MATTEÜSEVANGELIE : TAALGEBRUIK

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -

Overzicht van Tenach : Tenach : overzicht , Tenach : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenach : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,

Overzicht van het Matteüsevangelie : Mt : overzicht , Mt : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Mt : commentaar ,
Overzicht van het N.T.
: NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,
Hoofdstukken van het Matteüsevangelie :
Mt 1 , Mt 2 , Mt 3 , Mt 4 , Mt 5 , Mt 6 , Mt 7 , Mt 8 , Mt 9 , Mt 10 , Mt 11 , Mt 12 , Mt 13 , Mt 14 , Mt 15 , Mt 16 , Mt 17 , Mt 18 , Mt 19 , Mt 20 , Mt 21 , Mt 22 , Mt 23 , Mt 24 , Mt 25 , Mt 26 , Mt 27 , Mt 28 .


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
 
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm . WEBLOG : BIJBELLEERHUIS
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts (Vlaams Blok) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen -

- bijbeloverzicht , bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

Overzicht van de bijbelboeken : OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


WOORDGEBRUIK

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z -

  Mt 1 Mt 2 Mt 3 Mt 4 Mt 5 Mt 6 Mt 7 Mt 8 Mt 9 Mt 10 Mt 11 Mt 12 Mt 13 Mt 14 Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22 Mt 23 Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28    
                                                             
                                                             
                                                             
                                                             
                                                             
                                                             
                                                             
                                                             
                                                             
                                                             

 

A

- èkolouthèsen (hij volgde) . Verwijzing : akoloutheô (volgen) , zie Mt 4,20 . Actief aorist derde persoon enkelvoud . In negen verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In acht verzen in het N.T. . In drie verzen bij Matteüs : (1)  Mt 9,9 . (2) Mt 9,19 . (3) Mt 20,29 .

12. een leerling 13. Jezus 14. een grote menigte
Mt 9,9 Mt 9,19 Mt 20,29
kai (en) kai (en) kai (en)
anastas (opgestaan) egertheis ho Ièsous (Jezus opgestaan)  
èkolouthèsen (volgde)  èkolouthèsen (volgde)  èkolouthèsen (volgde) 
autôi (hem)  autôi (hem)  autôi (hem) 
    ochlus polus (een grote menigte)
68. Roeping van Levi / Matteüs : Mc 2,13-14 - Mt 9,9 - Lc 5,27-28 - Genezing van een vrouw met bloedvloeiïng. Opwekking van Jaïrus'dochter : Mc 5,21-43 - Mt 9,18-26 - Lc 8,40-56 - 276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc 10,46-52 - Mt 20,29-34 - Lc 18,35-43 -

Het meervoud èkolouthèsan (zij volgden) komt in elf verzen bij Matteüs voor : (1) Mt 4,20 . (2) Mt 4,22 . (3) Mt 4,25 . (4) Mt 8,1 . (5) Mt 8,25 . (6) Mt 9,27 . (7) Mt 12,15 . (8) Mt 14,13 . (9) Mt 19,2 . (10) Mt 20,34 . (11) Mt 27,55 .
Het enkelvoud èkolouthèsen (hij volgde) en het meervoud èkolouthèsan (zij volgden) komt samen in veertien verzen bij Matteüs voor . In dertien van de veertien gevallen volgt een persoonlijk voornaamwoord als nadere bepaling op de werkwoordsvorm van akoloutheô (volgen) . In dertien van de veertien gevallen wordt Jezus gevolgd , in Mt 9,19 volgt Jezus iemand .
- èkolouthèsen autôi (hij volgde hem) . Verwijzing : akoloutheô (volgen) , zie Mt 4,20 . In zes verzen in het N.T. . In drie verzen bij Matteüs : (1)  Mt 9,9 . (2) Mt 9,19 . (3) Mt 20,29 . In twee verzen bij Marcus : (1) Mc 2,14 (// Mt 9,9 ) . Mc 14,54 . In één vers bioj Lucas : Lc 5,28 .
- èkolouthèsen autôi (hij volgde hem) behoort tot de buitenkring van het verhaal . Hieraan beantwoordt een begin : kai paragôn ho Ièsous (en Jezus voorbijvoerend) .

- akousas de (gehoord echter) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . Participium aorist / verleden deelwoord , nominatief mannelijk enkelvoud bij het onderwerp - soms participiumzin . In vierenvijftig verzen in de bijbel . In drieëndertig verzen in het N.T. ( in zeventien verzen + de = echter) . In acht verzen bij Matteüs : (1) Mt 2,3 (+ de) . (2) Mt 2,22 (+ de) . (3) Mt 4,12 (+ de) . (4) Mt 8,10 (+ de) . (5) Mt 9,12 . (6) Mt 11,2 . (7) Mt 14,13 . (8) Mt 19,22 (+ de) . (Mt 22,7 + de) .

- allos (ander) . Verwijzing : allos (ander) , zie Mt 13,24 .
-- allèn (een andere) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In zeventien verzen in de bijbel . In acht verzen in het O.T. . In negen verzen in het N.T. . Mt (6) . Mc (1) . Lc (1) . Opb (1) . In zes verzen bij Matteüs : (1) Mt 5,39 : een andere wang . (2) Mt 13,24 : een andere parabel . (3) Mt 13,31 : een andere parabel . (4)  Mt 13,33 : een andere parabel . (5) Mt 19,9 : een andere vrouw . (6)  Mt 21,33 : een andere parabel .

- Jezus heeft vele malen aan tafel aangelegen . anakeimenou (aanliggend) participium praesens genitief enkelvoud, vinden we in de bijbel slechts in 2 verzen, en wel bij Matteüs. In Mt 9,10-13 maken de Farizeeën opmerkingen aan de leerlingen van Jezus over het feit dat hun meester eet met zondaars en tollenaars. In Mt 26,7 - Mt 26,6-13 - giet een vrouw kostbare olie over Jezus'hoofd. De leerlingen van Jezus zijn geërgerd over die verspilling. Voor Judas is de maat vol; hij besluit Jezus aan de hogepriesters uit te leveren .

- archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters .

archiereus (hogepriester) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk   
nom. enk. archiereus 37 9 28 3 3   4 9 9    
gen. enk. archiereôs 29 13 16 3 4 3 4 1 1    
dat. enk. archierei 10 7 3       2 1      
acc. enk. archierea 16 7 9 1 1   1 1 5    
nom. + acc. mv. archiereis 50   50 12 11 10 9 6 2    
gen. mv. archiereôn 10   10 3 2 1 1 3      
dat. mv. archiereusin 6   6 3 1 1   1      
Totaal   158  36  122  25  22  15  21  22  17     

In het N.T. komt een vorm van het zelfstandig naamwoord archiereus (hogepriester) in 122 verzen voor . Bij Matteüs is dat in vijfentwintig verzen of 20,49 % .

archiereus (hogepriester) Mt 
nom. enk. archiereus 3 : (1) Mt 26,62 . (2) Mt 26,63 . (3) Mt 26,65 .
gen. enk. archiereôs 3 : (1) Mt 26,3 . (2) Mt 26,51 . (3) Mt 26,58 .
dat. enk. archierei  
acc. enk. archierea 1 : Mt 26,57 .
nom. + acc. mv. archiereis 12 : (1) Mt 2,4 . (2) Mt 21,15 . (3) Mt 21,23 . (4) Mt 21,45 . (5) Mt 26,3 (// Mc 14,1 // Lc 22,2) . (6) Mt 26,14 . (7) Mt 26,59 . (8) Mt 27,1 . (9) Mt 27,6 . (10) Mt 27,20 . (11) Mt 27,41 . (12) Mt 27,62 .
gen. mv. archiereôn 3 : (1) Mt 16,21 . (2) Mt 26,47 . (3) Mt 27,12 .
dat. mv. archiereusin 3 : (1) Mt 20,18 . (2) Mt 27,3 . (3) Mt 28,11 .
Totaal   25 

vorm van archiereus (hogepriester)  25 : (1) Mt 2,4 (acc. mv.) . (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . (3) Mt 20,18 (dat. mv.) . (4) Mt 21,15 (nom. mv.) . (5) Mt 21,23 (nom. mv.) . (6) Mt 21,45 (nom. mv.) . (7) Mt 26,3 (nom. mv.) . (8) Mt 26,3 (gen. enk.) . (9) Mt 26,14 (acc. mv.) . (10) Mt 26,47 (gen. mv.) . (11) Mt 26,51 (gen. enk.) . (12) Mt 26,57 (acc. enk.) . (13) Mt 26,58 (gen. enk.) . (14) Mt 26,59 (gen. mv.) . (15) Mt 26,62 (nom. enk.) . (16) Mt 26,63 (nom. enk.) . (17) Mt 26,65 (nom. enk.) . (18) Mt 27,1 (nom. mv.) . (19) Mt 27,3 (dat. mv.) . (20) Mt 27,6 (nom. mv.) . (21) Mt 27,12 (gen. mv.) . (22) Mt 27,20 (nom. mv.) . (23) Mt 27,41 (nom. mv.) . (24) Mt 27,62 (nom. mv.) . (25) Mt 28,11 (dat. mv.) .  

De hogepriesters komen voor het eerst ter sprake in de 'kindsheids'verhalen van Mt (Mt 2,4) . Na de belijdenis van Petrus spreekt Jezus zijn eerste lijdensvoorspelling uit (Mt 16,21) , in Mt 20,18 zijn derde lijdensvoorspelling . In Mt 21 komt Jezus in Jeruzalem . Hogepriesters , Farizeeën en ouderen behoren tot zijn toehoorders in de tempel . Het komt weldra tot een confrontatie . Vanaf Mt 26,1 begint het lijdensverhaal .

De nominatief en accusatief meervoud archiereis (priesters) komt in twaalf verzen bij Matteüs :
(1) Mt 2,4 (accusatief ) : tous archiereis kai grammateis tou laou = de hogepriesters en schriftgeleerden van het volk) .
(2) Mt 21,15 : hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden) .
(3) Mt 21,23 : hoi archiereis kai hoi presbuteroi (de hogepriesters en de oudsten) .
(4) Mt 21,45 : hoi archiereis kai hoi Pharisaioi (de hogepriesters en de Farizeeën) .
(5) Mt 26,3 (// Mc 14,1 // Lc 22,2) : hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden) .
(6) Mt 26,14 .
(7) Mt 26,59 : hoi archiereis kai hoi presbuteroi (de hogepriesters en de oudsten) .
(8) Mt 27,1 : hoi archiereis kai hoi presbuteroi (de hogepriesters en de oudsten) .
(9) Mt 27,6 .
(10) Mt 27,20 : hoi archiereis kai hoi presbuteroi (de hogepriesters en de oudsten) .
(11) Mt 27,41 .
(12) Mt 27,62 : hoi archiereis kai hoi Pharisaioi (de hogepriesters en de Farizeeën) .
In elf verzen bij Marcus .
In tien verzen bij Lucas : (1) Lc 19,47 (// Mc 11,18 , zie schema Mc 7,1) . (2) Lc 20,1 . (3) Lc 20,19 (// Mc 12,12 // Mt 21,46) . (4) Lc 22,2 (// Mc 14,1 // Mt 26,3) . (5) Lc 22,52 . (6) Lc 22,66 . (7) Lc 23,4 . (8) Lc 23,10 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 24,20 . In negen verzen bij Johannes . In zes verzen in Handelingen : (1) Hnd 4,23 . (2) Hnd 5,24 . (3) Hnd 9,21 . (4) , enz.
- hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden) . In negen verzen in de bijbel : (1) Mt 21,15 . (2) Mt 26,3 (// Mc 14,1 // Lc 22,2) . (3) Mc 11,27 . (4) Mc 14,1 (// Mt 26,3 // Lc 22,2) . (5) Lc 19,47 (// Mc 11,18 , zie schema Mc 7,1) . (6) Lc 20,1 . (7) Lc 20,19 (// Mc 12,12 // Mt 21,46) . (8) Lc 22,2 (// Mc 14,1 // Mt 26,3) . (9) Lc 23,10 .
- hoi archiereis kai hoi presbuteroi (de hogepriesters en de oudsten) . In zeven verzen in het N.T. : (1) Mt 21,23 . (2) Mt 26,59 . (3) Mt 27,1 . (4) Mt 27,20 . (5) Mc 14,53 . (6) Hnd 4,23 . (7) Hnd 25,15 .
- hoi archiereis kai hoi Pharisaioi (de hogepriesters en de Farizeeën) . In vier verzen in het N.T. : (1) Mt 21,45 . (2) Mt 27,62 . (3) Joh 11,47 . (4) Joh 11,57 .

1. 2. 3. 4. 5. 6.
Mt 2,4 Mt 21,15 Mt 21,23 Mt 21,45 Mt 26,3 Mt 26,14
 kai (en)      Kai (en)  Tote (Daarop)  
sunagagôn (verzameld)   idontes de (gezien echter)  prosèlthon autôi didaskonti (kwamen naderbij hem terwijl hij onderwees)  akousantes (gehoord)  sunèchtèsan (verzamelden zich)  
pantas tous archiereis (al de hogepriesters) hoi archiereis (de hogepriesters)  hoi archiereis (de hogepriesters)  hoi archiereis (de hogepriesters)  hoi archiereis (de hogepriesters)   pros tous archiereis (naar de hogepriesters)
 kai grammateis tou laou (en - al de - schriftgeleerden van het volk)  kai hoi grammateis (en de schriftgeleerden)  kai hoi presbuteroi tou laou (en de oudsten van het volk) kai hoi Farisaioi (en de Farizeeën)   kai hoi presbuteroi tou laou (en de oudsten van het volk)  
        hina (opdat zij) ton Ièsoun  (Jezus) dolôi kratèsôsin kai apokteinôsin (met list zouden overweldigen en doden)   
11. Huldiging van de magiërs : Mt 2,1-12 283. Tempelreiniging : Mc 11,15-17 - Mt 21,12-13 - Lc 19,45-46  287. Vraag naar Jezus'macht : Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 - 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers : Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 317. Complot tegen Jezus : Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 319. Verraad van Judas : Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6

7. 8. 9. 10. 11. 12.
Mt 26,59  Mt 27,1 Mt 27,6   Mt 27,20 Mt 27,41 Mt 27,62
  Prôïas de genomenès ('s morgens echter)      homoios (op gelijke wijze)  Tèi de epaurion ('s anderdaags 's morgens) 
  sumboulion elabon (namen zij het besluit)        sunèchtèsan (verzamelden zich) 
 hoi de archiereis (de hogepriesters echter) pantes hoi archiereis (alle hogepriesters)  hoi de archiereis (de hogepriesters echter)   hoi de archiereis (de hogepriesters echter)  kai hoi archiereis (ook de hogepriesters)  ... hoi archiereis (de hogepriesters)  
kai to sunedrion holon (en het hele sanhedrin)  ezètoun (zochten) ...  kai hoi presbuteroi tou laou (en de oudsten van het volk) ...    kai hoi presbuteroi (en de oudsten)...  meta tôn grammateôn kai presbuterôn (met de schriftgeleerden en de oudsten)  kai hoi Farisaioi (en de Farizeeën)  
hopôs (opdat zij) auton (hem) thanatôsôsin (zouden doden) hôste (om) thanatôsai auton (hem te doden)     hina... (opdat zij)  ton de Ièsoun (Jezus echter)apolesôsin (zouden ombrengen)    
332. Jezus voor het Sanhedrin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 336. Naar Pilatus Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 337. Einde van Judas : Mt 27,3-10 343. Soldaten bespotten Jezus Mc 15,16-20 - Mt 27,27-31 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 350. Wacht bij het graf : - Mt 27,62-66

- hogepriester - Farizeeër - schriftgeleerde - oudere

    archiereus (hogepriester) farisaios (Farizeeër) grammateus (schriftgeleerde) presbuteros (oudere)  
archiereus (hogepriester) 25  7 : 2 6 11  
farisaios (Farizeeër) 28  2 16 10    
grammateus (schriftgeleerde) 22  2 10 6 4  
presbuteros (oudere) 12  11   4    
             

Een vorm van archiereus (hogepriester)  25 : (1) Mt 2,4 (acc. mv.) . (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . (3) Mt 20,18 (dat. mv.) . (4) Mt 21,15 (nom. mv.) . (5) Mt 21,23 (nom. mv.) . (6) Mt 21,45 (nom. mv.) . (7) Mt 26,3 (nom. mv.) . (8) Mt 26,3 (gen. enk.) . (9) Mt 26,14 (acc. mv.) . (10) Mt 26,47 (gen. mv.) . (11) Mt 26,51 (gen. enk.) . (12) Mt 26,57 (acc. enk.) . (13) Mt 26,58 (gen. enk.) . (14) Mt 26,59 (gen. mv.) . (15) Mt 26,62 (nom. enk.) . (16) Mt 26,63 (nom. enk.) . (17) Mt 26,65 (nom. enk.) . (18) Mt 27,1 (nom. enk.) . (19) Mt 27,3 (dat. mv.) . (20) Mt 27,6 (nom. mv.) . (21) Mt 27,12 (gen. mv.) . (22) Mt 27,20 (nom. mv.) . (23) Mt 27,41 (nom. mv.) . (24) Mt 27,62 (nom. mv.) . (25) Mt 28,11 (dat. mv.) .  

Een vorm van farisaios (Farizeeër) : nom. + gen. mv. 28 : (1) Mt 3,7 (gen.) . (2) Mt 5,20 (gen.) . (3) Mt 9,11 (nom.) . (4) Mt 9,14 (nom.) . (5) Mt 9,34 (nom.) . (6) Mt 12,2 (nom.) . (7) Mt 12,14 (nom.) . (8) Mt 12,24 (nom.) . (9) Mt 12,38 (gen.) . (10) Mt 15,1 (nom.) . (11) Mt 15,12 (nom.) . (12) Mt 16,1 (nom.) . (13) Mt 16,6 (gen.) . (14) Mt 16,11 (gen.) . (15) Mt 16,12 (gen.) .  (16) Mt 19,3 (nom.) . (17) Mt 21,45 (nom.) . (18) Mt 22,15 (nom.) . (19) Mt 22,34 (nom.) . (20) Mt 22,41 (gen.) . (21) Mt 23,2 (nom.) . (22) Mt 23,13 (nom.) . (23) Mt 23,15 (nom.) . (24) Mt 23,23 (nom.) . (25) Mt 23,25 (nom.) . (26) Mt 23,27 (nom.) . (27) Mt 23,29 (nom.) . (28) Mt 27,62 (nom.) .

Een vorm van grammateus (schriftgeleerde) .  (1) Mt 2,4 (acc. mv) . (2) Mt 5,20 (gen. mv.) . (3) Mt 7,29 (nom. mv.) . (4) Mt 8,19 (nom. enk.) . (5) Mt 9,3 (gen. mv.) . (6) Mt 12,38 (gen. mv.) . (7) Mt 13,52 (nom. enk.) . (8) Mt 15,1 (nom. mv.) . (9) Mt 16,21 (gen. mv.) . (10) Mt 17,10 (nom. mv.) . (11) Mt 20,18 (dat. mv.) . (12) Mt 21,15 (nom. mv.) . (13) Mt 23,2 (nom. mv.) . (14) Mt 23,13 (voc. mv.) . (15) Mt 23,15 (voc. mv.) . (16) Mt 23,23 (voc. mv.) . (17) Mt 23,25 (voc. mv.) . (18) Mt 23,27 (voc. mv.) . (19) Mt 23,29 (voc. mv.) . (20) Mt 23,34 (acc. mv.) . (21) Mt 26,57 (nom. mv.) . (22) Mt 27,41 (nom. mv.) .  

Een vorm van presbuteros (oudere) 12 : (1) Mt 15,2 (gen. mv.) . (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . (3) Mt 21,23 (nom. mv.) . (4) Mt 26,3 (nom. mv.) . (5) Mt 26,47 (gen. mv.) . (6) Mt 26,57 (nom. mv.) . (7) Mt 27,1 (nom. mv.) . (8) Mt 27,3 (dat. mv.) . (9) Mt 27,12 (gen. mv.) . (10) Mt 27,20 (nom. mv.) . (11) Mt 27,41 (gen. mv.) . (12) Mt 28,12 (gen. mv.) .

Een vorm van   Mt 2 Mt 3 Mt 5 Mt 8 Mt 9 Mt 12 Mt 13
archiereus (hogepriester)  (1) Mt 2,4 (acc. mv.)             

farisaios (Farizeeër) : nom. + gen. mv. 

  (1) Mt 3,7 (gen.) .  (2) Mt 5,20 (gen.) .    (3) Mt 9,11 (nom.) . (4) Mt 9,14 (nom.) . (5) Mt 9,34 (nom.) .  (6) Mt 12,2 (nom.) . (7) Mt 12,14 (nom.) . (8) Mt 12,24 (nom.) . (9) Mt 12,38 (gen.) .   
grammateus (schriftgeleerde) .   (1) Mt 2,4 (acc. mv) .    (2) Mt 5,20 (gen. mv.) .   (4) Mt 8,19 (nom. enk.) .  (5) Mt 9,3 (gen. mv.) .  (6) Mt 12,38 (gen. mv.) .  (7) Mt 13,52 (nom. enk.) . 
presbuteros (oudere)                

een vorm van  Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22  
archiereus (hogepriester)   (2) Mt 16,21 (gen. mv.) .      (3) Mt 20,18 (dat. mv.) .  (4) Mt 21,15 (nom. mv.) . (5) Mt 21,23 (nom. mv.) . (6) Mt 21,45 (nom. mv.) .     
farisaios (Farizeeër) : nom. + gen. mv.  (10) Mt 15,1 (nom.) . (11) Mt 15,12 (nom.) .  (12) Mt 16,1 (nom.) . (13) Mt 16,6 (gen.) . (14) Mt 16,11 (gen.) . (15) Mt 16,12 (gen.) .      (16) Mt 19,3 (nom.) .    (17) Mt 21,45 (nom.) .  (18) Mt 22,15 (nom.) . (19) Mt 22,34 (nom.) . (20) Mt 22,41 (gen.) .   
grammateus (schriftgeleerde) .   (8) Mt 15,1 (nom. mv.) .  (9) Mt 16,21 (gen. mv.) .   (10) Mt 17,10 (nom. mv.) .    (11) Mt 20,18 (dat. mv.) .   (12) Mt 21,15 (nom. mv.) .     
presbuteros (oudere)   (1) Mt 15,2 (gen. mv.) .  (2) Mt 16,21 (gen. mv.) .        (3) Mt 21,23 (nom. mv.) .     

een vorm van  Mt 23 Mt 26 Mt 27 Mt 28  
archiereus (hogepriester)   (7) Mt 26,3 (nom. mv.) . (8) Mt 26,3 (gen. enk.) . (9) Mt 26,14 (acc. mv.) . (10) Mt 26,47 (gen. mv.) . (11) Mt 26,51 (gen. enk.) . (12) Mt 26,57 (acc. enk.) . (13) Mt 26,58 (gen. enk.) . (14) Mt 26,59 (gen. mv.) . (15) Mt 26,62 (nom. enk.) . (16) Mt 26,63 (nom. enk.) . (17) Mt 26,65 (nom. enk.) .  (18) Mt 27,1 (nom. enk.) . (19) Mt 27,3 (dat. mv.) . (20) Mt 27,6 (nom. mv.) . (21) Mt 27,12 (gen. mv.) . (22) Mt 27,20 (nom. mv.) . (23) Mt 27,41 (nom. mv.) . (24) Mt 27,62 (nom. mv.) .   (25) Mt 28,11 (dat. mv.) .     
farisaios (Farizeeër) : nom. + gen. mv.  (21) Mt 23,2 (nom.) . (22) Mt 23,13 (nom.) . (23) Mt 23,15 (nom.) . (24) Mt 23,23 (nom.) . (25) Mt 23,25 (nom.) . (26) Mt 23,27 (nom.) . (27) Mt 23,29 (nom.) .    (28) Mt 27,62 (nom.) .     
grammateus (schriftgeleerde) .   (13) Mt 23,2 (nom. mv.) . (14) Mt 23,13 (voc. mv.) . (15) Mt 23,15 (voc. mv.) . (16) Mt 23,23 (voc. mv.) . (17) Mt 23,25 (voc. mv.) . (18) Mt 23,27 (voc. mv.) . (19) Mt 23,29 (voc. mv.) . (20) Mt 23,34 (acc. mv.) .   (21) Mt 26,57 (nom. mv.) .  (22) Mt 27,41 (nom. mv.) .     
presbuteros (oudere)     (4) Mt 26,3 (nom. mv.) . (5) Mt 26,47 (gen. mv.) . (6) Mt 26,57 (nom. mv.) .    (7) Mt 27,1 (nom. mv.) . (8) Mt 27,3 (dat. mv.) . (9) Mt 27,12 (gen. mv.) . (10) Mt 27,20 (nom. mv.) . (11) Mt 27,41 (gen. mv.) .  (12) Mt 28,12 (gen. mv.) .   

hogepriesters en Farizeeën

een vorm van  Mt 21 Mt 27  
archiereus (hogepriester) (4) Mt 21,15 (nom. mv.) . (5) Mt 21,23 (nom. mv.) . (6) Mt 21,45 (nom. mv.) .  (18) Mt 27,1 (nom. enk.) . (19) Mt 27,3 (dat. mv.) . (20) Mt 27,6 (nom. mv.) . (21) Mt 27,12 (gen. mv.) . (22) Mt 27,20 (nom. mv.) . (23) Mt 27,41 (nom. mv.) . (24) Mt 27,62 (nom. mv.) .    
farisaios (Farizeeër) : nom. + gen. mv.  (17) Mt 21,45 (nom.) .  (28) Mt 27,62 (nom.) .   
grammateus (schriftgeleerde) .   (12) Mt 21,15 (nom. mv.) .  (22) Mt 27,41 (nom. mv.) .   
presbuteros (oudere)   (3) Mt 21,23 (nom. mv.) .  (7) Mt 27,1 (nom. mv.) . (8) Mt 27,3 (dat. mv.) . (9) Mt 27,12 (gen. mv.) . (10) Mt 27,20 (nom. mv.) . (11) Mt 27,41 (gen. mv.) .   
hogepriesters en Farizeeën (1) Mt 21,45 (nom.) . (28) Mt 27,62 (nom.) . 2

hogepriesters en schriftgeleerden

Een vorm van   Mt 2 Mt 16 Mt 20 Mt 21 Mt 26 Mt 27
archiereus (hogepriester)  (1) Mt 2,4 (acc. mv.)  (2) Mt 16,21 (gen. mv.) .  (3) Mt 20,18 (dat. mv.) .  (4) Mt 21,15 (nom. mv.) . (5) Mt 21,23 (nom. mv.) . (6) Mt 21,45 (nom. mv.) .  (7) Mt 26,3 (nom. mv.) . (8) Mt 26,3 (gen. enk.) . (9) Mt 26,14 (acc. mv.) . (10) Mt 26,47 (gen. mv.) . (11) Mt 26,51 (gen. enk.) . (12) Mt 26,57 (acc. enk.) . (13) Mt 26,58 (gen. enk.) . (14) Mt 26,59 (gen. mv.) . (15) Mt 26,62 (nom. enk.) . (16) Mt 26,63 (nom. enk.) . (17) Mt 26,65 (nom. enk.) .  (18) Mt 27,1 (nom. enk.) . (19) Mt 27,3 (dat. mv.) . (20) Mt 27,6 (nom. mv.) . (21) Mt 27,12 (gen. mv.) . (22) Mt 27,20 (nom. mv.) . (23) Mt 27,41 (nom. mv.) . (24) Mt 27,62 (nom. mv.) .  

farisaios (Farizeeër) : nom. + gen. mv. 

  (12) Mt 16,1 (nom.) . (13) Mt 16,6 (gen.) . (14) Mt 16,11 (gen.) . (15) Mt 16,12 (gen.) .     (17) Mt 21,45 (nom.) .    (28) Mt 27,62 (nom.) . 
grammateus (schriftgeleerde) .   (1) Mt 2,4 (acc. mv) .  (9) Mt 16,21 (gen. mv.) .   (11) Mt 20,18 (dat. mv.) .   (12) Mt 21,15 (nom. mv.) .  (21) Mt 26,57 (nom. mv.) .  (22) Mt 27,41 (nom. mv.) . 
presbuteros (oudere)     (2) Mt 16,21 (gen. mv.) .    (3) Mt 21,23 (nom. mv.) .  (4) Mt 26,3 (nom. mv.) . (5) Mt 26,47 (gen. mv.) . (6) Mt 26,57 (nom. mv.) .    (7) Mt 27,1 (nom. mv.) . (8) Mt 27,3 (dat. mv.) . (9) Mt 27,12 (gen. mv.) . (10) Mt 27,20 (nom. mv.) . (11) Mt 27,41 (gen. mv.) . 
hogepriesters en schriftgeleerden (1) Mt 2,4 (acc. mv) . (1) Mt 16,21 (gen. mv.) . (1) Mt 20,18 (dat. mv.) .   (1) Mt 21,15 (nom. mv.) .  (1) Mt 26,57 (nom. mv.) . (1) Mt 27,41 (nom. mv.) . 

hogepriesters en ouderen

een vorm van  Mt 16 Mt 21 Mt 26 Mt 27 Mt 28  
archiereus (hogepriester) (2) Mt 16,21 (gen. mv.) .  (4) Mt 21,15 (nom. mv.) . (5) Mt 21,23 (nom. mv.) . (6) Mt 21,45 (nom. mv.) .  (7) Mt 26,3 (nom. mv.) . (8) Mt 26,3 (gen. enk.) . (9) Mt 26,14 (acc. mv.) . (10) Mt 26,47 (gen. mv.) . (11) Mt 26,51 (gen. enk.) . (12) Mt 26,57 (acc. enk.) . (13) Mt 26,58 (gen. enk.) . (14) Mt 26,59 (gen. mv.) . (15) Mt 26,62 (nom. enk.) . (16) Mt 26,63 (nom. enk.) . (17) Mt 26,65 (nom. enk.) .  (18) Mt 27,1 (nom. enk.) . (19) Mt 27,3 (dat. mv.) . (20) Mt 27,6 (nom. mv.) . (21) Mt 27,12 (gen. mv.) . (22) Mt 27,20 (nom. mv.) . (23) Mt 27,41 (nom. mv.) . (24) Mt 27,62 (nom. mv.) .   (25) Mt 28,11 (dat. mv.) .     
farisaios (Farizeeër) : nom. + gen. mv.  (12) Mt 16,1 (nom.) . (13) Mt 16,6 (gen.) . (14) Mt 16,11 (gen.) . (15) Mt 16,12 (gen.) .   (17) Mt 21,45 (nom.) .    (28) Mt 27,62 (nom.) .     
grammateus (schriftgeleerde) .   (9) Mt 16,21 (gen. mv.) .   (12) Mt 21,15 (nom. mv.) .  (21) Mt 26,57 (nom. mv.) .  (22) Mt 27,41 (nom. mv.) .     
presbuteros (oudere)   (2) Mt 16,21 (gen. mv.) .  (3) Mt 21,23 (nom. mv.) .  (4) Mt 26,3 (nom. mv.) . (5) Mt 26,47 (gen. mv.) . (6) Mt 26,57 (nom. mv.) .    (7) Mt 27,1 (nom. mv.) . (8) Mt 27,3 (dat. mv.) . (9) Mt 27,12 (gen. mv.) . (10) Mt 27,20 (nom. mv.) . (11) Mt 27,41 (gen. mv.) .  (12) Mt 28,12 (gen. mv.) .   
hogepriesters en ouderen 1 : Mt 16,21 (gen. mv.) .  1 : Mt 21,23 (nom. mv.) .  3 : (1) Mt 26,3 (nom. mv.) . (2) Mt 26,47 (gen. mv.) . (3) Mt 26,57 5 : (7) Mt 27,1 (nom. mv.) . (8) Mt 27,3 (dat. mv.) . (9) Mt 27,12 (gen. mv.) . (10) Mt 27,20 (nom. mv.) . (11) Mt 27,41 (gen. mv.) .  1 : Mt 28,11 -   Mt 28,12 11 

In elf van de vijfentwintig verzen komen de hogepriesters en de ouderen (van het volk) samen voor . In elf van de twaalf verzen komen de ouderen samen met de hogepriesters voor . In Mt 15,2 wordt naar de traditie van de ouderen verwezen . Ze zijn er niet aanwezig . We kunnen besluiten dat in Mt de ouderen steeds met de hogepriesters voorkomen , in vijf hoofdstukken van Mt .

In zeven verzen zijn de hogepriesters niet vergezeld van een groep . Dit is slechts wanneer er van hogepriester in het enkelvoud sprake is (nom. enk. : 3 : (1) Mt 26,62 . (2) Mt 26,63 . (3) Mt 26,65 . gen. enk. : 3 : (1) Mt 26,3 . (2) Mt 26,51 . (3) Mt 26,58 . acc. enk. : 1 : Mt 26,57 ) . Deze verzen staan in Mt 26 , het eerste hoofdstuk van het lijdensverhaal .

Een overzicht

  archiereus (hogepriester) (25) farisaios (Farizeeër) (28) grammateus (schriftgeleerde) (22) presbuteros (oudere) (12)  
archiereus (hogepriester)   2 6 11  
farisaios (Farizeeër) 2   10    
grammateus (schriftgeleerde) 6 10   4  
presbuteros (oudere) 11   4    
afzonderlijk 16   

  archiereus (hogepriester) (25) farisaios (Farizeeër) (28) grammateus (schriftgeleerde) (22) presbuteros (oudere) (12)  
archiereus (hogepriester)   2 : 2 : (1) Mt 21,45 (nom.) . (2) Mt 27,62 (nom.) . 6 : (1) Mt 2,4 (acc. mv) . (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . (3) Mt 20,18 (dat. mv.) . (4) Mt 21,15 (nom. mv.) . (5) Mt 26,57 (nom. mv.) . (6) Mt 27,41 (nom. mv.) .  11 : (1) Mt 16,21 (gen. mv.) . (2) Mt 21,23 (nom. mv.) . (3) Mt 26,3 (nom. mv.) . (4) Mt 26,47 (gen. mv.) . (5) Mt 26,57 . (6) Mt 27,1 (nom. mv.) . (7) Mt 27,3 (dat. mv.) . (8) Mt 27,12 (gen. mv.) . (9) Mt 27,20 (nom. mv.) . (10) Mt 27,41 (gen. mv.) . (11) Mt 28,11 -   Mt 28,12 .  
farisaios (Farizeeër) 2 : 2 : (1) Mt 21,45 (nom.) . (2) Mt 27,62 (nom.) .   10 : (1) Mt 5,20 (gen. mv.) .  (2) Mt 12,38 (gen. mv.) . (3) Mt 15,1 (nom. mv.) . (4) Mt 23,2 (nom. mv.) . (5) Mt 23,13 (voc. mv.) . (6) Mt 23,15 (voc. mv.) . (7) Mt 23,23 (voc. mv.) . (8) Mt 23,25 (voc. mv.) . (9) Mt 23,27 (voc. mv.) . (107) Mt 23,29 (voc. mv.) .   
grammateus (schriftgel. 6 : (1) Mt 2,4 (acc. mv) . (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . (3) Mt 20,18 (dat. mv.) . (4) Mt 21,15 (nom. mv.) . (5) Mt 26,57 (nom. mv.) . (6) Mt 27,41 (nom. mv.) .  10 : (1) Mt 5,20 (gen. mv.) .  (2) Mt 12,38 (gen. mv.) . (3) Mt 15,1 (nom. mv.) . (4) Mt 23,2 (nom. mv.) . (5) Mt 23,13 (voc. mv.) . (6) Mt 23,15 (voc. mv.) . (7) Mt 23,23 (voc. mv.) . (8) Mt 23,25 (voc. mv.) . (9) Mt 23,27 (voc. mv.) . (107) Mt 23,29 (voc. mv.) .    4 : (1) Mt 15,1 + Mt 15,2 (gen. mv.) . (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . (3) (6) Mt 26,57 (nom. mv.) .    (4) Mt 27,41 (gen. mv.) .   
presbuteros (oudere) 11 : (1) Mt 16,21 (gen. mv.) . (2) Mt 21,23 (nom. mv.) . (3) Mt 26,3 (nom. mv.) . (4) Mt 26,47 (gen. mv.) . (5) Mt 26,57 . (6) Mt 27,1 (nom. mv.) . (7) Mt 27,3 (dat. mv.) . (8) Mt 27,12 (gen. mv.) . (9) Mt 27,20 (nom. mv.) . (10) Mt 27,41 (gen. mv.) . (11) Mt 28,11 -   Mt 28,12 . -   4 : (1) Mt 15,1 + Mt 15,2 (gen. mv.) . (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . (3) (6) Mt 26,57 (nom. mv.) .    (4) Mt 27,41 (gen. mv.) .     
afzonderlijk  8 : (1) Mt 26,3 (gen. enk.) . (2) Mt 26,51 (gen. enk.) . (3) Mt 26,57 (acc. enk.) . (4) Mt 26,58 (gen. enk.) . (5) Mt 26,62 (nom. enk.) . (6) Mt 26,63 (nom. enk.) . (7) Mt 26,65 (nom. enk.) . (8) Mt 27,1 (nom. enk.)  16 : (1) Mt 3,7 (gen.) . (2) Mt 9,11 (nom.) . (3) Mt 9,14 (nom.) . (4) Mt 9,34 (nom.) . (5) Mt 12,2 (nom.) . (6) Mt 12,14 (nom.) . (7) Mt 12,24 (nom.) . (8) Mt 15,12 (nom.) . (9) Mt 16,1 (nom.) . (10) Mt 16,6 (gen.) . (11) Mt 16,11 (gen.) . (12) Mt 16,12 (gen.) .  (13) Mt 19,3 (nom.) . (14) Mt 22,15 (nom.) . (15) Mt 22,34 (nom.) . (16) Mt 22,41 (gen.) .   5 : (1) Mt 8,19 (nom. enk.) . (2) Mt 9,3 (gen. mv.) . (3) Mt 13,52 (nom. enk.) . (4) Mt 17,10 (nom. mv.) . (5) Mt 23,34 (acc. mv.) . (1) Mt 15,2 (gen. mv.) .    

 

B

- Betlehem . Verwijzing : Betlehem , zie Mt 2,1 .
Het stadje Betlehem is niet zomaar een stadje . Betlehem is evenals Jeruzalem de stad van David . In Betlehem werd David geboren , in Jeruzalem had hij zijn koningszetel gevestigd , nadat hij de stad op de inheemse bevolking veroverd had . Beide steden hebben dus een zekere relatie met elkaar . Als zoon van David werd Jezus in Betlehem geboren . Later zal Jezus naar Jeruzalem optrekken om er zijn blijde inkomst te vieren .
- Bèthleëm (Betlehem) . In tweeëntwintig verzen in de bijbel . In veertien verzen in het O.T. . In acht verzen in het N.T. : (1) Mt 2,1 . (2) Mt 2,5 . (3) Mt 2,6 . (4) Mt 2,8 . (5) Mt 2,16 . (6) Lc 2,4 . (7) Lc 2,15 . (8) Joh 7,42 .
- bêth lâchèm (Bethlehem) . In elf verzen in de bijbel : (1) Gn 35,19 . (2) Gn 48,7 . (3) Rt 1,19 . (4) 1 S 16,4 . (5) 1 S 17,15 . (6) 1 S 20,28 . (7) 2 S 2,32 . (8) 2 S 23,14 . (9) 2 S 23,24 . (10) 1 Kr 4,4 . (11) Jr 41,17 .
- mibbêth lâchèm (uit Bethlehem) . In negen verzen in de bijbel : (1) Re 17,7 . (2) Re 17,8 . (3) Re 17,9 . (4) Re 19,1 . (5) Re 19,18 . (6) Rt 1,1 . (7) Rt 1,2 . (8) Rt 2,4 . (9) 1 S 17,12 .
- ´èphërâthâh , hiw´ bêth lâchèm (Efrata , dit is Bethlehem) : Gn 35,19 en Gn 48,7 . Efrata komt in zeven verzen in de bijbel voor . (1) Gn 35,16 . (2) Gn 35,19 . (3) Gn 48,7 . (4) Mi 5,1 . (5) 1 Kr 2,19 (Kaleb huwde Efrat en en zij baarde hem Chur) . (6) 1 Kr 2,50 - 1 Kr 2,51 (De zonen van Chur, de eerstgeborene van Efrat waren ... Salma, de vader van Bethlehem) . (7) 1 Kr 4,4 (Dat waren de zonen van Chur, de eerstgeborene van Efrat, de vader van Bethlehem) . Ook nog Rt 4,11 . In de omgeving van Efrata bracht Rachel , de lievelingsvrouw van Jakob, haar tweede zoon Benjamin ter wereld ; zijzelf stierf in het kraambed . Daar werd Rachel ook begraven .

- blasfèmei (hij lastert God) . Indicatief praesens derde persoon enkelvoud van het werkwoord blasfèmeô (godslasterlijke taal spreken , God lasteren) . Verwijzing : blasfèmeô (godslasterlijke taal spreken , God lasteren) , zie Mc 2,7 . In twee verzen in de bijbel : (1) Mc 2,7 . (2) Mt 9,3 . Parallelteksten .

C

- christos (Christus) .

christos (Christus)   bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
nom. christos 118 8 110 8 5 5 15 4 73 0 18 33
voc. christe 1   1 1 0 0 0 0 1 0 1 1
gen. christou 251 11 240 5 2 0 1 11 214 7 7 8
dat. christô(i) 107 5 102 0 0 0 0 0 102 0    
acc. christon 78 14 64 2 0 7 2 10 43 0 9 11
Totaal   554 38 517 16 7 12 18 25 432 7 35 53

christos (Christus)  Met (+) of zonder lidw. (-) . N.T.  Mt  Mc Lc  syn. ev.
nom. christos 110 8 : (1) Mt 1,16 (-) . (2) Mt 2,4 (+) . (3) Mt 16,16 (+) . (4) Mt 16,20 (+) . (5) Mt 23,10 (+) . (6) Mt 24,5 (+) . (7) Mt 24,23 (+) . (8) Mt 27,63 (+) . 5 : (1) Mc 8,29 . (2) Mc 12,35 . (3) Mc 13,21 . (4) Mc 14,61 (+) . (5) Mc 15,32 . 5 : (1) Lc 2,11 (-) . (2) Lc 3,15 (+) . (3) Lc 22,67 (+) . (4) Lc 23,35 (+) . (5) Lc 23,39 (+) . 18 : (1) Mt 16,16 // Mc 8,29 // Lc 9,20 . (2) Mt 24,23 // Mc 13,21 . (3) Mt 27,63 // Mc 14,61 // Lc 22,67 . (4) Mc 15,32 // Lc 23,35 . 33
voc. christe 1 1 : Mt 26,68 . 0 0 1 1
gen. christou 240 5 : (1) Mt 1,1 (-) . (2) Mt 1,17 (+) . (3) Mt 1,18 (+) . (4) Mt 11,2 (+) . (5) Mt 22,42 (+) . 2 : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 9,41 . 0 7 : (1) Mt 22,42 // Mc 12,35 // Lc 20,41 . 8
dat. christô(i) 102 0 0 0    
acc. christon 64 2 : (1) Mt 27,17 (+) . (2) Mt 27,22 (+) . 0 7 : : (1) Lc 2,26 (+) . (2) Lc 4,41 (+) . (3) Lc 9,20 (+) . (4) Lc 20,41 (+) . (5) Lc 23,2 (-) . (6) Lc 24,26 (+) . (7) Lc 24,46 (+) . 9 : 11
Totaal   517 16 7 12 35 53

D

David

dauid (David)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  
  957 903 54 15 7 12 1 10 6 3  

dauid (David) in Mt : (1) Mt 1,1 . (2) Mt 1,6 . (3) Mt 1,17 . (4) Mt 1,20 . (5) Mt 9,27 . (6) Mt 12,3 . (7) Mt 12,23 . (8) Mt 15,22 . (9) Mt 20,30 . (10) Mt 20,31 . (11) Mt 21,9 . (12) Mt 21,15 . (13) Mt 22,42 . (14) Mt 22,43 . (15) Mt 22,45 .
In Mt komt David voor in verband met de genealogie en de afkomst van Jezus (Mt 1) en in verband met Jeruzalem (Mt 20 - Mt 22) . Er resten dan nog vier verzen .
Zoon van David in tien verzen in Mt : (1) Mt 1,1 . (2) Mt 1,20 (Jozef , zoon van David) . (3) Mt 9,27 . (4) Mt 12,23 . (5) Mt 15,22 . (6) Mt 20,30 . (7) Mt 20,31 . (8) Mt 21,9 . (9) Mt 21,15 . (10) Mt 22,42 .

 

- de (echter) . de (echter) . Verwijzing : de (echter) , zie Mt 1,2 . Partikel als tweede woord in de zin . Lichte tegenstelling . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .

de (echter)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk syn.  ev. 
  6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7 1048  1251 

parikel de (echter) Mt 1 Mt 2 Mt 3 Mt 4 Mt 5 Mt 6 Mt 7 Mt 8 Mt 9 Mt 10 Mt 11 Mt 12 Mt 13 Mt 14 Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22 Mt 23 Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28    
  21 11 9 5 12 13 3 16 16 13 5 17 25 19 19 14 11 9 15 13 22 17 13 15 21 31 27 9 421   

In 6210 verzen in de bijbel . In 3754 verzen in het O.T. . In 2456 verzen in het N..T. . Mt (421) . Mc (149) . Lc (478) . Joh (203) . Hnd (490) . Brieven (708) . Apk (7) . In 421 verzen bij Mt . Mt 1 (21) . Mt 2 (11) .
In zes verzen in Mt 2,1-12 : (1) Mt 2,1 . (2) Mt 2,3 . (3) Mt 2,5 . (4) Mt 2,8 . (5) Mt 2,9 . (6) Mt 2,10 . In vijf verzen in Mt 2,13-23 : (1) Mt 2,13 . (2) Mt 2,14 . (3) Mt 2,19 . (4) Mt 2,21 . (5) Mt 2,22 .
In veertien verzen in Mt 16 : (1) Mt 16,2 . (2) Mt 16,3 . (3) Mt 16,6 . (4) Mt 16,7 . (5) Mt 16,8 . (6) Mt 16,11 . (7) Mt 16,13 . (8) Mt 16,14 . (9) Mt 16,15 . (10) Mt 16,16 . (11) Mt 16,17 . (12) Mt 16,18 . (13) Mt 16,23 . (14) Mt 16,26 .
- ho de (hij echter) . Verwijzing : de (echter) , zie Mt 1,2 . In 353 verzen in het N.T. .

E

-

- eiden (hij zag) . Verwijzing : idôn (gezien) , zie Mt 2,16 . Actief aorist derde persoon enkelvoud . In tweeënveertig verzen in het N.T. . In tien verzen bij Matteüs : (1) Mt 3,16 . (2) Mt 4,16 . (3) Mt 4,18 . (4) Mt 4,21 . (5) Mt 8,14 . (6) Mt 9,9 . (7) Mt 14,14 . (8) Mt 20,3 . (9) Mt 22,11 . (10) Mt 26,71 . In zes van de tien verzen is Jezus onderwerp . In vijf verzen bij Marcus : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,16 . (3) Mc 1,19 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 6,34
- idôn (gezien) . Verwijzing : idôn (gezien) , zie Mt 2,16 . Actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud . In 106 verzen in de bijbel . In vijfenveertig verzen in het O.T. . In eenenzestig verzen in het N.T. . In twaalf verzen bij Matteüs : (1) Mt 2,16 . (2) Mt 3,7 . (3) Mt 5,1 . (4) Mt 8,18 . (5) Mt 9,2 . (6) Mt 9,4 . (7) Mt 9,22 . (8) Mt 9,23 . (9) Mt 9,36 . (10) Mt 21,19 . (11) Mt 27,3 . (12) Mt 27,24 . Idôn (gezien) veronderstelt altijd een voorwerp of voorwerpszin . Bij Matteüs komt het in drie verzen voor met een objectzin : (1) Mt 2,16 : Herodes . (2) Mt 27,3 : Judas . (3) Mt 27,24 : Pilatus .

Mt 2,16 : Herodes Mt 27,3 : Judas Mt 27,24 : Pilatus
Tote (toen) Tote (toen)  
Hèrôdès(Herodes) idôn (gezien) idôn (gezien) Ioudas ho paradidous auton (Judas die hem overlevert) idôn de ho Pilatos (Gezien echter Pilatus)
hoti (dat) enepaichthè hupo tôn magôn (dat hij misleid werd door de magiërs) hoti (dat) katekrithè (dat hij werd veroordeeld) hoti ouden ôfelei (dat niets hielp)...
 

brengt de dertig zilverstukken terug

laat een kom water brengen en wast zijn handen in het bijzijn van het volk
  èmarton paradous haima athôion ( ik heb gezondigd. Ik leverde onschuldig bloed uit) athôios eimi apo tou haimatos toutou ( onschuldig ben ik aan dit bloed)
  Mt 27,4 : su opsèi (u ziet maar) humeis opsesthe ( u ziet maar)
12. Vlucht naar Egypte en terugkeer : Mt 2,13-23 - 337. Einde van Judas : Mt 27,3-10 - 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 -

Jezus is in acht verzen het onderwerp , in de andere vier gevallen is het Herodes , Johannes de Doper , Judas en Pilatus . In vier van de acht verzen , waarin Jezus onderwerp is , is een vorm van ochlos (menigte) het lijdend voorwerp . In Mt 5,1 wordt het eerst met betrekking tot Jezus gebruikt en we zien een identieke deelwoordzin : idôn de tous ochlous (gezien echter de menigten) met Mt 9,36 .

Mt 5,1 idôn de tous ochlous (gezien echter de menigten)
Mt 8,18 idôn de ho Ièsous ochlon (gezien echter Jezus een menigte)
Mt 9,23 kai idôn tous aulètas kai ton ochlon (en gezien de fluitspelers en de menigte)
Mt 9,36 idôn de tous ochlous esplagchnisthè peri autôn oti èsan eskulmenoi kai errimmenoi ôsei probata mè echonta poimena (gezien echter de menigten werd hij door medelijden bewogen over hen omdat zij waren vermoeid en afgetobd als schapen die geen herder hebben)

- idontes (gezien) . Verwijzing : idontes (gezien) , zie Mt 2,16 . In drieënzestig verzen in de bijbel . In tweeëntwintig verzen in het O.T. . In eenenveertig verzen in het N.T. . Mt (14) . Mc (5) . Lc (9) . Joh (4) . Hnd (5) . Brieven (4) . In veertien verzen bij Matteüs : (1) Mt 2,10 . (2) Mt 8,34 . (3) Mt 9,8 . (4) Mt 9,11 . (5) Mt 12,2 . (6) Mt 14,26 . (7) Mt 18,31 . (8) Mt 21,15 . (9) Mt 21,20 . (10) Mt 21,32 . (11) Mt 21,38 . (12) Mt 26,8 . (13) Mt 27,54 . (14) Mt 28,17
- kai idontes (en gezien) . Verwijzing : idontes (gezien) , zie Mt 2,16 . In negen verzen in het N.T. : Mt (4) . Mc (1) .Lc (6) . Hnd (1) . In vier verzen bij Mt : (2) Mt 8,34 . (4) Mt 9,11 . (9) Mt 21,20 . (14) Mt 28,17 .

- eis (naar) . Verwijzing : eis (naar) , zie Mt 2,1 . Voorzetsel van richting . In 6930 verzen in de bijbel . In 1594 verzen in het N.T. . In 215 verzen bij Matteüs . (1) Mt 2,1 (2) Mt 2,8 (3) Mt 2,11 (4) Mt 2,12 (5) Mt 2,13 (6) Mt 2,14 (7) Mt 2,20 (8) Mt 2,21 (9) Mt 2,22 (10) Mt 2,23 (11) Mt 3,10* (12) Mt 3,11* (13) Mt 3,12 (14) Mt 4,1 . Bij Marcus in 151 verzen . In 210 verzen bij Lucas . In twaalf verzen in Lc 1 : (1) Lc 1,9 (eis ton naon tou kuriou = naar detempel van de Heer) . (2) Lc 1,20 (tijdsbepaling) . (3) Lc 1,23 (eis ton oikon autou = naar huis) . (4) Lc 1,26 (eis polin tès Galilaias = naar een stad van Galilea) . (5) In 260 verzen in Hnd .

- ekeithen (vandaar) . Verwijzing : ekeithen (vanhier, vandaar) , zie Mt 4,21 en Mc 10,1 . In 157 verzen in de bijbel . In 130 verzen in het O.T. . In zevenentwintig verzen in het N.T. : Mt (12) . Mc (5) . Lc (3) . Joh (2) . Hnd (4) en in Apk 22,2 . Het is meestal de vertaling van het Hebreeuwse misjsjâm (uit : min en sjam) . Misjsjâm (vanaf daar) komt in 103 verzen in Tenach voor .
In twaalf verzen gebruikt Matteüs ekeithen (vandaar) : (1) Mt 4,21 . (2) Mt 5,26 . (3) Mt 9,9 . (4) Mt 9,27 . (5) Mt 11,1 . (6) Mt 12,9 . (7) Mt 12,15 . (8) Mt 13,53 . (9) Mt 14,13 . (10) Mt 15,21 . (11) Mt 15,29 . (12) Mt 19,15 . In acht gevallen is er een participiumzin . Ofwel het participium ofwel het hoofdwerkwoord is een werkwoord van beweging . In twee verzen volgt ekeithen (vandaar) op het hoofdwerkwoord anechôrèsen (hij week uit) : Mt 12,15 en Mt 14,13 . In deze beide gevallen wordt het hoofdwerkwoord voorafgegaan door een participiumzin met een werkwoord zonder beweging . In de zes andere participiumzinnen staat een werkwoord van beweging . Daarbij staat de bepaling van plaats ekeithen (vandaar) . In vijf verzen volgt ekeithen (vandaar) op het participium . In Mt 15,29 staat het onderwerp ho Ièsous (Jezus) tussen het participium en ekeithen (vandaar). Opmerkelijk is ook dat in deze zes participiumzinnen de zin begint met het nevenschikkend voegwoord kai (en) .

1. 2. 3. 4.  5. 6.
Mt 4,21 Mt 5,26 Mt 9,9 Mt 9,27 Mt 11,1 Mt 12,9
Kai (en)   Kai (en) Kai (en)   Kai (en)
probas (vooruitgebaand)   paragôn (langsvoerend) ho Ièsous (Jezus) paragonti (langsvoerend)   metabas (overgegaan)
ekeithen (vandaar)   ekeithen (vandaar) ekeithen (vandaar) tôi Ièsôu (Jezus)   ekeithen (vandaar)
eiden (zag hij) ou mè exelthèis (jullie zullen niet uitgaan)  eiden (zag hij)     èlthen (kwam hij)
  ekeithen (vandaar)          
23. Roeping van de eerste leerlingen : Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22  31. Verzoening en gerecht : Mt 5,25-26 - Lc 12,57-59  68. Roeping van Levi / Matteüs : Mc 2,13-14 - Mt 9,9 - Lc 5,27-28  72. Genezing van twee blinden : Mc 10,46-52 - Mt 20,29-34 - Lc 18,35-43 - Mt 9,27-31  75. Keuze van de twaalf en volmachtsoverdracht : Mt 10,1-4  95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 

 7. 8. 9.  10.  11.  12.  
Mt 12,15 Mt 13,53 Mt 14,13 Mt 15,21 Mt 15,29 Mt 19,15
Ho de Ièsous (Jezus echter)   Akousas de ho Ièsous (Gehoord echter Jezus) Kai (en) Kai (en)  
gnous (geweten)     exelthôn (naar buiten gegaan) metabas (overgegaan)  ho Ièsous (Jezus)  
      ekeithen (vandaar) ho Ièsous (Jezus) ekeithen (vandaar)  
anechôrèsen (week uit)   anechôrèsen (week uit) anechôrèsen (week uit) èlthen (kwam hij) eporeuthè (begaf hij zich op weg) 
ekeithen (vandaar)   ekeithen (vandaar)     ekeithen (vanaf hier)  
96. Volkstoeloop en genezingen : Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a  145. Prediking te Nazaret en verwerping : Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58 - Lc 4,16-30  150. Terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop : Mc 6,30-34 // Mt 14,13-14 // Lc 9,10-11 - Mc 6,30-34 - Mt 14,13-14 -Lc 9,10-11  156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw : Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28  157. Genezing van een doofstomme : Mc 7,31-37 - Mt 15,29-31  267. Jezus ontvangt de kinderen : Mc 10,13-16 - Mt 19,13-15 - Lc 18,15-17   

- elthôn kwam knielen). Verwijzing : èlthon (ik ben of zij zijn gegaan / gekomen) , zie Mt 8,14 . In 14 verzen bij Matteüs : (1) Mt 2,8 . (2) Mt 2,9 . (3) Mt 2,23 . (4) Mt 4,13 . (5) Mt 5,24 . (6) Mt 8,7 . (7) Mt 8,14 . (8) Mt 9,18 . (9) Mt 9,23 . (10) Mt 13,54 . (11) Mt 16,13 . (12) Mt 24,46 . (13) Mt 25,27 . (14) Mt 26,43 .
- elthontes (gekomen) . Verwijzing : elthontes (gegaan, gekomen) , zie Mt 8,14 . Participium aorist nominatief mannelijk meervoud van het werkwoord erchomai (gaan, komen) . Het komt in zesendertig verzen in de bijbel voor . In vijftien verzen in het O.T. . In eenentwintig verzen in het N.T. : Mt (12) . Mc (3) . Lc (0) . Joh (2) . Hnd (4) en in 2 Cor 11,9 . Bij Matteüs : (1) Mt 2,11 . (2) Mt 9,10 . (3) Mt 14,12 . (4) Mt 16,5 . (5) Mt 18,31 . (6) Mt 20,9 . (7) Mt 20,10 . (8) Mt 27,33 . (9) Mt 27,64 . (10) Mt 28,11 . (11) Mt 28,13 . In zeven gevallen komt elthontes in Matteüs-eigen teksten voor . Er resten nog vier verzen. Mt 9,10 is identiek met Mc behalve dat Mt elthontes meer heeft . In Mc vinden we een variante lezing van de tekst in Mt 14,12 . In Mt 16,5 vinden we een participiumzin , die we niet bij Mc en Lc vinden . De participiumzin in Mt 27,33 staat aan het begin van de pericope . In Mc en Lc vinden we varianten van de tekst . In acht gevallen begint de participiumzin met het nevenschikkend voegwoord kai (en) ; in één geval met idou (zie) . Na het participium kan eventueel het onderwerp volgen . Maar daarop volgt dan het hoofdwerkwoord . In vier gevallen volgt op het participium (en eventueel het onderwerp) een bepaling van plaats , ingeleid door het voorzetsel eis (naar) .
We hebben hier dus te maken met een eigen taalgebruik van Matteüs, althans in vergelijking met Marcus en Lucas .

1. elthontes . Tollenaars en zondaars 3. elthontes 5. elthontes 6. elthontes 7. elthontes 9. elthontes 10. elthontes 11. elthontes
Mt 9,10 Mt 14,12 Mt 18,31 Mt 20,9 Mt 20,10 Mt 27,64 Mt 28,11 Mt 28,13
kai idou (+ onderwerp) kai (en) kai (en)  kai (en)  kai (en) mèpote (opdat niet) : voegwoord idou (zie) + onderwerp onderwerp (hoi mathètai autou = zijn leerlingen) + tijdsbepaling
elthontes (gekomen) elthontes elthontes elthontes (en gekomen) + onderwerp elthontes (en gekomen) + onderwerp elthontes hoi mathètai autou (opdat zijn leerlingen hem niet zouden komen) elthontes (gekomen) eis tèn polin (naar de stad) elthontes
sunekeinto (lagen zij aan) (kwamen zij aanliggen) apèggeilan (kwamen zij melden) diesafèsan (kwamen zij vertellen)  + werkwoord  + werkwoord (van mening) klepsôsin (stelen) apèggeilan (zijn naar de stad komen melden) eklepsan (zij kwamen stelen)
69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 - Jezus wandelt op het meer - Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 - 182. Gelijkenis van de onbarmhartige dienaar : Mt 18,23-35 -  272. Gelijkenis van de arbeiders in de wingaard : Mt 20,1-16 -  272. Gelijkenis van de arbeiders in de wingaard : Mt 20,1-16 - 350. Wacht bij het graf : Mt 27,62-66  352. Het omkopen van de wacht : Mt 28,11-15 -  352. Het omkopen van de wacht : Mt 28,11-15 -

- erèmos (woestijn, eenzame plaats) . Verwijzing in N.T. : erèmos (woestijn) . Verwijzing in Mt. : erèmos (woestijn) . Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth (chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn) (39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten) . désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen , aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is verlaten .

  erèmos (woestijn)  Mt bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. enk. erèmos   2 : (1) Mt 14,15 . (2) Mt 23,38 . 32  28  2     1        
3 dat. enk. erèmô(i)  3 : (1) Mt 3,1 . (2) Mt 3,3 . (3) Mt 24,26 . 169  145  24  3 4 3   11  15   
4 acc. enk. erèmon  3 : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 11,7 . (3) Mt 14,13 . 107  94  13  4   1      
  totaal 387  340  47  10  27  32   

 

- ethnos (volk) .

ethnos (volk) bijbel  O.T.  N.T.  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk   
nom. + acc. enk. ethnos 128  113  15  1 : Mt 24,7 .  
gen. enk. ethnous 45  38          2    
dat. enk. ethnei 49  43  1 : Mt 21,43 .       1      
acc. enk.                      
nom. + acc mv. ethnè 339 289 50 4 : (1) Mt 6,32 . (2) Mt 12,21 . (3) Mt 25,32 . (4) Mt 28,19 . 1 3   8 15  
gen. mv. ethnôn 255 213 42 4 : (1) Mt 4,15 . (2) Mt 10,5 . (3) Mt 20,25 . (4) Mt 24,9 . 1 3   11 17  
dat. mv. ethnesin 173 141 32 4 : (1) Mt 10,18 . (2) Mt 12,18 . (3) Mt 20,19 . (4) Mt 24,14 . 2 1   8 15  
acc. mv.                      
Totaal         14               

Een vorm van ethnos (volk) (1) Mt 4,15 (gen. mv) . (2) Mt 6,32 (nom. mv.) . (3) Mt 10,5 (gen. mv.) . (4) Mt 10,18 (dat. mv.) . (5) Mt 12,18 (dat. mv.) . (6) Mt 12,21 (nom. mv.) . (7) Mt 20,19 (dat. mv.) . (8) Mt 20,25 (gen. mv) . (9) Mt 21,43 . (10) Mt 24,7 (nom. enk.) . (11) Mt 24,9 (gen. mv) . (12) Mt 24,14 (dat. mv.) . (13) Mt 25,32 (nom. mv.) . (14) Mt 28,19 (nom. mv.) .    

- to euaggelion tès basileias (het evangelie van het koninkrijk) . In drie verzen in het N.T. : (1) Mt 4,23 . (2) Mt 9,35 . (3) Mt 24,14 . In (1) Mt 4,23 . (2) Mt 9,35 gaat het participium praesens nominatief mannelijk enkelvoud vooraf kèrussôn (verkondigend) . In Mt 24,14 gaat vooreerst het aanwijzend voornaamwoord touto (dit) en vervolgens de werkwoordvorm kèruchthèsetai (en dit evangelie van het koninkrijk zal verkondigd worden) . In de drie verzen gaat een werkwoordvorm van kèrussô (verkondigen) vooraf . Verwijzing : hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) , zie Mt 3,2 .

- exèlthen (hij ging uit) . Verwijzing : èlthon (ik ben of zij zijn gegaan / gekomen) , zie Mt 8,14 . In 289 verzen in de bijbel . In 222 verzen in het O.T. . In zevenenzestig verzen in het N.T. . In acht verzen bij Matteüs : (1) Mt 8,34 . (2) Mt 9,26 . (3) Mt 13,3 . (4) Mt 17,18 . (5) Mt 20,1 . (6) Mt 21,17 .

F

4. Pharisaioi (Farizeeën) . Verwijzing : Farisaioi (Farizeeën) , zie Mt 9,11 .

farisaios Farizeeër) bijbel  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. syn. ev.
nom. enk. farizaios      
gen. enk. farisaiou          
nom. + voc. mv. farizaioi 49 49 21 8 10 9 1   39  48 
gen. mv. farisaiôn 28  28    18  24 
dat. mv. farisaiois          
acc. mv. farisaious        
Totaal   95  95  28  12  27  19  67  86 

In het N.T. komt een vorm van het zelfstandig naamwoord farisaios (Farizeeër) in vijfennegentig verzen voor . Bij Mt komt het in achtentwintig verzen voor of 29,47 % . Het is wel opvallend dat het bij Mt slechts in de nom. + voc. mv. (21) en gen. mv. (7) voorkomt .

farisaios (Farizeeër) Mt , zie Mt 9,11
nom. + voc. mv. farisaioi 21 : (1) Mt 9,11 . (2) Mt 9,14 . (3) Mt 9,34 . (4) Mt 12,2 . (5) Mt 12,14 . (6) Mt 12,24 . (7) Mt 15,1 . (8) Mt 15,12 . (9) Mt 16,1 . (10) Mt 19,3 . (11) Mt 21,45 . (12) Mt 22,15 . (13) Mt 22,34 . (14) Mt 23,2 . (15) Mt 23,13 . (16) Mt 23,15 . (17) Mt 23,23 . (18) Mt 23,25 . (19) Mt 23,27 . (20) Mt 23,29 . (21) Mt 27,62 .
gen. mv. farisaiôn 7 : (1) Mt 3,7 . (2) Mt 5,20 . (3) Mt 12,38 . (4) Mt 16,6 . (5) Mt 16,11 . (6) Mt 16,12 . (7) Mt 22,41 .

Een vorm van farisaios (Farizeeër) : nom. , voc. + gen. mv. 28 : (1) Mt 3,7 (gen.) . (2) Mt 5,20 (gen.) . (3) Mt 9,11 (nom.) . (4) Mt 9,14 (nom.) . (5) Mt 9,34 (nom.) . (6) Mt 12,2 (nom.) . (7) Mt 12,14 (nom.) . (8) Mt 12,24 (nom.) . (9) Mt 12,38 (gen.) . (10) Mt 15,1 (nom.) . (11) Mt 15,12 (nom.) . (12) Mt 16,1 (nom.) . (13) Mt 16,6 (gen.) . (14) Mt 16,11 (gen.) . (15) Mt 16,12 (gen.) .  (16) Mt 19,3 (nom.) . (17) Mt 21,45 (nom.) . (18) Mt 22,15 (nom.) . (19) Mt 22,34 (nom.) . (20) Mt 22,41 (gen.) . (21) Mt 23,2 (nom.) . (22) Mt 23,13 (voc.) . (23) Mt 23,15 (voc.) . (24) Mt 23,23 (voc.) . (25) Mt 23,25 (voc.) . (26) Mt 23,27 (voc.) . (27) Mt 23,29 (voc.) . (28) Mt 27,62 (nom.) .

nom. + voc. mv. farisaioi 21 : (1) Mt 9,11 . (2) Mt 9,14 . (3) Mt 9,34 . (4) Mt 12,2 . (5) Mt 12,14 . (6) Mt 12,24 . (7) Mt 15,1 . (8) Mt 15,12 . (9) Mt 16,1 . (10) Mt 19,3 . (11) Mt 21,45 . (12) Mt 22,15 . (13) Mt 22,34 . (14) Mt 23,2 . (15) Mt 23,13 . (16) Mt 23,15 . (17) Mt 23,23 . (18) Mt 23,25 . (19) Mt 23,27 . (20) Mt 23,29 . (21) Mt 27,62 .
deelw. + de + hoi farisaioi 1 : (5) Mt 12,14 .
hoi (...) farisaioi 13 : (1) Mt 9,11 . (2) Mt 9,14 . (3) Mt 9,34 . (4) Mt 12,2 . (5) Mt 12,14 . (6) Mt 12,24 . (8) Mt 15,12 . (9) Mt 16,1 . (11) Mt 21,45 . (12) Mt 22,15 . (13) Mt 22,34 . (14) Mt 23,2 . (21) Mt 27,62 .
hoi de farisaioi 4 : (3) Mt 9,34 . (4) Mt 12,2 . (6) Mt 12,24 . (13) Mt 22,34 .
hoi de farisaioi + deelw. 3 : (4) Mt 12,2 . (6) Mt 12,24 . (13) Mt 22,34 .
hoi farisaioi 9 : : (1) Mt 9,11 . (2) Mt 9,14 . (5) Mt 12,14 . (8) Mt 15,12 . (9) Mt 16,1 . (11) Mt 21,45 . (12) Mt 22,15 . (14) Mt 23,2 . (21) Mt 27,62 .
hoi farisaioi + deelw. 1 : (8) Mt 15,12 .
kai hoi farisaioi 5 : : (3) Mt 9,34 . (4) Mt 12,2 . (6) Mt 12,24 . (13) Mt 22,34 . (21) Mt 27,62 .
kai + deelw. + hoi farisaioi 3 : (1) Mt 9,11 . (9) Mt 16,1 . (11) Mt 21,45 . (tote i.p.v. kai : (12) Mt 22,15 .

1. 9. 2. 3. 4. 5. 6.
Mt 9,11 Mt 16,1 Mt 9,14 Mt 9,34 Mt 12,2 Mt 12,14 Mt 12,24
kai (en) kai (en) dia tí (waarom)        
idontes (gezien) hoi Pharisaioi (de Farizeeën) proselthontes (naderbijgekomen) hoi Pharisaioi kai Saddukaioi (de Farizeeën en Sadduceeën) peirazontes (op de proef stellend) hèmeis kai hoi Pharisaioi (wij en de Farizeeën)  hoi de Pharisaioi (De Farizeeën echter)  hoi de Pharisaioi (De Farizeeën echter) idontes (gezien)  exelthontes de (naar buiten gegaan echter) hoi Pharisaioi (de Farizeeën) hoi de Pharisaioi (De Farizeeën echter) akousantes (gehoord) 
             
elegon (zeiden) epèrôtèsan auton (vroegen hem) nèsteuomen (vasten) elegon (zeiden) eipan autôi (zeiden hem) sumboulion elabon (namen het besluit) eipon (zeiden)
 69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 - 159. Vraag om een teken uit de hemel : Mc 8,11-13 - Mt 16,1-4 - Mt 12,38-42 70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe : Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 73. Genezing van een stomme bezetene : Mt 9,32-34 - Mt 12,22-23 - Mc 3,22-27 - Lc 11,14 94. Aren uittrekken op sabbat : Mc 2,23-28 - Mt 12,1-8 - Lc 6,1-5 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 118. De Beëlzebubcontroverse : Mc 3,22-27 - Mt 12,24-30 - Lc 11,15-23

7. 8. 9. 10.
Mt 15,1 Mt 15,12 Mt 16,1 Mt 19,3
Tote (Daarop)   kai (en) kai (en)
  hoi Pharisaioi (de Farizeeën) akousantes (gehoord) ton logon (het woord)  proselthontes (naderbijgekomen) hoi Pharisaioi kai Saddukaioi (de Farizeeën en Sadduceeën) peirazontes (op de proef stellend) prosèlthon autôi (naderden hem) Pharisaioi (Farizeeën) peirazontes auton (hem op de proef stellend)
proserchontai tôi Ièsou (komen naderbij Jezus) apo Hierosolumôn Farisaioi kai grammateis (vanuit Jeruzalem) (Fazrizeeën en schriftgeleerden) legontes (zeggende) eskandalisthèsan (werden geschandaliseerd) epèrôtèsan auton (vroegen hem) kai legontes (en zeggende)
154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 159. Vraag om een teken uit de hemel : Mc 8,11-13 - Mt 16,1-4 - Mt 12,38-42 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9

11. 12. 13. 14. 21.  
Mt 21,45 Mt 22,15 Mt 22,34 Mt 23,2 Mt 27,62 Mt 12,38
kai (en) Tote (daarop)       Tote (Daarop)
akousantes (gehoord) poreuthentes (zich op weg begeven)       apekrithèsan autôi (antwoordden hem)
hoi archiereis kai hoi Pharisaioi (de hogepriesters en de Farizeeën) ... hoi Pharisaioi (de Farizeeën) hoi de Pharisaioi (De Farizeeën echter) akouontes (gehoord) ...     tines tôn grammateôn kai Pharisaiôn (sommige schriftgeleerden en Farizeeën)
egnôsan (wisten) sumboulion elabon (namen het besluit) sunèchthèsan epi to auto (verzamelden bij elkaar) ekathisan (zijn gezeten) hoi grammateis kai hoi Pharisaioi (de schriftgeleerden en de Farizeeën) sunèchthèsan (verzamelden) hoi archiereis kai hoi Pharisaioi (de hogepriesters en de Farizeeën) ... legontes (zeggende)
 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers : Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 - 291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer : Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 293. Vraag naar het eerste gebod : Mc 12,28-34 - Mt 22,34-40 - Lc 20,39-40 295. Aanklacht tegen schriftgeleerden en Farizeeën : Mc 12,37b-40 - Mt 23,1-12 - Lc 20,45-47 350. Wacht bij het graf : Mt 27,62-66 121. Het teken van Jona : Mt 12,38-42 - Lc 11,29-32 -

Farizeeën en schriftgeleerden

Een vorm van   Mt 5 Mt 12 Mt 15 Mt 23
archiereus (hogepriester)         

farisaios (Farizeeër) : nom. + gen. mv. 

(2) Mt 5,20 (gen.) .  (6) Mt 12,2 (nom.) . (7) Mt 12,14 (nom.) . (8) Mt 12,24 (nom.) . (9) Mt 12,38 (gen.) .  (10) Mt 15,1 (nom.) . (11) Mt 15,12 (nom.) .  (21) Mt 23,2 (nom.) . (22) Mt 23,13 (nom.) . (23) Mt 23,15 (nom.) . (24) Mt 23,23 (nom.) . (25) Mt 23,25 (nom.) . (26) Mt 23,27 (nom.) . (27) Mt 23,29 (nom.) . 
grammateus (schriftgeleerde) .   (2) Mt 5,20 (gen. mv.) .   (6) Mt 12,38 (gen. mv.) .  (8) Mt 15,1 (nom. mv.) .  (13) Mt 23,2 (nom. mv.) . (14) Mt 23,13 (voc. mv.) . (15) Mt 23,15 (voc. mv.) . (16) Mt 23,23 (voc. mv.) . (17) Mt 23,25 (voc. mv.) . (18) Mt 23,27 (voc. mv.) . (19) Mt 23,29 (voc. mv.) . (20) Mt 23,34 (acc. mv.) .  
presbuteros (oudere)   (1) Mt 5,20 (gen. mv.) .    (1) Mt 12,38 (gen. mv.) .   (1) Mt 15,1 (nom. mv.) .  7 : (1) Mt 23,2 (nom. mv.) . (2) Mt 23,13 (voc. mv.) . (3) Mt 23,15 (voc. mv.) . (4) Mt 23,23 (voc. mv.) . (5) Mt 23,25 (voc. mv.) . (6) Mt 23,27 (voc. mv.) . (7) Mt 23,29 (voc. mv.) . 

Buiten de wee-rede (Mt 23) worden de Farizeeën en schriftgeleerden nog in drie verzen vermeld . Ze treden slechts éénmaal samen op (Mt 15,1) . Op hun vraag om een teken geeft Jezus geen ander teken dan dat van Jona .

G

- Gennèsaret (Genezaret) . In drie verzen in de bijbel : (1) Mt 14,34 . (2) Mc 6,53 . (3) Lc 5,1 . In Mt en Mc : eis Gennèsaret (naar Genezaret) .

- gennèthentos . Passief aorist genitief mannelijk meervoud . In deze vorm slechts in Mt 2,1 .
- gennaomai (geboren worden) . Verwijzing : gennaomai (geboren worden) , zie Mt 2,1 . Verwijzing : genesis , zie Mt 1,1 .

- grammateus (schriftgeleerde) .

grammateus (schriftgeleerde) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk   
nom. + voc. enk. grammateus 29 24 5 2 1     1 1    
gen. enk. grammateôs 11 11                  
dat. enk. grammatei 5 5                  
acc. enk. grammatea 9 9                  
nom. + voc. + acc. mv. grammateis 61 22 39 14 11 11 1 2      
gen. mv. grammateôn 20 3 17 5 8 3   1      
dat. mv. grammateusin 5 3 2 1 1            
Totaal   140 77 63 22 21 14 1 3 1    

In het N.T. komt een vorm van het zelfstandig naamwoord grammateus (schriftgeleerde) in drieënzestig verzen voor . Bij Matteüs is dat in tweeëntwintig verzen of 34,92 % . Voor bijna 2/3 is het een nom. of acc. mv.

grammateus (schriftgeleerde) Mt   
nom. + voc. enk. grammateus 2 : (1) Mt 8,19 . (2) Mt 13,52 .  
nom. + voc. + acc. mv. grammateis 14 : (1) Mt 2,4 . (2) Mt 7,29 . (3) Mt 15,1 . (4) Mt 17,10 . (5) Mt 21,15 . (6) Mt 23,2 . (7) Mt 23,13 . (8) Mt 23,15 . (9) Mt 23,23 . (10) Mt 23,25 . (11) Mt 23,27 . (12) Mt 23,29 . (13) Mt 23,34 . (14) Mt 26,57 .  
gen. mv. grammateôn 5 : (1) Mt 5,20 . (2) Mt 9,3 . (3) Mt 12,38 . (4) Mt 16,21 . (5) Mt 27,41 .  
dat. mv. grammateusin 1 : Mt 20,18 .  
Totaal   22  

Een vorm van grammateus (schriftgeleerde) .  (1) Mt 2,4 (acc. mv) . (2) Mt 5,20 (gen. mv.) . (3) Mt 7,29 (nom. mv.) . (4) Mt 8,19 (nom. enk.) . (5) Mt 9,3 (gen. mv.) . (6) Mt 12,38 (gen. mv.) . (7) Mt 13,52 (nom. enk.) . (8) Mt 15,1 (nom. mv.) . (9) Mt 16,21 (gen. mv.) . (10) Mt 17,10 (nom. mv.) . (11) Mt 20,18 (dat. mv.) . (12) Mt 21,15 (nom. mv.) . (13) Mt 23,2 (nom. mv.) . (14) Mt 23,13 (voc. mv.) . (15) Mt 23,15 (voc. mv.) . (16) Mt 23,23 (voc. mv.) . (17) Mt 23,25 (voc. mv.) . (18) Mt 23,27 (voc. mv.) . (19) Mt 23,29 (voc. mv.) . (20) Mt 23,34 (acc. mv.) . (21) Mt 26,57 (nom. mv.) . (22) Mt 27,41 (nom. mv.) .  

De schriftgeleerden zijn erbij wanneer Jezus voor het eerst in de tempel in Jeruzalem optreedt (Mt 21,15) . Tegen hen spreekt Jezus weeklachten uit (Mt 23) . Ze zijn erbij wanneer het sanhedrin samenkomt om een oordeel over Jezus te vellen en staan onder het kruis om Jezus te bespotten .

H

- Hierosoluma (Jeruzalem) . Verwijzing : Hierosoluma (Jeruzalem) , zie Mt 2,1 . Het komt voor in drieënvijftig verzen in de bijbel . In zestien verzen van het O.T. . In zevenendertig verzen in het N.T. . Mt (9) . Mc (7) . Lc (3) . Joh (4) . Hnd (11) . In negen verzen bij Matteüs : (1) Mt 2,1 . (2) Mt 2,3 . (3) Mt 3,5 . (4) Mt 5,35 . (5) Mt 16,21 . (6) Mt 20,17 . (7) Mt 20,18 . (8) Mt 21,1 . (9) Mt 21,10 .
- en Hierosolumois (in Jeruzalem) . Verwijzing : Hierosoluma (Jeruzalem) , zie Mt 2,1 . In Hnd 25,24 en te Hierosolumois . In tien verzen in het N.T. . Lc (1) . Joh (3) . Hnd (6) : (1) Hnd 8,1 . (2) Hnd 8,14 . (3) Hnd 11,22 . (4) Hnd 25,24 . (5) Hnd 26,4 . (6) Hnd 26,10 .
- Hierousalèm (Jeruzalem) . In 767 verzen in de bijbel . In 693 verzen in het O.T. . In zesenzeventig verzen in het N.T. . In één vers bij Matteüs . Niet bij Marcus . In zesentwintig verzen bij Lucas : (1) Lc 2,25 . (2) Lc 2,38 . (3) Lc 2,41 . (4) Lc 2,43 . (5) Lc 2,45 . (6) Lc 4,9 . (7) Lc 5,17 . (8) Lc 6,17 . (9) Lc 9,31 . (10) Lc 9,51 . (11) Lc 9,53 . (12) . In zesendertig verzen in Hnd : (1) Hnd 1,8 . (2) Hnd 1,12 . (3) Hnd 1,19 . (4) Hnd 2,5 . (5) Hnd 2,14 . (6) Hnd 4,5 . (7) Hnd 4,16 . (8) Hnd 5,16 . (9) Hnd 5,28 . (10) Hnd 6,7 . (11) Hnd 8,26 . (12) Hnd 8,27 . (13) Hnd 9,2 . (14) Hnd 9,13 . (15) Hnd 9,21 . (16) Hnd 9,26 . (17) Hnd 9,28 . (18) Hnd 10,39 . (19) Hnd 11,2 . (20) Hnd 11,22 . (21) Hnd 12,25 . (22) Hnd 13,27 . (23) Hnd 13,31 . (24) Hnd 15,2 . (25) Hnd 15,4 . (26) Hnd 20,22 . (27) Hnd 21,11 . (28) Hnd 21,12 . (29) Hnd 21,13 . (30) Hnd 21,31 . (31) Hnd 22,5 . (32) Hnd 22,17 . (33) Hnd 22,18 . (34) Hnd 23,11 . (35) Hnd 24,11 . (36) Hnd 25,3 .

1. Wijzen 2. Herodes en heel Jeruzalem 3. Jeruzalem naar Johannes de Doper 4. bergrede 9.
Mt 2,1 Mt 2,3 Mt 3,5 Mt 5,35 Mt 21,10
 idou magoi apo anatolôn paregenonto (zie magiërs uit het oosten verschenen)       kai eiselthontes autou (en toen hij binnengekomen was
eis Hierosoluma (naar Jeruzalem)   Hierosoluma eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) eis Hierosoluma (naar Jeruzalem)
  ho basilieus Hèrôdès etarachthè kai pasa hè Hierosoluma met'autou (koning Herodes werd beroerd en heel Jeruzalem met hem     eseisthè pasa hè polis (werd de hele stad beroerd)
11. Huldiging van de magiërs : Mt 2,1-12 - 11. Huldiging van de magiërs : Mt 2,1-12 - 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - 35. Eed : Mt 5,33-37 - 281. Jezus gaat Jerzalem binnen : Mc 11,11 - Mt 21,1-11 -

5. Jezus 6. Jezus 7. Jezus en zijn leerlingen 8. Jezus en zijn leerlingen
Mt 16,21 Mt 20,17 Mt 20,18 Mt 21,1
hoti dei auton (dat hij moet kai anabainôn ho Ièsous (en Jezus opklimmend) idou anabainômen (zie wij klimmen op) kai hote èggisen (en toen zij naderbij kwamen
eis Hierosoluma apelthein (naar Jeruzalem gaan)   eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) eis Hierosoluma (naar Jeruzalem)
163. Eerste lijdensvoorspelling : Mc 8,31-32 - Mt 16,21 - Lc 9,22 - 273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 - 273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 - 281. Jezus gaat Jerzalem binnen : Mc 11,11 - Mt 21,1-11 -

- hoi (de) . Verwijzing : lidwoord , zie Mt 28,18 . Bepaald lidwoord nominatief mannelijk meervoud . Bijbel (4230) . O.T. (3257) . N.T. (973) . Mt (196) . Mc (101) . Lc (165) . Joh (125) . Brieven (316) . Apk (70) . In 196 verzen bij Mt , zie Mt 2,5 . Mt 1 (0) . Mt 2 (3) . Mt 3 (1) . Mt 4 (3) . Mt 5 (11) . Mt 6 (4) . Mt 7 (8) . Mt 8 (6) . Mt 9 (13) . Mt 10 (3) . Mt 11 (3) . Mt 12 (13) . Mt 13 (10) . Mt 14 (9) . Mt 15 (7) . Mt 16 (5) . Mt 17 (7) . Mt 18 (3) . Mt 19 (5) . Mt 20 (10) . Mt 21 (13) . Mt 22 (10) . Mt 23 (3) . Mt 24 (7) . Mt 25 (5) . Mt 26 (14). Mt 27 (15) . Mt 28 (5) . In dertien verzen in Mt 9 : (1) Mt 9,8 . (2) Mt 9,11 . (3) Mt 9,12 . (4) Mt 9,14 . (5) Mt 9,15 . (6) Mt 9,17 . (7) Mt 9,19 . (8) Mt 9,28 . (9) Mt 9,30 . (10) Mt 9,31 . (11) Mt 9,33 . (12) Mt 9,34 . (13) Mt 9,37 .

- homoios (gelijkend op) - homoiô (vergelijken) .


homoios (gelijkend op) bijbel  O.T.  N.T.  Mt   
nom. m. enk. homoios 40 30 10 1 : Mt 13,52  
nom. + dat vr. enk , nom + acc. onz. mv. .homoia(i) 34 18 16 8 : (1) Mt 11,26 . (2)  Mt 13,31 . (3) Mt 13,33 . (4) Mt 13,44 . (5) Mt 13,45 . (6) Mt 13,47 . (7) Mt 20,1 . (8) Mt 22,39  

 


homoiô (vergelijken) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  
ind. fut. 1ste p. enk. homoiôsô 5 1 4 1   3          
fut.ind. 1ste p. mv. homoiôsômen 1   1   1            
pass. aor. 3de p. enk. hômoiôthè   11 8 3 3              
pass. fut. 3de p. enk. homoiôthèsetai 8 5 3 3              
pass. imperat. 2de p. mv. homoiôthète 1   1 1              
inf. pass. aor. homoiôthènai   1   1           1    
part. aor. nom. m. . mv. homoiôthentes 1   1           1    
Er zijn nog andere vormen                      
Totaal (bij benadering)   28  14  14         

homoiô (vergelijken) in Mt Mt
ind. fut. 1ste p. enk. homoiôsô 1 : Mt 11,16 .
pass. aor. 3de p. enk. hômoiôthè   3 : (1) Mt 13,24 . (2) Mt 18,23 . (3) Mt 22,2 .
pass. fut. 3de p. enk. homoiôthèsetai 3 : (1) Mt 7,24 . (2) Mt 7,26 . (3) Mt 25,1 .
pass. imperat. 2de p. mv. homoiôthète 1 : Mt 6,8

- homoia (vergelijkbaar) .
(1) Mt 11,26 : Tini de homoiôsô tèn genean tautèn ; (Waarmee echter zal ik dit geslacht vergelijken?) Homoia estin... het is vergelijkbaar met ... .
(8) Mt 22,39 deutera de homoia autèi (het tweede is vergelijkbaar met dit) .
In zes plaatsen is hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) onderwerp .

hômoiôthè . 1. homoia . 2. homoia . 3.   hômoiôthè . 2. hômoiôthè . 3. homoia . 4. homoia . 5. homoia . 6. homoia . 7.
Mt 13,24 Mt 13,31 Mt 13,33  Mt 21,33 Mt 18,23    Mt 22,2 Mt 13,44 Mt 13,45   Mt 13,47   Mt 20,1
Allèn parabolèn (Een andere parabel) Allèn parabolèn (Een andere parabel) Allèn parabolèn (Een andere parabel)  Allèn parabolèn (Naar een andere parabel)  dia touto (daarom)      palin (opnieuw)  palin (opnieuw)  
parethèken (voegde hij toe) autois (hen) legôn (zeggend) parethèken (voegde hij toe) autois (hen) legôn (zeggend)  elalèsen (sprak hij) autois (hen)  akousate (luistert)            
hômoiôthè (werd vergeleken) homoia estin (vergelijkbaar is) homoia estin (vergelijkbaar is)   hômoiôthè (werd vergeleken) hômoiôthè (werd vergeleken) homoia estin (vergelijkbaar is) homoia estin (vergelijkbaar is) homoia estin (vergelijkbaar is) homoia gar estin (want vergelijkbaar is)
hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen)  hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen)  hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen)   hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen)  hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen)  hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen)  hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen)  hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen)
anthrôpôi speiranti (met een zaaier) kokkôi sinapeôs (mostaardzaadje) zumèi (zuurdesem)  anthrôpos èn oikodespotès (er was een huisheer)  anthrôpôi basilei (met een koning)   thèsaurôi (met een schat) kekrummenôi en tôi agrôi (verborgen in de akker) anthrôpôi emporôi (met een handelaar) sagènèi (met een net)  anthrôpôi oikodespotèi (met een huisheer)
  hon labôn qnthrôpos espeiren en tôi agrôi autou (dat een man genomen, op zijn akker zaaide) hèn labousa gunè enekrupsen (dat een vrouw genomen, verborg) hostis efeutusen (die plantte) hos èthelèsen (die wilde)   hon heurôn anthrôpos ekrupsen (dat een man gevonden, verborg)     hostis exèlthen (die uitging)
133. Gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe : Mt 13,24-30  134. Gelijkenis van het mosterdzaad : Mc 4,30-32 - Mt 13,31-32 - Lc 13,18-19  135. Gelijkenis van het zuurdeeg : Lc 13,20-21 - Mt 13,33  289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers : Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19  182. Gelijkenis van de onbarmhartige dienaar : Mt 18,23-35  290. Gelijkenis van het koninklijke bruilofts-maal : Mt 22,1-14 - Lc 14,15-24  138. Gelijkenis van de schat en de parel : Mt 13,44-46  138. Gelijkenis van de schat en de parel : Mt 13,44-46 139. Gelijkenis van het visnet : Mt 13,47-50  272. Gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard : Mt 20,1-16

homoiôthèsetai 1. homoiôthèsetai 2. homoiôthèsetai 3. homoios 1.
Mt 25,1 Mt 7,24 Mt 7,26 Mt 13,52
Tote Pas oun (Al wie derhalve) kai pas (en al wie) dia touto pas grammateus... (daarom is elke schriftgeleerde)
homoiôthèsetai (zal vergeleken worden) homoiôthèsetai (zal vergeleken worden) homoiôthèsetai (zal vergeleken worden) homoios estin (vergelijkbaar)
hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen)      
deka parthenois (met tien maagden) andri fronimôi (met een wijs man) andri môrôi (met een dwaas man) anthrôpôi oikodespotèi (met een huisheer)
haitines labousai tas lampadas heautôn exèlthon (die hun lampen genomen) uittrokken hostis ôikodomèsen (die bouwde) hostis ôikodomèsen (die bouwde) hostis ekballei (die uitwerpt - uithaalt)
       

 

hagios (heilig) Mt  Mc   Lc  syn. ev.
nom. m. enk. hagios   1 : Mc 1,24 . 1 : Lc 4,34 . 2 : (1) Mc 1,24 // Lc 4,34 . 3
nom. + acc. onz. enk. hagion 1 : Mt 7,6 . 3 : (1) Mc 3,29 . (2) Mc 6,20 . (3) Mc 13,11 . 8 : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,49 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 2,25 . (5) Lc 3,22 . (6) Lc 11,13 . (7) Lc 12,10 . (8) Lc 12,12 . 12 : (1) Mt 12,32 // Mc 3,29 // Lc 12,10 . 14
gen. mann. enk. hagiou 4 : (1) Mt 1,18 . (2) Mt 1,20 . (3) Mt 12,32 . (4) Mt 28,19 .   5 : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,67 . (4) Lc 2,26 . (5) Lc 4,1 . 9 9
gen. vr. enk. + acc. vr. mv. hagias     1 : Lc 1,72 .  
dat. m. + onz. enk. hagiô(i) 2 : (1) Mt 3,11 . (2) Mt 24,15 . 2 : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 12,36 . 2 : (1) Lc 3,16 . (2) Lc 10,21 . 6 : (1) Mt 3,11 // Mc 1,8 // Lc 3,16 . 7
gen. m. + vr. + onz. mv. hagiôn 1 : Mt 27,52 . 1 : Mc 8,38 . 2 : (1) Lc 1,70 . (2) Lc 9,26 . 4 : (1) Mc 8,38 // Lc 9,26 . 4
Totaal   8 7 19 34 37

Een vorm van hagios (heilig) in Mc   (1) Mc 1,8 (voorzetsel en = met + dat. mann. enk. hagiôi in : pneumati hagiôi = met heilige geest) . (2) Mc 1,24 (nom. mann. enk. hagios : in : ho hagios tou theou = de heilige van God) . (3) Mc 3,29 (voorzetsel eis + acc. onz. enk hagion in : eis to pneuma to hagion = tegen de heilige geest.) . (4) Mc 6,20 (acc. mann. enk. hagion in : andra dikaion kai hagion = een rechtvaardig en heilig man) . (5) Mc 8,38 (gen. mann. mv. hagiôn in : meta tôn aggelôn tôn hagiôn = met de heilige engelen) . (6) Mc 12,36 (dat. mann. enk. hagiôi in : en tôi pneumati tôi hagiôi = door de heilige geest) .  (7) Mc 13,11 (nom. onz. enk. hagion in : to pneuma to hagion = de heilige geest) .  

- horos (berg) .

horos (berg) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn.  ev.
nom. + acc. enk. horos 196 168 28 8 6 6 3   1

20 

23
gen. enk. horous 127 115 12 4 1 3   2 2  
dat. enk. horei 116 105 11 2 2 1 2 1 3  
nom. + acc. mv. horè 108 101 7 2 1 1     1 4
gen. mv. horôn 66 65 1                
dat. mv. horesin 29 25 4   1 1     1
Totaal   642 579 63 16 11 12 5 3 8 8 39  44 

horos (berg) N.T.  Mt  Mc   Lc  syn.   
nom. + acc. enk. horos 28 8 : (1) Mt 4,8 . (2) Mt 5,1 . (3) Mt 14,23 . (4) Mt 15,29 . (5) Mt 17,1 . (6) Mt 21,1 . (7) Mt 26,30 . (8) Mt 28,16 . 6 : (1) Mc 3,13 . (2) Mc 6,46 . (3) Mc 9,2 . (4) Mc 11,1 . (5) Mc 13,3 . (6) Mc 14,26 . 6 : (1) Lc 3,5 . (2) Lc 6,12 . (3) Lc 9,28 . (4) Lc 19,29 . (5) Lc 21,37 . (6) Lc 22,39 .

20 : (1) Mt 5,1 // Mc 3,13 // Lc 6,12 . (2) Mt 14,23 // Mc 6,46 . (3) Mt 17,1 // Mc 9,2 // Lc 19,29 . (4) Mt 21,1 // Mc 11,1 // Lc 19,28 . (5) Mt 26,30 // Mc 14,26 // Lc 22,39 .

 
gen. enk. horous 12 4 : (1) Mt 5,14 . (2) Mt 8,1 . (3) Mt 17,9 . (4) Mt 24,3 . 1 : Mc 9,9 . 3 : (1) Lc 4,29 . (2) Lc 9,37 . (3) Lc 19,37 . 8 : (1) Mt 8,1 // Mt 17,9 // Mc 9,9 // Lc 9,37 . (2) Mt 24,3 // Mc 13,3 .  
dat. enk. horei 11 2 : (1) Mt 17,20 . (2) Mt 21,21 . 2 : (1) . (2) Mc 11,23 . 1 : Mc 5,11 . 5 : (1) Mt 17,20 // Mt 21,21 // Mc 11,23 .  
nom. + acc. mv. horè 7 2 : (1) Mt 18,12 . (2) Mt 24,16 . 1 : Mc 13,14 . 1 : Lc 21,21 . 4 : (1) Mt 24,16 // Mc 13,14 // Lc 21,21 .  
dat. mv. horesin 4   1 : Mc 5,5 . 1 : Lc 23,30 .  
Totaal   63 16 11 12 39   

eis (to) horos (naar de berg) . In acht verzen bij Matteüs : (1) Mt 4,8 . (2) Mt 5,1 . (3) Mt 14,23 . (4) Mt 15,29 . (5) Mt 17,1 - Mt 17,2 . (6) Mt 21,1 . (7) Mt 26,30 . (8) Mt 28,16 . In deze acht verzen staat het voorzetsel van plaats (eis = naar) vóór het zelfstandig naamwoord horos (berg) . Tussen het voorzetsel en het zelfstandig naamwoord staat het bepaald lidwoord tenzij horos (berg) wordt gevolgd door een bijvoeglijk naamwoord (Mt 4,7 en Mt 17,1) . In zes van de acht verzen is Jezus onderwerp van de zin .
De berg is de plaats van de Godsontmoeting . Ook wanneer de tegenstander (diabolos - duivel) Jezus naar de hoge berg voert . De hoge berg is de berg van Mozes waar God zijn verbond met zijn volk sloot en aan Mozes de twee stenen tafels gaf . De hoge berg is ook de plaats waar Jezus van gedaante veranderde , een voorsmaakje van de verrezen Jezus . Het is de berg vanwaar Jezus zijn leerlingen zendt om hen te leren onderhouden alles wat hij opgedragen heeft .

1. de duivel 2. Jezus 3. Jezus 4. 5. 6.   7. 8.  de elf leerlingen
Mt 4,8 Mt 5,1 Mt 14,23 Mt 15,29 Mt 17,1 - Mt 17,2 Mt 21,1 Mt 24,3 Mt 26,30 Mt 28,16
palin (opnieuw)     kai (en) kai ... (en) kai (en)...   kai (en ) Hoi de endeka mathètai (De elf leerlingen echter)
paralambanei (neemt bij zich) auton (hem) ho diabolos (de duivel) anebè (hij klom omhoog) anebè (hij klom omhoog) anabas (opgeklommen) paralambanei (neemt bij zich) ... kai anaferei autous (en hij voert hen omhoog) èlthon ( zij kwamen)... kathèmenou de autou epi orous tôn Helaiôn (terwijl hij echter zich op de Olijfberg neerzet) exèlthon ( zij gingen naar buiten) eporeuthèsan (gingen op weg)
eis horos hupsèlon lian (naar een zeer hoge berg) eis to horos (naar de berg) eis to horos (naar de berg)  kat'idian (op zichzelf) eis to horos (naar de berg) eis horos hupsèlon (naar een hoge berg)  kat'idian (op zichzelf) eis to horos tôn Helaiôn (naar de Olijfberg)   eis to horos (naar de berg)  ... eis to horos (naar de berg)
  kai kathisantos autou (en nadat hij zich had neergezet)   ekathèto ekei (zette hij zich naar)          
  prosèlthan autôi hoi mathètai autou (kwamen zijn leerlingen bij hem)         prosèlthan autôi hoi mathètai autou (kwamen deleerlingen bij hem) kat'idian (afzonderlijk)    
 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -  24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 - 152. Jezus wandelt op het meer - Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33  157. Genezing van een doofstomme : Mc 7,31-37 - Mt 15,29-31 -  168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 -  281. Jezus gaat Jerzalem binnen : Mc 11,11 - Mt 21,1-11 - 299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 -  328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening : Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -  353. Verschijning aan de elf in Galilea :Mt 28,16-20 -

huios : zoon .

huios (zoon)  enk. bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
nom. enk. huios 885 732 153 42 19 39 26 6 19 2 100 126
voc. enk. huie 149 140 9 1 3 3   1 1   7 7
gen. enk. huiou 343 308 35 8 1 4 3   19   13 16
dat. enk. huiôi  109 95 14 3   1 5   5   4 9
acc. enk. huion 365 285 80 15 6 15 17 3 21 3 36 53
totaal 1851 1560 291 69 29 62 51 10 65 5 160 211

 

huios tou anthrôpou (mensenzoon) N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd syn.  ev. 
nom. enk. huios tou anthrôpou 52 22 9 16 5   47 52
gen. enk. huiou tou anthrôpou 10      10 
dat. enk. huiôi tou anthrôpou        
acc. enk. huion tou anthrôpou 19  13  18 
totaal 82  31  13  26  11  70  81 


huios Dauid (zoon van David) N.T. Mt Mc Lc syn.  ev. 
nom. enk. huios Dauid 5 4 1  
voc. enk. huie Dauid
gen. enk. huiou Dauid    
dat. enk. huiôi Dauid    
acc. enk. huion Dauid    
totaal 14  14   14

 

huios tou theou (zoon van God) N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Apk Br. Gal Ef  Heb 1 Joh syn.  ev.  Paul.  Ap. br. 
nom. enk. huios tou theou 25 5 2 5 7 1 1         4 12 19   4
voc. enk. huie tou theou 3 1 1 1                 3 3    
gen. enk. huiou tou theou 6   1   2       1 1   1 (2x) 1 3 2 1
dat. enk. huiôi tou theou 1                   1       1  
acc. enk. huion tou theou 6       1 1         3 1 1 1 3 1
totaal 41 6 4 6 10 2 1   1 1 4 6 17 26 6 7

 

  N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd syn.  ev. 
huios (zoon)  291 69 29 62 51 10 160 211
huios tou anthrôpou (mensenzoon)  82  31  13  26  11  70  81 
huios Dauid (zoon van David)  14      14  14
huios tou theou (zoon van God)  41 6 4 6 10 2 16 26
Rest 137  23  10  27  30  60  90 

 

1. 7. 2. 3. 4. 5. 6. 8. 9.  10. 11.
Mt 3,17 = Mt 17,5 Mt 4,3 . Mt 4,6 Mt 8,29 Mt 14,33 Mt 16,16 Mt 26,63 Mt 27,40 Mt 27,43 Mt 27,54

ei (indien gij) Tí hèmin kai soi, wat is er tussen ons en u alèthôs (waarlijk)
ei (indien) ei (indien gij) eipen gar hoti (want hij zei) alèthôs (waarlijk)
houtos (deze) huios (zoon) huie (zzon)   su (gij) su (gij) huios (zoon)    
estin (is) ei (zijt)     ei (zijt) ei (zijt) ei (zijt)    
ho huios mou (mijn zoon) ho agapètos (de beminde) tou theou (van God) tou theou (van God) theou huios ei (u bent zoon van God) ho christos, ho huios tou theou tou zôntos (de Christus, de zoon van de levende God) ho christos ho huios tou theou: de Christus, de zoon van God tou theou (van God) theou eimi huios (ik ben zoon van God) theou huios èn houtos (zoon van God was deze)
18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13
66. Twee bezetenen van Gadara van de demonen bevrijd : Mt 8,28-34 - Mc 5,1-20 - Lc 8,26-39 Jezus wandelt op het meer : Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 162. belijdenis van Petrus : Mc 8,27-30 - Mt 16,13-20 - Lc 9,18-21 332. Jezus voor het Sandredin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -  346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -  347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -

 

Mt 3,17 = Mt 17,5 Mt 4,3 . Mt 4,6 Mt 8,29 Mt 14,33 Mt 16,16 Mt 26,63 Mt 27,40 Mt 27,43 Mt 27,54

I

- idou (zie) . Verwijzing : idou (zie) , zie Mt 1,20 . In vier verzen in Mt 2 : (1) Mt 2,1 . (2) Mt 2,9 . (3) Mt 2,13 . (4) Mt 2,19 . In Mt 2,1-12 wordt onze aandachtr gevestigd op de magiërs (Mt 2,1 : idou magoi = zie magiërs) en op de ster (Mt 2,9 : idou ho astèr proègen autous = en zie de ster ging voor hen) . In drie verzen in de perikope Mt 28,1-10 : (1) Mt 28,2 . (2) Mt 28,7 . (3) Mt 28,9 . Na de beginsituatie (Mt 2,1) wordt "de verandering" aangevat met idou (zie) . Het vestigt meestal de aandacht op het onderwerp dat op idou (zie) volgt . Dat onderwerp is het personage dat de verandering veroorzaakt . De komst van de magiërs veroorzaakt verwarring aan het koninklijk hof en in heel Jeruzalem . De koning wordt op een pijnlijke wijze eraan herinnerd dat hij naar joodse normen onrechtmatig op de troon zit en dat een nakomeling van David geboren is aan wie rechtmatig de troon toebehoort en die een bedreiging voor zijn troon kan betekenen . Voor de magiërs is de opgerezen ster een teken dat een toekomstige koning geboren is . Het is een hemels teken en tegelijkertijd een teken dat God hen begeleidt op de weg om de pasgeborene te vinden .

- Ièsous (Jezus) , zie Mt 1,1 . In tien verzen in Mt 9 , telkens voorafgegaan door het bepaald lidwoord ho : nominatief mannelijk enkelvoud .

Ièsous (Jezus)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk
nom. Ièsous 604  151  455  110 57 55 194 10 28 1
gen. + dat. Ièsou 348  34  313  25 13 18 18 32 196 11
acc. Ièsoun 163  39  124  15 11 14 26 27 93 0
totaal 1115  224  892  150 81 87 238 69 317 12

Ièsous  Mt 1 Mt 2 Mt 3 Mt 4 Mt 5 Mt 6 Mt 7 Mt 8 Mt 9 Mt 10 Mt 11 Mt 12 Mt 13 Mt 14 Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22 Mt 23 Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28  
Ièsous        10    12  110 
Ièsou                                    25 
Ièsoun                                              15 
totaal      12  11  10    23  15  150 

In het N.T. komt een vorm van de naam Jezus in 892 verzen voor . Bij Mt is dat in 150 verzen (16,81 %) . In Mt 26 - Mt 28 (lijdens- en verrijzenisverhalen) komt een vorm van de naam Jezus in drieënveertig verzen (28,66 %) voor .

- (tou) ... Ièsou . Verwijzing : Ièsous (Jezus), zie Mt 1,1 . Genitief of datief mannelijk enkelvoud . In vijfentwintig verzen bij Matteüs : (1) Mt 1,1 (-) . (2) Mt 1,18 (+) . (3) Mt 2,1 (+) .

- Ioudaia (Judea) . Verwijzing : Ioudaia (Judea) , zie Mt 2,1 . Nominatief en datief enkelvoud . In tweeënveertig verzen in de bijbel . In twaalf verzen in het N.T. : (1) Mt 3,5 . (2) Mt 24,16 . (3) Mc 1,5 . (4) Mc 13,14 . (5) Lc 7,7 . (6) Lc 21,21 . (7) Joh 7,1 . (8) Hnd 1,8 . (9) Hnd 11,29 . (10) Hnd 24,24 . (11) . (12) .
- Genitief vrouwelijk enkelvoud . In vierenzeventig verzen in de bijbel . In zevenentwintig verzen in het N.T. : (1) Mt 2,1 . (11) Lc 3,1 .

K

kai (en) . Verwijzing : kai (en) , zie Mt 1,2 . Nevenschikkend voegwoord . In 26980 verzen in de bijbel . In 5113 verzen in het N.T. . Mt (705) . Mc (555) . Lc (822) . Joh (530) . Hnd (660) . Apk (371) . Meestal wordt het gebruikt als voegwoord tussen twee nevenschikkende zinnen of tussen twee zinsdelen . Het komt voor bij het begin van een pericope of bij het begin van een zin ondanks de verandering van personage of van situatie .
In dertig verzen in Mt 9 . Niet in volgende acht verzen : (1) Mt 9,12 . (2) Mt 9,21 . (3) Mt 9,29 . (4) Mt 9,31 . (5) Mt 9,32 . (6) Mt 9,34 . (7) Mt 9,37 . (8) Mt 9,38 .

- karpos (vrucht) .

karpos (vrucht) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk     
nom. enk. karpos 27 19 8 1 1 1 1   4      
gen. enk. karpou 18 14 4 1   2   1        
dat. enk. karpô(i) 2 1 1           1      
acc. enk. karpon 88 54 34 6 3 6 7   11 1    
nom. mv. karpoi 5 5                    
gen. mv. karpôn 22 16 6 3 1       2      
dat. mv. karpois                        
acc. mv. karpous 20 12 8 5   2       1      
Totaal   182 121 61 16 5 11 8 1 18    

karpos (vrucht) Mt  Mc   Lc 
nom. enk. karpos 1 : Mt 21,19 . 1 : Mc 4,29 . 1 : Lc 1,42 .
gen. enk. karpou 1 : Mt 12,33 .   2 : (1) Lc 6,44 . (2) Lc 20,10 .
acc. enk. karpon 6 : (1) Mt 3,8 . (2) Mt 3,10 . (3) Mt 7,19 . (4) Mt 12,33 . (5) Mt 13,8 . (6) Mt 13,26 . 3 : (1) Mc 4,7 . (2) Mc 4,8 . (3) Mc 11,14 . 6 : (1) Lc 3,9 . (2) Lc 6,43 . (3) Lc 8,8 . (4) Lc 13,6 . (5) Lc 13,7 . (6) Lc 13,9 .
gen. mv. karpôn 3 : (1) Mt 7,16 . (2) Mt 7,20 . (3) Mt 21,34 . 1 : Mc 12,2 .  
acc. mv. karpous 5 : (1) Mt 7,17 . (2) Mt 7,18 . (3) Mt 21,34 . (4) Mt 21,41 . (5) Mt 21,43 .   2 : (1) Lc 3,8 . (2) Lc 12,17 .
Totaal   16 5 11

karpos (vrucht) Mt 
nom. enk. karpos

1 : Mt 21,19 // (karpon : Mc 11,14) // (karpon : (4) Lc 13,6 . (5) Lc 13,7) .

gen. enk. karpou 1 : Mt 12,33 // (karpôn : (1) Mt 7,16) .// (karpôn : (2) Mt 7,20) // (1) Lc 6,44 .
acc. enk. karpon 6 : (1) Mt 3,8 // (3) Mt 7,19 . // (karpous : (1) Lc 3,8) . (2) Mt 3,10 // (1) Lc 3,9 . (4) Mt 12,33 // (karpous : (1) Mt 7,17 + (2) Mt 7,18 .// (2) Lc 6,43 . (5) Mt 13,8 // (1) Mc 4,7 . (2) Mc 4,8 // (3) Lc 8,8 . (6) Mt 13,26 .
gen. mv. karpôn 3 : (1) Mt 7,16 , zie (karpou : Mt 12,33) . (2) Mt 7,20 , zie (karpou : Mt 12,33) . (3) Mt 21,34 .
acc. mv. karpous 5 : (1) Mt 7,17 , zie (karpon : (4) Mt 12,33) . (2) Mt 7,18 , zie (karpon : (4) Mt 12,33) . (3) Mt 21,34 // (karpôn : Mc 12,2) // (karpou : (2) Lc 20,10 . (4) Mt 21,41 . (5) Mt 21,43 .
Totaal   16

                 
Mt 3,10 Mt 3,8 Mt 7,19 Mt 12,33       Mt 13,8 Mt 13,26
pan oun dendron (elke boom derhalve)   pan dendron (elke boom derhalve)          kai (en)  
mè poiôn (niet voortbrengend) poièsate oun (brengt derhalve voort) mè poiôn (niet voortbrengend) è poièsate (of maken jullie)   è poièsate (of maken jullie)   edidou (het geeft)   
karpon kalon (goede vrucht) karpon axion tès metanoias (vrucht, waardig aan bekering) karpon kalon (goede vrucht) ton dendron kalon (de boom goed) kai ton karpon autou kalon (ook zijn vrucht goed) ton dendron sapron (de boomziek) kai ton karpon autou sapron (ook zijn vrucht ziek) karpon (vrucht)  kai karpon epoièsen (en hij brengt vrucht voort)
ekkoptetai (wordt uitgekapt)   ekkoptetai (wordt uitgekapt)            
kai eis pur balletai (en in het vuur geworpen)   kai eis pur balletai (en in het vuur geworpen)            
                 

 

 

kurios (heer)  enk. Mt
nom. enk. kurios  20 : (1) Mt 10,25 . (2) Mt 12,8 . (3) Mt 18,25 . (4) Mt 18,27 . (5) Mt 18,32 . (6) Mt 18,34 . (7) Mt 20,8 . (8) Mt 21,3 . (9) Mt 21,40 . (10) Mt 22,44 . (11) Mt 24,42 . (12) Mt 24,45 . (13) Mt 24,46 . (14) Mt 24,48 . (15) Mt 24,50 . (16) Mt 25,19 . (17) Mt 25,21 . (18) Mt 25,23 . (19) Mt 25,26 . (20) Mt 27,10 .
voc. enk. kurie 31 : (1) Mt 7,21 . (2) Mt 7,22 . (3) Mt 8,2 . (4) Mt 8,6 . (5) Mt 8,8 . (6) Mt 8,21 . (7) Mt 8,25 . (8) Mt 9,28 . (9) Mt 11,25 . (10) Mt 13,27 . (11) Mt 14,28 . (12) Mt 14,30 . (13) Mt 15,22 . (14) Mt 15,25 . (15) Mt 15,27 . (16) Mt 16,22 . (17) Mt 17,4 . (18) Mt 17,15. (19) Mt 18,21 . (20) Mt 20,30 . (21) Mt 20,31 . (22) Mt 20,33 . (23) Mt 21,30 . (24) Mt 25,11 . (25) Mt 25,20 . (26) Mt 25,22 . (27) Mt 25,24 . (28) Mt 25,37 . (29) Mt 25,44 . (30) Mt 26,22 . (31) Mt 27,63 .
gen. enk. kuriou  15 : (1) Mt 1,20 . (2) Mt 1,22 . (3) Mt 1,24 . (4) Mt 2,13 . (5) Mt 2,15 . (6) Mt 2,19 . (7) Mt 3,3 . (8) Mt 9,38 . (9) Mt 21,9 . (10) Mt 21,42 . (11) Mt 23,39 . (12) Mt 25,18 . (13) Mt 25,21 . (14) Mt 25,23 . (15) Mt 28,2 .
dat. enk. kuriô(i) 3 : (1) Mt 5,33 . (2) Mt 18,31 . (3) Mt 22,44 .
acc. enk. kurion 6 : (1) Mt 4,7 . (2) Mt 4,10 . (3) Mt 10,24 . (4) Mt 22,37 . (5) Mt 22,43 . (6) Mt 22,45 .
totaal 75

 

 

L

- lidwoord

lidw. enk. bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk     
nom. m. enk. ho 8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156     
nom. vr. enk.hè 4860       76              
nom. + acc. onz. enk. to                        
gen. m. + onz. enk. tou                        
gen. vr. enk. tès                        
dat. m. + onz. enk. tô(i)                        
dat. vr. enk. tè(i)                        
acc. m. enk. ton                        
acc. vr. enk. tèn                        
Totaal                          

lidw. mv. bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
nom. m. mv. hoi 4230 3257 973 196 101 165 125 147 169 70 462  587 
nom. vr. mv. .hai 983 849 134 30 15 24 2 15 27 21    
nom. + acc. onz. mv. ta 4361  3647  714  97  47  98  69  77  254  72     
gen. m. + vr. + onz. mv. tôn 5178  4144  1034  178  90  119  98  166  267  116     
dat. m. + onz. mv. tois 2715  2179  536  96  47  65  36  82  193  17     
dat. vr. mv. tais 980  799  181  21  10  33  24  66  23     
acc. m. mv. tous 2960 2330 630 91 52 98 51 122 156 60    
acc. vr. enk. tas 1987  1674  313  36  27  42  19  57  96  36     
Totaal   23394  18879  4515  745  389  644  404  690  1228  415     

lidw. mv. Mt 1 Mt 2 Mt 3 Mt 4 Mt 5 Mt 6 Mt 7 Mt 8 Mt 9 Mt 10 Mt 11 Mt 12 Mt 13 Mt 14 Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22 Mt 23 Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28    
nom. m. mv. hoi   11  13  13  10  10  13  10  14  15  196   
nom. vr. mv. .hai                                                            
nom. + acc. onz. mv. ta                                                            
gen. m. + vr. + onz. mv. tôn                                                            
dat. m. + onz. mv. tois                                                            
dat. vr. mv. tais                                                            
acc. m. mv. tous                                                            
acc. vr. enk. tas                                                            
                                                             
                                                             

-- hoi (de) . Verwijzing : lidwoord , zie Mt 28,18 . In 196 verzen bij Mt , zie Mt 2,5 . Mt 1 (0) . Mt 2 (3) . Mt 3 (1) . Mt 4 (3) . Mt 5 (11) . Mt 6 (4) . Mt 7 (8) . Mt 8 (6) . Mt 9 (13) . Mt 10 (3) . Mt 11 (3) . Mt 12 (13) . Mt 13 (10) . Mt 14 (9) . Mt 15 (7) . Mt 16 (5) . Mt 17 (7) . Mt 18 (3) . Mt 19 (5) . Mt 20 (10) . Mt 21 (13) . Mt 22 (10) . Mt 23 (3) . Mt 24 (7) . Mt 25 (5) . Mt 26 (14). Mt 27 (15) . Mt 28 (5) . In drie verzen in Mt 2 : (1) Mt 2,5 . (2) Mt 2,9 . (3) Mt 2,20 .
In dertien verzen in Mt 12 : (1) Mt 12,1 . (2) Mt 12,2 . (3) Mt 12,3 . (4) Mt 12,5 . (5) Mt 12,14 . (6) Mt 12,23 . (7) Mt 12,24 . (8) Mt 12,27 . (9) Mt 12,36 . (10) Mt 12,46 . (11) Mt 12,47 . (12) Mt 12,48 . (13) Mt 12,49 .

M

makarios (zalig) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
nom. m. enk.makarios 50 34 16 3   4     5 4
nom. + dat vr. enk , nom + acc. onz. mv. .makaria(i) 6 4 2     2        
nom. + acc. onz. enk. makarion 3 1 2         2        
gen. man. enk makariou 1   1           1      
acc. vr. enk. makarian 1   1           1      
nom. m. mv. makarioi 40 15 25 10   7 2   3 3 17  19 
nom. vr. mv. .makariai 2 1 1   1            1
acc. man. mv.makarious 1 1                    
Totaal   104 56 48 13 1 13 2 2 10 7 27  29 

 

  1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
  Mt 5,3 Mt 5,4 Mt 5,5 Mt 5,6 Mt 5,7 Mt 5,8 Mt 5,9 Mt 5,10 Mt 5,11
1. makarioi (zalig - gelukkig) makarioi (zalig - gelukkig) makarioi (zalig - gelukkig) makarioi (zalig - gelukkig) makarioi (zalig - gelukkig) makarioi (zalig - gelukkig) makarioi (zalig - gelukkig) makarioi (zalig - gelukkig) makarioi (zalig - gelukkig)
2. hoi (de) hoi (de) hoi (de) hoi (de) hoi (de) hoi (de) hoi (de) hoi (de)  
3. ptôchoi (armen) penthountes (treurenden) praeis (zachtmoedigen) peinôntes kai dixôntes (hongerigen en dorstigen) hoi eleèmones ( barmhartigen) hoi katharoi ( zuiveren) hoi eirènopoioi (vredestichters) dediôgmenoi (de vervolgden)  
4. tôi pneumati (van geest)     tèn dikaiosunèn (de gerechtigheid)   tèi kardiai (van hart)   heneken dikaiosunès (omwille van de gerechtigheid)  
5. hoti (omdat) hoti (omdat) hoti (omdat) hoti (omdat) hoti (omdat) hoti (omdat) hoti (omdat) hoti (omdat)  
6. autôn (van hen) autoi (zij) autoi (zij) autoi (zij) autoi (zij) autoi (zij) autoi (zij) autôn (van hen)  
7. estin (is) paraklèthèsontai (zullen getroost worden) klèronomèsousin (beërven) chortasthèsontai (zullen verzadigd worden) eleèthèsontai (zullen barmhartigheid ondervinden) ... opsontai (zullen zien)  ... klèthèsontai (zullen genoemd worden) estin (is)  
8.  hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen)   tèn gèn (het land)     ton theon (God)  huioi theou (zonen van God) hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen)  
                   
   5 + 7 woorden/ 3 + 3    3 + 5  5 + 3  3 + 3  5 + 5  3 + 5  5 + 7  
   12 10  12   35

 

- magos (magiër) . Verwijzing : magos (magiër) , zie Mt 2,1 . In één vers in de bijbel , nl. Hnd 13,8 . Accusatief mannelijk enkelvoud . In twee verzen in de bijbel : (1) Da 2,10 . (2) Hnd 13,6 . Nominatief mannelijk meervoud . In één vers in de bijbel , nl. Mt 2,1 . Genitief mannelijk meervoud . In één vers in de bijbel , nl. Mt 2,16 . Accusatief mannelijk meervoud . In twee verzen in de bijbel : (1) Da 2,2 . (2) Mt 2,7 .

O

- ochlos (menigte) . Verwijzing in N.T. : ochlos (menigte) .

  ochlos (menigte)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Apk syn.  ev. 
1 nom. mann. enk. ochlos  49  45  13  12  28  40 
2 gen. mann. enk. ochlou  31  25  15  19 
3 dat. mann. enk. ochlô(i)  21  10  11    10 
4 acc. mann. enk. ochlon  41  35  10  13    27  29 
  enk. 142 26 116 19 35 25 19 15 3 79 98
                         
5 nom. mann. mv. ochloi   28    28  14  10      25  25 
6 gen. mann. mv. ochlôn            
7 dat. mann. mv. ochlois  16  11      10 
8 acc. mann. mv. ochlous  22  17  10        13  13 
  mv.  70 13  29  17  16    48  49 
                         
  totaal enk. en mv. 212 39  173  50  36  41  20  23  127  147 

 

  ochlos (menigte)   Mt Mt 1 Mt 2 Mt 3 Mt 4 Mt 5 Mt 6 Mt 7 Mt 8 Mt 9 Mt 10 Mt 11 Mt 12 Mt 13 Mt 14
1 nom. mann. enk. ochlos                             
2 gen. mann. enk. ochlou                             
3 dat. mann. enk. ochlô(i)                             
4 acc. mann. enk. ochlon  10                (1) Mt 8,18 (2) Mt 9,23         (3) Mt 14,5 . (4) Mt 14,14 .  
  enk. 19                            
                                 
5 nom. mann. mv. ochloi   14                             
6 gen. mann. mv. ochlôn                                
7 dat. mann. mv. ochlois                             
8 acc. mann. mv. ochlous  10          (1) Mt 5,1       (2) Mt 9,36       (3) Mt 13,36 (4) Mt 14,15 . (5) Mt 14,19 . (6) Mt 14,22 . (7) Mt 14,23 .  
  mv.  17                             
  totaal enk. en mv. 50                             
                                 
  ochlos (menigte)   Mt Mt 1 Mt 2 Mt 3 Mt 4 Mt 5 Mt 6 Mt 7 Mt 8 Mt 9 Mt 10 Mt 11 Mt 12 Mt 13 Mt 14

 

  ochlos (menigte)   Mt Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22 Mt 23 Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28
1 nom. mann. enk. ochlos                             
2 gen. mann. enk. ochlou                             
3 dat. mann. enk. ochlô(i)                             
4 acc. mann. enk. ochlon  10  (5) Mt 15,10 . (6) Mt 15,31 . (7) Mt 15,32 . (8) Mt 15,33 .     (9) Mt 17,14 .         (10) Mt 21,26              
  enk. 19                            
                                 
5 nom. mann. mv. ochloi   14                             
6 gen. mann. mv. ochlôn                                
7 dat. mann. mv. ochlois                             
8 acc. mann. mv. ochlous  10  (8) Mt 15,39 .             (9) Mt 21,46 .             (10) Mt 27,20  
  mv.  17                             
  totaal enk. en mv. 50                             
                                 
  ochlos (menigte)   Mt Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22 Mt 23 Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28

 

- 4. acc. mann. enk. ochlon (menigte) . Mt (10) : (1) Mt 8,18 . (2) Mt 9,23 . (3) Mt 14,5 . (4) Mt 14,14 . (5) Mt 15,10 . (6) Mt 15,31 . (7) Mt 15,32 . (8) Mt 15,33 . (9) Mt 17,14 . (10) Mt 21,26 .
- polun ochlon (een grote menigte) . In twee verzen : (1) Mt 14,14 . (2) Mc 6,34 . In Mc 9,14 lezen we ochlon polun (een grote menigte) .
- Het bepaald lidwoord wordt bij het zelfstandig naamwoord accusatief enkelvoud ochlon (menigte) gebruikt , tenzij een bijvoeglijk naamwoord het zelfstandig naamwoord nader bepaald . Uitzonderingen hierop zijn : (1) Mt 8,18 . (2) Hnd 21,27 . Het bepaald lidwoord wordt in zesentwintig van de vijfendertig verzen gebruikt .
- 8. De accusatief mannelijk meervoud ochlous (menigten) . komt in tweeëntwintig verzen in de bijbel voor . In vijf verzen in het O.T. . In zeventien verzen in het N.T. . Verwijzing : ochloi (menigten) . zie Mt 4,20 en Mc 2,13 . In tien verzen bij Matteüs : (1) Mt 5,1 . (2) Mt 9,36 . (3) Mt 13,36 . (4) Mt 14,15 . (5) Mt 14,19 . (6) Mt 14,22 . (7) Mt 14,23 . (8) Mt 15,39 . (9) Mt 21,46 . (10) Mt 27,20 . In acht verzen is Jezus het onderwerp . In zes gevallen bij Matteüs komt ochlous (menigten) voor als lijdend voorwerp van een particpium(zin) . De accusatief tous ochlous (de menigten) volgt steeds op de werkwoordvorm . In vijf verzen gaat het om het ontbinden van de menigten . Vóór Mt 9,36 werd reeds in vijf verzen ochloi (menigten) als onderwerp gebruikt en het is de tweede maal dat de accusatief meervoud ochlous (menigten) wordt gebruikt . Het is dus de zevende maal dat ochloi of ochlous wordt aangewend .Met de deelwoordzin idôn de tous ochlous (gezien echter de menigten) leidt Matteüs de bergrede in . Op een identieke wijze leidt Matteüs in Mt 9,36 de zendingsrede in . Mt 5-7 bracht de bergrede ; Mt 8-9 bracht een geheel van wonderdaden . Mt 5-9 omvat de totale activiteit van Jezus : woord en daad . De menigten hebben nood aan zalvende woorden , aan genezende daden . Het zet Jezus ertoe aan om een twaalftal te vormen en te zenden (Mt 10) .

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.
Mt 5,1 Mt 9,36 Mt 13,36 Mt 14,15 Mt 14,19 Mt 14,22 Mt 14,23 Mt 15,39 Mt 21,46 Mt 27,20
idôn de (gezien echter) idôn de (gezien echter) Tote afeis (dan achtergelaten) apoluson (ontbind) kai keleusas (en bevolen) eôs ou apolusè (totdat hij zou ontbinden) kai apolusas (en ontbonden) kai apolusas (en ontbonden) efobèthèsan (zij vreesden) epeisan
tous ochlous (de menigten) tous ochlous (de menigten) tous ochlous (de menigten) tous ochlous (de menigten) tous ochlous (de menigten) tous ochlous (de menigten) tous ochlous (de menigten) tous ochlous (de menigten) tous ochlous (de menigten) tous ochlous (de menigten)
24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 74. Arbeiders voor de oogst : Mt 9,35-38 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Mc 6,6b - Mc 6,30-34 -Lc 8,1-3 - Lc 10,1-12 137. Uitleg van de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe : Mt 13,36-43 151. Eerste broodvermenig-vuldiging - Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a 151. Eerste broodvermenig-vuldiging - Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a 152. Jezus wandelt op het meer - Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 152. Jezus wandelt op het meer - Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 158. Tweede broodvermenig- vuldiging : Mc 8,1-10 - Mt 15,32-39 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers : Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 341. Jezus of Barabbas : Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23

- ouranios (hemels) . Verwijzing : ouranios (hemels) , zie Mt 5,48 . Bijvoeglijk naamwoord nominatief mannelijk enkelvoud . In de bijbel komt het slechts bij Matteüs voor , en wel in zeven verzen . In al deze zeven verzen gaat het over de hemelse vader . In vier verzen over ho patèr humôn ho ouranios (uw hemelse vader) (1) Mt 5,48 : hôs kai ho patèr humôn ho ouranios (zoals ook je hemelse vader) . (2) Mt 6,14 . (3) Mt 6,26 . (4) Mt 8,32 . In (7) Mt 23,9 over humon ho patèr ho ouranios (uw hemelse vader) en in twee verzen over ho patèr mou ho ouranios (mijn hemelse vader) : (5) Mt 15,13 en (6) Mt 18,35 : houtôs kai ho patèr mou ho ouranios (zo ook mijn hemelse vader) .
- ouranos (hemel) . Verwijzing : ouranos (hemel) , zie Mt 28,18 .
- ouranôn (van de hemel) . In drieënvijftig verzen in de bijbel . In twaalf verzen in het O.T. . In eenenveertig verzen in het N.T. . Mt (35) . Mc (1) . Lc (1) . Brieven (4) . In negenentwintig verzen in de verschillende vormen van de uitdrukking hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) . Verder : (1) Mt 3,17 . (2) Mt 24,29 . (3) Mt 24,31 . (4) Mt 24,36 .
-- hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) waarbij basileia (koninkrijk) nominatief enkelvoud is . In twintig verzen bij Matteüs : (1) Mt 3,2 . (2) Mt 4,17 . (3) Mt 5,3 . (4) Mt 5,10 . (5) Mt 5,19 . (7) Mt 8,11 . (8) Mt 10,7 . (9) Mt 11,11 . (10) Mt 11,12 . (14) Mt 13,24 . (15) Mt 13,31 . (18) Mt 13,44 . (19) Mt 13,45 . (20) Mt 13,47 . (21) Mt 13,52 . (25) Mt 18,23 . (26) Mt 19,14 . (27) Mt 20,1 . (30) Mt 22,2 . (32) Mt 25,1 .
-- tèn basileian tou theou (het koninkrijk van de hemelen) . In zeven verzen in het N.T. , enkel bij Mt : (1) Mt 5,20 . (2) Mt 7,21 . (3) Mt 13,52 . (4) Mt 18,3 . (5) Mt 19,12 . (6) Mt 19,23 . (7) Mt 23,14 .
-- tès basileias tôn ouranôn (van het koninkrijk van de hemelen) . In twee verzen in het N.T. , bij Mt : (1) Mt 13,11 . (2) Mt 16,19 .

P

- palin (opnieuw) .

palin (opnieuw)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  
  206 70 136 16 26 26 45 5 16 2  

Mt : (1) . (2) . (3) Mt 13,45 . (4) Mt 13,47 . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . (12) . (13) . (14) . (15) . (16) .

 

- parabolè (prabel, gelijkenis, vergelijking) . Verwijzing : parabolè (parabel, gelijkenis) , zie Mt 13,24 .


-- parabolè(i) (parabel) kan nominatief of datief vrouwelijk enkelvoud zijn . In veertien verzen in de bijbel . In negen verzen in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. . Mc (1) . Lc (2) . Heb (2) . Niet bij Matteüs .
-- parabolès (van de parabel) . Genitief vrouwelijk enkelvoud . In drie verzen in de bijbel : (1) Mt 13,34 . Mc (1) . Lc (1) .
-- parabolèn (parabel) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud van parabolè (parabel) . In negenenveertig verzen in de bijbel . In zesentwintig verzen in het N.T. . Mt (8) . Mc (4) . Lc (14) . In acht verzen bij Matteüs : (1) Mt 13,18 . (2) Mt 13,24 : een andere parabel . (3) Mt 13,31 : een andere parabel . (4)  Mt 13,33 : een andere parabel . (5) Mt 13,36 . (6) Mt 15,15 : vraag van Petrus om de parabel uit te leggen . (7)  Mt 21,33 : een andere parabel . (8) Mt 24,32 .
- parabolais . Datief vrouwelijk meervoud . In zestien verzen in de bijbel . In vier verzen in het O.T. . In twaalf verzen in het N.T. . Mt (6) . Mc (5) . Lc (1) . In zes verzen bij Matteüs : (1) Mt 13,3 . (2) Mt 13,10 . (3) Mt 13,13 . (4) Mt 13,34 . (5) Mt 13,35 . (6) Mt 22,1 .
-- en parabolais (door middel van parabels) . In elf verzen in het N.T. . Mt (6) . Mc (4) . Lc (1) . In 6 verzen voor, zie Mt 13,3. (1) Mt 13,3 .

Mt 13,3 Mt 13,10 Mt 13,13   Mt 13,34    Mt 13,35  Mt 22,1 
kai (en) dia tí (waarom) dia touto Tauta panta (Dat alles) kai (en) anoixô ... to stoma mou (ik zal mijn mond openen) palin eipen (hij zei opnieuw)
  en parabolais (in parabels) en parabolais (in parabels)   chôris parabolès (zonder parabel) en parabolais (in parabels) en parabolais (in parabels)
elalèsen (hij sprak) laleis (spreek je) autois lalô (spreek ik hen) elalèsen (hij sprak) ho Ièsous (Jezus) ouden elalei (sprak hij niets)    
autois (hen) autois (hen)     autois (hen)    autois (hen) 
polla (vele dingen)            
en parabolais (in parabels)     en parabolais (in parabels)      
      tois ochlois (tot de menigten)      
126. Gelijkenis van de zaaier : Mc 4,3-9 - Mt 13,3b-9 - Lc 8,5-8 127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt : Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10   127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt : Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10   136. Jezus spreekt in gelijkenissen : Mc 4,33-34 - Mt 13,34-35    136. Jezus spreekt in gelijkenissen : Mc 4,33-34 - Mt 13,34-35  290. Gelijkenis van het koninklijke bruiloftsmaal : Mt 22,1-14 - Lc 14,15-24 

- paragôn (langsvoerend, langsdrijvend) . Verwijzing : agô (leiden) , zie Lc 23,1 . Participium praesens nominatief mannelijk enkelvoud van het werkwoord paragô (langsvoeren) . In het Nederlands kennen we het werkwoord ageren , ac-tie voeren , handelen .. In vier verzen in de bijbel , enkel in het N.T. : (1) Mt 9,9 (roeping van Matteüs) . (2) Mc 1,16 (roeping van Petrus en Andreas) . (3) Mc 2,14 (roeping van Levi) . (4) Joh 9,1 (Jezus voert langs een blinde) .

poreuomai (zich op weg begeven)       Mt Mc              
ind. pr. 3de p. enk. poreuetai       2                
ind. pr. 3de p. mv. poreuontai                        
imp. 2de p. mv. poreuesthe       5                
inf. pr. poreuesthai                        
ind imp. 3de p. enk. eporeueto       1                
ind. imp. 3de p. mv. eporeuonto                        
ind. aor. 3de p. enk. eporeuthè       2                
ind. aor. 3de p. mv. eporeuthèsan       2                
part. aor. nom. m. + vr. enk. poreutheis       4                
part. aor. nom. m. + vr. mv. poreuthentes       7 1              
                         

- pou (waar) . Verwijzing : pou (waar) , zie Mt 2,2 . Vragend voornaamwoord . In 144 verzen in de bijbel . In zevenennegentig verzen in het O.T. . In zevenenveertig verzen in het N.T. . hopou (waar) . Betrekkelijk voornaamwoord . In negentig verzen in de bijbel . In veertien verzen in het O.T. . In zesenzeventig verzen in het N.T. .
Het vragend woord pou (waar?) komt bij Matteüs in vier verzen voor : (1) Mt 2,2 . (2) Mt 2,4 . (3) Mt 8,20 . (4) Mt 26,17 . hopou (waar) : betrekkelijk voornaamwoord , komt bij Matteüs in elf verzen voor . In Mt 2,2 / Mt 2,4 stellen de magiërs de vraag waar de pasgeboren koning van de joden is . De magiërs krijgen het antwoord van Herodes nadat hij de hogepriesters en de schriftgeleerden van het volk heeft geraadpleegd en hem antwoord hebben gegeven . In Mt 28,6 zegt de engel : "Hij is niet hier . Hij is verrezen zoals Hij gezegd heeft" . Welnu zie de plaats waar hij lag ." Zowel Mt 2,1-12 als Mt 28,1-20 geeft een antwoord op de vraag waar Jezus is , waar je hem kunt ontmoeten . In Mt 2 wijst de ster de plaats aan . In Mt 28 brengt de engel de woorden van Jezus in herinnering waar zijn leerlingen Jezus zullen zien . Het ene verhaal speelt zich af bij zijn geboorte , het andere na zijn verheerlijking . In Mt 2 komen de magiërs via Jeruzalem in Bethlehem . Heidenen komen naar Jezus toe en erkennen hem als koning van de joden . In Mt 28 worden de apostelen naar de heidenen gezonden . Er heeft dus een grote verscheidenheid van invulling van personages en situaties , maar er is een enorme grote overeenkomst tussen beide verhalen .

- presbuteros (oudere) .

presbuteros (oudste) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk   
nom. enk. presbuteros 16  13             
gen. enk. presbuterou 10               
dat. enk. presbuterô(i)              
acc. enk. presbuteron                  
nom. mv. presbuteroi 67  46  21       
gen. mv. presbuterôn 61  39  22     
dat. mv. presbuterois 20  15         
acc. mv. presbuterous 49  37  12         
Totaal   230  165  65  12  18  10  12   

In het N.T. komt een vorm van het zelfstandig naamwoord presbuteros (oudere) in vijfenzestig verzen voor . Bij Matteüs is dat in twaalf verzen of 18,46 % . Bij Matteüs komt presbuteros (oudere) slechts in het meervoud voor , hoofdzakelijk de nom. (5) en gen. mv. (6) .

presbuteros (oudere) Mt 
nom. mv. presbuteroi 5 : (1) Mt 21,23 . (2) Mt 26,3 . (3) Mt 26,57 . (4) Mt 27,1 . (5) Mt 27,20 .
gen. mv. presbuterôn 6 : (1) Mt 15,2 . (2) Mt 16,21 . (3) Mt 26,47 . (4) Mt 27,12 . (5) Mt 27,41 . (6) Mt 28,12 .
dat. mv. presbuterois 1 : Mt 27,3 .
Totaal   12 

Een vorm van presbuteros (oudere) 12 : (1) Mt 15,2 (gen. mv.) . (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . (3) Mt 21,23 (nom. mv.) . (4) Mt 26,3 (nom. mv.) . (5) Mt 26,47 (gen. mv.) . (6) Mt 26,57 (nom. mv.) . (7) Mt 27,1 (nom. mv.) . (8) Mt 27,3 (dat. mv.) . (9) Mt 27,12 (gen. mv.) . (10) Mt 27,20 (nom. mv.) . (11) Mt 27,41 (gen. mv.) . (12) Mt 28,12 (gen. mv.) .

Buiten de lijdens- (Mt 26-27) en verrijzenisverhalen (Mt 28) komt presbuteros (oudere) slechts in drie van de twaalf verzen voor . In Mt 15,2 gaat het om de traditie van de ouderen om met gewassen handen te eten . In Mt 16,21 kondigt Jezus voor de eerste maal zijn lijden in Jeruzalem aan . In Mt 21,23 zijn de ouderen bij de hogepriesters aanwezig om aan Jezus in de tempel de vraag te stellen bij welke volmacht hij handelt .

hogepriesters en ouderen

een vorm van  Mt 16 Mt 21 Mt 26 Mt 27 Mt 28  
archiereus (hogepriester) (2) Mt 16,21 (gen. mv.) .  (4) Mt 21,15 (nom. mv.) . (5) Mt 21,23 (nom. mv.) . (6) Mt 21,45 (nom. mv.) .  (7) Mt 26,3 (nom. mv.) . (8) Mt 26,3 (gen. enk.) . (9) Mt 26,14 (acc. mv.) . (10) Mt 26,47 (gen. mv.) . (11) Mt 26,51 (gen. enk.) . (12) Mt 26,57 (acc. enk.) . (13) Mt 26,58 (gen. enk.) . (14) Mt 26,59 (gen. mv.) . (15) Mt 26,62 (nom. enk.) . (16) Mt 26,63 (nom. enk.) . (17) Mt 26,65 (nom. enk.) .  (18) Mt 27,1 (nom. enk.) . (19) Mt 27,3 (dat. mv.) . (20) Mt 27,6 (nom. mv.) . (21) Mt 27,12 (gen. mv.) . (22) Mt 27,20 (nom. mv.) . (23) Mt 27,41 (nom. mv.) . (24) Mt 27,62 (nom. mv.) .   (25) Mt 28,11 (dat. mv.) .     
farisaios (Farizeeër) : nom. + gen. mv.  (12) Mt 16,1 (nom.) . (13) Mt 16,6 (gen.) . (14) Mt 16,11 (gen.) . (15) Mt 16,12 (gen.) .   (17) Mt 21,45 (nom.) .    (28) Mt 27,62 (nom.) .     
grammateus (schriftgeleerde) .   (9) Mt 16,21 (gen. mv.) .   (12) Mt 21,15 (nom. mv.) .  (21) Mt 26,57 (nom. mv.) .  (22) Mt 27,41 (nom. mv.) .     
presbuteros (oudere)   (2) Mt 16,21 (gen. mv.) .  (3) Mt 21,23 (nom. mv.) .  (4) Mt 26,3 (nom. mv.) . (5) Mt 26,47 (gen. mv.) . (6) Mt 26,57 (nom. mv.) .    (7) Mt 27,1 (nom. mv.) . (8) Mt 27,3 (dat. mv.) . (9) Mt 27,12 (gen. mv.) . (10) Mt 27,20 (nom. mv.) . (11) Mt 27,41 (gen. mv.) .  (12) Mt 28,12 (gen. mv.) .   
hogepriesters en ouderen 1 : Mt 16,21 (gen. mv.) .  1 : Mt 21,23 (nom. mv.) .  3 : (1) Mt 26,3 (nom. mv.) . (2) Mt 26,47 (gen. mv.) . (3) Mt 26,57 5 : (7) Mt 27,1 (nom. mv.) . (8) Mt 27,3 (dat. mv.) . (9) Mt 27,12 (gen. mv.) . (10) Mt 27,20 (nom. mv.) . (11) Mt 27,41 (gen. mv.) .  1 : Mt 28,11 -   Mt 28,12 11 

In elf van de vijfentwintig verzen komen de hogepriesters en de ouderen (van het volk) samen voor . In elf van de twaalf verzen komen de ouderen samen met de hogepriesters voor . In Mt 15,2 wordt naar de traditie van de ouderen verwezen . Ze zijn er niet aanwezig . We kunnen besluiten dat in Mt de ouderen steeds met de hogepriesters voorkomen , in vijf hoofdstukken van Mt .

- proserchomai (naderbijkomen) .

proserchomai (naderbijgaan) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. pr. 3de p. enk. proserchetai                  
ind. pr. 3de p. mv. proserchontai              
ind. imp. 3de p. mv. prosèrchonto 1   1         1        
ind. aor. 3de p. enk. prosèlthen 24 16 8 6       2     6 6
ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon 26  11  15  14            14  15 
ind. 2de aor. 3de p. mv. prosèlthan             2  
part. aor. nom. mann. enk. proselthôn 28  23  14        20  20 
part. aor. nom. vr. enk. proselthousa          
part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes 23  6 17  11        16  16 
part. aor. nom. vr. mv. proselthousai 2            
part. aor. gen. mv. proselthontôn 1              
Andere vormen                        
  114  41  73  51    64   65

proserchomai (naderbijgaan) Mt syn. ev.
ind. pr. 3de p. mv. proserchontai 2 : (1) Mt 9,14 . (2) Mt 15,1 .
ind. aor. 3de p. enk. prosèlthen 6 : (1) Mt 8,5 . (2) Mt 17,7 . (3) Mt 17,14 . (4) Mt 20,20 . (5) Mt 26,7 . (6) Mt 26,69 . 6 6
ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon 14 : (1) Mt 4,11 . (2) Mt 9,28 . (3)  Mt 13,36 . (4) Mt 14,15 . (5) Mt 15,30 . (6)  Mt 17,24 . (7)  Mt 18,1 . (8) Mt 19,3 . (9) Mt 21,14 . (10) Mt 21,23 . (11)  Mt 22,23 . (12) Mt 24,1 . (13) Mt 24,3 . (14) Mt 26,17 . 14  15 
ind. 2de aor. 3de p. mv. prosèlthan 1 :  Mt 5,1 . 2  
part. aor. nom. mann. enk. proselthôn 14 : (1) Mt 4,3 . (2) Mt 8,2 . (3) Mt 8,19 . (4) Mt 18,21 . (5) Mt 19,16 . (6) Mt 21,28 . (7) Mt 21,30 . (8) Mt 25,20 . (9) Mt 25,22 . (10) Mt 25,24 . (11) Mt 26,49 . (12) Mt 27,58 . (13) Mt 28,2 . (14) Mt 28,18 . 20  20 
part. aor. nom. vr. enk. proselthousa 1 : Mt 9,20 .
part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes 11 : (1) Mt 8,25 . (2) Mt 13,10 . (3) Mt 13,27 . (4) Mt 14,12 . (5) Mt 15,12 . (6) Mt 15,23 . (7) Mt 16,1 . (8) Mt 17,19 . (9) Mt 26,50 . (10) Mt 26,60 . (11) Mt 26,73 . 16  16 
part. aor. nom. vr. enk. proselthousai 1 : Mt 28,9 . 1 1
part. aor. gen. mv. proselthontôn 1 :  Mt 26,60 .
Andere vormen      
  51  64   65

proserchomai (naderbij komen) Mt 4 Mt 5 Mt 8 Mt 9 Mt 13 Mt 14 Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22 Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28
  4  

Een vorm van proserchomai in Mt  (1) Mt 4,3 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (2) Mt 4,11 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (3) Mt 5,1 (ind. 2de aor. 3de p. mv. prosèlthan) . (4) Mt 8,2 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (5) Mt 8,5 (ind. aor. 3de p. enk. prosèlthen) . (6) Mt 8,19 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (7) Mt 8,25 (part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes) . (8) Mt 9,14 (ind. pr. 3de p. mv. proserchontai) . (9) Mt 9,20 (part. aor. nom. vr. enk. proselthousa) . (10) Mt 9,28 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (11) Mt 13,10 (part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes) . (12) Mt 13,27 (part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes) . (13)  Mt 13,36 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) .(14) Mt 14,12 (part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes) . (15) Mt 14,15 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (16) Mt 15,1 (ind. pr. 3de p. mv. proserchontai) . (17) Mt 15,12 (part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes) . (18) Mt 15,23 (part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes) . (19) Mt 15,30 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (20) Mt 16,1 (part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes) . (21) Mt 17,7 (ind. aor. 3de p. enk. prosèlthen) . (22) Mt 17,14 (ind. aor. 3de p. enk. prosèlthen) . (23) Mt 17,19 (part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes) . (24)  Mt 17,24 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (25)  Mt 18,1 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (26) Mt 18,21 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (27) Mt 19,3 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (28) Mt 19,16 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (29) Mt 20,20 (ind. aor. 3de p. enk. prosèlthen) . (30) Mt 21,14 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (31) Mt 21,23 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (32) Mt 21,28 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (33) Mt 21,30 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) .(34)  Mt 22,23 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (35) Mt 24,1 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (36) Mt 24,3 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (37) Mt 25,20 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (38) Mt 25,22 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (39) Mt 25,24 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (40) Mt 26,7 (ind. aor. 3de p. enk. prosèlthen) . (41) Mt 26,17 (ind. aor. 3de p. mv. prosèlthon) . (42) Mt 26,49 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (43) Mt 26,50 (part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes) . (44) Mt 26,60 (part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes) . (45) Mt 26,69 (ind. aor. 3de p. enk. prosèlthen) . (46) Mt 26,60 (part. aor. gen. mv. proselthontôn) . (47) Mt 26,73 (part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes) . (48) Mt 27,58 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (49) Mt 28,2 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) . (50) Mt 28,9 (part. aor. nom. vr. enk. proselthousai) . (51) Mt 28,18 (part. aor. nom. mann. enk. proselthôn) .    

- prosechontai (zij komen naderbij) . Indicatief praesens 3de persoon meervoud .

  Mt 9,14   Mt 15,1 - Mt 15,2
tijdsaanduiding Tote (dan, daarop)   1. Tote (dan, daarop)
werkwoord proserchontai (gaan naderbij)   proserchontai (gaan naderbij)
bepaling  autôi (hem)   tôi Ièsou (Jezus)
onderwerp  hoi mathètai Iôannou (de leerlingen van Johannes)   apo Hierosolumôn Farisaioi kai grammateis (vanuit Jeruzalem Farizeeërs en schriftgeleerden)
citaat inleidend  legontes (zeggende)   legontes (zeggende)
vraag   dia tí (waarom)   2. dia tí (waarom)
  hèmeis kai hoi Farizaioi (wij en de Farizeeërs) oi de mathètai sou (uw leerlingen echter) oi mathètai sou (uw leerlingen)
  nèsteuomen polla (vasten veel) ou nèsteuousin (vasten niet) parabainousin tèn paradosin tôn presbuterôn (overtreden de overlevering van de priesters)
  70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe : Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -   154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 -

- prosèlthen (hij kwam naderbij) . Actief aorist derde persoon enkelvoud .

  1. honderdman 2. Jezus 3. een mens 4. de moeder van... 5. een vrouw 6. een meisje
bijbelplaats Mt 8,5 Mt 17,7 Mt 17,14 Mt 20,20 Mt 26,7 Mt 26,69
    kai (en)   Tote (dan)   kai (en)
 prosèlthen (hij kwam naderbij) prosèlthen (kwam tot bij) prosèlthen (kwam tot bij) prosèlthen (kwam tot bij) prosèlthen (kwam tot bij) prosèlthen (kwam tot bij) prosèlthen (kwam tot bij)
onderwerp            
werkwoord autôi (hem)   autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem)
meewerkend voorwerp (datief)

hekatontarchos (een honderdman

ho Ièsous (Jezus) anthrôpos (een mens) hè mètèr... (de moeder van...) gunè (een vrouw) mia paidiskè (een meisje)
werkwoord vorm van legô : zeggen parakalôn auton (hem ter hulp roepend) kai hapsamenos autôn (en hen aanrakende) gonupetôn auton (op de knieën vallend voor hem)      
meewerkend voorwerp kai legôn (en zeggend) eipen (zei) kai legôn (en zeggend)     legousa (zeggende)
citaat rechtstr. rede rechtstr. rede rechtstr. rede     rechtstr. rede
aanspreektitel kurie (Heer) kurie (Heer) kurie (Heer)      
  57. De honderdman van Kafarnaüm : Mt 8,5-13 - Lc 7,1-10 - 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - 170. Genezing van een bezeten kind : Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a 273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 - 318. Zalving van Jezus te Betanië : Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50 334. Verloochening van Petrus : Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -

- prosèlthon (ik kwam naderbij / zij kwamen naderbij) . Indicatief aorist derde persoon meervoud van het werkwoord proserchomai (naderbij gaan / komen) .

prosèlthon  1. engelen zijn leerlingen 2. de blinden 3.  zijn leerlingen 4.  de leerlingen 5. vele menigten 6.  belastings-ontvangers 7.  de leerlingen
bijbelplaats Mt 4,11   Mt 5,1 Mt 9,28   Mt 13,36 Mt 14,15 Mt 15,30   Mt 17,24   Mt 18,1
  kai idou (en zie) aggeloi (engelen)     kai (en)  opsias de genomenès ('savonds echter) kai (en)    En ekeinèi tèi hôrai (Op dat ogenblik)
  prosèlthon (kwamen naderbij)   prosèlthan (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij)  prosèlthon (kwamen naderbij)
    autôi (tot hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (tot hem) autôi (hem)    
    hoi mathètai autou (zijn leerlingen)  oi tufloi (de blinden) hoi mathètai autou (zijn leerlingen) hoi mathètai (de leerlingen)  ochloi polloi (vele menigten) hoi ... tôi Petrôi (aan Petrus) hoi mathètai (de leerlingen) tôi Ièsou (aan Jezus)
werkw. legô (zeggen) .       legontes (zeggende)  legontes (zeggende)  genezingen  kai eipan (en ze zeiden) legontes (zeggende) 
citaat        rechtstr. rede  rechtstr. rede   rechtstr. rede   rechtstr. rede  
aanspreektitel     ... nai kurie (ja Heer) .       ho didaskalos humôn ... (jullie leermeester)  
  20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - 24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 - 72. Genezing van twee blinden : Mc 10,46-52 - Mt 20,29-34 - Lc 18,35-43 - Mt 9,27-31 - 137. Uitleg van de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe : Mt 13,36-43 - 151. eerste broodvermenigvuldiging - Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a - 156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw : Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28 - 172. Tempelbelasting : Mt 17,24-27 - 173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 -

  8. Farizeeën 9. blinden 10.hogepriesters... 11. Sadduceeën 12. zijn leerlingen 13. de leerlingen 14.
bijbelplaats Mt 19,3 Mt 21,14 Mt 21,23   Mt 22,23   Mt 24,1 Mt 24,3 Mt 26,17
  prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) kai (en)  prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) ...   prosèlthon (kwamen naderbij)
  autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) didaskonti (lerende) autôi (hem) didaskonti (lerende)   autôi (hem)  
  Farizaioi (de Farizeeën) tufloi ( blinden) hoi archiereis kai hoi prebuterou tou laou (de hogepriesters en de oudsten van het volk) Saddukaioi (Sadduceeërs hoi mathètai autou (zijn leerlingen) hoi mathètai (de leerlingen)  kat'idian (afzonderlijk) hoi mathètai (de leerlingen) tôi Ièsou (aan Jezus)
legô (zeggen)  ... kai legontes (en zeggende) genezingen  legontes (zeggende)  ... legontes (zeggende)    legontes (zeggende)  legontes (zeggende) 
citaat rechtstr. rede   rechtstr. rede rechtstr. rede onrechtstr. rede   rechtstr. rede rechtstr. rede
aanspreektitel       didaskale (leermeester)      
  265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : - Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 - 284. Jezus in de tempel. Terugkeer naar Betanië : Mc 11,18-19 - Mt 21,14-17 - Lc 19,47-48 - 287. Vraag naar Jezus'macht : Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 - 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis : Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 - 299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 - 299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 - 320. Voorbereiding van het paasmaal : Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -

- proselthôn (naderbijgekomen) .

  1. de beproever 2. een melaatse 3. een schriftgeleerde 4. Petrus 5. iemand 6. (een vader tot de oudste zoon) 7.(een vader tot de jongste zoon)
bijbeltekst Mt 4,3

Mt 8,2

Mt 8,19 Mt 18,21 Mt 19,16 Mt 21,28 Mt 21,30
  Kai (en) kai idou (en zie) lepros (een melaatse) Kai (en) Tote (dan) kai idou (en zie) heis (één iemand) Kai (en)  
proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) prosekunei (knielde) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn de (naderbijgekomen echter))
onderwerp ho peirazôn (de beproever)   heis grammateus (één schriftgeleerde) ho Petros (Petrus)      
meewerkend voorwerp (datief)   autôi (bij hem)     autôi (bij hem) tôi prôtôi (aan de eerste) tôi heterôi (aan de andere)
werkwoord vorm van legô : zeggen eipen (zei) legôn (zeggende) eipen (zei) eipen (zei) eipen (zei) eipen (zei) eipen (zei)
meewerkend voorwerp autôi (aan hem)   autôi (aan hem) autôi (aan hem)      
citaat rechtstr. rede rechtstr. rede rechtstr. rede rechtstr. rede rechtstr. rede rechtstr. rede hôsautôs (evenzo)
aanspreektitel  geen kurie (Heer) didaskale (meester)  kurie (Heer)  didaskale (meester)  teknon (kind)  
  20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - 56. Genezing van een melaatse : Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 - 64. Voorwaarden van het volgen : Mt 8,18-22 - Lc 9,57-62 -  181. Vergevingsgezindheid : Mt 18,21-22 - Lc 17,3b-4 -   268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 -  288. Gelijkenis van de twee zonen : Mt 21,28-32 -  288. Gelijkenis van de twee zonen : Mt 21,28-32 -

  8. 9. 10.  11.   12.   13. 14. Jezus
bijbeltekst Mt 25,20 Mt 25,22 Mt 25,24 Mt 26,49 Mt 27,58   Mt 28,2 Mt 28,18
  kai (en)      kai eutheôs (en onmiddellijk)   kai (en) kai (en) 
onderw.         houtos (deze)    
proselthôn proselthôn (naderbijgekomen)  proselthôn de (naderbijgekomen echter) proselthôn de (naderbijgekomen echter) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) 
onderw.         tôi Pilatôi (bij Pilatus)   ho Ièsous (Jezus) 
werkwoord prosènegken         èitèsato (vroeg) apekulisen (rolde weg) elalèsen (sprak) autois (aan hen)
meewerkend voorwerp (datief)       tôi Ièsou (bij Jezus)       

werkw. legô ( zeggen)

legôn eipen (zei hij) eipen (zei hij) eipen (zei hij)     legôn (zeggende)  
meewerk. vw.              
citaat rechtstr. rede rechtstr. rede rechtstr. rede rechtstr. rede     rechtstr. rede
aanspreektitel kurie (Heer) kurie (Heer)  kurie (Heer)  chaire, rabbi (gegroet rabbi)      
  314. Gelijkenis van de talenten : Mt 25,14-30 - 314. Gelijkenis van de talenten : Mt 25,14-30 - Mt 25,14-30 -  314. Gelijkenis van de talenten : Mt 25,14-30 - 330. Gevangenneming van Jezus : Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 - 349. Begrafenis van Jezus : Mc 15,40-41 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a - 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 - 353. Verschijning aan de elf in Galilea : Mt 28,16-20 -

- proselthontes (naderbijgekomen) . Verleden deelvoud nominatief mannelijk meervoud van het werkwoord proserchomai (naderbijkomen) .

1. 2. de leerlingen 3. 4. zijn leerlingen 5. de leerlingen 6.  zijn leerlingen 7. Farizeeën en ...
Mt 8,25 Mt 13,10 Mt 13,27 Mt 14,12 Mt 15,12 Mt 15,23 Mt 16,1
kai (en) kai (en)   kai (en) Tote (daarop) kai (en) kai (en)
proselthontes (naderbijgekomen) proselthontes (naderbijgekomen) proselthontes de (naderbijgekomen echter)   proselthontes (naderbijgekomen) proselthontes (naderbijgekomen) proselthontes (naderbijgekomen) proselthontes (naderbijgekomen)
  hoi mathètai (de leerlingen)   hoi mathètai autou (zijn leerlingen) hoi mathètai (de leerlingen) hoi mathètai autou (zijn leerlingen) hoi Pharisaioi kai hoi Saddoukaioi (de Farizeeën en de Sadduceeën)
            peirazontes(op de proef stellend - uitproberend)
ègeiran auton legontes (wekten hem zeggend)   eipan (zeiden) eipon (zeiden)    legousin (zeggen zij) èrôtoun (vroegen zij) epèrôtèsan (vroegen zij)
  autôi (hem) autôi (hem)     autôi (hem) auton (hem)  auton (hem)
  dia ti (waarom)         legontes (zeggende)   
kurie (Heer)   kurie (Heer)       onrechtstr. rede
65. Het bedaren van de storm : Mc 4,35-41 - Mt 8,23-27 - Lc 8,22-25  127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt : Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10  133. Gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe : Mt 13,24-30  149. Onthoofding van Johannes de Doper : Mc 6,17-29 - Mt 14,3-12  155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20  156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw : Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28  159. Vraag om een teken uit de hemel : Mc 8,11-13 - Mt 16,1-4 - Mt 12,38-42 -

8. de leerlingen 9. 10. valse getuigen) 11. omstaanders
Mt 17,19 Mt 26,50 Mt 26,60 Mt 26,73
Tote (daarop) Tote (daarop) husteron de (later echter)    
proselthontes (naderbijgekomen) proselthontes (naderbijgekomen) proselthontes duo (twee naderbijgekomen)   proselthontes (naderbijgekomen) 
hoi mathètai (de leerlingen)     ... eipon (zij zeiden) tôi Petrôi (tot Petrus)  
... eipon (zij zeiden)   gevangenneming     
dia ti (waarom)      
170. Genezing van een bezeten kind : Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a  330. Gevangenneming van Jezus : Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53  332. Jezus voor het Sanhedrin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71  334. Verloochening van Petrus : Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 

Twee soorten groepen benaderen Jezus met een vraag over het gedrag van de leerlingen. De leerlingen van Jezus onderscheiden zich van anderen omdat ze niet vasten en omdat ze de tradities van de priesters niet respecteren.

- prosferô (brengen of dragen bij) . Verwijzing : prosferô (brengen of dragen bij) , zie Mt 9,2 . prosferô (dragen naar of brengen bij) .
- proseferon (en zij droegen naar) . Indicatief imperfectum derde persoon meervoud van het werkwoord prosferô (dragen naar) . In vier verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In drie verzen in het N.T. : (1) Mt 9,2 . (2) Mc 10,13 . (3) Lc 18,15 .
- prosènegka (hij bracht naar) . Indicatief aorist derde persoon . In één vers in de bijbel : Mt 17,16 .
- prosènegkan (zij droegen naar) . Indicatief aorist derde persoon meervoud . In vierentwintig verzen in de bijbel . In zeven verzen in het N.T. . In zes verzen bij Matteüs : (1) Mt 2,11 . (2) Mt 4,24 . (3) Mt 8,16 . (4) Mt 9,32 . (5) Mt 14,35 . (6) Mt 22,19 . Telkens is de woordvolgorde : werkwoord + autôi (bij hem) + accusatief van het lijdend voorwerp .
- prosènechthè (hij werd gebracht) . Passief aorist derde persoon enkelvoud . In drie verzen in de bijbel . Slechts in het N.T. : (1) Mt 12,22 . (2) Mt 18,24 . (3) Hnd 21,26 .

1. de Wijzen 2. wie voor de zieken zorgt 3. wie voor de zieken zorgt 4. wie voor de zieken zorgt 5. wie voor de zieken zorgt 6. Farizeeën en Herodianen      
Mt 2,11 Mt 4,24 Mt 8,16 Mt 9,32 Mt 14,35 Mt 22,19 Mt 9,2 Mt 12,22 Mt 18,24
prosènegkan (zij droegen bij) prosènegkan (zij droegen bij) prosènegkan (zij droegen bij) prosènegkan (zij droegen bij) prosènegkan (zij droegen bij) prosènegkan (zij droegen bij) proseferon (droegen zij naar) prosènechthè (werd 'bij 'hem' gebracht) prosènechthè (werd 'bij 'hem' gebracht)
autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem)
geschenken vele zieken vele duivelbezetenen een doof en duivelbezeten mens allen die er slecht aan toe waren een denarie een lamme een blinde en dove duivelbezetene een schuldige
11. Huldiging van de magiërs : Mt 2,1-12  24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31  59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 - Mt 8,16-17 - Lc 4,40-41  73. Genezing van een stomme bezetene : Mt 9,32-34 - Mt 12,22-23 - Mc 3,22-27 - Lc 11,14  genezingen te Gennesaret - Mc 6,53-56 - Mt 14,34-36  291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer : Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26  67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 - 117. Genezing van een blinde en een stomme bezetene : Mt 12,22-23 - Mt 9,32-34 - Lc 11,14  182. Gelijkenis van de onbarmhartige dienaar : Mt 18,23-35  

- poreuthentes (zich op weg begeven) . Verwijzing : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) , zie Mt 2,9 . Participium aorist nominatief mannelijk of vrouwelijk meervoud. In zesentwintig verzen in de bijbel. In elf verzen in het O.T. . In vijftien verzen in het N.T. : Mt (7) . Mc (1) . Lc (7) . Bij Matteüs : (1) Mt 2,8 . (2) Mt 9,13 . (3) Mt 11,4 . (4) Mt 21,6 . (5) Mt 22,15 . (6) Mt 27,66 . (7) Mt 28,19 .

1. opdracht van Herodes aan de magiërs. 2. opdracht van Jezus aan de Farizeeën 3. opdracht van Jezus aan de leerlingen van Johannes de Doper 4. uitvoering van een opdracht van Jezus aan zijn leerlingen 5. het besluit van de Farizeeën 6. uitvoering van de opdracht van Pilatus opdracht van de engel aan de vrouwen  7. opdracht van Jezus aan zijn leerlingen
Mt 2,8 Mt 9,13 Mt 11,4 Mt 21,6 Mt 22,15 Mt 27,66 Mt 28,7 Mt 28,19
kai pempsas autous eis Bètleem eipen (en hen gezonden naar Betlehem zei hij) Mt 9,12 : ho de akousas eipen (Hij - Jezus - echter gehoord zei) kai apokritheis ho Ièsous eipen autois (en Jezus geantwoord zei hen) Mt 21,1 : tote Ièsous apesteilen duo mathètas legôn autois (daarop zond Jezus twee leerlingen zeggende hen)   Mt 27,65 : efè autois ho Pilatos (Pilatus zei hen) Mt 28,5 : apokritheis de ho aggelos eipen tais gunaiksin (Geantwoord echter de engel zei aan de vrouwen) Mt 28,18 : Kai proselthôn ho Ièsous elalèsen autois legôn (En naderbijgekomen sprak Jezus tot hen zeggend)
poreuthentes (zich op weg begeven) poreuthentes (zich op weg begeven) poreuthentes (zich op weg begeven) poreuthentes (gegaan) Tote poreuthentes (Dan gegaan) hoi de poreuthentes (zij echter gegaan) kai tachu poreutheisai (en zich snel op weg begeven) poreuthentes (zich op weg begeven)
   de (echter)    de (echter)        
      hoi mathètai (de leerlingen) hoi Farisaioi (de Farizeeën)      
imperatief 2de persoon meervoud imperatief 2de persoon meervoud imperatief 2de persoon meervoud apaggeilate (meldt)       imperatief 2de persoon meervoud : eipate (zeggen) imperatief 2de persoon meervoud
               
uitvoering: Mt 2,9 eporeuthèsan (zij begaven zich op weg)    Na Mt 11,2-6 : Mt 11,7 : toutôn de poreuomenôn (nadat zij echter zich op weg begaven) opdracht : Mt 21,2 poreuesthe : begeef je op weg   opdracht: Mt 27,65 : hupagete : ga Mt 28,7 : hupagete (ga) Mt 28,11 (na Mt 28,9-10) : poreuomenôn de autôn (nadat zij echter zich op weg begaven)  
 11. Huldiging van de magiërs : Mt 2,1-12  69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32   111. Vraag van Johannes de Doper : Lc 7,18-23 - Mt 11,2-6  279. Intocht in Jeruzalem : Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40  291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer : Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26  350. Wacht bij het graf : Mt 27,62-66 352. Het omkopen van de wacht :Mt 28,11-15 -  353. Verschijning aan de elf in Galilea :Mt 28,16-20 -

-

ptôchos (arm) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
nom. m. enk.ptôchos 33 30 3     1     1 1 1 1
nom. + dat vr. enk , nom + acc. onz. mv. .ptôcha(i) 1   1           1      
nom. + acc. onz. enk. ptôchon 22 20 2     1     1   1 1
gen. man. enk ptôchou 17 17                    
dat. man. en onz. enk. ptôchô(i) 12 11 1           1      
nom. m. mv. ptôchoi 14 9 5 2   2     1   4 4
gen. man. mv. ptôchôn 11 9 2       1   1     1
dat. man. en onz. mv. ptôchois 12 3 9 2 2 3 2       7 9
acc. man. mv. ptôchous 21 13 8 1 1 2 1   2 1    
Totaal   143 112 31 5 3 9 4   8 2 17 21

S

- sesôken (hij heeft gered / verlost) . In zeven verzen in de bijbel, enkel in het N.T. : (1) Mt 9,22 (// Mc 5,34 // Lc 8,48) . (2) Mc 5,34 (// Mt 9,2 // Lc 8,48) . (3) Mc 10,52 (// Lc 18,42) . (4) Lc 7,50 . (5) Lc 8,48 (Mc 5,34 // Mt 9,2) . (6) Lc 17,19 . (7) Lc 18,42 (// Mc 10,52) . In deze zeven verzen komt de uitdrukking hè pistis sou sesôken se = je geloof heeft je gered - je geloof is je redding) . Vier lettergrepen beginnen met s- . Vijf woorden . Acht lettergrepen . Het gaat om drie wonderverhalen en een verhaal van zondenvergeving van een vrouw die haar zonden berouwt . Bij de wonderverhaal gaat het om de genezing van een bloedvloeiende vrouw , van een blinde man en van een melaatse man . De 'genezings'formule is dus gericht tot twee vrouwen en twee mannen .

T

- theos (God) .

theos (God)  bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk 
nom. enk. theos 1686  1399  287  15  17  58  287 - 124 = 163  20 
voc. enk. thee 16 15 1 1            
gen. enk.  theou 1517  876 641  28  31  70 43  56  641 - 281 = 360   53 
dat.  enk. theô(i) 433  279 154  13  154 - 44 = 110  13 
acc.  enk. theon 496  354 142  23  12  30  142 - 80 = 62 
Totaal   4148  2923 1225  45  44  117  76  157   1224 - 529 = 695 91 

In het N.T. komt een vorm van het woord God in 1225 verzen voor . In Mt slechts in 45 verzen (3,67 %) . Van de achtentwintig hoofdstukken komt een vorm van het woord God in 17 hoofdstukken voor , in elf evenwel niet . Meest opvallend is Mt 28 waarin een vorm van het woord God niet voorkomt .

theos (God)  Mt 1 Mt 2 Mt 3 Mt 4 Mt 5 Mt 6 Mt 7 Mt 8 Mt 9 Mt 10 Mt 11 Mt 12 Mt 13 Mt 14 Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22 Mt 23 Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28  
nom. enk. theos                                            
voc. enk. thee                                                     1   1
gen. enk.  theou                           28 
dat.  enk. theô(i)                                                  
acc.  enk. theon                                            1  
Totaal                   2       45 

theos (God)  Mt 1 Mt 3 Mt 4 Mt 5 Mt 6 Mt 8 Mt 9 Mt 12 Mt 14 Mt 15  
nom. enk. theos 1 : Mt 1,23 . 1 : Mt 3,9 .     1 : Mt 6,30         1 : Mt 15,4 .
voc. enk. thee                     1
gen. enk.  theou   1 : Mt 3,16 . 3 : (1) Mt 4,3 . (2) Mt 4,4 . (3) Mt 4,6. 2 : (1) Mt 5,9 . (2) Mt 5,34 . 1 : Mt 6,33 . 1 : Mt 8,29 .   2 : (1) Mt 12,4 . (2) Mt 12,28 . 1 : Mt 14,33 . 2 : (1) Mt 15,3 . (2) Mt 15,6 . 28 
dat.  enk. theô(i)         1 : Mt 6,24 .          
acc.  enk. theon     2 : (1) Mt 4,7 . (2) Mt 4,10 . 1 : Mt 5,8 .     1 : Mt 9,8 .     1 : Mt 15,31 .
Totaal   45 

theos (God)  Mt 16 Mt 19 Mt 21 Mt 22 Mt 23 Mt 26 Mt 27  
nom. enk. theos   1 : Mt 19,6   1 : Mt 22,32      
voc. enk. thee             1 : Mt 27,46 . 1
gen. enk.  theou 2 : (1) Mt 15,16 . (2) Mt 16,23 . 1 : Mt 19,24 . 2 : (1) Mt 21,31 . (2) Mt 21,43 . 4 : (1) Mt 22,16 . (2) Mt 22,21 . (3) Mt 22,29 . (4) Mt 22,31 . 1 : Mt 23,22 . 2 : (1) Mt 26,61 . (2) Mt 26,63 . 3 : (1) Mt 27,40 . (2) Mt 27,43 . (3) Mt 27,54 . 28 
dat.  enk. theô(i)   1 : Mt 19,26 .   1 : Mt 22,21 .        
acc.  enk. theon       1 : Mt 22,37 .     1 : Mt 27,43 .
Totaal   45 

 

- tote . tote (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Verwijzing : tote (dan, daarop) , zie Mt 2,7 . Bijwoord van tijd .

tote (< to - de : dat echter ; dan , daarop)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk    
  353 195 158 89 6 15 10 21 17      

tote (dan)  Mt 1 Mt 2 Mt 3 Mt 4 Mt 5 Mt 6 Mt 7 Mt 8 Mt 9 Mt 10 Mt 11 Mt 12 Mt 13 Mt 14 Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22 Mt 23 Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28
89          13 

tote (dan)  Mt 2 Mt 3 Mt 4 Mt 5 Mt 7 Mt 8
  (1) . (2) . (3) . (1) . (2) . (3) . (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,10 . (4) Mt 4,11 . (5) Mt 4,17 . (1) . (1) . (2) . (1) .

tote (dan)  Mt 9 Mt 11 Mt 12 Mt 13 Mt 14
  (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (1) . (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (1) . (2) . (3) .  

tote (dan)  Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22 Mt 23
  (1) . (2) . (3) . (1) Mt 16,12 . (2) Mt 16,20 . (3) Mt 16,21 . (4) Mt 16,24 . (5) Mt 16,27 . (1) . (2) . (1) . (2) . (1) . (2) . (1) . (1) . (1) Mt 22,8 . (2) Mt 22,13 . (3) Mt 22,15,. (4) Mt 22,21 . (1) Mt 23,1 .

tote (dan)  Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28
  (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . (12) . (13) . (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (1) .

Het is duidelijk dat dit een woord is dat Matteüs zeer graag gebruikt .
Het gebruik van tote (dan, daarop) duidt op een opeenvolging . Het staat meestal als eerste woord in de zin of na een voorzetsel . Het doet denken aan ho de (hij echter), hè de (zij echter) en to de (het echter) dat evenwel niet bestaat . Het zou een samentrekking kunnen zijn van to de (het echter) . Het verklaart waarom er geen de (echter) na tote (dan) staat .
- apo tote (apo : voorzetsel + bijwoord van tijd) . Verwijzing : apo (van, vanaf) , zie Mt 1,17 . In vier verzen in het N.T. : (1) Mt 4,17 . (2) Mt 16,21 . (3) Mt 26,16 . (4) Lc 16,16 .

Z

- zèteô (zoeken) . Zoeken kan een dubbele betekenis hebben , ook vervat in het woord "gezocht". Iemand kan gezocht worden omdat hij van een misdaad verdacht is . Ook kan iemand gezocht worden omdat die persoon spoorloos is en gemist wordt .

zèteô (zoeken) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  
ind. pr. 3de p. enk. zètei 33 23 10 1 1 2 4   2    
ind. pr. 1ste p. enk. zètô  17  13             
ind. pr. 2de p. enk. zèteis  11               
ind. pr. 3de p. mv. zètousin 12 4 8   2   1   5    
ind p. + imp. 2de p. mv.zèteite 27 5 22 3 1 4 10 1 3    
inf. pr. zètein 13 11 2 1       1      
part. pr. nom. m. enk. zètôn  20 11 9 1   3 2 1 2    
part. pr. nom + acc. onz. enk. zètoun 4 2 2 1   1          
part. pr. dat. enk. zètounti  2 1 1 1              
part. pr. nom. mv. zètountes  33  23  10       
part. pr. g. mv. zètountôn  11               
ind imp. 3de p. enk. ezètèi 22 15 7 1 1 3 1 1      
ind. imp. 3de p. mv. ezètoun 27 8 18 1 4 5 7 1      
ind. aor. 3de p. enk. ezètèsen  19  18               
ind. aor. 3de p. mv. ezètèsan   18                 
impera. aor. 2de p. mv. zètèsete  6 2 4       4        
                       

zèteô (zoeken) Mt  
ind. pr. 3de p. enk. zètei 1 : Mt 18,12 .  
ind p. + imp. 2de p. mv.zèteite 3 : (1) Mt 6,33 . (2) Mt 7,7 . (3) Mt 28,5 .  
inf. pr. zètein 1 : Mt 2,13 .  
part. pr. nom. m. enk. zètôn  1 : Mt 7,8 .  
part. pr. nom + acc. onz. enk. zètoun 1 : Mt 12,43 .  
part. pr. dat. enk. zètounti  1 : Mt 13,45 .  
part. pr. nom. mv. zètountes  4 : (1) Mt 2,20 . (2) Mt 12,46 . (3) Mt 12,47 . (4) Mt 21,46 .  
ind imp. 3de p. enk. ezètèi 1 : Mt 26,16 .  
ind. imp. 3de p. mv. ezètoun 1 : Mt 26,59 .  
  14    

vorm van zèteô (zoeken)   (1) Mt 2,13 (zètein) . (2) Mt 2,20 (zètountes = zoekende) . (3) Mt 6,33 (zèteite = zoekt) . (4) Mt 7,7 (zèteite = zoekt) . (5) Mt 7,8 (zètôn = zoekende) . (6) Mt 12,43 (zètoun = zoekend) . (7) Mt 12,46 (zètountes = zoekende) . (8) Mt 12,47 (zètountes = zoekende) . (9) Mt 13,45 (zètounti = aan de zoekende) . (10) Mt 18,12 (hij zoekt) . (11) Mt 21,46 (zètountes = zoekende) . (12) Mt 26,16 (ezètei = hij zocht) . (13) Mt 26,59 (ezètoun = zij zochten) . (14) Mt 28,5 (zèteite = jullie zoeken) .    

- hogepriester - Farizeeër - schriftgeleerde - oudere

    archiereus (hogepriester) farisaios (Farizeeër) grammateus (schriftgeleerde) presbuteros (oudere)  
archiereus (hogepriester) 25  7 : 2 6 11  
farisaios (Farizeeër) 28  2 16 10    
grammateus (schriftgeleerde) 22  2 10 6 4  
presbuteros (oudere) 12  11   4    
             

 

Een vorm van archiereus (hogepriester)  25 : (1) Mt 2,4 (acc. mv.) . (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . (3) Mt 20,18 (dat. mv.) . (4) Mt 21,15 (nom. mv.) . (5) Mt 21,23 (nom. mv.) . (6) Mt 21,45 (nom. mv.) . (7) Mt 26,3 (nom. mv.) . (8) Mt 26,3 (gen. enk.) . (9) Mt 26,14 (acc. mv.) . (10) Mt 26,47 (gen. mv.) . (11) Mt 26,51 (gen. enk.) . (12) Mt 26,57 (acc. enk.) . (13) Mt 26,58 (gen. enk.) . (14) Mt 26,59 (gen. mv.) . (15) Mt 26,62 (nom. enk.) . (16) Mt 26,63 (nom. enk.) . (17) Mt 26,65 (nom. enk.) . (18) Mt 27,1 (nom. enk.) . (19) Mt 27,3 (dat. mv.) . (20) Mt 27,6 (nom. mv.) . (21) Mt 27,12 (gen. mv.) . (22) Mt 27,20 (nom. mv.) . (23) Mt 27,41 (nom. mv.) . (24) Mt 27,62 (nom. mv.) . (25) Mt 28,11 (dat. mv.) .  

Een vorm van farisaios (Farizeeër) : nom. + gen. mv. 28 : (1) Mt 3,7 (gen.) . (2) Mt 5,20 (gen.) . (3) Mt 9,11 (nom.) . (4) Mt 9,14 (nom.) . (5) Mt 9,34 (nom.) . (6) Mt 12,2 (nom.) . (7) Mt 12,14 (nom.) . (8) Mt 12,24 (nom.) . (9) Mt 12,38 (gen.) . (10) Mt 15,1 (nom.) . (11) Mt 15,12 (nom.) . (12) Mt 16,1 (nom.) . (13) Mt 16,6 (gen.) . (14) Mt 16,11 (gen.) . (15) Mt 16,12 (gen.) .  (16) Mt 19,3 (nom.) . (17) Mt 21,45 (nom.) . (18) Mt 22,15 (nom.) . (19) Mt 22,34 (nom.) . (20) Mt 22,41 (gen.) . (21) Mt 23,2 (nom.) . (22) Mt 23,13 (nom.) . (23) Mt 23,15 (nom.) . (24) Mt 23,23 (nom.) . (25) Mt 23,25 (nom.) . (26) Mt 23,27 (nom.) . (27) Mt 23,29 (nom.) . (28) Mt 27,62 (nom.) .

 

Een vorm van grammateus (schriftgeleerde) .  (1) Mt 2,4 (acc. mv) . (2) Mt 5,20 (gen. mv.) . (3) Mt 7,29 (nom. mv.) . (4) Mt 8,19 (nom. enk.) . (5) Mt 9,3 (gen. mv.) . (6) Mt 12,38 (gen. mv.) . (7) Mt 13,52 (nom. enk.) . (8) Mt 15,1 (nom. mv.) . (9) Mt 16,21 (gen. mv.) . (10) Mt 17,10 (nom. mv.) . (11) Mt 20,18 (dat. mv.) . (12) Mt 21,15 (nom. mv.) . (13) Mt 23,2 (nom. mv.) . (14) Mt 23,13 (voc. mv.) . (15) Mt 23,15 (voc. mv.) . (16) Mt 23,23 (voc. mv.) . (17) Mt 23,25 (voc. mv.) . (18) Mt 23,27 (voc. mv.) . (19) Mt 23,29 (voc. mv.) . (20) Mt 23,34 (acc. mv.) . (21) Mt 26,57 (nom. mv.) . (22) Mt 27,41 (nom. mv.) .  

 

Een vorm van presbuteros (oudere) 12 : (1) Mt 15,2 (gen. mv.) . (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . (3) Mt 21,23 (nom. mv.) . (4) Mt 26,3 (nom. mv.) . (5) Mt 26,47 (gen. mv.) . (6) Mt 26,57 (nom. mv.) . (7) Mt 27,1 (nom. mv.) . (8) Mt 27,3 (dat. mv.) . (9) Mt 27,12 (gen. mv.) . (10) Mt 27,20 (nom. mv.) . (11) Mt 27,41 (gen. mv.) . (12) Mt 28,12 (gen. mv.) .

 

Een vorm van   Mt 2 Mt 3 Mt 5 Mt 8 Mt 9 Mt 12 Mt 13
archiereus (hogepriester)  (1) Mt 2,4 (acc. mv.)             

farisaios (Farizeeër) : nom. + gen. mv. 

  (1) Mt 3,7 (gen.) .  (2) Mt 5,20 (gen.) .    (3) Mt 9,11 (nom.) . (4) Mt 9,14 (nom.) . (5) Mt 9,34 (nom.) .  (6) Mt 12,2 (nom.) . (7) Mt 12,14 (nom.) . (8) Mt 12,24 (nom.) . (9) Mt 12,38 (gen.) .   
grammateus (schriftgeleerde) .   (1) Mt 2,4 (acc. mv) .    (2) Mt 5,20 (gen. mv.) .   (4) Mt 8,19 (nom. enk.) .  (5) Mt 9,3 (gen. mv.) .  (6) Mt 12,38 (gen. mv.) .  (7) Mt 13,52 (nom. enk.) . 
presbuteros (oudere)                

 

een vorm van  Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22  
archiereus (hogepriester)   (2) Mt 16,21 (gen. mv.) .      (3) Mt 20,18 (dat. mv.) .  (4) Mt 21,15 (nom. mv.) . (5) Mt 21,23 (nom. mv.) . (6) Mt 21,45 (nom. mv.) .     
farisaios (Farizeeër) : nom. + gen. mv.  (10) Mt 15,1 (nom.) . (11) Mt 15,12 (nom.) .  (12) Mt 16,1 (nom.) . (13) Mt 16,6 (gen.) . (14) Mt 16,11 (gen.) . (15) Mt 16,12 (gen.) .      (16) Mt 19,3 (nom.) .    (17) Mt 21,45 (nom.) .  (18) Mt 22,15 (nom.) . (19) Mt 22,34 (nom.) . (20) Mt 22,41 (gen.) .   
grammateus (schriftgeleerde) .   (8) Mt 15,1 (nom. mv.) .  (9) Mt 16,21 (gen. mv.) .   (10) Mt 17,10 (nom. mv.) .    (11) Mt 20,18 (dat. mv.) .   (12) Mt 21,15 (nom. mv.) .     
presbuteros (oudere)   (1) Mt 15,2 (gen. mv.) .  (2) Mt 16,21 (gen. mv.) .        (3) Mt 21,23 (nom. mv.) .     

 

een vorm van  Mt 23 Mt 26 Mt 27 Mt 28  
archiereus (hogepriester)   (7) Mt 26,3 (nom. mv.) . (8) Mt 26,3 (gen. enk.) . (9) Mt 26,14 (acc. mv.) . (10) Mt 26,47 (gen. mv.) . (11) Mt 26,51 (gen. enk.) . (12) Mt 26,57 (acc. enk.) . (13) Mt 26,58 (gen. enk.) . (14) Mt 26,59 (gen. mv.) . (15) Mt 26,62 (nom. enk.) . (16) Mt 26,63 (nom. enk.) . (17) Mt 26,65 (nom. enk.) .  (18) Mt 27,1 (nom. enk.) . (19) Mt 27,3 (dat. mv.) . (20) Mt 27,6 (nom. mv.) . (21) Mt 27,12 (gen. mv.) . (22) Mt 27,20 (nom. mv.) . (23) Mt 27,41 (nom. mv.) . (24) Mt 27,62 (nom. mv.) .   (25) Mt 28,11 (dat. mv.) .     
farisaios (Farizeeër) : nom. + gen. mv.  (21) Mt 23,2 (nom.) . (22) Mt 23,13 (nom.) . (23) Mt 23,15 (nom.) . (24) Mt 23,23 (nom.) . (25) Mt 23,25 (nom.) . (26) Mt 23,27 (nom.) . (27) Mt 23,29 (nom.) .    (28) Mt 27,62 (nom.) .     
grammateus (schriftgeleerde) .   (13) Mt 23,2 (nom. mv.) . (14) Mt 23,13 (voc. mv.) . (15) Mt 23,15 (voc. mv.) . (16) Mt 23,23 (voc. mv.) . (17) Mt 23,25 (voc. mv.) . (18) Mt 23,27 (voc. mv.) . (19) Mt 23,29 (voc. mv.) . (20) Mt 23,34 (acc. mv.) .   (21) Mt 26,57 (nom. mv.) .  (22) Mt 27,41 (nom. mv.) .     
presbuteros (oudere)     (4) Mt 26,3 (nom. mv.) . (5) Mt 26,47 (gen. mv.) . (6) Mt 26,57 (nom. mv.) .    (7) Mt 27,1 (nom. mv.) . (8) Mt 27,3 (dat. mv.) . (9) Mt 27,12 (gen. mv.) . (10) Mt 27,20 (nom. mv.) . (11) Mt 27,41 (gen. mv.) .  (12) Mt 28,12 (gen. mv.) .   

 

  archiereus (hogepriester) (25) farisaios (Farizeeër) (28) grammateus (schriftgeleerde) (22) presbuteros (oudere) (12)  
archiereus (hogepriester)   2 : 2 : (1) Mt 21,45 (nom.) . (2) Mt 27,62 (nom.) . 6 : (1) Mt 2,4 (acc. mv) . (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . (3) Mt 20,18 (dat. mv.) . (4) Mt 21,15 (nom. mv.) . (5) Mt 26,57 (nom. mv.) . (6) Mt 27,41 (nom. mv.) .  11 : (1) Mt 16,21 (gen. mv.) . (2) Mt 21,23 (nom. mv.) . (3) Mt 26,3 (nom. mv.) . (4) Mt 26,47 (gen. mv.) . (5) Mt 26,57 . (6) Mt 27,1 (nom. mv.) . (7) Mt 27,3 (dat. mv.) . (8) Mt 27,12 (gen. mv.) . (9) Mt 27,20 (nom. mv.) . (10) Mt 27,41 (gen. mv.) . (11) Mt 28,11 -   Mt 28,12 .  
farisaios (Farizeeër) 2 : 2 : (1) Mt 21,45 (nom.) . (2) Mt 27,62 (nom.) .   10 : (1) Mt 5,20 (gen. mv.) .  (2) Mt 12,38 (gen. mv.) . (3) Mt 15,1 (nom. mv.) . (4) Mt 23,2 (nom. mv.) . (5) Mt 23,13 (voc. mv.) . (6) Mt 23,15 (voc. mv.) . (7) Mt 23,23 (voc. mv.) . (8) Mt 23,25 (voc. mv.) . (9) Mt 23,27 (voc. mv.) . (107) Mt 23,29 (voc. mv.) .   
grammateus (schriftgel. 6 : (1) Mt 2,4 (acc. mv) . (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . (3) Mt 20,18 (dat. mv.) . (4) Mt 21,15 (nom. mv.) . (5) Mt 26,57 (nom. mv.) . (6) Mt 27,41 (nom. mv.) .  10 : (1) Mt 5,20 (gen. mv.) .  (2) Mt 12,38 (gen. mv.) . (3) Mt 15,1 (nom. mv.) . (4) Mt 23,2 (nom. mv.) . (5) Mt 23,13 (voc. mv.) . (6) Mt 23,15 (voc. mv.) . (7) Mt 23,23 (voc. mv.) . (8) Mt 23,25 (voc. mv.) . (9) Mt 23,27 (voc. mv.) . (107) Mt 23,29 (voc. mv.) .    4 : (1) Mt 15,1 + Mt 15,2 (gen. mv.) . (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . (3) (6) Mt 26,57 (nom. mv.) .    (4) Mt 27,41 (gen. mv.) .   
presbuteros (oudere) 11 : (1) Mt 16,21 (gen. mv.) . (2) Mt 21,23 (nom. mv.) . (3) Mt 26,3 (nom. mv.) . (4) Mt 26,47 (gen. mv.) . (5) Mt 26,57 . (6) Mt 27,1 (nom. mv.) . (7) Mt 27,3 (dat. mv.) . (8) Mt 27,12 (gen. mv.) . (9) Mt 27,20 (nom. mv.) . (10) Mt 27,41 (gen. mv.) . (11) Mt 28,11 -   Mt 28,12 . -   4 : (1) Mt 15,1 + Mt 15,2 (gen. mv.) . (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . (3) (6) Mt 26,57 (nom. mv.) .    (4) Mt 27,41 (gen. mv.) .     
afzonderlijk  8 : (1) Mt 26,3 (gen. enk.) . (2) Mt 26,51 (gen. enk.) . (3) Mt 26,57 (acc. enk.) . (4) Mt 26,58 (gen. enk.) . (5) Mt 26,62 (nom. enk.) . (6) Mt 26,63 (nom. enk.) . (7) Mt 26,65 (nom. enk.) . (8) Mt 27,1 (nom. enk.)  16 : (1) Mt 3,7 (gen.) . (2) Mt 9,11 (nom.) . (3) Mt 9,14 (nom.) . (4) Mt 9,34 (nom.) . (5) Mt 12,2 (nom.) . (6) Mt 12,14 (nom.) . (7) Mt 12,24 (nom.) . (8) Mt 15,12 (nom.) . (9) Mt 16,1 (nom.) . (10) Mt 16,6 (gen.) . (11) Mt 16,11 (gen.) . (12) Mt 16,12 (gen.) .  (13) Mt 19,3 (nom.) . (14) Mt 22,15 (nom.) . (15) Mt 22,34 (nom.) . (16) Mt 22,41 (gen.) .   5 : (1) Mt 8,19 (nom. enk.) . (2) Mt 9,3 (gen. mv.) . (3) Mt 13,52 (nom. enk.) . (4) Mt 17,10 (nom. mv.) . (5) Mt 23,34 (acc. mv.) . (1) Mt 15,2 (gen. mv.) .