MATTEÜSEVANGELIE : TAALGEBRUIK
- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -
Overzicht van Tenach : Tenach
: overzicht , Tenach
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z -
, Tenach
: commentaar ,
Overzicht van Septuaginta : Septuaginta
: overzicht , Septuaginta
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z
- , Septuaginta
: commentaar ,
Overzicht van het Matteüsevangelie : Mt
: overzicht , Mt
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z
- , Mt
: commentaar ,
Overzicht van het N.T. : NT
: overzicht , NT
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X
-Y
- Z - ,
NT : commentaar
,
Hoofdstukken van het Matteüsevangelie : Mt
1 , Mt 2
, Mt 3 ,
Mt 4 , Mt
5 , Mt 6
, Mt 7 ,
Mt 8 , Mt
9 , Mt 10
, Mt 11
, Mt 12
, Mt 13
, Mt 14
, Mt 15
, Mt 16
, Mt 17
, Mt 18
, Mt 19
, Mt 20
, Mt 21
, Mt 22
, Mt 23
, Mt 24
, Mt 25
, Mt 26
, Mt 27
, Mt 28
.
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| 1. LXX , Griekse tekst N.T. | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel | liturgische lezing |
- bijbeloverzicht , bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven
Overzicht van de bijbelboeken
: OT : Gn
(Genesis ) , Ex
(Exodus) , Lv
(Leviticus) , Nu
(Numeri) , Dt
(Deuteronomium) , Joz
(Jozua) , Re (Rechters)
, Rt (Ruth) ,
1 S (1 Samuël)
, 2 S (2 Samuël)
, 1 K (1 Koningen)
, 2 K (2 Koningen)
, 1 Kr ( 1 Kronieken)
, 2 Kr (2 Kronieken)
, Ezr (Ezra)
, Neh (Nehemia)
, Tob (Tobia)
, Jdt (Judith)
, Est (Esther)
, 1 Mak (1 Makkabeeën)
, 2 Mak (2 Makkabeeën)
, Job , Ps
(Psalmen ) , Spr
(Spreuken) , Pr
(Prediker) , Hl
(Hooglied) , W
(Wijsheid) , Sir
(Sirach) , Js
(Jesaja) , Jr
(Jeremia) , Kl
(Klaagliederen) , Bar
(Baruch) , Ez
(Ezechiël) , Da
(Daniël) , Hos
(Hosea) , Jl (Joël)
, Am (Amos) ,
Ob (Obadja) ,
Jon (Jona) ,
Mi (Micha) , Nah
(Nahum) , Hab
(Habakuk) , Sef
(Sefanja) , Hag
(Haggai) , Zach
(Zacharia) , Mal
(Maleachi) .
- NT : Mt
(Matteüs) - Mc
(Marcus) - Lc
(Lucas) - Joh
(Johannes) - Hnd
(Handelingen) , Rom
(Rome) , 1 Kor
(Korinte) , 2 Kor
(Korinte) , Gal
(Galatië) , Ef
(Efese) , Fil
(Filippi) , Kol
(Kolosse) , 1 Tes
(Tessalonika) , 2
Tes (Tessalonika) , 1
Tim (Timoteüs) , 2
Tim (Timoteüs) , Tit
(Titus) , Film
(Filemon) , Heb
(Hebreeën) , Jak
(Jakobus) , 1 Pe
(Petrus) , 2 Pe
(Petrus) , 1 Joh
(Johannes) , 2 Joh
(Johannes) , 2 Joh
(Johannes) , Jud
(Judas) , Apk
(Apokalyps) .
Overzicht van
de bibliografie van de bijbelboeken : bibliografie
bijbel -
bibliografie
van het Oude Testament - bibliografie
Matteüsevangelie - bibliografie
Marcusevangelie - bibliografie
Lucasevangelie - bibliografie
van het Johannesevangelie - bibliografie
van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
WOORDGEBRUIK
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z -
| Mt 1 | Mt 2 | Mt 3 | Mt 4 | Mt 5 | Mt 6 | Mt 7 | Mt 8 | Mt 9 | Mt 10 | Mt 11 | Mt 12 | Mt 13 | Mt 14 | Mt 15 | Mt 16 | Mt 17 | Mt 18 | Mt 19 | Mt 20 | Mt 21 | Mt 22 | Mt 23 | Mt 24 | Mt 25 | Mt 26 | Mt 27 | Mt 28 | |||
A
- èkolouthèsen (hij volgde) . Verwijzing : akoloutheô (volgen) , zie Mt 4,20 . Actief aorist derde persoon enkelvoud . In negen verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In acht verzen in het N.T. . In drie verzen bij Matteüs : (1) Mt 9,9 . (2) Mt 9,19 . (3) Mt 20,29 .
| 12. een leerling | 13. Jezus | 14. een grote menigte |
| Mt 9,9 | Mt 9,19 | Mt 20,29 |
| kai (en) | kai (en) | kai (en) |
| anastas (opgestaan) | egertheis ho Ièsous (Jezus opgestaan) | |
| èkolouthèsen (volgde) | èkolouthèsen (volgde) | èkolouthèsen (volgde) |
| autôi (hem) | autôi (hem) | autôi (hem) |
| ochlus polus (een grote menigte) | ||
| 68. Roeping van Levi / Matteüs : Mc 2,13-14 - Mt 9,9 - Lc 5,27-28 - | Genezing van een vrouw met bloedvloeiïng. Opwekking van Jaïrus'dochter : Mc 5,21-43 - Mt 9,18-26 - Lc 8,40-56 - | 276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc 10,46-52 - Mt 20,29-34 - Lc 18,35-43 - |
Het meervoud èkolouthèsan (zij volgden) komt in elf verzen bij
Matteüs voor : (1) Mt
4,20 . (2) Mt
4,22 . (3) Mt
4,25 . (4) Mt
8,1 . (5) Mt
8,25 . (6) Mt
9,27 . (7) Mt
12,15 . (8) Mt
14,13 . (9) Mt
19,2 . (10) Mt
20,34 . (11) Mt
27,55 .
Het enkelvoud èkolouthèsen (hij volgde) en het meervoud èkolouthèsan
(zij volgden) komt samen in veertien verzen bij Matteüs voor . In dertien
van de veertien gevallen volgt een persoonlijk voornaamwoord als nadere bepaling
op de werkwoordsvorm van akoloutheô (volgen) . In dertien van de veertien
gevallen wordt Jezus gevolgd , in Mt
9,19 volgt Jezus iemand .
- èkolouthèsen autôi (hij volgde hem) . Verwijzing : akoloutheô
(volgen) , zie Mt
4,20 . In zes verzen in het N.T. . In drie verzen bij Matteüs : (1)
Mt
9,9 . (2) Mt
9,19 . (3) Mt
20,29 . In twee verzen bij Marcus : (1) Mc
2,14 (// Mt
9,9 ) . Mc
14,54 . In één vers bioj Lucas : Lc
5,28 .
- èkolouthèsen autôi (hij volgde hem) behoort tot de buitenkring
van het verhaal . Hieraan beantwoordt een begin : kai paragôn ho Ièsous
(en Jezus voorbijvoerend) .
- akousas de (gehoord echter) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . Participium aorist / verleden deelwoord , nominatief mannelijk enkelvoud bij het onderwerp - soms participiumzin . In vierenvijftig verzen in de bijbel . In drieëndertig verzen in het N.T. ( in zeventien verzen + de = echter) . In acht verzen bij Matteüs : (1) Mt 2,3 (+ de) . (2) Mt 2,22 (+ de) . (3) Mt 4,12 (+ de) . (4) Mt 8,10 (+ de) . (5) Mt 9,12 . (6) Mt 11,2 . (7) Mt 14,13 . (8) Mt 19,22 (+ de) . (Mt 22,7 + de) .
- allos (ander) . Verwijzing : allos
(ander) , zie Mt
13,24 .
-- allèn (een andere) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In zeventien
verzen in de bijbel . In acht verzen in het O.T. . In negen verzen in het N.T.
. Mt (6) . Mc (1) . Lc (1) . Opb (1) . In zes verzen bij Matteüs : (1)
Mt 5,39
: een andere wang . (2) Mt
13,24 : een andere parabel . (3) Mt
13,31 : een andere parabel . (4) Mt
13,33 : een andere parabel . (5) Mt
19,9 : een andere vrouw . (6) Mt
21,33 : een andere parabel .
- Jezus heeft vele malen aan tafel aangelegen . anakeimenou (aanliggend) participium praesens genitief enkelvoud, vinden we in de bijbel slechts in 2 verzen, en wel bij Matteüs. In Mt 9,10-13 maken de Farizeeën opmerkingen aan de leerlingen van Jezus over het feit dat hun meester eet met zondaars en tollenaars. In Mt 26,7 - Mt 26,6-13 - giet een vrouw kostbare olie over Jezus'hoofd. De leerlingen van Jezus zijn geërgerd over die verspilling. Voor Judas is de maat vol; hij besluit Jezus aan de hogepriesters uit te leveren .
- archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters .
| archiereus (hogepriester) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | |
| nom. enk. archiereus | 37 | 9 | 28 | 3 | 3 | 4 | 9 | 9 | |||
| gen. enk. archiereôs | 29 | 13 | 16 | 3 | 4 | 3 | 4 | 1 | 1 | ||
| dat. enk. archierei | 10 | 7 | 3 | 2 | 1 | ||||||
| acc. enk. archierea | 16 | 7 | 9 | 1 | 1 | 1 | 1 | 5 | |||
| nom. + acc. mv. archiereis | 50 | 50 | 12 | 11 | 10 | 9 | 6 | 2 | |||
| gen. mv. archiereôn | 10 | 10 | 3 | 2 | 1 | 1 | 3 | ||||
| dat. mv. archiereusin | 6 | 6 | 3 | 1 | 1 | 1 | |||||
| Totaal | 158 | 36 | 122 | 25 | 22 | 15 | 21 | 22 | 17 |
In het N.T. komt een vorm van het zelfstandig naamwoord archiereus (hogepriester) in 122 verzen voor . Bij Matteüs is dat in vijfentwintig verzen of 20,49 % .
| archiereus (hogepriester) | Mt |
| nom. enk. archiereus | 3 : (1) Mt 26,62 . (2) Mt 26,63 . (3) Mt 26,65 . |
| gen. enk. archiereôs | 3 : (1) Mt 26,3 . (2) Mt 26,51 . (3) Mt 26,58 . |
| dat. enk. archierei | |
| acc. enk. archierea | 1 : Mt 26,57 . |
| nom. + acc. mv. archiereis | 12 : (1) Mt 2,4 . (2) Mt 21,15 . (3) Mt 21,23 . (4) Mt 21,45 . (5) Mt 26,3 (// Mc 14,1 // Lc 22,2) . (6) Mt 26,14 . (7) Mt 26,59 . (8) Mt 27,1 . (9) Mt 27,6 . (10) Mt 27,20 . (11) Mt 27,41 . (12) Mt 27,62 . |
| gen. mv. archiereôn | 3 : (1) Mt 16,21 . (2) Mt 26,47 . (3) Mt 27,12 . |
| dat. mv. archiereusin | 3 : (1) Mt 20,18 . (2) Mt 27,3 . (3) Mt 28,11 . |
| Totaal | 25 |
| vorm van archiereus (hogepriester) | 25 : (1) Mt 2,4 (acc. mv.) . (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . (3) Mt 20,18 (dat. mv.) . (4) Mt 21,15 (nom. mv.) . (5) Mt 21,23 (nom. mv.) . (6) Mt 21,45 (nom. mv.) . (7) Mt 26,3 (nom. mv.) . (8) Mt 26,3 (gen. enk.) . (9) Mt 26,14 (acc. mv.) . (10) Mt 26,47 (gen. mv.) . (11) Mt 26,51 (gen. enk.) . (12) Mt 26,57 (acc. enk.) . (13) Mt 26,58 (gen. enk.) . (14) Mt 26,59 (gen. mv.) . (15) Mt 26,62 (nom. enk.) . (16) Mt 26,63 (nom. enk.) . (17) Mt 26,65 (nom. enk.) . (18) Mt 27,1 (nom. mv.) . (19) Mt 27,3 (dat. mv.) . (20) Mt 27,6 (nom. mv.) . (21) Mt 27,12 (gen. mv.) . (22) Mt 27,20 (nom. mv.) . (23) Mt 27,41 (nom. mv.) . (24) Mt 27,62 (nom. mv.) . (25) Mt 28,11 (dat. mv.) . |
De hogepriesters komen voor het eerst ter sprake in de 'kindsheids'verhalen van Mt (Mt 2,4) . Na de belijdenis van Petrus spreekt Jezus zijn eerste lijdensvoorspelling uit (Mt 16,21) , in Mt 20,18 zijn derde lijdensvoorspelling . In Mt 21 komt Jezus in Jeruzalem . Hogepriesters , Farizeeën en ouderen behoren tot zijn toehoorders in de tempel . Het komt weldra tot een confrontatie . Vanaf Mt 26,1 begint het lijdensverhaal .
De nominatief en accusatief meervoud archiereis (priesters) komt in twaalf
verzen bij Matteüs :
(1) Mt
2,4 (accusatief ) : tous archiereis kai grammateis tou laou = de hogepriesters
en schriftgeleerden van het volk) .
(2) Mt
21,15 : hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden)
.
(3) Mt
21,23 : hoi archiereis kai hoi presbuteroi (de hogepriesters en de oudsten)
.
(4) Mt
21,45 : hoi archiereis kai hoi Pharisaioi (de hogepriesters en de Farizeeën)
.
(5) Mt
26,3 (// Mc
14,1 // Lc
22,2) : hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden)
.
(6) Mt
26,14 .
(7) Mt
26,59 : hoi archiereis kai hoi presbuteroi (de hogepriesters en de oudsten)
.
(8) Mt
27,1 : hoi archiereis kai hoi presbuteroi (de hogepriesters en de oudsten)
.
(9) Mt
27,6 .
(10) Mt
27,20 : hoi archiereis kai hoi presbuteroi (de hogepriesters en de oudsten)
.
(11) Mt
27,41 .
(12) Mt
27,62 : hoi archiereis kai hoi Pharisaioi (de hogepriesters en de Farizeeën)
.
In elf verzen bij Marcus .
In tien verzen bij Lucas : (1) Lc
19,47 (// Mc
11,18 , zie schema Mc
7,1) . (2) Lc
20,1 . (3) Lc
20,19 (//
Mc 12,12 // Mt
21,46) . (4) Lc
22,2 (// Mc
14,1 // Mt
26,3) . (5) Lc
22,52 . (6) Lc
22,66 . (7) Lc
23,4 . (8) Lc
23,10 . (9) Lc
23,13 . (10) Lc
24,20 . In negen verzen bij Johannes . In zes verzen in Handelingen : (1)
Hnd 4,23
. (2) Hnd
5,24 . (3) Hnd
9,21 . (4) , enz.
- hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden)
. In negen verzen in de bijbel : (1) Mt
21,15 . (2) Mt
26,3 (// Mc
14,1 // Lc
22,2) . (3) Mc
11,27 . (4) Mc
14,1 (// Mt
26,3 // Lc
22,2) . (5) Lc
19,47 (// Mc
11,18 , zie schema Mc
7,1) . (6) Lc
20,1 . (7) Lc
20,19 (//
Mc 12,12 // Mt
21,46) . (8) Lc
22,2 (// Mc
14,1 // Mt
26,3) . (9) Lc
23,10 .
- hoi archiereis kai hoi presbuteroi (de hogepriesters en de oudsten) . In zeven
verzen in het N.T. : (1) Mt
21,23 . (2) Mt
26,59 . (3) Mt
27,1 . (4) Mt
27,20 . (5) Mc
14,53 . (6) Hnd
4,23 . (7) Hnd
25,15 .
- hoi archiereis kai hoi Pharisaioi (de hogepriesters en de Farizeeën)
. In vier verzen in het N.T. : (1) Mt
21,45 . (2) Mt
27,62 . (3) Joh
11,47 . (4) Joh
11,57 .
| 1. | 2. | 3. | 4. | 5. | 6. |
| Mt 2,4 | Mt 21,15 | Mt 21,23 | Mt 21,45 | Mt 26,3 | Mt 26,14 |
| kai (en) | Kai (en) | Tote (Daarop) | |||
| sunagagôn (verzameld) | idontes de (gezien echter) | prosèlthon autôi didaskonti (kwamen naderbij hem terwijl hij onderwees) | akousantes (gehoord) | sunèchtèsan (verzamelden zich) | |
| pantas tous archiereis (al de hogepriesters) | hoi archiereis (de hogepriesters) | hoi archiereis (de hogepriesters) | hoi archiereis (de hogepriesters) | hoi archiereis (de hogepriesters) | pros tous archiereis (naar de hogepriesters) |
| kai grammateis tou laou (en - al de - schriftgeleerden van het volk) | kai hoi grammateis (en de schriftgeleerden) | kai hoi presbuteroi tou laou (en de oudsten van het volk) | kai hoi Farisaioi (en de Farizeeën) | kai hoi presbuteroi tou laou (en de oudsten van het volk) | |
| hina (opdat zij) ton Ièsoun (Jezus) dolôi kratèsôsin kai apokteinôsin (met list zouden overweldigen en doden) | |||||
| 11. Huldiging van de magiërs : Mt 2,1-12 - | 283. Tempelreiniging : Mc 11,15-17 - Mt 21,12-13 - Lc 19,45-46 - | 287. Vraag naar Jezus'macht : Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 - | 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers : Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 - | 317. Complot tegen Jezus : Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 - | 319. Verraad van Judas : Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 - |
| 7. | 8. | 9. | 10. | 11. | 12. |
| Mt 26,59 | Mt 27,1 | Mt 27,6 | Mt 27,20 | Mt 27,41 | Mt 27,62 |
| Prôïas de genomenès ('s morgens echter) | homoios (op gelijke wijze) | Tèi de epaurion ('s anderdaags 's morgens) | |||
| sumboulion elabon (namen zij het besluit) | sunèchtèsan (verzamelden zich) | ||||
| hoi de archiereis (de hogepriesters echter) | pantes hoi archiereis (alle hogepriesters) | hoi de archiereis (de hogepriesters echter) | hoi de archiereis (de hogepriesters echter) | kai hoi archiereis (ook de hogepriesters) ... | hoi archiereis (de hogepriesters) |
| kai to sunedrion holon (en het hele sanhedrin) ezètoun (zochten) ... | kai hoi presbuteroi tou laou (en de oudsten van het volk) ... | kai hoi presbuteroi (en de oudsten)... | meta tôn grammateôn kai presbuterôn (met de schriftgeleerden en de oudsten) | kai hoi Farisaioi (en de Farizeeën) | |
| hopôs (opdat zij) auton (hem) thanatôsôsin (zouden doden) | hôste (om) thanatôsai auton (hem te doden) | hina... (opdat zij) ton de Ièsoun (Jezus echter)apolesôsin (zouden ombrengen) | |||
| 332. Jezus voor het Sanhedrin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 - | 336. Naar Pilatus Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 - | 337. Einde van Judas : Mt 27,3-10 - | 343. Soldaten bespotten Jezus Mc 15,16-20 - Mt 27,27-31 - | 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 - | 350. Wacht bij het graf : - Mt 27,62-66 - |
- hogepriester - Farizeeër - schriftgeleerde - oudere
| archiereus (hogepriester) | farisaios (Farizeeër) | grammateus (schriftgeleerde) | presbuteros (oudere) | |||
| archiereus (hogepriester) | 25 | 7 : | 2 | 6 | 11 | |
| farisaios (Farizeeër) | 28 | 2 | 16 | 10 | ||
| grammateus (schriftgeleerde) | 22 | 2 | 10 | 6 | 4 | |
| presbuteros (oudere) | 12 | 11 | 4 | |||
| Een vorm van archiereus (hogepriester) | 25 : (1) Mt 2,4 (acc. mv.) . (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . (3) Mt 20,18 (dat. mv.) . (4) Mt 21,15 (nom. mv.) . (5) Mt 21,23 (nom. mv.) . (6) Mt 21,45 (nom. mv.) . (7) Mt 26,3 (nom. mv.) . (8) Mt 26,3 (gen. enk.) . (9) Mt 26,14 (acc. mv.) . (10) Mt 26,47 (gen. mv.) . (11) Mt 26,51 (gen. enk.) . (12) Mt 26,57 (acc. enk.) . (13) Mt 26,58 (gen. enk.) . (14) Mt 26,59 (gen. mv.) . (15) Mt 26,62 (nom. enk.) . (16) Mt 26,63 (nom. enk.) . (17) Mt 26,65 (nom. enk.) . (18) Mt 27,1 (nom. enk.) . (19) Mt 27,3 (dat. mv.) . (20) Mt 27,6 (nom. mv.) . (21) Mt 27,12 (gen. mv.) . (22) Mt 27,20 (nom. mv.) . (23) Mt 27,41 (nom. mv.) . (24) Mt 27,62 (nom. mv.) . (25) Mt 28,11 (dat. mv.) . |
| Een vorm van farisaios (Farizeeër) : nom. + gen. mv. | 28 : (1) Mt 3,7 (gen.) . (2) Mt 5,20 (gen.) . (3) Mt 9,11 (nom.) . (4) Mt 9,14 (nom.) . (5) Mt 9,34 (nom.) . (6) Mt 12,2 (nom.) . (7) Mt 12,14 (nom.) . (8) Mt 12,24 (nom.) . (9) Mt 12,38 (gen.) . (10) Mt 15,1 (nom.) . (11) Mt 15,12 (nom.) . (12) Mt 16,1 (nom.) . (13) Mt 16,6 (gen.) . (14) Mt 16,11 (gen.) . (15) Mt 16,12 (gen.) . (16) Mt 19,3 (nom.) . (17) Mt 21,45 (nom.) . (18) Mt 22,15 (nom.) . (19) Mt 22,34 (nom.) . (20) Mt 22,41 (gen.) . (21) Mt 23,2 (nom.) . (22) Mt 23,13 (nom.) . (23) Mt 23,15 (nom.) . (24) Mt 23,23 (nom.) . (25) Mt 23,25 (nom.) . (26) Mt 23,27 (nom.) . (27) Mt 23,29 (nom.) . (28) Mt 27,62 (nom.) . |
| Een vorm van grammateus (schriftgeleerde) . | (1) Mt 2,4 (acc. mv) . (2) Mt 5,20 (gen. mv.) . (3) Mt 7,29 (nom. mv.) . (4) Mt 8,19 (nom. enk.) . (5) Mt 9,3 (gen. mv.) . (6) Mt 12,38 (gen. mv.) . (7) Mt 13,52 (nom. enk.) . (8) Mt 15,1 (nom. mv.) . (9) Mt 16,21 (gen. mv.) . (10) Mt 17,10 (nom. mv.) . (11) Mt 20,18 (dat. mv.) . (12) Mt 21,15 (nom. mv.) . (13) Mt 23,2 (nom. mv.) . (14) Mt 23,13 (voc. mv.) . (15) Mt 23,15 (voc. mv.) . (16) Mt 23,23 (voc. mv.) . (17) Mt 23,25 (voc. mv.) . (18) Mt 23,27 (voc. mv.) . (19) Mt 23,29 (voc. mv.) . (20) Mt 23,34 (acc. mv.) . (21) Mt 26,57 (nom. mv.) . (22) Mt 27,41 (nom. mv.) . |
| Een vorm van presbuteros (oudere) | 12 : (1) Mt 15,2 (gen. mv.) . (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . (3) Mt 21,23 (nom. mv.) . (4) Mt 26,3 (nom. mv.) . (5) Mt 26,47 (gen. mv.) . (6) Mt 26,57 (nom. mv.) . (7) Mt 27,1 (nom. mv.) . (8) Mt 27,3 (dat. mv.) . (9) Mt 27,12 (gen. mv.) . (10) Mt 27,20 (nom. mv.) . (11) Mt 27,41 (gen. mv.) . (12) Mt 28,12 (gen. mv.) . |
| Een vorm van | Mt 2 | Mt 3 | Mt 5 | Mt 8 | Mt 9 | Mt 12 | Mt 13 |
| archiereus (hogepriester) | (1) Mt 2,4 (acc. mv.) | ||||||
farisaios (Farizeeër) : nom. + gen. mv. |
(1) Mt 3,7 (gen.) . | (2) Mt 5,20 (gen.) . | (3) Mt 9,11 (nom.) . (4) Mt 9,14 (nom.) . (5) Mt 9,34 (nom.) . | (6) Mt 12,2 (nom.) . (7) Mt 12,14 (nom.) . (8) Mt 12,24 (nom.) . (9) Mt 12,38 (gen.) . | |||
| grammateus (schriftgeleerde) . | (1) Mt 2,4 (acc. mv) . | (2) Mt 5,20 (gen. mv.) . | (4) Mt 8,19 (nom. enk.) . | (5) Mt 9,3 (gen. mv.) . | (6) Mt 12,38 (gen. mv.) . | (7) Mt 13,52 (nom. enk.) . | |
| presbuteros (oudere) |
| een vorm van | Mt 15 | Mt 16 | Mt 17 | Mt 19 | Mt 20 | Mt 21 | Mt 22 | |
| archiereus (hogepriester) | (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . | (3) Mt 20,18 (dat. mv.) . | (4) Mt 21,15 (nom. mv.) . (5) Mt 21,23 (nom. mv.) . (6) Mt 21,45 (nom. mv.) . | |||||
| farisaios (Farizeeër) : nom. + gen. mv. | (10) Mt 15,1 (nom.) . (11) Mt 15,12 (nom.) . | (12) Mt 16,1 (nom.) . (13) Mt 16,6 (gen.) . (14) Mt 16,11 (gen.) . (15) Mt 16,12 (gen.) . | (16) Mt 19,3 (nom.) . | (17) Mt 21,45 (nom.) . | (18) Mt 22,15 (nom.) . (19) Mt 22,34 (nom.) . (20) Mt 22,41 (gen.) . | |||
| grammateus (schriftgeleerde) . | (8) Mt 15,1 (nom. mv.) . | (9) Mt 16,21 (gen. mv.) . | (10) Mt 17,10 (nom. mv.) . | (11) Mt 20,18 (dat. mv.) . | (12) Mt 21,15 (nom. mv.) . | |||
| presbuteros (oudere) | (1) Mt 15,2 (gen. mv.) . | (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . | (3) Mt 21,23 (nom. mv.) . |
| een vorm van | Mt 23 | Mt 26 | Mt 27 | Mt 28 | |
| archiereus (hogepriester) | (7) Mt 26,3 (nom. mv.) . (8) Mt 26,3 (gen. enk.) . (9) Mt 26,14 (acc. mv.) . (10) Mt 26,47 (gen. mv.) . (11) Mt 26,51 (gen. enk.) . (12) Mt 26,57 (acc. enk.) . (13) Mt 26,58 (gen. enk.) . (14) Mt 26,59 (gen. mv.) . (15) Mt 26,62 (nom. enk.) . (16) Mt 26,63 (nom. enk.) . (17) Mt 26,65 (nom. enk.) . | (18) Mt 27,1 (nom. enk.) . (19) Mt 27,3 (dat. mv.) . (20) Mt 27,6 (nom. mv.) . (21) Mt 27,12 (gen. mv.) . (22) Mt 27,20 (nom. mv.) . (23) Mt 27,41 (nom. mv.) . (24) Mt 27,62 (nom. mv.) . | (25) Mt 28,11 (dat. mv.) . | ||
| farisaios (Farizeeër) : nom. + gen. mv. | (21) Mt 23,2 (nom.) . (22) Mt 23,13 (nom.) . (23) Mt 23,15 (nom.) . (24) Mt 23,23 (nom.) . (25) Mt 23,25 (nom.) . (26) Mt 23,27 (nom.) . (27) Mt 23,29 (nom.) . | (28) Mt 27,62 (nom.) . | |||
| grammateus (schriftgeleerde) . | (13) Mt 23,2 (nom. mv.) . (14) Mt 23,13 (voc. mv.) . (15) Mt 23,15 (voc. mv.) . (16) Mt 23,23 (voc. mv.) . (17) Mt 23,25 (voc. mv.) . (18) Mt 23,27 (voc. mv.) . (19) Mt 23,29 (voc. mv.) . (20) Mt 23,34 (acc. mv.) . | (21) Mt 26,57 (nom. mv.) . | (22) Mt 27,41 (nom. mv.) . | ||
| presbuteros (oudere) | (4) Mt 26,3 (nom. mv.) . (5) Mt 26,47 (gen. mv.) . (6) Mt 26,57 (nom. mv.) . | (7) Mt 27,1 (nom. mv.) . (8) Mt 27,3 (dat. mv.) . (9) Mt 27,12 (gen. mv.) . (10) Mt 27,20 (nom. mv.) . (11) Mt 27,41 (gen. mv.) . | (12) Mt 28,12 (gen. mv.) . |
hogepriesters en Farizeeën
| een vorm van | Mt 21 | Mt 27 | |
| archiereus (hogepriester) | (4) Mt 21,15 (nom. mv.) . (5) Mt 21,23 (nom. mv.) . (6) Mt 21,45 (nom. mv.) . | (18) Mt 27,1 (nom. enk.) . (19) Mt 27,3 (dat. mv.) . (20) Mt 27,6 (nom. mv.) . (21) Mt 27,12 (gen. mv.) . (22) Mt 27,20 (nom. mv.) . (23) Mt 27,41 (nom. mv.) . (24) Mt 27,62 (nom. mv.) . | |
| farisaios (Farizeeër) : nom. + gen. mv. | (17) Mt 21,45 (nom.) . | (28) Mt 27,62 (nom.) . | |
| grammateus (schriftgeleerde) . | (12) Mt 21,15 (nom. mv.) . | (22) Mt 27,41 (nom. mv.) . | |
| presbuteros (oudere) | (3) Mt 21,23 (nom. mv.) . | (7) Mt 27,1 (nom. mv.) . (8) Mt 27,3 (dat. mv.) . (9) Mt 27,12 (gen. mv.) . (10) Mt 27,20 (nom. mv.) . (11) Mt 27,41 (gen. mv.) . | |
| hogepriesters en Farizeeën | (1) Mt 21,45 (nom.) . | (28) Mt 27,62 (nom.) . | 2 |
hogepriesters en schriftgeleerden
| Een vorm van | Mt 2 | Mt 16 | Mt 20 | Mt 21 | Mt 26 | Mt 27 |
| archiereus (hogepriester) | (1) Mt 2,4 (acc. mv.) | (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . | (3) Mt 20,18 (dat. mv.) . | (4) Mt 21,15 (nom. mv.) . (5) Mt 21,23 (nom. mv.) . (6) Mt 21,45 (nom. mv.) . | (7) Mt 26,3 (nom. mv.) . (8) Mt 26,3 (gen. enk.) . (9) Mt 26,14 (acc. mv.) . (10) Mt 26,47 (gen. mv.) . (11) Mt 26,51 (gen. enk.) . (12) Mt 26,57 (acc. enk.) . (13) Mt 26,58 (gen. enk.) . (14) Mt 26,59 (gen. mv.) . (15) Mt 26,62 (nom. enk.) . (16) Mt 26,63 (nom. enk.) . (17) Mt 26,65 (nom. enk.) . | (18) Mt 27,1 (nom. enk.) . (19) Mt 27,3 (dat. mv.) . (20) Mt 27,6 (nom. mv.) . (21) Mt 27,12 (gen. mv.) . (22) Mt 27,20 (nom. mv.) . (23) Mt 27,41 (nom. mv.) . (24) Mt 27,62 (nom. mv.) . |
farisaios (Farizeeër) : nom. + gen. mv. |
(12) Mt 16,1 (nom.) . (13) Mt 16,6 (gen.) . (14) Mt 16,11 (gen.) . (15) Mt 16,12 (gen.) . | (17) Mt 21,45 (nom.) . | (28) Mt 27,62 (nom.) . | |||
| grammateus (schriftgeleerde) . | (1) Mt 2,4 (acc. mv) . | (9) Mt 16,21 (gen. mv.) . | (11) Mt 20,18 (dat. mv.) . | (12) Mt 21,15 (nom. mv.) . | (21) Mt 26,57 (nom. mv.) . | (22) Mt 27,41 (nom. mv.) . |
| presbuteros (oudere) | (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . | (3) Mt 21,23 (nom. mv.) . | (4) Mt 26,3 (nom. mv.) . (5) Mt 26,47 (gen. mv.) . (6) Mt 26,57 (nom. mv.) . | (7) Mt 27,1 (nom. mv.) . (8) Mt 27,3 (dat. mv.) . (9) Mt 27,12 (gen. mv.) . (10) Mt 27,20 (nom. mv.) . (11) Mt 27,41 (gen. mv.) . | ||
| hogepriesters en schriftgeleerden | (1) Mt 2,4 (acc. mv) . | (1) Mt 16,21 (gen. mv.) . | (1) Mt 20,18 (dat. mv.) . | (1) Mt 21,15 (nom. mv.) . | (1) Mt 26,57 (nom. mv.) . | (1) Mt 27,41 (nom. mv.) . |
hogepriesters en ouderen
| een vorm van | Mt 16 | Mt 21 | Mt 26 | Mt 27 | Mt 28 | |
| archiereus (hogepriester) | (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . | (4) Mt 21,15 (nom. mv.) . (5) Mt 21,23 (nom. mv.) . (6) Mt 21,45 (nom. mv.) . | (7) Mt 26,3 (nom. mv.) . (8) Mt 26,3 (gen. enk.) . (9) Mt 26,14 (acc. mv.) . (10) Mt 26,47 (gen. mv.) . (11) Mt 26,51 (gen. enk.) . (12) Mt 26,57 (acc. enk.) . (13) Mt 26,58 (gen. enk.) . (14) Mt 26,59 (gen. mv.) . (15) Mt 26,62 (nom. enk.) . (16) Mt 26,63 (nom. enk.) . (17) Mt 26,65 (nom. enk.) . | (18) Mt 27,1 (nom. enk.) . (19) Mt 27,3 (dat. mv.) . (20) Mt 27,6 (nom. mv.) . (21) Mt 27,12 (gen. mv.) . (22) Mt 27,20 (nom. mv.) . (23) Mt 27,41 (nom. mv.) . (24) Mt 27,62 (nom. mv.) . | (25) Mt 28,11 (dat. mv.) . | |
| farisaios (Farizeeër) : nom. + gen. mv. | (12) Mt 16,1 (nom.) . (13) Mt 16,6 (gen.) . (14) Mt 16,11 (gen.) . (15) Mt 16,12 (gen.) . | (17) Mt 21,45 (nom.) . | (28) Mt 27,62 (nom.) . | |||
| grammateus (schriftgeleerde) . | (9) Mt 16,21 (gen. mv.) . | (12) Mt 21,15 (nom. mv.) . | (21) Mt 26,57 (nom. mv.) . | (22) Mt 27,41 (nom. mv.) . | ||
| presbuteros (oudere) | (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . | (3) Mt 21,23 (nom. mv.) . | (4) Mt 26,3 (nom. mv.) . (5) Mt 26,47 (gen. mv.) . (6) Mt 26,57 (nom. mv.) . | (7) Mt 27,1 (nom. mv.) . (8) Mt 27,3 (dat. mv.) . (9) Mt 27,12 (gen. mv.) . (10) Mt 27,20 (nom. mv.) . (11) Mt 27,41 (gen. mv.) . | (12) Mt 28,12 (gen. mv.) . | |
| hogepriesters en ouderen | 1 : Mt 16,21 (gen. mv.) . | 1 : Mt 21,23 (nom. mv.) . | 3 : (1) Mt 26,3 (nom. mv.) . (2) Mt 26,47 (gen. mv.) . (3) Mt 26,57 | 5 : (7) Mt 27,1 (nom. mv.) . (8) Mt 27,3 (dat. mv.) . (9) Mt 27,12 (gen. mv.) . (10) Mt 27,20 (nom. mv.) . (11) Mt 27,41 (gen. mv.) . | 1 : Mt 28,11 - Mt 28,12 | 11 |
In elf van de vijfentwintig verzen komen de hogepriesters en de ouderen (van het volk) samen voor . In elf van de twaalf verzen komen de ouderen samen met de hogepriesters voor . In Mt 15,2 wordt naar de traditie van de ouderen verwezen . Ze zijn er niet aanwezig . We kunnen besluiten dat in Mt de ouderen steeds met de hogepriesters voorkomen , in vijf hoofdstukken van Mt .
In zeven verzen zijn de hogepriesters niet vergezeld van een groep . Dit is slechts wanneer er van hogepriester in het enkelvoud sprake is (nom. enk. : 3 : (1) Mt 26,62 . (2) Mt 26,63 . (3) Mt 26,65 . gen. enk. : 3 : (1) Mt 26,3 . (2) Mt 26,51 . (3) Mt 26,58 . acc. enk. : 1 : Mt 26,57 ) . Deze verzen staan in Mt 26 , het eerste hoofdstuk van het lijdensverhaal .
Een overzicht
| archiereus (hogepriester) (25) | farisaios (Farizeeër) (28) | grammateus (schriftgeleerde) (22) | presbuteros (oudere) (12) | ||
| archiereus (hogepriester) | 2 | 6 | 11 | ||
| farisaios (Farizeeër) | 2 | 10 | |||
| grammateus (schriftgeleerde) | 6 | 10 | 4 | ||
| presbuteros (oudere) | 11 | 4 | |||
| afzonderlijk | 8 | 16 | 5 | 1 |
| archiereus (hogepriester) (25) | farisaios (Farizeeër) (28) | grammateus (schriftgeleerde) (22) | presbuteros (oudere) (12) | ||
| archiereus (hogepriester) | 2 : 2 : (1) Mt 21,45 (nom.) . (2) Mt 27,62 (nom.) . | 6 : (1) Mt 2,4 (acc. mv) . (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . (3) Mt 20,18 (dat. mv.) . (4) Mt 21,15 (nom. mv.) . (5) Mt 26,57 (nom. mv.) . (6) Mt 27,41 (nom. mv.) . | 11 : (1) Mt 16,21 (gen. mv.) . (2) Mt 21,23 (nom. mv.) . (3) Mt 26,3 (nom. mv.) . (4) Mt 26,47 (gen. mv.) . (5) Mt 26,57 . (6) Mt 27,1 (nom. mv.) . (7) Mt 27,3 (dat. mv.) . (8) Mt 27,12 (gen. mv.) . (9) Mt 27,20 (nom. mv.) . (10) Mt 27,41 (gen. mv.) . (11) Mt 28,11 - Mt 28,12 . | ||
| farisaios (Farizeeër) | 2 : 2 : (1) Mt 21,45 (nom.) . (2) Mt 27,62 (nom.) . | 10 : (1) Mt 5,20 (gen. mv.) . (2) Mt 12,38 (gen. mv.) . (3) Mt 15,1 (nom. mv.) . (4) Mt 23,2 (nom. mv.) . (5) Mt 23,13 (voc. mv.) . (6) Mt 23,15 (voc. mv.) . (7) Mt 23,23 (voc. mv.) . (8) Mt 23,25 (voc. mv.) . (9) Mt 23,27 (voc. mv.) . (107) Mt 23,29 (voc. mv.) . | - | ||
| grammateus (schriftgel. | 6 : (1) Mt 2,4 (acc. mv) . (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . (3) Mt 20,18 (dat. mv.) . (4) Mt 21,15 (nom. mv.) . (5) Mt 26,57 (nom. mv.) . (6) Mt 27,41 (nom. mv.) . | 10 : (1) Mt 5,20 (gen. mv.) . (2) Mt 12,38 (gen. mv.) . (3) Mt 15,1 (nom. mv.) . (4) Mt 23,2 (nom. mv.) . (5) Mt 23,13 (voc. mv.) . (6) Mt 23,15 (voc. mv.) . (7) Mt 23,23 (voc. mv.) . (8) Mt 23,25 (voc. mv.) . (9) Mt 23,27 (voc. mv.) . (107) Mt 23,29 (voc. mv.) . | 4 : (1) Mt 15,1 + Mt 15,2 (gen. mv.) . (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . (3) (6) Mt 26,57 (nom. mv.) . (4) Mt 27,41 (gen. mv.) . | ||
| presbuteros (oudere) | 11 : (1) Mt 16,21 (gen. mv.) . (2) Mt 21,23 (nom. mv.) . (3) Mt 26,3 (nom. mv.) . (4) Mt 26,47 (gen. mv.) . (5) Mt 26,57 . (6) Mt 27,1 (nom. mv.) . (7) Mt 27,3 (dat. mv.) . (8) Mt 27,12 (gen. mv.) . (9) Mt 27,20 (nom. mv.) . (10) Mt 27,41 (gen. mv.) . (11) Mt 28,11 - Mt 28,12 . | - | 4 : (1) Mt 15,1 + Mt 15,2 (gen. mv.) . (2) Mt 16,21 (gen. mv.) . (3) (6) Mt 26,57 (nom. mv.) . (4) Mt 27,41 (gen. mv.) . | ||
| afzonderlijk | 8 : (1) Mt 26,3 (gen. enk.) . (2) Mt 26,51 (gen. enk.) . (3) Mt 26,57 (acc. enk.) . (4) Mt 26,58 (gen. enk.) . (5) Mt 26,62 (nom. enk.) . (6) Mt 26,63 (nom. enk.) . (7) Mt 26,65 (nom. enk.) . (8) Mt 27,1 (nom. enk.) | 16 : (1) Mt 3,7 (gen.) . (2) Mt 9,11 (nom.) . (3) Mt 9,14 (nom.) . (4) Mt 9,34 (nom.) . (5) Mt 12,2 (nom.) . (6) Mt 12,14 (nom.) . (7) Mt 12,24 (nom.) . (8) Mt 15,12 (nom.) . (9) Mt 16,1 (nom.) . (10) Mt 16,6 (gen.) . (11) Mt 16,11 (gen.) . (12) Mt 16,12 (gen.) . (13) Mt 19,3 (nom.) . (14) Mt 22,15 (nom.) . (15) Mt 22,34 (nom.) . (16) Mt 22,41 (gen.) . | 5 : (1) Mt 8,19 (nom. enk.) . (2) Mt 9,3 (gen. mv.) . (3) Mt 13,52 (nom. enk.) . (4) Mt 17,10 (nom. mv.) . (5) Mt 23,34 (acc. mv.) . | (1) Mt 15,2 (gen. mv.) . |
- Betlehem . Verwijzing : Betlehem
, zie Mt
2,1 .
Het stadje Betlehem is niet zomaar een stadje . Betlehem is evenals Jeruzalem
de stad van David . In Betlehem werd David geboren , in Jeruzalem had hij zijn
koningszetel gevestigd , nadat hij de stad op de inheemse bevolking veroverd
had . Beide steden hebben dus een zekere relatie met elkaar . Als zoon van David
werd Jezus in Betlehem geboren . Later zal Jezus naar Jeruzalem optrekken om
er zijn blijde inkomst te vieren .
- Bèthleëm (Betlehem) . In tweeëntwintig verzen in de bijbel
. In veertien verzen in het O.T. . In acht verzen in het N.T. : (1) Mt
2,1 . (2) Mt
2,5 . (3) Mt
2,6 . (4) Mt
2,8 . (5) Mt
2,16 . (6) Lc
2,4 . (7) Lc
2,15 . (8) Joh
7,42 .
- bêth lâchèm (Bethlehem) . In elf verzen in de bijbel :
(1) Gn 35,19
. (2) Gn 48,7
. (3) Rt 1,19 . (4) 1 S 16,4 . (5) 1 S 17,15 . (6) 1 S 20,28 . (7) 2 S 2,32 . (8) 2 S 23,14 . (9) 2 S 23,24 . (10) 1 Kr 4,4 . (11) Jr 41,17 .
- mibbêth lâchèm (uit Bethlehem) . In negen verzen in de
bijbel : (1) Re 17,7 . (2) Re 17,8 . (3) Re 17,9 . (4) Re 19,1 . (5) Re 19,18 . (6) Rt 1,1 . (7) Rt 1,2 . (8) Rt
2,4 . (9) 1 S 17,12 .
- ´èphërâthâh , hiw´ bêth lâchèm
(Efrata , dit is Bethlehem) : Gn
35,19 en Gn
48,7 . Efrata komt in zeven verzen in de bijbel voor . (1) Gn
35,16 . (2) Gn
35,19 . (3) Gn
48,7 . (4) Mi
5,1 . (5) 1 Kr 2,19 (Kaleb huwde Efrat en en zij baarde hem Chur) . (6) 1 Kr 2,50 - 1 Kr 2,51 (De zonen van Chur, de eerstgeborene van Efrat waren ... Salma,
de vader van Bethlehem) . (7) 1 Kr 4,4 (Dat waren de zonen van Chur, de eerstgeborene van Efrat, de vader
van Bethlehem) . Ook nog Rt 4,11 . In de omgeving van Efrata bracht Rachel , de lievelingsvrouw
van Jakob, haar tweede zoon Benjamin ter wereld ; zijzelf stierf in het kraambed
. Daar werd Rachel ook begraven .
- blasfèmei (hij lastert God) . Indicatief praesens derde persoon enkelvoud van het werkwoord blasfèmeô (godslasterlijke taal spreken , God lasteren) . Verwijzing : blasfèmeô (godslasterlijke taal spreken , God lasteren) , zie Mc 2,7 . In twee verzen in de bijbel : (1) Mc 2,7 . (2) Mt 9,3 . Parallelteksten .
- christos (Christus) .
| christos (Christus) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| nom. christos | 118 | 8 | 110 | 8 | 5 | 5 | 15 | 4 | 73 | 0 | 18 | 33 |
| voc. christe | 1 | 1 | 1 | 0 | 0 | 0 | 0 | 1 | 0 | 1 | 1 | |
| gen. christou | 251 | 11 | 240 | 5 | 2 | 0 | 1 | 11 | 214 | 7 | 7 | 8 |
| dat. christô(i) | 107 | 5 | 102 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 102 | 0 | ||
| acc. christon | 78 | 14 | 64 | 2 | 0 | 7 | 2 | 10 | 43 | 0 | 9 | 11 |
| Totaal | 554 | 38 | 517 | 16 | 7 | 12 | 18 | 25 | 432 | 7 | 35 | 53 |
| christos (Christus) Met (+) of zonder lidw. (-) . | N.T. | Mt | Mc | Lc | syn. | ev. |
| nom. christos | 110 | 8 : (1) Mt 1,16 (-) . (2) Mt 2,4 (+) . (3) Mt 16,16 (+) . (4) Mt 16,20 (+) . (5) Mt 23,10 (+) . (6) Mt 24,5 (+) . (7) Mt 24,23 (+) . (8) Mt 27,63 (+) . | 5 : (1) Mc 8,29 . (2) Mc 12,35 . (3) Mc 13,21 . (4) Mc 14,61 (+) . (5) Mc 15,32 . | 5 : (1) Lc 2,11 (-) . (2) Lc 3,15 (+) . (3) Lc 22,67 (+) . (4) Lc 23,35 (+) . (5) Lc 23,39 (+) . | 18 : (1) Mt 16,16 // Mc 8,29 // Lc 9,20 . (2) Mt 24,23 // Mc 13,21 . (3) Mt 27,63 // Mc 14,61 // Lc 22,67 . (4) Mc 15,32 // Lc 23,35 . | 33 |
| voc. christe | 1 | 1 : Mt 26,68 . | 0 | 0 | 1 | 1 |
| gen. christou | 240 | 5 : (1) Mt 1,1 (-) . (2) Mt 1,17 (+) . (3) Mt 1,18 (+) . (4) Mt 11,2 (+) . (5) Mt 22,42 (+) . | 2 : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 9,41 . | 0 | 7 : (1) Mt 22,42 // Mc 12,35 // Lc 20,41 . | 8 |
| dat. christô(i) | 102 | 0 | 0 | 0 | ||
| acc. christon | 64 | 2 : (1) Mt 27,17 (+) . (2) Mt 27,22 (+) . | 0 | 7 : : (1) Lc 2,26 (+) . (2) Lc 4,41 (+) . (3) Lc 9,20 (+) . (4) Lc 20,41 (+) . (5) Lc 23,2 (-) . (6) Lc 24,26 (+) . (7) Lc 24,46 (+) . | 9 : | 11 |
| Totaal | 517 | 16 | 7 | 12 | 35 | 53 |
D
David
| dauid (David) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | |
| 957 | 903 | 54 | 15 | 7 | 12 | 1 | 10 | 6 | 3 |
dauid (David) in Mt : (1) Mt
1,1 . (2) Mt
1,6 . (3) Mt
1,17 . (4) Mt
1,20 . (5) Mt
9,27 . (6) Mt
12,3 . (7) Mt
12,23 . (8) Mt
15,22 . (9) Mt
20,30 . (10) Mt
20,31 . (11) Mt
21,9 . (12) Mt
21,15 . (13) Mt
22,42 . (14) Mt
22,43 . (15) Mt
22,45 .
In Mt komt David voor in verband met de genealogie en de afkomst van Jezus (Mt
1) en in verband met Jeruzalem (Mt 20 - Mt 22) . Er resten dan nog vier verzen
.
Zoon van David in tien verzen in Mt : (1) Mt
1,1 . (2) Mt
1,20 (Jozef , zoon van David) . (3) Mt
9,27 . (4) Mt
12,23 . (5) Mt
15,22 . (6) Mt
20,30 . (7) Mt
20,31 . (8) Mt
21,9 . (9) Mt
21,15 . (10) Mt
22,42 .
- de (echter) . de (echter) . Verwijzing : de (echter) , zie Mt 1,2 . Partikel als tweede woord in de zin . Lichte tegenstelling . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
| de (echter) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. |
| 6210 | 3754 | 2456 | 421 | 149 | 478 | 203 | 490 | 708 | 7 | 1048 | 1251 |
| parikel de (echter) | Mt 1 | Mt 2 | Mt 3 | Mt 4 | Mt 5 | Mt 6 | Mt 7 | Mt 8 | Mt 9 | Mt 10 | Mt 11 | Mt 12 | Mt 13 | Mt 14 | Mt 15 | Mt 16 | Mt 17 | Mt 18 | Mt 19 | Mt 20 | Mt 21 | Mt 22 | Mt 23 | Mt 24 | Mt 25 | Mt 26 | Mt 27 | Mt 28 | ||
| 21 | 11 | 9 | 5 | 12 | 13 | 3 | 16 | 16 | 13 | 5 | 17 | 25 | 19 | 19 | 14 | 11 | 9 | 15 | 13 | 22 | 17 | 13 | 15 | 21 | 31 | 27 | 9 | 421 |
In 6210 verzen in de bijbel . In 3754 verzen in het O.T. . In 2456 verzen in
het N..T. . Mt (421) . Mc (149) . Lc (478) . Joh (203) . Hnd (490) . Brieven
(708) . Apk (7) . In 421 verzen bij Mt . Mt 1 (21) . Mt 2 (11) .
In zes verzen in Mt
2,1-12 : (1) Mt
2,1 . (2) Mt
2,3 . (3) Mt
2,5 . (4) Mt
2,8 . (5) Mt
2,9 . (6) Mt
2,10 . In vijf verzen in Mt
2,13-23 : (1) Mt
2,13 . (2) Mt
2,14 . (3) Mt
2,19 . (4) Mt
2,21 . (5) Mt
2,22 .
In veertien verzen in Mt 16 : (1) Mt
16,2 . (2) Mt
16,3 . (3) Mt
16,6 . (4) Mt
16,7 . (5) Mt
16,8 . (6) Mt
16,11 . (7) Mt
16,13 . (8) Mt
16,14 . (9) Mt
16,15 . (10) Mt
16,16 . (11) Mt
16,17 . (12) Mt
16,18 . (13) Mt
16,23 . (14) Mt
16,26 .
- ho de (hij echter) . Verwijzing : de
(echter) , zie Mt
1,2 . In 353 verzen in het N.T. .
-
- eiden (hij zag) . Verwijzing : idôn
(gezien) , zie Mt
2,16 . Actief aorist derde persoon enkelvoud . In tweeënveertig verzen
in het N.T. . In tien verzen bij Matteüs : (1) Mt
3,16 . (2) Mt
4,16 . (3) Mt
4,18 . (4) Mt
4,21 . (5) Mt
8,14 . (6) Mt
9,9 . (7) Mt
14,14 . (8) Mt
20,3 . (9) Mt
22,11 . (10) Mt
26,71 . In zes van de tien verzen is Jezus onderwerp . In vijf verzen bij
Marcus : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,16 . (3) Mc
1,19 . (4) Mc
2,14 . (5) Mc
6,34
- idôn (gezien) . Verwijzing : idôn
(gezien) , zie Mt
2,16 . Actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud . In 106
verzen in de bijbel . In vijfenveertig verzen in het O.T. . In eenenzestig verzen
in het N.T. . In twaalf verzen bij Matteüs : (1) Mt
2,16 . (2) Mt
3,7 . (3) Mt
5,1 . (4) Mt
8,18 . (5) Mt
9,2 . (6) Mt
9,4 . (7) Mt
9,22 . (8) Mt
9,23 . (9) Mt
9,36 . (10) Mt
21,19 . (11) Mt
27,3 . (12) Mt
27,24 . Idôn (gezien) veronderstelt altijd een voorwerp of voorwerpszin
. Bij Matteüs komt het in drie verzen voor met een objectzin : (1) Mt
2,16 : Herodes . (2) Mt
27,3 : Judas . (3) Mt
27,24 : Pilatus .
| Mt 2,16 : Herodes | Mt 27,3 : Judas | Mt 27,24 : Pilatus |
| Tote (toen) | Tote (toen) | |
| Hèrôdès(Herodes) idôn (gezien) | idôn (gezien) Ioudas ho paradidous auton (Judas die hem overlevert) | idôn de ho Pilatos (Gezien echter Pilatus) |
| hoti (dat) enepaichthè hupo tôn magôn (dat hij misleid werd door de magiërs) | hoti (dat) katekrithè (dat hij werd veroordeeld) | hoti ouden ôfelei (dat niets hielp)... |
brengt de dertig zilverstukken terug |
laat een kom water brengen en wast zijn handen in het bijzijn van het volk | |
| èmarton paradous haima athôion ( ik heb gezondigd. Ik leverde onschuldig bloed uit) | athôios eimi apo tou haimatos toutou ( onschuldig ben ik aan dit bloed) | |
| Mt 27,4 : su opsèi (u ziet maar) | humeis opsesthe ( u ziet maar) | |
| 12. Vlucht naar Egypte en terugkeer : Mt 2,13-23 - | 337. Einde van Judas : Mt 27,3-10 - | 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 - |
Jezus is in acht verzen het onderwerp , in de andere vier gevallen is het Herodes , Johannes de Doper , Judas en Pilatus . In vier van de acht verzen , waarin Jezus onderwerp is , is een vorm van ochlos (menigte) het lijdend voorwerp . In Mt 5,1 wordt het eerst met betrekking tot Jezus gebruikt en we zien een identieke deelwoordzin : idôn de tous ochlous (gezien echter de menigten) met Mt 9,36 .
| Mt 5,1 | idôn de tous ochlous (gezien echter de menigten) |
| Mt 8,18 | idôn de ho Ièsous ochlon (gezien echter Jezus een menigte) |
| Mt 9,23 | kai idôn tous aulètas kai ton ochlon (en gezien de fluitspelers en de menigte) |
| Mt 9,36 | idôn de tous ochlous esplagchnisthè peri autôn oti èsan eskulmenoi kai errimmenoi ôsei probata mè echonta poimena (gezien echter de menigten werd hij door medelijden bewogen over hen omdat zij waren vermoeid en afgetobd als schapen die geen herder hebben) |
- idontes (gezien) . Verwijzing : idontes
(gezien) , zie Mt
2,16 . In drieënzestig verzen in de bijbel . In tweeëntwintig
verzen in het O.T. . In eenenveertig verzen in het N.T. . Mt (14) . Mc (5) .
Lc (9) . Joh (4) . Hnd (5) . Brieven (4) . In veertien verzen bij Matteüs
: (1) Mt
2,10 . (2) Mt
8,34 . (3) Mt
9,8 . (4) Mt
9,11 . (5) Mt
12,2 . (6) Mt
14,26 . (7) Mt
18,31 . (8) Mt
21,15 . (9) Mt
21,20 . (10) Mt
21,32 . (11) Mt
21,38 . (12) Mt
26,8 . (13) Mt
27,54 . (14) Mt
28,17
- kai idontes (en gezien) . Verwijzing : idontes
(gezien) , zie Mt
2,16 . In negen verzen in het N.T. : Mt (4) . Mc (1) .Lc (6) . Hnd (1) .
In vier verzen bij Mt : (2) Mt
8,34 . (4) Mt
9,11 . (9) Mt
21,20 . (14) Mt
28,17 .
- eis (naar) . Verwijzing : eis (naar) , zie Mt 2,1 . Voorzetsel van richting . In 6930 verzen in de bijbel . In 1594 verzen in het N.T. . In 215 verzen bij Matteüs . (1) Mt 2,1 (2) Mt 2,8 (3) Mt 2,11 (4) Mt 2,12 (5) Mt 2,13 (6) Mt 2,14 (7) Mt 2,20 (8) Mt 2,21 (9) Mt 2,22 (10) Mt 2,23 (11) Mt 3,10* (12) Mt 3,11* (13) Mt 3,12 (14) Mt 4,1 . Bij Marcus in 151 verzen . In 210 verzen bij Lucas . In twaalf verzen in Lc 1 : (1) Lc 1,9 (eis ton naon tou kuriou = naar detempel van de Heer) . (2) Lc 1,20 (tijdsbepaling) . (3) Lc 1,23 (eis ton oikon autou = naar huis) . (4) Lc 1,26 (eis polin tès Galilaias = naar een stad van Galilea) . (5) In 260 verzen in Hnd .
- ekeithen (vandaar) . Verwijzing : ekeithen
(vanhier, vandaar) , zie Mt
4,21 en Mc
10,1 . In 157 verzen in de bijbel . In 130 verzen in het O.T. . In zevenentwintig
verzen in het N.T. : Mt (12) . Mc (5) . Lc (3) . Joh (2) . Hnd (4) en in Apk
22,2 . Het is meestal de vertaling van het Hebreeuwse misjsjâm (uit :
min en sjam) . Misjsjâm (vanaf daar) komt in 103 verzen in Tenach voor
.
In twaalf verzen gebruikt Matteüs ekeithen (vandaar) : (1) Mt
4,21 . (2) Mt
5,26 . (3) Mt
9,9 . (4) Mt
9,27 . (5) Mt
11,1 . (6) Mt
12,9 . (7) Mt
12,15 . (8) Mt
13,53 . (9) Mt
14,13 . (10) Mt
15,21 . (11) Mt
15,29 . (12) Mt
19,15 . In acht gevallen is er een participiumzin . Ofwel het participium
ofwel het hoofdwerkwoord is een werkwoord van beweging . In twee verzen volgt
ekeithen (vandaar) op het hoofdwerkwoord anechôrèsen (hij week
uit) : Mt
12,15 en Mt
14,13 . In deze beide gevallen wordt het hoofdwerkwoord voorafgegaan door
een participiumzin met een werkwoord zonder beweging . In de zes andere participiumzinnen
staat een werkwoord van beweging . Daarbij staat de bepaling van plaats ekeithen
(vandaar) . In vijf verzen volgt ekeithen (vandaar) op het participium . In
Mt 15,29
staat het onderwerp ho Ièsous (Jezus) tussen het participium en ekeithen
(vandaar). Opmerkelijk is ook dat in deze zes participiumzinnen de zin begint
met het nevenschikkend voegwoord kai (en) .
| 1. | 2. | 3. | 4. | 5. | 6. |
| Mt 4,21 | Mt 5,26 | Mt 9,9 | Mt 9,27 | Mt 11,1 | Mt 12,9 |
| Kai (en) | Kai (en) | Kai (en) | Kai (en) | ||
| probas (vooruitgebaand) | paragôn (langsvoerend) ho Ièsous (Jezus) | paragonti (langsvoerend) | metabas (overgegaan) | ||
| ekeithen (vandaar) | ekeithen (vandaar) | ekeithen (vandaar) tôi Ièsôu (Jezus) | ekeithen (vandaar) | ||
| eiden (zag hij) | ou mè exelthèis (jullie zullen niet uitgaan) | eiden (zag hij) | èlthen (kwam hij) | ||
| ekeithen (vandaar) | |||||
| 23. Roeping van de eerste leerlingen : Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 | 31. Verzoening en gerecht : Mt 5,25-26 - Lc 12,57-59 | 68. Roeping van Levi / Matteüs : Mc 2,13-14 - Mt 9,9 - Lc 5,27-28 | 72. Genezing van twee blinden : Mc 10,46-52 - Mt 20,29-34 - Lc 18,35-43 - Mt 9,27-31 | 75. Keuze van de twaalf en volmachtsoverdracht : Mt 10,1-4 | 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 |
| 7. | 8. | 9. | 10. | 11. | 12. |
| Mt 12,15 | Mt 13,53 | Mt 14,13 | Mt 15,21 | Mt 15,29 | Mt 19,15 |
| Ho de Ièsous (Jezus echter) | Akousas de ho Ièsous (Gehoord echter Jezus) | Kai (en) | Kai (en) | ||
| gnous (geweten) | exelthôn (naar buiten gegaan) | metabas (overgegaan) ho Ièsous (Jezus) | |||
| ekeithen (vandaar) ho Ièsous (Jezus) | ekeithen (vandaar) | ||||
| anechôrèsen (week uit) | anechôrèsen (week uit) | anechôrèsen (week uit) | èlthen (kwam hij) | eporeuthè (begaf hij zich op weg) | |
| ekeithen (vandaar) | ekeithen (vandaar) | ekeithen (vanaf hier) | |||
| 96. Volkstoeloop en genezingen : Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a | 145. Prediking te Nazaret en verwerping : Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58 - Lc 4,16-30 | 150. Terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop : Mc 6,30-34 // Mt 14,13-14 // Lc 9,10-11 - Mc 6,30-34 - Mt 14,13-14 -Lc 9,10-11 | 156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw : Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28 | 157. Genezing van een doofstomme : Mc 7,31-37 - Mt 15,29-31 | 267. Jezus ontvangt de kinderen : Mc 10,13-16 - Mt 19,13-15 - Lc 18,15-17 |
- elthôn kwam knielen). Verwijzing : èlthon
(ik ben of zij zijn gegaan / gekomen) , zie Mt
8,14 . In 14 verzen bij Matteüs : (1) Mt
2,8 . (2) Mt
2,9 . (3) Mt
2,23 . (4) Mt
4,13 . (5) Mt
5,24 . (6) Mt
8,7 . (7) Mt
8,14 . (8) Mt
9,18 . (9) Mt
9,23 . (10) Mt
13,54 . (11) Mt
16,13 . (12) Mt
24,46 . (13) Mt
25,27 . (14) Mt
26,43 .
- elthontes (gekomen) . Verwijzing : elthontes
(gegaan, gekomen) , zie Mt
8,14 . Participium aorist nominatief mannelijk meervoud van het werkwoord
erchomai (gaan, komen) . Het komt in zesendertig verzen in de bijbel voor .
In vijftien verzen in het O.T. . In eenentwintig verzen in het N.T. : Mt (12)
. Mc (3) . Lc (0) . Joh (2) . Hnd (4) en in 2 Cor 11,9 . Bij Matteüs :
(1) Mt
2,11 . (2) Mt
9,10 . (3) Mt
14,12 . (4) Mt
16,5 . (5) Mt
18,31 . (6) Mt
20,9 . (7) Mt
20,10 . (8) Mt
27,33 . (9) Mt
27,64 . (10) Mt
28,11 . (11) Mt
28,13 . In zeven gevallen komt elthontes in Matteüs-eigen teksten voor
. Er resten nog vier verzen. Mt
9,10 is identiek met Mc behalve dat Mt elthontes meer heeft . In Mc vinden
we een variante lezing van de tekst in Mt
14,12 . In Mt
16,5 vinden we een participiumzin , die we niet bij Mc en Lc vinden . De
participiumzin in Mt
27,33 staat aan het begin van de pericope . In Mc en Lc vinden we varianten
van de tekst . In acht gevallen begint de participiumzin met het nevenschikkend
voegwoord kai (en) ; in één geval met idou (zie) . Na het participium
kan eventueel het onderwerp volgen . Maar daarop volgt dan het hoofdwerkwoord
. In vier gevallen volgt op het participium (en eventueel het onderwerp) een
bepaling van plaats , ingeleid door het voorzetsel eis (naar) .
We hebben hier dus te maken met een eigen taalgebruik van Matteüs, althans
in vergelijking met Marcus en Lucas .
| 1. elthontes . Tollenaars en zondaars | 3. elthontes | 5. elthontes | 6. elthontes | 7. elthontes | 9. elthontes | 10. elthontes | 11. elthontes |
| Mt 9,10 | Mt 14,12 | Mt 18,31 | Mt 20,9 | Mt 20,10 | Mt 27,64 | Mt 28,11 | Mt 28,13 |
| kai idou (+ onderwerp) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | mèpote (opdat niet) : voegwoord | idou (zie) + onderwerp | onderwerp (hoi mathètai autou = zijn leerlingen) + tijdsbepaling |
| elthontes (gekomen) | elthontes | elthontes | elthontes (en gekomen) + onderwerp | elthontes (en gekomen) + onderwerp | elthontes hoi mathètai autou (opdat zijn leerlingen hem niet zouden komen) | elthontes (gekomen) eis tèn polin (naar de stad) | elthontes |
| sunekeinto (lagen zij aan) (kwamen zij aanliggen) | apèggeilan (kwamen zij melden) | diesafèsan (kwamen zij vertellen) | + werkwoord | + werkwoord (van mening) | klepsôsin (stelen) | apèggeilan (zijn naar de stad komen melden) | eklepsan (zij kwamen stelen) |
| 69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 - | Jezus wandelt op het meer - Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 - | 182. Gelijkenis van de onbarmhartige dienaar : Mt 18,23-35 - | 272. Gelijkenis van de arbeiders in de wingaard : Mt 20,1-16 - | 272. Gelijkenis van de arbeiders in de wingaard : Mt 20,1-16 - | 350. Wacht bij het graf : Mt 27,62-66 - | 352. Het omkopen van de wacht : Mt 28,11-15 - | 352. Het omkopen van de wacht : Mt 28,11-15 - |
- erèmos (woestijn, eenzame plaats) . Verwijzing in N.T. : erèmos (woestijn) . Verwijzing in Mt. : erèmos (woestijn) . Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth (chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn) (39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten) . désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen , aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is verlaten .
| erèmos (woestijn) | Mt | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | nom. enk. erèmos | 2 : (1) Mt 14,15 . (2) Mt 23,38 . | 32 | 28 | 4 | 2 | 1 | 1 | 3 | 3 | ||||||
| 3 | dat. enk. erèmô(i) | 3 : (1) Mt 3,1 . (2) Mt 3,3 . (3) Mt 24,26 . | 169 | 145 | 24 | 3 | 3 | 5 | 4 | 6 | 3 | 11 | 15 | 3 | ||
| 4 | acc. enk. erèmon | 3 : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 11,7 . (3) Mt 14,13 . | 107 | 94 | 13 | 3 | 4 | 2 | 1 | 3 | 9 | 9 | ||||
| totaal | 8 | 387 | 340 | 47 | 8 | 9 | 10 | 5 | 8 | 4 | 3 | 27 | 32 | 4 |
- ethnos (volk) .
| ethnos (volk) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc |
Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | |
| nom. + acc. enk. ethnos | 128 | 113 | 15 | 1 : Mt 24,7 . | 1 | 3 | 3 | 4 | 1 | 2 | |
| gen. enk. ethnous | 45 | 38 | 7 | 2 | 3 | 2 | |||||
| dat. enk. ethnei | 49 | 43 | 6 | 1 : Mt 21,43 . | 4 | 1 | |||||
| acc. enk. | |||||||||||
| nom. + acc mv. ethnè | 339 | 289 | 50 | 4 : (1) Mt 6,32 . (2) Mt 12,21 . (3) Mt 25,32 . (4) Mt 28,19 . | 1 | 3 | 8 | 15 | 2 | ||
| gen. mv. ethnôn | 255 | 213 | 42 | 4 : (1) Mt 4,15 . (2) Mt 10,5 . (3) Mt 20,25 . (4) Mt 24,9 . | 1 | 3 | 11 | 17 | 6 | ||
| dat. mv. ethnesin | 173 | 141 | 32 | 4 : (1) Mt 10,18 . (2) Mt 12,18 . (3) Mt 20,19 . (4) Mt 24,14 . | 2 | 1 | 8 | 15 | 2 | ||
| acc. mv. | |||||||||||
| Totaal | 14 |
| Een vorm van ethnos (volk) | (1) Mt 4,15 (gen. mv) . (2) Mt 6,32 (nom. mv.) . (3) Mt 10,5 (gen. mv.) . (4) Mt 10,18 (dat. mv.) . (5) Mt 12,18 (dat. mv.) . (6) Mt 12,21 (nom. mv.) . (7) Mt 20,19 (dat. mv.) . (8) Mt 20,25 (gen. mv) . (9) Mt 21,43 . (10) Mt 24,7 (nom. enk.) . (11) Mt 24,9 (gen. mv) . (12) Mt 24,14 (dat. mv.) . (13) Mt 25,32 (nom. mv.) . (14) Mt 28,19 (nom. mv.) . |
- to euaggelion tès basileias (het evangelie van het koninkrijk) . In drie verzen in het N.T. : (1) Mt 4,23 . (2) Mt 9,35 . (3) Mt 24,14 . In (1) Mt 4,23 . (2) Mt 9,35 gaat het participium praesens nominatief mannelijk enkelvoud vooraf kèrussôn (verkondigend) . In Mt 24,14 gaat vooreerst het aanwijzend voornaamwoord touto (dit) en vervolgens de werkwoordvorm kèruchthèsetai (en dit evangelie van het koninkrijk zal verkondigd worden) . In de drie verzen gaat een werkwoordvorm van kèrussô (verkondigen) vooraf . Verwijzing : hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) , zie Mt 3,2 .
- exèlthen (hij ging uit) . Verwijzing : èlthon (ik ben of zij zijn gegaan / gekomen) , zie Mt 8,14 . In 289 verzen in de bijbel . In 222 verzen in het O.T. . In zevenenzestig verzen in het N.T. . In acht verzen bij Matteüs : (1) Mt 8,34 . (2) Mt 9,26 . (3) Mt 13,3 . (4) Mt 17,18 . (5) Mt 20,1 . (6) Mt 21,17 .
4. Pharisaioi (Farizeeën) . Verwijzing : Farisaioi (Farizeeën) , zie Mt 9,11 .
| farisaios Farizeeër) | bijbel | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | syn. | ev. |
| nom. enk. farizaios | 9 | 9 | 5 | 3 | 1 | 5 | 5 | |||
| gen. enk. farisaiou | 2 | 2 | 2 | 2 | 2 | |||||
| nom. + voc. mv. farizaioi | 49 | 49 | 21 | 8 | 10 | 9 | 1 | 39 | 48 | |
| gen. mv. farisaiôn | 28 | 28 | 7 | 4 | 7 | 6 | 4 | 18 | 24 | |
| dat. mv. farisaiois | 2 | 2 | 2 | 2 | 2 | |||||
| acc. mv. farisaious | 5 | 5 | 1 | 4 | 1 | 5 | ||||
| Totaal | 95 | 95 | 28 | 12 | 27 | 19 | 8 | 1 | 67 | 86 |
In het N.T. komt een vorm van het zelfstandig naamwoord farisaios (Farizeeër) in vijfennegentig verzen voor . Bij Mt komt het in achtentwintig verzen voor of 29,47 % . Het is wel opvallend dat het bij Mt slechts in de nom. + voc. mv. (21) en gen. mv. (7) voorkomt .
| farisaios (Farizeeër) | Mt , zie Mt 9,11 |
| nom. + voc. mv. farisaioi | 21 : (1) Mt 9,11 . (2) Mt 9,14 . (3) Mt 9,34 . (4) Mt 12,2 . (5) Mt 12,14 . (6) Mt 12,24 . (7) Mt 15,1 . (8) Mt 15,12 . (9) Mt 16,1 . (10) Mt 19,3 . (11) Mt 21,45 . (12) Mt 22,15 . (13) Mt 22,34 . (14) Mt 23,2 . (15) Mt 23,13 . (16) Mt 23,15 . (17) Mt 23,23 . (18) Mt 23,25 . (19) Mt 23,27 . (20) Mt 23,29 . (21) Mt 27,62 . |
| gen. mv. farisaiôn | 7 : (1) Mt 3,7 . (2) Mt 5,20 . (3) Mt 12,38 . (4) Mt 16,6 . (5) Mt 16,11 . (6) Mt 16,12 . (7) Mt 22,41 . |
| Een vorm van farisaios (Farizeeër) : nom. , voc. + gen. mv. | 28 : (1) Mt 3,7 (gen.) . (2) Mt 5,20 (gen.) . (3) Mt 9,11 (nom.) . (4) Mt 9,14 (nom.) . (5) Mt 9,34 (nom.) . (6) Mt 12,2 (nom.) . (7) Mt 12,14 (nom.) . (8) Mt 12,24 (nom.) . (9) Mt 12,38 (gen.) . (10) Mt 15,1 (nom.) . (11) Mt 15,12 (nom.) . (12) Mt 16,1 (nom.) . (13) Mt 16,6 (gen.) . (14) Mt 16,11 (gen.) . (15) Mt 16,12 (gen.) . (16) Mt 19,3 (nom.) . (17) Mt 21,45 (nom.) . (18) Mt 22,15 (nom.) . (19) Mt 22,34 (nom.) . (20) Mt 22,41 (gen.) . (21) Mt 23,2 (nom.) . (22) Mt 23,13 (voc.) . (23) Mt 23,15 (voc.) . (24) Mt 23,23 (voc.) . (25) Mt 23,25 (voc.) . (26) Mt 23,27 (voc.) . (27) Mt 23,29 (voc.) . (28) Mt 27,62 (nom.) . |
| nom. + voc. mv. farisaioi | 21 : (1) Mt 9,11 . (2) Mt 9,14 . (3) Mt 9,34 . (4) Mt 12,2 . (5) Mt 12,14 . (6) Mt 12,24 . (7) Mt 15,1 . (8) Mt 15,12 . (9) Mt 16,1 . (10) Mt 19,3 . (11) Mt 21,45 . (12) Mt 22,15 . (13) Mt 22,34 . (14) Mt 23,2 . (15) Mt 23,13 . (16) Mt 23,15 . (17) Mt 23,23 . (18) Mt 23,25 . (19) Mt 23,27 . (20) Mt 23,29 . (21) Mt 27,62 . |
| deelw. + de + hoi farisaioi | 1 : (5) Mt 12,14 . |
| hoi (...) farisaioi | 13 : (1) Mt 9,11 . (2) Mt 9,14 . (3) Mt 9,34 . (4) Mt 12,2 . (5) Mt 12,14 . (6) Mt 12,24 . (8) Mt 15,12 . (9) Mt 16,1 . (11) Mt 21,45 . (12) Mt 22,15 . (13) Mt 22,34 . (14) Mt 23,2 . (21) Mt 27,62 . |
| hoi de farisaioi | 4 : (3) Mt 9,34 . (4) Mt 12,2 . (6) Mt 12,24 . (13) Mt 22,34 . |
| hoi de farisaioi + deelw. | 3 : (4) Mt 12,2 . (6) Mt 12,24 . (13) Mt 22,34 . |
| hoi farisaioi | 9 : : (1) Mt 9,11 . (2) Mt 9,14 . (5) Mt 12,14 . (8) Mt 15,12 . (9) Mt 16,1 . (11) Mt 21,45 . (12) Mt 22,15 . (14) Mt 23,2 . (21) Mt 27,62 . |
| hoi farisaioi + deelw. | 1 : (8) Mt 15,12 . |
| kai hoi farisaioi | 5 : : (3) Mt 9,34 . (4) Mt 12,2 . (6) Mt 12,24 . (13) Mt 22,34 . (21) Mt 27,62 . |
| kai + deelw. + hoi farisaioi | 3 : (1) Mt 9,11 . (9) Mt 16,1 . (11) Mt 21,45 . (tote i.p.v. kai : (12) Mt 22,15 . |
| 1. | 9. | 2. | 3. | 4. | 5. | 6. |
| Mt 9,11 | Mt 16,1 | Mt 9,14 | Mt 9,34 | Mt 12,2 | Mt 12,14 | Mt 12,24 |
| kai (en) | kai (en) | dia tí (waarom) | ||||
| idontes (gezien) hoi Pharisaioi (de Farizeeën) | proselthontes (naderbijgekomen) hoi Pharisaioi kai Saddukaioi (de Farizeeën en Sadduceeën) peirazontes (op de proef stellend) | hèmeis kai hoi Pharisaioi (wij en de Farizeeën) | hoi de Pharisaioi (De Farizeeën echter) | hoi de Pharisaioi (De Farizeeën echter) idontes (gezien) | exelthontes de (naar buiten gegaan echter) hoi Pharisaioi (de Farizeeën) | hoi de Pharisaioi (De Farizeeën echter) akousantes (gehoord) |
| elegon (zeiden) | epèrôtèsan auton (vroegen hem) | nèsteuomen (vasten) | elegon (zeiden) | eipan autôi (zeiden hem) | sumboulion elabon (namen het besluit) | eipon (zeiden) |
| 69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 - | 159. Vraag om een teken uit de hemel : Mc 8,11-13 - Mt 16,1-4 - Mt 12,38-42 - | 70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe : Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 - | 73. Genezing van een stomme bezetene : Mt 9,32-34 - Mt 12,22-23 - Mc 3,22-27 - Lc 11,14 - | 94. Aren uittrekken op sabbat : Mc 2,23-28 - Mt 12,1-8 - Lc 6,1-5 - | 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - | 118. De Beëlzebubcontroverse : Mc 3,22-27 - Mt 12,24-30 - Lc 11,15-23 - |
| 7. | 8. | 9. | 10. |
| Mt 15,1 | Mt 15,12 | Mt 16,1 | Mt 19,3 |
| Tote (Daarop) | kai (en) | kai (en) | |
| hoi Pharisaioi (de Farizeeën) akousantes (gehoord) ton logon (het woord) | proselthontes (naderbijgekomen) hoi Pharisaioi kai Saddukaioi (de Farizeeën en Sadduceeën) peirazontes (op de proef stellend) | prosèlthon autôi (naderden hem) Pharisaioi (Farizeeën) peirazontes auton (hem op de proef stellend) | |
| proserchontai tôi Ièsou (komen naderbij Jezus) apo Hierosolumôn Farisaioi kai grammateis (vanuit Jeruzalem) (Fazrizeeën en schriftgeleerden) legontes (zeggende) | eskandalisthèsan (werden geschandaliseerd) | epèrôtèsan auton (vroegen hem) | kai legontes (en zeggende) |
| 154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 - | 155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 - | 159. Vraag om een teken uit de hemel : Mc 8,11-13 - Mt 16,1-4 - Mt 12,38-42 - | 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 - |
| 11. | 12. | 13. | 14. | 21. | |
| Mt 21,45 | Mt 22,15 | Mt 22,34 | Mt 23,2 | Mt 27,62 | Mt 12,38 |
| kai (en) | Tote (daarop) | Tote (Daarop) | |||
| akousantes (gehoord) | poreuthentes (zich op weg begeven) | apekrithèsan autôi (antwoordden hem) | |||
| hoi archiereis kai hoi Pharisaioi (de hogepriesters en de Farizeeën) ... | hoi Pharisaioi (de Farizeeën) | hoi de Pharisaioi (De Farizeeën echter) akouontes (gehoord) ... | tines tôn grammateôn kai Pharisaiôn (sommige schriftgeleerden en Farizeeën) | ||
| egnôsan (wisten) | sumboulion elabon (namen het besluit) | sunèchthèsan epi to auto (verzamelden bij elkaar) | ekathisan (zijn gezeten) hoi grammateis kai hoi Pharisaioi (de schriftgeleerden en de Farizeeën) | sunèchthèsan (verzamelden) hoi archiereis kai hoi Pharisaioi (de hogepriesters en de Farizeeën) ... | legontes (zeggende) |
| 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers : Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 - | 291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer : Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 - | 293. Vraag naar het eerste gebod : Mc 12,28-34 - Mt 22,34-40 - Lc 20,39-40 - | 295. Aanklacht tegen schriftgeleerden en Farizeeën : Mc 12,37b-40 - Mt 23,1-12 - Lc 20,45-47 - | 350. Wacht bij het graf : Mt 27,62-66 - | 121. Het teken van Jona : Mt 12,38-42 - Lc 11,29-32 - |
Farizeeën en schriftgeleerden
| Een vorm van | Mt 5 | Mt 12 | Mt 15 | Mt 23 |
| archiereus (hogepriester) | ||||
farisaios (Farizeeër) : nom. + gen. mv. |
(2) Mt 5,20 (gen.) . | (6) Mt 12,2 (nom.) . (7) Mt 12,14 (nom.) . (8) Mt 12,24 (nom.) . (9) Mt 12,38 (gen.) . | (10) Mt 15,1 (nom.) . (11) Mt 15,12 (nom.) . | (21) Mt 23,2 (nom.) . (22) Mt 23,13 (nom.) . (23) Mt 23,15 (nom.) . (24) Mt 23,23 (nom.) . (25) Mt 23,25 (nom.) . (26) Mt 23,27 (nom.) . (27) Mt 23,29 (nom.) . |
| grammateus (schriftgeleerde) . | (2) Mt 5,20 (gen. mv.) . | (6) Mt 12,38 (gen. mv.) . | (8) Mt 15,1 (nom. mv.) . | (13) Mt 23,2 (nom. mv.) . (14) Mt 23,13 (voc. mv.) . (15) Mt 23,15 (voc. mv.) . (16) Mt 23,23 (voc. mv.) . (17) Mt 23,25 (voc. mv.) . (18) Mt 23,27 (voc. mv.) . (19) Mt 23,29 (voc. mv.) . (20) Mt 23,34 (acc. mv.) . |
| presbuteros (oudere) | (1) Mt 5,20 (gen. mv.) . | (1) Mt 12,38 (gen. mv.) . | (1) Mt 15,1 (nom. mv.) . | 7 : (1) Mt 23,2 (nom. mv.) . (2) Mt 23,13 (voc. mv.) . (3) Mt 23,15 (voc. mv.) . (4) Mt 23,23 (voc. mv.) . (5) Mt 23,25 (voc. mv.) . (6) Mt 23,27 (voc. mv.) . (7) Mt 23,29 (voc. mv.) . |
Buiten de wee-rede (Mt 23) worden de Farizeeën en schriftgeleerden nog in drie verzen vermeld . Ze treden slechts éénmaal samen op (Mt 15,1) . Op hun vraag om een teken geeft Jezus geen ander teken dan dat van Jona .
- Gennèsaret (Genezaret) . In drie verzen in de bijbel : (1) Mt 14,34 . (2) Mc 6,53 . (3) Lc 5,1 . In Mt en Mc : eis Gennèsaret (naar Genezaret) .
- gennèthentos . Passief aorist genitief mannelijk meervoud . In deze
vorm slechts in Mt
2,1 .
- gennaomai (geboren worden) . Verwijzing
: gennaomai
(geboren worden) , zie Mt
2,1 . Verwijzing : genesis , zie Mt
1,1 .
- grammateus (schriftgeleerde) .
| grammateus (schriftgeleerde) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | |
| nom. + voc. enk. grammateus | 29 | 24 | 5 | 2 | 1 | 1 | 1 | ||||
| gen. enk. grammateôs | 11 | 11 | |||||||||
| dat. enk. grammatei | 5 | 5 | |||||||||
| acc. enk. grammatea | 9 | 9 | |||||||||
| nom. + voc. + acc. mv. grammateis | 61 | 22 | 39 | 14 | 11 | 11 | 1 | 2 | |||
| gen. mv. grammateôn | 20 | 3 | 17 | 5 | 8 | 3 | 1 | ||||
| dat. mv. grammateusin | 5 | 3 | 2 | 1 | 1 | ||||||
| Totaal | 140 | 77 | 63 | 22 | 21 | 14 | 1 | 3 | 1 |
In het N.T. komt een vorm van het zelfstandig naamwoord grammateus (schriftgeleerde) in drieënzestig verzen voor . Bij Matteüs is dat in tweeëntwintig verzen of 34,92 % . Voor bijna 2/3 is het een nom. of acc. mv.
| grammateus (schriftgeleerde) | Mt | |
| nom. + voc. enk. grammateus | 2 : (1) Mt 8,19 . (2) Mt 13,52 . | |
| nom. + voc. + acc. mv. grammateis | 14 : (1) Mt 2,4 . (2) Mt 7,29 . (3) Mt 15,1 . (4) Mt 17,10 . (5) Mt 21,15 . (6) Mt 23,2 . (7) Mt 23,13 . (8) Mt 23,15 . (9) Mt 23,23 . (10) Mt 23,25 . (11) Mt 23,27 . (12) Mt 23,29 . (13) Mt 23,34 . (14) Mt 26,57 . | |
| gen. mv. grammateôn | 5 : (1) Mt 5,20 . (2) Mt 9,3 . (3) Mt 12,38 . (4) Mt 16,21 . (5) Mt 27,41 . | |
| dat. mv. grammateusin | 1 : Mt 20,18 . | |
| Totaal | 22 |
| Een vorm van grammateus (schriftgeleerde) . | (1) Mt 2,4 (acc. mv) . (2) Mt 5,20 (gen. mv.) . (3) Mt 7,29 (nom. mv.) . (4) Mt 8,19 (nom. enk.) . (5) Mt 9,3 (gen. mv.) . (6) Mt 12,38 (gen. mv.) . (7) Mt 13,52 (nom. enk.) . (8) Mt 15,1 (nom. mv.) . (9) Mt 16,21 (gen. mv.) . (10) Mt 17,10 (nom. mv.) . (11) Mt 20,18 (dat. mv.) . (12) Mt 21,15 (nom. mv.) . (13) Mt 23,2 (nom. mv.) . (14) Mt 23,13 (voc. mv.) . (15) Mt 23,15 (voc. mv.) . (16) Mt 23,23 (voc. mv.) . (17) Mt 23,25 (voc. mv.) . (18) Mt 23,27 (voc. mv.) . (19) Mt 23,29 (voc. mv.) . (20) Mt 23,34 (acc. mv.) . (21) Mt 26,57 (nom. mv.) . (22) Mt 27,41 (nom. mv.) . |
De schriftgeleerden zijn erbij wanneer Jezus voor het eerst in de tempel in Jeruzalem optreedt (Mt 21,15) . Tegen hen spreekt Jezus weeklachten uit (Mt 23) . Ze zijn erbij wanneer het sanhedrin samenkomt om een oordeel over Jezus te vellen en staan onder het kruis om Jezus te bespotten .
- Hierosoluma (Jeruzalem) . Verwijzing
: Hierosoluma
(Jeruzalem) , zie Mt
2,1 . Het komt voor in drieënvijftig verzen in de bijbel . In zestien
verzen van het O.T. . In zevenendertig verzen in het N.T. . Mt (9) . Mc (7)
. Lc (3) . Joh (4) . Hnd (11) . In negen verzen bij Matteüs : (1) Mt
2,1 . (2) Mt
2,3 . (3) Mt
3,5 . (4) Mt
5,35 . (5) Mt
16,21 . (6) Mt
20,17 . (7) Mt
20,18 . (8) Mt
21,1 . (9) Mt
21,10 .
- en Hierosolumois (in Jeruzalem) . Verwijzing
: Hierosoluma
(Jeruzalem) , zie Mt
2,1 . In Hnd
25,24 en te Hierosolumois . In tien verzen in het N.T. . Lc (1) . Joh (3)
. Hnd (6) : (1) Hnd
8,1 . (2) Hnd
8,14 . (3) Hnd
11,22 . (4) Hnd
25,24 . (5) Hnd
26,4 . (6) Hnd
26,10 .
- Hierousalèm (Jeruzalem) . In 767 verzen in de bijbel . In 693 verzen
in het O.T. . In zesenzeventig verzen in het N.T. . In één vers
bij Matteüs . Niet bij Marcus . In zesentwintig verzen bij Lucas : (1)
Lc 2,25
. (2) Lc
2,38 . (3) Lc
2,41 . (4) Lc
2,43 . (5) Lc
2,45 . (6) Lc
4,9 . (7) Lc
5,17 . (8) Lc
6,17 . (9) Lc
9,31 . (10) Lc
9,51 . (11) Lc
9,53 . (12) . In zesendertig verzen in Hnd : (1) Hnd
1,8 . (2) Hnd
1,12 . (3) Hnd
1,19 . (4) Hnd
2,5 . (5) Hnd
2,14 . (6) Hnd
4,5 . (7) Hnd
4,16 . (8) Hnd
5,16 . (9) Hnd
5,28 . (10) Hnd
6,7 . (11) Hnd
8,26 . (12) Hnd
8,27 . (13) Hnd
9,2 . (14) Hnd
9,13 . (15) Hnd
9,21 . (16) Hnd
9,26 . (17) Hnd
9,28 . (18) Hnd
10,39 . (19) Hnd
11,2 . (20) Hnd
11,22 . (21) Hnd
12,25 . (22) Hnd
13,27 . (23) Hnd
13,31 . (24) Hnd
15,2 . (25) Hnd
15,4 . (26) Hnd
20,22 . (27) Hnd
21,11 . (28) Hnd
21,12 . (29) Hnd
21,13 . (30) Hnd
21,31 . (31) Hnd
22,5 . (32) Hnd
22,17 . (33) Hnd
22,18 . (34) Hnd
23,11 . (35) Hnd
24,11 . (36) Hnd
25,3 .
| 1. Wijzen | 2. Herodes en heel Jeruzalem | 3. Jeruzalem naar Johannes de Doper | 4. bergrede | 9. |
| Mt 2,1 | Mt 2,3 | Mt 3,5 | Mt 5,35 | Mt 21,10 |
| idou magoi apo anatolôn paregenonto (zie magiërs uit het oosten verschenen) | kai eiselthontes autou (en toen hij binnengekomen was | |||
| eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) | Hierosoluma | eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) | eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) | |
| ho basilieus Hèrôdès etarachthè kai pasa hè Hierosoluma met'autou (koning Herodes werd beroerd en heel Jeruzalem met hem | eseisthè pasa hè polis (werd de hele stad beroerd) | |||
| 11. Huldiging van de magiërs : Mt 2,1-12 - | 11. Huldiging van de magiërs : Mt 2,1-12 - | 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - | 35. Eed : Mt 5,33-37 - | 281. Jezus gaat Jerzalem binnen : Mc 11,11 - Mt 21,1-11 - |
| 5. Jezus | 6. Jezus | 7. Jezus en zijn leerlingen | 8. Jezus en zijn leerlingen |
| Mt 16,21 | Mt 20,17 | Mt 20,18 | Mt 21,1 |
| hoti dei auton (dat hij moet | kai anabainôn ho Ièsous (en Jezus opklimmend) | idou anabainômen (zie wij klimmen op) | kai hote èggisen (en toen zij naderbij kwamen |
| eis Hierosoluma apelthein (naar Jeruzalem gaan) | eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) | eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) | eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) |
| 163. Eerste lijdensvoorspelling : Mc 8,31-32 - Mt 16,21 - Lc 9,22 - | 273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 - | 273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 - | 281. Jezus gaat Jerzalem binnen : Mc 11,11 - Mt 21,1-11 - |
- hoi (de) . Verwijzing : lidwoord , zie Mt 28,18 . Bepaald lidwoord nominatief mannelijk meervoud . Bijbel (4230) . O.T. (3257) . N.T. (973) . Mt (196) . Mc (101) . Lc (165) . Joh (125) . Brieven (316) . Apk (70) . In 196 verzen bij Mt , zie Mt 2,5 . Mt 1 (0) . Mt 2 (3) . Mt 3 (1) . Mt 4 (3) . Mt 5 (11) . Mt 6 (4) . Mt 7 (8) . Mt 8 (6) . Mt 9 (13) . Mt 10 (3) . Mt 11 (3) . Mt 12 (13) . Mt 13 (10) . Mt 14 (9) . Mt 15 (7) . Mt 16 (5) . Mt 17 (7) . Mt 18 (3) . Mt 19 (5) . Mt 20 (10) . Mt 21 (13) . Mt 22 (10) . Mt 23 (3) . Mt 24 (7) . Mt 25 (5) . Mt 26 (14). Mt 27 (15) . Mt 28 (5) . In dertien verzen in Mt 9 : (1) Mt 9,8 . (2) Mt 9,11 . (3) Mt 9,12 . (4) Mt 9,14 . (5) Mt 9,15 . (6) Mt 9,17 . (7) Mt 9,19 . (8) Mt 9,28 . (9) Mt 9,30 . (10) Mt 9,31 . (11) Mt 9,33 . (12) Mt 9,34 . (13) Mt 9,37 .
- homoios (gelijkend op) - homoiô (vergelijken) .
| homoios (gelijkend op) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | |
| nom. m. enk. homoios | 40 | 30 | 10 | 1 : Mt 13,52 | |
| nom. + dat vr. enk , nom + acc. onz. mv. .homoia(i) | 34 | 18 | 16 | 8 : (1) Mt 11,26 . (2) Mt 13,31 . (3) Mt 13,33 . (4) Mt 13,44 . (5) Mt 13,45 . (6) Mt 13,47 . (7) Mt 20,1 . (8) Mt 22,39 |
| homoiô (vergelijken) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | |
| ind. fut. 1ste p. enk. homoiôsô | 5 | 1 | 4 | 1 | 3 | ||||||
| fut.ind. 1ste p. mv. homoiôsômen | 1 | 1 | 1 | ||||||||
| pass. aor. 3de p. enk. hômoiôthè | 11 | 8 | 3 | 3 | |||||||
| pass. fut. 3de p. enk. homoiôthèsetai | 8 | 5 | 3 | 3 | |||||||
| pass. imperat. 2de p. mv. homoiôthète | 1 | 1 | 1 | ||||||||
| inf. pass. aor. homoiôthènai | 1 | 1 | 1 | ||||||||
| part. aor. nom. m. . mv. homoiôthentes | 1 | 1 | 1 | ||||||||
| Er zijn nog andere vormen | |||||||||||
| Totaal (bij benadering) | 28 | 14 | 14 | 8 | 1 | 3 | 2 |
| homoiô (vergelijken) in Mt | Mt |
| ind. fut. 1ste p. enk. homoiôsô | 1 : Mt 11,16 . |
| pass. aor. 3de p. enk. hômoiôthè | 3 : (1) Mt 13,24 . (2) Mt 18,23 . (3) Mt 22,2 . |
| pass. fut. 3de p. enk. homoiôthèsetai | 3 : (1) Mt 7,24 . (2) Mt 7,26 . (3) Mt 25,1 . |
| pass. imperat. 2de p. mv. homoiôthète | 1 : Mt 6,8 |
- homoia (vergelijkbaar) .
(1) Mt
11,26 : Tini de homoiôsô tèn genean tautèn ; (Waarmee
echter zal ik dit geslacht vergelijken?) Homoia estin... het is vergelijkbaar
met ... .
(8) Mt
22,39 deutera de homoia autèi (het tweede is vergelijkbaar met dit)
.
In zes plaatsen is hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk
van de hemelen) onderwerp .
| hômoiôthè . 1. | homoia . 2. | homoia . 3. | hômoiôthè . 2. | hômoiôthè . 3. | homoia . 4. | homoia . 5. | homoia . 6. | homoia . 7. | |
| Mt 13,24 | Mt 13,31 | Mt 13,33 | Mt 21,33 | Mt 18,23 | Mt 22,2 | Mt 13,44 | Mt 13,45 | Mt 13,47 | Mt 20,1 |
| Allèn parabolèn (Een andere parabel) | Allèn parabolèn (Een andere parabel) | Allèn parabolèn (Een andere parabel) | Allèn parabolèn (Naar een andere parabel) | dia touto (daarom) | palin (opnieuw) | palin (opnieuw) | |||
| parethèken (voegde hij toe) autois (hen) legôn (zeggend) | parethèken (voegde hij toe) autois (hen) legôn (zeggend) | elalèsen (sprak hij) autois (hen) | akousate (luistert) | ||||||
| hômoiôthè (werd vergeleken) | homoia estin (vergelijkbaar is) | homoia estin (vergelijkbaar is) | hômoiôthè (werd vergeleken) | hômoiôthè (werd vergeleken) | homoia estin (vergelijkbaar is) | homoia estin (vergelijkbaar is) | homoia estin (vergelijkbaar is) | homoia gar estin (want vergelijkbaar is) | |
| hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) | hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) | hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) | hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) | hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) | hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) | hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) | hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) | hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) | |
| anthrôpôi speiranti (met een zaaier) | kokkôi sinapeôs (mostaardzaadje) | zumèi (zuurdesem) | anthrôpos èn oikodespotès (er was een huisheer) | anthrôpôi basilei (met een koning) | thèsaurôi (met een schat) kekrummenôi en tôi agrôi (verborgen in de akker) | anthrôpôi emporôi (met een handelaar) | sagènèi (met een net) | anthrôpôi oikodespotèi (met een huisheer) | |
| hon labôn qnthrôpos espeiren en tôi agrôi autou (dat een man genomen, op zijn akker zaaide) | hèn labousa gunè enekrupsen (dat een vrouw genomen, verborg) | hostis efeutusen (die plantte) | hos èthelèsen (die wilde) | hon heurôn anthrôpos ekrupsen (dat een man gevonden, verborg) | hostis exèlthen (die uitging) | ||||
| 133. Gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe : Mt 13,24-30 | 134. Gelijkenis van het mosterdzaad : Mc 4,30-32 - Mt 13,31-32 - Lc 13,18-19 | 135. Gelijkenis van het zuurdeeg : Lc 13,20-21 - Mt 13,33 | 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers : Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 | 182. Gelijkenis van de onbarmhartige dienaar : Mt 18,23-35 | 290. Gelijkenis van het koninklijke bruilofts-maal : Mt 22,1-14 - Lc 14,15-24 | 138. Gelijkenis van de schat en de parel : Mt 13,44-46 | 138. Gelijkenis van de schat en de parel : Mt 13,44-46 | 139. Gelijkenis van het visnet : Mt 13,47-50 | 272. Gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard : Mt 20,1-16 |
| homoiôthèsetai 1. | homoiôthèsetai 2. | homoiôthèsetai 3. | homoios 1. |
| Mt 25,1 | Mt 7,24 | Mt 7,26 | Mt 13,52 |
| Tote | Pas oun (Al wie derhalve) | kai pas (en al wie) | dia touto pas grammateus... (daarom is elke schriftgeleerde) |
| homoiôthèsetai (zal vergeleken worden) | homoiôthèsetai (zal vergeleken worden) | homoiôthèsetai (zal vergeleken worden) | homoios estin (vergelijkbaar) |
| hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) | |||
| deka parthenois (met tien maagden) | andri fronimôi (met een wijs man) | andri môrôi (met een dwaas man) | anthrôpôi oikodespotèi (met een huisheer) |
| haitines labousai tas lampadas heautôn exèlthon (die hun lampen genomen) uittrokken | hostis ôikodomèsen (die bouwde) | hostis ôikodomèsen (die bouwde) | hostis ekballei (die uitwerpt - uithaalt) |
| hagios (heilig) | Mt | Mc | Lc | syn. | ev. |
| nom. m. enk. hagios | 1 : Mc 1,24 . | 1 : Lc 4,34 . | 2 : (1) Mc 1,24 // Lc 4,34 . | 3 | |
| nom. + acc. onz. enk. hagion | 1 : Mt 7,6 . | 3 : (1) Mc 3,29 . (2) Mc 6,20 . (3) Mc 13,11 . | 8 : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,49 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 2,25 . (5) Lc 3,22 . (6) Lc 11,13 . (7) Lc 12,10 . (8) Lc 12,12 . | 12 : (1) Mt 12,32 // Mc 3,29 // Lc 12,10 . | 14 |
| gen. mann. enk. hagiou | 4 : (1) Mt 1,18 . (2) Mt 1,20 . (3) Mt 12,32 . (4) Mt 28,19 . | 5 : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,67 . (4) Lc 2,26 . (5) Lc 4,1 . | 9 | 9 | |
| gen. vr. enk. + acc. vr. mv. hagias | 1 : Lc 1,72 . | 1 | |||
| dat. m. + onz. enk. hagiô(i) | 2 : (1) Mt 3,11 . (2) Mt 24,15 . | 2 : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 12,36 . | 2 : (1) Lc 3,16 . (2) Lc 10,21 . | 6 : (1) Mt 3,11 // Mc 1,8 // Lc 3,16 . | 7 |
| gen. m. + vr. + onz. mv. hagiôn | 1 : Mt 27,52 . | 1 : Mc 8,38 . | 2 : (1) Lc 1,70 . (2) Lc 9,26 . | 4 : (1) Mc 8,38 // Lc 9,26 . | 4 |
| Totaal | 8 | 7 | 19 | 34 | 37 |
| Een vorm van hagios (heilig) in Mc | (1) Mc 1,8 (voorzetsel en = met + dat. mann. enk. hagiôi in : pneumati hagiôi = met heilige geest) . (2) Mc 1,24 (nom. mann. enk. hagios : in : ho hagios tou theou = de heilige van God) . (3) Mc 3,29 (voorzetsel eis + acc. onz. enk hagion in : eis to pneuma to hagion = tegen de heilige geest.) . (4) Mc 6,20 (acc. mann. enk. hagion in : andra dikaion kai hagion = een rechtvaardig en heilig man) . (5) Mc 8,38 (gen. mann. mv. hagiôn in : meta tôn aggelôn tôn hagiôn = met de heilige engelen) . (6) Mc 12,36 (dat. mann. enk. hagiôi in : en tôi pneumati tôi hagiôi = door de heilige geest) . (7) Mc 13,11 (nom. onz. enk. hagion in : to pneuma to hagion = de heilige geest) . |
- horos (berg) .
| horos (berg) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| nom. + acc. enk. horos | 196 | 168 | 28 | 8 | 6 | 6 | 3 | 1 | 4 | 20 |
23 | |
| gen. enk. horous | 127 | 115 | 12 | 4 | 1 | 3 | 2 | 2 | 8 | 8 | ||
| dat. enk. horei | 116 | 105 | 11 | 2 | 2 | 1 | 2 | 1 | 3 | 5 | 7 | |
| nom. + acc. mv. horè | 108 | 101 | 7 | 2 | 1 | 1 | 1 | 2 | 4 | 4 | ||
| gen. mv. horôn | 66 | 65 | 1 | 1 | ||||||||
| dat. mv. horesin | 29 | 25 | 4 | 1 | 1 | 1 | 1 | 2 | 2 | |||
| Totaal | 642 | 579 | 63 | 16 | 11 | 12 | 5 | 3 | 8 | 8 | 39 | 44 |
| horos (berg) | N.T. | Mt | Mc | Lc | syn. | |
| nom. + acc. enk. horos | 28 | 8 : (1) Mt 4,8 . (2) Mt 5,1 . (3) Mt 14,23 . (4) Mt 15,29 . (5) Mt 17,1 . (6) Mt 21,1 . (7) Mt 26,30 . (8) Mt 28,16 . | 6 : (1) Mc 3,13 . (2) Mc 6,46 . (3) Mc 9,2 . (4) Mc 11,1 . (5) Mc 13,3 . (6) Mc 14,26 . | 6 : (1) Lc 3,5 . (2) Lc 6,12 . (3) Lc 9,28 . (4) Lc 19,29 . (5) Lc 21,37 . (6) Lc 22,39 . | 20 : (1) Mt 5,1 // Mc 3,13 // Lc 6,12 . (2) Mt 14,23 // Mc 6,46 . (3) Mt 17,1 // Mc 9,2 // Lc 19,29 . (4) Mt 21,1 // Mc 11,1 // Lc 19,28 . (5) Mt 26,30 // Mc 14,26 // Lc 22,39 . |
|
| gen. enk. horous | 12 | 4 : (1) Mt 5,14 . (2) Mt 8,1 . (3) Mt 17,9 . (4) Mt 24,3 . | 1 : Mc 9,9 . | 3 : (1) Lc 4,29 . (2) Lc 9,37 . (3) Lc 19,37 . | 8 : (1) Mt 8,1 // Mt 17,9 // Mc 9,9 // Lc 9,37 . (2) Mt 24,3 // Mc 13,3 . | |
| dat. enk. horei | 11 | 2 : (1) Mt 17,20 . (2) Mt 21,21 . | 2 : (1) . (2) Mc 11,23 . | 1 : Mc 5,11 . | 5 : (1) Mt 17,20 // Mt 21,21 // Mc 11,23 . | |
| nom. + acc. mv. horè | 7 | 2 : (1) Mt 18,12 . (2) Mt 24,16 . | 1 : Mc 13,14 . | 1 : Lc 21,21 . | 4 : (1) Mt 24,16 // Mc 13,14 // Lc 21,21 . | |
| dat. mv. horesin | 4 | 1 : Mc 5,5 . | 1 : Lc 23,30 . | 2 | ||
| Totaal | 63 | 16 | 11 | 12 | 39 |
eis (to) horos (naar de berg) . In acht verzen bij Matteüs : (1) Mt
4,8 . (2) Mt
5,1 . (3) Mt
14,23 . (4) Mt
15,29 . (5) Mt
17,1 - Mt
17,2 . (6) Mt
21,1 . (7) Mt
26,30 . (8) Mt
28,16 . In deze acht verzen staat het voorzetsel van plaats (eis = naar)
vóór het zelfstandig naamwoord horos (berg) . Tussen het voorzetsel
en het zelfstandig naamwoord staat het bepaald lidwoord tenzij horos (berg)
wordt gevolgd door een bijvoeglijk naamwoord (Mt
4,7 en Mt
17,1) . In zes van de acht verzen is Jezus onderwerp van de zin .
De berg is de plaats van de Godsontmoeting . Ook wanneer de tegenstander (diabolos
- duivel) Jezus naar de hoge berg voert . De hoge berg is de berg van Mozes
waar God zijn verbond met zijn volk sloot en aan Mozes de twee stenen tafels
gaf . De hoge berg is ook de plaats waar Jezus van gedaante veranderde , een
voorsmaakje van de verrezen Jezus . Het is de berg vanwaar Jezus zijn leerlingen
zendt om hen te leren onderhouden alles wat hij opgedragen heeft .
| 1. de duivel | 2. Jezus | 3. Jezus | 4. | 5. | 6. | 7. | 8. de elf leerlingen | |
| Mt 4,8 | Mt 5,1 | Mt 14,23 | Mt 15,29 | Mt 17,1 - Mt 17,2 | Mt 21,1 | Mt 24,3 | Mt 26,30 | Mt 28,16 |
| palin (opnieuw) | kai (en) | kai ... (en) | kai (en)... | kai (en ) | Hoi de endeka mathètai (De elf leerlingen echter) | |||
| paralambanei (neemt bij zich) auton (hem) ho diabolos (de duivel) | anebè (hij klom omhoog) | anebè (hij klom omhoog) | anabas (opgeklommen) | paralambanei (neemt bij zich) ... kai anaferei autous (en hij voert hen omhoog) | èlthon ( zij kwamen)... | kathèmenou de autou epi orous tôn Helaiôn (terwijl hij echter zich op de Olijfberg neerzet) | exèlthon ( zij gingen naar buiten) | eporeuthèsan (gingen op weg) |
| eis horos hupsèlon lian (naar een zeer hoge berg) | eis to horos (naar de berg) | eis to horos (naar de berg) kat'idian (op zichzelf) | eis to horos (naar de berg) | eis horos hupsèlon (naar een hoge berg) kat'idian (op zichzelf) | eis to horos tôn Helaiôn (naar de Olijfberg) | eis to horos (naar de berg) | ... eis to horos (naar de berg) | |
| kai kathisantos autou (en nadat hij zich had neergezet) | ekathèto ekei (zette hij zich naar) | |||||||
| prosèlthan autôi hoi mathètai autou (kwamen zijn leerlingen bij hem) | prosèlthan autôi hoi mathètai autou (kwamen deleerlingen bij hem) kat'idian (afzonderlijk) | |||||||
| 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - | 24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 - | 152. Jezus wandelt op het meer - Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 | 157. Genezing van een doofstomme : Mc 7,31-37 - Mt 15,29-31 - | 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - | 281. Jezus gaat Jerzalem binnen : Mc 11,11 - Mt 21,1-11 - | 299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 - | 328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening : Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 - | 353. Verschijning aan de elf in Galilea :Mt 28,16-20 - |
huios : zoon .
| huios (zoon) enk. | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| nom. enk. huios | 885 | 732 | 153 | 42 | 19 | 39 | 26 | 6 | 19 | 2 | 100 | 126 |
| voc. enk. huie | 149 | 140 | 9 | 1 | 3 | 3 | 1 | 1 | 7 | 7 | ||
| gen. enk. huiou | 343 | 308 | 35 | 8 | 1 | 4 | 3 | 19 | 13 | 16 | ||
| dat. enk. huiôi | 109 | 95 | 14 | 3 | 1 | 5 | 5 | 4 | 9 | |||
| acc. enk. huion | 365 | 285 | 80 | 15 | 6 | 15 | 17 | 3 | 21 | 3 | 36 | 53 |
| totaal | 1851 | 1560 | 291 | 69 | 29 | 62 | 51 | 10 | 65 | 5 | 160 | 211 |
| huios tou anthrôpou (mensenzoon) | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | syn. | ev. |
| nom. enk. huios tou anthrôpou | 52 | 22 | 9 | 16 | 5 | 47 | 52 | |
| gen. enk. huiou tou anthrôpou | 10 | 5 | 4 | 1 | 9 | 10 | ||
| dat. enk. huiôi tou anthrôpou | 1 | 1 | 1 | 1 | ||||
| acc. enk. huion tou anthrôpou | 19 | 4 | 4 | 5 | 5 | 1 | 13 | 18 |
| totaal | 82 | 31 | 13 | 26 | 11 | 1 | 70 | 81 |
| huios Dauid (zoon van David) | N.T. | Mt | Mc | Lc | syn. | ev. |
| nom. enk. huios Dauid | 5 | 4 | 1 | 5 | 5 | |
| voc. enk. huie Dauid | 5 | 2 | 1 | 2 | 5 | 5 |
| gen. enk. huiou Dauid | 1 | 1 | 1 | 1 | ||
| dat. enk. huiôi Dauid | 2 | 2 | 2 | 2 | ||
| acc. enk. huion Dauid | 1 | 1 | 1 | 1 | ||
| totaal | 14 | 9 | 2 | 3 | 14 | 14 |
| huios tou theou (zoon van God) | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Apk | Br. | Gal | Ef | Heb | 1 Joh | syn. | ev. | Paul. | Ap. br. |
| nom. enk. huios tou theou | 25 | 5 | 2 | 5 | 7 | 1 | 1 | 4 | 12 | 19 | 4 | |||||
| voc. enk. huie tou theou | 3 | 1 | 1 | 1 | 3 | 3 | ||||||||||
| gen. enk. huiou tou theou | 6 | 1 | 2 | 1 | 1 | 1 (2x) | 1 | 3 | 2 | 1 | ||||||
| dat. enk. huiôi tou theou | 1 | 1 | 1 | |||||||||||||
| acc. enk. huion tou theou | 6 | 1 | 1 | 3 | 1 | 1 | 1 | 3 | 1 | |||||||
| totaal | 41 | 6 | 4 | 6 | 10 | 2 | 1 | 1 | 1 | 4 | 6 | 17 | 26 | 6 | 7 |
| N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | syn. | ev. | |
| huios (zoon) | 291 | 69 | 29 | 62 | 51 | 10 | 160 | 211 |
| huios tou anthrôpou (mensenzoon) | 82 | 31 | 13 | 26 | 11 | 1 | 70 | 81 |
| huios Dauid (zoon van David) | 14 | 9 | 2 | 3 | 14 | 14 | ||
| huios tou theou (zoon van God) | 41 | 6 | 4 | 6 | 10 | 2 | 16 | 26 |
| Rest | 137 | 23 | 10 | 27 | 30 | 7 | 60 | 90 |
| 1. 7. | 2. 3. | 4. | 5. | 6. | 8. | 9. | 10. | 11. |
| Mt 3,17 = Mt 17,5 | Mt 4,3 . Mt 4,6 | Mt 8,29 | Mt 14,33 | Mt 16,16 | Mt 26,63 | Mt 27,40 | Mt 27,43 | Mt 27,54 |
| ei (indien gij) | Tí hèmin kai soi, wat is er tussen ons en u | alèthôs (waarlijk) | ei (indien) | ei (indien gij) | eipen gar hoti (want hij zei) | alèthôs (waarlijk) | ||
| houtos (deze) | huios (zoon) | huie (zzon) | su (gij) | su (gij) | huios (zoon) | |||
| estin (is) | ei (zijt) | ei (zijt) | ei (zijt) | ei (zijt) | ||||
| ho huios mou (mijn zoon) ho agapètos (de beminde) | tou theou (van God) | tou theou (van God) | theou huios ei (u bent zoon van God) | ho christos, ho huios tou theou tou zôntos (de Christus, de zoon van de levende God) | ho christos ho huios tou theou: de Christus, de zoon van God | tou theou (van God) | theou eimi huios (ik ben zoon van God) | theou huios èn houtos (zoon van God was deze) |
| 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 | 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc
1,12-13 - Mt
4,1-11 - Lc
4,1-13 |
66. Twee bezetenen van Gadara van de demonen bevrijd : Mt 8,28-34 - Mc 5,1-20 - Lc 8,26-39 | Jezus wandelt op het meer : Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 | 162. belijdenis van Petrus : Mc 8,27-30 - Mt 16,13-20 - Lc 9,18-21 | 332. Jezus voor het Sandredin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 | 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 - | 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 - | 347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 - |
| Mt 3,17 = Mt 17,5 Mt 4,3 . Mt 4,6 Mt 8,29 Mt 14,33 Mt 16,16 Mt 26,63 Mt 27,40 Mt 27,43 Mt 27,54 |
- idou (zie) . Verwijzing : idou (zie) , zie Mt 1,20 . In vier verzen in Mt 2 : (1) Mt 2,1 . (2) Mt 2,9 . (3) Mt 2,13 . (4) Mt 2,19 . In Mt 2,1-12 wordt onze aandachtr gevestigd op de magiërs (Mt 2,1 : idou magoi = zie magiërs) en op de ster (Mt 2,9 : idou ho astèr proègen autous = en zie de ster ging voor hen) . In drie verzen in de perikope Mt 28,1-10 : (1) Mt 28,2 . (2) Mt 28,7 . (3) Mt 28,9 . Na de beginsituatie (Mt 2,1) wordt "de verandering" aangevat met idou (zie) . Het vestigt meestal de aandacht op het onderwerp dat op idou (zie) volgt . Dat onderwerp is het personage dat de verandering veroorzaakt . De komst van de magiërs veroorzaakt verwarring aan het koninklijk hof en in heel Jeruzalem . De koning wordt op een pijnlijke wijze eraan herinnerd dat hij naar joodse normen onrechtmatig op de troon zit en dat een nakomeling van David geboren is aan wie rechtmatig de troon toebehoort en die een bedreiging voor zijn troon kan betekenen . Voor de magiërs is de opgerezen ster een teken dat een toekomstige koning geboren is . Het is een hemels teken en tegelijkertijd een teken dat God hen begeleidt op de weg om de pasgeborene te vinden .
- Ièsous (Jezus) , zie Mt 1,1 . In tien verzen in Mt 9 , telkens voorafgegaan door het bepaald lidwoord ho : nominatief mannelijk enkelvoud .
| Ièsous (Jezus) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk |
| nom. Ièsous | 604 | 151 | 455 | 110 | 57 | 55 | 194 | 10 | 28 | 1 |
| gen. + dat. Ièsou | 348 | 34 | 313 | 25 | 13 | 18 | 18 | 32 | 196 | 11 |
| acc. Ièsoun | 163 | 39 | 124 | 15 | 11 | 14 | 26 | 27 | 93 | 0 |
| totaal | 1115 | 224 | 892 | 150 | 81 | 87 | 238 | 69 | 317 | 12 |
| Ièsous | Mt 1 | Mt 2 | Mt 3 | Mt 4 | Mt 5 | Mt 6 | Mt 7 | Mt 8 | Mt 9 | Mt 10 | Mt 11 | Mt 12 | Mt 13 | Mt 14 | Mt 15 | Mt 16 | Mt 17 | Mt 18 | Mt 19 | Mt 20 | Mt 21 | Mt 22 | Mt 23 | Mt 24 | Mt 25 | Mt 26 | Mt 27 | Mt 28 | |
| Ièsous | 1 | 3 | 4 | 1 | 7 | 10 | 1 | 4 | 2 | 4 | 4 | 5 | 6 | 8 | 1 | 7 | 6 | 9 | 4 | 1 | 2 | 12 | 4 | 4 | 110 | ||||
| Ièsou | 2 | 1 | 1 | 2 | 2 | 1 | 2 | 1 | 1 | 8 | 4 | 25 | |||||||||||||||||
| Ièsoun | 2 | 1 | 1 | 3 | 7 | 1 | 15 | ||||||||||||||||||||||
| totaal | 5 | 1 | 3 | 4 | 1 | 8 | 12 | 1 | 4 | 2 | 4 | 7 | 6 | 6 | 11 | 2 | 7 | 6 | 10 | 4 | 1 | 2 | 23 | 15 | 5 | 150 |
In het N.T. komt een vorm van de naam Jezus in 892 verzen voor . Bij Mt is dat in 150 verzen (16,81 %) . In Mt 26 - Mt 28 (lijdens- en verrijzenisverhalen) komt een vorm van de naam Jezus in drieënveertig verzen (28,66 %) voor .
- (tou) ... Ièsou . Verwijzing : Ièsous (Jezus), zie Mt 1,1 . Genitief of datief mannelijk enkelvoud . In vijfentwintig verzen bij Matteüs : (1) Mt 1,1 (-) . (2) Mt 1,18 (+) . (3) Mt 2,1 (+) .
- Ioudaia (Judea) . Verwijzing : Ioudaia
(Judea) , zie Mt
2,1 . Nominatief en datief enkelvoud . In tweeënveertig verzen in de
bijbel . In twaalf verzen in het N.T. : (1) Mt
3,5 . (2) Mt
24,16 . (3) Mc
1,5 . (4) Mc
13,14 . (5) Lc
7,7 . (6) Lc
21,21 . (7) Joh
7,1 . (8) Hnd
1,8 . (9) Hnd
11,29 . (10) Hnd 24,24 . (11) . (12) .
- Genitief vrouwelijk enkelvoud . In vierenzeventig verzen in de bijbel . In
zevenentwintig verzen in het N.T. : (1) Mt
2,1 . (11) Lc
3,1 .
K
kai (en) . Verwijzing : kai
(en) , zie Mt
1,2 . Nevenschikkend voegwoord . In 26980 verzen in de bijbel . In 5113
verzen in het N.T. . Mt (705) . Mc (555) . Lc (822) . Joh (530) . Hnd (660)
. Apk (371) . Meestal wordt het gebruikt als voegwoord tussen twee nevenschikkende
zinnen of tussen twee zinsdelen . Het komt voor bij het begin van een pericope
of bij het begin van een zin ondanks de verandering van personage of van situatie
.
In dertig verzen in Mt 9 . Niet in volgende acht verzen : (1) Mt
9,12 . (2) Mt
9,21 . (3) Mt
9,29 . (4) Mt
9,31 . (5) Mt
9,32 . (6) Mt
9,34 . (7) Mt
9,37 . (8) Mt
9,38 .
- karpos (vrucht) .
| karpos (vrucht) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | ||
| nom. enk. karpos | 27 | 19 | 8 | 1 | 1 | 1 | 1 | 4 | ||||
| gen. enk. karpou | 18 | 14 | 4 | 1 | 2 | 1 | ||||||
| dat. enk. karpô(i) | 2 | 1 | 1 | 1 | ||||||||
| acc. enk. karpon | 88 | 54 | 34 | 6 | 3 | 6 | 7 | 11 | 1 | |||
| nom. mv. karpoi | 5 | 5 | ||||||||||
| gen. mv. karpôn | 22 | 16 | 6 | 3 | 1 | 2 | ||||||
| dat. mv. karpois | ||||||||||||
| acc. mv. karpous | 20 | 12 | 8 | 5 | 2 | 1 | ||||||
| Totaal | 182 | 121 | 61 | 16 | 5 | 11 | 8 | 1 | 18 | 2 |
| karpos (vrucht) | Mt | Mc | Lc |
| nom. enk. karpos | 1 : Mt 21,19 . | 1 : Mc 4,29 . | 1 : Lc 1,42 . |
| gen. enk. karpou | 1 : Mt 12,33 . | 2 : (1) Lc 6,44 . (2) Lc 20,10 . | |
| acc. enk. karpon | 6 : (1) Mt 3,8 . (2) Mt 3,10 . (3) Mt 7,19 . (4) Mt 12,33 . (5) Mt 13,8 . (6) Mt 13,26 . | 3 : (1) Mc 4,7 . (2) Mc 4,8 . (3) Mc 11,14 . | 6 : (1) Lc 3,9 . (2) Lc 6,43 . (3) Lc 8,8 . (4) Lc 13,6 . (5) Lc 13,7 . (6) Lc 13,9 . |
| gen. mv. karpôn | 3 : (1) Mt 7,16 . (2) Mt 7,20 . (3) Mt 21,34 . | 1 : Mc 12,2 . | |
| acc. mv. karpous | 5 : (1) Mt 7,17 . (2) Mt 7,18 . (3) Mt 21,34 . (4) Mt 21,41 . (5) Mt 21,43 . | 2 : (1) Lc 3,8 . (2) Lc 12,17 . | |
| Totaal | 16 | 5 | 11 |
| karpos (vrucht) | Mt |
| nom. enk. karpos | 1 : Mt 21,19 // (karpon : Mc 11,14) // (karpon : (4) Lc 13,6 . (5) Lc 13,7) . |
| gen. enk. karpou | 1 : Mt 12,33 // (karpôn : (1) Mt 7,16) .// (karpôn : (2) Mt 7,20) // (1) Lc 6,44 . |
| acc. enk. karpon | 6 : (1) Mt 3,8 // (3) Mt 7,19 . // (karpous : (1) Lc 3,8) . (2) Mt 3,10 // (1) Lc 3,9 . (4) Mt 12,33 // (karpous : (1) Mt 7,17 + (2) Mt 7,18 .// (2) Lc 6,43 . (5) Mt 13,8 // (1) Mc 4,7 . (2) Mc 4,8 // (3) Lc 8,8 . (6) Mt 13,26 . |
| gen. mv. karpôn | 3 : (1) Mt 7,16 , zie (karpou : Mt 12,33) . (2) Mt 7,20 , zie (karpou : Mt 12,33) . (3) Mt 21,34 . |
| acc. mv. karpous | 5 : (1) Mt 7,17 , zie (karpon : (4) Mt 12,33) . (2) Mt 7,18 , zie (karpon : (4) Mt 12,33) . (3) Mt 21,34 // (karpôn : Mc 12,2) // (karpou : (2) Lc 20,10 . (4) Mt 21,41 . (5) Mt 21,43 . |
| Totaal | 16 |
| Mt 3,10 | Mt 3,8 | Mt 7,19 | Mt 12,33 | Mt 13,8 | Mt 13,26 | |||
| pan oun dendron (elke boom derhalve) | pan dendron (elke boom derhalve) | kai (en) | ||||||
| mè poiôn (niet voortbrengend) | poièsate oun (brengt derhalve voort) | mè poiôn (niet voortbrengend) | è poièsate (of maken jullie) | è poièsate (of maken jullie) | edidou (het geeft) | |||
| karpon kalon (goede vrucht) | karpon axion tès metanoias (vrucht, waardig aan bekering) | karpon kalon (goede vrucht) | ton dendron kalon (de boom goed) | kai ton karpon autou kalon (ook zijn vrucht goed) | ton dendron sapron (de boomziek) | kai ton karpon autou sapron (ook zijn vrucht ziek) | karpon (vrucht) | kai karpon epoièsen (en hij brengt vrucht voort) |
| ekkoptetai (wordt uitgekapt) | ekkoptetai (wordt uitgekapt) | |||||||
| kai eis pur balletai (en in het vuur geworpen) | kai eis pur balletai (en in het vuur geworpen) | |||||||
| kurios (heer) enk. | Mt |
| nom. enk. kurios | 20 : (1) Mt 10,25 . (2) Mt 12,8 . (3) Mt 18,25 . (4) Mt 18,27 . (5) Mt 18,32 . (6) Mt 18,34 . (7) Mt 20,8 . (8) Mt 21,3 . (9) Mt 21,40 . (10) Mt 22,44 . (11) Mt 24,42 . (12) Mt 24,45 . (13) Mt 24,46 . (14) Mt 24,48 . (15) Mt 24,50 . (16) Mt 25,19 . (17) Mt 25,21 . (18) Mt 25,23 . (19) Mt 25,26 . (20) Mt 27,10 . |
| voc. enk. kurie | 31 : (1) Mt 7,21 . (2) Mt 7,22 . (3) Mt 8,2 . (4) Mt 8,6 . (5) Mt 8,8 . (6) Mt 8,21 . (7) Mt 8,25 . (8) Mt 9,28 . (9) Mt 11,25 . (10) Mt 13,27 . (11) Mt 14,28 . (12) Mt 14,30 . (13) Mt 15,22 . (14) Mt 15,25 . (15) Mt 15,27 . (16) Mt 16,22 . (17) Mt 17,4 . (18) Mt 17,15. (19) Mt 18,21 . (20) Mt 20,30 . (21) Mt 20,31 . (22) Mt 20,33 . (23) Mt 21,30 . (24) Mt 25,11 . (25) Mt 25,20 . (26) Mt 25,22 . (27) Mt 25,24 . (28) Mt 25,37 . (29) Mt 25,44 . (30) Mt 26,22 . (31) Mt 27,63 . |
| gen. enk. kuriou | 15 : (1) Mt 1,20 . (2) Mt 1,22 . (3) Mt 1,24 . (4) Mt 2,13 . (5) Mt 2,15 . (6) Mt 2,19 . (7) Mt 3,3 . (8) Mt 9,38 . (9) Mt 21,9 . (10) Mt 21,42 . (11) Mt 23,39 . (12) Mt 25,18 . (13) Mt 25,21 . (14) Mt 25,23 . (15) Mt 28,2 . |
| dat. enk. kuriô(i) | 3 : (1) Mt 5,33 . (2) Mt 18,31 . (3) Mt 22,44 . |
| acc. enk. kurion | 6 : (1) Mt 4,7 . (2) Mt 4,10 . (3) Mt 10,24 . (4) Mt 22,37 . (5) Mt 22,43 . (6) Mt 22,45 . |
| totaal | 75 |
L
- lidwoord
| lidw. enk. | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | ||
| nom. m. enk. ho | 8495 | 6052 | 2443 | 408 | 219 | 331 | 436 | 281 | 612 | 156 | ||
| nom. vr. enk.hè | 4860 | 76 | ||||||||||
| nom. + acc. onz. enk. to | ||||||||||||
| gen. m. + onz. enk. tou | ||||||||||||
| gen. vr. enk. tès | ||||||||||||
| dat. m. + onz. enk. tô(i) | ||||||||||||
| dat. vr. enk. tè(i) | ||||||||||||
| acc. m. enk. ton | ||||||||||||
| acc. vr. enk. tèn | ||||||||||||
| Totaal |
| lidw. mv. | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| nom. m. mv. hoi | 4230 | 3257 | 973 | 196 | 101 | 165 | 125 | 147 | 169 | 70 | 462 | 587 |
| nom. vr. mv. .hai | 983 | 849 | 134 | 30 | 15 | 24 | 2 | 15 | 27 | 21 | ||
| nom. + acc. onz. mv. ta | 4361 | 3647 | 714 | 97 | 47 | 98 | 69 | 77 | 254 | 72 | ||
| gen. m. + vr. + onz. mv. tôn | 5178 | 4144 | 1034 | 178 | 90 | 119 | 98 | 166 | 267 | 116 | ||
| dat. m. + onz. mv. tois | 2715 | 2179 | 536 | 96 | 47 | 65 | 36 | 82 | 193 | 17 | ||
| dat. vr. mv. tais | 980 | 799 | 181 | 21 | 10 | 33 | 4 | 24 | 66 | 23 | ||
| acc. m. mv. tous | 2960 | 2330 | 630 | 91 | 52 | 98 | 51 | 122 | 156 | 60 | ||
| acc. vr. enk. tas | 1987 | 1674 | 313 | 36 | 27 | 42 | 19 | 57 | 96 | 36 | ||
| Totaal | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 |
| lidw. mv. | Mt 1 | Mt 2 | Mt 3 | Mt 4 | Mt 5 | Mt 6 | Mt 7 | Mt 8 | Mt 9 | Mt 10 | Mt 11 | Mt 12 | Mt 13 | Mt 14 | Mt 15 | Mt 16 | Mt 17 | Mt 18 | Mt 19 | Mt 20 | Mt 21 | Mt 22 | Mt 23 | Mt 24 | Mt 25 | Mt 26 | Mt 27 | Mt 28 | ||
| nom. m. mv. hoi | 3 | 1 | 3 | 11 | 4 | 8 | 6 | 13 | 3 | 3 | 13 | 10 | 9 | 7 | 5 | 7 | 3 | 5 | 10 | 13 | 10 | 3 | 7 | 5 | 14 | 15 | 5 | 196 | ||
| nom. vr. mv. .hai | ||||||||||||||||||||||||||||||
| nom. + acc. onz. mv. ta | ||||||||||||||||||||||||||||||
| gen. m. + vr. + onz. mv. tôn | ||||||||||||||||||||||||||||||
| dat. m. + onz. mv. tois | ||||||||||||||||||||||||||||||
| dat. vr. mv. tais | ||||||||||||||||||||||||||||||
| acc. m. mv. tous | ||||||||||||||||||||||||||||||
| acc. vr. enk. tas | ||||||||||||||||||||||||||||||
-- hoi (de) . Verwijzing : lidwoord
, zie Mt
28,18 . In 196 verzen bij Mt , zie Mt
2,5 . Mt 1 (0) . Mt 2 (3) . Mt 3 (1) . Mt 4 (3) . Mt 5 (11) . Mt 6 (4) .
Mt 7 (8) . Mt 8 (6) . Mt 9 (13) . Mt 10 (3) . Mt 11 (3) . Mt 12 (13) . Mt 13
(10) . Mt 14 (9) . Mt 15 (7) . Mt 16 (5) . Mt 17 (7) . Mt 18 (3) . Mt 19 (5)
. Mt 20 (10) . Mt 21 (13) . Mt 22 (10) . Mt 23 (3) . Mt 24 (7) . Mt 25 (5) .
Mt 26 (14). Mt 27 (15) . Mt 28 (5) . In drie verzen in Mt 2 : (1) Mt
2,5 . (2) Mt
2,9 . (3) Mt
2,20 .
In dertien verzen in Mt 12 : (1) Mt
12,1 . (2) Mt
12,2 . (3) Mt
12,3 . (4) Mt
12,5 . (5) Mt
12,14 . (6) Mt
12,23 . (7) Mt
12,24 . (8) Mt
12,27 . (9) Mt
12,36 . (10) Mt
12,46 . (11) Mt
12,47 . (12) Mt
12,48 . (13) Mt
12,49 .
| makarios (zalig) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| nom. m. enk.makarios | 50 | 34 | 16 | 3 | 4 | 5 | 4 | 7 | 7 | |||
| nom. + dat vr. enk , nom + acc. onz. mv. .makaria(i) | 6 | 4 | 2 | 2 | 2 | 2 | ||||||
| nom. + acc. onz. enk. makarion | 3 | 1 | 2 | 2 | ||||||||
| gen. man. enk makariou | 1 | 1 | 1 | |||||||||
| acc. vr. enk. makarian | 1 | 1 | 1 | |||||||||
| nom. m. mv. makarioi | 40 | 15 | 25 | 10 | 7 | 2 | 3 | 3 | 17 | 19 | ||
| nom. vr. mv. .makariai | 2 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | ||||||
| acc. man. mv.makarious | 1 | 1 | ||||||||||
| Totaal | 104 | 56 | 48 | 13 | 1 | 13 | 2 | 2 | 10 | 7 | 27 | 29 |
| 1. | 2. | 3. | 4. | 5. | 6. | 7. | 8. | 9. | |
| Mt 5,3 | Mt 5,4 | Mt 5,5 | Mt 5,6 | Mt 5,7 | Mt 5,8 | Mt 5,9 | Mt 5,10 | Mt 5,11 | |
| 1. | makarioi (zalig - gelukkig) | makarioi (zalig - gelukkig) | makarioi (zalig - gelukkig) | makarioi (zalig - gelukkig) | makarioi (zalig - gelukkig) | makarioi (zalig - gelukkig) | makarioi (zalig - gelukkig) | makarioi (zalig - gelukkig) | makarioi (zalig - gelukkig) |
| 2. | hoi (de) | hoi (de) | hoi (de) | hoi (de) | hoi (de) | hoi (de) | hoi (de) | hoi (de) | |
| 3. | ptôchoi (armen) | penthountes (treurenden) | praeis (zachtmoedigen) | peinôntes kai dixôntes (hongerigen en dorstigen) | hoi eleèmones ( barmhartigen) | hoi katharoi ( zuiveren) | hoi eirènopoioi (vredestichters) | dediôgmenoi (de vervolgden) | |
| 4. | tôi pneumati (van geest) | tèn dikaiosunèn (de gerechtigheid) | tèi kardiai (van hart) | heneken dikaiosunès (omwille van de gerechtigheid) | |||||
| 5. | hoti (omdat) | hoti (omdat) | hoti (omdat) | hoti (omdat) | hoti (omdat) | hoti (omdat) | hoti (omdat) | hoti (omdat) | |
| 6. | autôn (van hen) | autoi (zij) | autoi (zij) | autoi (zij) | autoi (zij) | autoi (zij) | autoi (zij) | autôn (van hen) | |
| 7. | estin (is) | paraklèthèsontai (zullen getroost worden) | klèronomèsousin (beërven) | chortasthèsontai (zullen verzadigd worden) | eleèthèsontai (zullen barmhartigheid ondervinden) | ... opsontai (zullen zien) | ... klèthèsontai (zullen genoemd worden) | estin (is) | |
| 8. | hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) | tèn gèn (het land) | ton theon (God) | huioi theou (zonen van God) | hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) | ||||
| 5 + 7 woorden/ | 3 + 3 | 3 + 5 | 5 + 3 | 3 + 3 | 5 + 5 | 3 + 5 | 5 + 7 | ||
| 12 | 6 | 8 | 8 | 6 | 10 | 8 | 12 | 35 |
- magos (magiër) . Verwijzing : magos
(magiër) , zie Mt
2,1 . In één vers in de bijbel , nl. Hnd
13,8 . Accusatief mannelijk enkelvoud . In twee verzen in de bijbel : (1)
Da 2,10 . (2) Hnd
13,6 . Nominatief mannelijk meervoud . In één vers in de bijbel
, nl. Mt
2,1 . Genitief mannelijk meervoud . In één vers in de bijbel
, nl. Mt
2,16 . Accusatief mannelijk meervoud . In twee verzen in de bijbel : (1)
Da 2,2 . (2) Mt
2,7 .
O
- ochlos (menigte) . Verwijzing in N.T. : ochlos (menigte) .
| ochlos (menigte) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Apk | syn. | ev. | |
| 1 | nom. mann. enk. ochlos | 49 | 4 | 45 | 6 | 13 | 9 | 12 | 4 | 1 | 28 | 40 |
| 2 | gen. mann. enk. ochlou | 31 | 6 | 25 | 1 | 5 | 9 | 4 | 4 | 2 | 15 | 19 |
| 3 | dat. mann. enk. ochlô(i) | 21 | 10 | 11 | 2 | 4 | 3 | 1 | 1 | 9 | 10 | |
| 4 | acc. mann. enk. ochlon | 41 | 6 | 35 | 10 | 13 | 4 | 2 | 6 | 27 | 29 | |
| enk. | 142 | 26 | 116 | 19 | 35 | 25 | 19 | 15 | 3 | 79 | 98 | |
| 5 | nom. mann. mv. ochloi | 28 | 28 | 14 | 1 | 10 | 3 | 25 | 25 | |||
| 6 | gen. mann. mv. ochlôn | 4 | 3 | 1 | 1 | 1 | 1 | |||||
| 7 | dat. mann. mv. ochlois | 16 | 5 | 11 | 7 | 2 | 1 | 1 | 9 | 10 | ||
| 8 | acc. mann. mv. ochlous | 22 | 5 | 17 | 10 | 3 | 4 | 13 | 13 | |||
| mv. | 70 | 13 | 29 | 17 | 1 | 16 | 1 | 8 | 48 | 49 | ||
| totaal enk. en mv. | 212 | 39 | 173 | 50 | 36 | 41 | 20 | 23 | 3 | 127 | 147 |
| ochlos (menigte) | Mt | Mt 1 | Mt 2 | Mt 3 | Mt 4 | Mt 5 | Mt 6 | Mt 7 | Mt 8 | Mt 9 | Mt 10 | Mt 11 | Mt 12 | Mt 13 | Mt 14 | |
| 1 | nom. mann. enk. ochlos | 6 | ||||||||||||||
| 2 | gen. mann. enk. ochlou | 1 | ||||||||||||||
| 3 | dat. mann. enk. ochlô(i) | 2 | ||||||||||||||
| 4 | acc. mann. enk. ochlon | 10 | (1) Mt 8,18 . | (2) Mt 9,23 . | (3) Mt 14,5 . (4) Mt 14,14 . | |||||||||||
| enk. | 19 | |||||||||||||||
| 5 | nom. mann. mv. ochloi | 14 | ||||||||||||||
| 6 | gen. mann. mv. ochlôn | |||||||||||||||
| 7 | dat. mann. mv. ochlois | 7 | ||||||||||||||
| 8 | acc. mann. mv. ochlous | 10 | (1) Mt 5,1 . | (2) Mt 9,36 . | (3) Mt 13,36 . | (4) Mt 14,15 . (5) Mt 14,19 . (6) Mt 14,22 . (7) Mt 14,23 . | ||||||||||
| mv. | 17 | |||||||||||||||
| totaal enk. en mv. | 50 | |||||||||||||||
| ochlos (menigte) | Mt | Mt 1 | Mt 2 | Mt 3 | Mt 4 | Mt 5 | Mt 6 | Mt 7 | Mt 8 | Mt 9 | Mt 10 | Mt 11 | Mt 12 | Mt 13 | Mt 14 |
| ochlos (menigte) | Mt | Mt 15 | Mt 16 | Mt 17 | Mt 18 | Mt 19 | Mt 20 | Mt 21 | Mt 22 | Mt 23 | Mt 24 |