriestern und Schriftgelehrten und ältesten.
Tekstuitleg van Mc 14,43.
9. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in
het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc
14,10. (2) Mc
14,12. (3) Mc
14,13. (4) Mc
14,14. (5) Mc
14,17. (6) Mc
14,20. (7) Mc
14,26. (8) Mc
14,41. (9) Mc
14,43. (10) Mc
14,47. (11) Mc
14,54. (12) Mc
14,62. (13) Mc
14,66.
Mc 14,43.14. zelfst. naamw. nom. mann. enk. ochlos (menigte). Taalgebruik in het NT: ochlos (menigte). Taalgebruik in Mc: ochlos (menigte). Met één uitzondering (Mc 10,1) gebruikt Mc ochlos (menigte) in het enk. Mc (13): (1) Mc 2,13. (2) Mc 3,20. (3) Mc 3,32. (4) Mc 4,1. (5) Mc 5,21. (6) Mc 5,24a - Mc 5,24b. (7) Mc 9,15. (8) Mc 9,25. (9) Mc 11,18. (10) Mc 12,37. (11) Mc 12,41. (12) Mc 14,43. (13) Mc 15,8. In deze gevallen is ochlos (menigte) onderwerp.
Mc 14,43..19.
para (langs). Taalgebruik in Mc: para
(langs). Taalgebruik in het NT: para
(langs) .
Mc (11). (1) Mc
1,16. (2) Mc
2,13. (3) Mc
4,1. (4) Mc
4,4. (5) Mc
4,15. (6) Mc
5,21. (7) Mc
10,27. (8) Mc
10,46. (9) Mc
12,2. (10) Mc
12,11. (11) Mc
14,43.
- para + gen. (vanwege) in Mc (4): (1) Mc
10,27. (2) Mc
12,2. (3) Mc
12,11. (4 Mc
14,43.
- para + acc. + plaatsbepaling in Mc (7) (3X tèn hodon = langs de weg: (1) Mc
4,4. (2) Mc
4,15. (3) Mc
10,46. 4X tèn thalassan = langs het meer: (1) Mc
1,16. (2) Mc 2,13. (3) Mc
4,1. (4) Mc
5,21.
20. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in
het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc
14,10. (2) Mc
14,12. (3) Mc
14,13. (4) Mc
14,14. (5) Mc
14,17. (6) Mc
14,20. (7) Mc
14,26. (8) Mc
14,41. (9) Mc
14,43. (10) Mc
14,47. (11) Mc
14,54. (12) Mc
14,62. (13) Mc
14,66.
23. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in
het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc
14,10. (2) Mc
14,12. (3) Mc
14,13. (4) Mc
14,14. (5) Mc
14,17. (6) Mc
14,20. (7) Mc
14,26. (8) Mc
14,41. (9) Mc
14,43. (10) Mc
14,47. (11) Mc
14,54. (12) Mc
14,62. (13) Mc
14,66.
26. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in
het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc
14,10. (2) Mc
14,12. (3) Mc
14,13. (4) Mc
14,14. (5) Mc
14,17. (6) Mc
14,20. (7) Mc
14,26. (8) Mc
14,41. (9) Mc
14,43. (10) Mc
14,47. (11) Mc
14,54. (12) Mc
14,62. (13) Mc
14,66.
| Mc 14,44 - Mc 14,44: 330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [44] And he that betrayed him had given them a token, saying,
Whomsoever I shall kiss, that same is he; take him, and lead him away safely.
Luther-Bibel. 44 Und der Verr�ter hatte ihnen ein Zeichen genannt und gesagt:
Welchen ich k�ssen werde, der ist's; den ergreift und f�hrt ihn sicher ab.
Tekstuitleg van Mc 14,44. Dit vers Mc 14,44 bevat 18 (2 X 3 X 3) woorden en 96 (2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 3) letters. De getalwaarde van Mc 14,44 is 12778 (2 X 6389).
1. dedôkei (hij heeft gegeven). Taalgebruik: didômi (geven). Actief perfect. 3de pers. enk. van het werkwoord didômi (geven). Hebr. nâthan (tha). Lat. dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr. donner - don: geven - gave. Bijbel (3). O.T. (1). NT (2).
2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de
(echter). Taalgebruik in Mc: de
(echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,7. (5) Mc
14,9. (6) Mc
14,11. (7) Mc
14,20. (8) Mc
14,21. (9) Mc
14,29. (10) Mc
14,31. (11) Mc
14,38. (12) Mc
14,44. (13) Mc
14,46. (14) Mc
14,47. (15) Mc
14,52. (16) Mc
14,55. (17) Mc
14,61. (18) Mc
14,62. (19) Mc
14,63. (20) Mc
14,64. (21) Mc
14,68. (22) Mc
14,70. (23) Mc
14,71.
Er is wel geen verandering van personage (Mc
14,43: Judas, één van de twaalf. Mc
14,44: de overleverende hem), maar de situatie is zo contrasterend: Jezus
- Judas. Judas, één van de twaalf, die Jezus zal overleveren
/ over-geven had een teken gegeven om hem over te leveren. In plaats van Jezus
te volgen, had Judas zich tegen Jezus gekeerd. Het lot van Jezus lag in de
handen van Judas. Met een kus speelt hij Jezus door naar de tegenstanders van
Jezus. Hierdoor verliest Judas zijn greep over Jezus
5. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,10. (3) Mc
14,11. (4) Mc
14,39. (5) Mc
14,44. (6) Mc
14,45. (7) Mc
14,46. (8) Mc
14,50. (9) Mc
14,51. (10) Mc
14,55. (11) Mc
14,61. (12) Mc
14,64. (13) Mc
14,65. (14) Mc
14,69.
15. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,10. (3) Mc
14,11. (4) Mc
14,39. (5) Mc
14,44. (6) Mc
14,45. (7) Mc
14,46. (8) Mc
14,50. (9) Mc
14,51. (10) Mc
14,55. (11) Mc
14,61. (12) Mc
14,64. (13) Mc
14,65. (14) Mc
14,69.
| Mc 14,45 - Mc 14,45: 330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [45] And as soon as he was come, he goeth straightway to
him, and saith, Master, master; and kissed him.
Luther-Bibel. 45 Und als er kam, trat er alsbald zu ihm und sprach: Rabbi!,
und k�sste ihn.
Tekstuitleg van Mc 14,45.
6. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc 14: (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67.
| Mc 14,46 - Mc 14,46: 330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [46] And they laid their hands on him, and took him.
Luther-Bibel. 46 Die aber legten Hand an ihn und ergriffen ihn.
| Mc 14,46 | oi de epebalon tas cheiras aut�i (zij echter wierpen de handen op hem) | ||
| Mt 26,50 | tote proselthontes epebalon tas cheiras epi ton ièsoun (dan naderbijgekomen wierpen zij de handen op de Jezus) | ||
Tekstuitleg van Mc 14,46. Dit vers Mc 14,46 telt 11 woorden en 50 letters. De getalwaarde van Mc 14,46 is 5743 (priemgetal). Mc 14,46 // Mt 26,50.
1. hoi (de). Taalgebruik: bepaald lidwoord. Mc 14 (11): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,11. (3) Mc 14,12. (4) Mc 14,16. (5) Mc 14,40. (6) Mc 14,46. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,55. (9) Mc 14,64. (10) Mc 14,65. (11) Mc 14,70.
| bep. lidw. hoi nom. mann. mv. | bijbel | O.T. | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 47 | 4230 | 3257 | 973 | 196 | 101 | 165 | 125 | 147 | 169 | 70 | 4 | 8 | 8 | 5 | 3 | 7 | 5 | 5 | 4 | 14 | 5 | 7 | 5 | 11 | 10 |
2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.
3. epebalon (zij legden op). Taalgebruik: epiballô
(op-werpen, over-vallen). Actief aorist derde persoon meervoud van het
werkwoord epiballô (op-werpen, over-vallen). Lat. ballô. Ned.
vallen -> over-vallen. Hebr. nâphal. In acht verzen in de bijbel. In drie verzen in het O.T.. In vijf verzen in het NT:
(1) Mt
26,50: tote proselthontes epebalon tas cheiras epi ton Ièsoun (en
naderbijgekomen sloegen zij de handen op op Jezus).
(2) Mc
14,46: oi de epebalon tas cheiras aut�i (zij echter sloegen de handen op
hem).
(3) Hnd
4,3: kai epebalon autois tas cheiras (en zij sloegen op hen de handen).
(4) Hnd
5,18: kai epebalon tas cheiras epi tous apostolous (en zij sloegen de handen
op op de apostelen).
(5) Hnd
21,27: kai epebalon ep'auton tas cheiras (en zij sloegen op op hem de handen).
In de apokalyptische rede schrijft Lucas in Lc
21,12: epibalousin ef'humas tas cheiras autôn = zij zullen op jullie
hun handen opslaan. Daarin zegt Jezus dat men de hand aan hen zal slaan. Het
is Jezus overkomen. Het overkomt ook de apostelen (Petrus en Johannes) en Paulus. De leerling gaat dezelfde weg op als zijn leraar.
5. acc.vr. mv. cheiras (handen) van het zelfst. naamw. cheir (hand).
Taalgebruik in het NT: cheir
(hand). Taalgebruik in Mc: cheir
(hand).
Mc 5 (11): (1) Mc
5,23. (2) Mc
6,5. (3) Mc
7,3. (4) Mc
8,23. (5) Mc
8,25. (6) Mc
9,31. (7) Mc
9,43. (8) Mc
10,16. (9) Mc
14,41. (10) Mc
14,46. (11) Mc
16,18.
9. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,10. (3) Mc
14,11. (4) Mc
14,39. (5) Mc
14,44. (6) Mc
14,45. (7) Mc
14,46. (8) Mc
14,50. (9) Mc
14,51. (10) Mc
14,55. (11) Mc
14,61. (12) Mc
14,64. (13) Mc
14,65. (14) Mc
14,69.
| Mc 14,47 - Mc 14,47: 330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [47] And one of them that stood by drew a sword, and smote
a servant of the high priest, and cut off his ear.
Luther-Bibel. 47 Einer aber von denen, die dabeistanden, zog sein Schwert und
schlug nach dem Knecht des Hohenpriesters und hieb ihm ein Ohr ab.
Tekstuitleg van Mc 14,47.
2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.
3. voornaamwoord τις = tis. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord tis. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord tis.
| Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| mann. + vr. nom. enk. tis | 24 | (1) Mc 1,24. | (1) Mc 2,7. | (1) Mc 3,33. | (1) Mc 4,41. | 2: (1) Mc 8,4. (2) Mc 8,34. | 3: (1) Mc 9,30. (2) Mc 9,34. (3) Mc 9,35. | (1) Mc 14,47. (2) Mc 14,51. | 824 | 467 | 357 | 24 | 24 | 72 | 50 | 40 | 156 | 15 | 120 | 170 |
4. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in
het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc
14,10. (2) Mc
14,12. (3) Mc
14,13. (4) Mc
14,14. (5) Mc
14,17. (6) Mc
14,20. (7) Mc
14,26. (8) Mc
14,41. (9) Mc
14,43. (10) Mc
14,47. (11) Mc
14,54. (12) Mc
14,62. (13) Mc
14,66.
10. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.
13. gen. mann. enk. archiereôs (van de hogepriester). Taalgebruik in het NT: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Mc: archiereus (hogepriester). Mc (4): (1) Mc 2,26. (2) Mc 14,47. (3) Mc 14,54. (4) Mc 14,66.
17. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.
| Mc 14,48 - Mc 14,48: 330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [48] And Jesus answered and said unto them, Are ye come
out, as against a thief, with swords and with staves to take me?
Luther-Bibel. 48 Und Jesus antwortete und sprach zu ihnen: Ihr seid ausgezogen
wie gegen einen R�uber mit Schwertern und mit Stangen, mich zu fangen.
Tekstuitleg van Mc 14,48. Het vers Mc 14,48 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 82 (2 X 41) letters. De getalwaarde van Mc 14,48 is 8840 (2 X 2 X 2 X 5 X 13 X 17).
Mc 14,48.1.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
Mc 14,48.2.
part. aor. nom. mann. enk. apokritheis (geantwoord) van het werkw. apokrinomai
(antwoorden). Taalgebruik in het NT: apokrinomai
(antwoorden). Taalgebruik in Mc: apokrinomai
(antwoorden).
Mc (14): (1) Mc
3,33. (2) Mc
6,37. (3) Mc
8,29. (4) Mc
9,5. (5) Mc
9,19. (6) Mc
10,3. (7) Mc
10,24. (8) Mc
10,51. (9) Mc
11,14. (10) Mc
11,22. (11) Mc
12,35. (12) Mc
14,48. (13) Mc
15,2. (14) Mc
15,12. Een vorm van apokrinomai (antwoorden) in Mc in 30 verzen.
Mc 14,48.1.
- 2. kai apokritheis (en beantwoord) of ho de (...) apokritheis (hij echter
beantwoord. Mc (13 / 14). Niet in Mc
8,29.
- kai apokritheis (en beantwoord). Mc 7 / 14: (1) Mc
3,33. (2) Mc
9,5. (3) Mc
10,51. (4) Mc
11,14. (5) Mc
11,22. (6) Mc
12,35. (7) Mc
14,48.
- ho de (...) apokritheis (hij echter beantwoord. (Mc 6 / 14). (1) Mc
6,37. (2) Mc
9,19. (3) Mc
10,3. (4) Mc
10,24. (5) Mc
15,2. (6) Mc
15,12.
Mc 12,35.3.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (219). Mc 14 (27): (1) Mc
14,6. (2) Mc
14,8. (3) Mc
14,9. (4) Mc
14,10. (5) Mc
14,14. (6) Mc
14,18. (7) Mc
14,20. (8) Mc
14,21. (9) Mc
14,27. (10) Mc
14,29. (11) Mc
14,30. (12) Mc
14,31. (13) Mc
14,36. (14) Mc
14,41. (15) Mc
14,42. (16) Mc
14,44. (17) Mc
14,48. (18) Mc
14,52. (19) Mc
14,54. (20) Mc
14,60. (21) Mc
14,61. (22) Mc
14,62. (23) Mc
14,63. (24) Mc
14,68. (25) Mc
14,70. (26) Mc
14,71. (27) Mc
14,72
Mc 14,48.4.
nom. mann. enk. Ièsous (Jezus). Taalgebruik in het NT: Ièsous
(Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous
(Jezus).
Mc (57). Mc 14 (7): (1) Mc
14,6. (2) Mc
14,18. (3) Mc
14,27. (4) Mc
14,30. (5) Mc
14,48. (6) Mc
14,62. (7) Mc
14,72. Een vorm van ièsous (Jezus) in Mc in 81 verzen. Een vorm
van Ièsous (Jezus) in Mc 14 (11): (1) Mc
14,6 (nom. Ièsous). (2) Mc
14,18 (nom. Ièsous). (3) Mc
14,27 (nom. Ièsous). (4) Mc
14,30 (nom. Ièsous). (5) Mc
14,48 (nom. Ièsous). (6) Mc
14,53 (acc. Ièsoun). (7) Mc
14,55 (gen Ièsou.). (8) Mc
14,60 (acc. Ièsoun). (9) Mc
14,62 (nom. Ièsous). (10) Mc
14,67 (gen. Ièsou). (11) Mc
14,72 (nom. Ièsous).
Mc 14,48.1.
- 4. kai apokritheis ho ièsous (en Jezus beantwoord). Mc (3): (1) Mc
11,22. (2) Mc
12,35. (3) Mc
14,48.
- Mc 11,22: legei autois (zegt hen).
- Mc 12,35: elegen (zei hij).
- Mc 14,48: zei hij hen).
| Mc 14,49 - Mc 14,49: 330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [49] I was daily with you in the temple teaching, and ye
took me not: but the scriptures must be fulfilled.
Luther-Bibel. 49 Ich bin t�glich bei euch im Tempel gewesen und habe gelehrt,
und ihr habt mich nicht ergriffen. Aber so muss die Schrift erf�llt werden.
Tekstuitleg van Mc 14,49.
4. pros (naar, bij). Taalgebruik in NT: pros (naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros (naar, bij). Mc 14 (5): (1) Mc 14,4. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,49. (4) Mc 14,53. (5) Mc 14,54.
5. persoonl. voornaamw. acc. mann. mv. humas (jullie, u). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord. Mc (13): (1) Mc 1,8 (2X). (2) Mc 1,17.(3) Mc 6,11. (4) Mc 9,19. (5) Mc 9,41. (6): Mc 11,29. (7) Mc 13,5. (8) Mc 13,9. (9) Mc 13,11. (10) Mc 13,36. (11) Mc 14,28. (12) Mc 14,49. (13) Mc 16,7 .
6. ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd, middel)Taalgebruik in het NT: en
(in). Taalgebruik in Mc: en
(in).
Mc 14 (7): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,2. (3) Mc
14,3. (4) Mc
14,6. (5) Mc
14,25. (6) Mc
14,49. (7) Mc
14,66.
8. dat. onz. enk. hierô(i) (heiligdom, tempel) Taalgebruik in het NT: hieron
(heiligdom, tempel). Taalgebruik in Mc: hieron
(heiligdom, tempel). Een vorm van hieron is steeds voorafgegaan door een
voorzetsel.
1. dia tou hierou (door de tempel). Mc (1): Mc
11,16.
2. eis to hieron (naar de tempel). Mc (2): (1) Mc
11,11. (2) Mc
11,15.
3. ek tou hierou (uit de tempel). Mc (1): Mc
13,1.
4. en tô(i) hierô(i) (in de tempel). Mc (4): (1) Mc
11,15. (2) Mc
11,27. (3) Mc
12,35. (4) Mc
14,49.
5. katenanti tou hierou (tegenover de tempel). Mc (1): Mc
13,3.
Een vorm van hieron (tempel) in Mc 11 (5): (1) eis to hieron (naar de tempel): Mc 11,11. (2) eis to hieron (naar de tempel): Mc
11,15. (3) en tô(i) hierô(i) (in de tempel): Mc
11,15. (4) dia tou hierou (door de tempel): Mc
11,16. (5) en tô(i) hierô(i) (in de tempel): Mc
11,27.
| Mc 14,50 - Mc 14,50: 330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [50] And they all forsook him, and fled.
Luther-Bibel. 50 Da verlie�en ihn alle und flohen.
Tekstuitleg van Mc 14,50. Dramatischer kan de versregel niet: 14 = 2 X 7 en 50 = (7 X 7) + 1. Het vers Mc 14,50 telt 5 woorden en 27 (3³) letters. De getalswaarde van Mc 14,50 is 3577 (7³ X 73). Volgens Mt 26,56b lieten alle leerlingen Jezus achter en vluchtten. Volgens Mc 14,50 lieten ze (allen) Jezus achter en vluchtten. In ieder geval lieten zij Jezus alleen door hem achter te laten. Dit staat in schril contrast met de roepingsverhalen waarin de leerlingen 'alles' achterlieten om Jezus te volgen. Volgens het verhaal zullen de leerlingen geen getuigen van de verdere gebeurtenissen zijn.
Mc 14,50 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἀφέντες (= afentes: achterlatende, aflatende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἔφυγον (= efugon: zij vluchtten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw φευγω = feugô. vluchten) πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder).
Mc 14,50.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et.
Mc 14,50.2. ἀφέντες (= afentes: achterlatende, aflatende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8). Taalgebruik in het NT: afièmi (aflaten, achterlaten). Taalgebruik in de LXX: afièmi (aflaten, achterlaten). Taalgebruik in Mc: afièmi (aflaten, achterlaten). par-donner (pardon): ver-geven. s'excuser (ex -causa) = buiten de zaak, zich ver-ont-schuld-igen. kwijt-schelden (ont-schulden). Slechts in het NT (15). Mt (4): (1) Mt 4,20. (2) Mt 4,22. (3) Mt 22,22. (4) Mt 26,56. Mc (6): (1) Mc 1,18. (2) Mc 1,20. (3) Mc 4,36. (4) Mc 7,8. (5) Mc 12,12. (6) Mc 14,50. Lc (3): (1) Lc 5,11. (2) Lc 10,30. (3) Lc 18,28. Verder: (1) Rom 1,27. (2) Heb 6,1. Een vorm van αφιημι = afièmi (aflaten, achterlaten) in de LXX (138), in het NT (142), in Mc (35). In de LXX kan een vorm van het Griekse αφιημι = afièmi de vertaling van 18 Hebreeuwse / Aramese woorden zijn.
Mc 14,50.3. αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord autos. Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,11. (4) Mc 14,39. (5) Mc 14,44. (6) Mc 14,45. (7) Mc 14,46. (8) Mc 14,50. (9) Mc 14,51. (10) Mc 14,55. (11) Mc 14,61. (12) Mc 14,64. (13) Mc 14,65. (14) Mc 14,69.
| autos | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 4 | acc. mann. enk. auton | 146 | 11 | 4 | 12 | 5 | 12 | 8 | 9 | 6 | 16 | 8 | 7 | 12 | 1 | 14 | 17 | 4 | 2872 | 2032 | 840 | 114 | 146 | 184 | 154 | 136 | 85 | 21 | 598 | 752 |
Mc 14,50.2. - 3. αφεντες αυτον = afentes auton (hem achtergelaten). NT (4): (1) Mt 22,22 // Mc 12,12. (2) Mt 26,56 // Mc 14,50. (3) Mc 12,12 // Mt 22,22. (4) Mc 14,50 // Mt 26,56. In het eerste geval laten tegenstanders Jezus achter, in het tweede geval zijn het alle leerlingen. In tegenstelling tot: (1) Mt 4,20 // Mc 1,18. (2) Mt 4,22 // Mc 1,20. (3) Mc 1,18 // Mt 4,20. (4) Mc 1,20 // Mt 4,22 lieten de leerlingen van alles achter om Jezus te volgen.
Mc 14,50.1.- 3. και αφεντες αυτον = kai afentes auton (en achtergelaten hem). Bijbel = NT (3): (1) Mt 22,22. (2) Mc 12,12. (3) Mc 14,50
Mc 14,50.4, ἔφυγον (= efugon: zij vluchtten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw φευγω = feugô. vluchten). Taalgebruik in het NT: feugô (vluchten). Taalgebruik in de LXX: feugô (vluchten). Bijbel (60). OT (52). NT (8): (1) Mt 8,33. (2) Mt 26,56. (3) Mc 5,14. (4) Mc 14,50. (5) Mc 16,8. (6) Lc 8,34. (7) Heb 11,34. (8). Heb 12,25. Een vorm van φευγω = feugô in de LXX (250), in het NT (29).
Mc 14,50.5. πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder). Taalgebruik in het NT: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in de LXX: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in Mc: pas (ieder, elk, alles).
| pas (al) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 10 | nom. mann. mv. pantes | 724 | 558 | 166 | 18 | 15 | 25 | 14 | 33 | 57 | 4 | 58 | 72 |
| pas (al) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | |
| 10 | nom. mann. mv. pantes | 15 | 2 : (1) Mc 1,5. (2) Mc 1,37. | (1) Mc 5,20. | 2 : (1) Mc 6,42. (2) Mc 6,50. | 2 : (1) Mc 7,3. (2) Mc 7,14. | (1) Mc 12,44. | 7 : (1) Mc 14,23. (2) Mc 14,27. (3) Mc 14,29. (4) Mc 14,31. (5) Mc 14,50. (6) Mc 14,53. (7) Mc 14,64. |
- Hebr. kol. kl (al). Taalgebruik in Tenakh: kl (al). Lat. omnis. Fr. tout. Ned. elk, ieder. Arabisch: kull (al). Taalgebruik in de Koran: kull (al).
| Mc 14,51 - Mc 14,51: 330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [51] And there followed him a certain young man, having
a linen cloth cast about his naked body; and the young men laid hold on him:
Luther-Bibel. 51 Ein junger Mann aber folgte ihm nach, der war mit einem Leinengewand
bekleidet auf der blo�en Haut; und sie griffen nach ihm.
Tekstuitleg van Mc 14,51.
Mc 14,51 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) νεανίσκος (= neaniskos: jongeman, kleine man; zn nom mann enk) τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk) συνηκολούθει (= sunèkolouthei: hij volgde mee met; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw συνακολουθεω = sunakoloutheô: mede volgen met) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) περιβεβλημένος (= peribeblèmenos: gekleed; wkw pass part perf nom mann enk van het wkw περιβαλλω = periballô: werpen rondom, bedekken) σινδόνα (= sindona: onderkleed; zn acc mann mv van het zn σινδων = sindôn: linnen weefsel) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) γυμνοῦ (= gumnou: naakt; bv nw gen onz enk van het bv nw γυμνὸς = gumnos: naakt), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) κρατοῦσιν (= kratousin: zij overmeesteren; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw κρατεω = krateô: krachtig zijn, zich meester maken over) (= kratousin: zij overmeesteren; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw κρατεω = krateô: krachtig zijn, zich meester maken over) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het):
Mc 14,51.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc 14,2. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,8. (5) Mc 14,20. (6) Mc 14,21. (7) Mc 14,25. (8) Mc 14,28. (9) Mc 14,42. (10) Mc 14,52. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,64.
- Ned: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E: and. D: und. Fr: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr: וְ = wë (en). Lat: et.
Mc 14,51.2. νεανίσκος (= neaniskos: jongeman, kleine man; zn nom mann enk).
Mc 14,51.3. τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord tis. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord tis.
| Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| mann. + vr. nom. enk. tis | 24 | (1) Mc 1,24. | (1) Mc 2,7. | (1) Mc 3,33. | (1) Mc 4,41. | 2: (1) Mc 8,4. (2) Mc 8,34. | 3: (1) Mc 9,30. (2) Mc 9,34. (3) Mc 9,35. | (1) Mc 14,47. (2) Mc 14,51. | 824 | 467 | 357 | 24 | 24 | 72 | 50 | 40 | 156 | 15 | 120 | 170 |
Mc
14,51.2. - 3. εἱς τις = heis tis (een zekere). Bijbel = NT (2): (1) Mc
14,51. (2) Lc
22,50.
- εἱς δε τις = heis de tis (een zekere echter). Bijbel = NT (2): (1) Mc
14,47. (2) Joh
11,49.
Mc 14,51.4. νεανίσκος (= neaniskos: jongeman, kleine man; zn nom mann enk). Taalgebruik in de Bijbel: neaniskos (jongeman, kleine man). Bijbel (11): (1) Gn 34,19. (2) Gn 41,12. (3) Nu 11,27. (4) Dt 32,25. (5) Js 62,5. (6) Spr 20,11. (7) Tob 7,2. (8) Jdt 6,16. (9) Mt 19,20. (10) Mt 19,22. (11) Mc 14,51. Een vorm van νεανισκος = neaniskos in de LXX (110), in het NT (11), in Mc (2): (1) Mc 14,51. (2) Mc 16,5.
Mc 14,51.4bis. συνηκολούθει (= sunèkolouthei: hij volgde mee met; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw συνακολουθεω = sunakoloutheô: mede volgen met).
Mc 14,51.5. αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 14,51.6. περιβεβλημένος (= peribeblèmenos: gekleed; wkw pass part perf nom mann enk van het wkw περιβαλλω = periballô: werpen rondom, bedekken).
Mc 14,51.7. σινδόνα (= sindona: onderkleed; zn acc mann mv van het zn σινδων = sindôn: linnen weefsel). Taalgebruik in de Bijbel: sindôn (linnen weefsel). Bijbel (3): (1) Mc 14,51. (2) Mc 14,52. (3) Mc 15,46. Een vorm van σινδων = sindôn in de LXX (3): (1) Re 14,12. (2) Re 14,13. (3) Spr 31,24, in het NT (6).
| bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| dat. vr. enk. sindoni | 3 | 3 | 1 : Mt 27,59. | 1 : Mc 15,46. | 1 : Lc 23,53. | 3 : (1) Mt 27,59 // Mc 15,46 // Lc 23,53. | 3 | |||||||
| acc. vr. enk. sindona | 3 | 3 | 3 : (1) Mc 14,51. (2) Mc 14,52. (3) Mc 15,46. | 3 | 3 | |||||||||
| acc. vr. mv. sindonas | 3 | 3 : (1) Re 14,12. (2) Re 14,13. (3) Spr 31,24. | ||||||||||||
| totaal | 9 | 3 | 6 | 1 | 4 | 1 | 6 | 6 |
- Hebreeuws. סָדִין = sâdîn (onderkleed, linnen hemd). Taalgebruik in Tenakh: sâdîn (onderkleed, linnen hemd). Getalwaarde: samekh = 15 of 60, daleth = 4, jod = 10, nun = 14 of 50; totaal: 43 OF 124 (2² X 31). Structuur: 6 - 4 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 7. Een vorm van סָדִין = sâdîn in Tenakh (4): (1) Re 14,12. (2) Re 14,13. (3) Js 3,23 . (4) Spr 31,24.
- Latijn. abl. mann. enk. sindone van het zelfst. naamw. sindon, -onis. Bijbel (5): (1) Mt
27,59. (2) Mc
14,51. (3) Mc
14,52. (4) Mc
15,46. (5) Lc
23,53.
- Ned. satijn, zijde. Fr. toile = weefsel van linnen, hennep of katoen, afkomstig uit: Lat. tela (tex-la), texere = weven (Fr. tiser). E. linen. D. Leinentuch. Ned. linnen. Lat. linum (vlas). Gr. lineos. Fr. lin.
Mc 14,51.8. ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd).
Mc 14,51.9. γυμνοῦ (= gumnou: naakt; bv nw gen onz enk van het bv nw γυμνὸς = gumnos: naakt).
Mc 14,51.10. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa).
Mc 14,51.11. κρατοῦσιν (= kratousin: zij overmeesteren; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw κρατεω = krateô: krachtig zijn, zich meester maken over).
Mc
14,51.12. αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het): Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,10. (3) Mc
14,11. (4) Mc
14,39. (5) Mc
14,44. (6) Mc
14,45. (7) Mc
14,46. (8) Mc
14,50. (9) Mc
14,51. (10) Mc
14,55. (11) Mc
14,61. (12) Mc
14,64. (13) Mc
14,65. (14) Mc
14,69.
| Mc 14,52 - Mc 14,52: 330. Gevangenneming van Jezus: Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,43 - Mc 14,44 - Mc 14,45 - Mc 14,46 - Mc 14,47 - Mc 14,48 - Mc 14,49 - Mc 14,50 - Mc 14,51 - Mc 14,52 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [52] And he left the linen cloth, and fled from them naked.
Luther-Bibel. 52 Er aber lie� das Gewand fahren und floh nackt davon.
Tekstuitleg van Mc 14,52.
Mc 14,52 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) καταλιπὼν (= katalipôn: achterlatende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw καταλειπω = kataleipô: achterlaten) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) σινδόνα (= sindona: onderkleed; zn acc mann mv van het zn σινδων = sindôn: linnen weefsel) γυμνὸς (= gumnos: naakt; bv nw nom mann enk) ἔφυγεν (= efugen; hij vluchtte; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw φευγω = feugô. vluchten).
Mc 14,52.1. ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het).
Mc 14,52.2. δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.
Mc 14,52.3. καταλιπὼν (= katalipôn: achterlatende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw καταλειπω = kataleipô: achterlaten).
Mc 14,52.4. τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het).
Mc 14,52.5. σινδόνα (= sindona: onderkleed; zn acc mann mv van het zn σινδων = sindôn: linnen weefsel). Taalgebruik in de Bijbel: sindôn (linnen weefsel). Bijbel (3): (1) Mc 14,51. (2) Mc 14,52. (3) Mc 15,46. Een vorm van σινδων = sindôn in de LXX (3): (1) Re 14,12. (2) Re 14,13. (3) Spr 31,24, in het NT (6).
| bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| dat. vr. enk. sindoni | 3 | 3 | 1 : Mt 27,59. | 1 : Mc 15,46. | 1 : Lc 23,53. | 3 : (1) Mt 27,59 // Mc 15,46 // Lc 23,53. | 3 | |||||||
| acc. vr. enk. sindona | 3 | 3 | 3 : (1) Mc 14,51. (2) Mc 14,52. (3) Mc 15,46. | 3 | 3 | |||||||||
| acc. vr. mv. sindonas | 3 | 3 : (1) Re 14,12. (2) Re 14,13. (3) Spr 31,24. | ||||||||||||
| totaal | 9 | 3 | 6 | 1 | 4 | 1 | 6 | 6 |
- Hebreeuws. סָדִין = sâdîn (onderkleed, linnen hemd). Taalgebruik in Tenakh: sâdîn (onderkleed, linnen hemd). Getalwaarde: samekh = 15 of 60, daleth = 4, jod = 10, nun = 14 of 50; totaal: 43 OF 124 (2² X 31). Structuur: 6 - 4 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 7. Een vorm van סָדִין = sâdîn in Tenakh (4): (1) Re 14,12. (2) Re 14,13. (3) Js 3,23 . (4) Spr 31,24.
- Latijn. abl. mann. enk. sindone van het zelfst. naamw. sindon, -onis. Bijbel (5): (1) Mt
27,59. (2) Mc
14,51. (3) Mc
14,52. (4) Mc
15,46. (5) Lc
23,53.
- Ned. satijn, zijde. Fr. toile = weefsel van linnen, hennep of katoen, afkomstig uit: Lat. tela (tex-la), texere = weven (Fr. tiser). E. linen. D. Leinentuch. Ned. linnen. Lat. linum (vlas). Gr. lineos. Fr. lin.
Mc 14,52.6. γυμνὸς (= gumnos: naakt; bv nw nom mann enk).
Mc 14,52.7. ἔφυγεν (= efugen; hij vluchtte; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw φευγω = feugô. vluchten).
331. Naar de hogepriester: Mc 14,53-54 -- Mc 14,53-54 - Mt 26,57-58 - Lc 22,54-55 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,53 - Mc 14,54 -
| Mc 14,53 - Mc 14,53: 331. Naar de hogepriester: Mc 14,53-54 - Mt 26,57-58 - Lc 22,54-55 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,53 - Mc 14,54 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [53] And they led Jesus away to the high priest: and with
him were assembled all the chief priests and the elders and the scribes.
Luther-Bibel. 53 Und sie f�hrten Jesus zu dem Hohenpriester; und es versammelten
sich alle Hohenpriester und �ltesten und Schriftgelehrten.
Tekstuitleg van Mc 14,53. Dit vers Mc 14,53 bevat 19 woorden en 102 (2 X 51) letters. De getalwaarde van Mc 14,53 is 10366 (2 X 71 X 73). Het vers bestaat uit twee nevenschikkende hoofdzinnen. In de tweede zin bestaat het onderwerp uit drie groepen. In Mc 14,53 komen alle hogepriesters en oudsten en schriftgeleerden bijeen. In Mc 14,64 veroordelen zij allen Jezus ter dood. In tegenstelling tot de andere evangelisten legt Marcus de nadruk op 'allen'. In Mc 14,55 en Mc 15,1 is er sprake van het hele sanhedrin.
| Mt 26,57 // Mc 14,53 // (Lc 22,54) | Mc 14,53 | (Lc 22,54) | Lc 22,66 |
| Hoi de kratèsantes (Zij echter overmeesterd) | Kai (en) | Sullabontes de (Meegenomen echter) | |
| ton Ièsoun (Jezus) | auton (hem) | ||
| apègagon (leidden zij weg) | apègagon (leidden zij weg) | ègagon (leidden zij) ) kai eisègagon (en leidden binnen) | apègagon (zij leidden weg) |
| ton Ièsoun (Jezus) | auton (hem) | ||
| eis to sunedrion autôn (naar hun sanhedrin). |
Mc 14,53.1.
και = kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
- Hebr. waw (verbindingshaak). L. et. Fr. et. N. en. E. and. D. und.
| kai (en) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
Mc 14,53.2. act. ind. aor. 3de pers. mv. απηγαγον = apègagon (zij leidden weg) van het werkw. απαγω = apagô (wegleiden, wegvoeren). Taalgebruik in het NT: apagô (wegleiden, afvoeren). Taalgebruik in Mc: apagô (wegleiden, afvoeren). Bijbel (12). LXX (5): (1) 1 K 1,38. (2) Job 24,3. (3) 2 Kr 36,17. (4) Jdt 6,14. (5) Bar 4,16. NT (7): (1) Mt 26,57. (2) Mt 27,2. (3) Mt 27,31. (4) Mc 14,53. (5) Mc 15,16. (6) Lc 22,66. (7) Lc 23,26. Een vorm van απαγω = apagô in de LXX (52), in het NT (15). Na zijn arrestatie in de hof van Getsemane werd Jezus weggeleid naar de hogepriester (Mc 14,53). Na de vrijlating van Barnabas werd Jezus weggeleid om gekruisigd te worden. De soldaten leidden Jezus weg en begonnen met de uitvoering van de straf (Mc 15,16). Tussen beide wegleidingen ligt het gebeuren vanaf zijn arrestatie tot zijn veroordeling.
Mc 14,53.3.
bep. lidw. acc. mann. enk. τον = ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord.
Mc (124). Mc 14 (12): (1) Mc
14,8. (2) Mc
14,9. (3) Mc
14,27. (4) Mc
14,33. (5) Mc
14,39. (6) Mc
14,47. (7) Mc
14,53. (8) Mc
14,58. (9) Mc
14,60. (10) Mc
14,62. (11) Mc
14,67. (12) Mc
14,71.
- Gr. to..., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 14,53.4.
acc. mann. enk. ιησουν = Ièsoun van de eigennaam ιησους = ièsous (Jezus). Taalgebruik
in het NT: Ièsous
(Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous
(Jezus).
Mc (11): (1) Mc
5,6. (2) Mc
5,15. (3) Mc
6,30. (4) Mc
9,8. (5) Mc
10,50. (6) Mc
11,7. (7) Mc
14,53. (8) Mc
14,60. (9) Mc
15,1. (10) Mc
15,15. (11) Mc
16,6.
Een vorm van ιησους = Ièsous (Jezus) in Mc 14 (11): (1) Mc
14,6 (nom. Ièsous). (2) Mc
14,18 (nom. Ièsous). (3) Mc
14,27 (nom. Ièsous). (4) Mc
14,30 (nom. Ièsous). (5) Mc
14,48 (nom. Ièsous). (6) Mc
14,53 (acc. Ièsoun). (7) Mc
14,55 (gen Ièsou.). (8) Mc
14,60 (acc. Ièsoun). (9) Mc
14,62 (nom. Ièsous). (10) Mc
14,67 (gen. Ièsou). (11) Mc
14,72 (nom. Ièsous).
| Ièsous (Jezus) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | acc. mann. enk. Ièsoun | 163 | 39 | 124 | 15 | 11 | 14 | 26 | 27 | 31 | 0 | 40 | 66 |
Mc 14,53.3. - 4. τον ιησουν = ton Ièsoun (de Jezus). NT (66). In Mc in 10 van de 11 verzen. Niet in Mc 16,6.
Mc 14,532. - 4. απηγαγον τον ιησουν = apègagon ton Ièsoun (zij leidden Jezus weg). Slechts in Mc 14,53.
-... τον ιησουν απηγαγον = ton Ièsoun apègagon (zij leidden Jezus weg). NT (1): Mt
26,57.
Mc 14,53.5. προς = pros (naar, bij). Taalgebruik in NT: pros (naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros (naar, bij). Mc (62). Mc 14 (5): (1) Mc 14,4. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,49. (4) Mc 14,53. (5) Mc 14,54.
Mc 14,53.6. bep. lidw. acc. mann. enk. τον = ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord.
Mc (124). Mc 14 (12): (1) Mc
14,8. (2) Mc
14,9. (3) Mc
14,27. (4) Mc
14,33. (5) Mc
14,39. (6) Mc
14,47. (7) Mc
14,53. (8) Mc
14,58. (9) Mc
14,60. (10) Mc
14,62. (11) Mc
14,67. (12) Mc
14,71.
- Gr. to..., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 14,53.7.
αρχιερεα (= archiera: hogepriester; zn acc mann enk van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester). Taalgebruik in het NT: archiereus
(hogepriester). Taalgebruik in Mc: archiereus
(hogepriester).
Mc: (1) Mc
14,53.
Een vorm van αρχιερευς = archiereus (hogepriester) in Mc 14 (11, 12X): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,10. (3) Mc
14,43. (4) Mc
14,47. (5) Mc
14,53 (archerea). (6) Mc
14,53 (archiereis). (7) Mc
14,54. (8) Mc
14,55. (9) Mc
14,60. (10) Mc
14,61. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,66. Een vorm van αρχιερευς = archiereus (hogepriester) in de LXX (), in het NT (122), in Mc (22): in het enk. in 8 verzen, in mv. in 14 verzen.
| archiereus (hogepriester) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 4 | acc. mann. enk. archierea | 16 | 7 | 9 | 1 | 1 | 1 | 1 | 5 | 2 | 3 |
6. - 7. τον αρχιερεα = ton archierea (de hogepriester). NT (4): (1) Mt 26,57. (2) Mc 14,53. (3) Joh 18,24. (4) Hnd 23,4. En de variante van Hnd 4,6.
Mc 14,53.5. - 7. προς τον αρχιερεα = pros ton archierea (naar de hogepriester). NT. Slechts in Mc 14,53.
- προς... τον αρχιερεα = pros... ton archierea (naar... de hogepriester). (1) Mt
26,57. (2) Joh
18,24.
Mc 14,53.8. και = kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
- Hebr. waw (verbindingshaak). L. et. Fr. et. N. en. E. and. D. und.
Mc 14,53.9. ind. praes. 3de pers. mv. sunerchontai (zij komen samen) van het werkw. sunerchomai (samenkomen). Taalgebruik in het NT: sunerchomain (samenkomen). Taalgebruik in Mc: sunerchomain (samenkomen). Bijbel en NT (2). Mc (1): Mc 14,53. Een vorm van sunerchomai (samenkomen) in Mc in 3 verzen.
10. nom. mann. mv. παντες = pantes (allen) van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in het NT: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in de LXX: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in Mc: pas (ieder, elk, alles).
| pas (al) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 10 | nom. mann. mv. pantes | 724 | 558 | 166 | 18 | 15 | 25 | 14 | 33 | 57 | 4 | 58 | 72 |
| pas (al) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | |
| 10 | nom. mann. mv. pantes | 15 | 2 : (1) Mc 1,5. (2) Mc 1,37. | (1) Mc 5,20. | 2 : (1) Mc 6,42. (2) Mc 6,50. | 2 : (1) Mc 7,3. (2) Mc 7,14. | (1) Mc 12,44. | 7 : (1) Mc 14,23. (2) Mc 14,27. (3) Mc 14,29. (4) Mc 14,31. (5) Mc 14,50. (6) Mc 14,53. (7) Mc 14,64. |
- Hebr. kol. kl (al). Taalgebruik in Tenakh: kl (al). Lat. omnis. Fr. tout. Ned. elk, ieder. Arabisch: kull (al). Taalgebruik in de Koran: kull (al).
Mc 14,53.11.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (101). Mc 14 (11): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,11. (3) Mc
14,12. (4) Mc
14,16. (5) Mc
14,40. (6) Mc
14,46. (7) Mc
14,53. (8) Mc
14,55. (9) Mc
14,64. (10) Mc
14,65. (11) Mc
14,70.
Mc 14,53.12.
nom. mann. mv. archiereis (hogepriesters) van het zelfstandig naamw. archiereus
(hogepriester).Taalgebruik in het NT: archiereus
(hogepriester). Taalgebruik in Mc: archiereus
(hogepriester).
Mc (11). (1) Mc
11,18. (2) Mc
11,27. (3) Mc
14,1. (4) Mc
14,10. (5) Mc
14,53. (6) Mc
14,55. (7) Mc
15,1. (8) Mc
15,3. (9) Mc
15,10. (10) Mc
15,11. (11) Mc
15,31.
Een vorm van archiereus (hogepriester) in Mc 14 (11, 12X): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,10. (3) Mc
14,43. (4) Mc
14,47. (5) Mc
14,53 (archerea). (6) Mc
14,53 (archiereis). (7) Mc
14,54. (8) Mc
14,55. (9) Mc
14,60. (10) Mc
14,61. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,66.
10. - 12. παντες οἱ αρχιερεις = pantes archiereis (alle hogepriesters). NT (2): (1) Mt 27,1. (2) Mc 14,53.
Mc 14,53.13. και = kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
- Hebr. waw (verbindingshaak). L. et. Fr. et. N. en. E. and. D. und.
Mc 14,53.14.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (101). Mc 14 (11): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,11. (3) Mc
14,12. (4) Mc
14,16. (5) Mc
14,40. (6) Mc
14,46. (7) Mc
14,53. (8) Mc
14,55. (9) Mc
14,64. (10) Mc
14,65. (11) Mc
14,70.
11. - 15. οἱ αρχιερεις και οἱ πρεσβυτεροι = hoi archiereis kai hoi presbuteroi (de hogepriesters en de oudsten). NT (7): (1) Mt 21,23. (2) Mt 26,59. (3) Mt 27,1. (4) Mt 27,20. (5) Mc 14,53. (6) Hnd 4,23. (7) Hnd 25,15.
Mc 14,53.16. και = kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en).
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
- Hebr. waw (verbindingshaak). L. et. Fr. et. N. en. E. and. D. und.
Mc 14,53.17.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (101). Mc 14 (11): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,11. (3) Mc
14,12. (4) Mc
14,16. (5) Mc
14,40. (6) Mc
14,46. (7) Mc
14,53. (8) Mc
14,55. (9) Mc
14,64. (10) Mc
14,65. (11) Mc
14,70.
18.
γραμματεῖςγ (= grammateis: Schriftgeleerden; zn nom mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde (uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα: assimilatie van de f aan de m; γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven. Taalgebruik in het NT: grammateus
(schriftgeleerde). Taalgebruik in Mc: grammateus
(schriftgeleerde).
Mc (11): (1) Mc
1,22. (2) Mc
2,16. (3) Mc
3,22. (4) Mc
7,5. (5) Mc
9,11. (6) Mc
9,14. (7) Mc
11,18. (8) Mc
11,27. (9) Mc
12,35. (10) Mc
14,1. (11) Mc
14,53. Nom. (10). Acc. (1): Mc
9,14.
Duality
- act. ind. aor. 3de pers. mv. apègagon van het werkw. apagô (wegleiden, afvoeren). Mc (2): (1) Mc 14,53. (2) Mc 15,16.
| Mc 14,54 - Mc 14,54: 331. Naar de hogepriester: Mc 14,53-54 - Mt 26,57-58 - Lc 22,54-55 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,53 - Mc 14,54 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [54] And Peter followed him afar off, even into the palace
of the high priest: and he sat with the servants, and warmed himself at the
fire.
Luther-Bibel. 54 Petrus aber folgte ihm nach von ferne, bis hinein in den Palast
des Hohenpriesters, und sa� da bei den Knechten und w�rmte sich am Feuer.
Tekstuitleg van Mc 14,54.
6. act. ind. aor. 3de p. enk. èkolouthèsen (hij volgde) van het
werkw. akoloutheô (volgen). Taalgebruik in het NT: akoloutheô
(volgen). Taalgebruik in Mc: akoloutheô
(volgen). Ned. acoliet.
Mc (3): (1) Mc
2,14. (1) Mc
3,7. (1) Mc
14,54.
14. gen. mann. enk. archiereôs (van de hogepriester). Taalgebruik in het NT: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Mc: archiereus (hogepriester). Mc (4): (1) Mc 2,26. (2) Mc 14,47. (3) Mc 14,54. (4) Mc 14,66.
19. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in
het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc
14,10. (2) Mc
14,12. (3) Mc
14,13. (4) Mc
14,14. (5) Mc
14,17. (6) Mc
14,20. (7) Mc
14,26. (8) Mc
14,41. (9) Mc
14,43. (10) Mc
14,47. (11) Mc
14,54. (12) Mc
14,62. (13) Mc
14,66.
23. pros (naar, bij). Taalgebruik in NT: pros (naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros (naar, bij). Mc 14 (5): (1) Mc 14,4. (2) Mc 14,10. (3) Mc 14,49. (4) Mc 14,53. (5) Mc 14,54.
24. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.
332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 -- Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 -
| Mc 14,61 | Mc 15,2 | Mt | |||||||
| palin (opnieuw) | kai (en) | ||||||||
| ho archiereus (de hogepriester) | |||||||||
| epijroota (ondervroeg) | epijrootijsen (ondervroeg) | ||||||||
| auton (hem) | auton (hem) | ||||||||
| ho Pilatos (Pilatus) | |||||||||
| kai legei autooi (en zei tot hem) | |||||||||
| su (gij) | su (gij) | ||||||||
| ei (zijt) | ei (zijt) | ||||||||
| ho christos ho huios tou eulogijtou (de Christus, de zoon van de gezegende) | ho basileus toon Ioudaioon (de koning van de joden) | ||||||||
| ho de Iijsous (Jezus echter) | ho de (hij echter) | ||||||||
| aprokritheis autooi (antwoordende hem) | |||||||||
| eipen (zei) | legei (zegt) | ||||||||
| egoo eimi (ik ben het) | su legeis (gij zegt het) | ||||||||
| 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 // Mt 26,59-66 // (Lc 22,66-71) | 338. Jezus vóór Pilatus: Mc 15,2-5 // Mt 27,11-14 // Lc 23,2-5 |
| Mc 14,62 | Mc 8,38 | Mc 9,1 | Mc 13,26 |
| kai (en) | hotan (wanneer) | heôs an (totdat) | kai tote (en dan) |
| opsesthe (gij zult zien) | idôsin (zij zullen zien) | opsontai (zullen zij zien) | |
| ton huion tou anthrôpou (de mensenzoon) | tèn basileian tou theou (het koninkrijk van God) | ton huion tou anthrôpou (de mensenzoon) | |
| ek deksiôn (rechts) | |||
| kathèmenon (zittend) | |||
| dunameôs (van de kracht) | |||
| kai (en) | |||
| erchomenon (komende) | elthèi (hij komt) | elèluthuian (gekomen zijnde) | erchomenon (komende) |
| en tèi doksèi tou patros autou (in de heerlijkheid van zijn vader) | en dunamei (in kracht) | en nefelais meta dunameôs pollès kai doksès (op de wolken met grote kracht en heerlijkheid) | |
| meta tôn nefelôn tou ouranou (op de wolken van de hemel) | meta tôn aggelôn tôn hagiôn (met zijn heilige engelen) | ||
| 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 // Mt 26,59-66 // (Lc 22,66-71) - Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 - | 166. Wat baat het een mens de hele wereld te winnen: Mc 8,36-38 // Mt 16,26-27 // Lc 9,25-26 - Mc 8,36-38 - Mt 16,26-27 - Lc 9,25-26 - | 167. Nabijheid van het Rijk Gods: Mc 9,1 // Mt 16,28 // Lc 9,27 - Mc 9,1 - Mt 16,28 - Lc 9,27 - | 305. De komst van de Mensenzoon: Mc 13,24-27 // Mt 24,29-31 // Lc 21,25-28 - Mc 13,24-27 - Mt 24,29-31 - Lc 21,25-28 - |
| Mc 14,55 - Mc 14,55: 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [55] And the chief priests and all the council sought for
witness against Jesus to put him to death; and found none.
Luther-Bibel. 55 Aber die Hohenpriester und der ganze Hohe Rat suchten Zeugnis
gegen Jesus, dass sie ihn zu Tode br�chten, und fanden nichts.
Tekstuitleg van Mc 14,55. In Mc 14,53 komen alle hogepriesters en oudsten en schriftgeleerden bijeen. In Mc 14,64 veroordelen zij allen Jezus ter dood. In tegenstelling tot de andere evangelisten legt Marcus de nadruk op 'allen'. In Mc 14,55 en Mc 15,1 is er sprake van het hele sanhedrin.
2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de
(echter). Taalgebruik in Mc: de
(echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden.
Mc (149 + 2 = 151). Mc 14 (23): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,7. (5) Mc
14,9. (6) Mc
14,11. (7) Mc
14,20. (8) Mc
14,21. (9) Mc
14,29. (10) Mc
14,31. (11) Mc
14,38. (12) Mc
14,44. (13) Mc
14,46. (14) Mc
14,47. (15) Mc
14,52. (16) Mc
14,55. (17) Mc
14,61. (18) Mc
14,62. (19) Mc
14,63. (20) Mc
14,64. (21) Mc
14,68. (22) Mc
14,70. (23) Mc
14,71.
3. nom. mann. mv. archiereis (hogepriesters). Taalgebruik in het NT: archiereus
(hogepriester). Taalgebruik in Mc: archiereus
(hogepriester).
Mc (11): (1) Mc
11,18. (2) Mc
11,27. (3) Mc
14,1. (4) Mc
14,10. (5) Mc
14,53. (6) Mc
14,55. (7) Mc
15,1. (8) Mc
15,3. (9) Mc
15,10. (10) Mc
15,11. (11) Mc
15,31. Een vorm van archiereus (priester) in Mc in 22 verzen.
4. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
5. nom. + acc. onz. + acc. mann. enk. ὁλον = holon (heel) van het bijvoegl. naamw. ὁλος = holos (heel). Taalgebruik in de Bijbel: holos (heel). Mc (5): (1) Mc 8,36. (2) Mc 12,44. (3) Mc 14,9. (4) Mc 14,55. (5) Mc 15,1.
| holos (heel) | bijbel | O.T. | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 3 | nom. + acc. onz. + acc. mann. enk. holon | 53 | 20 | 33 | 9 | 5 | 5 | 2 | 4 | 8 | 19 | 21 | 4 | 4 |
6. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.
7. συνέδριον (= sunedrion:Sanhedrin; zn nom onz enk). In het Nederlands telt Sanhedrin een lettergreep minder dan het Griekse sunedrion. Sanhedrin: http://bijbelaantekeningen.blogspot.com/2006/02/sanhedrin.html. Het Sanhedrin was het hoogste gerechtshof van de Joden, ook wel genoemd de Grote of Hoge Raad van het Jodendom. Het telde 70 leden, bestaande uit de hogepriester (als voorzitter), overpriesters (of gewezen hogepriesters) en de schriftgeleerden (als vakmensen). De naam is afgeleid van het Griekse woord synedrion: vergadering of raadsvergadering. Ook in het oude Griekenland bestonden synedrions (plaatselijke rechtbanken). Het Joodse Sanhedrin was al in de Perzische tijd actief, maar pas in de Romeinse tijd wordt er, mede door de Bijbel, meer over bekend. Als een Jood ter dood veroordeeld werd sprak het Sanhedrin de vorm van steniging uit. Na de bezetting van Israel door de Romeinen mochten zij niet meer de doodstraf uitspreken en moesten zij de verdachte overdragen aan de Romeinse bestuurders, welke indien ook zij de verdachte schuldig bevonden de persoon kruisigden. In de Talmud wordt beschreven, dat wanneer het Sanhedrin eens in de zeventig jaar een ter doodveroordeling uitsprak, dit genoeg was om de rechters moordenaars te noemen. De zittingszaal van het Sanhedrin was gelegen aan de Zuid-West-zijde van het tempelplein te Jeruzalem, half op gewijde, half op ongewijde grond. Twee deuren gaven toegang, ��n van het tempelplein en ��n van de stad uit. Na de verwoesting van de tempel verplaatst men de vergaderingen naar Jamne en Tiberias. In 425 n. Chr. wordt het Sanhedrin opgeheven. In oktober 2004 ziet in Tiberias een nieuw Sanhedrin het licht. Welke grotendeels bestaat uit ultraorthodoxe joden.
| sunedrion (Sanhedrin) | bijbel | O.T. | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn.. | ev. |
| nom. + acc. enk. sunedrion | 11 | 1 | 10 | 1 | 2 | 1 | 1 | 5 | 4 | 5 | ||
| gen. enk. sunedriou | 6 | 3 | 3 | 3 | ||||||||
| dat. enk. sunedriôi | 11 | 4 | 7 | 1 | 6 | 1 | 1 | |||||
| Totaal | 28 | 8 | 20 | 2 | 2 | 1 | 1 | 14 | 5 | 6 |
| sunedrion (Sanhedrin) | bijbel | O.T. | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn.. | ev. |
| nom. + acc. enk. sunedrion | 11 | 1 | 10 | 1: Mt 26,59. | 2: (1) Mc 14,55. (2) Mc 15,1. | 1: Lc 22,66. | 1: Joh 11,47. | 5: (1) Hnd 5,21. (2) Hnd 6,12. (3) Hnd 22,30. (4) Hnd 23,20. (5) Hnd 23,28. | 4: (1) Mt 26,59 // Mc 14,55 | 5 | ||
| gen. enk. sunedriou | 6 | 3 | 3 | 3: (1) Hnd 4,15. (2) Hnd 5,41. (3) Hnd 24,20. | ||||||||
| dat. enk. sunedriôi | 11 | 4 | 7 | 1: Mt 5,22. | 6: (1) Hnd 5,27. (2) Hnd 5,34. (3) Hnd 6,15. (4) Hnd 23,1. (5) Hnd 23,6. (6) Hnd 23,15. | 1 | 1 | |||||
| Totaal | 28 | 8 | 20 | 2 | 2 | 1 | 1 | 14 | 5 | 6 |
Nominatief in drie van de tien verzen in het NT: (1) Mt
26,59. (2) Mc
14,55 (nominatief). (3) Mc
15,1 (nominatief).
Accusatief in zeven van de tien verzen van het NT: (1) Lc
22,66. (2) Joh
11,47. (3) Hnd
5,21. (4) Hnd
6,12. (5) Hnd
22,30. (6) Hnd
23,20. (7) Hnd
23,28.
6. - 7. to sunedrion. In de negen van de tien verzen in het NT, niet in Joh 11,47.
5. - 7. holon to sunedrion: het hele Sanhedrin. In het Grieks komt het bijvoeglijk naamwoord voor of na het bepaald lidwoord en zelfstandig naamwoord, in het Nederlands staat het bijvoeglijk naamwoord tussen het bepaald lidwoord en het zelfstandig naamwoord.
holon to sunedrion (het hele sanhedrin). In drie verzen in de bijbel: (1) Mc 14,55 (nominatief). (2) Mc
15,1 (nominatief). (3) Hnd
22,30 (accusatief). Telkens komt holon to sunedrion (het hele sanhedrin)
voor in combinatie met en voorafgegaan door de hogepriesters:
(1) Mc
14,55 (hoi de archiereis kai holon to sunedrion = de hogepriesters echter
en het hele sanhedrin).
(2) Mc
15,1 (hoi archiereis... kai holon to sunedrion = de hogepriesters... en
het hele sanhedrin).
(3) Hnd
22,30 (tous archiereis kai holon to sunedrion = de hogepriesters en het
hele sanhedrin).
to sunedrion holon (het hele sanhedrin): Mt
26,59. In dit vers komen dezelfde kenmerken voor als hierboven. Mt
26,59 // Mc
14,55.
Datief: (4) Hnd
23,1: tôi sunedriôi = aan het sanhedrin. (6) Hnd
23,15: sun tôi sunedriôi = samen met het sanhedrin. In vier
verzen en tôi sunedriôi = in het sanhedrin: (1) Hnd
5,27. (2) Hnd
5,34. (3) Hnd
6,15. (5) Hnd
23,6.
De verschillende vormen van sunedrion (sanhedrin) op een rijtje gezet. In veertien
verzen in Hnd::(1) Hnd
4,15. (2) Hnd
5,21. (3) Hnd
5,27. (4) Hnd
5,34. (5) Hnd
5,41. (6) Hnd
6,12.(7) Hnd
6,15. (8) Hnd
22,30. (9) Hnd
23,1. (10) Hnd
23,6. (11) Hnd
23,15. (12) Hnd
23,20. (13) Hnd
23,28. (14) Hnd
24,20.
8. ἐζήτουν (= ezètoun: zij zochten; wkw act ind imperf 3de pers mann mv van het wkw ζητεω = zèteô: zoeken). Taalgebruik in het NT: zèteô
(zoeken). Taalgebruik in Mc: zèteô
(zoeken).
- Hebr. bâqasj. Ned. zoeken. Lat. quaerere. Fr. chercher
(ch / q - r). E. search. D. suchen.
Mc (4): (1) Mc
11,18. (2) Mc
12,12. (3) Mc
14,1. (4) Mc
14,55. In 4 verzen in Mc in de imperfectumvorm. De imperfectumvorm om de duur van het zoeken uit te drukken. In een reeks van vier. Telkens zijn
hogepriesters erbij betrokken om Jezus te zoeken met het oog om hem te doden.
- Mc 11,18: καὶ ἤκουσαν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς καὶ ἐζήτουν (= kai èkousan hoi archiereis kai hoi grammateis kai ezètoun: en de hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden en zij zochten) πῶς αὐτὸν ἀπολέσωσιν (= pôs
auton apolesôsin: hoe ze hem zouden ombrengen).
- Mc 12,12 : Καὶ ἐζήτουν (= kai ezètoun: en zij zochten) αὐτὸν κρατῆσαι (= auton kratèsai: om
hem te bemachtigen).
- Mc 14,1: καὶ ἐζήτουν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς (= kai ezètoun hoi archiereis kai hoi grammateis: en de hogepriesters
en de schriftgeleerden zochten) πῶς αὐτὸν ἐν δόλῳ κρατήσαντες ἀποκτείνωσιν (= pôs auton en dolôi kratèsantes
apokteinôsin: hoe ze hem bemachtende door een list hem zouden
doden).
- Mc 14,55: οἱ δὲ ἀρχιερεῖς καὶ ὅλον τὸ συνέδριον ἐζήτουν κατὰ τοῦ Ἰησοῦ μαρτυρίαν (= oi de archiereis kai olon to sunedrion ezètoun kata tou ièsou marturian: maar
de hogepriesters en het hele sanhedrin zochten tegen Jezus een getuigenis) εἰς τὸ θανατῶσαι αὐτόν (= eis
to thanatôsai auton: om hem te doden).
9. kata (tegen, volgens). Taalgebruik in het NT: kata
(tegen, volgens). Taalgebruik in Mc: kata
(tegen, volgens).
Mc (9): (1) Mc
4,10. (2) Mc
5,13. (3) Mc
6,40. (4) Mc
7,5. (5) Mc
11,25. (6) Mc
13,8. (7) Mc
14,19. (8) Mc
14,55. (9) Mc
15,6.
11. gen. mann. enk. Ièsou. Mc 14 (2): (1) Mc 14,55. (2) Mc 14,67. Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 14 (11): (1) Mc 14,6 (nom. Ièsous). (2) Mc 14,18 (nom. Ièsous). (3) Mc 14,27 (nom. Ièsous). (4) Mc 14,30 (nom. Ièsous). (5) Mc 14,48 (nom. Ièsous). (6) Mc 14,53 (acc. Ièsoun). (7) Mc 14,55 (gen Ièsou.). (8) Mc 14,60 (acc. Ièsoun). (9) Mc 14,62 (nom. Ièsous). (10) Mc 14,67 (gen. Ièsou). (11) Mc 14,72 (nom. Ièsous). Taalgebruik in het NT: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus).
12. marturian (getuigenis) Accusatief vrouwelijk enkelvoud.
| marturia (getuigenis) | bijbel | O.T. | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| nom. + dat. enk. marturia(i) | 54 | 40 | 14 | 1: Mc 14,59. | 8 | 4 | 1 | 1 | 9 | |||
| gen. enk. + acc. mv. marturias | 3 | 1 | 2 | 1: Lc 22,71. | 1 | 1 | 1 | |||||
| acc. enk. marturian | 22 | 4 | 18 | pseudomarturian: Mt 26,59. | 1: Mc 14,55. | 6 | 1 | 3 | 7 | 1: (1) Mt 26,59 // Mc 14,55. | 7 | |
| nom. + voc. mv. marturiai | 1 | 1 | pseudomarturiai: Mt 15,19. | 1: Mc 14,56. | 1 | 1 | ||||||
| gen. mv. marturiôn | 7 | 7 | ||||||||||
| Totaal | 87 | 52 | 35 | 3 | 1 | 14 | 1 | 7 | 9 | 4 | 18 |
In Mc 14,55 zijn de hogepriesters en het hele sanhedrin op zoek naar een getuigenis tegen Jezus. In Mc 14,56 vertelt de evangelist dat de getuigenissen niet gelijk zijn, dus niet met elkaar overeenstemmen. In Mc 14,58 wordt het getuigenis van de tempel gegeven. Ook over dit getuigenis is er geen overeenstemming (Mc 14,59). In de paralleltekst van Matteüs spreekt de evangelist Matteüs over een pseudogetuigenis of een vals getuigenis.
15. act. inf. aor.thanatôsai (om te doden) van het werkw. thanatoô (doden, ter dood veroordelen, terechtstellen). Taalgebruik in het NT: thanatoô (doden, ter dood veroordelen, terechtstellen). Taalgebruik in Mc: thanatoô (doden, ter dood veroordelen, terechtstellen). Mc (1): Mc 14,55.
8. 13. - 15. Duality
- Mc 13,12: paradôsei... eis thanaton (hij zal overleveren ter dood).
- Mc 14,55: ezètoun... eis to thanatôsai (zij zochten... om te doden).
16. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,10. (3) Mc
14,11. (4) Mc
14,39. (5) Mc
14,44. (6) Mc
14,45. (7) Mc
14,46. (8) Mc
14,50. (9) Mc
14,51. (10) Mc
14,55. (11) Mc
14,61. (12) Mc
14,64. (13) Mc
14,65. (14) Mc
14,69.
17. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
| Mc 14,56 - Mc 14,56: 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [56] For many bare false witness against him, but their
witness agreed not together.
Luther-Bibel. 56 Denn viele gaben falsches Zeugnis ab gegen ihn; aber ihr Zeugnis
stimmte nicht �berein.
Tekstuitleg van Mc 14,56.
2. γάρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden), Taalgebruik in het NT: gar
(want). Taalgebruik in Mc: gar
(want).
Mc (63). Mc 14 (6): (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,5. (3) Mc
14,7. (4) Mc
14,40. (5) Mc
14,56. (6) Mc
14,70.
6. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
7. nom. vr. mv. isai (gelijk aan) van het bijvoegl. naamw. isos (gelijk). Taalgebruik in het NT: isos (gelijk). Ned. gelijk, zoals, evenals. Lat. similis. Fr. pareil, comme. E. like. D. wie. Bijbel (2): (1) 1 Kr 5,14: de persoonsnaam Isai < Hebr. jësjîsjaj. (2) Mc 14,56.
. (2) W 7,1. Een vorm van isos (gelijk) in de LXX (40), in het NT (8).
| Mc 14,57 - Mc 14,57: 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [57] And there arose certain, and bare false witness against
him, saying,
Luther-Bibel. 57 Und einige standen auf und gaben falsches Zeugnis ab gegen
ihn und sprachen:
Tekstuitleg van Mc 14,57.
1. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
| Mc 14,58 - Mc 14,58: 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [58] We heard him say, I will destroy this temple that is
made with hands, and within three days I will build another made without hands.
Luther-Bibel. 58 Wir haben geh�rt, dass er gesagt hat: Ich will diesen Tempel,
der mit H�nden gemacht ist, abbrechen und in drei Tagen einen andern bauen,
der nicht mit H�nden gemacht ist.
Tekstuitleg van Mc 14,58.
1. hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti
(dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti
(dat, omdat).
Mc (92). Mc 14 (10): (1) Mc
14,14. (2) Mc
14,18. (3) Mc
14,21. (4) Mc
14,25. (5) Mc
14,27. (6) Mc
14,30. (7) Mc
14,58. (8) Mc
14,69. (9) Mc
14,71. (10) Mc
14,72.
6. hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti
(dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti
(dat, omdat).
Mc (92). Mc 14 (10): (1) Mc
14,14. (2) Mc
14,18. (3) Mc
14,21. (4) Mc
14,25. (5) Mc
14,27. (6) Mc
14,30. (7) Mc
14,58. (8) Mc
14,69. (9) Mc
14,71. (10) Mc
14,72.
14. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
15. voorzetsel dia (omwille van). Taalgebruik in het NT: dia (door). Taalgebruik in Mc: dia (door). L. per, post. Fr. par, après. Ned. na.
17. genitief vrouwelijk meervoud hèmerôn van het zelfst. naamw. hèmera (dag). Mc (2): (1) Mc 2,1. (2) Mc 14,58: dia triôn hèmerôn (na drie dagen). In die context vinden we ook: èkousamen... hoti: wij hebben gehoord... dat.
9. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the.
Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc
14,9. (3) Mc
14,27. (4) Mc
14,33. (5) Mc
14,39. (6) Mc
14,47. (7) Mc
14,53. (8) Mc
14,58. (9) Mc
14,60. (10) Mc
14,62. (11) Mc
14,67. (12) Mc
14,71.
12. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.
| Mc 14,59 - Mc 14,59: 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [59] But neither so did their witness agree together.
Luther-Bibel. 59 Aber ihr Zeugnis stimmte auch so nicht �berein.
Tekstuitleg van Mc 14,59.
1. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
3. houtôs (zo, op deze wijze). Taalgebruik in het NT: houtos
(zo). Taalgebruik in Mc: houtos
(zo).
Mc (10): (1) Mc
2,7. (2) Mc
2,8. (3) Mc
2,12. (4) Mc
4,26. (5) Mc
7,18. (6) Mc
9,3. (7) Mc
10,43. (8) Mc
13,29. (9) Mc
14,59. (10) Mc
15,39.
7. nominatief vrouwelijk enkelvoud marturia (getuigenis). Taalgebuik in het
NT: marturia
(getuigenis). Taalgebuik in Mc: marturia
(getuigenis).
Mc (1): Mc
14,59.
In Mc
14,55 zijn de hogepriester en het hele sanhedrin op zoek naar een getuigenis
tegen Jezus. In Mc
14,56 vertelt de evangelist dat de getuigenissen niet gelijk zijn, dus
niet met elkaar overeenstemmen. In Mc
14,58 wordt het getuigenis van de tempel gegeven. Ook over dit getuigenis
is er geen overeenstemming (Mc
14,59).
| Mc 14,60 - Mc 14,60: 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [60] And the high priest stood up in the midst, and asked
Jesus, saying, Answerest thou nothing? what is it which these witness against
thee?
Luther-Bibel. 60 Und der Hohepriester stand auf, trat in die Mitte und fragte
Jesus und sprach: Antwortest du nichts auf das, was diese gegen dich bezeugen?
Tekstuitleg van Mc 14,60. Het vers Mc 14,60 telt 18 (2 X 3 X 3) letters, 95 (5 X 19) letters. De getalwaarde van Mc 14,60 is 11988 (2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 11 X 17).
Mc 14,60.1.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
Mc 14,60.3.
bep. lidw. nom. + onz. mann. enk. ho (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (219). Mc 14 (27): (1) Mc
14,6. (2) Mc
14,8. (3) Mc
14,9. (4) Mc
14,10. (5) Mc
14,14. (6) Mc
14,18. (7) Mc
14,20. (8) Mc
14,21. (9) Mc
14,27. (10) Mc
14,29. (11) Mc
14,30. (12) Mc
14,31. (13) Mc
14,36. (14) Mc
14,41. (15) Mc
14,42. (16) Mc
14,44. (17) Mc
14,48. (18) Mc
14,52. (19) Mc
14,54. (20) Mc
14,60. (21) Mc
14,61. (22) Mc
14,62. (23) Mc
14,63. (24) Mc
14,68. (25) Mc
14,70. (26) Mc
14,71. (27) Mc
14,72
Mc 14,60.4. nom. mann. enk. archiereus (hogepriester). Taalgebruik in het NT: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Mc: archiereus (hogepriester). Mc (3): (1) Mc 14,60. (2) Mc 14,61. (3) Mc 14,63.
Mc 14,60.5.
eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis
(naar). Taalgebruik in Mc: eis
(naar). Voorzetsel van richting. Lat. in. Fr. vers (versus: gedraaid, gekeerd; vertere: tourner, draaien). E. for. Ned. naar. D. nach.
Mc (151). Mc
Mc 14,60.6.
acc. onz. enk. meson van het bijvoegl. naamw. mesos (zich in het midden
bevindend). Taalgebruik in het NT: mesos
(zich in het midden bevindend). Taalgebruik in Mc: mesos
(zich in het midden bevindend).
Mc (3): (1) Mc
3,3. (2) Mc
7,31. (3) Mc
14,60.
Mc 14,60.5.
- 6. eis to meson (in het midden): Mc
3,3. eis meson (naar een midden): Mc
14,60. In Mc
3,3 wordt een vorm van egeirô (wekken), in Mc
14,60 een vorm van anistèmi (opstaan) gebruikt: egeire wek, sta
op) en anastas (opgestaan). Wat heeft de man met de verschrompelde hand te
maken met de hogepriester ? In Mc
3,4 stelt Jezus aan de farizeeën de vraag of het toegaten is op sabbat
goed of kwaad te doen, een leven te redden of verloren te laten gaan. De genezing
van de man zal ertoe leiden dat de Farizeeën met de Herodianen het advies
zullen geven Jezus om te brengen. In Mc
14,61 stelt de hogepriester de vraag naar de identiteit van Jezus: ben
je de Christus, de zoon van de gezegende. Het antwoord van Jezus in Mc
14,62 zal leiden tot zij veroordeling tot de dood (Mc
14,64). We staan hier dus in een situatie waarin een man wordt genezen
(Mc 3,5)
en Jezus ter dood wordt veroordeeld (Mc
14,64). Jezus redt een man, de hogepriester laat Jezus ter dood veroordelen.
Is de hogepriester soms een gehandicapte man, die zijn hand niet kan uitsteken
naar Jezus om door hem genezen te worden. Zijn de rollen in Mc
14,55-64 in vergelijking met Mc
3,1-6 nu omgekeerd. De Farizeeën lagen op de loer om Jezus te kunnen
beschuldigen (Mc
3,2) en zwegen op de vraag van Jezus (Mc
3,4). In Mc
14,55-64 zwijgt op de vraag van de hogepriester of hij niet antwoordt op
de getuigenissen.
Mc 14,60.8. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.
Mc 14,60.9. acc. mann. enk. Ièsoun. Mc 14 (2): (1) Mc 14,53. (2) Mc 14,60. Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 14 (11): (1) Mc 14,6 (nom. Ièsous). (2) Mc 14,18 (nom. Ièsous). (3) Mc 14,27 (nom. Ièsous). (4) Mc 14,30 (nom. Ièsous). (5) Mc 14,48 (nom. Ièsous). (6) Mc 14,53 (acc. Ièsoun). (7) Mc 14,55 (gen Ièsou.). (8) Mc 14,60 (acc. Ièsoun). (9) Mc 14,62 (nom. Ièsous). (10) Mc 14,67 (gen. Ièsou). (11) Mc 14,72 (nom. Ièsous). Taalgebruik in het NT: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus). acc. mann. enk. Ièsoun (Jezus). Mc (11): (1) Mc 5,6. (2) Mc 5,15. (3) Mc 6,30. (4) Mc 9,8. (5) Mc 10,50. (6) Mc 11,7. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,60. (9) Mc 15,1. (10) Mc 15,15. (11) Mc 16,6.
Mc 14,60.8. - 9. ton Ièsoun (Jezus). In Mc in 10 van de 11 verzen. Niet in Mc 16,6.
| Mc 14,61 - Mc 14,61: 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [61] But he held his peace, and answered nothing. Again
the high priest asked him, and said unto him, Art thou the Christ, the Son of
the Blessed?
Luther-Bibel. 61 Er aber schwieg still und antwortete nichts. Da fragte ihn
der Hohepriester abermals und sprach zu ihm: Bist du der Christus, der Sohn
des Hochgelobten?
Tekstuitleg van Mc 14,61. Dit vers Mc 14,61 telt 22 (2 X 11) woorden, X lettergrepen en 96 (2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 3) letters. De getalwaarde van Mc 14,61 is 12715 (5 X 2543).
Mc 14,61.1.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). bepaald lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 14 (27): (1) Mc
14,6. (2) Mc
14,8. (3) Mc
14,9. (4) Mc
14,10. (5) Mc
14,14. (6) Mc
14,18. (7) Mc
14,20. (8) Mc
14,21. (9) Mc
14,27. (10) Mc
14,29. (11) Mc
14,30. (12) Mc
14,31. (13) Mc
14,36. (14) Mc
14,41. (15) Mc
14,42. (16) Mc
14,44. (17) Mc
14,48. (18) Mc
14,52. (19) Mc
14,54. (20) Mc
14,60. (21) Mc
14,61. (22) Mc
14,62. (23) Mc
14,63. (24) Mc
14,68. (25) Mc
14,70. (26) Mc
14,71. (27) Mc
14,72.
Mc 14,61.2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.
Mc 14,61.3.
esiôpa (hij zweeg). In 2 verzen in de bijbel: (1) Mt
26,63. (2) Mc
14,61. Gr. siôpaô ( zwijgen ). Lat. tacere. Fr. taiser.
Zie Js 53,7. nè´èlâmâh ( zij verstomde, zij zweeg ).
Nifal perf. 3de pers. vrouwel. enk. van het werkwoord ´âlam: verstommen. Hapax.
Gr. afônos < a- fônos ( zonder stem, stom ). In 3 verzen in
de bijbel: (1) Js
53,7. (2) 2 Mak 3,29. (3) Hnd
8,32 ( in een citaat van Js
53,7 ).
Lat. obmutescet < ob - mut - escet ( hij verstomde ).
Het dubbel aspect van zwijgen en niet spreken in Js
53,7 komt in een andere formulering terug in Mc
14,61: ho de esiôpa ( hij echter zweeg ) kai ouk apekrinato ouden
( en hij antwoordde niet niets ).
Mc 14,61.9.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). bepaald lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 14 (27): (1) Mc
14,6. (2) Mc
14,8. (3) Mc
14,9. (4) Mc
14,10. (5) Mc
14,14. (6) Mc
14,18. (7) Mc
14,20. (8) Mc
14,21. (9) Mc
14,27. (10) Mc
14,29. (11) Mc
14,30. (12) Mc
14,31. (13) Mc
14,36. (14) Mc
14,41. (15) Mc
14,42. (16) Mc
14,44. (17) Mc
14,48. (18) Mc
14,52. (19) Mc
14,54. (20) Mc
14,60. (21) Mc
14,61. (22) Mc
14,62. (23) Mc
14,63. (24) Mc
14,68. (25) Mc
14,70. (26) Mc
14,71. (27) Mc
14,72.
Mc 14,61.10. nom. mann. enk. archiereus (hogepriester). Taalgebruik in het NT: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Mc: archiereus (hogepriester). Mc (3): (1) Mc 14,60. (2) Mc 14,61. (3) Mc 14,63.
Mc 14,61.11.
act. ind. imperf. 3de pers. enk. epèrôta (hij ondervroeg) van het
werkw. eperôtaô = 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. (inter-roger: ondervragen, tussen-vragen), bijvragen. Taalgebruik in het NT: eperotaô
(epi - erôtaô). Taalgebruik in Mc: eperotaô
(epi - erôtaô).
Mc (9): (1) Mc
5,9. (2) Mc
8,23. (3) Mc
8,27. (4) Mc
8,29. (5) Mc
9,33. (6) Mc
10,17. (7) Mc
13,3. (8) Mc
14,61. (9) Mc
15,4. Een vorm van eperôtaô in Mc (25).
12. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,10. (3) Mc
14,11. (4) Mc
14,39. (5) Mc
14,44. (6) Mc
14,45. (7) Mc
14,46. (8) Mc
14,50. (9) Mc
14,51. (10) Mc
14,55. (11) Mc
14,61. (12) Mc
14,64. (13) Mc
14,65. (14) Mc
14,69.
Mc 14,61.11. - 12. epèrôta auton (hij vroeg hem uit). Mc (4): (3) Mc 5,9 (de man met een onreine geest aan Jezus). (2) Mc 8,23 (Jezus aan de blinde). (3) Mc 10,17 (de rijke jongeling aan Jezus). (8) Mc 14,61 (de hogepriester aan Jezus).
13. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
Mc 14,61.14. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc 14: (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67.
14. - 15. legei autô(i) (hij / zij zei hem). Mc (12): (1) Mc 1,41. (2) Mc 1,44. (3) Mc 2,14. (4) Mc 5,19. (5) Mc 7,28. (6) Mc 7,34. (7) Mc 8,29. (8) Mc 10,51. (9) Mc 11,21. (10) Mc 13,1. (11) Mc 14,30. (12) Mc 14,61.
Mc 14,61.13. - 15. kai legei autô(i) (en hij zegt hem). Mc (7): (1) Mc 1,41. (2) Mc 1,44. (3) Mc 2,14. (4) Mc 7,28. (5) Mc 7,34. (6) Mc 14,30. (7) Mc 14,61. In 5 verzen is Jezus onderwerp: (1) Mc 1,41. (2) Mc 1,44. (3) Mc 2,14. (4) Mc 7,34. (5) Mc 14,30. In 2 verzen is iemand anders dan Jezus onderwerp: (1) Mc 7,28 (de Syrofenicische). (2) Mc 14,61 (de hogepriester).
Mc 14,61.16. pers. vnw. 2de pers. enk. nom. su (jij, gij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord. Mc (9): (1) Mc 1,11. (2) Mc 3,11. (3) Mc 8,29. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,36. (6) Mc 14,61. (7) Mc 14,67. (8) Mc 14,68. (9) Mc 15,2.
Mc 14,61.16.
- 17. su ei (jij bent, gij zijt). Mc (5 / 9): (1) Mc
1,11. (2) Mc
3,11. (3) Mc
8,29. (4) Mc
14,61. (5) Mc
15,2.
Merk volgende gelijkenissen op:
- Mc 1,11: su ei ho uios mou = jij bent mijn zoon.
- Mc 3,11: su ei ho uios tou theou = jij bent de zoon van God.
- Mc 8,29 = Mc 14,61: su ei ho christos = jij bent de messias
- Mc 15,2: su ei ho basileus tôn ioudaiôn = jij bent de koning van de joden.
Mc 14,61.18.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). bepaald lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 14 (27): (1) Mc
14,6. (2) Mc
14,8. (3) Mc
14,9. (4) Mc
14,10. (5) Mc
14,14. (6) Mc
14,18. (7) Mc
14,20. (8) Mc
14,21. (9) Mc
14,27. (10) Mc
14,29. (11) Mc
14,30. (12) Mc
14,31. (13) Mc
14,36. (14) Mc
14,41. (15) Mc
14,42. (16) Mc
14,44. (17) Mc
14,48. (18) Mc
14,52. (19) Mc
14,54. (20) Mc
14,60. (21) Mc
14,61. (22) Mc
14,62. (23) Mc
14,63. (24) Mc
14,68. (25) Mc
14,70. (26) Mc
14,71. (27) Mc
14,72.
Mc 14,61.20.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). bepaald lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 14 (27): (1) Mc
14,6. (2) Mc
14,8. (3) Mc
14,9. (4) Mc
14,10. (5) Mc
14,14. (6) Mc
14,18. (7) Mc
14,20. (8) Mc
14,21. (9) Mc
14,27. (10) Mc
14,29. (11) Mc
14,30. (12) Mc
14,31. (13) Mc
14,36. (14) Mc
14,41. (15) Mc
14,42. (16) Mc
14,44. (17) Mc
14,48. (18) Mc
14,52. (19) Mc
14,54. (20) Mc
14,60. (21) Mc
14,61. (22) Mc
14,62. (23) Mc
14,63. (24) Mc
14,68. (25) Mc
14,70. (26) Mc
14,71. (27) Mc
14,72.
| Mc 14,62 - Mc 14,62: 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. And Jesus said, I am: and ye shall see the Son of man sitting
on the right hand of power, and coming in the clouds of heaven.
Luther-Bibel. 62 Jesus aber sprach: Ich bin's; und ihr werdet sehen den Menschensohn
sitzen zur Rechten der Kraft und kommen mit den Wolken des Himmels.
Tekstuitleg van Mc 14,62. Dit vers telt 24 (2 X 2 X 2 X 3) woorden en 112 (2 X 2 X 2 X 2 X 7) letters. De getalwaarde van Mc 14,62 is 15273 (3 X 3 X 1697).
Mc 14,62.1.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). bepaald lidwoord. Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (219). Mc 14 (27): (1) Mc
14,6. (2) Mc
14,8. (3) Mc
14,9. (4) Mc
14,10. (5) Mc
14,14. (6) Mc
14,18. (7) Mc
14,20. (8) Mc
14,21. (9) Mc
14,27. (10) Mc
14,29. (11) Mc
14,30. (12) Mc
14,31. (13) Mc
14,36. (14) Mc
14,41. (15) Mc
14,42. (16) Mc
14,44. (17) Mc
14,48. (18) Mc
14,52. (19) Mc
14,54. (20) Mc
14,60. (21) Mc
14,61. (22) Mc
14,62. (23) Mc
14,63. (24) Mc
14,68. (25) Mc
14,70. (26) Mc
14,71. (27) Mc
14,72
Mc 14,62.2.
de (echter). Taalgebruik in het NT: de
(echter). Taalgebruik in Mc: de
(echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden.
Mc (149 + 2 = 151). Mc 14 (23): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,7. (5) Mc
14,9. (6) Mc
14,11. (7) Mc
14,20. (8) Mc
14,21. (9) Mc
14,29. (10) Mc
14,31. (11) Mc
14,38. (12) Mc
14,44. (13) Mc
14,46. (14) Mc
14,47. (15) Mc
14,52. (16) Mc
14,55. (17) Mc
14,61. (18) Mc
14,62. (19) Mc
14,63. (20) Mc
14,64. (21) Mc
14,68. (22) Mc
14,70. (23) Mc
14,71.
Mc 14,62.3. nom. mann. enk. Ièsous. Taalgebruik in het NT: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus). Hebr. Jëhôsju`a (JHWH redt). Ièsous (Jezus). Mc 14 (7): (1) Mc 14,6. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,48. (6) Mc 14,62. (7) Mc 14,72. Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 14 (11): (1) Mc 14,6 (nom. Ièsous). (2) Mc 14,18 (nom. Ièsous). (3) Mc 14,27 (nom. Ièsous). (4) Mc 14,30 (nom. Ièsous). (5) Mc 14,48 (nom. Ièsous). (6) Mc 14,53 (acc. Ièsoun). (7) Mc 14,55 (gen Ièsou.). (8) Mc 14,60 (acc. Ièsoun). (9) Mc 14,62 (nom. Ièsous). (10) Mc 14,67 (gen. Ièsou). (11) Mc 14,72 (nom. Ièsous).
Mc 14,62.4. ind. aor. 3de p. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur; les, Fr. leçon.
Mc 14,62.7.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
Mc 14,62.8. act. ind. fut. 2de pers. mv. opsesthe (jullie zullen zien) van het werkw. horaô (zien). Taalgebruik in het NT: horaô (zien). Taalgebruik in Mc: horaô (zien). Mc (2): (1) 14,62. (2) Mc 16,7. Een vorm van horaô (zien) in Mc in 7 verzen: (1) Mc 1,44. (2) Mc 8,15. (3) Mc 8,24. (4) Mc 9,4. (5) Mc 13,26. (6) Mc 14,62. (7) Mc 16,7.
Mc 14,62.9.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (124). Mc 14 (12): (1) Mc
14,8. (2) Mc
14,9. (3) Mc
14,27. (4) Mc
14,33. (5) Mc
14,39. (6) Mc
14,47. (7) Mc
14,53. (8) Mc
14,58. (9) Mc
14,60. (10) Mc
14,62. (11) Mc
14,67. (12) Mc
14,71.
Mc 14,62.10.
acc. mann. enk. huion (zoon) van het zelfst. naamw. huios (zoon). Taalgebruik
in het NT: huios
(zoon). Taalgebruik in Mc: huios
(zoon). Hebr. ben. Lat. filius. Fr. fils.
Mc (6): (1) Mc
8,31. (2) Mc
9,12. (3) Mc
9,17. (4) Mc
12,6. (5) Mc
13,26. (6) Mc
14,62. Een vorm van huios (zoon) in Mc in 33 verzen.
Mc 14,62.11.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (116). Mc 14 (13): (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,3. (3) Mc
14,4. (4) Mc
14,21. (5) Mc
14,25. (6) Mc
14,41. (7) Mc
14,47. (8) Mc
14,54. (9) Mc
14,55. (10) Mc
14,61. (11) Mc
14,62. (12) Mc
14,66. (13) Mc
14,67.
Mc 14,62.12.
gen. mann. enk. anthrôpou (mens) van het zelfst. naamw. anthrôpos
(mens). Taalgebruik in het NT: anthrôpos
(mens). Taalgebruik in Mc: anthrôpos
(mens).
Mc (16): (1) Mc
2,10. (2) Mc
2,28. (3) Mc
5,8. (4) Mc
7,15. (5) Mc
7,20. (6) Mc
8,31. (7) Mc
8,38. (8) Mc
9,9. (9) Mc
9,12. (10) Mc
9,31. (11) Mc
10,33. (12) Mc
10,45. (13) Mc
13,26. (14) Mc
14,21. (15) Mc
14,41. (16) Mc
14,62. Een vorm van anthrôpos (mens) in Mc in 53 verzen.
10. - 12. Een vorm van huios tou anthrôpou (mensenzoon) in 13 (14X) verzen: (1) Mc 2,10. (2) Mc 2,28. (3) Mc 8,31. (4) Mc 8,38. (5) Mc 9,9. (6) Mc 9,12. (7) Mc 9,31. (8) Mc 10,33. (9) Mc 10,45. (10) Mc 13,26. (11) Mc 14,21 (2X). (12) Mc 14,41. (13) Mc 14,62.
Mc 14,62.13.
ek - ex (uit). Taalgebruik in het NT: ek
(uit). Taalgebruik in Mc: ek
(uit). Ned. uit. D. aus. E. out. Fr. de.
Mc (38 + 20 = 58). ek (uit) Mc 14 (2 + 4): (1) Mc
14,25. (2) Mc
14,72. ex (uit): Mc (14): (1) Mc
14,18. (2) Mc
14,23. (3) Mc
14,69. (4) Mc
14,70. + Mc
14,62.
Mc 14,62.14.
gen. mv. dexiôn (rechts) van het bijvoegl. naamw. dexios (rechts). Taalgebruik
in het NT: dexios
(rechts). Taalgebruik in Mc: dexios
(rechts).
Mc (6): (1) Mc
10,37. (2) Mc
10,40. (3) Mc
12,36. (4) Mc
14,62. (5) Mc
15,27. (6) Mc
16,19. Een vorm van dexios (rechts) in Mc in 7 verzen.
Mc 14,62.15. part. praes. acc. mann. enk. καθημενον = kathèmenon (gezeten) van het werkw. καθημαι = kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten). Taalgebruik in het NT: kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten). Taalgebruik in de LXX: kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten). Taalgebruik in Mc: kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten). Bijbel (17): (1) Re 18,7. (2) 1 K 1,48. (3) 1 K 13,14. (4) 1 K 22,19. (5) Js 6,1. (6) Jr 49,31. (7) 2 Kr 18,18. (8) Mt 9,9. (9) Mc 2,14. (10) Mc 5,15. (11) Mc 14,62. (12) Mc 16,5. (13) Lc 5,27. (14) Lc 8,35. (15) Lc 22,56. (16) Apk 14,14. (17) Apk 20,11. Een vorm van καθημαι = kathèmai in de LXX (180), in het NT (91), in Mt (19), in Mc (11), in Lc (13).
| kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) | Mc | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 10 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 2 | part. pr. acc. mann. enk. kathèmenon | 4 | (1) Mc 2,14. | (2) Mc 5,15. | (3) Mc 14,62. | (4) Mc 16,5. | 17 | 7 | 10 | 1 | 4 | 3 | 2 | 8 | 8 | ||||||||||
| totaal | 11 | 2 | 2 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 131 | 80 | 51 | 12 | 11 | 9 | 2 | 3 | 2 | 12 | 32 | 34 | 1 | 1 |
16. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (65). Mc 14 (6): (1) Mc
14,3. (2) Mc
14,24. (3) Mc
14,25. (4) Mc
14,35. (5) Mc
14,62. (6) Mc
14,64.
17. gen. vr. enk. dunameôs van het zelfst. naamw. dunamis (macht, kracht). Taalgebruik in het NT: dunamis (macht, kracht). Taalgebruik in Mc: dunamis (macht, kracht). Mc (2): (1) Mc 13,26. (2) Mc 14,62. Een vorm van dunamis (macht, kracht) (enk.) in Mc in 7 verzen: (1) Mc 5,30. (2) Mc 6,5. (3) Mc 9,1. (4) Mc 9,39. (5) Mc 12,24. (6) Mc 13,26. (7) Mc 14,62.
Mc 14,62.18.
kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in het NT. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr: waw (verbindingshaak). L: et. Fr: et. N: en. E: and. D. und.
Mc (555). Mc 14. Van de 72 verzen niet in 12 verzen: (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,4. (3) Mc
14,6. (4) Mc
14,8. (5) Mc
14,20. (6) Mc
14,21. (7) Mc
14,25. (8) Mc
14,28. (9) Mc
14,42. (10) Mc
14,52. (11) Mc
14,63. (12) Mc
14,64.
19. part. pr. acc. mann. enk. erchomenon (komende) van het werkw. erchomai
(gaan, komen). Taalgebruik in het NT: erchomai
(gaan, komen). Taalgebruik in Mc: erchomai
(gaan, komen).
Mc (3): (1) Mc
13,26. (2) Mc
14,62. (3) Mc
15,21. Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Mc in 82 verzen.
20. meta (met, na). Afkorting: met'. Taalgebruik in het NT: meta
(na, met). Taalgebruik in Mc: meta
(na, met). Voorzetsel. Hebr. `im.
-- Lat. cum. Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen). D. mit. E. with. Fr.
avec (< apud hoc: met dat).
-- Lat. post-quam. Ned. na-dat. D. nachdem. Fr. après (< ad pressum
= tot ge-perst, opeengeperst; primere, pressum: persen ). E. after.
Mc (34 + 16 = 50). Mc 14 (10 + 4 = 14). meta (met, na). Mc 14 (10): (1) Mc 14,1. (2) Mc
14,14. (3) Mc
14,17. (4) Mc
14,28. (5) Mc
14,43. (6) Mc
14,48. (7) Mc
14,54. (8) Mc
14,62. (9) Mc
14,67. (10) Mc
14,70. met' (met, na). Mc 14 (4): (1) Mc
14,18. (2) Mc
14,20. (3) Mc
14,33. (4) Mc
14,43.
21. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in
het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc
14,10. (2) Mc
14,12. (3) Mc
14,13. (4) Mc
14,14. (5) Mc
14,17. (6) Mc
14,20. (7) Mc
14,26. (8) Mc
14,41. (9) Mc
14,43. (10) Mc
14,47. (11) Mc
14,54. (12) Mc
14,62. (13) Mc
14,66.
22. gen. vr. mv. nefelôn (wolken) van het zelfst. naamw. nefelè (nevel, wolk). Taalgebruik in het NT: nefelè (nevel, wolk). Taalgebruik in Mc: nefelè (nevel, wolk). Mc (1): Mc 14,62. Een vorm van nefelè (nevel, wolk) in Mc in 4 verzen: (1) Mc 9,7. (2) Mc 9,7. (3) Mc 13,26. (4) Mc 14,62.
23. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (116). Mc 14 (13): (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,3. (3) Mc
14,4. (4) Mc
14,21. (5) Mc
14,25. (6) Mc
14,41. (7) Mc
14,47. (8) Mc
14,54. (9) Mc
14,55. (10) Mc
14,61. (11) Mc
14,62. (12) Mc
14,66. (13) Mc
14,67.
| Mc 14,63 - Mc 14,63: 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [63] Then the high priest rent his clothes, and saith, What
need we any further witnesses?
Luther-Bibel. 63 Da zerriss der Hohepriester seine Kleider und sprach: Was
bed�rfen wir weiterer Zeugen?
Tekstuitleg van Mc 14,63.
1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). bepaald lidwoord. Taalgebruik in het
NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 14 (27): (1) Mc
14,6. (2) Mc
14,8. (3) Mc
14,9. (4) Mc
14,10. (5) Mc
14,14. (6) Mc
14,18. (7) Mc
14,20. (8) Mc
14,21. (9) Mc
14,27. (10) Mc
14,29. (11) Mc
14,30. (12) Mc
14,31. (13) Mc
14,36. (14) Mc
14,41. (15) Mc
14,42. (16) Mc
14,44. (17) Mc
14,48. (18) Mc
14,52. (19) Mc
14,54. (20) Mc
14,60. (21) Mc
14,61. (22) Mc
14,62. (23) Mc
14,63. (24) Mc
14,68. (25) Mc
14,70. (26) Mc
14,71. (27) Mc
14,72.
2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.
1. - 2. ὁ δε = ho de (hij echter). NT (698).
3. nom. mann. enk. archiereus (hogepriester). Taalgebruik in het NT: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Mc: archiereus (hogepriester). Mc (3): (1) Mc 14,60. (2) Mc 14,61. (3) Mc 14,63.
Mc
14,63.4. act. part. aor. nom. mann. enk. διαρρηξας = diarrèksas (verscheurd) van het werkw. διαρρηγνυμι OF διαρρησσω = diarrègnumi OF diarrèssô (doorbreken, doorklieven, doen barsten, verscheuren, uiteenrijgen). Taalgebruik in het NT: diarrègnumi (doorbreken, doorklieven, doen barsten, verscheuren). Taalgebruik in de LXX: diarrègnumi (doorbreken, doorklieven, doen barsten, verscheuren). Bijbel (1): Mc
14,63. Een vorm van διαρρηγνυμι OF διαρρησσω = diarrègnumi OF diarrèssô in het LXX (84). Pentateuch (5): (1) Gn 37,29. (2) Gn 37,34. (3) Lv 10,6. (4) Lv 21,10. (5) Nu 14,6, in het NT (5): (1) Mt
26,65. (2) Mc
14,63. (3) Lc 5,6. (4) Lc
8,29. (5) Hnd 14,14. Parallel: Mt
26,65 // Mc
14,63.
- act. ind. aor. 3de pers. enk. διερρηξεν = dierrèksen (hij verscheurde) van het werkw. διαρρηγνυμι OF διαρρησσω = diarrègnumi OF diarrèssô (doorbreken, doorklieven, doen barsten, verscheuren, uiteenrijgen). Taalgebruik in het NT: diarrègnumi (doorbreken, doorklieven, doen barsten, verscheuren). Taalgebruik in de LXX: diarrègnumi (doorbreken, doorklieven, doen barsten, verscheuren). Bijbel (32). LXX (31). NT (1): Mt
26,65. Een vorm van διαρρηγνυμι OF διαρρησσω = diarrègnumi OF diarrèssô in het LXX (84). Pentateuch (6): (1) Gn 37,29. (2) Gn 37,34. (3) Gn 44,13. (4) Lv 10,6. (5) Lv 21,10. (6) Nu 14,6, in het NT (5): (1) Mt
26,65. (2) Mc
14,63. (3) Lc 5,6. (4) Lc
8,29. (5) Hnd 14,14. Parallel: Mt
26,65 // Mc
14,63.
- Hebreeuws. וַיִּקְרַע = wajjiqëra` (en hij scheurde) < wa: verbindingswoord consecutivum + qal ind. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. קָרַע = qâra` (scheuren, afscheuren, in stukken snijden). Taalgebruik in Tenakh: qâra` (scheuren, afscheuren, in stukken snijden). Getalwaarde: qoph = 19 of 100, resj = 20 of 200, ajin = 16 of 70; totaal: 55 (5 X 11) OF 370 (2 X 5 X 37). Structuur: 1 - 2 - 7. De som van de elementen is 1. MT (16): (1) Gn 37,29. (2) Gn 37,34. (3) Joz 7,6. (4) Re 11,35. (5) 1 S 15,27. (6) 1 S 28,17. (7) 2 S 13,31. (8) 1 K 21,27. (9) 2 K 5,7. (10) 2 K 6,30. (11) 2 K 19,1. (12) 2 K 22,11. (13) Js 37,1. (14) Job 1,20. (15) Est 4,1. (16) 2
Kr 34,19.
- Lat. scindere. Fr. déchirer. Ned. scheuren, verscheuren.
Mc 14,63.6. acc. mann. mv. χιτωνας = chitônas (kleren) van het zelfst. naamw. χιτων = chitôn (wollen of linnen onderkleed). Taalgebruik in het NT: chitôn (wollen of linnen onderkleed). Taalgebruik in de LXX: chitôn (wollen of linnen onderkleed). Taalgebruik in Lc: chitôn (wollen of linnen onderkleed). Bijbel (19): (1) Gn 3,21. (2) Ex 28,40. (3) Ex 29,9. (4) Ex 35,19. (5) Ex 36,34. (6) Ex 40,14. (7) Lv 8,13. (8) Js 3,16. (9) Js 36,22. (10) Jdt 14,19. (11) 2 Mak 4,38. (12) 2 Mak 12,40. (13) Bar 6,30. (14) Mt 10,10 // Mc 6,9 // Lc 9,3. (15) Mc 14,63. (16) Mt 10,10 // Mc 6,9 // Lc 9,3. (17) Lc 3,11. (18) Mt 10,10 // Mc 6,9 // Lc 9,3. (19) Hnd 9,39. Een vorm van χιτων = chitôn (wollen of linnen onderkleed) in de LXX (27), in het NT (10), in Lc (3):: (1) Lc 3,11. (2) Lc 6,29. (3) Lc 9,3. In de LXX kan χιτων = chitôn (wollen of linnen onderkleed) de vertaling van 5 Hebreeuwse woorden zijn.
| chitôn | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | acc. mann. enk. chitôna | 18 | 14 | 4 | 1 | 1 | 1 | 1 | 2 | 3 | 1 | ||||
| 2 | acc. mann. mv. chitônas | 19 | 13 | 6 | 1 | 2 | 2 | 1 | 5 | 5 | |||||
| Totaal | 37 | 27 | 10 | 2 | 2 | 3 | 1 | 1 | 1 | 7 | 8 | 1 |
- Hebreeuws. mv. כחֳנֹח = khuthänoth (klederen) van het zelfst. naamw. כְּחֹנֶח = këthonèth (kleed). Taalgebruik in Tenakh: këthonèth (kleed). Tenakh (4): (1) Ex 28,40. (2) Ex 29,8. (3) Ex 40,14. (4) Lv 8,13. In deze 4 verzen is de vertaling in de LXX χιτωνας = chitônas (kleren).
- כָּתְנוֹת = kâthënôth (kleren) van het zelfst. naamw. כְּחֹנֶח = këthonèth (kleed). Taalgebruik in Tenakh: këthonèth (kleed). Tenakh (2): (1) Gn 3,21. (2) Neh 7,69.
- Paralleltekst in Matteüs (Mt
26,65): nom. + acc. onz. mv. ἱματια = himatia (kleren) van het zelfst. naamw. ἱματιον = himation (kleed). Taalgebruik in het NT: himation (kleed). Taalgebruik in de LXX: himation (kleed). Bijbel (144). OT (115). NT (29). Mt (6): (1) Mt 17,2. (2) Mt 21,7. (3) Mt 21,8. (4) Mt
26,65. (5) Mt
27,31. (6) Mt
27,35. Mc (5): (1) Mc 9,3. (2) Mc 11,7. (3) Mc 11,8. (4) Mc 15,20. (5) Mc 15,24. Lc (3): (1) Lc
19,35. (2) Lc
19,36. (3) Lc
23,34. Joh (4). Hnd (7). Br (1). Apk (3). Een vorm van ἱματιον = himation (kleed) in de LXX (221), in het NT (60), in Mt (13), in Mc (12), in Lc (10). In de LXX kan
ἱματιον = himation (kleed) de vertaling van 11 Hebreeuwse woorden zijn.
Mc
14,63.5. - 7. τους χιτωνας αυτου = tous chitônas autou (zijn kleren). NT (1): (1) Mc
14,63.
- δυο χιτωνας = duo chitônas (2 kledingstukken). NT (4): (1) Mt
10,10 // Mc 6,9 // Lc
9,3. (2) Mt
10,10 // Mc 6,9 // Lc
9,3. (3) Lc
3,11. (4) Mt
10,10 // Mc 6,9 // Lc
9,3.
4. - 7. - Hebreeuws. (en hij scheurde zijn kleren). Bijbel (8): (1) Gn 37,29. (2) Re 11,35. (3) 2 S 13,31. (4) 2 K 6,30. (5) 2 K 19,1. (6) 2 K 22,11. (7) Js 37,1. (8) 2 Kr 34,19.
Mc 14,63.8. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc 14: (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67.
| Mc 14,64 - Mc 14,64: 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,55 - Mc 14,56 - Mc 14,57 - Mc 14,58 - Mc 14,59 - Mc 14,60 - Mc 14,61 - Mc 14,62 - Mc 14,63 - Mc 14,64 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [64] Ye have heard the blasphemy: what think ye? And they
all condemned him to be guilty of death.
Luther-Bibel. 64 Ihr habt die Gottesl�sterung geh�rt. Was ist euer Urteil?
Sie aber verurteilten ihn alle, dass er des Todes schuldig sei.
Tekstuitleg van Mc 14,64. Het vers Mc 14,64 telt 14 (2 X 7) woorden en 78 (2 X 3 X 13) letters. De getalwaarde van Mc 14,64 is 8046 (2 X 3³ X 149). In Mc 14,53 komen alle hogepriesters en oudsten en schriftgeleerden bijeen. In Mc 14,64 veroordelen zij allen Jezus ter dood. In tegenstelling tot de andere evangelisten legt Marcus de nadruk op 'allen'. In Mc 14,55 en Mc 15,1 is er sprake van het hele sanhedrin.
2. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (65). Mc 14 (6): (1) Mc
14,3. (2) Mc
14,24. (3) Mc
14,25. (4) Mc
14,35. (5) Mc
14,62. (6) Mc
14,64.
8. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.
Mc 14,64.9. nom. mann. mv. παντες = pantes (allen) van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in het NT: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in de LXX: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in Mc: pas (ieder, elk, alles).
| pas (al) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 10 | nom. mann. mv. pantes | 724 | 558 | 166 | 18 | 15 | 25 | 14 | 33 | 57 | 4 | 58 | 72 |
| pas (al) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | |
| 10 | nom. mann. mv. pantes | 15 | 2 : (1) Mc 1,5. (2) Mc 1,37. | (1) Mc 5,20. | 2 : (1) Mc 6,42. (2) Mc 6,50. | 2 : (1) Mc 7,3. (2) Mc 7,14. | (1) Mc 12,44. | 7 : (1) Mc 14,23. (2) Mc 14,27. (3) Mc 14,29. (4) Mc 14,31. (5) Mc 14,50. (6) Mc 14,53. (7) Mc 14,64. |
- Hebr. kol. kl (al). Taalgebruik in Tenakh: kl (al). Lat. omnis. Fr. tout. Ned. elk, ieder. Arabisch: kull (al). Taalgebruik in de Koran: kull (al).
11. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,10. (3) Mc
14,11. (4) Mc
14,39. (5) Mc
14,44. (6) Mc
14,45. (7) Mc
14,46. (8) Mc
14,50. (9) Mc
14,51. (10) Mc
14,55. (11) Mc
14,61. (12) Mc
14,64. (13) Mc
14,65. (14) Mc
14,69.
13. act. inf. praes. einai (zijn) van het werkw. eimi (zijn). Taalgebruik
in het NT: eimi
(zijn). Taalgebruik in Mc: eimi
(zijn). Hebr. hâjâh. Lat. esse. Fr. être. Ned. zijn. E. to be.
Mc (7): (1) Mc
8,27. (2) Mc
8,29. (3) Mc
9,5. (4) Mc
9,35. (5) Mc
10,44. (6) Mc
12,18. (7) Mc
14,64.
14. gen. mann. enk. thanatou (van de dood) van het zelfst. naamw. thanatos (dood). Taalgebruik in het NT: thanatos (dood). Taalgebruik in Mc: thanatos (dood). Mc (3): (1) Mc 9,1. (2) Mc 14,34. (3) Mc 14,64. Een vorm van thanatos (dood) in Mc in 6 verzen: (1) Mc 7,10. (2) Mc 9,1. (3) Mc 10,33. (4) Mc 13,12. (5) Mc 14,34. (6) Mc 14,64.
333. Bespotting van Jezus: Mc 14,65 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,65 - Mt 26,67-68 - Lc 22,63-65 -
| Mc 14,65 - Mc 14,65: 333. Bespotting van Jezus: Taalgebruiken -- Mc 14,65 - Mt 26,67-68 - Lc 22,63-65 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [65] And some began to spit on him, and to cover his face,
and to buffet him, and to say unto him, Prophesy: and the servants did strike
him with the palms of their hands.
Luther-Bibel. 65 Da fingen einige an, ihn anzuspeien und sein Angesicht zu
verdecken und ihn mit F�usten zu schlagen und zu ihm zu sagen: Weissage uns!
Und die Knechte schlugen ihn ins Angesicht.
Tekstuitleg van Mc 14,65.
4. emptuein. Infinitief. In 1 vers in de bijbel: Mc 14,65. Taalgebruik: emptuô (spuwen op of in: in iemands gelaat spuwen, uitspuwen, zie Js 50,6.
9. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.
334. Verloochening van Petrus: Mc 14,66-72 - Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,66 - Mc 14,67 - Mc 14,68 - Mc 14,69 - Mc 14,70 - Mc 14,71 - Mc 14,72 -
| Mc 14,66 - Mc 14,66: 334. Verloochening van Petrus: Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,66 - Mc 14,67 - Mc 14,68 - Mc 14,69 - Mc 14,70 - Mc 14,71 - Mc 14,72 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [66] And as Peter was beneath in the palace, there cometh
one of the maids of the high priest:
Luther-Bibel. 66 Und Petrus war unten im Hof. Da kam eine von den M�gden des
Hohenpriesters;
Tekstuitleg van Mc 14,66.
6. ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd, middel)Taalgebruik in het NT: en
(in). Taalgebruik in Mc: en
(in).
Mc 14 (7): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,2. (3) Mc
14,3. (4) Mc
14,6. (5) Mc
14,25. (6) Mc
14,49. (7) Mc
14,66.
11. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de). Taalgebruik in
het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. D. der, die, das
enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (90). Mc 14 (13): (1) Mc
14,10. (2) Mc
14,12. (3) Mc
14,13. (4) Mc
14,14. (5) Mc
14,17. (6) Mc
14,20. (7) Mc
14,26. (8) Mc
14,41. (9) Mc
14,43. (10) Mc
14,47. (11) Mc
14,54. (12) Mc
14,62. (13) Mc
14,66.
14. gen. mann. enk. archiereôs (van de hogepriester). Taalgebruik in het NT: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Mc: archiereus (hogepriester). Mc (4): (1) Mc 2,26. (2) Mc 14,47. (3) Mc 14,54. (4) Mc 14,66.
| Mc 14,67 - Mc 14,67: 334. Verloochening van Petrus: Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,66 - Mc 14,67 - Mc 14,68 - Mc 14,69 - Mc 14,70 - Mc 14,71 - Mc 14,72 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [67] And when she saw Peter warming himself, she looked
upon him, and said, And thou also wast with Jesus of Nazareth.
Luther-Bibel. 67 und als sie Petrus sah, wie er sich w�rmte, schaute sie ihn
an und sprach: Und du warst auch mit dem Jesus von Nazareth.
Tekstuitleg van Mc 14,67.
3. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.
8. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc 14: (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67.
10. pers. vnw. 2de pers. enk. nom. su (jij, gij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord. Mc (9): (1) Mc 1,11. (2) Mc 3,11. (3) Mc 8,29. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,36. (6) Mc 14,61. (7) Mc 14,67. (8) Mc 14,68. (9) Mc 15,2.
16. gen. mann. enk. Ièsou. Mc 14 (2): (1) Mc 14,55. (2) Mc 14,67. Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 14 (11): (1) Mc 14,6 (nom. Ièsous). (2) Mc 14,18 (nom. Ièsous). (3) Mc 14,27 (nom. Ièsous). (4) Mc 14,30 (nom. Ièsous). (5) Mc 14,48 (nom. Ièsous). (6) Mc 14,53 (acc. Ièsoun). (7) Mc 14,55 (gen Ièsou.). (8) Mc 14,60 (acc. Ièsoun). (9) Mc 14,62 (nom. Ièsous). (10) Mc 14,67 (gen. Ièsou). (11) Mc 14,72 (nom. Ièsous). Taalgebruik in het NT: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus).
| Mc 14,68 - Mc 14,68: 334. Verloochening van Petrus: Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,66 - Mc 14,67 - Mc 14,68 - Mc 14,69 - Mc 14,70 - Mc 14,71 - Mc 14,72 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [68] But he denied, saying, I know not, neither understand
I what thou sayest. And he went out into the porch; and the cock crew.
Luther-Bibel. 68 Er leugnete aber und sprach: Ich wei� nicht und verstehe nicht,
was du sagst. Und er ging hinaus in den Vorhof, und der Hahn kr�hte.
Tekstuitleg van Mc 14,68.
2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.
9. pers. vnw. 2de pers. enk. nom. su (jij, gij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord. Mc (9): (1) Mc 1,11. (2) Mc 3,11. (3) Mc 8,29. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,36. (6) Mc 14,61. (7) Mc 14,67. (8) Mc 14,68. (9) Mc 15,2.
13. ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen (hij ging uit) van het werkw.
exerchomai (uitgaan). Taalgebruik in het NT: exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan). Taalgebruik in Mc: exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan). Zie ook Taalgebruik in Mc: eiserchomai
(binnengaan). Uit-gaan kan betekenen: van een eerder besloten ruimte zoals
een huis, een stad enz. naar buiten gaan. Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt
om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven.
Mc ( 11) : (1) Mc
1,26. (2) Mc
1,28. (3) Mc
1,35. (4) Mc
2,12. (5) Mc
2,13. (6) Mc
4,3. (7) Mc
6,1. (8) Mc
8,27. (9) Mc
9,26. (10) Mc
11,11. (11) Mc
14,68.
16. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.
20. act. ind. aor. 3de pers. enk. efônèsen (hij riep) van het werkw. foneô (roepen, schreeuwen). Taalgebruik in het NT: fôneô (roepen, schreeuwen). Taalgebruik in Mc: fôneô (roepen, schreeuwen). Mc (3): (1) Mc 9,35. (2) Mc 14,68. (3) Mc 14,72.
| Mc 14,69 - Mc 14,69: 334. Verloochening van Petrus: Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,66 - Mc 14,67 - Mc 14,68 - Mc 14,69 - Mc 14,70 - Mc 14,71 - Mc 14,72 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [69] And a maid saw him again, and began to say to them
that stood by, This is one of them.
Luther-Bibel. 69 Und die Magd sah ihn und fing abermals an, denen zu sagen,
die dabeistanden: Das ist einer von denen.
69 καὶ ἡ παιδίσκη ἰδοῦσα αὐτὸν ἤρξατο πάλιν λέγειν τοῖς παρεστῶσιν ὅτι Οὗτος ἐξ αὐτῶν ἐστιν.
Tekstuitleg van Mc 14,69.
Mc 14,69 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παιδίσκη (= paidiskè: dienares, slavin, meid; zn nom vr enk) ἰδοῦσα (= idousa: gezien; wkw act part aor nom vr enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag - Lat: videre; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) λέγειν (= legein: te zeggen; wkw act inf praes van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παρεστῶσιν (= parestôsin: omstaanders; wkw act part perf dat mann mv van het wkw παριστημι = paristèmi: staan bij) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Οὗτος (= houtos: deze; aanwijz vnw nom mann enk) ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse)1. .
Mc 14,69.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw).
Mc 14,69.2. ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het).
Mc 14,69.3. παιδίσκη (= paidiskè: dienares, slavin, meid; zn nom vr enk).
Mc 14,69.4. ἰδοῦσα (= idousa: gezien; wkw act part aor nom vr enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag - Lat: videre; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh)
Mc
14,69.5. αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,10. (3) Mc
14,11. (4) Mc
14,39. (5) Mc
14,44. (6) Mc
14,45. (7) Mc
14,46. (8) Mc
14,50. (9) Mc
14,51. (10) Mc
14,55. (11) Mc
14,61. (12) Mc
14,64. (13) Mc
14,65. (14) Mc
14,69.
Mc
14,69.6. ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers mann enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen). Taalgebruik in het NT: archomai
(beginnen, aanvangen, heersen). Taalgebruik in Mc: archomai
(beginnen, aanvangen, heersen). OT (35). NT (41). Mt
(7). Mc (18). Lc (11). Joh (1). Hnd (4).
Mc (18): (1) Mc
1,45. (2) Mc
4,1. (3) Mc
5,20. (4) Mc
6,2. (5) Mc
6,7. (6) Mc
6,34. (7) Mc
8,31. (8) Mc
8,32. (9) Mc
10,28. (10) Mc
10,32. (11) Mc
10,47. (12) Mc
11,15. (13) Mc
12,1. (14) Mc
13,5. (15) Mc
14,33. (16) Mc
14,69. (17) Mc
14,71. (18) Mc
15,8. Een vorm van αρχομαι (= archomai: beginnen) in Mc in 27 verzen.
- Ned: beginnen. Afleiding met → be- van een niet-overgeleverd (oorspr. sterk) werkwoord *ginnan ‘aanvangen’. Stam = ! (a/ee) - r - k: ar(k) / eer-(ste).
Mc 14,69.7. πάλιν (= palin: opnieuw; partikel).
Mc 14,69.8. λέγειν (= legein: te zeggen; van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep).
| λεγω (= legô: zeggen) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| λέγειν (= legein: te zeggen; wkw act inf praes) | 51 | 11 | 40 | 5 | 8 | 12 | 1 | 6 | 8 | 25 | 26 | |
| totaal | 2928 | 1837 | 1091 | 265 | 150 | 191 | 196 | 79 | 124 | 86 | 606 | 802 |
Mc 14,69.6. 8. ηρξατο (...) λεγειν (= èrxato (...) legein: hij begon te zeggen). LXX (1). NT (5). Mc (5): (1) Mc 10,28. (2) Mc 10,32. (3) Mc 10,47. (4) Mc 13,5. (5) Mc 14,69. Variante lezing: Mc 12,1
11. hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti
(dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti
(dat, omdat).
Mc (92). Mc 14 (10): (1) Mc
14,14. (2) Mc
14,18. (3) Mc
14,21. (4) Mc
14,25. (5) Mc
14,27. (6) Mc
14,30. (7) Mc
14,58. (8) Mc
14,69. (9) Mc
14,71. (10) Mc
14,72.
12. nom. mann. enk. houtos. Taalgebruik: houtos (deze). Taalgebruik: houtos (deze). Mc (12): (1) Mc 2,7. (2) Mc 3,35. (3) Mc 4,41. (4) Mc 6,3. (5) Mc 6,16. (6) Mc 7,6. (7) Mc 9,7. (8) Mc 12,7. (9) Mc 12,10. (10) Mc 13,13. (11) Mc 14,69. (12) Mc 15,39.
| Mc 14,70 - Mc 14,70: 334. Verloochening van Petrus: Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,66 - Mc 14,67 - Mc 14,68 - Mc 14,69 - Mc 14,70 - Mc 14,71 - Mc 14,72 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [70] And he denied it again. And a little after, they that
stood by said again to Peter, Surely thou art one of them: for thou art a Galilaean,
and thy speech agreeth thereto.
Luther-Bibel. 70 Und er leugnete abermals. Und nach einer kleinen Weile sprachen
die, die dabeistanden, abermals zu Petrus: Wahrhaftig, du bist einer von denen;
denn du bist auch ein Galil�er.
Tekstuitleg van Mc 14,70.
2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.
14. alèthôs (waarlijk). Taalgebruik in het NT: alèthôs (waarlijk). Taalgebruik in Mc: alèthôs (waarlijk). Mc (2): (1) Mc 14,70. (2) Mc 15,39.
19. γάρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden), Taalgebruik in het NT: gar
(want). Taalgebruik in Mc: gar
(want).
Mc (63). Mc 14 (6): (1) Mc
14,2. (2) Mc
14,5. (3) Mc
14,7. (4) Mc
14,40. (5) Mc
14,56. (6) Mc
14,70.
18. - 19. kai gar (want ook). Mc (2): (1) Mc 10,45. (2) Mc 14,70.
| Mc 14,71 - Mc 14,71: 334. Verloochening van Petrus: Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,66 - Mc 14,67 - Mc 14,68 - Mc 14,69 - Mc 14,70 - Mc 14,71 - Mc 14,72 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [71] But he began to curse and to swear, saying, I know
not this man of whom ye speak.
Luther-Bibel. 71 Er aber fing an, sich zu verfluchen und zu schw�ren: Ich kenne
den Menschen nicht, von dem ihr redet.
Tekstuitleg van Mc 14,71.
2. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc 14 (23): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,4. (3) Mc 14,6. (4) Mc 14,7. (5) Mc 14,9. (6) Mc 14,11. (7) Mc 14,20. (8) Mc 14,21. (9) Mc 14,29. (10) Mc 14,31. (11) Mc 14,38. (12) Mc 14,44. (13) Mc 14,46. (14) Mc 14,47. (15) Mc 14,52. (16) Mc 14,55. (17) Mc 14,61. (18) Mc 14,62. (19) Mc 14,63. (20) Mc 14,64. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,70. (23) Mc 14,71.
7. hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het NT: hoti
(dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti
(dat, omdat).
Mc (92). Mc 14 (10): (1) Mc
14,14. (2) Mc
14,18. (3) Mc
14,21. (4) Mc
14,25. (5) Mc
14,27. (6) Mc
14,30. (7) Mc
14,58. (8) Mc
14,69. (9) Mc
14,71. (10) Mc
14,72.
10. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N: de. E: the. Mc 14 (12): (1) Mc 14,8. (2) Mc 14,9. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,33. (5) Mc 14,39. (6) Mc 14,47. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,58. (9) Mc 14,60. (10) Mc 14,62. (11) Mc 14,67. (12) Mc 14,71.
| Mc 14,72 - Mc 14,72: 334. Verloochening van Petrus: Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Taalgebruik -- Mc 14 -- Mc 14,66 - Mc 14,67 - Mc 14,68 - Mc 14,69 - Mc 14,70 - Mc 14,71 - Mc 14,72 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [72] And the second time the cock crew. And Peter called
to mind the word that Jesus said unto him, Before the cock crow twice, thou
shalt deny me thrice. And when he thought thereon, he wept.
Luther-Bibel. 72 Und alsbald kr�hte der Hahn zum zweiten Mal. Da gedachte Petrus
an das Wort, das Jesus zu ihm gesagt hatte: Ehe der Hahn zweimal kr�ht, wirst
du mich dreimal verleugnen. Und er fing an zu weinen.
Tekstuitleg van Mc 14,72.
1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa)
2. εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord)
3. ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz)
4. δευτέρου (= deuteron: ten tweede, bw, zie het bijv nw δευτερος = deuteros: tweede)
5. ἀλέκτωρ (= alektôr: haan; nom mann enk)
6. ἐφώνησεν (= efônèsen: hij kraaide, hij riep; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw φωνεω = foneô: roepen, schreeuwen). Taalgebruik in het NT: fôneô (roepen, schreeuwen). Taalgebruik in Mc: fôneô (roepen, schreeuwen). Mc (3): (1) Mc 9,35. (2) Mc 14,68. (3) Mc 14,72.
7. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa)
8. ἀνεμνήσθη (= anemnèsthè: hij werd herinnerd aan); wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw αναμιμνῃσκω = anamimnèskô: herinneren, zich weer te binnen brengen)
9. ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)
10. Πέτρος (= petros: Petrus; zn eigennaam nom mann enk)
11. τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to, tè... N: de. E: the. Mc 14 (22): (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,5. (3) Mc 14,8. (4) Mc 14,9. (5) Mc 14,12. (6) Mc 14,14. (7) Mc 14,16. (8) Mc 14,20. (9) Mc 14,22. (10) Mc 14,24. (11) Mc 14,26. (12) Mc 14,28. (13) Mc 14,32. (14) Mc 14,36. (15) Mc 14,38. (16) Mc 14,41. (17) Mc 14,47. (18) Mc 14,54. (19) Mc 14,55. (20) Mc 14,65. (21) Mc 14,68. (22) Mc 14,72.
12. ῥῆμα (= rèma: woord, uitspraak; zn acc onz enk). Taalgebruik in het NT: rèma
(woord, uitspraak). Taalgebruik in Mc: rèma
(woord, uitspraak).
Mc (2): (1) Mc
9,32. (2) Mc
14,72. In Mc
9,32 ontkennen de leerlingen het woord van Jezus over zijn lijden, dood
en verrijzenis (tweede lijdensvoorzegging). In Mc
14,72 herinnert Petrus zich bij het hanengekraai het woord dat Jezus tot
hem sprak. Petrus had in Mc
14,71 gezegd: ik ken die mens niet waarover je spreekt.
13. ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord).
14. εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep).
15. αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
16. ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)
17. Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk). Mc 14 (7): (1) Mc 14,6. (2) Mc 14,18. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,48. (6) Mc 14,62. (7) Mc 14,72. Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 14 (11): (1) Mc 14,6 (nom. Ièsous). (2) Mc 14,18 (nom. Ièsous). (3) Mc 14,27 (nom. Ièsous). (4) Mc 14,30 (nom. Ièsous). (5) Mc 14,48 (nom. Ièsous). (6) Mc 14,53 (acc. Ièsoun). (7) Mc 14,55 (gen Ièsou.). (8) Mc 14,60 (acc. Ièsoun). (9) Mc 14,62 (nom. Ièsous). (10) Mc 14,67 (gen. Ièsou). (11) Mc 14,72 (nom. Ièsous). Taalgebruik in het NT: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus).
18. ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt). Taalgebruik in het NT: hoti
(dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti
(dat, omdat).
Mc (92). Mc 14 (10): (1) Mc
14,14. (2) Mc
14,18. (3) Mc
14,21. (4) Mc
14,25. (5) Mc
14,27. (6) Mc
14,30. (7) Mc
14,58. (8) Mc
14,69. (9) Mc
14,71. (10) Mc
14,72.
19. Πρὶν (= prin: alvorens, vooraleer; vz).
20. ἀλέκτορα (= alektôra: haan; zn acc mann enk van het zn ἀλέκτωρ = alektôr: haan).
21. φωνῆσαι (= fônèsai: te kraaien, te roepen; wkw act inf aor van het wkw φωνεω = foneô: roepen, schreeuwen).
22. δὶς (= dis: tweemaal; telw).
23. τρίς (= treis: drie; hoofdtelw).
24. με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij).
25. ἀπαρνήσῃ: (= aparnèsè: hij zou ten stelligste ontkennen; wkw med ind fut 3de pers enk van het wkw ἀπαρνεομαι = aparneomai: ten stelligste ontkennen).
26. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa).
27. ἐπιβαλὼν (= epibalôn: overvallen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw επιβαλλω = epiballô: 'op-werpen', overvallen).
28. ἔκλαιεν (= eklaien: hij weende; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw κλαιω: wenen, weeklagen).
- Hebreeuwse tekst OF modern Hebreeuws NT
1*)=ην δὲ τὸ πάσχα καὶ τὰ ἄζυμα μετὰ δύο ἡμέρας. καὶ ἐζήτουν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς πῶς αὐτὸν ἐν δόλῳ κρατήσαντες ἀποκτείνωσιν: 2ἔλεγον γάρ, Μὴ ἐν τῇ ἑορτῇ, μήποτε ἔσται θόρυβος τοῦ λαοῦ. 3Καὶ ὄντος αὐτοῦ ἐν Βηθανίᾳ ἐν τῇ οἰκίᾳ Σίμωνος τοῦ λεπροῦ κατακειμένου αὐτοῦ ἦλθεν γυνὴ ἔχουσα ἀλάβαστρον μύρου νάρδου πιστικῆς πολυτελοῦς: συντρίψασα τὴν ἀλάβαστρον κατέχεεν αὐτοῦ τῆς κεφαλῆς. 4ἦσαν δέ τινες ἀγανακτοῦντες πρὸς ἑαυτούς, Εἰς τί ἡ ἀπώλεια αὕτη τοῦ μύρου γέγονεν; 5ἠδύνατο γὰρ τοῦτο τὸ μύρον πραθῆναι ἐπάνω δηναρίων τριακοσίων καὶ δοθῆναι τοῖς πτωχοῖς: καὶ ἐνεβριμῶντο αὐτῇ. 6ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν, Ἄφετε αὐτήν: τί αὐτῇ κόπους παρέχετε; καλὸν ἔργον ἠργάσατο ἐν ἐμοί. 7πάντοτε γὰρ τοὺς πτωχοὺς ἔχετε μεθ' ἑαυτῶν, καὶ ὅταν θέλητε δύνασθε αὐτοῖς εὖ ποιῆσαι, ἐμὲ δὲ οὐ πάντοτε ἔχετε. 8ὃ ἔσχεν ἐποίησεν: προέλαβεν μυρίσαι τὸ σῶμά μου εἰς τὸν ἐνταφιασμόν. 9ἀμὴν δὲ λέγω ὑμῖν, ὅπου ἐὰν κηρυχθῇ τὸ εὐαγγέλιον εἰς ὅλον τὸν κόσμον, καὶ ὃ ἐποίησεν αὕτη λαληθήσεται εἰς μνημόσυνον αὐτῆς. 10Καὶ Ἰούδας Ἰσκαριὼθ ὁ εἷς τῶν δώδεκα ἀπῆλθεν πρὸς τοὺς ἀρχιερεῖς ἵνα αὐτὸν παραδοῖ αὐτοῖς. 11οἱ δὲ ἀκούσαντες ἐχάρησαν καὶ ἐπηγγείλαντο αὐτῷ ἀργύριον δοῦναι. καὶ ἐζήτει πῶς αὐτὸν εὐκαίρως παραδοῖ. 12Καὶ τῇ πρώτῃ ἡμέρᾳ τῶν ἀζύμων, ὅτε τὸ πάσχα ἔθυον, λέγουσιν αὐτῷ οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ, Ποῦ θέλεις ἀπελθόντες ἑτοιμάσωμεν ἵνα φάγῃς τὸ πάσχα; 13καὶ ἀποστέλλει δύο τῶν μαθητῶν αὐτοῦ καὶ λέγει αὐτοῖς, Ὑπάγετε εἰς τὴν πόλιν, καὶ ἀπαντήσει ὑμῖν ἄνθρωπος κεράμιον ὕδατος βαστάζων: ἀκολουθήσατε αὐτῷ, 14καὶ ὅπου ἐὰν εἰσέλθῃ εἴπατε τῷ οἰκοδεσπότῃ ὅτι Ὁ διδάσκαλος λέγει, Ποῦ ἐστιν τὸ κατάλυμά μου ὅπου τὸ πάσχα μετὰ τῶν μαθητῶν μου φάγω; 15καὶ αὐτὸς ὑμῖν δείξει ἀνάγαιον μέγα ἐστρωμένον ἕτοιμον: καὶ ἐκεῖ ἑτοιμάσατε ἡμῖν. 16καὶ ἐξῆλθον οἱ μαθηταὶ καὶ ἦλθον εἰς τὴν πόλιν καὶ εὗρον καθὼς εἶπεν αὐτοῖς, καὶ ἡτοίμασαν τὸ πάσχα. 17Καὶ ὀψίας γενομένης ἔρχεται μετὰ τῶν δώδεκα. 18καὶ ἀνακειμένων αὐτῶν καὶ ἐσθιόντων ὁ Ἰησοῦς εἶπεν, Ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι εἷς ἐξ ὑμῶν παραδώσει με, ὁ ἐσθίων μετ' ἐμοῦ. 19ἤρξαντο λυπεῖσθαι καὶ λέγειν αὐτῷ εἷς κατὰ εἷς, Μήτι ἐγώ; 20ὁ δὲ εἶπεν αὐτοῖς, Εἷς τῶν δώδεκα, ὁ ἐμβαπτόμενος μετ' ἐμοῦ εἰς τὸ τρύβλιον. 21ὅτι ὁ μὲν υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου ὑπάγει καθὼς γέγραπται περὶ αὐτοῦ, οὐαὶ δὲ τῷ ἀνθρώπῳ ἐκείνῳ δι' οὗ ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου παραδίδοται: καλὸν αὐτῷ εἰ οὐκ ἐγεννήθη ὁ ἄνθρωπος ἐκεῖνος. 22Καὶ ἐσθιόντων αὐτῶν λαβὼν ἄρτον εὐλογήσας ἔκλασεν καὶ ἔδωκεν αὐτοῖς καὶ εἶπεν, Λάβετε, τοῦτό ἐστιν τὸ σῶμά μου. 23καὶ λαβὼν ποτήριον εὐχαριστήσας ἔδωκεν αὐτοῖς, καὶ ἔπιον ἐξ αὐτοῦ πάντες. 24καὶ εἶπεν αὐτοῖς, Τοῦτό ἐστιν τὸ αἷμά μου τῆς διαθήκης τὸ ἐκχυννόμενον ὑπὲρ πολλῶν: 25ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι οὐκέτι οὐ μὴ πίω ἐκ τοῦ γενήματος τῆς ἀμπέλου ἕως τῆς ἡμέρας ἐκείνης ὅταν αὐτὸ πίνω καινὸν ἐν τῇ βασιλείᾳ τοῦ θεοῦ. 26Καὶ ὑμνήσαντες ἐξῆλθον εἰς τὸ Ὄρος τῶν Ἐλαιῶν. 27Καὶ λέγει αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς ὅτι Πάντες σκανδαλισθήσεσθε, ὅτι γέγραπται, Πατάξω τὸν ποιμένα, καὶ τὰ πρόβατα διασκορπισθήσονται: 28ἀλλὰ μετὰ τὸ ἐγερθῆναί με προάξω ὑμᾶς εἰς τὴν Γαλιλαίαν. 29ὁ δὲ Πέτρος ἔφη αὐτῷ, Εἰ καὶ πάντες σκανδαλισθήσονται, ἀλλ' οὐκ ἐγώ. 30καὶ λέγει αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς, Ἀμὴν λέγω σοι ὅτι σὺ σήμερον ταύτῃ τῇ νυκτὶ πρὶν ἢ δὶς ἀλέκτορα φωνῆσαι τρίς με ἀπαρνήσῃ. 31ὁ δὲ ἐκπερισσῶς ἐλάλει, Ἐὰν δέῃ με συναποθανεῖν σοι, οὐ μή σε ἀπαρνήσομαι. ὡσαύτως δὲ καὶ πάντες ἔλεγον. 32Καὶ ἔρχονται εἰς χωρίον οὗ τὸ ὄνομα Γεθσημανί, καὶ λέγει τοῖς μαθηταῖς αὐτοῦ, Καθίσατε ὧδε ἕως προσεύξωμαι. 33καὶ παραλαμβάνει τὸν Πέτρον καὶ [τὸν] Ἰάκωβον καὶ [τὸν] Ἰωάννην μετ' αὐτοῦ, καὶ ἤρξατο ἐκθαμβεῖσθαι καὶ ἀδημονεῖν, 34καὶ λέγει αὐτοῖς, Περίλυπός ἐστιν ἡ ψυχή μου ἕως θανάτου: μείνατε ὧδε καὶ γρηγορεῖτε. 35καὶ προελθὼν μικρὸν ἔπιπτεν ἐπὶ τῆς γῆς, καὶ προσηύχετο ἵνα εἰ δυνατόν ἐστιν παρέλθῃ ἀπ' αὐτοῦ ἡ ὥρα, 36καὶ ἔλεγεν, Αββα ὁ πατήρ, πάντα δυνατά σοι: παρένεγκε τὸ ποτήριον τοῦτο ἀπ' ἐμοῦ: ἀλλ' οὐ τί ἐγὼ θέλω ἀλλὰ τί σύ. 37καὶ ἔρχεται καὶ εὑρίσκει αὐτοὺς καθεύδοντας, καὶ λέγει τῷ Πέτρῳ, Σίμων, καθεύδεις; οὐκ ἴσχυσας μίαν ὥραν γρηγορῆσαι; 38γρηγορεῖτε καὶ προσεύχεσθε, ἵνα μὴ ἔλθητε εἰς πειρασμόν: τὸ μὲν πνεῦμα πρόθυμον ἡ δὲ σὰρξ ἀσθενής. 39καὶ πάλιν ἀπελθὼν προσηύξατο τὸν αὐτὸν λόγον εἰπών. 40καὶ πάλιν ἐλθὼν εὗρεν αὐτοὺς καθεύδοντας, ἦσαν γὰρ αὐτῶν οἱ ὀφθαλμοὶ καταβαρυνόμενοι, καὶ οὐκ ᾔδεισαν τί ἀποκριθῶσιν αὐτῷ. 41καὶ ἔρχεται τὸ τρίτον καὶ λέγει αὐτοῖς, Καθεύδετε τὸ λοιπὸν καὶ ἀναπαύεσθε; ἀπέχει: ἦλθεν ἡ ὥρα, ἰδοὺ παραδίδοται ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου εἰς τὰς χεῖρας τῶν ἁμαρτωλῶν. 42ἐγείρεσθε ἄγωμεν: ἰδοὺ ὁ παραδιδούς με ἤγγικεν. 43Καὶ εὐθὺς ἔτι αὐτοῦ λαλοῦντος παραγίνεται Ἰούδας εἷς τῶν δώδεκα καὶ μετ' αὐτοῦ ὄχλος μετὰ μαχαιρῶν καὶ ξύλων παρὰ τῶν ἀρχιερέων καὶ τῶν γραμματέων καὶ τῶν πρεσβυτέρων. 44δεδώκει δὲ ὁ παραδιδοὺς αὐτὸν σύσσημον αὐτοῖς λέγων, Ὃν ἂν φιλήσω αὐτός ἐστιν: κρατήσατε αὐτὸν καὶ ἀπάγετε ἀσφαλῶς. 45καὶ ἐλθὼν εὐθὺς προσελθὼν αὐτῷ λέγει, Ῥαββί, καὶ κατεφίλησεν αὐτόν. 46οἱ δὲ ἐπέβαλον τὰς χεῖρας αὐτῷ καὶ ἐκράτησαν αὐτόν. 47εἷς δέ [τις] τῶν παρεστηκότων σπασάμενος τὴν μάχαιραν ἔπαισεν τὸν δοῦλον τοῦ ἀρχιερέως καὶ ἀφεῖλεν αὐτοῦ τὸ ὠτάριον. 48καὶ ἀποκριθεὶς ὁ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, Ὡς ἐπὶ λῃστὴν ἐξήλθατε μετὰ μαχαιρῶν καὶ ξύλων συλλαβεῖν με; 49καθ' ἡμέραν ἤμην πρὸς ὑμᾶς ἐν τῷ ἱερῷ διδάσκων καὶ οὐκ ἐκρατήσατέ με: ἀλλ' ἵνα πληρωθῶσιν αἱ γραφαί. 50καὶ ἀφέντες αὐτὸν ἔφυγον πάντες. 51Καὶ νεανίσκος τις συνηκολούθει αὐτῷ περιβεβλημένος σινδόνα ἐπὶ γυμνοῦ, καὶ κρατοῦσιν αὐτόν: 52ὁ δὲ καταλιπὼν τὴν σινδόνα γυμνὸς ἔφυγεν. 53Καὶ ἀπήγαγον τὸν Ἰησοῦν πρὸς τὸν ἀρχιερέα, καὶ συνέρχονται πάντες οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ πρεσβύτεροι καὶ οἱ γραμματεῖς. 54καὶ ὁ Πέτρος ἀπὸ μακρόθεν ἠκολούθησεν αὐτῷ ἕως ἔσω εἰς τὴν αὐλὴν τοῦ ἀρχιερέως, καὶ ἦν συγκαθήμενος μετὰ τῶν ὑπηρετῶν καὶ θερμαινόμενος πρὸς τὸ φῶς. 55οἱ δὲ ἀρχιερεῖς καὶ ὅλον τὸ συνέδριον ἐζήτουν κατὰ τοῦ Ἰησοῦ μαρτυρίαν εἰς τὸ θανατῶσαι αὐτόν, καὶ οὐχ ηὕρισκον: 56πολλοὶ γὰρ ἐψευδομαρτύρουν κατ' αὐτοῦ, καὶ ἴσαι αἱ μαρτυρίαι οὐκ ἦσαν. 57καί τινες ἀναστάντες ἐψευδομαρτύρουν κατ' αὐτοῦ λέγοντες 58ὅτι Ἡμεῖς ἠκούσαμεν αὐτοῦ λέγοντος ὅτι Ἐγὼ καταλύσω τὸν ναὸν τοῦτον τὸν χειροποίητον καὶ διὰ τριῶν ἡμερῶν ἄλλον ἀχειροποίητον οἰκοδομήσω: 59καὶ οὐδὲ οὕτως ἴση ἦν ἡ μαρτυρία αὐτῶν. 60καὶ ἀναστὰς ὁ ἀρχιερεὺς εἰς μέσον ἐπηρώτησεν τὸν Ἰησοῦν λέγων, Οὐκ ἀποκρίνῃ οὐδέν; τί οὗτοί σου καταμαρτυροῦσιν; 61ὁ δὲ ἐσιώπα καὶ οὐκ ἀπεκρίνατο οὐδέν. πάλιν ὁ ἀρχιερεὺς ἐπηρώτα αὐτὸν καὶ λέγει αὐτῷ, Σὺ εἶ ὁ Χριστὸς ὁ υἱὸς τοῦ εὐλογητοῦ; 62ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν, Ἐγώ εἰμι, καὶ ὄψεσθε τὸν υἱὸν τοῦ ἀνθρώπου ἐκ δεξιῶν καθήμενον τῆς δυνάμεως καὶ ἐρχόμενον μετὰ τῶν νεφελῶν τοῦ οὐρανοῦ. 63ὁ δὲ ἀρχιερεὺς διαρρήξας τοὺς χιτῶνας αὐτοῦ λέγει, Τί ἔτι χρείαν ἔχομεν μαρτύρων; 64ἠκούσατε τῆς βλασφημίας: τί ὑμῖν φαίνεται; οἱ δὲ πάντες κατέκριναν αὐτὸν ἔνοχον εἶναι θανάτου. 65Καὶ ἤρξαντό τινες ἐμπτύειν αὐτῷ καὶ περικαλύπτειν αὐτοῦ τὸ πρόσωπον καὶ κολαφίζειν αὐτὸν καὶ λέγειν αὐτῷ, Προφήτευσον, καὶ οἱ ὑπηρέται ῥαπίσμασιν αὐτὸν ἔλαβον. 66Καὶ ὄντος τοῦ Πέτρου κάτω ἐν τῇ αὐλῇ ἔρχεται μία τῶν παιδισκῶν τοῦ ἀρχιερέως, 67καὶ ἰδοῦσα τὸν Πέτρον θερμαινόμενον ἐμβλέψασα αὐτῷ λέγει, Καὶ σὺ μετὰ τοῦ Ναζαρηνοῦ ἦσθα τοῦ Ἰησοῦ. 68ὁ δὲ ἠρνήσατο λέγων, Οὔτε οἶδα οὔτε ἐπίσταμαι σὺ τί λέγεις. καὶ ἐξῆλθεν ἔξω εἰς τὸ προαύλιον [:καὶ ἀλέκτωρ ἐφώνησεν]. 69καὶ ἡ παιδίσκη ἰδοῦσα αὐτὸν ἤρξατο πάλιν λέγειν τοῖς παρεστῶσιν ὅτι Οὗτος ἐξ αὐτῶν ἐστιν. 70ὁ δὲ πάλιν ἠρνεῖτο. καὶ μετὰ μικρὸν πάλιν οἱ παρεστῶτες ἔλεγον τῷ Πέτρῳ, Ἀληθῶς ἐξ αὐτῶν εἶ, καὶ γὰρ Γαλιλαῖος εἶ. 71ὁ δὲ ἤρξατο ἀναθεματίζειν καὶ ὀμνύναι ὅτι Οὐκ οἶδα τὸν ἄνθρωπον τοῦτον ὃν λέγετε. 72καὶ εὐθὺς ἐκ δευτέρου ἀλέκτωρ ἐφώνησεν. καὶ ἀνεμνήσθη ὁ Πέτρος τὸ ῥῆμα ὡς εἶπεν αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς ὅτι Πρὶν ἀλέκτορα φωνῆσαι δὶς τρίς με ἀπαρνήσῃ: καὶ ἐπιβαλὼν ἔκλαιεν.
- Vulgata
- Arabisch
- A
- pers. voornaamw. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het pers.
voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc: voornaamwoord
autos.
Mc (146). Mc 14 (14): (1) Mc
14,1. (2) Mc
14,10. (3) Mc
14,11. (4) Mc
14,39. (5) Mc
14,44. (6) Mc
14,45. (7) Mc
14,46. (8) Mc
14,50. (9) Mc
14,51. (10) Mc
14,55. (11) Mc
14,61. (12) Mc
14,64. (13) Mc
14,65. (14) Mc
14,69.
| autos | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 4 | acc. mann. enk. auton | 146 | 11 | 4 | 12 | 5 | 12 | 8 | 9 | 6 | 16 | 8 | 7 | 12 | 1 | 14 | 17 | 4 | 2872 | 2032 | 840 | 114 | 146 | 184 | 154 | 136 | 85 | 21 | 598 | 752 |
- B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -