Mc 1,1 Ἀρχὴ (= archè: begin, heerschappij; zn nom vr enk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) εὐαγγελίου (= euaggeliou: van de goede boodschap; zn gen onz enk van het zn ευαγγελιον = euaggelion: goede boodschap. Lat. evangelium. Fr. évangile. D. Evangelium. E. gospel) Ἰησοῦ (= ièsou: Jezus; gen mann enk eigennaam van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô) Χριστοῦ (= christou: van Christus; zn gen mann enk van het zn χριστος = christos: gezalfde, Christus) [υἱοῦ (= huiou; zoon; zn gen mann enk van het zn υἱος = huios: zoon; Ned.: zoon. D : Sohn. E : son. In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' : zoon, weer. Aramees: bar) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God)].
Mc 1,2 Καθὼς (= kathôs: zoals, vw van vergelijking) γέγραπται (= gegraptai: er werd geschreven; wkw pass ind perf 3de pers enk van het wkw γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἠσαΐᾳᾳ (= hesaja: Jesaja; zn eigennaam dat mann enk van het zn Ἠσαιας = hesajas = Jesaja) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) προφήτῃ (= profètè: profeet; zn dat mann enk van het zn προφητης = profètès: profeet), Ἰδοὺ (= ide/idou: zie; wkw act imperat aor 2de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; stam: ιδ = id) ἀποστέλλω (= apostellô: ik zend; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἄγγελόν (= aggelon: bode; zn acc mann enk van het zn αγγελος = aggelos: engel, bode) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) πρὸ (= pro: voor; vz) προσώπου (= prosôpou: van aangezicht; zn gen onz enk van het zn προσωπον = prosôpon: aangezicht) σου (= sou: van jou; pers vnw 2de pers gen mann enk van het pers vnw συ = su: jij), ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) κατασκευάσει (= kataskeuasei: hij zal maken; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw κατασκευαζω = kataskeuazô: uitrusten, optuigen, inrichten, bouwen, maken) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὁδόν (= hodon: weg; zn acc vr enk van het zn ὁδος = hodos: weg) σου (= sou: van jou; pers vnw 2de pers gen mann enk van het pers vnw συ = su: jij):
Mc 1,3 φωνὴ (= fônè: stem, roep; zn nom vr enk) βοῶντος ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) ἐρήμῳ (= erèmô: in de woestijn; zn dat vr enk van het zn ερημος = erèmos: woestijn, eenzame plaats), Ἑτοιμάσατε (= hetoimasate: maakt gered; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw ἑτοιμαζω = hetoimazô: gereed maken, voorbereiden) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὁδὸν (= hodon: weg; zn acc vr enk van het zn ὁδὸς = hodos: weg) κυρίου (= kuriou: van de heer; zn gen mann enk van het zn κυριος = kurios: heer), εὐθείας (= eutheias: recht; bv nw acc vr mv van het bv nw εὐθείος = eutheios: recht) ποιεῖτε (= poieite: doet; wkw act imperat 2de pers mv van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) τρίβους (= tribous: wegen; zn acc vr mv van het zn τρίβος = tribos: weg, pad) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het)
Mc 1,4 ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen) Ἰωάννης (= Jôannès: Johannes; zn eigennaam nom mann enk) [ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)] βαπτίζων (= baptidzôn: dopende, de Doper; - eventueel bijnaam - wkw act part praes nom mann enk van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen; zie het Hebreeuwse wkw tâbal; metathesis van t-b?) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἐρήμῳ (= erèmô: in de woestijn; zn dat vr enk van het zn ερημος = erèmos: woestijn, eenzame plaats) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) κηρύσσων (= kèrussôn: verkondigend; wkw act part praes nom mann + vr enk van het wkw κηρυσσω = kèrussô: verkondigen) βάπτισμα (= baptisma: doopsel; zn nom + acc onz enk) μετανοίας (= metanoias: van bekering; zn gen vr enk van het zn μετανοια = metanoia: bekering) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) ἄφεσιν (= afesin: aflating, vergeving; zn acc vr enk van het zn αφεσις = afesis: vergeving, af-lat-ing) ἁμαρτιῶν (= hamartiôn: van de zonden; zn gen vr mv van het zn ἁμαρτια = hamartia: zonde).
Mc 1,5 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξεπορεύετο ( = exeporeueto: hij begaf zich op weg naar buiten; wkw med ind imperf 3de pers enk van het wkw van het wkw εκπορευομαι = ekporeuomai: zich op weg begeven uit. por-euomai p of ph = f -> v + r; poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare plaats. Lat.: por-tus: haven. Mnd: voort, ofries: ford oeng: ford. Het woord behoort tot de groep van varen) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πᾶσα (= pasa: totaal; bv nw nom vr enk van het bv nw πᾶς = pas: ieder) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰουδαία (= ioudaia: Judea, Judees, Joods; bv nw nom vr enk, ook wel zelfstandig gebruikt) χώρα (= chôra: streek, land; zn nom vr enk) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἱεροσολυμῖται (= hierosolumitai: Jeruzalemmers, inwoners van Jeruzalem; zn nom vr mv van het zn Ἱεροσολυμῖτης: Jeruzalemmer, inwoner van Jeruzalem) πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐβαπτίζοντο (= ebaptizonto: zij werden gedoopt; wkw pass imperf 3de pers mv van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen) ὑπ' (= hup': door; afkorting van ὑπο = hupo; vz met 3 naamvallen: gen, dat en acc: door, onder) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰορδάνῃ (= jordanè: Jordaan; zn eigennaam dat vr enk van het zn ιορδανης = iordanès Jordaan) ποταμῷ (= potamô: stroom, rivier; zn dat mann enk van het zn ποταμος = potamos: stroom, rivier) ἐξομολογούμενοι (= eksomologoumenoi: bekennende; wkw med part praes nom mann mv van het wkw ἐξομολογεω = eksomologeô: het eens worden; med: beknnen, prijzen, danken) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἁμαρτίας (= hamartias: zonden; zn acc vr mv van het zn ἁμαρτια = hamartia: zonde) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij).
Mc 1,6 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk; < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat.: esse; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰωάννης (= Jôannès: Johannes; zn eigennaam nom mann enk) ἐνδεδυμένος (= endedumenos: gekleed; wkw med part perf nom mann enk van het wkw ἐνδυω = enduô: kleden, bekleden; med: zich kleden met) τρίχας (= trichas: haren; zn acc vr mv van het zn θριξ = thrix, gen τριχος = trichos: haar) καμήλου (= kamèlou: van een kameel; zn gen mann en vr enk van het zn καμήλος = kamèlos: kameel) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ζώνην (= zônèn: gordel; zn acc vr enk van het zn ζώνη = zônè: gordel) δερματίνην (= dermatinèn: leren; bv nw acc vr enk van het bv nw δερματίνoς = dermatinos: van leren, leren) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὀσφὺν (= osfun: lende; zn acc vr enk van het zn ὀσφυς = osfus: lende, heup) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐσθίων (= esthiôn: etende; wkw act part praes mann enk van het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102) ἀκρίδας (= akridas: sprinkhanen; zn acc vr mv van het zn ἀκρίς = akris: sprinkhaan) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) μέλι (= meli: honing; zn acc onz enk) ἄγριον (= agrion: wilde; bv nw acc onz enk van het bv nw ἄγριος = agrios: wild, woest, onbeschaafd).
Mc 1,7 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐκήρυσσεν (= ekèrussen: hij verkonigde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw. κηρυσσω = kèrussô: verkondigen) λέγων (= legôn: zeggend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Ἔρχεται (= erchetai: hij gaat, hij komt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἰσχυρότερός (= ischuroteros: sterker; bv nw nom mann enk van het bv nw ἰσχυρος = ischuros: sterk, machtig, krachtig) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) ὀπίσω (= opisô: achter; bw) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij), οὗ (= hou: van wie; betrekk vnw gen mann enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) εἰμὶ (= eimi: ik ben; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat.: esse) ἱκανὸς (= hikanos: voldoende, talrijk, in staat; bv nw nom mann enk) κύψας (= kupsas: zich bukkend; wkw act part aor nom mann enk van het wkw κυπτω = kuptô: zich bukken, gebukt gaan onder een last) λῦσαι (= lusai: los te maken; wkw act inf aor van het wkw λυω = luô: losmaken, bevrijden, ontbinden) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἱμάντα (= himanta: riem; zn acc mann enk van het zn ἱμας = himas: riem) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὑποδημάτων (= hupodèmatôn: van schoensel; zn gen onz mv van het zn ὑποδημά = hupodèma: sandalen, schoen, het ondergebondene) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het):
Mc 1,8 ἐγὼ (= egô: ik - mij; pers vnw 1ste pers enk) ἐβάπτισα (= ebaptisa: ik doopte; wkw act ind aor 1ste pers enk van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen) ὑμᾶς (= humas: jullie, pers vnw 2de pers acc mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ὕδατι (= hudati: met water; zn dat vr enk van het zn ὑδωρ = hudôr: water; stam: h/w, d/t, r), αὐτὸς (= autos: hij; persoonl vnw 3de pers nom mann enk) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) βαπτίσει (= baptisei: hij zal dopen; wkw act fut 3de pers enk van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen) ὑμᾶς (= humas: jullie, pers vnw 2de pers acc mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd; vz van middel: met) πνεύματι (= pneumati; zn dat onz enk van het zn πνευμα = pneuma: geest, adem, wind) ἁγίῳ (= hagiô: heilig; bv nw dat mann en onz enk van het bv nw ἁγιος = hagios: heilig; stam: h, l).
Mc 1,9 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai: gebeuren, worden; stam: gen) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ἐκείναις (= ekeinais: 'in' die; anwijz vnw dat vr mv van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) ταῖς (= tais: aan de; bep lidw dat vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἡμέραις (= ekeinais: 'in' die; anwijz vnw dat vr mv van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) ἦλθεν (= èlthen: hij kwam; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) Ναζαρὲτ (= nazaret: Nazaret; zn eigennaam) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Γαλιλαίας (= Galilaias: langs Galilea; zn eigennaam gen vr enk van het zn γαλιλαια = galilaia: Galilea) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐβαπτίσθη (= ebapthisthè (hij werd gedoopt); wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Ἰορδάνην (= iordanèn: Jordaan; zn eigennaam acc vr enk van het zn ιορδανης = iordanès Jordaan) ὑπὸ (= hupo: door; vz met 3 naamvallen: gen, dat en acc: door, onder; afkorting: ὑπ' = hup' of ὑφ' = huf') Ἰωάννου (= Jôannou: van Johannes; zn eigennaam gen mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes).
Mc 1,10 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἀναβαίνων (= anabainôn: opklimmend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw αναβαινω = anabainô: beklimmen, naar boven klimmen, naar boven banen) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit, + gen:; vz) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὕδατος (= hudatos: van water; zn gen onz enk van het zn ὑδωρ = hudôr: water; stam: h/w, d/t, r ) εἶδεν (= eiden: hij zag; wkw act ind aor 3de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) σχιζομένους (= schizomenous: scheurende; wkw act part aor acc mann mv van het wkw σχιζω = schizô: scheuren) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) οὐρανοὺς (= ouranous: hemelen; zn acc mann mv van het zn ουρανος = ouranos: hemel) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het).πνεῦμα (= pneuma: geest, adem, wind; zn nom en acc onz enk) ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) περιστερὰν (= peristeran: duif; zn acc vr enk van het zn περιστερα = peristera: duif) καταβαῖνον (= katabainon: neerdalend; wkw act part praes acc vr enk van het wkw καταβαινω = katabainô: naar beneden dalen afdalen) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het):
Mc 1,11 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) φωνὴ (= fônè: stem, roep; zn nom vr enk) ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai: gebeuren, worden; stam: gen) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) οὐρανῶν (= ouranôn: van de hemelen; zn gen mann mv van het zn ουρανος = ouranos: hemel), Σὺ (= su: jij; pers vnw 1ste pers nom enk) εἶ (= ei: jij bent; wkw act ind pr 2de pers enk van het wkw ειμι = eimi : zijn) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱός (= huios: zoon; zn nom mann enk) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀγαπητός (= agapètos: beminde, geliefde; bn nom mann enk), ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) σοὶ (= soi: aan u; pers vnw 2de pers dat enk van het persoonl vnw συ = su: jij) εὐδόκησα (= eudokèsen: hij vond welbehagen in; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ευδοκεω = eudokeô: instemmen, een welbehagen vinden in).
Mc 1,12 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het).πνεῦμα (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐκβάλλει (= ekballei: hij werpt buiten; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εκβαλλω = ekballô: uitwerpen, uitvallen) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἔρημον (= erèmon: woestijn; zn acc vr enk van het zn ερημος = erèmos: woestijn, eenzame plaats).
Mc 1,13 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) ἐρήμῳ (= erèmô: in de woestijn; zn dat vr enk van het zn ερημος = erèmos: woestijn, eenzame plaats) τεσσεράκοντα (= tessarakonta:: 40; hoofdtelwoord) ἡμέρας (= hèmeras: dagen, zn acc vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) πειραζόμενος (= peiradzomenos: wordende beproefd; wkw pass part praes nom mann enk van het wkw πειραζω: proeven, beproeven, op de proef stellen) ὑπὸ (= hupo: door; vz met 3 naamvallen: gen, dat en acc: door, onder; afkorting: ὑπ' = hup' of ὑφ' = huf') τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Σατανᾶ (= satana: van Satan; zn gen mann enk van het zn σατανας (= satanas: satan), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θηρίων (= thèriôn: van wilde dieren; zn gen onz mv van het zn θηρίον = thèrion: dier, wild dier), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἄγγελοι (= aggeloi: engelen; zn nom mann mv van het zn αγγελος = aggelos: engel) διηκόνουν (= dèkonoun: zij dienden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw διακονεω = diakoneô: dienen, dienaar zijn) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 1,14 Μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' OF μεθ' = meth') δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het).παραδοθῆναι (= paradothènai: overgeleverd zijn; pass inf aor van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Ἰωάννην (= Iôannèn: Johannes; zn eigennaam acc mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes) ἦλθεν (= èlthen: hij kwam; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Γαλιλαίαν (= Galilaian: Galilea; zn eigennaam van plaats; acc vr enk van het zn γαλιλαια = galilaia: Galilea) κηρύσσων (= kèrussôn: verkondigend; wkw act part praes nom mann + vr enk van het wkw κηρυσσω = kèrussô: verkondigen) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het).εὐαγγέλιον (= euaggelion: evangelie, goede boodschap; zn acc onz enk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God)
15 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγων (= legôn: zeggende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Πεπλήρωται ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) καιρὸς (= kairos: het gunstige moment; zn nom mann enk) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἤγγικεν ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) βασιλεία τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God) μετανοεῖτε καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πιστεύετε (= pisteuete: jullie geloven / gelooft; wkw act ind praes 2de pers mv + act imperat praes 2de pers mv van het wkw πιστευω = pisteuô: geloven, vertrouwen) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) εὐαγγελίῳ (= euaggeliô: in de goede boodschap; dat onz enk van het zn ευαγγελιον = euaggelion: goede boodschap).
Mc 1,16 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) παράγων (= paragôn: langsdrijvend, langsvoerend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw παραγω = paragô: langsdrijven, langsgaan) παρὰ (= para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par' ; vz met gen, dat en acc) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θάλασσαν (= thalassan: meer, zee; zn acc vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zee, meer) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Γαλιλαίας (= Galilaias: langs Galilea; zn eigennaam gen vr enk van het zn γαλιλαια = galilaia: Galilea) εἶδεν (= eiden: hij zag; wkw act ind aor 3de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) Σίμωνα (= simôna: Simon; zn eigennaam acc mann enk van het zn σιμων = Simôn: Simon) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) Ἀνδρέαν (= andrean: Andreas; zn eigennaam acc mann enk van het zn Ἀνδρέας: Andreas) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἀδελφὸν (= adelfon: broer; zn acc mann enk van het zn αδελφος = adelfos: broer) Σίμωνος (= simônos: van Simon); zn eigennaam gen mann enk van het zn σιμων = Simôn: Simon) ἀμφιβάλλοντας (= amfiballontas: de netten uitwerpend; wkw act part praes acc mann mv van het wkw αμφιβαλλω = amfiballô: langs beide zijden werpen) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) θαλάσσῃ: (= thalassè: meer, zee; zn dat vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zee, meer) ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἁλιεῖς (= halieis: vissers; zn nom mann mv van het zn ἁλιευς = halieus: visser).
Mc 1,17 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk), Δεῦτε (= deute: welaan; bw) ὀπίσω (= opisô: achter; bw) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ποιήσω (= poèsô: ik zal maken; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) ὑμᾶς (= humas: jullie, pers vnw 2de pers acc mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) γενέσθαι (= genesthai: te worden, te gebeuren; wkw med/pass inf aor van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen) ἁλιεῖς (= halieis: vissers; zn nom mann mv van het zn ἁλιευς = halieus: visser) ἀνθρώπων (= anthrôpôn: van mensen; zn gen mann mv van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens).
Mc 1,18 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἀφέντες (= afentes: achterlatende, aflatende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δίκτυα (= diktua: vissersnetten; zn nom en acc onz mv van het zn δικτυον = diktuon: vissersnet) ἠκολούθησαν (= èkolouthèsan: zij volgden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 1,19 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) προβὰς (= probas: voortgaand; wkw act part praes nom mann enk van het wkw προβαινω = probainô: vooruitbanen, vooruitgaan) ὀλίγον (= oligon: weinig; bw) εἶδεν (= eiden: hij zag; wkw act ind aor 3de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) Ἰάκωβον (= jakôbon: Jakobus; zn eigennaam acc mann enk van het zn nw ιακωβος = jakôbos: Jakobus) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ζεβεδαίου (= zebedaiou: van Zebedeüs; zn eigennaam gen mann enk van het zn Ζεβεδαιος = zebedaios: Zebedeüs) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) Ἰωάννην (= Iôannèn: Johannes; zn eigennaam acc mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἀδελφὸν (= adelfon: broer; zn acc mann enk van het zn αδελφος = adelfos: broer) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πλοίῳ (= ploiô: in de boot; zn dat onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw pleô: varen; ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot) καταρτίζοντας (= kataridzontas: herstellende; wkw acc part praes acc mann mv van het wkw καταρτιζω = katartizô: inrichten, in orde brengen, herstellen) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δίκτυα (= diktua: vissersnetten; zn nom en acc onz mv van het zn δικτυον = diktuon: vissersnet),
Mc 1,20 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἐκάλεσεν (= ekalesen: hij riep; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw καλεω = kaleô: roepen, noemen) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀφέντες (= afentes: achterlatende, aflatende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) πατέρα (= patera: vader; zn acc mann enk van het zn πα-τηρ = pa-tèr: va-der) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) Ζεβεδαῖον (= zebedaion: Zebedeüs; zn eigennaam acc mann enk van het zn Ζεβεδαιος = zebedaios: Zebedeüs) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πλοίῳ (= ploiô: in de boot; zn dat onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw pleô: varen; ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot) μετὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μισθωτῶν (= misthôtôn: dagloners; zn gen mann mv van het zn μισθωτος = misthôtos: gehuurd, huurling, werknemer) ἀπῆλθον (= apèlthon: zij gingen weg; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) ὀπίσω (= opisô: achter; bw) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) .
Mc 1,21 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εἰσπορεύονται (= eisporeuontai: zij gaan op weg naar; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw εισπορευομαι = eisporeuomai: zich op weg begeven) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Καφαρναούμ (= kafarnaoum: Kafarnaüm; eigennaam; këfar nahum: dorp van troost). καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) σάββασιν (= sabbasin: op;sabbat; zn dat vr mv van het zn σαββατον = sabbaton: sabbat) εἰσελθὼν (= eiselthôn: binnengegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) συναγωγὴν (= sunagôgèn: synagoge; zn acc vr enk van het zn συναγωγη = sunagôgè: synagoge; zie het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun- : samen, stam s-m/n + stam ag-) ἐδίδασκεν (= edidasken: hij onderrichtte; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c).
Mc 1,22 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξεπλήσσοντο (= exeplèssonto: zij waren buiten zichzelf; wkw pass ind imperf 3de pers mv van het wkw εκπλησσω = ekplèssô: overvol zijn van; pl -> Ned. vol) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) διδαχῇ (= didachè: lering, onderrichting; zn dat vr enk van het zn διδαχη = didachè: lering, onderrichting; zie het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) διδάσκων (= didaskôn: onderrichtend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) ἐξουσίαν (= exousian: macht, gezag; zn acc vr enk van het zn εξουσια = exousia: gezag, macht) ἔχων (= echôn: hebbende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) οὐχ (= ου - ουκ: vóór een klinker - ουχ: vóór een aanblazing = ou - ouk - ouch:: niet; partikel van ontkenning: niet < n-iet-s) ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραμματεῖς (= grammateis: Schriftgeleerden; zn nom mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde (uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα: assimilatie van de f aan de m; γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven).
23 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) συναγωγῇ αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἄνθρωπος (= anthrôpos: mens; zn nom mann enk) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) πνεύματι (= pneumati; zn dat onz enk van het zn πνευμα = pneuma: geest, adem, wind) ἀκαθάρτῳ (= akatharô: met een onzuivere geest; bv nw dat onz enk van het bv nw ακαθαρος = akatharos: onzuiver, onrein), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀνέκραξεν
Mc 1,24 λέγων (= legôn: zeggend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) ἡμῖν (= hèmin: aan ons; pers vnw dat mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: wij) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) σοί, Ἰησοῦ Ναζαρηνέ; ἦλθες ἀπολέσαι ἡμᾶς (= hèmas: wij; pers vnw 1ste pers acc mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: ons); οἶδά σε τίς (= tis: wie? vrag vnw nom mann enk) εἶ, (= ei: jij bent; wkw act ind pr 2de pers enk van het wkw ειμι = eimi : zijn) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)ἅγιος τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God).
Mc 1,25 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπετίμησεν (= epetimèsen: hij beval; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw επιτιμαω = epitimaô: nadrukkelijk vermanen, 'opdragen', bevelen, berispen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) λέγων (= legôn: zeggend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Φιμώθητι καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔξελθε ἐξ αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) .
Mc 1,26καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) σπαράξαν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het).πνεῦμα (= pneuma: geest, adem, wind; zn nom en acc onz enk) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het).ἀκάθαρτον (= akatharton: onrein, onzuiver; bn nom en acc onz enk α-καθαρτος = a-kathartos: on-zuiver, on-rein, zie katharen = de reinen) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) φωνῆσαν φωνῇ (= fônè: met stem, roep; zn dat vr enk van het zn φωνη = fônè: stem, roep) μεγάλῃ (= megalè: groot; bv nw dat vr enk van het bv nw μεγας = megas: groot) ἐξῆλθεν (= exèlthen: hij(ging uit; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐξ αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) .
Mc 1,27καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐθαμβήθησαν ἅπαντες, ὥστε (= hôste: zodat; ondergeschikt voegwoord van gevolg) συζητεῖν (= sudzètein: te twisten; wkw act inf praes van het wkw συζητεω = sudzèteô: samen onderzoeken, disputeren, twisten) (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) ἑαυτοὺς (= heautous: zichzelf); wederkerig vnw acc mann mv van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf) λέγοντας, Τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) τοῦτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu); διδαχὴ καινὴ κατ' ἐξουσίαν (= exousian: macht, gezag; zn acc vr enk van het zn εξουσια = exousia: gezag, macht): καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πνεύμασι τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀκαθάρτοις ἐπιτάσσει, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὑπακούουσιν αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 1,28καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξῆλθεν (= exèlthen: hij(ging uit; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἡ ἀκοὴ αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) πανταχοῦεἰς (= eis: naar; vz van plaats) ὅλην τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) περίχωρον τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Γαλιλαίας (= Galilaias: langs Galilea; zn eigennaam gen vr enk van het zn γαλιλαια = galilaia: Galilea).
Mc 1,29 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) συναγωγῆς (= sunagôgès: uit de synagoge; zn gen vr enk van het zn συναγωγη = sunagôgè: synagoge; zie het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun-: samen, stam s-m/n + stam ag-) ἐξελθόντες (= ekselthontes; uitgegaan zijnde; wkw act part aor nom mann mv van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἦλθον (= èlthon: zij kwamen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) οἰκίαν (= oikian: huis; zn acc vr enk van het zn οικια = oikia: huis) Σίμωνος (= simônos: van Simon; zn eigennaam gen mann enk van het zn σιμων = Simôn: Simon) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) Ἀνδρέου (= andreou: van Andreas; zn eigennaam gen mann enk van het zn Ἀνδρέας: Andreas) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc) Ἰακώβου (= iakôbou: met Jakobus; zn eigennaam gen mann enk van het zn nw ιακωβος = jakôbos: Jakobus) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) Ἰωάννου (= Jôannou: van Johannes; zn eigennaam gen mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes).
Mc 1,30 ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) πενθερὰ (= penthera: schoonmoeder; zn nom vr enk) Σίμωνος (= simônos: van Simon; zn eigennaam gen mann enk van het zn σιμων = Simôn: Simon) κατέκειτο ( = katekeito: hij / zij lag neer; wkw med ind imperf 3de pers enk van het wkw κατακειμαι = katakeimai: neerliggen) πυρέσσουσα (= puressousa: koortsig; wkw act part praes nom vr enk van het wkw πυρεσσω = puressô; koorts hebben; πυρ = pur: vuur), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij).
Mc 1,31 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) προσελθὼν (= proselthôn: tot hem komende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw προσερχομαι = proserchomai: gaan naar, komende bij; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἤγειρεν (= ègeiren; hij wekte op; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken) αὐτὴν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) κρατήσας (= kratèsas: vastgenomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) χειρός (= cheiros: van de hand; zn gen mann enk van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen): καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀφῆκεν (= afèken: hij liet achter; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) αὐτὴν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πυρετός (= puretos: koorts; zn nom mann enk), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) διηκόνει (= dièkonei: hij/zij bediende; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw διακονεω = diakoneô: dienen, dienaar zijn) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) .
Mc 1,32 Ὀψίας (= opsias: 's avonds; zn gen vr enk van het zn οψια = opsia: avond) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) γενομένης (= genomenès: geworden; wkw med part aor gen vr enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren - stam ge-), ὅτε (= hote: toen; ondergeschikt vw van tijd) ἔδυ (= edu: hij ging onder; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw δυνω / δυω = dunô / duô: onderdompelen, ondergaan) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἥλιος (= hèlios: zon; zn nom mann enk), ἔφερον (= eferon: zij droegen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw φερω = ferô: voeren, dragen, brengen) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πάντας (= pantas: allen; bv nw acc mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κακῶς (= kakôs: slecht, kwaad; bw) ἔχοντας (= echontas: hebbende; wkw act part praes acc mann mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δαιμονιζομένους (= daimonidzomenous: gedemoniseerden; wkw pass part praes acc mann mv van het wkw δαιμονιζομαι = daimonizomai: bezeten zijn):
33 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) ὅλη (= holè: heel; bv nw nom vr enk van het bv nw ὁλος = holos: heel) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πόλις (= polis: stad; zn nom vr enk) ἐπισυνηγμένη (= episunègmenè: verzamelde; wkw pass part perf nom vr enk van het wkw ἐπισυναγω = episunagô: bijeenbrengen, verzamelen) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θύραν (= thuran: deur; zn acc vr enk van het zn θυρα = thura. Ned: deur D: Tür E: door. Stam: d/t/th - r. Gr: δελτα = delta; 4de letter van het Griekse alfabet).
Mc 1,34 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐθεράπευσεν (= etherapeusen: hij genas; wkw act indic aor 3de pers enk van het wkw θεραπευω = therapeuô: genezen, verzorgen) πολλοὺς (= pollous: velen; bv nw acc mann mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) κακῶς (= kakôs: slecht, kwaad; bw) ἔχοντας (= echontas: hebbende; wkw act part praes acc mann mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ποικίλαις νόσοις, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) δαιμόνια (= daimonia: demonen; zn acc onz mv van het zn δαιμόνιον = daimonion: demon) πολλὰ (= polla: vele dingen); bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) ἐξέβαλεν, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἤφιεν (= èfien: hij liet toe; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) λαλεῖν (= lalein: om te spreken; wkw act inf aor van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δαιμόνια (= daimonia: demonen; zn acc onz mv van het zn δαιμόνιον = daimonion: demon), ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ᾔδεισαν (= èdeisan: zij wisten; wkw act ind plusquamperf 3de pers mv, zie het wkw οιδα = oida: ik weet) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
35 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πρωῒ (= prôi: 's morgens; bw van tijd) ἔννυχα λίαν ἀναστὰς (= anastas: opgestaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αν-ι-στη-μι = an-i-stè-mi:: op-staan; stam: sta-) ἐξῆλθεν (= exèlthen: hij(ging uit; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπῆλθεν (= apèlthen: zij gingen weg; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) ἔρημον (= erèmon: woestijn; zn acc vr enk van het zn ερημος = erèmos: woestijn, eenzame plaats) τόπον (= topon: plaats; zn acc mann enk van het zn τοπος = topos: plaats, streek; zie Ned. topografie) κἀκεῖ προσηύχετο.
36 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) κατεδίωξεν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) Σίμων καὶ (= kai: en; nevensch vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μετ' αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het)
37 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εὗρον (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) ζητοῦσίν σε.
38καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Ἄγωμεν ἀλλαχοῦεἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐχομένας κωμοπόλεις, ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐκεῖ (= ekei: hier; bijw van plaats: hier, daar; Fr.: ici; Ned.: hie-r) κηρύξω:εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τοῦτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἐξῆλθον (= exèlthon: zij gingen uit; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden).
39 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἦλθεν (= èlthen: hij kwam; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) κηρύσσων (= kèrussôn: verkondigend; wkw act part praes nom mann + vr enk van het wkw κηρυσσω = kèrussô: verkondigen) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) συναγωγὰς (= sunagôgas: synagogen; zn acc vr mv van het zn συναγωγη = sunagôgè: synagoge; zie het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun- : samen, stam s-m/n + stam ag-) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) ὅλην τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Γαλιλαίαν καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δαιμόνια (= daimonia: demonen; zn acc onz mv van het zn δαιμόνιον = daimonion: demon) ἐκβάλλων.
40καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔρχεται (= erchetai: hij gaat, hij komt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λε πρὸς(= pros: naar; vz van plaats, nl richting) παρακαλῶν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) [καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) γονυπετῶν] καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγων (= legôn: zeggende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) θέλῃς δύνασαί με καθαρίσαι.
41 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) σπλαγχνισθεὶς (= splagchnistheis: door medelijden bewogen; wkw pass part aor nom mann enk van het wkw σπλαγχνιζομαι = splagchnizômai: zich ontfermen, medelijden hebben) ἐκτείνας τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χεῖρα (= cheira: hand; zn acc vr enk van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἥψατο (= hèpsato: hij/zij greep vast; hij/zij raakte aan; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ἁπτω = haptô: vastgrijpen, aanraken) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Θέλω, καθαρίσθητι:
42καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἀπῆλθεν (= apèlthen: zij gingen weg; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) ἀπ' (= ap, afkorting van απο = apo: af, van-weg); vz van plaats; afkorτing vóór een niet-geaspireerde klinker: απ' = ap' en vóór een geaspireerde klinker: αφ' = af') αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἡ λέπρα, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐκαθαρίσθη.
43 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐμβριμησάμενος αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἐξέβαλεν αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het),
44 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Ορα μηδενὶ (= mèdeni: aan niemand; onbep vnw dat mann enk van het onbep vnw μηδεὶς = mèdeis: niemand; < μη- δ-εὶς= mè-d-eis: niet iemand) μηδὲν εἴπῃς, ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') ὕπαγε (= hupage: ga weg; wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen) σεαυτὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) δεῖξοντῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἱερεῖ καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) προσένεγκε περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) καθαρισμοῦ σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) ἃ προσέταξεν Μωϋσῆς,εἰς (= eis: naar; vz van plaats) μαρτύριον αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) .
MC 1,45 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἐξελθὼν (= ekselthôn= uitgegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εξερχομαι = eks-erchomai: uit-gaan; stam elth; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) κηρύσσειν (= kèrussein (verkondigen; wkw act inf praes van het wkw. κηρυσσω = kèrussô: verkondigen) πολλὰ (= polla: vele dingen); bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) διαφημίζειν (= diafèmidzein: bekend te maken; wkw act inf praes van het wkw διαφημίζω: bekendmaken) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord), ὥστε (= hôste: zodat; ondergeschikt voegwoord van gevolg) μηκέτι (= mèketi: niet meer; partikel) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) δύνασθαι (= dunasthai: te kunnen; wkw med inf praes van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) φανερῶς (= fanerôs: openlijk; zie het bv nw φανερος = faneros; zichtbaar, bekend) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) πόλιν (= polin: stad; zn acc vr enk van het zn πόλις = polis: stad) εἰσελθεῖν (= eiselthein: om binnen te gaan; wkw act inf aor van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg), ἀλλ' (= all': maar; afkorting van αλλα = alla; partikel van tegenstelling) ἔξω (= exô: buiten; bw) ἐπ' (= επ': ep: over; epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; afkortingen : επ' = ep': vóór een niet-aangeblazen klinker, en εφ' = ef': vóór een aangeblazen klinker) ἐρήμοις (= erèmois: woeste, eenzame; bv nw dat mann mv van het bv nw / zn ερημος = erèmos: woest / eenzaam, woestijn / eenzame plaats) τόποις (= topois: op plaatsen; zn dat mann mv van het zn τοπος = topos: plaats) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk (< ησ-εν = èsen?) van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat.: esse; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2): καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἤρχοντο (= èrchonto: zij gingen; wkw med ind imperf 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πάντοθεν (= pantothen: van overal; bw van plaats).
Mc 2,1 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εἰσελθὼν (= eiselthôn: binnengegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Καφαρναοὺμ (= kafarnaoum: Kafarnaüm; eigennaam; këfar nahum: dorp van troost) δι' (= dia: door, omwille van, na; vz; afkorting: δι' = di': vóór een klinker; dia + gen:: na: Zerwick, 115) ἡμερῶν (= hèmerôn: van de dagen; zn gen vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) ἠκούσθη (= èkousthè: er werd gehoord; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren; s: infix: Van der Vorst, Grammaire Grecque, 160,4: s intercalaire) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) οἴκῳ (= oikô: 'in' huis; zn dat mann enk van het zn οικος = oikos: huis) ἐστίν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-, zie Lat.: esse).
Mc 2,2 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) συνήχθησαν (= sunèchtèsan: zij verzamelden zich; wkw med ind aor 3de pers mv van het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun- : samen, stam s-m/n + stam ag- + themavocaal o: zie Baeyens 75,2: "De themavocaal is o vóór m en n', + ntai: uitgang 3de pers mv, γ wordt χ voor θ) πολλοὶ (= polloi: velen; bv nw nom mann mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) ὥστε (= hôste: zodat; ondergeschikt voegwoord van gevolg) μηκέτι (= mèketi: niet meer; partikel) χωρεῖν (= chôrein: plaats te maken; act inf praes van het wkw χωρεω = plaats maken, wijken voor) μηδὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θύραν (= thuran: deur; zn acc vr enk van het zn θυρα = thura. Ned: deur D: Tür E: door. Stam: d/t/th - r. Gr: δελτα = delta; 4de letter van het Griekse alfabet), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐλάλει (= elalei: hij sprak; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord).
Mc 2,3 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) φέροντες (= ferontes: dragende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw φερω = ferô: voeren, dragen, brengen) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) παραλυτικὸν (= paralutikon: lamme; zn acc mann enk van het zn παραλυτικος = paralutikos: lamme) αἰρόμενον (= airomenon: genomen; wkw pass part acc mann enk van het wkw αιρω = airô: nemen) ὑπὸ (= hupo: door; vz, afkorting: ὑπ' = hup' of ὑφ' = huf') τεσσάρων (= tessarôn: vier; hoofdtelw gen mann mv van het hopofdtelw τεσσαρα: vier).
Mc 2,4 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) δυνάμενοι (= dunamenoi: kunnende, in staat zijnde; wkw med part praes nom mann mv van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) προσενέγκαι (= prosenegkai: te brengen/ dragen bij; wkw act inf aor van het wkw προσφερω = prosferô: dragen of brengen bij) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ὄχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) ἀπεστέγασαν (= apestegasan: zij ont-dek (dak) ten, zij haalden de dakbedekking weg; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αποστεγαζω = postegadzô: het dak eraf nemen, ontdakken) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) στέγην (= stegèn: dak; zn acc vr enk van het zn στεγη = stegè: dak. Lat. tegere, tectum: dekken, bedekken. Tectum: bedekking, dak. Fr. toit) ὅπου (= hopou: waar; onbep betr bw) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk (< ησ-εν = èsen?) van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat.: esse; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξορύξαντες (= exoruxantes; uitgegraven; wkw act part aor nom mann mv van het wkw εξ-οτυσσω / ορυττω < ex (uit) + orussô of oruttô: graven, uitgraven, een opening maken; Fr. creuser; Bayens, 95: orukj; gutturaal) χαλῶσι (= chalôsi: zij maakten los, zij lieten dalen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw χαλαω = chalaô: ontspannen, los maken) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) κράβαττον (= krabatton: bed, draagbaar; zn acc mann enk) ὅπου (= hopou: waar; onbep betr bw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παραλυτικὸς (= paralutikos: lamme; zn nom mann enk) κατέκειτο ( = katekeito: hij / zij lag neer; wkw med ind imperf 3de pers enk van het wkw κατακειμαι = katakeimai: neerliggen).
Mc 2,5 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἰδὼν (= idôn: gezien; wkw act part aor nom mann enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien ; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πίστιν (= pistin: vertrouwen; zn acc vr enk van het zn πιστις = pistis: vertrouwen, geloof) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παραλυτικῷ (= paralutikô: aan de lamme; zn dat mann enk van het zn παραλυτικος = paralutikos: lamme), Τέκνον (= teknon: kind, geborene, mensenkind; zn nom, voc + acc onz enk), ἀφίενταί (= afientai: zij worden vergeven; wkw pass ind praes 3de pers mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) αἱ (= hai: de; bep lidw nom vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἁμαρτίαι (= hamartiai: zonden; zn nom vr mv van het zn ἁμαρτια = hamartia: onde).
Mc 2,6 ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) δέ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw; afkorting δ' = d') τινες (= tines: sommigen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw τις - τι = tis, ti: iemand, iets; mv: sommigen) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) γραμματέων (= grammateôn: van de schriftgeleerden; zn gen mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde; uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα. assimilatie van de f aan de m, γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) ἐκεῖ (= ekei: hier; bijw van plaats: hier, daar; Fr.: ici; Ned.: hie-r) καθήμενοι (= kathèmenoi: zittende); wkw med part praes nom mann mv van het wkw καθημαι = kathèmai: zich zetten, gaan zitten, zitten) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) διαλογιζόμενοι (= dialogidzomenoi: discussiërende, afwegende; wkw med part praes nom mann mv van het wkw διαλογιζομαι = dialogizomai: uiteenzetten, discussiëren) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ταῖς (= tais: aan de; bep lidw dat vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) καρδίαις (= kardiais: harten; zn dat vr mv van het zn καρδια = hart; Lat.: cor, cordis) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij),
Mc 2,7 Τί (= ti: wat? vrag vnw nom onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) οὗτος :(= houtos: deze; aanwijz voornaamw nom mann enk) οὕτως (= houtôs: op die wijze, zo; bw van wijze) λαλεῖ (= lalei: hij spreekt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten); βλασφημεῖ: τίς (= tis: wie? vrag vnw nom mann enk) δύναται (= dunatai: hij kan; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen, in staat zijn) ἀφιέναι (= afienai: te vergeven; wkw act inf praes van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8, 115) ἁμαρτίας (= hamartias: zonden; zn acc vr mv van het zn ἁμαρτια = hamartia: zonde) εἰ (= ei: indien; ondergeschikt vgw van voorwaarde: indien, als, in geval) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θεός (= theos: God; nom mann enk);
Mc 2,8 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἐπιγνοὺς (= epignous: begrepen hebbende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw επιγιγνωσκω = epigignôskô: leren kennen, begrijpen) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πνεύματι (= pneumati; zn dat onz enk van het zn πνευμα = pneuma: geest, adem, wind) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) οὕτως (= houtôs: op die wijze, zo; bw van wijze) διαλογίζονται (= dialogidzontai: zij overleggen; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw διαλογιζομαι = dialogizomai: uiteenzetten, discussiëren) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ἑαυτοῖς (= heautois: in zichzelf); wederkerig vnw dat mann mv van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij), Τί (= ti: wat? vrag vnw nom onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) ταῦτα (= tauta: deze dingen; aanwijz vnw nom of acc onz mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) διαλογίζεσθε (= dielogidzesthe: jullie discussieerden; med ind imperf 2de pers mv van het wkw διαλογιζομαι = dialogizomai: uiteenzetten, discussiëren) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ταῖς (= tais: aan de; bep lidw dat vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) καρδίαις (= kardiais: harten; zn dat vr mv van het zn καρδια = hart; Lat.: cor, cordis) ὑμῶν (= humôn: van jullie; pers vnw 2de pers gen mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie);
Mc 2,9 τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) εὐκοπώτερον (= eukopôteron: gemakkelijker; bv nw vergelijkende trap acc onz enk van het bv nw ευκοπος = eukopos: gemakkelijk, zonder moeite), εἰπεῖν (= eipein: te zeggen; wkw act inf aor bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παραλυτικῷ (= paralutikô: aan de lamme; zn dat mann enk van het zn παραλυτικος = paralutikos: lamme), Ἀφίενταί (= afientai: zij worden vergeven; wkw pass ind praes 3de pers mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) αἱ (= hai: de; bep lidw nom vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἁμαρτίαι (= hamartiai: zonden; zn nom vr mv van het zn ἁμαρτια = hamartia: onde), ἢ (= è: of; partikel) εἰπεῖν (= eipein: te zeggen; wkw act inf aor bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon), Ἔγειρε (= egeire: sta op; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἆρον (= aron: neem; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw αιρω = airô: nemen; 1ste aor. èra; afwijkende uitgang imperat aor 2de pers enk, zie luson: Bayens, 157; Elsen, 119,2) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) κράβαττόν (= krabatton: bed, draagbaar; zn acc onz enk) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) περιπάτει (= peripatei: wandel rond; wkw act imprat praes 2de pers enk van het wkw περιπατεω = peripateô: rondwandelen);
Mc 2,10 ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) εἰδῆτε (= eidète: jullie zouden weten; wkw act conjunct aor 2de pers mv, zie het wkw οιδα = oida: ik weet) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἐξουσίαν (= exousian: macht, gezag; zn acc vr enk van het zn εξουσια = exousia: gezag, macht) ἔχει (= echei: hij heeft; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱὸς (= huios: zoon; zn nom mann enk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπου (= anthrôpou: van een mens; zn gen mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) ἀφιέναι (= afienai: te vergeven; wkw act inf praes van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) ἁμαρτίας (= hamartias: zonden; zn acc vr mv van het zn ἁμαρτια = hamartia: zonde) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) γῆς (= gès: aarde, land; zn gen vr enk van het zn γη = gè: aarde, land) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παραλυτικῷ (= paralutikô: aan de lamme; zn dat mann enk van het zn παραλυτικος = paralutikos: lamme),
Mc 2,11 Σοὶ (= soi: aan u; pers vnw 2de pers dat enk van het persoonl vnw συ = su: jij) λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), ἔγειρε (= egeire: sta op; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken) ἆρον (= aron: neem; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw αιρω = airô: nemen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) κράβαττόν (= krabatton: bed, draagbaar; zn acc onz enk) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ὕπαγε (= hupage: ga weg; wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) οἶκόν (= oikos: huis; zn acc mann enk van het zn οικος = oikos: huis) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu).
Mc 2,12 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἠγέρθη (= ègerthè: hij werd opgewekt; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἄρας (= aras: nemende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αιρω = airô: nemen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) κράβαττον (= krabatton: bed, draagbaar; zn acc onz enk) ἐξῆλθεν (= exèlthen: hij(ging uit; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἔμπροσθεν (= emprosthen: van voren, in aanwezigheid van, voor) πάντων (= pantôn: van allen, val alles; bv nw gen mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder), ὥστε (= hôste: zodat; ondergeschikt voegwoord van gevolg) ἐξίστασθαι (= eksistasthai: buiten zichzelf zijn; wkw med inf praes van het wkw εξισταμαι = existamai: uit / buiten zichzelf staan, boven zichzelf uitstijgen, zichzelf overstijgen, uit zijn evenwicht geraken) πάντας (= pantas: allen; bv nw acc mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) δοξάζειν (= doksadzein: te verheerlijken; wkw act inf praes van het wkw δοξαζω = doxazô: verheerlijken, loven) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) θεὸν (= theon: God; zn acc mann enk van het zn θεος = theos: God) λέγοντας (= legontas: zeggende; wkw act part praes acc mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Οὕτως (= houtôs: op die wijze, zo; bw van wijze) οὐδέποτε (= oudepote: nooit; < niet ooit; partikel) εἴδομεν (= eidomen: wij zagen; wkw act ind aor 1ste pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh).
Mc 2,13 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξῆλθεν (= exèlthen: hij(ging uit; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) παρὰ (= para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par' ; vz met gen, dat en acc) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θάλασσαν: (= thalassan: meer, zee; zn acc vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zee, meer) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πᾶς (= pas: ieder, al, heel; onbep vnw nom mann enk) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὄχλος (= ochlos: massa, menigte; zn nom mann enk) ἤρχετο (= èrcheto: hij ging; wkw med ind imperf 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐδίδασκεν (= edidasken: hij onderrichtte; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 2,14 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) παράγων (= paragôn: langsdrijvend, langsvoerend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw παραγω = paragô: langsdrijven, langsgaan) εἶδεν (= eiden: hij zag; wkw act ind aor 3de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) Λευὶν (= levin: Levi; zn eigennaam acc mann enk van het zn Λευὶς = levis: Levi) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ἁλφαίου (= alfaiou: van Alfeüs; zn eigennaam gen mann enk van het zn αλφαιος = alfaios: Alfeüs) καθήμενον (= kathèmenon: zittend; wkw med part praes acc mann enk van het wkw καθημαι = kathèmai: zich zetten, gaan zitten, zitten) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τελώνιον (= telônion: tolhuis; zn acc onz enk), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Ἀκολούθει (= akolouthei: volg; wkw act imperat praes 2de pers enk van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen) μοι (= moi: aan mij; pers vnw 1ste pers dat mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij). καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀναστὰς (= anastas: opgestaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αν-ι-στη-μι = an-i-stè-mi:: op-staan; stam: sta-) ἠκολούθησεν (= èkolouthèsen: hij volgde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij).
Mc 2,15 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) γίνεται (= ginetai: het gebeurt; wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen) κατακεῖσθαι (= katakeisthai: neerliggen; wkw med inf praes van het wkw κατακειμαι = katakeimai: neerliggen) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) οἰκίᾳ (= oikia: huis; zn dat vr enk van het zn οικια = oikia: huis) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) πολλοὶ (= polloi: velen; bv nw nom mann mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) τελῶναι (= telônai: tollenaars; zn mann mv van het zn τελωνης = telônès: tollenaar) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἁμαρτωλοὶ (= hamartôloi: zondaars; zn nom mann mv van het zn ἁμαρτωλος = hamartôlos: zondaar) συνανέκειντο (= sunanekeinto: zij lagen samen aan; wkw med ind imperf 3de pers mv van het wkw συνανακειμαι = sunanakeimai: samen aanliggen) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦ (= ièsou: Jezus; dat mann enk eigennaam van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταῖς (= mathètais: leerlingen; zn dat mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) : ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) πολλοὶ (= polloi: velen; bv nw nom mann mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἠκολούθουν (= èkolouthoun: zij volgden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij).
Mc 2,16 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραμματεῖς (= grammateis: Schriftgeleerden; zn nom mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde (uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα: assimilatie van de f aan de m; γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Φαρισαίων (= farisaiôn: van de Farizeeën; zn gen mann mv van het zn φαρισαιοι = farisaioi: Farizeeën) ἰδόντες (= idontes: ziende; wkw act part aor nom mann mv bij het werkw horaô = zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἐσθίει (= esthiei: hij eet; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εσθιω = esthiô: eten) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' OF μεθ' = meth') τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἁμαρτωλῶν (= hamartôlôn: van zondaars; zn gen mann mv van het zn ἁμαρτωλος = hamartôlos: zondaar) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) τελωνῶν (= telônôn: van tollenaars; zn gen mann mv van het zn τελωνης = telônès: tollenaar) ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταῖς (= mathètais: leerlingen; zn dat mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) Οτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' OF μεθ' = meth') τελωνῶν (= telônôn: van tollenaars; zn gen mann mv van het zn τελωνης = telônès: tollenaar) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἁμαρτωλῶν (= hamartôlôn: van zondaars; zn gen mann mv van het zn ἁμαρτωλος = hamartôlos: zondaar) ἐσθίει (= esthiei: hij eet; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εσθιω = esthiô: eten);
Mc 2,17 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀκούσας (= akousas: horende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) [ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt)] οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) χρείαν (= chreian: behoefte; zn acc vr enk van het zn χρεία = cgreia: behoefte, nood) ἔχουσιν (= echousin: zij hebben; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἰσχύοντες (= ischuontes: degenen die gezond zijn; wkw act part praes nom mann mv van het wkw ισχυω = ischuô: sterk zijn, gezond zijn, machtig zijn kunnen) ἰατροῦ (= iatrou: van een genezer; zn gen mann enk van het zn ἰατρος = iatros: genezer) ἀλλ' (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κακῶς (= kakôs: slecht, kwaad; bw) ἔχοντες (= echontes: hebbende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten): οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἦλθον (= èlthon: ik kwam; wkw act ind aor 1ste pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) καλέσαι (= kalesai: om te roepen; wkw act inf aor van het wkw καλεω = kaleô: roepen, noemen) δικαίους (= dikaious: rechtvaardigen; bv nw acc mann mv van het bv nw δικαιος = dikaios: rechtvaardig) ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') ἁμαρτωλούς (= hamartôlous: zondaars; zn acc mann mv van het zn ἁμαρτωλος = hamartôlos: zondaar).
Mc 2,18 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) Ἰωάννου (= Jôannou: van Johannes; zn eigennaam gen mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes) καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)(= kai: en; nevenschikkend vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Φαρισαῖοι (= Farisaioi: Farizeeën; zn nom mann mv van het zn φαρισαιος = farisaios: Farizeeër; Griekse uitgang -aios: zn naar bv nw zelfstandig gebruikt: afgescheidene; Hebr: mv përusjim van het ww pârasj: onderscheiden, 'apart' zetten) νηστεύοντες. (= nèsteuontes: vastende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw νηστευω = nèsteuô: vasten) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) Ἰωάννου (= Jôannou: van Johannes; zn eigennaam gen mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes) καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lade leerlingen van Johannes en de Farizeeën waren t.: et. Hebr.: וְ = wë)(= kai: en; nevenschikkend vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Φαρισαίων (= farisaiôn: van de Farizeeën; zn gen mann mv van het zn φαρισαιοι = farisaioi: Farizeeën) νηστεύουσιν (= nèsteuousin: zij vasten; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw νηστευω = nèsteuô: vasten), οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) σοὶ (= soi: aan u; pers vnw 2de pers dat enk van het persoonl vnw συ = su: jij) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) νηστεύουσιν (= nèsteuousin: zij vasten; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw νηστευω = nèsteuô: vasten);
Mc 2,19 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk), μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) δύνανται (= dunantai: zij kunnen; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱοὶ (= huioi: zonen; zn nom mann mv van het zn υἱος = huios: zoon; Ned.: zoon. D : Sohn. E : son. In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' : zoon, weer. Aramees: bar) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) νυμφῶνος (= vumfônos: van de bruilofszaal; zn gen mann enk van het zn νυμφῶν = numfôn: bruiloftszaal, bruidsvertrek) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ᾧ (= hô: die; betrekk vnw dat mann enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) νυμφίος (= numfios: bruidegom; zn nom mann enk) μετ' (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' OF μεθ' = meth') αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) νηστεύειν; ὅσον (= hoson: zo groot als; onbep vnw acc onz enk van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als) χρόνον (= chronon: tijd; zn acc mann enk van het zn χρόνος = chronos: tijd) ἔχουσιν (= echousin: zij hebben; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) νυμφίον (= numfion: bruidegom; zn acc mann enk van het zn νυμφίος = numfios: bruidegom) μετ' (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' OF μεθ' = meth') αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) δύνανται (= dunantai: zij kunnen; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) νηστεύειν (= nèsteuein: om te vasten; wkw inf praes van het wkw νηστευω = nèsteuô: vasten):
Mc 2,20 ἐλεύσονται (= eleusontai: zij zullen komen; wkw med ind fut 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἡμέραι (= hèmerai: dagen; zn nom vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) ἀπαρθῇ (= aparthè: hij zou weggenomen worden; pass conjunct aor 3de pers enk van het wkw απαιρω : apairô: wegnemen) ἀπ' (= ap, afkorting van απο = apo: af, van-weg); vz van plaats; afkorτing vóór een niet-geaspireerde klinker: απ' = ap' en vóór een geaspireerde klinker: αφ' = af') αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) νυμφίος (= numfios: bruidegom; zn nom mann enk), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) τότε (= tote: dan; bw van tijd; < to - de: dat echter; dan, daarop) νηστεύσουσιν (= nèsteusousin: zij zullen vasten; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw νηστευω = nèsteuô: vasten) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ἐκείνῃ (= ekeinè: tijdens die; aanwijz vnw dat vr enk van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) ἡμέρᾳ (= hèmera: tijdens de dag; zn dat vr enk van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?).
21 οὐδεὶς (= oudeis: niemand; onbep vnw nom mann enk) ἐπίβλημα ῥάκους ἀγνάφου ἐπιράπτει ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) ἱμάτιον παλαιόν: εἰ (= ei: indien; ondergeschikt vgw van voorwaarde: indien, als, in geval) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) μή, αἴρει τὸ πλήρωμα ἀπ' (= ap, afkorting van απο = apo: af, van-weg); vz van plaats; afkorτing vóór een niet-geaspireerde klinker: απ' = ap' en vóór een geaspireerde klinker: αφ' = af') αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τὸ καινὸν τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) παλαιοῦ, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) χεῖρον σχίσμα γίνεται (= ginetai: het gebeurt; wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen).
22 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οὐδεὶς βάλλει οἶνον νέονεἰς (= eis: naar; vz van plaats) ἀσκοὺς παλαιούς εἰ (= ei: indien; ondergeschikt vgw van voorwaarde: indien, als, in geval) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) μή, ῥήξειὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)οἶνος τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀσκούς, καὶ (= kai: en; nevensch vw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)οἶνος ἀπόλλυται καὶ (= kai: en; nevensch vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀσκοί ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') οἶνον νέονεἰς (= eis: naar; vz van plaats) ἀσκοὺς καινούς.
Mc 2,23 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai: gebeuren, worden; stam: gen) (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) σάββασιν (= sabbasin: op;sabbat; zn dat vr mv van het zn σαββατον = sabbaton: sabbat) παραπορεύεσθαι (= paraporeuesthai: zich op weg te begeven langs; wkw med inf praes van het wkw παραπορευομαι = paraporeuomai: zich op weg begeven langs) Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) σπορίμων (= sporimôn: van de graanvelden; zn gen onz mv van het zn σπορίμον = sporimon: graanveld), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἤρξαντο (= èrxanto: zij begonnen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen, aanvangen, heersen) ὁδὸν (= hodon: weg; zn acc vr enk van het zn ὁδὸς = hodos: weg) ποιεῖν (= poiein: te maken; act inf praes van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) τίλλοντες (= tillontes: plukkende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw τίλλω = tillô: plukken, haren uittrekken, kaalplukken) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) στάχυας (= stachuas: aren; zn acc vr mv van het zn σταχυς = stachus: aar, halm).
Mc 2,24 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Φαρισαῖοι (= Farisaioi: Farizeeën; zn nom mann mv van het zn φαρισαιος = farisaios: Farizeeër; Griekse uitgang -aios: zn naar bv nw zelfstandig gebruikt: afgescheidene; Hebr: mv përusjim van het ww pârasj: onderscheiden, 'apart' zetten) ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Ἴδε (= ide zie; wkw act imperat aor 2de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; stam: ιδ = id) τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) ποιοῦσιν τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) σάββασιν (= sabbasin: op;sabbat; zn dat vr mv van het zn σαββατον = sabbaton: sabbat) ὃ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔξεστιν (= exestin: het is toegelaten; );
25 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Οὐδέποτε ἀνέγνωτε (= anegnôte: jullie lazen; wkw act ind aor 2de pers mv van het wkw αναγιγνωσκω = anagignôskô: lezen) τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) ἐποίησεν (= epoièsen: hij deed; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) Δαυίδ, ὅτε (= hote: toen; ondergeschikt vw van tijd) χρείαν (= chreian: behoefte; zn acc vr enk van het zn χρεία = cgreia: behoefte, nood) ἔσχεν (= eschen: hij had; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπείνασεν αὐτὸς καὶ (= kai: en; nevensch vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μετ' αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ;
26 πῶς (= pôs: hoe; onbep vrag vnw) εἰσῆλθεν (= eisèlthen: hij ging binnen; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) οἶκον (= oikos: huis; zn acc mann enk van het zn οικος = oikos: huis) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) Ἀβιαθὰρ ἀρχιερέως καὶ (= kai: en; nevensch vw) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) προθέσεως ἔφαγεν, οὓς οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔξεστιν (= exestin: het is toegelaten) φαγεῖν (= fagein: te eten; wkw act inf aor (2de) bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102)εἰ (= ei: indien; ondergeschikt vgw van voorwaarde: indien, als, in geval) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἱερεῖς, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔδωκεν καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) σὺν αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) οὖσιν;
27 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Τὸ σάββατονΔιὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἄνθρωπον (= anthrôpon: mens; zn acc mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai: gebeuren, worden; stam: gen)καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οὐχὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)ἄνθρωπος (= anthrôpos: mens; zn nom mann enk) Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τὸ σάββατον:
28 ὥστε (= hôste: zodat; ondergeschikt voegwoord van gevolg) κύριός (= kurios: heer; zn nom mann enk) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)υἱὸς (= huios: zoon; zn nom mann enk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπου (= anthrôpou: van een mens; zn gen mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τοῦ σαββάτου.
Mc 3,1 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εἰσῆλθεν (= eisèlthen: hij ging binnen; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) συναγωγήν (= sunagôgèn: synagoge; zn acc vr enk van het zn συναγωγη = sunagôgè: synagoge; zie het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun- : samen, stam s-m/n + stam ag-). καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) ἐκεῖ (= ekei: hier; bijw van plaats: hier, daar; Fr.: ici; Ned.: hie-r) ἄνθρωπος (= anthrôpos: mens; zn nom mann enk) ἐξηραμμένην (= exèrammenèn verschrompeld; wkw pass part perf acc vr enk van het wkw ξηραινω = xèrainô: verschrompelen, dor worden) ἔχων (= echôn: hebbende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χεῖρα (= cheira: hand; zn acc vr enk van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen):
2 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) παρετήρουν αὐτόν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἰ (= ei: indien; ondergeschikt vgw van voorwaarde: indien, als, in geval) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) σάββασιν (= sabbasin: op;sabbat; zn dat vr mv van het zn σαββατον = sabbaton: sabbat) θεραπεύσει αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) κατηγορήσωσιν αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) .
3καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀνθρώπῳτῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ξηρὰν χεῖρα (= cheira: hand; zn acc vr enk van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) ἔχοντι, Ἔγειρε (= egeire: sta op; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ μέσον (= meson: zich in het miodden bevindende: bv nw acc onz enk van het bv nw μεσος = mesos: zich in het midden bevindend).
4καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ἔξεστιν (= exestin: het is toegelaten) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) σάββασιν (= sabbasin: op;sabbat; zn dat vr mv van het zn σαββατον = sabbaton: sabbat) ἀγαθὸν ποιῆσαι (= poièsai: te doen; wkw act inf aor van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) ἢ κακοποιῆσαι, ψυχὴν (= psuchèn: ziel, leven; zn acc vr enk van het zn ψυχη = psuchè: adem, geest, leven) σῶσαι (= sôsai: om te redden; wkw act inf aor van het wkw σῳζω = sôzô: redden, verlossen) ἢ ἀποκτεῖναι;οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἐσιώπων.
5καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) περιβλεψάμενος αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) μετ' ὀργῆς, συλλυπούμενος ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) πωρώσει τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) καρδίαν (= kardian: hart; zn acc vr enk van het zn καρδια = hart; Lat.: cor, cordis) ς αὐτῶν, λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀνθρώπῳ, Ἔκτεινον τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χεῖρα (= cheira: hand; zn acc vr enk van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξέτεινεν, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπεκατεστάθη ἡ χεὶρ αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) .
6 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξελθόντες (= ekselthontes; uitgegaan zijnde; wkw act part aor nom mann mv van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Φαρισαῖοι (= Farisaioi: Farizeeën; zn nom mann mv van het zn φαρισαιος = farisaios: Farizeeër; Griekse uitgang -aios: zn naar bv nw zelfstandig gebruikt: afgescheidene; Hebr: mv përusjim van het ww pârasj: onderscheiden, 'apart' zetten) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ἡρῳδιανῶν συμβούλιον (= sumboulion: raadsbesluit; zn acc onz enk) ἐδίδουν κατ' αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὅπως (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἀπολέσωσιν.
Mc 3,7 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' OF μεθ' = meth') τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μαθητῶν (= mathètôn: van de leerlingen; zn gen mann mv van μαθητης = mathè-tès : leer-ling; wkw μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô: leren ; Hebr.: lâ-m-ad. Stam : (l)-m-th/d.) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἀνεχώρησεν (= anechôtèsen: hij week uit; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ἀναχώρεω = anachôreô: uitwijken, teruggaan, naar een hoger gebied gaan) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θάλασσαν: (= thalassan: meer, zee; zn acc vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zee, meer) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) πολὺ πλῆθος ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Γαλιλαίας (= Galilaias: langs Galilea; zn eigennaam gen vr enk van het zn γαλιλαια = galilaia: Galilea) [ἠκολούθησεν (= èkolouthèsen: hij volgde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen)]: καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Ἰουδαίας (= ioudaias: van Judea; zn eigennaam, gen vr enk van het zn ιουδαια = ioudaia: Judea)
Mc 3,8 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) Ἱεροσολύμων (= hierosolumôn: van Jeruzalem; zn eigennaam gen onz mv van het znἹεροσόλυμα (= Hierosuluma: Jeruzalem; zn eigennaam acc onz enk. Het zn wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel; in 3 verzen door het voorzetsel απο = apo: van-weg + gen Ἱεροσόλυμων = Hierosolumôn, in 7 door εις = eis: naar + acc Ἱεροσόλυμα = Hierosoluma) = Hierosuluma: Jeruzalem) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Ἰδουμαίας καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πέραν (= peran: overzijde, overkant; zn acc onz enk) τοῦ Ἰορδάνου (= iordanou: van de Jordaan; zn eigennaam gen mann enk van het zn ιορδανης = iordanès Jordaan) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) Τύρον καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Σιδῶνα, πλῆθος πολύ, ἀκούοντες ὅσα (= hosa: zoveel als; onbep vnw nom + acc onz mv van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als) ἐποίει ἦλθον (= èlthon: zij kwamen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 3,9καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταῖς (= mathètais: leerlingen; zn dat mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) πλοιάριον προσκαρτερῇ αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ὄχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) θλίβωσιν αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het):
10πολλοὺς (= pollous: velen; bv nw acc mann mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἐθεράπευσεν (= etherapeusen: hij genas; wkw act indic aor 3de pers enk van het wkw θεραπευω = therapeuô: genezen, verzorgen), ὥστε (= hôste: zodat; ondergeschikt voegwoord van gevolg) ἐπιπίπτειν αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἅψωνται ὅσοι εἶχον (= eichon: zij hadden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) μάστιγας.
11καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πνεύματα τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀκάθαρτα, ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐθεώρουν, προσέπιπτον αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔκραζον λέγοντες (= legontes: zeggende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Σὺ (= su: jij; pers vnw 1ste pers nom enk) εἶ (= ei: jij bent; wkw act ind pr 2de pers enk van het wkw ειμι = eimi : zijn) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)υἱὸς (= huios: zoon; zn nom mann enk) τοῦ θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God).
12καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πολλὰ (= polla: vele dingen); bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) ἐπετίμα αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) φανερὸν ποιήσωσιν.
13καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀναβαίνειεἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ ὄρος (= oros: berg; zn nom en acc onz enk) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) προσκαλεῖται οὓς ἤθελεν (= èthelen: hij wilde; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw θελω = thelô: willen; een verlengd augment in het imperf) αὐτός, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπῆλθον (= apèlthon: zij gingen weg; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
14καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐποίησεν (= epoièsen: hij deed; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) δώδεκα (= dôdeka: twaalf; hoofdtelw), [οὓς καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀποστόλους ὠνόμασεν,] ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) ὦσιν μετ' αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) ἀποστέλλῃ αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) κηρύσσειν (= kèrussein (verkondigen; wkw act inf praes van het wkw. κηρυσσω = kèrussô: verkondigen)
15καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔχειν ἐξουσίαν (= exousian: macht, gezag; zn acc vr enk van het zn εξουσια = exousia: gezag, macht) ἐκβάλλειν (= ekballein: uit te werpen; wkw act inf praes van het wkw εκβαλλω = ekballô: uitvallen, uitwerpen; stam bal-) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δαιμόνια (= daimonia: demonen; zn acc onz mv van het zn δαιμόνιον = daimonion: demon):
16[καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐποίησεν (= epoièsen: hij deed; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) δώδεκα (= dôdeka: twaalf; hoofdtelw),] καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπέθηκεν ὄνοματῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Σίμωνι Πέτρον (= petron: Petrus; zn eigennaam acc mann enk van het zn eigennaam Πέτρος = petros: Petrus),
17 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Ἰάκωβον (= jakôbon: Jakobus; zn eigennaam acc mann enk van het zn nw ιακωβος = jakôbos: Jakobus) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) τοῦ Ζεβεδαίου (= zebedaiou: van Zebedeüs; zn eigennaam gen mann enk van het zn Ζεβεδαιος = zebedaios: Zebedeüs) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Ἰωάννην (= Iôannèn: Johannes; zn eigennaam acc mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἀδελφὸν (= adelfon: broer; zn acc mann enk van het zn αδελφος = adelfos: broer) τοῦ Ἰακώβου, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπέθηκεν αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ὀνόμα[τα] Βοανηργές, ὅ ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) Υἱοὶ Βροντῆς:
18 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Ἀνδρέαν (= andrean: Andreas; zn eigennaam acc mann enk van het zn Ἀνδρέας: Andreas) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Φίλιππον καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Βαρθολομαῖον καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Μαθθαῖον καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Θωμᾶν καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Ἰάκωβον (= jakôbon: Jakobus; zn eigennaam acc mann enk van het zn nw ιακωβος = jakôbos: Jakobus) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) τοῦ Ἁλφαίου καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Θαδδαῖον καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Σίμωνα (= simôna: Simon; zn eigennaam acc mann enk van het zn σιμων = Simôn: Simon) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Καναναῖον 19καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Ἰούδαν Ἰσκαριώθ, ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk)καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) παρέδωκεν αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
20καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔρχεται (= erchetai: hij gaat, hij komt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) οἶκον (= oikos: huis; zn acc mann enk van het zn οικος = oikos: huis): καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) συνέρχεται πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) [ὁ] ὄχλος (= ochlos: massa, menigte; zn nom mann enk), ὥστε (= hôste: zodat; ondergeschikt voegwoord van gevolg) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) δύνασθαι (= dunasthai: te kunnen; wkw med inf praes van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) μηδὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἄρτον φαγεῖν (= fagein: te eten; wkw act inf aor (2de) bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102).
21καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀκούσαντεςοἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παρ' αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐξῆλθον (= exèlthon: zij gingen uit; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) κρατῆσαι αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἐξέστη.
22καὶ (= kai: en; nevensch vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραμματεῖς (= grammateis: Schriftgeleerden; zn nom mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde (uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα: assimilatie van de f aan de m; γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) Ἱεροσολύμων (= hierosolumôn: van Jeruzalem; zn eigennaam gen onz mv van het znἹεροσόλυμα (= Hierosuluma: Jeruzalem; zn eigennaam acc onz enk. Het zn wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel; in 3 verzen door het voorzetsel απο = apo: van-weg + gen Ἱεροσόλυμων = Hierosolumôn, in 7 door εις = eis: naar + acc Ἱεροσόλυμα = Hierosoluma) = Hierosuluma: Jeruzalem) καταβάντες ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Βεελζεβοὺλ ἔχει (= echei: hij heeft; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἄρχοντι τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δαιμονίων ἐκβάλλει (= ekballei: hij werpt buiten; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εκβαλλω = ekballô: uitwerpen, uitvallen) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δαιμόνια (= daimonia: demonen; zn acc onz mv van het zn δαιμόνιον = daimonion: demon).
23
καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) προσκαλεσαμενος (= proskalesamenos: bij zich geroepen; wkw med part aor nom mann enk van het wkw προσκαλεομαι = proskaleomai: bij zich roepen) αὐτοὺς (= αὐτοuς: aan hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) παραβολαῖς (= parabolais: parabolais, gelijkenissen; zn dat vr mv van het zn παραβολη = parabolè: parabel, gelijkenis) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) Πῶς (= pôs: hoe; vrag onbep vnw van wijze: hoe) δύναται (= dunatai: hij kan; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen, in staat zijn) Σατανᾶς Σατανᾶν ἐκβάλλειν (= ekballein: uit te werpen; wkw act inf praes van het wkw εκβαλλω = ekballô: uitvallen, uitwerpen; stam bal-);
24 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) βασιλεία ἐφ' ἑαυτὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μερισθῇ,οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) δύναται (= dunatai: hij kan; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen, in staat zijn) σταθῆναι ἡ βασιλεία ἐκείνη:
25 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) οἰκία ἐφ' ἑαυτὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μερισθῇ,οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) δυνήσεται ἡ οἰκία ἐκείνη σταθῆναι.
26 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εἰὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)Σατανᾶς ἀνέστη (= anestè: (hij stond op; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αν-ι-στη-μι = an-i-stè-mi:: op-staan; stam: sta-) ἐφ' ἑαυτὸν (= heauton: zichzelf; wederkerig vnw acc mann enk van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐμερίσθη,οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) δύναται (= dunatai: hij kan; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen, in staat zijn) στῆναι ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') τέλος ἔχει (= echei: hij heeft; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten).
27 ἀλλ'οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) δύναται (= dunatai: hij kan; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen, in staat zijn) οὐδεὶς (= oudeis: niemand; onbep vnw nom mann enk) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) οἰκίαν (= oikian: huis; zn acc vr enk van het zn οικια = oikia: huis) τοῦ ἰσχυροῦ εἰσελθὼν (= eiselthôn: binnengegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) σκεύη αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) διαρπάσαι ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) πρῶτον τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἰσχυρὸν δήσῃ, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τότε (= tote: dan; bw van tijd; < to - de: dat echter; dan, daarop) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) οἰκίαν (= oikian: huis; zn acc vr enk van het zn οικια = oikia: huis) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) διαρπάσει.
28 Ἀμὴν (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) ἀφεθήσεται τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱοῖς τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπων (= anthrôpôn: van mensen; zn gen mann mv van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens), τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἁμαρτήματα καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) αἱ (= hai: de; bep lidw nom vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) βλασφημίαι ὅσα (= hosa: zoveel als; onbep vnw nom + acc onz mv van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) βλασφημήσωσιν:
29ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) δ' ἂν βλασφημήσῃεἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ πνεῦμα (= pneuma: geest, adem, wind; zn nom en acc onz enk) τὸ ἅγιον οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔχει (= echei: hij heeft; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ἄφεσιν (= afesin: aflating, vergeving; zn acc vr enk van het zn αφεσις = afesis: vergeving, af-lat-ing) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) αἰῶνα (= aiôna: eeuwigheid; zn acc mann enk van het zn αιων = aiôn: eeuw), ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') ἔνοχός ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) αἰωνίου ἁμαρτήματος
30 ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Πνεῦμα ἀκάθαρτον (= akatharton: onrein, onzuiver; bn nom en acc onz enk α-καθαρτος = a-kathartos: on-zuiver, on-rein, zie katharen = de reinen) ἔχει (= echei: hij heeft; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten).
31 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔρχεται (= erchetai: hij gaat, hij komt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἡ μήτηρ αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevensch vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀδελφοὶ αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔξω (= exô: buiten; bw) στήκοντες ἀπέστειλαν πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καλοῦντες αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
32καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐκάθητο (= ekathèto: hij zat; wkw med ind imperfect 3de pers enkvan het wkw καθημαι = kathèmai : zich zetten, gaan zitten, zitten) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὄχλος (= ochlos: massa, menigte; zn nom mann enk), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Ἰδοὺ (= ide/idou: zie; wkw act imperat aor 2de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; stam: ιδ = id) ἡ μήτηρ σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) καὶ (= kai: en; nevensch vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀδελφοί σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) [καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) αἱ (= hai: de; bep lidw nom vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀδελφαι σου] ἔξω (= exô: buiten; bw) ζητοῦσίν σε.
33καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀποκριθεὶς (= apokritheis: geantwoord hebbende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) Τίς ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) ἡ μήτηρ μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) καὶ (= kai: en; nevensch vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀδελφοί [μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij)];
34καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) περιβλεψάμενος τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) κύκλῳ καθημένους λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) Ἴδε (= ide zie; wkw act imperat aor 2de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; stam: ιδ = id) ἡ μήτηρ μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) καὶ (= kai: en; nevensch vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀδελφοί μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij).
35ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk)[γὰρ (nevenschikkend vw van reden: want) ] ἂν ποιήσῃ τὸ θέλημα τοῦ θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God), οὗτος :(= houtos: deze; aanwijz voornaamw nom mann enk) ἀδελφός μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀδελφὴ καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) μήτηρ ἐστίν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-, zie Lat.: esse).
1καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) διδάσκειν (= didaskein: te leren; wkw act inf praes van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) παρὰ (= para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par' ; vz met gen, dat en acc) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θάλασσαν. (= thalassan: meer, zee; zn acc vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zee, meer) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) συνάγεται πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὄχλος (= ochlos: massa, menigte; zn nom mann enk) πλεῖστος, ὥστε (= hôste: zodat; ondergeschikt voegwoord van gevolg) (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het)εἰς (= eis: naar; vz van plaats) πλοῖον (= ploion: boot; zn acc onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw πλεω = pleô: varen; πλοιον = ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot) ἐμβάντα καθῆσθαι ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) θαλάσσῃ (= thalassè: meer, zee; zn dat vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zee, meer), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πᾶς (= pas: ieder, al, heel; onbep vnw nom mann enk) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὄχλος (= ochlos: massa, menigte; zn nom mann enk) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θάλασσαν (= thalassan: meer, zee; zn acc vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zee, meer) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) γῆς (= gès: aarde, land; zn gen vr enk van het zn γη = gè: aarde, land) ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse).
2καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐδίδασκεν (= edidasken: hij onderrichtte; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) παραβολαῖς (= parabolais: parabolais, gelijkenissen; zn dat vr mv van het zn παραβολη = parabolè: parabel, gelijkenis) πολλά (= polla: vele dingen); bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) διδαχῇ (= didachè: lering, onderrichting; zn dat vr enk van het zn διδαχη = didachè: lering, onderrichting; zie het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het)
3 Ἀκούετε. ἰδοὺ ἐξῆλθεν (= exèlthen: hij(ging uit; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)σπείρων σπεῖραι. 4καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai: gebeuren, worden; stam: gen) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) σπείρειν ὃ μὲν (= men: wel, enerzijds, partikel om een zwakke tegenstelling uit te drukken) ἔπεσεν παρὰ (= para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par' ; vz met gen, dat en acc) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὁδόν (= hodon: weg; zn acc vr enk van het zn ὁδος = hodos: weg), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἦλθεν (= èlthen: hij kwam; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πετεινὰ καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) κατέφαγεν αὐτό.
5καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἄλλο ἔπεσεν ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τὸ πετρῶδες ὅπου (= hopou: waar; onbep betr bw) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) εἶχεν (= eichen: het heeft; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) γῆν πολλήν, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἐξανέτειλενΔιὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τὸ μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἔχειν βάθος γῆς: (= gès: aarde, land; zn gen vr enk van het zn γη = gè: aarde, land)
6καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὅτε (= hote: toen; ondergeschikt vw van tijd) ἀνέτειλενὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)ἥλιος (= hèlios: zon; zn nom mann enk) ἐκαυματίσθη, καὶ (= kai: en; nevensch vw) Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τὸ μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἔχειν ῥίζαν ἐξηράνθη.
7
καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἄλλο ἔπεσενεἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀκάνθας, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀνέβησαν αἱ (= hai: de; bep lidw nom vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἄκανθαι καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) συνέπνιξαν αὐτό, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) καρπὸν (= karpon: vrucht; zn acc mann enk van het zn καρπος = karpos: vrucht) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔδωκεν.
Mc 4,8καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἄλλα (= ploia: boten; zn nom onz mv van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw πλεω = pleô: varen; πλοιον = ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot) ἔπεσεν εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γῆν τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) καλήν, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐδίδου (= edidou: hij gaf; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave) καρπὸν (= karpon: vrucht; zn acc mann enk van het zn καρπος = karpos: vrucht) ἀναβαίνοντα καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) αὐξανόμενα, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔφερεν ἓν τριάκοντα καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἓν ἑξήκοντα καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἓν ἑκατόν. 9καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) Ὃς ἔχει (= echei: hij heeft; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ὦτα (= ôta: oren; zn acc onz mv van het zn ους = ous: oor) ἀκούειν ἀκουέτω.
10καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὅτε (= hote: toen; ondergeschikt vw van tijd) ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai: gebeuren, worden; stam: gen) κατὰ μόνας, ἠρώτων (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) σὺν τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δώδεκα (= dôdeka: twaalf; hoofdtelw) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παραβολάς.
11καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Ὑμῖν τὸ μυστήριον δέδοται τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) βασιλείας (= basileias: van het koningschap; zn gen vr enk van het zn βασιλεια = basileia: koninkrijk, koningschap) τοῦ θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God): ἐκείνοις δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἔξω (= exô: buiten; bw) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) παραβολαῖς (= parabolais: parabolais, gelijkenissen; zn dat vr mv van het zn παραβολη = parabolè: parabel, gelijkenis) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) γίνεται (= ginetai: het gebeurt; wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen),
12ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) βλέποντες βλέπωσιν καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἴδωσιν (= idôsin: zij zouden zien; wkw act conjunct aor 1ste pers mvv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀκούοντες ἀκούωσιν καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) συνιῶσιν, μήποτε (= mèpote: opdat niet; bw: nooit, niets eens; vw: opdat) ἐπιστρέψωσιν καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀφεθῇ αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) . 13καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) οἴδατε τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παραβολὴν ταύτην (= tautèn: deze; aanwijz vnw acc vr enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πῶς (= pôs: hoe; onbep vrag vnw) πάσας τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παραβολὰς γνώσεσθε;
14ὁ σπείρων τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord) σπείρει.
15 οὗτοι (= houtoi: dezen; aanwijz vnw nom mann mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) δέ εἰσιν οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παρὰ (= para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par' ; vz met gen, dat en acc) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὁδὸν (= hodon: weg; zn acc vr enk van het zn ὁδὸς = hodos: weg) ὅπου (= hopou: waar; onbep betr bw) σπείρεταιὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)λόγος, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) ἀκούσωσιν εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἔρχεται (= erchetai: hij gaat, hij komt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)Σατανᾶς καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) αἴρει τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord)τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἐσπαρμένονεἰς (= eis: naar; vz van plaats) αὐτούς. (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het)
16καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οὗτοί εἰσινοἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πετρώδη σπειρόμενοι, οἳ ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) ἀκούσωσιν τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) μετὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) χαρᾶς λαμβάνουσιν αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het),
17καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔχουσιν (= echousin: zij hebben; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ῥίζαν ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ἑαυτοῖς ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') πρόσκαιροί εἰσιν: εἶτα (= eita: daarop, vervolgens; bw) γενομένης (= genomenès: geworden; wkw med part aor gen vr enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren - stam ge-) θλίψεως ἢ διωγμοῦΔιὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) σκανδαλίζονται.
18καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἄλλοι (= alloi: anderen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw αλλος = allos: ander) εἰσὶν οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het)εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀκάνθας σπειρόμενοι: οὗτοί εἰσινοἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) λόγον ἀκούσαντες,
19καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) αἱ (= hai: de; bep lidw nom vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μέριμναι τοῦ αἰῶνος καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἡ ἀπάτη τοῦ πλούτου καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) αἱ (= hai: de; bep lidw nom vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) λοιπὰ ἐπιθυμίαι εἰσπορευόμεναι συμπνίγουσιν τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἄκαρπος γίνεται (= ginetai: het gebeurt; wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen) .
20καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐκεῖνοί εἰσινοἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐπὶ (= epi: op; voorzetsel van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γῆν τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) καλὴν σπαρέντες, οἵ (= tines: sommigen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw τις - τι = tis, ti: iemand, iets; mv: sommigen) ἀκούουσιν τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord)καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) παραδέχονται καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) καρποφοροῦσιν ἓν τριάκοντα καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἓν ἑξήκοντα καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἓν ἑκατόν.
21καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Μήτι ἔρχεται (= erchetai: hij gaat, hij komt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)λύχνος ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) ὑπὸ (= hupo: door; vz met 3 naamvallen: gen, dat en acc: door, onder; afkorting: ὑπ' = hup' of ὑφ' = huf') τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) μόδιον τεθῇ ἢ ὑπὸ (= hupo: door; vz met 3 naamvallen: gen, dat en acc: door, onder; afkorting: ὑπ' = hup' of ὑφ' = huf') τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κλίνην; οὐχ ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) λυχνίαν τεθῇ;
22οὐ γάρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) κρυπτὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) φανερωθῇ, οὐδὲ (= oude: noch; ontkenning; afkorting: ουδ' = oud') ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai: gebeuren, worden; stam: gen) ἀπόκρυφον ἀλλ' (= all': maar; afkorting van αλλα = alla; partikel van tegenstelling) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) ἔλθῃ (= elthè: hij zou komen; wkw act conjunct aor 3de pers enk bij het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) φανερόν.
23εἴ τις ἔχει (= echei: hij heeft; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ὦτα (= ôta: oren; zn acc onz mv van het zn ους = ous: oor) ἀκούειν ἀκουέτω.
24καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Βλέπετε τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) ἀκούετε (= akouete: jullie horen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren). ἐν ᾧ μέτρῳ μετρεῖτε μετρηθήσεται ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) προστεθήσεται ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie).
25ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἔχει (= echei: hij heeft; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten), δοθήσεται (= dothèsetai: er zal gegeven worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij): καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔχει (= echei: hij heeft; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὃ ἔχει (= echei: hij heeft; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ἀρθήσεται ἀπ' (= ap, afkorting van απο = apo: af, van-weg); vz van plaats; afkorτing vóór een niet-geaspireerde klinker: απ' = ap' en vóór een geaspireerde klinker: αφ' = af') αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) .
26καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) Οὕτως (= houtôs: op die wijze, zo; bw van wijze) ἐστὶν ἡ βασιλεία τοῦ θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God) ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) ἄνθρωπος (= anthrôpos: mens; zn nom mann enk) βάλῃ τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) σπόρον ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) γῆς (= gès: aarde, land; zn gen vr enk van het zn γη = gè: aarde, land)
27καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) καθεύδῃ καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐγείρηται νύκτα καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἡμέραν, καὶ (= kai: en; nevensch vw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)σπόρος βλαστᾷ καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) μηκύνηται ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) οἶδεν αὐτός.
28αὐτομάτη ἡ γῆ καρποφορεῖ, πρῶτον χόρτον, εἶτα (= eita: daarop, vervolgens; bw) στάχυν, εἶτα (= eita: daarop, vervolgens; bw) πλήρη[ς] σῖτον ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) στάχυϊ.
29ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) παραδοῖὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)καρπός, εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἀποστέλλει (= apostellei: hij zendt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen afzenden) τὸ δρέπανον, ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) παρέστηκεν ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θερισμός.
30καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) Πῶς (= pôs: hoe; vrag onbep vnw van wijze: hoe) ὁμοιώσωμεν τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) βασιλείαν (= basileian: koninkrijk, koningschap; zn acc vr enk van het zn βασιλεια = basileia: koninkrijk, koningschap) τοῦ θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God), ἢ ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τίνι αὐτὴν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) παραβολῇ θῶμεν;
31ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) κόκκῳ σινάπεως, ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) σπαρῇ ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) γῆς (= gès: aarde, land; zn gen vr enk van het zn γη = gè: aarde, land), μικρότερον ὂν πάντων (= pantôn: van allen, val alles; bv nw gen mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) σπερμάτων τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) γῆς (= gès: aarde, land; zn gen vr enk van het zn γη = gè: aarde, land),
32καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) σπαρῇ, ἀναβαίνει καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) γίνεται (= ginetai: het gebeurt; wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen) μεῖζον πάντων (= pantôn: van allen, val alles; bv nw gen mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) λαχάνων καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ποιεῖ κλάδους μεγάλους, ὥστε (= hôste: zodat; ondergeschikt voegwoord van gevolg) δύνασθαι (= dunasthai: te kunnen; wkw med inf praes van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) ὑπὸ (= hupo: door; vz met 3 naamvallen: gen, dat en acc: door, onder; afkorting: ὑπ' = hup' of ὑφ' = huf') τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) σκιὰν αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πετεινὰ τοῦ οὐρανοῦ (= ouranou: van hemel; zn gen mann enk van het zn ουρανος = ouranos: hemel) κατασκηνοῦν.
33καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τοιαύταις παραβολαῖς (= parabolais: parabolais, gelijkenissen; zn dat vr mv van het zn παραβολη = parabolè: parabel, gelijkenis) πολλαῖς ἐλάλει (= elalei: hij sprak; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord), καθὼς ἠδύναντο ἀκούειν:
34χωρὶς δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) παραβολῆς οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἐλάλει (= elalei: hij sprak; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) κατ' ἰδίαν (= idian: eigene, zelf; bv nw acc vr enk van het bv nw ιδιος = idios: eigen, zelf) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἰδίοις μαθηταῖς (= mathètais: leerlingen; zn dat mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) ἐπέλυεν πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) .
Mc 4,35 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ἐκείνῃ (= ekeinè: tijdens die; aanwijz vnw dat vr enk van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἡμέρᾳ (= hèmera: tijdens de dag; zn dat vr enk van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) ὀψίας (= opsias: 's avonds; zn gen vr enk van het zn οψια = opsia: avond) γενομένης (= genomenès: geworden; wkw med part aor gen vr enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren - stam ge-), Διέλθωμεν (= dielthômen: laten we doorheengaan; wkw aansporend, conjunct aor 1ste pers mv van het wkw διερχομαι = dierchomai: doorheen gaan) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πέραν (= peran: overzijde, overkant; zn acc onz enk).
Mc 4,36 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀφέντες (= afentes: achterlatende, aflatende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ὄχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) παραλαμβάνουσιν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πλοίῳ (= ploiô: in de boot; zn dat onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw pleô: varen; ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἄλλα (= alla: andere; bv nw nom onz mv van het bv nw αλλος = allos: ander) πλοῖα (= ploia: boten; zn nom onz mv van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw πλεω = pleô: varen; πλοιον = ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) μετ' (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 4,37 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) γίνεται (= ginetai: het gebeurt; wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen) λαῖλαψ (= lailaps: storm met regenbuien; zn nom vr enk) μεγάλη (= megalè: groot; bv nw nom vr enk van het bv nw μεγας = megas: groot) ἀνέμου (= anemou: van wind; zn gen mann enk van het zn ανεμος = anemos: wind), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) κύματα (= kumata: golven; zn nom onz mv van het zn κύμα: golf, vloed, stroming) ἐπέβαλλεν εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ πλοῖον (= ploion: boot; zn acc onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw πλεω = pleô: varen; πλοιον = ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot), ὥστε (= hôste: zodat; ondergeschikt voegwoord van gevolg) ἤδη (= èdè: reeds, al; bw) γεμίζεσθαι τὸ πλοῖον (= ploion: boot; zn acc onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw πλεω = pleô: varen; πλοιον = ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot).
38καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) αὐτὸς ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) πρύμνῃ ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τὸ προσκεφάλαιον καθεύδων: καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐγείρουσιν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Διδάσκαλε (= didaskale: goede leermeester; zn voc mann enk van het zn διδασκαλος = di-da-s-k-alos: leraa goede leermeester ; wkw διδασκω = di-da-s-k-ô : onderwijzen, L. docere), οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) μέλει σοι (= soi: aan u; pers vnw 2de pers dat enk van het persoonl vnw συ = su: jij) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἀπολλύμεθα;
39καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) διεγερθεὶς ἐπετίμησεν (= epetimèsen: hij beval; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw επιτιμαω = epitimaô: nadrukkelijk vermanen, 'opdragen', bevelen, berispen) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀνέμῳ καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) θαλάσσῃ (= thalassè: meer, zee; zn dat vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zee, meer), Σιώπα, πεφίμωσο. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐκόπασενὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)ἄνεμος, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai: gebeuren, worden; stam: gen)γαλήνη μεγάλη (= megalè: groot; bv nw nom vr enk van het bv nw μεγας = megas: groot).
40 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) δειλοί ἐστε; οὔπω (= oupô: nog niet; bw) ἔχετε (= echete: jullie hebben; act ind praes 2de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) πίστιν (= pistin: vertrouwen; zn acc vr enk van het zn πιστις = pistis: vertrouwen, geloof);
41καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐφοβήθησαν (= efobèthèsan: zij vreesden; wkw med ind aor 3de pers mv van het wkw φοβεομαι = fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden) φόβον μέγαν, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) ἀλλήλους (= allèlous: anderen; onbep vnw acc mann mv van het onbep vnw αλληλοι = allèloi: elkander, elkaar), Τίς ἄρα οὗτός ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) καὶ (= kai: en; nevensch vw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)ἄνεμος καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἡ θάλασσα ὑπακούει αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij);
Mc 5,1 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἦλθον (= èlthon: zij kwamen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πέραν (= peran: overzijde, overkant; zn acc onz enk) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) θαλάσσης (= thalassès: van het meer; zn gen vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zee, meer) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χώραν (= chôran: streek, plaats; zn acc vr enk van het zn χωρα = chôra: streek, land) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Γερασηνῶν (= gerasènôn: van de Gerasenen; zn eigennaam gen mann mv).
Mc 5,2 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξελθόντος (= ekselthontos: nadat hij was uitgegaan; wkw med part aor gen mann enk van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πλοίου ( = ploiou. boot, zn gen onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw πλεω = pleô: varen; πλοιον = ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ὑπήντησεν (= hupèntèsen: hij trad tegemoet; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ὑπανταω = hupantaô:tegemoet gaan, ontmoeten) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μνημείων (= mnèmeiôn: van de grafgedenktekens; zn gen onz mv van het zn μνημειον = mnèmeion: monument, gedenkteken, graf) ἄνθρωπος (= anthrôpos: mens; zn nom mann enk) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) πνεύματι (= pneumati; zn dat onz enk van het zn πνευμα = pneuma: geest, adem, wind) ἀκαθάρτῳ (= akatharô: met een onzuivere geest; bv nw dat onz enk van het bv nw ακαθαρος = akatharos: onzuiver, onrein),
Mc 5,3 ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κατοίκησιν (= katoikèsin: verblijf; zn acc vr enk van het zn κατοικησις = katoikèsis: woning) εἶχεν (= eichen: het heeft; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μνήμασιν: καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οὐδὲ (= oude: noch; ontkenning; afkorting: ουδ' = oud') ἁλύσει οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet)έτι (= eti: ook, nog; bw) οὐδεὶς (= oudeis: niemand; onbep vnw nom mann enk) ἐδύνατο (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) δῆσαι,
Mc 5,4 διὰ (= dia: door, omwille van, na; vz; afkorting: δι' = di': vóór een klinker) τὸ (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πολλά (= polla: vele dingen); bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l)κις πέδαις καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἁλύσεσιν δεδέσθαι καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) διεσπάσθαι ὑπ' (= hup': door; afkorting van ὑπο = hupo; vz met 3 naamvallen: gen, dat en acc: door, onder) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἁλύσεις καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πέδας συντετρῖφθαι, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οὐδεὶς (= oudeis: niemand; onbep vnw nom mann enk) ἴσχυεν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) δαμάσαι: 5καὶ (= kai: en; nevensch vw) Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) παντὸς νυκτὸς καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἡμέρας ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μνήμασιν καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὄρεσιν ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) κράζων καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) κατακόπτων ἑαυτὸν (= heauton: zichzelf; wederkerig vnw acc mann enk van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf) λίθοις.
Mc 5,6καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἰδὼν (= idôn: gezien; wkw act part aor nom mann enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien ; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Ἰησοῦν (= Ièsoun: Jezus; zn eigennaam acc mann enk van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) μακρόθεν (= makrothen: van verre, in de verte; bw) ἔδραμεν καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) προσεκύνησεν αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij),
Mc 5,7καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) κράξας (= kraksas: schreeuwende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw κραζω = krazô: krijsen, schreeuwen, roepen) φωνῇ (= fônè: met stem, roep; zn dat vr enk van het zn φωνη = fônè: stem, roep) μεγάλῃ (= megalè: groot; bv nw dat vr enk van het bv nw μεγας = megas: groot) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) Τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) ἐμοὶ καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) σοί, Ἰησοῦ υἱὲ τοῦ θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God) τοῦ ὑψίστου; ὁρκίζω σε τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) θεόν, μή με βασανίσῃς.
Mc 5,8ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Ἔξελθε τὸ πνεῦμα (= pneuma: geest, adem, wind; zn nom en acc onz enk) τὸ ἀκάθαρτον (= akatharton: onrein, onzuiver; bn nom en acc onz enk α-καθαρτος = a-kathartos: on-zuiver, on-rein, zie katharen = de reinen) ἐκ τοῦ ἀνθρώπου (= anthrôpou: van een mens; zn gen mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens).
Mc 5,9καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπηρώτα (= epèrôta: hij ondervroeg; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) αὐτόν, Τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) ὄνομά σοι (= soi: aan u; pers vnw 2de pers dat enk van het persoonl vnw συ = su: jij); καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Λεγιὼν ὄνομά μοι (= moi: aan mij; pers vnw 1ste pers dat mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij), ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) πολλοί (= polloi: velen; bv nw nom mann mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) ἐσμεν.
Mc 5,10καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) παρεκάλει (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πολλὰ (= polla: vele dingen); bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) αὐτὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀποστείλῃ ἔξω (= exô: buiten; bw) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) χώρας.
Mc 5,11*)=ην δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἐκεῖ (= ekei: hier; bijw van plaats: hier, daar; Fr.: ici; Ned.: hie-r) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὄρει (= horei: aan de berg; zn dat onz enk van het zn ορος = oros: berg) ἀγέλη χοίρων μεγάλη (= megalè: groot; bv nw nom vr enk van het bv nw μεγας = megas: groot) βοσκομένη:
Mc 5,12καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) παρεκάλεσαν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λέγοντες (= legontes: zeggende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Πέμψον ἡμᾶς (= hèmas: wij; pers vnw 1ste pers acc mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: ons) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) χοίρους, ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἰσέλθωμεν.
Mc 5,13καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπέτρεψεν αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) . καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξελθόντα τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πνεύματα τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀκάθαρτα εἰσῆλθονεἰς (= eis: naar; vz van plaats) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) χοίρους, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὥρμησεν ἡ ἀγέλη κατὰ τοῦ κρημνοῦεἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θάλασσαν (= thalassan: meer, zee; zn acc vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zee, meer), ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) δισχίλιοι, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπνίγοντο ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) θαλάσσῃ (= thalassè: meer, zee; zn dat vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zee, meer).
Mc 5,14καὶ (= kai: en; nevensch vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) βόσκοντες αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἔφυγον (= efugon: zij vluchtten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw φευγω = feugô. vluchten) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπήγγειλαν (= apèggeilan: zij kondigden af, zij deelden mee; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw απαγγελλω = apaggellô: af-kondigen, verkondigen; voorvoegsel ap < apo: van, weg + è : verlenging van de a omwille van het augment van de ind. verleden tijd + stam aggelJ- + uitgang aor 3de pers mv; zie Ned.: engel; Baeyens nr 102, blz 77: "De kenletter s wordt uitgestoten en door vergoeding wordt de stamklinker verlengd : compensatorische rekking; e wordt ei + uitgang act aor 3de pers mv -a-n) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πόλιν (= polin: stad; zn acc vr enk van het zn πόλις = polis: stad) καὶ (= kai: en; nevensch vw) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀγρούς: καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἦλθον (= èlthon: zij kwamen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἰδεῖν τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) τὸ γεγονός.
Mc 5,15καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Ἰησοῦν (= Ièsoun: Jezus; zn eigennaam acc mann enk van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) θεωροῦσιν τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) δαιμονιζόμενον καθήμενον (= kathèmenon: zittend; wkw med part praes acc mann enk van het wkw καθημαι = kathèmai: zich zetten, gaan zitten, zitten) ἱματισμένον καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) σωφρονοῦντα, τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἐσχηκότα τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) λεγιῶνα, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐφοβήθησαν.
Mc 5,16καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) διηγήσαντο αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἰδόντες (= idontes: ziende; wkw act part aor nom mann mv bij het werkw horaô = zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) πῶς (= pôs: hoe; onbep vrag vnw) ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δαιμονιζομένῳ καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) χοίρων.
Mc 5,17καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἤρξαντο (= èrxanto: zij begonnen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen, aanvangen, heersen)παρακαλεῖν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἀπελθεῖν ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὁρίων (= horiôn; van de kleine bergen; zn gen onz mv van het zn ὁριον = horion: kleine berg; zn -ion: verkleinwoord, verzamelnaam, plaatsnaam) αὐτῶν.
Mc 5,18καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐμβαίνοντος αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het)εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ πλοῖον (= ploion: boot; zn acc onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw πλεω = pleô: varen; πλοιον = ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot) παρεκάλει (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)δαιμονισθεὶς ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) μετ' αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ᾖ.
Mc 5,19 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀφῆκεν (= afèken: hij liet achter; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Υπαγε (= hupage: ga weg; wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) οἶκόν (= oikos: huis; zn acc mann enk van het zn οικος = oikos: huis) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) σούς (= sous: de uwen; bezitt vnw 2de pers mv van het bezitt vnw σος = sos: uwe, jouwe), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπάγγειλον (= apèggeilan: zij kondigden af, zij deelden mee; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw απαγγελλω = apaggellô: af-kondigen, verkondigen) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ὅσα (= hosa: zoveel als; onbep vnw nom + acc onz mv van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κύριός (= kurios: heer; zn nom mann enk) σοι (= soi: aan u; pers vnw 2de pers dat enk van het persoonl vnw συ = su: jij) πεποίηκεν (= pepoièken: hij heeft gedaan; wkw act ind perf 3de pers enk van het wkw van het wkw ποιεω = poieô: maken, doen) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἠλέησέν (= eleèsen: hij ontfermde zich; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ελεεω = eleeô: medelijden hebben, erbarmen, zich ontfermen,barmhartig zijn) σε (= se: u; pers vnw 2de pers acc mann enk van het pers vnw συ = su: jij).
Mc 5,20 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπῆλθεν (= apèlthen: hij ging weg; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) κηρύσσειν (= kèrussein (verkondigen; wkw act inf praes van het wkw. κηρυσσω = kèrussô: verkondigen) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) Δεκαπόλει (= dekapolei: in Dekapolis; zn eigennaam dat vr enk van het zn δεκαπολις = dekapôlis: tienstedenstad) ὅσα (= hosa: zoveel als; onbep vnw nom + acc onz mv van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als) ἐποίησεν (= epoièsen: hij deed; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) ἐθαύμαζον.
Mc 5,21καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) διαπεράσαντος τοῦ Ἰησοῦ [ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πλοίῳ (= ploiô: in de boot; zn dat onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw pleô: varen; ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot)] πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ πέραν (= peran: overzijde, overkant; zn acc onz enk) συνήχθη ὄχλος (= ochlos: massa, menigte; zn nom mann enk) πολὺς (= polus: veel; bv nw nom mann enk; stam: p/v - l)ἐπ' (= επ': ep: over; epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; afkortingen : επ' = ep': vóór een niet-aangeblazen klinker, en εφ' = ef': vóór een aangeblazen klinker) αὐτόν, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) παρὰ (= para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par' ; vz met gen, dat en acc) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θάλασσαν (= thalassan: meer, zee; zn acc vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zee, meer) .
22καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔρχεται (= erchetai: hij gaat, hij komt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀρχισυναγώγων, ὀνόματι Ἰάϊρος, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἰδὼν (= idôn: gezien; wkw act part aor nom mann enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien ; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πίπτει πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting)τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πόδας αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het)
23καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) παρακαλεῖ (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πολλὰ (= polla: vele dingen); bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) λέγων (= legôn: zeggend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Τὸ θυγάτριόν μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) ἐσχάτως ἔχει (= echei: hij heeft; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten), ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) ἐλθὼν (= elthôn: gekomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐπιθῇς τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χεῖρας (= cheiras: handen; zn acc vr mv van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) αὐτῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) σωθῇ καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ζήσῃ.
24καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπῆλθεν (= apèlthen: zij gingen weg; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) μετ' αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) . καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἠκολούθει αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ὄχλος (= ochlos: massa, menigte; zn nom mann enk) πολύς, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) συνέθλιβον αὐτόν. 25καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) γυνὴ (= gunè: vrouw; zn nom vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw; er staat niet een moeder ofschoon er onmiddellijk sprake is van haar dochtertje) οὖσα ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ῥύσει αἵματος δώδεκα (= dôdeka: twaalf; hoofdtelw) ἔτη
26καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πολλὰ (= polla: vele dingen); bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) παθοῦσα ὑπὸ (= hupo: door; vz met 3 naamvallen: gen, dat en acc: door, onder; afkorting: ὑπ' = hup' of ὑφ' = huf') πολλῶν ἰατρῶν καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) δαπανήσασα τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) παρ' αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) μηδὲν ὠφεληθεῖσα ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') μᾶλλον (= mallon: meer) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ χεῖρον ἐλθοῦσα (elthousa: gekomen zijnde; wkw act part aor nom vr enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden)
27 ἀκούσασα (= akousasa: gehoord hebbende; wkw act part aor nom vr enk van het wkw ακουω = akouô, Fr.: é-cou-ter) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) τοῦ Ἰησοῦ, ἐλθοῦσα (elthousa: gekomen zijnde; wkw act part aor nom vr enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐν τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὄχλῳ (= ochlô: menigte, massa; zn dat mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) ὄπισθεν ἥψατο (= hèpsato: hij/zij greep vast; hij/zij raakte aan; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ἁπτω = haptô: vastgrijpen, aanraken) τοῦ ἱματίου αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) :
28ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) ἅψωμαι κἂν τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἱματίων αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) σωθήσομαι.
29καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἐξηράνθη ἡ πηγὴ τοῦ αἵματος αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔγνωτῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) σώματι ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἴαται ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) μάστιγος.
Mc 5,30 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) ἐπιγνοὺς (= epignous: begrepen hebbende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw επιγιγνωσκω = epigignôskô: leren kennen, begrijpen) ἐν ἑαυτῷ τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐξ αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) δύναμιν (= dunamin: wonderkracht; zn acc vr enk van het zn δύναμις = dunamis: kracht, macht) ἐξελθοῦσαν ἐπιστραφεὶς (= epistrafeis: omgekeerd; wkw act part aor nom mann enk van het wkw επιστρεφω = epistrefô: naar iets toekeren) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὄχλῳ (= ochlô: menigte, massa; zn dat mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) Τίς μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) ἥψατο (= hèpsato: hij/zij greep vast; hij/zij raakte aan; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ἁπτω = haptô: vastgrijpen, aanraken) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἱματίων;
31καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) βλέπεις (= blepeis: jij ziet; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw βλεπω = blepô: kijken, zien) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ὄχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) συνθλίβοντά σε, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ς, Τίς μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) ἥψατο (= hèpsato: hij/zij greep vast; hij/zij raakte aan; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ἁπτω = haptô: vastgrijpen, aanraken);
32καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) περιεβλέπετο ἰδεῖν τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) τοῦτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) ποιήσασαν.
33ἡ δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) γυνὴ (= gunè: vrouw; zn nom vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw; er staat niet een moeder ofschoon er onmiddellijk sprake is van haar dochtertje) φοβηθεῖσα καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τρέμουσα, εἰδυῖα ὃ γέγονεν (= gegonen: het gebeurde; wkw med / pass ind perf 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen) αὐτῇ (= autè: aan haar; pers vnw enk dat vr enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), ἦλθεν (= èlthen: hij kwam; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) προσέπεσεν (= prosepesen: zij viel bij; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw προσ-πι-π-τω = pros-pi-p-t-ô: vallen bij; stam : pi) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) πᾶσαν τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀλήθειαν.
Mc 5,34 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw; afkorting δ' = d') εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῇ (= autè: aan haar; pers vnw enk dat vr enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Θυγάτηρ (= thugatèr: dochter; zn nom vr enk; stam: th/d - g/ch), ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πίστις σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) σέσωκέν σε: ὕπαγε (= hupage: ga weg; wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen)εἰς (= eis: naar; vz van plaats) εἰρήνην, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἴσθι ὑγιὴς ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) μάστιγός σου.
35ἔτι (= eti: ook, nog; bw) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λαλοῦντος ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) τοῦ ἀρχισυναγώγου λέγοντες (= legontes: zeggende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Ἡ θυγάτηρ σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) ἀπέθανεν (= apethanen: hij stierf; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αποθνῃσκω = apothnè(i)skô: sterven) : τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) ἔτι (= eti: ook, nog; bw) σκύλλεις τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) διδάσκαλον;
36ὁ δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) παρακούσας τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord) λαλούμενον λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀρχισυναγώγῳ, μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) φοβοῦ, μόνον πίστευε.
37καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀφῆκεν (= afèken: hij liet achter; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) οὐδένα (= oudena: niemand; onbep vnw acc mann enk, ουδεις = oud-eis - ουδεμια = oudemia - ουδεν = ouden: nie-mand < niet iemand, niets) μετ' αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) συνακολουθῆσαι εἰ μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Πέτρον (= petron: Petrus; zn eigennaam acc mann enk van het zn eigennaam Πέτρος = petros: Petrus) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Ἰάκωβον (= jakôbon: Jakobus; zn eigennaam acc mann enk van het zn nw ιακωβος = jakôbos: Jakobus) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Ἰωάννην (= Iôannèn: Johannes; zn eigennaam acc mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἀδελφὸν (= adelfon: broer; zn acc mann enk van het zn αδελφος = adelfos: broer) Ἰακώβου.
38καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) οἶκον (= oikon: huis; zn acc mann enk van het zn οικος = oikos: huis) τοῦ ἀρχισυναγώγου, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) θεωρεῖ θόρυβον καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) κλαίοντας καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀλαλάζοντας πολλά (= polla: vele dingen); bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l),
39καὶ (= kai: en; nevensch vw) εἰσελθὼν (= eiselthôn: binnengegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) θορυβεῖσθε καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) κλαίετε; τὸ παιδίον (= paidion: kindje, zn acc onz enk; verkleinwoord van het zn παις = pais: kind) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀπέθανεν (= apethanen: hij stierf; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αποθνῃσκω = apothnè(i)skô: sterven) ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') καθεύδει.
Mc 5,40καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) κατεγέλων αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) . αὐτὸς δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἐκβαλὼν πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) ς παραλαμβάνει (= paralambanei: hij neemt naast zich; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw παραλαμβανω = paralambanô: overnemen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) πατέρα (= patera: vader; zn acc mann enk van het zn πα-τηρ = pa-tèr: va-der) τοῦ παιδίου (= paidiou: van het kind; zn gen onz enk van het zn παιδίον = paidion: kindje, verkleinwoord van het zn παις = pais: kind) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μητέρα (= mètera: moeder; zn acc vr enk van het zn μη-τηρ = mè-tèr : moe-der)καὶ (= kai: en; nevensch vw) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μετ' αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εἰσπορεύεται (eisporeuetai: hij begeeft zich op weg naar; wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw εισ-πορευομαι = eis-poreuomai: zich op weg begeven naar) ὅπου (= hopou: waar; onbep betr bw) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) τὸ :παιδίον (= paidion: kindje, zn acc onz enk; verkleinwoord van het zn παις = pais: kind)
41καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) κρατήσας (= kratèsas: vastgenomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) χειρὸς (= cheiros: van de hand; zn gen mann enk van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) τοῦ παιδίου (= paidiou: van het kind; zn gen onz enk van het zn παιδίον = paidion: kindje, verkleinwoord van het zn παις = pais: kind) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῇ (= autè: aan haar; pers vnw enk dat vr enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Ταλιθα κουμ, ὅ ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) μεθερμηνευόμενον (= methermèneuomenon: vertaald; wkw pass part praes nom onz enk van het wkw μεθερμηνευω = methermèneuô: vertalen). Τὸ κοράσιον, σοὶ (= soi: aan u; pers vnw 2de pers dat enk van het persoonl vnw συ = su: jij) λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), ἔγειρε.
42καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἀνέστη (= anestè: (hij stond op; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αν-ι-στη-μι = an-i-stè-mi:: op-staan; stam: sta-) τὸ κοράσιον καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) περιεπάτει, ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἐτῶν δώδεκα. (= dôdeka: twaalf; hoofdtelw) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξέστησαν [εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord)] ἐκστάσει μεγάλῃ (= megalè: groot; bv nw dat vr enk van het bv nw μεγας = megas: groot).
43καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) διεστείλατο (= diesteilato: hij beval; wkw med aor 3de pers enk van het wkw διαστελλω = diastellô: uiteenhalen, uiteen-stellen, uiteen-zetten, scheiden, bepalen) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) πολλὰ (= polla: vele dingen); bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) (= mèdeis: niemand, nom mann enk, onbep vnw bij imperat of conjunct; < μη- δ-εὶς: mè-d-eis: niet iemand) γνοῖ τοῦτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) δοθῆναι αὐτῇ (= autè: aan haar; pers vnw enk dat vr enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) φαγεῖν (= fagein: te eten; wkw act inf aor (2de) bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102).
Mc 6,1καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξῆλθεν (= exèlthen: hij(ging uit; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐκεῖθεν (= ekeithen; bep van plaats: van-daar; -then / van; ekei: daar, eigenlijk: hier, Fr.: i-c-i, D.: da; verwijst naar de voorgaande plaats) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔρχεται (= erchetai: hij gaat, hij komt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πατρίδα αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀκολουθοῦσιν αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) .
Mc 6,2καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) γενομένου σαββάτου ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) διδάσκειν (= didaskein: te leren; wkw act inf praes van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) συναγωγῇ: καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πολλοὶ (= polloi: velen; bv nw nom mann mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) ἀκούοντες ἐξεπλήσσοντο (= exeplèssonto: zij waren buiten zichzelf; wkw pass ind imperf 3de pers mv van het wkw εκπλησσω = ekplèssô: overvol zijn van; pl -> Ned. vol) λέγοντες (= legontes: zeggende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Πόθεν (= pothen: vanwaar; onbep vrag vnw) τούτῳ (= toutô: dit, deze; aanwijz vnw dat mann enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu)ταῦτα, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τίς (= tis: wie? vrag vnw nom mann enk) ἡ σοφία ἡ δοθεῖσα τούτῳ (= toutô: dit, deze; aanwijz vnw dat onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu)καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) αἱ (= hai: de; bep lidw nom vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δυνάμεις τοιαῦται Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) χειρῶν αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) γινόμεναι;
Mc 6,3οὐχ οὗτός ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)τέκτων,ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)υἱὸς (= huios: zoon; zn nom mann enk) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Μαρίας καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀδελφὸς (= adelfos: broer; zn nom mann enk) Ἰακώβου καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Ἰωσῆτος καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Ἰούδα καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Σίμωνος (= simônos: van Simon); zn eigennaam gen mann enk van het zn σιμων = Simôn: Simon); καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) εἰσὶν αἱ (= hai: de; bep lidw nom vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀδελφαὶ αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὧδε (= hôde: hier; bw van plaats) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) ἡμᾶς (= hèmas: wij; pers vnw 1ste pers acc mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: ons); καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐσκανδαλίζοντο ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij).
Mc 6,4καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)Ἰησοῦς ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat.: esse) προφήτης (= profètès: profeet, voor-spreker, woordvoerder, predikant, zn nom mann enkr; zie Lat.: praedicare: prediken) ἄτιμος εἰ μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) πατρίδι αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) συγγενεῦσιν αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) οἰκίᾳ (= oikia(i): huis; zn dat vr enk van het zn οικια = oikia: huis) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) .
Mc 6,5καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἐδύνατο ἐκεῖ (= ekei: hier; bijw van plaats: hier, daar; Fr.: ici; Ned.: hie-r) ποιῆσαι (= poièsai: te doen; wkw act inf aor van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) οὐδεμίαν δύναμιν (= dunamin: wonderkracht; zn acc vr enk van het zn δύναμις = dunamis: kracht, macht), εἰ μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ὀλίγοις ἀρρώστοις ἐπιθεὶς τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χεῖρας (= cheiras: handen; zn acc vr mv van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) ἐθεράπευσεν (= etherapeusen: hij genas; wkw act indic aor 3de pers enk van het wkw θεραπευω = therapeuô: genezen, verzorgen):
Mc 6,6καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐθαύμαζεν Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀπιστίαν αὐτῶν. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) περιῆγεν τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κώμας (= kômas: dorpen; zn acc vr mv van het zn κωμη = kômè: dorp) κύκλῳ διδάσκων (= didaskôn: onderrichtend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c).
Mc 6,7καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) προσκαλεῖται τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) δώδεκα (= dôdeka: twaalf; hoofdtelw), καὶ (= kai: en; nevensch vw) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἀποστέλλειν δύο (= duo: twee; hoofdtelw) δύο, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐδίδου (= edidou: hij gaf; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ἐξουσίαν (= exousian: macht, gezag; zn acc vr enk van het zn εξουσια = exousia: gezag, macht) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πνευμάτων τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀκαθάρτων:
Mc 6,8καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) παρήγγειλεν αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) μηδὲν αἴρωσινεἰς (= eis: naar; vz van plaats) ὁδὸν (= hodon: weg; zn acc vr enk van het zn ὁδὸς = hodos: weg) εἰ μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ῥάβδον μόνον, μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἄρτον, μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) πήραν, μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan)εἰς (= eis: naar; vz van plaats) (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ζώνην (= zônèn: gordel; zn acc vr enk van het zn ζώνη = zônè: gordel) χαλκόν,
Mc 6,9ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') ὑποδεδεμένους σανδάλια καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἐνδύσησθε δύο χιτῶνας.
Mc 6,10καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Οπου ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) εἰσέλθητεεἰς (= eis: naar; vz van plaats) οἰκίαν (= oikian: huis; zn acc vr enk van het zn οικια = oikia: huis), ἐκεῖ (= ekei: hier; bijw van plaats: hier, daar; Fr.: ici; Ned.: hie-r) μένετε ἕως (= heôs: tot, totdat; onderschikkend vw of vz) ἂν ἐξέλθητε ἐκεῖθεν (= ekeithen; bep van plaats: van-daar; -then / van; ekei: daar, eigenlijk: hier, Fr.: i-c-i, D.: da; verwijst naar de voorgaande plaats) .
Mc 6,11καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) ἂν τόπος μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) δέξηται ὑμᾶς (= humas: jullie, pers vnw 2de pers acc mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) μηδὲ (= mède: niet echter < mè: niet, ontkenning bij conjunct + de = de: echter, lichte tegenstelling; partikel ἀκούσωσιν ὑμῶν (= humôn: van jullie; pers vnw 2de pers gen mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie), ἐκπορευόμενοι ἐκεῖθεν (= ekeithen; bep van plaats: van-daar; -then / van; ekei: daar, eigenlijk: hier, Fr.: i-c-i, D.: da; verwijst naar de voorgaande plaats) ἐκτινάξατε τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) χοῦν τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ὑποκάτω (= hupokatô: onder, beneden; vz + gen) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ποδῶν (= podôn: voeten; zn gen vr mv van het zn πους = pous, podos: voet; stam: p/v - d/t) ὑμῶν (= humôn: van jullie; pers vnw 2de pers gen mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) μαρτύριον αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) .
Mc 6,12καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξελθόντες (= ekselthontes; uitgegaan zijnde; wkw act part aor nom mann mv van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐκήρυξαν ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) μετανοῶσιν,
Mc 6,13καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) δαιμόνια (= daimonia: demonen; zn acc onz mv van het zn δαιμόνιον = daimonion: demon) πολλὰ (= polla: vele dingen); bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) ἐξέβαλλον, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἤλειφον ἐλαίῳ πολλοὺς (= pollous: velen; bv nw acc mann mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) ἀρρώστους καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐθεράπευον.
Mc 6,14καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἤκουσενὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)βασιλεὺς Ἡρῴδης, φανερὸν γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai: gebeuren, worden; stam: gen) τὸ ὄνομα αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Ἰωάννης (= Jôannès: Johannes; zn eigennaam nom mann enk) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)βαπτίζων (= baptidzôn: dopende, de Doper; - eventueel bijnaam - wkw act part praes nom mann enk van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen; zie het Hebreeuwse wkw tâbal; metathesis van t-b?) ἐγήγερται ἐκ νεκρῶν (= vekrôn: uit de doden; bv nw / zn gen mann mv van het bv nw / zn νεκρος = nekros: dode), καὶ (= kai: en; nevensch vw) Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τοῦτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) ἐνεργοῦσιν αἱ (= hai: de; bep lidw nom vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δυνάμεις ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij).
Mc 6,15ἄλλοι (= alloi: anderen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw αλλος = allos: ander) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Ἠλίας (= èlias; Elia; zn eigennaam nom mann enk) ἐστίν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-, zie Lat.: esse): ἄλλοι (= alloi: anderen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw αλλος = allos: ander) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) προφήτης (= profètès: profeet, voor-spreker, woordvoerder, predikant, zn nom mann enkr; zie Lat.: praedicare: prediken) ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) προφητῶν (= profètôn: van de profeten, voor-sprekers, woordvoerders, predikanten, zn gen mann mv van het zn προπητης: profeet, voor-spreker, woordvoerder; zie Lat.: praedicare: prediken).
Mc 6,16ἀκούσας (= akousas: horende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw)ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)Ἡρῴδης ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) Ὃν ἐγὼ (= egô: ik - mij; pers vnw 1ste pers enk) ἀπεκεφάλισα Ἰωάννην, (= Iôannèn: Johannes; zn eigennaam acc mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes) οὗτος :(= houtos: deze; aanwijz voornaamw nom mann enk) ἠγέρθη (= ègerthè: hij werd opgewekt; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken).
Mc 6,17Αὐτὸς γὰρ (nevenschikkend vw van reden: want) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)Ἡρῴδης ἀποστείλας ἐκράτησεν τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Ἰωάννην (= Iôannèn: Johannes; zn eigennaam acc mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔδησεν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd)φυλακῇ Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) Ἡρῳδιάδα τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γυναῖκα (= gunaika: een vrouw; zn acc vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw) Φιλίππου τοῦ ἀδελφοῦ αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) αὐτὴν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἐγάμησεν:
Mc 6,18ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) γὰρ (nevenschikkend vw van reden: want) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)Ἰωάννης (= Jôannès: Johannes; zn eigennaam nom mann enk) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἡρῴδῃ ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔξεστίν σοι (= soi: aan u; pers vnw 2de pers dat enk van het persoonl vnw συ = su: jij) ἔχειν τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γυναῖκα (= gunaika: een vrouw; zn acc vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw) τοῦ ἀδελφοῦ σου.
Mc 6,19ἡ δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Ἡρῳδιὰς ἐνεῖχεν αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἤθελεν (= èthelen: hij wilde; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw θελω = thelô: willen; een verlengd augment in het imperf) (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἀποκτεῖναι, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἠδύνατο:
Mc 6,20ὁ γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) Ἡρῴδης ἐφοβεῖτο τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Ἰωάννην (= Iôannèn: Johannes; zn eigennaam acc mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes), εἰδὼς (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἄνδρα δίκαιον καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἅγιον, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) συνετήρει αὐτόν, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀκούσας (= akousas: horende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πολλὰ (= polla: vele dingen); bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) ἠπόρει, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἡδέως (= hèdeôs: graag, welwillend; bw) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἤκουεν (= èkouen: hij hoorde; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren).
Mc 6,21καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) γενομένης (= genomenès: geworden; wkw med part aor gen vr enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren - stam ge-) ἡμέρας εὐ(= kai: en; nevenschikkend vw) ρου ὅτε (= hote: toen; ondergeschikt vw van tijd) Ἡρῴδης τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γενεσίοις αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) δεῖπνον ἐποίησεν (= epoièsen: hij deed; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μεγιστᾶσιν αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χιλιάρχοις καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πρώτοις τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Γαλιλαίας (= Galilaias: langs Galilea; zn eigennaam gen vr enk van het zn γαλιλαια = galilaia: Galilea),
Mc 6,22καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εἰσελθούσης τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) θυγατρὸς αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) Ἡρῳδιάδος καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὀρχησαμένης, ἤρεσεντῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἡρῴδῃ καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) συνανακειμένοις. εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep)ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)βασιλεὺςτῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κορασίῳ, Αἴτησόν με ὃ ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) θέλῃς, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) δώσω σοι (= soi: aan u; pers vnw 2de pers dat enk van het persoonl vnw συ = su: jij):
Mc 6,23καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὤμοσεν αὐτῇ (= autè: aan haar; pers vnw enk dat vr enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het)[πολλά (= polla: vele dingen); bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l)], Ο τι ἐάν (= ean: indien, ondergeschikt vw + conjunct om een voorwaarde in de toekomst uit te drukken) με αἰτήσῃς δώσω σοι (= soi: aan u; pers vnw 2de pers dat enk van het persoonl vnw συ = su: jij) ἕως (= heôs: tot, totdat; onderschikkend vw of vz) ἡμίσους τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) βασιλείας (= basileias: van het koningschap; zn gen vr enk van het zn βασιλεια = basileia: koninkrijk, koningschap) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij).
Mc 6,24καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξελθοῦσα εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) μητρὶ αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) αἰτήσωμαι; ἡ δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κεφαλὴν Ἰωάννου (= Jôannou: van Johannes; zn eigennaam gen mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes) τοῦ βαπτίζοντος.
Mc 6,25καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εἰσελθοῦσα εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) μετὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) σπουδῆς πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) βασιλέα ᾐτήσατο λέγουσα, Θέλω ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) ἐξαυτῆς δῷς μοι (= moi: aan mij; pers vnw 1ste pers dat mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij) ἐπὶ πίνακι τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κεφαλὴν Ἰωάννου (= Jôannou: van Johannes; zn eigennaam gen mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes) τοῦ βαπτιστοῦ.
Mc 6,26καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) περίλυπος γενόμενος (= genomenos: geworden; wkw med part aor nom mann enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren - stam ge-) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)βασιλεὺςΔιὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὅρκους καὶ (= kai: en; nevensch vw) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀνακειμένους οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἠθέλησεν ἀθετῆσαι αὐτήν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij):
Mc 6,27καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἀποστείλαςὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)βασιλεὺς σπεκουλάτορα ἐπέταξεν ἐνέγκαι τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κεφαλὴν αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) . καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπελθὼν (= apelthôn: weggegaan; wkw med of pass part aor nom mann enk van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) ἀπεκεφάλισεν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) φυλακῇ
Mc 6,28καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἤνεγκεν τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κεφαλὴν αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) πίνακι καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔδωκεν αὐτὴν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κορασίῳ, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τὸ κοράσιον ἔδωκεν αὐτὴν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) μητρὶ αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij).
Mc 6,29καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀκούσαντεςοἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἦλθον (= èlthon: zij kwamen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἦραν (= èran: zij namen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αιρω = airô: nemen) τὸ πτῶμα αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔθηκαν αὐτὸ ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) μνημείῳ.
Mc 6,30 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) συναγονται (= sunagontai: zij verzamelen zich; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun- : samen, stam s-m/n + stam ag- + themavocaal o: zie Baeyens 75,2: "De themavocaal is o vóór m en n', + ntai: uitgang 3de pers mv) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀπόστολοι (= apostoloi: apostelen; zn nom mann mv van het zn αποστολος = apostolos: apostel, gezondene; voorvoegsel : απο = apo: af, weg + stam stol = stol < stel + uitgang οι = oi: nom mann mv; zie het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Ἰησοῦν (= Ièsoun: Jezus; zn eigennaam acc mann enk van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπήγγειλαν (= apèggeilan: zij kondigden af, zij deelden mee; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw απαγγελλω = apaggellô: af-kondigen, verkondigen; voorvoegsel ap < apo: van, weg + è : verlenging van de a omwille van het augment van de ind. verleden tijd + stam aggelJ- + uitgang aor 3de pers mv; zie Ned.: engel; Baeyens nr 102, blz 77: "De kenletter s wordt uitgestoten en door vergoeding wordt de stamklinker verlengd : compensatorische rekking; e wordt ei + uitgang act aor 3de pers mv -a-n) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ὅσα (= hosa: zoveel als; onbep vnw nom + acc onz mv van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als) ἐποίησαν (= epoièsan: zij deden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ποιεω = poieô: maken, doen; augment van de ind verleden tijd e + stam poie met verlenging tot è, zie Baeyens 86,3 "Bij contracte wkw wordt de stamklinker verlengd" + eerste kenletter van de 1ste aorist s + uitgang act aor 3de pers mv -a-n) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ὅσα (= hosa: zoveel als; onbep vnw nom + acc onz mv van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als) ἐδίδαξαν (= edidaksan: zij onderrichtten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw διδασκω = didaskô: leren, onderrichten; augment ind verleden tijd e + stam didak - de eigenlijke stam is d-k - + eerste kenletter van de 1ste aorist s - de k + s wordt samengetrokken tot ks zie Baeyens 15,7 - + uitgang act aor 3de pers mv -a-n).
Mc 6,31 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij), Δεῦτε (= deute: welaan; bw) ὑμεῖς (= humeis: jullie; pers vnw 2de pers nom mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) αὐτοὶ (= autoi: zij zelf; pers vnw 3de pers nom mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) κατ' (= afkorting: κατ' = kat' van vz kata: van... naar beneden, volgens) ἰδίαν (= idian: eigene, zelf; bv nw acc vr enk van het bv nw ιδιος = idios: eigen, zelf) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) ἔρημον (= erèmon: woestijn; zn acc vr enk van het zn ερημος = erèmos: woestijn, eenzame plaats) τόπον (= topon: plaats; zn acc mann enk van het zn τοπος = topos: plaats, streek; zie Ned. topografie) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀναπαύσασθε (= anapauesthe: rust uit; wkw med imperat praes 2de pers mv van het wkw ἀναπαυω = anapauô; med: halt houden, rust nemen; zie Ned. pauze) ὀλίγον (= oligon: weinig; bw; zie Ned olig-archie: macht met weinigen) . ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) γὰρ (= gar: want; nevenschikkend vw van reden) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐρχόμενοι (= erchomenoi: komenden; wkw med part praes nom mann mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) (= kai: en; οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὑπάγοντες (= hupagontes: weggaanden; wkw act part praes nom mann mv van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen) πολλοί (= polloi: velen; bv nw nom mann mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) οὐδὲ (= oude: noch; ontkenning; afkorting: ουδ' = oud') φαγεῖν (= fagein: te eten; wkw act inf aor (2de) bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102) εὐκαίρουν (= eukairoun: zijn vonden gelegenheid; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ευκαιρεω = eukaireô : vrije tijd hebben, gelegenheid vinden; < eu : goed + kair-: gepaste tijd, geschikt moment; augment: "De tweeklank eu kan ongewijzigd blijven of veranderen in èu": Baeyens, nr 70,2, blz 53).
Mc 6,32 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπῆλθον (= apèlthon: zij gingen weg; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πλοίῳ (= ploiô: in de boot; zn dat onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw pleô: varen; ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) ἔρημον (= erèmon: woestijn; zn acc vr enk van het zn ερημος = erèmos: woestijn, eenzame plaats) τόπον (= topon: plaats; zn acc mann enk van het zn τοπος = topos: plaats, streek; zie Ned. topografie) κατ' (= afkorting: κατ' = kat' van vz kata: van... naar beneden, volgens) ἰδίαν (= idian: eigene, zelf; bv nw acc vr enk van het bv nw ιδιος = idios: eigen, zelf).
Mc 6,33 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εἶδον (= eidon: zij zagen; wkw act ind aor 3de pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὑπάγοντας (= hupagontas: weggaanden; wkw act part praes acc mann mv van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπέγνωσαν (= epegnôsan: zij herkenden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw επιγιγνωσκω = epigignôskô: leren kennen, begrijpen; voorvoegsel epi + stam gno- of gnô - Ned. : k-n -; athematische aor, de aor wordt zonder themaklinker rechtstreeks van de stam gevormd -> augment e + gnô; act ind aor 3de pers mv egnôsan; wkw met praesensversterking sk :Baeyens nr 134 blz 100 en 130d blz 97; wkw stam krijgt een verdubbeling in de praesens gi-gnô-sk-ô : Baeyens 130a blz 97) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πολλοί (= polloi: velen; bv nw nom mann mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) πεζῇ (= pedzè: te voet; bw; zie πους = pous, ποδος = podos: voet; stam : p/v - d/t) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) πασῶν (= pasôn: van alle; bv nw gen vr mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πόλεων (= poleôn: van steden; zn gen vr mv van het zn πόλις = polis: stad; zie Ned. metropool) συνέδραμον (= sunedramon: zij liepen bijeen; wkw voorzetsel sun = samen + act ind aor (2de) 3de pers mv bij het wkw τρεχω = trechô = lopen ; zn dromos: wedren, loop; zie het Ned. tre-den) ἐκεῖ (= ekei: hier; bijw van plaats: hier, daar; Fr.: ici; Ned.: hie-r) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) προῆλθον (= proèlthon: zij kwamen vóór; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw προερχομαι = proerchomai: vóórgaan; wkw met 2 verschillende stammen; in aor stam el, zie het Franse al-l-er) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) συνῆλθον (= sunèlthon: zij kwamen samen; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw συνερχομαι = sunerchomai: samengaan; wkw met 2 verschillende stammen; in aor stam el, zie het Franse al-l-er) πρὸς (= pros: naar, bij; vz van plaats, nl richting) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 6,34 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξελθὼν (= ekselthôn= uitgegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εξερχομαι = eks-erchomai: uit-gaan; stam elth; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἶδεν (= eiden: hij zag; wkw act ind aor 3de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) πολὺν (= polun: veel; bv nw acc mann enk van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) ὄχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐσπλαγχνίσθη (= esplachnisthè: hij had medelijden; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw σπλαγχνιζομαι = splagchnizômai: zich ontfermen, medelijden hebben, innerlijk bewogen zijn; zie zn σπλαγχνον = splagchnon: binnenste delen, ingewanden; stam spl-ch) ἐπ' (= επ': ep: over; epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; afkortingen : επ' = ep': vóór een niet-aangeblazen klinker, en εφ' = ef': vóór een aangeblazen klinker) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) πρόβατα (= probata: schapen; zn nom + acc onz mv van het zn προβατον = probaton: schaap) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἔχοντα (= echonta: hebbende; wkw act part praes nom onz mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ποιμένα (= poimena: herder; zn acc mann enk van het zn ποιμην = poimèn: herder; zie wkw ποιμαινω = poimainô: herderen, hoeden, beschermen), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) διδάσκειν (= didaskein: te leren; wkw act inf praes van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πολλά (= polla: vele dingen; bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l).
35καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἤδη (= èdè: reeds, al; bw) ὥρας πολλῆς γενομένης (= genomenès: geworden; wkw med part aor gen vr enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren - stam ge-) προσελθόντες (= proselthontes: naderbij gekomen; wkw act part aor nom mann mv van het wkw προσερχομαι = proserchomai: naderbijkomen; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Ἔρημός ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)τόπος, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἤδη (= èdè: reeds, al; bw) ὥρα πολλή:
36ἀπόλυσον αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) ἀπελθόντες (= apelthontes: weggaand; wkw med of pass part aor nom mann mv van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) κύκλῳ ἀγροὺς καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) κώμας (= kômas: dorpen; zn acc vr mv van het zn κωμη = kômè: dorp) ἀγοράσωσιν ἑαυτοῖς τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) φάγωσιν (= fagôsin: zij zouden eten; wkw act conjunct aor 3de pers mv bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102).
37ὁ δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἀποκριθεὶς (= apokritheis: geantwoord hebbende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Δότε (= dote: geeft; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ὑμεῖς (= humeis: jullie; pers vnw 2de pers nom mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) φαγεῖν (= fagein: te eten; wkw act inf aor (2de) bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Ἀπελθόντες ἀγοράσωμεν δηναρίων (= dènariôn: van denariën; zn gen onz mv van het zn δηναριον = dènarion: denarie) διακοσίων ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) δώσομεν αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) φαγεῖν (= fagein: te eten; wkw act inf aor (2de) bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102);
38ὁ δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Πόσους (= posous: hoeveel; onbep vrag vnw acc mann mv van het onep vrag vnw ποσοι = posoi: hoeveel) ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) ἔχετε (= echete: jullie hebben; act ind praes 2de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten); ὑπάγετε ἴδετε. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) γνόντες λέγουσιν, Πέντε, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) δύο (= duo: twee; hoofdtelw) ἰχθύας.
39καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπέταξεν αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ἀνακλῖναι πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) ς συμπόσια συμπόσια ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χλωρῷ χόρτῳ.
Mc 6,40καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀνέπεσαν πρασιαὶ πρασιαὶ κατὰ ἑκατὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) κατὰ πεντήκοντα.
41καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λαβὼν (= labôn: genomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) πέντε (= pente: vijf, 5; hoofdtelw) ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) καὶ (= kai: en; nevensch vw) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δύο (= duo: twee; hoofdtelw) ἰχθύας ἀναβλέψας (= anablepsas: omhooggeblikt; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αναβλεπω = anablepô: naar boven / omhoog blikken, opkijken) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) οὐρανὸν (= ouranon: hemel; zn acc mann enk van het zn ουρανος = ouranos: hemel) εὐλόγησεν καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) κατέκλασεν τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐδίδου (= edidou: hij gaf; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταῖς (= mathètais: leerlingen; zn dat mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) [αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ] ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) παρατιθῶσιν (= paratithôsin: zij zouden voorzetten; wkw act conjunct praes 3de pers mv van het wkw παρατιθημι = voorzetten, bijzetten) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) καὶ (= kai: en; nevensch vw) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δύο (= duo: twee; hoofdtelw) ἰχθύας ἐμέρισεν πᾶσιν.
42καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔφαγον (= efagon: zij aten; wkw act ind aor 1ste pers enk en 3de pers mv bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102) πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐχορτάσθησαν (= echorasthèsan: zij werden verzadigd; wkw pass ind aor 3de pers mv van het wkw χορταζω = chortazô: vet mesten, voeden, verzadigen):
43καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἦραν (= èran: zij namen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αιρω = airô: nemen) κλάσματα δώδεκα (= dôdeka: twaalf; hoofdtelw) κοφίνων πληρώματα (= plèrômata: volheden; zn acc onz mv van het zn πληρώμα = plèrôma: volheid, lading, volledig aantal) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἰχθύων.
Mc 6,44 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) φαγόντες (= fagontes: etenden; wkw act part aor mann mv bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102) [τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d)] πεντακισχίλιοι (= pentakischilioi: vijfduizend; bv nw hoofdtelw nom mann mv). ἄνδρες (= andres: mannen; zn nom mann mv van het zn ανηρ = anèr: man).
45καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἠνάγκασεν τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) μαθητὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐμβῆναιεἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ πλοῖον (= ploion: boot; zn acc onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw πλεω = pleô: varen; πλοιον = ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) προάγεινεἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ πέραν (= peran: overzijde, overkant; zn acc onz enk) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) Βηθσαϊδάν (= bèthsaïdan: Betsaïda; zn eigennaam acc vr enk van het zn βηθσαιδα = bèthsaïda: Betsaïda), ἕως (= heôs: tot, totdat; onderschikkend vw of vz) αὐτὸς ἀπολύει τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ὄχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte).
46καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀποταξάμενος αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ἀπῆλθεν (= apèlthen: zij gingen weg; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ ὄρος (= oros: berg; zn nom en acc onz enk) προσεύξασθαι.
47καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὀψίας (= opsias: 's avonds; zn gen vr enk van het zn οψια = opsia: avond) γενομένης (= genomenès: geworden; wkw med part aor gen vr enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren - stam ge-) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) τὸ πλοῖον (= ploion: boot; zn acc onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw πλεω = pleô: varen; πλοιον = ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) μέσῳ (= mesô: in het midden van; bv nw dat onz enk van het bv nw μεσος = mesos: zich in het midden bevindend) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) θαλάσσης, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) αὐτὸς μόνος ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) γῆς (= gès: aarde, land; zn gen vr enk van het zn γη = gè: aarde, land).
48καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἰδὼν (= idôn: gezien; wkw act part aor nom mann enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien ; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) βασανιζομένους ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐλαύνειν, ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) γὰρ (nevenschikkend vw van reden: want) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)ἄνεμος ἐναντίος αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) τετάρτην φυλακὴν τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) νυκτὸς ἔρχεται πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) περιπατῶν ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τῆς θαλάσσης: καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἤθελεν (= èthelen: hij wilde; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw θελω = thelô: willen; een verlengd augment in het imperf) παρελθεῖν αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
49οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἰδόντες (= idontes: ziende; wkw act part aor nom mann mv bij het werkw horaô = zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) θαλάσσης περιπατοῦντα ἔδοξαν ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) φάντασμά ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀνέκραξαν:
Mc 6,50πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἶδον καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐταράχθησαν.ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἐλάλησεν μετ' αὐτῶν, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Θαρσεῖτε, ἐγώ εἰμι: (= eimi: ik ben; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat.: esse) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) φοβεῖσθε.
51καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀνέβη πρὸς (= pros : naar; vz van plaats, nl richting) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τὸ πλοῖον (= ploion: boot; zn acc onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw πλεω = pleô: varen; πλοιον = ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐκόπασενὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)ἄνεμος. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λίαν [ἐκ περισσοῦ] ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ἑαυτοῖς ἐξίσταντο,
Mc 6,52 ου (ου - ουκ (vóór een medeklinker) - ουχ (vóór een aanblazing) = ou - ouk - ouch: niet; partikel van ontkenning: niet < n-iet-s) γὰρ (= gar: want, immers; nevenschikkend vw van reden) συνῆκαν (= sunèkan: zij begrepen; wkw act ind 2de aor 3de pers mv van het wkw συν-ιημι = sun-ièmi: verstaan, begrijpen) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἄρτοις (= artois: broden; zn dat mann mv van het zn αρτος = artos: brood), ἀλλ' (= all': maar; afkorting van αλλα = alla; partikel van tegenstelling) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἡ (= hè; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) καρδία (= kardia: hart; zn nom vr enk van het zn καρδια = hart; Lat.: cor, cordis) πεπωρωμένη (= pepôrômenè: verhard; wkw pass part perf nom vr enk van het wkw πωροω = pôroô: verharden, verstokt worden; zie Ned.: poreus).
Mc 6,53 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) διαπεράσαντες ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γῆν ἦλθον (= èlthon: zij kwamen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Γεννησαρὲτ καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et.ων Hebr: wë. Arab: wa) προσωρμίσθησαν.
54 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξελθόντων αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἐκ τοῦ πλοίου ( = ploiou. boot, zn gen onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw πλεω = pleô: varen; πλοιον = ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἐπιγνόντες (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het)
Mc 6,55 περιέδραμον ὅλην τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χώραν (= chôran: streek, plaats; zn acc vr enk van het zn χωρα = chôra: streek, land) ἐκείνην καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἤρξαντο (= èrxanto: zij begonnen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen, aanvangen, heersen) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κραβάττοις τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κακῶς (= kakôs: slecht, kwaad; bw) ἔχοντας (= echontas: hebbende; wkw act part praes acc mann mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) περιφέρειν ὅπου (= hopou: waar; onbep betr bw) ἤκουον (= èkouon: zij hoorden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren)ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἐστίν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-, zie Lat.: esse).
Mc 6,56 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὅπου (= hopou: waar; onbep betr bw) ἂν εἰσεπορεύετοεἰς (= eis: naar; vz van plaats) κώμας (= kômas: dorpen; zn acc vr mv van het zn κωμη = kômè: dorp) ἢ εἰς (= eis: naar; vz van plaats) πόλεις ἢεἰς (= eis: naar; vz van plaats) ἀγροὺς ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ταῖς (= tais: aan de; bep lidw dat vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀγοραῖς ἐτίθεσαν τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀσθενοῦντας, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) παρεκάλουν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) κἂν τοῦ κρασπέδου τοῦ ἱματίου αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἅψωνται: καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὅσοι ἂν ἥψαντο αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐσῴζοντο.
Mc 7,1 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. L at: et. Hebr: wë. Arab: wa) συνάγονται (= sunagontai: zij drijven samen; ww med ind praes 3de pers mv van het ww συναγω: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun- : samen, stam s-m/n + stam ag- + themavocaal o (zie Baeyens 75,2: "De themavocaal is o vóór m en n') + ntai: uitgang 3de pers mv; hetzelfde aantal lettergrepen als het woord συν-αγ-ωγ-η = sunagôgè: bijeenkomst) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Φαρισαῖοι (= Farisaioi: Farizeeën; zn nom mann mv van het zn φαρισαιος = farisaios: Farizeeër; Griekse uitgang -aios: zn naar bv nw zelfstandig gebruikt: afgescheidene; Hebr: mv përusjim van het ww pârasj: onderscheiden, 'apart' zetten) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τινες (= tines: sommigen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw τις - τι = tis, ti: iemand, iets; mv: sommigen)τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) γραμματέων (= grammateôn: van de schriftgeleerden; zn gen mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde (uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; = grafeus is een schrijver); γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter (uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα (assimilatie van de f aan de m), grafô: graveren, griffen, schrijven) ἐλθόντες (= elthontes: komende; ww med part aor nom mann mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 ww met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) Ἱεροσολύμων (= hierosolumôn: van Jeruzalem; zn eigennaam gen onz mv van het znἹεροσόλυμα (= Hierosuluma: Jeruzalem; zn eigennaam acc onz enk. Het zn wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel; in 3 verzen door het voorzetsel απο = apo: van-weg + gen Ἱεροσόλυμων = Hierosolumôn, in 7 door εις = eis: naar + acc Ἱεροσόλυμα = Hierosoluma) = Hierosuluma: Jeruzalem)
Mc 7,2 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἰδόντες (= idontes: ziende; wkw act part aor nom mann mv bij het werkw horaô = zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) τινὰς (= tinas: sommigen; onbep vnw acc mann mv van het onbep vnw τις - τι = tis, ti: iemand, iets; mv: sommigen)τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθητῶν (= mathètôn: van de leerlingen; zn gen mann mv van μαθητης = mathè-tès : leer-ling; wkw μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô: leren ; Hebr.: lâ-m-ad. Stam : (l)-m-th/d.) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) κοιναῖς (= koinais: met onreine…; bijv nw dat vr mv van het bijv nw κοινος = koinos: gemeenschappelijk, profaan, onheilig, onrein) (= koinais: met onreine…; bijv nw dat vr mv van het bijv nw κοινος = koinos: gemeenschappelijk, profaan, onheilig, onrein) χερσίν (= chersin: met handen; zn dat vr mv van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep gr-: grijpen), τοῦτ' (afkorting vóór een klinker van τοῦτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom of acc onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) ἔστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-, zie Lat.: esse) ἀνίπτοις (= aniptois: met ongewassen; bijv nw dat mann mv van het bijv nw a-niptos: on-ge-wassen zie het wkw niptô: wassen) ἐσθίουσιν (= esthiousin: zij eten; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai aor. εφαγον = efagon perf. εδηδως = edèdôs wkw met verschillende stammen, zie Baeyens nr 136 blz 102) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d)
Mc 7,3 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) Φαρισαῖοι (= Farisaioi: Farizeeën; zn nom mann mv van het zn φαρισαιος = farisaios: Farizeeër; Griekse uitgang -aios: zn naar bv nw zelfstandig gebruikt: afgescheidene; Hebr: mv përusjim van het ww pârasj: onderscheiden, 'apart' zetten) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) οἱ(= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰουδαῖοι (= ioudaioi: joden, Judeeërs; zn nom mann mv van het zn ιουδαιος = ioudaios: jood, Judeeër; in feite een bv nw eindigend op -aios gevormd op basis van het zn Judea, het gebied van Juda die één van de 12 zonen van Jakob is) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) πυγμῇ (= pugmè: met een vuist; zn dat vr enk van het zn πυγμη = pug-mè: vuist) νίψωνται (= nipsôntai: zij zouden wassen; wkw med conjunct aor 3de pers mv van het wkw νιπτω = viptô: wassen) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χεῖρας (= cheiras: handen; zn acc vr mv van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἐσθίουσιν (= esthiousin: zij eten; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai aor. εφαγον = efagon perf. εδηδως = edèdôs wkw met verschillende stammen, zie Baeyens nr 136 blz 102), κρατοῦντες (= kratountes: bevestigende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw κρατεω = krateô: krachtig zijn zich meester maken over) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παράδοσιν (= paradosin: doorgeving, overlevering; zn acc vr enk van het zn παραδοσις = para-dosis: over-lever-ing; stam do-, zie Lat.: da-re) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πρεσβυτέρων (= presbuterôn: van de ouderen / priesters; bv nw zelfstandig gebruikt comparatief gen mann mv van het bv nw presbu-teros: oud-er; Ned.: priester),
Mc 7,4 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπ' (= ap, afkorting van απο = apo: af, van-weg); vz van plaats; afkorτing vóór een niet-geaspireerde klinker: απ' = ap' en vóór een geaspireerde klinker: αφ' = af') ἀγορᾶς (= agoras: van de markt; zn gen vr enk van het zn αγορα = agora: koopplaats, markt; zie het wkw αγοραζω = agorazô: kopen) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) βαπτίσωνται (= baptisôntai: zij zouden zich wassen; wkw med conjunct aor 3de pers mv van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen; zie het Hebreeuwse wkw tâbal ; metathesis van t-b?) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἐσθίουσιν (= esthiousin: zij eten; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai aor. εφαγον = efagon perf. εδηδως = edèdôs wkw met verschillende stammen, zie Baeyens nr 136 blz 102) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἄλλα (= alla: andere –dingen - ; onbep vnw nom onz mv van het onbep vnw αλλος = allos : ander) πολλά (= polla: vele dingen; bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) ἃ (= ha: die; betrekk vnw nom of acc onz mv van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè,ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho: die/dat) παρέλαβον (= parelabon: zij namen over; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw παρα-λα-μ-β-αν-ω: overnemen, overleveren; Lat.: tradere traditio; stam: lab) κρατεῖν (= kratein: om te be-vest-igen; om vast te houden; wkw act inf praes van het wkw κρατεω = krateô: krachtig zijn, zich meester maken over), βαπτισμοὺς (= baptismous: onderdompelingen; zn acc mann mv van het zn βαπτισμος = baptismos: onderdompeling; zn einidgend op -smos: van wkw naar zn: de handeling aanduidend; zie het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen; zie het Hebreeuwse wkw tâbal; metathesis van t-b?) ποτηρίων (= potèriôn: van de bekers; zn gen onz mv van het zn ποτηρίον = potèrion: 'beker'; uitgang -tèrion: van wkw naar zn om instrument aan te duiden: iets om uit te drinken, 'beker'; zie ποτιζω = potizô: drenken, laten drinken; Lat.: potare: drinken, potio: het drinken) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ξεστῶν (= ksestôn: van de kannen; zn gen mann mv van het zn ξεστης = xestès: kan, kruik) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) χαλκίων (= chalkiôn: van de ketels / van het vaatwerk; zn gen onz mv van het zn χαλκιον = chalkion: koperen vaatwerk, ketel) [ καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) κλινῶν (= klinôn: van de aanligbedden, van het tafelgerief; zn gen vr mv van het zn κλινη = klinè: bed, draagstoel; wat bij het aanliggen aan tafel gebruikt wordt: tafelgerief)]
Mc 7,5 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπερωτῶσιν (= eperôtôsin: zij ondervragen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Φαρισαῖοι (= Farisaioi: Farizeeën; zn nom mann mv van het zn φαρισαιος = farisaios: Farizeeër; Griekse uitgang -aios: zn naar bv nw zelfstandig gebruikt: afgescheidene; Hebr mv përusjim van het wkw pârasj: onderscheiden, 'apart' zetten) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραμματεῖς (= grammateis: Schriftgeleerden; zn nom mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde (uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα: assimilatie van de f aan de m; γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven), Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τί (= wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) περιπατοῦσιν (= peripatousin: zij wandelen rond; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw περιπατεω = peripateô: rondwandelen) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταί (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van μαθη-της = mathè-tès: leer-ling; wkw μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô: leren ; Hebr.: lâ-m-ad. Stam : (l)-m-th/d.) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) κατὰ τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παράδοσιν (= paradosin: doorgeving, overlevering; zn acc vr enk van het zn παραδοσις = para-dosis: over-lever-ing; stam do-, zie Lat.: da-re) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πρεσβυτέρων (= presbuterôn: van de ouderen / priesters; bv nw zelfstandig gebruikt comparatief gen mann mv van het bv nw presbu-teros: oud-er; Ned.: priester) ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') κοιναῖς (= koinais: met onreine…; bijv nw dat vr mv van het bijv nw κοινος = koinos: gemeenschappelijk, profaan, onheilig, onrein) χερσίν (= chersin: met handen; zn dat vr mv van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep gr-: grijpen), ἐσθίουσιν (= esthiousin: zij eten; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai aor. εφαγον = efagon perf. εδηδως = edèdôs wkw met verschillende stammen, zie Baeyens nr 136 blz 102) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἄρτον;
6 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Καλῶς (= kalôs: goed; bw van het bv nw καλος = kalos: goed, mooi, schoon) ἐπροφήτευσεν (= eprofèteusen: hij profeteerde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw προ-φη-τευω = profèteuô: profeteren, voor zich uit spreken) Ἠσαΐας περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) ὑμῶν (= humôn: van jullie; pers vnw 2de pers gen mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὑποκριτῶν, ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) γέγραπται (= gegraptai: er werd geschreven; wkw pass ind perf 3de pers enk van het wkw γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) [ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ] Οὗτος ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) λαὸς τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χείλεσίν με τιμᾷ (= tima: hij eert; wkw act ind praes 3de pers mann enk van het wkw τιμαω = timaô: eren; zie Lat.: timidus: vreesachtig, verlegen) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) καρδίαν (= kardian: hart; zn acc vr enk van het zn καρδια = hart; Lat.: cor, cordis) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) πόρρω ἀπέχει (= apechei: hij houdt verwijderd; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw απεχω = ap-echô : afhouden verwijderd houden) ἀπ' (= ap, afkorting van απο = apo: af, van-weg); vz van plaats; afkorτing vóór een niet-geaspireerde klinker: απ' = ap' en vóór een geaspireerde klinker: αφ' = af') ἐμοῦ (= emou: van mij; pers vnw gen mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij):
Mc 7,7 μάτην (= matèn: vergeefs, zonder grond, vruchteloos; bw) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) σέβονταί (= sebontai: zij vereren; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw σεβομαι = sebomai: vereren) με, διδάσκοντες (= didaskontes; onderrichtende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw διδασκω = didaskô : leren, onderrichten; stam dak) διδασκαλίας ἐντάλματα ἀνθρώπων (= anthrôpôn: van mensen; zn gen mann mv van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens).
Mc 7,8 ἀφέντες (= afentes: achterlatende, aflatende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐντολὴν (= entolèn: opdracht, bevel; zn acc vr enk van het zn ἐντολη = entolè; zie het wkw εντελλω = entellô: opdragen, bevelen, vragen; < en-telj-ô) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God; 31 X in Mc) κρατεῖτε (= krateite: jullie bekrachtigen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw κρατεω = krateô: krachtig zijn, zich meester maken over) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παράδοσιν (= paradosin: doorgeving, overlevering; zn acc vr enk van het zn παραδοσις = para-dosis: over-lever-ing; stam do-, zie Lat.: da-re) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπων (= anthrôpôn: van mensen; zn gen mann mv van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens).
Mc 7,9 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Καλῶς (= kalôs: goed; bw van het bv nw καλος = kalos: goed, mooi, schoon) ἀθετεῖτε τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐντολὴν (= entolèn: opdracht, bevel; zn acc vr enk van het zn ἐντολη = entolè; zie het wkw εντελλω = entellô: opdragen, bevelen, vragen; < en-telj-ô) τοῦ θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God), ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παράδοσιν (= paradosin: doorgeving, overlevering; zn acc vr enk van het zn παραδοσις = para-dosis: over-lever-ing; stam do-, zie Lat.: da-re) ὑμῶν (= humôn: van jullie; pers vnw 2de pers gen mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) στήσητε (= stèsète: jullie stellen; wkw act conjunct aor 2de pers mv van het wkw ιστημι = histèmi: stellen).
Mc 7,10 Μωϋσῆς (= moüsès: Mozes; zn eigennaam dat mann enk) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep),Τίμα (= tima: eer; wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw τιμαω = timaô: eren; zie Lat.: timidus: vreesachtig, verlegen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) πατέρα (= patera: vader; zn acc mann enk van het zn πα-τηρ = pa-tèr: va-der) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μητέρα (= mètera: moeder; zn acc vr enk van het zn μη-τηρ = mè-tèr : moe-der)σου,(= kai: en; nevenschikkend vw)ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het ) κακολογῶν (= katalogôn: tegensprekkende, kwaad sprekende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw κακολογεω = kakologeô: kwaadzeggen, kwaad spreken) πατέρα (= patera: vader; zn acc mann enk van het zn πα-τηρ = pa-tèr: va-der) ἢ μητέρα (= mètera: moeder; zn acc vr enk van het zn μη-τηρ = mè-tèr : moe-der) θανάτῳ (= thanatô(i): met de dood; zn dat. mann. enk. van het zn θανατος = thanatos: dood ; stam: tha zie het wkw απο-θ-ν-η-σκ-ω = apo-th-n-è-sk-ô: sterven, afgesneden worden)τελευτάτω (= teleutatô: dat hij eindige, dat hij sterve; wkw act imperat praes 3de pers enk van het wkw τελευταω = teleutaô : eindigen, beëindigen; τελος = telos : einde, doel) :
Mc 7,11ὑμεῖς (= humeis: jullie; pers vnw 2de pers nom mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) λέγετε (= legete: jullie zeggen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) εἴπῃ ἄνθρωπος (= anthrôpos: mens; zn nom mann enk) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πατρὶ ἢ τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) μητρί, Κορβᾶν, ὅ ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) Δῶρον, ὃ ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) ἐξ ἐμοῦ (= emou: van mij; pers vnw gen mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij) ὠφεληθῇς (= ôfelèthès: jε zoudτ geholpen worden; wkw pass conjunct aor 2de pers enk van het wkw ωφελεω = ôfeleô: helpen),
12 οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) έτι (= eti: ook, nog; bw) ἀφίετε (= afiete: jullie laten na; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) οὐδὲν (= ouden: niets; onbep vnw acc onz enk, ουδεις = oud-eis - ουδεμια = oudemia - ουδεν = ouden: nie-mand < niet iemand, niets) ποιῆσαι (= poièsai: te doen; wkw act inf aor van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πατρὶ ἢ τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) μητρί,
13 ἀκυροῦντες τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord) τοῦ θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) παραδόσει ὑμῶν (= humôn: van jullie; pers vnw 2de pers gen mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) ἧ παρεδώκατε: καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) παρόμοια τοιαῦτα πολλὰ (= polla: vele dingen); bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) ποιεῖτε.
14 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) προσκαλεσαμενος (= proskalesamenos: bij zich geroepen; wkw med part aor nom mann enk van het wkw προσκαλεομαι = proskaleomai: bij zich roepen) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ὄχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Ἀκούσατέ μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) καὶ (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) σύνετε.
15οὐδέν ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) ἔξωθεν τοῦ ἀνθρώπου (= anthrôpou: van een mens; zn gen mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) εἰσπορευόμενονεἰς (= eis: naar; vz van plaats) (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὃ δύναται (= dunatai: hij kan; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen, in staat zijn) κοινῶσαι αὐτόν: ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἐκ τοῦ ἀνθρώπου (= anthrôpou: van een mens; zn gen mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) ἐκπορευόμενά ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) κοινοῦντα τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἄνθρωπον (= anthrôpon: mens; zn acc mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens).
16καὶ (= kai: en; nevensch vw)
17ὅτε (= hote: toen; ondergeschikt vw van tijd) εἰσῆλθεν (= eisèlthen: hij ging binnen; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) ) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) οἶκον (= oikon: huis; zn acc mann enk van het zn οικος = oikos: huis) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) τοῦ ὄχλου (= ochlou: (van de menigte; zn gen mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte), ἐπηρώτων (= epèrôtôn: zij ondervroegen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παραβολήν.
18καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Οὕτως (= houtôs: op die wijze, zo; bw van wijze) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὑμεῖς (= humeis: jullie; pers vnw 2de pers nom mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) ἀσύνετοί ἐστε;οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) νοεῖτε (= noeite: jullie weten; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw νοεω = noeô: weten) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) πᾶν τὸ ἔξωθεν εἰσπορευόμενονεἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἄνθρωπον (= anthrôpon: mens; zn acc mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) δύναται (= dunatai: hij kan; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen, in staat zijn) (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) κοινῶσαι,
19 ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redengevende zin inleidt) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) εἰσπορεύεται (= eisporeuetai: hij begeeft zich op weg naar; wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw εισ-πορευομαι = eis-poreuomai: zich op weg begeven naar) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het)εἰς (= eis: naar; vz van plaats) (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; b = to: de - het) καρδίαν (= kardian: hart; zn acc vr enk van het zn καρδια = hart; Lat.: cor, cordis) ἀλλ' (= all': maar; afkorting van αλλα = alla; partikel van tegenstelling) (= all', maar; afkorting van αλλα = alla vóór een klinker; nevenschikkend vw van tegenstelling)εἰς (= eis: naar; vz van plaats) (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, τοts) κοιλίαν, καὶ (= kai: en; nevensch vw) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) (= eis: naar; vz van plaats) ep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἀφεδρῶνα ἐκπορεύεται (= eisporeuetai: hij begeeft zich op weg naar; wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw εισ-πορευομαι = eis-poreuomai: zich op weg begeven naar); καθαρίζων πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) βρώματα.
20 ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Τὸ ἐκ τοῦ ἀνθρώπου (= anthrôpou: van een mens; zn gen mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) ἐκπορευόμενον ἐκεῖνο κοινοῖ τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἄνθρωπον (= anthrôpon: mens; zn acc mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens):
21 ἔσωθεν γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἐκ τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) καρδίας τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπων (= anthrôpôn: van mensen; zn gen mann mv van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)
(1) διαλογισμοὶ (= dialogismoi: gedachten; zn nom mann mv van het zn διαλογισμος = dialogismos: overleg, gedachte, afrekening, twijfel, twist) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κακοὶ ἐκπορεύονται,
(2) πορνεῖαι (= porneiai: ontuchten; zn nom vr mv van het zn πορνεία = porneia: ontucht). Lat.: forn-i-c-atio. Fr.: fornucation. E.: fornication. D.: Unzucht. Fr.: luxure: wellust, ontucht - wellicht uit weelderigheid op sexueel vlak),
(3) κλοπαί (= klopai: diefstallen; zn nom mann mv van het zn κλοπή = klopè: diefstal),
(4) φόνοι (= porneiai: ontuchten; zn nom vr mv van het zn πορνεία = porneia: ontucht). Lat.: forn-i-c-atio. Fr.: fornucation. E.: fornication. D.: Unzucht. Fr.: luxure: wellust, ontucht - wellicht uit weelderigheid op sexueel vlak),
22
(5) μοιχεῖαι (= moicheiai: echtbreuken; zn acc vr mv vanhet zn μοιχεῖα = moicheia: echtbreuk),
(6) πλεονεξίαι (= pleoneksiai: hebzuchten; zn nom vr mv van het zn πλεονεξία = pleoneksia: hebzucht, meer willen hebben),
(7) πονηρίαι (= ponèriai: slechtheiden; zn nom vr enk van het zn πονηρία = ponèria = slechtheid, boosheid, lafheid),
(8) δόλος (= dolos: list, bedrog; zn nom mann enk),
(9) ἀσέλγεια (= aselgeia: losbandigheid; zn nom vr enk),
(10) ὀφθαλμὸς (= ofthalmos: oog; zn nom mann enk) πονηρός (= ponèros: slecht; vaak zelfstandig gebruikt: het slechte, het kwade; bv nw nom mann enk), het kwade oog
(11) βλασφημία (= blasfèmia: 'gods'lastering, lasterspreken; zn nom vr enk).
(12) ὑπερηφανία (= huperèfania: overmoed, aanmatiging; zn nom vr enk),
(13) ἀφροσύνη (= afrosunè: onverstand, dwaasheid; zn nom vr enk)
In Mc 7,21-22 worden er 13 ondeugden opgesomd; 7 in het meervoud, 6 in het enkelvoud. In de Didachè worden 22 (2 X 11) ondeugden opgesomd; 11 in het meervoud, 11 in het enkelvoud. De Didachè en Mc 7,28-29 hebben 5 ondeugden gemeenschappelijk.
23 πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) ταῦτα (= tauta: deze dingen; aanwijz vnw nom of acc onz mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πονηρὰ ἔσωθεν ἐκπορεύεται καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) κοινοῖ τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἄνθρωπον (= anthrôpon: mens; zn acc mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens).
Mc 7,24 24 Ἐκεῖθεν (= ekeithen; bep van plaats: van-daar; -then / van; ekei: daar, eigenlijk: hier, Fr.: i-c-i, D.: da; verwijst naar de voorgaande plaats) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) ἀναστὰς (= anastas: opgestaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αν-ι-στη-μι = an-i-stè-mi:: op-staan; stam: sta-) ἀπῆλθεν (= apèlthen: zij gingen weg; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὅρια (= horia: gebied; zn acc onz mv van ὁριον = horion: gebied) Τύρου (= turou: van Tyrus; zn eigennaam gen vr enk van het zn τυρος = turus: Tyrus). καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) εἰσελθὼν (= eiselthôn: binnengegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) οἰκίαν (= oikian: huis; zn acc vr enk van het zn οικια = oikia: huis) οὐδένα (= oudena: niemand; onbep vnw acc mann enk, ουδεις = oud-eis - ουδεμια = oudemia - ουδεν = ouden: nie-mand < niet iemand, niets) ἤθελεν (= èthelen: hij wilde; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw θελω = thelô: willen; een verlengd augment in het imperf) γνῶναι (gnômai: om te kennen; wkw act inf aor van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: kennen; gi-gnô-sk-ô; stam gn-, Ned.: kn), καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) (partikel van ontkenning ; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint) ἠδυνήθη (= èdunathè: hij kon; med/pass ind aor 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) λαθεῖν (= lathein: om zich te verbergen; wkw act inf aor van het wkw λα-ν-θ-αν-ω = la-n-th-an-ô: verbergen, zich verbergen; stam: lath-)
Mc 7,25 ἀλλ' (= all', maar; afkorting van αλλα = alla vóór een klinker; nevenschikkend vw van tegenstelling) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἀκούσασα (= akousasa: gehoord hebbende; wkw act part aor nom vr enk van het wkw ακουω = akouô, Fr.: é-cou-ter) γυνὴ (= gunè: vrouw; zn nom vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw; er staat niet een moeder ofschoon er onmiddellijk sprake is van haar dochtertje) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) αὐτοῦ (= autou: 'over' hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw αυτος = autos), ἧς (= hès: wat; betrekk vnw gen vr enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat) εἶχεν (= eichen: het heeft; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θυγάτριον (= thugatrion: dochtertje; zn nom onz enk; het is onzijdig en een verkleinwoord van θυγατηρ = th-ug-a-tèr: d-o-ch-ter) αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) πνεῦμα (= pneuma: geest, adem, wind; zn nom en acc onz enk) ἀκάθαρτον (= akatharton: onrein, onzuiver; bn nom en acc onz enk α-καθαρτος = a-kathartos: on-zuiver, on-rein, zie katharen = de reinen) ἐλθοῦσα (= elthousa: gekomen zijnde; wkw act part aor nom vr enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) προσέπεσεν (= prosepesen: zij viel bij; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw προσ-πι-π-τω = pros-pi-p-t-ô: vallen bij; stam : pi) πρὸς (= pros: naar, bij; vz van richting; bij personen) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πόδας (= podas: voeten; zn acc vr mv van het zn πους = pous, podos: voet; stam: p/v - d/t) αὐτοῦ (= autou: 'over' hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw αυτος = autos):
Mc 7,26 ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) γυνὴ (= gunè: vrouw; zn nom vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw; er staat niet een moeder ofschoon er onmiddellijk sprake is van haar dochtertje) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) Ἑλληνίς (= Hellènis: Helleense, nom vr enk; het was een Griekse) Συροφοινίκισσα (= surofoinikissa: Syro-Fenicische; nom vr enk) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γένει (= genei: afkomst; zn dat onz enk van het zn γενος = genos, genous: geslacht, afkomst; stam: gen-) καὶ ἠρώτα (= èrôta: zij vroeg; wkw act ind imperf 3de pers vr enk van het wkw ερωταω = erôtaô : vragen) αὐτὸν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἵνα (onderschikkend vw van doel: opdat) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δαιμόνιον (= daimonion: demon; zn nom en acc onz enk) ἐκβάλῃ (= ekbalè(i): hij zou uitwerpen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw εκβαλλω = ekballô : uitvallen, uitwerpen, buitenwerpen) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit, + gen: vz) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) θυγατρὸς (= thugatros: van de dochter; zn gen vr enk van het zn θυγατηρ = th-ug-a-tèr: d-o-ch-ter) αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij)
Mc 7,27 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῇ (= autè: aan haar; vnw 3de pers dat vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Ἄφες (= afes: sta toe; wkw act imperat. aor. 2de pers enk van het wkw αφιημι = afièmi: aflaten, toestaan) πρῶτον (= prôton: ten eerste; bw) χορτασθῆναι (= chortasthènai: om verzadigd te worden; wkw pass inf aor van het wkw χορταζω = chortazô: verzadigen) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τέκνα (= tekna: kinderen; zn nom en acc onz mv van het zn τεκνον = teknon: kind, het geborene, zie het wkw τικτω = tiktô: baren, bevallen), οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) γάρ (= gar: want, nevenschikkend vw van reden; Fr.: car) ἔστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat.: esse) καλὸν (= kalon: goed; bv nw nom en acc onz enk van het bv nw καλος = kalos: goed, mooi, schoon) λαβεῖν (= labein: om te nemen; wkw act inf aor van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἄρτον (= arton: brood; zn acc mann enk van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τέκνων (= teknôn: van de kinderen; zn gen onz mv van het zn τεκνον = teknon: kind, het geborene, zie het wkw τικτω = tiktô: baren, bevallen) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) τοῖς (= tois: aan de; bep lidw dat mann en onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κυναρίοις (= kunariois: aan de hondjes; zn dat onz mv van het zn κυναριον = kuna-rion: hond-je) βαλεῖν (= balein: om te werpen; wkw act inf aor van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen).
Mc 7,28 ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) ἀπεκρίθη (= apekrithè: hij antwoordde; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden; stam: kri) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Κύριε (= kurie: Heer; zn voc mann enk van het zn κυριος = kurios: heer) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) κυνάρια (= kunaria: hondjes; zn nom en acc onz mv van het zn κυναριον = kuna-rion: hond-je) ὑποκάτω (= hupokatô: onder; vz + gen) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) τραπέζης (= trapezès: van de tafel; zn gen vr enk van het zn τραπέζη = trapezè: tafel) ἐσθίουσιν (= esthiousin: zij eten; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai aor. εφαγον = efagon perf. εδηδως = edèdôs wkw met verschillende stammen, zie Baeyens nr 136 blz 102) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af': vóór een aangeblazen klinker) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ψιχίων (= psichiôn: van de kruimels; zn gen onz mv van het zn ψιχίον = psichion: kruimel) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) παιδίων (= paidiôn: van de kinderen; zn gen onz mv van het zn παιδίον = paidion: kindje, verkleinwoord van het zn παις = pais: kind).
Mc 7, 29 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῇ (= autè: aan haar; vnw 3de pers dat vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; vz = acc) τοῦτον (= touton: dit of dat; aanwijz vnw acc mann enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord) ὕπαγε (= hupage: ga weg; wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen), ἐξελήλυθεν (= ekselèluthen: hij is uitgegaan; wkw med ind perf 3de pers enk van het wkw εξερχομαι = eks-erchomai: uit-gaan; stam elth; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit, + gen: vz) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) θυγατρός (= thugatros: van de dochter; zn gen vr enk van het zn θυγατηρ = th-ug-a-tèr: d-o-ch-ter) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δαιμόνιον (= daimonion: demon; zn nom en acc onz enk).
Mc 7,30 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἀπελθοῦσα (= apelthousa: weggegaan; wkw act part aor nom vr enk van het wkw ap-erch-omai : weg-gaan; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) οἶκον (= oikos: huis; zn acc mann enk van het zn οικος = oikos: huis) αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) εὗρεν (= heuren: zij vond; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εὑρισκω = heuri-sk-ô : vinden) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) παιδίον (= paidion: kindje, verkleinwoord van het zn παις = pais: kind; zn acc onz enk) βεβλημένον (= beblèmenon: gevallen, geworpen; wkw med part perf acc onz enk van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen) ἐπὶ = epi: op, bij; afkortingen: επ' = ep' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en εφ' = ef' (vóór een aangeblazen klinker); vr van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κλίνην (= klinèn: ligbed; zn acc vr enk van het zn κλίνη = klinè: ligbed; zie wkw κλινω = klinô: doen leunen, neerleggen, neigen) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δαιμόνιον (= daimonion: demon; zn nom en acc onz enk) ἐξεληλυθός (= ekselèluthos: uitgegaan; wkw act part perf acc onz enk van het wkw εξερχομαι = eks-erchomai : uit-gaan ; stam : elth; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden).
Mc 7,31 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) ἐξελθὼν (= ekselthôn= uitgegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εξερχομαι = eks-erchomai: uit-gaan; stam elth; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit, + gen: vz) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὁρίων (= horiôn; van de kleine bergen; zn gen onz mv van het zn ὁριον = horion: kleine berg; zn -ion: verkleinwoord, verzamelnaam, plaatsnaam) Τύρου (= turou: van Tyrus; zn eigennaam gen vr enk van het zn τυρος = turos: Tyrus) ἦλθεν (= èlthen: hij kwam; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) Σιδῶνος (= sidônos: door Sidon; zn eigennaam gen vr enk van het zn Σιδων = sidôn: Sidon) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θάλασσαν (= thalassan: meer, zee; zn acc vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zmeer) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Γαλιλαίας (= Galilaias: langs Galilea; zn eigennaam gen vr enk van het zn γαλιλαια = galilaia: Galilea) ἀνὰ (= ana: langs; vz met acc: langs, omhoog op, volgens, overeenkomstig) μέσον (= meson: zich in het miodden bevindende: bv nw acc onz enk van het bv nw μεσος = mesos: zich in het midden bevindend) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὁρίων (= horiôn; van de kleine bergen; zn gen onz mv van het zn ὁριον = horion: kleine berg; zn -ion: verkleinwoord, verzamelnaam, plaatsnaam) Δεκαπόλεως (= dekapoleôs: van Dekapolis; zn eigennaam gen vr enk van het zn δεκαπολις = dekapôlis: tienstedenstad).
Mc 7, 32 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) φέρουσιν (= ferousin: zij brengen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw φερω = ferô: dragen, brengen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) κωφὸν (= kôfon: dove; bv nw zelfstandig gebruikt acc mann enk van het bv nw κωφος = kôfos: doof) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) μογιλάλον (= mogilalon: slechtsprekende; bv nw zelfstandig gebruikt van het bv nw μογιλαλος = mogilalos: slechtsprekend; μογις = mogis, met moeite, ternauwernood; bw), καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) παρακαλοῦσιν (= parakalousin: zij roepen ter hulp; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw παρακαλεω = parakaleô: bijroepen, ter hulp roepen, troosten, bijstaan, aanbevelen, aandringen) αὐτὸν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἵνα (onderschikkend voegwoord van doel : opdat) ἐπιθῇ (= epithè: hij zou opleggen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw επιτιθημι = epitithèmi: opleggen; stam θη = thè) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χεῖρα (= cheira: hand; zn acc vr enk van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen).
Mc 7,33 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἀπολαβόμενος (= apolabomenos: weggenomen; wkw pass part aor nom mann enk van het wkw απολαμβανω = apolambanô: afnemen, wegnemen, afzonderen; stam: λαβ = lab) αὐτὸν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker en αφ' = af': vóór een aangeblazen klinker) τοῦ (= tou: van de, bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) ὄχλου (= ochlou: (van de menigte; zn gen mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) κατ' (= kata: van... naar beneden, volgens, vz; afkorting: κατ' = kat') ἰδίαν (= idian: eigene, zelf; bv nw acc vr enk van het bv nw ιδιος = idios: eigen, zelf) ἔβαλεν (ebalen: hij wierp; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δακτύλους (= daktulous: vingers; zn acc mann mv van het zn δακτυλος = daktulos: vinger; Lat: ta-n-gere, tetigitactum: aanraken; Fr: doigt; stam: t/d - g/c -> dig-itus) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὦτα (= ôta: oren; zn acc onz mv van het zn ους = ous: oor) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) πτύσας (= ptusas: gespuwd; wkw act part aor nom mann enk van het wkw πτυω = ptuô: spuwen) ἥψατο (hij raakte aan; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw ἁπτω = haptô: happen, raken, aanraken) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) γλώσσης (= glôssès: van de tong; zn gen vr enk van het zn γλώσση = glôssè: tong) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het),
Mc 7,34 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἀναβλέψας (= anablepsas: omhooggeblikt; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αναβλεπω = anablepô: naar boven / omhoog blikken, opkijken) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) οὐρανὸν (= ouranon: hemel; zn acc mann enk van het zn ουρανος = ouranos: hemel) ἐστέναξεν (= estenaksen: hij zuchtte; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw στεναζω = stenazô: zuchten, bejammeren), καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Εφφαθα (= effatha: word open; Heb.: patach: openen), ὅ (= ho; betrekk vnw nom en acc onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat) ἔστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat.: esse), Διανοίχθητι (= diavoichthèti: word geopend; wkw pass imperat aor 2de pers enk van het wkw διανοιγω = dianoigô: openen; zie het wkw οιγω = oigô en οιγνυμι = oig-nu-mi: openen).
Mc 7,35 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) [εὐθέως] (= eutheôs: onmiddellijk; bijwoord van het bv nw ευθυς = euthus. Tijd: onmiddellijk, dadelijk terstond; plaats: rechtstreeks direct, zonder omwegen; zie ευθυνω = euthunô: recht maken, richten) ἠνοίγησαν (= ènoigèsan: zij openden; wkw act ind aor 3de pers mv van het ανοιγνυμι = = anoignumi: openen, een grendel wegschuiven) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) αἱ (= hai: de; bep lidw nom vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀκοαί (= akoai: gehoren, gehoor; zn nom vr mv van het zn ακοη = akoè: gerucht, gehoor, overlevering; zie het wkw ακουω = akouô: horen), καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἐλύθη (= eluthè: hij werd losgemaakt; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw λυω = luô: los-sen, los maken) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δεσμὸς (= desmos: band; zn nom mann enk; zie het wkw δεω = deô: binden, boeien, ketenen) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) γλώσσης (= glôssès: van de tong; zn gen vr enk van het zn γλώσση = glôssè: tong) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἐλάλει (= elalei: hij sprak; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten) ὀρθῶς (= orthôs: recht, juist, normaal; bw van het bv nw ορθος = orthos: recht, juist, normaal).
Mc 7,36 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) διεστείλατο (= diesteilato: hij beval; wkw med aor 3de pers enk van het wkw διαστελλω = diastellô: uiteenhalen, uiteen-stellen, uiteen-zetten, scheiden, bepalen) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ἵνα (onderschikkend voegwoord van doel: opdat) μηδενὶ (= mèdeni: aan niemand; onbep vnw dat mann enk van het onbep vnw μηδεὶς = mèdeis: niemand; < μη- δ-εὶς= mè-d-eis: niet iemand) λέγωσιν (= legôsin: zij zouden zeggen; wkw act conjunct praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep): ὅσον (= hoson: zo groot als; onbep vnw acc onz enk van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) διεστέλλετο (= diestellato: hij bleef bevelen; wkw med ind imperf 3de pers enk van het wkw διαστελλω = diastellô: uiteenhalen, uiteen-stellen, uiteen-zetten, scheiden, bepalen), αὐτοὶ (= autoi: zij zelf; pers vnw 3de pers nom mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) μᾶλλον (= mallon: meer) περισσότερον (= perissoteron: bovenmatiger; bv comparatief acc onz enk van het bv nw περισσος = perissos: over-matig, bovenmatig) ἐκήρυσσον (= ekèrusson: zij bleven verkondigen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw κηρυσσω = kèrussô: verkondigen).
Mc 7,37 37 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ὑπερπερισσῶς (= huperperrisôs: overmatig; bw van het bv nw ὑπερπερισσος = huperperissos: over-matig, bovenmatig) ἐξεπλήσσοντο (= ekseplèssonto: zij bleven vervuld; wkw med ind imperf 3de pers mv van het wkw εκπλησσομαιι = ekplèssomai: vervuld zijn van, buiten zichzelf raken van angst, verbazing, vreugde, bewondering) λέγοντες (= legontes: zeggende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Καλῶς (= kalôs: goed; bw van het bv nw καλος = kalos: goed, mooi, schoon) πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) πεποίηκεν (= pepoièken: hij heeft gemaakt; wkw act ind perf 3de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen): καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) κωφοὺς (= kôfous: doven; bv nw zelfstandig gebruikt acc mann mv van het bv nw κωφος = kôfos: doof) ποιεῖ (= poiei: hij doet; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen) ἀκούειν (= akouein: te luisteren; wkw act inf praes van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) [τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het)] ἀλάλους (= alalous: niet sprekenden, stommen; bv nw zelfstandig gebruikt acc mann mv van het bv nw ἀλάλος: niet sprekend, stom) λαλεῖν (= lalein: om te spreken; wkw act inf aor van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten).
Mc 8,1 Ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ἐκείναις (= ekeinais: 'in' die; anwijz vnw dat vr mv van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) ταῖς (= tais: aan de; bep lidw dat vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἡμέραις (= hèmerais: dagen; zn dat vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) πολλοῦ (= pollou: van veel; bv nw gen mann en onz enk van het bv nw = polus: veel; stam: p/v - l) ὄχλου (= ochlou: (van de menigte; zn gen mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) ὄντος (= ontos: terwijl er is; wkw act part praes gen mann enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat: esse) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἐχόντων (= echontôn: van zij die hebben; wkw act part praes gen mann mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) φάγωσιν (= fagôsin: zij zouden eten; wkw act conjunct aor 3de pers mv bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102), προσκαλεσαμενος (= proskalesamenos: bij zich geroepen; wkw med part aor nom mann enk van het wkw προσκαλεομαι = proskaleomai: bij zich roepen) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθητὰς (= mathètas: leerlingen; zn acc mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij),
Mc 8,2 Σπλαγχνίζομαι (= splagchnizômai: zich ontfermen, medelijden hebben; wkw med ind praes 1ste pers enk: ik onferm mij over) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ὄχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἤδη (= èdè: reeds, al; bw) ἡμέραι (= hèmerai: dagen; zn nom vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) τρεῖς (= treis: drie; hoofdtelw) προσμένουσίν (= prosmenousin: zij blijven bij; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw προσμένω = prosmenô: blijven bij, verblijven) μοι (= moi: aan mij; pers vnw 1ste pers dat mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔχουσιν (= echousin: zij hebben; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) φάγωσιν (= fagôsin: zij zouden eten; wkw act conjunct aor 3de pers mv bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102):
Mc 8,3 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien, als) ἀπολύσω (= apolusô: ik zal ontbinden; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw ἀπολύω: vrijlaten, loslaten, ontbinden) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) νήστεις (= nèsteis: hongerig; bv nw acc mann mv van het bv nw νήστεις = nèstis: nuchter, hongerig, vastend) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) οἶκον (= oikon: huis; zn acc mann enk van het zn οικος = oikos: huis) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), ἐκλυθήσονται (= ekluthèsontai: zij zullen vermoeid worden; wkw pass ind fut 3de pers mv van het wkw εκλυω = ekluô: losmaken, verlossen, vermoeien, verzwakken) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) ὁδῷ (= hodô: 'onder'weg; zn dat vr enk van het zn ὁδὸς = hodos: weg) καί(= kai: en; nevenschikkend vw) τινες (= tines: sommigen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw τις - τι = tis, ti: iemand, iets; mv: sommigen) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) μακρόθεν (= makrothen: van verre, in de verte; bw) ἥκασιν (= èkasin: zij zijn gekomen; wkw act ind perf 3de pers mv van het wkw èkô: gekomen zijn).
Mc 8,4 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπεκρίθησαν (= apekrithèsan: zij antwoordden; wkw med aor 3de pers mv van het wkw αποκρινομαι = apokrinomai: antwoorden) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Πόθεν (= pothen: vanwaar; onbep vrag vnw) τούτους (= toutous: deze); aanwijz vnw acc mann mv van het aanwijz vnw = houtos: deze) δυνήσεταί (= dunèsetai: hij zal kunnen; wkw med ind fut 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk) ὧδε (= hôde: hier; bw van plaats) χορτάσαι (= chortasai: te verzadigen); wkw act inf aor van het wkw χορταζω = chortazô: vet mesten, voeden, verzadigen) ἄρτων (= artôn: van broden; zn gen mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) ἐπ' (= ep': op, bij; vz; afkorting vóór een niet-aangeblazen klinker van het vz επι = epi: op, bij) ἐρημίας (= erèmias: van de woestenij, van de eenzame streek; zn gen vr enk van het zn ἐρημία = erèmia: woestenij, eenzame streek);
Mc 8,5 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἠρώτα (= èrôta: hij/zij vroeg; wkw act ind imperf 3de pers vr enk van het wkw ερωταω = erôtaô : vragen) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Πόσους (= posous: hoeveel; onbep vrag vnw acc mann mv van het onep vrag vnw ποσοι = posoi: hoeveel) ἔχετε (= echete: jullie hebben; act ind praes 2de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d); οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) εἶπαν (= eipan: zij zeiden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) Ἑπτά (= hepta: zeven; hoofdtelw)
Mc 8,6 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) παραγγέλλει (= paraggellei: afkondigen, bevelen; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw παραγγέλλω: afkondigen, bevelen; zie zn αγγελος = aggelos: engel) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὄχλῳ (= ochlô: menigte, massa; zn dat mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) ἀναπεσεῖν (= anapesein: aan te liggen; wkw inf aor van het wkw αναπιπτω = anapiptô: aanliggen) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) γῆς: (= gès: aarde, land; zn gen vr enk van het zn γη = gè: aarde, land) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) λαβὼν (= labôn: genomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἑπτὰ (= hepta: zeven; hoofdtelw) ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) εὐχαριστήσας (= eucharistèsas: gedankt; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ευχαριστεω = eucharisteô: danken) ἔκλασεν (= eklasen: hij brak; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw κλαω = klaô: breken) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐδίδου (= edidou: hij gaf; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταῖς (= mathètais: leerlingen; zn dat mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) παρατιθῶσιν (= paratithôsin: zij zouden voorzetten; wkw act conjunct praes 3de pers mv van het wkw παρατιθημι = voorzetten, bijzetten) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) παρέθηκαν (= parethèkan: zij zetten voor; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw παρατιθημι = voorzetten, bijzetten) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὄχλῳ (= ochlô: menigte, massa; zn dat mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte).
Mc 8,7 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εἶχον (= eichon: zij hadden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ἰχθύδια (= ichthudia: visjes; zn verkleinwoord nom en acc onz mv van het zn ιχθυδιον = ichthudion: visje) ὀλίγα (= oliga: weinig; bv nw nom en acc onz mv van het bv nw ὀλίγος = oligos: weinig): καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εὐλογήσας (= eulogèsas: gezegend; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ευλογεω = eulogeô: zegenen, goed spreken, loven, prijzen) αὐτὰ (= auta: hen; pers vnw nom en acc onz mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ταῦτα (= tauta: deze dingen; aanwijz vnw nom of acc onz mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) παρατιθέναι (= paratithenai: om voor te zetten; wkw act inf praes van het wkw παρατιθημι = voorzetten, bijzetten).
Mc 8,8 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἔφαγον (= efagon: zij aten; wkw act ind aor 1ste pers enk en 3de pers mv bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐχορτάσθησαν (= echorasthèsan: zij werden verzadigd; wkw pass ind aor 3de pers mv van het wkw χορταζω = chortazô: vet mesten, voeden, verzadigen), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἦραν (= èran: zij namen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αιρω = airô: nemen) περισσεύματα (= perisseumata: overschotten; zn nom en acc onz mv van het zn περισσεύμα: overschot, overvloed) κλασμάτων (= klasmatôn: van brokken; zn nom en acc onz mv van get zn κλασμα: het gebrokene, brok) ἑπτὰ (= hepta: zeven; hoofdtelw) σπυρίδας (= spuridas: korven; zn acc vr mv van het zn σπυρις - σπυριδος = spuris - spuridos: gevlochten mand, korf).
Mc 8,9 ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) τετρακισχίλιοι (= tetrakischilioi: vierduizend; rangtelw bv nw nom mann mv). καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπέλυσεν (= apelusen: hij ontbond; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw απολυω = apoluô: losmaken, ontbinden) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 8,10 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bw) ἐμβὰς (= embas: ingestapt; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εμβαινω = embainô: inklimmen, beklimmen, klimmen in) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πλοῖον (= ploion: boot; zn acc onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw πλεω = pleô: varen; πλοιον = ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μαθητῶν (= mathètôn: van de leerlingen; zn gen mann mv van μαθητης = mathè-tès : leer-ling; wkw μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô: leren ; Hebr.: lâ-m-ad. Stam : (l)-m-th/d.) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μέρη (= merè: delen; zn acc onz mv van het zn μερος = meros: deel) Δαλμανουθά (= dalmanoutha: Dalmanoutha; zn eigennaam) .
Mc 8,11 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξῆλθον (= exèlthon: zij gingen uit; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Φαρισαῖοι (= Farisaioi: Farizeeën; zn nom mann mv van het zn φαρισαιος = farisaios: Farizeeër; Griekse uitgang -aios: zn naar bv nw zelfstandig gebruikt: afgescheidene; Hebr: mv përusjim van het ww pârasj: onderscheiden, 'apart' zetten) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἤρξαντο (= èrxanto: zij begonnen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen, aanvangen, heersen) συζητεῖν (= sudzètein: te twisten; wkw act inf praes van het wkw συζητεω = sudzèteô: samen onderzoeken, disputeren, twisten) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), ζητοῦντες (= dzètountes: zoekende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw ζητεω = dzèteô: zoeken) παρ' (= par' afkorting van παρα = para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par' ; vz met gen, dat en acc) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) σημεῖον (= sèmeion. teken, zn acc onz enk) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' . vóór een niet-aangeblazen klinker en αφ' = af' vóór een aangeblazen klinker) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) οὐρανοῦ (= ouranou: van hemel; zn gen mann enk van het zn ουρανος = ouranos: hemel), πειράζοντες (= peiradzontes: op de proef stellende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw πειραζω: proeven, beproeven, op de proef stellen) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 8,12 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀναστενάξας (= anastenaksas: hij jammerde; wkw act part praes nom mann enk van het wkw ἀναστεναζω = stenadzô: jammeren, bejammeren) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πνεύματι (= pneumati; zn dat onz enk van het zn πνευμα = pneuma: geest, adem, wind) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) Τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γενεὰ (= genea: afstamming, geslacht, stam; zn nom vr enk) αὕτη (= hautè: deze; aanwijz vnw nom vr enk bij het aanwijz vnw οὑτος = houtos: deze) ζητεῖ (= dzètei: hij zoekt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ζητεω = zèteô: zoeken) σημεῖον (= sèmeion. teken, zn acc onz enk); ἀμὴν (= amèn: amen, voorwaar, het zij zo) λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie), εἰ (= ei: indien, of; vw van voorwaarde) δοθήσεται (= dothèsetai: er zal gegeven worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) γενεᾷ (= genea: generatie; zn dat vr enk van het zn γενεὰ = genea: afstamming, geslacht, stam, generatie) ταύτῃ (= tautè: aan deze; aanw vnw dat vr enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) σημεῖον (= sèmeion. teken, zn acc onz enk).
Mc 8,13 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀφεὶς (= afeis: aflatende, achterlatende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) ἐμβὰς (= embas: ingestapt; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εμβαινω = embainô: inklimmen, beklimmen, klimmen in) ἀπῆλθεν (= apèlthen: zij gingen weg; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πέραν (= peran: overzijde, overkant; zn acc onz enk).
Mc 8,14 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπελάθοντο (= epelathonto: zij vergaten; wkw med ind aor 3de pers mv van het wkw επιλανθανω = epilanthanô: vergeten, nalaten, zich niet bekommeren om) λαβεῖν (= labein: om te nemen; wkw act inf aor van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εἰ (= ei: indien; ondergeschikt vgw van voorwaarde: indien, als, in geval) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἕνα (= hena: één; hoofdtelw bv nw acc mann enk van het hoofdtelw bv nw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) ἄρτον (= arton: brood; zn acc mann enk van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) εἶχον (= eichon: zij hadden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) μεθ' (= meth', afkorting van μετα = meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' ) ἑαυτῶν (= heautôn: met zichzelf; wederkerig vnw gen mann mv van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πλοίῳ (= ploiô: in de boot; zn dat onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw pleô: varen; ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot).
Mc 8,15 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) διεστέλλετο (= diestelleto: hij zette uiteen; wkw med ind imperf 3de pers enk van het wkw διαστελλω = diastellô: uiteenhalen, uiteen-stellen, uiteen-zetten, scheiden, bepalen) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) λέγων (= legôn: zeggende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Ὁρᾶτε (= horate: ziet; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw ὁραω = horaô: zien), βλέπετε (= blepete: jullie kijken, kijkt; wkw act ind praes + imperat praes 2de pers mv van het werkw βλεπω = blepô: kijken, zien) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ζύμης (= dzumès: van de zuurdesem; zn gen vr enk van het zn ζύμη: zuurdesem, gist) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Φαρισαίων (= farisaiôn: van de Farizeeën; zn gen mann mv van het zn φαρισαιοι = farisaioi: Farizeeën) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ζύμης (= dzumès: van de zuurdesem; zn gen vr enk van het zn ζύμη: zuurdesem, gist) Ἡρῴδου (= hèrô(i)dou: van Herodes; zn eigennaam gen mann enk van het zn eigennaam ἡρῳδης = hèrô(i)dès: Herodes).
Mc 8,16 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) διελογίζοντο (= dielogidzonto: zij discussieerden; wkw med ind imperf 3de pers mv van het wkw διαλογιζομαι = dialogizomai: uiteenzetten, discussiëren) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) ἀλλήλους (= allèlous: anderen; onbep vnw acc mann mv van het onbep vnw αλληλοι = allèloi: elkander, elkaar) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔχουσιν (= echousin: zij hebben; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten).
Mc 8,17 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) γνοὺς (= gnous: wetende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: weten; gi-gnô-sk-ô; stam gn-, Ned.: kn) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij), Τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) διαλογίζεσθε (= dialogidzesthe: jullie discussiëren; wkw med ind praes 2de pers mv van het wkw διαλογιζομαι = dialogizomai: uiteenzetten, discussiëren) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔχετε (= echete: jullie hebben; act ind praes 2de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten); οὔπω (= oupô: nog niet; bw) νοεῖτε (= noeite: jullie weten; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw νοεω = noeô: weten) οὐδὲ (= oude: noch; ontkenning; afkorting: ουδ' = oud') συνίετε (= suniete: jullie begrijpen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw συν-ιημι sun-ièmi: verstaan, begrijpen); πεπωρωμένην (= pepôrômenèn: verhard; wkw pass part perf acc vr enk van het wkw πωροω = pôroô: verharden, verstokt worden; zie Ned: poreus) ἔχετε (= echete: jullie hebben; act ind praes 2de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho:, ἡ = hè, το = to: de - het) καρδίαν (= kardian: hart; zn acc vr enk van het zn καρδια = hart; Lat.: cor, cordis) ὑμῶν (= humôn: van jullie; pers vnw 2de pers gen mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie);
Mc 8,18 ὀφθαλμοὺς (= ofthalmous: ogen; zn acc mann mv van het zn οφθαλμος = ofthalmos: oog) ἔχοντες (= echontes: hebbende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) βλέπετε (= blepete: jullie kijken, kijkt; wkw act ind praes + imperat praes 2de pers mv van het werkw βλεπω = blepô: kijken, zien) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ὦτα (= ôta: oren; zn acc onz mv van het zn ους = ous: oor) ἔχοντες (= echontes: hebbende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀκούετε (= akouete: jullie horen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren); καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) μνημονεύετε (= mnèmoneuete: jullie herinneren zich; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw μνημονευω = mnèmoneuô: zich herinneren, in herinnering brengen),
Mc 8,19 ὅτε (= hote: toen; ondergeschikt vw van tijd) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πέντε (= pente: vijf, 5; hoofdtelw) ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) ἔκλασα (= eklasa: ik brak; wkw act ind aor 1ste pers enk van het wkw κλαω = klaô: breken) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πεντακισχιλίους (= pentakischilious: vijfduizend; bv nw hoofdtelw acc mann mv van het bv nw hoofdtelw πεντακισχιλίοι = pentakischilioi: vijfduizend), πόσους (= posous: hoeveel; onbep vrag vnw acc mann mv van het onep vrag vnw ποσοι = posoi: hoeveel) κοφίνους (= kofinous: manden; zn acc mann mv van het zn κοφινος: draag-mand, korf) κλασμάτων (= klasmatôn: van brokken; zn nom en acc onz mv van get zn κλασμα: het gebrokene, brok) πλήρεις (= plèreis: vol; bv nw acc mann mv van het bv nw πληρης = plèrès: vol; stam: p/v -l) ἤρατε (= èrate: jullie namen; wkw act ind aor 2de pers mv van het wkw αιρω = airô: nemen); λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Δώδεκα (= dôdeka: twaalf; hoofdtelw).
Mc 8,20 Οτε (= hote: toen; ondergeschikt vw van tijd) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἑπτὰ (= hepta: zeven; hoofdtelw) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) τετρακισχιλίους (= tetrakischilious: vierduizend; bv nw hoofdetelw acc mann mv van het bv nw hoofdtelw τετρακισχιλίοι = tetrakischilioi: vierduizend), πόσων (= posôn: hoeveel; onbep vrag vnw gen mann mv van het onbep vrag vnw ποσοι = posoi: hoeveel) σπυρίδων (= spuridôn: van de korven; zn nw gen vr mv van het zn σπυρις - σπυριδος = spuris - spuridos: gevlochten mand, korf) πληρώματα (= plèrômata: volheden; zn acc onz mv van het zn πληρώμα = plèrôma: volheid, lading, volledig aantal) κλασμάτων (= klasmatôn: van brokken; zn nom en acc onz mv van get zn κλασμα: het gebrokene, brok) ἤρατε (= èrate: jullie namen; wkw act ind aor 2de pers mv van het wkw αιρω = airô: nemen); καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) [αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het)], Ἑπτά (= hepta: zeven; hoofdtelw).
Mc 8,21 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Οὔπω (= oupô: nog niet; bw) συνίετε (= suniete: jullie begrijpen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw συν-ιημι sun-ièmi: verstaan, begrijpen);
Mc 8,22 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Βηθσαϊδάν (= bèthsaïdan: Betsaïda; zn eigennaam acc vr enk van het zn βηθσαιδα = bèthsaïda: Betsaïda). καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) φέρουσιν (= ferousin: zij brengen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw φερω = ferô: dragen, brengen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τυφλὸν (= tuflon: blinde; zn acc mann enk van het zn τυφλος = tuflos: blinde; Fr: aveugle < ab oculis = beroofd van ogen) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) παρακαλοῦσιν (= parakalousin: zij roepen ter hulp; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw παρακαλεω = parakaleô: bijroepen, ter hulp roepen, troosten, bijstaan, aanbevelen, aandringen) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἅψηται (= hapsètai: hij zou aanraken; act conjunc aor 3de pers enk van het wkw ἁπτω = haptô: vastgrijpen, aanraken).
Mc 8,23 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπιλαβόμενος (= epilabomenos: bij zich genomen; wkw med part aor nom mann enk van het wkw ἐπιλαμβανω = epilambanô: bij zich nemen, grijpen, aanvallen) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) χειρὸς (= cheiros: van de hand; zn gen mann enk van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τυφλοῦ (= tuflou: van de blinde; bv nw zelfstandig gebruikt gen mann enk van het bv nw τυφλος = tuflos: blinde; Fr: aveugle < ab oculis = beroofd van ogen) ἐξήνεγκεν (= eksènegken: hij bracht buiten; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εκφερω = ekferô: buitenbrengen) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἔξω (= exô: buiten; bw) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) κώμης (= kômès: van het dorp; zn gen vr enk van het zn κώμη = kômè: dorp), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) πτύσας (= ptusas: nadat hij spuwde); wkw act part aor nom mann enk van het wkw πτύω = ptuô: spuwen, uitspuwen, verachten) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὄμματα (= ommata: ogen; zn acc onz mv van het zn ὄμμα = omma: oog, blik, gezicht) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), ἐπιθεὶς (= epitheis: nadat hij oplegde; wkw act part aor van het wkw επιτιθημι = epitithèmi: opleggen) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χεῖρας (= cheiras: handen; zn acc vr mv van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), ἐπηρώτα (= epèrôta: hij ondervroeg; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Εἴ (= ei: indien, of; voegwoord van voorwaarde) τι (= iets onbep vnw acc onz enk van het onbep vnw τις = tis: iemand, τι = ti: iets) βλέπεις (= blepeis: jij ziet; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw βλεπω = blepô: kijken, zien);
Mc 8,24 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀναβλέψας (= anablepsas: omhooggeblikt; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αναβλεπω = anablepô: naar boven / omhoog blikken, opkijken) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) Βλέπω (= blepô: ik zie; wkw act ind praes 1ste pers enk; kijken, zien) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀνθρώπους (= anthrôpous: mensen; zn acc mann mv van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens), ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) δένδρα (= dendra: bomen; zn acc onz mv van het zn δένδρον = dendron: boom) ὁρῶ (= horô: ik zie; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw ὁραω = horaô: zien) περιπατοῦντας (= peripatountas: rondwandelende; wkw act part praes acc mann mv van het wkw περιπατεω = peripateô: rondwandelen).
Mc 8,25 εἶτα (= eita: daarop, vervolgens; bw) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) ἐπέθηκεν (= epethèken: hij legde op; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw επιτιθημι = epitithèmi: opleggen) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χεῖρας (= cheiras: handen; zn acc vr mv van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὀφθαλμοὺς (= ofthalmous: ogen; zn acc mann mv van het zn οφθαλμος = ofthalmos: oog) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) διέβλεψεν (= dieblepsen: hij zag duidelijk; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw διαβλεπω = diablepô: scherp toezien, strak voor zich uitkijken, duidelijk zien), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπεκατέστη (= apekatestè: hij genas; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αποκαθιστημι = apokathistèmi: herstellen, in een vroegere toestand brengen, genezen), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐνέβλεπεν (= eneblepen: en hij lette op; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εμβλεπω = embleô: kijken, letten op) τηλαυγῶς (= tèlaugôs: van verre te zien, duidelijk) ἅπαντα (= hapanta: alles); onbep vnw acc onz mv van het onbep vnw ἁπας = hapas: ieder, allen, alles).
Mc 8,26 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπέστειλεν (= apesteilan: zij zonden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) οἶκον (= oikos: huis; zn acc mann enk van het zn οικος = oikos: huis) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λέγων (= legôn: zeggende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Μηδὲ (= mède: en niet, ook niet, zelfs niet; partikel) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κώμην (= kômèn: dorp; zn acc vr enk van het zn κώμη = kômè: dorp) εἰσέλθῃς (= eiselthès: jij zoudt binnengaan; wkw act conjunct aor 2de pers enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg).
Mc 8,27 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξῆλθεν (= exèlthen: hij(ging uit; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κώμας (= kômas: dorpen; zn acc vr mv van het zn κωμη = kômè: dorp) Καισαρείας (= kaisareias: van Cesarea; zn eigennaam gen vr enk van het zn eigennaam Καισαρεία = kaisarea: Cesarea) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Φιλίππου (= filippou: van Filippus; zn eigennaam gen mann enk van het zn eigennaam Φιλίππος = filippos: Filippus): καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ὁδῷ (= hodô: 'onder'weg; zn dat vr enk van het zn ὁδὸς = hodos: weg) ἐπηρώτα (= epèrôta: hij ondervroeg; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) μαθητὰς (= mathètas: leerlingen; zn acc mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λέγων (= legôn: zeggende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Τίνα (= tina: wie; vrag vnw acc mann enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἄνθρωποι (= anthrôpoi: mensen; zn nom mann mv van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) εἶναι (= einai: om te zijn; wkw act inf praes van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat.: esse);
Mc 8,28 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) εἶπαν (= eipan: zij zeiden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λέγοντες (= legontes: zeggende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) [ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ] Ἰωάννην (= Iôannèn: Johannes; zn eigennaam acc mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) βαπτιστήν (= baptistèn: doper; zn acc mann enk van het zn βαπτιστης = baptistès: doper), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἄλλοι (= alloi: anderen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw αλλος = allos: ander), Ἠλίαν (= èlian: Elia; zn eigennaam acc mann enk van het zn eigennaam Ἠλίας = èlias; Elia), ἄλλοι (= alloi: anderen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw αλλος = allos: ander) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) προφητῶν (= profètôn: van de profeten, voor-sprekers, woordvoerders, predikanten, zn gen mann mv van het zn προπητης: profeet, voor-spreker, woordvoerder; zie Lat.: praedicare: prediken).
Mc 8,29 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) αὐτὸς (= autos: hij; persoonl vnw 3de pers nom mann enk) ἐπηρώτα (= epèrôta: hij ondervroeg; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Ὑμεῖς (= humeis: jullie; persoonl voornaamw 2de pers nom mann mv) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) τίνα (= tina: wie; vrag vnw acc mann enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) λέγετε (= legete: jullie zeggen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) εἶναι (= einai: om te zijn; wkw act inf praes van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat.: esse); ἀποκριθεὶς (= apokritheis: geantwoord hebbende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Πέτρος (= petros: Petrus; zn eigennaam nom mann enk) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Σὺ (= su: jij; pers vnw 1ste pers nom enk) εἶ (= ei: jij bent; wkw act ind pr 2de pers enk van het wkw ειμι = eimi : zijn) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Χριστός (= christos: gezalfde, Christus; zn eigennaam nom mann enk).
Mc 8,30 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπετίμησεν (= epetimèsen: hij beval; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw επιτιμαω = epitimaô: nadrukkelijk vermanen, 'opdragen', bevelen, berispen) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) μηδενὶ (= mèdeni: aan niemand; onbep vnw dat mann enk van het onbep vnw μηδεὶς = mèdeis: niemand; < μη- δ-εὶς= mè-d-eis: niet iemand) λέγωσιν (= legôsin: zij zouden zeggen; wkw act conjunct praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 8,31 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)(= kai: en; nevenschikkend vw) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) διδάσκειν (= didaskein: te leren; wkw act inf praes van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) δεῖ (= dei: het moet; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δεω = deô: moeten) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) υἱὸν (= huion: zoon; zn acc mann enk van het zn υἱος = huios: zoon; Ned.: zoon. D : Sohn. E : son. In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' : zoon, weer. Aramees: bar) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπου (= anthrôpou: van een mens; zn gen mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) πολλὰ (= polla: vele dingen; bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) παθεῖν (= pathein: te lijden; wkw act inf aor van het wkw πασχω: lijden) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀποδοκιμασθῆναι (= apodokimasthènai: om verworpen te worden; wkw pass inf aor van het wkw αποδοκιμαζω = apodokimazô: verwerpen) ὑπὸ (= hupo: door; vz met 3 naamvallen: gen, dat en acc: door, onder; afkorting: ὑπ' = hup' of ὑφ' = huf') τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πρεσβυτέρων (= presbuterôn: van de ouderen / priesters; bv nw zelfstandig gebruikt comparatief gen mann mv van het bv nw presbu-teros: oud-er; Ned.: priester) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀρχιερέων (= archiereôn: van de hogepriesters; zn gen mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester) καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)(= kai: en; nevenschikkend vw) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) γραμματέων (= grammateôn: van de schriftgeleerden; zn gen mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde; uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα. assimilatie van de f aan de m, γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀποκτανθῆναι (= apoktanthènai: om gedood te worden; wkw pass inf aor van het wkw αποκτεινω = apokteinô: doden) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') τρεῖς (= treis: drie; hoofdtelw) ἡμέρας (= hèmeras: dagen, zn acc vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) ἀναστῆναι (= anastènai: om op te staan; wkw act inf aor van het wkw αν-ι-στη-μι = an-i-stè-mi:: op-staan; stam: sta-):
Mc 8,32 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) παρρησίᾳ (= parrèsia: vrijmoedigheid; zn dat vr enk van het zn παρρησια = parrèsia: vrijmoedigheid) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord) ἐλάλει (= elalei: hij sprak; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten). καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) προσλαβόμενος (= apolabomenos: apart genomen; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απολαμβανω: apolambanô: tot zich nemen, apart nemen) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Πέτρος (= petros: Petrus; zn eigennaam nom mann enk) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) ἐπιτιμᾶν (= epitiman: nadrukkelijk vermanen; wkw act inf praes van het wkw επιτιμαω = epitimaô: nadrukkelijk vermanen, 'opdragen', bevelen, berispen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 8,33 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἐπιστραφεὶς (= epistrafeis: omgekeerd; wkw act part aor nom mann enk van het wkw επιστρεφω = epistrefô: naar iets toekeren) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἰδὼν (= idôn: gezien; wkw act part aor nom mann enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien ; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθητὰς (= mathètas: leerlingen; zn acc mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐπετίμησεν (= epetimèsen: hij beval; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw επιτιμαω = epitimaô: nadrukkelijk vermanen, 'opdragen', bevelen, berispen) Πέτρῳ (= petrô: aan Petrus; zn dat mann enk van het zn eigennaam Πέτρος = petros: Petrus) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) Υπαγε (= hupage: ga weg; wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen) ὀπίσω (= opisô: achter; vz met gen) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij), Σατανᾶ (= satana: Satan; zn voc mann enk van het zn σατανας: = satanas: satan), ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) φρονεῖς (= froneis: jij bedenkt; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw φρονεω: verstandig zijn, inzien, weten, bedenken) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God) ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπων (= anthrôpôn: van mensen; zn gen mann mv van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens).
Mc 8,34 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) προσκαλεσαμενος (= proskalesamenos: bij zich geroepen; wkw med part aor nom mann enk van het wkw προσκαλεομαι = proskaleomai: bij zich roepen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ὄχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) σὺν (= sun: met; vz met dat) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταῖς (= mathètais: leerlingen; zn dat mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Εἴ (= ei: indien, of; vw van voorwaarde) τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk) θέλει (= thelei: hij wil; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw θελω = thelô: willen) ὀπίσω (= opisô: achter; bw) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) ἀκολουθεῖν (= akolouthein: om te volgen; wkw act inf praes van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen), ἀπαρνησάσθω (= aparnèsasthô: verloochen; wkw med imperat aor 3de pers enk van het wkw ἀπαρνεομαι = aparneomai: ten stelligste ontkennen, verloochenen) ἑαυτὸν (= heauton: zichzelf; wederkerig vnw acc mann enk van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀράτω (= aratô: dat hij neme; wkw act imperat aor 3de pers enk van het wkw αιρω = airô: nemen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) σταυρὸν (= stauron: kruis; zn acc mann enk van het zn σταυρος = stauros: kruis) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀκολουθείτω (= akoloutheitô: dat hij volge; wkw act imperat aor 3de pers enk van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen) μοι (= moi: aan mij; pers vnw 1ste pers dat mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij).
Mc 8,35 ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) θέλῃ (= thelè: hij zou willen; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw θελω = thelô: willen) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ψυχὴν (= psuchèn: ziel, leven; zn acc vr enk van het zn ψυχη = psuchè: adem, geest, leven) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) σῶσαι (= sôsai: om te redden; wkw act inf aor van het wkw σῳζω = sôzô: redden, verlossen) ἀπολέσει (= apolesei: hij zal doden; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw απολλυμι = apollumi: ten gronde richten, doden, verliezen) αὐτήν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij): ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) δ' (= d': tegenover, echter; nevenschikkend vw; afkorting van δὲ = de) ἂν (= an; partikel bij de conjunct) ἀπολέσει (= apolesei: hij zal doden; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw απολλυμι = apollumi: ten gronde richten, doden, verliezen) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ψυχὴν (= psuchèn: ziel, leven; zn acc vr enk van het zn ψυχη = psuchè: adem, geest, leven) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἕνεκεν (= heneken: omwille van; vz met gen) ἐμοῦ (= emou: van mij; pers vnw gen mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) εὐαγγελίου (= euaggeliou: van de goede boodschap; zn gen onz enk van het zn ευαγγελιον = euaggelion: goede boodschap. Lat. evangelium. Fr. évangile. D. Evangelium. E. gospel) σώσει (= sôsei: hij zal redden; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw σῳζω = sôzô: redden, verlossen) αὐτήν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij).
Mc 8,36 τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ὠφελεῖ (= ôfelei: het helpt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ὠφελεω = ôfeleô: helpen, baten) ἄνθρωπον (= anthrôpon: mens; zn acc mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) κερδῆσαι (= kerdèsai: te winnen; wkw act inf aor van het wkw κερδαινω = kerdainô: winnen, treffen, verwerven) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) κόσμον (= kosmon: wereld; zn acc enk van het zn κόσμος = kosmos: wereld) ὅλον (= holon: heel; bv nw acc mann enk van het bv ὁλος = holos: heel) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ζημιωθῆναι (= dzèmiôthènai: om geschaad te worden; wkw med / pass inf aor van het wkw ζημιοω = zèmioô: schaden, straffen) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ψυχὴν (= psuchèn: ziel, leven; zn acc vr enk van het zn ψυχη = psuchè: adem, geest, leven) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het);
Mc 8,37 τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) δοῖ (= doi: hij zou geven; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave gift . Fr: donner - don: geven - gave) ἄνθρωπος (= anthrôpos: mens; zn nom mann enk) ἀντάλλαγμα (= antallagma: geruilde, losgeld; zn nom en acc onz enk) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ψυχῆς αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het);
Mc 8,38 ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) ἐπαισχυνθῇ (= epaischunthè: hij zou zich schamen over; wkw med conjunct aor 3de pers enk van het wkw ἐπαισχυνομαι = epaischunomai: zich schamen over) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐμοὺς (= emous: mijn; bezitt vnw acc mann mv van het bezitt vnw εμος = emos: mijn) λόγους (= logous: woorden; zn acc mann mv van het zn λογος = logos: woord) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) γενεᾷ (= genea: generatie; zn dat vr enk van het zn γενεα = genea: afstamming, geslacht, stam, generatie) ταύτῃ (= tautè: aan deze; aanw vnw dat vr enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) μοιχαλίδι (= moichalidi: overspelige; bv nw dat vr enk van het bv nw μοιχαλις = moichalis: overspelig, afvallig) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἁμαρτωλῷ (= hamartôlô: zondig; bv nw dat vr enk van het bv nw ἁμαρτωλος = hamartôlos: zondaar), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱὸς (= huios: zoon; zn nom mann enk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπου (= anthrôpou: van een mens; zn gen mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) ἐπαισχυνθήσεται (= epaischunthèsetai: hij zal zich schamen; wkw med / pass ind fut 3de pers enk van het wkw ἐπαισχυνομαι = epaischunomai: zich schamen over) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) ἔλθῃ (= elthè: hij zou komen; wkw act conjunct aor 3de pers enk bij het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) δόξῃ (doksè: heerlijkheid; zn dat vr enk van het zn δοξη = doksè: heerlijkheid) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πατρὸς (= patros: van vader, zn gen mann enk van het zn πατηρ: = patèr: vader) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀγγέλων (= aggelôn: van engelen; zn gen mann mv van het zn αγγελος = aggelos: engel) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἁγίων (= hagiôn: van heilige; bv nw gen mann mv van het bn ἁγιος = hagios: heilig. Hebr.: קָדוֹשׁ = qâdôsj: heilig. Lat.: sanctus. Fr.: saint. D.: heilig. E.: holy).
Mc 9,1 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= autois: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Ἀμὴν (= amèn: amen, voorwaar, het zij zo) λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) εἰσίν (= eisi: zij zijn, wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is) τινες (= tines: sommigen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw τις - τι = tis, ti: iemand, iets; mv: sommigen) ὧδε (= hôde: hier; bw van plaats) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἑστηκότων (hestèkotôn: van de 'om'staanders; wkw act part perf gen mann mv van het wkw ἱστημι = histèmi: doen staan, staan) οἵτινες (= hoitines: sommigen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw ὁστις - ὁτι = hostis, hoti: iemand, iets; mv: sommigen) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) γεύσωνται (= geusôntai: zij zouden smaken; wkw med conjunct aor 3de pers mv van het wkw γευομαι = geuomai: smaken) θανάτου (= thanatou: van de dood, zn gen mann enk van het zn θανατος = thanatos: dood) ἕως (= heôs: tot, totdat; onderschikkend vw) ἂν (= an; partikel bij de conjunct) ἴδωσιν (= idôsin: zij zouden zien; wkw act conjunct aor 1ste pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) βασιλείαν (= basileian: koninkrijk, koningschap; zn acc vr enk van het zn βασιλεια = basileia: koninkrijk, koningschap) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God) ἐληλυθυῖαν (= elèluthuian: gekomen; wkw act part perf acc vr enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελθ = ethl: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) δυνάμει (= dunamei: met kracht; zn dat vr enk van het zn δύναμις = dunamis: kracht, macht).
Mc 9,2 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') ἡμέρας (= hèmeras: dagen, zn acc vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) ἓξ (= heks: zes; hoofdtelw) παραλαμβάνει (= paralambanei: hij neemt naast zich; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw παραλαμβανω = paralambanô: overnemen) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Πέτρον (= petron: Petrus; zn eigennaam acc mann enk van het zn eigennaam Πέτρος = petros: Petrus) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Ἰάκωβον (= jakôbon: Jakobus; zn eigennaam acc mann enk van het zn nw ιακωβος = jakôbos: Jakobus) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Ἰωάννην (= Iôannèn: Johannes; zn eigennaam acc mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀναφέρει (= anaferei; hij voert omhoog; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw αναφερω = anaferô: naar boven dragen, omhoog voeren) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) ὄρος (= oros: berg; zn nom en acc onz enk) ὑψηλὸν (= hupsèlon: hoog; bv nw acc onz enk van het bv nw ὑψηλος = hupsèlos: hoog) κατ' (= kata: van... naar beneden, volgens, vz; afkorting: κατ' = kat') ἰδίαν (= idian: eigene, zelf; bv nw acc vr enk van het bv nw ιδιος = idios: eigen, zelf) μόνους (= monous: alleen; bv nw acc mann mv van het bv nw μονος = monos: alleen). καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) μετεμορφώθη (= metemorfôthè: hij werd van gedaante veranderd; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw μεταμορφοω = metamorfoô: omvormen, van gedaante veranderen) ἔμπροσθεν (= emprosthen: van voren, in aanwezigheid van, voor; vz + gen) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij),
Mc 9,3 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἱμάτια (= himatia: kleren; zn nom onz mv van het zn ἱματιον = himation: kleed) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai: gebeuren, worden; stam: gen) στίλβοντα (= stilbonta: schitterend; wkw act part praes nom onz mv van het wkw στιλβοω = stilboo: glanzen, schitteren, blinken) λευκὰ (= leuka: wit; bv nw nom onz mv van het bv nw λευκος = leukos: wit) λίαν (= lian: zeer; bw) οἷα (= hoia: als; onbep vnw bv nw nom onz mv van het onbep vnw bv nw οἷος: zo een... als) γναφεὺς (= gnafeus: volder, wolkammer, bleker; zn nom mann enk) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) γῆς (= gès: aarde, land; zn gen vr enk van het zn γη = gè: aarde, land) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) δύναται (= dunatai: hij kan; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen, in staat zijn) οὕτως (= houtôs: op die wijze, zo; bw van wijze) λευκᾶναι (= leukanai: om wit te maken; wkw act inf aor van het wkw λευκαινω = leukainô: wit maken, wit verven, blank wassen).
Mc 9,4 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ὤφθη (= ôfthè: hij verscheen, hij werd gezien; wkw pass ind aor 3de pers enk bij het wkw ὁραω = horaô: zien) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Ἠλίας (= èlias; Elia; zn eigennaam nom mann enk) σὺν (= sun: met; vz met dat) Μωϋσεῖ (= moüsei= met Mozes; zn eigennaam dat mann enk van het zn eigennaam μωυσης = moüsès: Mozes), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) συλλαλοῦντες (= sullalountes: samen sprekende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw συλλαλεω = sullaleô: samen spreken) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦ (= ièsou: Jezus; dat mann enk eigennaam van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô).
Mc 9,5 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀποκριθεὶς (= apokritheis: geantwoord hebbende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Πέτρος (= petros: Petrus; zn eigennaam nom mann enk) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦ (= ièsou: Jezus; dat mann enk eigennaam van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô), Ῥαββί (= rabbi: mijn meester; Hebr), καλόν (= kalon: goed; bv nw acc onz enk van het bv nw καλος = kalos: goed, mooi, schoon) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) ἡμᾶς (= hèmas: wij; pers vnw 1ste pers acc mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: ons) ὧδε (= hôde: hier; bw van plaats) εἶναι (= einai: om te zijn; wkw act inf praes van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat.: esse), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ποιήσωμεν (= poièsômen: wij zouden maken; wkw act conjunct aor 1ste pers mv van het wkw ποιεω = poieô: maken, doen; augment van de ind verleden tijd e + stam poie met verlenging tot è, zie Baeyens 86,3 "Bij contracte wkw wordt de stamklinker verlengd" + eerste kenletter van de 1ste aorist s + uitgang act aor 3de pers mv -a-n) τρεῖς (= treis: drie; hoofdtelw) σκηνάς (= skènas: tenten; zn acc vr mv van het zn σκηνη = skènè: tent), σοὶ (= soi: aan u; pers vnw 2de pers dat enk van het persoonl vnw συ = su: jij) μίαν (= mian= één; hoofdtelw acc vr enk van het hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) Μωϋσεῖ (= moüsei= met Mozes; zn eigennaam dat mann enk van het zn eigennaam μωυσης = moüsès: Mozes) μίαν (= mian: één; hoofdtelw acc vr enk van het hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) Ἠλίᾳ (= èlia: aan Elia; zn eigennaam dat mann enk van het zn eigennaam ἡλιας = èlias: Elia) μίαν (= mian: één; hoofdtelw acc vr enk van het hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één).
Mc 9,6 οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ᾔδει (= èdei: hij wist; wkw act ind plusquamperf 3de pers enk, zie het wkw οιδα = oida: ik weet) τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) ἀποκριθῇ (= apokrithè: hij zou antwoorden; wkw med conjunct aor 3de pers enk van het wkw αποκρινομαι = apokrinomai: antwoorden), ἔκφοβοι (= ekfoboi: bevreesd; bv nw nom mann mv van het bv nw εκφοβος = ekfobos: bevreesd) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἐγένοντο (= egenonto: zij werden; wkw med ind aor 3de pers mv van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen).
Mc 9,7 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam: gen) νεφέλη (= nefelè: nevel, wolk; zn nom vr enk) ἐπισκιάζουσα (= episkiadzousa: overschaduwend; wkw act part praes nom vr enk van het wkw ἐπισκιάζω = episkiadzô: overschaduwen) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam: gen) φωνὴ (= fônè: stem, roep; zn nom vr enk) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) νεφέλης (= nefelès: van de nevel/wolk; zn gen vr enk van het zn νεφέλη = nefelè: nevel, wolk), Οὗτός :(= houtos: deze; aanwijz vnw nom mann enk) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱός (= huios: zoon; zn nom mann enk) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀγαπητός (= agapètos: beminde, geliefde; bn nom mann enk), ἀκούετε (= akouete: luistert; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 9,8 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξάπινα (= eksapina: plotseling, onverwacht; bw) περιβλεψάμενοι (= periblepsamenoi: rondgekeken; wkw act part aor nom mann mv van het wkw περιβλεπω = periblepô: rondkijken) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) έτι (= eti: ook, nog; bw) οὐδένα (= oudena: niemand; onbep vnw acc mann enk, ουδεις = oud-eis - ουδεμια = oudemia - ουδεν = ouden: nie-mand < niet iemand, niets) εἴδον (= eidon: zij zagen; wkw act ind aor 3de pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Ἰησοῦν (= Ièsoun: Jezus; zn eigennaam acc mann enk van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô) μόνον (= monon: alleen; bw) μεθ' (= meth': met, na, afkorting van μετα = meta; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met') ἑαυτῶν (= heautôn: met zichzelf; wederkerig vnw gen mann mv van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf).
Mc 9,9 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) καταβαινόντων (= katabainôntôn: terwijl zij afdaalden; wkw act part praes gen mann mv van het wkw καταβαινω = katabainô: naar beneden dalen afdalen) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὄρους (= orous: van de berg; zn gen onz enk van het zn ορος = oros: berg) διεστείλατο (= diesteilato: hij beval; wkw med aor 3de pers enk van het wkw διαστελλω = diastellô: uiteenhalen, uiteen-stellen, uiteen-zetten, scheiden, bepalen) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) μηδενὶ (= mèdeni: aan niemand; onbep vnw dat mann enk van het onbep vnw μηδεὶς = mèdeis: niemand; < μη- δ-εὶς= mè-d-eis: niet iemand) ἃ (= ha: die; betrekk vnw nom of acc onz mv van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat) εἴδον (= eidon: zij zagen; wkw act ind aor 3de pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) διηγήσωνται (= diègèsôntai: zij zouden verhalen; wkw med conjunct aor 3de pers mv van het wkw διηγεομαι = diègèomai: uiteenzetten, verhandelen, uitleggen, verhalen), εἰ (= ei: indien; ondergeschikt vw van voorwaarde: indien, als, in geval) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱὸς (= huios: zoon; zn nom mann enk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπου (= anthrôpou: van een mens; zn gen mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) νεκρῶν (= vekrôn: uit de doden; bv nw / zn gen mann mv van het bv nw / zn νεκρος = nekros: dode) ἀναστῇ (= anastè: hij zou opstaan; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw αν-ι-στη-μι = an-i-stè-mi:: op-staan; stam: sta-).
Mc 9,10 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. 1Hebr.: wë. Arab.: wa) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord) ἐκράτησαν (= ekratèsan: zij bemachtigden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) ἑαυτοὺς (= heautous: zichzelf); wederkerig vnw acc mann mv van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf) συζητοῦντες (= sudzètountes: onderzoekend; wkw act part praes nom mann mv van het wkw συζητεω = sudzèteô: samen onderzoeken, disputeren, twisten met) τί (= ti: wat? vrag vnw nom onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het).ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) νεκρῶν (= vekrôn: uit de doden; bv nw / zn gen mann mv van het bv nw / zn νεκρος = nekros: dode) ἀναστῆναι (= anastènai: om op te staan; wkw act inf aor van het wkw αν-ι-στη-μι = an-i-stè-mi:: op-staan; stam: sta-).
Mc 9,11 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπηρώτων (= epèrôtôn: zij ondervroegen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λέγοντες (= legontes: zeggende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Οτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραμματεῖς (= grammateis: Schriftgeleerden; zn nom mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde; uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα: assimilatie van de f aan de m; γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Ἠλίαν (= èlian: Elia; zn eigennaam acc mann enk van het zn eigennaam Ἠλίας = èlias; Elia) δεῖ (= dei: het moet; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δεω = deô: moeten) ἐλθεῖν (= elthein: om te gaan / komen; wkw med inf aor; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελθ = elth: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) πρῶτον (= prôton: ten eerste; bw);
Mc 9,12 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἔφη (= egè: hij beweerde, hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw φημι = fèmi: beweren, zeggen) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Ἠλίας (= èlias; Elia; zn eigennaam nom mann enk) μὲν (= men: wel, enerzijds, partikel om een zwakke tegenstelling uit te drukken) ἐλθὼν (= elthôn: gekomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) πρῶτον ἀποκαθιστάνει (= apokathistanei: hij herstelt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ἀποκαθιστάνω = apokathistanô: herstellen, (weer in zijn oude toestand herstellen, genezen) πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) πῶς (= pôs: hoe; onbep vnw van wijze) γέγραπται (= gegraptai: er werd geschreven; wkw pass ind perf 3de pers enk van het wkw γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) υἱὸν (= huion: zoon; zn acc mann enk van het zn υἱος = huios: zoon; Ned.: zoon. D : Sohn. E : son. In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' : zoon, weer. Aramees: bar) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπου (= anthrôpou: van een mens; zn gen mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) πολλὰ (= polla: vele dingen); bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) πάθῃ (= pathè: hij zou lijden; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw πασχω: lijden) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξουδενηθῇ (= eksoudenèthè: hij zou vernietigd worden; wkw pass conjunct aor 3de pers enk van het wkw ἐξουδενεω / -οω = eksoudeneô / -oô: vernietigen);
Mc 9,13 ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) Ἠλίας (= èlias; Elia; zn eigennaam nom mann enk) ἐλήλυθεν (= elèluthen: hij kwam; wkw med ind perf 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐποίησαν (= epoièsan: zij deden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ποιεω = poieô: maken, doen; augment van de ind verleden tijd e + stam poie met verlenging tot è, zie Baeyens 86,3 "Bij contracte wkw wordt de stamklinker verlengd" + eerste kenletter van de 1ste aorist s + uitgang act aor 3de pers mv -a-n) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὅσα (= hosa: zoveel als; onbep vnw nom + acc onz mv van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als) ἤθελον (= èthelon: zij wilden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw θελω = thelô: willen; een verlengd augment in het imperf), καθὼς (= kathôs: zoals, vw van vergelijking) γέγραπται (= gegraptai: er werd geschreven; wkw pass ind perf 3de pers enk van het wkw γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) ἐπ' (= επ': ep: over; epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; afkortingen : επ' = ep': vóór een niet-aangeblazen klinker, en εφ' = ef': vóór een aangeblazen klinker) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 9,14 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐλθόντες (= elthontes: komende; ww med part aor nom mann mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 ww met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθητὰς (= mathètas: leerlingen; zn acc mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) εἶδον (= eidon: zij zagen; wkw act ind aor 3de pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) ὄχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) πολὺν (= polun: veel; bv nw acc mann enk van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) γραμματεῖς (= grammateis: Schriftgeleerden; zn nom mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde (uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα: assimilatie van de f aan de m; γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) συζητοῦντας (= sudzètontas: twistende; wkw act part praes acc mann mv van het wkw συζητεω = sudzèteô: samen onderzoeken, disputeren, twisten met) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 9,15 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) πᾶς (= pas: ieder, al, heel; onbep vnw nom mann enk) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὄχλος (= ochlos: massa, menigte; zn nom mann enk) ἰδόντες (= idontes: ziende; wkw act part aor nom mann mv bij het werkw horaô = zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐξεθαμβήθησαν (= exethambèthèsan: zij waren met ontzetting / verbijstering geslagen; wkw pass ind aor 3de pers mv van het wkw εκθαμβεομαι = ekthambeomai: verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) προστρέχοντες (= prostrechontes: lopende naar; wkw act part praes nom mann mv van het wkw προστρεχω = prostrechô: snellopen naar, hollen naar) ἠσπάζοντο (= èspadzonto: zij begroetten; wkw med ind imperf 3de pers mv van het wkw ασπάζω = vriendelijk begroeten, welkom heten) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 9,16 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπηρώτησεν (= epèrôtèsen: hij ondervroeg: wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) συζητεῖτε (= sudzèteite: twisten; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw συζητεω = su-zèteô: samen onderzoeken, disputeren, twisten) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het);
Mc 9,17 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπεκρίθη (= apekrithè: hij antwoordde; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden; stam: kri) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) ἐκ τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὄχλου (= ochlou: (van de menigte; zn gen mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte), Διδάσκαλε (= didaskale: goede leermeester; zn voc mann enk van het zn διδασκαλος = di-da-s-k-alos: leraa goede leermeester ; wkw διδασκω = di-da-s-k-ô : onderwijzen, L. docere), ἤνεγκα (= ènegka: ik bracht; wkw act ind aor 1ste pers enk; wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 103, wkw φερω = ferô: voeren, dragen, brengen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) υἱόν (= huion: zoon; zn acc mann enk van het zn υἱος = huios: zoon; Ned.: zoon. D : Sohn. E : son. In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' : zoon, weer. Aramees: bar) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) σέ (= se: u; pers vnw 2de pers acc mann enk van het pers vnw συ = su: jij), ἔχοντα (= echonta: hebbende; wkw act part praes nom onz mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) πνεῦμα (= pneuma: geest, adem, wind; zn nom en acc onz enk) ἄλαλον (= alalon: niet sprekend; bv nw acc onz enk van het bv nw ἀλάλος = a-lal-os: niet sprekend, stom):
Mc 9,18 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ὅπου (= hopou: waar; onbep betr bw) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καταλάβῃ (= katalabè: hij zou zich meester maken; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw καταλαμβανω = kata-la-m-ba-n-ô : naar beneden nemen, zich meester maken van) ῥήσσει (= rèssei: hij breekt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ρησσω = rèssô - ρηγνυμι = règ-nu-mi: breken, verbrijzelen) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D. : und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀφρίζει (= afridzei: hij schuimt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw αφριζω = afrizô: schuimen) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) τρίζει (= tridzei: hij knarst; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw τριζω = trizô: piepen, knarsen) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὀδόντας (= odontas: de tanden; zn acc mann mv van het zn οδων = o-dôn: tan-d) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ξηραίνεται (= ksèrainetai: hij verschrompelt; wkw med / pass ind praes 3de pers enk van het wkw ξηραινω = ksèrainô: verschrompelen, verdorren, vermageren): καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εἶπα (= eipa: ik zei; wkw act ind 1ste aor 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep, zie Van der Vorst, blz 199; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταῖς (= mathètais: leerlingen; zn dat mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) αὐτὸ (= auto: hem; pers vnw acc onz enk van het pers vnw 3de pers αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐκβάλωσιν (= ekbalôsin: zij zouden uitwerpen; wkw act conjunct aor 3de pers mv van het wkw εκβαλλω = ek-bal-l-ô: uit-val-len, uitwerpen), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἴσχυσαν (= ischusan: zij konden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ισχυω = ischuô: krachtig zijn, vermogen, kunnen).
Mc 9,19 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἀποκριθεὶς (= apokritheis: geantwoord hebbende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απο-κριν-ομαι = apo-krin-o-mai: antwoorden) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), ω (= ô: o; tussenwerpsel) γενεὰ (= genea: afstamming, geslacht, stam; zn nom vr enk) ἄπιστος (= apistos: ongelovig; bv nw voc vr enk: onbetrouwbaar, ongelovig; zie zn πιστις = pi-s-t-is; Lat. fid-es, Fr. foi), ἕως (= heôs: tot, totdat; onderschikkend vw) πότε (= pote: wanneer; partikel van tijd; ἕως πότε = heôs pote: tot wanneer, hoelang) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) ὑμᾶς (= humas: jullie, pers vnw 2de pers acc mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ἔσομαι (= esomai: ik zal zijn; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; ei-mi < es-mi; zie Lat. es-se, Fr. être < es-tre, Ned. 3de pers enk. hij is: Gr. estin); ἕως (= heôs: tot, totdat; onderschikkend vw) πότε (= pote: wanneer; partikel van tijd) ἀνέξομαι (= aneksomai: ik zal dulden; wkw med ind fut 1ste pers enk van het wkw ανεχομαι = anechomai: stand houden, dulden) ὑμῶν (= humôn: van jullie; pers vnw 2de pers gen mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie); φέρετε (= ferete: brengt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw φερω = ferô: dragen, brengen) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πρός (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij).
Mc 9,20 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἤνεγκαν (= ènegkan: zij brachten; wkw act ind aor 3de pers mv bij het wkw φερω = ferô: dragen, brengen) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἰδὼν (= idôn: gezien; wkw act part aor nom mann enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien ; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πνεῦμα (= pneuma: geest, adem, wind; zn nom en acc onz enk) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) συνεσπάραξεν (= sunesparaksen: hij schudde door elkaar; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw συνσπαρασσω = sunsparassô < sun-sparak-sô: : door elkaar schudden, stuiptrekken) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) πεσὼν (= pesôn: vallend; wkw act part aor nom mann enk van het wkw πιπτω = piptô; stam pe- : vallen) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) γῆς (= gès: aarde, land; zn gen vr enk van het zn γη = gè: aarde, land) ἐκυλίετο (= ekulieto: hij rolde; wkw med imperf 3de pers enk van het wkw κυλίω = kuliô: rollen; zie kuklos: cirkel) ἀφρίζων (= afridzôn: schuimbekkend; wkw part praes nom mann enk van het wkw αφριζω = afrizô: schuimen).
Mc 9,21 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπηρώτησεν (= epèrôtèsen: hij ondervroeg: wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) πατέρα (= patera: vader; zn acc mann enk van het zn πα-τηρ = pa-tèr: va-der) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) Πόσος (= posos hoeveel, hoelang; vrag vnw nom mann enk) χρόνος (= chronos: tijd; zn nom mann enk) ἐστὶν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-, zie Lat.: esse) ὡς (= hôs: zoals, zodra; vw) τοῦτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) γέγονεν (= gegonen: het gebeurde; wkw med / pass ind perf 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun ve rschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) παιδιόθεν (= paidio-then: van kindsbeen af; verkleinwoord pai-dion: kind-je van pais: kind + then: vanaf):
Mc 9,22 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) πολλάκις (= pollakis: vele malen, dikwijls; bw) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) πῦρ (= pur: vuur; acc onz enk) αὐτόν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἔβαλεν (ebalen: hij wierp; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) ὕδατα (= hudata: water; zn acc onz mv van het zn ὑδωρ = hudôr: water; stam: h/w, d/t, r ) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) ἀπολέσῃ (= apolesè: hij zou doden; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw απολλυμι = apollumi: verderven, verdoemen, ten gronde richten, doden, verliezen) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het): ἀλλ' (= all': maar; afkorting van αλλα = alla; partikel van tegenstelling) εἴ (= ei: indien; ondergeschikt vw van voorwaarde: indien, als, in geval) τι (= ti: iets; onbep vnw acc onz enk van het onbep vnw τις = tis: iemand, τι = ti: iets) δύνῃ (= dunè: wkw med conjunct praes 2de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) βοήθησον (= boèthèson: help; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw βοηθεω = boètheô: helpen) ἡμῖν (= hèmin: aan ons; pers vnw dat mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: wij) σπλαγχνισθεὶς (= splagchnistheis: door medelijden bewogen; wkw pass part aor nom mann enk van het wkw σπλαγχνιζομαι = splagchnizômai: zich ontfermen, medelijden hebben) ἐφ' (= ef': over; epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; afkortingen : επ' = ep': vóór een niet-aangeblazen klinker, en εφ' = ef': vóór een aangeblazen klinker) ἡμᾶς (= hèmas: wij; pers vnw 1ste pers acc mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: ons).
Mc 9,23 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Εἰ (= ei: indien; ondergeschikt vw van voorwaarde: indien, als, in geval) δύνῃ (= dunè: wkw med conjunct praes 2de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) δυνατὰ (= dunata: mogelijk, machtig; bv nw nom onz mv van het bv nw δυνατὸς = dunatos: krachtig, machtig) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πιστεύοντι (= pisteuonti: aan hem die vertrouwen heeft; wkw act part praes dat mann enk van het wkw πιστευω = pisteuô: geloven, vertrouwen).
Mc 9,24 εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) κράξας (= kraksas: schreeuwende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw κραζω = krazô: krijsen, schreeuwen, roepen) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πατὴρ (= patèr: vader; zn nom mann enk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) παιδίου (= paidiou: van het kind; zn gen onz enk van het zn παιδίον = paidion: kindje, verkleinwoord van het zn παις = pais: kind) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Πιστεύω (= pisteuô: ik vertrouw; wkw act ind praes 1ste pers enk; (geloven, vertrouwen): βοήθει (= boèthei: help; wkw act imperat praes 2de pers enk van het wkw βοηθεω = boètheô: helpen) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) τῇ (= tè: de; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀπιστίᾳ (= apistia: ongeloof, wantrouwen; zn dat vr enk van het zn ἀπιστία: ongeloof, wantrouwen).
Mc 9,25 ἰδὼν (= idôn: gezien; wk w act part aor nom mann enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien ; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἐπισυντρέχει (= episuntrechei: hij stroomt samen bij; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ἐπισυντρέχω: samen lopen naar) ὄχλος (= ochlos: massa, menigte; zn nom mann enk) ἐπετίμησεν (= epetimèsen: hij beval; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw επιτιμαω = epitimaô: nadrukkelijk vermanen, 'opdragen', bevelen, berispen) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πνεύματι (= pneumati; zn dat onz enk van het zn πνευμα = pneuma: geest, adem, wind) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀκαθάρτῳ (= akatharô: met een onzuivere geest; bv nw dat onz enk van het bv nw ακαθαρος = akatharos: onzuiver, onrein) λέγων (= legôn: zeggend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἄλαλον (= alalon: niet sprekend; bv nw acc onz enk van het bv nw ἀλάλος = a-lal-os: niet sprekend, stom) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) κωφὸν (= kôfon: dove; bv nw zelfstandig gebruikt acc mann enk van het bv nw κωφος = kôfos: doof) πνεῦμα (= pneuma: geest, adem, wind; zn nom en acc onz enk), ἐγὼ (= egô: ik - mij; pers vnw 1ste pers enk) ἐπιτάσσω (= epitassô: opdragen, bevelen; wkw act ind praes 1ste pers enk: ik draag op, ik beveel) σοι (= soi: aan u; pers vnw 2de pers dat enk van het persoonl vnw συ = su: jij), ἔξελθε (= exelthe: ga uit; wkw med imperat aor 2de pers enk van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) μηκέτι (= mèketi: niet meer; partikel) εἰσέλθῃς (= eiselthès: jij zoudt binnengaan; wkw act conjunct aor 2de pers enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 9,26 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) κράξας (= kraksas: schreeuwende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw κραζω = krazô: krijsen, schreeuwen, roepen) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) πολλὰ (= polla: vele dingen); bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) σπαράξας (= sparaksas: stuiptrekkend; wkw act part aor nom mann enk van het wkw σπαρασσω = sparassô: door elkaar schudden, stuiptrekken) ἐξῆλθεν: (= exèlthen: hij(ging uit; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai: gebeuren, worden; stam: gen) ὡσεὶ (= hôsei: zoals indien, zoals, evenals; bw; bij getallen: ongeveer) νεκρός (= nekros: dood, dode; bv nw nom mann enk), ὥστε (= hôste: zodat; ondergeschikt voegwoord van gevolg) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) πολλοὺς (= pollous: velen; bv nw acc mann mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) λέγειν (= legein: te zeggen; wkw act inf praes van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἀπέθανεν (= apethanen: hij stierf; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αποθνῃσκω = apothnè(i)skô: sterven).
Mc 9,27 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) κρατήσας (= kratèsas: vastgenomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) χειρὸς (= cheiros: van de hand; zn gen mann enk van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἤγειρεν (= ègeiren; hij wekte op; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀνέστη (= anestè: (hij stond op; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αν-ι-στη-μι = an-i-stè-mi:: op-staan; stam: sta-).
Mc 9,28 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εἰσελθόντος (= eiselthontos: nadat hij was binnengegaan; wkw med part aor gen mann enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) οἶκον (= oikos: huis; zn acc mann enk van het zn οικος = oikos: huis) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) κατ' (= kata: van... naar beneden, volgens, vz; afkorting: κατ' = kat') ἰδίαν (= idian: eigene, zelf; bv nw acc vr enk van het bv nw ιδιος = idios: eigen, zelf) ἐπηρώτων (= epèrôtôn: zij ondervroegen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Οτι (= hoti (dat, omdat; vw van reden) ἡμεῖς (= hèmeis: wij; pers vnw 1ste pers mann mv) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἠδυνήθημεν (= èdunèthèmen: wij konden; wkw med of pass ind aor 1ste pers mv van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) ἐκβαλεῖν (= balein: om te werpen; wkw act inf aor van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen) αὐτό (= auto: hem; pers vnw acc onz enk van het pers vnw 3de pers αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het);
Mc 9,29 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Τοῦτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het).γένος (= genos, genous: geslacht, afkomst; zn nom onz enk; stam: gen-) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) οὐδενὶ (= oudeni: met niets; onbep vnw dat onz enk van het onbep vnw ουδεις = oud-eis - ουδεμια = oudemia - ουδεν = ouden: nie-mand < niet iemand, niets) δύναται (= dunatai: hij kan; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen, in staat zijn) ἐξελθεῖν (= ekselthein: om uit te gaan; wkw med inf aor van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰ (= ei: indien; ondergeschikt vw van voorwaarde: indien, als, in geval) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) προσευχῇ (= proseuchè: in gebed; zn dat vr enk van het zn προσευχη = proseuchè: gebed) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) νηστείᾳ (= nèsteia: in vasten; zn dat vr enk van het zn νηστεῖα = nèsteua: vasten).
Mc 9,30 Κἀκεῖθεν (= kakeithen: en vandaar; < kai + ekei-then; vw en bw van plaats)) ἐξελθόντες (= ekselthontes; uitgegaan zijnde; wkw act part aor nom mann mv van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) παρεπορεύοντο (= pareporeuonto: zij begaven zich langs; wkw ind imperf 3de pers mv van het wkw παραπορευομαι = paraporeuomai: zich op weg begeven langs) Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Γαλιλαίας (= Galilaias: langs Galilea; zn eigennaam gen vr enk van het zn γαλιλαια = galilaia: Galilea), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἤθελεν (= èthelen: hij wilde; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw θελω = thelô: willen; een verlengd augment in het imperf) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk) γνοῖ (= ginôskete: weet; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: weten; gi-gnô-sk-ô; stam gno- of gnô; athematische aor. de aor wordt zonder themaklinker rechtstreeks van de stam gevormd -> conjunct aor 3de pers enk. gnoi ; wkw met praesensversterking sk - Baeyens nr 134 blz 100 en 130d blz 97 -; wkw stam krijgt een verdubbeling in de praesens gi-gnô-skô - Baeyens 130a blz 97):
Mc 9,31 ἐδίδασκεν (= edidasken: hij onderrichtte; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) γὰρ (nevenschikkend vw van reden: want) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθητὰς (= mathètas: leerlingen; zn acc mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱὸς (= huios: zoon; zn nom mann enk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπου (= anthrôpou: van een mens; zn gen mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) παραδίδοται (= paradidotai: hij wordt overgeleverd; wkw pass ind praes 3de pers enk van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren, door-geven) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) χεῖρας (= cheiras: handen; zn acc vr mv van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) ἀνθρώπων (= anthrôpôn: van mensen; zn gen mann mv van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀποκτενοῦσιν (= apoktenousin: zij zullen doden; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw αποκτεινω = apokteinô: doden) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀποκτανθεὶς (= apoktantheis: gedood; wkw pass part aor nom mann enk van het wkw αποκτεινω = apokteinô: doden) μετὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τρεῖς (= treis: drie; hoofdtelw) ἡμέρας (= hèmeras: dagen, zn acc vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) ἀναστήσεται (= anastèsetai: hij zal opstaan; wkw med ind fut 3de pers enk van het wkw αν-ι-στη-μι = an-i-stè-mi:: op-staan; stam: sta-)
Mc 9,32 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἠγνόουν (= ègnooun: zij wisten, zij begrepen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw αγνοω = agnoô: niet weten, niet begrijpen) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het).ῥῆμα (= rèma: woord, uitspraak; zn acc onz enk), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐφοβοῦντο (= efobounto (zij vreesden; wkw med dep ind imperf 3de pers mv van het wkw φοβεομαι = fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐπερωτῆσαι (= eperôtèsai: om te ondervragen; wkw act inf aor van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen).
Mc 9,33 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἦλθον (= èlthon: zij kwamen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Καφαρναούμ (= kafarnaoum: Kafarnaüm; eigennaam; këfar nahum: dorp van troost). καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) οἰκίᾳ (= oikia(i): huis; zn dat vr enk van het zn οικια = oikia: huis) γενόμενος (= genomenos: geworden; wkw med part aor nom mann enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren - stam ge-) ἐπηρώτα (= epèrôta: hij ondervroeg; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ὁδῷ (= hodô: 'onder'weg; zn dat vr enk van het zn ὁδὸς = hodos: weg) διελογίζεσθε (= dielogidzesthe: jullie discussieerden; med ind imperf 2de pers mv van het wkw διαλογιζομαι = dialogizomai: uiteenzetten, discussiëren);
Mc 9,34 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἐσιώπων (= esiôpôn: zij zwegen;wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw σιωπαω = siôpaô: zwijgen; eveneens in Mc 3,4), πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) ἀλλήλους (= allèlous: anderen; onbep vnw acc mann mv van het onbep vnw αλληλοι = allèloi: elkander, elkaar) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) διελέχθησαν (= dielechthèsan: zij discussieerden; wkw med / pass ind aor 3de pers mv van het wkw διαλεγω = dialegô: overleggen, overwegen; med uiteenzetten, disucciëren; zie het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) ὁδῷ (= hodô: 'onder'weg; zn dat vr enk van het zn ὁδὸς = hodos: weg) τίς (= tis: wie? vrag vnw nom mann enk) μείζων (= meidzôn: groter, 'beter'; bv nw nom mann enk comparatief bij het bv nw μεγας = megas: groot).
Mc 9,35 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) καθίσας (= kathisas: gezeten; wkw act part aor nom mann enk van het wkw καθιζω = kathizô: zitten) ἐφώνησεν (= efônèsen: hij kraaide, hij riep; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw φωνεω = foneô: roepen, schreeuwen) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) δώδεκα (= dôdeka: twaalf; hoofdtelw) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Εἴ (= ei: indien; ondergeschikt vw van voorwaarde: indien, als, in geval) τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk) θέλει (= thelei: hij wil; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw θελω = thelô: willen) πρῶτος ( = prôtos: eerste; rangtelwoord bv nw nom mann enk) εἶναι (= einai: om te zijn; wkw act inf praes van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat.: esse) ἔσται (= estai: hij/zij/het zal zijn; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat.: esse) πάντων (= pantôn: van allen, val alles; bv nw gen mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) ἔσχατος (= eschatos: laatste; bv nw nom mann enk) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) πάντων (= pantôn: van allen, val alles; bv nw gen mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) διάκονος (= diakonos: dienaar, diaken; zn nom mann enk).
Mc 9,36 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) λαβὼν (= labôn: genomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) παιδίον (= paidion: kindje, zn acc onz enk; verkleinwoord van het zn παις = pais: kind) ἔστησεν (= estèsen: hij plaatste; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ἱστημι = istèmi: staan; stam: sta-) αὐτὸ (= auto: het; pers vnw acc onz enk van het pers vnw 3de pers αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) μέσῳ (= mesô: in het midden van; bv nw dat onz enk van het bv nw μεσος = mesos: zich in het midden bevindend) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐναγκαλισάμενος (= enagkalisamenos: omarmend; wkw med part aor nom mann enk van het wkw ἐναγκαλιςω = enagkalizomai: omarmen) αὐτὸ (= auto: het; pers vnw acc onz enk van het pers vnw 3de pers αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij),
Mc 9,37 Ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) ἂν (= an; partikel bij de conjunct) ἓν (= hen: één; hoofdtelw nom + acc onz enk van het hoofdtelw bv nw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τοιούτων (= toioutôn: van zulke, van dergelijke; onbep vns gen onz mv van het onbep vnw τοιουτος = toioutos: zulk, dergelijk) παιδίων (= paidiôn: van de kinderen; zn gen onz mv van het zn παιδίον = paidion: kindje, verkleinwoord van het zn παις = pais: kind) δέξηται (= deksètai: hij zou ontvangen; wkw med conjunct aor 3de pers enk van het wkw δεχομαι = dechomai: ontvangen, aanvaarden) ἐπὶ (= επ': ep: over; epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; afkortingen : επ' = ep': vóór een niet-aangeblazen klinker, en εφ' = ef': vóór een aangeblazen klinker) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὀνόματί (= onomati: naam; zn dat onz enk van het zn ονομα = onoma: naam) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij), ἐμὲ (= eme: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) δέχεται (= dechetai: hij ontvangt; wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw δεχομαι = dechomai: ontvangen, aanvaarden): καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) ἂν (= an; partikel bij de conjunct) ἐμὲ (= eme: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) δέχηται (= dechètai; hij zou ontvangen; wkw med conjunct praes 3de pers enk van het wkw δεχομαι = dechomai: ontvangen, aanvaarden), οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἐμὲ (= eme: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) δέχεται (= dechetai: hij ontvangt; wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw δεχομαι = dechomai: ontvangen, aanvaarden) ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἀποστείλαντά (= aposteilanta: zendende; wkw act part aor acc mann enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij).
Mc 9,38 ἔφη (= egè: hij beweerde, hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw φημι = fèmi: beweren, zeggen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰωάννης (= Jôannès: Johannes; zn eigennaam nom mann enk), Διδάσκαλε (= didaskale: leermeester; zn voc mann enk van het zn διδασκαλος = di-da-s-k-alos: leraar, leermeester; wkw διδασκω = di-da-s-k-ô : onderwijzen, L. docere), εἴδομέν (= eidomen: wij zagen; wkw act ind aor 1ste pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) τινα (= tina: iemand; onbep vnw acc mann enk van het onbep vnw τις = tis: iemand, τι = ti: iets; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὀνόματί (= onomati: naam; zn dat onz enk van het zn ονομα = onoma: naam) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) ἐκβάλλοντα (= ekballonta; uitwerpende; wkw act part praes acc mann enk van het wkw εκβαλλω = ek-bal-l-ô: uit-val-len uitwerpen) δαιμόνια (= daimonia: demonen; zn acc onz mv van het zn δαιμόνιον = daimonion: demon), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐκωλύομεν (= ekôlumen: wij verboden; wkw act ind imperf 1ste pers mv van het wkw κωλυω = kôluô: verbieden, beletten) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἠκολούθει (= èkolouthei: hij volgde; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen) ἡμῖν (= hèmin: aan ons; pers vnw dat mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: wij).
Mc 9,39 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) κωλύετε (= kôluete: jullie verbieden; wkw act imperat 2de pers mv van het wkw κωλυω = kôluô: verbieden, beletten) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), οὐδεὶς (= oudeis: niemand; onbep vnw nom mann enk) γάρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden; Fr.: car) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) ποιήσει (= poièsei: hij zal doen; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen) δύναμιν (= dunamin: wonderkracht; zn acc vr enk van het zn δύναμις = dunamis: kracht, macht) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὀνόματί (= onomati: naam; zn dat onz enk van het zn ονομα = onoma: naam) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) δυνήσεται (= dunèsetai: hij zal kunnen; wkw med ind fut 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) ταχὺ (= tachu: snel, dadelijk; bw) κακολογῆσαί (= kakologèsai: om kwaad te spreken over; wkw act inf aor van het wkw κακολογεω = kakalogeô: kwaad spreken) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij):
Mc 9,40 ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) γὰρ (= gar: want; nevenschikkend vw van reden) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat.: esse) καθ' (= kath: tegen; vz afkorting van κατὰ = kata: van... naar beneden, volgens) ἡμῶν (= hèmôn: van onze; pers vnw 1ste pers gen mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: wij), ὑπὲρ (= huper: voor, ten voordele van; vz met gen) ἡμῶν (= hèmôn: van onze; pers vnw 1ste pers gen mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: wij) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse).
Mc 9,41 Ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἂν (= an; partikel bij de conjunct) ποτίσῃ (= potisè: hij zou drinken; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw ποτιζω = potizô: drinken) ὑμᾶς (= humas: jullie, pers vnw 2de pers acc mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ποτήριον (= potèrion: beker; zn nom onz enk; zn eindigend op -tèrion geeft een instrument aan, hier: een middel om te drinken: drinkbeker; zie wkw ποτιζω = potizô: drinken) ὕδατος (= hudatos: van water; zn gen onz enk van het zn ὑδωρ = hudôr: water; stam: h/w, d/t, r ) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ὀνόματι (= onomati: naam; zn dat onz enk van het zn ονομα = onoma: naam) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Χριστοῦ (= christou: van Christus; zn gen mann enk van het zn χριστος = christos: gezalfde, Christus) ἐστε (= este: jullie zijn; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat: esse), ἀμὴν (= amèn: amen, voorwaar, het zij zo) λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἀπολέσῃ (= apolesè: hij zou ontgaan; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw απολλυμι = apollumi: derven, ontgaan verderven, verdoemen, ten gronde richten, doden, verliezen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) μισθὸν (= misthon: loon; zn acc mann enk van het zn μισθος = misthos: loon, vergoeding, salaris, beloning) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 9,42 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) ἂν (= an; partikel bij de conjunct) σκανδαλίσῃ (= skandalisè: hij zou schandaliseren; wkw act conj aor 3de pers enk van het wkw σκανδαλιζω = skandalizô: schandaleseren, ergeren, ten val brengen) ἕνα (= hena: één; hoofdtelw bv nw acc mann enk van het hoofdtelw bv nw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μικρῶν (= mikrôn: van de kleinen; bv nw gen mann mv van het bv nw μικρος = mikros: klein) τούτων (= toutôn: van deze; aanwijz vnw gen mann mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πιστευόντων (= pisteuontôn: van de gelovenden; wkw act part praes gen mv van het wkw πιστευω = pisteuô: geloven, vertrouwen) [εἰς (= eis: naar, tot ; vz van plaats, tijd) ἐμέ (= eme: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij)], καλόν (= kalon: goed; bv nw acc onz enk van het bv nw καλος = kalos: goed, mooi, schoon) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) μᾶλλον (= mallon: meer) εἰ (= ei: indien; ondergeschikt vw van voorwaarde: indien, als, in geval) περίκειται (= perikeitai: hij ligt rondom; wkw pass ind praes 3de pers enk van het wkw περίκειμαι perikeimai: liggen rondom) μύλος (= mulos: molen; zn nom mann enk) ὀνικὸς (= onikos: < onos: ezel-in, windas, bovenste molensteen; bv nw nom mann enk) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) τράχηλον (= trachèlon: hals; zn acc mann enk van het zn τράχηλος = trachèlos: hals, nek) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) βέβληται (= beblètai: hij werd geworpen; wkw pass ind perf 3de pers enk van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θάλασσαν (= thalassan: meer, zee; zn acc vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zee, meer).
Mc 9,43 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) σκανδαλίζῃ (= skandalidzè: het schandaliseert, het ergert; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw σκανδαλιζω = skandalizô: schandaliseren, ergeren) σε (= se: u; pers vnw 2de pers acc mann enk van het pers vnw συ = su: jij) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χείρ (= cheir: hand; zn nom vr enk; zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu), ἀπόκοψον (= apokopson: kap af; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw αποκοπτω = apokoptô: afkappen, afsnijden) αὐτήν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij): καλόν (= kalon: goed; bv nw acc onz enk van het bv nw καλος = kalos: goed, mooi, schoon) ἐστίν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-, zie Lat.: esse) σε (= se: u; pers vnw 2de pers acc mann enk van het pers vnw συ = su: jij) κυλλὸν (= kullon: gebrekkig; bv nw acc onz enk van het bv nw κυλλος. gebrekkig) εἰσελθεῖν (= eiselthein: om binnen te gaan; wkw act inf aor van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ζωὴν (= dzôèn: leven; zn acc vr enk van het zn ζωη = zôè: leven) ἢ (= è: of; partikel) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δύο (= duo: twee; hoofdtelw) χεῖρας (= cheiras: handen; zn acc vr mv van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) ἔχοντα (= echonta: hebbende; wkw act part praes nom onz mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ἀπελθεῖν (= apelthein: om weg te gaan; wkw med inf aor van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γέενναν (= geennan: gehenna hel; zn acc vr enk van het zn γέεννα = geenna: gehenna, hel), εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het).πῦρ (= pur: vuur: zn nom onz enk) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het).ἄσβεστον (= a-sbeston: onblusbaar, zie het wkw σβέννυμι = sbennumi: doven, dempen).
Mc 9,44 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw)
Mc 9,45 ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πούς (= pous, ποδος = podos: voet; zn nom mann enk) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) σκανδαλίζῃ (= skandalidzè: het schandaliseert, het ergert; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw σκανδαλιζω = skandalizô: schandaliseren, ergeren) σε (= se: u; pers vnw 2de pers acc mann enk van het pers vnw συ = su: jij), ἀπόκοψον (= apokopson: kap af; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw αποκοπτω = apokoptô: afkappen, afsnijden) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het): καλόν (= kalon: goed; bv nw acc onz enk van het bv nw καλος = kalos: goed, mooi, schoon) ἐστίν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-, zie Lat.: esse) σε (= se: u; pers vnw 2de pers acc mann enk van het pers vnw συ = su: jij) εἰσελθεῖν (= eiselthein: om binnen te gaan; wkw act inf aor van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ζωὴν ζωὴν (= dzôèn: leven; zn acc vr enk van het zn ζωη = zôè: leven) χωλὸν (= chôlon: lam; bv nw acc mann enk van het bv nw χωλος = chôlos: lam) ἢ (= è: of; partikel) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) δύο (= duo: twee; hoofdtelw) πόδας (= podas: voeten; zn acc vr mv van het zn πους = pous, podos: voet; stam: p/v - d/t) ἔχοντα (= echonta: hebbende; wkw act part praes nom onz mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) βληθῆναι (= blèthènai: om geworpen te worden; wkw pass inf aor van het wkw βαλλω = ballô: vallen, werpen; stam bal-) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γέενναν (= geennan: gehenna hel; zn acc vr enk van het zn γέεννα = geenna: gehenna, hel).
9,46 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw)
Mc 9,47 ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὀφθαλμός (= ofthalmos: oog; zn nom mann enk) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) σκανδαλίζῃ (= skandalidzè: het schandaliseert, het ergert; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw σκανδαλιζω = skandalizô: schandaliseren, ergeren) σε (= se: u; pers vnw 2de pers acc mann enk van het pers vnw συ = su: jij), ἔκβαλε (= ekbale: werp uit; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw εκβαλλω = ekballô: uitvallen, uitwerpen; stam bal-) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het): καλόν (= kalon: goed; bv nw acc onz enk van het bv nw καλος = kalos: goed, mooi, schoon) σέ (= se: u; pers vnw 2de pers acc mann enk van het pers vnw συ = su: jij) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) μονόφθαλμον (= monofthalmon: éénoog; bv nw acc mann enk van het bv nw μονόφθαλμος = monofthalmos: éénogig) εἰσελθεῖν (= eiselthein: om binnen te gaan; wkw act inf aor van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) βασιλείαν (= basileian: koninkrijk, koningschap; zn acc vr enk van het zn βασιλεια = basileia: koninkrijk, koningschap) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God) ἢ (= è: of; partikel) δύο (= duo: twee; hoofdtelw) ὀφθαλμοὺς (= ofthalmous: ogen; zn acc mann mv van het zn οφθαλμος = ofthalmos: oog) ἔχοντα (= echonta: hebbende; wkw act part praes nom onz mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) βληθῆναι (= blèthènai: om geworpen te worden; wkw pass inf aor van het wkw βαλλω = ballô: vallen, werpen; stam bal-) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γέενναν (= geennan: gehenna hel; zn acc vr enk van het zn γέεννα = geenna: gehenna, hel),
Mc 9,48 ὅπου (= hopou: waar; onbep betr bw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) σκώληξ (= sklèks: worm; zn nom mann enk) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) τελευτᾷ (= teleuta: hij sterft; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw τελευταω = teleutaô: sterven, eindigen) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πῦρ (= pur: vuur: zn nom onz enk) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) σβέννυται (= sbennutai: hij wordt gedoofd; wkw pass ind praes 3de pers enk van het wkw σβέννυμι = sbennumi: doven, dempen):
9,49 πᾶς (= pas: ieder, al, heel; onbep vnw nom mann enk) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) πυρὶ (= puri: met vuur; zn dat onz enk van het zn πυρ = pur: vuur) ἁλισθήσεται (= halisthèsetai: hij zal gezouten worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw ἁλιζω = halidzô: zouten)
9,50 Καλὸν (= kalon: goed; bv nw acc onz enk van het bv nw καλος = kalos: goed, mooi, schoon) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἅλας: (= halas: zout; zn nom onz enk) ἐὰν (= ean: indien, ondergeschikt vw + conjunct om een voorwaarde in de toekomst uit te drukken) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensc hikkend vw) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἅλας (= halas: zoui; zn nom onz enk) ἄναλον (= analon: zoutloos; bv nw nom onz enk; < a-n-alas: niet- zout, zoutloos) γένηται (= genètai: het zou gebeuren); wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: worden, gebeuren), ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd, middel) τίνι (= tini: met wat; vrag vnw dat onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) αὐτὸ (= auto: het; pers vnw acc onz enk van het pers vnw 3de pers αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἀρτύσετε (= arttusete: jullie zullen kruiden; wkw act ind fut 2de pers mv van het wkw αρτυω = artuô: kruiden, klaar maken); ἔχετε (= echete: jullie hebben; act ind praes 2de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd, middel) ἑαυτοῖς (= heautois: in zichzelf); wederkerig vnw dat mann mv van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf) ἅλα (= hala: zout-en; zn acc onz mv van het zn ἅλας = halas: zout; zie verbuiging van het zn κρεας = kreas) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εἰρηνεύετε (= eirèneuete; hebt vrede; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw ειρηνευω = eirèneuô: in vrede leven) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ἀλλήλοις (allèlois: met anderen; onbep vnw acc mann mv van het onbep vnw αλληλοι = allèloi: elkander, elkaar).
Mc 10,1 Καὶ ἐκεῖθεν ἀναστὰς ἔρχεται εἰς τὰ ὅρια τῆς Ἰουδαίας [καὶ] πέραν τοῦ Ἰορδάνου, καὶ συμπορεύονται πάλιν ὄχλοι πρὸς αὐτόν, καὶ ὡς εἰώθει πάλιν ἐδίδασκεν αὐτούς.
Vertaling Mc 10,1: En vanhier opgestaan gaat hij naar de bergen van Judea (en) aan de overkant van de Jordaan en opnieuw begeven zich menigten samen op weg naar hem en zoals het de gewoonte is, onderwees hij hen opnieuw.
Mc 10,1 καὶ (= kai: en; nevenschiikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐκεῖθεν (= ekeithen; bep van plaats: van-daar; -then / van; ekei: daar, eigenlijk: hier, Fr.: i-c-i, D.: da; verwijst naar de voorgaande plaats) ἀναστὰς (= anastas: opgestaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αν-ι-στη-μι = an-i-stè-mi:: op-staan; stam: sta-) ἔρχεται (= erchetai: hij gaat; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελθ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὅρια (= horia: gebied; zn acc onz mv van ὁριον = horion, gebied) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Ἰουδαίας (= ioudaias: van Judea; zn eigennaam, gen vr enk van het zn ιουδαια = ioudaia: Judea) [καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)(= kai: en; nevenschikkend vw)] πέραν (= peran: overzijde, overkant; zn acc onz enk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ἰορδάνου (= iordanou: van de Jordaan; zn eigennaam gen mann enk van het zn ιορδανης = iordanès Jordaan), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) συμπορεύονται (= sumporeuontai: zij begeven zich samen op weg; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw συμπορευομαι = sumporeuomai: samen zich op weg begeven, samengaan, meetrekken, samenkomen) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) ὄχλοι (= ochloi: menigten; zn nom mann mv van het zn οχλος = ochlos: menigte) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ὡς (= hôs: zoals, zodra; vz en vw) εἰώθει (= eiôthei: het is de gewoonte; wkw act ind plusqperf 3de persb enk van het wkw εθω = ethô: de gewoonte zijn) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) ἐδίδασκεν (= edidasken: hij onderrichtte; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 10,2 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) προσελθόντες (= proselthontes: naderbij gekomen; wkw act part aor nom mann mv van het wkw προσερχομαι = proserchomai: naderbijkomen; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) Φαρισαῖοι (= Farisaioi: Farizeeën; zn nom mann mv van het zn φαρισαιος = farisaios: Farizeeër; Griekse uitgang -aios: zn naar bv nw zelfstandig gebruikt: afgescheidene; Hebr: mv përusjim van het wkw pârasj: onderscheiden, 'apart' zetten) ἐπηρώτων (= epèrôtôn: zij ondervroegen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἰ (= ei: indien, of; vw van voorwaarde) ἔξεστιν (= exestin: het is toegelaten; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εξειμι = ekseimi: geoorloofd zijn, mogelijk zijn) ἀνδρὶ (= andri: aan een man; zn dat mann enk van het zn ανηρ = anèr: man) γυναῖκα (= gunaika: een vrouw; zn acc vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw) ἀπολῦσαι (= apolusai: vrijmaken, ontbinden, scheiden; wkw act inf aor van het wkw απολυω = apoluô: losmaken, ontbinden), πειράζοντες (= peiradzontes: op de proef stellende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw πειραζω: proeven, beproeven, op de proef stellen) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 10,3 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἀποκριθεὶς (= apokritheis: geantwoord hebbende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) Τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ἐνετείλατο (= eneteilato: hij beval; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw εντελλω = entellô: bevelen, opdragen, vragen) Μωϋσῆς (= moüsès: Mozes; zn eigennaam dat mann enk)
Mc 10,4 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) εἶπαν εἶπαν (= eipan: zij zeiden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Ἐπέτρεψεν (= epetrepsen: hij stond toe; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw επιτρεπω = epitrepô: overlaten, toevertrouwen, toelaten) Μωϋσῆς (= moüsès: Mozes; zn eigennaam dat mann enk) βιβλίον (= biblion: boek; zn acc onz enk) ἀποστασίου (= apostasiou: van afstand; zn gen mann enk van het zn ἀποστασιος = apostasios: afstand) γράψαι (= grapsai: te schrijven; wkw act inf aor van het wkw γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπολῦσαι (= apolusai: vrijmaken, ontbinden, scheiden; wkw act inf aor van het wkw απολυω = apoluô: losmaken, ontbinden).
Mc 10,5 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann of onz mv van het persz vnw αυτος = αυτος: hij), πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) σκληροκαρδίαν (= sklèrokardian: hardhartigheid; zn acc vr enk van het zn σκληροκαρδια = sklèrokardian: hardhartigheid) ὑμῶν (= humôn: van jullie; pers vnw 2de pers gen mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) ἔγραψεν (= egrapsen: hij schreef; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐντολὴν (= entolèn: opdracht, bevel; zn acc vr enk van het zn ἐντολη = entolè; zie het wkw εντελλω = entellô: opdragen, bevelen, vragen; < en-telj-ô) ταύτην (= tautèn: deze; aanwijz vnw acc vr enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu).
Mc 10,6 ἀπὸ (= apo: (af, van-weg; afkorτing απ' = ap' en αφ' = af; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker en αφ' = af' :vóór een aangeblazen klinker) ) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἀρχῆς (= archès: vanaf het begin; zn gen vr enk van het zn αρχη = archè: begin, heerschappij) κτίσεως (= kriseôs: van de schepping; zn gen mann enk van het zn κτισις = ktisis: schepping) ἄρσεν (= arsen: mannelijk; bv nw acc onz enk van het bv nw ἄρσην: mannelijk) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) θῆλυ (= thèlu: vrouwelijk; bv nw acc onz enk van het bv nw θηλυς = vrouwelijk) ἐποίησεν (= epoièsen: hij deed; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het):
Mc 10,7 ἕνεκεν (= heneken: omwille van; vz met gen) τούτου (= toutou: van dit; aanwijz vnw gen onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) καταλείψει (kataleipsei: hij zal achterlaten; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw καταλειπω = kataleipô: achterlaten) ἄνθρωπος (= anthrôpos: mens; zn nom mann enk) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) πατέρα (= patera: vader; zn acc mann enk van het zn πα-τηρ = pa-tèr: va-der) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μητέρα (= mètera: moeder; zn acc vr enk van het zn μη-τηρ = mè-tèr : moe-der) [καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) προσκολληθήσεται (= proskollèthèsetai: hij zal stevig verbonden worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw προσκολλαω = proskollaô: vastlijmen, stevig verbinden; cfr col = lijm) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γυναῖκα (= gunaika: een vrouw; zn acc vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het)],
Mc 10,8 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἔσονται (= esontai: zij/er zullen zijn; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δύο (= duo: twee; hoofdtelw) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) σάρκα (= sarka: vlees; zn acc vr enk van het zn σάρξ = sarks: vlees) μίαν (= mian: één; hoofdtelw acc ; vr enk van het hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia (= mia: één; hen: één): ὥστε (= hôste: zodat; ondergeschikt voegwoord van gevolg) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) έτι (= eti: ook, nog; bw) εἰσὶν (= eisin: zij zijn, wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is) δύο (= duo: twee; hoofdtelw) ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') μία (= mia: één; hoofdtelw bv nw nomvr enk van het hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) σάρξ (= sarks: vlees; zn nom vr enk).
Mc 10,9 ὃ (= ho; betrekk vnw nom en acc onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat) οὖν (= oun: dus; partikel) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θεὸς (= theos: God; zn nom mann enk) συνέζευξεν (= sunedzeuksen: hij verbond; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw συζευγνυμι = sudzeugnumi: verbinden, verenigen) ἄνθρωπος (= anthrôpos: mens; zn nom mann enk) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) χωριζέτω (= chôridzetô: dat hij scheidde; wkw act imperat praes 3de pers enk van het wkw χωριζω = chôridzô: scheiden).
Mc 10,10 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) οἰκίαν (= oikian: huis; zn acc vr enk van het zn οικια = oikia: huis) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) τούτου (= toutou: van dit; aanwijz vnw gen onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) ἐπηρώτων (= epèrôtôn: zij ondervroegen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 10,11 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) ἂν (= an; partikel bij de conjunct) ἀπολύσῃ (= apolusè: hij zou ontbinden; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw ἀπολύω: vrijlaten, loslaten, ontbinden) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γυναῖκα (= gunaika: een vrouw; zn acc vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) γαμήσῃ (= gamèsè: hij zou huwen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw γαμεω = gameô: huwen) ἄλλην (= allèn: een andere; bv nw acc vr enk van het bv nw αλλος = allos: ander) μοιχᾶται (= moichatai: hij pleegt echtbreuk; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw μοιχαω = moichaô: echtbreuk plegen) ἐπ' (= επ': ep: over; epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; afkortingen : επ' = ep': vóór een niet-aangeblazen klinker, en εφ' = ef': vóór een aangeblazen klinker) αὐτήν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij),
Mc 10,12 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) αὐτὴ (= autè: zij, pers vnw 3de pers nom vr enk van het pers vnw αυτος: hij) ἀπολύσασα (= apolusasa: ontbonden; wkw act part aor nom vr enk van het wkw απολυω = apoluô: losmaken, ontbinden) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἄνδρα (= andra: man; zn acc mann enk van het zn ανηρ = anèr: man) αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) γαμήσῃ (= gamèsè: hij zou huwen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw γαμεω = gameô: huwen) ἄλλον (= allon: een andere; bv nw acc mann enk van het bv nw αλλος = allos: ander) μοιχᾶται (= moichatai: hij pleegt echtbreuk; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw μοιχαω = moichaô: echtbreuk plegen).
Mc 10,13 Καὶ προσέφερον αὐτῷ παιδία ἵνα αὐτῶν ἅψηται: οἱ δὲ μαθηταὶ ἐπετίμησαν αὐτοῖς.
Vertaling Mc 10,13: En zij brachten hem kleine kinderen opdat hij hen zou aanraken, maar de leerlingen wezen hen met de vinger.
Mc 10,13 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) προσέφερον (proseferon: zij brachten naar; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw προσφερω = prosferô: dragen of brengen bij; (proseferon: zij brachten naar; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw προσφερω = prosferô: dragen of brengen bij; pros- : voorvoegsel -e- augment -fer-: stam -on : uitgang 3de pers mv. van het wkw prosferô < pros : bij, naar, en ferô: varen, voeren, dragen, brengen; stam : f/v + r) / Ned: vr, br) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) παιδία (paidia: kleine kinderen, peuters; zn acc onz mv van het zn παιδιον = paidion: kind, peuter; stam: p + d/t) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) αὐτῶν (= autôn: hen; pers vnw 3de pers gen onz mv van het pers vnw αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἅψηται (hapsètai: hij zou aanraken; wkw med conjunct aor 3de pers enk van het wkw ἅπτομαι = haptomai: raken, aanraken) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) ἐπετίμησαν (epetimèsan: zij wezen met de vinger; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw επιτιμαω = epitimaô: nadrukkelijk
vermanen, 'opdragen', bevelen, berispen) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat onz mv van het pers vnw αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 10,14 ἰδὼν δὲ ὁ Ἰησοῦς ἠγανάκτησεν καὶ εἶπεν αὐτοῖς, Ἄφετε τὰ παιδία ἔρχεσθαι πρός με, μὴ κωλύετε αὐτά, τῶν γὰρ τοιούτων ἐστὶν ἡ βασιλεία τοῦ θεοῦ.
Vertaling Mc 10,14: Maar Jezus 'zag het en' ergerde zich en zei hen: Laat de kinderen toe tot mij te komen; belet hen niet, want aan dezen is (behoort) het koningschap van God.
Mc 10,14 ἰδὼν (= idôn: gezien; wkw act part aor nom mann enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk; 57X in Mc 16X in Mc 10; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σωζω = sôzô) ἠγανάκτησεν (= èganaktèsen: hij ergerde zich; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αγανακτω = aganakteô: ontevreden zijn, toornig zijn, zich ergeren) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Ἄφετε (= afete: laten jullie; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw αφιημι = afièmi: aflaten, toestaan) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) παιδία (= paidia: kleine kinderen, peuters; zn acc onz mv van het zn παιδιον = paidion: kind, peuter; stam: p + d/t) ἔρχεσθαι (= erchesthai: te komen; wkw med inf praes van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελθ = elth: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) πρός (= pros: naar, bij; vz van plaats, nl richting) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk), μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) κωλύετε (= kôluete: verhindert; act imperat praes 2de pers mv van het wkw κωλυω = kôluô: verhinderen, tegenhouden, belemmeren, verbieden) αὐτά (= auta: hen; pers vnw nom en acc onz mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) τοιούτων (= toioutôn: van zulke, van dergelijke; onbep vn gen onz mv van het onbep vnw τοιουτος = toioutos: zulk, dergelijk) ἐστὶν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-, zie Lat.: esse) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) βασιλεία (= basileia: koninkrijk, koningschap; zn nom vr enk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God).
Mc 10,15 ἀμὴν λέγω ὑμῖν, ὃς ἂν μὴ δέξηται τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ ὡς παιδίον, οὐ μὴ εἰσέλθῃ εἰς αὐτήν.
Vertaling Mc 10,15: Voor waar ik zeg jullie: wie het koningschap van God niet zou ontvangen als een klein kind, hij zou niet erin gaan.
Mc 10,15 ἀμὴν (= amèn: amen, voorwaar, het zij zo; transcriptie uiit Hebreeuws) λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie), ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) ἂν (= an; partikel bij de conjunct) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) δέξηται (= deksètai: hij zou ontvangen; wkw med conjunct aor 3de pers enk van het wkw δεχομαι = dechomai: ontvangen, aanvaarden) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) βασιλείαν (= basileian: koninkrijk, koningschap; zn acc vr enk van het zn βασιλεια = basileia: koninkrijk, koningschap) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God) ὡς (= hôs: zoals, partikel van vergelijking) παιδίον (= paidion: kindje, peuter, zn acc onz enk; verkleinwoord van het zn παις = pais: kind) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) εἰσέλθῃ (= eiselthè: hij zou binnengaan; wkw act conjunct aor 2de pers enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) αὐτήν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 10,16 καὶ ἐναγκαλισάμενος αὐτὰ κατευλόγει τιθεὶς τὰς χεῖρας ἐπ' αὐτά.
Vertaling Mac 10,16: En hen omarmend spreekt hij een zegen uit terwijl hij de handen oplegt.
Mc 10,16 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐναγκαλισάμενος (= enagkalisamenos: omarmens; wkw med part aor nom mann enk van het wkw εναγκαλιζομαι = enagkalizomai: in de armen nemen) αὐτὰ (= auta: hen; pers vnw nom en acc onz mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) κατευλόγει (= kateulogei: hij spreekt een zegen uit; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw κατευλογεω = kat-eu-logeô : een zegen uitspreken over zegenen) τιθεὶς (= titheis: leggend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw τιθημι = tithèmi: leggen, zetten, plaatsen, maken) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χεῖρας (= cheiras: handen; zn acc vr mv van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) ἐπ' (= επ': ep: over; epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; afkortingen : επ' = ep': vóór een niet-aangeblazen klinker, en εφ' = ef': vóór een aangeblazen klinker) αὐτά (= auta: hen; pers vnw nom en acc onz mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 10,17 Καὶ ἐκπορευομένου αὐτοῦ εἰς ὁδὸν προσδραμὼν εἷς καὶ γονυπετήσας αὐτὸν ἐπηρώτα αὐτόν, Διδάσκαλε ἀγαθέ, τί ποιήσω ἵνα ζωὴν αἰώνιον κληρονομήσω;
Vertaling Mc 10,17: en terwijl hij naar buitenkomt onderweg, kwam iemand naar hem en viel op zijn knie bij hem en hij vroeg hem: Goede leermeester, wat zal ik doen opdat ik het eeuwig leven zou erven?
Mc 10,17 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐκπορευομένου (= ekporeuomenou: zich op weg begevende naar buiten; wkw med part praes gen mann enk van het wkw εκπορευομαι = ekporeuomai: zich op weg begeven uit. por-euomai p of ph = f -> v + r; poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare
plaats. Lat.: por-tus: haven. Mnd: voort, ofries: ford oeng: ford. Het
woord behoort tot de groep van varen) αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) ὁδὸν (= hodon: weg; zn acc vr enk van het zn ὁδὸς = hodos: weg) προσδραμὼν (= prosdramôn: lopende naar; wkw part aor / 2de aor nom mann enk bij het wkw προστρεχω = prostrechô: snellopen naar, hollen naar) εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia,
hen: één) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) γονυπετήσας (= gonupetèsas: op de knie neervallend; wkw act part aor nom mann enk bij het wkw γονυπετεω = gonupeteô: op de knieën vallen) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐπηρώτα (= epèrôta: hij ondervroeg; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) αὐτόν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Διδάσκαλε (= didaskale: goede leermeester; zn voc mann enk van het zn διδασκαλος = di-da-s-k-alos: leraar, goede leermeester; wkw διδασκω = di-da-s-k-ô: onderwijzen, L. docere) ἀγαθέ (= agathe: goede; bn voc mann enk van het bn ἀγαθος = agathos: goed; voorvoegsel a - gath -os; stam : g - d/t/th), τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?/ wat? ) ποιήσω (= poèsô: ik zal maken/ doen; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) ζωὴν (= dzôèn: leven; zn acc vr enk van het zn ζωη = dzôè: leven) αἰώνιον (= aiônion: eeuwig; bv nw acc vr enk van het bv nw αἰώνιος = aiônios: eeuwig) κληρονομήσω (= klèronomèsô: ik zal/ zou erven; wkw act conjunct aor 1ste pers enk van het wkw κληρονομεω = klèronomeô: erven);
Mc 10,18 ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτῷ, Τί με λέγεις ἀγαθόν; οὐδεὶς ἀγαθὸς εἰ μὴ εἷς ὁ θεός.
Vertaling Mc 10,18: Maar Jezus zei hem: wat zegt jij dat ik goed ben; niemand is goed tenzij de ene God..
Mc 10,18 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) λέγεις (= legeis: jij zegt; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ἀγαθόν (= agathon: het goede; bv nw zelfstandig gebruikt acc onz enk van het bv nw αγαθος = agathos: goed; stam g-th, zie Ned.: goed); οὐδεὶς (= oudeis: niemand; onbep vnw nom mann enk) ἀγαθὸς (= agathos: goed; bv nw zelfstandig gebruikt nom mann enk; stam g-th, zie Ned.: goed) εἰ μὴ (= ei mè: indien niet, tenzij; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia,
hen: één) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θεός (= theos: God; zn nom mann enk).
Mc 10,19 τὰς ἐντολὰς οἶδας: Μὴ φονεύσῃς, Μὴ μοιχεύσῃς, Μὴ κλέψῃς, Μὴ ψευδομαρτυρήσῃς, Μὴ ἀποστερήσῃς, Τίμα τὸν πατέρα σου καὶ τὴν μητέρα.
Vertaling Mc 10,18: De geboden ken je; jij zult niet moorden; jij zult niet stelen; jij zult niet vals getuigen; jij zéult niet . Eer je vader en moeder.
Mc 10,19 19 τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐντολὰς (= entolas: opdrachten, geboden, zn acc vr mv van het zn ἐντολὴ = entolè: opdracht, gebod) οἶδας: (= oidas: jij kent; wkw act ind aor 2de pers enk zie het wkw οιδα = oida: ik weet) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) φονεύσῃς (= foneusès: jij zou moorden/doden, act conjunct aor 2de pers enk van het wkw φονευω: moorden, doden; wkw eindigend op -euô: van zn en bijv nw naar wkw: φονος -> φονευω: fonos -> foneuô: moord/dood -> moorden/doden), μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) μοιχεύσῃς (= moicheusès: jij zou echtbreuk plegen, act conjunct aor 2de pers enk van het wkw moicheuô: echtbreuk plegen; wkw eindigend op -euô: van zn en bijv nw naar wkw: μοιχος -> μοιχευω = moichos -> moicheuô: overspelige -> overspel plegen, echtbreuk plegen), μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) κλέψῃς (= klepsès: jij zou stelen; wkw act conjunct aor 2de pers enk van het wkw κλεπτω = kleptô: stelen), μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ψευδομαρτυρήσῃς (= pseudomarturèsès: jij zou leugenachtig getuigen; wkw act ind fut 2de pers enk van het wkw ψευδομαρτυρεω = pseudomartureô: leugenachtig / vals getuigen), μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἀποστερήσῃς (= aposterèsès: jij zou beroven; wkw conjunctief aor 2de pers enk van het wkw αποστερεω = âpostero: beroven, ontnemen),Τίμα (= tima: eer; wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw τιμαω = timaô: eren; zie Lat.: timidus: vreesachtig, verlegen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) πατέρα (= patera: vader; zn acc mann enk van het zn πα-τηρ = pa-tèr: va-der) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μητέρα (= mètera: moeder; zn acc vr enk van het zn μητηρ = mè-tèr: moe-der) .
Mc 10,20 ὁ δὲ ἔφη αὐτῷ, Διδάσκαλε, ταῦτα πάντα ἐφυλαξάμην ἐκ νεότητός μου.
Vertaling Mc 10,20: Maar hij sprak tot hem: Leermeester, dat alles onderhield ik vanaf mijn jeugd.
Mc 10,20 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἔφη (= egè: hij beweerde, hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw φημι = fèmi: beweren, zeggen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Διδάσκαλε (= didaskale: goede leermeester; zn voc mann enk van het zn διδασκαλος = di-da-s-k-alos: leraa goede leermeester ; wkw διδασκω = di-da-s-k-ô : onderwijzen, L. docere), ταῦτα (= tauta: deze dingen; aanwijz vnw acc onz mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) ἐφυλαξάμην (= efulaksamèn: ik onderhield; wkw med ind aor 1ste pers enk van het wkw φυλλαττω = fulattô: bewaken, bewaren, onderhouden) ἐκ εκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) νεότητός (= neotètos: van mijn jeugd; zn gen vr enk van het zn νεοτης = neotès: nieuwheid, jeugd) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij).
Mc 10,21 ὁ δὲ Ἰησοῦς ἐμβλέψας αὐτῷ ἠγάπησεν αὐτὸν καὶ εἶπεν αὐτῷ, Εν σε ὑστερεῖ: ὕπαγε ὅσα ἔχεις πώλησον καὶ δὸς [τοῖς] πτωχοῖς, καὶ ἕξεις θησαυρὸν ἐν οὐρανῷ, καὶ δεῦρο ἀκολούθει μοι.
Vertaling Mc 10,21: Maar Jezus hem aankijkende beminde hem en hij zei hem: één ontbreekt je; ga, zoveel je hebt, verkoop en geef aan de armen en jij zult bezitten een schat in de hemel en welaan volg mij.
Mac 10,21 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr.: σωζω = sôzô) ἐμβλέψας (= emblepsas: hij keek aan; wkw part aor nom mann enk van het wkw εμβλεπω = emblepô: aankijken) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἠγάπησεν (= ègapèsen: hij beminde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αγαπαω = agapaô: houden van, beminnen)
αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Εν (= hen: één; hoofdtelw nom onz enk van het hoofdtelw bv nw εἱς, μια, ἑν = heis, mia,
hen: één) σε (= se: u; pers vnw 2de pers acc mann enk van het pers vnw συ = su: jij) ὑστερεῖ (= husterei: het ontbreekt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw υστερεω = hustereô: ontbreken): ὕπαγε (= hupage: ga weg; wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen) ὅσα (= hosa: zoveel als; onbep vnw nom + acc onz mv van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als) ἔχεις (= echeis: jij hebt; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) πώλησον (= pôlèson: verkoop; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw πωλεω = pôleô: verkopen) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) δὸς (= dos: geef; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr:
donner - don: geven - gave) [τοῖς (= tois: aan de; bep lidw dat mann en onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)] πτωχοῖς (= ptôchois: aan de armen; bv nw dat onz mv van het bv nw πτωχος = ptôchos: arme), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἕξεις (= ekseis: jij zult hebben; wkw act ind fut 2de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) θησαυρὸν (= thèsauron: schat; zn acc onz enk) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) οὐρανῷ (= ouranô: hemel; zn dat mann enk van het zn ουρανος = ouranos: hemel), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) δεῦρο (= deuro: partikel: welaan, vervolgens) ἀκολούθει (= akolouthei: volg; wkw act imperat praes 2de pers enk van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen) μοι (= moi: aan mij; pers vnw 1ste pers dat mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij).
Mc 10,22 ὁ δὲ στυγνάσας ἐπὶ τῷ λόγῳ ἀπῆλθεν λυπούμενος, ἦν γὰρ ἔχων κτήματα πολλά.
Vertaling Mc 10,22: Maar bedroefd om dat woord ging hij gekwetst weg; want hij bezat vele verworvenheden/ bezittingen.
Mc 10,22 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) στυγνάσας (= stugnasas: somber, stug; wkw act part aor nom mann enk van het wkw στυγναζω = stugnazô: somber, treurig zijn) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) λόγῳ (= logô: woord; zn dat mann enk van het zn λογος = logos: woord) ἀπῆλθεν (= apèlthen: zij gingen weg; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap': vóór een niet-aangeblazen klinker van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) λυπούμενος, (= lupoumenos; wkw pass part praes nom mann enk van het wkw λυπεω. lupeô : kwetsen, pijn doen) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἔχων (= echôn: hebbende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) κτήματα (= ktèmata: bezittingen; zn acc onz mv van het zn κτήμα = ktèma: bezit, verwerving; zie wkw κταομαι = ktaomai: verwerven) πολλά (= polla: vele dingen); bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l).
Mc 10,23 Καὶ περιβλεψάμενος ὁ Ἰησοῦς λέγει τοῖς μαθηταῖς αὐτοῦ, Πῶς δυσκόλως οἱ τὰ χρήματα ἔχοντες εἰς τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ εἰσελεύσονται.
Vertaling Mc 10,23: En rondgekeken zegt Jezus aan zijn leerlingen: hoe moeilijk zullen zij die bezittingen hebben binnengaan in het koninkrijk van God.
Mc 10,23 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) περιβλεψάμενος (= periblepsamenos: rond zich gekeken / nadat hij
had rondgekeken; wkw med part aor nom mann enk van het wkw περιβλεπω = periblepô: rondkijken) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr.: σωζω = sôzô) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταῖς (= mathètais: leerlingen; zn dat mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) Πῶς (= pôs: hoe; vrag onbep vnw van wijze: hoe) δυσκόλως (= duskolôs: ontevreden, moeilijk; bw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) χρήματα (= chrèmata: bezittingen; zn acc onz mv van het zn χρημα = chrèma: gebruiksvoorwerp, ding, benodigheid, bezit) ἔχοντες (= echontes: hebbende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) βασιλείαν (= basileian: koninkrijk, koningschap; zn acc vr enk van het zn βασιλεια = basileia: koninkrijk, koningschap) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God) εἰσελεύσονται (= eiseleusontai: zij zullen binnengaan; wkw med ind fut 3de pers mv van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden).
Mc 10,24 οἱ δὲ μαθηταὶ ἐθαμβοῦντο ἐπὶ τοῖς λόγοις αὐτοῦ. ὁ δὲ Ἰησοῦς πάλιν ἀποκριθεὶς λέγει αὐτοῖς, Τέκνα, πῶς δύσκολόν ἐστιν εἰς τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ εἰσελθεῖν:
Vertaling Mc 10,24: Maar de leerlingen waren verbijsterd bij zijn woorden . Maar Jezus reageert opnieuw en zegt hen: kinderen, hoe moeilijk is het binnengaan in het koningschap van God.
Mc 10,24 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) ἐθαμβοῦντο (= ethambounto: zij waren verbijsterd; wkw pass ind imperf 3de pers enk van het wkw θαμβεομαι = thambeomai: verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden; klank tata... boum) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) λόγοις (= logois: woorden; zn dat mann mv van het λογος = zn logos: woord) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr.: σωζω = sôzô)) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) ἀποκριθεὶς (= apokritheis: geantwoord hebbende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij), Τέκνα (= tekna: kinderen; zn nom en acc onz mv van het zn τεκνον = teknon: kind, het geborene, zie het wkw τικτω = tiktô: baren, bevallen), πῶς (= pôs: hoe; onbep vrag vnw) δύσκολόν (= duskolon: moeilijk; bn nom onz enk van het bn δύσκολος = duskolos: ontevreden, moeilijk) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) βασιλείαν (= basileian: koninkrijk, koningschap; zn acc vr enk van het zn βασιλεια = basileia: koninkrijk, koningschap) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God) εἰσελθεῖν (= eiselthein: om binnen te gaan; wkw act inf aor van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden):
Mc 10,25 εὐκοπώτερόν ἐστιν κάμηλον διὰ [τῆς] τρυμαλιᾶς [τῆς] ῥαφίδος διελθεῖν ἢ πλούσιον εἰς τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ εἰσελθεῖν.
Vertaling Mc 10,25: Het is gemakkelijker dat een kameel door een oog van een naald door te gaan dan dat een rijke binnengaat in het koninkrijk van God.
Mc 10,25 εὐκοπώτερόν (= eukopôteron: gemakkelijker; bv nw vergelijkende trap acc onz enk van het bv nw ευκοπος = eukopos: gemakkelijk, zonder moeite) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) κάμηλον (= kamèlon: kameel; zn acc mann enk van het zn καμηλος = kamèlos: kameel) διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) [τῆς] (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) τρυμαλιᾶς (= trumalias: door het oog; zn gen vr enk van het zn τρυμαλια = trumalia: gat, oog) [τῆς] (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ῥαφίδος (= rafidos: van een naald; zn gen vr enk van het zn ῥαφίς = rafis: naald) διελθεῖν (= dielthein: door te gaan; wkw med inf aor van het wkw διερχομαι / dierchomai. doorgaan; stam aor elth) ἢ (= è: dan; partikel; het 2de deel van de vergelijking inleidend) πλούσιον (= plousion: rijke; bn zelfst gebruikt acc mann enk van het bn πλουσιος = plousios: rijk-e) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) βασιλείαν (= basileian: koninkrijk, koningschap; zn acc vr enk van het zn βασιλεια = basileia: koninkrijk, koningschap) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God) εἰσελθεῖν (= eiselthein: om binnen te gaan; wkw act inf aor van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden).
Mc 10,26 οἱ δὲ περισσῶς ἐξεπλήσσοντο λέγοντες πρὸς ἑαυτούς, Καὶ τίς δύναται σωθῆναι;
Vertaling Mc 10,26: Maar zij raakten overmatig buiten zichzelf en zij zeiden tot elkaar : en wie kan verlost worden?
Mc 10, 26 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) περισσῶς (= perissôs: overmatig, bovenmatig groot; bw) ἐξεπλήσσοντο (= exeplèssonto: zij waren buiten zichzelf; wkw pass ind imperf 3de pers mv van het wkw εκπλησσω = ekplèssô: overvol zijn van; pl -> Ned. vol) λέγοντες (= legontes: zeggende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) ἑαυτούς (= heautous: zichzelf; wederkerig vnw acc mann mv van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) τίς (= tis: wie? vrag vnw nom mann enk) δύναται (= dunatai: hij kan; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen, in staat zijn) σωθῆναι (= sôthènai: om gered te worden; wkw pass inf aor van het wkw σῳζω = sôzô: redden, verlossen);
Mc 10,27 ἐμβλέψας αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς λέγει, Παρὰ ἀνθρώποις ἀδύνατον ἀλλ' οὐ παρὰ θεῷ, πάντα γὰρ δυνατὰ παρὰ τῷ θεῷ.
Vertaling Mc 10,27: Jezus keek hen aan en zegt : bij mensen is het onmogelijk maar niet bij God want alles is mogelijk bij God.
Mc 10,27 ἐμβλέψας (= emblepsas: hij keek aan; wkw part aor nom mann enk van het wkw εμβλεπω = emblepô: aankijken) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr.: σωζω = sôzô) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Παρὰ (= para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par' ; vz met gen, dat en acc) ἀνθρώποις (= anthrôpois: aan mensen; zn dat mann mv van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) ἀδύνατον (= adunaton: onmogelijk; bn nom onz enk van het bn ἀδύνατος = adunatos: onmogelijk) ἀλλ' (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) παρὰ (= para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par' ; vz met gen, dat en acc) θεῷ (= theô: aan God; zn dat mann enk van het zn θεος = theos: God), πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) δυνατὰ (= dunata: mogelijk, machtig; bv nw nom onz mv van het bv nw δυνατὸς = dunatos: krachtig, machtig) παρὰ (= para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par' ; vz met gen, dat en acc) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θεῷ (= theô: aan God; zn dat mann enk van het zn θεος = theos: God).
Mc 10,28 Ἤρξατο λέγειν ὁ Πέτρος αὐτῷ, Ἰδοὺ ἡμεῖς ἀφήκαμεν πάντα καὶ ἠκολουθήκαμέν σοι.
Vertaling Mc 10,28: Petrus begon hem te zeggen. Zie, wij verlieten alles en wij hebben jou gevolgd.
Mc 10,28 Ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) λέγειν (= legein: te zeggen; wkw act inf praes van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Πέτρος (= petros: Petrus; zn eigennaam nom mann enk) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Ἰδοὺ (= ide/idou: zie; wkw act imperat aor 2de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; stam: ιδ = id) ἡμεῖς (= hèmeis: wij; pers vnw 1ste pers mann mv) ἀφήκαμεν (= afèkamen: wij verlieten; wkw act ind aor 1ste pers mv van het wkw αφιημι = af-ièmi : af-laten verlaten; afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἠκολουθήκαμέν (= èkolouthèkamen: wij hebben gevolgd; wkw act ind perf 1ste pers mv van het wkw ακολουθεω = aakoloutheô: volgen) σοι (= soi: aan u; pers vnw 2de pers dat enk van het pers vnw συ = su: jij).
Mc 10,29 ἔφη ὁ Ἰησοῦς, Ἀμὴν λέγω ὑμῖν, οὐδείς ἐστιν ὃς ἀφῆκεν οἰκίαν ἢ ἀδελφοὺς ἢ ἀδελφὰς ἢ μητέρα ἢ πατέρα ἢ τέκνα ἢ ἀγροὺς ἕνεκεν ἐμοῦ καὶ ἕνεκεν τοῦ εὐαγγελίου,
Vertaling Mc 10,29: Jezus zei: voorwaar ik zeg jullie, er is niemand die huis of broers of zussen of moeder of vader of kinderen of akkers omwille van mij en omwille van het evangelie verliet.
Mc 10,29 ἔφη (= egè: hij beweerde, hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw φημι = fèmi: beweren, zeggen) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô), Ἀμὴν (= amèn: amen, voorwaar, het zij zo; transcriptie uiit Hebreeuws) λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie), οὐδείς (= oudeis: niemand; onbep vnw nom mann enk) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) ἀφῆκεν (= afèken: hij liet achter; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) οἰκίαν (= oikian: huis; zn acc vr enk van het zn οικια = oikia: huis) ἢ (= è: of; partikel) ἀδελφοὺς (= adelfous: broers; zn acc mann mv van het zn αδελφος = adelfos : broer) ἢ (= è: of; partikel) ἀδελφὰς (= adelfas: zusters; zn acc vr mv van het zn αδελφη = adelfè : zuster) ἢ (= è: of; partikel) μητέρα (= mètera: moeder; zn acc vr enk van het zn μη-τηρ = mè-tèr : moe-der) ἢ (= è: of; partikel) πατέρα (= patera: vader; zn acc mann enk van het zn πα-τηρ = pa-tèr: va-der) ἢ (= è: of; partikel) τέκνα (= tekna: kinderen; zn nom en acc onz mv van het zn τεκνον = teknon: kind, het geborene, zie het wkw τικτω = tiktô: baren, bevallen) ἢ (= è: of; partikel) ἀγροὺς (= agrous: akkers; zn acc mann mv van het zn αγρος = agros: akker; stam: g/k - r) ἕνεκεν (= heneken: omwille van; vz met gen) ἐμοῦ (= emou: van mij; pers vnw gen mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἕνεκεν (= heneken: omwille van; vz met gen) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) εὐαγγελίου (= euaggeliou: van de goede boodschap; zn gen onz enk van het zn ευαγγελιον = euaggelion: goede boodschap. Lat. evangelium. Fr. évangile. D. Evangelium. E. gospel),
Mc 10,30 ἐὰν μὴ λάβῃ ἑκατονταπλασίονα νῦν ἐν τῷ καιρῷ τούτῳ οἰκίας καὶ ἀδελφοὺς καὶ ἀδελφὰς καὶ μητέρας καὶ τέκνα καὶ ἀγροὺς μετὰ διωγμῶν, καὶ ἐν τῷ αἰῶνι τῷ ἐρχομένῳ ζωὴν αἰώνιον.
Vertaling Mc 10,30: of hij niet honderdvoudig moge ontvangen nu in deze tijd huizen en broers en zussen en kinderen en akkers met vervolgingen en in de komende tijd het eeuwig leven
Mc 10,30 ἐὰν (= ean: indien; ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) λάβῃ (= labè: hij zou nemen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) ἑκατονταπλασίονα (= hekatontaplasiona: honderdvoudig; bn acc onz mv van het bn ἑκατονταπλασιων = hekatontaplasiôn: honderdvoudig) νῦν (= nun: nu; bw van tijd) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) καιρῷ (= kairô: gunstige tijd; zn dat mann enk van het zn καιρὸς = kairos: tijd gunstig moment) τούτῳ (= toutô: dit, deze; aanwijz vnw dat mann en onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) οἰκίας (= oikias: huizen; zn acc vr mv van het zn οικια = oikia: huis) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀδελφοὺς (= adelfous: broers; zn acc mann mv van het zn αδελφος = adelfos : broer) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀδελφὰς (= adelfas: zusters; zn acc vr mv van het zn αδελφη = adelfè : zuster) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) μητέρας (= mèteras: moeders; zn acc vr mv van het zn μητηρ = mè-tèr: moe-der) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) τέκνα (= tekna: kinderen; zn nom en acc onz mv van het zn τεκνον = teknon: kind, het geborene, zie het wkw τικτω = tiktô: baren, bevallen) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀγροὺς (= agrous: akkers; zn acc mann mv van het zn αγρος = agros: akker; stam: g/k - r) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') διωγμῶν (= diôgmôn; zn gen mann mv van het zn διωγμος = diôgmos: vervolging), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) αἰῶνι (= aiôni; zn dat mann enk van het zn αιων = aiôn: tijd, wereld) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐρχομένῳ (= erchomenô: komende; wkw med part praes dat mann enk v6, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ζωὴν (= dzôèn: leven; zn acc vr enk van het zn ζωη = zôè: leven) αἰώνιον (= aiônion: eeuwig; bv nw acc vr enk van het bv nw αἰώνιος = aiônios: eeuwig).
Mc 10,31 πολλοὶ δὲ ἔσονται πρῶτοι ἔσχατοι καὶ [οἱ] ἔσχατοι πρῶτοι.
Vertaling Mc 10,31: Vele eersten zullen laatsten zijn en de laatsten zullen eersten zijn.
Mc 10,31 πολλοὶ (= polloi: velen; bv nw nom mann mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἔσονται (= esontai: zij/er zullen zijn; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) πρῶτοι (= prôtoi: eersten; rangtelwoord nom mann mv van πρωτος = prôtos: eerste) ἔσχατοι (= eschatoi: laatsten; bn nom mann mv van het bn ἔσχατος = eschatos: laatste) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) [οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ] ἔσχατοι (= eschatoi: laatsten; bn nom mann mv van het bn ἔσχατος = eschatos: laatste) πρῶτοι (= prôtoi: eersten; rangtelwoord nom mann mv van πρωτος = prôtos: eerste).
Mc 10,32 ησαν δὲ ἐν τῇ ὁδῷ ἀναβαίνοντες εἰς Ἱεροσόλυμα, καὶ ἦν προάγων αὐτοὺς ὁ Ἰησοῦς, καὶ ἐθαμβοῦντο, οἱ δὲ ἀκολουθοῦντες ἐφοβοῦντο. καὶ παραλαβὼν πάλιν τοὺς δώδεκα ἤρξατο αὐτοῖς λέγειν τὰ μέλλοντα αὐτῷ συμβαίνειν,
Vertaling Mc 10,32: Zij waren echter onderweg opklimmende nar Jeruzalem en Jezus was hen voorgaandeen zij waren met ontzetting geslagen; de volgers echter hadden schrik en de twaalf opnieuw bij zich genomen begon hij hen te zeggen de komende dingen hem zouden overkomen.
Mc 10,32: ησαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ὁδῷ (= hodô: 'onder'weg; zn dat vr enk van het zn ὁδὸς = hodos: weg) ἀναβαίνοντες (= anabainontes: opklimmende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw αναβαινω = anabainô: opgaan; bainô: Ned.: banen (?) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Ἱεροσόλυμα (= Hierosuluma: Jeruzalem; zn eigennaam acc onz enk. Het zn wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel; in 3 verzen door het voorzetsel απο = apo: van-weg + gen Ἱεροσόλυμων = Hierosolumôn, in 7 door εις = eis: naar + acc Ἱεροσόλυμα = Hierosoluma; betekenis: het heilige Salem), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) προάγων (= proagôn: voor-leidende; wkw act part praes van het wkw προαγω = proagô: voorleiden) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐθαμβοῦντο (= ethambounto: zij waren verbijsterd; wkw pass ind imperf 3de pers mv van het wkw θαμβεομαι = thambeomai: verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden; klank tata... boum), οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἀκολουθοῦντες (= akolouthountes: volgende; wkw act ind part praes nom mann mv van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen) ἐφοβοῦντο (= efobounto (zij vreesden; wkw med dep ind imperf 3de pers mv van het wkw φοβεομαι = fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden). καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) παραλαβὼν (= paralabôn: bij zich nemende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw παραλαμβανω = para-la-m-ba-n-ô: naast zich nemen) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δώδεκα (= dôdeka: twaalf; hoofdtelw) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) λέγειν (= legein: te zeggen; wkw act inf praes van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μέλλοντα (= mellonta; de 'toekomende dingen', wkw act part praes acc onz mv van het wkw μελλω = mellô: op het punt zijn te, van plan zijn te) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) συμβαίνειν (= sumbainein: samen te gaan; wkw act inf praes van het wkw συμβαίνω = sumbainô: samengaan; bainô: Ned.: banen (?),
Mc 10,33. ὅτι Ἰδοὺ ἀναβαίνομεν εἰς Ἱεροσόλυμα, καὶ ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου παραδοθήσεται τοῖς ἀρχιερεῦσιν καὶ τοῖς γραμματεῦσιν, καὶ κατακρινοῦσιν αὐτὸν θανάτῳ καὶ παραδώσουσιν αὐτὸν τοῖς ἔθνεσιν
Vertaling Mc 10,33: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem en de mensenzoon zal overgeleverd worden aan de hogepriesters en de schriftgeleerden en zij zullen veroordelen hem ter dood en zij zullen hem overleveren aan de volkeren.
Mc 10,33. ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redengevende zin inleidt) Ἰδοὺ (= ide/idou: zie; wkw act imperat aor 2de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; stam: ιδ = id) ἀναβαίνομεν (= anabainomen: wij gaan op; wkw act ind praes 1ste pers mv van het wkw αναβαινω = anabainô: opgaan; bainô: Ned.: banen (?) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Ἱεροσόλυμα (= Hierosuluma: Jeruzalem; zn eigennaam acc onz enk. Het zn wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel; in 3 verzen door het voorzetsel απο = apo: van-weg + gen Ἱεροσόλυμων = Hierosolumôn, in 7 door εις = eis: naar + acc Ἱεροσόλυμα = Hierosoluma; betekenis: het heilige Salem), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱὸς (= huios: zoon; zn nom mann enk; Ned.: zoon. D : Sohn. E : son. In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' : zoon, weer. Aramees: bar) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπου (= anthrôpou: van een mens; zn gen mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) παραδοθήσεται (= paradothèsetai: hij zal overgeleverd worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw
παραδιδωμι = paradidômi: overleveren) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀρχιερεῦσιν (= archiereusin: aan de hogepriesters; zn dat mann mv van het zn ἀρχιερευς = arch-iereus: hoge-priester) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραμματεῦσιν (= grammateusin: aan de schriftgeleerden; zn dat mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde; uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα. assimilatie van de f aan de m, γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) κατακρινοῦσιν (= katakrinousin: zij zullen veroordelen; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw κατακρινω = katakrinô: oordelen tegen, veroordelen) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) θανάτῳ (= thanatô(i): met de dood; zn dat. mann. enk. van het zn θανατος = thanatos: dood; stam: tha zie het wkw απο-θ-ν-η-σκ-ω = apo-th-n-è-sk-ô: sterven, afgesneden worden) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) παραδώσουσιν (= paradôsousin: zij zullen overleveren; act ind fut 3de pers mv van
het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἔθνεσιν (= ethnesin: aan de volkeren; zn dat mann mv van het zn εθνος = ethnos: heidenvolk)
Mc 10,34 καὶ ἐμπαίξουσιν αὐτῷ καὶ ἐμπτύσουσιν αὐτῷ καὶ μαστιγώσουσιν αὐτὸν καὶ ἀποκτενοῦσιν, καὶ μετὰ τρεῖς ἡμέρας ἀναστήσεται.
Vertaling Mc 10,34: en zij zullen hem bespotten en zij zullen hem bespuwenen zij zullen hem geselen en zij zullen doden en na drie dagen zal hij opstaan.
Mc 10,34. καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐμπαίξουσιν (= empaiksousin: zj zullen bespotten; wkw actind fut 3de pers mv van het wkw εμπαιζω = empaidzô: bespotten) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het )καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐμπτύσουσιν (= emptusousin: zij zullen spuwen; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw εμπτυω = emptuô: spuwen op of in; in iemands gelaat spuwen,
uitspuwen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) μαστιγώσουσιν ( = mastigôsousin: zij zullen geselen; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw μαστιγοω = mastigoô: geselen) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀποκτενοῦσιν (= apoktenousin: zij zullen doden; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw αποκτεινω = apokteinô: doden), καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') τρεῖς (= treis: drie; hoofdtelw) ἡμέρας (= hèmeras: dagen, zn acc vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) ἀναστήσεται (= anastèsetai: hij zal opstaan; wkw med ind fut 3de pers enk van het wkw αν-ι-στη-μι = an-i-stè-mi:: op-staan; stam: sta-).
Mc 10,35 Καὶ προσπορεύονται αὐτῷ Ἰάκωβος καὶ Ἰωάννης οἱ υἱοὶ Ζεβεδαίου λέγοντες αὐτῷ, Διδάσκαλε, θέλομεν ἵνα ὃ ἐὰν αἰτήσωμέν σε ποιήσῃς ἡμῖν.
Vertaling Mc 10,35: Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, begeven zich op weg naar hem en zeggen hem: "Leermeester, wij willen dat jij voor ons zoudt doen wat wij in geval je zouden vragen".
Mc 10,35. Καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) προσπορεύονται (= prosporeuontai: zij begeven zich op weg naar; wkw med
ind praes 3de pers mv van
het wkw προσπορευομαι = prosporeuomai: zich op weg begeven naar; dit is de enigste vorm in Mc) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) Ἰάκωβος
(= Jakôbos: Jakobus; zn nom. mann) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Ἰωάννης (= Jôannès: Johannes; zn eigennaam nom mann enk) οἱ
(= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱοὶ (= huioi: zonen; zn nom mann mv van het zn υἱος = huios: zoon; Ned.: zoon. D : Sohn. E : son. In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' : zoon, weer. Aramees: bar) Ζεβεδαίου (= zebedaiou: van Zebedeüs; zn eigennaam gen mann enk van het zn Ζεβεδαιος = zebedaios: Zebedeüs) λέγοντες (= legontes: zeggende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Διδάσκαλε (= didaskale: goede leermeester; zn voc mann enk van het zn διδασκαλος = di-da-s-k-alos: leraa goede leermeester ; wkw διδασκω = di-da-s-k-ô : onderwijzen, L. docere), θέλομεν (= thelomen: wij willen; wkw act ind praes 1ste pers mv van het wkw θελω = thelô
:willen) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) ὃ (= ho; betrekk vnw acc onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wat) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien, als) αἰτήσωμέν (= aitèsômen: wij zouden vragen; wkw act conjunct aor 1ste pers mv van het wkw αιτεω = aiteô: vragen, bedelen) σε (= se: u; pers vnw 2de pers acc mann enk van het pers vnw συ = su: jij) ποιήσῃς (= poièsè: hij zou doen; wkw act conj aor 2de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen) ἡμῖν (= hèmin: aan ons; pers vnw dat mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: wij).
Mc 10,36 ὁ δὲ εἶπεν αὐτοῖς, Τί θέλετέ [με] ποιήσω ὑμῖν;
Vertaling Mc 10,36: Maar hij zei hen: "Wat willen jullie dat ik voor jullie zal doen.
Mc 10,36 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) θέλετέ (= thelete: jullie willen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw θελω = thelô: willen; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t; stam: th/w - l) [με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij)] ποιήσω (= poèsô: ik zal maken; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie);
Mc 10,37 οἱ δὲ εἶπαν αὐτῷ, Δὸς ἡμῖν ἵνα εἷς σου ἐκ δεξιῶν καὶ εἷς ἐξ ἀριστερῶν καθίσωμεν ἐν τῇ δόξῃ σου.
Vertaling Mc 10,37: Maar ze zeiden hem: "Geef ons opdat de ene aan jouw rechterkant en de andere aan jouw linkerkant, wij zouden zitten in jouw heerlijkheid.
Mc 10,37 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) εἶπαν (= eipan: zij zeiden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Δὸς (= dos: geef; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr:
donner - don: geven - gave) ἡμῖν (= hèmin: aan ons; pers vnw dat mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: wij) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia,
hen: één) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) δεξιῶν (= dexiôn: aan de rechterhand; bv nw gen mann mv van het bv nw δεξιος = dexios: rechts) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia,
hen: één) ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) ἀριστερῶν (= aristerôn: aan de linkerhand; bv nw gen mann mv van het bv nw αριστερος = aristeros: links,
linker) καθίσωμεν (= kathisômen: wij zouden zitten; wkw act conj aor 1ste pers mv van het wkw καθιζω = kathizô: zitten) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) δόξῃ (doksè: heerlijkheid; zn dat vr enk van het zn δοξη = doksè: heerlijkheid) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu).
Mc 10,38 ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, οὐκ οἴδατε τί αἰτεῖσθε. δύνασθε πιεῖν τὸ ποτήριον ὃ ἐγὼ πίνω, ἢ τὸ βάπτισμα ὃ ἐγὼ βαπτίζομαι βαπτισθῆναι;
Vertaling Mc 10,38: Maar Jezus zei hen: "Jullie weten niet wat jullie vragen. Kunnen jullie de beker drinken die ik drink en het doopsel waarmee ik gedoopt wordt, gedoopt worden?
Mc 10,38 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) οἴδατε (= oidate: jullie weten; wkw act ind perf 2de pers mv; zie het wkw οιδα = oida: ik weet) τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) αἰτεῖσθε. (= aiteisthe: jullie vragen; wkw med ind praes 2de pers mv van het wkw αιτεω = aiteô: vragen, bedelen) δύνασθε (= dunasthe: jullie kunnen; wkw med of pass ind praes 2de pers mv van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) πιεῖν (= piein: te drinken; wkw inf aor van het wkw πινω = drinken) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ποτήριον (= potèrion: beker; zn acc onz enk; zn eindigend op -tèrion geeft een instrument aan, hier: een middel om te drinken: drinkbeker; zie wkw ποτιζω = potizô: drinken) ὃ (= ho; betrekk vnw acc onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wat) ἐγὼ (= egô: ik - mij; pers vnw 1ste pers enk) πίνω (= pinô: ik drink; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw πινω = drinken), ἢ (= è: of; partikel) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) βάπτισμα (= baptisma: doopsel; zn nom + acc onz enk) ὃ (= ho; betrekk vnw acc onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wat) ἐγὼ (= egô: ik - mij; pers vnw 1ste pers enk) βαπτίζομαι (= baptidzomai: ik word gedoopt; wkw pass ind praes 1ste pers enk van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen; zie het Hebreeuwse wkw tâbal; metathesis van t-b?) βαπτισθῆναι (= baptisthènai: gedoopt te worden; wkw pass inf aor van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen; zie het Hebreeuwse wkw tâbal; metathesis van t-b?);
Mc 10,39 οἱ δὲ εἶπαν αὐτῷ, Δυνάμεθα. ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, Τὸ ποτήριον ὃ ἐγὼ πίνω πίεσθε καὶ τὸ βάπτισμα ὃ ἐγὼ βαπτίζομαι βαπτισθήσεσθε,
Vertaling Mc 10,39: Zij echter zeiden hem . Wij kunnen dat. Jezus echter zei hen: de beker die ik drink zullen jullie drinken en het doopsel dat ik gedoopt word zullen jullie gedoopt worden.
Mc 10,39 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) εἶπαν (= eipan: zij zeiden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Δυνάμεθα (= dunametha: wij kunnen; wkw med ind praes 1ste pers mv van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen). ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ποτήριον (= potèrion: beker; zn acc onz enk; zn eindigend op -tèrion geeft een instrument aan, hier: een middel om te drinken: drinkbeker; zie wkw ποτιζω = potizô: drinken) ὃ (= ho; betrekk vnw acc onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wat) ἐγὼ (= egô: ik - mij; pers vnw 1ste pers enk) πίνω (= pinô: ik drink; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw πινω = drinken), πίεσθε (= piesthe: jullie zullen drinken; wkw act ind fut 2de pers mv van het wkw πινω = drinken) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) βάπτισμα (= baptisma: doopsel; zn nom + acc onz enk) ὃ (= ho; betrekk vnw acc onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wat) ἐγὼ (= egô: ik - mij; pers vnw 1ste pers enk) βαπτίζομαι (= baptidzomai: ik word gedoopt; wkw pass ind praes 1ste pers enk van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen; zie het Hebreeuwse wkw tâbal; metathesis van t-b?) βαπτισθήσεσθε (= baptisthèsesthe: jullie zullen gedoopt worden; wkw pass ind fut 2de pers mv van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen; zie het Hebreeuwse wkw tâbal; metathesis van t-b?),
Mc 10,40 τὸ δὲ καθίσαι ἐκ δεξιῶν μου ἢ ἐξ εὐωνύμων οὐκ ἔστιν ἐμὸν δοῦναι, ἀλλ' οἷς ἡτοίμασται.
Vertaling Mc 10,40: wat echter het zitten aan mijn rechter- of aan mijn linkerkant, het is niet het mijne om te geven, maar voor wie het werd bereid.
Mc 10,40 τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) καθίσαι (= kathisai: te zitten; wkw act inf aor van het
wkw καθιζω = kathizô: zitten) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) δεξιῶν (= dexiôn: aan de rechterhand; bv nw gen mann mv van het bv nw δεξιος = dexios: rechts) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) ἢ (= è: of; partikel) ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) εὐωνύμων (= euônumôn: links; bv nw gen mann enk van het bv nw εὐωνυμος = euônumos: links geplaatst,
linker) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat.: esse) ἐμὸν (= emon: mijn; bezitt vnw 1ste pers acc onz enk van het bezitt vnw εμος= emos: mijn) δοῦναι (= dounai: om te geven; wkw act inf aor van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave gift . Fr: donner - don: geven - gave), ἀλλ' (= all': maar; afkorting van αλλα = alla; partikel van tegenstelling) οἷς (= hois: aan wie; betrekk vnw dat mann mv van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat) ἡτοίμασται (= hetoimasthai: het is bereid geworden; wkw pass ind perf 3de pers enk van het wkw ἑτοιμαζω = hetoimazô: bereiden).
Mc 10,41 Καὶ ἀκούσαντες οἱ δέκα ἤρξαντο ἀγανακτεῖν περὶ Ἰακώβου καὶ Ἰωάννου.
Vertaling Mc 10,41: en de tien (dit) horende begonnen zich te ergeren over Jakobus en Johannes.
Mc 10,41 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀκούσαντες (= akousantes: gehoord; wkw act part aor nom mv van het wkw ακουω = akouô, Fr.: é-cou-ter) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δέκα (= deka: tien; hoofdtelw) ἤρξαντο (= èrxanto: zij begonnen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen, aanvangen, heersen) ἀγανακτεῖν (aganaktein:zich te ergeren; wkw act inf praes van het wkw αγανακτω = aganaktô: verontwaardigd zijn, zich ergeren) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) Ἰακώβου (= iakôbou: met Jakobus; zn eigennaam gen mann enk van het zn nw ιακωβος = jakôbos: Jakobus) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) Ἰωάννου (= Jôannou: van Johannes; zn eigennaam gen mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes).
Mc 10,42 καὶ προσκαλεσάμενος αὐτοὺς ὁ Ἰησοῦς λέγει αὐτοῖς, Οἴδατε ὅτι οἱ δοκοῦντες ἄρχειν τῶν ἐθνῶν κατακυριεύουσιν αὐτῶν καὶ οἱ μεγάλοι αὐτῶν κατεξουσιάζουσιν αὐτῶν.
Vertaling Mc 10,42: En Jezus, hen samengeroepen bij zich, zegt hen: "Jullie weten dat zij die menen te heersen over de volkeren, hen overmeesteren en de groten van hen macht uitoefenen over hen."
Mc 10,42 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) προσκαλεσαμενος (= proskalesamenos: bij zich geroepen; wkw med part aor nom mann enk van het wkw προσκαλεομαι = proskaleomai: bij zich roepen) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Οἴδατε (= oidate: jullie weten; wkw act ind 2de pers mv; zie het wkw οιδα = oida: ik weet) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δοκοῦντες (dokountes: menende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw δοκεω = dokeô: menen, schijnen) ἄρχειν (= archein: te heersen; wkw act inf praes van het wkw αρχω = archô: heersen) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἐθνῶν (= ethnôn: volkeren; zn gen onz mv van het zn εθνος = volk) κατακυριεύουσιν (= katakurieuousin: zij verheersen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw κατακυριευω: heersen, overheersen) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μεγάλοι (= megaloi: groten; bv nw nom mann mv van het bv nw μεγας = megas: groot) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) κατεξουσιάζουσιν (= kateksousiadzousin: zij oefenen macht uit over; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw κατεξουσιάζω = kateksousiadzô: macht uitoefenen over) αὐτῶν (= autôn: hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij).
Mc 10,43 οὐχ οὕτως δέ ἐστιν ἐν ὑμῖν: ἀλλ' ὃς ἂν θέλῃ μέγας γενέσθαι ἐν ὑμῖν, ἔσται ὑμῶν διάκονος,
Vertaling Mc 10,43: Op deze wijze echter is hij onder jullie, maar wie groot zou willen worden onder jullie, hij zal dienaar van jullie zijn
Mc 10,43. οὐχ (= ouch: niet, partikel van ontkenning; ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) οὕτως (= houtôs: op die wijze, zo; bw van wijze) δέ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) ἐν (= en: in, met; vz van plaats, tijd) ὑμῖν: (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ἀλλ' (= all': maar; afkorting van αλλα = alla; partikel van tegenstelling) ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) ἂν (= an; partikel bij de conjunct) θέλῃ (= thelè: hij zou willen; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw θελω = thelô: willen) μέγας (= megas: groot; bv nw nom mann enk) γενέσθαι (= genesthai: te worden, te gebeuren; wkw med/pass
inf aor van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie), ἔσται (= estai: hij/zij/het zal zijn; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat.: esse) ὑμῶν (= humôn: van jullie; pers vnw 2de pers gen mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) διάκονος (= diakonos: dienaar; zn nom mann enk)
Mc 10,44 καὶ ὃς ἂν θέλῃ ἐν ὑμῖν εἶναι πρῶτος, ἔσται πάντων δοῦλος:
Vertaling Mc 10,44: en wie zou willen zijn onder jullie eerste hij zal van allen dienaar zijn
Mc 10,45. καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) ἂν (= an; partikel bij de conjunct) θέλῃ (= thelè: hij zou willen; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw θελω = thelô: willen) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) εἶναι (= einai: om te zijn; wkw act inf praes van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat.: esse) πρῶτος ( = prôtos: eerste; rangtelwoord bv nw nom mann enk), ἔσται (= estai: hij/zij/het zal zijn; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat.: esse) πάντων (= pantôn: van allen, val alles; bv nw gen mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) δοῦλος (= doulos: slaaf, dienaar; zn nom mann enk).
Mc 10,45 καὶ γὰρ ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου οὐκ ἦλθεν διακονηθῆναι ἀλλὰ διακονῆσαι καὶ δοῦναι τὴν ψυχὴν αὐτοῦ λύτρον ἀντὶ πολλῶν.
Vertaling Mc 10,45: want ook de mensenzoon kwam niet om te worden gediend, maar om te dienen en zijn leven te geven ter wille van velen
Mc 10,45. καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) γὰρ (nevenschikkend vw van reden: want) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱὸς (= huios: zoon; zn nom mann enk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπου (= anthrôpou: van een mens; zn gen mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἦλθεν (= èlthen: hij kwam; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) διακονηθῆναι (= diakonèthènai: gediend te worden; wkw pass van het wkw διακονεω = diakoneô: dienen) ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') διακονῆσαι (= diakonèsai: te dienen; wkw act inf aor van het wkw διακονεω = diakoneô: dienen, dienaar zijn) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) δοῦναι (= dounai: om te geven; wkw act inf aor van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave gift . Fr: donner - don: geven - gave) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ψυχὴν (= psuchèn: ziel, leven; zn acc vr enk van het zn ψυχη = psuchè: adem, geest, leven) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λύτρον (= lutron: losprijs; zn acc onz enk; zie het wkw λυω = luô: los-sen, los maken) ἀντὶ (= anti: ter wille van, tegenover; vz) πολλῶν (= pollôn: van velen; bv nw gen mann mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l).
Mc 10,46 Καὶ ἔρχονται εἰς Ἰεριχώ. καὶ ἐκπορευομένου αὐτοῦ ἀπὸ Ἰεριχὼ καὶ τῶν μαθητῶν αὐτοῦ καὶ ὄχλου ἱκανοῦ ὁ υἱὸς Τιμαίου Βαρτιμαῖος τυφλὸς προσαίτης ἐκάθητο παρὰ τὴν ὁδόν.
Vertaling: En zij gaan naar Jericho en terwijl hij Jericho uitgaat evenals zijn leerlingen en een talrijke menigte zat de zoon van Timeüs, Bartimeüs, een blinde bedelaar langs de weg.
Mc 10,46 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Ἰεριχώ (= ierichô: Jericho; zn eigennaam; de eerste veroverde stad bij de verovering van Kanaän door Jozua, zie Joz 6)). καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐκπορευομένου (= ekporeuomenou: zich op weg begevende naar buiten; wkw med part praes gen mann enk van het wkw εκπορευομαι = ekporeuomai: zich op weg begeven uit. por-euomai p of ph = f -> v + r; poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare
plaats. Lat.: por-tus: haven. Mnd: voort, ofries: ford oeng: ford. Het
woord behoort tot de groep van varen) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' :vóór een aangeblazen klinker) Ἰεριχὼ (= ierichô: Jericho; zn eigennaam; de eerste veroverde stad bij de verovering van Kanaän door Jozua, zie Joz 6)) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μαθητῶν (= mathètôn: van de leerlingen; zn gen mann mv van μαθητης = mathè-tès : leer-ling; wkw μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô: leren ; Hebr.: lâ-m-ad. Stam : (l)-m-th/d.) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ὄχλου (= ochlou: (van de menigte; zn gen mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) ἱκανοῦ (= hikanou: talrijk; bijv nw gen mann enk van het bijv nw ἱκανος = hikanos: voldoende, talrijk) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱὸς (= huios: zoon; zn nom mann enk. Ned.: zoon. D : Sohn. E : son. In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' :zoon, weer. Aramees: bar) Τιμαίου (= timaiou: van Timeüs; zn eigennaam gen mann enk; - aios: zn -> bv nw: eervol) Βαρτιμαῖος (= bartimaios: Bartimeüs; zn eigennaam nom mann enk. Letterlijk: een eervolle zoon; een Aramees woord nL bar + een Grieks bv nw timaios) τυφλὸς (= tuflos: blinde; zn nom mann enk van het zn τυφλος = tuflos: blinde; Fr: aveugle < ab oculis = beroofd van ogen) προσαίτης (= prosaitès: bedelaar; zn nom mann enk; zie wkw αιτεω = aiteô: vragen, bedelen + voorzetsel προς = pros: naar) ἐκάθητο (= ekathèto: hij zat; wkw med ind imperfect 3de pers enkvan het wkw καθημαι = kathèmai : zich zetten, gaan zitten, zitten) παρὰ (= para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par' ; vz met gen, dat en acc) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὁδόν (= hodon: weg; zn acc vr enk van het zn ὁδος = hodos: weg).
Mc 10,47 καὶ ἀκούσας ὅτι Ἰησοῦς ὁ Ναζαρηνός ἐστιν ἤρξατο κράζειν καὶ λέγειν, Υἱὲ Δαυὶδ Ἰησοῦ, ἐλέησόν με.
Vertaling: En nadat hij hoorde dat het Jezus de Nazarener is, begon hij te schreeuwen en te zeggen: zoon van David, heb medelijden met mij.
Mc 10,47 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀκούσας (= akousas: horende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ναζαρηνός (= nadzarènos: Nazarener; uit Nazara; zn nom mann enk) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) κράζειν (= kradzein: te krijsen, schreeuwen, roepen; wkw inf praes van het wkw κραζω = krazô: krijsen, schreeuwen, roepen) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) λέγειν (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Υἱὲ (= huie: zoon; voc mann enk van het zn υἱος = huios: zoon; Ned.: zoon. D : Sohn. E : son. In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' : zoon, weer. Aramees: bar) Δαυὶδ (= dauid: David; zn eigennaam David ; getalswaarde 14) Ἰησοῦ (= ièsou: Jezus; voc mann enk eigennaam van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô), ἐλέησόν (= eleèson: ontferm u; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw ελεεω = eleeô: medelijden hebben, erbarmen, zich ontfermen, barmhartig zijn) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij).
Mc 10,48 καὶ ἐπετίμων αὐτῷ πολλοὶ ἵνα σιωπήσῃ: ὁ δὲ πολλῷ μᾶλλον ἔκραζεν, Υἱὲ Δαυίδ, ἐλέησόν με.
Vertaling: en velen bevalen hem opdat hij zou zwijgen, maar hij riep des te meer: zoon van David, heb medelijden met mij.
Mc 10,48. καὶ (nevensch voegw : en) ἐπετίμων (wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw epitimaô : eren berispen vermanen) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw autos) πολλοὶ (bn nom mann mv van het bn polus : veel ; stam p/v - l) ἵνα (ondergeschikt vw van doel : opdat) σιωπήσῃ (wkw act iconjunct aor 3de pers enk van het wkw siiôpaô : zwijgen) ὁ (bep lidw nom mann enk . zie Gr. : to.. tè... N. : de . E. : the . D. : der die das) δὲ (nevenschikkend vw met lichte tegenstelling : echter) πολλῷ (bn dat onz enk van het bn polus : veel ; stam p/v - l) μᾶλλον (bijw : meer) ἔκραζεν (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw krazô = krijsen) Υἱὲ (zn voc mann enk . Ned.: zoon . D. : Sohn . E. : son . In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' (zoon) weer . - Arabisch : اِبن = ´ibn (zoon) . Hebreeuws : בֵּן/ בִּן / בֶּן= ben / bin / bèn (zoon, kind) . b/p/v/f - n . - Lat.: filius . Fr. : fils - Gr. : υἰος = huios ; Aramees : bar) Δαυίδ (zn eigennaam David ; getalswaarde 14) ἐλέησόν (wkw act imperat 2de pers enk van het wkw eleô : zich ontfermen over) με (pers vnw 1ste pers acc mann enk) .
Mc 10,49 καὶ στὰς ὁ Ἰησοῦς εἶπεν, Φωνήσατε αὐτόν. καὶ φωνοῦσιν τὸν τυφλὸν λέγοντες αὐτῷ, Θάρσει, ἔγειρε, φωνεῖ σε.
Vertaling: en nadat Jezus stilstond zei hij: roept hem en zij roepen de blinde zeggende tot hem: heb goede moed, sta recht, hij roept je:
Mc 10,49. καὶ (nevensch voegw : en) στὰς (wkw act part aor nom mann enk : staande van het wkw istèmi : staan ; stam : sta-) ὁ (bep lidw nom mann enk . zie Gr. : to.. tè... N. : de . E. : the . D. : der die das) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) Φωνήσατε (wkw act imperat aor 2de pers mv fônèsate (roept) van het
wkw. foneô: roepen, schreeuwen) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw autos) . καὶ (nevensch voegw : en) φωνοῦσιν (wkw act ind praes 3de pers mv : zij roepen, van het
wkw. foneô : roepen, schreeuwen) τὸν (bep lidw acc mann enk . zie Gr. : to.. tè... N. : de . E. : the . D. : der die das) τυφλὸν (zn acc mann enk τυφλος = tuflos : blinde : Hebr.: `iwwer ; Lat. caecus . Fr. aveugle < ab oculis = beroofd van ogen .
D. blind . E. blind) λέγοντες (wkw act part praes nom mann mv van het wkw legô : zeggen ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw autos), Θάρσει (wkw act imperat praes. 2de pers. enk. tharsei : heb moed van het wkw tharseô
: vol goede moed zijn moed hebben), ἔγειρε (wkw act imperat praes 2de pers enk van het wkw egeirô = opwekken 'opstaan') φωνεῖ (wkw act ind praes 3de pers enk : hij roept van het
wkw. foneô : roepen, schreeuwen) σε (pers vnw 2de pers acc mann enk).
Mc 10,50 ὁ δὲ ἀποβαλὼν τὸ ἱμάτιον αὐτοῦ ἀναπηδήσας ἦλθεν πρὸς τὸν Ἰησοῦν.
Vertaling Mc 10,50: Hij echter afgeworpen zijn mantel, op zijn voeten gestaan kwam naar Jezus.
Mc 10,50. ὁ (bep lidw nom mann enk . zie Gr. : to.. tè... N. : de . E. : the . D. : der die das) δὲ (nevenschikkend vw met lichte tegenstelling : echter) ἀποβαλὼν (wkw act part aor nom mann enk van het wkw ballô : werpen) τὸ (bep lidw onz mann enk . zie Gr. : to.. tè... N. : de . E. : the . D. : der die das) ἱμάτιον (zn acc onz enk van het zn kledingstuk mantel) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw autos) ἀναπηδήσας (wkw
act part aor nom mann enk anapèdèsas : opgesprongen van
het werkw. anapèdaô : opspringen op zijn poten komen) ἦλθεν πρὸς (voorzetsel van plaats : naar) τὸν (bep lidw acc mann enk . zie Gr. : to.. tè... N. : de . E. : the . D. : der die das) Ἰησοῦν (acc mann enk eigennaam Jezus ; Hebr. jëhôsjû‘a : hij brengt redding van het wkw jâsj‘a : redden ; Gr. sôzô) .
Mc 10,51 καὶ ἀποκριθεὶς αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς εἶπεν, Τί σοι θέλεις ποιήσω; ὁ δὲ τυφλὸς εἶπεν αὐτῷ, Ραββουνι, ἵνα ἀναβλέψω.
Vertaling Mc 10,51: en geantwoord zei Jezus hem: Wat wil jij dat ik voor jou doe De blinde echter zei hem: Mijn Heer, opdat ik opkijk.
Mc 10,51. καὶ (nevensch voegw : en) ἀποκριθεὶς (= apokritheis: geantwoord hebbende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απο-κριν-ομαι = apo-krin-o-mai: antwoorden) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw autos) ὁ (bep lidw nom mann enk . zie Gr. : to.. tè... N. : de . E. : the . D. : der die das) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Τί (= wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) σοι (pers vnw 2de pers dat mann enk) θέλεις (wkw act ind praes 2de pers enk : jij wilt van het wkw thelô : willen ; Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen . D. willen . E. will) ποιήσω (wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw poieô : doen handelen) ; ὁ (bep lidw nom mann enk . zie Gr. : to.. tè... N. : de . E. : the . D. : der die das) δὲ (nevenschikkend vw met lichte tegenstelling : echter) τυφλὸς (zn nom mann enk τυφλος = tuflos : blinde : Hebr.: `iwwer ; Lat. caecus . Fr. aveugle < ab oculis = beroofd van ogen .
D. blind . E. blind) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw autos) Ραββουνι (Aramees : mijn Heer) ἵνα (ondergeschikt vw van doel : opdat) ἀναβλέψω (wkw act conjunct aor 1ste pers enk : ik zou opkijken van het wkw ana-blepô: op-zien; ble-p-ô Ned. bli-k-k-en)
Mc 10,52 καὶ ὁ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτῷ, Υπαγε, ἡ πίστις σου σέσωκέν σε. καὶ εὐθὺς ἀνέβλεψεν, καὶ ἠκολούθει αὐτῷ ἐν τῇ ὁδῷ.
Vertaling Mc 10,52: en Jezus zei hem : Ga jouw geloof heeft jou blijvend gered en hij keek onmiddellijk op en hij volgde Jezus op de weg.
Mc 10,52. καὶ (nevensch voegw : en) ὁ (bep lidw nom mann enk . zie Gr. : to.. tè... N. : de . E. : the . D. : der die das) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw autos) Υπαγε (wkw act imperat praes 2de pers enk hupage : ga weg, vertrek van het wkw.
hupagô : onder iets brengen, weggaan) ἡ (bep lidw nom vr enk . zie Gr. : to.. tè... N. : de . E. : the . D. : der die das) πίστις (zn nom vr enk pi-s-t-is : geloof vertrouwen ; Lat. fid-es Fr. foi) σου (pers vnw 2de pers gen mann enk) . σέσωκέν (wkw act ind perf 3de pers enk van het wkw sôdzô : redden ; zie het verband met de vermelding van de naam Jèsous / Jehosjûa = redding van het wkw jâsj`a en sôdzô: redden; stam sj) σε (pers vnw 2de pers acc mann enk) καὶ (nevensch voegw : en) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἀνέβλεψεν (wkw act ind aor 3de pers enk : hij keek op van het wkw ana-blepô : op-zien ; ble-p-ô Ned. bli-k-k-en) καὶ (nevensch voegw : en) ἠκολούθει (act ind imperf 3de pers enk van het werkw akoloutheô: volgen; acolyten in de mis gaan meestal vóór de priester) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw autos) ἐν (voorzetsel van plaats : in op) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) ὁδῷ (zn dat vr enk van het zn hodos: weg).
Mc 11.1
Καὶ ὅτε ἐγγίζουσιν εἰς Ἱεροσόλυμα εἰς Βηθφαγὴ καὶ Βηθανίαν πρὸς τὸ Ὄρος τῶν Ἐλαιῶν, ἀποστέλλει δύο τῶν μαθητῶν αὐτοῦ
En wanneer zij naderen bij Jeruzalem bij Bethgfage en Bethanië bij de Olijfberg, zendt hij twee van zijn leerlingen.
Mc 11,1 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) ὅτε (= hote: toen; ondergeschikt vw van tijd) ἐγγίζουσιν (= eggidzousin: zij naderen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εγγιζω = eggizô: naderen) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Ἱεροσόλυμα (= Hierosuluma: Jeruzalem; zn eigennaam acc onz enk. Het zn wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel; in 3 verzen door het voorzetsel απο = apo: van-weg + gen Ἱεροσόλυμων = Hierosolumôn, in 7 door εις = eis: naar + acc Ἱεροσόλυμα = Hierosoluma) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Βηθφαγὴ (= bèthfagè = Bethfage; zn eigennaam, plaatsnaam; בית פגי; "huis van onrijpe vijgen", Hebr.: fag = Ned.: vijg) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Βηθανίαν (= bèthanian: naar Bethanië; zn eigennaam, plaatsnaam, acc vr enk van het zn Βηθανια = bèthania: Betanië < Βηθ = bèth: huis en ανια = ania: behoeftigen. De betekenis van deze naam is “Huis van lijden” of “Huis der behoeftigen / nooddruftigen”, – beth staat voor huis – ani (Hebreeuws) of – ania (Aramees) staan voor:armoede, lijden) πρὸς (= pros: naar, bij, vz van plaats) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ὄρος (= oros: berg; zn acc onz enk) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ἐλαιῶν (= elaiôn: van de olijven; zn gen onz mv van het zn ελαιον = elaion: olie), ἀποστέλλει (= apostellei: hij zendt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen afzenden) δύο (= duo: twee; hoofdtelw; Lat.: duo. Fr.: deux) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) μαθητῶν (= mathètôn: van de leerlingen; zn gen mann mv van het wkw μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô: leren, onderwijzen; zie na het vers Mc 11,1: leren) αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij)
Mc 11.2
καὶ λέγει αὐτοῖς, Ὑπάγετε εἰς τὴν κώμην τὴν κατέναντι ὑμῶν, καὶ εὐθὺς εἰσπορευόμενοι εἰς αὐτὴν εὑρήσετε π ῶλον δεδεμένον ἐφ' ὃν οὐδεὶς οὔπω ἀνθρώπων ἐκάθισεν: λύσατε αὐτὸν καὶ φέρετε.
En hij zegt hen: Gaan jullie naar het dorp, dat tegenover jullie, en onmiddellijk zich op weg begeven ernaar zullen jullie vinden een vastgebonden veulen, waarop niemand van mensen (geen mens) nooit (ooit) zat: maken jullie 'het veulen' los en brenggen jullie ('het veulen').
Mc 11,2 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Ὑπάγετε (= hupagete: gaat weg, vertrekt; wkw act imperat pras 2de pers mv van het wkw ὑπαγω = hupagô: onder iets brengen, weggaan) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) κώμην (= kômèn: dorp; zn acc vr enk van het zn κωμη = kômè: dorp) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) κατέναντι (= katenanti: tegenover: vz met gen) ὑμῶν (= humôn: van jullie; pers vnw 2de pers gen mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) εἰσπορευόμενοι (= eisporeuomenoi: de zich op weg begevende naar; wkw med part praes nom mann mv van het wkw εισ-πορευομαι = eis-poreuomai: zich op weg begeven naar) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) αὐτὴν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) εὑρήσετε (= heurèstete: jullie zullen vinden; wkw act ind fut 2de pers mv van het wkw εὑρι-σκ-ω = heuri-sk-ô: vinden; stam: w - r) πῶλον (= pôlon: veulen; zn acc mann enk van het zn πωλος: veulen; stam: p/v - l) δεδεμένον (= dedemenon: gebonden; wkw pass part perf acc mann enk van het wkw δεω = deô: vast-binden, boeien) ἐφ' (επι = epi: op, bij; afkortingen: επ' = ep' : vóór een niet-aangeblazen klinker en εφ' = ef' : vóór een aangeblazen klinker) ὃν (= hon; betrekk vnw acc mann enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat) οὐδεὶς (= oudeis: niemand; onbep vnw nom mann enk) οὔπω (= oupô: nog niet; bw) ἀνθρώπων (= anthrôpôn: van mensen; zn gen mann mv van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) ἐκάθισεν (= ekathisen: hij zat; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw καθιζω = kathizô: zitten): λύσατε (= lusate: maakt los; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw λυω = luô: los-sen, los maken) αὐτὸν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος: hij) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) φέρετε (= ferete: brengt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw φερω = ferô: dragen, brengen).
Mc 11.3
καὶ ἐάν τις ὑμῖν εἴπῃ, Τί ποιεῖτε τοῦτο; εἴπατε, Ὁ κύριος αὐτοῦ χρείαν ἔχει, καὶ εὐθὺς αὐτὸν ἀποστέλλει πάλιν ὧδε.
En indien iemand aan jullie zou zeggen: 'Waarom' doen jullie dit? zeggen jullie: De Heer heeft 'het veulen' nodig, en onmiddellijk zendt hij 'het veulen' opnieuw erheen.
Mc 11,3 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐάν (= ean: indien, ondergeschikt vw + conjunct om een voorwaarde in de toekomst uit te drukken) τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) εἴπῃ (= eipè(i): hij zou zeggen; wkw act conjunct aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Τί (= wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) ποιεῖτε (= poieite: jullie doen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw ποιεω = poieô: doen) τοῦτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom en acc onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit); εἴπατε (= eipate: zegt; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon), Ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) κύριος (= kurios: heer; zn nom mann enk; stam: k/h - r) αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) χρείαν (= chreian: behoefte; zn acc vr enk van het zn χρεία = cgreia: behoefte, nood) ἔχει (= echei: hij heeft; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) αὐτὸν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος: hij) ἀποστέλλει (= apostellei: hij zendt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen afzenden) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) ὧδε (= hôde: hier; bw van plaats).
Mc 11.4
καὶ ἀπῆλθον καὶ εὗρον πῶλον δεδεμένον πρὸς θύραν ἔξω ἐπὶ τοῦ ἀμφόδου, καὶ λύουσιν αὐτόν.
En zij gingen weg en zij vonden een veulen, gebonden bij een deur buiten op de straat en zij maken 'het veulen' los.
Mc 11,4 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπῆλθον (= apèlthon: zij gingen weg; wkw med ind aor 3de pers mv van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker, van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εὗρον (= heuron: zij vonden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw εὑρι-σκ-ω = heuri-sk-ô: vinden; stam: w - r) πῶλον (= pôlon: veulen; zn acc mann enk van het zn πωλος: veulen; stam: v/f/p - - l) δεδεμένον (= dedemenon: gebonden; wkw pass part perf acc mann enk van het wkw δεω = deô :vast-binden, boeien) πρὸς (= pros: naar, bij, vz) θύραν (= thuran: deur; zn acc vr enk van het zn θυρα = thura. Ned: deur D: Tür E: door. Stam: d/t/th - r. Gr: δελτα = delta; 4de letter van het Griekse alfabet) ἔξω (= exô: buiten; bw) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀμφόδου (= amfodou: 'op de' straat; zn gen onz enk van het zn ἀμφόδον = amfodon: straat, kruispunt), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λύουσιν (= luousin: zij maken los; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λυω = luô: los-sen, los maken) αὐτόν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος: hij).
Mc 11.5
καί τινες τῶν ἐκεῖ ἑστηκότων ἔλεγον αὐτοῖς, Τί ποιεῖτε λύοντες τὸν πῶλον;
En sommigen van die daar stonden, zeiden hen: 'Waarom' maken jullie het veulen los?
Mc 11, 5 καί (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë). τινες (= tines: sommigen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw τις = tis: iemand, τι = ti: iets) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to : de - het) ἐκεῖ (= ekei: hier; bijw van plaats: hier, daar; Fr.: ici; Ned.: hie-r) ἑστηκότων (hestèkotôn: van de 'om'staanders; wkw act part perf gen mann mv van het wkw ἱστημι = histèmi: doen staan, staan) ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Τί (= wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) ποιεῖτε (= poieite: jullie doen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw ποιεω = poieô: doen) λύοντες (= luontes: losmakende); wkw act part praes nom mann mv van het wkw λυω = luô: los-sen, los maken) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) πῶλον (= pôlon: veulen; zn acc mann enk van het zn πωλος: veulen; stam: p/v - l);
Mc 11.6
οἱ δὲ εἶπαν αὐτοῖς καθὼς εἶπεν ὁ Ἰησοῦς: καὶ ἀφῆκαν αὐτούς.
Maar zij zeiden ken zoals Jezus had gezegd. En zij lieten hen begaan.
Mc 11, 6 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to : de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch voegw) εἶπαν (= eipan: zij zeiden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) καθὼς (= kathôs: zoals, vw van vergelijking) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to : de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô): καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀφῆκαν (= afèkan: zij lieten achter; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 11.7
καὶ φέρουσιν τὸν πῶλον πρὸς τὸν Ἰησοῦν, καὶ ἐπιβάλλουσιν αὐτῷ τὰ ἱμάτια αὐτῶν, καὶ ἐκάθισεν ἐπ' αὐτόν.
En zij brengen het veulen bij Jezus en zij werpen op het veulen hun kleren en hij ging op het veulen zitten.
Mc 11,7 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) φέρουσιν (= ferousin: zij brengen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw φερω = ferô: dragen, brengen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) πῶλον (= pôlon: veulen; zn acc mann enk van het zn πωλος: veulen; stam: p/v - l) πρὸς (= pros: naar, bij, vz) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Ἰησοῦν (= Ièsoun: Jezus; zn eigennaam acc mann enk van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπιβάλλουσιν (= epiballousin; zij werpen op; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw επιβαλλω = epiballô: 'op-werpen', overvallen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to : de - het) ἱμάτια (= himatia: kleren; zn acc onz mv van het zn ἱματιον = himation: kleed) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐκάθισεν (= ekathisen: hij zat; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw καθιζω = kathizô: zitten) ἐπ' (= επ': ep: over; epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; afkortingen : επ' = ep': vóór een niet-aangeblazen klinker, en εφ' = ef': vóór een aangeblazen klinker) αὐτόν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος: hij).
Mc 11.8
καὶ πολλοὶ τὰ ἱμάτια αὐτῶν ἔστρωσαν εἰς τὴν ὁδόν, ἄλλοι δὲ στιβάδας κόψαντες ἐκ τῶν ἀγρῶν.
En velen spreidden hun kleren uit over de weg, maar anderen (waren) slaande takken van de bomen.
Mc 11,8 καὶ (= kai: en; ns vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: וְ = wë) πολλοὶ (= polloi: velen; bv nw nom mann mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) ἱμάτια (= himatia: kleren; zn acc onz mv van het zn ἱματιον = himation: kleed) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἔστρωσαν (= estrôsan: zij spreiden uit; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw στρωννυμι = strônnumi: uitspreiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to : de - het) ὁδόν (= hodon: weg; zn acc vr enk van het zn ὁδος = hodos: weg), ἄλλοι (= alloi: anderen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw αλλος = allos: ander) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch voegw) στιβάδας (= stibadas: bebladerde takken; zn acc vr mv van het zn στιβας = stibas: bebladerde tak, loof) κόψαντες (= kopsantes: gehouwen; wkw act part praes nom mann mv van het wkw κοπτω = koptô: slaan, houwen) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) ἀγρῶν (= agrôn: akkers; zn acc mann mv van het zn αγρος = agros: akker; stam: g/k - r).
Mc 11.9
καὶ οἱ προάγοντες καὶ οἱ ἀκολουθοῦντες ἔκραζον, Ὡσαννά: Εὐλογημένος ὁ ἐρχόμενος ἐν ὀνόματι κυρίου:
En de voorgangers en de volgers riepen: Hosanna gezegend de komende in de naam van de Heer.
Mc 11, 9 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) προάγοντες (= proagontes: de voogangers; wkw act part praes nom mann mv van het wkw προαγω = proagô: voorgaan) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀκολουθοῦντες (= akolouthountes: volgers; wkw act ind part praes nom mann mv van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen) ἔκραζον (= ekradzon: zij riepen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw κραζω = krazô: krijsen, schreeuwen, roepen), Ὡσαννά (= hôsanna: Hosanna; onverbuigbaar woord van Hebreeuwse oorsprong): Εὐλογημένος (= eulogèmenos: gezegend; pass part praes nom mann enk van het wkw ευλογεω = eulogeô: zegenen, goed spreken, loven, prijzen) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to : de - het) ἐρχόμενος (= erchomenos: komende, wkw med part praes nom mann enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ὀνόματι (= onomati: naam; zn dat onz enk van het zn ονομα = onoma: naam) κυρίου (= kuriou: van de heer; zn gen mann enk van het zn κυριος = kurios: heer):
Mc 11.10
Εὐλογημένη ἡ ἐρχομένη βασιλεία τοῦ πατρὸς ἡμῶν Δαυίδ: Ὡσαννὰ ἐν τοῖς ὑψίστοις.
Gezegend het komende koningschap van onze vader David: Hosanna in het allerhoogste.
Mc 11, 10 Εὐλογημένη (= eulogèmenè: gezegend; pass part praes nom vr enk van het wkw ευλογεω = eulogeô: zegenen, goed spreken, loven, prijzen) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐρχομένη (= erchomenè: komende, wkw med part praes nom vr enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) βασιλεία (= basileia: koninkrijk, koningschap; zn nom vr enk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πατρὸς (= patros: van vader, zn gen mann enk van het zn πατηρ: = patèr: vader) ἡμῶν (= hèmôn: van onze; pers vnw 1ste pers gen mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: wij) Δαυίδ (= dauid: David; zn eigennaam David ; getalswaarde 14): Ὡσαννὰ (= hôsanna: Hosanna; onverbuigbaar woord van Hebreeuwse oorsprong) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὑψίστοις (= hupsistois: in het allerhoogste; bv dat onz mv van het bv nw ὑψιστος = hupsistos: allerhoogste).
Mc 11,11
Καὶ εἰσῆλθεν εἰς Ἱεροσόλυμα εἰς τὸ ἱερόν: καὶ περιβλεψάμενος πάντα, ὀψίας ἤδη οὔσης τῆς ὥρας, ἐξῆλθεν εἰς Βηθανίαν μετὰ τῶν δώδεκα.
En hij ging binnen in Jeruzalem naar de tempel; en alles om zich gezien, daar het reeds het avonduur was, ging hij uit naar Bethanië met de twaalf.
Mc 11,11 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εἰσῆλθεν (= eisèlthen: hij ging binnen; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Ἱεροσόλυμα (= Hierosuluma: Jeruzalem; zn eigennaam acc onz enk. Het zn wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel; in 3 verzen door het voorzetsel απο = apo: van-weg + gen: Ἱεροσόλυμων = Hierosolumôn, in 7 door εις = eis: naar + acc: Ἱεροσόλυμα = Hierosoluma; betekenis: het heilige Salem) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to :(de - het) ἱερόν (= hieron: heiligdom, tempel; zn acc onz enk): καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) περιβλεψάμενος (= periblepsamenos: rond zich gekeken / nadat hij had rondgekeken; wkw med part aor nom mann enk van het wkw περιβλεπω = periblepô: rondkijken) πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder), ὀψίας (= opsias: 's avonds; zn gen vr enk van het zn οψια = opsia: avond) ἤδη (= èdè: reeds, al; bw) οὔσης (= ousès; wkw act part vr enk van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ὥρας (= hôras: uur; zn gen vr enk), ἐξῆλθεν (= exèlthen: hij(ging uit; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Βηθανίαν (= bèthanian: naar Bethanië; zn eigennaam, plaatsnaam, acc vr enk van het zn Βηθανια = bèthania: Betanië < Βηθ = bèth: huis en ανια = ania: behoeftigen. De betekenis van deze naam is “Huis van lijden” of “Huis der behoeftigen / nooddruftigen”, – bet staat voor huis – ani (Hebreeuws) of – ania (Aramees) staan voor: armoede, lijden) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to : de - het) δώδεκα (= dôdeka: twaalf; hoofdtelw).
Mc 11,12
Καὶ τῇ ἐπαύριον ἐξελθόντων αὐτῶν ἀπὸ Βηθανίας ἐπείνασεν.
En toen zij 's anderendaags van Bethanië waren weggegaan, had hij honger.
Mc 11,12 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) ἐπαύριον (= epaurion: de dag erop; bw; αυριον = aurion: morgen (vroeg), επ-αυριον = ep-aurion: de dag erop, de volgende dag. Fr.: lendemain < le - en - demain -> l'endemain -> lendemain; demain > Lat.: de mane (matin). Lat.: altera die -> Ned.: 's anderendaags) ἐξελθόντων (= exelthontôn: van de uitgegaan zijnden; wkw med part aor gen mann mv van het wkw ἐξἐρχόμαι = ex-erchomai = gaan uit; ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἀπὸ (= apo: af, van-weg); vz van plaats; afkorτing απ' = ap' en αφ' = af') Βηθανίας (= bèthanian: naar Bethanië; zn eigennaam, plaatsnaam, gen vr enk van het zn Βηθανια = bèthania: Betanië < Βηθ = bèth: huis en ανια = ania: behoeftigen. De betekenis van deze naam is “Huis van lijden” of “Huis der behoeftigen / nooddruftigen”, – bet staat voor huis – ani (Hebreeuws) of – ania (Aramees) staan voor: armoede, lijden) ἐπείνασεν (= epeinasen: hij leed honger; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw πειναω = peinaô: honger lijden).
Mc 11,13
καὶ ἰδὼν συκῆν ἀπὸ μακρόθεν ἔχουσαν φύλλα ἦλθεν εἰ ἄρα τι εὑρήσει ἐν αὐτῇ, καὶ ἐλθὼν ἐπ' αὐτὴν οὐδὲν εὗρεν εἰ μὴ φύλλα: ὁ γὰρ καιρὸς οὐκ ἦν σύκων.
En hij kwam bekijkende de vijgeboom van verre hebbende bladeren of hij natuurlijk iets eraan zal vinden, en gekomen vindt hij erop niets tenzij bladeren, want het was geen vijgentijd.
Mc 11,13 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë. Arabisch: اَل = ´al) ἰδὼν (= idôn: gezien; wkw act part aor nom mann enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien ; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) συκῆν (= sukèn; zn acc vr enk van het zn συκῆ = sukè: vijgeboom) ἀπὸ (= apo: af, van-weg; vz van plaats; afkorτing απ' = ap' en αφ' = af') μακρόθεν (= makrothen: van verre, in de verte; bw) ἔχουσαν (= echousan: hebbende; wkw part praes acc vr enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) φύλλα (= bladeren; acc onz mv van het zn φυλλον = fullon: blad) ἦλθεν (= èlthen: hij kwam; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰ (= ei: indien; ondergeschikt vw van voorwaarde: indien, als, in geval) ἄρα (= ara (dus, immers, natuurlijk; partikel) τι (= ti: iets; onbep vnw acc onz enk van het onbep vnw τις = tis: iemand, τι = ti: iets) εὑρήσει (= heurèsei: hij zal vinden; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw εὑρι-σκ-ω = heuri-sk-ô: vinden; stam: w - r) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) αὐτῇ (= autè: aan haar; vnw 3de pers dat vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐλθὼν (= elthôn: gekomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐπ' (= επ': ep: over; epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; afkortingen : επ' = ep': vóór een niet-aangeblazen klinker, en εφ' = ef': vóór een aangeblazen klinker) αὐτὴν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) οὐδὲν (= ouden: niets; onbep vnw acc onz enk, ουδεις = oud-eis - ουδεμια = oudemia - ουδεν = ouden: nie-mand < niet iemand, niets) εὗρεν (= heuren: wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εὑρισκω = heuri-sk-ô : vinden) εἰ (= ei: indien, of; vw van voorwaarde) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) φύλλα (= bladeren; acc onz mv van het zn φυλλον = fullon: blad): ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) γὰρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden; Fr.: car) καιρὸς (= kairos: het gunstige moment; zn nom mann enk) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ- εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) σύκων (sukôn: van vijgen; zn gen onz mv van het zn συκον = sukon: vijg).
Mc 11,14
καὶ ἀποκριθεὶς εἶπεν αὐτῇ, Μηκέτι εἰς τὸν αἰῶνα ἐκ σοῦ μηδεὶς καρπὸν φάγοι. καὶ ἤκουον οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ.
En geantwoord zei hij haar. Nooit meer in de eeuwigheid moge van jou niemand een vrucht eten, en zijn leerden hoorden (dat).
Mc 11,14 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀποκριθεὶς (= apokritheis: geantwoord hebbende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ) αὐτῇ (= autè: aan haar; vnw 3de pers dat vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Μηκέτι (= mèketi: niet meer; partikel) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) αἰῶνα (= aiôna: eeuwigheid; zn acc mann enk van het zn αιων = aiôn: eeuw) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) σοῦ (= sou: van jou; pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnw συ = su: jij) μηδεὶς (= mèdeis: niemand, nom mann enk, onbep vnw bij imperat of conjunct; < μη- δ-εὶς: mè-d-eis: niet iemand) καρπὸν (= karpon: vrucht; zn acc mann enk van het zn καρπος = karpos: vrucht) φάγοι (= fagoi: moge hij eten; wkw act conjunct aor 3de pers enk bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἤκουον (= èkouon: zij hoorden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij).
Mc 11,15
Καὶ ἔρχονται εἰς Ἱεροσόλυμα. καὶ εἰσελθὼν εἰς τὸ ἱερὸν ἤρξατο ἐκβάλλειν τοὺς πωλοῦντας καὶ τοὺς ἀγοράζοντας ἐν τῷ ἱερῷ, καὶ τὰς τραπέζας τῶν κολλυβιστῶν καὶ τὰς καθέδρας τῶν πωλούντων τὰς περιστερὰς κατέστρεψεν,
En zij gaan naar Jeruzalem. En binnengegaan in de tempel begon hij buiten te werpen de verkopers en de kopers in de tempel, en de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de verkopers van duiven (van hen verkopende de duiven) keerde hij om.
Mc 11,15 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Ἱεροσόλυμα (= Hierosuluma: Jeruzalem; zn eigennaam acc onz mv. Het zn wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel; in 3 verzen door het voorzetsel απο = apo: van-weg + gen Ἱεροσόλυμων = Hierosolumôn, in 7 door εις = eis: naar + acc Ἱεροσόλυμα = Hierosoluma). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εἰσελθὼν (= eiselthôn: binnengegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἱερὸν (= hieron: heiligdom, tempel; zn acc onz enk) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) ἐκβάλλειν (= ekballein: uit te werpen; wkw act inf praes van het wkw εκβαλλω = ekballô: uitvallen, uitwerpen; stam bal-) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πωλοῦντας (= pôlountas: verkopers; wkw act part praes acc mann mv van het wkw πωλεω = pôleô: verkopen) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀγοράζοντας (= agoradzontas: kopers; wkw act part praes acc mann mv van het wkw αγοραζω = agorazô: kopen) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd, middel) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἱερῷ (= hierô(i): in de tempel; zn dat onz enk van het zn ἱερον = hieron: heiligdom, tempel), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) τραπέζας (= trapedzas: tafels; zn acc vr mv van het zn τραπέζα = trapedza: tafel) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) κολλυβιστῶν (= kollubistôn: van de geldwisselaars; zn gen mann mv van het zn κολλυβιστης: geldwisselaar) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) καθέδρας (= kathedras: stoelen, zetels; zn acc vr mv van het zn καθέδρα = kathedra: stoel, zetel) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πωλούντων (= pôlountôn: van de verkopers; wkw act part praes gen mann mv van het wkw πωλεω = pôleô: verkopen) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) περιστερὰς (= peristeras: duiven; zn acc vr mv van het zn περιστερα = peristera: duif) κατέστρεψεν (= katestrepsen: hij draaide om; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw καταστρεφω = omdraaien, omkeren),
Mc 11,16
καὶ οὐκ ἤφιεν ἵνα τις διενέγκῃ σκεῦος διὰ τοῦ ἱεροῦ.
En hij liet niet toe dat iemand gereedschap door de tempel zou voeren.
Mc 11,16 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἤφιεν (= èfien: hij liet toe; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk) διενέγκῃ (= dienegkè: hij zou doorheen voeren; wkw act conjunct aor 3de per enk van het wkw διαφερω = dragen, ver-dragen) σκεῦος (= skeuos: gereedschap, wapenuitrusting; zn acc onz enk) διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἱεροῦ (= hierou: -door - de tempel; zn gen onz enk van het zn ἱερον = hieron: heiligdom, tempel).
Mc 11,17
καὶ ἐδίδασκεν καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς, Οὐ γέγραπται ὅτι Ὁ οἶκός μου οἶκος προσευχῆς κληθήσεται πᾶσιν τοῖς ἔθνεσιν; ὑμεῖς δὲ πεποιήκατε αὐτὸν σπήλαιον λῃστῶν.
En hij onderrichtte en zei hen: Is er niet gescheven: Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volkeren; jullie echter hebben het tot een schuilplaats van rovers gemaakt.
Mc 11,17 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐδίδασκεν (= edidasken: hij onderrichtte; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) γέγραπται (= gegraptai: er werd geschreven; wkw pass ind perf 3de pers enk van het wkw γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) ὅτι (= hoti (dat, omdat; vw van reden) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) οἶκός (= oikos: huis; zn nom mann enk) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) οἶκος (= oikos: huis; zn nom mann enk) προσευχῆς (= proseuchès: van gebed; zn gen vr enk van het zn προσευχη = proseuchè: gebed) κληθήσεται (= klèthèsetai: hij zal genoemd worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw καλεω = kaleô: roepen, noemen) πᾶσιν (= pasin: aan allen; bv dat mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἔθνεσιν (= ethnesin: aan de volkeren; zn dat mann mv van het zn εθνος = ethnos: heidenvolk); ὑμεῖς (= humeis: jullie; pers vnw 2de pers nom mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) πεποιήκατε (= pepoièken: hij heeft gedaan; wkw act ind perf 3de pers enk van het wkw van het wkw ποιεω = poieô: maken, doen) αὐτὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) σπήλαιον (= spèlaion: spelonk, grot; zn acc onz enk) λῃστῶν (= lèstôn: van rovers; zn gen mann mv van het zn λῃστης = lèstès: rover).
Mc 11,18
καὶ ἤκουσαν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς, καὶ ἐζήτουν πῶς αὐτὸν ἀπολέσωσιν: ἐφοβοῦντο γὰρ αὐτόν, πᾶς γὰρ ὁ ὄχλος ἐξεπλήσσετο ἐπὶ τῇ διδαχῇ αὐτοῦ.
En de hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden (het), en zij waren op zoek hoe zij hem ten gronde zouden richten, want zij waren bang van hem want de hele massa was buiten zichzelf over zijn leer.
Mc 11,18 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἤκουσαν (= èkousan: zij hoorden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀρχιερεῖς (= archiereis: hogepriesters; zn nom mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραμματεῖς (= grammateis: Schriftgeleerden; zn nom mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde (uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα: assimilatie van de f aan de m; γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐζήτουν (= ezètoun: zij zochten; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ζητεω = zèteô: zoeken) πῶς (= pôs: hoe; onbep vrag vnw) αὐτὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἀπολέσωσιν (= apolesôsin: zij zouden doden; wkw act conjunct aor 3de pers mv van het wkw απολλυμι = apollumi: derven, ontgaan verderven, verdoemen, ten gronde richten, doden, verliezen): ἐφοβοῦντο (= efobounto (zij vreesden; wkw med dep ind imperf 3de pers mv van het wkw φοβεομαι = fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden) γὰρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden; Fr.: car) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), πᾶς (= pas: ieder, al, heel; onbep vnw nom mann enk) γὰρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden; Fr.: car) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὄχλος (= ochlos: massa, menigte; zn nom mann enk) ἐξεπλήσσετο ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) διδαχῇ (= didachè: lering, onderrichting; zn dat vr enk van het zn διδαχη = didachè: lering, onderrichting; zie het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 11,19
Καὶ ὅταν ὀψὲ ἐγένετο, ἐξεπορεύοντο ἔξω τῆς πόλεως.
En zodra het laat was geworden, begaven zij zich uit de stad.
Mc 11,19 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) ὀψὲ (= opse: laat; bw) ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen), ἐξεπορεύοντο ( = exeporeuonto: zij begaven zich op weg naar buiten; wkw med ind imperf 3de pers mv van het wkw van het wkw εκπορευομαι = ekporeuomai: zich op weg begeven uit. por-euomai p of ph = f -> v + r; poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare plaats. Lat.: por-tus: haven. Mnd: voort, ofries: ford oeng: ford. Het woord behoort tot de groep van varen) ἔξω (= exô: buiten; bw) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) πόλεως (= poleôs: van de stad; zn gen vr enk van het zn πόλις = polis: stad; zie Ned. metropool).
Mc 11,20
Καὶ παραπορευόμενοι πρωῒ εἶδον τὴν συκῆν ἐξηραμμένην ἐκ ῥιζῶν.
En 's morgens voorbijgaande zagen zij de vijgeboom, verdord vanaf de wortels.
Mc 11,20 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) παραπορευόμενοι (= paraporeuomenoi: langs op weg zich begevend; wkw med part praes nom mann mv van het wkw παραπορευομαι = paraporeuomai: langs zich op weg begeven < voorvoegsel πρωῒ (= prôi: 's morgens; bw van tijd) εἶδον (= eidon: zij zagen; wkw act ind aor 3de pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) συκῆν (= sukèn; zn acc vr enk van het zn συκῆ = sukè: vijgeboom) ἐξηραμμένην (= exèrammenèn verschrompeld; wkw pass part perf acc vr enk van het wkw ξηραινω = xèrainô: verschrompelen, dor worden) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) ῥιζῶν (= ridzôn: van de wortels; zn vr mv van het zn ῥιζα = ridza: wortel).
Mc 11,21
21 καὶ ἀναμνησθεὶς ὁ Πέτρος λέγει αὐτῷ, Ῥαββί, ἴδε ἡ συκῆ ἣν κατηράσω ἐξήρανται.
En Petrus, zich herinnerende, zegt hem: Rabbi, zie de vijgeboom die jij vervloekte, is verdord.
Mc 11,21 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀναμνησθεὶς (= anamnèstheis: zich herinnerende; wkw med / pass part praes nom mann enk van het wkw αναμιμνῃσκω = anamimnèskô: herinneren zich weer te binnen brengen) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Πέτρος (= petros: Petrus; zn eigennaam nom mann enk) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Ῥαββί (= rabbi: mijn meester; Hebr), ἴδε (= ide zie; wkw act imperat aor 2de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; stam: ιδ = id) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) συκῆ (= sukè: vijgeboom; zn nom vr enk) ἣν (= hèn; betrekk vnw acc vr enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat) κατηράσω (= katèrasô: jij vervloekte; wkw med /pass aor 2de pers enk van het wkw κατ-αραομαι = kat-araomai: vervloeken) ἐξήρανται (eksèrantai: hij is verdord; wkw pass ind perf 3de pers enk van het wkw ξηραινω = ksèrainô: verschrompelen, verdorren, vermageren).
Mc 11,22
καὶ ἀποκριθεὶς ὁ Ἰησοῦς λέγει αὐτοῖς, Ἔχετε πίστιν θεοῦ,
En Jezus antwoordende zegt hen: hebt vertrouwen in God.
Mc 11,22 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀποκριθεὶς (= apokritheis: geantwoord hebbende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Ἔχετε (= echete: hebt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) πίστιν (= pistin: vertrouwen; zn acc vr enk van het zn πιστις = pistis: vertrouwen, geloof) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God),
Mc 11,23
ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι ὃς ἂν εἴπῃ τῷ ὄρει τούτῳ, Ἄρθητι καὶ βλήθητι εἰς τὴν θάλασσαν, καὶ μὴ διακριθῇ ἐν τῇ καρδίᾳ αὐτοῦ ἀλλὰ πιστεύῃ ὅτι ὃ λαλεῖ γίνεται, ἔσται αὐτῷ.
Voorwaar ik zeg jullie dat wie tot deze berg zou zeggen: word opgenomen en word geworpen in de zee en wie niet in zijn hart vertwijfeld zou zijn maar erop zou vertrouwen dat gebeurt wat hij zegt, het zal zijn voor hem (het zal aan hem gebeuren).
Mc 11,23 ἀμὴν (= amèn: amen, voorwaar, het zij zo; transcriptie uit het Hebreeuws) λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ὅτι (= hoti (dat, omdat; vw van reden) ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) ἂν (= an; partikel bij de conjunct) εἴπῃ (= eipè: hij zou zeggen; wkw act conjunct aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὄρει (= horei: aan de berg; zn dat onz enk van het zn ορος = oros: berg) τούτῳ (= toutô: dit, deze; aanwijz vnw dat onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu), Ἄρθητι (= arthèti: word genomen; wkw pass imperat 2de pers enk van het wkw αιρω = airô: nemen) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) βλήθητι (= blèthèti: word geworpen; wkw pass imperat aor 2de pers enk van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) θάλασσαν (= thalassan: meer, zee; zn acc vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zee, meer), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) διακριθῇ (= diakrithè: hij zou vertwijfeld worden; wkw pass conjunct aor 3de pers enk van het wkw διακρινω = diakrinô: in verscheidene stukken breken) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) καρδίᾳ (= kardia: in zijn hart; zn dat vr enk van het zn καρδια = hart; Lat.: cor, cordis) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') πιστεύῃ (= pisteuè: hij zou vertrouwen; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw πιστευω = pisteuô: geloven, vertrouwen) ὅτι (= hoti (dat, omdat; vw van reden) ὃ (= ho; betrekk vnw acc onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wat) λαλεῖ (= lalei: hij spreekt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten) γίνεται (= ginetai: het gebeurt; wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen), ἔσται (= estai: hij/zij/het zal zijn; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat.: esse) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 11,24
διὰ τοῦτο λέγω ὑμῖν, πάντα ὅσα προσεύχεσθε καὶ αἰτεῖσθε, πιστεύετε ὅτι ἐλάβετε, καὶ ἔσται ὑμῖν.
Daarom zeg ik jullie, alles waarvoor jullie bidden en erom vragen, vertrouwt erop dat jullie ontvangen, en het zal zijn voor jullie (het zal aan jullie gebeuren).
Mc 11,24 διὰ (= dia: door, omwille van, na; vz; afkorting: δι' = di': vóór een klinker) τοῦτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie), πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) ὅσα (= hosa: zoveel als; onbep vnw nom + acc onz mv van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als) προσεύχεσθε (= proseuchesthe: jullie bidden; wkw med / pass ind praes 2de pers mv van het wkw προσεύχομαι: bidden) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) αἰτεῖσθε (= aiteisthe: jullie vragen; wkw med ind praes 2de pers mv van het wkw αιτεω = aiteô: vragen, bedelen), πιστεύετε (= pisteuete: jullie geloven / gelooft; wkw act ind praes 2de pers mv + act imperat praes 2de pers mv van het wkw πιστευω = pisteuô: geloven, vertrouwen) ὅτι (= hoti (dat, omdat; vw van reden) ἐλάβετε (jullie nemen / ontvangen; wkw act ind aor 2de pers mv van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔσται (= estai: hij/zij/het zal zijn; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat.: esse) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie).
Mc 11,25
καὶ ὅταν στήκετε προσευχόμενοι, ἀφίετε εἴ τι ἔχετε κατά τινος, ἵνα καὶ ὁ πατὴρ ὑμῶν ὁ ἐν τοῖς οὐρανοῖς ἀφῇ ὑμῖν τὰ παραπτώματα ὑμῶν.
En telkens wanneer je staat biddende; vergeeft indien je iets tegen iemand hebt, opdat ook jullie vader die in de hemel moge vergeven jullie overtredingen.
Mc 11,25 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) στήκετε προσευχόμενοι (= proseuchomenoi: biddende; wkw med/pass part praes nom mann mv van het wkw προσεύχομαι: bidden), ἀφίετε (= afiete: vergeeft; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw αφιημι = afièmi: weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten ver-laten) εἴ (= ei: indien; ondergeschikt vw van voorwaarde: indien, als, in geval) τι (= ti: iets; onbep vnw acc onz enk van het onbep vnw τις = tis: iemand, τι = ti: iets) ἔχετε (= echete: jullie hebben; act ind praes 2de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) κατά (= kata: van... naar beneden, volgens, vz; afkorting: κατ' = kat') τινος, (= tinos: van iemand; onbep vnw gen mann enk van het onbep vnw τις = tis: iemand, τι = ti: iets) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πατὴρ (= patèr: vader; zn nom mann enk) ὑμῶν (= humôn: van jullie; pers vnw 2de pers gen mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) οὐρανοῖς (= ouranois; zn dat mann mv van het zn ουρανος = ouranos: hemel) ἀφῇ (= afè: hij zou achterlaten; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) παραπτώματα (= paraptômata: overtredingen; zn acc onz mv van het zn παραπτώμα = paraptôma: overtreding, misstap, fout) ὑμῶν (= humôn: van jullie; pers vnw 2de pers gen mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie).
Mc 11,26
Καὶ
En
Mc 11,26 Καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë. Arabisch: اَل = ´al)
Mc 11,27
ἔρχονται πάλιν εἰς Ἱεροσόλυμα. καὶ ἐν τῷ ἱερῷ περιπατοῦντος αὐτοῦ ἔρχονται πρὸς αὐτὸν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς καὶ οἱ πρεσβύτεροι
Zij gaan opnieuw naar Jeruzalem. En terwijl hij rondwandelt in de tempel, komen naar hem de hogepriesters en de schriftgeleerden en de priesters (oudsten).
Mc 11,27 ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Ἱεροσόλυμα (= Hierosuluma: Jeruzalem; zn eigennaam acc onz mv. Het zn wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel; in 3 verzen door het voorzetsel απο = apo: van-weg + gen Ἱεροσόλυμων = Hierosolumôn, in 7 door εις = eis: naar + acc Ἱεροσόλυμα = Hierosoluma). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἱερῷ (= hierô(i): in de tempel; zn dat onz enk van het zn ἱερον = hieron: heiligdom, tempel) περιπατοῦντος (= peripatountos: rondwandelende; wkw act part praes gen mann enk van het wkw περιπατεω = peripateô: rondwandelen) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) πρὸς (= pros: naar, bij, vz van plaats) αὐτὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀρχιερεῖς (= archiereis: hogepriesters; zn nom mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραμματεῖς (= grammateis: Schriftgeleerden; zn nom mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde (uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα: assimilatie van de f aan de m; γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πρεσβύτεροι (= presbuteroi: priesters/ouderen; bv nom mann mv bv nw zelfstandig gebruikt presbu-teros: oud-er; Ned.: priester)
Mc 11,28
καὶ ἔλεγον αὐτῷ, Ἐν ποίᾳ ἐξουσίᾳ ταῦτα ποιεῖς; ἢ τίς σοι ἔδωκεν τὴν ἐξουσίαν ταύτην ἵνα ταῦτα ποιῇς;
En zij zeiden hem: In welk gezag doe je dit of wie gaf je dit gezag opdat jij dit zou doen?
Mc 11,28 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ποίᾳ (= poia: welke; onbep vnw dat vr enk van het onbep vnw ποιος = poios: welke, wat voor soort) ἐξουσίᾳ (= eksousia: gezag; zn dat vr enk van het zn ἐξουσία = exousia: gezag macht) ταῦτα (= tauta: deze dingen; aanwijz vnw nom of acc onz mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) ποιεῖς (= poieis: jij doet; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken); ἢ (= è: of; partikel) τίς (= tis: wie? vrag vnw nom mann enk) σοι (= soi: aan u; pers vnw 2de pers dat enk van het persoonl vnw συ = su: jij) ἔδωκεν (= edôken: hij gaf; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave gift . Fr: donner - don: geven - gave) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐξουσίαν (= exousian: macht, gezag; zn acc vr enk van het zn εξουσια = exousia: gezag, macht) ταύτην (= tautèn: deze; aanwijz vnw acc vr enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) ταῦτα (= tauta: deze dingen; aanwijz vnw nom of acc onz mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) ποιῇς (= poiès: jij zou doen; wkw act conjunct praes 2de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen);
Mc 11,29
ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, Ἐπερωτήσω ὑμᾶς ἕνα λόγον, καὶ ἀποκρίθητέ μοι, καὶ ἐρῶ ὑμῖν ἐν ποίᾳ ἐξουσίᾳ ταῦτα ποιῶ:
Maar Jezus zei hen: Ik zal jullie één woord (wederwoord) vragen en antwoordt mij en ik zal jullie zeggen door welk gezag ik dit doe.
Mc 11,29 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij), Ἐπερωτήσω (= eperôtèsô: ik zal je vragen; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) ὑμᾶς (= humas: jullie, pers vnw 2de pers acc mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ἕνα (= hena: één; hoofdtelw bv nw acc mann enk van het hoofdtelw bv nw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀποκρίθητέ (= apokrithète: antwoordt; wkw med imperat aor 2de pers mv van het wkw αποκρινομαι = apokrinomai: antwoorden) μοι (= moi: aan mij; pers vnw 1ste pers dat mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐρῶ (= erô: ik zal zeggen; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ποίᾳ (= poia: welke; onbep vnw dat vr enk van het onbep vnw ποιος = poios: welke, wat voor soort) ἐξουσίᾳ (= eksousia: gezag; zn dat vr enk van het zn ἐξουσία = exousia: gezag macht) ταῦτα (= tauta: deze dingen; aanwijz vnw nom of acc onz mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) ποιῶ (= poiô: ik doe; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken):
Mc 11,30
τὸ βάπτισμα τὸ Ἰωάννου ἐξ οὐρανοῦ ἦν ἢ ἐξ ἀνθρώπων; ἀποκρίθητέ μοι.
Het doopsel, dat van Johannes, was het uit de hemel of van mensen? Antwoordt mij.
Mc 11,30 τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) βάπτισμα (= baptisma: doopsel; zn nom + acc onz enk) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ἰωάννου (= Jôannou: van Johannes; zn eigennaam gen mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johan) ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) οὐρανοῦ (= ouranou: van hemel; zn gen mann enk van het zn ουρανος = ouranos: hemel) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) ἢ (= è: of; partikel) ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) ἀνθρώπων (= anthrôpôn: van mensen; zn gen mann mv van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens); ἀποκρίθητέ (= apokrithète: antwoordt; wkw med imperat aor 2de pers mv van het wkw αποκρινομαι = apokrinomai: antwoorden) μοι (= moi: aan mij; pers vnw 1ste pers dat mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij).
Mc 11,31
καὶ διελογίζοντο πρὸς ἑαυτοὺς λέγοντες, Ἐὰν εἴπωμεν, Ἐξ οὐρανοῦ, ἐρεῖ, Διὰ τί [οὖν] οὐκ ἐπιστεύσατε αὐτῷ;
En zij discussieerden onder elkaar zeggende: Indien wij zouden zeggen: uit de hemel, zal hij zeggen: Waarom geloven jullie hem dan niet?
Mc 11,31 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) διελογίζοντο (dielogidzonto: zij discussieerden; wkw med ind imperf 3de pers mv van het wkw διαλογιζομαι = dialogizomai: uiteenzetten, discussiëren) πρὸς (= pros: naar, bij, vz van plaats) ἑαυτοὺς (= heautous: zichzelf; wederkerig vnw acc mann mv van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf) λέγοντες (= legontes: zeggende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Ἐὰν (= ean: indien, ondergeschikt vw + conjunct om een voorwaarde in de toekomst uit te drukken) εἴπωμεν (= eipômen: wij zouden zeggen; wkw act conjunct aor 1ste pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) οὐρανοῦ (= ouranou: van hemel; zn gen mann enk van het zn ουρανος = ouranos: hemel), ἐρεῖ (= erei: hij zal zeggen; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) [οὖν (= oun: dus, bijgevolg; partikel)] οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἐπιστεύσατε (= episteusate: jullie geloven; wkw act ind aor 2de pers mv van het wkw πιστευω = pisteuô: geloven, vertrouwen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het);
Mc 11,32
ἀλλὰ εἴπωμεν, Ἐξ ἀνθρώπων; ἐφοβοῦντο τὸν ὄχλον, ἅπαντες γὰρ εἶχον τὸν Ἰωάννην ὄντως ὅτι προφήτης ἦν.
Maar als wij zouden zeggen: van de mensen? zij waren bang van de massa, want zij hielden Johannes inderdaad dat hij een profeet was.
Mc 11,32 ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') εἴπωμεν (= eipômen: wij zouden zeggen; wkw act conjunct aor 1ste pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) ἀνθρώπων (= anthrôpôn: van mensen; zn gen mann mv van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens); ἐφοβοῦντο (= efobounto (zij vreesden; wkw med dep ind imperf 3de pers mv van het wkw φοβεομαι = fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ὄχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte), ἅπαντες (= hapantes: allen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw ἁπας = hapas: ieder, allen, alles) γὰρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden; Fr.: car) εἶχον (= eichon: zij hadden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Ἰωάννην (= Iôannèn: Johannes; zn eigennaam acc mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes) ὄντως (= ontôs: inderdaad; bw) ὅτι (= hoti (dat, omdat; vw van reden) προφήτης (= profètès: profeet, voor-spreker, woordvoerder, predikant, zn nom mann enkr; zie Lat.: praedicare: prediken) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk; < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat.: esse; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2).
Mc 11,33
καὶ ἀποκριθέντες τῷ Ἰησοῦ λέγουσιν, οὐκ οἴδαμεν. καὶ ὁ Ἰησοῦς λέγει αὐτοῖς, Οὐδὲ ἐγὼ λέγω ὑμῖν ἐν ποίᾳ ἐξουσίᾳ ταῦτα ποιῶ.
En antwoordende zeggen zij tot Jezus: wij weten (het) niet. En jezus zegt hen: noch ik zeg jullie door welk gezag ik dit doe.
Mc 11,33 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀποκριθέντες (= apokrithentes: antwoordende; wkw med part aor nom mann mv van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦ (= ièsou: Jezus; dat mann enk eigennaam van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô) λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) οἴδαμεν (= oidamen: wij weten; wkw act ind aor 1ste pers mv; zie het wkw οιδα = oida: ik weet) . καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô)) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Οὐδὲ (= oude: noch; ontkenning; afkorting: ουδ' = oud') ἐγὼ (= egô: ik - mij; pers vnw 1ste pers enk) λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ποίᾳ (= poia: welke; onbep vnw dat vr enk van het onbep vnw ποιος = poios: welke, wat voor soort) ἐξουσίᾳ (= eksousia: gezag; zn dat vr enk van het zn ἐξουσία = exousia: gezag macht) ταῦτα (= tauta: deze dingen; aanwijz vnw nom of acc onz mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) ποιῶ (= poiô: ik doe; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken).
Mc 12,1
Καὶ ἤρξατο αὐτοῖς ἐν παραβολαῖς λαλεῖν, Ἀμπελῶνα ἄνθρωπος ἐφύτευσεν, καὶ περιέθηκεν φραγμὸν καὶ ὤρυξεν ὑπολήνιον καὶ ᾠκοδόμησεν πύργον, καὶ ἐξέδετο αὐτὸν γεωργοῖς, καὶ ἀπεδήμησεν.
En hij begon tot hen te spreken in parabels. Een man plantte een wijngaard en hij legde er een omheining rond en hij groef een kuil en hij bouwde een toren en hij gaf hem uit aan landbouwers en hij ging weg naar een ander land.
Mc 12,1 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers mann enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) παραβολαῖς (= parabolais: parabolais, gelijkenissen; zn dat vr mv van het zn παραβολη = parabolè: parabel, gelijkenis) λαλεῖν (= lalein: om te spreken; wkw act inf praes van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten), Ἀμπελῶνα (= amplôna: wijngaard, wijnberg; zn acc mann enk van het zn ἀμπελῶν = amplôn: wijngaard, wijnberg) ἄνθρωπος (= anthrôpos: mens; zn nom mann enk) ἐφύτευσεν (= efuteusen: hij plantte; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw φυτευω = futeuô: planten, voortbrengen, verwekken), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) περιέθηκεν (= periethèken; hij stelde rondom; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw περιτιθημι = peritithèmi: plaatsen, rondom leggen, rondom aanbrengen) φραγμὸν (= fragmon: afsluiting, omheining; zn acc mann enk van het zn φραγμος = fragmos) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὤρυξεν (ôruksen = hij groef; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw ορυσσω = orussô: graven, uitdelven) ὑπολήνιον (= hupolènion: ondergezette kuip; zn acc onz enk) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ᾠκοδόμησεν (oikodomèsen: hij bouwde; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw οικοδομεω = oikodomeô: bouwen) πύργον (= purgon: toren; zn acc mann enk van het zn πυργος = purgos: toren), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξέδετο (= eksedeto: hij gaf uit handen; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw εκδιδωμι = ekdidômi: uit handen geven) αυτον (= auton: hem; ^pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) γεωργοῖς, (= geôrgois: landbouwer, wijnbouwer; zn dat mann mv van het zn γεωργος = georgos: landbouwer, wijnbouwer) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπεδήμησεν (= apedèmèsen: hij was weg; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw αποδημεω = apodèmeô: weg zijn, uit het land zijn).
Mc 12,2
καὶ ἀπέστειλεν πρὸς τοὺς γεωργοὺς τῷ καιρῷ δοῦλον, ἵνα παρὰ τῶν γεωργῶν λάβῃ ἀπὸ τῶν καρπῶν τοῦ ἀμπελῶνος:
En hij zond ter gepaster tijde een dienaar naar de landbouwers, opdat hij bij de landbouwers van de vruchten van de wijngaard zou nemen.
Mc 12,2 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπέστειλεν (= apesteilen: hij zond; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden) προς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γεωργοὺς (= geôrgous: landbouwer, wijngaardenier; zn acc mann mv van het zn γεωργος = georgos: landbouwer, wijngaardenier) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) καιρῷ (= kairô: gunstige tijd; zn dat mann enk van het zn καιρὸς = kairos: tijd, gunstig moment) δοῦλον (= doulon: dienaar; zn acc mann enk van het zn δουλος = doulos: slaaf, dienaar), ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) παρὰ (= para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par' ; vz met gen, dat en acc) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γεωργῶν (= geôrgôn: landbouwer; zn gen mann mv van het zn γεωργος = georgos: landbouwer, wijngaardenier) λάβῃ (= labè: hij zou nemen; wkw act conjunct aor 3de pers mann enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) ἀπὸ (= apo: af, weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker, en αφ' = af' : vóór een aangeblazen klinker) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) καρπῶν (= karpôn: vruchten; zn acc mann mv van het zn καρπος = karpos: vrucht) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀμπελῶνος (= ampelônos: wijngaard; zn gen mann enk van het zn ἀμπελῶν = amplôn: wijngaard, wijnberg):
Mc 12,3
καὶ λαβόντες αὐτὸν ἔδειραν καὶ ἀπέστειλαν κενόν.
En hem nemende mishandelden zij hem en zij zonden hem ledig terug.
Mc 12,3 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λαβόντες (= labontes: nemende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) αυτον (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἔδειραν (= edeiran: zij mishandelden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw derô: mishandelen) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπέστειλαν (= apesteilan: zij zonden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden) κενόν (= kenon: leeg; bv nw acc mann enk van het bv nw κενος = kenos: leeg, met lege handen, tevergeefs).
Mc 12,4
καὶ πάλιν ἀπέστειλεν πρὸς αὐτοὺς ἄλλον δοῦλον: κἀκεῖνον ἐκεφαλίωσαν καὶ ἠτίμασαν.
En opnieuw zond hij naar hen een andere dienaar; ook die sloegen ze op het hoofd en beledigden zij hem.
Mc 12,4 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) ἀπέστειλεν (= apesteilen: hij zond; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden) προς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἄλλον (= allon: een andere; bv nw acc mann enk van het bv nw αλλος = allos: ander) δοῦλον (= doulon: dienaar; zn acc mann enk van het zn δουλος = doulos: slaaf, dienaar): κἀκεῖνον (= kakeinon: ook die; samentrekking van het nevenschikkend vw και = kai: en, en het aanwijz vnw acc mann enk van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) ἐκεφαλίωσαν (= ekefaliôsan: zij sloegen op zijn hoofd; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw kefalioô: op het hoofd slaan) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἠτίμασαν (=ètimasan: zij beledigden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ατιμαω = atimaô: verachten, krenken, beledigen).
Mc 12,5
καὶ ἄλλον ἀπέστειλεν, κἀκεῖνον ἀπέκτειναν, καὶ πολλοὺς ἄλλους, οὓς μὲν δέροντες οὓς δὲ ἀποκτέννοντες.
En hij zond een andere; ook die doodden zij, en (hij zond) vele anderen, die zij enerzijds mishandelden, die zij anderzijds doodden.
Mc 12,5 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἄλλον (= allon: een andere; bv nw acc mann enk van het bv nw αλλος = allos: ander) ἀπέστειλεν (= apesteilen: hij zond; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden), κἀκεῖνον (= kakeinon: ook die; samentrekking van het nevenschikkend vw και = kai: en, en het aanwijz vnw acc mann enk van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) ἀπέκτειναν (= apekteinan: zij doodden; wkw act ind aor 3de pers mann mv van het wkw αποκτεινω = apokteinô: doden), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πολλοὺς (= pollous: velen; bv nw acc mann mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) ἄλλους (= allous: anderen; bv nw acc mann mv van het bv nw αλλος = allos: ander), οὓς (= hous: die; betrekk vnw acc mann mv van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat) μὲν (= men: wel, enerzijds, partikel om een zwakke tegenstelling uit te drukken) δέροντες (= derontes: mishandelende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw derô: mishandelen) οὓς (= hous: die; betrekk vnw acc mann mv van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἀποκτέννοντες (=apôktennontes: dodende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw αποκτεινω = apokteinô: doden).
Mc 12,6
ἔτι ἕνα εἶχεν, υἱὸν ἀγαπητόν: ἀπέστειλεν αὐτὸν ἔσχατον πρὸς αὐτοὺς λέγων ὅτι Ἐντραπήσονται τὸν υἱόν μου.
Nog één had hij, een geliefde zoon; hij zond hem als laatste naar hen zeggende dat zij mijn zoon zullen ontzien
Mc 12,6 ἔτι (= eti: ook, nog; bw) ἕνα (= hena: één; hoofdtelw bv nw acc mann enk van het hoofdtelw bv nw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) εἶχεν (= eichen: hij had; wkw act ind imperf 3de pers mann enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) υἱὸν (= huion: zoon; zn acc mann enk van het zn υἱος = huios: zoon) ἀγαπητόν (= agapèton: geliefde; bv nw acc mann enk van het bv nw αγαπητος = agapètos: beminde, geliefde): ἀπέστειλεν (= apesteilen: hij zondt; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden) αυτον (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἔσχατον (= eschaton: laatste; bv nw acc mann enk van het bv nw ἔσχατος = eschatos: laatste) προς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λέγων (= legôn: zeggende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Ἐντραπήσονται (= entrapèsontai: zij zullen ontzien; wkw med / pass ind fut 3de pers mv van het wkw = entrepô: achten, ontzien, zich schamen voor) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱόν (= huion: zoon; zn acc mann enk van het zn υἱος = huios: zoon) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij).
Mc 12,7
ἐκεῖνοι δὲ οἱ γεωργοὶ πρὸς ἑαυτοὺς εἶπαν ὅτι Οὗτός ἐστιν ὁ κληρονόμος: δεῦτε ἀποκτείνωμεν αὐτόν, καὶ ἡμῶν ἔσται ἡ κληρονομία.
Maar die landbouwers zeiden tot elkaar dat deze de erfgenaam is; welaan, laten wij hem doden en de erfenis zal van ons zijn.
Mc 12,7 ἐκεῖνοι (= ekeinoi: die; aanwijz vnw nom mann mv van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γεωργοὶ (= geôrgoi: landbouwers, wijngaardeniers; zn nom mann mv van het zn γεωργος = georgos: landbouwer, wijngaardenier) προς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) ἑαυτοὺς (= heautous: zichzelf; wederkerig vnw acc mann mv van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf) εἶπαν (= eipan: zij zeiden; wkw act ind aor 3de pers mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Οὗτός (= houtos: deze; aanwijz vnw nom mann enk) ἐστιν (= estin: hij is, wkw act ind praes 3de pers mann enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, τtgtgyutyhujiyui ο = to: de - het) κληρονόμος (= klèronomos: erfgenaam; zn nom mann enk): δεῦτε (= deute: welaan; bw) ἀποκτείνωμεν (= apokteinômen: laten wij doden; wkw act conjunct praes 1ste pers mv van het wkw αποκτεινω = apokteinô: doden).αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἡμῶν (= hèmôn: van onze; pers vnw 1ste pers gen mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: wij) ἔσται (= estai: zij zal zijn; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat: esse) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κληρονομία (= klèronomia: erfenis; zn nom vr enk).
Mc 12,8
καὶ λαβόντες ἀπέκτειναν αὐτόν, καὶ ἐξέβαλον αὐτὸν ἔξω τοῦ ἀμπελῶνος.
En nemende doodden zij hem en zij wierpen hem buiten de wijngaard.
Mc 12,8 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λαβόντες (= labontes: nemende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) ἀπέκτειναν (= apekteinan: zij doodden; wkw act ind aor 3de pers mann mv van het wkw αποκτεινω = apokteinô: doden) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξέβαλον (= eksebalon: zij wierpen buiten; wkw act ind aor 3de pers mann mv van het wkw εκβαλλω = ekballô: uitwerpen, buitenwerpen) αυτον (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἔξω (= exô: buiten; bw) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀμπελῶνος (= ampelônos: wijngaard; zn gen mann enk van het zn ἀμπελῶν = amplôn: wijngaard, wijnberg).
Mc 12,9
τί [οὖν] ποιήσει ὁ κύριος τοῦ ἀμπελῶνος; ἐλεύσεται καὶ ἀπολέσει τοὺς γεωργούς, καὶ δώσει τὸν ἀμπελῶνα ἄλλοις.
Wat zal de Heer van de wijngaard dan doen? Hij zal komen en hij zal de landbouwers ombrengen en hij zal de wiingaard aan anderen geven.
Mc 12,9 τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) [οὖν (= oun: dus,
bijgevolg; partikel)] ποιήσει (= poièsei: hij zal doen; wkw act ind fut 3de pers mann enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κύριος (= kurios: heer; zn nom mann enk; stam: k/h - r).τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀμπελῶνος (= ampelônos: wijngaard; zn gen mann enk van het zn ἀμπελῶν = amplôn: wijngaard, wijnberg): ἐλεύσεται (= eleusetai: hij zal komen; wkw med ind fut 3de pers mann enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπολέσει (= apolesei: hij zal doden; wkw act ind fut 3de pers mann enk van het wkw απολλυμι = apollumi: ten gronde richten, doden, verliezen) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γεωργούς (= geôrgous: landbouwer, wijngaardenier; zn acc mann mv van het zn γεωργος = georgos: landbouwer, wijngaardenier), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) δώσει (= dôsei: hij zal geven; wkw
act ind fut 3de pers mann enk van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave gift. Fr:
donner - don: geven - gave) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀμπελῶνα (= amplôna: wijngaard, wijnberg; zn acc mann enk van het zn ἀμπελῶν = amplôn: wijngaard, wijnberg) ἄλλοις (= allois: aan anderen; bv nw dat mann mv van het bv nw αλλος = allos: ander).
Mc 12,10
οὐδὲ τὴν γραφὴν ταύτην ἀνέγνωτε, Λίθον ὃν ἀπεδοκίμασαν οἱ οἰκοδομοῦντες, οὗτος ἐγενήθη εἰς κεφαλὴν γωνίας:
Noch lazen jullie deze schrift(tekst): De steen die de bouwers verwierpen, deze werd de hoeksteen.
Mc 12,10 οὐδὲ (= oude: noch; ontkenning; afkorting: ουδ' = oud') τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραφὴν (=grafèn: geschrift; zn acc vr enk van het zn γραφη = grafè: schrift; Indo-Europees: s-ch/g-r-f+t) ταύτην (= tautèn: deze; aanwijz vnw acc vr enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr: tu) ἀνέγνωτε (= anegnôte: jullie lazen; wkw act ind aor 2de pers mann mv van het wkw αναγιγνωσκω = anagignôskô: lezen), Λίθον (= lithon: steen; zn acc mann enk van het zn λιθος = lithos: steen) ὃν (= hon: die; betrekk vnw acc mann enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat) ἀπεδοκίμασαν (= apedokimasan: zij verwierpen; wkw act ind aor 3de pers mann mv van het wkw αποδοκιμαζω = apodokimazô: verwerpen) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) οἰκοδομοῦντες (= oikodomountes: bouwers; wkw act part praes nom mann mv van het wkw οικοδομεω = oikodomeô: bouwen), οὗτος :(= houtos: deze; aanwijz vnw nom mann enk) ἐγενήθη (= egenèthè: hij werd; wkw pass ind aor 3de pers mann enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) κεφαλὴν (= kefalèn: hoofd; zn acc vr enk van het zn κεφαλη = kefalè: hoofd) γωνίας (= gônias: hoek, winkelhaak; zn nw gen vr enk van het zn γωνία = gônia: hoek, winkelhaak):
Mc 12,11
παρὰ κυρίου ἐγένετο αὕτη, καὶ ἔστιν θαυμαστὴ ἐν ὀφθαλμοῖς ἡμῶν;
Vanwege de Heer werd het deze (hoeksteen) en wonderbaar is (deze) in onze ogen.
Mc 12,11 παρὰ (= para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par' ; vz met gen, dat en acc) κυρίου (= kuriou: van de heer; zn gen mann enk van het zn κυριος = kurios: heer) ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; med ind aor 3de pers vr enk van het wkw ginomai: gebeuren, worden; stam: gen) αὕτη (= hautè: deze; aanwijz vnw nom vr enk bij het aanwijz vnw οὑτος = houtos: deze), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔστιν (= estin: zij is; wkw act ind praes 3de pers vr enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat: esse) θαυμαστὴ (= thaumastè: verwonderlijk); zn nom vr enk van het zn θαυμαστος = verwonderlijk) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ὀφθαλμοῖς (= ofthalmois: ogen; zn dat mann mv van het zn οφθαλμος = ofthalmos: oog) ἡμῶν (= hèmôn: van ons; pers vnw 1ste pers gen mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: wij);
Mc 12,12
Καὶ ἐζήτουν αὐτὸν κρατῆσαι, καὶ ἐφοβήθησαν τὸν ὄχλον, ἔγνωσαν γὰρ ὅτι πρὸς αὐτοὺς τὴν παραβολὴν εἶπεν. καὶ ἀφέντες αὐτὸν ἀπῆλθον.
En zij zochten en zochten om hem te overmeesteren, en zij vreesden het volk, want zij wisten dat hij de parabel tot hen zei en hem achterlatende gingen zij weg.
Mc 12,12 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐζήτουν (= ezètoun: zij zochten; wkw act ind imperf 3de pers mann mv van het wkw ζητεω = zèteô: zoeken) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) κρατῆσαι (= kratèsai: om te overmeesteren; wkw act inf aor van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van), καὶ (= k ai: en; nevenschikkend vw) ἐφοβήθησαν (= efobèthèsan: zij vreesden; wkw med / pass ind aor 3de pers mann mv van het wkw φοβεομαι = fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὄχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte), ἔγνωσαν (= egnôsan: zij wisten; wkw act ind aor 3de pers mann mv van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: kennen, weten) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ὅτι (= hoti: dat; ondergeschikt vw dat een objectzin inleidt) προς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παραβολὴν (= parabolèn: parabel, gelijkenis; acc vr enk van het zn παραβολη = parabolè: parabel, gelijkenis) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers mann enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀφέντες (= afentes: achterlatende, aflatende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἀπῆλθον (= apèlthon: zij gingen weg; wkw act ind aor 3de pers mann mv van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan; het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden).
Mc 12.13
Καὶ ἀποστέλλουσιν πρὸς αὐτόν τινας τῶν Φαρισαίων καὶ τῶν Ἡρῳδιανῶν ἵνα αὐτὸν ἀγρεύσωσιν λόγῳ
En zij zonden enige van de Farizeën en de Herodianen naar hem, opdat zij hem met woord(en) zouden vangen.
Mc 12,13 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀποστέλλουσιν (= apostellousin: zij zenden; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen afzenden) προς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τινας (= tinas: sommigen; onbep vnw acc mann mv van het onbep vnw τις = tis: iemand, τι = ti: iets) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Φαρισαίων (= Farisaiôn: van de Farizeeën; zn gen mann mv van het zn φαρισαιος = farisaios: Farizeeër; Griekse uitgang -aios: zn naar bv nw zelfstandig gebruikt: afgescheidene; Hebr: mv përusjim van het wkw pârasj: onderscheiden, 'apart' zetten) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ἡρῳδιανῶν (= hèrôdianôn: Herodianen; zn eigennaam gen mann mv van het zn nom mann mv Ἡρῳδιανοι = hèrôdianoi: Herodianen) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἀγρεύσωσιν (= agreusôsin: zij zouden vangen; wkw act conjunct aor 3de pers mann mv van het wkw αγρευω = agr-euô: jagen, najagen) λόγῳ (= logô: woord, uitspraak; zn dat mann enk van het zn λογος = logos: woord).
Mc 12.14
καὶ ἐλθόντες λέγουσιν αὐτῷ Διδάσκαλε οἴδαμεν ὅτι ἀληθὴς εἶ καὶ οὐ μέλ ει σοι περὶ οὐδενός οὐ γὰρ βλέπεις εἰς πρόσωπον ἀνθρώπων ἀλλ’ ἐπ’ ἀλ ηθείας τὴν ὁδὸν τοῦ Θεοῦ διδάσκεις ἔξεστιν δοῦναι κῆνσον Καίσαρι ἢ οὔ δῶμεν ἢ μὴ δῶμεν
En (bij hem) gekomen zeggen zij hem: “Meester, wij weten, dat jij oprecht zijt en je aan niemand stoort, want jij ziet de mensen niet naar de ogen, maar jij onderwijst in oprechtheid de weg van (de) God. Is het toegestaan aan de keizer belasting te geven, of niet (te geven)?
Mc 12,14 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐλθόντες (= elthontes: komende; wkw med part aor nom mann mv bij het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = ar chomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Διδάσκαλε (= didaskale: goede leermeester; zn voc mann enk van het zn διδασκαλος = di-da-s-k-alos: leraar, goede leermeester; wkw διδασκω = di-da-s-k-ô : onderwijzen, L: docere), οἴδαμεν (= oidamen: wij weten; wkw act ind aor 1ste pers mann mv; zie het wkw οιδα = oida: ik weet) ὅτι (= hoti: dat; ondergeschikt vw dat een objectzin inleidt) ἀληθὴς (= alèthès: waar, echt; bv nw nom vr enk) εἶ (= ei: jij bent; wkw act ind praes 2de pers mann enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat: esse) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) μέλει (= melei: het gaat je ter harte; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw μελω = melô: ter harte gaan, zich bekommeren om) σοι (= soi: aan jou; pers vnw 2de pers dat enk van het pers vnw συ = su: jij) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) οὐδενός (= oudenos: van niemand; onbep vnw gen mann enk van het onbep vnw ουδεις = oud-eis - ουδεμια = oudemia - ουδεν = ouden: nie-mand < niet iemand), οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) βλέπεις (= blepeis: jij ziet; wkw act ind praes 2de pers mann enk van het wkw βλεπω = blepô: kijken, zien) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) πρόσωπον (= prosôpon: aangezicht; zn acc onz enk van het zn προσωπον = prosôpon: aangezicht) ἀνθρώπων (= anthrôpôn: van mensen; zn gen mann mv van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens), ἀλλ' (= all': maar; afkorting van αλλα = alla; partikel van tegenstelling) ἐπ' (= επ': ep: over; epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; afkortingen: επ' = ep': vóór een niet-aangeblazen klinker, en εφ' = ef': vóór een aangeblazen klinker) ἀληθείας (= alètheias: waarheid; zn gen vr enk van het zn ἀλήθεια: waarheid) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὁδὸν (= hodon: weg; zn acc vr enk van het zn ὁδὸς = hodos: weg) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God) διδάσκεις: (= didaskeis: jij leert; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat: docere. Stam: d-k/c) ἔξεστιν (= exestin: het is toegelaten; samenstelling: εξ- εστιν = estin: het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-, zie Lat: esse) δοῦναι (= dounai: om te geven; wkw act inf aor van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift . Fr: donner - don: geven - gave) κῆνσον (= kènson; zn acc mann enk van het zn κῆνσος = kènsos: census, belasting) καισαρι (= kaisari: aan de keizer; zn dat mann enk van het zn καισαρ = kaisar: keizer) ἢ (= è: of; partikel) οὔ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet); δῶμεν (= dômen: wij zouden geven; wkw act conjunct aor 1ste pers mv van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave) ἢ (= è: of; partikel) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) δῶμεν (= dômen: wij zouden geven; wkw act conjunct aor 1ste pers mv van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave);
Mc 12.15
Ὁ δὲ εἰδὼς αὐτῶν τὴν ὑπόκρισιν εἶπεν αὐτοῖς Τί με πειράζετε φέρετέ μοι δηνάριον ἵνα ἴδω
Maar hij, hun huichelarij kennende, zei hun; “Wat beproeven jullie mij? Breng mij een denarie, opdat ik hem zie.”
Mc 12,15 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) εἰδὼς (= eidôs: wetende, kennende; wkw act part aor nom mann enk; zie het wkw οιδα = oida: ik weet) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὑπόκρισιν (= hupokrisin: antwoord, huichelarij; zn acc vr enk van het zn ὑπόκρισις = hupokrisis: antwoord, voordracht, huichelarij) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers mann enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hu n verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aa n hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) Τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) πειράζετε (= peirazete: jullie beproeven; wkw act ind praes 2de pers mann mv van het wkw πειραζω = peirazô: beproeven); φέρετέ (= ferete: brengt; wkw act imperat praes 2de pers mann mv van het wkw φερω = ferô: dragen, brengen) μοι (= moi: aan mij; pers vnw 1ste pers dat mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij) δηνάριον (= dènarion: denarie; zn acc onz enk) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) ἴδω (= idô: ik zou weten; wkw act conjunct aor 1ste pers enk; zie het wkw οιδα = oida: ik weet).
Mc 12.16
οἱ δὲ ἤνεγκαν καὶ λέγει αὐτοῖς Τίνος ἡ εἰκὼν αὕτη καὶ ἡ ἐπιγραφή Οἱ δὲ εἶπαν αὐτῷ Καίσαρος
Zij dan brachten (die) en hij zei hun: “Van wie is deze afbeelding en het opschrift?” en zij antwoordden hem: “Van de keizer”
Mc 12,16 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἤνεγκαν (= ènegkan: zij brachten; wkw act ind aor 3de pers mann mv bij het wkw φερω = ferô: dragen, brengen). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) Τίνος (= tinos: van wie; onbep vrag nw gen mann enk van het onbep vrag vnw τις = tis: wie, τι = ti: wat) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) εἰκὼν (= eikôn: beeld; zn nom vr enk) αὕτη (= hautè: deze; aanwijz vnw nom vr enk bij het aanwijz vnw οὑτος = houtos: deze) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐπιγραφή (= epigrafè: opschrift; zn nom vr enk); οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) εἶπαν (= eipan: zij zeiden; wkw act ind aor 3de pers mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καισαρος (= kaisaros: van de keizer; zn gen mann enk van het zn καισαρ = kaisar: keizer).
Mc 12.17
Ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς Τὰ Καίσαρος ἀπόδοτε Καίσαρι καὶ τὰ τοῦ Θεοῦ τῷ Θεῷ Καὶ ἐξεθαύμαζον ἐπ’ αὐτῷ
Jezus nu zei hun: “Geef de keizer wat van de keizer (is) en aan God, wat van God (is).” En zij verwonderden zich over hem.
Mc 12,17 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers mann enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) τὰ (= ta; bep lidw acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) καισαρος (= kaisaros: van de keizer; zn gen mann enk van het zn καισαρ = kaisar: keizer) ἀπόδοτε (= apodote: geeft wat afkomstig is van / geeft terug; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw = αποδιδωμι: apodidômi: geven wat afkomstig is van, teruggeven; zie het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave gift . Fr: donner - don: geven - gave) καισαρι (= kaisari: aan de keizer; zn dat mann enk van het zn καισαρ = kaisar: keizer) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τὰ (= ta; bep lidw acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θεῷ (= theô: aan God; zn dat mann enk van het zn θεος = theos: God). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξεθαύμαζον (= eksethaumadzon; zij verwonderden zich zeer; wkw act ind imperf 3de pers mann mv van het wkw εκθαυμαζω = ekthaumadzô: zich zeer verwonderen over) ἐπ' (= επ': ep: over; epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; afkortingen: επ' = ep': vóór een niet-aangeblazen klinker, en εφ' = ef': vóór een aangeblazen klinker) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 12.18
Καὶ ἔρχονται Σαδδουκαῖοι πρὸς αὐτόν οἵτινες λέγουσιν ἀνάστασιν μὴ εἶναι καὶ ἐπηρώτων αὐτὸν λέγοντες
En er komen Sadduceën bij hem, sommigen zeggen dat er geen opstanding bestaat, en zij ondervroegen hem, zeggende:
Mc 12,18 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med ind praes 3de pers mann mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) Σαδδουκαῖοι (= saddoukaioi: Saduceeën; nom mann mv) προς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), οἵτινες (= hoitines: sommigen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw ὁστις - ὁτι = hostis, hoti: iemand, iets; mv: sommigen) λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ἀνάστασιν (= anastasin: opstanding; zn acc vr enk van het zn αναστασις = anastasis: opstanding) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) εἶναι (= einai: om te zijn; wkw act inf praes van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat: esse), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπηρώτων (= epèrôtôn: zij ondervroegen; wkw act ind imperf 3de pers mann mv van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) αυτον (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λέγοντες (= legontes: zeggende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep),
Mc 12.19
Διδάσκαλε Μωϋσῆς ἔγραψεν ἡμῖν ὅτι ἐάν τινος ἀδελφὸς ἀποθάνῃ καὶ κα ταλίπῃ γυναῖκα καὶ μὴ ἀφῇ τέκνον ἵνα λάβῃ ὁ ἀδελφὸς αὐτοῦ τὴν γυναῖκα καὶ ἐξαναστήσῃ σπέρμα τῷ ἀδελφῷ αὐτοῦ
“Meester, Mozes schreef ons dat indien iemands broer zou sterven en hij zou een vrouw achterlaten en hij zou geen kind achterlaten, dat zijn broer de vrouw zou nemen en aan zijn broer nageslacht zou doen opstaan.
Mc 12,19 Διδάσκαλε (= didaskale: leermeester; zn voc mann enk van het zn διδασκαλος = di-da-s-k-alos: leraar, leermeester; wkw διδασκω = di-da-s-k-ô: onderwijzen, L. docere), Μωϋσῆς (= moüsès: Mozes; zn eigennaam nom mann enk) ἔγραψεν (= egrapsen: hij schreef; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven; Fr: é-cr-re; Ned: s-chr-v-en) ἡμῖν (= hèmin: aan ons; pers vnw dat mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: wij) ὅτι (= hoti: dat; ondergeschikt vw dat een objectzin inleidt) ἐάν (= ean: indien, ondergeschikt vw + conjunct om een voorwaarde in de toekomst uit te drukken) τινος (= tinos: van iemand; onbep vnw gen mann enk van het onbep vnw τις = tis: iemand, τι = ti: iets) ἀδελφὸς (= adelfos: broer; zn nom mann enk) ἀποθάνῃ (= apothanè: hij zou sterven; wkw act conjunct aor 3de pers mann enk van het wkw αποθνῃσκω = apothnè(i)skô: sterven; stam: th-n; zie θανατος: dood) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) καταλίπῃ (= katalipè: hij zou achterlaten; wkw act conjunct aor 3de pers mann enk van het wkw καταλειπω = kataleipô: achterlaten) γυναῖκα (= gunaika: een vrouw; zn acc vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἀφῇ (= afè: hij zou achterlaten; wkw act conjunct aor 3de pers mann enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) τέκνον (= teknon: kind; nom acc onz enk; zie wkw τικτω = tiktô: baren, bevallen), ἵνα (= hina: zodat; ondergeschikt vw van gevolg) λάβῃ (= labè: hij zou nemen; wkw act conjunct aor 3de pers mann enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀδελφὸς (= adelfos: broer; zn nom mann enk) αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γυναῖκα (= gunaika: een vrouw; zn acc vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξαναστήσῃ (= eksanastèsè: hij zou opstaan; wkw act conjunct aor 3de pers mann enk van het wkw εξ-αν-ι-στη-μι = eks-an-i-stè-mi: op-staan; stam: sta-) σπέρματῷ (= spermatô: nakomeling; zn dat onz enk van het zn σπερμα = sperma: zaad, nakomeling) ἀδελφῷ (= adelfô: aan de broer; zn dat mann enk van het zn αδελφος = adelfos: broer) αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 12.20
ἑπτὰ ἀδελφοὶ ἦσαν καὶ ὁ πρῶτος ἔλαβεν γυναῖκα καὶ ἀποθνῄσκων οὐκ ἀ φῆκεν σπέρμα
(Er) waren zeven broers en de eerste nam een vrouw en gestorven liet hij geen nageslacht achter.
Mc 12,20 ἑπτὰ (= hepta: zeven; hoofdtelw) ἀδελφοὶ (= adelfoi: broers; zn nom mann mv van het zn αδελφος = adelfos: broer) ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mann mv van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat: esse) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πρῶτος ( = prôtos: eerste; rangtelwoord bv nw nom mann enk) ἔλαβεν (= elaben: hij nam; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) γυναῖκα (= gunaika: een vrouw; zn acc vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀποθνῄσκων (= apothnèskôn: stervende, gestorven; wkw act part praes nom mann enk van het wkw αποθνῃσκω = apothnè(i)skô: sterven) οὐκ (= ouk: niet; partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀφῆκεν (= afèken: hij liet achter; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) σπέρμα (= sperma: zaad, nakomeling; zn nom onz enk):
Mc 12.21
καὶ ὁ δεύτερος ἔλαβεν αὐτήν καὶ ἀπέθανεν μὴ καταλιπὼν σπέρμα καὶ ὁ τρίτος ὡσαύτως
En de tweede nam haar en hij stierf zonder zaad achter te laten en de derde eveneens.
Mc 12,21 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δεύτερος (= deuteros: tweede, bv nw rangtelw nom mann enk) ἔλαβεν (= elaben: hij nam; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) αὐτήν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπέθανεν (= apethanen: hijstierf; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw αποθνῃσκω = apothnè(i)skô: sterven) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) καταλιπὼν (= katalipôn: achterlatende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw καταλειπω = kataleipô: achterlaten) σπέρμα (= sperma: zaad, nakomeling; zn nom onz enk): καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) τρίτος (= tritos: derde; rangtelw nom mann enk van het rangtelw τρίτος = tritos: derde) ὡσαύτως (= hôsautôs: evenzo; bw van wijze):
Mc 12.22
καὶ οἱ ἑπτὰ οὐκ ἀφῆκαν σπέρμα ἔσχατον πάντων καὶ ἡ γυνὴ ἀπέθανεν
En de zevende liet geen nageslacht na als laatste van allen en de vrouw stierf.
Mc 12,22 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἑπτὰ (= hepta: zeven; hoofdtelw) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀφῆκαν (= afèkan: zij lieten achter; wkw act ind aor 3de pers mann mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) σπέρμα (= sperma: zaad, nakomeling; zn nom onz enk). ἔσχατον (= eschaton: laatste; bv nw acc mann enk) πάντων (= pantôn: van allen; bv nw gen mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γυνὴ (= gunè: vrouw; zn nom vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw) ἀπέθανεν (= apethanen: zij stierf; wkw act ind aor 3de pers vr enk van het wkw αποθνῃσκω = apothnè(i)skô: sterven).
Mc 12.23
ἐν τῇ ἀναστάσει ὅταν ἀναστῶσιν τίνος αὐτῶν ἔσται γυνή οἱ γὰρ ἑπτὰ ἔσχον αὐτὴν γυναῖκα
Bij (in) de verrijzenis, wanneer zij verrijzen: (van) wie van hen zal zij de vrouw zijn, want zeven hebben de vrouw bezeten.
Mc 12,23 ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀναστάσει (= anastasei: opstanding; zn dat vr enk van het zn αναστασις = anastasis: opstanding) [ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) ἀναστῶσιν (= anastôsin: opstanding; zn acc vr enk van het zn ἀναστῶσις = anastôsis: opstanding),] τίνος (= tinos: van wie; onbep vrag nw gen mann enk van het onbep vrag vnw τις = tis: wie, τι = ti: wat) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἔσται (= estai: zij zal zijn; wkw act ind fut 3de pers vr enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat: esse) γυνή (= gunè: vrouw; zn nom vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw); οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἑπτὰ (= hepta: zeven; hoofdtelw) ἔσχον (= eschon: zij hadden; wkw act ind aor 3de pers mann mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) αὐτὴν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) γυναῖκα (= gunaika: vrouw; zn acc vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw).
Mc 12.24
Ἔφη αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς Οὐ διὰ τοῦτο πλανᾶσθε μὴ εἰδότες τὰς γραφὰς μηδ ὲ τὴν δύναμιν τοῦ Θεοῦ
(De) Jezus zei hen: “Dwalen jullie hierdoor niet, niet kennende de zinnen, noch de macht van God
Mc 12,24 ἔφη (= efè: hij beweerde, hij zei; wkw act ind imperf 3de pers mann enk van het wkw φημι = fèmi: beweren, zeggen) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk), οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τοῦτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) πλανᾶσθε (= planasthe: jullie worden misleid, jullie dwalen; wkw pass ind praes 2de pers mv van het wkw πλαναω = planaô: dwalen, bedriegen, misleid worden) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) εἰδότες (= eidôtes: wetende, kennende; wkw act part aor nom mann mv; zie het wkw οιδα = oida: ik weet) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραφὰς μηδὲ (= mède: niet echter, noch < mè: niet, ontkenning bij conjunct + de = de: echter, lichte tegenstelling; partikel) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δύναμιν (= dunamin: wonderkracht; zn acc vr enk van het zn δύναμις = dunamis: kracht, macht) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God);
Mc 12.25
ὅταν γὰρ ἐκ νεκρῶν ἀναστῶσιν οὔτε γαμοῦσιν οὔτε γαμίζονται ἀλλ’ εἰσὶν ὡς ἄγγελοι ἐν τοῖς οὐρανοῖς
Wanneer zij uit de doden opstaan, huwen zij niet, noch worden zij uitgehuwelijkt, maar ze zijn als engelen in de hemel(en).
Mc 12,25 ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) νεκρῶν (= vekrôn: uit de doden; bv nw / zn gen mann mv van het bv nw / zn νεκρος = nekros: dode) ἀναστῶσιν (= anastôsin: opstanding; zn acc vr enk van het zn ἀναστῶσις = anastôsis: opstanding), οὔτε (= oute: noch; ou: partikel van ontkenning + versterking -τε = te) γαμοῦσιν (= gamousin: zij huwen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw γαμεω = gameô: huwen) οὔτε (= oute: noch; ou: partikel van ontkenning + versterking -τε = te) γαμίζονται (= gamidzontai: zij worden uitgehuwelijkt; wkw pass ind praes 3de pers mv van het wkw γαμιζω = gamidzô: uithuwelijken), ἀλλ' (= all': maar; afkorting van αλλα = alla; partikel van tegenstelling) εἰσὶν (= eisin: zij zijn, wkw act ind praes 3de pers mann mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is) ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) ἄγγελοι (= aggeloi: engelen; zn nom mann mv van het zn αγγελος = aggelos: engel) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) οὐρανοῖς (= ouranois; zn dat mann mv van het zn ουρανος = ouranos: hemel).
Mc 12.26
Περὶ δὲ τῶν νεκρῶν ὅτι ἐγείρονται οὐκ ἀνέγνωτε ἐν τῇ βίβλῳ Μωϋσέως ἐπὶ τοῦ Βάτου πῶς εἶπεν αὐτῷ ὁ Θεὸς λέγων Ἐγὼ ὁ Θεὸς Ἀβραὰμ καὶ ‹ὁ› Θ εὸς Ἰσαὰκ καὶ ‹ὁ› Θεὸς Ἰακώβ
Maar van de doden, dat zij worden opgewekt, lazen jullie niet in het boek van Mozes over de braamstruik, hoe God zei: “Ik ben de God van Abraham en (de God) van Isaak en (de God) van Jakob.
Mc 12,26 περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) νεκρῶν (= vekrôn: uit de doden; bv nw / zn gen mann mv van het bv nw / zn νεκρος = nekros: dode) ὅτι (= hoti: dat; ondergeschikt vw dat een objectzin inleidt) ἐγείρονται (= egeirontai: zij worden opgewekt; wkw pass ind praes 3de pers mann mv van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀνέγνωτε (= anegnôte: jullie lazen; wkw act ind aor 2de pers mv van het wkw αναγιγνωσκω = anagignôskô: lezen) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) βίβλῳ (= biblô: boek; zn dat vr enk van het zn βίβλος = biblos: boek) Μωϋσέως (= moüseôs= van Mozes; zn eigennaam gen mann enk van het zn eigennaam μωυσης = moüsès: Mozes) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) βάτου (= batou: braamstruik; zn gen vr enk van het zn βάτος = batos) πῶς (= pôs: hoe; onbep vrag vnw) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers mann enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θεὸς (= theos: God; zn nom mann enk) λέγων (= legôn: zeggende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Ἐγὼ (= egô: ik - mij; pers vnw 1ste pers enk) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θεὸς (= theos: God; zn nom mann enk) Ἀβραὰμ (= abraam: Abraham; zn eigennaam) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) [ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)] θεὸς (= theos: God; zn nom mann enk) Ἰσαὰκ (= isaak: Isaak; zn eigennaam) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) [ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)] θεὸς (= theos: God; zn nom mann enk) Ἰακώβ (= jakôb: zn eigennaam);
Mc 12.27
οὐκ ἔστιν Θεὸς νεκρῶν ἀλλὰ ζώντων πολὺ πλανᾶσθε
Hij is geen God van doden, maar van levenden; jullie dwalen veel.”
Mc 12,27 οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔστιν (= estin: hij/ is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat: esse) θεὸς (= theos: God; zn nom mann enk) νεκρῶν (= vekrôn: uit de doden; bv nw / zn gen mann mv van het bv nw / zn νεκρος = nekros: dode) ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') ζώντων (= dzôntôn: van levenden; wkw act part praes gen mann mv van het wkw ζαω = dzaô: leven): πολὺ (= polu: veel, talrijk; bv nw nom onz enk van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) πλανᾶσθε (= planasthe: jullie worden misleid, jullie dwalen; wkw pass ind praes 2de pers mv van het wkw πλαναω = planaô: dwalen, bedriegen, misleid worden) .
Mc 12,28
Καὶ προσελθὼν εἷς τῶν γραμματέων ἀκούσας αὐτῶν συζητούντων, ἰδὼν ὅτι καλῶς ἀπεκρίθη αὐτοῖς, ἐπηρώτησεν αὐτόν, Ποία ἐστὶν ἐντολὴ πρώτη πάντων;
En één van de schriftgeleerden naderbijkomende, horende hen twistende, ziende dat hij hen goed antwoordde, vroeg hem: Welk is het eerste gebod van alle?
Mc 12,28 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) προσελθὼν (= proselthôn: tot hem komende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw προσερχομαι = proserchomai: gaan naar, komende bij; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραμματέων (= grammateôn: van de schriftgeleerden; zn gen mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde; uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα. assimilatie van de f aan de m, γραφω = grafô: graveren, griffen, s-chrijven) ἀκούσας (= akousas: horende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) συζητούντων (= sudzètountôn: twistende; wkw act part gen mann mv van het wkw συζητεω = sudzèteô: samen onderzoeken, disputeren, twisten met), ἰδὼν (= idôn: ziende; wkw act part aor nom mann enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien ; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) καλῶς (= kalôs: goed; bw van het bv nw καλος = kalos: goed, mooi, schoon) ἀπεκρίθη (= apekrithè: hij antwoordde; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden; stam: kri) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἐπηρώτησεν (= epèrôtèsen: hij ondervroeg: wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Ποία (= poia: welke; onbep vnw vr enk van het onbep vnw ποιος = poios: welke, wat voor soort) ἐστὶν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat.: esse) ἐντολὴ (= entolè: opdracht, gebod, zn nom vr enk) πρώτη ( = prôtè: eerste; rangtelwoord bv nw nom vr enk) πάντων (= pantôn: van allen, van alles; bv nw gen vr mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder, al);
Mc 12,29
ἀπεκρίθη ὁ Ἰησοῦς ὅτι Πρώτη ἐστίν, Ἄκουε, Ἰσραήλ, κύριος ὁ θεὸς ἡμῶν κύριος εἷς ἐστιν,
Jezus antwoordde dat het eerste is: Luister, Israël, de Heer onze God is één,
Mc 12,29 ἀπεκρίθη (= apekrithè: hij antwoordde; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden; stam: kri) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Πρώτη ( = prôtè: eerste; rangtelwoord bv nw nom vr enk) ἐστίν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-, zie Lat.: esse), Ἄκουε (= akoue: hoor, luister; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren), Ἰσραήλ (= israèl: Israël), κύριος (= kurios: heer; zn nom mann enk; stam: k/h - r) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θεὸς (= theos: God; zn nom mann enk) ἡμῶν (= hèmôn: van ons; pers vnw 1ste pers gen mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: wij) κύριος (= kurios: heer; zn nom mann enk; stam: k/h - r) εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse)
Mc 12,30
καὶ ἀγαπήσεις κύριον τὸν θεόν σου ἐξ ὅλης τῆς καρδίας σου καὶ ἐξ ὅλης τῆς ψυχῆς σου καὶ ἐξ ὅλης τῆς διανοίας σου καὶ ἐξ ὅλης τῆς ἰσχύος σου.
En jij zult de Heer jouw God beminnen vanuit heel je hart en vanuit heel je ziel en vanuit heel je gemoed en vanuit al jouw kracht.
Mc 12,30. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀγαπήσεις (= agapèseis: jij zult beminnen; wkw act ind fut 2de pers enk van het wkw. αγαπαω = agapaô: liefhebben; zie Hebr.: אָהַב = ´âhabh. Stam: '/a -g/h - p/b) κύριον (= kurion: heer; zn acc mann enk van het zn κυριος = kurios: heer) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) θεόν (= theon: God, zn acc mann enk van het zn θεος: God) σου (= sou: van jou, u; pers vnw 2de pers mann gen mann enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) ὅλης (= holès: heel; bv nw gen vr enk van het bv nw ὁλος = holos: heel) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) καρδίας (= kardias: hart; zn gen vr enk van het zn καρδια = hart; Lat.: cor, cordis) σου (= sou: van jou, u; pers vnw 2de pers gen mann enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) ὅλης (= holès: heel; bv nw gen vr enk van het bv nw ὁλος = holos: heel) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ψυχῆς (= psuchès: ziel; zn gen vr enk van het zn ψυχη = psuchè: ziel, adem, geest, leven) σου (= sou: van jou, u; pers vnw 2de pers gen mann enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) ὅλης (= holès: heel; bv nw gen vr enk van het bv nw ὁλος = holos: heel) τῆς (= tès: van de; bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) διανοίας (= dianoias: van gezindheid, gemoed; zn gen vr enk vn het zn διανοια = dianoia: verstand, inzicht, gezindheid, gemoed) σου (= sou: van jou, u; pers vnw 2de pers gen mann enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) ὅλης (= holès: heel; bv nw gen vr enk van het bv nw ὁλος = holos: heel) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἰσχύος (= ischuos: van kracht; zn gen mann enk van het zn ἰσχύς = ischus: kracht) σου (= sou: van jou, u; pers vnw 2de pers gen mann enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) .
Mc 12,31
δευτέρα αὕτη, Ἀγαπήσεις τὸν πλησίον σου ὡς σεαυτόν. μείζων τούτων ἄλλη ἐντολὴ οὐκ ἔστιν.
Het tweede is dit: jij zult jouw naaste liefhebben als jezelf. Een ander gebod is niet groter dan deze.
Mc 12,31. δευτέρα (= deutera: tweede, bv nw rangtelw nom vr enk van het bijv nw δευτερος = deuteros: tweede) αὕτη (= hautè: deze; aanwijz vnw nom vr enk bij het aanwijz vnw οὑτος = houtos: deze), Ἀγαπήσεις (= agapèseis: jij zult beminnen; wkw act ind fut 2de pers enk van het wkw. αγαπαω = agapaô: liefhebben; zie Hebr.: אָהַב = ´âhabh. Stam: '/a -g/h - p/b) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) πλησίον (= plèsion: nabij, naaste; bv nw acc mann enk van het bv nw πλησιος = plèsion: nabij, naaste) σου (= sou: van jou, u; pers vnw 2de pers gen mann enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) ὡς (= hôs: zoals, zodra; vw) σεαυτόν (= seauton: zichzelf; reflexief vnw 2de pers acc mann enk, zie het pers vnw αυτος = autos: hij). μείζων (= meidzôn: groter, 'beter'; bv nw nom mann enk comparatief bij het bv nw μεγας = megas: groot) τούτων (= toutôn: van deze; aanwijz vnw gen mann mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) ἄλλη (= allè: een andere; bv nw nom vr enk van het bv nw αλλος = allos: ander) ἐντολὴ (= entolè: opdracht, gebod; zn nom vr enk) οὐκ (= ouk: niet; partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat.: esse).
Mc 12,32
καὶ εἶπεν αὐτῷ ὁ γραμματεύς, Καλῶς, διδάσκαλε, ἐπ' ἀληθείας εἶπες ὅτι εἷς ἐστιν καὶ οὐκ ἔστιν ἄλλος πλὴν αὐτοῦ:
En de schriftgeleerde zei hem: Goed, Meester, naar waarheid zei je dat Hij één is en er is geen andere behalve Hij.
Mc 12,32 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο = autos - autè - auto: hij - zij - het) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραμματεύς (= grammateus: letter-kundige, schriftgeleerde; zn nom mann enk), Καλῶς (= kalôs: goed; bw van het bv nw καλος = kalos: goed, mooi, schoon), διδάσκαλε (= didaskale: goede leermeester; zn voc mann enk van het zn διδασκαλος = di-da-s-k-alos: leraar, goede leermeester; wkw διδασκω = di-da-s-k-ô: onderwijzen, L. docere), ἐπ' (= επ': ep: over; epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; afkortingen: επ' = ep': vóór een niet-aangeblazen klinker, en εφ' = ef': vóór een aangeblazen klinker) ἀληθείας (= alètheias: waarheid; zn gen vr enk van het zn ἀλήθεια: waarheid) εἶπες (= eipes: jij zei; wkw act ind aor 2de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat.: esse) ἄλλος (= allos: ander; bv nw nom mann enk) πλὴν (= plèn: behalve, uitgezonderd, maar, doch) αὐτοῦ (= autou: hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het):
Mc 12,33
καὶ τὸ ἀγαπᾶν αὐτὸν ἐξ ὅλης τῆς καρδίας καὶ ἐξ ὅλης τῆς συνέσεως καὶ ἐξ ὅλης τῆς ἰσχύος καὶ τὸ ἀγαπᾶν τὸν πλησίον ὡς ἑαυτὸν περισσότερόν ἐστιν πάντων τῶν ὁλοκαυτωμάτων καὶ θυσιῶν.
En Hem te beminnen met heel je hart, en met heel je verstand en met al je krachten en de naaste te beminnen als zichzelf: het is meer dan alle brand- en slachtoffers.
Mc 12, 33. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τὸ (= to: het; bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀγαπᾶν (= agapan: te beminnen; wkw act inf praes van het wkw. αγαπαω = agapaô: liefhebben; zie Hebr.: אהב = ´âhabh. Stam: '/a -g/h - b/p) αυτον (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) ὅλης (= holès: heel; bv nw gen vr enk van het bv nw ὁλος = holos: heel) τῆς (= tès: van de; bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) καρδίας (= kardias: hart; zn gen vr enk van het zn καρδια = hart; Lat.: cor, cordis) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) ὅλης (= holès: heel; bv nw gen vr enk van het bv nw ὁλος = holos: heel) τῆς (= tès: van de; bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) συνέσεως (= suneseôs: verstand, inzicht; zn gen vr enk van het zn συνέσις = sunesis: vereniging, verstand, inzicht, begrip) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) ὅλης (= holès: heel; bv nw gen vr enk van het bv nw ὁλος = holos: heel) τῆς (= tès: van de; bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἰσχύος (= ischuos: van kracht; zn gen mann enk van het zn ἰσχύς = ischus: kracht) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τὸ (= to: het; bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀγαπᾶν (= agapan: te beminnen; wkw act inf praes van het wkw. αγαπαω = agapaô: liefhebben; zie Hebr.: אהב = ´âhabh. Stam: '/a -g/h - b/p) τὸν (= ton: de; bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πλησίον (= plèsion: nabij, naaste; bijv nw acc mann enk van het bijv nw πλησιον = plèsion: nabij, naaste) ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) ἑαυτὸν (= heauton: zichzelf; wederkerig vnw acc mann enk van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf) περισσότερόν (= perissoteron: bovenmatiger; bv comparatief acc onz van het bv nw enk van het bv nw περισσος = perissos: over-matig, bovenmatig) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) πάντων (= pantôn: van alles; bv nw gen onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder, elk, al) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὁλοκαυτωμάτων (= holokautômatôn: van brandoffers; zn gen onz mv van het zn ὁλοκαυτωμάτα = holokautôma: brandoffer) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) θυσιων (= thusiôn: van offers; zn gen vr mv van het zn θυσια: offer)
Mc 12,34
καὶ ὁ Ἰησοῦς ἰδὼν [αὐτὸν] ὅτι νουνεχῶς ἀπεκρίθη εἶπεν αὐτῷ, Οὐ μακρὰν εἶ ἀπὸ τῆς βασιλείας τοῦ θεοῦ. καὶ οὐδεὶς οὐκ έτι ἐτόλμα αὐτὸν ἐπερωτῆσαι.
En Jezus ziende hem dat hij verstandig antwoordde, zei hem: jij bent niet ver van het koninkrijk van God. En niemand dierf niet hem nog te ondervragen.
Mc 12,34 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) ἰδὼν (= idôn: ziende; wkw act part aor nom mann enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) αυτον [(= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het)] ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) νουνεχῶς (= nounechôs: verstandig, m et overleg; bw) ἀπεκρίθη (= apekrithè: hij antwoordde; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden; stam: kri) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) μακρὰν (= makran: ver; bw) εἶ (= ei: jij bent; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorting απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker, en αφ' = af': vóór een aangeblazen klinker) τῆς (= tès: van de; bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) βασιλείας (= basileias: van het koningschap; zn gen vr enk van het zn βασιλεια = basileia: koninkrijk, koningschap) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ. (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οὐδεὶς (= oudeis: niemand; onbep vnw nom mann enk) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) έτι (= eti: ook, nog; bw) ἐτόλμα (= etolma: hij dierf; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw τολμαω: verdragen, dulden, durven) αυτον (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐπερωτῆσαι (= eperôtèsai: om te ondervragen; wkw act inf aor van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen).
Mc 12,35
Καὶ ἀποκριθεὶς ὁ Ἰησοῦς ἔλεγεν διδάσκων ἐν τῷ ἱερῷ, Πῶς λέγουσιν οἱ γραμματεῖς ὅτι ὁ Χριστὸς υἱὸς Δαυίδ ἐστιν;
En antwoordende zei Jezus, onderrichtende in de tempel: Hoe zeggen de schriftgeleerden dat Christus een zoon van David is?
Mc 12,35 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀποκριθεὶς (= apokritheis: antwoordende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) διδάσκων (= didaskôn: onderrichtend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἱερῷ (= hierô(i): in de tempel; zn dat onz enk van het zn ἱερον = hieron: heiligdom, tempel). Πῶς (= pôs: hoe; vrag onbep vnw van wijze: hoe) λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραμματεῖς (= grammateis: Schriftgeleerden; zn nom mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde; uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα: assimilatie van de f aan de m; γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Χριστὸς (= christos: gezalfde, Christus; zn eigennaam nom mann enk) υἱὸς (= huios: zoon; zn nom mann enk) Δαυίδ (= dauid: David; zn eigennaam David; getalswaarde 14) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse);
Mc 12,36
αὐτὸς Δαυὶδ εἶπεν ἐν τῷ πνεύματι τῷ ἁγίῳ, Εἶπεν κύριος τῷ κυρίῳ μου, Κάθου ἐκ δεξιῶν μου ἕως ἂν θῶ τοὺς ἐχθρούς σου ὑποκάτω τῶν ποδῶν σου.
David zelf zei door de heilige geest (vervuld): De Heer zei tot mijn heer: zet je aan mijn rechterhand zodat ik jouw vijanden onder jouw voetenbank stel.
Mc 12,36 αὐτὸς (= autos: hij, zelf; pers vnw nom mann enk) Δαυὶδ (= dauid: David; zn eigennaam David) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πνεύματι (= pneumati; zn dat onz enk van het zn πνευμα = pneuma: geest, adem, wind) τῷ (= tô: de; bep lidw dat onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἁγίῳ (= hagiô: heilig; bv nw dat onz enk van het bv nw ἁγιος = hagios: heilig; stam: h, l), εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) κύριος (= kurios: heer; zn nom mann enk; stam: k/h - r) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κυρίῳ (= kuriô: aan de heer; zn dat mann enk van het zn κυριος = kurios: heer) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij), Κάθου (= kathou: zet je neer; wkw med imperat praes 2de pers enk van het wkw καθημαι = kathèmai: zich zetten, gaan zitten, zitten) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) δεξιῶν (= dexiôn: rechts; bv nw gen mann mv van het bv δεξιος = dexios: rechts) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) ἕως (= heôs: tot, totdat; onderschikkend vw) ἂν (= an; partikel bij de conjunct) θῶ (= thô: ik zou stellen; wkw act conj aor 1ste pers enk van het wkw τιθημι = tithèmi: zetten, plaatsen, maken) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐχθρούς (= echthrous: vijanden; zn acc mann mv van het zn εχθρος = echthros: vijand) σου (= sou: van jou, u; pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) ὑποκάτω (= hupokatô: onder, beneden; vz + gen) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ποδῶν (= podôn: voeten; zn gen vr mv van het zn πους = pous, podos: voet; stam: p/v - d/t) σου (= sou: van jou, u; pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu).
Mc 12,37
αὐτὸς Δαυὶδ λέγει αὐτὸν κύριον, καὶ πόθεν αὐτοῦ ἐστιν υἱός; καὶ [ὁ] πολὺς ὄχλος ἤκουεν αὐτοῦ ἡδέως.
David zelf zegt: hij is heer. En vanwaar: hij is een zoon van hem. En de grote menigte luisterde graag naar hem.
Mc 12,37 αὐτὸς (= autos: hij, zelf; pers vnw nom mann enk) Δαυὶδ (= dauid: David) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αυτον (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) κύριον (= kurion: heer; zn acc mann enk van het zn κυριος = kurios: heer), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πόθεν (= pothen: vanwaar; onbep vrag vnw) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐστιν (= estin: hij is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) υἱός (= huios: zoon; zn nom mann enk); καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) [ὁ (= ho: de; bep lidw dat mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)] πολὺς (= polus: veel; bv nw nom mann enk; stam: p/v - l) ὄχλος (= ochlos: massa, menigte; zn nom mann enk) ἤκουεν (= èkouen: hij hoorde; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) αὐτοῦ (= autou: hem; pers vnw 3de pers gen mann van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἡδέως (= hèdeôs: graag, welwillend; bw).
Mc 12,38
Καὶ ἐν τῇ διδαχῇ αὐτοῦ ἔλεγεν, Βλέπετε ἀπὸ τῶν γραμματέων τῶν θελόντων ἐν στολαῖς περιπατεῖν καὶ ἀσπασμοὺς ἐν ταῖς ἀγοραῖς
En in zijn onderricht zei hij: Kijkt weg van de schriftgeleerden die in gewaden willen rondwandelen en op de openbare plaatsen begroetingen willen.
Mc 12,38 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè-i; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) διδαχῇ (= didachè: lering, onderrichting; zn dat vr enk van het zn διδαχη = didachè: lering, onderrichting; zie het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat. docere. Stam: d-k/c) αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep). Βλέπετε (= blepete: kijkt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw βλεπω = blepô: kijken, zien) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorting απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker en αφ' = af' : vóór een aangeblazen klinker) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) γραμματέων (= grammateôn: van de schriftgeleerden; zn gen mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde; uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα. assimilatie van de f aan de m, γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θελόντων (= thelontôn: willende; wkw act part gen mann mv van het wkw θελω = thelô: willen) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) στολαῖς (= stolais: kleren; zn dat vr mv van het zn στολη = stolè: kleed) περιπατεῖν (= peripatein: rond te wandelen; wkw act inf praes van het wkw περιπατεω = peripateô: rondwandelen) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀσπασμοὺς (= aspasmous: begroetingen; zn acc mann mv van het zn ἀσπασμος = aspasmos: liefkozingen, begroeting, groet) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ταῖς (= tais: aan de; bep lidw dat vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀγοραῖς (= agorais: markten; zn dat vr mv van het zn ἀγορα = agora: vergadering, bijeenkomst, markt)
Mc 12,39
καὶ πρωτοκαθεδρίας ἐν ταῖς συναγωγαῖς καὶ πρωτοκλισίας ἐν τοῖς δείπνοις:
en die ereplaatsen willen in de synagogen en de voornaamste plaatsen bij de maaltijden.
Mc 12,39 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πρωτοκαθεδρίας (= prôtokathedrias: ereplaatsen; zn acc vr mv van het zn πρωτοκαθεδρία = prôtokathedria: eerste plaats, ereplaats) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ταῖς (= tais: aan de; bep lidw dat vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) συναγωγαῖς (= sunagôgais: synagogen; zn dat vr mv van het zn συναγωγα = synagoge: synagoge, bijeenkomst) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πρωτοκλισίας (= prôtoklisias: voornaamste aanligbedden; zn acc vr mv van het zn πρωτοκλισία: voornaamste aanligbed) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δείπνοις (= deipnois: maaltijden; zn dat onz mv van het zn δείπνον = deipnon: hoofdmaaltijd, middag-maaltijd):
Mc 12,40
οἱ κατεσθίοντες τὰς οἰκίας τῶν χηρῶν καὶ προφάσει μακρὰ προσευχόμενοι, οὗτοι λήμψονται περισσότερον κρίμα.
Zij die de huizen van de weduwen opeten en die met grote schijn gebeden verrichten, die zullen een veroordeling bovenmaats op zich nemen / ontvangen.
Mc 12,40 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κατεσθίοντες (= katesthiontes: etende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw κατεσθιω = katesthiô: eten, verscheuren, verslinden) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) οἰκίας (= oikias: huizen; zn acc vr mv van het zn οικια = oikia: huis) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) χηρῶν (= chèrôn: van de weduwen; zn gen vr mv van het zn χηρα = chèra: weduwe, verweesd) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) προφάσει (= profasei: schijn; zn dat vr enk van het zn προφάσις = profasis: voorwendsel, schijn, verontschuldiging) μακρὰ (= makra: lange; bv nw acc onz mv van het bv nw μακρος = lang, groot, hoog, diep, ver) προσευχόμενοι (= proseuchomenoi: biddende; wkw med/pass part praes nom mann mv van het wkw προσεύχομαι: bidden), οὗτοι (= houtoi: dezen; aanwijz vnw nom mann mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) λήμψονται (= lèmpsontai: zij zullen voor zich nemen; wkw med fut 3de pers mv van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) περισσότερον (= perissoteron: bovenmatiger; bv nw comparatief acc onz enk van het bv nw περισσος = perissos: over-matig, bovenmatig) κρίμα (= krima: oordeel, beslissing, vonnis, veroordeling; zn acc onz enk).
Mc 12,41
Καὶ καθίσας κατέναντι τοῦ γαζοφυλακίου ἐθεώρει πῶς ὁ ὄχλος βάλλει χαλκὸν εἰς τὸ γαζοφυλάκιον: καὶ πολλοὶ πλούσιοι ἔβαλλον πολλά:
En gezeten tegenover de schatkist zag hij hoe de menigte een munt in de schatkist werpt, en vele rijken wierpen er veel in.
Mc 12,41 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) καθίσας (= kathisas: gezeten; wkw act part aor nom mann enk van het wkw καθιζω = kathizô: zitten) κατέναντι (= katenanti: tegenover: vz met gen) του (= tou: van de; bep lidw gen onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) γαζοφυλακίου (= gadzofulakiou: schatkist; zn gen onz enk γαζοφυλακίον = gazofulakion: schatkist) ἐθεώρει (= etheôrei: hij zag; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw θεωρεω = theôreô: kijken, zien) πῶς (= pôs: hoe; onbep vrag vnw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὄχλος (= ochlos: massa, menigte; zn nom mann enk) βάλλει (= ballei: hij werpt, hij laat vallen; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen) χαλκὸν (= chalkon: koperen munt; bv nw acc onz enk van het bv nw χαλκὸς = chalkos: koperen, bronzen, koperen munt) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ (= to: het; bep lidw acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) γαζοφυλάκιον (= gazofulakion: schatkist; zn acc onz enk): καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πολλοὶ (= polloi: velen; bv nw nom mann mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) πλούσιοι (= plousioi: rijken; bv nom mann mv van het bn πλουσιος = plousios: rijk-e) ἔβαλλον (= eballon: zij wierpen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen) πολλά (= polla: vele dingen); bv nw acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l):
Mc 12,42
καὶ ἐλθοῦσα μία χήρα πτωχὴ ἔβαλεν λεπτὰ δύο, ὅ ἐστιν κοδράντης.
En er kwam één arme weduwe; zij wierp twee muntjes, wat een kwartje is.
Mc 12,42 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐλθοῦσα (elthousa: gekomen zijnde; wkw med part aor nom vr enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) μία (= mia: één; hoofdtelw nom vr enk van het hoofdtelw bv nw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) χήρα (= chèra: weduwe, verweesd; zn nom vr enk) πτωχὴ (= ptôchè: arm; bv nw nom vr enk van het bv nw πτωχος = ptôchos: arme) ἔβαλεν (ebalen: zij wierp; wkw act ind aor 3de pers vr enk van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen) λεπτὰ (= lepta: muntjes; zn acc onz mv van het zn λεπτον = lepton: een stuk kleingeld) δύο (= duo: twee; hoofdtelw; Lat.: duo. Fr.: deux), ὅ (= ho; betrekk vnw nom onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wat) ἐστιν (= estin: het is, wkw act ind praes 3de pers onz enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) κοδράντης (= kodrantès: quadrans, een kwartje; zn nom mann enk).
Mc 12,43
καὶ προσκαλεσάμενος τοὺς μαθητὰς αὐτοῦ εἶπεν αὐτοῖς, Ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι ἡ χήρα αὕτη ἡ πτωχὴ πλεῖον πάντων ἔβαλεν τῶν βαλλόντων εἰς τὸ γαζοφυλάκιον:
En hij riep zijn leerlingen samen; hij zei hen: Voorwaar ik zeg jullie dat deze weduwe, deze arme, meer wierp in de schatkist dan allen die in de schatkist wierpen.
Mc 12,43 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) προσκαλεσαμενος (= proskalesamenos: bij zich geroepen; wkw med part aor nom mann enk van het wkw προσκαλεομαι = proskaleomai: bij zich roepen) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθητὰς (= mathètas: leerlingen; zn acc mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) Ἀμὴν (= amèn: amen, voorwaar, het zij zo; transcriptie uit het Hebreeuws) λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χήρα (= chèra: weduwe, verweesd; zn nom vr enk) αὕτη (= hautè: deze; aanwijz vnw nom vr enk bij het aanwijz vnw οὑτος = houtos: deze) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πτωχὴ (= ptôchè: arme; bv nw nom vr enk van het bv nw πτωχος = ptôchos: arme) πλεῖον (= pleion: meer; bv nw comparatief acc onz enk bij het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) πάντων (= pantôn: van allen; bv nw gen mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) ἔβαλεν (ebalen: zij wierp; wkw act ind aor 3de pers vr enk van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) βαλλόντων (= ballontôn: van de werpers; wkw act part praes gen mann mv van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ (= to: het; bep lidw acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) γαζοφυλάκιον (= gadzofulakion: schatkist; zn acc onz enk γαζοφυλακίον = gazofulakion: schatkist):
Mc 12,44
πάντες γὰρ ἐκ τοῦ περισσεύοντος αὐτοῖς ἔβαλον, αὕτη δὲ ἐκ τῆς ὑστερήσεως αὐτῆς πάντα ὅσα εἶχεν ἔβαλεν, ὅλον τὸν βίον αὐτῆς.
Want allen wierpen vanuit wat hen overbodig was, maar zij vanuit haar tekort; alles wat zij had, wierp zij, haar hele leven.
Mc 12,44 πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) περισσεύοντος (= perisseuontos: van het overbodige; wkw act part praes gen onz enk van het wkw περισσεύω = perisseuô: in overvloed aanwezig zijn, overbodig zijn) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἔβαλον (= ebalon: zij wierpen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen), αὕτη (= hautè: deze; aanwijz vnw nom vr enk bij het aanwijz vnw οὑτος = houtos: deze) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ὑστερήσεως (= husterèseôs: van het tekort, gebrek; zn gen vr enk ) van het zn ὑστερήσις = husterèsis: tekort, gebrek) αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) ὅσα (= hosa: zoveel als; onbep vnw acc onz mv van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als) εἶχεν (= eichen: zij had; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ἔβαλεν (ebalen: zij wierp; wkw act ind aor 3de pers vr enk van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen), ὅλον (= holon: heel; bv nw acc onz enk van het bv ὁλος = holos: heel) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) βίον (= bion: leven; zn acc mann enk van het zn βίος = bios: leven; zie Fr vie). αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij).
Mc 13,1
Καὶ ἐκπορευομένου αὐτοῦ ἐκ τοῦ ἱεροῦ λέγει αὐτῷ εἷς τῶν μαθητῶν αὐτοῦ, Διδάσκαλε, ἴδε ποταποὶ λίθοι καὶ ποταπαὶ οἰκοδομαί.
En terwijl hij zich op weg uit de tempel begeeft, zegt één van zijn leerlingen: Leermeester, zie wat voor stenen en wat voor gebouwen.
Mc 13,1 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐκπορευομένου (= ekporeuomenou: zich op weg begevende naar buiten; wkw med part praes gen mann enk van het wkw εκπορευομαι = ekporeuomai: zich op weg begeven uit; por-euomai: p of ph = f -> v + r; poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare plaats. Lat: por-tus: haven. Mnd: voort, ofries: ford. oeng: ford. Het woord behoort tot de groep van varen) αὐτοῦ (= autou: hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο = autos - autè - auto = hij - zij - het) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἱεροῦ (= hierou: tempel; zn gen onz enk van het zn ἱερον = hieron: heiligdom, tempel) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο = autos - autè - auto: hij - zij - het) εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μαθητῶν (= mathètôn: van de leerlingen; zn gen mann mv van μαθητης = mathè-tès : leer-ling; wkw μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô: leren; Hebr: lâ-m-ad; stam: (l)-m-th/d.) αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο = autos - autè - auto: hij - zij - het) Διδάσκαλε (= didaskale: goede leermeester; zn voc mann enk van het zn διδασκαλος = di-da-s-k-alos: leraar, goede leermeester; wkw διδασκω = di-da-s-k-ô: onderwijzen; Lat: docere), ἴδε (= ide zie; wkw act imperat aor 2de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; stam: ιδ = id) ποταποὶ (= potapoi: waarvandaan, wat voor een; bv nw nom mann mv van het bv nw ποταπος = potamos) λίθοι (= lithoi: stenen; zn nom mann mv van het zn λιθος = lithos: steen) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ποταπαὶ (= potapoi: waarvandaan, wat voor een; bv nw nom vr mv van het bv nw ποταπος = potamos) οἰκοδομαί (= oikodomai: gebouwen; zn nom mann mv van het zn οἰκοδομη = oikodomè: gebouw).
Mc 13,2
καὶ ὁ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτῷ, Βλέπεις ταύτας τὰς μεγάλας οἰκοδομάς; οὐ μὴ ἀφεθῇ ὧδε λίθος ἐπὶ λίθον ὃς οὐ μὴ καταλυθῇ.
En Jezus zei hem: jij ziet die grote gebouwen; geen steen op steen moge hier worden gelaten die niet zou neergehaald worden.
Mc 13,2 καὶ (= kai: en; nevensch vw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο = autos - autè - auto: hij - zij - het), βλέπεις (= blepeis: jij ziet; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw βλεπω = blepô: kijken, zien) ταύτας (= tautas: de die, deze; bv nw aanwijz vnw acc vr mv van het aanwijz vnw οὑτος = houtos: deze) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μεγάλας (= megalas: grote; bv nw acc vr mv van het bv nw μεγας = megas: groot) οἰκοδομάς (= oikodomas: gebouwen; zn acc vr mv van het zn οἰκοδομη = oikodomè: gebouw); οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἀφεθῇ (= afethè: hij zou laten; wkw pass conjunct aor 3de pers enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. laten, afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) ὧδε (= hôde: hier; bw van plaats) λίθος (= lithos: steen; zn nom mann enk) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) λίθον (= lithon: steen; zn acc mann enk van het zn λιθος = lithos: steen) ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ = ou, ouk, ouch: niet) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) καταλυθῇ (= kataluthè: hij zou vernietigd worden; wkw pass conjunct aor 3de pers enk van het wkw καταλυω = kataluô: ontbinden, vernietigen).Mc 13,3
Καὶ καθημένου αὐτοῦ εἰς τὸ Ὄρος τῶν Ἐλαιῶν κατέναντι τοῦ ἱεροῦ ἐπηρώτα αὐτὸν κατ' ἰδίαν Πέτρος καὶ Ἰάκωβος καὶ Ἰωάννης καὶ Ἀνδρέας,
En terwijl hij zit bij de Olijfberg tegenover de tempel ondervroegen Petrus en Jakobus en Johannes en Andreas hem.
Mc 13,3 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) καθημένου (= kathèmenou: zittende; wkw med part praes gen mann enk van het wkw καθημαι = kathèmai: zich zetten, gaan zitten, zitten) αὐτοῦ (= autou: hem; aanw vnw 3de pers gen mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο = autos - autè - auto: hij - zij - het) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ (= to: het; bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ὄρος (= oros: berg; zn acc onz enk) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ἐλαιῶν (= elaiôn: van olijven; zn gen vr mv van het zn ελαια = elaia: olijf) κατέναντι (= katenanti: tegenover: vz met gen) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἱεροῦ (= hierou: -door - de tempel; zn gen onz enk van het zn ἱερον = hieron: heiligdom, tempel) ἐπηρώτα (= epèrôta: hij ondervroeg; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr: inter-roger) αυτον (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο = autos - autè - auto: hij - zij - het) κατ' (= kata: van... naar beneden, volgens, vz; afkorting: κατ' = kat') ἰδίαν (= idian: eigene, zelf; bv nw acc vr enk van het bv nw ιδιος = idios: eigen, zelf) Πέτρος (= petros: Petrus; zn eigennaam nom mann enk) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Ἰάκωβος (= jakôbos: Jakobus; zn eigennaam nom mann enk) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Ἰωάννης (= Jôannès: Johannes; zn eigennaam nom mann enk) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Ἀνδρέας (= andreas: Andreas; zn eigennaam acc mann enk),
Mc 13,4
Εἰπὸν ἡμῖν πότε ταῦτα ἔσται, καὶ τί τὸ σημεῖον ὅταν μέλλῃ ταῦτα συντελεῖσθαι πάντα.
Zeg ons: wanneer zal dat zijn, en wat zal de aanwijzing zijn wanneer dat alles zich zou voltrekken?
Mc 13,4 Εἰπὸν (= eipon: zeg; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon) ἡμῖν (= hèmin: aan ons; pers vnw dat mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: wij) πότε (= pote: wanneer? vrag vnw) ταῦτα (= tauta: deze dingen; aanwijz vnw nom onz mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit; de d van aanwijzing: dat, Fr: tu) ἔσται (= estai: het zal zijn; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- , zie Lat: esse), καὶ (= kai: en; nevenschikkend voegwoord) τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) σημεῖον (= sèmeion. teken, zn nom onz enk) ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) μέλλῃ (= mellè: het staat op het punt; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw μελλω = mellô: op het punt zijn te, van plan zijn te) ταῦτα (= tauta: deze dingen; aanwijz vnw nom of acc onz mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat; Fr: tu) συντελεῖσθαι (= sunteleisthai: om te vervullen; wkw pass inf praes van het wkw συντελεω = sunteleô: voltooien) πάντα(= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) . .
Mc 13,5
ὁ δὲ Ἰησοῦς ἤρξατο λέγειν αὐτοῖς, Βλέπετε μή τις ὑμᾶς πλανήσῃ:
Jezus begon dan aan hen te zeggen: kijkt uit dat iemand jullie niet moge misleiden.
Mc 13,5 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) λέγειν (= legein: te zeggen; wkw act inf praes van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij), Βλέπετε (= blepete: kijkt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het werkw βλεπω = blepô: kijken, zien) μή (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk) ὑμᾶς (= humas: jullie, pers vnw 2de pers acc mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) πλανήσῃ (= planèsè: hij zou in de war raken / misleiden; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw πλαναω = planaô: dwalen, in de war raken):
Mc 13,6
πολλοὶ ἐλεύσονται ἐπὶ τῷ ὀνόματί μου λέγοντες ὅτι Ἐγώ εἰμι, καὶ πολλοὺς πλανήσουσιν
Velen zullen komen in mijn naam, zeggende (dat) 'Ik ben het' en zij zullen velen in de war brengen.
Mc 13,6 πολλοὶ (= polloi: velen; bv nw nom mann mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) ἐλεύσονται (= eleusontai: zij zullen komen; wkw med ind fut 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὀνόματί (= onomati: naam; zn dat onz enk van het zn ονομα = onoma: naam) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) λέγοντες (= legontes: zeggende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin inleidt) Ἐγώ (= egô: ik - mij; pers vnw 1ste pers enk) εἰμι (= eimi: ik ben; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat.: esse), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πολλοὺς (= pollous: velen; bv nw acc mann mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) πλανήσουσιν (= planèsousin: zij zullen misleiden; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw πλαναω = planaô: dwalen, in de war raken).
Mc 13,7
ὅταν δὲ ἀκούσητε πολέμους καὶ ἀκοὰς πολέμων, μὴ θροεῖσθε: δεῖ γενέσθαι, ἀλλ' οὔπω τὸ τέλος.
Wanneer jullie over oorlogen en over geruchten van oorlogen zoudt horen, schrikt niet: dit moet gebeuren, maar dat is nog niet het einde.
Mc 13,7 ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; voegw van tijd en mogelijkheid) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) ἀκούσητε (= akousète: jullie zouden horen; wkw act conjunct aor 2de pers mv van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) πολέμους (= polemous: oorlogen; zn acc mann mv van het zn πολέμος = polemos: oorlog) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀκοὰς (= akoas: gehoren, gehoor, geruchten; zn acc vr mv van het zn ακοη = akoè: gerucht, gehoor, overlevering; zie het wkw ακουω = akouô: horen) πολέμων (polemôn: oorlogen; zn gen mann mv van het zn πολέμος = polemos: oorlog), μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning) θροεῖσθε (= throeisthe: schrikt; wkw pass imperat 2de pers mv van het wkw θροεω = throeô: laten kinken, schreeuwen, roepen; pass schrikken): δεῖ (= dei: het moet; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δεω = deô: moeten)) γενέσθαι (= genesthai: te worden, te gebeuren; wkw med/pass inf aor van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen), ἀλλ' (= all': maar; afkorting van αλλα = alla; partikel van tegenstelling) οὔπω (= oupô: nog niet; bw) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τέλος (= telos: doel, einde; zn nom onz enk).
Mc 13,8
ἐγερθήσεται γὰρ ἔθνος ἐπ' ἔθνος καὶ βασιλεία ἐπὶ βασιλείαν, ἔσονται σεισμοὶ κατὰ τόπους, ἔσονται λιμοί: ἀρχὴ ὠδίνων ταῦτα.
Want er zal volk tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk opstaan; er zullen volgens plaatsen aardbevingen zijn; er zullen hongersnoden zijn; dat is het begin van barensweeën.
Mc 13,8 ἐγερθήσεται (= egerthèsetai:: hij zal opgewekt worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἔθνος (= ethnos: volk; zn nom onz enk) ἐπ' (= επ': ep: over; epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; afkortingen : επ' = epβασιλεία (= basileia: koninkrijk, koningschap; zn nom vr enk) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) βασιλείαν (= basileian: koninkrijk, koningschap; zn acc vr enk van het zn βασιλεια = basileia: koninkrijk, koningschap)': vóór een niet-aangeblazen klinker, en εφ' = ef': vóór een aangeblazen klinker) ἔθνος (= ethnos: volk; zn acc onz enk) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) βασιλεία (= basileia: koninkrijk, koningschap; zn nom vr enk) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) βασιλείαν (= basileian: koninkrijk, koningschap; zn acc vr enk van het zn βασιλεια = basileia: koninkrijk, koningschap) ἔσονται (= esontai: zij/er zullen zijn; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is) σεισμοὶ (= seismoi: bevingen; zn nom mann mv van het zn σεισμος = seismos: beving, trilling) κατὰ (= kata: van... naar beneden, volgens, vz; afkorting: κατ' = kat') τόπους (= topous: plaatsen; zn acc mann mv van het zn τοπος = topos: plaats, streek; zie Ned topografie), ἔσονται (= esontai: zij/er zullen zijn; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is) λιμοί (= limoi: hongersnoden; zn nom mann mv van het zn λιμος = limos: honger, hongersnood, gebrek, gemis): ἀρχὴ (= archè: begin, heerschappij; zn nom vr enk) ὠδίνων (= ôdinôn: barensweeën; zn gen vr mv van het zn ωδις = ôdis: barenweeën, barensnood) ταῦτα (= tauta: deze dingen; aanwijz vnw nom onz mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu).
Mc 13,9
βλέπετε δὲ ὑμεῖς ἑαυτούς: παραδώσουσιν ὑμᾶς εἰς συνέδρια καὶ εἰς συναγωγὰς δαρήσεσθε καὶ ἐπὶ ἡγεμόνων καὶ βασιλέων σταθήσεσθε ἕνεκεν ἐμοῦ εἰς μαρτύριον αὐτοῖς.
Jullie dan, bekijkt jezelf: zij zullen jullie overleveren aan synagogen en jullie zullen mishandeld worden in synagogen en jullie zullen 'terecht'staan voor heersers en koningen omwille van mij om 'te getuigen' voor hen.
Mc 13,9 βλέπετε (= blepete: kijkt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het werkw βλεπω = blepô: kijken, zien) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) ὑμεῖς (= humeis: jullie; pers vnw 2de pers nom mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) ἑαυτούς (= heautous: zichzelf); wederkerig vnw acc mann mv van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf): παραδώσουσιν (= paradôsousin: zij zullen overleveren; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren) ὑμᾶς (= humas: jullie, pers vnw 2de pers acc mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) συνέδρια (= sunedria: gerechtshoven; zn acc onz mv van het zn συνέδριον = sunedrion: Sanhedrin) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) συναγωγὰς (= sunagôgas: synagogen; zn acc vr mv van het zn συναγωγη = sunagôgè: synagoge; zie het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun-: samen, stam s-m/n + stam ag-) δαρήσεσθε (= darèsesthe: jullie zullen mishandeld worden; wkw pass ind fut 2de pers mv van het wkw δερω = derô: villen, mishandelen) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) ἡγεμόνων (= hègemonôn: heersers; zn acc mann mv van het zn ἡγεμων = hègemôn: leider, heerser) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) βασιλέων (= basileôn: koningen; zn gen mann mv van het zn βασιλευς = basileus: koning) σταθήσεσθε (= stathèsesthe:: jullie zullen gesteld worden / terechtstaan; wkw pass ind fut 2de pers mv van het wkw ἱστημι = histèmi: doen staan, staan) ἕνεκεν (= heneken: omwille van; vz met gen) ἐμοῦ (= emou: van mij; pers vnw gen mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) μαρτύριον (= marturion: getuigenis; zn acc vr enk; zie mart-elaar als geloofsgetuige) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij).
Mc 13,10
καὶ εἰς πάντα τὰ ἔθνη πρῶτον δεῖ κηρυχθῆναι τὸ εὐαγγέλιον.
En aan alle volkeren moet eerst het evangelie verkondigd worden.
Mc 13,10 καὶ (= kai: en; nevensch vw) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder, al) τὰ (= ta; bep lidw acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἔθνη (= ethnè: volkeren; zn acc onz mv van het zn εθνος = volk) πρῶτον (= prôton: eerst; bw) δεῖ (= dei: het moet; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δεω = deô: moeten) κηρυχθῆναι (= kèruchthènai: verkondigd te worden; wkw pass inf aor van het wkw. κηρυσσω = kèrussô: verkondigen) τὸ (= to: het, bep lidw acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) εὐαγγέλιον (= euaggelion: goede boodschap; zn acc onz enk).
Mc 13,11-30
Mc 13,11
καὶ ὅταν ἄγωσιν ὑμᾶς παραδιδόντες, μὴ προμεριμνᾶτε τί λαλήσητε, ἀλλ' ὃ ἐὰν δοθῇ ὑμῖν ἐν ἐκείνῃ τῇ ὥρᾳ τοῦτο λαλεῖτε, οὐ γάρ ἐστε ὑμεῖς οἱ λαλοῦντες ἀλλὰ τὸ πνεῦμα τὸ ἅγιον.
En wanneer de overleveraars jullie (erheen) zouden voeren, maakt jullie niet van tevoren zorgen wat jullie zouden zeggen, maar spreekt dat wat jullie dan op dat uur wordt gegeven, want niet jullie zijn de sprekenden, maar de heilige geest.
Mc 13,11 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; voegw van tijd en mogelijkheid) ἄγωσιν (= agôsin: zij zouden brengen; wkw act conjunct 3de pers mann mv van het wkw αγω = agô: leiden, voeren) ὑμᾶς (= humas: jullie, pers vnw 2de pers acc mann mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) παραδιδόντες (= paradidontes: de overleveraars; wkw act part praes nom mann mv van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren), μὴ ( = mè: niet; partikel van ontkenning) προμεριμνᾶτε (= promerimnate: maakt je van tevoren zorgen; wkw act imperat praes 2de pers mann mv van het wkw προμεριμναω = promerimnaô: zich van tevoren zorgen maken) τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) λαλήσητε (= lalèsète: jullie zouden zeggen; wkw act conjunct aor 2de pers mv van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten), ἀλλ' (= all': maar; afkorting van αλλα = alla; partikel van tegenstelling) ὃ (= ho; betrekk vnw acc onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wat) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien, als) δοθῇ (= dothè: hij zou gegeven worden; wkw pass conjunct aor 3de pers mann enk van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mann mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ἐκείνῃ (= ekeinè: tijdens die; aanwijz vnw dat vr enk van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὥρᾳ (= hôra: op het uur; zn dat vr enk van het zn ὡρα = hôra: uur) τοῦτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr: tu) λαλεῖτε (= laleite: spreekt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten), οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) γάρ (= gar: want, nevenschikkend vw van reden; Fr: car) ἐστε (= este: jullie zijn; wkw act ind praes 2de pers mann mv van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- , zie Lat: esse) ὑμεῖς (= humeis: jullie; pers vnw 2de pers nom mann mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) λαλοῦντες (= lalountes: de sprekenden; wkw act part praes nom mann mv van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten) ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πνεῦμα (= pneuma: geest, adem, wind; zn nom onz enk) τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἅγιον (= hagion: heilig; bv nw nom onz enk van het bn ἁγιος = hagios: heilig).
Mc 13,12
καὶ παραδώσει ἀδελφὸς ἀδελφὸν εἰς θάνατον καὶ πατὴρ τέκνον, καὶ ἐπαναστήσονται τέκνα ἐπὶ γονεῖς καὶ θανατώσουσιν αὐτούς:
en een broer zal een broer overleveren ter dood en een vader een kind en kinderen zullen opstaan tegen ouders en zij zullen hen doden.
Mc 13,12 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) παραδώσει (= paradôsei: hij zal ov(= adelfon: broer; zn acc mann enk van het zn αδελφος = adelfos: broer) erleveren; act ind fut 3de pers mann enk van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren) ἀδελφὸς (= adelfos: broer; zn nom mann enk) ἀδελφὸν (= adelfon: broer; zn acc mann enk van het zn αδελφος = adelfos: broer) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) θάνατον (= thanaton: dood; zn acc mann enk van het zn θανατος = thanatos: dood) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πατὴρ (= patèr: vader; zn nom mann enk) τέκνον (= teknon: kind; zn acc onz enk; zie wkw τικτω = tiktô: baren, bevallen), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπαναστήσονται (= epanastèsontai: zij zullen opstaan tegen; wkw med ind fut 3de pers onz mv van het wkw επανιστημι = epanistèmi: weer oprichten; med: opstaan, opstaan tegen) τέκνα (= tekna: kinderen; zn nom onz mv van het zn τεκνον = teknon: kind, het geborene, zie het wkw τικτω = tiktô: baren, bevallen) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) γονεῖς καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) θανατώσουσιν (= thanatôsousin: zij zullen doden; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw θανατοω = thanatoô: doden) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het):
Mc 13,13
καὶ ἔσεσθε μισούμενοι ὑπὸ πάντων διὰ τὸ ὄνομά μου. ὁ δὲ ὑπομείνας εἰς τέλος οὗτος σωθήσεται.
en jullie zullen zijn gehaat door allen omwille van mijn naam; maar de ondergaande tot een einde zal gered worden.
Mc 13,13 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔσεσθε (= esesthe: jullie zullen zijn; wkw act ind fut 2de pers mann mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned: is) μισούμενοι (= misoumenoi: wordende gehaat; wkw pass part praes nom mann mv van het wkw μισεω = miseô: haten) ὑπὸ (= hupo: door; vz met 3 naamvallen: gen, dat en acc: door, onder; afkorting: ὑπ' = hup' of ὑφ' = huf') πάντων (= pantôn: door allen; bv nw gen mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τὸ (= to: het, bep lidw acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὄνομά (= onoma: naam; nom + acc onz enk) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij). ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) ὑπομείνας (= hupomeinas: ondergaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ὑπομενω = hupomenô: achterblijven, afwachten, geduldig doorstaan, ondergaan) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τέλος (= telos: doel, einde; zn acc onz enk) οὗτος (= houtos: deze; aanwijz voornaamw nom mann enk) σωθήσεται (= sôthèsetai: hij zal gered worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw σῳζω = sôzô: redden, verlossen).
Mc 13,14
Οταν δὲ ἴδητε τὸ βδέλυγμα τῆς ἐρημώσεως ἑστηκότα ὅπου οὐ δεῖ, ὁ ἀναγινώσκων νοείτω, τότε οἱ ἐν τῇ Ἰουδαίᾳ φευγέτωσαν εἰς τὰ ὄρη,
Wanneer jullie dan de gruwel van de verwoesting zien, er staande waar het niet moet, de lezer wete het, dan zullen de bewoners in Judea naar de bergen vluchten.
Mc 13,14 Οταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) δὲ (= de: tegenover, echter, dan; nevensch vw) ἴδητε (= idète: jullie zouden zien; wkw act conjunct aor 2de pers mann mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien ; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) τὸ (= to: het, bep lidw acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) βδέλυγμα (bdelugma: het verafschuwde, gruwel; zn nom en acc onz enk) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ἐρημώσεως (= erèmôseôs: verwoesting, ontvolking; zn gen vr enk van het zn ἐρημώσις = erèmôsis: verwoesting, ontvolking) ἑστηκότα (= hestèkota: staande; wkw act part perf acc onz enk van het wkw ἱστημι = histèmi: doen staan, staan) ὅπου (= hopou: waar; onbep betr vnw) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) δεῖ (= dei: het moet; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δεω = deô: moeten), ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀναγινώσκων (= anagignôskôn: lezende, lezer; wkw act part praes nom mann enk van het wkw ἀναγινώσκω = anagignôskô: lezen) νοείτω (= noeitô: dat hij wete; wkw act imperat 3de pers enk van het wkw νοεω = noeô: weten), τότε (= tote: dan; bw van tijd; < to - de: dat echter; dan, daarop) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè: de; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: (de - het) Ἰουδαίᾳ (= joudaia: Judea; van het zn ιουδαια = ioudaia: Judea) φευγέτωσαν (= feugetôsan: dat zij vluchten; wkw act imperat praes 3de pers mv van het wkw φευγω = feugô. vluchten) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὰ (= ta; bep lidw acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὄρη (= orè: bergen; zn acc onz mv van het zn ορος = oros: berg),
Mc 13,15
ὁ [δὲ] ἐπὶ τοῦ δώματος μὴ καταβάτω μηδὲ εἰσελθάτω ἆραί τι ἐκ τῆς οἰκίας αὐτοῦ,
Wie zich op het dak van het huis bevindt, dat hij niet afdale noch het huis binnengaat om iets uit het huis te nemen.
Mc 13,15 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) [δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw)] ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δώματος (= dômatos: woning, huis; zn gen vr enk van het zn δώμα = dôma: gebouw, huis, woning, paleis; zie Lat: domus) μὴ ( = mè: niet; partikel van ontkenning) καταβάτω (= katabatô: dat hij afdale); wkw act imperat aor 3de pers enk van het wkw καταβαινω = katabainô: naar beneden dalen , afdalen) μηδὲ (= mède: niet echter < mè: niet, ontkenning bij conjunct + de = de: echter, lichte tegenstelling; partikel) εἰσελθάτω (= eiselthatô: dat hij binnenga; wkw act imperat aor 3de pers enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἆραί (= airai: te nemen; wkw act inf aor van het wkw αιρω = airô: nemen) τι (= ti: iets; onbep vnw acc onz enk) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit, + gen: vz) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) οἰκίας (= oikias: huizen; zn gen vr enk van het zn οικια = oikia: huis) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het),
Mc 13,16
καὶ ὁ εἰς τὸν ἀγρὸν μὴ ἐπιστρεψάτω εἰς τὰ ὀπίσω ἆραι τὸ ἱμάτιον αὐτοῦ.
En wie naar de akker (vlucht), dat hij niet op zijn stappen terugkere naar het achtergelatene om zijn kleed te nemen.
Mc 13,16 καὶ (= kai: en; nevensch vw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ἀγρὸν (= agron: akker; zn acc mann enk van het zn αγρος = agros: akker; stam: g/k - r) μὴ ( = mè: niet; partikel van ontkenning) ἐπιστρεψάτω (= epistrepsatô: dat hij terugkere; wkw act imperat aor 3de pers enk van het wkw επιστρεφω = epistrefô: naar iets toekeren) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὀπίσω (= opisô: achter; bw) ἆραι (= airai: te nemen; wkw act inf aor van het wkw αιρω = airô: nemen) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἱμάτιον (= himation: kleed; zn acc onz enk) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 13,17
οὐαὶ δὲ ταῖς ἐν γαστρὶ ἐχούσαις καὶ ταῖς θηλαζούσαις ἐν ἐκείναις ταῖς ἡμέραις.
Wee echter aan de zwangere en zogende vrouwen in die dagen.
Mc 13,17 οὐαὶ (= ouai: wee; uitroeppartikel) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) ταῖς (= tais: aan de; bep lidw dat vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) γαστρὶ (= gastri: in de buik; zn dat vr enk van het zn γαστηρ = gastèr: buik, schoot) ἐχούσαις (= echousais: aan de hebbende; wkw act part praes dat vr mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ταῖς (= tais: aan de; bep lidw dat vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θηλαζούσαις (= thèlazousais: wkw act part praes dat vr mv van het wkw θηλαζω = zogen, een kind voeden) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ἐκείναις (= ekeinais: 'in' die; aanwijz vnw dat vr mv van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) ταῖς (= tais: aan de; bep lidw dat vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἡμέραις (= hèmerais: dagen; zn dat vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?).
Mc 13,18
προσεύχεσθε δὲ ἵνα μὴ γένηται χειμῶνος:
Bidt echter opdat het niet 's winters gebeurt.
Mc 13,18 προσεύχεσθε (= proseuchesthe: bidt; wkw med / pass imperat praes 2de pers mv van het wkw προσεύχομαι: bidden) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) γένηται (= genètai: het zou gebeuren; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: worden, gebeuren) χειμῶνος (cheimônos: 's winters; zn gen mann enk van het zn χειμων: cheimôn: winter):
Mc 13,19
ἔσονται γὰρ αἱ ἡμέραι ἐκεῖναι θλῖψις οἵα οὐ γέγονεν τοιαύτη ἀπ' ἀρχῆς κτίσεως ἣν ἔκτισεν ὁ θεὸς ἕως τοῦ νῦν καὶ οὐ μὴ γένηται.
Want die dagen zullen er zijn; een dergelijke verdrukking als deze is vanaf het begin van de schepping die God schiep tot nu niet gebeurd en niet gebeure.
Mc 13,19 ἔσονται (= esontai: zij/er zullen zijn; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) αἱ (= hai: de; bep lidw nom vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἡμέραι (= hèmerai: dagen; zn nom vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) ἐκεjke ῖναι (= ekeinai: die; aanwijz vnw nom vr mv van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) θλῖψις (= thlipsis: verdrukking; zn nom vr enk) οἵα (= hoia: als; onbep vnw bv nw nom onz mv van het onbep vnw bv nw οἷος: zo een... als) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) γέγονεν (= gegonen: het gebeurde; wkw med / pass ind perf 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen) τοιαύτη (= toiautè: dergelijk, zodanig, zulk; aanwijz vnw nom vr enk van het aanwijz vnw τοιουτος = toioutos: zulk, dergelijk) ἀπ' (= ap, afkorting van απο = apo: af, van-weg; vz van plaats; afkorτing vóór een niet-geaspireerde klinker: απ' = ap' en vóór een geaspireerde klinker : αφ' = af') ἀρχῆς (= archès: vanaf het begin; zn gen vr enk van het zn αρχη = archè: begin, heerschappij) κτίσεως (= kriseôs: van de schepping; zn gen mann enk van het zn κτισις = ktisis: schepping) ἣν (= hèn; betrekk vnw acc vr enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat) ἔκτισεν (= ektisen: hij schiep; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw κτιζω = ktizô: funderen, grondleggen, opbouwen, scheppen, wonen) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θεὸς (= theos: God; zn nom mann enk) ἕως (= heôs: tot, totdat; onderschikkend vw) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) νῦν (= theos: God; zn nom mann enk) καὶ (= kai: en; nv vw) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) μὴ ( = mè: niet; partikel van ontkenning) γένηται (= genètai: het zou gebeuren; act conjunct aor 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: worden, gebeuren).
Mc 13,20
καὶ εἰ μὴ ἐκολόβωσεν κύριος τὰς ἡμέρας, οὐκ ἂν ἐσώθη πᾶσα σάρξ. ἀλλὰ διὰ τοὺς ἐκλεκτοὺς οὓς ἐξελέξατο ἐκολόβωσεν τὰς ἡμέρας.
En tenzij de Heer de dagen verkorte, zou niet elke mens gered worden maar omwille van de uitverkorenen die Hij uitverkoorde, verkorte hij de dagen.
Mc 13,20 καὶ (= kai: en; nv vw) εἰ (= ei: indien, of; vw van voorwaarde) μὴ ( = mè: niet; partikel van ontkenning) ἐκολόβωσεν (= ekolobôsen: hij verkorte; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw κολοβοω = verkorten) κύριος (= kurios: heer; zn nom mann enk; stam: k/h - r) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἡμέρας (= hèmeras: dagen, zn acc vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἂν (= an; partikel bij de conjunct) ἐσώθη (= esôthè: hij werd gered; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw σῳζω = sôzô: redden, verlossen) πᾶσα (= pasa: totaal; bv nw nom vr enk van het bv nw πᾶς = pas: ieder) σάρξ. (= sarks: vlees; zn nom vr enk) ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; vz = acc; + gen: tussen, te midden van, langs) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἐκλεκτοὺς (= eklektous: uitverkorenen; bv nw zelfstandig gebruikt acc mann mv van het bv nw ἐκλεκτος = eklektos: uitverkorene) οὓς (= hous: die; betrekk vnw acc mann mv van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat) ἐξελέξατο (= ekseleksato: hij verkoos uit; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw εκλεγω = eklegô: uit-lezen, uitverkiezen) ἐκολόβωσεν (= ekolobôsen: hij verkorrte; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw κολοβοω = verkorten) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἡμέρας (= hèmeras: dagen, zn acc vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?).
Mc 13,21
καὶ τότε ἐάν τις ὑμῖν εἴπῃ, Ἴδε ὧδε ὁ Χριστός, Ἴδε ἐκεῖ, μὴ πιστεύετε:
En wanneer dan iemand aan jullie zou zeggen: zie, hier is de Christus; zie hij is daar, gelooft het niet.
Mc 13,21 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τότε (= tote: dan; bw van tijd; < to - de: dat echter; dan, daarop) ἐάν (= ean: indien, ondergeschikt vw + conjunct om een voorwaarde in de toekomst uit te drukken) τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) εἴπῃ (= eipè: hij zou zeggen; wkw act conjunct aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon), Ἴδε (= ide zie; wkw act imperat aor 2de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; stam: ιδ = id) ὧδε (= hôde: hier; bw van plaats) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Χριστός (= christos: gezalfde, Christus; zn eigennaam nom mann enk), Ἴδε (= ide zie; wkw act imperat aor 2de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; stam: ιδ = id) ἐκεῖ (= ekei: hier; bijw van plaats: hier, daar; Fr.: ici; Ned.: hie-r), μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) πιστεύετε (= pisteuete: jullie geloven / gelooft; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw πιστευω = pisteuô: geloven, vertrouwen):
Mc 13,22
ἐγερθήσονται γὰρ ψευδόχριστοι καὶ ψευδοπροφῆται καὶ δώσουσιν σημεῖα καὶ τέρατα πρὸς τὸ ἀποπλανᾶν, εἰ δυνατόν, τοὺς ἐκλεκτούς.
Want er zullen pseudochristussen en pseudoprofeten opstaan en zij zullen tekens en voortekens geven om indien mogelijk de uitverkorenen af te laten dwalen.
Mc 13,22 ἐγερθήσονται (= egerthèsontai:: zij zullen opgewekt worden; wkw pass ind fut 3de pers mv van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ψευδόχριστοι (= pseudochristoi: pseudochristussen, schijn- ; zn nom mann mv van het zn ψευδόχριστος = pseudochristos: schijn- , pseudochristus) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ψευδοπροφῆται (= pseudoprofètai: schijnprofeten; zn nom mann mv van het zn ψευδοπροφήτης = pseudoprofètès: schijn- , pseudoprofeet) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) δώσουσιν (= dôsouisin: zij zullen geven; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave) σημεῖα (= sèmeia = sèmeia: tekens; zn acc onz mv van het zn σημειον = sèmeion. teken) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τέρατα (= terata: tekenen, voortekenen; zn acc onz mv van het zn τέρας = teras: wonderteken) προς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τὸ (= to: het; bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀποπλανᾶν (= apoplanan: af te dwalen; wkw act inf praes van het wkw ἀποπλαναω = apoplanaô: afdwalen), εἰ (= ei: indien, of; vw van voorwaarde) δυνατόν (= dunaton: mogelijk, machtig; bv nw nom onz enk van het bv nw δυνατὸς = dunatos: krachtig, machtig), τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἐκλεκτούς (= eklektous: uitverkorenen; bv nw zelfstandig gebruikt acc mann mv van het bv nw ἐκλεκτος = eklektos: uitverkorene).
Mc 13,23
ὑμεῖς δὲ βλέπετε: προείρηκα ὑμῖν πάντα.
Maar jullie richten jullie blik erop; ik heb jullie alles voorzegd.
Mc 13,23 ὑμεῖς (= humeis: jullie; pers vnw 2de pers nom mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) βλέπετε: (= blepete: jullie kijken, kijkt; wkw act ind praes + imperat praes 2de pers mv van het werkw βλεπω = blepô: kijken, zien) προείρηκα (= proeirèka: ik heb voorzegd; wkw act ind perf 1ste pers enk van het wkw προ-λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder).
Mc 13,24
Ἀλλὰ ἐν ἐκείναις ταῖς ἡμέραις μετὰ τὴν θλῖψιν ἐκείνην ὁ ἥλιος σκοτισθήσεται, καὶ ἡ σελήνη οὐ δώσει τὸ φέγγος αὐτῆς,
Maar in die dagen zal na die verdrukking de zon verduisterd worden en de maan zal niet haar licht geven.
Mc 13,24 Ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ἐκείναις (= ekeinais: 'in' die; anwijz vnw dat vr mv van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) ταῖς (= tais: aan de; bep lidw dat vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἡμέραις (= hèmerais: dagen; zn dat vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θλῖψιν (= thlipsin: verdrukking; zn acc vr enk van het zn θλιψις = thlipsis: verdrukking) ἐκείνην (= ekeinèn; aanwijz vnw acc vr enk van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἥλιος (= hèlios: zon; zn nom mann enk) σκοτισθήσεται (= skotisthèsetai: hij zal verduisterd worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw σκοτιζω = skotizô: verduisteren), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) σελήνη (= selènè: maan; zn nom vr enk). οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) δώσει ι (= dôsei (hij / zij zal geven; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave) τὸ (= to: het; bep lidw acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) φέγγος (= feggos: licht, glans; zn aac onz enk) αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij),
Mc 13,25
καὶ οἱ ἀστέρες ἔσονται ἐκ τοῦ οὐρανοῦ πίπτοντες, καὶ αἱ δυνάμεις αἱ ἐν τοῖς οὐρανοῖς σαλευθήσονται.
En er zullen uit de hemel vallende sterren zijn en de krachten die in de hemelen zullen geschud worden.
Mc 13,25 καὶ (= kai: en; nevensch vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀστέρες (= asteres: sterren; zn nom mann mv van het zn αστηρ = ster).ἔσονται (= esontai: zij/er zullen zijn; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) οὐρανοῦ (= ouranou: van hemel; zn gen mann enk van het zn ουρανος = ouranos: hemel) πίπτοντες (= piptontes: vallende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw πιπτω = piptô: vallen), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) αἱ (= hai: de; bep lidw nom vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δυνάμεις (= dunameis; krachten; zn nom vr mv van het zn δύναμις = dunamis: kracht, macht) αἱ (= hai: de; bep lidw nom vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) οὐρανοῖς (= ouranois; zn dat mann mv van het zn ουρανος = ouranos: hemel) σαλευθήσονται (= saleuthèsontai: zij zullen heen en weer geschud worden; wkw pass ind aor 3de pers mv van het wkw σαλευω = saleuô: heen en weer bewegen, schudden). .
Mc 13,26
καὶ τότε ὄψονται τὸν υἱὸν τοῦ ἀνθρώπου ἐρχόμενον ἐν νεφέλαις μετὰ δυνάμεως πολλῆς καὶ δόξης.
En dan zullen zij de mensenzoon zien komende in wolken met grote kracht en heerlijkheid.
Mc 13,26 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τότε (= tote: dan; bw van tijd; < to - de: dat echter; dan, daarop) ὄψονται (= opsontai: zij zullen zien; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw ὁραω = horaô: zien) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) υἱὸν (= huion: zoon; zn acc mann enk van het zn υἱος = huios: zoon; Ned.: zoon. D : Sohn. E : son. In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' : zoon, weer) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπου (= anthrôpou: van een mens; zn gen mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) ἐρχόμενον (= erchomenon: komende; wkw part praes acc mann enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) νεφέλαις (= nefelais: wolken; zn dat vr mv van het zn νεφέλη = nefelè: nevel, wolk) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') δυνάμεως (= dunameôs: kracht; zn gen vr enk van het zn δύναμις = dunamis: kracht, macht) πολλῆς (= pollès: van veel; bv nw gen vr enk van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) δόξης (= doksès: heerlijkheid; zn gen vr enk van het zn δοξη = doksè: heerlijkheid).
Mc 13,27
καὶ τότε ἀποστελεῖ τοὺς ἀγγέλους καὶ ἐπισυνάξει τοὺς ἐκλεκτοὺς [αὐτοῦ] ἐκ τῶν τεσσάρων ἀνέμων ἀπ' ἄκρου γῆς ἕως ἄκρου οὐρανοῦ.
En dan zal hij de engelen erop afsturen en hij zal zijn uitverkorenen bijeendrijven vanuit de vier windstreken vanaf het uiterste van de aarde tot het uiterste van de hemel.
Mc 13,27 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τότε (= tote: dan; bw van tijd; < to - de: dat echter; dan, daarop) ἀποστελεῖ (= apostelei: hij zal zenden; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw αποστελλω = apostellô: af-sturen, af-zenden, zenden) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀγγέλους (= aggelous: engelen; zn acc mann mv van het zn αγγελος = aggelos: engel) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπισυνάξει (= episunaksei: hij zal verzamelen; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw επισυναγω = episunagô: bijeendrijven, verzamelen) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐκλεκτοὺς (= eklektous: uitverkorenen; bv nw zelfstandig gebruikt acc mann mv van het bv nw ἐκλεκτος = eklektos: uitverkorene) [αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ] ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τεσσάρων (= tessarôn: vier; hoofdtelw gen mann mv van het hoofdtelw τεσσαρα: vier) ἀνέμων (= anemôn: van de windstreken; zn gen mann mv van het zn ανεμος = anemos: wind) ἀπ' (= ap, afkorting van απο = apo: af, van-weg); vz van plaats; afkorτing vóór een niet-geaspireerde klinker: απ' = ap' en vóór een geaspireerde klinker: αφ' = af') ἄκρου (= akrou: spits; zn gen enk van het zn en bv nw ακρος = akros: spits, uitstekend, voortreffelijk) γῆς (= gès: aarde, land; zn gen vr enk van het zn γη = gè: aarde, land) ἕως (= heôs: tot, totdat; onderschikkend vw) ἄκρου (= akrou: spits; zn gen enk van het zn en bv nw ακρος = akros: spits, uitstekend, voortreffelijk) οὐρανοῦ (= ouranou: van hemel; zn gen mann enk van het zn ουρανος = ouranos: hemel).
Mc 13,28
Ἀπὸ δὲ τῆς συκῆς μάθετε τὴν παραβολήν: ὅταν ἤδη ὁ κλάδος αὐτῆς ἁπαλὸς γένηται καὶ ἐκφύῃ τὰ φύλλα, γινώσκετε ὅτι ἐγγὺς τὸ θέρος ἐστίν.
Derhalve, leert over de vijgeboom de gelijkenis: zodra zijn tak reeds zacht wordt en de bladeren uitgroeien, weten jullie dat de oogst nabij is.
Mc 13,28 Ἀπὸ (= apo: weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap': vóór een niet-aangeblazen klinker en αφ' = af': vóór een aangeblazen klinker; vz van plaats) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) συκῆς (= sukès; zn gen vr enk van het zn συκῆ = sukè: vijgeboom) μάθετε (= mathete: leert; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô: leren ; Hebr.: lâ-m-ad. Stam : (l)-m-th/d.) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παραβολήν (= parabolèn: parabel, gelijkenis; acc vr enk van het zn παραβολη = parabolè: parabel, gelijkenis): ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) ἤδη (= èdè: reeds, al; bw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κλάδος (= tak, twijg; zn nom mann enk) αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἁπαλὸς (= apalos: week, teer, zacht; bv nw nom mann enk) γένηται (= genètai: het zou gebeuren; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: worden, gebeuren) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐκφύῃ (= ekfuè: hij zou voortbrengen; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw εκφυω = ekfuô: verwekken, voortbrengen) τὰ (= ta; bep lidw acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) φύλλα (= bladeren; acc onz mv van het zn φυλλον = fullon: blad), γινώσκετε (= ginôskete: weet; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: weten; gi-gnô-sk-ô; stam gn-, Ned.: kn) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἐγγὺς (= eggus: nabij; bw) τὸ (= to: het; bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θέρος (= oogst; zn nom onz enk) ἐστίν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-, zie Lat.: esse).
Mc 13,29
οὕτως καὶ ὑμεῖς, ὅταν ἴδητε ταῦτα γινόμενα, γινώσκετε ὅτι ἐγγύς ἐστιν ἐπὶ θύραις.
Zo ook jullie: zodra jullie deze gebeurtenissen zien, weet dat
Mc 13,29 οὕτως (= houtôs: op die wijze, zo; bw van wijze) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὑμεῖς (= humeis: jullie; pers vnw 2de pers nom mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) ἴδητε (= idète: jullie zouden zien; wkw act conjunct aor 2de pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien ; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) ταῦτα (= tauta: deze dingen; aanwijz vnw nom of acc onz mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) γινόμενα (= ginomena: het gebeurende; wkw part praes acc onz mv van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen), γινώσκετε (= ginôskete: weet; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: weten; gi-gnô-sk-ô; stam gn-, Ned.: kn) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἐγγύς (= eggus: nabij; bw) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) θύραις (= thurais: deuren; zn dat vr mv van het zn θυρα = thura. Ned: deur D: Tür E: door. Stam: d/t/th - r. Gr: δελτα = delta; 4de letter van het Griekse alfabet).
Mc 13,30
ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι οὐ μὴ παρέλθῃ ἡ γενεὰ αὕτη μέχρις οὗ ταῦτα πάντα γένηται.
Waarlijk ik zeg jullie dat dit geslacht niet voorbijgaat totdat dat alles gebeurt.
Mc 13,30 ἀμὴν (= amèn: amen, voorwaar, het zij zo; transcriptie uit het Hebreeuws) λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) παρέλθῃ (= parelthè: het zou voorbijgaan; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw παρερχομαι = parerchomai: langskomen, voorbijgaan) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γενεὰ (= genea: afstamming, geslacht, stam; zn nom vr enk) αὕτη (= hautè: deze; aanwijz vnw nom vr enk bij het aanwijz vnw οὑτος = houtos: deze) μέχρις (= mechris: tot dat; vz met gen) οὗ (= hou: van wat; betrekk vnw gen onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat) ταῦτα (= tauta: deze dingen; aanwijz vnw nom of acc onz mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) γένηται (= genètai: het zou gebeuren); wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: worden, gebeuren).
Mc 13,31
ὁ οὐρανὸς καὶ ἡ γῆ παρελεύσονται, οἱ δὲ λόγοι μου οὐ μὴ παρελεύσονται.
De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.
Mc 13,31 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) οὐρανὸς (= ouranos: hemel; zn mann enk) καὶ (= kai: en; nv vw) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γῆ (= gè: aarde, land; zn nom vr enk) παρελεύσονται (= pareleusontai: zij zullen langskomen, voorbijgaan; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw παρερχομαι = parerchomai: langskomen, voorbijgaan), οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) λόγοι (= logoi: woorden; zn nw nom mann mv van het zn λογος = logos: woord) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning) παρελεύσονται (= pareleusontai: zij zullen langskomen, voorbijgaan; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw παρερχομαι = parerchomai: langskomen, voorbijgaan).
Mc 13,32
Περὶ δὲ τῆς ἡμέρας ἐκείνης ἢ τῆς ὥρας οὐδεὶς οἶδεν, οὐδὲ οἱ ἄγγελοι ἐν οὐρανῷ οὐδὲ ὁ υἱός, εἰ μὴ ὁ πατήρ.
Maar niemand weet (wat) over die dag of dat uur; noch de engelen in de hemel noch de zoon tenzij (alleen) de vader.
Mc 13,32 Περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ἡμέρας (= hèmeras: van de dag; zn gen vr enk van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) ἐκείνης (= ekeinès: van die; aanwijz vnw gen vr enk van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) ἢ (= è: of; partikel) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ὥρας (= hôras: uur; zn gen vr enk van het zn ὡρα = hôra: uur) οὐδεὶς (= oudeis: niemand; onbep vnw nom mann enk) οἶδεν (= oiden: hij weet; wkw act ind aor 3de pers enk; zie het wkw οιδα = oida: ik weet), οὐδὲ (= oude: noch; ontkenning; afkorting: ουδ' = oud') οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἄγγελοι (= aggeloi: engelen; zn nom mann mv van het zn αγγελος = aggelos: engel) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) οὐρανῷ (= ouranô: hemel; zn dat mann enk van het zn ουρανος = ouranos: hemel) οὐδὲ (= oude: noch; ontkenning; afkorting: ουδ' = oud') ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱός (= huios: zoon; zn nom mann enk), εἰ (= ei: indien, of; vw van voorwaarde) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πατήρ (= patèr: vader; zn nom mann enk).
Mc 13,33
βλέπετε ἀγρυπνεῖτε: οὐκ οἴδατε γὰρ πότε ὁ καιρός ἐστιν.
Kijkt uit, weest waakzaam (alert), want je weet niet wanneer het moment er is.
Mc 13,33 βλέπετε (= blepete: jullie kijken, kijkt;
wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw βλεπω = blepô: kijken, zien) ἀγρυπνεῖτε (= agrupneite: waakt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw ἀγρυπνεω =
agrupneô: slaaploos of wakker zijn, waken): οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) οἴδατε (= oidate: jullie weten; wkw act ind 2de pers mv; zie het wkw οιδα = oida: ik weet) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) πότε (= pote: wanneer? vrag vnw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) καιρός (= kairos: het gunstige moment; zn nom mann enk) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- , zie Lat.: esse).
Mc 13,34
ὡς ἄνθρωπος ἀπόδημος ἀφεὶς τὴν οἰκίαν αὐτοῦ καὶ δοὺς τοῖς δούλοις αὐτοῦ τὴν ἐξουσίαν, ἑκάστῳ τὸ ἔργον αὐτοῦ, καὶ τῷ θυρωρῷ ἐνετείλατο ἵνα γρηγορῇ.
zoals een man op reis gaat, verlatende zijn huis en gevende aan zijn dienaren de macht, aan ieder zijn werk, en aan de deurwachter beval hij om waakzaam (alert) te zijn.
Mc 13,34 ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) ἄνθρωπος (= anthrôpos: mens; zn nom mann enk) ἀπόδημος (= apodèmos: buitenlands, op reis; bv nw nom mann enk) ἀφεὶς (= afeis: aflatende, achterlatende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) οἰκίαν (= oikian: huis; zn acc vr enk van het zn οικια = oikia: huis) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nv vw) δοὺς (= dous: gevende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr:
donner - don: geven - gave) τοῖς (= tois: aan de; bep lidw dat mann en onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δούλοις (= doulois: aan de dienaars; zn dat mann mv van het zn δουλος = doulos: slaaf, dienaar) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐξουσίαν (= exousian: macht, gezag; zn acc vr enk van het zn εξουσια = exousia: gezag, macht), ἑκάστῳ (hekastô: aan ieder; onbep vnw dat mann enk van het onbep vnw ἑκάστος = ieder) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἔργον (= ergon: werk; zn acc onz enk) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ (= kai: en; nv vw) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θυρωρῷ (= thurôrô: aan de deurwachter, portier; zn dat mann enk van het zn θυρωρος = thurôros: deurwachter, portier) ἐνετείλατο (= eneteilato: hij beval; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw εντελλω = entellô: bevelen, opdragen, vragen) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) γρηγορῇ (= grègorèi; hij zou waken; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw γρηγορεω = grègoreô: waken).
Mc 13,35
γρηγορεῖτε οὖν, οὐκ οἴδατε γὰρ πότε ὁ κύριος τῆς οἰκίας ἔρχεται, ἢ ὀψὲ ἢ μεσονύκτιον ἢ ἀλεκτοροφωνίας ἢ πρωΐ,
Weest derhalve waakzaam, want jullie weten niet wanneer de huisheer komt, of 's avonds of bij middernacht of bij het hannegekraai of 's morgens vroeg.
Mc 13,35 γρηγορεῖτε (= grègorèi; hij zou waken; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw γρηγορεω = grègoreô: waken) οὖν (= oun: dus, bijgevolg; partikel), οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) οἴδατε (= oidate: jullie weten; wkw act ind 2de pers mv; zie het wkw οιδα = oida: ik weet) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) πότε (= pote: wanneer? vrag vnw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κύριος (= kurios: heer; zn nom mann enk; stam: k/h - r) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) οἰκίας (= oikias: van het huis; zn gen vr enk van het zn οικια = oikia: huis) ἔρχεται (= erchetai: hij gaat; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden), ἢ (= è: of; partikel) ὀψὲ (= opse: laat; bw) ἢ (= è: of; partikel) μεσονύκτιον (= mesovuktiou: om middernacht; zn gen onz enk van het zn μεσονύκτιον = mesonuktion: middernacht) ἢ (= è: of; partikel) ἀλεκτοροφωνίας (= aleofônias: bij hanengekraai; zn gen venk van het zn ἀλεκτοροφωνία = aleofônia: hanengekraai) ἢ (= è: of; partikel) πρωΐ (= prôi: 's morgens; bw van tijd),
Mc 13,36
μὴ ἐλθὼν ἐξαίφνης εὕρῃ ὑμᾶς καθεύδοντας.
dat hij, plotseling gekomen, jullie niet slapend zou vinden.
Mc 13,36 μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἐλθὼν (= elthôn: gekomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐξαίφνης (= eksaifnès: plotseling, onverwacht; bw) εὕρῃ (= heurè: hij zou vinden; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw εὑρισκω = heuriskô: vinden) ὑμᾶς (= humas: jullie, pers vnw 2de pers acc mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) καθεύδοντας (= katheudontas: slapend; wkw act part praes acc mann mv van het wkw καθευδω = katheudô: slapen).
Mc 13,37
ὃ δὲ ὑμῖν λέγω, πᾶσιν λέγω, γρηγορεῖτε.
wat ik echter tot jullie zeg, aan allen zeg ik: weest waakzaam (alert).
Mc 13,37 ὃ (= ho; betrekk vnw acc onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wat) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep), πᾶσιν (= pasin: aan allen; bv dat mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep), γρηγορεῖτε (= grègorèite; waakt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw γρηγορεω = grègoreô: waken).
Mc 14,1
*)=ην δὲ τὸ πάσχα καὶ τὰ ἄζυμα μετὰ δύο ἡμέρας. καὶ ἐζήτουν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς πῶς αὐτὸν ἐν δόλῳ κρατήσαντες ἀποκτείνωσιν:
Maar het was na twee dagen Pasen en de ongedesemde broden en de hogepriesters en de Schriftgeleerden zochten hoe ze met een list hem zouden overmeesteren en doden.
Mc 14,1*)=ην (= èn: hij was; wkw act ind imperf 3de mann pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat: esse; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πάσχα (= pascha; pascha, Pesach, Pasen; zn nom onz enk) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τὰ (= ta; bep lidw nom onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') δύο (= duo: twee; hoofdtelw) ἡμέρας. (= hèmeras: dagen, zn acc vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐζήτουν (= ezètoun: zij zochten; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ζητεω = zèteô: zoeken) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀρχιερεῖς (= archiereis: hogepriesters; zn nom mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραμματεῖς (= grammateis: Schriftgeleerden; zn nom mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde; uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα: assimilatie van de f aan de m; γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) πῶς (= pôs: hoe; onbep vrag vnw) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) δόλῳ (= dolô: met list; zn dat mann enk van het zn δόλος = dolos: list, bedrog) κρατήσαντες (= kratèsantes: overmachtigd, vastgenomen; wkw act part aor nom mann mv van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van) ἀποκτείνωσιν (= apokteinôsin: zij zouden doden; wkw act conjunct praes 3de pers mann mv van het wkw αποκτεινω = apokteinô: doden):
Mc 14,2
ἔλεγον γάρ, Μὴ ἐν τῇ ἑορτῇ, μήποτε ἔσται θόρυβος τοῦ λαοῦ.
Want ze zeiden: niet op het feest opdat er geen oproer van het volk zal zijn.
Mc 14,2 ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) γάρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden), μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἑορτῇ (= heortè: feest; zn dat vr enk van het zn ἑορτη = heortè: feest), μήποτε (= mèpote: opdat niet; bw: nooit, niets eens; vw: opdat niet) ἔσται (= estai: hij zal zijn; wkw act ind fut 3de pers mann enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat: esse) θόρυβος (= thorubos: oprier; nom mann enk: lawaai, rumoer, onrust, oproer) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) λαοῦ (= laou: van het volk; zn gen mann enk van het zn λαος = laos: volk).
Mc 14,3
Καὶ ὄντος αὐτοῦ ἐν Βηθανίᾳ ἐν τῇ οἰκίᾳ Σίμωνος τοῦ λεπροῦ κατακειμένου αὐτοῦ ἦλθεν γυνὴ ἔχουσα ἀλάβαστρον μύρου νάρδου πιστικῆς πολυτελοῦς: συντρίψασα τὴν ἀλάβαστρον κατέχεεν αὐτοῦ τῆς κεφαλῆς.
En terwijl hij in Bethanië in het huis van Simon, de melaatse, was en terwijl hij aanlag kwam een vrouw met een albasten flesje van kostbare betrouwbare balsem, sloeg het stuk en goot de olie van het albastenflesje over zijn hoofd.
Mc 14,3 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὄντος (= ontos: terwijl hij is; wkw act part praes gen mann enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat: esse) αὐτοῦ (= autou; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) Βηθανίᾳ (= bèthania: in Bethanië; zn eigennaam, plaatsnaam, dat vr enk van het zn Βηθανια = bèthania: Betanië < Βηθ = bèth: huis en ανια = ania: behoeftigen. De betekenis van deze naam is “Huis van lijden” of “Huis der behoeftigen / nooddruftigen”, – bet staat voor huis , – ani (Hebreeuws) of – ania (Aramees) staan voor: armoede, lijden) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) οἰκίᾳ (= oikia: huis; zn dat vr enk van het zn οικια = oikia: huis) Σίμωνος (= simônos: van Simon; zn eigennaam gen mann enk van het zn σιμων = Simôn: Simon) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) λεπροῦ (= leprou: van de melaatse; zn gen mann enk van het zn λεπρος = lepros: melaatse) κατακειμένου (= katakeimenou: terwijl hij neerligt / aanligt; wkw med part praes gen mann enk van het wkw κατακειμαι = katakeimai: neerliggen, aanliggen) αὐτοῦ (= autou; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἦλθεν (= èlthen: hij kwam; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) γυνὴ (= gunè: vrouw; zn nom vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw) ἔχουσα (= echousa: hebbende; wkw act part praes nom vr enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ἀλάβαστρον (= alabastron: albast, zalfflesje; zn acc onz enk) μύρου (= murou: van balsem; zn gen onz enk van het zn μυρος = muros: welriekende olie, zalf, balsem, parfum) νάρδου (= nardou: van nardusolie; zn gen vr enk van het zn ναρδος = nardos: nardusolie) πιστικῆς (= pistikès: van betrouwbare; bv nw gen vr enk van het bv nw πιστικος = pistikos: betrouwbaar, echt) πολυτελοῦς: (= polutelous: van kostbare; bv nw gen vr enk van het bv nw πολυτελης = polutelès: kostbaar, waardevol) συντρίψασα (= suntripsasa: stuk geslagen; wkw act part aor nom vr enk van het wkw συντριβω = suntribô: stuk slaan, tegen elkaar wrijven) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀλάβαστρον (= alabastron: albast, zalfflesje; de olie van het albastenflesje; zn acc vr enk) κατέχεεν (= katecheen: zij goot neer; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw κατα-χεω = kata- cheô: neergieten, gieten over; opgelet: het is niet het wkw κατ-εχω = kat-echô: naar beneden houden, tegenhouden) αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κεφαλῆς (= kefalès: van het hoofd; zn gen vr enk van het zn κεφαλη = kefalè: hoofd).
Mc 14,4
ἦσαν δέ τινες ἀγανακτοῦντες πρὸς ἑαυτούς, Εἰς τί ἡ ἀπώλεια αὕτη τοῦ μύρου γέγονεν;
Maar sommigen waren zich aan het ergeren: waarom is deze verspilling van balsem gebeurd?
Mc 14,4 ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) δέ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw; afkorting δ' = d') τινες (= tines: sommigen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw τις - τι = tis, ti: iemand, iets; mv: sommigen) ἀγανακτοῦντες (= aganaktountes: zich ergerende ; wkw act part praes nom mann mv van het wkw ἀγανακτεω = aganakteô: zich ergeren) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) ἑαυτούς (= heautous: zichzelf; wederkerig vnw acc mann mv van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf), εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις, τι= tis, ti : wie?, wat? ) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀπώλεια (= apôleia: vernietiging, ondergang, verkwisting; zn nom vr enk; zie het wkw απολλυμι = apollumi: verderven, verdoemen) αὕτη (= hautè: deze; aanwijz vnw nom vr enk bij het aanwijz vnw οὑτος = houtos: deze) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μύρου (= murou: van balsem; zn gen onz enk van het zn μυρον = muron: welriekende olie, zalf, balsem, parfum) γέγονεν (= gegonen: is gebeurd; wkw med / pass ind perf 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen);
Mc 14,5
ἠδύνατο γὰρ τοῦτο τὸ μύρον πραθῆναι ἐπάνω δηναρίων τριακοσίων καὶ δοθῆναι τοῖς πτωχοῖς: καὶ ἐνεβριμῶντο αὐτῇ.
Want deze balsem kon verkocht worden boven driehonderd denariën en aan de armen gegeven worden en zij waren vertoornd op haar.
Mc 14,5 ἠδύνατο (= èdunato: het kon; wkw med of pass ind imperf 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) τοῦτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr: tu) τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μύρον (= muron: welriekende olie, zalf, balsem, parfum; zn nom onz enk) πραθῆναι (= prathènai: verkocht te worden; wkw pass inf aor van het wkw πιπρασκω = pipraskô: verkopen) ἐπάνω (= epanô: bovenop; vz van plaats) δηναρίων (= dènariôn: van denariën; zn gen onz mv van het zn δηναριον = dènarion: denarie) τριακοσίων (= triakosiôn: van driehonderd; hoofdtelw gen onz mv van het hoofdtelw τριακοσιοι. driehonderd) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) δοθῆναι (= dothènai: te worden gegeven; wkw pass inf aor van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πτωχοῖς (= ptôchois: aan de armen; bv nw dat onz mv van het bv nw πτωχος = ptôchos: arme): καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐνεβριμῶντο (= enebrimônto: zij waren vertoornd op; wkw med of pass ind imperf 3de pers mv van het wkw εμβριμαομαι = diep bewogen zijn, vertoornd zijn, uitdrukkelijk gelasten, verwijten) αὐτῇ (= autè: aan haar; pers vnw enk dat vr enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 14,6
ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν, Ἄφετε αὐτήν: τί αὐτῇ κόπους παρέχετε; καλὸν ἔργον ἠργάσατο ἐν ἐμοί.
Maar Jezus zei: Laten jullie haar. Wat brengen jullie haar slagen / kwellingen toe / aan. Zij bewerkte een goed werk aan mij.
Mc 14,6 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Ἄφετε (= afete: laten jullie; wkw act imperat aor 2de pers mann mv van het wkw αφιημι = afièmi: aflaten, toestaan) αὐτήν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij): τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) αὐτῇ (= autè: aan haar; pers vnw enk dat vr enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) κόπους (= kopous: slagen; zn acc mann mv van het zn κόπος: het slaan, slag) παρέχετε (= parechete: jullie verschaffen; wkw act ind praes 2de pers mann mv van het wkw παρέχω: verschaffen, aanbieden, veroorzaken, maken tot); καλὸν (= kalon: goed; bv nw acc onz enk van het bv nw καλος = kalos: goed, mooi, schoon) ἔργον (= ergon: werk; zn acc onz enk) ἠργάσατο (= èrgasato: zij bewerkte; wkw med ind aor 3de pers vr enk van het wkw εργαζω = ergadzô: bewerken) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ἐμοί (= emoi: aan mij; pers vnw 1ste pers dat mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij).
Mc 14,7
πάντοτε γὰρ τοὺς πτωχοὺς ἔχετε μεθ' ἑαυτῶν, καὶ ὅταν θέλητε δύνασθε αὐτοῖς εὖ ποιῆσαι, ἐμὲ δὲ οὐ πάντοτε ἔχετε.
Want jullie hebben altyijd de armen bij jullie, en wanneer jullie zouden willen, kunnen jullie altijd hen goed doen; maar mij hebben jullie niet altijd.
Mc 14,7 πάντοτε (= pantote: al-tijd; bw) γὰρ (nevenschikkend vw van reden: want) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πτωχοὺς (= ptôchous: armen; bv nw acc onz mv van het bv nw πτωχος = ptôchos: arme) ἔχετε (= echete: jullie hebben; wkw act ind praes 2de pers mann mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) μεθ' (= meth', afkorting van μετα = meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' ) ἑαυτῶν (= heautôn: met zichzelf; wederkerig vnw gen mann mv van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) θέλητε (= thelète: jullie zouden willen; wkw act conjunc praes 2de pers mann mv van het wkw θελω = thelô: willen) δύνασθε (= dunasthe: jullie kunnen; wkw med of pass ind praes 2de pers mann mv van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) εὖ (= eu: goed; bw) ποιῆσαι (= poièsai: te doen; wkw act inf aor van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken), ἐμὲ (= eme: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) πάντοτε (= pantote: al-tijd; bw) ἔχετε. (= echete: jullie hebben; wkw act ind praes 2de mann mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten)
Mc 14,8
ὃ ἔσχεν ἐποίησεν: προέλαβεν μυρίσαι τὸ σῶμά μου εἰς τὸν ἐνταφιασμόν.
Wat zij had, deed zij; zij anticipeerde het balsemen van mijn lichaam met het oog op de begrafenis.
Mc 14,8 ὃ (= ho; betrekk vnw acc onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat) ἔσχεν (= eschen: zij had; wkw act ind aor 3de pers vr enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ἐποίησεν (= epoièsen: zij deed; wkw act ind aor 3de pers vr enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken): προέλαβεν (= proelaben: zij nam vooraf, zij anticipeerde; wkw act ind aor 3de pers vr enk van het wkw προλαμβανω = vooraf nemen, anticiperen; zie het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) μυρίσαι (= murisai; te balsemen; wkw act inf aor van het wkw μυριζω = muridzô: zalven, balsemen) τὸ (= to: het, bep lidw acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) σῶμά (= sôma: lichaam: zn acc onz enk) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐνταφιασμόν (= entafiasmon: begrafenis; zn acc mann enk van het zn ἐνταφιασμος = entafiasmos: balseming, begrafenis).
Mc 14,9
ἀμὴν δὲ λέγω ὑμῖν, ὅπου ἐὰν κηρυχθῇ τὸ εὐαγγέλιον εἰς ὅλον τὸν κόσμον, καὶ ὃ ἐποίησεν αὕτη λαληθήσεται εἰς μνημόσυνον αὐτῆς. Maar voorwaar ik zeg jullie: waar ook het evangelie zou verkondigd worden over de hele wereld, ook zal wat deze deed, gezegd worden tot gedachtenis aan haar.
Mc 14,9 ἀμὴν (= amèn: amen, voorwaar, het zij zo; transcriptie uit het Hebreeuws) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mann mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie), ὅπου (= hopou: waar; onbep betr vnw) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) κηρυχθῇ (= kèruchthè: het zou verkondigd worden; wkw pass conjunct aor 3de pers onz enk van het wkw. κηρυσσω = kèrussô: verkondigen) τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) εὐαγγέλιον (= euaggelion; goede boodschap; zn nom onz enk) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) ὅλον (= holon: heel; bv nw acc mann enk van het bv ὁλος = holos: heel) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κόσμον (= kosmon: wereld; zn acc mann enk van het zn κόσμος = kosmos: wereld), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὃ (= ho; betrekk vnw acc onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wat) ἐποίησεν (= epoièsen: zij deed; wkw act ind aor 3de pers vr enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) αὕτη (= hautè: deze; aanwijz vnw nom vr enk bij het aanwijz vnw οὑτος = houtos: deze) λαληθήσεται (= lalèthèsetai: het zal gezegd worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) μνημόσυνον ( = mnèmosunon: aandenken, herinnering, gedachtenis; zn acc onz enk) αὐτῆς (= autès: aan haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij).
Mc 14,10
Καὶ Ἰούδας Ἰσκαριὼθ ὁ εἷς τῶν δώδεκα ἀπῆλθεν πρὸς τοὺς ἀρχιερεῖς ἵνα αὐτὸν παραδοῖ αὐτοῖς.
En Judas Iskarioth, de één van de twaalf, ging weg naar de hogepriesters opda t hij hem aan hen zou overleveren.
Mc 14,10 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Ἰούδας (= ioudas: Judas; zn eigennaam) Ἰσκαριὼθ (= iskariôth: Iskarioth; zn eigennaam) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δώδεκα (= dôdeka: twaalf; hoofdtelw) ἀπῆλθεν (= apèlthen: zij gingen weg; wkw med ind aor 3de pers mann enk van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker, van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D: Weg. E: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) προς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀρχιερεῖς (= archiereis: hogepriesters; zn nom mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) παραδοῖ (= paradoi: hij zou overleveren; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij).
Mc 14,11
οἱ δὲ ἀκούσαντες ἐχάρησαν καὶ ἐπηγγείλαντο αὐτῷ ἀργύριον δοῦναι. καὶ ἐζήτει πῶς αὐτὸν εὐκαίρως παραδοῖ.
Maar de toehoorders verheugden zich erover en zij beloofden hem goud te geven en hij zocht hoe hij hem op een gunstig moment zou overleveren.
Mc 14,11 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἀκούσαντες (= akousantes: gehoord; wkw act part aor nom mann mv van het wkw ακουω = akouô, Fr.: é-cou-ter) ἐχάρησαν (= echarèsan: zij verheugden zich; wkw act ind aor 3de pers mann mv van het wkw χαιρω = chairô: zich verheugen) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπηγγείλαντο (epèggeilanto: en zij beloofden; wkw med of pass ind aor 3de pers mann mv van het wkw epaggellô: med: voorstellen, beloven) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἀργύριον (= argurion: zilver; zn acc onz enk; zilver, geld, munt, zilverling) δοῦναι (= dounai: om te geven; wkw act inf aor van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave gift . Fr: donner - don: geven - gave). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐζήτει (= ezètei: hij zocht; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw ζητεω = zèteô: zoeken) πῶς (= pôs: hoe; onbep vrag vnw) αυτον (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εὐκαιρως (= eukairôs: juist op tijd, gunstig gelegen moment; bw) παραδοῖ (= paradoi: hij zou overleveren; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren).
Mc 14,12
Καὶ τῇ πρώτῃ ἡμέρᾳ τῶν ἀζύμων, ὅτε τὸ πάσχα ἔθυον, λέγουσιν αὐτῷ οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ, Ποῦ θέλεις ἀπελθόντες ἑτοιμάσωμεν ἵνα φάγῃς τὸ πάσχα;
En op de eerste dag van de ongedesemde broden, wanneer zij het paaslam slachtten, zeggen zijn leerlingen hem: waar - wil je - zouden wij vertrokken zijnde de voorbereidingen treffen opdat jij het paaslam zoudt eten.
Mc 14,12 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πρώτῃ (= prôtè: eerste; rangtelw dat vr enk van het rangtelw πρωτος = prôtos: eerste) ἡμέρᾳ (= hèmera: tijdens de dag; zn dat vr enk van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀζύμων (= adzumôn: van ongedesemde broden; bv nw gen onz mv van het bv nw ἄζυμος = adzumos: ongegist, ongedesemd), ὅτε (= hote: toen; ondergeschikt vw van tijd) τὸ (= to: het, bep lidw acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πάσχα (= pascha; pascha, Pesach, Pasen, paaslam; zn nom onz enk) ἔθυον (= ethuon: zij offerden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw θυω = thuô: offeren), λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) Ποῦ (= pou: waar; vrag bw van plaats) θέλεις (= theleis: jij wilt; wkw act ind praes 2de pers mann enk van het wkw θελω = thelô: willen) ἀπελθόντες (= apelthontes: weggaand; wkw med of pass part aor nom mann mv van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker / medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) ἑτοιμάσωμεν (= hetoimasômen: wij zouden bereiden; wkw act conjunct aor 1ste pers mv van het wkw ἑτοιμαζω = hetoimazô: gereed maken, voorbereiden) ἵνα (= hina: opdat; ondergeschikt vw van doel) φάγῃς (= fagès: jij zoudt eten; wkw act conjunct aor 2de pers enk bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102) τὸ (= to: het, bep lidw acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πάσχα (= pascha; pascha, Pesach, Pasen, paaslam; zn acc onz enk);
Mc 14,13
καὶ ἀποστέλλει δύο τῶν μαθητῶν αὐτοῦ καὶ λέγει αὐτοῖς, Ὑπάγετε εἰς τὴν πόλιν, καὶ ἀπαντήσει ὑμῖν ἄνθρωπος κεράμιον ὕδατος βαστάζων: ἀκολουθήσατε αὐτῷ,
En hij zendt twee van zijn leerlingen en zegt hen: Gaat naar de stad en een man, dragende een waterkruik, zal jullie tegenkomen.
Mc 14,13 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀποστέλλει (= apostellei: hij zendt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen afzenden) δύο (= duo: twee; hoofdtelw) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μαθητῶν (= mathètôn: van de leerlingen; zn gen mann mv van het zn μαθητης = mathè-tès: leer-ling; wkw μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô: leren; Hebr: lâ-m-ad. Stam: l-m-th/d) αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij): Ὑπάγετε (= hupagete: gaat weg; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πόλιν (= polin: stad; zn acc vr enk van het zn πόλις = polis: stad), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπαντήσει (= apantèsei: hij zal tegenkomen; wkw act ind fut 2de pers enk van het wkw ἀπανταω = apantaô: tegenkomen, ontmoeten) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mann mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ἄνθρωπος (= anthrôpos: mens; zn nom mann enk) κεράμιον (= keramion: kruik, vat; zn acc onz enk) ὕδατος (= hudatos: van water; zn gen onz enk van het zn ὑδωρ = hudôr: water; stam: h/w, d/t, r ) βαστάζων: (= bastadzôn: dragende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw βαστάζω: dragen, wegnemen) ἀκολουθήσατε (= akolouthèsate: volgt; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het),
Mc 14,14
καὶ ὅπου ἐὰν εἰσέλθῃ εἴπατε τῷ οἰκοδεσπότῃ ὅτι Ὁ διδάσκαλος λέγει, Ποῦ ἐστιν τὸ κατάλυμά μου ὅπου τὸ πάσχα μετὰ τῶν μαθητῶν μου φάγω;
En waar hij zou binnengaan, zegt aan de huismeester dat de leermeester zegt: waar is het vertrek waar ik het paaslam met mijn leerlingen zou eten?
Mc 14,14 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὅπου (= hopou: waar; onbep betr bw) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) εἰσέλθῃ (= eiselthè: hij zou binnengaan; wkw act conjunct aor 3de pers mann enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἴπατε (= eipate: zegt; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) οἰκοδεσπότῃ (= oikodespotè: huismeester: zn dat mann enk van het zn οἰκοδεσπότης = oikodespotès: huismeester) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) διδάσκαλος (= didaskalos: leraar, leermeester; nom mann enk) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) Ποῦ (= pou: waar; vrag bw van plaats) ἐστιν (= estin: het is, wkw act ind praes 3de pers onz enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) κατάλυμά (= kataluma: herberg, vertrek; nom onz enk) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) ὅπου (= hopou: waar; onbep betr bw) τὸ (= to: het, bep lidw acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πάσχα (= pascha; pascha, Pesach, Pasen; zn acc onz enk) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μαθητῶν (= mathètôn: van de leerlingen; zn gen mann mv van μαθητης = mathè-tès : leer-ling; wkw μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô: leren ; Hebr.: lâ-m-ad. Stam : (l)-m-th/d.) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) φάγω (= fagô: ik zou eten; wkw act conjunct aor 1ste pers enk bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102);
Mc 14,15
καὶ αὐτὸς ὑμῖν δείξει ἀνάγαιον μέγα ἐστρωμένον ἕτοιμον: καὶ ἐκεῖ ἑτοιμάσατε ἡμῖν.
En hij zal jullie een grote bovenzaal, gedekt en klaar, tonen en maakt daar voor ons gereed.
Mc 14,15 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) αὐτὸς (= autos: hij, zelf; pers vnw nom mann enk) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mann mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) δείξει (= deiksei: hij zal tonen; wkw act ind fut 3de pers mann enk van het wkw δεικνυμι = deiknumi: tonen, wijzen, laten zien) ἀνάγαιον (= anagaion: bovenkamer, eetzaal; zn acc onz enk) μέγα (= mega: groot; bv nw acc onz enk van het bv nw = megas: groot) ἐστρωμένον (= estrômenon: uitgespreid, bedekt; wkw pass part perf acc onz enk van het wkw στρωννυμι = strônnumi: uitspreiden, bedekken) ἕτοιμον (= hetoimon: klaar, gereed; bv nw acc onz enk van het bv nw ἕτοιμος = hetoimos: klaar, bereid): καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐκεῖ (= ekei: hier; bijw van plaats: hier, daar; Fr: ici; Ned: hie-r) ἑτοιμάσατε (= hetoimasate: maakt gereed; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw ἑτοιμαζω = hetoimazô: gereed maken, voorbereiden) ἡμῖν (= hèmin: voor ons; pers vnw dat mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: wij).
Mc 14,16
καὶ ἐξῆλθον οἱ μαθηταὶ καὶ ἦλθον εἰς τὴν πόλιν καὶ εὗρον καθὼς εἶπεν αὐτοῖς, καὶ ἡτοίμασαν τὸ πάσχα.
En de leerlingen gingen naar buiten en zij gingen naar de stad en zij bevonden het zoals hij had gezegd en zij bereidden het paaslam.
Mc 14,16 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξῆλθον (= exèlthon: zij gingen uit; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἦλθον (= èlthon: zij kwamen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πόλιν (= polin: stad; zn acc vr enk van het zn πόλις = polis: stad) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εὗρον (= heuron: zij vonden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw εὑρι-σκ-ω = heuri-sk-ô: vinden; stam: w - r) καθὼς (= kathôs: zoals, vw van vergelijking) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers mann enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἡτοίμασαν (= hètoimasan: zij bereidden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ἑτοιμαζω = hetoimazô: gereed maken, voorbereiden) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πάσχα (= pascha; pascha, Pesach, Pasen, paaslam ; zn nom onz enk).
Mc 14,17
Καὶ ὀψίας γενομένης ἔρχεται μετὰ τῶν δώδεκα.
En toen het avond was geworden, gaat hij met de twaalf.
Mc 14,17 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὀψίας (= opsias: 's avonds; zn gen vr enk van het zn οψια = opsia: avond) γενομένης (= genomenès: geworden; wkw med part aor gen vr enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren - stam gen-) ἔρχεται (= erchetai: hij gaat, hij komt; wkw act ind praes 3de pers mann enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δώδεκα (= dôdeka: twaalf; hoofdtelw).
Mc 14,18
καὶ ἀνακειμένων αὐτῶν καὶ ἐσθιόντων ὁ Ἰησοῦς εἶπεν, Ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι εἷς ἐξ ὑμῶν παραδώσει με, ὁ ἐσθίων μετ' ἐμοῦ.
En terwijl zij aanliggen en eten, zei Jezus: voorwaar ik zeg jullie dat één uit jullie mij zal overleveren, de etende met mij.
Mc 14,18 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀνακειμένων (= anakeimenôn: aanliggende; wkw med / pass part praes nom mann mv van het wkw ἀνακειμαι: aanliggen) αὐτῶν (= autôn: hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐσθιόντων (= esthiontôn: etende; wkw act part praes gen mann mv van het wkw εσθιω = esthiô: eten) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers mann enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Ἀμὴν (= amèn: amen, voorwaar, het zij zo; transcriptie uit het Hebreeuws) λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) ὑμῶν (= humôn: van jullie; pers vnw 2de pers gen mann mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) παραδώσει (= paradôsei: hij zal overleveren; wkw act ind fut 3de pers mann enk van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij), ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐσθίων (= esthiôn: etende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102) μετ' (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') ἐμοῦ (= emou: van mij; pers vnw gen mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij).
Mc 14,19
ἤρξαντο λυπεῖσθαι καὶ λέγειν αὐτῷ εἷς κατὰ εἷς, Μήτι ἐγώ;
Zij begonnen bedroefd te worden en hem te zeggen (vragen) één na één: misschien ik?
Mc 14,19 ἤρξαντο (= èrxanto: zij begonnen; wkw act ind aor 3de pers mann mv van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen, aanvangen, heersen) λυπεῖσθαι (= lupeisthai: bedroefd te worden; wkw pass inf praes van het wkw λυπεω. lupeô: bedroeven, kwetsen, pijn doen) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγειν (= legein: te zeggen; wkw act inf praes van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) κατὰ (= kata: van... naar beneden, volgens, vz; afkorting: κατ' = kat'; is het hier bw???) εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één), Μήτι (= mèti: toch niet, misschien? vraagpartikel) ἐγώ (= egô: ik - mij; pers vnw 1ste pers enk);
Mc 14,20
ὁ δὲ εἶπεν αὐτοῖς, Εἷς τῶν δώδεκα, ὁ ἐμβαπτόμενος μετ' ἐμοῦ εἰς τὸ τρύβλιον.
Maar hij zei hen: één van de twaalf, de indopende met mij in de schotel.
Mc 14,20 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers mann enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) Εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δώδεκα (= dôdeka: twaalf; hoofdtelw), ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐμβαπτόμενος (= embaptomenos: indopende; wkw med / pass part praes nom mann enk van het wkw ἐμβαπτω = embatô: indopen, indompelen) μετ' (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') ἐμοῦ (= emou: mij; pers vnw gen mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ (= to: het, bep lidw acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τρύβλιον (= trublion:schotel, schaal, kom; zn acc onz enk).
Mc 14,21
ὅτι ὁ μὲν υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου ὑπάγει καθὼς γέγραπται περὶ αὐτοῦ, οὐαὶ δὲ τῷ ἀνθρώπῳ ἐκείνῳ δι' οὗ ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου παραδίδοται: καλὸν αὐτῷ εἰ οὐκ ἐγεννήθη ὁ ἄνθρωπος ἐκεῖνος.
Omdat enerzijds de mensenzoon gaat weg zoals over hem is geschreven; anderzijds wee die mens door wie de mensenzoon wordt overgeleverd; voor hem zou het goed geweest zijn indien die mens niet is geboren.
Mc 14,21 ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μὲν (= men: wel, enerzijds, partikel om een zwakke tegenstelling uit te drukken) υἱὸς (= huios: zoon; zn nom mann enk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπου (= anthrôpou: van een mens; zn gen mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) ὑπάγει (= hupagei: hij gaat weg; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen) καθὼς (= kathôs: zoals, vw van vergelijking) γέγραπται (= gegraptai: er werd geschreven; wkw pass ind perf 3de pers enk van het wkw γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) αὐτοῦ (= autou: over hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) οὐαὶ (= ouai: wee; uitroeppartikel) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀνθρώπῳ (= anthrôpô: aan de mens; zn dat mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) ἐκείνῳ (= ekeinô: die; aanwijz vnw dat mann enk van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) δι' (= dia: door, omwille van, na; vz; afkorting: δι' = di': vóór een klinker) οὗ (= hou: van wie; betrekk vnw gen mann enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱὸς (= huios: zoon; zn nom mann enk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπου (= anthrôpou: van een mens; zn gen mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) παραδίδοται (= paradidotai: hij wordt overgeleverd; wkw pass ind praes 3de pers mann enk van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren, door-geven): καλὸν (= kalon: goed; bv nw acc onz enk van het bv nw καλος = kalos: goed, mooi, schoon) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἰ (= ei: indien, of; vw van voorwaarde) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἐγεννήθη (= egennèthè: hij werd geboren; wkw pass ind aor 3de pers mann enk van het wkw gennaô: geboren worden) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἄνθρωπος (= anthrôpos: mens; zn nom mann enk) ἐκεῖνος (= ekeinos: die; aanwijz vnw nom mann enk) .
Mc 14,22
Καὶ ἐσθιόντων αὐτῶν λαβὼν ἄρτον εὐλογήσας ἔκλασεν καὶ ἔδωκεν αὐτοῖς καὶ εἶπεν, Λάβετε, τοῦτό ἐστιν τὸ σῶμά μου.
En terwijl zij eten, hij, brood genomen en gezegend, brak het en geeft het aan hen en zei: neemt, dit is mijn lichaam.
Mc 14,22 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐσθιόντων (= esthiontôn: etende; wkw act part praes gen mann mv van het wkw εσθιω = esthiô: eten) αὐτῶν (= autôn: hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) λαβὼν (= labôn: genomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) ἄρτον (= arton: brood; zn acc mann enk van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) εὐλογήσας (= eulogèsas: gezegend; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ευλογεω = eulogeô: zegenen, goed spreken, loven, prijzen) ἔκλασεν (= eklasen: hij brak; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw κλαω = klaô: breken) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔδωκεν (= edôken: hij gaf; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave , gift . Fr: donner - don: geven - gave) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de mann pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Λάβετε (= labete: neemt; wkw act imperat aor 2de pers mann mv van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab), τοῦτό (= touto: dit; aanwijz vnw nom onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) σῶμά (= sôma: lichaam: zn nom onz enk) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij).
Mc 14,23
καὶ λαβὼν ποτήριον εὐχαριστήσας ἔδωκεν αὐτοῖς, καὶ ἔπιον ἐξ αὐτοῦ πάντες.
En genomen de beker en gezegend gaf hij aan hen en allen dronken eruit.
Mc 14,23 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λαβὼν (= labôn: genomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) ποτήριον (= potèrion: beker; zn acc onz enk; zn eindigend op -tèrion geeft een instrument aan, hier: een middel om te drinken: drinkbeker; zie wkw ποτιζω = potizô: drinken) εὐχαριστήσας (= eucharistèsas: gedankt; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ευχαριστεω = eucharisteô: danken) ἔδωκεν (= edôken: hij gaf; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gav , gift . Fr: donner - don: geven - gave) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔπιον (= epion: zij dronken; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw πινω = drinken) ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) αὐτοῦ (= autou: van het; pers vnw 3de pers gen onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder)
Mc 14,24
καὶ εἶπεν αὐτοῖς, Τοῦτό ἐστιν τὸ αἷμά μου τῆς διαθήκης τὸ ἐκχυννόμενον ὑπὲρ πολλῶν:
En hij zei hen: dit is mijn bloed van het verbond, het vergotene ten voordele van velen.
Mc 14,24 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers mann enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) Τοῦτό (= touto: dit; aanwijz vnw nom onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) ἐστιν (= estin: het is, wkw act ind praes 3de pers onz enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned: is; Lat: esse) τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) αἷμά (= haima: bloed; zn nom onz enk) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) διαθήκης (= diathèkès: van het verbond; zn gen vr enk van het zn διαθηκη = diathèkè: verbond) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἐκχυννόμενον (= ekchunnomenon: uitgegoten, vergoten; wkw pass part praes nom onz enk van het wkw εκχεω = ekcheô / ekchunnô: gieten, vergieten, uitgieten) ὑπὲρ (= huper: voor, ten voordele van; vz met gen) πολλῶν (= pollôn: van velen; bv nw gen mann mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l):
Mc 14,25
ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι οὐκ έτι οὐ μὴ πίω ἐκ τοῦ γενήματος τῆς ἀμπέλου ἕως τῆς ἡμέρας ἐκείνης ὅταν αὐτὸ πίνω καινὸν ἐν τῇ βασιλείᾳ τοῦ θεοῦ.
Voorwaar ik zeg jullie dat ik niet meer drink uit de vrucht van de wijnstok, niet tot die dag wanneer ik 'het' nieuw drink in het koningschap van God.
Mc 14,25 ἀμὴν (= amèn: amen, voorwaar, het zij zo; transcriptie uit het Hebreeuws) λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) οὐκ (= ouk: niet; partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) έτι (= eti: ook, nog; bw) οὐ (= ou: niet; partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) πίω (= piô: ik zal drinken; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw πινω = drinken) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) γενήματος (=genèmatos: van de vrucht; zn gen onz enk van het zn γενήμα / γεννήμα = genèma / gennèma: het voortgebrachte, vrucht) τῆς (= tès: van de; bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀμπέλου (= ampelou: van de wijnstok/wijngaard, zn gen vr enk van het zn ἀμπελος = ampelos: wijnstok/wijngaard) ἕως (= heôs: tot, totdat; onderschikkend vw of vz) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἡμέρας (= hèmeras: van de dag; zn gen vr enk van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) ἐκείνης (= ekeinès: van die; aanwijz vnw gen vr enk van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) αὐτὸ (= auto: het; pers vnw acc onz enk van het pers vnw 3de pers αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πίνω (= pinô: ik drink; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw πινω = drinken) καινὸν (= kainon: nieuw; bv nw acc onz enk van het bv nw καινος = kainos: nieuw) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) βασιλείᾳ (= basileia = in het koninkschap; zn dat vr enk van het zn βασιλεια = basileia: koninkrijk, koningschap) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God).
Mc 14,26
Καὶ ὑμνήσαντες ἐξῆλθον εἰς τὸ Ὄρος τῶν Ἐλαιῶν.
En lofzangen zingende gingen zij buiten naar de Olijfberg.
Mc 14,26 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὑμνήσαντες (= humnèsantes: lofzangen zingende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw ὑμνεω = humneô: lofzangen zingen) ἐξῆλθον (= exèlthon: zij gingen uit; wkw act ind aor 3de pers mann mv van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ὄρος (= oros: berg; acc onz enk) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ἐλαιῶν (= elaiôn: van olijven; zn gen vr mv van het zn ελαια = elaia: olijf).
Mc 14,27
Καὶ λέγει αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς ὅτι Πάντες σκανδαλισθήσεσθε, ὅτι γέγραπται, Πατάξω τὸν ποιμένα, καὶ τὰ πρόβατα διασκορπισθήσονται:
En Jezus zegt hen: Jullie allen zullen geschandaliseerd worden, want er werd geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden.
Mc 14,27 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) σκανδαλισθήσεσθε (= skandalisthèsesthe: jullie zullen geschandaliseerd worden; wkw pass ind fut 2de pers mv van het wkw σκανδαλιζω = skandalizô: schandaliseren, ergeren, ten val brengen), ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) γέγραπται (= gegraptai: er werd geschreven; wkw pass ind perf 3de pers enk van het wkw γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven), Πατάξω (= pataxô: ik zal slaan; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw πάτασσω = patassô: slaan) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ποιμένα (= poimena: herder; zn acc mann enk van het zn ποιμην = poimèn: herder), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πρόβατα (= probata: schapen; zn nom onz mv van het zn προβατον = probaton: schaap) διασκορπισθήσονται (= diaskorpisthèsontai: zij zullen verstrooid worden; wkw pass fut 3de pers mv van het wkw διασκορπιζω = diaskorpizô: uiteenwerpen, uitstrooien, verkwisten):
Mc 14,28
ἀλλὰ μετὰ τὸ ἐγερθῆναί με προάξω ὑμᾶς εἰς τὴν Γαλιλαίαν.
maar 'nadat ik ben opgewekt, zal ik jullie voorgaan naar Galilea.
Mc 14,28 ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') τὸ (= to: het, bep lidw acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἐγερθῆναί (= egerthènai: opgewekt zijn; pass inf aor van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) προάξω (= proaksô: ik zal voorgaan; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw προαγω = proagô: voorgaan) ὑμᾶς (= humas: jullie, pers vnw 2de pers acc mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Γαλιλαίαν (= Galilaian: Galilea; zn eigennaam van plaats; acc vr enk van het zn γαλιλαια = galilaia: Galilea).
Mc 14,29
- ὁ δὲ Πέτρος ἔφη αὐτῷ, Εἰ καὶ πάντες σκανδαλισθήσονται, ἀλλ' οὐκ ἐγώ.
Maar Petrus zei hem: Als ook allen geschandaliseerd zullen worden, maar ik niet.
Mc 14,29 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Πέτρος (= petros: Petrus; zn eigennaam nom mann enk) ἔφη (= efè: hij beweerde, hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw φημι = fèmi: beweren, zeggen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Εἰ (= ei: indien, of; vw van voorwaarde) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) σκανδαλισθήσονται (= skandalisthèsontai: zij zullen geschandaliseerd worden; wkw pass ind fut 3de pers mv van het wkw σκανδαλιζω = skandalizô: schandaliseren, ergeren, ten val brengen), ἀλλ' (= all': maar; afkorting van αλλα = alla; partikel van tegenstelling) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἐγώ (= egô: ik - mij; pers vnw 1ste pers enk).
Mc 14,30
καὶ λέγει αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς, Ἀμὴν λέγω σοι ὅτι σὺ σήμερον ταύτῃ τῇ νυκτὶ πρὶν ἢ δὶς ἀλέκτορα φωνῆσαι τρίς με ἀπαρνήσῃ.
En Jezus zegt hem: Voorwaar ik zeg jou dat jij vandaag in deze nacht zult me ten stelligste driemaal ontkennen vooraleer een haan tweemaal kraaide.
Mc 14,30 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk), Ἀμὴν (= amèn: amen, voorwaar, het zij zo; transcriptie uit het Hebreeuws) λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) σοι (= soi: aan u; pers vnw 2de pers dat enk van het persoonl vnw συ = su: jij) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) σὺ (= su: jij; pers vnw 2de pers nom enk) σήμερον (= sèmeron: vandaag; bw) ταύτῃ (= tautè: aan deze; aanw vnw dat vr enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè , το = to: de - het) νυκτὶ (= nukti: nacht; zn dat vr enk van het zn νυξ = nux: nacht) πρὶν (= prin: alvorens, vooraleer; vz) ἢ (= è: of; partikel) δὶς (= dis: tweemaal; telw) ἀλέκτορα (= alektôra: haan; zn acc mann enk van het zn ἀλέκτωρ = alektôr: haan) φωνῆσαι (= fônèsai: te kraaien, te roepen; wkw act inf aor van het wkw φωνεω = foneô: roepen, schreeuwen) τρίς (= treis: drie; hoofdtelw) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) ἀπαρνήσῃ (= aparnèsè: jij zult ten stelligste ontkennen; wkw med ind fut 2de pers enk van het wkw ἀπαρνεομαι = aparneomai: ten stelligste ontkennen).
Mc 14, 31
ὁ δὲ ἐκπερισσῶς ἐλάλει, Ἐὰν δέῃ με συναποθανεῖν σοι, οὐ μή σε ἀπαρνήσομαι. ὡσαύτως δὲ καὶ πάντες ἔλεγον.
Maar deze sprak nog te meer. Indien het nodig is dat ik samen met jou sterf, ik zal jou hoegenaamd niet verloochenen. En evenzo zeiden ook alle anderen.
Mc 14,31 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἐκπερισσῶς (= ekperissôs: nog te meer, ijveriger; bw) ἐλάλει (= elalei: hij sprak; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten), ἐὰν (= ean: indien; ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien als) δέῃ (= deè: het was nodig; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw δεω = deô: moeten) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) συναποθανεῖν (= sunapothanein: samen te sterven met; wkw act inf aor van het wkw συναποθνησκω = sunapothnèskô: samen sterven met) σοι (= soi: met u; pers vnw 2de pers dat enk van het persoonl vnw συ = su: jij), οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) μή (= mè: eveneens ontkenning; 2X ontkenning geeft een sterke bevestiging: hoegenaamd niet) σε (= se: u; pers vnw 2de pers acc mann enk van het pers vnw συ = su: jij) ἀπαρνήσομαι (= aparnèsomai: ik zal verloochenen; wkw med fut 1ste pers enk van het wkw ἀπαρνεομαι = aparneomai: ten stelligste ontkennen, verloochenen). ὡσαύτως (= hôsautôs: evenzo; bw van wijze) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw; bevestigend vw: ook) πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep).
Mc 14,32
Καὶ ἔρχονται εἰς χωρίον οὗ τὸ ὄνομα Γεθσημανί, καὶ λέγει τοῖς μαθηταῖς αὐτοῦ, Καθίσατε ὧδε ἕως προσεύξωμαι.
En zij gaan naar het gebied waarvan de naam Gethsemani is, en hij zegt tot zijn leerlingen: Zit hier neer terwijl ik bid.
Mc 14,32 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) χωρίον (= chôrion: gebied, streek, plek) οὗ (= hou: van wat; betrekk vnw gen onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat) τὸ (= to: het, bep lidw nom onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὄνομα (= onoma: naam; nom onz enk) Γεθσημανί (= Gethsèmani), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταῖς (= mathètais: leerlingen; zn dat mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Καθίσατε (= kathisate: zit neer; wkw act imperat ao 2de pers mv van het wkw καθιζω = kathizô: zitten) ὧδε (= hôde: hier; bw van plaats) ἕως (= heôs: tot, totdat; onderschikkend vw of vz) προσεύξωμαι (= proseuksomai: ik bid; wkw med conjunct aor 1ste pers enk van het wkw προσεύχομαι = proseuchomai: bidden).
Mc 14,33
καὶ παραλαμβάνει τὸν Πέτρον καὶ [τὸν] Ἰάκωβον καὶ [τὸν] Ἰωάννην μετ' αὐτοῦ, καὶ ἤρξατο ἐκθαμβεῖσθαι καὶ ἀδημονεῖν,
En hij neemt Petrus en Jakobus en Johannes met zich mee en hij begon met ontzetting te worden geslagen en angstig te worden.
Mc 14,33 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) παραλαμβάνει (= paralambanei: hij neemt naast zich; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw παραλαμβανω = paralambanô: overnemen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Πέτρον (= petron: Petrus; zn eigennaam acc mann enk van het zn eigennaam Πέτρος = petros: Petrus) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) [τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ] Ἰάκωβον (= jakôbon: Jakobus; zn eigennaam acc mann enk van het zn nw ιακωβος = jakôbos: Jakobus) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) [τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ] Ἰωάννην (= Iôannèn: Johannes; zn eigennaam acc mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes) μετ' (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevensch vw) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) ἐκθαμβεῖσθαι (= ekthambèsthai: met ontzetting te worden geslagen; wkw pass inf praes van het wkw εκθαμβεομαι = ekthambeomai: verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀδημονεῖν (= adèmonein: angstig te zijn; wkw act inf praes van het wkw αδημονεω = adèmoneô: angstig, onrustig zijn).
Mc 14, 34
καὶ λέγει αὐτοῖς, Περίλυπός ἐστιν ἡ ψυχή μου ἕως θανάτου: μείνατε ὧδε καὶ γρηγορεῖτε.
En hij zegt hen: Overbedroefd is mijn ziel tot de dood; blijft hier en waakt.
Mc 14,34 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) Περίλυπός (= perilupos: overbedroefd, zeer treurig; bv nw nom mann enk) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ψυχή (= psuchè: adem, geest, leven) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) ἕως (= heôs: tot, totdat; onderschikkend vw of vz) θανάτου: (= thanatou: van de dood, zn gen mann enk van het zn θανατος = thanatos: dood) μείνατε (= meinate: blijft; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw μενω = menô: blijven) ὧδε (= hôde: hier; bw van plaats) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) γρηγορεῖτε (= grègorèite; waakt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw γρηγορεω = grègoreô: waken).
Mc 14, 35
καὶ προελθὼν μικρὸν ἔπιπτεν ἐπὶ τῆς γῆς, καὶ προσηύχετο ἵνα εἰ δυνατόν ἐστιν παρέλθῃ ἀπ' αὐτοῦ ἡ ὥρα,
En een weinig vooruitgegaan viel hij op de grond en hij bad opdat - indien het mogelijk is - het uur aan hem moge voorbijgaan.
Mc 14,35 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) προελθὼν (= proelthôn: komende vóór; wkw med part aor nom mann enk van het wkw προερχομαι = proerchomai: vóórgaan; wkw met 2 verschillende stammen; in aor stam el, zie het Franse al-l-er) μικρὸν (= mikron: een weinig; bv nw acc onz enk van het bv nw μικρος = mikros: klein) ἔπιπτεν ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γῆς (= gès: aarde, land; zn gen vr enk van het zn γη = gè: aarde, land), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) προσηύχετο (= prosèucheto: hij bad; wkw med of pass ind imperf 3de pers enk van het wkw προσεύχομαι: bidden) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) εἰ (= ei: indien, of; vw van voorwaarde) δυνατόν (= dunaton: mogelijk, machtig; bv nw nom onz enk van het bv nw δυνατὸς = dunatos: krachtig, machtig) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) παρέλθῃ (= parelthè: het zou voorbijgaan; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw παρερχομαι = parerchomai: langskomen, voorbijgaan) ἀπ' (= ap, afkorting van απο = apo: af, van-weg); vz van plaats; afkorτing vóór een niet-geaspireerde klinker: απ' = ap' en vóór een geaspireerde klinker: αφ' = af') αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὥρα (= hôra: uur; zn nom vr enk),
Mc 14,36
καὶ ἔλεγεν, Αββα ὁ πατήρ, πάντα δυνατά σοι: παρένεγκε τὸ ποτήριον τοῦτο ἀπ' ἐμοῦ: ἀλλ' οὐ τί ἐγὼ θέλω ἀλλὰ τί σύ.
En hij zei: Abba, Va der, alles is voor U mogelijk. Neem deze kelk van mij weg, maar niet wat ik wil, maar wat U wilt.
Mc 14,36 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) Αββα (= abba: vader; Aramees woord) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πατήρ (= patèr: vader; zn nom mann enk), πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw nom onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) δυνατά (= dunata: mogelijk, machtig; bv nw nom onz mv van het bv nw δυνατὸς = dunatos: krachtig, machtig) σοι: (= soi: aan u; pers vnw 2de pers dat enk van het persoonl vnw συ = su: jij) παρένεγκε (= parenegke: neem weg, draag voorbij; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw παραφερω = paraferô: wegnemen, voorbijdragen) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ποτήριον (= potèrion: beker; zn nom onz enk; zn eindigend op -tèrion geeft een instrument aan, hier: een middel om te drinken: drinkbeker; zie wkw ποτιζω = potizô: drinken) τοῦτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) ἀπ' (= ap, afkorting van απο = apo: af, van-weg; vz van plaats; afkorτing vóór een niet-geaspireerde klinker: απ' = ap' en vóór een geaspireerde klinker: αφ' = af') ἐμοῦ (= emou: van mij; pers vnw gen mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij): ἀλλ' (= all', maar; afkorting van αλλα = alla vóór een klinker; nevenschikkend vw van tegenstelling) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) ἐγὼ (= egô: ik - mij; pers vnw 1ste pers enk) θέλω (= thelô: ik wil; wkw act ind praes 1ste pers enk) ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) σύ (= su: jij; pers vnw 2de pers nom enk).
Mc 14,37
καὶ ἔρχεται καὶ εὑρίσκει αὐτοὺς καθεύδοντας, καὶ λέγει τῷ Πέτρῳ, Σίμων, καθεύδεις; οὐκ ἴσχυσας μίαν ὥραν γρηγορῆσαι;
En hij gaat en hij vindt ze slpaend. En hij zegt tot Petrus: jij slaapt? heb jij niet de kracht om één uur te waken?
Mc 14,37 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔρχεται (= erchetai: hij gaat, hij komt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εὑρίσκει (= heuriskei: hij vindt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εὑρισκω = heuriskô: vinden) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καθεύδοντας (= katheudontas: slapend; wkw act part praes acc mann mv van het wkw καθευδω = katheudô: slapen), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Πέτρῳ (= petrô: aan Petrus; zn dat mann enk van het zn eigennaam Πέτρος = petros: Petrus), Σίμων (= Simôn: Simon; zn nom mann enk; eigennaam), καθεύδεις (= katheudeis: jij slaapt; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw καθευδω = katheudô: slapen); οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἴσχυσας (= ischuas: jij hebt kracht; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ισχυω = ischuô: sterk zijn, gezond zijn, machtig zijn, kunnen) μίαν (= mian: één; hoofdtelw acc; vr enk van het hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) ὥραν (= hôran: uur; zn acc vr enk van het zn ὡρα = hôra: uur) γρηγορῆσαι (= grègorèsai: om te waken; wkw act inf aor van het wkw γρηγορεω = grègoreô: waken);
Mc 14,38
γρηγορεῖτε καὶ προσεύχεσθε, ἵνα μὴ ἔλθητε εἰς πειρασμόν: τὸ μὲν πνεῦμα πρόθυμον ἡ δὲ σὰρξ ἀσθενής.
Waakt en bidt opdat jullie niet tot beproeving komen: de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
Mc 14,38 γρηγορεῖτε (= grègorèite; waakt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw γρηγορεω = grègoreô: waken) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) προσεύχεσθε (= proseuchesthe: bidt; wkw med / pass imperat praes 2de pers mv van het wkw προσεύχομαι: bidden), ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἔλθητε (= elthète: jullie zouden komen; wkw act conjunct aor 2de pers mv bij het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) πειρασμόν (= peirasmon: beproeving; zn acc mann enk van het zn πειρασμος = peirasmos: beproeving): τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μὲν (= men: wel, enerzijds, partikel om een zwakke tegenstelling uit te drukken) πνεῦμα (= pneuma: geest, adem, wind; zn nom onz enk) πρόθυμον (= prothumon: gewillig; bv nw nom onz enk). ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) σὰρξ (= sarks: vlees; zn nom vr enk) ἀσθενής (= a-sthe-nès: zwak; bv nw nom onz enk; zie σθη-νος: kracht, sterkte; MG: α-σθε-νο-φορο: ziekenwagen). .
Mc 14,39
καὶ πάλιν ἀπελθὼν προσηύξατο τὸν αὐτὸν λόγον εἰπών.
En opnieuw weggegaan bad hij hetzelfde 'gebed' zeggende:
Mc 14,39 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) ἀπελθὼν (= apelthôn: weggegaan; wkw med of pass part aor nom mann enk van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) προσηύξατο (= prosèuksato: hij bad; wkw med of pass ind aor 3de pers enk van het wkw προσεύχομαι: bidden) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) αὐτὸν (= auton: dit; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: deze - dit - dat) λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord) εἰπών (= eipôn: zeggende; wkw act part aor nom mann enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon).
Mc 14,40
καὶ πάλιν ἐλθὼν εὗρεν αὐτοὺς καθεύδοντας, ἦσαν γὰρ αὐτῶν οἱ ὀφθαλμοὶ καταβαρυνόμενοι, καὶ οὐκ ᾔδεισαν τί ἀποκριθῶσιν αὐτῷ.
En opnieuw gegaan vond hij hen slapend; want hun ogen waren zwaar / vielen dicht, en zij wisten niet wat hem te antwoorden.
Mc 14,40 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) ἐλθὼν (= elthôn: gekomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εὗρεν (= heuren: wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εὑρισκω = heuri-sk-ô : vinden) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καθεύδοντας (= katheudontas: slapend; wkw act part praes acc mann mv van het wkw καθευδω = katheudô: slapen), ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὀφθαλμοὶ (= ophthalmoi: ogen; zn nom mann mv van het zn οφθαλμος = ofthalmos: oog) καταβαρυνόμενοι (= katabarumenoi: bezwaard; wkw pass part praes nom mann mv van het wkw καταβαρυνω = katabarunô: bezwaren), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ᾔδεισαν (= èdeisan: zij wisten; wkw act ind plusquamperf 3de pers mv, zie het wkw οιδα = oida: ik weet) τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) ἀποκριθῶσιν (= apokrithôsin: zij zouden antwoorden; wkw pass conjunct aor 3de pers mv van het wkw αποκρινομαι = apokrinomai: antwoorden) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 14,41
καὶ ἔρχεται τὸ τρίτον καὶ λέγει αὐτοῖς, Καθεύδετε τὸ λοιπὸν καὶ ἀναπαύεσθε; ἀπέχει: ἦλθεν ἡ ὥρα, ἰδοὺ παραδίδοται ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου εἰς τὰς χεῖρας τῶν ἁμαρτωλῶν.
En hij gaat voor de derde keer en hij zegt hen: Slaapt het overige en rust uit; het is genoeg; het uur is gekomen; zie de mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van de mensen.
Mc 14,41 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔρχεται (= erchetai: hij gaat, hij komt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τρίτον (= triton: derde; rangtelw acc onz enk van het rangtelw τρίτος = tritos: derde) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Καθεύδετε (= katheudete: slaapt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw καθευδω = katheudô: slapen) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) λοιπὸν (= loipon: het overige; bv nw acc onz enk van het bv nw λοιπὸς = loipos: overig) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀναπαύεσθε (= anapauesthe: rust uit; wkw med imperat praes 2de pers mv van het wkw ἀναπαυω = anapauô; med: halt houden, rust nemen; zie Ned. pauze); ἀπέχει (= apechei: het is genoeg; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw απεχω = apechô: genoeg zijn, afhouden, onthouden): ἦλθεν (= èlthen: hij kwam; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὥρα (= hôra: uur; zn vr enk), ἰδοὺ (= idou: zie; wkw act imperat aor 2de pers enk gebruikt als tussenwerpsel) παραδίδοται (= paradidotai: hij wordt overgeleverd; wkw pass ind praes 3de pers enk van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren, door-geven) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱὸς (= huios: zoon; zn nom mann enk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπου (= anthrôpou: van een mens; zn gen mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὰς (= tas; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) χεῖρας (= cheiras: handen; zn acc vr mv van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἁμαρτωλῶν (= hamartôlôn: van zondaars; zn gen mann mv van het zn ἁμαρτωλος = hamartôlos: zondaar).
Mc 14,42
ἐγείρεσθε ἄγωμεν: ἰδοὺ ὁ παραδιδούς με ἤγγικεν.
Wordt wakker, laten wij gaan; zie de verrader ( de mij overleverende) is mij genaderd.
Mc 14, 42 ἐγείρεσθε (egeiresthe: wordt wakker; wkw med / pass wkw med imperat 2de pers mv van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken). ἄγωμεν (= agômen: laten wij gaan; wkw act conjunct praes 1ste pers mv van het wkw αγω = agô: leiden, voeren, gaan): ἰδοὺ (= idou: zie; wkw act imperat aor 2de pers enk gebruikt als tussenwerpsel) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παραδιδούς (= paradidous: de overleveraar; wkw act part praes nom mann enk van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) ἤγγικεν (= èggiken: hij is genaderd; wkw act ind perf 3de pers enk van het wkw εγγιζω = eggizô: naderen).
Mc 14,43
Καὶ εὐθὺς ἔτι αὐτοῦ λαλοῦντος παραγίνεται Ἰούδας εἷς τῶν δώδεκα καὶ μετ' αὐτοῦ ὄχλος μετὰ μαχαιρῶν καὶ ξύλων παρὰ τῶν ἀρχιερέων καὶ τῶν γραμματέων καὶ τῶν πρεσβυτέρων.
En terwijl hij nog aan het spreken is, komt onmiddellijk Judas, één van de twaalf, en met hem een menigte met zwaarden en stokken vanbij de hogepriesters en de schriftgeleerden en de oudsten. Variante vertaling: en terwijl hij efkes ietsje aan het spreken is, komt Judas, één...
Mc 14,43 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw; gevormd uit= vertikale streep I + <: stop en ga voort???) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bw; Ned: ef-tjes = eventjes?) ἔτι (= eti: ook, nog; bw; Ned: ietsje?) αὐτοῦ (= autou: van hem ; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het; losse gen) λαλοῦντος (= lalountos: de sprekende; wkw act part praes gen mann enk van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten) παραγίνεται (= ginetai: het gebeurt; wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw παρα - γινομαι = para-ginomai: gebeuren, worden; stam gen) Ἰούδας (= ioudas: Judas; zn eigennaam) εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δώδεκα (= dôdeka: twaalf; hoofdtelw) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) μετ' (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὄχλος (= ochlos: massa, menigte; zn nom mann enk) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') μαχαιρῶν (= machairôn: van zewaarden; zn gen mann mv van het zn μαχαιρος = machairos: zwaard, mes, machette) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ξύλων (= ksulôn: stokken; zn gen onz mv van het zn ξύλον = ksulon: hout, stok) παρὰ (= para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par' ; vz met gen, dat en acc) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀρχιερέων (= archiereôn: van de hogepriesters; zn gen mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester) καὶ (= kai: en; nevensch vw) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) γραμματέων (= grammateôn: van de schriftgeleerden; zn gen mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde; uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα. assimilatie van de f aan de m, γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) καὶ (= kai: en; nevensch vw) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πρεσβυτέρων (= presbuterôn: van de ouderen / priesters; bv nw zelfstandig gebruikt comparatief gen mann mv van het bv nw presbu-teros: oud-er; Ned.: priester).
Mc 14,44
δεδώκει δὲ ὁ παραδιδοὺς αὐτὸν σύσσημον αὐτοῖς λέγων, Ὃν ἂν φιλήσω αὐτός ἐστιν: κρατήσατε αὐτὸν καὶ ἀπάγετε ἀσφαλῶς.
'Want' de overleveraar geeft hem een kus terwijl hij hen zegt: die ik kus, hij is het; maakt je meester over hem en voert hem af.
Mc 14,44 δεδώκει (= dedôkei: hij heeft gegeven; wkw act ind perf 3de pers enk van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave). δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παραδιδοὺς (= paradous: de overleveraar; wkw act part aor nom mann enk van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) σύσσημον (= sussèmon: afgesproken teken; zn acc onz enk) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) λέγων (= legôn: zeggende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) Ὃν (= hon: die; betrekk vnw acc mann enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat) ἂν (= an; partikel bij de conjunct) φιλήσω (= filèsô: ik kus; wkw act conjunct aor 1ste pers enk van het wkw φιλεω = fileô: vriendelijk behandelen, zoenen, kussen) αὐτός (= autos: hij; pers vnw 3de pers nom mann enk) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse): κρατήσατε (= kratèsate: overmeestert; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπάγετε (= apagete: voert af; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw απαγω = apagô: wegleiden, wegvoeren) ἀσφαλῶς (= asfalôs: veilig; bw).
Mc 14,45
καὶ ἐλθὼν εὐθὺς προσελθὼν αὐτῷ λέγει, Ῥαββί, καὶ κατεφίλησεν αὐτόν.
En (aan)gekomen, onmiddellijk naar hem gegaan, zegt hij: Rabbi en hij kuste hem.
Mc 14,45 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐλθὼν (= elthôn: gekomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) προσελθὼν (= proselthôn: tot hem komende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw προσερχομαι = proserchomai: gaan naar, komende bij; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) Ῥαββί (= rabbi: mijn meester; Hebr), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) κατεφίλησεν (= katefilèsen: hij kuste; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw καταφιλεω = katafileô: zoenen, kussen) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 14, 46
οἱ δὲ ἐπέβαλον τὰς χεῖρας αὐτῷ καὶ ἐκράτησαν αὐτόν.
En deze sloegen de handen op hem en zij maakten zich meester over hem.
Mc 14,46 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho,, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἐπέβαλον (= epebalon: zij sloegen op; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw επιβαλλω = epiballô: 'op-werpen', overvallen) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χεῖρας (= cheiras: handen; zn acc vr mv van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐκράτησαν (= ekratèsan: zij bemachtigden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 14,47
εἷς δέ [τις] τῶν παρεστηκότων σπασάμενος τὴν μάχαιραν ἔπαισεν τὸν δοῦλον τοῦ ἀρχιερέως καὶ ἀφεῖλεν αὐτοῦ τὸ ὠτάριον.
Maar één van de omstaanders, het zwaard gegrepen, sloeg de dienaar van de hogepriester en hij 'houwde' zijn oor af.
Mc 14,47 εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) δέ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) [τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk)] τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) παρεστηκότων (= parestèkotôn: van de omstaanders; wkw act part perf gen mann mv van het wkw παριστημι = paristèmi: staan bij) σπασάμενος (= spasamenos: getrokken; wkw med part aor nom mann enk van het wkw σπαω = spaô: trekken, afrukken, meesleuren) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μάχαιραν (= machairan: zwaard; zn acc vr enk van het zn μαχαιρος = machairos: zwaard, mes, machette) ἔπαισεν (= epaisen: hij sloeg; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw παιω: slaan, treffen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) δοῦλον (= doulon: dienaar; zn acc mann enk van het zn δουλος = doulos: slaaf, dienaar) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀρχιερέως (= archereôs: van de hogepriester; zn gen mann enk van het zn ἀρχιερευς = arch-iereus: hoge-priester) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀφεῖλεν (= afeilen: hij nam weg; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αφαιρεω = afaireô: wegnemen) αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὠτάριον (= ôtarion: oor; zn acc onz enk).
Mc 14,48
καὶ ἀποκριθεὶς ὁ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, Ὡς ἐπὶ λῃστὴν ἐξήλθατε μετὰ μαχαιρῶν καὶ ξύλων συλλαβεῖν με;
En Jezus antwoordde en zei hen: als tegen een rover zijn jullie uitgetrokken met zwaarden en stokken om mij mee te nemen.
Mc 14,48 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀποκριθεὶς (= apokritheis: geantwoord hebbende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Ὡς (= hôs: zoals; bw) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) λῃστὴν (= lèstèn: rover; zn acc mann enk van het zn λῃστης = lèstès: rover) ἐξήλθατε (= eksèlthate: jullie zijn uitgetrokken; wkw act ind aor 2de pers mv van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') μαχαιρῶν (= machairôn: van zewaarden; zn gen mann mv van het zn μαχαιρος = machairos: zwaard, mes, machette) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ξύλων (= ksulôn: stokken; zn gen onz mv van het zn ξύλον = ksulon: hout, stok) συλλαβεῖν (= sullabein: om mee te nemen; wkw act inf aor van het wkw συλλαμβανω = sullambanô: samen nemen, meenemen) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij);
Mc 14,49
καθ' ἡμέραν ἤμην πρὸς ὑμᾶς ἐν τῷ ἱερῷ διδάσκων καὶ οὐκ ἐκρατήσατέ με: ἀλλ' ἵνα πληρωθῶσιν αἱ γραφαί.
Dagelijks was ik bij jullie, onderrichtend in de tempel, maar jullie maakten zich geen meester over mij, opdat de schriften zouden vervuld worden.
Mc 14,49 καθ' (= kath': afkorting van κατὰ = kata: van... naar beneden, volgens, vz; afkorting bij een aangeblazen klinker) ἡμέραν (= hèmeran: dag zn acc vr enk van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) ἤμην (èmèn: ik was; wkw act ind imperf 1ste pers enk van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse).πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) ὑμᾶς (= humas: jullie, pers vnw 2de pers acc mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἱερῷ (= hierô(i): in de tempel; zn dat onz enk van het zn ἱερον = hieron: heiligdom, tempel) διδάσκων (= didaskôn: onderrichtend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἐκρατήσατέ (= ekratèsate: jullie maakten meester van; wkw act ind aor 2de pers mv van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij): ἀλλ' (= all': maar; afkorting van αλλα = alla; partikel van tegenstelling) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) πληρωθῶσιν (= eplèrôthèsôsin: zij zouden vervuld worden; wkw pass conjunct aor 3de pers mv van het wkw πληροω = plèroô: vervullen) αἱ (= hai: de; bep lidw nom vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραφαί (= grafai: schriften; zn nom vr mv van het zn γραφη = schrift; Indo-Europees: (s)-ch/g-r-f+t).
Mc 14,50
καὶ ἀφέντες αὐτὸν ἔφυγον πάντες.
En hem in de steek latende, vluchtten ze allen.
Mc 14,50 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀφέντες (= afentes: achterlatende, aflatende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἔφυγον (= efugon: zij vluchtten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw φευγω = feugô. vluchten) πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder).
Mc 14,51
Καὶ νεανίσκος τις συνηκολούθει αὐτῷ περιβεβλημένος σινδόνα ἐπὶ γυμνοῦ, καὶ κρατοῦσιν αὐτόν:
En een bepaalde leerling volgde mee, met een onderkleed om het lijf geslagen, maar zij grijpen hem.
Mc 14,51 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) νεανίσκος (= neaniskos: jongeman, kleine man; zn nom mann enk) τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk) συνηκολούθει (= sunèkolouthei: hij volgde mee met; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw συνακολουθεω = sunakoloutheô: mede volgen met) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) περιβεβλημένος (= peribeblèmenos: gekleed; wkw pass part perf nom mann enk van het wkw περιβαλλω = periballô: werpen rondom, bedekken) σινδόνα (= sindona: onderkleed; zn acc mann mv van het zn σινδων = sindôn: linnen weefsel) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) γυμνοῦ (= gumnou: naakt; bv nw gen onz enk van het bv nw γυμνὸς = gumnos: naakt), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) κρατοῦσιν (= kratousin: zij overmeesteren; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw κρατεω = krateô: krachtig zijn, zich meester maken over) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het):
Mc 14,52
ὁ δὲ καταλιπὼν τὴν σινδόνα γυμνὸς ἔφυγεν.
Maar het onderkleed achterlatende vluchtte hij naakt weg.
Mc 14,52 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) καταλιπὼν (= katalipôn: achterlatende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw καταλειπω = kataleipô: achterlaten) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) σινδόνα (= sindona: onderkleed; zn acc mann mv van het zn σινδων = sindôn: linnen weefsel) γυμνὸς (= gumnos: naakt; bv nw nom mann enk) ἔφυγεν (= efugen; hij vluchtte; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw φευγω = feugô. vluchten).
Mc 14,53
Καὶ ἀπήγαγον τὸν Ἰησοῦν πρὸς τὸν ἀρχιερέα, καὶ συνέρχονται πάντες οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ πρεσβύτεροι καὶ οἱ γραμματεῖς.
En zij leidden Jezus weg naar de hogepriester. Dan komen alle hogepriesters en priesters en schriftgeleerden samen.
Mc 14,53 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀπήγαγον (= apègagon: zij leidden weg; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw απαγω = apagô: wegleiden, wegvoeren) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦν (= Ièsoun: Jezus; zn eigennaam acc mann enk van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀρχιερέα (= archiera: hogepriester; zn acc mann enk van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) συνέρχονται (= sunerchontai: zij komen samen; wkw ind praes 3de pers mv van het wkw συνερχομαι = sunerchomai: samengaan; wkw met 2 verschillende stammen; in aor stam elth, zie het Franse al-l-er) πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀρχιερεῖς (= archiereis: hogepriesters; zn nom mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester) καὶ (= kai: en; nevensch vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πρεσβύτεροι (= presbuteroi: priesters/ ouderen - oudsten; bv nw zelfstandig gebruikt, van het bv nw πρεσβυτης = presbutès: oud) καὶ (= kai: en; nevensch vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραμματεῖς (= grammateis: schriftgeleerden; zn nom mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde; uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα: assimilatie van de f aan de m; γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) .
Mc 14,54
καὶ ὁ Πέτρος ἀπὸ μακρόθεν ἠκολούθησεν αὐτῷ ἕως ἔσω εἰς τὴν αὐλὴν τοῦ ἀρχιερέως, καὶ ἦν συγκαθήμενος μετὰ τῶν ὑπηρετῶν καὶ θερμαινόμενος πρὸς τὸ φῶς.
En Petrus volgde hem van verre tot binnen in de woning van de hogepriester en hij was zittende bij de dienaars en zich verwarmende bij het vuur.
Mc 14,54 καὶ (= kai: en; nevensch vw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Πέτρος (= petros: Petrus; zn eigennaam nom mann enk) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' - vóór een niet-aangeblazen klinker, en αφ' = af' - vóór een aangeblazen klinker) μακρόθεν (= makrothen: van verre, in de verte; bw) ἠκολούθησεν (= èkolouthèsen: hij volgde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἕως (= heôs: tot, totdat; onderschikkend vw of vz) ἔσω (= esô: binnenin, bw) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) αὐλὴν (= aulèn: voorhof; zn acc vr enk van het zn αὐλὴ = aulè: hof, binnenplaats, voorhof, woning, paleis) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀρχιερέως (= archiereôs: van de hogepriester; zn gen mann enk van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) συγκαθήμενος (= sugkathèmenos; wkw med of âss part praes nom mann enk van het wkw συγκαθημαι = sugkathèmai: samenzitten) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὑπηρετῶν (= hupèretôn: van dienaren; zn gen mann mv van het zn υπηρετης = hupèretès: dienaar, hulp, knecht) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) θερμαινόμενος (= thermainomenos: zich verwarmende; wkw med part praes nom mann enk van het wkw θερμαινομαι = thermainomai: zich verwarmen) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) φῶς (= fôs: licht; zn nom onz enk).
Mc 14,55
οἱ δὲ ἀρχιερεῖς καὶ ὅλον τὸ συνέδριον ἐζήτουν κατὰ τοῦ Ἰησοῦ μαρτυρίαν εἰς τὸ θανατῶσαι αὐτόν, καὶ οὐχ ηὕρισκον:
Daarentegen zochten de hogepriesters en het hele sanhedrin tegen Jezus een getuigenis om hem te doden, maar zij vonden er geen.
Mc 14,55 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἀρχιερεῖς (= archiereis: hogepriesters; zn nom mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὅλον (= holon: heel; bv nw acc onz enk van het bv ὁλος = holos: heel) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) συνέδριον (= sunedrion:Sanhedrin; zn nom onz enk) ἐζήτουν (= ezètoun: zij zochten; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ζητεω = zèteô: zoeken) κατὰ (= kata: van... naar beneden, volgens, vz; afkorting: κατ' = kat') τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ἰησοῦ (= ièsou: van Jezus; zn eigennaam gen mann enk van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus) μαρτυρίαν (= marturian: getuigenis; zn acc vr enk van het zn μαρτυρια = marturia: getuigenis; zie mart-elaar als geloofsgetuige) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θανατῶσαι (= thanatôsai: om te doden; wkw act inf aor van het wkw θανατοω = thanatoô: doden) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οὐχ (= ouch: niet, partikel van ontkenning; ou + ch omdat volgend woord met een geaspireerde klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ηὕρισκον (= hèuriskon: zij vonden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw εὑρισκω = heuriskô: vinden):
Mc 14,56
πολλοὶ γὰρ ἐψευδομαρτύρουν κατ' αὐτοῦ, καὶ ἴσαι αἱ μαρτυρίαι οὐκ ἦσαν.
Want velen getuigden leugenachtig tegen hem en de getuigenissen waren niet gelijk.
Mc 14,56 πολλοὶ (= polloi: velen; bv nw nom mann mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἐψευδομαρτύρουν (= epseudomarturoun: zij getuigden vals; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ψευδομαρτυρεω = pseudomartureô: leugenachtig / vals getuigen) κατ' (= kat: van... naar beneden, volgens, vz κατα = kata; afkorting: κατ' = kat') αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἴσαι (= isai: gelijk; bv nw nom vr mv van het bv nw ισος = isos: gelijk) αἱ (= hai: de; bep lidw nom vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαρτυρίαι (= marturiai: getuigenissen; zn nom vr mv van het zn μαρτυρια = marturia: getuigenis; zie mart-elaar als geloofsgetuige) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse).
Mc 14,57
καί τινες ἀναστάντες ἐψευδομαρτύρουν κατ' αὐτοῦ λέγοντες
En sommigen rechtop staande getuigden leugenachtig tegen hem af zeggende
Mc 14,57 καί (= kai: en; nevenschikkend vw) τινες (= tines: sommigen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw τις - τι = tis, ti: iemand, iets; mv: sommigen) ἀναστάντες (= anastantes: opstaande; wkw act part aor nom mann mv van het wkw αν-ι-στη-μι = an-i-stè-mi:: op-staan; stam: sta-). ἐψευδομαρτύρουν (= epseudomarturoun: zij getuigden vals; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ψευδομαρτυρεω = pseudomartureô: leugenachtig / vals getuigen) κατ' (= kat: van... naar beneden, volgens, vz κατα = kata; afkorting: κατ' = kat') αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λέγοντες (= legontes: zeggende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep)
Mc 14,58
ὅτι Ἡμεῖς ἠκούσαμεν αὐτοῦ λέγοντος ὅτι Ἐγὼ καταλύσω τὸν ναὸν τοῦτον τὸν χειροποίητον καὶ διὰ τριῶν ἡμερῶν ἄλλον ἀχειροποίητον οἰκοδομήσω:
Wij hoorden hem zeggen: Ik zal deze handgemaakte tempel afbreken en gedurende drie dagen zal ik een andere niet handgemaakte opbouwen.
Mc 14,58 ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Ἡμεῖς (= hèmeis: wij; pers vnw 1ste pers mann mv) ἠκούσαμεν (= èkousamen: wij hoorden; wkw act ind aor 1ste pers mv van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λέγοντος (= legontos: zeggende; wkw act part praes gen mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Ἐγὼ (= egô: ik - mij; pers vnw 1ste pers enk) καταλύσω (= katalusô: ik zal vernietingen; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw καταλυω = kataluô: ontbinden, vernietigen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ναὸν (= naon: tempel; zn acc mann enk van het zn ναος = naos: tempel) τοῦτον (= touton: dit of dat; aanwijz vnw acc mann enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) χειροποίητον (= cheiropoièton: handgemaakt; bv nw acc mann enk van het bv nw χειροποίητος = cheiropoètos: handgemaakt) καὶ (= kai: en; nevensch vw) Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τριῶν (= triôn: drie; telw van het telw τρεῖς = treis: drie) ἡμερῶν (= hèmerôn: van de dagen; zn gen vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) ἄλλον (= allon: een andere; bv nw acc mann enk van het bv nw αλλος = allos: ander) ἀχειροποίητον (= acheiropoièton: niet handgemaakt; bv nw acc mann enk van het bv nw ἀχειροποίητος = acheiropoiètos: niet handgemaakt) οἰκοδομήσω (= oikodomèsô: ik zal opbouwen; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw οἰκοδομεω = oikodomeô: bouwen, opbouwen):
Mc 14,59
καὶ οὐδὲ οὕτως ἴση ἦν ἡ μαρτυρία αὐτῶν.
En zo niet was hun getuigenis gelijk.
Mc 14,59 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οὐδὲ (= oude: noch; ontkenning; afkorting: ουδ' = oud') οὕτως (= houtôs: op die wijze, zo; bw van wijze) ἴση (= isè: gelijk; bv nw nom vr enk van het bv nw ισος = isos: gelijk) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαρτυρία (= marturia: getuigenis; zn nom vr enk; zie mart-elaar als geloofsgetuige) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij).
Mc 14,60
καὶ ἀναστὰς ὁ ἀρχιερεὺς εἰς μέσον ἐπηρώτησεν τὸν Ἰησοῦν λέγων, οὐκ ἀποκρίνῃ οὐδέν; τί οὗτοί σου καταμαρτυροῦσιν;
En de hogepriester, rechtstaand in het midden, ondervroeg Jezus zeggend; Jij antwoordt op geen enkel iets; Wat getuigen deze tegen jou?!
Mc 14,60 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀναστὰς (= anastas: opgestaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αν-ι-στη-μι = an-i-stè-mi:: op-staan; stam: sta-) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀρχιερεὺς (= arch-iereus: hoge-priester; zn nom mann enk) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) μέσον (= meson: zich in het midden bevindende: bv nw acc onz enk van het bv nw μεσος = mesos: zich in het midden bevindend) ἐπηρώτησεν (= epèrôtèsen: hij ondervroeg: wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦν (= Ièsoun: Jezus; zn eigennaam acc mann enk van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô) λέγων (= legôn: zeggend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀποκρίνῃ (wkw med of pass ind praes 2de pers enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden; stam: kri) οὐδέν (= ouden: niets; onbep vnw acc onz enk, ουδεις = oud-eis - ουδεμια = oudemia - ουδεν = ouden: nie-mand < niet iemand, niets); τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) οὗτοί (= houtoi: dezen; aanwijz vnw nom mann mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat: tu, Fr: tu) καταμαρτυροῦσιν (= katamarturousin: zij getuigen tegen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw καταμαρτυρεω = katamartureô: getuigen tegen);
Mc 14,61
ὁ δὲ ἐσιώπα καὶ οὐκ ἀπεκρίνατο οὐδέν. πάλιν ὁ ἀρχιερεὺς ἐπηρώτα αὐτὸν καὶ λέγει αὐτῷ, Σὺ εἶ ὁ Χριστὸς ὁ υἱὸς τοῦ εὐλογητοῦ;
Maar hij bleef zwijgen en hij gaf geen enkel antwoord; opnieuw vroeg de hogepriester hem en zegt hem: ben jij de Christus, de zoon van de gezegende?
Mc 14,61 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἐσιώπα (= esiôpa: hij zweeg;wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw σιωπαω = siôpaô: zwijgen) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀπεκρίνατο (= apekrinato: hij antwoordde; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden; stam: kri) οὐδέν (= ouden: niets; onbep vnw acc onz enk, ουδεις = oud-eis - ουδεμια = oudemia - ουδεν = ouden: nie-mand < niet iemand, niets). πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀρχιερεὺς (= archiereus: hogepriester; zn nom mann enk) ἐπηρώτα (= epèrôta: hij ondervroeg; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Σὺ (= su: jij; pers vnw 1ste pers nom enk) εἶ (= ei: jij bent; wkw act ind pr 2de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Χριστὸς (= christos: gezalfde, Christus; zn eigennaam nom mann enk) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱὸς (= huios: zoon; zn nom mann enk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) εὐλογητοῦ (= eulogètou: van de gezegende; bv nw gen mann enk van het bv nw ευλογητος = eulogètos: gezegende);
Mc 14,62
ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν, Ἐγώ εἰμι, καὶ ὄψεσθε τὸν υἱὸν τοῦ ἀνθρώπου ἐκ δεξιῶν καθήμενον τῆς δυνάμεως καὶ ἐρχόμενον μετὰ τῶν νεφελῶν τοῦ οὐρανοῦ.
Daarop zei Jezus: Ik ben het en jullie zullen de mensenzoon zien zittend aan de rechterhand van de macht en komende met de wolken van de hemel.
Mc 14,62 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Ἐγώ (= egô: ik - mij; pers vnw 1ste pers enk) εἰμι (= eimi: ik ben; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat.: esse), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὄψεσθε (= opsesthe: jullie zullen zien; wkw act ind fut 2de pers mv van het wkw ὁραω = horaô: zien) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) υἱὸν (= huion: zoon; zn acc mann enk van het zn υἱος = huios: zoon; Ned.: zoon. D : Sohn. E : son. In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' : zoon, weer. Aramees: bar) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπου (= anthrôpou: van een mens; zn gen mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) δεξιῶν (= dexiôn: rechts; bv nw gen mann mv van het bv δεξιος = dexios: rechts) καθήμενον (= kathèmenon: zittend; wkw med part praes acc mann enk van het wkw καθημαι = kathèmai: zich zetten, gaan zitten, zitten) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) δυνάμεως (= dunameôs: kracht; zn gen vr enk van het zn δύναμις = dunamis: kracht, macht) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐρχόμενον (= erchomenon: komende; wkw part praes acc mann enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) νεφελῶν (= nefelôn: wolken; zn gen vr mv van het zn νεφέλη = nefelè: nevel, wolk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) οὐρανοῦ (= ouranou: van hemel; zn gen mann enk van het zn ουρανος = ouranos: hemel).
Mc 14,63
ὁ δὲ ἀρχιερεὺς διαρρήξας τοὺς χιτῶνας αὐτοῦ λέγει, Τί ἔτι χρείαν ἔχομεν μαρτύρων;
Maar de hogepriester, zijn kleren scheurend, zegt. Wat aan getuigen hebben wij nog nood?
Mc 14,63 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἀρχιερεὺς (= archiereus: hogepriester; zn nom mann enk) διαρρήξας (= diarrèksas: verscheurd; wkw act part aor nom mann enk van het διαρρηγνυμι OF διαρρησσω = diarrègnumi OF diarrèssô (doorbreken, doorklieven, doen barsten, verscheuren, uiteenrijgen) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) χιτῶνας (= chitônas: kleren; zn acc mann mv van het zn χιτων = chitôn: wollen of linnen onderkleed) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) Τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) ἔτι (= eti: ook, nog; bw) χρείαν (= chreian: behoefte; zn acc vr enk van het zn χρεία = cgreia: behoefte, nood) ἔχομεν (= echomen: wij hebben; act ind praes 1ste pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) μαρτύρων (= marturôn: getuigen; zn gen mann mv van het zn μαρτυρ = martur: getuige);
Mc 14,64
ἠκούσατε τῆς βλασφημίας: τί ὑμῖν φαίνεται; οἱ δὲ πάντες κατέκριναν αὐτὸν ἔνοχον εἶναι θανάτου.
Jullie hoorden de godslastering. Wat is jullie helder? Daarop veroordeelden allen hem de dood schuldig te zijn.
Mc 14,64 ἠκούσατε (= èkousate: jullie hoorden; wkw act ind aor 2de pers mv van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) βλασφημίας (= blasfèmias: 'gods'lastering; zn gen vr enk van het zn βλασφημία = blasfèmia: 'gods'lastering, lasterspreken): τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) φαίνεται (= fainetai: het schijnt; wkw med of pass ind praes 3de pers enk van het wkw φαινομαι = fainomai: schijnen, stralen, vookomen); οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) κατέκριναν (= katekrinan: zij veroordeelden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw κατακρινω = katakrinô: oordelen tegen, veroordelen) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἔνοχον (= enochos: schuldig; bv nw acc mann enk van het bv nw ἔνοχος = enochos: onderworpen, schuldig) εἶναι (= einai: om te zijn; wkw act inf praes van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat.: esse) θανάτου (= thanatou: van de dood, zn gen mann enk van het zn θανατος = thanatos: dood).
Mc 14,65
καὶ ἤρξαντό τινες ἐμπτύειν αὐτῷ καὶ περικαλύπτειν αὐτοῦ τὸ πρόσωπον καὶ κολαφίζειν αὐτὸν καὶ λέγειν αὐτῷ, Προφήτευσον, καὶ οἱ ὑπηρέται ῥαπίσμασιν αὐτὸν ἔλαβον.
En sommigen begonnen hem te bespuwen en zijn gezicht te bedekken en hem te slaan en hem te zeggen: profeteer. En de dienaren gaven hem oorvijgen.
Mc 14,65 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἤρξαντό (= èrxanto: zij begonnen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen, aanvangen, heersen) τινες (= tines: sommigen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw τις - τι = tis, ti: iemand, iets; mv: sommigen) ἐμπτύειν (= emptuein: te spuwen; wkw act inf praes van het wkw εμπτυω = emptuô: spuwen op of in; in iemands gelaat spuwen, uitspuwen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) περικαλύπτειν (= perikaluptien: rondom omhullen, bedekken; wkw act inf praes van het wkw περικαλύπτω = perikaluptô: rondom omhullen, bedekken) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann f onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πρόσωπον (= prosôpon: aangezicht; zn acc onz enk) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) κολαφίζειν (= kolafidzein: oorvijgen geven, mishandelen; wkw act inf praes van het wkw κολαφίζω : kolafidzô: oorvijgen geven, mishandelen) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγειν (= legein: te zeggen; wkw act inf praes van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) Προφήτευσον, (= profèteuson: profeteer; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw προ-φη-τευω = profèteuô: profeteren, voor zich uit spreken, profeteren) καὶ (= kai: en; nevensch vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὑπηρέται (= hupèretai: dienaren; zn nom mann mv van het zn υπηρετης = hupèretès: dienaar, hulp, knecht) ῥαπίσμασιν (= rapismasin: oorvijgen; zn dat mv van het zn ῥαπίσμα = rapisma: oorvijg) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἔλαβον (= elabon: zij namen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab).
Mc 14,66
Καὶ ὄντος τοῦ Πέτρου κάτω ἐν τῇ αὐλῇ ἔρχεται μία τῶν παιδισκῶν τοῦ ἀρχιερέως,
En terwijl Petrus beneden in de woning is, komt één van de dienaressen van de hogepriester.
Mc 14,66 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὄντος (= ontos: terwijl er is; wkw act part praes gen mann enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat: esse) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Πέτρου (= petrou: Petrus; zn eigennaam gen mann enk van het zn eigennaam Πέτρος = petros: Petrus) κάτω (= katô: beneden, onder; bw) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) αὐλῇ (= aulè: voorhof; zn dat vr enk van het zn αὐλὴ = aulè: hof, binnenplaats, voorhof, woning, paleis) ἔρχεται (= erchetai: hij gaat, hij komt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) μία (= mia: één; hoofdtelw nom vr enk van het hoofdtelw bv nw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) παιδισκῶν (= paidiskôn: van de dienaressen, slavinnen, meiden; zn gen vr mv van het zn παιδίσκη = paidiskè: dienares, slavin, meid) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀρχιερέως (= archiereôs: van de hogepriester; zn gen mann enk van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester),
Mc 14,67
καὶ ἰδοῦσα τὸν Πέτρον θερμαινόμενον ἐμβλέψασα αὐτῷ λέγει, Καὶ σὺ μετὰ τοῦ Ναζαρηνοῦ ἦσθα τοῦ Ἰησοῦ.
En zij Petrus, zich verwarmende, ziende, hem aankijkende, zei ze tot hem: En jij bent ook met de Nazarener Jezus.
Mc 14,67 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἰδοῦσα (= idousa: gezien; wkw act part aor nom vr enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag - Lat: videre; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Πέτρον (= petron: Petrus; zn eigennaam acc mann enk van het zn eigennaam Πέτρος = petros: Petrus) θερμαινόμενον (= thermainomenon: zich verwarmende; wkw med part praes acc mann enk van het wkw θερμαινομαι = thermainomai: zich verwarmen) ἐμβλέψασα (= emblepsasa: aankijkende; wkw part aor nom vr enk van het wkw εμβλεπω = emblepô: aankijken) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) σὺ (= su: jij; pers vnw 2de pers nom enk) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ναζαρηνοῦ (= nadzarènou: Nazarener; uit Nazara; zn gen mann enk van het zn Ναζαρηνός = nadzarènos: Nazarener) ἦσθα (= èstha: jij was; wkw act ind imperf 2de pers enk van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ἰησοῦ (= ièsou: van Jezus; zn eigennaam gen mann enk van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus).
Mc 14,68
ὁ δὲ ἠρνήσατο λέγων, Οὔτε οἶδα οὔτε ἐπίσταμαι σὺ τί λέγεις. καὶ ἐξῆλθεν ἔξω εἰς τὸ προαύλιον [:καὶ ἀλέκτωρ ἐφώνησεν].
Maar hij ontkende zeggende: noch weet ik noch begrijp ik wat jij zegt en hij ging buiten naar het voorportaal (en de kraak kraaide).
Mc 14,68 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἠρνήσατο (= èrnèsato: hij ontkende; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αρνεομαι = arneomai: ontkennen) λέγων (= legôn: zeggend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Οὔτε (= oute: noch; ou: partikel van ontkenning + versterking -τε = te) οἶδα (= oida: ik weet; wkw act ind aor 1ste pers enk) οὔτε (= oute: noch; ou: partikel van ontkenning + versterking -τε = te) ἐπίσταμαι (= epistamai: ik begrijp, ik versta; wkw med of pass ind praes 1ste pers enk van het wkw ἐπίσταμαι = epistamai: begrijpen, verstaan) σὺ (= su: jij; pers vnw 2de pers nom enk) τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) λέγεις (= λέγειs: jij zegt; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξῆλθεν (= exèlthen: hij ging uit; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἔξω (= exô: buiten; bw) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) προαύλιον (= proaulion: voorhof, voorportaal); zn acc onz enk [:καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀλέκτωρ (= alektôr: haan; nom mann enk) ἐφώνησεν (= efônèsen: hij kraaide, hij riep; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw φωνεω = foneô: roepen, schreeuwen)].
Mc 14,69
καὶ ἡ παιδίσκη ἰδοῦσα αὐτὸν ἤρξατο πάλιν λέγειν τοῖς παρεστῶσιν ὅτι Οὗτος ἐξ αὐτῶν ἐστιν.
En de
dienares hem ziende begon opnieuw te zeggen aan de omstaanders: Deze is uit hen.
Mc 14,69 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παιδίσκη (= paidiskè: dienares, slavin, meid; zn nom vr enk) ἰδοῦσα (= idousa: gezien; wkw act part aor nom vr enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag - Lat: videre; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) λέγειν (= legein: te zeggen; wkw act inf praes van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παρεστῶσιν (= parestôsin: omstaanders; wkw act part perf dat mann mv van het wkw παριστημι = paristèmi: staan bij) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Οὗτος (= houtos: deze; aanwijz vnw nom mann enk) ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) .
Mc 14,70
ὁ δὲ πάλιν ἠρνεῖτο. καὶ μετὰ μικρὸν πάλιν οἱ παρεστῶτες ἔλεγον τῷ Πέτρῳ, Ἀληθῶς ἐξ αὐτῶν εἶ, καὶ γὰρ Γαλιλαῖος εἶ.
Maar hij bleef opnieuw ontkennen en na een weinig tijd zeiden de omstaanders opnieuw tegen Petrus: waarlijk jij bent één van hen, want jij bent ook een Galileeër.
Mc 14,70 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) ἠρνεῖτο (= èrneito: hij ontkende; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw αρνεομαι = arneomai: ontkennen). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') μικρὸν (= mikron: een weinig; bv nw acc onz enk van het bv nw μικρος = mikros: klein). πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παρεστῶτες (= parestôtes: staande; wkw act part perf nom mann mv van het wkw παριστημι = paristèmi: staan bij) ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Πέτρῳ (= petrô: aan Petrus; zn dat mann enk van het zn eigennaam Πέτρος = petros: Petrus), Ἀληθῶς (= alèthôs: waarlijk; bw) ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) εἶ (= ei: jij bent; wkw act ind pr 2de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) Γαλιλαῖος (= Galilaios: Galileeër; zn eigennaam nom mann enk) εἶ (= ei: jij bent; wkw act ind pr 2de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn).
Mc 14,71
ὁ δὲ ἤρξατο ἀναθεματίζειν καὶ ὀμνύναι ὅτι οὐκ οἶδα τὸν ἄνθρωπον τοῦτον ὃν λέγετε
Maar hij begon te vloeken en te zweren: Ik ken die mens niet over wie jullie spreken.
Mc 14,71 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) ἀναθεματίζειν (= anathematidzein: vervloeken; wkw act inf praes van het wkw ἀναθεματίζω = anathematidzô: vervloeken, verwensen) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὀμνύναι (= omnunai: zweren; wkw act inf praes van het wkw ὀμνύμι = omnumi: zweren) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) οἶδα (= oida: ik weet; wkw act ind aor 1ste pers enk) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἄνθρωπον (= anthrôpon: mens; zn acc mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) τοῦτον (= touton: dit of dat; aanwijz vnw acc mann enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) ὃν (= hon: die; betrekk vnw acc mann enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat) λέγετε (= legete: jullie zeggen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) .
Mc 14,72
καὶ εὐθὺς ἐκ δευτέρου ἀλέκτωρ ἐφώνησεν. καὶ ἀνεμνήσθη ὁ Πέτρος τὸ ῥῆμα ὡς εἶπεν αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς ὅτι Πρὶν ἀλέκτορα φωνῆσαι δὶς τρίς με ἀπαρνήσῃ: καὶ ἐπιβαλὼν ἔκλαιεν.
En onmiddellijk kraaide de haan voor de tweede maal. En Petrus herinnerde zich het woord zoals Jezus tot hem zei: 'Vooraleer de haan tweemaal kraait, zal jij mij driemaal verloochenen. Het overviel hem en weende.
Mc 14,72 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) δευτέρου (= deuteron: ten tweede, bw, zie het bijv nw δευτερος = deuteros: tweede) ἀλέκτωρ (= alektôr: haan; nom mann enk) ἐφώνησεν (= efônèsen: hij kraaide, hij riep; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw φωνεω = foneô: roepen, schreeuwen). καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἀνεμνήσθη (= anemnèsthè: hij werd herinnerd aan); wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw αναμιμνῃσκω = anamimnèskô: herinneren zich weer te binnen brengen) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Πέτρος (= petros: Petrus; zn eigennaam nom mann enk) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ῥῆμα (= rèma: woord, uitspraak; zn acc onz enk) ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Πρὶν (= prin: alvorens, vooraleer; vz) ἀλέκτορα (= alektôra: haan; zn acc mann enk van het zn ἀλέκτωρ = alektôr: haan) φωνῆσαι (= fônèsai: te kraaien, te roepen; wkw act inf aor van het wkw φωνεω = foneô: roepen, schreeuwen) δὶς (= dis: tweemaal; telw) τρίς (= treis: drie; hoofdtelw) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) ἀπαρνήσῃ: (= aparnèsè: hij zou ten stelligste ontkennen; wkw med ind fut 3de pers enk van het wkw ἀπαρνεομαι = aparneomai: ten stelligste ontkennen) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπιβαλὼν (= epibalôn: overvallen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw επιβαλλω = epiballô: 'op-werpen', overvallen) ἔκλαιεν (= eklaien: hij weende; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw κλαιω: wenen, weeklagen).
Mc15,1
Καὶ εὐθὺς πρωῒ συμβούλιον ποιήσαντες οἱ ἀρχιερεῖς μετὰ τῶν πρεσβυτέρων καὶ γραμματέων καὶ ὅλον τὸ συνέδριον δήσαντες τὸν Ἰησοῦν ἀπήνεγκαν καὶ παρέδωκαν Πιλάτῳ.
En onmiddellijk op de morgen maakten de hogepriesters met de priesters en de schriftgleerden en het hele Sanhedrin, boeideb Jezus (en) voerden hem af en leverden (hem) aan Pilatus over.
Mc 15,1 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) πρωῒ (= prôi: 's morgens; bw van tijd) συμβούλιον (= sumboulion: raadsbesluit; zn acc onz enk) ποιήσαντες (= poèsantes: doende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw ποιεω = poieô: maken, doen) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀρχιερεῖς (= archiereis: hogepriesters; zn nom mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πρεσβυτέρων (= presbuterôn: van de ouderen / priesters; bv nw zelfstandig gebruikt comparatief gen mann mv van het bv nw presbu-teros: oud-er; Ned.: priester) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) γραμματέων (= grammateôn: van de schriftgeleerden; zn gen mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde; uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα. assimilatie van de f aan de m, γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ὅλον (= holon: heel; bv nw acc onz enk van het bv ὁλος = holos: heel) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) συνέδριον (= sunedrion:Sanhedrin; zn nom onz enk) δήσαντες (= dèsantes: boeiende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw δεω = deô: binden, boeien, ketenen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Ἰησοῦν (= Ièsoun: Jezus; zn eigennaam acc mann enk van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô) ἀπήνεγκαν (= apènegkan: zij voerden af, zij brachten weg; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αποφερω: afvoeren, wegbrengen) καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) παρέδωκαν (= paredôkan: zij leverden over; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren) Πιλάτῳ (= pilatô: aan Pilatus; zn eigennaam dat mann enk van het zn Πιλατος = pilatos: Pilatus).
Mc15,2
καὶ ἐπηρώτησεν αὐτὸν ὁ Πιλᾶτος, Σὺ εἶ ὁ βασιλεὺς τῶν Ἰουδαίων; ὁ δὲ ἀποκριθεὶς αὐτῷ λέγει, Σὺ λέγεις.
En Pilatus ondervroeg hem: Jij bent de koning van de joden. En hij antwoordde en zei: Jij zegt het.
Mc 15,2 καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw) ἐπηρώτησεν (= epèrôtèsen: hij ondervroeg: wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) αυτον (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Πιλατος (= Pilatus; zn eigennaam nom mann enk), Σὺ (= su: jij; pers vnw 2de pers nom enk) εἶ (= ei: jij bent; wkw act ind pr 2de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) βασιλεὺς (= basileus: koning; zn nom mann enk) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ἰουδαίων (= judaiôn: van de Joden; zn gen mann mv van het zn Ἰουδαίος = judaios: Jood); ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἀποκριθεὶς (= apokritheis: geantwoord hebbende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) Σὺ (= su: jij; pers vnw 2de pers nom enk) λέγεις (= legeis: jij zegt; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon)..
Mc15,3
καὶ κατηγόρουν αὐτοῦ οἱ ἀρχιερεῖς πολλά.
En de hogepriesters beschuldigden hem van vele dingen.
Mc15,3 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) κατηγόρουν (= katègoroun: zij bleven beschuldigen/ aanklagen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw κατηγορεω = katègoreô: tegenspreken, iemand van iets beschuldigen) αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw : αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀρχιερεῖς (= archiereis: hogepriesters; zn nom mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester) πολλά (= polla: vele dingen); bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l).
Mc15,4
ὁ δὲ Πιλᾶτος πάλιν ἐπηρώτα αὐτὸν λέγων, οὐκ ἀποκρίνῃ οὐδέν; ἴδε πόσα σου κατηγοροῦσιν.
Maar Pilatus ondervroeg hem opnieuw zeggende: jij antwoordt helemaal niets; zie van hoevele dingen beschuldigen ze u.
Mc 15,4 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Πιλᾶτος (= Pilatus; zn eigennaam nom mann enk) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) ἐπηρώτα (= epèrôta: hij ondervroeg; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λέγων (= legôn: zeggende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀποκρίνῃ (wkw med of pass ind praes 2de pers enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden; stam: kri) οὐδέν (= ouden: niets; onbep vnw acc onz enk, ουδεις = oud-eis - ουδεμια = oudemia - ουδεν = ouden: nie-mand < niet iemand, niets); ἴδε (= ide zie; wkw act imperat aor 2de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; stam: ιδ = id) πόσα (= posa; hoevele dingen; bv nw vrag vnw acc onz mv van het vrag vnw πόσος = posos: hoeveel, hoelang) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) κατηγοροῦσιν (= katègorousin: zij beschuldigen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw κατηγορεω = katègoreô: tegenspreken, iemand van iets beschuldigen).
Mc15,5
ὁ δὲ Ἰησοῦς οὐκ έτι οὐδὲν ἀπεκρίθη, ὥστε θαυμάζειν τὸν Πιλᾶτον.
Maar Jezus antwoordde nog steeds niets zodat het Pilatus verwonderde.
Mc15,5 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) έτι (= eti: ook, nog; bw) οὐδὲν (= ouden: niets; onbep vnw acc onz enk, ουδεις = oud-eis - ουδεμια = oudemia - ουδεν = ouden: nie-mand < niet iemand, niets) ἀπεκρίθη (= apekrithè: hij antwoordde; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden; stam: kri), ὥστε (= hôste: zodat; ondergeschikt voegwoord van gevolg) θαυμάζειν (= thaumadzein: verwonderen; wkw act inf praes van het wkw θαυμαζω = thaumazô: bewonderen, verwonderen, verbazen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Πιλᾶτον (= Pilaton: Pilatus; zn eigennaam acc mann enk van het zn Πιλατος = pilatos: Pilatus) .
Mc15,6
Κατὰ δὲ ἑορτὴν ἀπέλυεν αὐτοῖς ἕνα δέσμιον ὃν παρῃτοῦντο.
Maar bij een feest liet hij voor hen één gevangene vrij die zij om gratie vroegen.
Mc15,6 Κατὰ (= kata: van... naar beneden, volgens, vz; afkorting: κατ' = kat') δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἑορτὴν (= heortèn: feest; zn acc vr enk van het zn ἑορτη = heortè: feest) ἀπέλυεν (= apeluen: hij liet los; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw απολυω = apoluô: loslaten, losmaken, ontbinden) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἕνα (= hena: één; hoofdtelw bv nw acc mann enk van het hoofdtelw bv nw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) δέσμιον (= desmion: gevangene; zn acc mann enk van het zn δέσμιος = desmios: gevangene) ὃν (= hon: die; betrekk vnw acc mann enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat) παρῃτοῦντο (= parètounto: zij smeekten om gratie; wkw med of pass imperf 3de pers mv van het wkw παραιτεομαι = paraiteomai: om gratie smeken/ vragen, afsmeken).
Mc15,7
ἦν δὲ ὁ λεγόμενος Βαραββᾶς μετὰ τῶν στασιαστῶν δεδεμένος οἵτινες ἐν τῇ στάσει φόνον πεποιήκεισαν.
Want er was de genoemde Barabbas met de opstandelingen gevangen die tijdens de opstand een moord hadden gepleegd.
Mc15,7 ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk; < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat: esse; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw ) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) λεγόμενος (= legomenos: genoemde; wkw pass part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon) Βαραββᾶς (= barabbas: Barabbas; zn eigennaam nom mann enk) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) στασιαστῶν (= stasiastôn: opstandelingen; zn gen mann mv van het zn στασιασος = stasiastos: opstandeling, oproerling) δεδεμένος (= dedemenos: geboeid, gebonden; wkw pass part perf nom mann enk van het wkw δεω = deô (vast)binden, boeien) οἵτινες (= hoitines: sommigen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw οτις - ητις - οτι = hotis, hètis, ho ti: iemand, iets; mv: sommigen) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) στάσει (= stasei: oproer; zn dat vr enk van het zn στάσις = stasis: het staan, opstelling, opstand, oproer) φόνον (= fonon: moord; zn acc mann enk van het zn φονος = fonos: moord) πεποιήκεισαν (= pepoièkeisan; zij hadden gepleegd; wkw act ind plusquamperf 3de pers mv van het wkw ποιεω = poieô: maken, doen).
Mc15,8
καὶ ἀναβὰς ὁ ὄχλος ἤρξατο αἰτεῖσθαι καθὼς ἐποίει αὐτοῖς.
En nadat het volk was naar boven gegaan, begon het te vragen zoals hij hen deed.
Mc15,8 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀναβὰς (= anabas: opgeklommen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αναβαινω = anabainô: beklimmen, naar boven klimmen, naar boven banen) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὄχλος (= ochlos: massa, menigte; zn nom mann enk) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) αἰτεῖσθαι (= aiteisthai: voor zich te vragen, eisen; wkw med inf praes van het wkw αιτεω = aiteô: vragen, bedelen) καθὼς (= kathôs: zoals, vw van vergelijking) ἐποίει (= epoiei: hij deed; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij).
Mc15,9
ὁ δὲ Πιλᾶτος ἀπεκρίθη αὐτοῖς λέγων, Θέλετε ἀπολύσω ὑμῖν τὸν βασιλέα τῶν Ἰουδαίων;
Maar Pilatus antwoordde hen zeggend: Willen jullie dar ik voor jullie de koning van de joden vrijlaat?
Mc15,9 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Πιλατος (= Pilatus; zn eigennaam nom mann enk) ἀπεκρίθη (= apekrithè: hij antwoordde; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden; stam: kri) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) λέγων (= legôn: zeggende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) Θέλετε (= thelete: jullie willen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw θελω = thelô: willen; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t; stam: th/w - l) ἀπολύσω (= apolusô: ik zal ontbinden; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw ἀπολύω: vrijlaten, loslaten, ontbinden) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) βασιλέα (= basilea: koning; zn acc mann enk van het zn βασιλευς = basileus: koning) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ἰουδαίων (= judaiôn: van de Joden; zn gen mann mv van het zn Ἰουδαίος = judaios: Jood);
Mc 15,10
ἐγίνωσκεν γὰρ ὅτι διὰ φθόνον παραδεδώκεισαν αὐτὸν οἱ ἀρχιερεῖς.
Want hij wist dat de hogepriesters hem omwille van moord hadden overgeleverd.
Mc15,10 ἐγίνωσκεν (= eginôsken: hij wist; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: weten; gi-gnô-sk-ô; stam gno- of gnô; athematische aor., de aor wordt zonder themaklinker rechtstreeks van de stam gevormd -> conjunct aor 3de pers enk. gnoi; wkw met praesensversterking sk - Baeyens nr 134 blz 100 en 130d blz 97 -; wkw stam krijgt een verdubbeling in de praesens gi-gnô-skô - Baeyens 130a blz 97) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) φθόνον (= fonon: moord; zn acc mann enk van het zn φονος = fonos: moord) παραδεδώκεισαν (= paradedôkeisan: zij hadden overgeleverd; wkw act ind plusquamperf 3de pers mv van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀρχιερεῖς (= archiereis: hogepriesters; zn nom mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester).
Mc 15,11
οἱ δὲ ἀρχιερεῖς ἀνέσεισαν τὸν ὄχλον ἵνα μᾶλλον τὸν Βαραββᾶν ἀπολύσῃ αὐτοῖς.
Maar de hogepriesters hitsten de massa op dat hij eerder Barabbas zou vrijlaten.
Mc 15,11οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἀρχιερεῖς (= archiereis: hogepriesters; zn nom mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester) ἀνέσεισαν (= anaseisan: zij hitsten op; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ανασειω = anaseiô: opruien, ophitsen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ὄχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) μᾶλλον (= mallon: meer) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Βαραββᾶν (= barabban: Barabbas; zn eigennaam acc mann enk van het zn Βαραββᾶς = barabbas: Barabbas) ἀπολύσῃ (= apolusè: hij zou vrijlaten; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw απολυω = apoluô: loslaten, losmaken, vrijlaten, ontbinden) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) .
Mc 15,12
ὁ δὲ Πιλᾶτος πάλιν ἀποκριθεὶς ἔλεγεν αὐτοῖς, Τί οὖν [θέλετε] ποιήσω [ὃν λέγετε τὸν βασιλέα τῶν Ἰουδαίων;
Maar Pilatus antwoordde opnieuw en zei hen: Wat willen jullie dan dat ik doe met degene die jullie de koning van de joden noemen.
Mc 15,12 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Πιλᾶτος (= Pilatus; zn eigennaam nom mann enk) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) ἀποκριθεὶς (= apokritheis: geantwoord hebbende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) Τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) οὖν (= oun: dus, bijgevolg; partikel) [θέλετε (= thelete: jullie willen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw θελω = thelô: willen; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t; stam: th/w - l)] ποιήσω (= poèsô: ik zal maken; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) [ὃν (= hon: die; betrekk vnw acc mann enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat) λέγετε (= legete: jullie zeggen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ] τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) βασιλέα (= basilea: koning; zn acc mann enk van het zn βασιλευς = basileus: koning) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ἰουδαίων (= judaiôn: van de Joden; zn gen mann mv van het zn Ἰουδαίος = judaios: Jood);
Mc 1513
οἱ δὲ πάλιν ἔκραξαν, Σταύρωσον αὐτόν.
Maar zij schreeuwden opnieuw: kruisig hem.
Mc 15,13 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) ἔκραξαν (= ekraksan: zij krijsten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw κραζω = krazô: krijsen, schreeuwen, roepen), Σταύρωσον (= staurôson: kruisig; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw σταυροω = stauroô: kruisigen) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 15,14
ὁ δὲ Πιλᾶτος ἔλεγεν αὐτοῖς, Τί γὰρ ἐποίησεν κακόν; οἱ δὲ περισσῶς ἔκραξαν, Σταύρωσον αὐτόν.
Maar Pilatus zei hen: want wat slechts deed hij; maar zij krijsten overmatig: kruisig hem.
Mc 15,14 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Πιλᾶτος (= Pilatus; zn eigennaam nom mann enk) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) Τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἐποίησεν (= epoièsen: hij deed; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) κακόν (= kakon: slecht, kwaad; bv nw onz enk van het bv nw κακος = kakos: slecht, kwaad); οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) περισσῶς (= perissôs: overmatig, bovenmatig groot; bw) ἔκραξαν (= ekraksan: zij krijsten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw κραζω = krazô: krijsen, schreeuwen, roepen), Σταύρωσον (= staurôson: kruisig; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw σταυροω = stauroô: kruisigen) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 15,15
ὁ δὲ Πιλᾶτος βουλόμενος τῷ ὄχλῳ τὸ ἱκανὸν ποιῆσαι ἀπέλυσεν αὐτοῖς τὸν Βαραββᾶν, καὶ παρέδωκεν τὸν Ἰησοῦν φραγελλώσας ἵνα σταυρωθῇ. αὐτόν.
Daarop wenst Pilatus aan de wil van het volk tegemoet te komen en liet voor hen Barabbas vrij en hij lerverde Jezus uit opdat hij hem , na geseling, zou laten kruisigen,
Mc 15,15 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Πιλᾶτος (= Pilatus; zn eigennaam nom mann enk) βουλόμενος (= wensende, willende; wkw med of pass part praes nom mann enk van het wkw βουλομαι = boulomai: willen, wensen) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὄχλῳ (= ochlô: menigte, massa; zn dat mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) τὸ (= to: het; bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἱκανὸν (= hikanon: talrijk; bv nw acc onz enk van het bv nw ἱκανος = hikanos: voldoende, talrijk, in staat) ποιῆσαι (= poièsai: te doen; wkw act inf aor van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) ἀπέλυσεν (= apelusen: hij liet vrij; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ἀπολύω: vrijlaten, loslaten, ontbinden) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Βαραββᾶν (= barabban: Barabbas; zn eigennaam acc mann enk van het zn Βαραββᾶς = barabbas: Barabbas), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) παρέδωκεν (= paredôken: hij leverde over; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦν (= Ièsoun: Jezus; zn eigennaam acc mann enk van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô) φραγελλώσας (= fragellôsas: gegeseld; wkw act part aor nom mann enk van het wkw φραγελλοω = fragelloô: geselen, zie Lat: flagellare).ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) σταυρωθῇ (= staurôthè: hij zou kruisigen; wkw med of pass 3de pers enk van het wkw σταυροω = stauroô: kruisigen).
Mc 15,16
Οἱ δὲ στρατιῶται ἀπήγαγον αὐτὸν ἔσω τῆς αὐλῆς, ὅ ἐστιν πραιτώριον, καὶ συγκαλοῦσιν ὅλην τὴν σπεῖραν.
Daarop voerden de soldaten hem af tot binnen de aula, dat is het pretorium, en zij roepen de hele cohorte samen.
Mc 15,16 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) στρατιῶται (= stratiôtai: strijders, soldaten; zn nom mann mv van het zn στρατιωτης = stratiôtès: strijder, soldaat) ἀπήγαγον (= apègagon: zij leidden weg; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw απαγω = apagô: wegleiden, wegvoeren) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἔσω (= esô: binnenin, vz met gen ) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) αὐλῆς (= aulès: voorhof; zn gen vr enk van het zn αὐλὴ = aulè: hof, binnenplaats, voorhof, woning, paleis) ὅ (= ho; betrekk vnw nom onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wat) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) πραιτώριον (= praitôrion: pretorium, paleis van de Romeinse procurator; zn nom onz enk), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) συγκαλοῦσιν (= sugkalousin: zij roepen samen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw συγκαλεω = sugkaleô: samenroepen) ὅλην (= holèn: heel; bv nw acc vr enk van het bv nw ὁλος = holos: heel) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) σπεῖραν (= speiran: spiraal, kronkeling, cohors; zn acc vr enk van het zn σπεῖρα = speiran).
Mc 15,17
καὶ ἐνδιδύσκουσιν αὐτὸν πορφύραν καὶ περιτιθέασιν αὐτῷ πλέξαντες ἀκάνθινον στέφανον:
En zij trekken hem een purperen kleed aan, vlechten een doornen kroon en zetten die hem op.
Mc 15,17 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐνδιδύσκουσιν (= endiduskousin: zij trekken aan; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw ἐνδιδύσκω: aantrekken) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πορφύραν (= porfuran: purperen gewaad / kleed; zn acc vr enk van het zn πορφύρα) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) περιτιθέασιν (= perititheasin: zij leggen rondom aan, zij zetten op; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw περιτιθημι = peritithèmi: rondom aanleggen, opzetten) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πλέξαντες (plaksantes: vlechtende, knopende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw πλεκω = plekô: vlechten, knopen) ἀκάνθινον (= akanthinon: doornen; bv nw acc mann enk van het bv nw ἀκάνθινος = akanthinos: doornen) στέφανον (= stefanon: kring, krans; zn acc mann enk van het zn στέφανος = stefanos):
Mc 15,18
καὶ ἤρξαντο ἀσπάζεσθαι αὐτόν, Χαῖρε, βασιλεῦ τῶν Ἰουδαίων:
En zij begonnen hem te salueren: Gegroet, koning van de Joden.
Mc 15,18 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἤρξαντο (= èrxanto: zij begonnen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen, aanvangen, heersen) ἀσπάζεσθαι (= aspadzesthai: te groeten; wkw med of pass inf praes van het wkw ασπάζω = vriendelijk begroeten, welkom heten).αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Χαῖρε (= chaire: verheug je; wkw act imperat praes 2de pers enk van het wkw χαιρω = chairô: zich verheugen), βασιλεῦ (= basileu: koning; zn voc mann enk van het zn βασιλευς = basileus: koning) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ἰουδαίων (= judaiôn: van de Joden; zn gen mann mv van het zn Ἰουδαίος = judaios: Jood):
Mc 15,19
καὶ ἔτυπτον αὐτοῦ τὴν κεφαλὴν καλάμῳ καὶ ἐνέπτυον αὐτῷ, καὶ τιθέντες τὰ γόνατα προσεκύνουν αὐτῷ.
En zij sloegen hem met een rietstok op het hoofd en zij bespuwden hem en zij bogen de knieën en aanbaden hem.
Mc 15,19 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔτυπτον (= etupton: zij sloegen / mishandelden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw τυπτω: slaan, treffen, mishandelen) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κεφαλὴν (= kefalèn: hoofd; zn acc vr enk van het zn κεφαλη = kefalè: hoofd) καλάμῳ (= kalaô: rietstok; zn dat mann enk van het zn καλάμος = kalamos) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐνέπτυον (= eneptuon: zij spuwden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw εμπτυω = emptuô: spuwen op of in; in iemands gelaat spuwen, uitspuwen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τιθέντες (= tithentes: buigend; wkw act part praes nom mann mv van het wkw τιθημι = tithèmi: zetten, plaatsen, maken, buigen) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) γόνατα (= gonuta: knieën; zn acc onz mv van het zn γονυ = gonu: knie) προσεκύνουν (= prosekunoun: zij knielden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw προσκυνεω = proskuneô: op de knieën vallen bij, aanbidden) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 15,20
καὶ ὅτε ἐνέπαιξαν αὐτῷ, ἐξέδυσαν αὐτὸν τὴν πορφύραν καὶ ἐνέδυσαν αὐτὸν τὰ ἱμάτια αὐτοῦ. καὶ ἐξάγουσιν αὐτὸν ἵνα σταυρώσωσιν
En terwijl zij hem bespotten, ontdeden zij hem van de purperen mantel en zij deden hem zijn eigen kleren aan en zij leiden hem naar buiten opdat zij hem zouden kruisigen.
Mc 15,20 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὅτε (= hote: toen; ondergeschikt vw van tijd) ἐνέπαιξαν (= enepaiksan: zij bespotten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw εμπαιζω = empaidzô: bespotten) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), ἐξέδυσαν (= eksedusan: zij kleedden uit; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw εκδυω = ekduô: zich ontdoen van, uitkleden) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πορφύραν (= porfuran: purperen gewaad / kleed; zn acc vr enk van het zn πορφύρα) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐνέδυσαν (= enedusan: zij kleedden aan; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ενδυω = enduô: kleden, bekleden; med: zich kleden met) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τὰ (= ta; bep lidw acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἱμάτια (= himatia: kleren; zn nom onz mv van het zn ἱματιον = himation: kleed) αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξάγουσιν (= eksagousin: zij leiden naar buiten; wkw act ind praes 3de mv van het wkw εξαγω = exagô: uitleiden, naar buiten leiden; prefix voorzetsel ex: uit + wkw αγω = agô: leiden, voeren) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) σταυρώσωσιν (= staurôsôsin: zij zouden kruisigen; wkw act conjunct aor 3de pers mv van het wkw σταυροω = stauroô: kruisigen) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 15,21
Καὶ ἀγγαρεύουσιν παράγοντά τινα Σίμωνα Κυρηναῖον ἐρχόμενον ἀπ' ἀγροῦ, τὸν πατέρα Ἀλεξάνδρου καὶ Ῥούφου, ἵνα ἄρῃ τὸν σταυρὸν αὐτοῦ.
En zij dwingen een voorbijganger, een zekere Simon van Cyrene, komende van de akker, de vader van Alexander en Rufus, opdat hij zijn kruis zou dragen.
Mc 15,21 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀγγαρεύουσιν (= aggareuousin: zij dwingen om mee te gaan; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw ἀγγαρεύω = aggareuô: dwingen om mee te gaan) παράγοντά (= paragonta: langskomend; wkw act part praes acc mann enk van het wkw παραγω = paragô: langskomen, langsdrijven, langsgaan) τινα (= tina: iemand; onbep vnw acc mann enk van het onbep vnw τις = tis: iemand, τι = ti: iets) Σίμωνα (= simôna: Simon; zn eigennaam acc mann enk van het zn σιμων = Simôn: Simon) Κυρηναῖον (= kurènaion: Cyrener; zn acc mann enk van het zn Κυρηναῖος = kurènaios: Cyrener) ἐρχόμενον (= erchomenon: komende; wkw part praes acc mann enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἀπ' (= ap, afkorting van απο = apo: af, van-weg); vz van plaats; afkorτing vóór een niet-geaspireerde klinker: απ' = ap' en vóór een geaspireerde klinker: αφ' = af') ἀγροῦ (= agrou: akker; zn gen mann enk van het zn αγρος = agros: akker; stam: g/k - r), τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) πατέρα (= patera: vader; zn acc mann enk van het zn πα-τηρ = pa-tèr: va-der) Ἀλεξάνδρου (= aleksandrou: van Aleksander; zn eigennaam gen mann enk van het zn Ἀλεξάνδηρ = aleksandèr: Alexander) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Ῥούφου (= roufou: van Rufus; zn eigennaam gen mann enk van het zn Ῥούφος = roufos: Rufus), ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) ἄρῃ (= arè: hij zou dragen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw αιρω = airô: nemen, dragen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) σταυρὸν (= stauron: kruis; zn acc mann enk van het zn σταυρος = stauros: kruis) αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 15,22
καὶ φέρουσιν αὐτὸν ἐπὶ τὸν Γολγοθᾶν τόπον, ὅ ἐστιν μεθερμηνευόμενον Κρανίου Τόπος.
En zij voeren hem naar de Golgothaplaats, wat vertaald is Schedelplaats.
Mc 15,22 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) φέρουσιν (= ferousin: zij brengen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw φερω = ferô: dragen, brengen) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Γολγοθᾶν (= golgothan: Golgatha; zn eigennaam acc vr enk van het zn Γολγοθα = golgatha: Golgotha) τόπον (= topon: plaats; zn acc mann enk van het zn τοπος = topos: plaats, streek; zie Ned. topografie), ὅ (= ho; betrekk vnw nom onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wat) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) μεθερμηνευόμενον (= methermèneuomenon: vertaald; wkw pass part praes nom onz enk van het wkw μεθερμηνευω = methermèneuô: vertalen) Κρανίου (= kraniou: schedel; zn gen onz enk van het zn κρανιον = kranion: schedel) Τόπος (= topos: plaats; zn nom mann enk).
Mc 15,23
καὶ ἐδίδουν αὐτῷ ἐσμυρνισμένον οἶνον, ὃς δὲ οὐκ ἔλαβεν.
En zij gaven hem wijn, met myrre gemengd, maar die hij niet aannam.
Mc 15,23 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐδίδουν (= edidoun: zij gven; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐσμυρνισμένον (= esmurnismenon: met myrre vermengd; wkw pass part perf acc mann enk van het wkw σμυρνιζω = smurnidzô: met myrre vermengen) οἶνον (= oinon: wijn; zn acc mann enk van het zn οἶνος = wijn; Lat: vinum; Fr: vin), ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔλαβεν (= elaben: hij nam; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) .
Mc 15,24
καὶ σταυροῦσιν αὐτὸν καὶ διαμερίζονται τὰ ἱμάτια αὐτοῦ, βάλλοντες κλῆρον ἐπ' αὐτὰ τίς τί ἄρῃ.
En zij kruisigen hem en zijn kleren worden verdeeld en zij werpen het lot erop wie wat zou nemen.
Mc 15,24 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) σταυροῦσιν (= staurousin: zij kruisigen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw σταυροω = stauroô: kruisigen) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) διαμερίζονται (= diameridzontai: zij worden verdeeld; wkw pass ind praes 3de pers mv van het wkw διαμερίζω = diameridzô: verdelen) τὰ (= ta; bep lidw nom onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἱμάτια (= himatia: kleren; zn nom onz mv van het zn ἱματιον = himation: kleed) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) βάλλοντες (= ballontes: werpende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen) κλῆρον (= klèron: lot; zn acc mann enk van het zn κλῆρος = klèros: lot) ἐπ' (= επ': ep: over; epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; afkortingen : επ' = ep': vóór een niet-aangeblazen klinker, en εφ' = ef': vóór een aangeblazen klinker) αὐτὰ (= auta: hen; pers vnw acc onz mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τίς (= tis: wie? vrag vnw nom mann enk) τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) ἄρῃ (= arè: hij zou dragen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw αιρω = airô: nemen, dragen).
Mc 15,25
ἦν δὲ ὥρα τρίτη καὶ ἐσταύρωσαν αὐτόν.
Dan was het het derde uur en zij kruisigden hem.
Mc 15,25 ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk; < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat: esse; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ὥρα (= hôra: uur; zn nom vr enk) τρίτη (= tritè: derde; rangtelw nom vr enk van het rangtelw τριτος, τριτη, τριτον = tritos, tritè, triton: derde) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐσταύρωσαν (= staurôsan: zij kruisigden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw σταυροω = stauroô: kruisigen) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 15,26
καὶ ἦν ἡ ἐπιγραφὴ τῆς αἰτίας αὐτοῦ ἐπιγεγραμμένη, Ὁ βασιλεὺς τῶν Ἰουδαίων.
En het opschrift van zijn reden was opgeschreven: de koning van de Joden.
Mc 15,26 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐπιγραφὴ (= epigrafè: opschrift; zn nom vr enk) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) αἰτίας (= aitias: van de reden; zn gen vr enk van het zn αἰτία= aitia: reden) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐπιγεγραμμένη (= epigegrammenè: opgeschreven; wkw pass part perf nom vr enk van het wkw ἐπιγραφω = epigrafô: opschrijven), ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) βασιλεὺς (= basileus: koning; zn nom mann enk) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ἰουδαίων (= judaiôn: van de Joden; zn gen mann mv van het zn Ἰουδαίος = judaios: Jood);
Mc 15,27
Καὶ σὺν αὐτῷ σταυροῦσιν δύο λῃστάς, ἕνα ἐκ δεξιῶν καὶ ἕνα ἐξ εὐωνύμων αὐτοῦ.
En met hem kruisigen zij twee rovers, de ene aan zijn rechter-, de andere aan zijn linkerzijde.
Mc 15,27 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) σὺν (= sun: met; vz met dat) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) σταυροῦσιν (= staurousin: zij kruisigen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw σταυροω = stauroô: kruisigen) δύο (= duo: twee; hoofdtelw) λῃστάς (= lèstas: rovers; zn acc mann mv van het zn λῃστης = lèstès: rover), ἕνα (= hena: één; hoofdtelw bv nw acc mann enk van het hoofdtelw bv nw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) δεξιῶν (= dexiôn: rechts; bv nw gen mann mv van het bv δεξιος = dexios: rechts) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἕνα (= hena: één; hoofdtelw bv nw acc mann enk van het hoofdtelw bv nw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) εὐωνύμων (= euônumôn: links; bv nw gen mann enk van het bv nw εὐωνυμος = euônumos: links geplaatst, linker) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) .
Mc 15,28
Καὶ
En
Mc 15,28 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw)
Mc 15,29
οἱ παραπορευόμενοι ἐβλασφήμουν αὐτὸν κινοῦντες τὰς κεφαλὰς αὐτῶν καὶ λέγοντες, Οὐὰ ὁ καταλύων τὸν ναὸν καὶ οἰκοδομῶν ἐν τρισὶν ἡμέραις,
De voorbijgangers bespotten hem, hun hoofden schuddende en zeggende: ach degene die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt.
Mc 15,29 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παραπορευόμενοι (= paraporeuomenoi: langs op weg zich begevend; wkw med part praes nom mann mv van het wkw παραπορευομαι = paraporeuomai: langs zich op weg begeven < voorvoegsel παρα = para: langs, naast + wkw πορευομαι = poreuomai: zich op weg begeven naar) ἐβλασφήμουν (= eblasfèmoun: zij belasterden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw βλασφημεω: = blasfèmeô: lasteren, godslasteren) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) κινοῦντες (= kinountes: bewegende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw κινεω = kineô: bewegen) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κεφαλὰς (= kefalas: hoofden; zn acc vr mv van het zn κεφαλη = kefalè: hoofd) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λέγοντες (= legontes: zeggende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Οὐὰ (= oua: wee, ach; uitroeppartikel) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) καταλύων (= kataluôn: vernietigende, afbrekende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw καταλυω = kataluô: ontbinden, vernietigen, afbreken) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ναὸν (= naon: tempel; zn acc mann enk van het zn ναος = naos: tempel) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οἰκοδομῶν (= oikodomôn: opbouwende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw οἰκοδομεω = oikodomeô: bouwen, opbouwen) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τρισὶν (= trisin: drie; telw dat vr mv van het telw τρεῖς = treis: drie) ἡμέραις (= hèmerais: dagen; zn dat vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?),
Mc 15,30
σῶσον σεαυτὸν καταβὰς ἀπὸ τοῦ σταυροῦ.
Red jezelf door van het kruis af te komen.
Mc 15,30 σῶσον (= sôson: red; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw σῳζω = sôzô: redden, verlossen) σεαυτὸν (= seauton: jezelf; wederkerig vnw 2de pers acc mann enk van het wederkerig vnw σεαυτος = seautos: jezelf) καταβὰς (= katabas: afdalende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw καταβαινω = katabainô: naar beneden dalen, afdalen) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) σταυροῦ (= staurou: van het kruis; zn gen mann enk van het zn σταυρος = stauros: kruis).
Mc 15,31
ὁμοίως καὶ οἱ ἀρχιερεῖς ἐμπαίζοντες πρὸς ἀλλήλους μετὰ τῶν γραμματέων ἔλεγον, Ἄλλους ἔσωσεν, ἑαυτὸν οὐ δύναται σῶσαι:
Op gelijke wijze bespotten ook de hogepriesters (hem), onder elkaar samen met de schriftgeleerden zeggende: anderen redde hij, zichzelf kan hij niet redden.
Mc 15,31 ὁμοίως (= homoiôs: op gelijke wijze; bw) καὶ (= kai: en; nevensch vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀρχιερεῖς (= archiereis: hogepriesters; zn nom mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester) ἐμπαίζοντες (= empaidzontes: bespottende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw ἐμπαίζω = empaidzô: bespotten) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) ἀλλήλους (= allèlous: anderen; onbep vnw acc mann mv van het onbep vnw αλληλοι = allèloi: elkander, elkaar) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) γραμματέων (= grammateôn: van de schriftgeleerden; zn gen mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde; uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα. assimilatie van de f aan de m, γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Ἄλλους (= allous: anderen; bv nw acc mann mv van het bv nw αλλος = allos: ander) ἔσωσεν (= esôsen: hij redde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw σῳζω = sôzô: redden, verlossen), ἑαυτὸν (= heauton: zichzelf; wederkerig vnw acc mann enk van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) δύναται (= dunatai: hij kan; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen, in staat zijn) σῶσαι (= sôsai: om te redden; wkw act inf aor van het wkw σῳζω = sôzô: redden, verlossen) :
Mc 15,32
ὁ Χριστὸς ὁ βασιλεὺς Ἰσραὴλ καταβάτω νῦν ἀπὸ τοῦ σταυροῦ, ἵνα ἴδωμεν καὶ πιστεύσωμεν. καὶ οἱ συνεσταυρωμένοι σὺν αὐτῷ ὠνείδιζον αὐτόν.
De Christus, de koning van Israël, kom nu van het kruis af, opdat wij zouden zien en geloven; en de medegekruisigden met hem bespotten hem.
Mc 15,32 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Χριστὸς (= christos: gezalfde, Christus; zn eigennaam nom mann enk) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) βασιλεὺς (= basileus: koning; zn nom mann enk) Ἰσραὴλ (= israèl: Israël; eigennaam) καταβάτω (= katabatô: dat hij afdale; wkw act imperat aor 3de pers enk van het wkw καταβαινω = katabainô: naar beneden dalen, afdalen) νῦν (= nun: nu; bw van tijd) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) σταυροῦ (= staurou: van het kruis; zn gen mann enk van het zn σταυρος = stauros: kruis), ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) ἴδωμεν (= idômen: wij zouden zien; wkw act conjunct aor 1ste pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) πιστεύσωμεν (= pisteusômen: wij zouden vertrouwen; wkw act conjunct aor 1ste pers mv van het wkw πιστευω = pisteuô: geloven, vertrouwen). καὶ (= kai: en; nevensch vw) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) συνεσταυρωμένοι (= sunestaurômenoi: medegekruisigden; wkw pass part perf nom mann mv van het wkw συσταυροω = sustauroô: medekruisigen) σὺν (= sun: met; vz met dat) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὠνείδιζον (= ôneididzon: zij versmaden / bespotten; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ονείδιζὠ = oneididzô: versmaden, bespotten) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 15,33
Καὶ γενομένης ὥρας ἕκτης σκότος ἐγένετο ἐφ' ὅλην τὴν γῆν ἕως ὥρας ἐνάτης.
En het zesde uur geworden, 'viel' duisternis over de hele aarde / het hele land tot het negende uur.
Mc 15,33 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) γενομένης (= genomenès: geworden; wkw med part aor gen vr enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren - stam ge-) ὥρας (= hôras: uur; zn gen vr enk van het zn ὡρα = hôra: uur) ἕκτης (= hektès: zesde; rangtelw gen vr enk van het rangtelw ἕκτος = hektos: zesde) σκότος (= skotos: duisternis; zn nom onz enk) ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai: gebeuren, worden; stam: gen) ἐφ' (= ef' : over; epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; afkortingen: επ' = ep': vóór een niet-aangeblazen klinker, en εφ' = ef': vóór een aangeblazen klinker) ὅλην (= holèn: heel; bv nw acc vr enk van het bv nw ὁλος = holos: heel) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γῆν (= gèn: aarde, land; zn acc vr enk van het zn γη = gè: aarde, land)ἕως (= heôs: tot, totdat; onderschikkend vw of vz) ὥρας (= hôras: uur; zn gen vr enk van het zn ὡρα = hôra: uur) ἐνάτης (= enatès: negende; bv nw rangtelw gen vr enk van het bv nw rangtelw ενατος = enatos:: negende).
Mc 15,34
καὶ τῇ ἐνάτῃ ὥρᾳ ἐβόησεν ὁ Ἰησοῦς φωνῇ μεγάλῃ, Ελωι ελωι λεμα σαβαχθανι; ὅ ἐστιν μεθερμηνευόμενον Ὁ θεός μου ὁ θεός μου, εἰς τί ἐγκατέλιπές με;
En op het negende uur schreeuwde Jezus met luide stem: Elôi, elôi, lema sabachtahani, vertaald is dit: Mijn God, mijn God, waarom verliet je me?
Mc 15,34 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) ἐνάτῃ (= enatè: negende; bv nw rangtelw dat vr enk van het bv nw rangtelw ενατος = enatos:: negende) ὥρᾳ (= hôra: op het uur; zn dat vr enk van het zn ὡρα = hôra: uur) ἐβόησεν (= eboèsen: hij schreeuwde luid; act ind aor 3de pers enk van het wkw βοαω = boaô: luid schreeuwen) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) φωνῇ (= fônè: met stem, roep; zn dat vr enk van het zn φωνη = fônè: stem, roep) μεγάλῃ (= megalè: groot; bv nw dat vr enk van het bv nw μεγας = megas: groot), Ελωι (= elôi: mijn God; Aramees) ελωι (= elôi: mijn God; Aramees) λεμα (= lema: waarom; Aramees) σαβαχθανι (sabachthani: jij verliet me; Aramees); ὅ (= ho; betrekk vnw nom en acc onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) μεθερμηνευόμενον (= methermèneuomenon: vertaald; wkw pass part praes nom onz enk van het wkw μεθερμηνευω = methermèneuô: vertalen) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θεός (= theos: God; nom mann enk) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θεός (= theos: God; nom mann enk) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij), εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) ἐγκατέλιπές (= egkatelipes: jij verliet in; wkw act ind aor 2de pers enk van het wkw εγκαταλειπω = egkataleipô: achterlaten in, verlaten in) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij);
Mc 15,35
καί τινες τῶν παρεστηκότων ἀκούσαντες ἔλεγον, Ἴδε Ἠλίαν φωνεῖ.
En sommige omstaanders horende zeiden: zie hij roept Elia.
Mc 15,35 καί (= kai: en; nevenschikkend vw) τινες (= tines: sommigen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw τις - τι = tis, ti: iemand, iets; mv: sommigen) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) παρεστηκότων (= parestèkotôn: van de omstaanders; wkw act part perf gen mann mv van het wkw παριστημι = paristèmi: staan bij) ἀκούσαντες (= akousantes: gehoord; wkw act part aor nom mann mv van het wkw ακουω = akouô, Fr.: é-cou-ter) ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Ἴδε (= ide zie; wkw act imperat aor 2de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; stam: ιδ = id) Ἠλίαν (= èlian: Elia; zn eigennaam acc mann enk van het zn eigennaam Ἠλίας = èlias; Elia) φωνεῖ (= fônei: hij roept; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw φωνεω = foneô: roepen, schreeuwen).
Mc 15,36
δραμὼν δέ τις [καὶ] γεμίσας σπόγγον ὄξους περιθεὶς καλάμῳ ἐπότιζεν αὐτόν, λέγων, Ἄφετε ἴδωμεν εἰ ἔρχεται Ἠλίας καθελεῖν αὐτόν.
Daarop liep iemand, vulde een spons met zure wijn, stak die op een rietstengel en liet hem drinken, zeggende: Laten jullie, laten wij zien of Elia hem (van het kruis) komt afnemen.
Mc 15,36 δραμὼν (= dramôn: lopende; wkw act part aor nom mann enk bij het wkw τρεχω = trechô: snellopen, hollen) δέ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk) [καὶ (= kai: en; nevensch vw) ] γεμίσας (= gemisas: gevuld hebbende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw γεμιζω = gemidzô: vullen) σπόγγον (= spoggon: spons; zn acc mann enk van het zn σπόγγος = spoggos: spons) ὄξους (= oksous: azijn; zn gen onz enk van het zn ὄξος = oksos: azijn, zure drzank, zure wijn) περιθεὶς (= peritheis: opgestoken op; wkw act part aor nom mann enk van het wkw περιτιθημι = peritithèmi: rondom aanleggen, opzetten) καλάμῳ (= kalamo: rietstengel; zn dat mann enk van het zn καλάμος = kalamos: rietstengel) ἐπότιζεν (= epotizen: hij gaf te drinken; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw ποτιζω = potizô: drenken, laten drinken; Lat.: potare: drinken, potio: het drinken) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), λέγων (= legôn: zeggend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep), Ἄφετε (= afete: laten jullie; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw αφιημι = afièmi: aflaten, toestaan) ἴδωμεν (= idômen: wij zouden zien; wkw act conjunct aor 1ste pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) εἰ (= ei: indien, of; vw van voorwaarde) ἔρχεται (= erchetai: hij gaat, hij komt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) Ἠλίας (= èlias; Elia; zn eigennaam nom mann enk) καθελεῖν (= kathelein: afnemend; wkw act inf aor van het wkw καθαιρεω = kathaireô: naar beneden nemen, afnemen) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 15,37
ὁ δὲ Ἰησοῦς ἀφεὶς φωνὴν μεγάλην ἐξέπνευσεν.
Daarop liet Jezus los en blies met luide stem de geest uit.
Mc 15,37 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) ἀφεὶς (= afeis: aflatende, achterlatende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) φωνὴν (= fônèn: stem; zn acc vr enk van het zn φωνη = fônè: stem, roep) μεγάλην (megalèn: groot; bv nw acc vr enk van het bv nw μεγας = megas: groot) ἐξέπνευσεν (= exepneusen: hij ademde uit, hij stierf; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εκπνεω = ekpneô: uitademen, sterven).
Mc 15,38
Καὶ τὸ καταπέτασμα τοῦ ναοῦ ἐσχίσθη εἰς δύο ἀπ' ἄνωθεν ἕως κάτω.
En het voorhangel van de tempel werd in twee gescheurd, van bovenaf naar beneden.
Mc 15,38 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τὸ (= to: het; bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het).καταπέτασμα (= katapetasma: voorhangsel, het neergevallene; zn nom onz enk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ναοῦ (= naou: van de tempel; zn gen mann enk van het zn ναος = naos: tempel) ἐσχίσθη (= eschisthè: het werd gescheurd; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw σχιζω = schizô: scheuren) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) δύο (= duo: twee; hoofdtelw) ἀπ' (= ap, afkorting van απο = apo: af, van-weg); vz van plaats; afkorτing vóór een niet-geaspireerde klinker: απ' = ap' en vóór een geaspireerde klinker: αφ' = af') ἄνωθεν (= anôthen: vanaf boven, van boven af; bw) ἕως (= heôs: tot, totdat; vz) κάτω (= katô: beneden, onder; bw).
Mc 15,39
Ἰδὼν δὲ ὁ κεντυρίων ὁ παρεστηκὼς ἐξ ἐναντίας αὐτοῦ ὅτι οὕτως ἐξέπνευσεν εἶπεν, Ἀληθῶς οὗτος ὁ ἄνθρωπος υἱὸς θεοῦ ἦν.
Ondertussen zag de honderdman, die tegenover hem stond, dat hij zo stierf, zei: Waarlijk deze mens was een zoon van God.
Mc 15,39 Ἰδὼν (= idôn: gezien; wkw act part aor nom mann enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag - Lat: videre; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κεντυρίων (= kenturiôn: honderdman; zn acc onz enk; Latijns woord centurion) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παρεστηκὼς (= parestèkôs: staande; wkw act part perf nom mann enk van het wkw παριστημι = paristèmi: staan bij) ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) ἐναντίας (= enantias; het tegenover, tegendeel; zn gen vr enk van het zn ἐναντίον = enantion) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de² pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) οὕτως (= houtôs: op die wijze, zo; bw van wijze) ἐξέπνευσεν (= exepneusen: hij ademde uit, hij stierf; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εκπνεω = ekpneô: uitademen, sterven) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), Ἀληθῶς (= alèthôs: waarlijk; bw) οὗτος (= houtos: deze; aanwijz vnw nom mann enk) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἄνθρωπος (= anthrôpos: mens; zn nom mann enk) υἱὸς (= huios: zoon; zn nom mann enk) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk; < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat: esse; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2).
Mc 15,40
*)=ησαν δὲ καὶ γυναῖκες ἀπὸ μακρόθεν θεωροῦσαι, ἐν αἷς καὶ Μαρία ἡ Μαγδαληνὴ καὶ Μαρία ἡ Ἰακώβου τοῦ μικροῦ καὶ Ἰωσῆτος μήτηρ καὶ Σαλώμη,
Ondertussen waren ook vrouwen van verre aan het toekijken, onder wie ook Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jakobus de kleine en Iosès, en Salome.
Mc 15,40 *)=ησαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) γυναῖκες (= gunaikes: vrouwen; zn nom vr mv van het zn γυνη = gunè: vrouw) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' - vóór een niet-aangeblazen klinker - en αφ' = af' - vóór een aangeblazen klinker) μακρόθεν (= makrothen: van verre, in de verte; bw) θεωροῦσαι (= theôrousai: kijkende; wkw act part praes nom vr mv van het wkw θεωρεω = theôreô: kijken, zien), ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd, middel) αἷς (= hais: aan wie; betrekk vnw dat vr mv van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Μαρία (= maria: Maria; zn eigennaam nom vr enk) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Μαγδαληνὴ (= magdalènè: Magdalena, de Magdaleense; bv nw nom vr enk) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Μαρία (= maria: Maria; zn eigennaam nom vr enk) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰακώβου (= iakôbou: met Jakobus; zn eigennaam gen mann enk van het zn nw ιακωβος = jakôbos: Jakobus) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μικροῦ (= mikrou: van de kleine; bv nw gen mann enk van het bv nw μικρος = mikros: klein) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Ἰωσῆτος (= jôsètos: van Josès; zn eigennaam gen vr enk van het zn ιωσης = Iôsès: Josès) μήτηρ (= mètèr: moeder; zn nom vr enk) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Σαλώμη (= Salômè: Salome; zn eigennaam nom vr enk),
Mc 15,41
αἳ ὅτε ἦν ἐν τῇ Γαλιλαίᾳ ἠκολούθουν αὐτῷ καὶ διηκόνουν αὐτῷ, καὶ ἄλλαι πολλαὶ αἱ συναναβᾶσαι αὐτῷ εἰς Ἱεροσόλυμα.
Degenen die toen hem in Galilea volgden en dienden en de vele anderen die met hem mee waren opgegaan naar Jeruzalem.
Mc 15,41 αἳ ὅτε (= hote: toen; ondergeschikt vw van tijd) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Γαλιλαίᾳ (= Galilaia: in Galilea; zn eigennaam dat vr enk van het zn γαλιλαια = galilaia: Galilea) ἠκολούθουν (= èkolouthoun: zij volgden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) διηκόνουν (= dèkonoun: zij dienden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw διακονεω = diakoneô: dienen, dienares zijn) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἄλλαι (= allai: anderen; onbep vnw nom vr mv van het onbep vnw αλλος = allos: ander) πολλαὶ (= pollai: velen; bv nw nom vr mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) αἱ (= hai: de; bep lidw nom vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) συναναβᾶσαι (= sunanabasai: mee opgegaan; wkw act part aor nom vr mv van het wkw συναναβαινω = sunanabainô: mee opgaan) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Ἱεροσόλυμα (= Hierosuluma: Jeruzalem; zn eigennaam acc onz mv. Het zn wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel; in 3 verzen door het voorzetsel απο = apo: van-weg + gen Ἱεροσόλυμων = Hierosolumôn, in 7 door εις = eis: naar + acc Ἱεροσόλυμα = Hierosoluma).
Mc 15,42
Καὶ ἤδη ὀψίας γενομένης, ἐπεὶ ἦν παρασκευή, ὅ ἐστιν προσάββατον,
En het was reeds avond geworden; het was voorbereidingsdag / vrijdag, dat is de dag voor de sabbat.
Mc 15,42 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἤδη (= èdè: reeds, al; bw) ὀψίας (= opsias: 's avonds; zn gen vr enk van het zn οψια = opsia: avond) γενομένης (= genomenès: geworden; wkw med part aor gen vr enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren - stam ge-), ἐπεὶ (= epei: wanneer, zodra, zo dikwijls als; vw van tijd) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) παρασκευή (= paraskeuè: de voorbereidingsdag, de vrijdag; zn nom vr enk), ὅ (= ho; betrekk vnw nom en acc onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) προσάββατον (= prosabbaton: daags voor de sjabbat; zn nom onz enk),
Mc 15,43
ἐλθὼν Ἰωσὴφ [ὁ] ἀπὸ Ἁριμαθαίας εὐσχήμων βουλευτής, ὃς καὶ αὐτὸς ἦν προσδεχόμενος τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ, τολμήσας εἰσῆλθεν πρὸς τὸν Πιλᾶτον καὶ ᾐτήσατο τὸ σῶμα τοῦ Ἰησοῦ.
Jozef, die van Arimatea, een aanzienlijk raadsman, die ook het koningschap van God verwachtte, kwam en durfde binnengaan bij Pilatus en vroeg het lichaam van Jezus.
Mc 15,43 ἐλθὼν (= elthôn: gekomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) Ἰωσὴφ (= iôsèf: Jozef; zn eigennaam nom mann enk) [ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)] ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) Ἁριμαθαίας (= arimathaios: van Arimatea; zn eigennaam gen vr enk van het zn Ἁριμαθαία = arimathaia: Arimathea) εὐσχήμων (= euschèmôn: voornaam, aanzienlijk; bv nw nom mann enk) βουλευτής (= bouleutès: raadsheer), ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) αὐτὸς (= autos: hij, zelf; pers vnw nom mann enk) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) προσδεχόμενος (= prosdechomenos: aannemende, verwachtende; wkw med of pass part praes nom mann enk van het wkw προσδεχομαι = prosdechomai: aannemen, wachten, verwachten) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) βασιλείαν (= basileian: koninkrijk, koningschap; zn acc vr enk van het zn βασιλεια = basileia: koninkrijk, koningschap) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God), τολμήσας (= tolmèsas: durvende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw τολμαω: verdragen, dulden, durven) εἰσῆλθεν (= eisèlthen: hij ging binnen; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) Πιλᾶτον (= Pilaton: Pilatus; zn eigennaam acc mann enk van het zn Πιλατος = pilatos: Pilatus) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ᾐτήσατο (= ètèsato: hij vroeg voor zich; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αιτεω = aiteô: vragen, bedelen) τὸ (= to: het; bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) σῶμα (= sôma: lichaam: zn acc onz enk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ἰησοῦ (= ièsou: van Jezus; zn eigennaam gen mann enk van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus).
Mc 15,44
ὁ δὲ Πιλᾶτος ἐθαύμασεν εἰ ἤδη τέθνηκεν, καὶ προσκαλεσάμενος τὸν κεντυρίωνα ἐπηρώτησεν αὐτὸν εἰ πάλαι ἀπέθανεν:
Maar Pilatus verwonderde zich erover of hij reeds gestorven was, en de honderdman bij zich roepende vroeg hij hem of hij voordien al stierf.
Mc 15,44 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Πιλᾶτος (= Pilatus; zn eigennaam nom mann enk) ἐθαύμασεν (= ethaumasen: hij bewonderde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw θαυμαζω = thaumazô: bewonderen, verwonderen, verbazen) εἰ (= ei: indien, of; vw van voorwaarde) ἤδη (= èdè: reeds, al; bw) τέθνηκεν (= tethnèken: hij stierf; wkw act ind perf 3de pers enk van het wkw θνησκω = thnèskô: sterven), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) προσκαλεσαμενος (= proskalesamenos: bij zich geroepen; wkw med part aor nom mann enk van het wkw προσκαλεομαι = proskaleomai: bij zich roepen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) κεντυρίωνα (= kenturiôna: de centurio / honderdman; zn acc mann enk van het zn κεντυρίων = kenturiôn: honderdman; Latijns woord centurion) ἐπηρώτησεν (= epèrôtèsen: hij ondervroeg: wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἰ (= ei: indien, of; vw van voorwaarde) πάλαι (= palai: vroeger, lang geleden, eerder; bw). ἀπέθανεν (= apethanen: hij stierf; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αποθνῃσκω = apothnè(i)skô: sterven):
Mc 15,45
καὶ γνοὺς ἀπὸ τοῦ κεντυρίωνος ἐδωρήσατο τὸ πτῶμα τῷ Ἰωσήφ.
En wetende van de honderdman schonk hij het lijk aan Jozef.
Mc 15,45 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) γνοὺς (= gnous: wetende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: weten; gi-gnô-sk-ô; stam gn-, Ned.: kn) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) τοῦ (= tou: van de ; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) κεντυρίωνος (= kenturionos: van de centurio / honderdman; zn gen mann enk van het zn κεντυρίων = kenturiôn: honderdman; Latijns woord centurion) ἐδωρήσατο (= edôrèsato: het werd geschonken; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw δωρεω = dôreô: geven, schenken) τὸ (= to: het; bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πτῶμα (= ptôma: dode lichaam, lijk; zn acc onz enk) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰωσήφ (= iôsèf: Jozef; zn eigennaam mann enk).
Mc 15,46
καὶ ἀγοράσας σινδόνα καθελὼν αὐτὸν ἐνείλησεν τῇ σινδόνι καὶ ἔθηκεν αὐτὸν ἐν μνημείῳ ὃ ἦν λελατομημένον ἐκ πέτρας, καὶ προσεκύλισεν λίθον ἐπὶ τὴν θύραν τοῦ μνημείου.
En gekocht een linnen weefsel, en hem afgenomen (van het kruis) wikkelde hij hem in het linnen weefsel en legde hem in een grafgedenkteken, dat uit de rotssteen was gehouwen en hij rolde een steen naar de deur van het grafgedenkteken.
Mc 15,46 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀγοράσας (= agorasas: gekocht; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αγοραζω = agorazô: kopen) σινδόνα (= sindona: onderkleed; zn acc mann mv van het zn σινδων = sindôn: linnen weefsel) καθελὼν (= kathelôn: afnemend; wkw act part aor nom mann enk van het wkw καθαιρεω = kathaireô: naar beneden nemen, afnemen) αυτον (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐνείλησεν (= eneilèsen: hij wikkelde in; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ενειλεω = eneileô: inwikkelen) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) σινδόνι (= sindoni: in een linnen gewaad; zn dat mann enk van het zn σινδων = sindôn: linnen weefsel) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔθηκεν (= ethèken: hij legde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw τιθημι = tithèmi: zetten, plaatsen, maken) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) μνημείῳ (= mnèmeiô: graf, gedenkteken; zn dat onz enk van het zn μνημειον = mnèmeion: monument, gedenkteken, graf) ὃ (= ho; betrekk vnw acc onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wat) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) λελατομημένον (= lelatomèmenon: uit steen gehouwen; wkw pass part perf nom onz enk van het wkw λατρομεω = latomeô: uit steen houwen) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) πέτρας (= petras: uit de rots; zn gen vr enk van het zn πέτρα = petra: rots), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) προσεκύλισεν (= prosekulisen: hij rolde naartoe; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw προσκυλιω = proskuliô: ernaartoe rollen) λίθον (= lithon: steen; zn acc mann enk van het zn λιθος = lithos: steen) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θύραν (= thuran: deur; zn acc vr enk van het zn θυρα = thura. Ned: deur D: Tür E: door. Stam: d/t/th - r. Gr: δελτα = delta; 4de letter van het Griekse alfabet) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μνημείου (= mnèmeiou van het grafgedenkteken; zn gen onz enk van het zn μνημειον = mnèmeion: monument, gedenkteken, graf).
Mc 15,47
ἡ δὲ Μαρία ἡ Μαγδαληνὴ καὶ Μαρία ἡ Ἰωσῆτος ἐθεώρουν ποῦ τέθειται.
Ondertussen keken Maria van Magdala en Maria van Josès toe waar hij werd neergelegd.
Mc 15,47 ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Μαρία (= maria: Maria; zn eigennaam nom vr enk) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Μαγδαληνὴ (= magdalènè: Magdalena, de Magdaleense; bv nw nom vr enk) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Μαρία (= maria: Maria; zn eigennaam nom vr enk) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰωσῆτος (= jôsètos: van Josès; zn eigennaam gen vr enk van het zn ιωσης = Iôsès: Josès) ἐθεώρουν (= etheôroun: zij zagen; wkw act indic imperfect 3de pers mv van het wkw θεωρεω = theôreô: kijken, zien) ποῦ (= pou: waar; vrag bw van plaats) τέθειται (= tetheitai: hij werd neergelegd; wkw pass ind perf 3de pers enk van het wkw τιθημι = tithèmi: zetten, plaatsen, maken).
Mc 16,1 Καὶ διαγενομένου τοῦ σαββάτου Μαρία ἡ Μαγδαληνὴ καὶ Μαρία ἡ [τοῦ] Ἰακώβου καὶ Σαλώμη ἠγόρασαν ἀρώματα ἵνα ἐλθοῦσαι ἀλείψωσιν αὐτόν.
- En nadat de sabbat verlopen was, kochten Maria Magdalena en Maria van Jakobus en Salome geurwaren opdat zij hem zouden zalven, nadat zij naar hem waren gegaan.
Mc 16,1 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) διαγενομένου (= diagenomenou: verlopen; wkw med part aor gen mann enk van het wkw διαγινομαι. voortduren, verlopen) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) σαββάτου (= sabbatou: sabbat; zn gen onz enk van het zn σαββατον = sabbaton: sabbat) Μαρία (= maria: Maria; zn eigennaam nom vr enk) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Μαγδαληνὴ (= magdalènè: Magdalena, de Magdaleense; bv nw nom vr enk) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Μαρία (= maria: Maria; zn eigennaam nom vr enk) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) [τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het)] Ἰακώβου (= iakôbou: van Jakobus; zn eigennaam gen mann enk van het zn nw ιακωβος = jakôbos: Jakobus) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) Σαλώμη (= Salôme: Salome: eigenaam; zn nom vr enk) ἠγόρασαν (= ègorasan: zij kochten; wkw act indic aor 3de pers mv van het wkw αγοραζω = agorazô: kopen) ἀρώματα (= arômata: reukwaren; zn acc onz mv van het zn ἀρώμα: reukwaar) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) ἐλθοῦσαι (elthousai: gekomen zijnde; wkw act part aor nom vr mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελθ = elth: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἀλείψωσιν (= aleipsôsin: opdat zij zouden zalven; wkw act conjunct aor 3de pers mv van het wkw ἀλείφω = aleifô: zalven) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 16,2 καὶ λίαν πρωῒ τῇ μιᾷ τῶν σαββάτων ἔρχονται ἐπὶ τὸ μνημεῖον ἀνατείλαντος τοῦ ἡλίου.
- En op de eerste dag van de week, zeer vroeg, nadat de zon was opgegaan, gaan zij naar het gedenkteken/graf.
Mc 16,2 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) λίαν (= lian: zeer; bw) πρωῒ (= prôi: 's morgens; bw van tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μιᾷ (= mia: één; hoofdtelw dat vr enk van het hoofdtelw bv nw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) σαββάτων (sabbatôn: van de week; zn gen onz mv van het zn σαββατον = sabbaton: sabbat; mv week) ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελθ = elאי: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐπὶ (= epi + acc: naar, tegen; vz van plaats) τὸ (= to: het; bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μνημεῖον (= mnèmeion: monument, gedenkteken, graf; zn acc onz enk) ἀνατείλαντος (= anateilantos: opgegaan; wkw act part aor gen mann enk van het wkw ανατελλω = anatellô: optillen, oprijzen, opgaan) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἡλίου (= hèliou: zon; zn gen mann enk van het zn ἡλιος = hèlios: zon).
Mc 16,3 καὶ ἔλεγον πρὸς ἑαυτάς, Τίς ἀποκυλίσει ἡμῖν τὸν λίθον ἐκ τῆς θύρας τοῦ μνημείου;
- En zij zeiden tot elkaar: Wie zal voor ons de steen van de deur van het grafmonument wegrollen?
Mc 16,3 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) ἑαυτάς (= heautous: tot elkaar; wederkerig vnw acc vr mv van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf). Τίς (= tis: wie; vrag vnw nom mann enk) ἀποκυλίσει (= apokulisei: hij zal wegrollen; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw αποκυλιω = apokuliô: wegrollen) ἡμῖν (= hèmin: aan ons; pers vnw dat mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: wij) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) λίθον (= lithon: steen; zn acc mann enk van het zn λιθος = lithos: steen) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θύρας (= thuras: deur; zn gen vr enk van het zn θυρα = thura. Ned: deur D: Tür E: door. Stam: d/t/th - r. Gr: δελτα = delta; 4de letter van het Griekse alfabet) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μνημείου (= mnèmeiou van het grafgedenkteken; zn gen onz enk van het zn μνημειον = mnèmeion: monument, gedenkteken, graf);
Mc 16,4 καὶ ἀναβλέψασαι θεωροῦσιν ὅτι ἀποκεκύλισται ὁ λίθος, ἦν γὰρ μέγας σφόδρα.
- En nadat zij hadden opgekeken, zagen zij dat de steen was weggerold; want hij was buitengewoon groot;
Mc 16,4 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἀναβλέψασαι (= anablepsasai: omhooggeblikt; wkw act part aor nom mann mv van het wkw αναβλεπω = anablepô: naar boven / omhoog blikken, opkijken) θεωροῦσιν (= theôrousin: zij zien; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw θεωρεω = theôreô: kijken, zien) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἀποκεκύλισται (= apokekulistai: hij is weggerold; wkw pass ind perf 3de pers enk van het wkw αποκυλιω = apokuliô: wegrollen) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) λίθος (= lithos: steen; zn nom mann enk), ἦν (= èn: hij was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) μέγας (= megas: groot; bv nw nom mann enk) σφόδρα (= sfodra: geweldig, buitengewoon, zeer; bw).
Mc 16,5 καὶ εἰσελθοῦσαι εἰς τὸ μνημεῖον εἶδον νεανίσκον καθήμενον ἐν τοῖς δεξιοῖς περιβεβλημένον στολὴν λευκήν, καὶ ἐξεθαμβήθησαν.
- En binnengaan in het grafmonument zagen zij een jongeman rechts zitten, gekleed in een wit kleed, en zij waren verbijsterd.
Mc 16,5 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εἰσελθοῦσαι (= eiselthousai: binnengegaan; wkw part aor nom vr mv van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελθ = elth: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ (= to: het; bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μνημεῖον (= mnèmeion: monument, gedenkteken, graf; zn acc onz enk) εἶδον (= eidon: zij zagen; wkw act ind aor 3de pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) νεανίσκον (= neaniskon: jongeling; zn acc mann enk van het zn νεανισκος = neaniskos: jongeman, kleine man; uit: neos: nieuw/jong + anèr: man ???).καθήμενον (= kathèmenon: zittend; wkw med part praes acc mann enk van het wkw καθημαι = kathèmai: zich zetten, gaan zitten, zitten) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δεξιοῖς (= deksiois; rechts; bv nw dat onz mv van het bv δεξιος = dexios: rechts) περιβεβλημένον (= peribeblèmenon: gekleed; wkw pass part perf acc mann enk van het wkw περιβαλλω = periballô: werpen rondom, bedekken) στολὴν (= stolèn: kleed; zn acc vr enk van het zn στολη = stolè: kleed) λευκήν (= leukèn: wit; bv nw acc vr enk van het bv nw λευκος = leukos: wit), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξεθαμβήθησαν (= exethambèthèsan: zij waren met ontzetting / verbijstering geslagen; wkw pass ind aor 3de pers mv van het wkw εκθαμβεομαι = ekthambeomai: verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden).
Mc 16,6 ὁ δὲ λέγει αὐταῖς, Μὴ ἐκθαμβεῖσθε: Ἰησοῦν ζητεῖτε τὸν Ναζαρηνὸν τὸν ἐσταυρωμένον: ἠγέρθη, οὐκ ἔστιν ὧδε: ἴδε ὁ τόπος ὅπου ἔθηκαν αὐτόν.
- Maar hij zegt hen: Weest niet verbijsterd: jullie zoeken Jezus de Nazarener, de gekruisigde. Hij werd opgewekt. Hij is niet hier. Zie de plaats waar zij hem legden.
Mc 16,6 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐταῖς (= αὐτaῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat vr mv van het pers vnw αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἐκθαμβεῖσθε (= ekthambeisthe: weest niet verbijsterd; wkw med imperat 2de pers mv van het wkw εκθαμβεομαι = ekthambeomai: verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden): Ἰησοῦν (= Ièsoun: Jezus; zn eigennaam acc mann enk van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô) ζητεῖτε (= dzèteite: jullie zoeken; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw ζητεω = dzèteô: zoeken) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè το = to: de - het) Ναζαρηνὸν (= nadzarènon: Nazarener; uit Nazara; zn acc mann enk van het zn Ναζαρηνός = nadzarènos: Nazarener) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐσταυρωμένον (= estauromenon: gekruisigde; wkw pass part perf acc mann enk van het wkw σταυροω = stauroô: kruisigen): ἠγέρθη (= ègerthè: hij werd opgewekt; wkw pass ind aor 3de pers enk van het werkw. εγειρω = egeirô: opwekken), οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- zie Lat.: esse) ὧδε: (= hôde: hier; bw van plaats) ἴδε (= ide zie; wkw act imperat aor 2de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; stam: ιδ = id) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) τόπος (= topos: plaats, streek; zn nom mann enk; zie Ned topografie) ὅπου (= hopou: waar; onbep betr bw) ἔθηκαν (= ethèkan: zij legden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw τιθημι = tithèmi: zetten, plaatsen, maken) (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 16,7 ἀλλὰ ὑπάγετε εἴπατε τοῖς μαθηταῖς αὐτοῦ καὶ τῷ Πέτρῳ ὅτι Προάγει ὑμᾶς εἰς τὴν Γαλιλαίαν: ἐκεῖ αὐτὸν ὄψεσθε, καθὼς εἶπεν ὑμῖν.
- maar gaat weg en zegt aan zijn leerlingen en aan Petrus dat hij juliie zal voorgaan nar Galilea; daar zullen jullie hem zien, zoals hij jullie heeft gezegd.
Mc 16,7 ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') ὑπάγετε (= hupagete: gaat weg; wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen) εἴπατε (= eipate: zegt; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταῖς (= mathètais: leerlingen; zn dat mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Πέτρῳ (= petrô: aan Petrus; zn dat mann enk van het zn eigennaam Πέτρος = petros: Petrus) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Προάγει (= proagei: hij drijft voor zich; hij gaat voor; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw προαγω = proagô: voorgaan) ὑμᾶς (= humas: jullie, pers vnw 2de pers acc mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Γαλιλαίαν (= Galilaian: Galilea; zn eigennaam van plaats; acc vr enk van het zn γαλιλαια = galilaia: Galilea): ἐκεῖ (= ekei: hier; bijw van plaats: hier, daar; Fr.: ici; Ned.: hie-r) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὄψεσθε (= opsesthe: jullie zullen zien; wkw act ind fut 2de pers mv van het wkw ὁραω = horaô: zien), καθὼς (= kathôs: zoals, vw van vergelijking) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie).
M 16,8 καὶ ἐξελθοῦσαι ἔφυγον ἀπὸ τοῦ μνημείου, εἶχεν γὰρ αὐτὰς τρόμος καὶ ἔκστασις: καὶ οὐδενὶ οὐδὲν εἶπαν, ἐφοβοῦντο γάρ.
- buitengegaan vluchtten zij van het graf weg; want zij trlden en waren ontsteld; en zij zeiden niets, aan niemand, want zij hadden schrik.
Mc 16,8 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐξελθοῦσαι (= ekselthousai: buitengegaan; wkw med part aor nom vr mv van het wkw ἐξερχομαι = ekserchomai: naar buiten gaan) ἔφυγον (= efugon: zij vluchtten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw φευγω = feugô. vluchten; stam: fug; f/v - u/l - g/ch,h -> Ned: vlucht) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het; de d/t voor de aanduiding, bepaling) μνημείου (= mnèmeiou: van het grafgedenkteken; zn gen onz enk van het zn μνημειον = mnèmeion: monument, gedenkteken, graf; stam: m-n-m), εἶχεν (= eichen: het heeft; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) αὐτὰς (= autas: hen; pers vnw 3de pers acc vr mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τρόμος (= tromos: het trillen, rillen, beven, sidderen; zn nom mann enk; stam t-r-m/l) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἔκστασις (= ekstasis: ontsteltenis, het buiten zichzelf zijn; zn nom vr enk): καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) οὐδενὶ (= oudeni: met niets; onbep vnw dat onz enk van het onbep vnw ουδεις = oud-eis - ουδεμια = oudemia - ουδεν = ouden: nie-mand < niet iemand, niets) οὐδὲν (= ouden: niets; onbep vnw acc onz enk, ουδεις = oud-eis - ουδεμια = oudemia - ουδεν = ouden: nie-mand < niet iemand, niets) εἶπαν (= eipan: zij zeiden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep), ἐφοβοῦντο (= efobounto (zij vreesden; wkw med dep ind imperf 3de pers mv van het wkw φοβεομαι = fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden) γάρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden).
9[[Ἀναστὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) πρωῒ (= prôi: 's morgens; bw van tijd) πρώτῃ (= prôtè: eerste; rangtelw dat vr enk van het rangtelw πρωτος = prôtos: eerste) σαββάτου ἐφάνη πρῶτον Μαρίᾳ τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) Μαγδαληνῇ, παρ' ἧς ἐκβεβλήκει ἑπτὰ (= hepta: zeven; hoofdtelw) δαιμόνια (= daimonia: demonen; zn acc onz mv van het zn δαιμόνιον = daimonion: demon).
10ἐκείνη πορευθεῖσα ἀπήγγειλεν τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μετ' αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) γενομένοις πενθοῦσι καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) κλαίουσιν:
11κἀκεῖνοι ἀκούσαντες ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ζῇ καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐθεάθη ὑπ' (= hup': door; afkorting van ὑπο = hupo; vz met 3 naamvallen: gen, dat en acc: door, onder) αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἠπίστησαν.
12Μετὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ταῦτα (= tauta: deze dingen; aanwijz vnw nom of acc onz mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu)δυσὶν ἐξ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) περιπατοῦσιν (= peripatousin: zij wandelen rond; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw περιπατεω = peripateô: rondwandelen, bewandelen) ἐφανερώθη ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ἑτέρᾳ μορφῇ πορευομένοιςεἰς (= eis: naar; vz van plaats) ἀγρόν:
Mc 16,13κἀκεῖνοι ἀπελθόντες (= apelthontes: weggaand; wkw med of pass part aor nom mann mv van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) ἀπήγγειλαν (= apèggeilan: zij kondigden af, zij deelden mee; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw απαγγελλω = apaggellô: af-kondigen, verkondigen; voorvoegsel ap < apo: van, weg + è : verlenging van de a omwille van het augment van de ind. verleden tijd + stam aggelJ- + uitgang aor 3de pers mv; zie Ned.: engel; Baeyens nr 102, blz 77: "De kenletter s wordt uitgestoten en door vergoeding wordt de stamklinker verlengd : compensatorische rekking; e wordt ei + uitgang act aor 3de pers mv -a-n) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) λοιποῖς: οὐδὲ (= oude: noch; ontkenning; afkorting: ουδ' = oud') ἐκείνοις ἐπίστευσαν.
Mc 16,14Υστερον [δὲ] ἀνακειμένοις αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἕνδεκα ἐφανερώθη, καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ὠνείδισεν τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀπιστίαν αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) σκληροκαρδίαν ( (= sklèrokardian: hardhartigheid; zn acc vr enk van het zn σκληροκαρδια = sklèrokardian: hardhartigheid) = kardian: hart; zn acc vr enk van het zn καρδια = hart; Lat.: cor, cordis) ν ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θεασαμένοις (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐγηγερμένον οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἐπίστευσαν.
Mc 16,15καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Πορευθέντεςεἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) κόσμον (= kosmon: wereld; zn acc enk van het zn κόσμος = kosmos: wereld) ἅπαντα (= hapanta: alles); onbep vnw acc onz mv van het onbep vnw ἁπας = hapas: ieder, allen, alles) κηρύξατε τὸ εὐαγγέλιον πάσῃ τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to (de - het) κτίσει. 16ὁ πιστεύσας καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) βαπτισθεὶς σωθήσεται,ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἀπιστήσας κατακριθήσεται. 17σημεῖα δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πιστεύσασιν ταῦτα (= tauta: deze dingen; aanwijz vnw nom of acc onz mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) παρακολουθήσει: ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὀνόματί (= onomati: naam; zn dat onz enk van het zn ονομα = onoma: naam) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) δαιμόνια (= daimonia: demonen; zn acc onz mv van het zn δαιμόνιον = daimonion: demon) ἐκβαλοῦσιν, γλώσσαις λαλήσουσιν καιναῖς,
Mc 16,18 [καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ταῖς (= tais: aan de; bep lidw dat vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χερσίν (= chersin: met handen; zn dat vr mv van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep gr-: grijpen),] ὄφεις ἀροῦσιν, κἂν θανάσιμόν τι πίωσινοὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) αὐτοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) βλάψῃ, ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) ἀρρώστους χεῖρας (= cheiras: handen; zn acc vr mv van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) ἐπιθήσουσιν καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) καλῶς (= kalôs: goed; bw van het bv nw καλος = kalos: goed, mooi, schoon) ἕξουσιν.
19 Ὁ μὲν (= men: wel, enerzijds, partikel om een zwakke tegenstelling uit te drukken) οὖν κύριος Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') τὸ λαλῆσαι αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ἀνελήμφθηεἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) οὐρανὸν (= ouranon: hemel; zn acc mann enk van het zn ουρανος = ouranos: hemel) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἐκάθισεν ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) δεξιῶν (= dexiôn: rechts; bv nw gen mann mv van het bv δεξιος = dexios: rechts) τοῦ θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God) .
Mc 16,20ἐκεῖνοι δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἐξελθόντες (= ekselthontes; uitgegaan zijnde; wkw act part aor nom mann mv van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐκήρυξαν πανταχοῦ, τοῦ κυρίου συνεργοῦντος καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord) βεβαιοῦντοςΔιὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἐπακολουθούντων σημείων.]]
21[[πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder)
22δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) 23τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) 24παρηγγελμένα 25τοῖς 26περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) 27τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho ἡ = hè το = to: de - het) 28Πέτρον (= petron: Petrus; zn eigennaam acc mann enk van het zn eigennaam Πέτρος = petros: Petrus) 29συντόμως 30ἐξήγγειλαν. 31Μετὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) 32δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) 33ταῦτα (= tauta: deze dingen; aanwijz vnw nom of acc onz mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) 34καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw)
35αὐτὸς (= autos: hij, zelf; pers vnw nom mann enk)
36ὁ
37Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk)
38ἀπὸ
39ἀνατολῆς
40καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw)
41ἄχρι
42δύσεως
43ἐξαπέστειλεν
44δι' (= dia: door, omwille van, na; vz; afkorting: δι' = di': vóór een klinker)
45 αὐτῶν
46τὸ
47ἱερὸν (= hieron: heiligdom, tempel; zn acc onz enk)
48καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw)
49ἄφθαρτον
50κήρυγμα
51τῆς
52αἰωνίου
53σωτηρίας.
54ἀμήν.]]