MARCUSEVANGELIE , VIJFTIENDE HOOFDSTUK ( MC 15 ) -- TAALGEBRUIK -- COMMENTAAR -
- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -
- Mc 15,1 - Mc 15,2-5 - Mc 15,6-14 - Mc 15,15 - Mc 15,16-20 - Mc 15,21 - Mc 15,22-26 - Mc 15,27-32 - Mc 15,33-39 - Mc 15,40-41 - Mc 15,42-47 -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

Overzicht van het Marcusevangelie :   Mc 1 , Mc 2 , Mc 3 , Mc 4 , Mc 5 , Mc 6 , Mc 7 , Mc 8 , Mc 9 , Mc 10 , Mc 11 , Mc 12 , Mc 13 , Mc 14 , Mc 15 , Mc 16
Tekstuitleg per pericope - Mc 15,1 - Mc 15,2-5 - Mc 15,6-14 - Mc 15,15 - Mc 15,16-20 - Mc 15,21 - Mc 15,22-26 - Mc 15,27-32 - Mc 15,33-39 - Mc 15,40-41 - Mc 15,42-47 -
Tekstuitleg vers per vers - Mc 15,0 - Mc 15,1 - Mc 15,2 - Mc 15,3 - Mc 15,4 - Mc 15,5 - Mc 15,6 - Mc 15,7 - Mc 15,8 - Mc 15,9 - Mc 15,10 - Mc 15,11 - Mc 15,12 - Mc 15,13 - Mc 15,14 - Mc 15,15 - Mc 15,16 - Mc 15,17 - Mc 15,18 - Mc 15,19 - Mc 15,20 - Mc 15,21 - Mc 15,22 - Mc 15,23 - Mc 15,24 - Mc 15,25 - Mc 15,26 - Mc 15,27 - Mc 15,28 - Mc 15,29 - Mc 15,30 - Mc 15,31 - Mc 15,32 - Mc 15,33 - Mc 15,34 - Mc 15,35 - Mc 15,36 - Mc 15,37 - Mc 15,38 - Mc 15,39 - Mc 15,40 - Mc 15,41 - Mc 15,42 - Mc 15,43 - Mc 15,44 - Mc 15,45 - Mc 15,46 - Mc 15,47 -
Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
     
 
1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible   11. Luther-Bibel        

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat
Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik

Overzicht van de bijbelboeken - bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het zesde hoofdstuk van het Marcusevangelie :
336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 .
338. Jezus vóór Pilatus : Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 .
341. Jezus of Barabbas : Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 .
342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 .
343. Soldaten bespotten Jezus :Mc 15,16-20 - Mt 27,27-31 .
344. Naar Golgota : Mc 15,21 - Mt 27,32 - Lc 23,26-32 .
345. Kruisiging : Mc 15,22-26 - Mt 27,33-37 - Lc 23,33-34 .
346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 .
347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 .
348 Vrouwen als getuigen van Jezus'dood : Mc 15,40-41 - Mt 27,55-56 - Lc 23,49 .
349. Begrafenis van Jezus : Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a .

336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 - bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -

Mc 15,1 - Mc 15,1 : 336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 - bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
 15:1 kai euthus prôi sumboulion poièsantes oi archiereis meta tôn presbuterôn kai grammateôn kai olon to sunedrion dèsantes ton ièsoun apènegkan kai paredôkan pilatô   1 et confestim mane consilium facientes summi sacerdotes cum senioribus et scribis et universo concilio vincientes Iesum duxerunt et tradiderunt Pilato  En terstond, vroeg (in de morgen), nadat de hogepriesters een besluit genomen hadden met de oudsten en de schriftgeleerden en het hele Sanhedrin, bonden ze Jezus (en) brachten hem weg en leverden hem over aan Pilatus. 1 En terstond, des morgens vroeg, hielden de overpriesters te zamen raad, met de ouderlingen en Schriftgeleerden, en den gehelen raad, en Jezus gebonden hebbende, brachten zij Hem heen, en gaven Hem aan Pilatus over.   [1] Toen de hogepriesters met de oudsten, de schriftgeleerden en heel het Sanhedrin meteen ’s morgens vroeg een besluit genomen hadden, boeiden ze Jezus, voerden Hem weg en leverden Hem over aan Pilatus.  [1] ’s Ochtends in alle vroegte kwamen de hogepriesters, de oudsten en de schriftgeleerden en het hele Sanhedrin in vergadering bijeen. Na Jezus geboeid te hebben, brachten ze hem weg en leverden hem over aan Pilatus.  1 ¶ Meteen ‘s morgens vroeg hebben de overpriesters met de oudsten, de schriftgeleerden en heel het sanhedrin een beraad gereed; ze binden Jezus, brengen hem weg en leveren hem uit aan Pilatus.  1. Et aussitôt, le matin, les grands prêtres préparèrent un conseil avec les anciens, les scribes, et tout le Sanhédrin ; puis, après avoir ligoté Jésus, ils l'emmenèrent et le livrèrent à Pilate. 

King James Bible . [1] And straightway in the morning the chief priests held a consultation with the elders and scribes and the whole council, and bound Jesus, and carried him away, and delivered him to Pilate.
Luther-Bibel . 1 Und alsbald am Morgen hielten die Hohenpriester Rat mit den Ältesten und Schriftgelehrten und dem ganzen Hohen Rat, und sie banden Jesus, führten ihn ab und überantworteten ihn Pilatus.

Tekstuitleg van Mc 15,1 .

Mt 27,2 kai dèsantes auton apègagon kai paredôkan pilatô tô ègemoni    
Mc 15,1 dèsantes ton ièsoun   apènegkan kai paredôkan pilatô    
Lc 23,1 kai anastan apan to plèthos autôn ègagon auton epi ton pilaton     
           

6. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 15 (10) : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,3 . (3) Mc 15,10 . (4) Mc 15,11 . (5) Mc 15,13 . (6) Mc 15,14 . (7) Mc 15,16 . (8) Mc 15,29 . (9) Mc 15,31 . (10) Mc 15,32 .

15. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 15 (5) : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,15 . (3) Mc 15,38 . (4) Mc 15,43 . (5) Mc 15,45 .

17.

18. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 15 (11) : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,9 . (4) Mc 15,11 . (5) Mc 15,12 . (6) Mc 15,15 . (7) Mc 15,21 . (8) Mc 15,22 . (9) Mc 15,29 . (10) Mc 15,43 . (11) Mc 15,44 .

De leerlingen stellen vragen aan Jezus (als verduidelijking van wat Jezus in het openbaar heeft gezegd)

- Zie commentaar op website http://www.site-berea.com/B/rwp/n02c15.html .
- euthus From: "Temporal Deixis of the Greek Verb in the Gospel of Mark with Reference to Verbal Aspect" Th.D. diss., Central Baptist Seminary, Minneapolis, 1998 . Rodney J. Decker , website : http://faculty.bbc.edu/rdecker/euthus.htm .
Het moet nog wel verder gecontroleerd worden , maar dit zijn enkele intuïties : kai euthus (en terstond) komt bij het begin van een zin voor , dikwijls bij het begin van een pericope en legt een verband met het voorgaande . Vaak maakt kai euthus deel uit van een deelwoordzin.

Mc 14,27 Mc 14,30 Mc 10,29   Mc 14,31 Mc 14,31        
Kai (en) Kai (en) ho de Petros (Petrus echter)   ho de (Peterus echter) hoosautoos de kai pantes (op gelijke wijze ook allen)        
legei (zegt) legei (zegt) efij (zei)   ekperissoos elalei (zei uitdrukkelijker) elegon (zeiden)        
autois (hen) autooi (hem) autooi (hem)              
ho Iijsous (Jezus) ho Iijsous (Jezus)                
  amijn legoo soi (voorwaar ik zeg je)                
hoti (dat) hoti (dat)                
pantes (allen) su (gij)... ei kai pantes (ook als allen) all' ouk egoo (maar ik niet) ean deiji me sunapothanein soi,          
skandalisesthe (geshandalizeerd zukt zijn) me aparnijsiji (zult mij verloochenen) skandalisthijsontai (zullen geschandalizeerd zijn)   ou mij aparnijsomai (ik zal je niet verloochenen)          
Mc 14,26-31 // Mt 26,30-35 // Lc 22,31-34                  

 

Mc 15,46 // Mt 27,60 // Lc 23,53  Mt 27,60 // Mc 15,46 // Lc 23,53  Lc 23,53 //  Mt 27,60 // Mc 15,46 Lc 2,7  Lc 2,12  Lc 2,16 Lc 24,3  Lc 24,5
kai (en) kai (en)  kai (en) kai (en)   heurijsete brefos (gij zult vinden een kind)  kai aneuran... to brefos (en zij vonden... en het kind)  ouch heuron to sooma tou kuriou Iijsou (zij vonden niet het lichaam van de heer Jezus) ti zijteite ton zoonta meta toon nekroon (wat zoekt gij de levende bij de doden) 
agorasas (gekocht hebbende)              
sindona              
katheloon (afgenomen hebbende) laboon (genomen hebbende)   katheloon (afgenomen hebbende)          
auton (hem)  to sooma (het lichaam)             
  ho Ioosijf            
eneilijsen (wikkelde)  enetuliksen (wikkelde in) auto (het) enetuliksen (wikkelde in) auto (het) esparganoosen (wikkelde in doeken)  auton (hem)  esparganoomenon (in doeken gewikkeld)      
tiji sindoni (in het linnen) (en) sindoni katharai (in) (zuiver linnen)  sindoni (in linnen)          
kai (en) kai (en)  kai (en) kai (en)   kai (en)      
katethijken (legde neer) ethijken (legde) ethijken (legde) aneklinen (legde neer)  keimenon (liggend)  keimenon (liggend)    
auton (hem)  auto (het) auton (hem) auton (hem)         
en (in)  en tooi kainooi autou (in zijn nieuw) en (in) en (in)  en (in)  en (in)     
mnijmati (het graf) mnijmeiooi (graf)   mnijmati (het graf) fatniji (een kribbe)  fatniji (een kribbe)  tiji fatniji (de kribbe)     
ho ijn lelatomijmenon ek petras (dat in de rots was uitgehouwen) ho elatijsen en tiji petrai (dat hij uitgehouwen had in de rots)  lakseutooi, hou ouk ijn oudeis oupoo keimenos (uitgehouwen, waar niemand nog nooit had gelegen) dioti ouk iujn autois topos en tooi katalumati (omdat er  niet was voor hen een plaats in de herberg)        ouk estin hoode (hij is niet hier)
 349. Begrafenis van Jezus : Mc 15,42-47 // Mt 27,57-61 // Lc 23,50-56a  349. Begrafenis van Jezus : Mc 15,42-47 // Mt 27,57-61 // Lc 23,50-56a  349. Begrafenis van Jezus : Mc 15,42-47 // Mt 27,57-61 // Lc 23,50-56a  
6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20
 
6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20
 
6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20
 
6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20
 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 // Lc 23,56b-24,12

eneileô : inwikkelen
latromeô : in steen houwen
spargaô : in windsels leggen

4.

22. act. ind. aor. 3de pers. mv. paredôkan (zij leverden over) van het werkw. paradidômi (overleveren)  . Taalgebruik in het NT : paradidômi (overleveren) . Taalgebruik in Mc : paradidômi (overleveren) . Lat. tradere (trans - dare) . Fr. trahir . Ned. overleveren , overgeven . Hebr. mâsar . Bij (Gr. para) langs , naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is . Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over : tegenover , aan de andere zijde . Zo kan para-didômi betekenen : geven aan de tegenovergestelde , de andere , de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen
Mc (1) : Mc 15,2 . Een vorm van paradidômi (overleveren) in Mc in 23 verzen . Judas leverde Jezus over aan de hogepriesters , enz. zij leverden hem over aan Pilatus en hij leverde Jezus over om gekruisigd te worden . De overlevering aan Pilatus in Mc 15,2 werd voorzegd in Mc 10,33 .

- paredôkan (zij leverden over) . Taalgebruik : paradidômi (overleveren) . Actief ind. aor. 3de pers. mv. van het werkw. paradidômi . Lat. tradere (trans - dare) . Fr. trahir . Ned. overleveren , overgeven . Hebr. mâsar . Bij (Gr. para) langs , naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is . Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over : tegenover , aan de andere zijde . Zo kan para-didômi betekenen : geven aan de tegenovergestelde , de andere , de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen . I.v.m. de overlevering van Jezus aan Pilatus : In 5 van de 6 verzen : (1) Mt 27,2 // Mc 15,1 . (2) Mt 27,18 // Mc 15,10 (paradedôkeisan = zij hem hadden overgeleverd) . (3) Mc 15,1 // Mt 27,2 . (4) Lc 24,20 . (5) Joh 18,35 .

- paredôken (hij leverde over) . Actief ind. aor. 3de pers. enk. . In 4 verzen in de syn. i.v.m. de overlevering van Jezus aan Pilatus : (1) Mt 27,26 // Mc 15,15 // Lc 23,25 . (2) Mc 3,19 // Mt 10,4 (paradous = 'die overleverde') // Lc 6,16 (prodotès = overleveraar) . (3) Mc 15,15 // Lc 23,25 // Mt 27,26 . (4) Lc 23,25 // Mt 27,26 // Mc 15,15 .

paradidômi (overleveren)   bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. aor. 3de pers. enk. paredôken  82  65  17   
act. ind. aor. 3de pers. mv. paredôkan        

sanhedrin sanhedrin sanhedrin  Judas Pilatus Pilatus Pilatus
Mc 15,1 Mt 27,2 Mt 27,18   Mc 3,19 Mc 15,15  Mt 27,26 Lc 23,25  
kai (en) kai (en) hoti (dat) kai Ioudan Iskariôth (Judas Iskariot) kai (en)  ton de Ièsoun Jezus echter)  
paredôkan Pilatôi (zij leverden - hem - uit aan Pilatus) paredôkan Pilatôi (zij leverden - hem - uit aan Pilatus) tôi hègemoni (de procureur) dia fthonon paredôkan auton (zij hem omwille van nijd overleverden ) hos kai paredôken auton (die hem ook overleverde) paredôken (leverde hij over) ton Ièsoun (Jezus)  paredôken (leverde hij over) ton de Ièsoun (Jezus) paredôken (leverde hij over)
    hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden.   hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden. hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden. tôi thelèmati autôn (aan hun wil)
336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 - 336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1-  342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 97. Roeping van de Twaalf : Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 -  342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25  342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25  342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25

338. Jezus vóór Pilatus : Mc 15,2-5 - Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 - bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 - Mc 15,2 - Mc 15,3 - Mc 15,4 - Mc 15,5 -

Mc 15,2 - Mc 15,2 : 338. Jezus vóór Pilatus : Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 - bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 - Mc 15,2 - Mc 15,3 - Mc 15,4 - Mc 15,5 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:2 kai epèrôtèsen auton o pilatos su ei o basileus tôn ioudaiôn o de apokritheis autô legei su legeis   2 et interrogavit eum Pilatus tu es rex Iudaeorum at ille respondens ait illi tu dicis    2 En Pilatus vraagde Hem: Zijt Gij de Koning der Joden? En Hij antwoordende, zeide tot hem: Gij zegt het.   [2] Pilatus stelde Hem de vraag: ‘Bent U de koning* van de Joden?’ Hij gaf hem ten antwoord: ‘U zegt het zelf.’ 
[2] Pilatus vroeg hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ Hij antwoordde: ‘U zegt het.’ 
2 Pilatus ondervraagt hem: u, bent u de koning der Joden? Maar hij zegt tot hem ten antwoord: dat zegt ú!  2. Pilate l'interrogea : « Tu es le roi des Juifs ? » Jésus lui répond : « Tu le dis. »  

King James Bible . [2] And Pilate asked him, Art thou the King of the Jews? And he answering said unto him, Thou sayest it.
Luther-Bibel . 2 Und Pilatus fragte ihn: Bist du der König der Juden? Er aber antwortete und sprach zu ihm: Du sagst es.

Tekstuitleg van Mc 15,2 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 15 . Van de 47 verzen niet in 14 verzen : (1) Mc 15,4 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,6 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,9 . (6) Mc 15,10 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,28 . (12) Mc 15,30 . (13) Mc 15,37 . (14) Mc 15,39 .

2. actief indicatief aorist derde persoon enkelvoud epèrôtèsen (hij ondervroeg) van het werkw. eperôtaô (< epi - erotaô) . : 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen . (inter-roger : ondervragen , tussen-vragen) , bijvragen . Taalgebruik in het NT : eperotaô (epi - erôtaô) . Taalgebruik in Mc : eperotaô (epi - erôtaô) . Mc (6) : (1) Mc 9,16 . (2) Mc 9,21 .  (3) Mc 12,28 .  (4) Mc 14,60 . (5) Mc 15,2 . (6) Mc 15,44 .  

4. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

6. pers. vnw. 2de pers. enk. nom. su (jij, gij) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc (9) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 8,29 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,36 . (6) Mc 14,61 . (7) Mc 14,67 . (8) Mc 14,68 . (9) Mc 15,2 .

6. - 7. su ei (jij bent, gij zijt) . Mc (5 / 9) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 8,29 . (4) Mc 14,61 . (5) Mc 15,2 .
Merk volgende gelijkenissen op :
- Mc 1,11 : su ei ho uios mou = jij bent mijn zoon .
- Mc 3,11 : su ei ho uios tou theou = jij bent de zoon van God .
- Mc 8,29 = Mc 14,61 : su ei ho christos = jij bent de messias
- Mc 15,2 : su ei ho basileus tôn ioudaiôn = jij bent de koning van de joden .

8. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

9. nom. mann. enk. basileus (koning) . Taalgebruik in het NT : basileus (koning) . Taalgebruik in Mc : basileus (koning) . Mc (7) : (1) Mc 6,14 . (2) Mc 6,22 . (3) Mc 6,26 . (4) Mc 6,27 . (5) Mc 15,2 . (6) Mc 15,26 . (7) Mc 15,32 .

8. - 11. hè basileia tôn ioudaiôn (de koning van de joden) . Mc (2) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,26 .

Mc 15,2.12. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : de . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) .

13. δε = de (echter) , afkorting δ' = d' . de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in de LXX : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie aan te duiden . Mc (149 + 2) . Mc (20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,6 . (5) Mc 15,7 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,15 . (12) Mc 15,16 . (13) Mc 15,23 . (14) Mc 15,25 . (15) Mc 15,36 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,40 . (19) Mc 15,44 . (20) Mc 15,47 .

de (echter)   de (echter)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
de  149 + 2   10  23  13  23  20  6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7 1048  1251 
d'  d'     1         1                 73 50  23  12      19  20 
Totaal                                   6283 3804 2479 433 151 483 204 490 711 7 1067 1271

kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8
kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7
verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1

12. - 13. δε ὁ = de ho (echter de) . Mc (8) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 6,16 . (3) Mc 8,29 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 10,14 . (6) Mc 14,44 . (7) Mc 15,7 . (8) Mc 15,39 . δε = de (echter) + een vorm van het bep. lidw. . NT (584) .
- ὁ δε = ho de (hij echter) . Mc () : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,45 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,34 . (5) Mc 5,36 . (6) Mc 5,40 . (7) Mc 6,27 . (8) Mc 6,37 . (9) Mc 6,38 . (10) Mc 7,6 . (11) Mc 7,27 . (12) Mc 8,33 . (13) Mc 9,12 . (14) Mc 9,19 . (15) Mc 9,21 . (16) Mc 9,23 . (17) Mc 9,27 . (18) Mc 9,39 . (19) Mc 10,3 . (20) Mc 10,18 . (21) Mc 10,20 . (22) Mc 10,21 . (23) Mc 10,22 . (24) Mc 10,24 . (25) Mc 10,36 . (26) Mc 10,38 . (27) Mc 10,42 . (28) Mc 10,48 . (29) Mc 10,50 . (30) Mc 10,51 . (31) Mc 10,52 . enz. Een vorm van het lidw. + δε = de (echter) . NT (698) .
- και ὁ = kai ho (en de) . Mc 10 (17) : (1) Mc 2,22 . (2) Mc 4,25 . (3) Mc 4,27 . (4) Mc 4,41 . (5) Mc 7,10 . (6) Mc 10,33 . (7) Mc 11,33 . (8) Mc 12,20 . (9) Mc 12,21 . (10) Mc 12,26 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 . (13) Mc 13,2 . (14) Mc 13,16 . (15) Mc 14,9 . (16) Mc 14,10 . (17) Mc 14,54 . και = kai + een vorm van het bep. lidw. . NT (1489) .

ho de (hij echter) in Mc 15 (9 / 21 en 9 / 20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,9 . (5) Mc 15,12 . (6) Mc 15,14 . (7) Mc 15,15 . (8) Mc 15,37 . (9) Mc 15,44 .

Mc 15,3 - Mc 15,3 : 338. Jezus vóór Pilatus : Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 - bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 - Mc 15,2 - Mc 15,3 - Mc 15,4 - Mc 15,5 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:3 kai katègoroun autou oi archiereis polla 3 et accusabant eum summi sacerdotes in multis    3 En de overpriesters beschuldigden Hem van vele zaken; maar Hij antwoordde niets.  [3] De hogepriesters brachten vele beschuldigingen tegen Hem in.  [3] De hogepriesters brachten allerlei beschuldigingen tegen hem in.  3 De overpriesters hebben hem toen van vele dingen beschuldigd.  3. Et les grands prêtres multipliaient contre lui les accusations.

King James Bible . [3] And the chief priests accused him of many things: but he answered nothing.
Luther-Bibel . 3 Und die Hohenpriester beschuldigten ihn hart.

Tekstuitleg van Mc 15,3 . Er is discussie rond de tekst . In sommige versies staat "hij antwoordde niets" . In de synagoge van Kafarnaüm hielden de Farizeeën Jezus in het oog (Mc 3,2) om hem te kunnen beschuldigen . In Mc 15,3 is het zover . De aanklagers zijn de hogepriesters . De rechter is Pilatus .

  Mc 15,3 Mt 27,12 Lc 23,10
  3 καὶ κατηγόρουν αὐτοῦ οἱ ἀρχιερεῖς πολλά. 12καὶ ἐν τῷ κατηγορεῖσθαι αὐτὸν ὑπὸ τῶν ἀρχιερέων καὶ πρεσβυτέρων οὐδὲν ἀπεκρίνατο. 10 εἱστήκεισαν δὲ οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς εὐτόνως κατηγοροῦντες αὐτοῦ.

Mc 15,3.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Mc 15 . Van de 47 verzen niet in 14 verzen : (1) Mc 15,4 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,6 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,9 . (6) Mc 15,10 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,28 . (12) Mc 15,30 . (13) Mc 15,37 . (14) Mc 15,39 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 15,3.2. act. ind. imperf. 3de pers. mv. κατηγορουν = katègoroun (zij bleven beschuldigen/ aanklagen) van het werkw. κατηγορεω = katègoreô (tegenspreken, iemand van iets beschuldigen) . Taalgebruik in het NT : katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Taalgebruik in de LXX : katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Bijbel (1) : Mc 15,3 . Een vorm van κατηγορεω = katègoreô in de LXX (6) , in het NT (22) . Mt (2) : (1) Mt 12,10 . (2) Mt 27,12 . Mc (3) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 15,3 . (3) Mc 15,4 . Lc (5) : (1) Lc 6,7 . (2) Lc 11,54 . (3) Lc 23,2 . (4) Lc 23,10 . (5) Lc 23,14 . Joh (2) : (1) Joh 5,45 . (2) Joh 8,6 . Hnd (9) : (1) Hnd 22,30 . (2) Hnd 24,2 . (3) Hnd 24,8 . (4) Hnd 24,13 . (5) Hnd 24,19 . (6) Hnd 25,5 . (7) Hnd 25,11 . (8) Hnd 25,16 . (9) Hnd 28,19 . Rom (1) : Rom 2,15 . Apk (1) : Apk 12,10 .

Mc 15,3.3. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 15 (8) : (1) Mc 15,3 . (2) Mc 15,19 . (3) Mc 15,20 . (4) Mc 15,21 . (5) Mc 15,24 . (6) Mc 15,26 . (7) Mc 15,27 . (8) Mc 15,39 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
2 gen. mann. enk. autou  143  13  10  12  16  17  15  6883  5685  1198  225  143  220  150  118  256  86  588  738 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 15,3.4. bepaald lidw. nom. mann. mv. οἱ = hoi . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Mc 15 (10) : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,3 . (3) Mc 15,10 . (4) Mc 15,11 . (5) Mc 15,13 . (6) Mc 15,14 . (7) Mc 15,16 . (8) Mc 15,29 . (9) Mc 15,31 . (10) Mc 15,32 .

  lidw. mv. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  ΟΤ  ΝΤ  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  syn. ev.
10. nom. m. mv. hoi 101 4 8 5 3 7 5 5 4 14 5 7 5 11 10   4230 3257 973 196 101 165 125 147 169 70 462  587 
  Totaal   389  21  25  26  22  22  33  30  29  16  28  18  27  23  36  24  23394  18879  4515  745  389  644  404  690  1228  415  1778  2182 

- bepaald lidw. Ned. : de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 15,3.5. nom. mann. mv. archiereis (hogepriesters) . Taalgebruik in het NT : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Mc : archiereus (hogepriester) .
Mc (11) . (1) Mc 11,18 . (2) Mc 11,27 . (3) Mc 14,1 . (4) Mc 14,10 . (5) Mc 14,53 . (6) Mc 14,55 . (7) Mc 15,1 . (8) Mc 15,3 . (9) Mc 15,10 . (10) Mc 15,11 . (11) Mc 15,31 .

Mc 15,3.6. nom. en acc. onz. mv. πολλα = polla (vele) van het bijvoegl. naamw. πολυς = polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Taalgebruik in de LXX : polus (veel) . Taalgebruik in Mc : polus (veel) . Mc (21) . Mc (21) : (1) Mc 1,34 . (2) Mc 1,45 . (3) Mc 3,12 . (4) Mc 4,2 . (5) Mc 5,10 . (6) Mc 5,23 . (7) Mc 5,26 . (8) Mc 5,38 . (9) Mc 5,43 . (10) Mc 6,13 . (11) Mc 6,20 . (12) Mc 6,23 . (13) Mc 6,34 . (14) Mc 7,4 . (15) Mc 7,13 . (16) Mc 8,31 . (17) Mc 9,12 . (18) Mc 9,26 . (19) Mc 10,22 . (20) Mc 12,41 . (21) Mc 15,3 . Van de 21 verzen staat πολλα = polla (vele dingen) zelfstandig gebruikt als lijdend voorwerp bij een werkwoord . Een vorm van πολυς = polus in de LXX (822) , in het NT (353) .
- Een veelheid werd uiteengezet opdat het spreekverbod zou onderhouden worden .

polus (veel)     Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. onz. mv. polla    21  (1) Mc 1,34 . (2) Mc 1,45 .     (3) Mc 3,12 .   (4) Mc 4,2 .   (5) Mc 5,10 . (6) Mc 5,23 . (7) Mc 5,26 . (8) Mc 5,38 . (9) Mc 5,43 .   (10) Mc 6,13 . (11) Mc 6,20 . (12) Mc 6,23 . (13) Mc 6,34 .   (14) Mc 7,4 . (15) Mc 7,13 .   (16) Mc 8,31 .   (17) Mc 9,12 . (18) Mc 9,26 .   (19) Mc 10,22 .     (20) Mc 12,41 .       (21) Mc 15,3 .     193  130  63  21  14  34  42     

- Hebreeuws : r-b . bijvoegl. naamw. רַב = rabh (veel, talrijk, groot) . zelfst. naamw. robh . Zie : Taalgebruik in Tenakh : rabh (veel, talrijk, groot) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , beth = 2 ; totaal : 22 (2X 11) OF 202 (2 X 101) ; structuur : 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (180) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (36) . Latere Profeten (45) . 12 kl. Prof. (6) . Geschriften (68) .
- N. : veel . D. : viel . E. many . Fr. : nombreux (tal-rijk) . Gr. : πολυς = polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Hebr. : רַב = rab (veel, talrijk, groot) . Taalgebruik in Tenakh : rab (veel, talrijk, groot) . Lat. : multus .


Mc 15,4 - Mc 15,4 : 338. Jezus vóór Pilatus : Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 - bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 - Mc 15,2 - Mc 15,3 - Mc 15,4 - Mc 15,5 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:4 o de pilatos palin epèrôta auton | [legôn] | legôn | ouk apokrinè ouden ide posa sou katègorousin   4 Pilatus autem rursum interrogavit eum dicens non respondes quicquam vide in quantis te accusant    4 En Pilatus vraagde Hem wederom, zeggende: Antwoordt Gij niet? Zie, hoe vele zaken zij tegen U getuigen!  [4] Pilatus stelde Hem nogmaals een vraag: ‘Antwoordt U niets? Kijk waar ze U allemaal van beschuldigen.’  [4] Pilatus vroeg hem toen: ‘Waarom antwoordt u niet? U hoort toch waar ze u allemaal van beschuldigen?’  4 Maar Pilatus ondervraagt hem weer en zegt: u antwoordt niets?– zie eens van hoeveel ze u beschuldigen!  4. Et Pilate de l'interroger à nouveau : « Tu ne réponds rien ? Vois tout ce dont ils t'accusent ! » 

King James Bible . [4] And Pilate asked him again, saying, Answerest thou nothing? behold how many things they witness against thee.
Luther-Bibel . 4 Pilatus aber fragte ihn abermals: Antwortest du nichts? Siehe, wie hart sie dich verklagen!

Tekstuitleg van Mc 15,4 .

- katègoreô (aanklagen, beschuldigen) kata - agora : tegen-pleiten, tegen-spreken.
--- In Mc 15,4 staat indicatief praesens 3de persoon meervoud katègorousin (zij beschuldigen). Deze vorm staat ook in Hnd 24,13 en Hnd 25,11. In Mc 15,4 verwoordt Pilatus (ide posa sou katègorousin - zie van hoevele dingen klagen ze u aan) wat de hogepriesters in Mc 15,3 doen. De formulering in Mc 15,3 vertoont overeenkomsten met Mc 3,2 (de Farizeeën schaduwen Jezus opdat zij hem zouden aanklagen).

1. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

2. de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2) . Mc (20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,6 . (5) Mc 15,7 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,15 . (12) Mc 15,16 . (13) Mc 15,23 . (14) Mc 15,25 . (15) Mc 15,36 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,40 . (19) Mc 15,44 . (20) Mc 15,47 .

1. - 2. ho de (hij echter) in Mc 15 (9 / 21 en 9 / 20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,9 . (5) Mc 15,12 . (6) Mc 15,14 . (7) Mc 15,15 . (8) Mc 15,37 . (9) Mc 15,44 .

5. act. ind. imperf. 3de pers. enk. epèrôta (hij ondervroeg) van het werkw. eperôtaô = 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen . (inter-roger : ondervragen , tussen-vragen) , bijvragen . Taalgebruik in het NT : eperotaô (epi - erôtaô) . Taalgebruik in Mc : eperotaô (epi - erôtaô) .
Mc (9) : (1) Mc 5,9 .  (2) Mc 8,23 . (3) Mc 8,27 . (4) Mc 8,29 .   (5) Mc 9,33 . (6) Mc 10,17.   (7) Mc 13,3 . (8) Mc 14,61 . (9) Mc 15,4 . Een vorm van eperôtaô in Mc (25) .

Mc 15,4 :
- katègoreô (iemand van iets beschuldigen) 3X bij Marcus -

Het is de enigste maal in de evangelies dat katègoreô (iemand van iets beschuldigen; iets tegen iemand inbrengen) in de indicatief praesens wordt gebruikt.

Mc 15,5 - Mc 15,5 : 338. Jezus vóór Pilatus : Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 - bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 - Mc 15,2 - Mc 15,3 - Mc 15,4 - Mc 15,5 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:5 o de ièsous ouketi ouden apekrithè ôste thaumazein ton pilaton 5 Iesus autem amplius nihil respondit ita ut miraretur Pilatus    5 En Jezus heeft niet meer geantwoord, zodat Pilatus zich verwonderde.  [5] Jezus antwoordde niets meer, tot verbazing van Pilatus.  [5] Maar Jezus zei helemaal niets meer, tot verwondering van Pilatus.   5 Maar Jezus heeft hem niets meer geantwoord, tot verwondering van Pilatus.  5. Mais Jésus ne répondit plus rien, si bien que Pilate était étonné. 

King James Bible . [5] But Jesus yet answered nothing; so that Pilate marvelled.
Luther-Bibel . 5 Jesus aber antwortete nichts mehr, sodass sich Pilatus verwunderte.

Tekstuitleg van Mc 15,5 . Het vers Mc 15,5 telt 10 (2 X 5) woorden en 51 (3 X 17) letters . De getalwaarde van Mc 15,5 is 5323 .

Mc 15,5.1. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

Mc 15,5.2. de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2) . Mc (20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,6 . (5) Mc 15,7 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,15 . (12) Mc 15,16 . (13) Mc 15,23 . (14) Mc 15,25 . (15) Mc 15,36 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,40 . (19) Mc 15,44 . (20) Mc 15,47 .

Mc 15,5.1. - 2. ho de (hij echter) in Mc 15 (9 / 21 en 9 / 20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,9 . (5) Mc 15,12 . (6) Mc 15,14 . (7) Mc 15,15 . (8) Mc 15,37 . (9) Mc 15,44 .

Mc 15,5.3. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) .
Mc (57) . Mc 15 (3) : (1) Mc 15,5 . (2) Mc 15,34 . (3) Mc 15,37 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc in 81 verzen , in Mc 15 (6) : (1) Mc 15,1 (acc. Ièsoun) . (2) Mc 15,5 (nom. Ièsous) . (3) Mc 15,15 (acc. Ièsoun) . (4) Mc 15,34 (nom. Ièsous) . (5) Mc 15,37 (nom. Ièsous) . (6) Mc 15,43 (gen. Ièsou) .

Mc 15,5.1. - 3. ho de Ièsous . Mc (21 / 37) . Mc 15 (2 / 3) : (1) Mc 15,5 . (2) Mc 15,37 . Niet : (1) Mc 15,34 .

Mc 15,5.4. ouketi (niet nog, niet meer) . Taalgebruik in het NT : ouketi (niet nog, niet meer) . Taalgebruik in Mc : ouketi (niet nog, niet meer) .
Mc (7) : (1) Mc 5,3 . (2) Mc 7,12 . (3) Mc 9,8 . (4) Mc 10,8 . (5) Mc 12,34 . (6) Mc 14,25 . (7) Mc 15,5 .

Mc 15,5.6. ind. aor. 3de pers. enk. apekrithè (hij antwoordde) van het werkw. apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het NT : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in Mc : apokrinomai (antwoorden) .
Mc (7) : (1) Mc 7,28 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 12,28 . (4) Mc 12,29 . (5) Mc 12,34 . (6) Mc 15,5 . (7) Mc 15,9 . Een vorm van apokrinomai (antwoorden) in Mc in 30 verzen .

9. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 15 (11) : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,9 . (4) Mc 15,11 . (5) Mc 15,12 . (6) Mc 15,15 . (7) Mc 15,21 . (8) Mc 15,22 . (9) Mc 15,29 . (10) Mc 15,43 . (11) Mc 15,44 .


341. Jezus of Barabbas : Mc 15,6-14 - Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,6 - Mc 15,7 - Mc 15,8 - Mc 15,9 - Mc 15,10 - Mc 15,11 - Mc 15,12 - Mc 15,13 - Mc 15,14 -

  1. Pilatus 2. Barabbas 3. het volk 4. Pilatus verantwoording 5. de hogepriesters 6. Pilatus 7. de hogepriesters  8. Pilatus 9. de hogepriesters   10. Pilatus
  Mc 15,6 Mc 15,7 Mc 15,8 Mc 15,9 Mc 15,10 Mc 15,11 Mc 15,12 Mc 15,13  Mc 15,14a  Mc 15,14b Mc 15,15
  de (echter) de (echter) kai (en) ho de Pilatos (Pilatus echter)   hoi de archiereis (de hogepriesters echter) ho de Pilatos (Pilatus echter) hoi de (zij echter)  ho de Pilatos (Pilatus echter)  hoi de (zij echter)  
        apekrithè autois (antwoordde aan hen)     palin apokritheis (opnieuw beantwoord)        
        legôn (zeggende)     elegen autois (zei aan hen)    elegen autois (zei aan hen)    

Zie ook :  149. Mc 6,17-29 // Mt 14,3-12 : onthoofding van Johannes de Doper - Mc 6,17-29 - Mt 14,3-12 -

Mc 15,6 - Mc 15,6 : 341. Jezus of Barabbas : Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,6 - Mc 15,7 - Mc 15,8 - Mc 15,9 - Mc 15,10 - Mc 15,11 - Mc 15,12 - Mc 15,13 - Mc 15,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:6 kata de eortèn apeluen autois ena desmion on parètounto  6 per diem autem festum dimittere solebat illis unum ex vinctis quemcumque petissent    6 En op het feest liet hij hun een gevangene los, wien zij ook begeerden.  [6] Bij een feest liet hij gewoonlijk één gevangene vrij, degene om wie ze vroegen.  [6] Pilatus had de gewoonte om op elk pesachfeest één gevangene vrij te laten op verzoek van het volk.  6 Bij een feest heeft die hun altijd één gevangene vrijgelaten, en wel wie zij vroegen.  6. A chaque Fête, il leur relâchait un prisonnier, celui qu'ils demandaient. 

King James Bible . [6] Now at that feast he released unto them one prisoner, whomsoever they desired.
Luther-Bibel . 6 Er pflegte ihnen aber zum Fest einen Gefangenen loszugeben, welchen sie erbaten.

Tekstuitleg van Mc 15,6 .

1. κατα = kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in het NT : kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in de LXX : kata (tegen, volgens) . Mc (9) : (1) Mc 4,10 . (2) Mc 5,13 . (3) Mc 6,40 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 11,25 . (6) Mc 13,8 . (7) Mc 14,19 . (8) Mc 14,55 . (9) Mc 15,6 .

  kata Mc Mc 1 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 9 Mc 11 Mc 13 Mc 14 Mc 15 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
kata     (1) Mc 4,10 . (2) Mc 5,13 .   (3) Mc 6,40 . (4) Mc 7,5 .   (5) Mc 11,25 .   (6) Mc 13,8 . (7) Mc 14,19 . (8) Mc 14,55 (9) Mc 15,6 .   1541  1247  294  17  28  55  172  54  59     
kat  11  (1) Mc 1,27 .   (2) Mc 3,6 .   (3) Mc 4,34 .     (4) Mc 6,31 . (5) Mc 6,32 .   (6) Mc 7,33 (7) Mc 9,2 . (8) Mc 9,28 .     (9) Mc 13,3 .   (10) Mc 14,56 . (11) Mc 14,57 .     316  231  85  14  11  14  37    31  34  33 
kath              (1) Mc 9,40 .       (1) Mc 14,49 .     176  116  60  16  27  14  16     
  totaal 22  2033  1594  439  34  22  43  10  85  236  99  109     

Mc 4,10.5. monas (eenzaam, op zichzelf aangewezen) . Taalgebruik in het N.T. : monas (eenzaam, op zidchzelf aangewezen) . Taalgebruik in Mc : monas (eenzaam, op zidchzelf aangewezen) . Mc (1) : (1) Mc 4,10

2. δε = de (echter) , afkorting δ' = d' . de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in de LXX : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie aan te duiden . Mc (149 + 2) . Mc (20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,6 . (5) Mc 15,7 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,15 . (12) Mc 15,16 . (13) Mc 15,23 . (14) Mc 15,25 . (15) Mc 15,36 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,40 . (19) Mc 15,44 . (20) Mc 15,47 .

de (echter)   de (echter)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
de  149 + 2   10  23  13  23  20  6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7 1048  1251 
d'  d'     1         1                 73 50  23  12      19  20 
Totaal                                   6283 3804 2479 433 151 483 204 490 711 7 1067 1271

kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8
kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7
verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1

Mc 15,7 - Mc 15,7 : 341. Jezus of Barabbas : Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,6 - Mc 15,7 - Mc 15,8 - Mc 15,9 - Mc 15,10 - Mc 15,11 - Mc 15,12 - Mc 15,13 - Mc 15,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:7 èn de o legomenos barabbas meta tôn stasiastôn dedemenos oitines en tè stasei fonon pepoièkeisan  7 erat autem qui dicebatur Barabbas qui cum seditiosis erat vinctus qui in seditione fecerant homicidium    7 En er was een, genaamd Bar-abbas, gevangen met andere medeoproermakers, die in het oproer een doodslag gedaan had.  [7] Een zekere Barabbas zat toen gevangen, samen met de oproerlingen die bij het oproer een moord hadden gepleegd.  [7] Op dat moment zat er een zekere Barabbas gevangen, samen met de andere opstandelingen die tijdens het oproer hadden gemoord.  7 En er zat de zo geheten Barabbas vast, samen met de opstandelingen die tijdens de opstand een moord hadden begaan.   7. Or, il y avait en prison le nommé Barabbas, arrêté avec les émeutiers qui avaient commis un meurtre dans la sédition. 

King James Bible . [7] And there was one named Barabbas, which lay bound with them that had made insurrection with him, who had committed murder in the insurrection.
Luther-Bibel . 7 Es war aber einer, genannt Barabbas, gefangen mit den Aufrührern, die beim Aufruhr einen Mord begangen hatten.

Tekstuitleg van Mc 15,7 .

1. ind. imperf. 3de pers. mann. enk. èn (hij was) van het werkwoord eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .Mc 15 (8) : (1) Mc 15,7 . (2) Mc 15,25 . (3) Mc 15,26 . (4) Mc 15,39 . (5) Mc 15,41 . (6) Mc 15,42 . (7) Mc 15,43 . (8) Mc 15,46 .

2. de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2) . Mc (20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,6 . (5) Mc 15,7 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,15 . (12) Mc 15,16 . (13) Mc 15,23 . (14) Mc 15,25 . (15) Mc 15,36 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,40 . (19) Mc 15,44 . (20) Mc 15,47 .

3. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

Mc 15,8 - Mc 15,8 : 341. Jezus of Barabbas : Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,6 - Mc 15,7 - Mc 15,8 - Mc 15,9 - Mc 15,10 - Mc 15,11 - Mc 15,12 - Mc 15,13 - Mc 15,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:8 kai anabas o ochlos èrxato aiteisthai kathôs epoiei autois  8 et cum ascendisset turba coepit rogare sicut semper faciebat illis    8 En de schare riep uit, en begon te begeren, dat hij deed, gelijk hij hun altijd gedaan had.  [8] De menigte kwam de trappen op en begon te vragen dat hij voor hen zou doen wat hij altijd deed.  [8] Een grote groep mensen trok naar Pilatus en begon hem te vragen om ook nu te doen wat zijn gewoonte was.   8 De schare komt opzetten en begint van hem te vragen wat hij altijd voor hen heeft gedaan.   8. La foule étant montée se mit à demander la grâce accoutumée. 

King James Bible . [8] And the multitude crying aloud began to desire him to do as he had ever done unto them.
Luther-Bibel . 8 Und das Volk ging hinauf und bat, dass er tue, wie er zu tun pflegte.

Tekstuitleg van Mc 15,8 .

Mc 15,8.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 15 . Van de 47 verzen niet in 14 verzen : (1) Mc 15,4 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,6 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,9 . (6) Mc 15,10 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,28 . (12) Mc 15,30 . (13) Mc 15,37 . (14) Mc 15,39 .

Mc 15,8.2. act. part. aor. nom. mann. enk. anabas (beklommen) van het werkw. anabainô (beklimmen) . Taalgebruik in het NT : anabainô (beklimmen) . Taalgebruik in Mc : anabainô (beklimmen) .
Mc (1) : Mc 15,8 . Verschillende vormen van anabainô (beklimmen) in 9 verzen in Mc .

Mc 15,8.3. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

Mc 15,8.4. zelfst. naamw. nom. mann. enk. ochlos (menigte) . Taalgebruik in NT : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos (menigte) . Met één uitzondering (Mc 10,1) gebruikt Mc ochlos (menigte) in het enk .
Mc (13) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 3,32 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,21 . (6) Mc 5,24a - Mc 5,24b . (7) Mc 9,15 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 11,18 . (10) Mc 12,37 . (11) Mc 12,41 . (12) Mc 14,43 . (13) Mc 15,8 . In deze gevallen is ochlos (menigte) onderwerp .

Mc 15,8.6. med. inf. praes. αιτεισθαι = aiteisthai (voor zich te vragen, eisen) van het werkw. αιτεω = aiteô (vragen, bedelen) . Taalgebruik in het NT : aiteô (vragen, bedelen) . Taalgebruik in de LXX : aiteô (vragen, bedelen) . Taalgebruik in Mc : aiteô (vragen, bedelen) . Bijbel (2) : (1) Mc 15,8 . (2) Jak 4,2 . Verschillende vormen in Mc in '9' verzen : (1) Mc 6,22 . (2) Mc 6,23 . (3) Mc 6,24 .  (4) Mc 6,25 . (5) Mc 10,35 . (6) Mc 10,38 . (7) Mc 11,24 . (8) Mc 15,8 . (9) Mc 15,43 .

Mc 15,8.7. καθως = kathôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : kathôs (zoals) . Taalgebruik in de LXX : kathôs (zoals) . Ex (1) : Ex 34,1 . Js (0) .

kathôs (zoals)

bijbel LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
  405 / 368 /216 / 189 12 75 41 25 36 4 1 0 3 4 179 3 8 17 31 11 109 - 28  59 

 

Mt Mc Lc syn. ev.
kathôs (zoals) bij syn.  3 : (1) Mt 21,6 . (2) Mt 26,24 . (3) Mt 28,6 . 8 : (1) Mc 1,2 (gegraptai) . (2) Mc 4,33 . (3) Mc 9,13 (gegraptai) . (4) Mc 11,6 (eipen) . (5) Mc 14,16 (eipen) . (6) Mc 14,21 (gegraptai) . (7) Mc 15,8 . (8) Mc 16,7 (eipen) . 17 : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,55 . (3) Lc 1,70 . (4) Lc 2,20 . (5) Lc 2,23 . (6) Lc 5,14 . (7) Lc 6,31 . (8) Lc 6,36 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,30 . (11) Lc 17,26 . (12) Lc 17,28 . (13) Lc 19,32 . (14) Lc 22,13 . (15) Lc 22,29 . (16) Lc 24,24 . (17) Lc 24,39 . 28 : (1) Mt 26,24 // Mc 14,21 . 59 

- Hebreeuws . כַאֲשֶׁר = ka´äsjèr (zoals) < prefix kë + אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) OF persoonsnaam אָשֶׁר = ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalswaarde : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (488) . Pentateuch (202) . Eerdere Profeten (68) . Latere Profeten (68) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (56) .
- כּמוֹ = këmô (zoals) . Taalgebruik in Tenakh : këmô (zoals) . Getalwaarde : kaph = 12 of 30 , mem , 13 of 40 , waw = 6 ; totaal : 31 OF 76 (4 X 19) . Tenakh (52) . Pentateuch (2) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (33) . Pentateuch (2) : (1) Ex 15,5. (2) Ex 15,8 .
- Ned. : zoals . Arabisch : كَما = kamâ (zoals) . Taalgebruik in de Qoran : kamâ (zoals) . D. : wie . E. : as . Fr. : selon . Gr. καθως = kathôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : kathôs (zoals) . Hebreeuws : כַאֲשֶׁר = ka´äsjèr (zoals) < prefix kë + אֲשֶׁר = ´äsjèr (die). Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) .

Mc 15,8.8. act. ind. imperf. 3de pers. enk. epoiei (hij deed) van het werkw. poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Mc : poieô (doen, maken) . Mc (2) : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 15,8 . In Mc 3,8 is Jezus onderwerp , in Mc 15,8 Pilatus . In dezelfde contekst vinden we poièsè(i)s hèmin (jij voor ons zoudt doen) in Mc 10,35 en poièsô humin (ik zal voor jullie doen) in Mc 10,36 .

9. dat. mann. en onz. mv. αυτοις = autois van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Mc 15 (7) : (1) Mc 15,6 . (2) Mc 15,8 . (3) Mc 15,9 . (4) Mc 15,11 . (5) Mc 15,12 . (6) Mc 15,14 . (7) Mc 15,15 .

  autoi  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
7 dat. mann. en onz. mv.autois  117  10  13 10  12  13  1722  1180  542  101  117  89  97  75  47  16  307  404 

Mc 3,4.4. εξεστιν = exestin (het is toegelaten) . Taalgebruik in het NT : exestin (het is toegelaten) . Taalgebruik in de LXX : exestin (het is toegelaten) . Taalgebruik in Mc :

Mc 15,8.7. - 9. In drie verzen wordt kathôs (zoals) gevolgd door gegraptai (er werd geschreven) , in drie verzen door eipen (hij zei) .

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Mc 1,2 Mc 4,33 Mc 9,13 Mc 11,6 Mc 14,16 Mc 14,21 Mc 15,8 Mc 16,7
archè euaggeliou Ièsou Christou (begin van de goede boodschap van Jezus Christus) elalei autois ton logon (hij zei aan hen het woord) kai epoièsan autôi hosa èthelon (en zij deden hem zoals zij wilden) hoi de eipan autois (zij echter zeiden hen) kai èlthon eis tèn polin kai heuron (en zij gingen naar de stad en zij vonden) ho huios tou anthrôpou hupagei (de mensenzoon gaat weg kai anabas ho ochlos èrxato aiteisthai (en de menigte opgeklommen begon te vragen) ekei auton opsesthe (daar zult gij hem zien)
kathôs (zoals) kathôs (zoals) kathôs (zoals) kathôs (zoals) kathôs (zoals) kathôs (zoals) kathôs (zoals) kathôs (zoals)
gegraptai (geschreven is) en (in) tôi (de) Ièsaiai (Jesaja) tôi (de) profètèi (profeet)  èdunanto akouein (zij niet in staat waren te horen) gegraptai (geschreven is) eipen (zei) ho Ièsous (Jezus) eipen ( hij zei) gegraptai (geschreven is) epoiei (hij deed) eipen (hij zei)
    ep'auton (over hem)   autois (aan hen) peri autou (over hem) autois (aan hen) humin (aan jullie)
13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - 136. Jezus spreekt in gelijkenissen : Mc 4,33-34 - Mt 13,34-35 - 169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia : Mc 9,11-13 - Mt 17,10-13 - 279. Intocht in Jeruzalem :Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 - 320. Voorbereiding van het paasmaal : Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 - 321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - 341. Jezus of Barabbas : Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 - 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -

Mc 15,9 - Mc 15,9 : 341. Jezus of Barabbas : Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,6 - Mc 15,7 - Mc 15,8 - Mc 15,9 - Mc 15,10 - Mc 15,11 - Mc 15,12 - Mc 15,13 - Mc 15,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:9 o de pilatos apekrithè autois legôn thelete apolusô umin ton basilea tôn ioudaiôn  9 Pilatus autem respondit eis et dixit vultis dimittam vobis regem Iudaeorum    9 En Pilatus antwoordde hun, zeggende: Wilt gij, dat ik u den Koning der Joden loslate?  [9] Pilatus antwoordde hun: ‘Wilt u dat ik u de koning van de Joden vrijlaat?’   [9] Pilatus vroeg hun: ‘Wilt u dat ik de koning van de Joden vrijlaat?’  8 De schare komt opzetten en begint van hem te vragen wat hij altijd voor hen heeft gedaan. 9 Maar Pilatus antwoordt hun en zegt: wilt ge dan dat ik u de koning der Joden loslaat?  9. Pilate leur répondit : « Voulez-vous que je vous relâche le roi des Juifs ? »  

King James Bible . [9] But Pilate answered them, saying, Will ye that I release unto you the King of the Jews?
Luther-Bibel . 9 Pilatus aber antwortete ihnen: Wollt ihr, dass ich euch den König der Juden losgebe?

Tekstuitleg van Mc 15,9 .

1. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

2. de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2) . Mc (20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,6 . (5) Mc 15,7 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,15 . (12) Mc 15,16 . (13) Mc 15,23 . (14) Mc 15,25 . (15) Mc 15,36 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,40 . (19) Mc 15,44 . (20) Mc 15,47 .

1. - 2. ho de (hij echter) in Mc 15 (9 / 21 en 9 / 20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,9 . (5) Mc 15,12 . (6) Mc 15,14 . (7) Mc 15,15 . (8) Mc 15,37 . (9) Mc 15,44 .

4. ind. aor. 3de pers. enk. apekrithè (hij antwoordde) van het werkw. apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het NT : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in Mc : apokrinomai (antwoorden) .
Mc (7) : (1) Mc 7,28 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 12,28 . (4) Mc 12,29 . (5) Mc 12,34 . (6) Mc 15,5 . (7) Mc 15,9 . Een vorm van apokrinomai (antwoorden) in Mc in 30 verzen .

7. act. ind. + imperat. praes. 2de pers. mv. thelete (jullie willen) van het werkw. Taalgebruik in het NT : thelô (willen) . Taalgebruik in Mc : thelô (willen) . Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen .
Mc (3) : (1) Mc 10,36 . (2) Mc 15,9 . (3) Mc 15,12  . Een vorm van thelô (willen) in 23 verzen in Mc .

Mc 15,10 - Mc 15,10 : 341. Jezus of Barabbas : Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,6 - Mc 15,7 - Mc 15,8 - Mc 15,9 - Mc 15,10 - Mc 15,11 - Mc 15,12 - Mc 15,13 - Mc 15,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:10 eginôsken gar oti dia fthonon paradedôkeisan auton | [oi archiereis] | oi archiereis |  10 sciebat enim quod per invidiam tradidissent eum summi sacerdotes    10 (Want hij wist, dat de overpriesters Hem door nijd overgeleverd hadden.)   [10] Want hij merkte dat de hogepriesters Hem uit afgunst overgeleverd hadden. [10] Want hij begreep wel dat de hogepriesters hem uit afgunst hadden uitgeleverd.  10 Want het is hem niet ontgaan dat de overpriesters hem uit afgunst hebben overgeleverd.  10. Il se rendait bien compte que c'était par jalousie que les grands prêtres l'avaient livré. 

King James Bible . [10] For he knew that the chief priests had delivered him for envy.
Luther-Bibel . 10 Denn er erkannte, dass ihn die Hohenpriester aus Neid überantwortet hatten.

Tekstuitleg van Mc 15,10 .

3. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 15 (2) : (1) Mc 15,10 . (2) Mc 15,39 .

6. De overlevering van Jezus door Judas aan de hogepriesters en de schriftgeleerden werd aangekondigd in de derde lijdensvoorspelling : Mt 20,18 // Mc 10,33 (en de mensenzoon zal overgeleverd worden aan de hogepriesters en de schriftgeleerden) . Bij Lucas ontbreekt dit stukje van de derde lijdensaankondiging . Lucas is voorzichtig om het woord paradidômi (overleveren) te gebruiken , zowel bij Judas , als bij de hogepriesters en de schriftgeleerden . Het zou de indruk kunnen geven dat zij macht over Jezus zouden bezitten .

8. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 15 (10) : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,3 . (3) Mc 15,10 . (4) Mc 15,11 . (5) Mc 15,13 . (6) Mc 15,14 . (7) Mc 15,16 . (8) Mc 15,29 . (9) Mc 15,31 . (10) Mc 15,32 .

- paredôkan (zij leverden over) . Taalgebruik : paradidômi (overleveren) . Actief ind. aor. 3de pers. mv. van het werkw. paradidômi . Lat. tradere (trans - dare) . Fr. trahir . Ned. overleveren , overgeven . Hebr. mâsar . Bij (Gr. para) langs , naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is . Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over : tegenover , aan de andere zijde . Zo kan para-didômi betekenen : geven aan de tegenovergestelde , de andere , de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen . I.v.m. de overlevering van Jezus aan Pilatus : In 5 van de 6 verzen : (1) Mt 27,2 // Mc 15,1 . (2) Mt 27,18 // Mc 15,10 (paradedôkeisan = zij hem hadden overgeleverd) . (3) Mc 15,1 // Mt 27,2 . (4) Lc 24,20 . (5) Joh 18,35 .

- paredôken (hij leverde over) . Actief ind. aor. 3de pers. enk. . In 4 verzen in de syn. i.v.m. de overlevering van Jezus aan Pilatus : (1) Mt 27,26 // Mc 15,15 // Lc 23,25 . (2) Mc 3,19 // Mt 10,4 (paradous = 'die overleverde') // Lc 6,16 (prodotès = overleveraar) . (3) Mc 15,15 // Lc 23,25 // Mt 27,26 . (4) Lc 23,25 // Mt 27,26 // Mc 15,15 .

paradidômi (overleveren)   bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. aor. 3de pers. enk. paredôken  82  65  17   
act. ind. aor. 3de pers. mv. paredôkan        

sanhedrin sanhedrin sanhedrin  Judas Pilatus Pilatus Pilatus
Mc 15,1 Mt 27,2 Mt 27,18   Mc 3,19 Mc 15,15  Mt 27,26 Lc 23,25  
kai (en) kai (en) hoti (dat) kai Ioudan Iskariôth (Judas Iskariot) kai (en)  ton de Ièsoun Jezus echter)  
paredôkan Pilatôi (zij leverden - hem - uit aan Pilatus) paredôkan Pilatôi (zij leverden - hem - uit aan Pilatus) tôi hègemoni (de procureur) dia fthonon paredôkan auton (zij hem omwille van nijd overleverden ) hos kai paredôken auton (die hem ook overleverde) paredôken (leverde hij over) ton Ièsoun (Jezus)  paredôken (leverde hij over) ton de Ièsoun (Jezus) paredôken (leverde hij over)
    hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden.   hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden. hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden. tôi thelèmati autôn (aan hun wil)
336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 - 336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1-  342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 97. Roeping van de Twaalf : Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 -  342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25  342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25  342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25

 

Mc 15,11 - Mc 15,11 : 341. Jezus of Barabbas : Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,6 - Mc 15,7 - Mc 15,8 - Mc 15,9 - Mc 15,10 - Mc 15,11 - Mc 15,12 - Mc 15,13 - Mc 15,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:11 oi de archiereis aneseisan ton ochlon ina mallon ton barabban apolusè autois   11 pontifices autem concitaverunt turbam ut magis Barabban dimitteret eis    11 Maar de overpriesters bewogen de schare, dat hij hun liever Bar-abbas zou loslaten.   [11] Maar de hogepriesters hitsten de menigte op, dat hij liever Barabbas moest vrijlaten.  [11] Maar de hogepriesters hitsten de menigte op om te zeggen dat hij Barabbas moest vrijlaten.  11 Maar de overpriesters stoken de schare op dat hij hun liever Barabbas moet loslaten.  11. Cependant, les grands prêtres excitèrent la foule à demander qu'il leur relâchât plutôt Barabbas.  

King James Bible . [11] But the chief priests moved the people, that he should rather release Barabbas unto them.
Luther-Bibel . 11 Aber die Hohenpriester reizten das Volk auf, dass er ihnen viel lieber den Barabbas losgebe.

Tekstuitleg van Mc 15,11 .

1. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 15 (10) : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,3 . (3) Mc 15,10 . (4) Mc 15,11 . (5) Mc 15,13 . (6) Mc 15,14 . (7) Mc 15,16 . (8) Mc 15,29 . (9) Mc 15,31 . (10) Mc 15,32 .

2. de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2) . Mc (20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,6 . (5) Mc 15,7 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,15 . (12) Mc 15,16 . (13) Mc 15,23 . (14) Mc 15,25 . (15) Mc 15,36 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,40 . (19) Mc 15,44 . (20) Mc 15,47 .

5. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 15 (11) : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,9 . (4) Mc 15,11 . (5) Mc 15,12 . (6) Mc 15,15 . (7) Mc 15,21 . (8) Mc 15,22 . (9) Mc 15,29 . (10) Mc 15,43 . (11) Mc 15,44 .

8. mallon (meer) . Taalgebruik in het NT : mallon (meer) . Taalgebruik in Mc : mallon (meer) .
Mc (5) : (1) Mc 5,26 .   (2) Mc 7,36 .  (3) Mc 9,42 .  (4) Mc 10,48 .  (5) Mc 15,11 .  

9. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 15 (11) : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,9 . (4) Mc 15,11 . (5) Mc 15,12 . (6) Mc 15,15 . (7) Mc 15,21 . (8) Mc 15,22 . (9) Mc 15,29 . (10) Mc 15,43 . (11) Mc 15,44 .

11. act. conj. aor. 3de pers. enk. apolusè(i)  van het werkw. apoluô (losmaken) . Taalgebruik in het NT : apoluô (losmaken) . Taalgebruik in Mc : apoluô (losmaken) .
Mc (2) : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 15,11 .

Mc 15,12 - Mc 15,12 : 341. Jezus of Barabbas : Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,6 - Mc 15,7 - Mc 15,8 - Mc 15,9 - Mc 15,10 - Mc 15,11 - Mc 15,12 - Mc 15,13 - Mc 15,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:12 o de pilatos palin apokritheis elegen autois ti oun | poièsô [on] legete | [thelete] poièsô [on legete*] | ton basilea tôn ioudaiôn  12 Pilatus autem iterum respondens ait illis quid ergo vultis faciam regi Iudaeorum     12 En Pilatus, antwoordende, zeide wederom tot hen: Wat wilt gij dan, dat ik met Hem doen zal, Dien gij een Koning der Joden noemt?  [12] Waarop Pilatus hun weer zei: ‘Wat wilt u dan dat ik doe met Hem die u de koning van de Joden noemt?’  [12] Toen zei Pilatus tegen hen: ‘Wat wilt u dan dat ik doe met die man die u de koning van de Joden noemt?’  12 Maar weer antwoordt Pilatus en heeft hij tot hen gezegd: wat moet ik dan doen met hem die gij de koning der Joden noemt?  12. Pilate, prenant de nouveau la parole, leur disait : « Que ferais-je donc de celui que vous appelez le roi des Juifs ? »  

King James Bible . [12] And Pilate answered and said again unto them, What will ye then that I shall do unto him whom ye call the King of the Jews?
Luther-Bibel . 12 Pilatus aber fing wiederum an und sprach zu ihnen: Was wollt ihr denn, dass ich tue mit dem, den ihr den König der Juden nennt?

Tekstuitleg van Mc 15,12 .

1. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

2. de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2) . Mc (20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,6 . (5) Mc 15,7 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,15 . (12) Mc 15,16 . (13) Mc 15,23 . (14) Mc 15,25 . (15) Mc 15,36 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,40 . (19) Mc 15,44 . (20) Mc 15,47 .

1. - 2. ho de (hij echter) in Mc 15 (9 / 21 en 9 / 20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,9 . (5) Mc 15,12 . (6) Mc 15,14 . (7) Mc 15,15 . (8) Mc 15,37 . (9) Mc 15,44 .

10. act. ind. + imperat. praes. 2de pers. mv. thelete (jullie willen) van het werkw. Taalgebruik in het NT : thelô (willen) . Taalgebruik in Mc : thelô (willen) . Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen .
Mc (3) : (1) Mc 10,36 . (2) Mc 15,9 . (3) Mc 15,12  . Een vorm van thelô (willen) in 23 verzen in Mc .

Mc 15,13 - Mc 15,13 : 341. Jezus of Barabbas : Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,6 - Mc 15,7 - Mc 15,8 - Mc 15,9 - Mc 15,10 - Mc 15,11 - Mc 15,12 - Mc 15,13 - Mc 15,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:13 oi de palin ekraxan staurôson auton  13 at illi iterum clamaverunt crucifige eum    13 En zij riepen wederom: Kruis Hem.   [13] Zij schreeuwden terug: ‘Kruisig Hem!’ [13] En ze begonnen weer te schreeuwen. ‘Kruisig hem!’ riepen ze.  13 Zij schreeuwen terug: kruisig hem!   13. Mais eux crièrent de nouveau : « Crucifie-le ! »  

King James Bible . [13] And they cried out again, Crucify him.
Luther-Bibel . 13 Sie schrien abermals: Kreuzige ihn!

Tekstuitleg van Mc 15,13 .

1. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 15 (10) : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,3 . (3) Mc 15,10 . (4) Mc 15,11 . (5) Mc 15,13 . (6) Mc 15,14 . (7) Mc 15,16 . (8) Mc 15,29 . (9) Mc 15,31 . (10) Mc 15,32 .

2. de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2) . Mc (20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,6 . (5) Mc 15,7 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,15 . (12) Mc 15,16 . (13) Mc 15,23 . (14) Mc 15,25 . (15) Mc 15,36 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,40 . (19) Mc 15,44 . (20) Mc 15,47 .

4. act. ind. aor. 3de pers. mv. ekraxan  van het werkw. krazô (schreeuwen, roepen)  . Taalgebruik in het NT : krazô (schreeuwen, roepen) . Taalgebruik in Mc : krazô (schreeuwen, roepen) . Ned. krijsen . Mc (2) : (1) Mc 15,13 . (2) Mc 15,14 .

Mc 15,14 - Mc 15,14 : 341. Jezus of Barabbas : Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,6 - Mc 15,7 - Mc 15,8 - Mc 15,9 - Mc 15,10 - Mc 15,11 - Mc 15,12 - Mc 15,13 - Mc 15,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:14 o de pilatos elegen autois ti gar epoièsen kakon oi de perissôs ekraxan staurôson auton  14 Pilatus vero dicebat eis quid enim mali fecit at illi magis clamabant crucifige eum     14 Doch Pilatus zeide tot hen: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer: Kruis Hem!   [14] Pilatus zei tegen hen: ‘Wat voor kwaad heeft Hij dan eigenlijk gedaan?’ Maar zij schreeuwden nog harder: ‘Kruisig Hem!’   [14] Pilatus vroeg: ‘Wat heeft hij dan misdaan?’ Maar ze schreeuwden nog harder: ‘Kruisig hem!’  14 Maar Pilatus heeft tot hen gezegd: maar wat voor kwaad heeft hij gedaan? Zij schreeuwen des te heftiger: kruisig hem!   14. Et Pilate de leur dire : « Qu'a-t-il donc fait de mal ? » Mais ils n'en crièrent que plus fort : « Crucifie-le ! » 

King James Bible . [14] Then Pilate said unto them, Why, what evil hath he done? And they cried out the more exceedingly, Crucify him.
Luther-Bibel . 14 Pilatus aber sprach zu ihnen: Was hat er denn Böses getan? Aber sie schrien noch viel mehr: Kreuzige ihn!

Tekstuitleg van Mc 15,14 .

Mc 15,14.1. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : de . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) .

Mc 15,14.2. δε = de (echter) , afkorting δ' = d' . de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in de LXX : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie aan te duiden . Mc (149 + 2) . Mc (20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,6 . (5) Mc 15,7 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,15 . (12) Mc 15,16 . (13) Mc 15,23 . (14) Mc 15,25 . (15) Mc 15,36 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,40 . (19) Mc 15,44 . (20) Mc 15,47 .

de (echter)   de (echter)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
de  149 + 2   10  23  13  23  20  6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7 1048  1251 
d'  d'     1         1                 73 50  23  12      19  20 
Totaal                                   6283 3804 2479 433 151 483 204 490 711 7 1067 1271

kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8
kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7
verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1

Mc 15,14.1. - 2. δε ὁ = de ho (echter de) . Mc (8) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 6,16 . (3) Mc 8,29 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 10,14 . (6) Mc 14,44 . (7) Mc 15,7 . (8) Mc 15,39 . δε = de (echter) + een vorm van het bep. lidw. . NT (584) .
- ὁ δε = ho de (hij echter) . Mc () : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,45 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,34 . (5) Mc 5,36 . (6) Mc 5,40 . (7) Mc 6,27 . (8) Mc 6,37 . (9) Mc 6,38 . (10) Mc 7,6 . (11) Mc 7,27 . (12) Mc 8,33 . (13) Mc 9,12 . (14) Mc 9,19 . (15) Mc 9,21 . (16) Mc 9,23 . (17) Mc 9,27 . (18) Mc 9,39 . (19) Mc 10,3 . (20) Mc 10,18 . (21) Mc 10,20 . (22) Mc 10,21 . (23) Mc 10,22 . (24) Mc 10,24 . (25) Mc 10,36 . (26) Mc 10,38 . (27) Mc 10,42 . (28) Mc 10,48 . (29) Mc 10,50 . (30) Mc 10,51 . (31) Mc 10,52 . enz. Een vorm van het lidw. + δε = de (echter) . NT (698) .
- και ὁ = kai ho (en de) . Mc 10 (17) : (1) Mc 2,22 . (2) Mc 4,25 . (3) Mc 4,27 . (4) Mc 4,41 . (5) Mc 7,10 . (6) Mc 10,33 . (7) Mc 11,33 . (8) Mc 12,20 . (9) Mc 12,21 . (10) Mc 12,26 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 . (13) Mc 13,2 . (14) Mc 13,16 . (15) Mc 14,9 . (16) Mc 14,10 . (17) Mc 14,54 . και = kai + een vorm van het bep. lidw. . NT (1489) .

ὁ δε = ho de (hij echter) in Mc 15 (9 / 21 en 9 / 20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,9 . (5) Mc 15,12 . (6) Mc 15,14 . (7) Mc 15,15 . (8) Mc 15,37 . (9) Mc 15,44 .

Mc 15,14.10. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 15 (10) : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,3 . (3) Mc 15,10 . (4) Mc 15,11 . (5) Mc 15,13 . (6) Mc 15,14 . (7) Mc 15,16 . (8) Mc 15,29 . (9) Mc 15,31 . (10) Mc 15,32 .

Mc 15,14.13. act. ind. aor. 3de pers. mv. ekraxan  van het werkw. krazô (schreeuwen, roepen)  . Taalgebruik in het NT : krazô (schreeuwen, roepen) . Taalgebruik in Mc : krazô (schreeuwen, roepen) . Ned. krijsen . Mc (2) : (1) Mc 15,13 . (2) Mc 15,14 .

342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 - bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 - Mc 15,15 -

Mc 15,15 - Mc 15,15 : 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 - bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 - Mc 15,15 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:15 o de pilatos boulomenos tô ochlô to ikanon poièsai apelusen autois ton barabban kai paredôken ton ièsoun fragellôsas ina staurôthè 15 Pilatus autem volens populo satisfacere dimisit illis Barabban et tradidit Iesum flagellis caesum ut crucifigeretur     15 Pilatus nu, willende der schare genoeg doen, heeft hun Bar-abbas losgelaten, en gaf Jezus over, als hij Hem gegeseld had, om gekruist te worden.  [15] Omdat Pilatus het volk tevreden wilde stellen, liet hij Barabbas vrij, en Jezus liet hij geselen en leverde hij over om gekruisigd te worden.  [15] Omdat Pilatus de menigte tevreden wilde stellen, liet hij Barabbas vrij. Jezus leverde hij uit om gekruisigd te worden, nadat hij hem eerst nog had laten geselen.  15 ¶ Pilatus wil voor de schare wel iets geschikts doen en laat aan hen Barabbas los; Jezus laat hij geselen en levert hij over om gekruisigd te worden.  15. Pilate alors, voulant contenter la foule, leur relâcha Barabbas et, après avoir fait flageller Jésus, il le livra pour être crucifié.

King James Bible . [15] And so Pilate, willing to content the people, released Barabbas unto them, and delivered Jesus, when he had scourged him, to be crucified.
Luther-Bibel . 15 Pilatus aber wollte dem Volk zu Willen sein und gab ihnen Barabbas los und ließ Jesus geißeln und überantwortete ihn, dass er gekreuzigt werde.

Tekstuitleg van Mc 15,15 .

De overlevering van Jezus door Judas aan de hogepriesters en de schriftgeleerden werd aangekondigd in de derde lijdensvoorspelling : Mc 10,33 (en de mensenzoon zal overgeleverd worden aan de hogepriesters en de schriftgeleerden) . Bij Lucas ontbreekt dit stukje van de derde lijdensaankondiging . Lucas is voorzichtig om het woord paradidômi (overleveren) te gebruiken , zowel bij Judas , als bij de hogepriesters en de schriftgeleerden . Het zou de indruk kunnen wekken dat zij macht over Jezus zouden bezitten .

Mc 15,15.1. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

Mc 15,15.2. de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2) . Mc (20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,6 . (5) Mc 15,7 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,15 . (12) Mc 15,16 . (13) Mc 15,23 . (14) Mc 15,25 . (15) Mc 15,36 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,40 . (19) Mc 15,44 . (20) Mc 15,47 .

Mc 15,15.1. - 2. ho de (hij echter) in Mc 15 (9 / 21 en 9 / 20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,9 . (5) Mc 15,12 . (6) Mc 15,14 . (7) Mc 15,15 . (8) Mc 15,37 . (9) Mc 15,44 .

Mc 15,15.7. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 15 (5) : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,15 . (3) Mc 15,38 . (4) Mc 15,43 . (5) Mc 15,45 .

Mc 15,15.15. act. ind. aor. 3de pers. enk. paredôken (hij leverde over) van het werkw. paradidômi (overleveren)  . Taalgebruik in het NT : paradidômi (overleveren) . Taalgebruik in Mc : paradidômi (overleveren) . Lat. tradere (trans - dare) . Fr. trahir . Ned. overleveren , overgeven . Hebr. mâsar . Bij (Gr. para) langs , naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is . Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over : tegenover , aan de andere zijde . Zo kan para-didômi betekenen : geven aan de tegenovergestelde , de andere , de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen
Mc (2) : (1) Mc 3,19 . (2) Mc 15,15 .   Een vorm van paradidômi (overleveren) in Mc in 23 verzen .



343. Soldaten bespotten Jezus : Mc 15,16-20 - Mc 15,16-20 - Mt 27,27-31 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,16 - Mc 15,17 - Mc 15,18 - Mc 15,19 - Mc 15,20 -

Mc 15,16 - Mc 15,16 : 343. Soldaten bespotten Jezus : Mc 15,16-20 - Mt 27,27-31 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,16 - Mc 15,17 - Mc 15,18 - Mc 15,19 - Mc 15,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:16 oi de stratiôtai apègagon auton esô tès aulès o estin praitôrion kai sugkalousin olèn tèn speiran  16 milites autem duxerunt eum intro in atrium praetorii et convocant totam cohortem     16 En de krijgsknechten leidden Hem binnen in de zaal, welke is het rechthuis, en riepen de ganse bende samen;  [16] De soldaten namen Hem mee in het paleis, dat wil zeggen: het pretorium, en ze riepen heel de cohort bij elkaar.   [16] De soldaten leidden hem weg, het paleis (dat wil zeggen het pretorium) in, en riepen de hele cohort bijeen.  16 Maar de soldaten voeren hem af naar binnen de voorhof, dat is het ‘pretorium’, – en roepen de hele afdeling samen.  16. Les soldats l'emmenèrent à l'intérieur du palais, qui est le Prétoire, et ils convoquent toute la cohorte. 

King James Bible . [16] And the soldiers led him away into the hall, called Praetorium; and they call together the whole band.
Luther-Bibel . 16 Die Soldaten aber führten ihn hinein in den Palast, das ist ins Prätorium, und riefen die ganze Abteilung zusammen

Tekstuitleg van Mc 15,16 .

Mc 15,16.1. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 15 (10) : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,3 . (3) Mc 15,10 . (4) Mc 15,11 . (5) Mc 15,13 . (6) Mc 15,14 . (7) Mc 15,16 . (8) Mc 15,29 . (9) Mc 15,31 . (10) Mc 15,32 .

Mc 15,16.2. de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2) . Mc (20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,6 . (5) Mc 15,7 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,15 . (12) Mc 15,16 . (13) Mc 15,23 . (14) Mc 15,25 . (15) Mc 15,36 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,40 . (19) Mc 15,44 . (20) Mc 15,47 .

Mc 15,16.1. - 2. hoi de (zij echter) . Mc (28) . Mc 15 (4) : (1) Mc 15,11 . (2) Mc 15,13 . (3) Mc 15,15 . (4) Mc 15,16 .

Mc 15,16.3. nom. mann. mv. στρατιωται = stratiôtai (strijders, soldaten) van het zelfst. naamw. στρατιωτης = stratiôtès (strijder, soldaat) . Taalgebruik in het NT : stratiôtès (strijder, soldaat) . Taalgebruik in de LXX : stratiôtès (strijder, soldaat) . Bijbel (9) : (1) Mt 27,27 . (2) Mc 15,16 . (3) Lc 23,36 . (4) Joh 19,2 . (5) Joh 19,23 . (6) Joh 19,24 . (7) Joh 19,32 . (8) Hnd 23,31 . (9) Hnd 27,32 .

Mc 15,16.4. act. ind. aor. 3de pers. mv. απηγαγον = apègagon (zij leidden weg) van het werkw. απαγω = apagô (wegleiden, wegvoeren) . Taalgebruik in het NT : apagô (wegleiden, afvoeren) . Taalgebruik in Mc : apagô (wegleiden, afvoeren) . Bijbel (12) . LXX (5) : (1) 1 K 1,38 . (2) Job 24,3 . (3) 2 Kr 36,17 . (4) Jdt 6,14 . (5) Bar 4,16 . NT (7) : (1) Mt 26,57 . (2) Mt 27,2 . (3) Mt 27,31 . (4) Mc 14,53 . (5) Mc 15,16 . (6) Lc 22,66 . (7) Lc 23,26 . Een vorm van απαγω = apagô in de LXX (52) , in het NT (15) .

Mt 26,57 // Mc 14,53 // (Lc 22,54) Mc 14,53 (Lc 22,54) Lc 22,66
Hoi de kratèsantes (Zij echter overmeesterd) Kai (en) Sullabontes de (Meegenomen echter)  
ton Ièsoun (Jezus)   auton (hem)  
apègagon (leidden zij weg) apègagon (leidden zij weg) ègagon (leidden zij) ) kai eisègagon (en leidden binnen) apègagon (zij leidden weg)
  ton Ièsoun (Jezus)   auton (hem) 
      eis to sunedrion autôn (naar hun sanhedrin) .  

Na zijn arrestatie in de hof van Getsemane wordt Jezus weggeleid naar de hogepriester (Mc 14,53) . Na de vrijlating van Barnabas wordt Jezus weggeleid om gekruisigd te worden . De soldaten leiden Jezus weg en beginnen met de uitvoering van de straf (Mc 15,16) . Tussen beide wegleidingen ligt het gebeuren vanaf zijn arrestatie tot zijn veroordeling .

Mc 15,16.4. - 5. ... τον ιησουν απηγαγον = ton Ièsoun apègagon (zij leidden Jezus weg) . NT (1) : Mt 26,57 .
- απηγαγον τον ιησουν = apègagon ton Ièsoun (zij leidden Jezus weg) . Slechts in Mc 14,53 .
- απηγαγον αυτον = apègagon auton (zij leidden hem weg) . Bijbel (4) : (1) Mt 27,31 . (2) Mc 15,16 . (3) Lc 23,26 . (4) Joh 18,13 (variante lezing) .

Mc 15,16.7. gen. vr. enk. της = tès (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 15 (2) : (1) Mc 15,16 . (2) Mc 15,26 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
5. gen. vr. enk. tès 65  5271  4202  1069  107  65  109  72  164  430  122  281  353 

- bepaald lidw. Ned. : de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 15,16.9. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 15,16.10. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .


Mc 15,17 - Mc 15,17 : 343. Soldaten bespotten Jezus : Mc 15,16-20 - Mt 27,27-31 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,16 - Mc 15,17 - Mc 15,18 - Mc 15,19 - Mc 15,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:17 kai endiduskousin auton porfuran kai perititheasin autô plexantes akanthinon stefanon  17 et induunt eum purpuram et inponunt ei plectentes spineam coronam    17 En deden Hem een purperen mantel aan, en een doornenkroon gevlochten hebbende, zetten Hem die op;  [17] Ze deden Hem een purperen mantel om, vlochten een krans van doorns en zetten Hem die op.   [17] Ze trokken hem een purperen gewaad aan, vlochten een kroon van doorntakken en zetten hem die op.  17 Ze hullen hem in purper, vlechten een doornenkroon en zetten hem die op.   17. Ils le revêtent de pourpre, puis, ayant tressé une couronne d'épines, ils la lui mettent. 

King James Bible . [17] And they clothed him with purple, and platted a crown of thorns, and put it about his head,
Luther-Bibel . 17 und zogen ihm einen Purpurmantel an und flochten eine Dornenkrone und setzten sie ihm auf

Tekstuitleg van Mc 15,17 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 15 . Van de 47 verzen niet in 14 verzen : (1) Mc 15,4 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,6 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,9 . (6) Mc 15,10 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,28 . (12) Mc 15,30 . (13) Mc 15,37 . (14) Mc 15,39 .

5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 15 . Van de 47 verzen niet in 14 verzen : (1) Mc 15,4 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,6 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,9 . (6) Mc 15,10 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,28 . (12) Mc 15,30 . (13) Mc 15,37 . (14) Mc 15,39 .

Mc 15,18 - Mc 15,18 : 343. Soldaten bespotten Jezus : Mc 15,16-20 - Mt 27,27-31 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,16 - Mc 15,17 - Mc 15,18 - Mc 15,19 - Mc 15,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:18 kai èrxanto aspazesthai auton chaire basileu tôn ioudaiôn  18 et coeperunt salutare eum have rex Iudaeorum    18 En begonnen Hem te groeten, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden!   [18] Ze begonnen Hem de groet te brengen: ‘Gegroet, koning van de Joden!’  [18] Daarna brachten ze hem hulde met de woorden: ‘Gegroet, koning van de Joden!’   18 Dan beginnen ze hem hulde te brengen: wees gegroet, koning der Joden!  18. Et ils se mirent à le saluer : « Salut, roi des Juifs ! »  

King James Bible . [18] And began to salute him, Hail, King of the Jews!
Luther-Bibel . 18 und fingen an, ihn zu grüßen: Gegrüßet seist du, der Juden König!

Tekstuitleg van Mc 15,18 . Het vers Mc 15,18 telt 8 (2 X 2 X 2) woorden en 48 (2 X 2 X 2 X 2 X 3) letters . De getalwaarde van Mc 15,18 is 5814 (2 X 3 X 3 X 17 X 19) .

Mc 15,18.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555) . Mc 15 . Van de 47 verzen niet in 14 verzen : (1) Mc 15,4 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,6 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,9 . (6) Mc 15,10 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,28 . (12) Mc 15,30 . (13) Mc 15,37 . (14) Mc 15,39 .

Mc 15,18.3. inf. praes. aspazesthai ind. van het werkw. aspazomai (verwelkomen, begroeten) . Taalgebruik in het NT : aspazomai (verwelkomen, begroeten) . Taalgebruik in Mc : aspazomai (verwelkomen, begroeten) .
Mc (1) Mc 15,18 . Een vorm van aspazomai (verwelkomen, begroeten) in Mc in 2 verzen : (1) Mc 9,15 . (1) Mc 15,18 .

Mc 15,19 - Mc 15,19 : 343. Soldaten bespotten Jezus : Mc 15,16-20 - Mt 27,27-31 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,16 - Mc 15,17 - Mc 15,18 - Mc 15,19 - Mc 15,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:19 kai etupton autou tèn kefalèn kalamô kai eneptuon autô kai tithentes ta gonata prosekunoun autô  19 et percutiebant caput eius harundine et conspuebant eum et ponentes genua adorabant eum     19 En sloegen Zijn hoofd met een rietstok, en bespogen Hem, en vallende op de knieën, aanbaden Hem.  [19] Ze sloegen Hem met een rietstok op het hoofd, spuwden Hem in het gezicht, en knielden voor Hem neer om Hem te huldigen.  [19] Ze sloegen hem met een rietstok tegen het hoofd en bespuwden hem, en bogen onderdanig voor hem.  19 Ze hebben hem met een riet op het hoofd geslagen en hebben hem bespuwd; op de knieën vallend hebben ze plechtig voor hem gebogen.   19. Et ils lui frappaient la tête avec un roseau et ils lui crachaient dessus, et ils ployaient le genou devant lui pour lui rendre hommage. 

King James Bible . [19] And they smote him on the head with a reed, and did spit upon him, and bowing their knees worshipped him.
Luther-Bibel . 19 Und sie schlugen ihn mit einem Rohr auf das Haupt und spien ihn an und fielen auf die Knie und huldigten ihm.

Tekstuitleg van Mc 15,19 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 15 . Van de 47 verzen niet in 14 verzen : (1) Mc 15,4 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,6 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,9 . (6) Mc 15,10 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,28 . (12) Mc 15,30 . (13) Mc 15,37 . (14) Mc 15,39 .

7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 15 . Van de 47 verzen niet in 14 verzen : (1) Mc 15,4 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,6 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,9 . (6) Mc 15,10 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,28 . (12) Mc 15,30 . (13) Mc 15,37 . (14) Mc 15,39 .

10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 15 . Van de 47 verzen niet in 14 verzen : (1) Mc 15,4 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,6 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,9 . (6) Mc 15,10 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,28 . (12) Mc 15,30 . (13) Mc 15,37 . (14) Mc 15,39 .

Mc 15,20 - Mc 15,20 : 343. Soldaten bespotten Jezus : Mc 15,16-20 - Mt 27,27-31 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,16 - Mc 15,17 - Mc 15,18 - Mc 15,19 - Mc 15,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:20 kai ote enepaixan autô exedusan auton tèn porfuran kai enedusan auton ta imatia autou kai exagousin auton ina staurôsôsin auton   20 et postquam inluserunt ei exuerunt illum purpuram et induerunt eum vestimentis suis et educunt illum ut crucifigerent eum     20 En als zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den purperen mantel af, en deden Hem Zijn eigen klederen aan, en leidden Hem uit, om Hem te kruisigen.  [20] Toen ze zo de spot met Hem gedreven hadden, namen ze Hem de purperen mantel af en deden Hem zijn eigen kleren weer aan. Toen brachten ze Hem naar buiten om Hem te kruisigen.  [20] Nadat ze hem zo hadden bespot, trokken ze hem het purperen gewaad uit en deden hem zijn kleren weer aan. Toen brachten ze hem naar buiten om hem te kruisigen.  20 Als ze hem genoeg hebben bespot trekken ze hem het purper uit en trekken ze hem zijn eigen kleren aan. Ze voeren hem de stad uit om hem te kruisigen.  20. Puis, quand ils se furent moqués de lui, ils lui ôtèrent la pourpre et lui remirent ses vêtements. Ils le mènent dehors afin de le crucifier.  

King James Bible . [20] And when they had mocked him, they took off the purple from him, and put his own clothes on him, and led him out to crucify him.
Luther-Bibel . 20 Und als sie ihn verspottet hatten, zogen sie ihm den Purpurmantel aus und zogen ihm seine Kleider an. Und sie führten ihn hinaus, dass sie ihn kreuzigten.

Tekstuitleg van Mc 15,20 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 15 . Van de 47 verzen niet in 14 verzen : (1) Mc 15,4 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,6 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,9 . (6) Mc 15,10 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,28 . (12) Mc 15,30 . (13) Mc 15,37 . (14) Mc 15,39 .

2. hote (toen) . Taalgebruik in NT : hote (toen) . Taalgebruik in Mc : hote (toen) . Voegwoord van tijd . Mc (12) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 2,25 . (3) Mc 4,6 . (4) Mc 4,10 . (5) Mc 6,21 .   (6) Mc 7,17 . (7) Mc 8,19 . (8) Mc 8,20 . (9) Mc 11,1 . (10) Mc 14,12 . (11) Mc 15,20 . (12) Mc 15,41 .

1. - 2. kai hote (en toen) . Mc (6) : (1) Mc 4,6 . (2) Mc 4,10 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,1 . (5) Mc 15,20 . (6) Mc 15,41 .

9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 15 . Van de 47 verzen niet in 14 verzen : (1) Mc 15,4 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,6 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,9 . (6) Mc 15,10 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,28 . (12) Mc 15,30 . (13) Mc 15,37 . (14) Mc 15,39 .

18. acc. mann. enk. stauron (kruis) van het zelfstand. naamw. stauros (kruis) . Taalgebruik in het NT : stauros (kruis) . Taalgebruik in Mc : stauros (kruis) .
Mc (2) : (1) Mc 8,34 . (2) Mc 15,21 .

17. - 19. ton stauron autou (zijn kruis) . Mc (2) : (1) Mc 8,34 . (2) Mc 15,21 .

344. Naar Golgota : Mc 15,21 - Mc 15,21 - Mt 27,32 - Lc 23,26-32 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -

Mc 15,21 - Mc 15,21 : 344. Naar Golgota : Mc 15,21 - Mt 27,32 - Lc 23,26-32 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:21 kai aggareuousin paragonta tina simôna kurènaion erchomenon ap agrou ton patera alexandrou kai roufou ina arè ton stauron autou   21 et angariaverunt praetereuntem quempiam Simonem Cyreneum venientem de villa patrem Alexandri et Rufi ut tolleret crucem eius    21 En zij dwongen een Simon van Cyrene, die daar voorbijging, komende van den akker, den vader van Alexander en Rufus, dat hij Zijn kruis droeg.  [21] Ze dwongen een voorbijganger, Simon van Cyrene, die van zijn akker kwam, de vader van Alexander en Rufus*, om zijn kruis te dragen.  
[21] Ze dwongen een voorbijganger die net de stad binnenkwam, Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus, om het kruis te dragen. 
21 Een voorbijganger, een zekere Simon van Cyrene, die net van een akker komt, de vader van Alexander en Rufus, dwingen ze om zijn kruis te dragen.   21. Et ils requièrent, pour porter sa croix, Simon de Cyrène, le père d'Alexandre et de Rufus, qui passait par là, revenant des champs.  

King James Bible . [21] And they compel one Simon a Cyrenian, who passed by, coming out of the country, the father of Alexander and Rufus, to bear his cross.
Luther-Bibel . 21 Und zwangen einen, der vorüberging, mit Namen Simon von Kyrene, der vom Feld kam, den Vater des Alexander und des Rufus, dass er ihm das Kreuz trage.

Tekstuitleg van Mc 15,21 . Het vers Mc 15,21 telt 19 woorden en 108 (2² X 3³) letters . De getalwaarde van Mc 15,21 is 11737 (11² X 97) .

Mc 15,21.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555) . Mc 15 . Van de 47 verzen niet in 14 verzen : (1) Mc 15,4 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,6 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,9 . (6) Mc 15,10 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,28 . (12) Mc 15,30 . (13) Mc 15,37 . (14) Mc 15,39 .

Mc 15,21.3. act. part. praes. acc. mann. enk. paragonta van het werkw. paragô (langsdrijven, langsgaan) . Taalgebruik in het NT : paragô (langsdrijven, langsgaan) . Taalgebruik in Mc : paragô (langsdrijven, langsgaan) . In het Nederlands kennen we het werkwoord ageren , ac-tie voeren , handelen .
Mc (1) Mc 15,21 . Een vorm van paragô (langsdrijven, langsgaan) in Mc in 3 verzen : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 15,21 .

Mc 15,21.10. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 15 (11) : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,9 . (4) Mc 15,11 . (5) Mc 15,12 . (6) Mc 15,15 . (7) Mc 15,21 . (8) Mc 15,22 . (9) Mc 15,29 . (10) Mc 15,43 . (11) Mc 15,44 .

Mc 15,21.11. acc. mann. enk. patera (vader) van het zelfst. naamw. patèr (vader) . Taalgebruik in het NT : patèr (vader) . Taalgebruik in Mc : patèr (vader) .
Mc (8) . (1) Mc 1,20 . (2) Mc 5,40 . (3) Mc 7,10. (4) Mc 9,21 .  (5) Mc 10,7 . (6) Mc 10,19 . (7) Mc 10,29 . (8) Mc 15,21 . Een vorm van patèr (enk. , vader) in Mc in 17 verzen .

Mc 15,21.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 15 . Van de 47 verzen niet in 14 verzen : (1) Mc 15,4 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,6 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,9 . (6) Mc 15,10 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,28 . (12) Mc 15,30 . (13) Mc 15,37 . (14) Mc 15,39 .

345. Kruisiging : Mc 15,22-26 - Mc 15,22-26 - Mt 27,33-37 - Lc 23,33-34 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,22 - Mc 15,23 - Mc 15,24 - Mc 15,25 - Mc 15,26 -

Mc 15,22 - Mc 15,22 : 345. Kruisiging : Mc 15,22-26 - Mt 27,33-37 - Lc 23,33-34 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,22 - Mc 15,23 - Mc 15,24 - Mc 15,25 - Mc 15,26 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:22 kai ferousin auton epi ton golgothan topon o estin methermèneuomenon kraniou topos   22 et perducunt illum in Golgotha locum quod est interpretatum Calvariae locus   22 En zij brachten Hem tot de plaats Golgotha, hetwelk is, overgezet zijnde, Hoofdschedelplaats.  [22] Ze brachten Hem naar de plaats Golgota, wat vertaald wordt met Schedelveld*.   [22] Ze brachten hem naar Golgota, wat in onze taal ‘schedelplaats’ betekent.  22 ¶ Ze brengen hem op de plek die Golgota heet; vertaald is dat ‘schedelplaats’.  22. Et ils amènent Jésus au lieu dit Golgotha, ce qui se traduit lieu du Crâne. 

King James Bible . [22] And they bring him unto the place Golgotha, which is, being interpreted, The place of a skull.
Luther-Bibel . 22 Und sie brachten ihn zu der Stätte Golgatha, das heißt übersetzt: Schädelstätte.

Tekstuitleg van Mc 15,22 // Mt 27,33 .

2. act. indic. praes. 3de pers. mv. ferousin (zij voeren) van het werkw. ferô (voeren, dragen) . Taalgebruik in het NT : ferô (voeren, dragen) . Taalgebruik in Mc : ferô (voeren, dragen) .
Mc (4) : (1) Mc 7,32 . (2) Mc 8,22 . (3) Mc 11,7 . (4) Mc 15,22 .

8. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

Mc 15,23 - Mc 15,23 : 345. Kruisiging : Mc 15,22-26 - Mt 27,33-37 - Lc 23,33-34 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,22 - Mc 15,23 - Mc 15,24 - Mc 15,25 - Mc 15,26 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:23 kai edidoun autô esmurnismenon oinon os de ouk elaben   23 et dabant ei bibere murratum vinum et non accepit     23 En zij gaven Hem gemirreden wijn te drinken; maar Hij nam dien niet.  [23] Ze gaven Hem wijn met mirre, maar Hij nam die niet aan.   [23] Ze wilden hem met mirre vermengde wijn geven, maar hij nam die niet aan.  23 Ze geven hem wijn met mirre, maar hij neemt daar niet van.   23. Et ils lui donnaient du vin parfumé de myrrhe, mais il n'en prit pas.  

King James Bible . [23] And they gave him to drink wine mingled with myrrh: but he received it not.
Luther-Bibel . 23 Und sie gaben ihm Myrrhe in Wein zu trinken; aber er nahm's nicht.

Tekstuitleg van Mc 15,23 .

7. de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2) . Mc (20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,6 . (5) Mc 15,7 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,15 . (12) Mc 15,16 . (13) Mc 15,23 . (14) Mc 15,25 . (15) Mc 15,36 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,40 . (19) Mc 15,44 . (20) Mc 15,47 .

Mc 15,24 - Mc 15,24 : 345. Kruisiging : Mc 15,22-26 - Mt 27,33-37 - Lc 23,33-34 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,22 - Mc 15,23 - Mc 15,24 - Mc 15,25 - Mc 15,26 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:24 kai staurousin auton kai diamerizontai ta imatia autou ballontes klèron ep auta tis ti arè   24 et crucifigentes eum diviserunt vestimenta eius mittentes sortem super eis quis quid tolleret    24 En als zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn klederen, werpende het lot over dezelve, wat een iegelijk wegnemen zou.   [24] Ze kruisigden Hem en ze dobbelden om zijn kleren om te zien wie wat zou krijgen  [24] Ze kruisigden hem en verdeelden zijn kleren onder elkaar; ze dobbelden erom wie wat zou krijgen.  24 Dan kruisigen ze hem, en ‘verdelen zijn kleren, werpen daarover het lot’, wie wát mag wegdragen.   24. Puis ils le crucifient et se partagent ses vêtements en tirant au sort ce qui reviendrait à chacun. 

King James Bible . [24] And when they had crucified him, they parted his garments, casting lots upon them, what every man should take.
Luther-Bibel . 24 Und sie kreuzigten ihn. Und sie teilten seine Kleider und warfen das Los, wer was bekommen solle.

Tekstuitleg van Mc 15,24 .

Mt 27,35   staurôsantes de auton diemerisanto ta imatia autou ballontes klèron    
Mc 15,24   kai staurousin auton   kai diamerizontai ta imatia autou ballontes klèron ep auta tis ti arè ballontes klèron ep auta tis ti arè  
Lc 23,33 - Lc 23,34      Lc 23,34 : diamerizomenoi de ta imatia autou   ebalon | klèron | klèrous |      
Joh 19,24   eipan oun pros allèlous mè schisômen auton alla lachômen peri autou tinos estai ina è grafè plèrôthè | | [è legousa*] |   diemerisanto ta imatia mou eautois kai epi ton imatismon mou ebalon klèron      
Ps 22,19      diemerisanto ta imatia mou eautois kai epi ton imatismon mou ebalon klèron   kai epi ton imatismon mou ebalon klèron     
             

12. voornaamw. nom. + acc. onz. mv. auta (het, die) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (5) : (1) Mc 5,10 . (2) Mc 8,7 . (3) Mc 10,14 . (4) Mc 10,16 . (5) Mc 15,24 .

Mc 15,25 - Mc 15,25 : 345. Kruisiging : Mc 15,22-26 - Mt 27,33-37 - Lc 23,33-34 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,22 - Mc 15,23 - Mc 15,24 - Mc 15,25 - Mc 15,26 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:25 èn de ôra tritè kai estaurôsan auton 25 erat autem hora tertia et crucifixerunt eum     25 En het was de derde ure, en zij kruisigden Hem.   . [25] Het was het derde uur*, toen ze Hem kruisigden.   [25] Het was in het derde uur na zonsopgang toen ze hem kruisigden.  25 Het is het derde uur van de dag als ze hem kruisigen.  25. C'était la troisième heure quand ils le crucifièrent. 

King James Bible . [25] And it was the third hour, and they crucified him.
Luther-Bibel . 25 Und es war die dritte Stunde, als sie ihn kreuzigten.

Tekstuitleg van Mc 15,25 .

1. ind. imperf. 3de pers. mann. enk. èn (hij was) van het werkwoord eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .Mc 15 (8) : (1) Mc 15,7 . (2) Mc 15,25 . (3) Mc 15,26 . (4) Mc 15,39 . (5) Mc 15,41 . (6) Mc 15,42 . (7) Mc 15,43 . (8) Mc 15,46 .

2. de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2) . Mc (20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,6 . (5) Mc 15,7 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,15 . (12) Mc 15,16 . (13) Mc 15,23 . (14) Mc 15,25 . (15) Mc 15,36 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,40 . (19) Mc 15,44 . (20) Mc 15,47 .

3. nom. + dat. vr. enk. hôra(i) (uur) van het zelfst. naamw. hôra (uur) . Taalgebruik in het NT : hôra (uur) . Taalgebruik in Mc : hôra (uur) .
Mc (6) : (1) Mc 6,35 . (2) Mc 13,11 . (3) Mc 14,35 . (4) Mc 14,41 . (5) Mc 15,25 . (6) Mc 15,34 .
gen. vr. enk. hôras . Mc (4) : (1) Mc 6,35 . (2) Mc 11,11 . (3) Mc 13,32 . (4) Mc 15,33 .

Mc 15,26 - Mc 15,26 : 345. Kruisiging : Mc 15,22-26 - Mt 27,33-37 - Lc 23,33-34 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,22 - Mc 15,23 - Mc 15,24 - Mc 15,25 - Mc 15,26 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:26 kai èn è epigrafè tès aitias autou epigegrammenè o basileus tôn ioudaiôn  26 et erat titulus causae eius inscriptus rex Iudaeorum    26 En het opschrift Zijner beschuldiging was boven Hem geschreven: DE KONING DER JODEN. [26] Het opschrift met de reden van zijn veroordeling luidde: De koning van de Joden.  [26] Het opschrift met de aanklacht tegen hem luidde: ‘De koning van de Joden’.  26 In het opschrift met zijn strafgrond staat boven hem geschreven: ‘de koning der Joden’.  26. L'inscription qui indiquait le motif de sa condamnation était libellée : « Le roi des Juifs. » 

King James Bible . [26] And the superscription of his accusation was written over, THE KING OF THE JEWS.
Luther-Bibel . 26 Und es stand über ihm geschrieben, welche Schuld man ihm gab, nämlich: Der König der Juden.

Tekstuitleg van Mc 15,26 . Het vers Mc 15,26 telt 12 (3 X 4) woorden , 27 (3 X 3 X 3) lettergrepen en 61 letters . De getalwaarde van Mc 15,26 is 6768 (2 X 2 X 2 X 2 X 3 X 3 X 47) .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 15 . Van de 47 verzen niet in 14 verzen : (1) Mc 15,4 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,6 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,9 . (6) Mc 15,10 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,28 . (12) Mc 15,30 . (13) Mc 15,37 . (14) Mc 15,39 .

2. ind. imperf. 3de pers. mann. enk. èn (hij was) van het werkwoord eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . D. sein . E. to be .Mc 15 (8) : (1) Mc 15,7 . (2) Mc 15,25 . (3) Mc 15,26 . (4) Mc 15,39 . (5) Mc 15,41 . (6) Mc 15,42 . (7) Mc 15,43 . (8) Mc 15,46 .

3. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 15 (3) : (1) Mc 15,26 . (2) Mc 15,40 . (3) Mc 15,47 .

9. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

10. nom. mann. enk. basileus (koning) . Taalgebruik in het NT : basileus (koning) . Taalgebruik in Mc : basileus (koning) . Mc (7) : (1) Mc 6,14 . (2) Mc 6,22 . (3) Mc 6,26 . (4) Mc 6,27 . (5) Mc 15,2 . (6) Mc 15,26 . (7) Mc 15,32 .

9. - 12. ho basileus tôn ioudaiôn (de koning van de joden) . Mc (2) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,26 .

346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,27 - Mc 15,28 - Mc 15,29 - Mc 15,30 - Mc 15,31 - Mc 15,32 -

Mc 15,27 - Mc 15,27 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,27 - Mc 15,28 - Mc 15,29 - Mc 15,30 - Mc 15,31 - Mc 15,32 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:27 kai sun autô staurousin duo lèstas ena ek dexiôn kai ena ex euônumôn autou  27 et cum eo crucifigunt duos latrones unum a dextris et alium a sinistris eius   27 En zij kruisigden met Hem twee moordenaars, een aan Zijn rechter-, en een aan Zijn linker zijde.   [27] Samen met Hem kruisigden ze twee bandieten, één rechts en één links van Hem.*   [27] Samen met hem kruisigden ze twee misdadigers, de een rechts van hem, de ander links.*   2 27 Samen met hem kruisigen ze twee rovers, één rechts en één links van hem.  27. Et avec lui ils crucifient deux brigands, l'un à sa droite, l'autre à sa gauche  

King James Bible . [27] And with him they crucify two thieves; the one on his right hand, and the other on his left.
Luther-Bibel . 27 Und sie kreuzigten mit ihm zwei Räuber, einen zu seiner Rechten und einen zu seiner Linken.

Tekstuitleg van Mc 15,27 .

9. gen. mv. dexiôn (rechts) van het bijvoegl. naamw. dexios (rechts) . Taalgebruik in het NT : dexios (rechts) . Taalgebruik in Mc : dexios (rechts) .
Mc (6) : (1) Mc 10,37 . (2) Mc 10,40 . (3) Mc 12,36 . (4) Mc 14,62 . (5) Mc 15,27 . (6) Mc 16,19 .

13. gen. mann. mv. euônumôn (links) van het bijvoegl. naamw. euônumos (met goede naam, bekend, links) . Taalgebruik in het NT : euônumos (met goede naam, bekend, links) . Taalgebruik in Mc : euônumos (met goede naam, bekend, links) .
Mc (2) : (1) Mc 10,40 . (2) Mc 15,27 . De enigste vorm in Mc .

Mc 15,28 - Mc 15,28 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,27 - Mc 15,28 - Mc 15,29 - Mc 15,30 - Mc 15,31 - Mc 15,32 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
28 et adimpleta est scriptura quae dicit et cum iniquis reputatus est    28 En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Hij is met de misdadigers gerekend.  28 Zo wordt het schriftwoord vervuld dat zegt: hij wordt bij de wettelozen gerekend. 

King James Bible . [28] And the scripture was fulfilled, which saith, And he was numbered with the transgressors.
Luther-Bibel . -

Tekstuitleg van Mc 15,28 .

Mc 15,29 - Mc 15,29 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,27 - Mc 15,28 - Mc 15,29 - Mc 15,30 - Mc 15,31 - Mc 15,32 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:29 kai oi paraporeuomenoi eblasfèmoun auton kinountes tas kefalas autôn kai legontes oua o kataluôn ton naon kai oikodomôn | [en] | en | trisin èmerais   29 et praetereuntes blasphemabant eum moventes capita sua et dicentes va qui destruit templum et in tribus diebus aedificat     29 En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden, en zeggende: Ha! Gij, die den tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt,   [29] De voorbijgangers lasterden Hem en zeiden hoofdschuddend: ‘Ha, jij die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt,  [29] De voorbijgangers keken hoofdschuddend toe en dreven de spot met hem: ‘Ach, kijk nu toch eens! Jij die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt,   29 Die aan hem voorbijtrekken hebben hem gehoond; ‘ze schudden hun hoofden’ en zeggen: ach toch, jij die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt,   29. Les passants l'injuriaient en hochant la tête et disant : « Hé ! toi qui détruis le Sanctuaire et le rebâtis en trois jours,  

King James Bible . [29] And they that passed by railed on him, wagging their heads, and saying, Ah, thou that destroyest the temple, and buildest it in three days,
Luther-Bibel . 29 Und die vorübergingen, lästerten ihn und schüttelten ihre Köpfe und sprachen: Ha, der du den Tempel abbrichst und baust ihn auf in drei Tagen,

Tekstuitleg van Mc 15,29 .

2. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 15 (10) : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,3 . (3) Mc 15,10 . (4) Mc 15,11 . (5) Mc 15,13 . (6) Mc 15,14 . (7) Mc 15,16 . (8) Mc 15,29 . (9) Mc 15,31 . (10) Mc 15,32 .

3. part. praes. nom. mann. mv. paraporeuomenoi (zich op weg begeven langs) van het werkw. paraporeuomai (zich op weg begeven langs) . Taalgebruik in het NT : paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in Mc : paraporeuomai (zich begeven langs) .
Mc (2) : (1) Mc 11,20 . (2) Mc 15,29 . Een vorm van paraporeuomai (zich op weg begeven langs) in 4 verzen in Mc : (1) Mc 2,23 . (2) Mc 9,30 . (3) Mc 11,20 . (4) Mc 15,29 .

5. In Hnd 4,31 vindt opnieuw het Pinksterwonder (Hnd 2,1-13) plaats . Dat weerspiegelt zich ook in de terminologie . Hnd 2,2 en Hnd 4,31 komen sterk met elkaar overeen :
- Hnd 2,2 : kai eplèrôsen holon ton oikon hou èsan kathèmenoi = en hij vulde de plaats waar zij waren gezeten .
- Hnd 4,31 : esaleuthè ho topos en hôi èsan sunègmenoi = de plaats werd geschud waarin zij waren samengestroomd .

Lc 23,46 kai fônèsas fônè megalè o Ièsous eipen pater eis cheiras sou paratithemai to pneuma mou touto de eipôn exepneusen
Mc 15,34 kai tèi enatèi hôrai eboèsen ho Ièsous fônèi megalèi      
Mc 15,37   ho de Ièsous afeis fônèn megalèn     exepneusen
Mt 27,46 peri de tèn enatèn hôran aneboèsen ho Ièsous fônèi megalèi legôn      
Mt 27,50   ho de Ièsous palin kraksas fônèi megalèi afèken to pneuma     afèken to pneuma
Hnd 7,59   legonta (en zeggend) Kurie Ièsou , dexai to pneuma mou    
Hnd 7,60 theis de ta gonata ekraksen fônèi megalèi Kurie mè stèsèis autois  tautèn tèn hamartian kai touto eipôn ekoimèthè

13. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

Mt 27,39 oi de paraporeuomenoi eblasfèmoun auton kinountes tas kefalas autôn       
Mc 15,29 kai oi paraporeuomenoi eblasfèmoun auton kinountes tas kefalas autôn kai legontes oua o kataluôn ton naon kai oikodomôn | [en] | en | trisin èmerais kai legontes oua o kataluôn ton naon kai oikodomôn | [en] | en | trisin èmerais    
           
           
Ps 22,8 pantes oi theôrountes me exemuktèrisan me elalèsan en cheilesin ekinèsan kefalèn  me exemuktèrisan me elalèsan en cheilesin ekinèsan kefalèn       
           

 

Mc 15,30 - Mc 15,30 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,27 - Mc 15,28 - Mc 15,29 - Mc 15,30 - Mc 15,31 - Mc 15,32 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:30 sôson seauton katabas apo tou staurou  30 salvum fac temet ipsum descendens de cruce     30 Behoud Uzelven, en kom af van het kruis.   [30] red jezelf en kom van het kruis af.’  [30] red jezelf toch door van het kruis af te komen.’  30 red jezelf en daal af van dat kruis!  30. sauve-toi toi-même en descendant de la croix ! »  

King James Bible .[30] Save thyself, and come down from the cross.
Luther-Bibel . 30 hilf dir nun selber und steig herab vom Kreuz!

Tekstuitleg van Mc 15,30 .

Mc 15,31 - Mc 15,31 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,27 - Mc 15,28 - Mc 15,29 - Mc 15,30 - Mc 15,31 - Mc 15,32 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:31 omoiôs kai oi archiereis empaizontes pros allèlous meta tôn grammateôn elegon allous esôsen eauton ou dunatai sôsai  31 similiter et summi sacerdotes ludentes ad alterutrum cum scribis dicebant alios salvos fecit se ipsum non potest salvum facere    31 En insgelijks ook de overpriesters, met de Schriftgeleerden, zeiden tot elkander, al spottende: Hij heeft anderen verlost; Zichzelven kan Hij niet verlossen.  [31] In dezelfde trant dreven ook de hogepriesters samen met de schriftgeleerden onder elkaar de spot met Hem: ‘Anderen heeft Hij gered, zichzelf kan Hij niet redden.   [31] Ook de hogepriesters en de schriftgeleerden maakten onder elkaar zulke spottende opmerkingen: ‘Anderen heeft hij gered, maar zichzelf redden kan hij niet;  31 Net zo ook de overpriesters; zij spotten tegen elkaar en met de schriftgeleerden, en hebben gezegd: anderen heeft hij gered, zichzelf redden kan hij niet!–   31. Pareillement les grands prêtres se gaussaient entre eux avec les scribes et disaient : « Il en a sauvé d'autres et il ne peut se sauver lui-même !  

King James Bible . [31] Likewise also the chief priests mocking said among themselves with the scribes, He saved others; himself he cannot save.
Luther-Bibel . 31 Desgleichen verspotteten ihn auch die Hohenpriester untereinander samt den Schriftgelehrten und sprachen: Er hat andern geholfen und kann sich selber nicht helfen.

Tekstuitleg van Mc 15,31 .

3. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 15 (10) : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,3 . (3) Mc 15,10 . (4) Mc 15,11 . (5) Mc 15,13 . (6) Mc 15,14 . (7) Mc 15,16 . (8) Mc 15,29 . (9) Mc 15,31 . (10) Mc 15,32 .

16. act. inf. aor. sôsai (redden) van het werkw. sôzô (redden) . Taalgebruik in het NT : sôzô (redden) . Taalgebruik in Mc : sôzô (redden) . Hebr. jâsj`â (redden) . Mc (3) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 8,35 . (3) Mc 15,31 .

Mc 15,32 - Mc 15,32 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,27 - Mc 15,28 - Mc 15,29 - Mc 15,30 - Mc 15,31 - Mc 15,32 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:32 o christos o basileus israèl katabatô nun apo tou staurou ina idômen kai pisteusômen kai oi sunestaurômenoi sun autô ôneidizon auton   32 Christus rex Israhel descendat nunc de cruce ut videamus et credamus et qui cum eo crucifixi erant conviciabantur ei     32 De Christus, de Koning Israëls, kome nu af van het kruis, opdat wij het zien en geloven mogen. Ook die met Hem gekruist waren, smaadden Hem.  [32] De Messias, de koning van Israël; laat Hij nu van het kruis afkomen, zodat we zien en geloven.’ Ook degenen die samen met Hem gekruisigd waren, maakten beledigende opmerkingen tegen Hem.  [32] laat die messias, die koning van Israël, nu van het kruis afkomen. Als we dat zien, zullen we geloven!’ Ook de twee andere gekruisigden beschimpten hem.  32 hé, Gezalfde, koning van Israël, daal nu af van het kruis, dan kunnen wij zien en geloven! Ook die samen met hem gekruisigd werden hebben hem beschimpt.   32. Que le Christ, le Roi d'Israël, descende maintenant de la croix, pour que nous voyions et que nous croyions ! » Même ceux qui étaient crucifiés avec lui l'outrageaient. 

King James Bible . [32] Let Christ the King of Israel descend now from the cross, that we may see and believe. And they that were crucified with him reviled him.
Luther-Bibel . 32 Ist er der Christus, der König von Israel, so steige er nun vom Kreuz, damit wir sehen und glauben. Und die mit ihm gekreuzigt waren, schmähten ihn auch.

Tekstuitleg van Mc 15,32 .

1. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

3. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

4. nom. mann. enk. basileus (koning) . Taalgebruik in het NT : basileus (koning) . Taalgebruik in Mc : basileus (koning) . Mc (7) : (1) Mc 6,14 . (2) Mc 6,22 . (3) Mc 6,26 . (4) Mc 6,27 . (5) Mc 15,2 . (6) Mc 15,26 . (7) Mc 15,32 .

16. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .Mc 15 (10) : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,3 . (3) Mc 15,10 . (4) Mc 15,11 . (5) Mc 15,13 . (6) Mc 15,14 . (7) Mc 15,16 . (8) Mc 15,29 . (9) Mc 15,31 . (10) Mc 15,32 .

347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,33 - Mc 15,34 - Mc 15,35 - Mc 15,36 - Mc 15,37 - Mc 15,38 - Mc 15,39 -

Mc 15,33 - Mc 15,33 : 347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,33 - Mc 15,34 - Mc 15,35 - Mc 15,36 - Mc 15,37 - Mc 15,38 - Mc 15,39 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:33 kai genomenès ôras ektès skotos egeneto ef olèn tèn gèn eôs ôras enatès  33 et facta hora sexta tenebrae factae sunt per totam terram usque in horam nonam  En toen het zesde uur gekomen was, ontstond er duisternis over het hele land tot het negende uur.  33 En als de zesde ure gekomen was, werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.   [33] Toen het zesde uur* aangebroken was, viel er duisternis over het hele land, tot aan het negende uur.  
[33] Op het middaguur viel er een duisternis over het hele land, die drie uur aanhield.  
33 ¶ Als het zesde uur van de dag komt, komt er duisternis over heel het land tot aan het negende uur van de dag.  33. Quand il fut la sixième heure, l'obscurité se fit sur la terre entière jusqu'à la neuvième heure.  

King James Bible . [33] And when the sixth hour was come, there was darkness over the whole land until the ninth hour.
Luther-Bibel . 33 Und zur sechsten Stunde kam eine Finsternis über das ganze Land bis zur neunten Stunde.

Tekstuitleg van Mc 15,33 .

Mc 15,33 Mt 27,45 Lc 23,44 Am 8,9 
Kai (en) ... de (echter) Kai (en)  kai (en)
genomeès hôras hektès (toen het zes uur werd) Apo ... hektès hôras (vanaf... zes uur) èn èdè hôsei hôra hektè (het was ongeveer zes uur) dusetai ho hèlios mesèmbtias (de middagzon zal ondergaan) 
skotos egeneto ef' holèn tèn gèn (duisternis was er over de hele aarde) skotos egeneto epi pasan tèn gèn (duisternis was er over de ganse aarde) kai skotos egeneto ef' holèn tèn gèn (duisternis was er over de hele aarde)  kai suskotasei epi tès gès en hèmerai to fôs (en het licht zal overdag verduisteren op aarde.)
heôs hôras enatès (tot negen uur) heôs hôras enatès (tot negen uur) heôs hôras enatès (tot negen uur)  
 347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 // Mt 27,45-54 // Lc 23,44-48  347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 // Mt 27,45-54 // Lc 23,44-48  347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 // Mt 27,45-54 // Lc 23,44-48

Mc 15,33.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 47 verzen niet in 14 verzen : (1) Mc 15,4 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,6 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,9 . (6) Mc 15,10 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,28 . (12) Mc 15,30 . (13) Mc 15,37 . (14) Mc 15,39 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 15,33.2. part. aor. gen. vr. enk. γενομενης = genomenès (geworden) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . Mt (9) : (1) Mt 8,16 . (2) Mt 13,21 . (3) Mt 14,15 . (4) Mt 14,23 . (5) Mt 16,2 . (6) Mt 20,8 . (7) Mt 27,1 . (8) Mt 26,20 . (9) Mt 27,57 . Mc (9) . (1) Mc 1,32 . (2) Mc 4,17 . (3) Mc 4,35 . (4) Mc 6,21 . (5) Mc 6,35 . (6) Mc 6,47 . (7) Mc 14,17 . (8) Mc 15,33 . (9) Mc 15,42 . Lc (2) : (1) Lc 4,42 . (2) Lc 6,48 . Joh (1) : Joh 21,4 . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  part. aor. gen. vr. enk. genomenès  41  33  11    20  21 

- Hebreeuws . prefix verbindingswoord wa + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalwaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) .

Mc 15,33.3. gen. vr. enk. ὡρας = hôras (uur) van het zelfst. naamw. ὡρα = hôra (uur) . Taalgebruik in het NT : hôra (uur) . Taalgebruik in de LXX : hôra (uur) . Taalgebruik in Mc : hôra (uur) . Mt (5) : (1) Mt 9,22 . (2) Mt 15,28 . (3) Mt 17,18 . (4) Mt 24,36 . Mc (4) : Mt 27,45 . (1) Mc 6,35 . (2) Mc 11,11 . (3) Mc 13,32 . (4) Mc 15,33 . Lc (2) : (1) Lc 22,59 . (2) Lc 23,44 . Joh (2) : (1) Joh 12,27 . (2) Joh 19,27 .

  hôra (uur)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel ΟΤ ΝΤ Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  gen. vr. enk. horas            (1) Mc 6,35 .           (2) Mc 11,11 .     (3) Mc 13,32 .     (4) Mc 15,33 .     32  13  19  11  13     

- Ned. : uur . D. : Stunde . E. : hour . Fr. : heure . Grieks : ὡρα = hôra (uur) . Taalgebruik in het NT : hôra (uur) . Latijn : hora .

Mc 15,33.5. חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Getalwaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 8 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (57) . Pentateuch (4) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (33) . Niet in Gn 1 .
- וְחֹשֶׁךְ = wëchosjèkh (en duisternis) < prefix voegwoord wë + zelfst. naamw. חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Getalwaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 8 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (3) : (1) Gn 1,2 . (2) Spr 10,19 . (3) Job 38,19 .
- הַחֹשֶׁך = hachosjèkh (de duisternis) < prefix bepaald lidw. ha + חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) .2 . Tenakh (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 . (3) Dt 5,23 . (4) Js 60,2 . (5) Pr 2,13 . (6) Pr 11,8 .
- וְלַחֹשֶׁך = wëlachosèkh (en tot de duisternis) < prefix voegwoord wë + voorzetsel be + bepaald lidwoord ha -> trekt samen tot la + zelfstandig naamwoord חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Getalwaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 8 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 4 . Gn (1) : Gn 1,5 .
- Grieks : nom. en acc. onz. enk. σκοτος = skotos (duisternis) . Taalgebruik in het NT : skotos (duisternis) . Taalgebruik in de Septuaginta : skotos (duisternis) . LXX (66) . Gn (2) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 1,5 . Een vorm van σκοτος = skotos (duisternis) in de Septuaginta (120) , in het NT (30) . Mt (4) : (1) Mt 8,12 . (2) Mt 22,13 . (3) Mt 25,30 . (4) Mt 27,45 . Mc (1) : Mc 15,33 . Lc (2) : (1) Lc 11,35 . (2) Lc 23,44 . Joh (1) : Joh 3,19 .
- Ned. : duisternis . Arabisch : ظلام = DHalâm (duisternis) . Taalgebruik in de Qoran : DHalâm (duisternis) . D. : Finsternis . Fr. : ténèbres . E. : darkness . Grieks : σκοτος = skotos (duisternis) . Taalgebruik in het NT : skotos (duisternis) . Hebreeuws : חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Lat. : tenebrae .

Mc 15,33.6. prefix voegwoord wa consecutivum (verhalend) + act. qal jigtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalwaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,31 .
- We zouden volgende vorm kunnen verwachten : wajjihëjèh < wa consecutivum + jihëjèh (uit : jahëjih i.p.v. jahëwih : Lettinga 12 , 2012 , 58w) . Verkorte vorm door de samentrekking van de jod en de chireq tot een lange i , vandaar jahî (de eind he valt weg) . De klemtoon ligt op de laatste lettergreep en de klinker van de eerste lettergreep wordt zeer kort : jëhî . Bij de consecutivumvorm wajëhî valt op dat de jod niet verdubbelt . Uitspraak : wajhi .
- De 3 medekl. van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
- In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) .
- Grieks : ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . LXX (730) . NT (195) . Gn (107) . Gn 1 (13) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,8 . (4) Gn 1,9 . (5) Gn 1,11 . (6) Gn 1,13 . (7) Gn 1,15 . (8) Gn 1,19 . (9) Gn 1,20 . (10) Gn 1,23 . (11) Gn 1,24 . (12) Gn 1,30 . (13) Gn 1,31 . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... zoals vele verhalen bij ons beginnen) . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : וַיְהִי כֵן = wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 και εγενετο οὑτως = kai egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt וַיְהִי = wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door εγενετο = egeneto (het gebeurde) .

ginomai (worden, gebeuren)  bijbel Tenach LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Gn 1 NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
aor. 3de pers. enk. egeneto  925  wajëhî : 784 730  156 219 146 26 131 114 24 1 19 5 14 195  13  17  69  16  53    17  99  115 
Totaal 2841   2174                       667 75 55 129 51 124   38 259 310

- και εγενετο = kai egeneto (en het gebeurde) . LXX (560) . NT (62) .
- εγενετο δε = egeneto de (het gebeurde echter) . LXX () . NT (40) .

Mc 15,33.7. επι = epi (op, bij) . Afkortingen : επ' = ep' en εφ' = ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in de LXX : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) .

epi (op, bij)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
epi 51  1   4540  3946 594  91  51  104  22  120  117 89  246  268 
ep 14  1             1320  1179  141  13  14  25  13  24  30  22  52  65 
ef                          430  348  82  10  20  17  25  36  37 
Totaal   71  10  6290  5473  817  114  71  149  36  161  172  114  334  370 

- Ned. : op , naar, bij . D. : bei . E. : at . Fr. : à . Lat. : ad .

Mc 15,33.8. acc. vr. enk. ὁλην = holèn (heel) van het bijvoegl. naamw. ὁλος = holos (heel) . Taalgebruik in het ΝΤ : holos (heel) . Taalgebruik in de LXX : holos (heel) . Taalgebruik in Mc : holos (heel) .

  holos (heel)  Mc Mc 1 Mc 6 Mc 8 Mc 12 Mc 14 Mc 15 bijbel ΟΤ ΝΤ Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
acc. vr. enk. holèn   2 : (1) Mc 1,28 . (2) Mc 1,39 .   (1) Mc 6,55 .         2 : (1) Mc 15,16 . (2) Mc 15,33 .   105  85  20    12  12   
  totaal 13  305  207  98  20  13  14  21  21  47  51     

Mc 15,33.9. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 1 (12) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,16 . (7) Mc 1,21 . (8) Mc 1,28 . (9) Mc 1,29 . (10) Mc 1,33 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,41 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
9. acc. vr. enk. tèn 109  12 4 5 9 9 11 10 4 5 11 5 6 3 7 6 2 6161  4889  1272  180  109  149  121  198  404  111  438  559 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 15,33.10. הָאָרֶץ = hâ´ârèts (en de aarde) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . getalswaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 12 : (1) Gn 12,1 . (2) Gn 12,7 . me´arëtsëkhâ (uit je land) staat aan het begin van het citaat in Gn 12,1 , ´èl hâ´ârèts (naar het land) staat op het einde van Gn 12,1 .
- Grieks . acc. mann. enk. γην = gèn van het zelfst. naamw. γη = gè (aarde, land) .

  gè  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
3 acc. vr. enk.  gèn 961  884  77  13  12  10  25  30  36 

- Ned. aarde . Arabisch : أَرْض = ´arD (aarde) . Taalgebruik in de Qoran : ´arD (aarde) . D. : Welt . E. : earth . Fr. : terre . Grieks : γη = gè (aarde, land) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Hebreeuws : אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Lat. : terra .

Mc 15,33,11. ἑως = heôs (tot, totdat)  . Taalgebruik in het NT : heôs (tot , totdat) . Taalgebruik in de LXX : heôs (tot , totdat) . Taalgebruik in Mc : heôs (tot , totdat) .

heôs (tot, totdat)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  1353  1216  137  43  14  27  10  22  19  84  94 

Mc 15,33.12. gen. vr. enk. ὡρας = hôras (uur) van het zelfst. naamw. ὡρα = hôra (uur) . Taalgebruik in het NT : hôra (uur) . Taalgebruik in de LXX : hôra (uur) . Taalgebruik in Mc : hôra (uur) . Mc (4) : (1) Mc 6,35 . (2) Mc 11,11 . (3) Mc 13,32 . (4) Mc 15,33

  hôra (uur)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel ΟΤ ΝΤ Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  gen. vr. enk. horas            (1) Mc 6,35 .           (2) Mc 11,11 .     (3) Mc 13,32 .     (4) Mc 15,33 .     32  13  19  11  13     

Mc 15,34 - Mc 15,34 : 347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,33 - Mc 15,34 - Mc 15,35 - Mc 15,36 - Mc 15,37 - Mc 15,38 - Mc 15,39 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:34 kai tè enatè hôra eboèsen o Ièsous fônèi megalèi elôi elôi lama sabachthani ho estin methermèneuomenon ho theos mou eis ti egkatelipes me  34 et hora nona exclamavit Iesus voce magna dicens Heloi Heloi lama sabacthani quod est interpretatum Deus meus Deus meus ut quid dereliquisti me  En op het negende uur riep Jezus met luide stem: “Eloi, Eloi, lema sabachtani ?“, dat is vertaald: “Mijn God, mijn God, waartoe hebt u mij verlaten ?”  34 En ter negender ure, riep Jezus met een grote stem, zeggende: ELOI, ELOI, LAMMA SABACHTANI, hetwelk is, overgezet zijnde: Mijn God, Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten?  [34] Op het negende uur riep Jezus met luide stem: ‘Eloi, Eloi, lema sabachtani?’ Dat betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij in de steek gelaten?  [34] Aan het einde daarvan, in het negende uur, riep Jezus met luide stem: ‘Eloï, Eloï, lema sabachtani?’, wat in onze taal betekent: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’  34 In het negende uur van de dag schreeuwt Jezus met grote stem: Eloï, Eloï, lama sabachthani? Vertaald is dat: mijn God, mijn God, waartoe hebt ge mij verlaten?  34. Et à la neuvième heure Jésus clama en un grand cri : « Élôï, Élôï, lema sabachthani », ce qui se traduit : « Mon Dieu, mon Dieu, pourquoi m'as-tu abandonné ? »

King James Bible . [34] And at the ninth hour Jesus cried with a loud voice, saying, Eloi, Eloi, lama sabachthani? which is, being interpreted, My God, my God, why hast thou forsaken me?
Luther-Bibel . 34 Und zu der neunten Stunde rief Jesus laut: Eli, Eli, lama asabtani? Das heißt übersetzt: Mein Gott, mein Gott, warum hast du mich verlassen?

Tekstuitleg van Mc 15,34 . Het vers Mc 15,34 telt 28 (2 X 2 X 7) woorden en 128 (2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 2) letters . De getalwaarde van Mc 15,34 is 12818 (2 X 13 X 17 X 29) . Het gebed van Jezus op het kruis .

Mc 15,34.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 47 verzen niet in 14 verzen : (1) Mc 15,4 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,6 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,9 . (6) Mc 15,10 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,28 . (12) Mc 15,30 . (13) Mc 15,37 . (14) Mc 15,39 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 15,34.2. bep. lidw. dat. vr. enk. τῃ = tè(i) (de) van het bepaald lidw. ἡ = hè . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 15 (4) : (1) Mc 15,7 . (2) Mc 15,34 . (3) Mc 15,41 . (4) Mc 15,46 .

  lidw. enk. bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
7. dat. vr. enk. tè(i) 3381  2631  750  94  55  119  64  122  264  32  268  332 
  Totaal   54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Ned. : de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 15,34.4. nom. + dat. vr. enk. ὡρα / ὡρᾳ = hôra(i) (uur) van het zelfst. naamw. ὡρα = hôra (uur) . Taalgebruik in het NT : hôra (uur) . Taalgebruik in de LXX : hôra (uur) . Taalgebruik in Mc : hôra (uur) . hôra (uur) . Taalgebruik in het NT : hôra (uur) . Taalgebruik in Mc : hôra (uur) . Mc (6) : (1) Mc 6,35 . (2) Mc 13,11 . (3) Mc 14,35 . (4) Mc 14,41 . (5) Mc 15,25 . (6) Mc 15,34 .

  hôra (uur)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel ΟΤ ΝΤ Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + dat. vr. enk. hora(i)             (1) Mc 6,35 .               (2) Mc 13,11 .   (3) Mc 14,35 . (4) Mc 14,41 .   (5) Mc 15,25 . (6) Mc 15,34 .     76  16  60  15  19  29  48 

Mc 15,34.5. eboèsen (hij schreeuwde luid) . Actief aorist derde persoon mannelijk enkelvoud . In tweeënveertig verzen in de bijbel . In achtendertig verzen in het O.T. . In drie verzen in het NT : (1) Mc 15,34 . (2) Lc 9,38 . (3) Lc 18,38 .
- boaô (luid roepen, schreeuwen) . Taalgebruik : boaô (luid roepen, schreeuwen) , zie Mc 15,34 . fôneô (roepen, schreeuwen) , zie Mc 1,26 . anakrazô (uitschreeuwen) , zie Mc 1,23 .
- eboèsa (ik riep luid) . In vijf verzen in de bijbel : (1) Gn 39,14 . (2) Gn 39,15 . (3) Gn 39,18 . (4) Re 12,2 . (5) Jon 2,3 .
--- aneboèsen . In veertien verzen in de bijbel . In dertien verzen in het O.T. . In één vers in het NT : Mt 27,46 .

Mc 15,34.6. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 15,34.7. nom. mann. enk. ιησους = ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in de LXX : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) . Mc (57) . Mc (57) . Mc 15 (3) : (1) Mc 15,5 . (2) Mc 15,34 . (3) Mc 15,37 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc in 81 verzen , in Mc 15 (6) : (1) Mc 15,1 (acc. Ièsoun) . (2) Mc 15,5 (nom. Ièsous) . (3) Mc 15,15 (acc. Ièsoun) . (4) Mc 15,34 (nom. Ièsous) . (5) Mc 15,37 (nom. Ièsous) . (6) Mc 15,43 (gen. Ièsou) .

  Ièsous (Jezus)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
1 nom. mann. enk. Ièsous 57 4 4 1   3 1   1 5 16 4 5 2 7 3 1 604  149  455  110 57 55 194 10 28 1 222 416
  totaal 81 6 5 1   8 2   1 8 18 6 5 2 11 6 2 1115  223  892  150 81 87 238 69 255 12 318 556

  Ièsous  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 8
1 Ièsous  57 4 : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,17 . (4) Mc 1,25 . 4 : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . 1 : Mc 3,7 . 3 : (1) Mc 5,20 . (2) Mc 5,30 . (3) Mc 5,36 . 1 : Mc 6,4 . 1 : Mc 8,27 .
  totaal  81 6 5 1 8 2 1
 
  Ièsous  Mc Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16  
1 Ièsous  57 5 : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,23 . (3) Mc 9,25. (4) Mc 9,27 . (5) Mc 9,39 . 16 : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,18 . (4) Mc 10,21 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,29 . (9) Mc 10,32 . (10) Mc 10,38 . (11) Mc 10,39 . (12) Mc 10,42 . (13) Mc 10,47 . (14) Mc 10,49 . (15) Mc 10,51 . (16) Mc 10,52 . 4 : (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,22 . (3) Mc 11,29 . (4) Mc 11,33 . 5 : (1) Mc 12,17 . (2) Mc 12,24 . (3) Mc 12,29 . (4) Mc 12,34 . (5) Mc 12,35 . 2 : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . 7 : (1) Mc 14,6 . (2) Mc 14,18 . (3) Mc 14,27 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,48 . (6) Mc 14,62 . (7) Mc 14,72 . 3 : (1) Mc 15,5 . (2) Mc 15,34 . (3) Mc 15,37 . 1 : Mc 16,19 . 57
  totaal  81 8 18 6 5 2 11 6 2 81

- Hebreeuws . יְהוֹשֻׁעַ = jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 5 - 6 - 3 - 7 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (177) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (152) . Joz (142) . Re (6) . 1 S (2) . 1 K (1) . 2 K (1) . Jozua was degene die het volk van Israël het land binnenleidde .
- יָשַׁע = jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) . Taalgebruik in Tenakh : jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) . Getalwaarde : jod = 10 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 47 OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 1 - 3 - 7 . De getalwaarde van de elementen is telkens 2 . Grieks . σῳζω = sôzô (redden, verlossen) . Taalgebruik in het NT : sôzô (redden) . Taalgebruik in de LXX : sôzô (redden) . L. salvator (salvare - salus) . Fr. sauver - saveur . Ned. b.v. salie (een heilbrengend kruid) . E. saviour . Ned. heiland . D. Heiland . Arabisch : = najada (redden, helpen) . Taalgebruik in de Qoran : najada (redden, helpen) . Hebr. מוֹשִׁיעַ = môsjî`a (de reddende) act. part. hifil nom. mann. enk. van het werkw. יָשַׁע = jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) , is heel nauw verwant wat letters betreft : מָשַׁח = mâsjach (zalven) . (מָשִׁיחַ =mâsjîach = gezalfde, messias, G. χριστος = christos = Christus) . Een vorm van σῳζω = sôzô (redden) in de LXX (363) , in het NT (106) , in Mc

Mc 15,34.6. - 7. ὁ ιησους = ho ièsous (Jezus) . Mc (44) : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 1,17 . (3) Mc 1,25 . (4) Mc 2,5 . (5) Mc 2,8 . (6) Mc 2,17 . (7) Mc 2,19 . (8) Mc 3,7 . (9) Mc 5,13 . (10) Mc 5,20 . (11) Mc 5,30 . (12) Mc 6,4 . (13) Mc 6,34 . (14) Mc 8,1 . (15) Mc 8,17 . (16) Mc 8,27 . (17) Mc 9,2 . (18) Mc 9,25.. (19) Mc 10,5 . (20) Mc 10,14 . (21) Mc 10,23 . (22) Mc 10,27 . (23) Mc 10,29 . (24) Mc 10,32 . (25) Mc 10,49 . (26) Mc 10,51 . (27) Mc 11,6 . (28) Mc 11,11 . (29) Mc 11,14 . (30) Mc 11,15 . (31) Mc 11,33 . (32) Mc 12,17 . (33) Mc 12,24 . (34) Mc 12,34 . (35) Mc 12,35 . (36) Mc 12,41 . (37) Mc 13,2 .(38) Mc 14,18 . (39) Mc 14,22 . (40) Mc 14,27 . (41) Mc 14,30 . (42) Mc 14,48 . (43) Mc 14,72 . (44) Mc 15,34 .

Mc 15,34.8. nom. + dat. vr. enk. φωνη / φωνῃ = fônè(i) (stem, roep)  . Taalgebruik in het NT : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in de LXX : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in Mc : fônè (stem, roep) . Mc (6) : (1) Mc 1,3 (nom.) . (2) Mc 1,11 (nom.) . (3) Mc 1,26 (dat.) . (4) Mc 5,7 (dat.) . (5) Mc 9,7 (nom.) . (6) Mc 15,34 (dat.) .

fônè (stem, roep)  Mt Mc Lc syn.  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat. vr. enk. fônè   6 : (1) Mt 2,18 . (2) Mt 3,3 . (3) Mt 3,17 . (4) Mt 17,5 . (5) Mt 27,46 . (6) Mt 27,50 . 6 : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 1,26 . (4) Mc 5,7 . (5) Mc 9,7 . (6) Mc 15,34 . 7 : (1) Lc 1,44 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 4,33 . (4) Lc 8,28 . (5) Lc 9,35 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 23,46 . 19 : (1) Mt 3,3 // Mc 1,3 // Lc 3,4 . (2) Mt 3,17 // Mc 1,11 // Lc 3,22 . (3) Mt 17,5 // Mc 9,7 // Lc 9,35 . (4) Mt 27,46 // Mc 15,34 . (5) Mt 27,50 // Mc 15,37 // Lc 23,46 . (6) Mc 5,7 // Lc 8,28 . 242  180  62  12  23  19  23     
totaal 12  26  634  513  121  12  15  26  13  41  26  41     

Hebr. p´ (mond) . Verwant met Gr. fô-nè (Lat vo-x = stem , vo-care = roepen) , fè-mi = spreken . Lat for - fari . Verwant met de indogerm. stam bha cfr. tele-foon .
Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô = schijnen . Lat. facies . E. face . Ned. aangezicht , aanschijn .

Mc 15,34.9. nom. + dat. vr. enk. μεγαλη / μεγαλῃ = megalè(i) (groot) van het bijvoegl. naamwoord μεγας = megas (groot) . Taalgebruik in het NT : megas (groot) . Taalgebruik in de LXX : megas (groot) . Taalgebruik in Mc : megas (groot) . Mc (7) : (1) Mc 1,26 (dat.) . (2) Mc 4,37 (nom.) . (3) Mc 4,39 (nom.) . (4) Mc 5,7 (dat.) . (5) Mc 5,11 (nom.) . (6) Mc 5,42 (dat.) . (7) Mc 15,34 (dat.) .

  megas (groot) enk.   Mc Mc 1 Mc 4 Mc 5 Mc 10 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat. vr. enk. megalè(i)   (1) Mc 1,26 (2) Mc 4,37 . (3) Mc 4,39 .   (4) Mc 5,7 . (5) Mc 5,11 . (6) Mc 5,42 .       (7) Mc 15,34 .     237  171  66  12  27  21  24   
  totaal 11          11                   

Mc 15,34.8. - 9. φωνῃ μεγαλῃ = fônè(i) megalè(i) (met luide stem) . LXX (47) . NT (26) . Mt (2) : (1) Mt 27,46 . (2) Mt 27,50 . Mc (3) : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 5,7 . (3) Mc 15,34 . Lc (4) : (1) Lc 4,33 . (2) Lc 8,28 . (3) Lc 19,17 . (4) Lc 23,45 . Joh (1) : Joh 11,43 . Hnd (3) : (1) Hnd 7,57 . (2) Hnd 7,60 . (3) Hnd 16,28 .

Mc 15,34.14. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

Mc 15,34.17. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 15,34.19. pers. voornaamw. 1ste pers. gen. enk. μου = mou (van mij) van het persoonl. voornaamw. εγω = egô (ik - mij) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 .

  pers. vnw. 1ste pers. enk.   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
gen. enk. mou (34) 4 : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 .   3 : (1) Mc 3,33 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 3,35 .   3 : (1) Mc 5,23 . (2) Mc 5,30 . (3) Mc 5,31 . 1 : Mc 6,23 . 1 : Mc 7,14 . 2 : (1) Mc 8,33 . (2) Mc 8,34 . 5 : (1) . Mc 9,7 . (2) Mc 9,17 . . (3) Mc 9,24 . (4) Mc 9,37 . (5) Mc 9,39 . 2 : (1) Mc 10,20 . (2) Mc 10,40 . 1 : Mc 11,17 . 2 : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,36 . 3 : (1) Mc 13,6 . (2) Mc 13,13 . (3) Mc 13,31 .   5 : (1)Mc 14,8 . (2) Mc 14,14 . (3) Mc 14,22 . (4) Mc 14,24 . (5) Mc 14,34 . 1 : Mc 15,34 . 1 : Mc 16,17 .   3356  2897  459  67  34  77 82 39   21        

Mc 15,34.20. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 15,34.22. pers. voornaamw. 1ste pers. gen. enk. μου = mou (van mij) van het persoonl. voornaamw. εγω = egô (ik - mij) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 .

  pers. vnw. 1ste pers. enk.   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
gen. enk. mou (34) 4 : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 .   3 : (1) Mc 3,33 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 3,35 .   3 : (1) Mc 5,23 . (2) Mc 5,30 . (3) Mc 5,31 . 1 : Mc 6,23 . 1 : Mc 7,14 . 2 : (1) Mc 8,33 . (2) Mc 8,34 . 5 : (1) . Mc 9,7 . (2) Mc 9,17 . . (3) Mc 9,24 . (4) Mc 9,37 . (5) Mc 9,39 . 2 : (1) Mc 10,20 . (2) Mc 10,40 . 1 : Mc 11,17 . 2 : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,36 . 3 : (1) Mc 13,6 . (2) Mc 13,13 . (3) Mc 13,31 .   5 : (1)Mc 14,8 . (2) Mc 14,14 . (3) Mc 14,22 . (4) Mc 14,24 . (5) Mc 14,34 . 1 : Mc 15,34 . 1 : Mc 16,17 .   3356  2897  459  67  34  77 82 39   21        

Mc 15,34.23. εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . Mc 4 (8) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,7 . (3) Mc 4,8 . (4) Mc 4,15 . (5) Mc 4,18 . (6) Mc 4,22 . (7) Mc 4,35 . (8) Mc 4,37 .

eis (naar)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b.  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
  6930  5336  1594  215  151  210  181  260  504  73  576  757  427  77  13 5 6 8 11 14 9 10 11 13 8 7 8 20 3 5

- Ned. : naar . D. : nach . E. : for . Fr. : vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Grieks : εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Lat. : in / ad .


Mc 15,35 - Mc 15,35 : 347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,33 - Mc 15,34 - Mc 15,35 - Mc 15,36 - Mc 15,37 - Mc 15,38 - Mc 15,39 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:35 kai tines tôn parestèkotôn akousantes elegon ide èlian fônei 35 et quidam de circumstantibus audientes dicebant ecce Heliam vocat   35 En enkelen van die erbij stonden hoorden het (en) zeiden: “Zie, hij roept Elia ”  35 En sommigen van die daarbij stonden, dit horende, zeiden: Ziet, Hij roept Elias.   [35] Sommige omstanders die het gehoord hadden, zeiden: ‘Hoor, Hij roept Elia!’   [35] Toen de omstanders dat hoorden, zeiden enkelen van hen: ‘Hoor, hij roept Elia!’   35 Sommigen van wie daar stonden hebben, toen ze dat hoorden, gezegd: zie, hij roept Elia!   35. Certains des assistants disaient en l'entendant : « Voilà qu'il appelle Élie ! »  

King James Bible . [35] And some of them that stood by, when they heard it, said, Behold, he calleth Elias.
Luther-Bibel . 35 Und einige, die dabeistanden, als sie das hörten, sprachen sie: Siehe, er ruft den Elia.

Tekstuitleg van Mc 15,35 .

Mc 15,35.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 47 verzen niet in 14 verzen : (1) Mc 15,4 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,6 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,9 . (6) Mc 15,10 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,28 . (12) Mc 15,30 . (13) Mc 15,37 . (14) Mc 15,39 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 15,35.3. Mc 15 (9) : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,2 . (3) Mc 15,7 . (4) Mc 15,9 . (5) Mc 15,12 . (6) Mc 15,18 . (7) Mc 15,26 . (8) Mc 15,31 . (9) Mc 15,35 .

Mc 15,35.5. act. part. aor. nom. mv. ακουσαντες = akousantes (gehoord) van het werkw. ακουω = akouô (horen) . Taalgebruik in het NT : akouô (horen) . Taalgebruik in de Septuaginta : akouô (horen) . Taalgebruik in Mc : akouô (horen) . Mc (7) : (1) Mc 3,21 . (2) Mc 4,18 . (3) Mc 6,29 . (4) Mc 10,41 . (5) Mc 14,11 . (6) Mc 15,35 . (7) Mc 16,11 .   Een vorm van ακουω = akouô (horen) in de LXX (1069) , in het NT (427) .

akouô (horen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
act. part. aor. nom. mv. akousantes   67  15  52  13  16    27  32 

- Ned. : horen . Horen en oor zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ους = ous / ως= ôs , ωτις = ôtis . Lat. : auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Arabisch : سَمِعَ = sami`a (luisteren, horen) . Taalgebruik in de Qoran : sami`a (luisteren, horen) . D. hören . E. : to hear . Fr. : écouter . Grieks : ακουω = akouô (horen) . Taalgebruik in het NT : akouô (horen) . Hebreeuws : שָׁמַע = sjâmâ` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâm`â (horen, luisteren) .

Mc 15,35.6. act. ind. imperf. 3de pers. mv. ελεγον = elegon (zij zeiden) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de LXX : legô (zeggen) . Mc (18) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,24 . (3) Mc 3,21 . (4) Mc 3,22 . (5) Mc 3,30 . (6) Mc 4,41 (pros allèlous = tot elkaar) . (7) Mc 5,31 . (8) Mc 6,14 . (9) Mc 6,15 . (10) Mc 6,35 . (11) Mc 11,5 . (12) Mc 11,28 . (13) Mc 14,2 . (14) Mc 14,31 . (15) Mc 14,70 . (16) Mc 15,31 . (17) Mc 15,35 (pros heautas = tot zichzelf) . (18) Mc 16,3 . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) , in Mc 3 (12) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .
- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . D. : sprechen (spreken) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere .

Mc 15,35.7. acc. mann. enk. ἡλιαν = èlian (Elia) van de eigennaam ἡλιας = èlias (Elia) . Taalgebruik in het NT : èlias (Elia) . Taalgebruik in de LXX : èlias (Elia) . Taalgebruik in Mc : èlias (Elia) . Mc (3) : (1) Mc 8,28 . (2) Mc 9,11 .  (3) Mc 15,35 .

  èlias (Elia) .  Mc Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 15 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Br. syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. èlias   (1) Mc 6,15 .     (2) Mc 9,4 . (3) Mc 9,12 . (4) Mc 9,13 (5) Mc 15,36 .   19 16  13  15   
  Totaal   34  28  10  24  26 

Mc 15,36 - Mc 15,36 : 347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,33 - Mc 15,34 - Mc 15,35 - Mc 15,36 - Mc 15,37 - Mc 15,38 - Mc 15,39
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:36 dramôn de tis | | [kai] | gemisas spoggon oxous peritheis kalamô epotizen auton legôn afete idômen ei erchetai èlias kathelein auton   36 currens autem unus et implens spongiam aceto circumponensque calamo potum dabat ei dicens sinite videamus si veniat Helias ad deponendum eum  36 Iemand liep nu en vulde een spons met azijn, deed ze om een rietstengel (en) gaf hem te drinken zeggend: “Laten we zien of Elia komt om hem af te nemen!”   36 En er liep een, en vulde een spons met edik, en stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken, zeggende: Houdt stil, laat ons zien, of Elias komt, om Hem af te nemen.   [36] Een van hen rende weg, doopte een spons in wijn, stak die op een rietstok en wilde Hem te drinken geven. ‘Laten we eens kijken of Elia Hem eraf komt halen’, zei hij.  [36] Iemand ging snel een spons halen, doordrenkte die met zure wijn, stak de spons op een stok en probeerde hem te laten drinken, terwijl hij zei: ‘Laten we eens kijken of Elia komt om hem eraf te halen.’  36 Maar zomaar iemand die daar liep vulde een spons met azijn, stak die op een riet en heeft hem te drinken gegeven, zeggend: laat hem met rust, we zien wel of Elia komt om hem er vanaf te halen!  36. Quelqu'un courut tremper une éponge dans du vinaigre et, l'ayant mise au bout d'un roseau, il lui donnait à boire en disant : « Laissez ! que nous voyions si Élie va venir le descendre ! » 

King James Bible . [36] And one ran and filled a spunge full of vinegar, and put it on a reed, and gave him to drink, saying, Let alone; let us see whether Elias will come to take him down.
Luther-Bibel . 36 Da lief einer und füllte einen Schwamm mit Essig, steckte ihn auf ein Rohr, gab ihm zu trinken und sprach: Halt, lasst sehen, ob Elia komme und ihn herabnehme!

Tekstuitleg van Mc 15,36 . Taalgebruik naar : Ps 69,22 : kai eis tèn dipsan epotisan me oxos (en voor mijn dorst gaven ze me azijn te drinken) .

Mc 15,36.2. δε = de (echter) , afkorting δ' = d' . de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in de LXX : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie aan te duiden . Mc (149 + 2) . Mc (20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,6 . (5) Mc 15,7 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,15 . (12) Mc 15,16 . (13) Mc 15,23 . (14) Mc 15,25 . (15) Mc 15,36 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,40 . (19) Mc 15,44 . (20) Mc 15,47 .

de (echter)   de (echter)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
de  149 + 2   10  23  13  23  20  6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7 1048  1251 
d'  d'     1         1                 73 50  23  12      19  20 
Totaal                                   6283 3804 2479 433 151 483 204 490 711 7 1067 1271

kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8
kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7
verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1

de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2) . Mc (20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,6 . (5) Mc 15,7 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,15 . (12) Mc 15,16 . (13) Mc 15,23 . (14) Mc 15,25 . (15) Mc 15,36 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,40 . (19) Mc 15,44 . (20) Mc 15,47 .

Mc 15,36.10. act. ind. imperf. 3de pers. enk. epotizen  van het werkw. potizô (drenken, laten drinken) . Taalgebruik in het NT : potizô (drenken, laten drinken) . Taalgebruik in Mc : potizô (drenken, laten drinken) . Mc (1) : Mc 15,36 . Een andere vorm van potizô (drenken, laten drinken) in Mc : Mc 9,41 .

Mc 15,36.12. act. part. praes. nom. mann. enk. λεγων = legôn (zeggend) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Mc (18) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,15 . (3) Mc 1,24 . (4) Mc 1,25 . (5) Mc 1,40 . (6) Mc 5,23 . (7) Mc 8,15 . (8) Mc 8,26 . (9) Mc 8,27 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 12,6 . (12) Mc 12,26 . (13) Mc 14,44 . (14) Mc 14,60 . (15) Mc 14,68 . (16) Mc 15,4 . (17) Mc 15,9 . (18) Mc 15,36 . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) , in Mc 1 (10) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) , in Mc 1 (1) .

legô (zeggen) tegenwoordige tijd bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
act. part. pr. nom. mann. enk. legôn  936  758  178  49  18  47  25  15  16  114  122 

16. ind. praes. 3de pers. enk. ερχεται = erchetai (hij gaat) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in de LXX : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . Mc (16) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 3,20 . (4) Mc 3,31 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,21 . (7) Mc 5,22 . (8) Mc 6,1 . (9) Mc 6,48 . (10) Mc 10,1 . (11) Mc 13,35 . (12) Mc 14,17 . (13) Mc 14,37 . (14) Mc 14,41 . (15) Mc 14,66 . (16 ) Mc 15,36 . Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan, komen) in de LXX (1054) , in het NT (631) , Mt (111) , Mc (86) , Lc (100) , Joh (156) , Hnd (54) , in Mc 1 (8) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,14 . (4) Mc 1,24 . (5) Mc 1,29 . (6) Mc 1,39 . (7) Mc 1,40 . (8) Mc 1,45 .
In Mc 1,40 komt een zieke naar Jezus . In Mc 5,22 gaat een synagoge-overste om genezing vragen voor zijn dienaar .

erchomai (gaan, komen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. pr. 3de p. enk. erchetai 130 42 88 13 16 11 37 1 7 40  77 

- Hebreeuws : בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalwaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) .
- Ned. : gaan . D. : gehen . E. : go . Grieks : ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Hebreeuws : בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Lat. : ire . vadere (Fr. je vais , il va) . ambulare (Fr. nous allons , vous allez) .

Mc 15,36.17. nom. mann. enk. ἡλιας = èlias (Elia) . Taalgebruik in het NT : èlias (Elia) . Taalgebruik in de LXX : èlias (Elia) . Taalgebruik in Mc : èlias (Elia) . Mc (5) : (1) Mc 6,15 . (2) Mc 9,4 . (3) Mc 9,12 . (4) Mc 9,13 . (5) Mc 15,36 .  

  èlias (Elia) .  Mc Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 15 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Br. syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. èlias   (1) Mc 6,15 .     (2) Mc 9,4 . (3) Mc 9,12 . (4) Mc 9,13 (5) Mc 15,36 .   19 16  13  15   
  Totaal   34  28  10  24  26 

18. van het werkw. καθαιρεω = kathaireô (naar beneden nemen, afnemen) . Taalgebruik in het NT : kathaireô (afnemen, naar beneden nemen) . Taalgebruik in de LXX : kathaireô (afnemen, naar beneden nemen) . Een vorm van καθαιρεω = kathaireô in de LXX (95) , in het NT (9) : (1) Mc 15,36 . (2) Mc 15,46 . (3) Lc 1,52 . (4) Lc 12,18 . (5) Lc 23,53 . (6) Hnd 13,19 . (7) Hnd 13,29 . (8) Hnd 19,27 . (9) 2 . In de LXX is een vorm van het werkw. καθαιρεω = kathaireô de vertaling van 13 verschillende Hebreeuwse woorden .


Mc 15,37 - Mc 15,37 : 347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,33 - Mc 15,34 - Mc 15,35 - Mc 15,36 - Mc 15,37 - Mc 15,38 - Mc 15,39 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:37 o de ièsous afeis fônèn megalèn exepneusen   37 Iesus autem emissa voce magna exspiravit  37 Jezus echter gaf een luide kreet (en) blies de laatste adem uit.   37 En Jezus, een grote stem van Zich gegeven hebbende, gaf den geest.   [37] Maar Jezus had, na het slaken van een luide kreet, de geest gegeven.  [37] Maar Jezus slaakte een luide kreet en blies de laatste adem uit.  37 Maar dan laat Jezus een groot stemgeluid horen en blaast de adem uit.   37. Or Jésus, jetant un grand cri, expira.  

King James Bible . [37] And Jesus cried with a loud voice, and gave up the ghost.
Luther-Bibel . 37 Aber Jesus schrie laut und verschied.

Tekstuitleg van Mc 15,37 .

Mc 15,34 kai tèi enatèi hôrai eboèsen ho Ièsous fônèi megalèi      
Mc 15,37   ho de Ièsous afeis fônèn megalèn     exepneusen

Mc 15,37.1. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 15,37.2. δε = de (echter) , afkorting δ' = d' . de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in de LXX : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie aan te duiden . Mc (149 + 2) . Mc 15 (20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,6 . (5) Mc 15,7 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,15 . (12) Mc 15,16 . (13) Mc 15,23 . (14) Mc 15,25 . (15) Mc 15,36 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,40 . (19) Mc 15,44 . (20) Mc 15,47 .

de (echter)   de (echter)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
de  149 + 2   10  23  13  23  20  6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7 1048  1251 
d'  d'     1         1                 73 50  23  12      19  20 
Totaal                                   6283 3804 2479 433 151 483 204 490 711 7 1067 1271

kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8
kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7
verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1

Mc 15,37.1. - 2. δε ὁ = de ho (echter de) . Mc (8) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 6,16 . (3) Mc 8,29 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 10,14 . (6) Mc 14,44 . (7) Mc 15,7 . (8) Mc 15,39 . δε = de (echter) + een vorm van het bep. lidw. . NT (584) .
- ὁ δε = ho de (hij echter) . Mc () : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,45 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,34 . (5) Mc 5,36 . (6) Mc 5,40 . (7) Mc 6,27 . (8) Mc 6,37 . (9) Mc 6,38 . (10) Mc 7,6 . (11) Mc 7,27 . (12) Mc 8,33 . (13) Mc 9,12 . (14) Mc 9,19 . (15) Mc 9,21 . (16) Mc 9,23 . (17) Mc 9,27 . (18) Mc 9,39 . (19) Mc 10,3 . (20) Mc 10,18 . (21) Mc 10,20 . (22) Mc 10,21 . (23) Mc 10,22 . (24) Mc 10,24 . (25) Mc 10,36 . (26) Mc 10,38 . (27) Mc 10,42 . (28) Mc 10,48 . (29) Mc 10,50 . (30) Mc 10,51 . (31) Mc 10,52 . enz. . Een vorm van het lidw. + δε = de (echter) . NT (698) .
- και ὁ = kai ho (en de) . Mc 10 (17) : (1) Mc 2,22 . (2) Mc 4,25 . (3) Mc 4,27 . (4) Mc 4,41 . (5) Mc 7,10 . (6) Mc 10,33 . (7) Mc 11,33 . (8) Mc 12,20 . (9) Mc 12,21 . (10) Mc 12,26 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 . (13) Mc 13,2 . (14) Mc 13,16 . (15) Mc 14,9 . (16) Mc 14,10 . (17) Mc 14,54 . και = kai + een vorm van het bep. lidw. . NT (1489)

Mc 15,37.3. nom. mann. enk. ιησους = ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in de LXX : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) . Mc (57) . Mc (57) . Mc 15 (3) : (1) Mc 15,5 . (2) Mc 15,34 . (3) Mc 15,37 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc in 81 verzen , in Mc 15 (6) : (1) Mc 15,1 (acc. Ièsoun) . (2) Mc 15,5 (nom. Ièsous) . (3) Mc 15,15 (acc. Ièsoun) . (4) Mc 15,34 (nom. Ièsous) . (5) Mc 15,37 (nom. Ièsous) . (6) Mc 15,43 (gen. Ièsou) .

  Ièsous (Jezus)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
1 nom. mann. enk. Ièsous 57 4 4 1   3 1   1 5 16 4 5 2 7 3 1 604  149  455  110 57 55 194 10 28 1 222 416
  totaal 81 6 5 1   8 2   1 8 18 6 5 2 11 6 2 1115  223  892  150 81 87 238 69 255 12 318 556

  Ièsous  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 8
1 Ièsous  57 4 : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,17 . (4) Mc 1,25 . 4 : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . 1 : Mc 3,7 . 3 : (1) Mc 5,20 . (2) Mc 5,30 . (3) Mc 5,36 . 1 : Mc 6,4 . 1 : Mc 8,27 .
  totaal  81 6 5 1 8 2 1
 
  Ièsous  Mc Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16  
1 Ièsous  57 5 : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,23 . (3) Mc 9,25. (4) Mc 9,27 . (5) Mc 9,39 . 16 : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,18 . (4) Mc 10,21 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,29 . (9) Mc 10,32 . (10) Mc 10,38 . (11) Mc 10,39 . (12) Mc 10,42 . (13) Mc 10,47 . (14) Mc 10,49 . (15) Mc 10,51 . (16) Mc 10,52 . 4 : (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,22 . (3) Mc 11,29 . (4) Mc 11,33 . 5 : (1) Mc 12,17 . (2) Mc 12,24 . (3) Mc 12,29 . (4) Mc 12,34 . (5) Mc 12,35 . 2 : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . 7 : (1) Mc 14,6 . (2) Mc 14,18 . (3) Mc 14,27 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,48 . (6) Mc 14,62 . (7) Mc 14,72 . 3 : (1) Mc 15,5 . (2) Mc 15,34 . (3) Mc 15,37 . 1 : Mc 16,19 . 57
  totaal  81 8 18 6 5 2 11 6 2 81

- Hebreeuws . יְהוֹשֻׁעַ = jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 5 - 6 - 3 - 7 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (177) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (152) . Joz (142) . Re (6) . 1 S (2) . 1 K (1) . 2 K (1) . Jozua was degene die het volk van Israël het land binnenleidde .
- יָשַׁע = jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) . Taalgebruik in Tenakh : jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) . Getalwaarde : jod = 10 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 47 OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 1 - 3 - 7 . De getalwaarde van de elementen is telkens 2 . Grieks . σῳζω = sôzô (redden, verlossen) . Taalgebruik in het NT : sôzô (redden) . Taalgebruik in de LXX : sôzô (redden) . L. salvator (salvare - salus) . Fr. sauver - saveur . Ned. b.v. salie (een heilbrengend kruid) . E. saviour . Ned. heiland . D. Heiland . Arabisch : = najada (redden, helpen) . Taalgebruik in de Qoran : najada (redden, helpen) . Hebr. מוֹשִׁיעַ = môsjî`a (de reddende) act. part. hifil nom. mann. enk. van het werkw. יָשַׁע = jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) , is heel nauw verwant wat letters betreft : מָשַׁח = mâsjach (zalven) . (מָשִׁיחַ =mâsjîach = gezalfde, messias, G. χριστος = christos = Christus) . Een vorm van σῳζω = sôzô (redden) in de LXX (363) , in het NT (106) , in Mc

Mc 15,37.1. - 3. δε ὁ ιησους = de ho ièsous (echter Jezus ) . NT (47) . Mc (4) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 9,25 . (3) Mc 10,14 . (4) Mc 10,29 . Lc (9) : (1) Lc 5,22 . (2) Lc 8,28 . (3) Lc 9,41 . (4) Lc 9,42 . (5) Lc 10,30 . (6) Lc 17,17 . (7) Lc 18,40 . (8) Lc 22,51 . (9) Lc 22,52 .
- και ὁ ιησους = kai ho ièsous (en Jezus) . NT (7) . Mc (4) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 11,33 . (3) Mc 12,34 . (4) Mc 13,2 . Lc (2) : (1) Lc 18,42 . (2) Lc 20,8 . Joh (1) : Joh 2,2 .
- ὁ δε ιησους = ho de ièsous (Jezus echter) . NT (62) . Mc (21/37) : (1) Mc 1,41 (variante lezing) . (2) Mc 5,19 (variante lezing) . (3) Mc 5,36 . (4) Mc 7,27 (variante lezing) . (5) Mc 9,23 . (6) Mc 9,27 . (7) Mc 9,39 . (8) Mc 10,18 . (9) Mc 10,21 . (10) Mc 10,24 . (11) Mc 10,38 . (12) Mc 10,39 . (13) Mc 10,42 . (14) Mc 10,52 . (15) Mc 11,29 . (16) Mc 12,29 . (17) Mc 13,5 . (18) Mc 14,6 . (19) Mc 14,62 . (20) Mc 15,5 . (21) Mc 15,37 . Lc (8) : (1) Lc 7,6 . (2) Lc 8,46 . (3) Lc 8,50 . (4) Lc 9,47 . (5) Lc 18,16 . (6) Lc 22,48 . (7) Lc 23,25 . (8) Lc 23,34 .

Mc 15,37.5. φωνη = fônè (stem, roep)  . Taalgebruik in het NT : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in de LXX : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in Mc : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in Lc : fônè (stem, roep) . Hebr. p´ (mond) . Verwant met Gr. fô-nè (Lat vo-x = stem , vo-care = roepen) , fè-mi = spreken . Lat for - fari . Verwant met de indogerm. stam bha .
Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô = schijnen . Lat. facies . E. face . Ned. aangezicht , aanschijn .

fônè (stem, roep)  Mt Mc Lc syn.  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat. vr. enk. fônè   6 : (1) Mt 2,18 . (2) Mt 3,3 . (3) Mt 3,17 . (4) Mt 17,5 . (5) Mt 27,46 . (6) Mt 27,50 . 6 : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 1,26 . (4) Mc 5,7 . (5) Mc 9,7 . (6) Mc 15,34 . 7 : (1) Lc 1,44 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 4,33 . (4) Lc 8,28 . (5) Lc 9,35 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 23,46 . 19 : (1) Mt 3,3 // Mc 1,3 // Lc 3,4 . (2) Mt 3,17 // Mc 1,11 // Lc 3,22 . (3) Mt 17,5 // Mc 9,7 // Lc 9,35 . (4) Mt 27,46 // Mc 15,34 . (5) Mt 27,50 // Mc 15,37 // Lc 23,46 . (6) Mc 5,7 // Lc 8,28 . 242  180  62  12  23  19  23     
gen. vr. enk. fônès       1: Lc 17,15 . 210  187  23     
acc. vr. enk. fônèn   1 : Mt 12,19 . 1 : Mc 15,37 . 4 : (1) Lc 3,22. (2) Lc 9,36 . (3) Lc 11,27 . (4) Lc 17,13 . 182  146  36  12  11 
totaal 12  26  634  513  121  12  15  26  13  41  26  41     

Mc 15,37.6. μεγας = megas (groot) . Taalgebruik in het NT : megas (groot) . Taalgebruik in de LXX : megas (groot) . Taalgebruik in Mc : megas (groot) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
8.  acc. vr. enk. megalèn   114  97  17     

Mc 15,37.7. act. ind. aor. 3de pers. enk. εξεπνευσεν = exepneusen (hij ademde uit, hij stierf) van het werkw. εκπνεω = ekpneô (uitademen, sterven) . Taalgebruik in het NT : ekpneô (uitademen, sterven) . Taalgebruik in Mc : ekpneô (uitademen, sterven) . Bijbel (3) . Mc (2) : (1) Mc 15,37 . (2) Mc 15,39 . (3) Lc 23,46 .
In deze aor.vorm is pneuma (geest) te horen . Het herinnert aan de nederdaling van de geest over Jezus in Mc 1,10 . In Mc 1,10 ontvangt Jezus de geest , in Mc 15,37 blaast hij de geest uit .
In Mc 1,10 scheuren eerst de hemelen open en daalt dan de geest over Jezus neer . In Mc 15,37 - Mc 15,38 blaast Jezus eerst de geest uit en scheurt dan het voorhangsel van de tempel . In Mc 1,10 ziet Jezus beide elementen . In Mc 15,39 bevat het zien van de centurio wellicht de beide elementen .


Mc 15,38 - Mc 15,38 : 347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,33 - Mc 15,34 - Mc 15,35 - Mc 15,36 - Mc 15,37 - Mc 15,38 - Mc 15,39 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:38 kai to katapetasma tou naou eschisthè eis duo ap anôthen eôs katô   38 et velum templi scissum est in duo a sursum usque deorsum En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën van boven tot beneden.   38 En het voorhangsel des tempels scheurde in tweeën, van boven tot beneden.  [38] Het voorhangsel in de tempel scheurde van boven tot beneden in tweeën  [38] En het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot onder in tweeën.  38 Het voorhangsel van de tempel scheurt in tweeën, van boven tot beneden.  38. Et le voile du Sanctuaire se déchira en deux, du haut en bas.  

King James Bible . [38] And the veil of the temple was rent in twain from the top to the bottom.
Luther-Bibel . 38 Und der Vorhang im Tempel zerriss in zwei Stücke von oben an bis unten aus.

Tekstuitleg van Mc 15,38 . Het vers Mc 15,38 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden , 52 (2 X 2 X 13) letters . De getalwaarde van Mc 15,38 is 7554 (2 X 3 X 1259) . Het scheuren van het voorhangsel van de tempel .

Mc 15,38.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 47 verzen niet in 14 verzen : (1) Mc 15,4 . (2) Mc 15,5 . (3) Mc 15,6 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,9 . (6) Mc 15,10 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,28 . (12) Mc 15,30 . (13) Mc 15,37 . (14) Mc 15,39 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .
Het vorige vers Mc 15,37 wordt met dit vers Mc 15,38 verbonden met het voegwoord kai (en) . Na het sterven van Jezus volgt het scheuren van het voorhangsel . Het lijkt op wat we ons voorstellen : na het sterven komen we aan de hemelpoort . Zo zouden we kunnen zeggen dat Jezus bij het voorhangsel kwam , dat zich dan openscheurde zodat Jezus kon binnengaan .
Hier wordt niet het partikel de (echter) gebruikt om een lichte tegenstelling aan te duiden .
Evenals in Mc 15,37 staat in Mc 15,38 het onderwerp vooraan de zin .

Mc 15,38.2. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. το = to (het) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 15 (5) : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,15 . (3) Mc 15,38 . (4) Mc 15,43 . (5) Mc 15,45 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
3. nom. + acc. onz. enk. to 108  12  12  22  5941  4582  1359  186  108  181  121  172  482  109  475  596 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .

Mc 15,38.3. nom. + acc. onz. enk. καταπετασμα = katapetasma (voorhangsel , het neergevallene) . Taalgebruik in het NT : katapetasma (voorhangsel) . Taalgebruik in de LXX : katapetasma (voorhangsel) . Bijbel (17) : (1) Ex 26,31 . (2) Ex 26,33 . (3) Ex 35,12 . (4) Ex 37,3 . (5) Ex 37,5 . (6) Ex 37,16 . (7) Ex 39,19 . (8) Lv 4,6 . (9) Lv 21,23 . (10) Nu 3,26 . (11) Nu 4,5 . (12) 2 Kr 3,14 . (13) 1 Mak 1,22 . (14) Mt 27,51 . (15) Mc 15,38 . (16) Lc 23,45 . (17) Heb 9,3 .

  katapetasma (voorhangsel , het neergevallene) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + acc. onz. enk. katapetasma 17  13         
gen. onz. enk.   katapetasmatos 21  19                   
dat. onz. enk. katapetasmati                         
  totaal 41  35         

- Lat. velum of velamentum . Fr. voile . E. veil . Ned. voorhangsel . D. Vorhang .

Mc 15,38.4. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. του = tou (de) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 15 (7) : (1) Mc 15,30 . (2) Mc 15,32 . (3) Mc 15,38 . (4) Mc 15,40 . (5) Mc 15,43 . (6) Mc 15,45 . (7) Mc 15,46 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
4. gen. m. + onz. enk. tou 116  8 6 6 5 11 6 7 6 7 9 3 10 6 13 7 6 8480  6542  1938  234  116  272  196  269  673  178  622  818 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 15,38.5. gen. mann. enk. naou (van de tempel) van het zelfst. naamw. naos (tempel) . Taalgebruik in het NT : naos (tempel) . Taalgebruik in Mc : naos (tempel) . Mc (1) : Mc 15,38 . Acc. ank. in 2 verzen in Mc : (1) Mc 14,58 .  (2) Mc 15,29 .  

Mc 15,38.6. pass. ind. aor. 3de pers. enk. εσχισθη = eschisthè (het werd gescheurd) van het werkw. σχιζω = schizô (scheuren) . Taalgebruik in het NT : schizô (scheuren) . Taalgebruik in de LXX : schizô (scheuren) . Taalgebruik in Mc : schizô (scheuren) . Mc (1) : Mc 15,38 . Een vorm van het werkw. σχιζω = schizô (scheuren) in Mc slechts in 2 verzen : (1) Mc 1,10 (schizomenous = scheurende) . Het begin van het openbaar leven van Jezus begon met het zien van het openscheuren van de hemelen (Mc 1,10) , het leven van Jezus eindigt met het scheuren van het voorhangsel van de tempel .
Het initiatieverhaal van Jezus (Mc 1,9-11) bevat de elementen : opstijgen uit het water , het openscheuren van de hemelen , het neerdalen van de geest als een duif , een stem uit de de hemelen met de woorden : jij bent mijn zoon de beminde , in wie ik welbehagen heb . Het openscheuren van de hemelen betekent het opengaan van de hemel naar de aarde .
Achter het voorhangsel was het heilige der heiligen . Daarin mocht de hogepriester slechts eenmaal per jaar gaan . Het heilige der heiligen was dus afgesloten . Het openscheuren betekende dus een openen , toegang krijgen tot . Bij zijn dood mocht Jezus binnengaan bij God , gesymboliseerd door het heilige der heilgen . Deze idee wordt versterkt door wat we lezen bij het eerste optreden van Jezus in de synagoge van Kafarnaüm : de heilige van God (titel van de hogepriester)

Mc 15,38.7. εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . Mc 4 (8) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,7 . (3) Mc 4,8 . (4) Mc 4,15 . (5) Mc 4,18 . (6) Mc 4,22 . (7) Mc 4,35 . (8) Mc 4,37 .

eis (naar)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b.  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
  6930  5336  1594  215  151  210  181  260  504  73  576  757  427  77  13 5 6 8 11 14 9 10 11 13 8 7 8 20 3 5

- Ned. : naar . D. : nach . E. : for . Fr. : vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Grieks : εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Lat. : in / ad

Mc 15,38.8. δυο = duo (twee) . Telwoord . Taalgebruik in het NT : telwoorden . Taalgebruik in de LXX : telwoorden . Taalgebruik in Lc : telwoorden . Lc (25) : (1) Lc 2,24 . (2) Lc 3,11 . (3) Lc 5,2 . (4) Lc 7,18 . (5) Lc 7,41 . (6) Lc 9,3 . (7) Lc 9,13 . (8) Lc 9,16 . (9) Lc 9,30 . (10) Lc 9,32 . (11) Lc 10,1 . (12) Lc 10,17 . (13) Lc 10,35 . (14) Lc 12,6 . (15) Lc 12,52 . (16) Lc 15,11 . (17) Lc 17,34 . (18) Lc 17,35 . (19) Lc 18,10 . (20) Lc 19,29 . (21) Lc 21,2 . (22) Lc 22,38 . (23) Lc 23,32 . (24) Lc 24,4 . (25) Lc 24,13 . Een vorm van δυο = duo in de LXX (694) , in het NT (136) , in Lc (28) .

  telwoorden  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  duo  624  509  115  33  14  25  13              

- Hebreeuws . שְׂנַיִם = sjënajim (twee) . Taalgebruik in Tenakh : sjënajim (twee) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 400 (2² X 2² X 5²) . De som van de elementen is telkens 4 (2²) . Tenakh (76) . Stat. constr. mann. mv. שְׂנֵי = sjëne(j) (twee) . Tenakh (155) .
- Ned. : twee . Arabisch : اِثنَان = ´ithnân (twee) . Taalgebruik in de Qoran : ´ithnân (twee) . D. : zwei . E. : two . Fr. : deux . Grieks : δυο = duo (twee) . Taalgebruik in het NT : telwoorden . Hebreeuws : שְׂנַיִם = sjënajim (twee) . Taalgebruik in Tenakh : sjënajim (twee) . Lat. : duo .

Mc 15,38.9. απο = apo (af, van-weg) ; afkorτing απ' = ap' en αφ' = af' . Taalgebruik in het NT : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in de LXX : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . απ' = ap' (afkoring van apo = af, weg) . Mc (12) : (1) Mc 1,42 . (2) Mc 2,20 . (3) Mc 2,21 . (4) Mc 4,25 . (5) Mc 7,4 . (6) Mc 7,6 . (7) Mc 13,19 . (8) Mc 13,27 . (9) Mc 14,35 . (10) Mc 14,36 .    (11) Mc 15,21 . (12) Mc 15,38 .

  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
apo 33 1 :  Mc 1,9 .   3  (1) Mc 3,7 . (2) Mc 3,9 . (3) Mc 3,22 .   5 : (1) Mc 5,6 . (2) Mc 5,17 . (3) Mc 5,29 . (4) Mc 5,34 . (5) Mc 5,35 . 2 :   (1) Mc 6,33 . (2) Mc 6,43 4  : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,28 . (4) Mc 7,33 . 3 : (1) Mc 8,3 . (2) Mc 8,11 . (3) Mc 8,15   2 :   (1) Mc 10,6 . (2) Mc 10,46 . 2   (1) Mc 11,12 . (2) Mc 11,13 . 3 : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,34 . (3) Mc 12,38 . 1 : Mc 13,28 . 1 : Mc 14,54 . 5  : (1) Mc 15,30 . (2) Mc 15,32 . (3) Mc 15,40 . (4) Mc 15,43 . (5) Mc 15,45 . 1 : Mc 16,8 . 2984 2544 440 82 33 73 19 93 115 25 188  207 
ap'  12  1 : Mc 1,42 . 2   (1) Mc 2,20 . (2) Mc 2,21 .   1 : Mc 4,25 .     2   (1) Mc 7,4 . (2) Mc 7,6 .           2   (1) Mc 13,19 . (2) Mc 13,27 . 2   (1) Mc 14,35. (2) Mc 14,36. 2   (1) Mc 15,21 . (2) Mc 15,38 .   567  445  122  22  12  32  15  12  26  66  81 
af'                                    183  141  42    19  10  16 
totaal   45    3734 3130  604  105  45  114  40  111 160  29   264 304 

Mc 15,38.10. anôthen (van boven) . Taalgebruik in het NT : anôthen (van boven) . Taalgebruik in Mc : anôthen (van boven) . Mc (1) : Mc 15,38 .

Mc 15,38.11. ἑως = heôs (tot, totdat)  . Taalgebruik in het NT : heôs (tot , totdat) . Taalgebruik in de LXX : heôs (tot , totdat) . Taalgebruik in Mc : heôs (tot , totdat) . Mc (14) . Mc 15 (2) : (1) Mc 15,33 . (2) Mc 15,38

heôs (tot, totdat)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  1353  1216  137  43  14  27  10  22  19  84  94 

Mc 15,38.12. katô (naar beneden) .


Mc 15,39 - Mc 15,39 : 347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,33 - Mc 15,34 - Mc 15,35 - Mc 15,36 - Mc 15,37 - Mc 15,38 - Mc 15,39 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15:39 idôn de o kenturiôn o parestèkôs ex enantias autou oti outôs exepneusen* eipen alèthôs outos o anthrôpos uios theou èn     39 Toen nu de honderdman*, die tegenover hem erbij stond,  zag dat hij zo dc laatste adem uitgeblazen had, zei hij: “Waarlijk, deze mens was zoon van God!” 39 En de hoofdman over honderd, die daarbij tegenover Hem stond, ziende, dat Hij alzo roepende den geest gegeven had, zeide: Waarlijk, deze Mens was Gods Zoon!  [39] Toen de centurio* die tegenover Hem stond, zag dat Hij op deze manier de geest gaf, zei hij: ‘Inderdaad, die man was de Zoon* van God.’  [39] Toen de centurio, die recht tegenover hem stond, hem zo zijn laatste adem zag uitblazen, zei hij: ‘Werkelijk, deze mens was Gods Zoon.’  39 En als de honderdman die tegenover hem bij hem staat ziet dat hij zó de adem uitblaast, zegt hij: waarlijk, deze mens is een godenzoon geweest!   39. Voyant qu'il avait ainsi expiré, le centurion, qui se tenait en face de lui, s'écria : « Vraiment cet homme était fils de Dieu ! »  

King James Bible . [39] And when the centurion, which stood over against him, saw that he so cried out, and gave up the ghost, he said, Truly this man was the Son of God.
Luther-Bibel . 39 Der Hauptmann aber, der dabeistand, ihm gegenüber, und sah, dass er so verschied, sprach: Wahrlich, dieser Mensch ist Gottes Sohn gewesen!

Tekstuitleg van Mc 15,39 . Dit vers Mc 15,39 telt 21 (3 X 7) woorden , 44 (2 X 2 X 11) lettergrepen en 100 (2 X 2 X 5 X 5) letters . De getalwaarde van Mc 15,39 is 14347 (priemgetal) . De geloofsbelijdenis van de centurio overspant het evangelie van Marcus , want in de titel staat : de goede boodschap dat Jezus de Christus , zoon van God is . Deze geloofsbelijdenis heeft met de 2de verhaallijn van Marcus te maken nl. het zoonschap van God .

Mc 15,39.1. act. part. aor. nom. mann. enk. ιδων = idôn (gezien) van het werkw. ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Taalgebruik in de LXX : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . Mt (12) : (1) Mt 2,16 . (2) Mt 3,7 . (3) Mt 5,1 . (4) Mt 8,18 . (5) Mt 9,2 . (6) Mt 9,4 . (7) Mt 9,22 . (8) Mt 9,23 . (9) Mt 9,36 . (10) Mt 21,19 . (11) Mt 27,3 . (12) Mt 27,24 . Mc (12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,25 . (8) Mc 10,14 . (9) Mc 11,13 . (10) Mc 12,28 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 15,39 . Met Jezus als onderwerp . Mc (7 / 12 . expliciet : 4 / 12 , impliciet : 3 / 12) . Expliciet (4 / 12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 9,25 . (3) Mc 10,14 . (4) Mc 12,34 . Impliciet (3 / 12) : (1) Mc 6,48 . (2) Mc 8,33 . (3) Mc 11,13 . Andere (5 / 12) : (1) Mc 5,6 (bezetene) . (2) Mc 5,22 (Jaïrus) . (3) Mc 9,20 (onreine geest) . (4) Mc 12,28 (een schriftgeleerde) . (5) Mc 15,39 (centurio) . Lc (20) : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 7,13 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,28 . (8) Lc 10,31 . (9) Lc 10,32 . (10) Lc 10,33 . (11) Lc 11,38 . (12) Lc 13,12 . (13) Lc 17,14 . (14) Lc 17,15 . (15) Lc 18,24 . (16) Lc 18,43 . (17) Lc 19,41 . (18) Lc 22,58 . (19) Lc 23,8 . (20) Lc 23,47 .
- ειδον / ειδεν = eidon / eiden in het NT (336) , in Lc (64) , in Lc 10 (4) : (1) Lc 10,24 . (2) Lc 10,31 . (3) Lc 10,32 . (4) Lc 10,33 .

  zien  Mc Mc 2 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 15 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  part. aor. nom. mann. enk. idôn  12  (1) Mc 2,5 (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 .   (5) Mc 8,33 .   (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,25 .   (8) Mc 10,14 .   (9) Mc 11,13 .   (10) Mc 12,28 . (11) Mc 12,34 .   (12) Mc 15,39 106  45  61  12  12  20  12  44  47   

- Hebreeuws : w-j-r-´ : (1) prefix verbindingswoord wë + act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיַּרְא = wajjarë´ (en hij zag) . (2) prefix verbindingswoord wë + pass. nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיֵּרָא = wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) . (3) prefix verbindingswoord wë + hifil imperf. derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיַּרְא = wajjarë´ van het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Het is een verkorte vorm , zie Joüon 79i . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Taalgebruik in Genesis : râ´âh (zien) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (19) .
- Ned. : zien . Arabisch : رَاهَ = ra´â (zien) . Taalgebruik in de Qoran : ra´â (zien) . D. : sehen , schauen . E. : to see . Fr. : voir . Gr. : ειδεν = eiden (hij zag) < stam wid- . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) . Hebreeuws : רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Lat. : videre . Indogermaans : weid -> Ned. : weten . Sanskriet : veda . Latijn : videre .
Op het deelwoord volgt nog een objectzin : dat hij zo de geest uitblies . Dit zou de indruk kunnen geven dat het scheuren van het voorhangsel van de tempel van Mc 15,38 er niet bijhoort . Nochtans volgt idôn onmiddellijk op dit vers . Bij het zien hoort het uitblazen van de geest en het scheuren van het voorhangsel van de tempel . De centurio heeft een visioen dat gelijkt op dat van Jezus in Mc 1,9-11 . De centurio heeft een 'geloofsvisioen' .

Mc 15,39.2. δε = de (echter) , afkorting δ' = d' . de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in de LXX : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie aan te duiden . Mc (149 + 2) . Mc (20) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,6 . (5) Mc 15,7 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,11 . (8) Mc 15,12 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,15 . (12) Mc 15,16 . (13) Mc 15,23 . (14) Mc 15,25 . (15) Mc 15,36 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,40 . (19) Mc 15,44 . (20) Mc 15,47 .

de (echter)   de (echter)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
de  149 + 2   10  23  13  23  20  6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7 1048  1251 
d'  d'     1         1                 73 50  23  12      19  20 
Totaal                                   6283 3804 2479 433 151 483 204 490 711 7 1067 1271

kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8
kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7
verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1

Mc 15,39.1. - 2. - και ιδων = kai idôn (en ziende) . NT (8 / 12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 11,13 . (8) Mc 12,34 . kai ... idôn (en ... gezien) . Mc (1 / 8) : Mc 12,34 . idôn de (gezien echter) in Mc (3 / 12) : (1) Mc 9,25 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 15,39 .
- ιδων δε = idôn de (gezien echter) . LXX (14) . NT (17) . Mc (5) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 9,25 . (4) Mc 10,14 . (5) Mc 15,39 .

  zien  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  part. aor. nom. mann. enk. idôn  106  45  61  12  12  20  12  44  47   

    Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
ind. aor. 3de pers. enk. eiden                                                   
part. aor. nom. mann. enk. idôn   20 (1) Lc 1,12 .       (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,20 .   (5) Lc 7,13 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,28 .   (8) Lc 10,31 . (9) Lc 10,32 . (10) Lc 10,33 . (11) Lc 11,38 .        (12) Lc 13,12 .       (13) Lc 17,14 . (14) Lc 17,15 .    (15) Lc 18,24 . (16) Lc 18,43 . (17) Lc 19,41 .     (18) Lc 22,58 . (19) Lc 23,8 . (20) Lc 23,47 .      
act. ind. aor. nom. mann. mv. idontes 9   (1) Lc 2,17 . (2) Lc 2,48 .           (3) Lc 8,34 . (4) Lc 8,36 . (5) Lc 9,54 .                 (6) Lc 18,15 . (7) Lc 19,7 . (8) Lc 20,14 .   (9) Lc 22,49 .    

Hebreeuws . van het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 of 206 . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (47) . Een vorm van רָאָה = râ´âh in Tenakh (1188) .
- Ned. : zien . Arabisch : رَاهَ = ra´â (zien) . Taalgebruik in de Qoran : ra´â (zien) . D. : sehen , schauen . E. : to see . Fr. : voir . Gr. : ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) . Hebreeuws : רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Lat. : videre

Mc 15,39.3. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : de . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) .

Mc 15,39.2. - 3. δε ὁ = de ho (echter de) . Mc (8) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 6,16 . (3) Mc 8,29 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 10,14 . (6) Mc 14,44 . (7) Mc 15,7 . (8) Mc 15,39 . δε = de (echter) + een vorm van het bep. lidw. . NT (584) .
- ὁ δε = ho de (hij echter) . Mc () : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,45 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,34 . (5) Mc 5,36 . (6) Mc 5,40 . (7) Mc 6,27 . (8) Mc 6,37 . (9) Mc 6,38 . (10) Mc 7,6 . (11) Mc 7,27 . (12) Mc 8,33 . (13) Mc 9,12 . (14) Mc 9,19 . (15) Mc 9,21 . (16) Mc 9,23 . (17) Mc 9,27 . (18) Mc 9,39 . (19) Mc 10,3 . (20) Mc 10,18 . (21) Mc 10,20 . (22) Mc 10,21 . (23) Mc 10,22 . (24) Mc 10,24 . (25) Mc 10,36 . (26) Mc 10,38 . (27) Mc 10,42 . (28) Mc 10,48 . (29) Mc 10,50 . (30) Mc 10,51 . (31) Mc 10,52 . enz. Een vorm van het lidw. + δε = de (echter) . NT (698) .
- και ὁ = kai ho (en de) . Mc 10 (17) : (1) Mc 2,22 . (2) Mc 4,25 . (3) Mc 4,27 . (4) Mc 4,41 . (5) Mc 7,10 . (6) Mc 10,33 . (7) Mc 11,33 . (8) Mc 12,20 . (9) Mc 12,21 . (10) Mc 12,26 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 . (13) Mc 13,2 . (14) Mc 13,16 . (15) Mc 14,9 . (16) Mc 14,10 . (17) Mc 14,54 . και = kai + een vorm van het bep. lidw. . NT (1489) .

Mc 15,39.4. nom. mann. enk. kenturiôn (centurio, honderdman) . In het NT slechts in Mc . Mc (3) : (1) Mc 15,39 : nom. mann. enk. kenturiôn . (2) Mc 15,44 : acc. mann. enk. kenturiôna . (3) Mc 15,45 : gen. mann. enk. kenturiônos .

Mc 15,39.5. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : de . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) .

Mc 15,39.9. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 15 (8) : (1) Mc 15,3 . (2) Mc 15,19 . (3) Mc 15,20 . (4) Mc 15,21 . (5) Mc 15,24 . (6) Mc 15,26 . (7) Mc 15,27 . (8) Mc 15,39 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
2 gen. mann. enk. autou  143  13  10  12  16  17  15  6883  5685  1198  225  143  220  150  118  256  86  588  738 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 15,39.10. ὁτι = hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het ΝΤ : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in de LXX : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) . Mc (92) . Mc 12 (12) : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,7 . (3) Mc 12,12 . (4) Mc 12,14 . (5) Mc 12,19 . (6) Mc 12,26 . (7) Mc 12,28 . (8) Mc 12,29 . (9) Mc 12,32 . (10) Mc 12,34 . (11) Mc 12,35 . (12) Mc 12,43 .

hoti ( dat , omdat )   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel ΟΤ ΝΤ Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  92  12  10  4396  3213  1183  137  92  160  237  114  389  54  389  626 

- Hebreeuws : כִּי = kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Taalgebruik in Dt : kî (want, omdat) . Getalswaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Structuur : 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (3849) . Pentateuch (884) . Eerdere Profeten (726) . Latere Profeten (841) . 12 Kleine Profeten (241) . Geschriften (1157) . Dt (235) . Dt 4 (14) : (1) Dt 4,3 . (2) Dt 4,6 . (3) Dt 4,7 . (4) Dt 4,15 . (5) Dt 4,22 . (6) Dt 4,24 . (7) Dt 4,25 . (8) Dt 4,26 . (9) Dt 4,29 . (10) Dt 4,31 . (11) Dt 4,32 . (12) Dt 4,35 . (13) Dt 4,37 . (14) Dt 4,39 .
- כִּי = kî (want, omdat) < een woord met 1 medeklinker . De lange î is î gebleven omdat het een proclitisch woord is . Proclitisch wil zeggen dat een eenlettergrepig onbeklemtoond woord wordt gehecht aan het volgende (Lettinga(6) 13d) .

Mc 15,39.11. οὑτως = houtôs (op die wijze, zo) . Taalgebruik in het NT : houtos (zo) . Taalgebruik in de LXX : houtos (zo) . Mc (10) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,12 .  (4) Mc 4,26 .  (5) Mc 7,18 .  (6) Mc 9,3 .  (7) Mc 10,43 .  (8) Mc 13,29 .  (9) Mc 14,59 .  (10) Mc 14,59 . Lc (21) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 2,48 . (3) Lc 9,15 . (4) Lc 10,21 . (5) Lc 11,30 . (6) Lc 12,21 . (7) Lc 12,28 . (8) Lc 12,38 . (9) Lc 12,43 . (10) Lc 12,54 . (11) Lc 14,33 . (12) Lc 15,7 . (13) Lc 15,10 . (14) Lc 17,10 . (15) Lc 17,24 . (16) Lc 17,26 . (17) Lc 19,31 . (18) Lc 21,31 . (19) Lc 22,26 . (20) Lc 24,24 . (21) Lc 24,46 .

houtôs (zo)   Mc Mc 2 Mc 4 Mc 7 Mc 9 Mc 10 Mc 13 Mc 14 Mc 15 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  10  (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,12 .   (4) Mc 4,26 .   (5) Mc 7,18 .   (6) Mc 9,3 .   (7) Mc 10,43 .   (8) Mc 13,29 .   (9) Mc 14,59 .   (10) Mc 15,39 . 907  708  199  32  10  21  14  26  90  63  77 

- Hebreeuws . כֵן = khen (zo) . Taalgebruik in Tenakh : khen (zo) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , nun = 14 of 50 ; totaal : 25 (5²) OF 70 (2 X 5 X 7) . Structuur : 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (514) . Pentateuch (156) . Eerdere Profeten (109) . Latere Profeten (109) . 12 Kleine Profeten (25) . Geschriften (115) .
- Lat. sic . Ned. zo . D. so . E. thus . Fr. ainsi < ains - si . ains (ante) -> antius sic .

Mc 15,39.10. - 11. ὁτι οὑτως = houtôs (dat op die wijze) . NT (12) : (1) Mt 11,26 . (2) Mt 26,54 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 15,39 . (5) Lc 1,25 . (6) Lc 10,21 . (7) Lc 15,7 . (8) Lc 24,46 . (9) Hnd 20,35 . (10) Hnd 27,25 . (11) Gal 1,6 . (12) 1 Pe 2,15 .

Mc 15,39.12. act. ind. aor. 3de pers. enk. εξεπνευσεν = exepneusen (hij ademde uit, hij stierf) van het werkw. εκπνεω = ekpneô (uitademen, sterven) . Taalgebruik in het NT : ekpneô (uitademen, sterven) . Taalgebruik in Mc : ekpneô (uitademen, sterven) . Bijbel (3) . Mc (2) : (1) Mc 15,37 . (2) Mc 15,39 . (3) Lc 23,46 .
In deze aor.vorm is pneuma (geest) te horen . Het herinnert aan de nederdaling van de geest over Jezus in Mc 1,10 . In Mc 1,10 ontvangt Jezus de geest , in Mc 15,37 blaast hij de geest uit .
In Mc 1,10 scheuren eerst de hemelen open en daalt dan de geest over Jezus neer . In Mc 15,37 - Mc 15,38 blaast Jezus eerst de geest uit en scheurt dan het voorhangsel van de tempel . In Mc 1,10 ziet Jezus beide elementen . In Mc 15,39 bevat het zien van de centurio wellicht de beide elementen . .

Mc 15,39.13. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Mc (56) . Mc 15 (1) : Mc 15,39 .

Mc 15,39.14. Taalgebruik in het NT : alèthôs (waarlijk) . Taalgebruik in Mc : alèthôs (waarlijk) . Mc (2) : (1) Mc 14,70 . (2) Mc 15,39 . We zeggen : 't echt waar . Kort uitgedrukt : terecht . Het wijst op een bevestiging . De bevestiging gebeurt op basis van wat gezien wordt : de wijze waarop Jezus stierf .

alèthôs (waarlijk)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  33  15  18  2 : (1) Mc 14,70 . (2) Mc 15,39 .   15 

Mc 15,39.15. aanwijz. voornaamw. nom. mann. enk. οὑτος = houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in de LXX : houtos (deze) . Taalgebruik in Marcus : houtos (deze) . Mc (12) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 3,35 . (3) Mc 4,41 . (4) Mc 6,3 . (5) Mc 6,16 . (6) Mc 7,6 . (7) Mc 9,7 . (8) Mc 12,7 . (9) Mc 12,10 . (10) Mc 13,13 . (11) Mc 14,69 . (12) Mc 15,39 .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  houtos (deze)  531  345  186  32  12  39  48  35  21  83  131     

- Lat. hic - haec - hoc . Fr. ceci . Ned. deze , dat / dit . D. der - die - das . E. this - that .

Mc 15,39.16. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 15 (21) : (1) Mc 15,2 . (2) Mc 15,4 . (3) Mc 15,5 . (4) Mc 15,7 . (5) Mc 15,8 . (6) Mc 15,9 . (7) Mc 15,12 . (8) Mc 15,14 . (9) Mc 15,15 . (10) Mc 15,16 . (11) Mc 15,22 . (12) Mc 15,26 . (13) Mc 15,29 . (14) Mc 15,32 . (15) Mc 15,34 . (16) Mc 15,37 . (17) Mc 15,39 . (18) Mc 15,42. (19) Mc 15,43 . (20) Mc 15,44 . (21) Mc 15,46 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .

Mc 15,39.15. - 16. οὑτος ὁ = houtos ho (deze de) . Mc (1) : Mc 7,6 . Lc (3) : (1) Lc 14,30 . (2) Lc 15,24 . (3) Lc 15,30 . (4) Lc 18,11 .

Mc 15,39.17. nom. mann. enk. ανθρωπος = anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het NT : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in de LXX : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) . Bijbel (512) . OT (394) . NT (118) . Mc (14) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 2,27 . (3) Mc 3,1 . (4) Mc 4,26 . (5) Mc 5,2 . (6) Mc 7,11 . (7) Mc 8,37 . (8) Mc 10,7 . (9) Mc 10,9 . (10) Mc 12,1 . (11) Mc 13,34 . (12) Mc 14,13 . (13) Mc 14,21 . (14) Mc 15,39 .

  anthrôpos (mens) bijbel  OT NT  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
1 nom. mann. enk. anthrôpos 512 394 118 21 14 24 21  10  27  59  80 
  Totaal   1760 1233 527 108 53 94 57  45  145  25  255  312

  anthrôpos (mens) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15
1 nom. enk. anthrôpos 14 (1) Mc 1,23 .   (2) Mc 2,27 .   (3) Mc 3,1 .   (4) Mc 4,26 .   (5) Mc 5,2 .   (6) Mc 7,11 . (7) Mc 8,37   (8) Mc 10,7 . (9) Mc 10,9 .     (10) Mc 12,1 .   (11) Mc 13,34 .   (12) Mc 14,13 . (13) Mc 14,21 .   (14) Mc 15,39 .  
  Totaal   53 10 

- Hebreeuws . אִישׁ = ´îsj (man, ieder) . Taalgebruik in Tenakh : ´îsj (man) . Getalwaarde : aleph = 1, jod = 10, sjin = 21 of 300 ; totaal : 32 (2² X 2³) of 311 (priemgetal) . Structuur : 1 - 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (1023) .

Mc 15,39.15. - 17. ὁ ανθρωπος οὑτος = ho anthrôpos houtos (deze mens) . Een vorm van het zelfstandig naamwoord ανθρωπος = anthrôpos (mens) , gevolgd door een vorm van het bezittelijk voornaamwoord οὑτος = houtos komt in vele verzen voor . De nom. enk komt in het NT in 9 verzen voor : Mc (1) : Mc 15,39 . Lc (2) : (1) Lc 2,25 . (2) Lc 23,47 . Joh (1) : Joh 9,24 . Hnd (5) : (1) Hnd 6,13 . (2) Hnd 22,26 . (3) Hnd 26,31 . (4) Hnd 26,32 . (5) Hnd 28,4 .
- ὁ ανθρωπος οὑτος = ho anthrôpos houtos of οὑτος ὁ ανθρωπος = houtos ho anthrôpos (deze mens) : in Mc slechts in Mc 15,39 . In Mc 14,71 staan de woorden van Petrus : τον ανθρωπον τουτον = ton anthrôpon touton (ik ken die mens niet) . De twee zinssneden staan in schril contrast met elkaar . Petrus ontkent die mens te kennen en de Romeinse centurio belijdt : Waarlijk was deze mens een zoon van God .

Mc 15,39.18. nom. mann. enk. υἰος = huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Taalgebruik in de LXX : huios (zoon) . Taalgebruik in Mc : huios (zoon) . Mc (19) . Mc (19) Mc 1,11 . (2) Mc 2,10 ** . (3) Mc 2,28 **. (4) Mc 3,11 * . (5) Mc 6,3 . (6) Mc 8,38 ** . (7) Mc 9,7 . (8) Mc 9,9 ** . (9) Mc 9,31 ** . (10) Mc 10,33 ** . (11) Mc 10,45 ** . (12) Mc 10,46 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 13,32 . (16) Mc 14,21 ** . (17) Mc 14,41 ** . (18) Mc 14,61 . (19) Mc 15,39 . Een vorm van υἰος = huios (zoon) in Mc (33) , in Mc 1 (2) : (1) Mc 1,1 (gen. huiou) . (2) Mc 1,11 (nom. υἰος = huios) .

huios (zoon)  enk. bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
nom. mann. enk. huios 885 732 153 42 19 39 26 6 19 2 100 126
totaal 1851 1560 291 69 29 62 51 10 65 5 160 211

  huios (zoon)  enk. . ** Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15
1 nom. mann. enk. huios 19 1 : Mc 1,11 2 : (1) Mc 2,10 ** . (2) Mc 2,28 **. 1 : Mc 3,11 * .   1 : Mc 6,3 . 1 : Mc 8,38 ** . 3 : (1) Mc 9,7 . (2) Mc 9,9 ** . (3) Mc 9,31 ** . 3 : (1) Mc 10,33 ** . (2) Mc 10,45 ** . (3) Mc 10,46 . 2 : (1) Mc 12,35 . (2) Mc 12,37 . 1 : Mc 13,32 . 3 : (1) Mc 14,21 ** . . (2) Mc 14,41 ** . (3) Mc 14,61 . 1 : Mc 15,39 .
  totaal 29 2 **

- Hebreeuws . בֵּן/ בִּן / בֶּן= ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalwaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . De som van de elementen is 7 . Tenakh (1225) . Pentateuch (284) . Eerdere Profeten (392) . Latere Profeten (231) . 12 Kleine Profeten (26) . Geschriften (292) .
- Lat. filius . Fr. fils . Ned. zoon . D. Sohn . E. son . Arabisch : اِبن = ´ibn (zoon) . Taalgebruik in de Qoran : ´ibn (zoon) .
Bij de doop van Johannes wordt Jezus als de zoon van God geopenbaard . Het sanhedrin zal Jezus juist om deze bewering veroordelen . Bij het eerste optreden van Jezus heeft reeds een confrontatie plaats . Jezus , vervuld van heilige geest , komt in het aangezicht te staan van een onreine geest die hem zegt : wat is er tussen ons en u , Jezus van Nazaret . Ik weet wie u bent , de heilige van God .

- nom. mann. enk. pais (kind) . Taalgebruik in het NT : pais (kind) . Taalgebruik in de Septuaginta : pais (kind) . Bijbel (87) . O.T. (78) . Js (10) : (1) Js 20,3 . (2) Js 24,2 . (3) Js 41,8 . (4) Js 41,9 . (5) Js 42,1 . (6) Js 43,10 . (7) Js 44,1 . (8) Js 44,2 . (9) Js 44,21 . (10) Js 52,13 . NT (9) . Mt (5) o.a. Mt 12,18 . Een vorm van pais (kind)in de LXX (470) , in het NT (24) . doulos (dienaar) . Taalgebruik in het NT : doulos (dienaar) . doulos (dienaar) . Taalgebruik in de Septuaginta : doulos (dienaar) . Een vorm van doulos (dienaar) in de LXX (383) , in het NT (124) . Merkwaardig is het gebruik van pais (kind) en doulos (dienaar) in het NT . Er is een duidelijke voorkeur voor doulos (dienaar) .
In Mc 1,11 en Lc 3,22 lezen we : su ei ho huios mou (jij bent mijn zoon) . `abhëdî (mijn dienaar) kan via de LXX pais (kind) geëvolueerd zijn naar huios (zoon) . De idee van Mozes, `èbhèd JHWH (dienaar van JHWH) evoleert naar Jezus , huios theou (zoon van God) . Zie ook : Mt 4,10 en Lc 4,8 (verwijzing naar Dt 6,13) waar een vorm van het werkw. `âbhad (werken, dienen) wordt gebruikt . Het getuigenis na de dood van Jezus in Mt 27,54 en Mc 15,39 luidt : deze (mens) was waarlijk zoon van God .
Ons woord 'liturgie' komt van het griekse woord 'leitourgia' samengesteld uit twee delen 'leitos' ('dat wat het volk aangaat') en 'ergon' ('daad, werk') ook eredienst .

Mc 15,39.19. gen. mann. enk. θεου = theou (van God) van het zelfst. naamw. θεος = theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) . In 4 verzen in Mc , en wel telkens een genitief : (1) Mc 1,1 : huiou theou = van een zoon van een God . (2) Mc 1,14 : to euaggelion tou theou = de goede boodschap van de God . (3) Mc 1,15 : hè basileia tou theou = het koninkrijk van de God . (4) Mc 1,24 : ho hagios tou theou = de heilige van de God .

  theos (God)  Mc   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn.. ev. Paul. Ap. br.
2 gen. enk.  theou (van God) 31  4 : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,15 . (4) Mc 1,24 . 1 : Mc 2,26 . (2) : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 3,35 .   3 : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 4,26 . (3) Mc 4,30 . 1 : Mc 5,7 .   3 : (1) Mc 7,8 . (2) Mc 7,9 . (3) Mc 7,13 .   1 : Mc 8,33 . 2 : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,47 . 5 : (1) Mc 10,14 . (2) Mc 10,15 . (3) Mc 10,23 . (4) Mc 10,24 . (5) Mc 10,25 . 1 : Mc 11,22 . 4 : (1) Mc 12,14 . (2) Mc 12,17 . (3) Mc 12,24 . (4) Mc 12,34 .   1 : Mc 14,25 . 2 : (1) Mc 15,39 . (2) Mc 15,43 . 1 : Mc 16,19 . 1517  876 641  28  31  70 43  56  360   53  129 172 293 67
  Totaal   44    1 4132  2908  1224  44  44  117  76  157  695 91  205 281 576  119 

  theos (God)  Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul. Ap. br.
2 gen. mann. enk.  theou 360   71  46  33  15  20  10  14  15  15  29  20  29  293 67
  Totaal   695 144  93  70   30  31  23  20  35  17  21  13  12  65  15  36  52  4 576  119 

- Hebreeuws . אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) .
- L. deus , Fr. dieu . De vloek dju . D. Gott . E. God . Ned. God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) .
- Marcus evenals Matteüs gebruiken het woord God relatief weinig , in tegenstelling tot Lucas , de Handelingen maar vooral de Brieven . Als in Marcus het woord God gebruikt wordt is het meestal in de genitief (van God) en behoort God tot een zaak , een persoon of een gebeuren .

Mc 15,39.18. - 19. υἰου θεου = huiou theou (zoon van God) . Hapax in Mc . Deze woorden komen slechts in bepaalde handschriften voor en zouden een toevoeging kunnen zijn . Met het zoonschap van God geeft Marcus de 2de verhaallijn aan . Deze verhaallijn kent 7 stappen : (1) de titel . (2) de doop . (3) de verklaring van de onreine geesten . (4) de aanspreking van Jezus door de man met een onreine geest . (5) de transfiguratie . (6) de vraag van de hogepriester bij de ondervraging van Jezus . (7) de geloofsbelijdenis van de honderdman .

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Mc 1,1 Mc 1,11 Mc 3,11 Mc 5,7 Mc 9,7 Mc 14,61 Mc 15,39
 
hoti (dat)        
  su (u) su (u)   houtos (deze) su (u)  
  ei (bent) ei (bent)   estin (is) ei (bent)  
archè tou euaggeliou Ièsou Christou huiou theou (begin van het evangelie van Jezus Christus, zoon van God) ho huios mou (mijn zoon) ho huios tou theou (de zoon van God) Ièsou , huie tou theou ho huios mou (mijn zoon) ho christos, ho huios tou eulogètou (de messias,de zoon van de gezegende) alèthôs houtos ho anthrôpos huios theou èn (waarlijk deze mens was de zoon van God)
  ho agapètos (de beminde)     ho agapètos (de beminde)    
 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - 18. Doop van Jezus :Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 - 96. Volkstoeloop en genezingen : Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a 66. Twee bezetenen van Gadara van de demonen bevrijd : Mc 5,1-20 - Mt 8,28-34 - Lc 8,26-39 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - 332. Jezus voor het Sandredin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -

347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -

Mc 15,39.20. act. ind. imperf. 3de pers. enk. ην = èn (hij / zij was) van het werkw. ειμι = eimi (zijn) OF betrekkelijk voornaamw. acc. vr. enk. ἡν (die) van het betrekk. voornaamw. ὁς (die) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in de LXX : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Mc 15 (8) : (1) Mc 15,7 . (2) Mc 15,25 . (3) Mc 15,26 . (4) Mc 15,39 . (5) Mc 15,41 . (6) Mc 15,42 . (7) Mc 15,43 . (8) Mc 15,46 . Een vorm van ειμι = eimi (zijn) in de LXX (6947) , in het NT (2450) , in Mc (192) .

- Hebreeuws . act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. הָיָה = hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (332) . Pentateuch (52) . Eerdere Profeten (111) . Latere Profeten (87) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (67) .
- werkw. Ned. : zijn . Arabisch : كانَ = kâna (zijn) . Taalgebruik in de Qoran : kâna (zijn) . D. : sein . E. : to be . E. : to be . Grieks : ειμι = eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Hebreeuws : הָיָה = hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Lat. : esse .

In het intiatieverhaal is de stem gericht naar Jezus zelf (Mc 1,11) : su ei = jij bent . In het transfiguratieverhaal is de stem gericht op toehoorder

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn  OF betrekkelijk voornaamw. acc. vr. enk. ἡν 1506  1120  386  24  38  79  92  63  71  19  141  233     

s , vandaar : houtos estin = deze is . Er zit dus evolutie in het Mcverhaal . Het belijdenisverhaal van de centurio sluit aan op het transfiguratieverhaal : houtos ho anthrôpos ... èn = deze mens was . In Mc 15,39 valt op de aanwezigheid van ho anthrôpos = deze mens en de verleden tijd van het werkw. nl. èn = hij was .
Het huios theou (een zoon van een god) sluit aan op het transfiguratieverhaal ho huios mou = mijn zoon , dat gericht is op toehoorders . Om te belijden dat Jezus een zoon van een god is , moet hij dus geluisterd hebben . Naast gezien heeft hij dus ook gehoord . Hij bevestigt wat in Mc 9,7 werd gezegd . deze is mijn zoon de beminde , luistert naar hem .

Mc 15,39.21. nom. mann. enk. υἰος = huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Taalgebruik in de LXX : huios (zoon) . Taalgebruik in Mc : huios (zoon) . Mc (19) . Mc (19) Mc 1,11 . (2) Mc 2,10 ** . (3) Mc 2,28 **. (4) Mc 3,11 * . (5) Mc 6,3 . (6) Mc 8,38 ** . (7) Mc 9,7 . (8) Mc 9,9 ** . (9) Mc 9,31 ** . (10) Mc 10,33 ** . (11) Mc 10,45 ** . (12) Mc 10,46 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 13,32 . (16) Mc 14,21 ** . (17) Mc 14,41 ** . (18) Mc 14,61 . (19) Mc 15,39 . Een vorm van υἰος = huios (zoon) in Mc (33) .

huios (zoon)  enk. bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
nom. mann. enk. huios 885 732 153 42 19 39 26 6 19 2 100 126
totaal 1851 1560 291 69 29 62 51 10 65 5 160 211

huios (zoon)  mv. bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b.
totaal 2499 2432 67 14 4 10 2 11 23 3 28 30  23   

  huios (zoon)  enk. . ** Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15
1 nom. mann. enk. huios 19 1 : Mc 1,11 2 : (1) Mc 2,10 ** . (2) Mc 2,28 **. 1 : Mc 3,11 * .   1 : Mc 6,3 . 1 : Mc 8,38 ** . 3 : (1) Mc 9,7 . (2) Mc 9,9 ** . (3) Mc 9,31 ** . 3 : (1) Mc 10,33 ** . (2) Mc 10,45 ** . (3) Mc 10,46 . 2 : (1) Mc 12,35 . (2) Mc 12,37 . 1 : Mc 13,32 . 3 : (1) Mc 14,21 ** . . (2) Mc 14,41 ** . (3) Mc 14,61 . 1 : Mc 15,39 .
  totaal 29 2 ** 2 

- Hebreeuws . בֵּן/ בִּן / בֶּן= ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalwaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . De som van de elementen is 7 . Tenakh (1225) . Pentateuch (284) . Eerdere Profeten (392) . Latere Profeten (231) . 12 Kleine Profeten (26) . Geschriften (292) . Gn (85) . Gn 21 (7) : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,5 . (4) Gn 21,7 . (5) Gn 21,9 . (6) Gn 21,10 . (7) Gn 21,13 .
- Lat. filius . Fr. fils . Ned. zoon . D. Sohn . E. son . Arabisch : اِبن = ´ibn (zoon) . Taalgebruik in de Qoran : ´ibn (zoon) .

Mc 15,39.22. gen. mann. enk. θεου = theou (van God) van het zelfst. naamw. θεος = theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) . In 4 verzen in Mc , en wel telkens een genitief : (1) Mc 1,1 : huiou theou = van een zoon van een God . (2) Mc 1,14 : to euaggelion tou theou = de goede boodschap van de God . (3) Mc 1,15 : hè basileia tou theou = het koninkrijk van de God . (4) Mc 1,24 : ho hagios tou theou = de heilige van de God .

  theos (God)  Mc   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn.. ev. Paul. Ap. br.
2 gen. enk.  theou (van God) 31  4 : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,15 . (4) Mc 1,24 . 1 : Mc 2,26 . (2) : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 3,35 .   3 : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 4,26 . (3) Mc 4,30 . 1 : Mc 5,7 .   3 : (1) Mc 7,8 . (2) Mc 7,9 . (3) Mc 7,13 .   1 : Mc 8,33 . 2 : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,47 . 5 : (1) Mc 10,14 . (2) Mc 10,15 . (3) Mc 10,23 . (4) Mc 10,24 . (5) Mc 10,25 . 1 : Mc 11,22 . 4 : (1) Mc 12,14 . (2) Mc 12,17 . (3) Mc 12,24 . (4) Mc 12,34 .   1 : Mc 14,25 . 2 : (1) Mc 15,39 . (2) Mc 15,43 . 1 : Mc 16,19 . 1517  876 641  28  31  70 43  56  360   53  129 172 293 67
  Totaal   44    1 4132  2908  1224  44  44  117  76  157  695 91  205 281 576  119 

- Hebreeuws . אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .

Mc 15,39.21. - 22.



348 Vrouwen als getuigen van Jezus'dood : Mc 15,40-41 - Mc 15,40-41 - Mt 27,55-56 - Lc 23,49 - bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,40 - Mc 15,41 -

Mc 15,40 - Mc 15,40 : 348 Vrouwen als getuigen van Jezus'dood : Mc 15,40-41 - Mc 15,40-41 - Mt 27,55-56 - Lc 23,49 - bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 15 -- Mc 15,40 - Mc 15,41 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem