MATTEÜSEVANGELIE : TAALGEBRUIK

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -

Overzicht van het Matteüsevangelie :
Mt : overzicht ,
- matteus taalgebruik - matteus taalgebruik A - matteus taalgebruik B - matteus taalgebruik C - matteus taalgebruik D - matteus taalgebruik E - matteus taalgebruik F - matteus taalgebruik G - matteus taalgebruik H - matteus taalgebruik I - matteus taalgebruik J - matteus taalgebruik K - matteus taalgebruik L - matteus taalgebruik M - matteus taalgebruik N - matteus taalgebruik O - matteus taalgebruik P - matteus taalgebruik Q - matteus taalgebruik R - matteus taalgebruik S - matteus taalgebruik T - matteus taalgebruik U - matteus taalgebruik X - matteus taalgebruik Z -
Mt : commentaar ,
Overzicht van het N.T.
: NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,
Hoofdstukken van het Matteüsevangelie :
Mt 1 , Mt 2 , Mt 3 , Mt 4 , Mt 5 , Mt 6 , Mt 7 , Mt 8 , Mt 9 , Mt 10 , Mt 11 , Mt 12 , Mt 13 , Mt 14 , Mt 15 , Mt 16 , Mt 17 , Mt 18 , Mt 19 , Mt 20 , Mt 21 , Mt 22 , Mt 23 , Mt 24 , Mt 25 , Mt 26 , Mt 27 , Mt 28 .


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
 
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm . WEBLOG : BIJBELLEERHUIS
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts (Vlaams Blok) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen -

- bijbeloverzicht , bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

Overzicht van de bijbelboeken : OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


WOORDGEBRUIK

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z -

  Mt 1 Mt 2 Mt 3 Mt 4 Mt 5 Mt 6 Mt 7 Mt 8 Mt 9 Mt 10 Mt 11 Mt 12 Mt 13 Mt 14 Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22 Mt 23 Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28    
                                                             
                                                             
                                                             
                                                             
                                                             
                                                             
                                                             
                                                             
                                                             
                                                             

.

P

- palin (opnieuw) .

palin (opnieuw)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  
  206 70 136 16 26 26 45 5 16 2  

Mt : (1) . (2) . (3) Mt 13,45 . (4) Mt 13,47 . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . (12) . (13) . (14) . (15) . (16) .

 

- parabolè (prabel, gelijkenis, vergelijking) . Verwijzing : parabolè (parabel, gelijkenis) , zie Mt 13,24 .


-- parabolè(i) (parabel) kan nominatief of datief vrouwelijk enkelvoud zijn . In veertien verzen in de bijbel . In negen verzen in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. . Mc (1) . Lc (2) . Heb (2) . Niet bij Matteüs .
-- parabolès (van de parabel) . Genitief vrouwelijk enkelvoud . In drie verzen in de bijbel : (1) Mt 13,34 . Mc (1) . Lc (1) .
-- parabolèn (parabel) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud van parabolè (parabel) . In negenenveertig verzen in de bijbel . In zesentwintig verzen in het N.T. . Mt (8) . Mc (4) . Lc (14) . In acht verzen bij Matteüs : (1) Mt 13,18 . (2) Mt 13,24 : een andere parabel . (3) Mt 13,31 : een andere parabel . (4)  Mt 13,33 : een andere parabel . (5) Mt 13,36 . (6) Mt 15,15 : vraag van Petrus om de parabel uit te leggen . (7)  Mt 21,33 : een andere parabel . (8) Mt 24,32 .
- parabolais . Datief vrouwelijk meervoud . In zestien verzen in de bijbel . In vier verzen in het O.T. . In twaalf verzen in het N.T. . Mt (6) . Mc (5) . Lc (1) . In zes verzen bij Matteüs : (1) Mt 13,3 . (2) Mt 13,10 . (3) Mt 13,13 . (4) Mt 13,34 . (5) Mt 13,35 . (6) Mt 22,1 .
-- en parabolais (door middel van parabels) . In elf verzen in het N.T. . Mt (6) . Mc (4) . Lc (1) . In 6 verzen voor, zie Mt 13,3. (1) Mt 13,3 .

Mt 13,3 Mt 13,10 Mt 13,13   Mt 13,34    Mt 13,35  Mt 22,1 
kai (en) dia tí (waarom) dia touto Tauta panta (Dat alles) kai (en) anoixô ... to stoma mou (ik zal mijn mond openen) palin eipen (hij zei opnieuw)
  en parabolais (in parabels) en parabolais (in parabels)   chôris parabolès (zonder parabel) en parabolais (in parabels) en parabolais (in parabels)
elalèsen (hij sprak) laleis (spreek je) autois lalô (spreek ik hen) elalèsen (hij sprak) ho Ièsous (Jezus) ouden elalei (sprak hij niets)    
autois (hen) autois (hen)     autois (hen)    autois (hen) 
polla (vele dingen)            
en parabolais (in parabels)     en parabolais (in parabels)      
      tois ochlois (tot de menigten)      
126. Gelijkenis van de zaaier : Mc 4,3-9 - Mt 13,3b-9 - Lc 8,5-8 127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt : Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10   127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt : Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10   136. Jezus spreekt in gelijkenissen : Mc 4,33-34 - Mt 13,34-35    136. Jezus spreekt in gelijkenissen : Mc 4,33-34 - Mt 13,34-35  290. Gelijkenis van het koninklijke bruiloftsmaal : Mt 22,1-14 - Lc 14,15-24 

- paragôn (langsvoerend, langsdrijvend) . Verwijzing : agô (leiden) , zie Lc 23,1 . Participium praesens nominatief mannelijk enkelvoud van het werkwoord paragô (langsvoeren) . In het Nederlands kennen we het werkwoord ageren , ac-tie voeren , handelen .. In vier verzen in de bijbel , enkel in het N.T. : (1) Mt 9,9 (roeping van Matteüs) . (2) Mc 1,16 (roeping van Petrus en Andreas) . (3) Mc 2,14 (roeping van Levi) . (4) Joh 9,1 (Jezus voert langs een blinde) .

- persoonlijk voornaamwoord 3de pers. mv. autôn (van hen) . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mt : persoonlijk voornaamwoord .

  autoi  Mt   Mt 1 Mt 2 Mt 3 Mt 4 Mt 5 Mt 6 Mt 7 Mt 8 Mt 9 Mt 10 Mt 11 Mt 12 Mt 13 Mt 14 Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22 Mt 23 Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28
5 nom. mann. mv.autoi  10                                                           
6 gen. mv.autôn  93       
7 dat. mann. en onz. mv.autois  101                                                           
8 acc. mann. mv. autous  46                                                           
  totaal  250                                                           

6. Mt 20 (4) : (1) Mt 20,13 . (2) Mt 20,25 . (3) Mt 20,29 . (4) Mt 20,34 .

- pistis (geloof) . pistis (geloof, vertrouwen) . Taalgebruik in het N.T. : pistis (geloof) . Taalgebruik in Mc : pistis (geloof) .

  pistis (geloof) Mt  Mt 8 Mt 9 Mt 15 Mt 17 Mt 21 Mt 23 bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc Lc  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
1 nom. vr. enk. pistis 2   (1) Mt 9,22 .   (2) Mt 15,28       41 6 35 2 2 6 1 23 1 10  10 
4 acc. vr. enk. pistin (1) Mt 8,10 . (2) Mt 9,2 . (3) Mt 9,29  

(4) Mt 17,20

(5) Mt 21,21 . (6) Mt 23,23 . 66  15  51  31  14  14 
  Totaal   274  41  233  11  15  190  24  24 

 

- poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . Taalgebruik in het N.T. : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Mt : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen . Zie verder :
-

  poreuomai (zich op weg begeven) Mt Mt 2 Mt 8 Mt 9 Mt 10 Mt 11 Mt 12 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 21 Mt 22 Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28
  ind. pr. 3de p. enk. poreuetai 2   (1) Mt 8,9 .         (2) Mt 12,45 .                      
  imperat. praes. 2de pers. enk. poreuou   (1) Mt 2,20                               
  imperat. praes. 2de p. mv. poreuesthe 5       (1) Mt 10,5 .             (2) Mt 21,1 . (3) Mt 22,9 .      (4) Mt 25,9 . (5) Mt 25,41 .          
  ind imp. 3de p. enk. eporeueto 1                       (1) Mt 24,1 .          
  part. praes. nom. mann. mv. poreuomenoi         (1) Mt 10,7 .                          
  part. praes. gen. mann. mv. poreuomenôn           (1) Mt 11,7 .                       (2) Mt 28,11 .  
  ind. aor. 3de p. enk. eporeuthè 2           (1) Mt 12,1 .       (2) Mt 19,15 .                
  ind. aor. 3de p. mv. eporeuthèsan 2 (1) Mt 2,9 .                               (2) Mt 28,16 .   
  imperat. aor. 2de pers. enk. poreuthèti     (1) Mt 8,9 .                              
  part. aor. nom. m. + vr. enk. poreutheis 4             (1) Mt 17,27 .   (2) Mt 18,12 .           (3) Mt 25,16 .   (4) Mt 26,14 .      
  part. aor. nom. m. + vr. mv. poreuthentes 7 (1) Mt 2,8 .     (2) Mt 9,13   (3) Mt 11,4 .           (4) Mt 21,6 .   (5) Mt 22,15 .         (6) Mt 27,66 .   (7) Mt 28,19 .  
  part. aor. nom. vr. mv. poreutheisai                                 (1) Mt 28,7 .  
  poreuomai (zich op weg begeven) Mt Mt 2 Mt 8 Mt 9 Mt 10 Mt 11 Mt 12 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 21 Mt 22 Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28
    29 

- participium aorist nominatief mannelijk of vrouwelijk meervoud poreuthentes (zich op weg begeven) . Bij Matteüs : (1) Mt 2,8 . (2) Mt 9,13 . (3) Mt 11,4 . (4) Mt 21,6 . (5) Mt 22,15 . (6) Mt 27,66 . (7) Mt 28,19 . Bij Marcus : Mc 16,15 . poreutheisai (zich op weg begeven), zie Mt 2,9 en poreuomai (zich op weg begeven)..
- participium nominatief vrouwelijk meervoud poreutheisai (zich op weg begeven) . Mt (1) : Mt 28,7 .

1. opdracht van Herodes aan de magiërs. 2. opdracht van Jezus aan de Farizeeën 3. opdracht van Jezus aan de leerlingen van Johannes de Doper 4. uitvoering van een opdracht van Jezus aan zijn leerlingen 5. het besluit van de Farizeeën 6. uitvoering van de opdracht van Pilatus opdracht van de engel aan de vrouwen  7. opdracht van Jezus aan zijn leerlingen
Mt 2,8 Mt 9,13 Mt 11,4 Mt 21,6 Mt 22,15 Mt 27,66 Mt 28,7 Mt 28,19
kai pempsas autous eis Bètleem eipen (en hen gezonden naar Betlehem zei hij) Mt 9,12 : ho de akousas eipen (Hij - Jezus - echter gehoord zei) kai apokritheis ho Ièsous eipen autois (en Jezus geantwoord zei hen) Mt 21,1 : tote Ièsous apesteilen duo mathètas legôn autois (daarop zond Jezus twee leerlingen zeggende hen)   Mt 27,65 : efè autois ho Pilatos (Pilatus zei hen) Mt 28,5 : apokritheis de ho aggelos eipen tais gunaiksin (Geantwoord echter de engel zei aan de vrouwen) Mt 28,18 : Kai proselthôn ho Ièsous elalèsen autois legôn (En naderbijgekomen sprak Jezus tot hen zeggend)
poreuthentes (zich op weg begeven) poreuthentes (zich op weg begeven) poreuthentes (zich op weg begeven) poreuthentes (gegaan) Tote poreuthentes (Dan gegaan) hoi de poreuthentes (zij echter gegaan) kai tachu poreutheisai (en zich snel op weg begeven) poreuthentes (zich op weg begeven)
   de (echter)    de (echter)        
      hoi mathètai (de leerlingen) hoi Farisaioi (de Farizeeën)      
imperatief 2de persoon meervoud imperatief 2de persoon meervoud imperatief 2de persoon meervoud apaggeilate (meldt)       imperatief 2de persoon meervoud : eipate (zeggen) imperatief 2de persoon meervoud
               
uitvoering: Mt 2,9 eporeuthèsan (zij begaven zich op weg)    Na Mt 11,2-6 : Mt 11,7 : toutôn de poreuomenôn (nadat zij echter zich op weg begaven) opdracht : Mt 21,2 poreuesthe : begeef je op weg   opdracht: Mt 27,65 : hupagete : ga Mt 28,7 : hupagete (ga) Mt 28,11 (na Mt 28,9-10) : poreuomenôn de autôn (nadat zij echter zich op weg begaven)  
 11. Huldiging van de magiërs : Mt 2,1-12  69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32   111. Vraag van Johannes de Doper : Lc 7,18-23 - Mt 11,2-6  279. Intocht in Jeruzalem : Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40  291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer : Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26  350. Wacht bij het graf : Mt 27,62-66 352. Het omkopen van de wacht :Mt 28,11-15 -  353. Verschijning aan de elf in Galilea :Mt 28,16-20 -

- poreuesthe (ga) . Mt (5) : (1) Mt 10,5 . (2) Mt 21,1 . (3) Mt 22,8 - Mt 22,9 . (4) Mt 25,9 . (5) Mt 25,41 .

e
  3. 2. 1. 4. 5.
Mt 2,8 Mt 22,8 - Mt 22,9 Mt 21,1 Mt 10,5 Mt 25,9   Mt 25,41  
Mt 2,8 : kai pempsas autous eis Bètleem (en gezonden hen naar Betlehem Mt 22,8 : Mt 21,1 : tote Ièsous apesteilen duo mathètas (dan zond Jezus twee leerlingen) Mt 10,5 : toutous tous dôdeka apesteilen ho Ièsous (Deze twaalf zond Jezus) de wijze maagden zeggen tot de dwaze maagden laatste oordeel
eipen (zei hij) tote legei tois doulois autou (dan zegt hij aan zijn dienaren) Mt 21,2 : legôn autois (zeggende aan hen) paraggeilas autois legôn (onderricht en hen zeggend)    
poreuthentes (op weg gegaan) poreuesthe oun (ga dan) poreuesthe (ga) poreuesthe de (begeven jullie je) mallon (eerder) poreuesthe mallon (ga eerder) poreuesthe ap'emou (ga van mij weg)
     pros ta probata ta apolôlota oikoi Israèl (naar de verloren schapen van het huis van Israël pros tous pôlountas (ga naar de verkopers)  
epan de heurète (zodra jullie echter vinden) ean heurète (wanneer jullie vinden...) kai eutheôs heurèste (en onmiddellijk zullen jullie vinden)      
apaggeilate moi (meld mij) kalesate (nodig uit) ... agagete mo (breng jullie mij)      
           
 ... Mt 2,9 : eporeuthèsan (vertrokken zij)   Mt 21,6 : poreuthentes de hoi mathètai (de leerlingen echter op weg gegaan) Mt 10,7 : poreuomenoi de (op weg gegaan echter)    
11. Huldiging van de magiërs : Mt 2,1-12 - 290. Gelijkenis van het koninklijke bruiloftsmaal : Mt 22,1-14 - Lc 14,15-24 - 281. Jezus gaat Jeruzalem binnen : Mc 11,11 - Mt 21,1-11 - 76. Zendingsrede: Mt 10,5-16 - Lc 9,1-6 - Mc 6,7-13 -  313. Gelijkenis van de tien maagden : Mt 25,1-13a -  315. Slot van de eschatologische rede (Mt) : Het laatste oordeel : Mt 25,31-46 -

- eporeuthèsan (zij begaven zich op weg) . In deze vorm komt het bij Matteüs slechts in 2 verzen voor nl. hier in Mt 2,9 en in Mt 28,16 . In Mt 2,9 gaan de magiërs in opdracht van koning Herodes. In Mt 28,16 gaan de elf leerlingen in opdracht van Jezus via de vrouwen. Zich op weg begeven (poreuomai) gebruikt Matteüs bij het geven van een opdracht of bij het begin van de uitvoering van de opdracht.
In Mt 2,9 gaat de ster de magiërs voor (kai idou ho astèr.... proègen autous : en zie de ster ging hen voor). Proègen (hij ging voor) - proagô : gaan voor , vooruitdrijven - komt slechts eenmaal bij Matteüs voor. In Mt 28,7 staat : kai idou proagei humas : en zie ik ga jullie voor). Proagei (hij gaat voor) komt ook slechts éénmaal voor bij Matteüs.

- pou (waar) . Verwijzing : pou (waar) , zie Mt 2,2 . Vragend voornaamwoord . In 144 verzen in de bijbel . In zevenennegentig verzen in het O.T. . In zevenenveertig verzen in het N.T. . hopou (waar) . Betrekkelijk voornaamwoord . In negentig verzen in de bijbel . In veertien verzen in het O.T. . In zesenzeventig verzen in het N.T. .
Het vragend woord pou (waar?) komt bij Matteüs in vier verzen voor : (1) Mt 2,2 . (2) Mt 2,4 . (3) Mt 8,20 . (4) Mt 26,17 . hopou (waar) : betrekkelijk voornaamwoord , komt bij Matteüs in elf verzen voor . In Mt 2,2 / Mt 2,4 stellen de magiërs de vraag waar de pasgeboren koning van de joden is . De magiërs krijgen het antwoord van Herodes nadat hij de hogepriesters en de schriftgeleerden van het volk heeft geraadpleegd en hem antwoord hebben gegeven . In Mt 28,6 zegt de engel : "Hij is niet hier . Hij is verrezen zoals Hij gezegd heeft" . Welnu zie de plaats waar hij lag ." Zowel Mt 2,1-12 als Mt 28,1-20 geeft een antwoord op de vraag waar Jezus is , waar je hem kunt ontmoeten . In Mt 2 wijst de ster de plaats aan . In Mt 28 brengt de engel de woorden van Jezus in herinnering waar zijn leerlingen Jezus zullen zien . Het ene verhaal speelt zich af bij zijn geboorte , het andere na zijn verheerlijking . In Mt 2 komen de magiërs via Jeruzalem in Bethlehem . Heidenen komen naar Jezus toe en erkennen hem als koning van de joden . In Mt 28 worden de apostelen naar de heidenen gezonden . Er heeft dus een grote verscheidenheid van invulling van personages en situaties , maar er is een enorme grote overeenkomst tussen beide verhalen .

- presbuteros (oudere) .

presbuteros (oudste) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk   
nom. enk. presbuteros 16  13             
gen. enk. presbuterou 10               
dat. enk. presbuterô(i)              
acc. enk. presbuteron                  
nom. mv. presbuteroi 67  46  21       
gen. mv. presbuterôn 61  39  22     
dat. mv. presbuterois 20  15         
acc. mv. presbuterous 49  37  12         
Totaal   230  165  65  12  18  10  12   

In het N.T. komt een vorm van het zelfstandig naamwoord presbuteros (oudere) in vijfenzestig verzen voor . Bij Matteüs is dat in twaalf verzen of 18,46 % . Bij Matteüs komt presbuteros (oudere) slechts in het meervoud voor , hoofdzakelijk de nom. (5) en gen. mv. (6) .

presbuteros (oudere) Mt 
nom. mv. presbuteroi 5 : (1) Mt 21,23 . (2) Mt 26,3 . (3) Mt 26,57 . (4) Mt 27,1 . (5) Mt 27,20 .
gen. mv. presbuterôn 6 : (1) Mt 15,2 . (2) Mt 16,21 . (3) Mt 26,47 . (4) Mt 27,12 . (5) Mt 27,41 . (6) Mt 28,12 .
dat. mv. presbuterois 1 : Mt 27,3 .
Totaal   12 

Een vorm van presbuteros (oudere) 12 : (1) Mt 15,2 (gen. mv.) . (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . (3) Mt 21,23 (nom. mv.) . (4) Mt 26,3 (nom. mv.) . (5) Mt 26,47 (gen. mv.) . (6) Mt 26,57 (nom. mv.) . (7) Mt 27,1 (nom. mv.) . (8) Mt 27,3 (dat. mv.) . (9) Mt 27,12 (gen. mv.) . (10) Mt 27,20 (nom. mv.) . (11) Mt 27,41 (gen. mv.) . (12) Mt 28,12 (gen. mv.) .

Buiten de lijdens- (Mt 26-27) en verrijzenisverhalen (Mt 28) komt presbuteros (oudere) slechts in drie van de twaalf verzen voor . In Mt 15,2 gaat het om de traditie van de ouderen om met gewassen handen te eten . In Mt 16,21 kondigt Jezus voor de eerste maal zijn lijden in Jeruzalem aan . In Mt 21,23 zijn de ouderen bij de hogepriesters aanwezig om aan Jezus in de tempel de vraag te stellen bij welke volmacht hij handelt .

hogepriesters en ouderen

een vorm van  Mt 16 Mt 21 Mt 26 Mt 27 Mt 28  
archiereus (hogepriester) (2) Mt 16,21 (gen. mv.) .  (4) Mt 21,15 (nom. mv.) . (5) Mt 21,23 (nom. mv.) . (6) Mt 21,45 (nom. mv.) .  (7) Mt 26,3 (nom. mv.) . (8) Mt 26,3 (gen. enk.) . (9) Mt 26,14 (acc. mv.) . (10) Mt 26,47 (gen. mv.) . (11) Mt 26,51 (gen. enk.) . (12) Mt 26,57 (acc. enk.) . (13) Mt 26,58 (gen. enk.) . (14) Mt 26,59 (gen. mv.) . (15) Mt 26,62 (nom. enk.) . (16) Mt 26,63 (nom. enk.) . (17) Mt 26,65 (nom. enk.) .  (18) Mt 27,1 (nom. enk.) . (19) Mt 27,3 (dat. mv.) . (20) Mt 27,6 (nom. mv.) . (21) Mt 27,12 (gen. mv.) . (22) Mt 27,20 (nom. mv.) . (23) Mt 27,41 (nom. mv.) . (24) Mt 27,62 (nom. mv.) .   (25) Mt 28,11 (dat. mv.) .     
farisaios (Farizeeër) : nom. + gen. mv.  (12) Mt 16,1 (nom.) . (13) Mt 16,6 (gen.) . (14) Mt 16,11 (gen.) . (15) Mt 16,12 (gen.) .   (17) Mt 21,45 (nom.) .    (28) Mt 27,62 (nom.) .     
grammateus (schriftgeleerde) .   (9) Mt 16,21 (gen. mv.) .   (12) Mt 21,15 (nom. mv.) .  (21) Mt 26,57 (nom. mv.) .  (22) Mt 27,41 (nom. mv.) .     
presbuteros (oudere)   (2) Mt 16,21 (gen. mv.) .  (3) Mt 21,23 (nom. mv.) .  (4) Mt 26,3 (nom. mv.) . (5) Mt 26,47 (gen. mv.) . (6) Mt 26,57 (nom. mv.) .    (7) Mt 27,1 (nom. mv.) . (8) Mt 27,3 (dat. mv.) . (9) Mt 27,12 (gen. mv.) . (10) Mt 27,20 (nom. mv.) . (11) Mt 27,41 (gen. mv.) .  (12) Mt 28,12 (gen. mv.) .   
hogepriesters en ouderen 1 : Mt 16,21 (gen. mv.) .  1 : Mt 21,23 (nom. mv.) .  3 : (1) Mt 26,3 (nom. mv.) . (2) Mt 26,47 (gen. mv.) . (3) Mt 26,57 5 : (7) Mt 27,1 (nom. mv.) . (8) Mt 27,3 (dat. mv.) . (9) Mt 27,12 (gen. mv.) . (10) Mt 27,20 (nom. mv.) . (11) Mt 27,41 (gen. mv.) .  1 : Mt 28,11 -   Mt 28,12 11 

In elf van de vijfentwintig verzen komen de hogepriesters en de ouderen (van het volk) samen voor . In elf van de twaalf verzen komen de ouderen samen met de hogepriesters voor . In Mt 15,2 wordt naar de traditie van de ouderen verwezen . Ze zijn er niet aanwezig . We kunnen besluiten dat in Mt de ouderen steeds met de hogepriesters voorkomen , in vijf hoofdstukken van Mt .

- proserchomai (naderbijkomen) .

proserchomai (naderbijgaan) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. pr. 3de p. enk. proserchetai                  
ind. pr. 3de p. mv. proserchontai              
ind. imp. 3de p. mv. prosèrchonto 1   1         1        
ind. aor. 3de p. enk. prosèlthen 24 16 8 6       2     6 6
ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon 26  11  15  14            14  15 
ind. 2de aor. 3de p. mv. prosèlthan             2  
part. aor. nom. mann. enk. proselthôn 28  23  14        20  20 
part. aor. nom. vr. enk. proselthousa          
part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes 23  6 17  11        16  16 
part. aor. nom. vr. mv. proselthousai 2            
part. aor. gen. mv. proselthontôn 1              
Andere vormen                        
  114  41  73  51    64   65

proserchomai (naderbijgaan) Mt syn. ev.
ind. pr. 3de p. mv. proserchontai 2 : (1) Mt 9,14 . (2) Mt 15,1 .
ind. aor. 3de p. enk. prosèlthen 6 : (1) Mt 8,5 . (2) Mt 17,7 . (3) Mt 17,14 . (4) Mt 20,20 . (5) Mt 26,7 . (6) Mt 26,69 . 6 6
ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon 14 : (1) Mt 4,11 . (2) Mt 9,28 . (3)  Mt 13,36 . (4) Mt 14,15 . (5) Mt 15,30 . (6)  Mt 17,24 . (7)  Mt 18,1 . (8) Mt 19,3 . (9) Mt 21,14 . (10) Mt 21,23 . (11)  Mt 22,23 . (12) Mt 24,1 . (13) Mt 24,3 . (14) Mt 26,17 . 14  15 
ind. 2de aor. 3de p. mv. prosèlthan 1 :  Mt 5,1 . 2  
part. aor. nom. mann. enk. proselthôn 14 : (1) Mt 4,3 . (2) Mt 8,2 . (3) Mt 8,19 . (4) Mt 18,21 . (5) Mt 19,16 . (6) Mt 21,28 . (7) Mt 21,30 . (8) Mt 25,20 . (9) Mt 25,22 . (10) Mt 25,24 . (11) Mt 26,49 . (12) Mt 27,58 . (13) Mt 28,2 . (14) Mt 28,18 . 20  20 
part. aor. nom. vr. enk. proselthousa 1 : Mt 9,20 .
part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes 11 : (1) Mt 8,25 . (2) Mt 13,10 . (3) Mt 13,27 . (4) Mt 14,12 . (5) Mt 15,12 . (6) Mt 15,23 . (7) Mt 16,1 . (8) Mt 17,19 . (9) Mt 26,50 . (10) Mt 26,60 . (11) Mt 26,73 . 16  16 
part. aor. nom. vr. enk. proselthousai 1 : Mt 28,9 . 1 1
part. aor. gen. mv. proselthontôn 1 :  Mt 26,60 .
Andere vormen      
  51  64   65

proserchomai (naderbij komen) Mt 4 Mt 5 Mt 8 Mt 9 Mt 13 Mt 14 Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22 Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28
  4  

Een vorm van proserchomai in Mt  (1) Mt 4,3 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (2) Mt 4,11 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (3) Mt 5,1 (ind. 2de aor. 3de p. mv. prosèlthan) . (4) Mt 8,2 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (5) Mt 8,5 (ind. aor. 3de p. enk. prosèlthen) . (6) Mt 8,19 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (7) Mt 8,25 (part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes) . (8) Mt 9,14 (ind. pr. 3de p. mv. proserchontai) . (9) Mt 9,20 (part. aor. nom. vr. enk. proselthousa) . (10) Mt 9,28 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (11) Mt 13,10 (part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes) . (12) Mt 13,27 (part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes) . (13)  Mt 13,36 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) .(14) Mt 14,12 (part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes) . (15) Mt 14,15 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (16) Mt 15,1 (ind. pr. 3de p. mv. proserchontai) . (17) Mt 15,12 (part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes) . (18) Mt 15,23 (part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes) . (19) Mt 15,30 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (20) Mt 16,1 (part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes) . (21) Mt 17,7 (ind. aor. 3de p. enk. prosèlthen) . (22) Mt 17,14 (ind. aor. 3de p. enk. prosèlthen) . (23) Mt 17,19 (part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes) . (24)  Mt 17,24 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (25)  Mt 18,1 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (26) Mt 18,21 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (27) Mt 19,3 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (28) Mt 19,16 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (29) Mt 20,20 (ind. aor. 3de p. enk. prosèlthen) . (30) Mt 21,14 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (31) Mt 21,23 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (32) Mt 21,28 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (33) Mt 21,30 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) .(34)  Mt 22,23 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (35) Mt 24,1 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (36) Mt 24,3 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (37) Mt 25,20 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (38) Mt 25,22 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (39) Mt 25,24 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (40) Mt 26,7 (ind. aor. 3de p. enk. prosèlthen) . (41) Mt 26,17 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (42) Mt 26,49 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (43) Mt 26,50 (part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes) . (44) Mt 26,60 (part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes) . (45) Mt 26,69 (ind. aor. 3de p. enk. prosèlthen) . (46) Mt 26,60 (part. aor. gen. mv. proselthontôn) . (47) Mt 26,73 (part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes) . (48) Mt 27,58 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (49) Mt 28,2 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (50) Mt 28,9 (part. aor. nom. vr. enk. proselthousai) . (51) Mt 28,18 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) .    

- prosechontai (zij komen naderbij) . Indicatief praesens 3de persoon meervoud .

  Mt 9,14   Mt 15,1 - Mt 15,2
tijdsaanduiding Tote (dan, daarop)   1. Tote (dan, daarop)
werkwoord proserchontai (gaan naderbij)   proserchontai (gaan naderbij)
bepaling  autôi (hem)   tôi Ièsou (Jezus)
onderwerp  hoi mathètai Iôannou (de leerlingen van Johannes)   apo Hierosolumôn Farisaioi kai grammateis (vanuit Jeruzalem Farizeeërs en schriftgeleerden)
citaat inleidend  legontes (zeggende)   legontes (zeggende)
vraag   dia tí (waarom)   2. dia tí (waarom)
  hèmeis kai hoi Farizaioi (wij en de Farizeeërs) oi de mathètai sou (uw leerlingen echter) oi mathètai sou (uw leerlingen)
  nèsteuomen polla (vasten veel) ou nèsteuousin (vasten niet) parabainousin tèn paradosin tôn presbuterôn (overtreden de overlevering van de priesters)
  70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe : Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -   154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 -

- prosèlthen (hij kwam naderbij) . Actief aorist derde persoon enkelvoud .

  1. honderdman 2. Jezus 3. een mens 4. de moeder van... 5. een vrouw 6. een meisje
bijbelplaats Mt 8,5 Mt 17,7 Mt 17,14 Mt 20,20 Mt 26,7 Mt 26,69
    kai (en)   Tote (dan)   kai (en)
 prosèlthen (hij kwam naderbij) prosèlthen (kwam tot bij) prosèlthen (kwam tot bij) prosèlthen (kwam tot bij) prosèlthen (kwam tot bij) prosèlthen (kwam tot bij) prosèlthen (kwam tot bij)
onderwerp            
werkwoord autôi (hem)   autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem)
meewerkend voorwerp (datief)

hekatontarchos (een honderdman

ho Ièsous (Jezus) anthrôpos (een mens) hè mètèr... (de moeder van...) gunè (een vrouw) mia paidiskè (een meisje)
werkwoord vorm van legô : zeggen parakalôn auton (hem ter hulp roepend) kai hapsamenos autôn (en hen aanrakende) gonupetôn auton (op de knieën vallend voor hem)      
meewerkend voorwerp kai legôn (en zeggend) eipen (zei) kai legôn (en zeggend)     legousa (zeggende)
citaat rechtstr. rede rechtstr. rede rechtstr. rede     rechtstr. rede
aanspreektitel kurie (Heer) kurie (Heer) kurie (Heer)      
  57. De honderdman van Kafarnaüm : Mt 8,5-13 - Lc 7,1-10 - 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - 170. Genezing van een bezeten kind : Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a 273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 - 318. Zalving van Jezus te Betanië : Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50 334. Verloochening van Petrus : Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -

- prosèlthon (ik kwam naderbij / zij kwamen naderbij) . Indicatief aorist derde persoon meervoud van het werkwoord proserchomai (naderbij gaan / komen) .

prosèlthon  1. engelen zijn leerlingen 2. de blinden 3.  zijn leerlingen 4.  de leerlingen 5. vele menigten 6.  belastings-ontvangers 7.  de leerlingen
bijbelplaats Mt 4,11   Mt 5,1 Mt 9,28   Mt 13,36 Mt 14,15 Mt 15,30   Mt 17,24   Mt 18,1
  kai idou (en zie) aggeloi (engelen)     kai (en)  opsias de genomenès ('savonds echter) kai (en)    En ekeinèi tèi hôrai (Op dat ogenblik)
  prosèlthon (kwamen naderbij)   prosèlthan (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij)  prosèlthon (kwamen naderbij)
    autôi (tot hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (tot hem) autôi (hem)    
    hoi mathètai autou (zijn leerlingen)  oi tufloi (de blinden) hoi mathètai autou (zijn leerlingen) hoi mathètai (de leerlingen)  ochloi polloi (vele menigten) hoi ... tôi Petrôi (aan Petrus) hoi mathètai (de leerlingen) tôi Ièsou (aan Jezus)
werkw. legô (zeggen) .       legontes (zeggende)  legontes (zeggende)  genezingen  kai eipan (en ze zeiden) legontes (zeggende) 
citaat        rechtstr. rede  rechtstr. rede   rechtstr. rede   rechtstr. rede  
aanspreektitel     ... nai kurie (ja Heer) .       ho didaskalos humôn ... (jullie leermeester)  
  20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - 24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 - 72. Genezing van twee blinden : Mc 10,46-52 - Mt 20,29-34 - Lc 18,35-43 - Mt 9,27-31 - 137. Uitleg van de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe : Mt 13,36-43 - 151. eerste broodvermenigvuldiging - Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a - 156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw : Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28 - 172. Tempelbelasting : Mt 17,24-27 - 173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 -

  8. Farizeeën 9. blinden 10.hogepriesters... 11. Sadduceeën 12. zijn leerlingen 13. de leerlingen 14.
bijbelplaats Mt 19,3 Mt 21,14 Mt 21,23   Mt 22,23   Mt 24,1 Mt 24,3 Mt 26,17
  prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) kai (en)  prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) ...   prosèlthon (kwamen naderbij)
  autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) didaskonti (lerende) autôi (hem) didaskonti (lerende)   autôi (hem)  
  Farizaioi (de Farizeeën) tufloi ( blinden) hoi archiereis kai hoi prebuterou tou laou (de hogepriesters en de oudsten van het volk) Saddukaioi (Sadduceeërs hoi mathètai autou (zijn leerlingen) hoi mathètai (de leerlingen)  kat'idian (afzonderlijk) hoi mathètai (de leerlingen) tôi Ièsou (aan Jezus)
legô (zeggen)  ... kai legontes (en zeggende) genezingen  legontes (zeggende)  ... legontes (zeggende)    legontes (zeggende)  legontes (zeggende) 
citaat rechtstr. rede   rechtstr. rede rechtstr. rede onrechtstr. rede   rechtstr. rede rechtstr. rede
aanspreektitel       didaskale (leermeester)      
  265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : - Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 - 284. Jezus in de tempel. Terugkeer naar Betanië : Mc 11,18-19 - Mt 21,14-17 - Lc 19,47-48 - 287. Vraag naar Jezus'macht : Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 - 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis : Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 - 299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 - 299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 - 320. Voorbereiding van het paasmaal : Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -

- proselthôn (naderbijgekomen) .

  1. de beproever 2. een melaatse 3. een schriftgeleerde 4. Petrus 5. iemand 6. (een vader tot de oudste zoon) 7.(een vader tot de jongste zoon)
bijbeltekst Mt 4,3

Mt 8,2

Mt 8,19 Mt 18,21 Mt 19,16 Mt 21,28 Mt 21,30
  Kai (en) kai idou (en zie) lepros (een melaatse) Kai (en) Tote (dan) kai idou (en zie) heis (één iemand) Kai (en)  
proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) prosekunei (knielde) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn de (naderbijgekomen echter))
onderwerp ho peirazôn (de beproever)   heis grammateus (één schriftgeleerde) ho Petros (Petrus)      
meewerkend voorwerp (datief)   autôi (bij hem)     autôi (bij hem) tôi prôtôi (aan de eerste) tôi heterôi (aan de andere)
werkwoord vorm van legô : zeggen eipen (zei) legôn (zeggende) eipen (zei) eipen (zei) eipen (zei) eipen (zei) eipen (zei)
meewerkend voorwerp autôi (aan hem)   autôi (aan hem) autôi (aan hem)      
citaat rechtstr. rede rechtstr. rede rechtstr. rede rechtstr. rede rechtstr. rede rechtstr. rede hôsautôs (evenzo)
aanspreektitel  geen kurie (Heer) didaskale (meester)  kurie (Heer)  didaskale (meester)  teknon (kind)  
  20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - 56. Genezing van een melaatse : Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 - 64. Voorwaarden van het volgen : Mt 8,18-22 - Lc 9,57-62 -  181. Vergevingsgezindheid : Mt 18,21-22 - Lc 17,3b-4 -   268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 -  288. Gelijkenis van de twee zonen : Mt 21,28-32 -  288. Gelijkenis van de twee zonen : Mt 21,28-32 -

  8. 9. 10.  11.   12.   13. 14. Jezus
bijbeltekst Mt 25,20 Mt 25,22 Mt 25,24 Mt 26,49 Mt 27,58   Mt 28,2 Mt 28,18
  kai (en)      kai eutheôs (en onmiddellijk)   kai (en) kai (en) 
onderw.         houtos (deze)    
proselthôn proselthôn (naderbijgekomen)  proselthôn de (naderbijgekomen echter) proselthôn de (naderbijgekomen echter) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) 
onderw.         tôi Pilatôi (bij Pilatus)   ho Ièsous (Jezus) 
werkwoord prosènegken         èitèsato (vroeg) apekulisen (rolde weg) elalèsen (sprak) autois (aan hen)
meewerkend voorwerp (datief)       tôi Ièsou (bij Jezus)       

werkw. legô ( zeggen)

legôn eipen (zei hij) eipen (zei hij) eipen (zei hij)     legôn (zeggende)  
meewerk. vw.              
citaat rechtstr. rede rechtstr. rede rechtstr. rede rechtstr. rede     rechtstr. rede
aanspreektitel kurie (Heer) kurie (Heer)  kurie (Heer)  chaire, rabbi (gegroet rabbi)      
  314. Gelijkenis van de talenten : Mt 25,14-30 - 314. Gelijkenis van de talenten : Mt 25,14-30 - Mt 25,14-30 -  314. Gelijkenis van de talenten : Mt 25,14-30 - 330. Gevangenneming van Jezus : Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 - 349. Begrafenis van Jezus : Mc 15,40-41 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a - 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 - 353. Verschijning aan de elf in Galilea : Mt 28,16-20 -

- proselthontes (naderbijgekomen) . Verleden deelvoud nominatief mannelijk meervoud van het werkwoord proserchomai (naderbijkomen) .

1. 2. de leerlingen 3. 4. zijn leerlingen 5. de leerlingen 6.  zijn leerlingen 7. Farizeeën en ...
Mt 8,25 Mt 13,10 Mt 13,27 Mt 14,12 Mt 15,12 Mt 15,23 Mt 16,1
kai (en) kai (en)   kai (en) Tote (daarop) kai (en) kai (en)
proselthontes (naderbijgekomen) proselthontes (naderbijgekomen) proselthontes de (naderbijgekomen echter)   proselthontes (naderbijgekomen) proselthontes (naderbijgekomen) proselthontes (naderbijgekomen) proselthontes (naderbijgekomen)
  hoi mathètai (de leerlingen)   hoi mathètai autou (zijn leerlingen) hoi mathètai (de leerlingen) hoi mathètai autou (zijn leerlingen) hoi Pharisaioi kai hoi Saddoukaioi (de Farizeeën en de Sadduceeën)
            peirazontes(op de proef stellend - uitproberend)
ègeiran auton legontes (wekten hem zeggend)   eipan (zeiden) eipon (zeiden)    legousin (zeggen zij) èrôtoun (vroegen zij) epèrôtèsan (vroegen zij)
  autôi (hem) autôi (hem)     autôi (hem) auton (hem)  auton (hem)
  dia ti (waarom)         legontes (zeggende)   
kurie (Heer)   kurie (Heer)       onrechtstr. rede
65. Het bedaren van de storm : Mc 4,35-41 - Mt 8,23-27 - Lc 8,22-25  127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt : Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10  133. Gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe : Mt 13,24-30  149. Onthoofding van Johannes de Doper : Mc 6,17-29 - Mt 14,3-12  155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20  156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw : Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28  159. Vraag om een teken uit de hemel : Mc 8,11-13 - Mt 16,1-4 - Mt 12,38-42 -

8. de leerlingen 9. 10. valse getuigen) 11. omstaanders
Mt 17,19 Mt 26,50 Mt 26,60 Mt 26,73
Tote (daarop) Tote (daarop) husteron de (later echter)    
proselthontes (naderbijgekomen) proselthontes (naderbijgekomen) proselthontes duo (twee naderbijgekomen)   proselthontes (naderbijgekomen) 
hoi mathètai (de leerlingen)     ... eipon (zij zeiden) tôi Petrôi (tot Petrus)  
... eipon (zij zeiden)   gevangenneming     
dia ti (waarom)      
170. Genezing van een bezeten kind : Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a  330. Gevangenneming van Jezus : Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53  332. Jezus voor het Sanhedrin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71  334. Verloochening van Petrus : Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 

Twee soorten groepen benaderen Jezus met een vraag over het gedrag van de leerlingen. De leerlingen van Jezus onderscheiden zich van anderen omdat ze niet vasten en omdat ze de tradities van de priesters niet respecteren.

- prosferô (brengen of dragen bij) . Verwijzing : prosferô (brengen of dragen bij) , zie Mt 9,2 . prosferô (dragen naar of brengen bij) .
- proseferon (en zij droegen naar) . Indicatief imperfectum derde persoon meervoud van het werkwoord prosferô (dragen naar) . In vier verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In drie verzen in het N.T. : (1) Mt 9,2 . (2) Mc 10,13 . (3) Lc 18,15 .
- prosènegka (hij bracht naar) . Indicatief aorist derde persoon . In één vers in de bijbel : Mt 17,16 .
- prosènegkan (zij droegen naar) . Indicatief aorist derde persoon meervoud . In vierentwintig verzen in de bijbel . In zeven verzen in het N.T. . In zes verzen bij Matteüs : (1) Mt 2,11 . (2) Mt 4,24 . (3) Mt 8,16 . (4) Mt 9,32 . (5) Mt 14,35 . (6) Mt 22,19 . Telkens is de woordvolgorde : werkwoord + autôi (bij hem) + accusatief van het lijdend voorwerp .
- prosènechthè (hij werd gebracht) . Passief aorist derde persoon enkelvoud . In drie verzen in de bijbel . Slechts in het N.T. : (1) Mt 12,22 . (2) Mt 18,24 . (3) Hnd 21,26 .

1. de Wijzen 2. wie voor de zieken zorgt 3. wie voor de zieken zorgt 4. wie voor de zieken zorgt 5. wie voor de zieken zorgt 6. Farizeeën en Herodianen      
Mt 2,11 Mt 4,24 Mt 8,16 Mt 9,32 Mt 14,35 Mt 22,19 Mt 9,2 Mt 12,22 Mt 18,24
prosènegkan (zij droegen bij) prosènegkan (zij droegen bij) prosènegkan (zij droegen bij) prosènegkan (zij droegen bij) prosènegkan (zij droegen bij) prosènegkan (zij droegen bij) proseferon (droegen zij naar) prosènechthè (werd 'bij 'hem' gebracht) prosènechthè (werd 'bij 'hem' gebracht)
autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem)
geschenken vele zieken vele duivelbezetenen een doof en duivelbezeten mens allen die er slecht aan toe waren een denarie een lamme een blinde en dove duivelbezetene een schuldige
11. Huldiging van de magiërs : Mt 2,1-12  24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31  59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 - Mt 8,16-17 - Lc 4,40-41  73. Genezing van een stomme bezetene : Mt 9,32-34 - Mt 12,22-23 - Mc 3,22-27 - Lc 11,14  genezingen te Gennesaret - Mc 6,53-56 - Mt 14,34-36  291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer : Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26  67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 - 117. Genezing van een blinde en een stomme bezetene : Mt 12,22-23 - Mt 9,32-34 - Lc 11,14  182. Gelijkenis van de onbarmhartige dienaar : Mt 18,23-35  

- poreuthentes (zich op weg begeven) . Verwijzing : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) , zie Mt 2,9 . Participium aorist nominatief mannelijk of vrouwelijk meervoud. In zesentwintig verzen in de bijbel. In elf verzen in het O.T. . In vijftien verzen in het N.T. : Mt (7) . Mc (1) . Lc (7) . Bij Matteüs : (1) Mt 2,8 . (2) Mt 9,13 . (3) Mt 11,4 . (4) Mt 21,6 . (5) Mt 22,15 . (6) Mt 27,66 . (7) Mt 28,19 .

1. opdracht van Herodes aan de magiërs. 2. opdracht van Jezus aan de Farizeeën 3. opdracht van Jezus aan de leerlingen van Johannes de Doper 4. uitvoering van een opdracht van Jezus aan zijn leerlingen 5. het besluit van de Farizeeën 6. uitvoering van de opdracht van Pilatus opdracht van de engel aan de vrouwen  7. opdracht van Jezus aan zijn leerlingen
Mt 2,8 Mt 9,13 Mt 11,4 Mt 21,6 Mt 22,15 Mt 27,66 Mt 28,7 Mt 28,19
kai pempsas autous eis Bètleem eipen (en hen gezonden naar Betlehem zei hij) Mt 9,12 : ho de akousas eipen (Hij - Jezus - echter gehoord zei) kai apokritheis ho Ièsous eipen autois (en Jezus geantwoord zei hen) Mt 21,1 : tote Ièsous apesteilen duo mathètas legôn autois (daarop zond Jezus twee leerlingen zeggende hen)   Mt 27,65 : efè autois ho Pilatos (Pilatus zei hen) Mt 28,5 : apokritheis de ho aggelos eipen tais gunaiksin (Geantwoord echter de engel zei aan de vrouwen) Mt 28,18 : Kai proselthôn ho Ièsous elalèsen autois legôn (En naderbijgekomen sprak Jezus tot hen zeggend)
poreuthentes (zich op weg begeven) poreuthentes (zich op weg begeven) poreuthentes (zich op weg begeven) poreuthentes (gegaan) Tote poreuthentes (Dan gegaan) hoi de poreuthentes (zij echter gegaan) kai tachu poreutheisai (en zich snel op weg begeven) poreuthentes (zich op weg begeven)
   de (echter)    de (echter)        
      hoi mathètai (de leerlingen) hoi Farisaioi (de Farizeeën)      
imperatief 2de persoon meervoud imperatief 2de persoon meervoud imperatief 2de persoon meervoud apaggeilate (meldt)       imperatief 2de persoon meervoud : eipate (zeggen) imperatief 2de persoon meervoud
               
uitvoering: Mt 2,9 eporeuthèsan (zij begaven zich op weg)    Na Mt 11,2-6 : Mt 11,7 : toutôn de poreuomenôn (nadat zij echter zich op weg begaven) opdracht : Mt 21,2 poreuesthe : begeef je op weg   opdracht: Mt 27,65 : hupagete : ga Mt 28,7 : hupagete (ga) Mt 28,11 (na Mt 28,9-10) : poreuomenôn de autôn (nadat zij echter zich op weg begaven)  
 11. Huldiging van de magiërs : Mt 2,1-12  69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32   111. Vraag van Johannes de Doper : Lc 7,18-23 - Mt 11,2-6  279. Intocht in Jeruzalem : Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40  291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer : Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26  350. Wacht bij het graf : Mt 27,62-66 352. Het omkopen van de wacht :Mt 28,11-15 -  353. Verschijning aan de elf in Galilea :Mt 28,16-20 -

-

ptôchos (arm) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
nom. m. enk.ptôchos 33 30 3     1     1 1 1 1
nom. + dat vr. enk , nom + acc. onz. mv. .ptôcha(i) 1   1           1      
nom. + acc. onz. enk. ptôchon 22 20 2     1     1   1 1
gen. man. enk ptôchou 17 17                    
dat. man. en onz. enk. ptôchô(i) 12 11 1           1      
nom. m. mv. ptôchoi 14 9 5 2   2     1   4 4
gen. man. mv. ptôchôn 11 9 2       1   1     1
dat. man. en onz. mv. ptôchois 12 3 9 2 2 3 2       7 9
acc. man. mv. ptôchous 21 13 8 1 1 2 1   2 1    
Totaal   143 112 31 5 3 9 4   8 2 17 21