- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -
- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -
Overzicht van Tenach : Tenach
: overzicht , Tenach
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z -
, Tenach
: commentaar ,
Overzicht van Septuaginta : Septuaginta
: overzicht , Septuaginta
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z
- , Septuaginta
: commentaar ,
Overzicht van het Matteüsevangelie : Mt
: overzicht , Mt
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z
- , Mt
: commentaar ,
Overzicht van het N.T. : NT
: overzicht , NT
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X
-Y
- Z - ,
NT : commentaar
,
Overzicht van het Matteüsevangelie : Mt
1 , Mt 2
, Mt 3 ,
Mt 4 , Mt
5 , Mt 6
, Mt 7 ,
Mt 8 , Mt
9 , Mt 10
, Mt 11
, Mt 12
, Mt 13
, Mt 14
, Mt 15
, Mt 16
, Mt 17
, Mt 18
, Mt 19
, Mt 20
, Mt 21
, Mt 22
, Mt 23
, Mt 24
, Mt 25
, Mt 26
, Mt 27
, Mt 28
.
Bijbeluitleg per pericope - Mt
4,1-11 - Mt
4,12-17 - Mt
4,18-22 - Mt
4,23-25 ; 5,1-2 -
Bijbeluitleg vers per vers - Mt
4,1 - Mt
4,2 - Mt
4,3 - Mt
4,4 - Mt
4,5 - Mt
4,6 - Mt
4,7 - Mt
4,8 - Mt
4,9 - Mt
4,10 - Mt
4,11 - Mt
4,12 - Mt
4,13 - Mt
4,14 - Mt
4,15 - Mt
4,16 - Mt
4,17 - Mt
4,18 - Mt
4,19 - Mt
4,20 - Mt
4,21 - Mt
4,22 - Mt
4,23 - Mt
4,24 - Mt
4,25 -
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| 1. LXX , Griekse tekst N.T. | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel | liturgische lezing |
Overzicht van de bijbelboeken - bijbeloverzicht , taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
Evangelielezing van de 1ste
(eerste) zondag in de veertigdagentijd A : Mt
4,1-11 :
1 Daarna werd Jezus door de Geest naar de woestijn gevoerd om door de
duivel op de proef gesteld te worden. 2 Nadat Hij veertig dagen en veertig
nachten had gevast, kreeg Hij honger. 3 Nu trad de verleider op Hem toe
en sprak: "Als Gij de Zoon van God zijt, beveel dan dat deze stenen hier
in brood veranderen." 4 Hij gaf ten antwoord: "Er staat geschreven:
Niet van brood alleen leeft de mens, maar van elk woord dat komt uit de mond
van God." 5 Vervolgens nam de duivel Hem mee naar de heilige stad,
plaatste Hem op de bovenbouw van een tempelpoort 6 en sprak tot Hem: "Als
Gij de Zoon van God zijt, werp U dan naar beneden, want er staat geschreven:
Aan zijn engelen zal Hij omtrent U een bevel geven, dat zij U op de handen nemen,
opdat Ge uw voet niet zult stoten aan een steen." 7 Jezus zei tot
hem: "Er staat ook geschreven: Gij zult de Heer uw God niet op de proef
stellen." 8 Tenslotte nam de duivel Hem mee naar een heel hoge berg,
vanwaar hij Hem alle koninkrijken der wereld toonde in hun heerlijkheid. 9
En hij zei: "Dat alles zal ik U geven, als Gij in aanbidding voor mij neervalt." 10
Toen zei Jezus hem: "Weg, satan; er staat geschreven: De Heer uw God zult
gij aanbidden en Hem alleen dienen." 11 Nu liet de duivel Hem met
rust en er kwamen engelen om Hem te dienen.
inleiding
Jezus maakt kennis met tegenstand . In zijn leven ontmoet Jezus regelmatig tegenstanders (dia-bolos - diaballô : tegenwerpen , dis-cussiëren , testen , toetsen) . Jezus' tegenstanders stellen vragen , maken opwerpingen , brengen één en ander in . Jezus wordt op de proef gesteld , uitgeprobeerd , getest , getoetst . Jezus is de these . Zijn tegenstanders de antithese . In Mt 4,1-11 worden schriftteksten gebruikt . Hoe lezen beide partijen de schrift ? Waarom wordt de ene tekst afgewezen en de andere aanbevolen ? Welke schriftinterpretaties worden in beide gevallen gehanteerd ?
Tegenstanders veronderstellen dat het zoonschap van God met macht moet gepaard gaan (bekoringsverhaal , bij de kruisdood) . Tweemaal wordt op een goddelijke stem beroep gedaan om dit zoonschap van God te bevestigen. De eerste christenen zagen wellicht de uniekheid van Jezus . Ze hebben zijn uniek-zijn beschreven en beklemtoond om hun eigen identiteit en eigenheid te affirmeren . En ze doen het op zo'n wijze dat er buiten hen (en buiten Jezus) geen heil te verwachten valt . In Mt 16,16 belijdt Petrus wie Jezus is . Blijkbaar is de toekomst verzekerd (op deze rots zal ik mijn kerk bouwen) om de confrontatie met Jeruzalem aan te gaan .
structuur van de pericope
| 1. | 2. | 3. | 4. | 5. | 6. | 7. |
| Jezus naar de woestijn waar hij veertig dagen vast | eerste toenadering van de beproever . De inleiding | eerste toenadering van de beproever . De woorden | antwoord erop door Jezus . De inleiding | antwoord erop door Jezus. De woorden | tweede toenadering van de beproever . De inleiding | tweede toenadering van de beproever . De woorden |
| Mt 4,1 - Mt 4,2 | Mt 4,3a | Mt 4,3b | Mt 4,4a | Mt 4,4b | Mt 4,5 - Mt 4,6a | Mt 4,6b |
| twee nevenschikkende zinnen | kai (en) ondanks de persoonsverandering | de (echter)-tekst | Tote (dan)... tweemaal kai nevenschikkende zin voor het citeren | |||
| verleden tijd (aorist) | verleden tijd (aorist) | verleden tijd (aorist) | T.T. , V.T ., T.T. | |||
14 + 9 = 23 |
6 | 12 | 4 | 16 | 20 | 29 |
| 30 + 27 = 57 (19 X 3) | 12 | 21 | 8 | 37 | 42 | 55 |
| 8. | 9. | 10. | 11. | 12. | 13. | 14. |
| antwoord erop door Jezus . De inleiding | antwoord erop door Jezus . De woorden | derde toenadering van de beproever . De inleiding | derde toenadering van de beproever . De woorden | antwoord erop door Jezus . De inleiding. | antwoord erop door Jezus . De woorden | slot |
| Mt 4,7a | Mt 4,7b | Mt 4,8 - Mt 4,9a | Mt 4,9b | Mt 4,10a | Mt 4,10b | Mt 4,11 |
| palin (opnieuw) | tote (dan, daarop) | tote (dan) | ||||
| imperfectum | T.T. (tweemaal) + V.T. | T.T. | T.T., V.T. (aorist , imperfectum) | |||
| 4 | 8 | 24 | 8 | 5 | 13 | 12 |
| 7 | 17 | 49 | 16 | 9 | 29 | 29 |
aan het woord
| 1. de beproever | 2. Jezus | 3. de duivel | 4. Jezus | 5. de duivel | 6. Jezus |
| Mt 4,3 | Mt 4,4 | Mt 4,6 | Mt 4,7 | Mt 4,9 | Mt 4,10 |
| kai (en) | ho de (hij echter) | kai (en) | kai (en) | tote (toen) | |
| proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever) | apokritheis (geantwoord) | ||||
| eipen (zei hij) | eipen (zei) | legei (hij zegt) | efè (zei) | eipen (hij zei) | legei (zegt) |
| autôi (hem) | autôi (aan hem) | autôi (aan hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | |
| ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) |
| 1. de beproever | 2. Jezus | 3. de duivel | 4. Jezus | 5. de duivel | 6. Jezus | ||||||
| Mt 4,3 | Lc 4,3 | Mt 4,4 | Lc 4,4 | Mt 4,6 | Lc 4,9 | Mt 4,7 | Lc 4,12 | Mt 4,9 | Lc 4,6 | Mt 4,10 | Lc 4,8 |
| kai (en) | ho de (hij echter) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | tote (toen) | kai (en) | ||
| proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever) | apokritheis (geantwoord) | apokrithè (antwoordde) | apokritheis (geantwoord) | apokritheis (geantwoord) | |||||||
| eipen (zei hij) | eipen de (zei echter) | eipen (zei) | legei (hij zegt) | eipen (hij zei) | efè (zei) | eipen (zei) | eipen (hij zei) | eipen (hij zei) | legei (zegt) | ho Ièsous (Jezus) eipen (hij zei) | |
| autôi (hem) | autôi (aan hem) | pros auton (tot hem) | autôi (aan hem) | autôi (hem) | autôi (aan hem) | autôi (aan hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | |
| ho diabolos (de duivel) | ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) | ho diabolos (de duivel) | ho Ièsous (Jezus) |
| 1. | 2. | 3. | 4. | 5. | 6. | 7. |
| Jezus naar de woestijn waar hij veertig dagen vast | eerste toenadering van de beproever . De inleiding | eerste toenadering van de beproever . De woorden | antwoord erop door Jezus . De inleiding | antwoord erop door Jezus. De woorden | tweede toenadering van de beproever . De inleiding | tweede toenadering van de beproever . De woorden |
| Mt 4,1 - Mt 4,2 | Mt 4,3a | Mt 4,3b | Mt 4,4a | Mt 4,4b | Mt 4,5 - Mt 4,6a | Mt 4,6b |
| Lc 4,1 - Lc 4,2 | Lc 4,3a | Lc 4,3b | Lc 4,4a | Lc 4,4b | Lc 4,9a | Lc 4,9b - Lc 4,10 |
In Mt 4,1-11 zijn heel wat bijzonderheden op te merken .
Vooreerst wat het voegwoord kai (en) en het partikel de (echter) betreft .
Verwijzingen : kai
(en) , zie Mt
1,2 en de
(echter) , zie Mt
1,2 .
Matteüs gebruikt het voegwoord kai (en) om o.a. twee nevenschikkende zinnen
met hetzelfde onderwerp met elkaar te verbinden : Mt
4,2 , Mt
4,5 (tweemaal) , Mt
4,6 , Mt
4,8 (tweemaal) , Mt
4,9 , Mt
4,10 , Mt
4,11 . Negenmaal in totaal .
In Mt
4,3 wordt kai (en) gebruikt om een zin met een ander onderwerp aan elkaar
te verbinden .
In Mt
4,11 wordt kai (en) gebruikt om twee zinnen met een verschillend onderwerp
met elkaar te verbinden . De twee zinnen zijn tegengesteld en concentrisch opgebouwd
. Mt
4,11a : A : tote (dan) , B : afièsin (verlaat) , C : auton (hem)
, D: ho diabolos (de duivel) ; Mt
4,11b : kai idou (en zie) , D' : aggeloi (engelen) , B' : prosèlthon
kai dièkonèn autôi (kwamen nader bij hem en dienden hem)
.
In Mt
4,1 en Mt
4,8 wordt het voegwoord kai (en) gebruikt om twee zinsdelen te verbinden
.
In pericope Mt
4,1-11 wordt kai (en) veertienmaal aangewend . Hiervan staat kai (en) in
vier verzen aan het begin van het vers : (1) Mt
4,2 . (2) Mt
4,3 . (3) Mt
4,6 . (4) Mt
4,9 .
Het partikel de (echter) staat steeds op de tweede plaats in de zin . Het duidt
aan dat er tussen de vorige zin en de huidige zin verandering van personage
plaats vindt , m.a.w. er is een ander onderwerp : Mt
4,4 .
In totaal wordt in deze pericope viermaal tote (daarna, dan) gebruikt . De verandering
van personage wordt o.a. opgevangen door het woordje tote (daarop, daarna /
to-de = dit echter, na dit): (1) Mt
4,1 . (2) Mt
4,5 . (3) Mt
4,10 . (4) Mt
4,11 .
We hadden de (echter) verwacht in plaats van kai (en) : Mt
4,3 .
Besluit : dertienmaal kai (en) , eenmaal de (echter) , viermaal tote (dan, daarop)
.
Er is een variatie in het gebruik van werkwoordtijden . Mt 4,1-4 staat in de verleden tijd (aorist) . Mt 4,5a begint met de tegenwoordige tijd , vervolgt (Mt 4,5b) in de verleden tijd (aorist) en gaat dan weer verder (Mt 4,6) in de tegenwoordige tijd . In Mt 4,6 lezen we een verleden tijd (imperfectum) . Mt 4,8 staat in de tegenwoordige tijd en de nevenschikkende zin die erop volgt , staat in de verleden tijd . Mt 4,10 gebruikt een tegenwoordige tijd . Zo begint Mt 4,11 in een tegenwoordige tijd , vervolgt in een verleden tijd (aorist) en een verleden tijd (imperfectum) .
| Mt 4,1 - Mt 4,1 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt (Matteüs) -- Mt 4 -- Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . Then was Jesus led up of the Spirit into the wilderness
to be tempted of the devil.
Luther-Bibel . 1 Da wurde Jesus vom Geist in die Wüste geführt, damit
er von dem Teufel versucht würde.
Tekstanalyse van Mt 4,1 . Dit vers Mt 4,1 telt 14 (2 X 7) woorden en 69 (3 X 23) letters . De getalwaarde van Mt 4,1 is 8002 (2 X 4001) .
Mt 4,1.1.
tote (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het N.T. :
tote
(dan) . Taalgebruik in Mt : tote
(dan) . Bijwoord van tijd . Mt (89) . Mt 4 (5) : (1) Mt
4,1 . (2) Mt
4,5 . (3) Mt
4,10 . (4) Mt
4,11 . (5) Mt
4,17 . In totaal wordt in deze pericope viermaal tote (daarna, dan) gebruikt
. De verandering van personage wordt o.a. opgevangen door het woordje tote (daarop,
daarna / to-de = dit echter, na dit) : (1) Mt
4,1 . (2) Mt
4,5 . (3) Mt
4,10 . (4) Mt
4,11 . Het woordje staat hier telkens aan het begin van het vers . Nog in
dit hoofdstuk : Mt
4,17 . Het volgt op Mt
3,13-17 (de doop van Jezus) . Er zijn echter meerdere overeenkomsten tussen
Mt 3,13
en Mt
4,1 .
- Mt 3,13
: Tote (dan) paraginetai ho Ièsous (treedt Jezus op) apo tès Galilaias
epi ton Iordanèn pros ton Iôannèn (van Galilea naar de Jordaan
bij Johannes) tou baptisthènai hu'autou (om gedoopt te worden door hem)
.
- Mt 4,1
: Tote (dan) ho Ièsous anèchthè (werd Jezus naar omhoog
geleid) eis tèn erèmon (naar de woestijn) hupo tou pneumatos peirasthènai
hupo tou diabolou (door de geest om beproefd te worden door de duivel) .
Mt 4,1.2. bepaald lidwoord , nominatief mannelijk enkelvoud ho OF betrekkelijk voornaamwoord , nominatief onzijdig enkelvoud ho . Bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . Mt (408) . In tien verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,1 (ho Ièsous = Jezus) . (2) Mt 4,3 (ho peirazôn = de beproever) . (3) Mt 4,4 (tweemaal ; ho de = hij echter ; ho anthrôpos = de mens) . (4) Mt 4,5 (ho diabolos = de duivel) . (5) Mt 4,7 (ho Ièsous = Jezus) . (6) Mt 4,8 (ho diabolos = de duivel) . (7) Mt 4,10 (ho Ièsous = Jezus) . (8) Mt 4,11 (ho diabolos = de duivel) . In de pericope Mt 4,1-11 komt negenmaal het lidwoord voor ; viermaal bij Ièsous = Jezus ; driemaal bij diabolos (duivel) ; eenmaal bij peirazôn = beproever ; eenmaal bij anthrôpos = mens . Verder (9) Mt 4,16 (tweemaal ; ho laos ho kathèmenos = het volk het zittende) . (10) Mt 4,17 (ho Ièsous = Jezus)
Mt 4,1.3.
nom. mann. enk. ièsous (Jezus) . Taalgebruik in N.T. : Ièsous
(Jezus) . Taalgebruik in Mt : Ièsous
(Jezus) . Mt (110) . In vier verzen in Mt
4 : (1) Mt
4,1 (+) Bij het begin van het vers staat tote ho Ièsous (daarop Jezus)
. (2) Mt
4,7 (+) . (3) Mt
4,10 (+) . Bij het begin van het vers staat tote (dan , daarop) . (4) Mt
4,17 (+) . Bij het begin van het vers staat apo tote (van dan af) .
Zoals in Mt
3,13 is Jezus onderwerp . Hier in Mt
4,1 staat het onderwerp vooraan de zin , onmiddellijk na tote (dan) . Meestal
komt na tote (dan) het werkwoord . Het onderwerp komt onmiddellijk na tote (daarop,
dan) in : (1) Mt
2,7 en (2) Mt
2,16 : tote Hèrôidès ... (dan Herodes...) .
Mt 4,1.1. - 2. tote gevolgd door een lidwoord . In tien verzen in Mt . In vier verzen staat tote ho : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 16,24 . (3) Mt 21,1 . (4) Mt 23,1 .
Mt 4,1.1. - 3. tote ho Ièsous (daarop Jezus) . n vier verzen in Mt : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 16,24 . (3) Mt 21,1 . (4) Mt 23,1 . In drie verzen staat het aan het begin van een vers , van een pericope , behalve in Mt 21,1 . Slechts in Mt .
Mt 4,1.4. pass. ind. aor. 3de pers. enk. anèchthè (hij werd omhooggevoerd) van het werkw. anagô (omhoog voeren) (ana = omhoog + agô = voeren, leiden) . Taalgebruik in het N.T. : anagô (omhoogvoeren) . Taalgebruik in Mt : anagô (omhoogvoeren) . In twee verzen in de bijbel . Slechts in het N.T. : (1) Mt 4,1 . (2) Hnd 18,21 . Dit is de enigste vorm in Mt .
Mt 4,1.5. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mt : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mt (215) . Mt 4 (7) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,8 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 4,13 . (6) Mt 4,18 . (7) Mt 4,24 .
Mt 4,1.6. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn van het bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . Mt (180) . Mt 4 (7) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,8 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 4,13 . (6) Mt 4,18 . (7) Mt 4,24 .
Mt 4,1.7. acc. vr. enk. erèmon van het zelfst. naamw. erèmos (woestijn, eenzame plaats) . Taalgebruik in het N.T. : erèmos (woestijn) . Taalgebruik in Mt. : erèmos (woestijn) . Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth (chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn) (39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten) . désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen , aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is verlaten . Mt (3) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 11,7 . (3) Mt 14,13 . Een vorm van erèmos (woestijn, eenzame plaats) in Mt in 8 verzen : (1) Mt 3,1 . (2) Mt 3,3 . (3) Mt 4,1 . (4) Mt 11,7 . (5) Mt 14,13 . (6) Mt 14,15 . (7) Mt 23,38 . (8) Mt 24,26 .
Mt 4,1.5. - 7. eis tèn erèmon (naar de woestijn) . Mt (2) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 11,7 . eis erèmon topon (naar een eenzame plaats) . Mt (1) Mt 14,13 .
Mt 4,1.8. hupo (door) . Afkorting : hup' of huf' . Taalgebruik in het N.T. : hupo (door) . Taalgebruik in Mt : hupo (door) . Mt (24 + 4 + 0 = 28) . hupo (23) : (1) Mt 1,22 . (2) Mt 2,15 . (3) Mt 2,16 . (4) Mt 3,14 . (5) Mt 4,1 . (6) Mt 5,13 . (7) Mt 5,15 . (8) Mt 6,2 . (9) Mt 8,8 . (10) Mt 8,9 . (11) Mt 8,24 . (12) Mt 10,22 . (13) Mt 11,7 . (14) Mt 11,27 . (15) Mt 14,8 . (16) Mt 14,24 . (17) Mt 19,12 . (18) Mt 20,23 . (19) Mt 22,31 . (20) Mt 23,7 . (21) Mt 23,37 . (22) Mt 24,9 . (23) Mt 27,12 . (24) Mt 28,14 . hup' (4) : (1) Mt 3,6 . (2) Mt 3,13 . (3) Mt 8,9 . (4) Mt 17,12 .
Mt 4,1.9. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mt (234) . Mt 4 (9) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,3 . (3) Mt 4,5 . (4) Mt 4,6 . (5) Mt 4,8 . (6) Mt 4,14 . (7) Mt 4,15 . (8) Mt 4,21 . (9) Mt 4,25 .
Mt 4,1.12. hupo (door) . Afkorting : hup' of huf' . Taalgebruik in het N.T. : hupo (door) . Taalgebruik in Mt : hupo (door) . Mt (24 + 4 + 0 = 28) . hupo (23) : (1) Mt 1,22 . (2) Mt 2,15 . (3) Mt 2,16 . (4) Mt 3,14 . (5) Mt 4,1 . (6) Mt 5,13 . (7) Mt 5,15 . (8) Mt 6,2 . (9) Mt 8,8 . (10) Mt 8,9 . (11) Mt 8,24 . (12) Mt 10,22 . (13) Mt 11,7 . (14) Mt 11,27 . (15) Mt 14,8 . (16) Mt 14,24 . (17) Mt 19,12 . (18) Mt 20,23 . (19) Mt 22,31 . (20) Mt 23,7 . (21) Mt 23,37 . (22) Mt 24,9 . (23) Mt 27,12 . (24) Mt 28,14 . hup' (4) : (1) Mt 3,6 . (2) Mt 3,13 . (3) Mt 8,9 . (4) Mt 17,12 .
13. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mt (234) . Mt 4 (9) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,3 . (3) Mt 4,5 . (4) Mt 4,6 . (5) Mt 4,8 . (6) Mt 4,14 . (7) Mt 4,15 . (8) Mt 4,21 . (9) Mt 4,25 .
- hupo tou pneumatos (door de geest) - hupo
- pneuma
(geest) 18X bij Matteüs) - Wat wordt er bedoeld dat Jezus door de geest
naar de woestijn gedreven werd. Woestijn in deze contekst doet natuurlijk denken
aan de tocht van de Hebreeën door de woestijn onder leiding van Mozes.
De woestijn was de leerschool. Het was ook een levensschool. Daar werd het verbond
tussen God en het volk gesloten. Daar oefenden de Hebreeën zich om aan
de geboden van God te gehoorzamen. Had de doopervaring een leergierigheid in
Jezus losgemaakt. Is hij in de leer bij Johannes gegaan? Matteüs legt de
band tussen Mt 3,13-17 en Mt 4,1.
Als mens kan je door innerlijke krachten of door tegenstand van buiten getest
en getoetst worden .
| Mt 4,2 - Mt 4,2 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt (Matteüs) -- Mt 4 -- Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [2] And when he had fasted forty days and forty nights,
he was afterward an hungred.
Luther-Bibel . 2 Und da er vierzig Tage und vierzig Nächte gefastet hatte,
hungerte ihn.
Tekstuitleg van Mt 4,2 .
husteron (Heb; : ´achar - voorzetsel : ´achäre.
daarna, later, tenslotte. 22X in de bijbel, 7X bij Matteüs) (1) Mt 4, 2
. (2) Mt 21,29 . (3) Mt 21,32 . (4) Mt 21,37 . (5) Mt 22,27 . (6) Mt 25,11 .
(7) Mt 26,60 . In 6 gevallen staat het bij het begin van de zin, niet in Mt
21,32. In 5 van de 6 gevallen wordt husteron (later) dat in het begin van de
zin staat, door de (echter) dat op de tweede plaats in de zin staat.
epeinasen (hij had honger) in deze vorm 8X in de bijbel, 3X bij Matteüs.
| Mt 4,3 - Mt 4,3 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt (Matteüs) -- Mt 4 -- Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . And when the tempter came to him, he said, If thou be the
Son of God, command that these stones be made bread.
Luther-Bibel . Und der Versucher trat zu ihm und sprach: Bist du Gottes Sohn,
so sprich, dass diese Steine Brot werden.
Tekstanalyse van Mt 4,3 . Dit vers Mt 4,3 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 78 (2 X 39) letters . De getalwaarde van Mt 4,3 is 9043 (priemgetal) .
De inleidingen op de citaten in pericope Mt 4,1-11
| 1. de beproever | 2. Jezus | 3. de duivel | 4. Jezus | 5. de duivel | 6. Jezus |
| Mt 4,3 | Mt 4,4 | Mt 4,6 | Mt 4,7 | Mt 4,9 | Mt 4,10 |
| kai (en) | ho de (hij echter) | kai (en) | kai (en) | tote (toen) | |
| proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever) | apokritheis (geantwoord) | ||||
| eipen (zei hij) | eipen (zei) | legei (hij zegt) | efè (zei) | eipen (hij zei) | legei (zegt) |
| autôi (hem) | autôi (aan hem) | autôi (aan hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | |
| ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) |
Matteüs , vergeleken met Lucas
| 1. de beproever | 2. Jezus | 3. de duivel | 4. Jezus | 5. de duivel | 6. Jezus | ||||||
| Mt 4,3 | Lc 4,3 | Mt 4,4 | Lc 4,4 | Mt 4,6 | Lc 4,9 | Mt 4,7 | Lc 4,12 | Mt 4,9 | Lc 4,6 | Mt 4,10 | Lc 4,8 |
| kai (en) | ho de (hij echter) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | tote (toen) | kai (en) | ||
| proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever) | apokritheis (geantwoord) | apokrithè (antwoordde) | apokritheis (geantwoord) | apokritheis (geantwoord) | |||||||
| eipen (zei hij) | eipen de (zei echter) | eipen (zei) | legei (hij zegt) | eipen (hij zei) | efè (zei) | eipen (zei) | eipen (hij zei) | eipen (hij zei) | legei (zegt) | ho Ièsous (Jezus) eipen (hij zei) | |
| autôi (hem) | autôi (aan hem) | pros auton (tot hem) | autôi (aan hem) | autôi (hem) | autôi (aan hem) | autôi (aan hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | |
| ho diabolos (de duivel) | ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) | ho diabolos (de duivel) | ho Ièsous (Jezus) |
De inleiding (Mt 4,3) op de woorden van de beproever bestaat uit 6 woorden en 12 lettergrepen . Let op de mooie structuur : 1 lettergreep - 3 lettergrepen (participium bestaande uit 3 lettergrepen en eindigend op -ôn) - 1 lettergreep - 3 lettergrepen (participium praesens als zelfstandig naamwoord gebruikt ; het bestaat uit 3 lettergrepen en eveneens eindigend op -ôn) - 2 lettergrepen - 2 lettergrepen ( 1 - 3 - 1 - 3 - 2 - 2 ) . .
1. kai (en) . Verwijzing : kai (en) , zie Mt 1,2 . Nevenschikkend voegwoord . In 26980 verzen in de bijbel . In 5113 verzen in het N.T. . In 705 verzen bij Matteüs . Er heeft hier een verandering van personage plaats maar toch staat er het nevenschikkend voegwoord kai (en) . We hadden eerder de (echter) verwacht . In pericope Mt 4,1-11 wordt kai (en) veertienmaal aangewend . Hiervan staat kai (en) in vier verzen aan het begin van het vers : (1) Mt 4,2 . (2) Mt 4,3 . (3) Mt 4,6 . (4) Mt 4,9 .
2. proselthôn (naderbijgekomen) . Verwijzing : proselthôn
(naderbijgekomen) , zie Mt
4,3 . Actief participium nominatief mannelijk enkelvoud . Bij proselthôn
(naderbijgekomen) staat geen autôi (bij hem) ; het staat na het hoofdwerkwoord
eipen (hij zei) . Het naderbijkomen is vaak bedoeld om iets te zeggen . Zo komt
een vorm van het werkwoord legô (zeggen) vaak samen met het werkwoord
proserchomai (naderbijkomen) voor . Na een werkwoordvorm van zeggen volgt dan
meestal een citaat van de persoon , die onderwerp is in de inleiding . Het citaat
staat meestal in de rechtstreekse rede .
- In achtentwintig verzen in de bijbel . In vijf verzen in het O.T. In drieentwintig
verzen in het N.T. Het komt bij Matteüs in veertien verzen voor : (1) Mt
4,3 . (2) Mt
8,2 . (3) Mt
8,19 . (4) Mt
18,21 . (5) Mt
19,16 . (6) Mt
21,28 . (7) Mt
21,30 . (8) Mt
25,20 . (9) Mt
25,22 . (10) Mt
25,24 . (11) Mt
26,49 . (12) Mt
27,58 . (13) Mt
28,2 . (14) Mt
28,18 . In drie verzen bij Marcus : (1) Mc
1,31 . (2) Mc
12,28 . (3) Mc
14,45 (// Mt
26,49) . In drie verzen bij Lucas.
We bekijken de veertien verzen bij Matteüs wat van naderbij :
- In alle gevallen gaat de participiumzin aan de hoofdzin vooraf
.
- Voegwoord - partikel . In negen gevallen wordt de zin ingeleid
door het voegwoord kai (en) , in drie gevallen door het partikel de (echter)
. In twee gevallen is er geen inleiding door het voegwoord of partikel. In één
geval staat het bijwoord van tijd tote (< to - de , dan) aan het begin van
de zin . In twee gevallen wordt het voegwoord kai (en) gevolgd door het tussenvoegsel
idou (zie) , in één geval door een bijwoord van tijd eutheôs
(onmiddellijk, dadelijk) .
- Het onderwerp . In zeven gevallen is er een uitdrukkelijke
vermelding van het onderwerp , in zeven gevallen niet . In drie gevallen staat
het onderwerp vóór het participium , in vier gevallen erna .
- In tien gevallen staat een meewerkend voorwerp . Staat het
onderwerp vóór het participium , dan volgt het meewerkend voorwerp
op het participium. Staat het onderwerp na het participium , dan staat het meewerkend
voorwerp na het hoofdwerkwoord .
- Het hoofdwerkwoord . In negen gevallen is het hoofdwerkwoord
eipen (hij zei) . In twee gevallen wordt een synoniem van het werkwoord zeggen
gebruikt . In de andere drie gevallen wordt een ander werkwoord gebruikt . In
twee van deze gevallen wordt het hoofdwerkwoord gevolgd door het participium
legôn (zeggend) . Bij een synoniem van het werkwoord zeggen , nl. elalèsen
(hij sprak) wordt ook het participium legôn (zeggend) gebruikt . Slechts
in twee gevallen treffen we noch het werkwoord eipen (hij zei) of het participium
legôn (zeggend) aan .
- In elf van de veertien gevallen wordt een persoon in de rechtstreekse rede
geciteerd.
- In Mt
4,3 , Mt
8,19 en
Mt 18,21 vinden we dezelfde zinsstructuur : het nevenschikkend voegwoord
kai (en) , het participium aorist nominatief , het onderwerp , het hoofdwerkwoord
eipen (hij zei) en het meewerkend voorwerp autôi (aan hem) . Bij deze
zinsstructuur sluit Mt
28,18 nauw aan . In Mt
8,2 , Mt
19,16 en Mt
21,28 vinden we eveneens ongeveer dezelfde structuur .
| 1. de beproever | 2. een melaatse | 3. een schriftgeleerde | 4. Petrus | 5. iemand | 6. (een vader tot de oudste zoon | 7.(een vader tot de jongste zoon | |
| bijbeltekst | Mt 4,3 | Mt 8,19 | Mt 18,21 | Mt 19,16 | Mt 21,28 | Mt 21,30 | |
| Kai (en) | kai idou (en zie) lepros (een melaatse) | Kai (en) | Tote (dan) | kai idou (en zie) heis (één iemand) | Kai (en) | ||
| proselthôn (naderbijgekomen) | proselthôn (naderbijgekomen) | proselthôn (naderbijgekomen) prosekunei (knielde) | proselthôn (naderbijgekomen) | proselthôn (naderbijgekomen) | proselthôn (naderbijgekomen) | proselthôn (naderbijgekomen) | proselthôn de (naderbijgekomen echter)) |
| onderwerp | ho peirazôn (de beproever) | heis grammateus (één schriftgeleerde) | ho Petros (Petrus) | ||||
| meewerkend voorwerp (datief) | autôi (bij hem) | autôi (bij hem) | tôi prôtôi (aan de eerste) | tôi heterôi (aan de andere) | |||
| werkwoord vorm van legô : zeggen | eipen (zei) | legôn (zeggende) | eipen (zei) | eipen (zei) | eipen (zei) | eipen (zei) | eipen (zei) |
| meewerkend voorwerp | autôi (aan hem) | autôi (aan hem) | autôi (aan hem) | ||||
| citaat | rechtstreekse rede | rechtstreekse rede | rechtstreekse rede | rechtstreekse rede | rechtstreekse rede | rechtstreekse rede | hôsautôs (evenzo) |
| geen aanspreektitel | kurie (Heer) | didaskale (meester) | kurie (Heer) | didaskale (meester) | teknon (kind) | ||
| 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - | 56. Genezing van een melaatse : Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 - | 64. Voorwaarden van het volgen : Mt 8,18-22 - Lc 9,57-62 - | 181. Vergevingsgezindheid : Mt 18,21-22 - Lc 17,3b-4 - | 268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 - |
288. Gelijkenis van de twee zonen : Mt 21,28-32 - | 288. Gelijkenis van de twee zonen : Mt 21,28-32 - |
| 8. | 9. | 10. | 11. | 12. | 13. | 14. Jezus | |
| bijbeltekst | Mt 25,20 | Mt 25,22 | Mt 25,24 | Mt 26,49 | Mt 27,58 | Mt 28,2 | Mt 28,18 |
| kai (en) | kai eutheôs (en onmiddellijk) | kai (en) | kai (en) | ||||
| onderwerp | houtos (deze) | ||||||
| proselthôn (naderbijgekomen) | proselthôn (naderbijgekomen) | proselthôn de (naderbijgekomen echter) | proselthôn de (naderbijgekomen echter) | proselthôn (naderbijgekomen) | proselthôn (naderbijgekomen) | proselthôn (naderbijgekomen) | proselthôn (naderbijgekomen) |
| onderwerp | tôi Pilatôi (bij Pilatus) | ho Ièsous (Jezus) | |||||
| werkwoord | prosènegken | èitèsato (vroeg) | apekulisen (rolde weg) | elalèsen (sprak) autois (aan hen) | |||
| meewerkend voorwerp (datief) | tôi Ièsou (bij Jezus) | ||||||
| werkwoord vorm van legô : zeggen | legôn | eipen (zei hij) | eipen (zei hij) | eipen (zei hij) | legôn (zeggende) | ||
| meewerkend voorwerp | |||||||
| citaat | rechtstreekse rede | rechtstreekse rede | rechtstreekse rede | rechtstreekse rede |
rechtstreekse rede |
||
| aanspreektitel | kurie (Heer) | kurie (Heer) | kurie (Heer) | chaire, rabbi (gegroet rabbi) | |||
| 314. Gelijkenis van de talenten : Mt 25,14-30 - | 314. Gelijkenis van de talenten : Mt 25,14-30 - Mt 25,14-30 - | 314. Gelijkenis van de talenten : Mt 25,14-30 - | 330. Gevangenneming van Jezus : Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 - | 349. Begrafenis van Jezus : Mc 15,40-41 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a - | 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 - | 353. Verschijning aan de elf in Galilea : Mt 28,16-20 - |
proserchomai (naderbijkomen)
vraagt om een nadere bepaling : bij iets of iemand naderbij komen. We zetten
het eventjes op een rijtje .
- Mt
4,3 : proselthôn (naderbijgekomen) (Mt
4,1-11) .
- Mt
4,11 : prosèlthon (zij kwamen naderbij) (Mt
4,1-11) .
- Mt 8,2 : proselthôn (naderbijgekomen) - Mt
8,2-4 - .
- Mt 8,5 : prosèlthen (hij kwam naderbij) - Mt
8,5-13 - .
- Mt 8,19 : proselthôn (naderbijgekomen) - Mt
8,18-22 - .
- Mt 8,25 : proselthontes (naderbijgekomen) - Mt
8,23-27 -.
- Mt
9,14 : proserchontai autôi (= Jezus) (zij komen naderbij) - Mt
9,14-17 - .
- Mt 9,28 : prosèlthon (zij kwamen naderbij) - Mt
9,27-31 - .
- Mt 13,10 : proselthontes (naderbijgekomen) - Mt
13,10-15 - .
- Mt 13,27 : proselthontes (naderbijgekomen) .
- Mt 13,36 : prosèlthon
(zij kwamen naderbij) - Mt
13,36-43 - .
- Mt 14,12 : proselthontes (naderbijgekomen) - Mt
14,3-12 - .
- Mt 14,15 : prosèlthon (zij kwamen naderbij) - Mt
14,15-21a - .
- Mt
15,1 : proserchontai tôi Ièsou (zij komen Jezus naderbij) -
Mt 15,1-9
- .
- Mt 15,12 : proselthontes (naderbijgekomen) - Mt
15,10-20 - .
- Mt 15,23 : proselthontes (naderbijgekomen) - Mt
15,21-28 - .
- Mt 15,30 : prosèlthon (zij kwamen naderbij) - Mt
15,29-31 - .
- Mt 16,1 : proselthontes (naderbijgekomen) - Mt
16,1-4 - .
- Mt
17,7 : prosèlthen (hij - Jezus - kwam naderbij) - Mt
17,1-9 - .
- Mt 17,14 : prosèlthen (hij kwam naderbij) .
- Mt 17,19 :
proselthontes (naderbijgekomen) .
- Mt 17,24 : prosèlthon (zij kwamen naderbij)
.
- Mt
18,1 : prosèlthon (de leerlingen kwamen naderbij). Omvat Mt 18,1-20.
- Mt
18,21 : proselthôn (Petrus naderbijgekomen) . Omvat Mt 20,21-35 .
- Mt 19,3 : prosèlthon (zij kwamen naderbij) .
- Mt 19,16 : proselthôn
(naderbijgekomen) .
- Mt 20,20 : prosèlthen (hij kwam naderbij) .
- Mt 21,14
: prosèlthon (zij kwamen naderbij) .
- Mt 21,23 : prosèlthon (zij
kwamen naderbij) .
- Mt 21,28 : proselthôn (naderbijgekomen) .
- Mt 21,30
: proselthôn (naderbijgekomen) .
- Mt 22,23 : prosèlthon (zij kwamen
naderbij) .
- Mt 24,1 : prosèlthon (zij kwamen naderbij) .
- Mt 24,3 : prosèlthon
(zij kwamen naderbij) .
- Mt 25,20 : proselthôn (naderbijgekomen) .
- Mt 25,22
: proselthôn (naderbijgekomen) .
- Mt 25,24 : proselthôn (naderbijgekomen)
.
- Mt 26,7 : prosèlthen (hij kwam naderbij) .
- Mt 26,17 : prosèlthon
(zij kwamen naderbij) .
- Mt 26,49 : proselthôn (naderbijgekomen) .
- Mt 26,50
: proselthontes (naderbijgekomen) .
- Mt 26,69 : prosèlthen (hij kwam naderbij)
.
- Mt 26,73 : proselthontes (naderbijgekomen) .
- Mt 27,58 : proselthôn (naderbijgekomen)
.
- Mt 28,2 : proselthôn (naderbijgekomen) .
- Mt 28,18 : proselthôn
(naderbijgekomen) .
- proselthontes (naderbijgekomen) . Verwijzing : proselthôn (naderbijgekomen) , zie Mt 4,3 . Verleden deelvoud nominatief mannelijk meervoud van het werkwoord proserchomai (naderbijkomen) . In drieëntwintig verzen in de bijbel . O.T. (6) . N.T. (17) . Mt (11) . Mc (2) . Lc (3) . Hnd (1) . In elf verzen bij Matteüs .
| 1. | 2. | 3. | 4. | 5. | 6. | 7. |
| Mt 8,25 | Mt 13,10 | Mt 13,27 | Mt 14,12 | Mt 15,12 | Mt 15,23 | Mt 16,1 |
| kai (en) | kai (en) | kai (en) | Tote (daarop) | kai (en) | kai (en) | |
| proselthontes (naderbijgekomen) | proselthontes (naderbijgekomen) | proselthontes (naderbijgekomen) | proselthontes (naderbijgekomen) | proselthontes (naderbijgekomen) | proselthontes (naderbijgekomen) | |
| hoi mathètai (de leerlingen) | hoi mathètai autou (zijn leerlingen) | hoi mathètai (de leerlingen) | hoi mathètai autou (zijn leerlingen) | hoi Pharisaioi kai hoi Saddoukaioi (de Farizeeën en de Sadduceeën) | ||
| peirazontes(op de proef stellend - uitproberend) | ||||||
| ègeiran auton legontes (wekten hem zeggend) | eipan (zeiden) | legousin (zeggen zij) | èrôtoun (vroegen zij) | epèrôtèsan (vroegen zij) | ||
| autôi (hem) | autôi (hem) | auton (hem) | auton (hem) | |||
| dia ti (waarom) | legontes (zeggende) | |||||
| 65. Het bedaren van de storm : Mc 4,35-41 - Mt 8,23-27 - Lc 8,22-25 | 127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt : Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10 | 133. Gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe : Mt 13,24-30 | 149. Onthoofding van Johannes de Doper : Mc 6,17-29 - Mt 14,3-12 | 155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 | 156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw : Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28 | 159. Vraag om een teken uit de hemel : Mc 8,11-13 - Mt 16,1-4 - Mt 12,38-42 - |
| 8. | 9. | 10. | 11. |
| Mt 17,19 | Mt 26,50 | Mt 26,60 | Mt 26,73 |
| Tote (daarop) | Tote (daarop) | ||
| proselthontes (naderbijgekomen) | proselthontes (naderbijgekomen) | proselthontes (naderbijgekomen) | |
| hoi mathètai (de leerlingen) | ... eipon (zij zeiden) tôi Petrôi (tot Petrus) | ||
| ... eipon (zij zeiden) | |||
| 170. Genezing van een bezeten kind : Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a | 330. Gevangenneming van Jezus : Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 | 332. Jezus voor het Sanhedrin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 | 334. Verloochening van Petrus : Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 |
- prosèlthen (hij kwam naderbij) , zie Mt 4,3 . Actief aorist derde persoon enkelvoud . In vierentwintig verzen in de bijbel ; in zestien verzen in het O.T. , in acht verzen in het N.T. In zes verzen bij Matteüs : (1) Mt 8,5 . (2) Mt 17,7 . (3) Mt 17,14 . (4) Mt 20,20 . (5) Mt 26,7 . (6) Mt 26,69 .
| 1. | 2. Jezus | 3. | 4. | 5. | 6. | |
| bijbelplaats | Mt 8,5 | Mt 17,7 | Mt 17,14 | Mt 20,20 | Mt 26,7 | Mt 26,69 |
| kai (en) | Tote (dan) | kai (en) | ||||
| prosèlthen (hij kwam naderbij) | prosèlthen (kwam tot bij) | prosèlthen (kwam tot bij) | prosèlthen (kwam tot bij) | prosèlthen (kwam tot bij) | prosèlthen (kwam tot bij) | prosèlthen (kwam tot bij) |
| onderwerp | ||||||
| werkwoord | autôi (hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | |
| meewerkend voorwerp (datief) | hekatontarchos (een honderdman |
ho Ièsous (Jezus) | anthrôpos (een mens) | hè mètèr... (de moeder van...) | gunè (een vrouw) | mia paidiskè (één meisje) |
| werkwoord vorm van legô : zeggen | parakalôn auton (hem ter hulp roepend) | kai hapsamenos autôn (en hen aanrakende) | gonupetôn auton (op de knieën vallend voor hem) | |||
| meewerkend voorwerp | kai legôn (en zeggend) | eipen (zei) | kai legôn (en zeggend) | legousa (zeggende) | ||
| citaat | rechtstreekse rede | rechtstreekse rede | rechtstreekse rede | rechtstreekse rede | ||
| aanspreektitel | kurie (Heer) | kurie (Heer) | kurie (Heer) | |||
| 57. De honderdman van Kafarnaüm : Mt 8,5-13 - Lc 7,1-10 - | 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - | 170. Genezing van een bezeten kind : Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a - | 273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 - | 318. Zalving van Jezus te Betanië : Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50 - | 334. Verloochening van Petrus : Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 - |
| prosèlthen (hij kwam naderbij) : zesmaal bij Matteüs . viermaal rechtstreekse rede. driemaal legôn / legousa (zeggende), eenmaal een tweede nevenschikkende zin met eipen (hij zei) . |
prosèlthon (ik kwam naderbij / zij kwamen naderbij) : indicatief aorist eerste persoon enkelvoud of derde persoon meervoud van het werkwoord proserchomai (naderbij gaan / komen). Het komt in zesentwintigverzen in de bijbel voor ; in elf verzen in het O.T. , in veertien verzen bij Matteüs (zie hieronder) en in Joh 12,21.
| prosèlthon (zij kwamen naderbij) | 1. | de leerlingen | 2. | 3. | 4. | 5. | 6. | 7. de leerlingen |
| bijbelplaats | Mt 4,11 | Mt 5,1 | Mt 9,28 | Mt 13,36 | Mt 14,15 | Mt 15,30 | Mt 17,24 | Mt 18,1 |
| kai idou (en zie) aggeloi (engelen) | kai (en) | opsias de genomenès ('savonds echter) | kai (en) | En ekeinèi tèi hôrai (Op dat ogenblik) | ||||
| prosèlthen (hij kwam naderbij) hoofdwerkwoord | prosèlthon (kwamen naderbij) | prosèlthan (kwamen naderbij) | prosèlthon (kwamen naderbij) | prosèlthon (kwamen naderbij) | prosèlthon (kwamen naderbij) | prosèlthon (kwamen naderbij) | prosèlthon (kwamen naderbij) | prosèlthon (kwamen naderbij) |
| onderwerp | autôi (tot hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | autôi (tot hem) | autôi (hem) | |||
| werkwoord | hoi mathètai autou (zijn leerlingen) | oi tufloi (de blinden) | hoi mathètai autou (zijn leerlingen) | hoi mathètai (de leerlingen) | ochloi polloi (vele menigten) | hoi ... tôi Petrôi (aan Petrus) | hoi mathètai (de leerlingen) tôi Ièsou (aan Jezus) | |
| werkwoord vorm van legô : zeggen | legontes (zeggende) | legontes (zeggende) | kai eipan (en ze zeiden) | legontes (zeggende) | ||||
| citaat | rechtstreekse rede | rechtstreekse rede | rechtstreekse rede | |||||
| 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - | 24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 - | 72. Genezing van twee blinden : Mc 10,46-52 - Mt 20,29-34 - Lc 18,35-43 - Mt 9,27-31 - | 137. Uitleg van de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe : Mt 13,36-43 - | 151. eerste broodvermenigvuldiging - Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a - | 156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw : Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28 - | 172. Tempelbelasting : Mt 17,24-27 - | 173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 - |
| 8. | 9. | 10. | 11. | 12. | 13. | 14. | |
| bijbelplaats | Mt 19,3 | Mt 21,14 | Mt 21,23 | Mt 22,23 | Mt 24,1 | Mt 24,3 | Mt 26,17 |
| prosèlthen (hij kwam naderbij) hoofdwerkwoord | prosèlthon (kwamen naderbij) | prosèlthon (kwamen naderbij) | prosèlthon (kwamen naderbij) | prosèlthon (kwamen naderbij) | kai (en) prosèlthon (kwamen naderbij) | prosèlthon (kwamen naderbij) | ... prosèlthon (kwamen naderbij) |
| onderwerp | autôi (hem) | autôi (hem) | autôi (hem) didaskonti (lerende) | autôi (hem) didaskonti (lerende) | autôi (hem) | ||
| werkwoord | Farizaioi (de Farizeeën) | tufloi ( blinden) | hoi archiereis kai hoi prebuterou tou laou (de hogepriesters en de oudsten van het volk) | Saddukaioi (Sadduceeërs | hoi mathètai autou (zijn leerlingen) | hoi mathètai (de leerlingen) kat'idian (afzonderlijk) | hoi mathètai (de leerlingen) tôi Ièsou (aan Jezus) |
| werkwoord vorm van legô : zeggen | ... kai legontes (en zeggende) | legontes (zeggende) | legontes (zeggende) | legontes (zeggende) | legontes (zeggende) | ||
| citaat | rechtstreekse rede | rechtstreekse rede | onrechtstreekse rede | rechtstreekse rede | rechtstreekse rede | ||
| prosèlthon (zij kwamen naderbij) in veertien verzen bij Matteüs | 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : - Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 - | 284. Jezus in de tempel. Terugkeer naar Betanië : Mc 11,18-19 - Mt 21,14-17 - Lc 19,47-48 - | 287. Vraag naar Jezus'macht : Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 - | 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis : Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 - | 299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 - | 299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 - | 320. Voorbereiding van het paasmaal : Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 - |
prosechontai (zij komen naderbij) indicatief presens 3de persoon meervoud van het werkwoord proserchomai : naderbij komen. Mt 9,14 - Mt 9,14-17 - en Mt 15,1 - Mc 7,1-13 - .
eiserchomai (binnengaan, gaan naar) bij Matteüs, zie Mt 4,3 .
| Mt 5,20 | Mt 10,5 | Mt 10,11 | Mt 18,3 | Mt 26,47 | Mt 7,21 | Mt 18,8 |
| ean mè (indien niet)... | kai eis polin Samaritôn (en in een stad van Samaritanen) | eis hèn d'an polin è kômèn (in welke stad of dorp echter ook) | ean mè (indien niet)... | kalon soi estin (het is goed voor jou) | ||
| ou mè eiselthète (ga je niet binnen) | mè eiselthète (ga je niet binnen) | eiselthète (je binnengaat) | ou mè eiselthète (ga je niet binnen) | mè eiselthète (ga je niet binnen) | eiseleusetai (hij zal binnengaan) | eiselthein (binnen te gaan) |
| eis tèn basileian tôn ouranôn (in het koninkrijk van de hemelen) | eis tèn basileian tôn ouranôn (in het koninkrijk van de hemelen) | eis peirasmon (in bekoring) | eis tèn basileian tôn ouranôn (in het koninkrijk van de hemelen) | eis tèn zôèn (in het leven) | ||
| 28. Jezus'houding ten aanzien van Wet en gerechtigheid : Mt 5,17-20 - Lc 16,16 - Lc 16,17 - | 76. Zendingsrede: Mt 10,5-16 - Lc 9,1-6 - Mc 6,7-13 - | 76. Zendingsrede: Mt 10,5-16 - Lc 9,1-6 - Mc 6,7-13 - | 173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 - | 329. Jezus in Getsemane Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - | 52. Heer-Heer zeggen : - Mt 7,21-23 - | 176. Ergernis (2) : Mc 9,43-48 - Mt 18,8-9 - Mt 5,29-30 - |
| Mt 18,9 | Mt 19,17 | Mt 19,23 | Mt 19,24 | Mt 21,31 | Mt 23,13 | |
| kalon soi estin (het is goed voor jou) | ei de theleis (indien echter je wilt | hoti plousios duskolôs (dat een rijke moeilijk | è plousion (dan een rijke) | hoti hoi telônai kai hai pornai (dat de tolenaars en de hoeren) | humeis gar (want jullie) | |
| eis tèn zôèn (in het leven) eiselthein (binnen te gaan) | eis tèn zôèn (in het leven) eiselthein (binnen te gaan) | eiseleusetai (hij zal binnengaan) | eiselthein (binnen te gaan) | proagousin humas (jullie zullen voorgaan) | ouk eiserchesthe (gaan niet binnen) | oude tous eiserchomenous afiete eiselthein (noch beletten jullie de binnentredenden binnen te gaan) |
| eis tèn basileian tôn ouranôn (in het koninkrijk van de hemelen) | eis tèn basileian tôn ouranôn (in het koninkrijk van de hemelen) | eis tèn basileian tou theou (in het koninkrijk van God) | ||||
| 176. Ergernis (2) : Mc 9,43-48 - Mt 18,8-9 - Mt 5,29-30 - | 268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 - | 268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 - | 269. Het is moeilijk voor de rijken om het Rijk Gods binnen te gaan : Mc 10,23-27 - Mt 19,23-26 - Lc 18,24-27 - | 288. Gelijkenis van de twee zonen : Mt 21,28-32 - | 296. Zeven weespreuken tegen schriftgeleerden en Farizeeën : Mt 23,13-36 - Lc 11,37-54 - |
3. bepaald lidwoord , nominatief mannelijk enkelvoud ho OF betrekkelijk voornaamwoord , nominatief onzijdig enkelvoud ho . Bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . In tien verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,1 (ho Ièsous = Jezus) . (2) Mt 4,3 (ho peirazôn = de beproever) . (3) Mt 4,4 (tweemaal ; ho de = hij echter ; ho anthrôpos = de mens) . (4) Mt 4,5 (ho diabolos = de duivel) . (5) Mt 4,7 (ho Ièsous = Jezus) . (6) Mt 4,8 (ho diabolos = de duivel) . (7) Mt 4,10 (ho Ièsous = Jezus) . (8) Mt 4,11 (ho diabolos = de duivel) . In de pericope Mt 4,1-11 komt negenmaal het lidwoord voor ; viermaal bij Ièsous = Jezus ; driemaal bij diabolos (duivel) ; eenmaal bij peirazôn = beproever ; eenmaal bij anthrôpos = mens . Verder (9) Mt 4,16 (tweemaal ; ho laos ho kathèmenos = het volk het zittende) . (10) Mt 4,17 (ho Ièsous = Jezus)
4. peirazôn (de beproever) . Hier in Mt 4,3 staat ho peirazôn (de beproever) , terwijl in Mt 4,1, Mt 4,5 en Mt 4,8 diabolos (duivel) wordt gebruikt. In Mt 4,1 vinden we het werkwoord peirazô (beproeven), waarvan peirazôn (beproevende) is afgeleid. Het onderwerp staat na het participium aorist proselthôn (naderbijgekomen).
| 1. 7. | 2. 3. | 4. | 5. | 6. | 8. | 9. | 10. | 11. | |
| Mt 3,17 = Mt 17,5 | Mt 4,3.6 | Mt 8,29 | Mt 14,33 | Mt 16,16 | Mt 26 | Mt 27,40 | Mt 27,43 | Mt 27,54 | |
| ei (indien gij) | Tí hèmin kai soi, wat is er tussen ons en u | alèthôs (waarlijk) | ei (indien) | ei (indien gij) | eipen gar hoti (want hij zei) | alèthôs (waarlijk) | |||
| houtos (deze) | huios (zoon) | huie (zzon) | su (gij) | su (gij) | huios (zoon) | ||||
| estin (is) | ei (zijt) | ei (zijt) | ei (zijt) | ei (zijt) | |||||
| ho huios mou (mijn zoon) | tou theou (van God) | tou theou (van God) | theou huios ei (u bent zoon van God) | ho christos, ho huios tou theou tou zôntos (de Christus, de zoon van de levende God) | ho christos ho huios tou theou: de Christus, de zoon van God | tou theou (van God) | theou eimi huios (ik ben zoon van God) | theou huios èn houtos (zoon van God was deze) | |
| ho agapètos (de beminde) | |||||||||
| 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 // Mt 3,13-17 // Lc 3,21-22 - Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36 - Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - | 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13
// Mt 4,1-11 // Lc 4,1-13 - Mc
1,12-13 - Mt
4,1-11 - Lc
4,1-13 - |
66. Twee bezetenen van Gadara van de demonen bevrijd : Mt 8,28-34 // (Mc 5,1-20) // (Lc 8,26-39) - Mt 8,28-34 - Mc 5,1-20 - Lc 8,26-39 - | 152. Mc 6,45-52 // Mt 14,22-33 : Jezus wandelt op het meer - Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 - | 162. belijdenis van Petrus (Mt 16,13-20 // Mc 8,27-30 // Lc 9,18-21) - Mc 8,27-30 - Mt 16,13-20 - Lc 9,18-21 - | 332. Jezus voor het Sandredin : (Mt 26,57-68 // Mc 14,53-65 // Lc 22,54-71) - Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 - |
346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : (Mt 27,38-43 // Mc 15,27-32a // Lc 23,35-38) - Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 - |
346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 // Mt 27,38-44 // Lc 23,35-43 - Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 - | 347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 // Mt 27,45-54 // Lc 23,44-48 - Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 - |
14. hoi (de) . Verwijzing : bepaald lidwoord .
| lidw. mv. | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. |
| nom. m. mv. hoi | 4230 | 3257 | 973 | 196 | 101 | 165 | 125 | 147 | 169 | 70 | 462 | 587 |
| lidw. mv. | Mt 1 | Mt 2 | Mt 3 | Mt 4 | Mt 5 | Mt 6 | Mt 7 | Mt 8 | Mt 9 | Mt 10 | Mt 11 | Mt 12 | Mt 13 | Mt 14 | Mt 15 | Mt 16 | Mt 17 | Mt 18 | Mt 19 | Mt 20 | Mt 21 | Mt 22 | Mt 23 | Mt 24 | Mt 25 | Mt 26 | Mt 27 | Mt 28 |
| nom. m. mv. hoi (196) | 3 | 1 | 3 | 11 | 4 | 8 | 6 | 13 | 3 | 3 | 13 | 10 | 9 | 7 | 5 | 7 | 3 | 5 | 10 | 13 | 10 | 3 | 7 | 5 | 14 | 15 | 5 |
In drie verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,3 . (2) Mt 4,20 . (3) Mt 4,22 .
| Mt 4,4 - Mt 4,4 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt 4 -- Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . But he answered and said, It is written, Man shall not live
by bread alone, but by every word that proceedeth out of the mouth of God.
Luther-Bible . 4 Er aber antwortete und sprach: Es steht geschrieben (5.Mose
8,3): »Der Mensch lebt nicht vom Brot allein, sondern von einem jeden
Wort, das aus dem Mund Gottes geht.
Tekstuitleg van Mt 4,4 . Dit vers Mt 4,4 telt 19 woorden en 101 letters . De getalwaarde van Mt 4,4 is 10175 (5 X 5 X 11 X 37) .
1. bepaald lidwoord , nominatief mannelijk enkelvoud ho OF betrekkelijk voornaamwoord , nominatief onzijdig enkelvoud ho . Bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . In tien verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,1 (ho Ièsous = Jezus) . (2) Mt 4,3 (ho peirazôn = de beproever) . (3) Mt 4,4 (tweemaal ; ho de = hij echter ; ho anthrôpos = de mens) . (4) Mt 4,5 (ho diabolos = de duivel) . (5) Mt 4,7 (ho Ièsous = Jezus) . (6) Mt 4,8 (ho diabolos = de duivel) . (7) Mt 4,10 (ho Ièsous = Jezus) . (8) Mt 4,11 (ho diabolos = de duivel) . In de pericope Mt 4,1-11 komt negenmaal het lidwoord voor ; viermaal bij Ièsous = Jezus ; driemaal bij diabolos (duivel) ; eenmaal bij peirazôn = beproever ; eenmaal bij anthrôpos = mens . Verder (9) Mt 4,16 (tweemaal ; ho laos ho kathèmenos = het volk het zittende) . (10) Mt 4,17 (ho Ièsous = Jezus)
2. de (echter) . Verwijzing : de (echter) , zie Mt 1,2 . de (echter) . Partikel als tweede woord in de zin . Lichte tegenstelling . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . In 421 verzen bij Mt .In vijf verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,4 . (2) Mt 4,12 . (3) Mt 4,18 . (4) Mt 4,20 . (5) Mt 4,22 .
1. - 2. ho de (hij echter) . Verwijzing : de (echter) , zie Mt 1,2 . In 353 verzen in het N.T. . In één vers in Mt 4,4 , nl Mt 4,4 . hoi de (zij echter) in twee verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,20 . (2) Mt 4,22 .
3. apokritheis (geantwoord) . Deelwoord aorist nominatief enkelvoud van het werkwoord Verwijzing : apokrinomai (antwoorden) , zie Mt 3,15 . In 124 verzen in de bijbel . In dertig verzen in het O.T. . In vierennegentig verzen in het N.T. . Het komt bij Matteüs in drieënveertig verzen voor .
1. - 4. ho de apokritheis eipen (hij echter geantwoord zei) . In zesentwintig verzen in het N.T. . In zestien verzen bij Matteüs . (1) Mt 4,4 . (2) Mt 12,39 . (3) Mt 12,48 . (4) Mt 13,11 . (5) Mt 13,37 . (6) Mt 15,3 . (7) Mt 15,24 . (8) Mt 15,26 .
11. bepaald lidwoord , nominatief mannelijk enkelvoud ho OF betrekkelijk voornaamwoord , nominatief onzijdig enkelvoud ho . Bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . In tien verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,1 (ho Ièsous = Jezus) . (2) Mt 4,3 (ho peirazôn = de beproever) . (3) Mt 4,4 (tweemaal ; ho de = hij echter ; ho anthrôpos = de mens) . (4) Mt 4,5 (ho diabolos = de duivel) . (5) Mt 4,7 (ho Ièsous = Jezus) . (6) Mt 4,8 (ho diabolos = de duivel) . (7) Mt 4,10 (ho Ièsous = Jezus) . (8) Mt 4,11 (ho diabolos = de duivel) . In de pericope Mt 4,1-11 komt negenmaal het lidwoord voor ; viermaal bij Ièsous = Jezus ; driemaal bij diabolos (duivel) ; eenmaal bij peirazôn = beproever ; eenmaal bij anthrôpos = mens . Verder (9) Mt 4,16 (tweemaal ; ho laos ho kathèmenos = het volk het zittende) . (10) Mt 4,17 (ho Ièsous = Jezus)
| 1. de beproever | 2. Jezus | 3. de duivel | 4. Jezus | 5. de duivel | 6. Jezus |
| Mt 4,3 | Mt 4,4 | Mt 4,6 | Mt 4,7 | Mt 4,9 | Mt 4,10 |
| kai (en) | ho de (hij echter) | kai (en) | kai (en) | tote (toen) | |
| proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever) | apokritheis (geantwoord) | ||||
| eipen (zei hij) | eipen (zei) | legei (hij zegt) | efè (zei) | eipen (hij zei) | legei (zegt) |
| autôi (hem) | autôi (aan hem) | autôi (aan hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | |
| ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) |
| 1. de beproever | 2. Jezus | 3. de duivel | 4. Jezus | 5. de duivel | 6. Jezus | ||||||
| Mt 4,3 | Lc 4,3 | Mt 4,4 | Lc 4,4 | Mt 4,6 | Lc 4,9 | Mt 4,7 | Lc 4,12 | Mt 4,9 | Lc 4,6 | Mt 4,10 | Lc 4,8 |
| kai (en) | ho de (hij echter) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | tote (toen) | kai (en) | ||
| proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever) | apokritheis (geantwoord) | apokrithè (antwoordde) | apokritheis (geantwoord) | apokritheis (geantwoord) | |||||||
| eipen (zei hij) | eipen de (zei echter) | eipen (zei) | legei (hij zegt) | eipen (hij zei) | efè (zei) | eipen (zei) | eipen (hij zei) | eipen (hij zei) | legei (zegt) | ho Ièsous (Jezus) eipen (hij zei) | |
| autôi (hem) | autôi (aan hem) | pros auton (tot hem) | autôi (aan hem) | autôi (hem) | autôi (aan hem) | autôi (aan hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | |
| ho diabolos (de duivel) | ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) | ho diabolos (de duivel) | ho Ièsous (Jezus) |
17. part. praes. dat. mann. + onz. enk. ekporeuomenô(i) (zich een weg banend) van het werkw. ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in het N;T. : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in Mt : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . + por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen . Mt (1) Mt 4,4 .
| Mt 4,5 - Mt 4,5 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt 4 -- Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . Then the devil taketh him up into the holy city, and setteth
him on a pinnacle of the temple,
Luther-Bibel . 5 Da führte ihn der Teufel mit sich in die heilige Stadt
und stellte ihn auf die Zinne des Tempels
Tekstanalyse van Mt 4,5 . Dit vers Mt 4,5 telt 17 woorden en 83 letters . De getalwaarde van Mt 4,5 is 7620 (2 X 2 X 3 X 5 X 127) . Met tote (dan , daarop) begint de tweede toenadering van de duivel . De zinsconstructie is Hebreeuws : tijdsbepaling - vervoegd werklwoord - voornaamwoord (lijdend voorwerp) - onderwerp . De tweede uitgekozen plaats is de tempel . Het is dé uitgelezen plek van Gods aanwezigheid . Door vermetel vertrouwen dachten de leiders van het joodse volk dat de stad Jeruzalem en de tempel niet in de handen van de Romeinen zouden vallen , omdat deze plaatsen bijzonder voor God waren . De evangelist Matteüs weet dat de stad en de tempel vernield zijn .
| 1. | 2. | 3. | 4. | 5. | 6. | 7. |
| Jezus naar de woestijn waar hij veertig dagen vast | eerste toenadering van de beproever . De inleiding | eerste toenadering van de beproever . De woorden | antwoord erop door Jezus . De inleiding | antwoord erop door Jezus. De woorden | tweede toenadering van de beproever . De inleiding | tweede toenadering van de beproever . De woorden |
| Mt 4,1 - Mt 4,2 | Mt 4,3a | Mt 4,3b | Mt 4,4a | Mt 4,4b | Mt 4,5 - Mt 4,6a | Mt 4,6b |
| Tote (dan) twee nevenschikkende zinnen | kai (en) ondanks de persoonsverandering | de (echter)-tekst | Tote (dan)... tweemaal kai nevenschikkende zin voor het citeren | |||
| verleden tijd (aorist) | verleden tijd (aorist) | verleden tijd (aorist) | T.T. , V.T ., T.T. | |||
| Lc 4,1 - Lc 4,2 | Lc 4,3a | Lc 4,3b | Lc 4,4a | Lc 4,4b | Lc 4,9a | Lc 4,9b - Lc 4,10 |
1. tote (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het N.T.
: tote
(dan) . Taalgebruik in Mt : tote
(dan) . Bijwoord van tijd . Mt (89) . Mt (4) : (1) Mt
4,1 . (2) Mt
4,5 . (3) Mt
4,10 . (4) Mt
4,11 . (5) Mt
4,17 . In totaal wordt in deze pericope viermaal tote (daarna, dan) gebruikt
. De verandering van personage wordt o.a. opgevangen door het woordje tote (daarop,
daarna / to-de = dit echter, na dit) : (1) Mt
4,1 . (2) Mt
4,5 . (3) Mt
4,10 . (4) Mt
4,11 . Het woordje staat hier telkens aan het begin van het vers . Nog in
dit hoofdstuk : Mt
4,17 . Het volgt op Mt
3,13-17 (de doop van Jezus) . Behalve de tote-zin in Mt
4,1 hebben de andere tote-zinnen een gelijke zinsconstructie :
1. Mt
4,5 : tote (dan) paralambanei (neemt bij) auton (hem) ho diabolos (de duivel)
.
2. Mt
4,10 : tote (dan) legei (zegt) autôi (aan hem) ho Ièsous (Jezus)
.
3. Mt
4,11 : tote (dan) afièsin (verlaat) auton (hem) ho diabolos (de duivel)
.
Opmerkelijk in deze tote-zinnen is de tegenwoordige tijd van het werkwoord
.
2. paralambanei ( hij neemt naast zich) . Actief praesens
derde persoon enkelvoud .
- paralambanô ((naast zich nemen, vergezellen) . Verwijzing : paralambanô
(naast zich nemen) bij Mt
4,5 .
--- paralambanei ( hij neemt naast zich) .
In deze vorm komt het in acht verzen voor in de bijbel .
In vier verzen bij
Matteüs : (1) Mt
4,5 . (2) Mt
4,8 . (3) Mt
12,45 . (4) Mt
17,1 .
In drie verzen bij Marcus : (1) Mc
5,40 . (2) Mc
9,2 . (3) Mc
14,33 .
In één vers bij Lucas : Lc
11,26 .
Na de zin met paralambanei (hij neemt naast zich) volgt nog een andere (aanvullende)
nevenschikkende zin.
--- paralambanousin (zij nemen bij zich) . Actief praesens 3de persoon meervoud.
Slechts in 1 vers in de bijbel, nl. in Mc
4,36 .
--- paralambanontes (bij zich nemend) . Participium praesens. Slechts in 1 vers
in de bijbel, nl. in Heb 12,28 .
--- paralabôn . Participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud . In
vijftien verzen in de bijbel . In vijf verzen in het O.T. . In tien verzen in
het N.T. . In 1 vers bij Matteüs, in 1 vers bij Marcus . In drie verzen
bij Lucas : (1) Lc
9,10 . (2) Lc
9,28 . (3) Lc
18,31 . In 5 verzen in Hnd.
- parelaben . In 17 verzen in de bijbel; in 13 verzen in het
O.T., in 4 verzen bij Matteüs.
- parelabete . In 5 verzen in de bijbel, nl. in de brieven
van Paulus.
| 1. de duivel | 2. de duivel | 3. de duivel | 4. Jezus | 5. Jezus |
| Mt 4,8 | Mt 12,45 | Mt 17,1 - Mt 17,2 | Mt 26,37 | |
| Tote (dan) | palin (opnieuw) | kai (en) | Kai meth'hèmeras hex (na zes dagen) | kai (en) |
| paralambanei (neemt naast zich) | paralambanei (neemt naast zich) | paralambanei (neemt naast zich) meth'heautou (met zich) | paralambanei (neemt naast zich) | paralabôn (meegenomen naast zich) |
| auton (hem) | auton (hem) | hepta hetera pneumata (zeven andere geesten) | ||
| ho diabolos (de duivel) | ho diabolos (de duivel) | ho Ièsous (Jezus) | ||
| ton Petron (Petrus) kai (en) Iakôbon (Jakobus) kai (en) Iôannèn (Johannes) ton adelfon autou (zijn broer) | ton Petron (Petrus) kai (en) tous duo huious Zebedaiou (de twee zonen van Zebedeüs) | |||
| eis tèn hagian polin (naar de heilige stad) | eis horos hupsèlon lian (naar een zeer hoge berg) | |||
| kai estèsen (en hij plaatste) | kai deiknusin autôi (en hij toon taan hem) | kai eiselthonta katoikei ekei (en binnengegaan wonen zij daar) | kai (en) anaferei (hij voert omhoog) | |
| auton (hem) | pasas tas basileias tou kosmou kai tèn doxan autôn (alle koninkrijken van de wereld en hun schittering) | autous (hen) | ||
| epi to pterugion tou hierou (op de tinne van de tempel) | eis horos hupsèlon (naar een hoge berg) | eis horos hupsèlon (naar een hoge berg) | ||
| kat'idian (bij zichzelf - in afzondering) | ||||
| kai legei autôi (en hij zegt aan hem) | kai eipen autôi (en hij zei hem) | èrxato ... (begon hij...) | ||
| efè autôi ho Ièsous (Jezus zei aan hem) | tote legei autôi ho Ièsous (dan zegt Jezus aan hem) | tote legei autois (dan zegt hij aan hen) | ||
| 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - | 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - | 122. Terugkeer van de onreine geest: Mt 12,43-45 - Lc 11,24-26 - | 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - | 329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - |
4. bepaald lidwoord , nominatief mannelijk enkelvoud ho OF betrekkelijk voornaamwoord , nominatief onzijdig enkelvoud ho . Bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . In tien verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,1 (ho Ièsous = Jezus) . (2) Mt 4,3 (ho peirazôn = de beproever) . (3) Mt 4,4 (tweemaal ; ho de = hij echter ; ho anthrôpos = de mens) . (4) Mt 4,5 (ho diabolos = de duivel) . (5) Mt 4,7 (ho Ièsous = Jezus) . (6) Mt 4,8 (ho diabolos = de duivel) . (7) Mt 4,10 (ho Ièsous = Jezus) . (8) Mt 4,11 (ho diabolos = de duivel) . In de pericope Mt 4,1-11 komt negenmaal het lidwoord voor ; viermaal bij Ièsous = Jezus ; driemaal bij diabolos (duivel) ; eenmaal bij peirazôn = beproever ; eenmaal bij anthrôpos = mens . Verder (9) Mt 4,16 (tweemaal ; ho laos ho kathèmenos = het volk het zittende) . (10) Mt 4,17 (ho Ièsous = Jezus)
6. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mt : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mt (215) . Mt 4 (7) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,8 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 4,13 . (6) Mt 4,18 . (7) Mt 4,24 .
7. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn van het bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . Mt (180) . Mt 4 (7) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,8 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 4,13 . (6) Mt 4,18 . (7) Mt 4,24 .
| Mt 4,6 - Mt 4,6 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt 4 -- Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [6] And saith unto him, If thou be the Son of God, cast
thyself down: for it is written, He shall give his angels charge concerning
thee: and in their hands they shall bear thee up, lest at any time thou dash
thy foot against a stone.
Luther-Bibel . 6 und sprach zu ihm: Bist du Gottes Sohn, so wirf dich hinab;
denn es steht geschrieben (Psalm 91,11-12): »Er wird seinen Engeln deinetwegen
Befehl geben; und sie werden dich auf den Händen tragen, damit du deinen
Fuß nicht an einen Stein stößt.«
Tekstuitleg van Mt 4,6 .
| 1. de beproever | 2. Jezus | 3. de duivel | 4. Jezus | 5. de duivel | 6. Jezus |
| Mt 4,3 | Mt 4,4 | Mt 4,6 | Mt 4,7 | Mt 4,9 | Mt 4,10 |
| kai (en) | ho de (hij echter) | kai (en) | kai (en) | tote (toen) | |
| proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever) | apokritheis (geantwoord) | ||||
| eipen (zei hij) | eipen (zei) | legei (hij zegt) | efè (zei) | eipen (hij zei) | legei (zegt) |
| autôi (hem) | autôi (aan hem) | autôi (aan hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | |
| ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) |
| 1. de beproever | 2. Jezus | 3. de duivel | 4. Jezus | 5. de duivel | 6. Jezus | ||||||
| Mt 4,3 | Lc 4,3 | Mt 4,4 | Lc 4,4 | Mt 4,6 | Lc 4,9 | Mt 4,7 | Lc 4,12 | Mt 4,9 | Lc 4,6 | Mt 4,10 | Lc 4,8 |
| kai (en) | ho de (hij echter) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | tote (toen) | kai (en) | ||
| proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever) | apokritheis (geantwoord) | apokrithè (antwoordde) | apokritheis (geantwoord) | apokritheis (geantwoord) | |||||||
| eipen (zei hij) | eipen de (zei echter) | eipen (zei) | legei (hij zegt) | eipen (hij zei) | efè (zei) | eipen (zei) | eipen (hij zei) | eipen (hij zei) | legei (zegt) | ho Ièsous (Jezus) eipen (hij zei) | |
| autôi (hem) | autôi (aan hem) | pros auton (tot hem) | autôi (aan hem) | autôi (hem) | autôi (aan hem) | autôi (aan hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | |
| ho diabolos (de duivel) | ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) | ho diabolos (de duivel) | ho Ièsous (Jezus) |
2. legei (hij zegt) . Actief praesens derde persoon enkelvoud van het werkwoord
legô (zeggen) . Verwijzing : legô
(zeggen) , zie Mt
4,6 .
- legei (hij zegt) . In 1027 verzen in de bijbel; in 702 verzen in het O.T.,
in 325 verzen in het N.T. In 54 verzen bij Matteüs, in 62 verzen bij Marcus,
in 14 verzen bij Lucas, in 112 verzen bij Johannes, in 11 verzen in Hnd.
kai legei autôi
| legei (hij zegt) 54X bij Matteüs | . (2) Mt 4,10 - Mt 4,1-11 - (1.1. + 2.1.). Mt 8,4. Mt 8,20. Mt 9,28. Mt 15,34. Mt 18,22. Mt 21,31. Mt 21,42. Mt 26,31. Mt 26,52 . Mt 26,64. Mt 28,10. | (1) Mt 4,6 (de duivel) - Mt 4,1-11 - (3) Mt 4,19. Mt 8,7. Mt 8,26. Mt 9,9. Mt 14,31. Mt 19,20. Mt 20,21. Mt 21,19. Mt 22,12. Mt 22,20. Mt 26,36. Mt 26,45. | Mt 8,22. Mt 21,16. | Mt 9,6. Mt 9,37. Mt 12,13. Mt 22,8. Mt 22,21. Mt 26,38. | Mt 12,44 | Mt 16,15. Mt 18,32. Mt 19,8. Mt 19,18. Mt 19,20. Mt 20,7. Mt 20,21. Mt 20,23. Mt 22,43. Mt 26,25. | Mt 17,20 | Mt 17,25 | Mt 20,8. Mt 21,45. Mt 26,18. Mt 26,35. Mt 26,40. Mt 26,71. Mt 27,13. Mt 27,22. |
| 1.1. tote . 1.2. kai (en) . 1.3. zonder | tote (dan) / kai (en) / zonder kai (en)/ | kai (en) | ho de Ièsous (Jezus echter) | tote (dan) | tote (dan) | ho de (hij echter) | |||
| legei (zegt) | legei (hij zegt) | legei (zegt) | legei (zegt hij) | legei (zegt hij) | legei (hij zegt) | legei (zegt) | legei (hij zegt) | ||
| 2.1. autôi (aan hem) 2.2. autois (aan hen) | autôi (aan hem) / autois (aan hen) autais (aan hen) | autois (aan hen) / autôi (aan hem) / autèi (aan haar) tois mathètais (aan de leerlingen) | autôi (aan hem) / autois (aan hen) | tôi paralutikôi (aan de verlamde) / tous mathètais autou (aan zijn leerlingen) tôi anthrôôi (aan de man) tois doulois autou (aan zijn dienaars) autois (aan hen) autois (aan hen) | autois (aan hen) / autôi (aan hem) | autois (aan hen) | |||
| ho Ièsous (Jezus) |
| legei (hij zegt) 54X bij Matteüs. legete : 4X . legousin (zij zeggen) 23X bij Matteüs. legontes (zeggende) 47X bij Matteüs . legôn (zeggende) komt bij Matteüs 49X voor. legô (ik zeg) : 61 X . legein (zeggen : 6X. legontos (zeggende) : 11 X. legonti (zeggende) : 1X . eipen (hij zei) : 118 X . eipan (zij zeiden) : 16X . eipon (zij zeiden) : 7X . eipein (zeggen) : 1 X . |
- legô (ik zeg) . In 61 verzen bij Matteüs, zie Mt 4,6 : Mt
4,1-11 - .
(1) Mt 3,9 : legô gar humin hoti (want ik zeg jullie dat)
(2) Mt 5,18 : amèn gar legô humin (want voorwaar ik zeg jullie)
(3) Mt 5,20 : legô gar humin hoti (want ik zeg jullie dat)
(4) Mt 5,22 : egô de legô humin hoti (ik echter zeg jullie dat)
(5) Mt 5,26 : amèn legô soi (voowaar ik zeg je)
(6) Mt 5,28 : egô de legô humin hoti (ik echter zeg jullie dat)
(7) Mt 5,32 : egô de legô humin hoti (ik echter zeg jullie dat)
(8) Mt 5,34 : egô de legô humin (ik echter zeg jullie)
(9) Mt 5,39 : egô de legô humin (ik echter zeg jullie)
(10) Mt 5,44 : egô de legô humin (ik echter zeg jullie)
(11) Mt 6,2 : amèn legô humin (voorwaar ik zeg jullie)
(12) Mt 6,5 : amèn legô humin (voorwaar ik zeg jullie)
(13) Mt 6,16 : amèn legô humin (voorwaar ik zeg jullie)
(14) Mt 6,25 : dia touto legô humin (daarom zeg ik jullie)
(15) Mt 6,29 : egô de legô humin hoti (ik echter zeg jullie dat)
(16) Mt 8,9 : kai legô toutôi (en ik zeg aan deze)
(17) Mt 8,10 : amèn legô humin (voorwaar ik zeg jullie)
(18) Mt 8,11 : egô de legô humin hoti (ik echter zeg jullie dat)
(19) Mt 10,15 : amèn legô humin (voorwaar ik zeg jullie)
- legousin (zij zeggen) : 23X bij Matteüs
| legousin (zij zeggen) 23X bij Matteüs | ||||||
| Mt 16,13. Mt 17,10. Mt 21,16. Mt 23,3. Mt 27,22. | Mt 13,18 (3.1.). Mt 14,17 (1.3.). | Mt 15,33. Mt 19,10. | Mt 9,28 (3.1.). Mt 13,51 (3.1.). Mt 19,7 (3.1.). Mt 20,7 (3.1.). Mt 20,22 (3.1.). Mt 20,33 (3.1.). Mt 21,41(3.1.). Mt 22,21 (3.1.) Mt 22,42 (3.1.) | Mt 11,17 (1.2.). Mt 11,18 (1.1.). Mt 11,19 (1.1.). Mt 21,31 (1.2.) | Mt 15,12 | |
| 1.1. kai (en) . 1.2. zonder kai (en). 1.3. hoi de (zij echter) | Mt 13,18 hoi de douloi (de dienaars echter) oi de (zij echter) | kai (en) | participiumzin | |||
| legousin (zij zeggen) | legousin (zij zeggen) | legousin (zij zeggen) | legousin (zij zeggen) | legousin (zij zeggen) | ||
| 3.1. autôi (aan hem) . 3.2. autois (aan hen) | autôi (aan hem) | autôi (aan hem) | autôi (aan hem) | autôi (aan hem) | ||
| hoi mathètai (de leerlingen) + autou (van hem (Mt 19,10) |
- legeis (jij zegt) 2X bij Matteüs . Actief presens 2de persoon enkelvoud. legomen (wij zeggen) 0X bij Matteüs. legete (jullie zeggen) 4X bij Matteüs. Actief tegenwoordige tijd 2de persoon meervoud. legein (zeggen) infinitief presens : 4X bij Matteüs.
- legontes (zeggende) : 47 X bij Matteüs
| legontes (zeggende) 47X bij Matteüs | |||
| Mt 2,2. Mt 6,31. Mt 8,25. Mt 8,27. Mt 8,29. Mt 8,31. Mt 9,14. Mt 9,27. Mt 9,33. Mt 12,10. Mt 12,30. Mt 13,36. Mt 14,15. Mt 14,33. Mt 15,1. Mt 15,23. Mt 17,10. Mt 18,1. Mt 19,3. Mt 19,25. Mt 20,12. Mt 20,30. Mt 20,31. Mt 21,9. Mt 21,20. Mt 21,23. Mt 21,25. Mt 22,16. Mt 22,23. Mt 22,24. Mt 24,3. Mt 24,5. Mt 25,37. Mt 25,44. Mt 26,8. Mt 26,17. Mt 26,68. Mt 27,23. Mt 27,29. Mt 27,40. Mt 27,54. Mt 27,63. Mt 23,13. | Mt 10,7. Mt 14,26. Mt 16,7. | Mt 23,16. | |
| legontes (zeggende) | legontes (zeggende) | ||
| + rechtstreekse rede | hoti (dat) |
- legôn (zeggende) : 49X bij Matteüs
| legôn (zeggende) komt bij Matteüs 49X voor. | (1) Mt 1,20 - Mt 1,18-25 - . (2) Mt 2,13 - Mt 2,13-23 -. (3) Mt 2,20 - Mt 2,13-23 - . (4) Mt 3,2 - Mt 3,1-6 - . (5) Mt 3,14 . Mt 5,2. Mt 7,21 . Mt 8,2. Mt 8,3. Mt 8,6. Mt 9,30. Mt 10,5. Mt 13,3. Mt 13,24. Mt 13,31. Mt 14,27. Mt 14,30. Mt 15,7. Mt 16,13. Mt 16,22. Mt 17,9. Mt 17,15. Mt 17,25. Mt 18,26. Mt 18,28. Mt 18,29. Mt 21,2 - Mt 21,1-11 - Mt 21,37. Mt 22,1. Mt 22,4. Mt 22,42. Mt 22,43. Mt 23,2. Mt 25,20. Mt 24,45. Mt 26,27. Mt 26,39. Mt 26,42. Mt 26,48. Mt 26,65. Mt 26,70. Mt 27,4. Mt 27,11. Mt 27,46. Mt 28,9. Mt 28,18. |
In zevenenveertig verzen bij Lucas : (1) Lc 1,63 .
- legein (te zeggen) . Infinitief praesens . In eenenvijftig verzen in de bijbel
. O.T. (11) . N.T. (40) . Mt (5) . Mc (8) . Lc (12) . Joh (1) . Hnd (6) . Brieven
(8) .
- elegen (hij zei) slechts 3X bij Matteüs. elegon (zij zeiden) : 8X bij Matteüs.
- eipen (hij zei) , zie Mt
4,6 komt in 3026 verzen in de bijbel voor . In 2428 verzen in het O.T. .
In 598 verzen in het N.T. . In 118 verzen bij Matteüs . In acht verzen
in Mt 16
: (1) Mt
16,2 . (2) Mt
16,6 . (3) Mt
16,8 . (4) Mt
16,12 . (5) Mt
16,16 . (6) Mt
16,17 . (7) Mt
16,23 . (8) Mt
16,24 . In zesenvijtig verzen bij Marcus . In 223 verzen bij Lucas . Iin
114 verzen bij Johannes . In vijfenzeventig verzen in Hnd . Johannes : (1) Joh
1,23 . (2) Joh
1,33 . (3) Joh
1,42 . (4) Joh
1,46 . (5) Joh
1,48 . (6) Joh
1,50 . (7) Joh
2,16 . (8) Joh
2,19 . (9) Joh
2,22 . (10) Joh
3,2 . (11) Joh
3,3 . (12) Joh
3,9 . (13) Joh
3,10 . (14)
--- ho de Ièsous eipen autois (Jezus echter zei hen) . In acht verzen
in het N.T. : (1) Mt
13,57 . (2) Mt
14,16 . (3) Mt
16,6 . (4) Mt
17,20 . (5) Mt
19,28 . (6) Mt
24,2 . (7) Mc
10,38 . (8) Mc
10,39 .
| eipen (hij zei) 118X bij Matteüs | in combinatie met een werkwoordvorm van proserchomai (naderbij komen) | in combinatie met de werkwoordsvorm aprokritheis (beantwoord) (1) Mt 3,15 - Mt 3,13-17 - (2) Mt 4,4 - Mt 4,1-11 - (3) Mt 11,4 - Mt 11,2-6 - | |
| eipon (zij zeiden of ik zei) 7X bij Matteüs : ik zei :Mt 16,11. Mt 28,7. | |||
| eipan (zij zeiden) 16X bij Matteüs | |||
- eipômen : actief conjunctief aorist 1ste persoon meervoud. 2X na ean (indien) : Mt 21,25 en Mt 21,26 : ean eipômen = indien wij zouden zeggen.
- eipôn (gezegd) . In tweeëndertig verzen in de bijbel . In drie
verzen in het O.T. . In negenentwintig verzen in het N.T. . In vijf verzen bij
Lucas : (1) Lc
9,22 (eerste lijdensvoorspelling) . (2) Lc
19,28 (kai eipôn tauta = en dit gezegd) . Jezus was op weg naar Jeruzalem
. (3) Lc
22,8 . Bij de zending van Petrus en Johannes gaf Jezus hen een opdracht
, die ingeleid wordt door eipôn (gezegd) . (4) Lc
23,46 ( touto de eipôn = dit echter gezegd) (5) Lc
24,40 (kai touto eipôn = en dit gezegd) . Daarop toonde Jezus zijn
handen en zijn voeten . In elf verzen bij Johannes . In negen verzen in Hnd
: (1) Hnd
1,9 (kai tauta eipôn = en dit gezegd) . (2) Hnd
4,25 (hierop volgt een citaat) . (3) Hnd
7,26 (hierop volgt een citaat) . (4) Hnd
7,27 (hierop volgt een citaat) . (5) Hnd
7,60 . (6) Hnd
18,21 (hierop volgt een citaat) . (7) Hnd
19,21 . (8) Hnd
19,40 (kai tauta eipôn = en dit gezegd) . (9) Hnd
20,36 (kai tauta eipôn = en dit gezegd) .
- In negen verzen in het N.T. : (1) Lc
23,46 . (7) (1) Hnd
1,9 . (8) (8) Hnd
19,40 . (9) (9) Hnd
20,36 . In het vers van Lc en in de drie verzen van Hnd wordt tauta eipôn
(dit gezegd) voorfagegaan door het koppelwoord kai (en) .
- erousin (zij zullen zeggen) : indicatief onvoltooid toekomende tijd. Slechts in 1 vers bij Matteüs nl. Mt 7,22 - Mt 7,21-23 -. Het enkelvoud erei (hij zal zeggen) komt in 4 verzen bij Matteüs voor; in drie verzen bij de pericope over het laatste oordeel nl. Mt 25,34.40.41 - Mt 25,31-46 - .
- efè (hij zei) 14X bij Matteüs. Meestal volgt na efè (hij zei) tot wie gesproken wordt (meewerkend voorwerp) en dan pas het onderwerp.
- laleô (lallen, spreken, praten)
. Verwijzing : laleô
(lallen, spreken, praten) , zie Mt
4,6 .
- lalein (spreken) . Verwijzing : laleô
(lallen, spreken, praten) , zie Mt
4,6 . In zevenendertig verzen in de bijbel . In zestien verzen in het O.T.
. In eenentwintig verzen in het N.T. . Mt (2) . Mc (3) . Lc (2) Joh (1) . Hnd
(6) . Brieven (7) . In zes verzen in Hnd : (1) Hnd
2,4 . (2) Hnd
4,17 . (3) Hnd
4,20 . (4) Hnd
4,29 . (5) Hnd
5,40 . (6) Hnd
11,15 .
--- elalei (hij sprak). In 35 verzen in de bijbel; in 15 verzen in het O.T.,
in 20 verzen in het N.T.
- elaloun (zij spraken) . Verwijzing : laleô
(lallen, spreken, praten) , zie Mt
4,6 . Actief imperfectum derde persoon meervoud . In zestien verzen in de
bijbel . In tien verzen in het O.T. . In zes verzen in het N.T. . Lc (1) . Hnd
(4) . 1 Kor (1) . In vier verzen in Hnd : (1) Hnd
4,31 . (2) Hnd
11,20 . (3) Hnd
19,6 . (4) Hnd
26,31 .
--- elalèsen (hij sprak) . Het komt in 431 verzen in
de bijbel voor . In 400 verzen in het O.T. . In eenendertig verzen in het N.T.
.
In 7 verzen bij Matteüs . (1) Mt
9,33 (de stomme) . (2) Mt
13,3 . (3) Mt
13,33 . (4) Mt
13,34 . (5) Mt
14,27 . (6) Mt
23,1 . (7) Mt
28,18 . In vier verzen volgt op elalèsen (hij sprak) ... legôn
(zeggend) : Mt
13,3 , Mt
14,27 , Mt
23,1 , Mt
28,18 , gevolgd door een citaat . In zes van de zeven verzen is Jezus onderwerp
. In vier verzen (van de zes) wordt de naam ho Ièsous (Jezus) uitdrukkelijk
vermeld ; in twee verzen voor het werkwoord elalèsen (hij sprak) : Mt
13,34 , Mt
14,27 ; in twee verzen erna : Mt
23,1 en Mt
28,18 . In zes verzen volgt op het werkwoord elalèsen (hij sprak)
een datief ; in vier verzen is het autois (tot hen) ; in twee verzen is het
tois ochlois (de menigten) .
In één vers bij Marcus : Mc
6,50 .
In vijf verzen bij Lucas : (1) Lc
1,55 (kathôs ... = zoals ...) . (2) Lc
1,70 (kathôs ... = zoals ...) . (3) Lc
2,50 . (4) Lc
11,14 . (5) Lc
24,6 (hôs ... = zoals ...) .
In acht verzen in Hnd : (1) Hnd
2,31 . (2) Hnd
3,21 . (3) Hnd
7,6 . (4) Hnd
8,26 . (5) Hnd
9,27 . (6) Hnd
23,9 . (7) Hnd
28,21 . (8) Hnd
28,25 . .
--- laleis (jij spreekt) De indicatief praesens 2de persoon
enkelvoud komt bij Matteüs enkel in Mt
13,10 voor. De indicatief praesens 3de persoon enkelvoud komt bij Matteüs
enkel in Mt 12,34 voor. De indicatief imperfectum 3de persoon enkelvoud komt
bij Matteüs ook slechts eenmaal voor, nl. in Mt
13,34 .
--- lalountos (terwijl hij sprak) . Participium praesens genitief enkelvoud
. In drieënveertig verzen in de bijbel . In zesentwintig verzen in het
O.T. . In zeventien verzen in het N.T. . In vijf verzen in Hnd . Bij het begin
van Hnd
10,44 is Petrus aan het woord en wordt dat woord afgebroken door tussenkomst
van de heilige geest . In Hnd
4,1 zijn Petrus en Johannes aan het woord en wordt het woord afgebroken
door de tussenkomst van afgevaardigden van de overheid . Gelijkaardige situaties
. In Hnd
22,9 zegt Paulus dat tijdens zijn visioen de omstaanders wel het licht zagen
maar niet de stem hoorden die tot hem sprak (tèn de fônèn
ouk èkousan tou lalountos moi = maar zij hoorden de stem niet van hem
die tot mij sprak .)
--- lalountôn (terwijl zij aan het praten waren - naar
hen die aan het praten waren) . Participium praesens genitief
meervoud . Losse genitief . In veertien verzen in de bijbel . In negen verzen
in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. . In één vers bij Lucas
nl. Lc
24,36 en in vier verzen in Hnd : (1) Hnd
2,6 . (2) Hnd
2,11 . (3) Hnd
4,1 . (4) Hnd
10,46 .
- Een vorm van het werkwoord laleô
(lallen, spreken, praten) en het lijdend voorwerp ton logon
, in Hnd :
(1) Hnd
4,29 : lalein ton logon sou (uw woord te spreken) .
(2) Hnd
4,31 : elaloun ton logon tou theou (zij spraken het woord van God) .
(3) Hnd
8,25 : lalèsantes ton logon tou kuriou (sprekend het woord van de
Heer) .
(4) Hnd
11,19 : lalountes ton logon (sprekend het woord) .
(5) Hnd
13,46 : lalèthènai ton logon tou theou (gesproken te worden
het woord van God) .
(6) Hnd
14,25 : lalèsantes ... ton logon (sprekend ... het woord) .
(7) Hnd
16,6 : lalèsai ton logon (om het woord te spreken) .
(8) Hnd
16,32
: kai elalèsan autôi ton logon tou kuriou (en zij spraken het woord
van de Heer) .
2. - 4. kai legei autôi (en hij zegt hem) . In vierentwintig verzen in het N.T. .
| Mt 4,7 - Mt 4,7 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt 4 -- Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [7] Jesus said unto him, It is written again, Thou shalt
not tempt the Lord thy God.
Luther-Bibel . 7 Da sprach Jesus zu ihm: Wiederum steht auch geschrieben (5.Mose
6,16): »Du sollst den Herrn, deinen Gott, nicht versuchen.«
Tekstuitleg van Mt 4,7 .
3. bepaald lidwoord , nominatief mannelijk enkelvoud ho OF betrekkelijk voornaamwoord , nominatief onzijdig enkelvoud ho . Bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . In tien verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,1 (ho Ièsous = Jezus) . (2) Mt 4,3 (ho peirazôn = de beproever) . (3) Mt 4,4 (tweemaal ; ho de = hij echter ; ho anthrôpos = de mens) . (4) Mt 4,5 (ho diabolos = de duivel) . (5) Mt 4,7 (ho Ièsous = Jezus) . (6) Mt 4,8 (ho diabolos = de duivel) . (7) Mt 4,10 (ho Ièsous = Jezus) . (8) Mt 4,11 (ho diabolos = de duivel) . In de pericope Mt 4,1-11 komt negenmaal het lidwoord voor ; viermaal bij Ièsous = Jezus ; driemaal bij diabolos (duivel) ; eenmaal bij peirazôn = beproever ; eenmaal bij anthrôpos = mens . Verder (9) Mt 4,16 (tweemaal ; ho laos ho kathèmenos = het volk het zittende) . (10) Mt 4,17 (ho Ièsous = Jezus)
| 1. de beproever | 2. Jezus | 3. de duivel | 4. Jezus | 5. de duivel | 6. Jezus |
| Mt 4,3 | Mt 4,4 | Mt 4,6 | Mt 4,7 | Mt 4,9 | Mt 4,10 |
| kai (en) | ho de (hij echter) | kai (en) | kai (en) | tote (toen) | |
| proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever) | apokritheis (geantwoord) | ||||
| eipen (zei hij) | eipen (zei) | legei (hij zegt) | efè (zei) | eipen (hij zei) | legei (zegt) |
| autôi (hem) | autôi (aan hem) | autôi (aan hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | |
| ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) |
| 1. de beproever | 2. Jezus | 3. de duivel | 4. Jezus | 5. de duivel | 6. Jezus | ||||||
| Mt 4,3 | Lc 4,3 | Mt 4,4 | Lc 4,4 | Mt 4,6 | Lc 4,9 | Mt 4,7 | Lc 4,12 | Mt 4,9 | Lc 4,6 | Mt 4,10 | Lc 4,8 |
| kai (en) | ho de (hij echter) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | tote (toen) | kai (en) | ||
| proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever) | apokritheis (geantwoord) | apokrithè (antwoordde) | apokritheis (geantwoord) | apokritheis (geantwoord) | |||||||
| eipen (zei hij) | eipen de (zei echter) | eipen (zei) | legei (hij zegt) | eipen (hij zei) | efè (zei) | eipen (zei) | eipen (hij zei) | eipen (hij zei) | legei (zegt) | ho Ièsous (Jezus) eipen (hij zei) | |
| autôi (hem) | autôi (aan hem) | pros auton (tot hem) | autôi (aan hem) | autôi (hem) | autôi (aan hem) | autôi (aan hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | |
| ho diabolos (de duivel) | ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) | ho diabolos (de duivel) | ho Ièsous (Jezus) |
| Mt 4,10 | efè autôi ho ièsous | palin gegraptai ouk ekpeiraseis kurion ton theon sou |
| Lc 4,12 | kai apokritheis eipen autôi ho Ièsous oti | eirètai ouk ekpeiraseis kurion ton theon sou |
1. - 4. efè autôi ho Ièsous (Jezus zei hem) . In vier verzen in het N.T. :
| Mt 4,8 - Mt 4,8 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt 4 -- Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 -- Mt (Matteüs) - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [8] Again, the devil taketh him up into an exceeding high
mountain, and sheweth him all the kingdoms of the world, and the glory of them;
Luther-Bibel . 8 Darauf führte ihn der Teufel mit sich auf einen sehr hohen
Berg und zeigte ihm alle Reiche der Welt und ihre Herrlichkeit
Tekstuitleg van Mt 4,8 . Dit vers Mt 4,8 telt 21 (3 X 7) woorden en 107 letters . De getalwaarde van Mt 4,8 is 11202 (2 X 3 X 1867) .
4. bepaald lidwoord , nominatief mannelijk enkelvoud ho OF betrekkelijk voornaamwoord , nominatief onzijdig enkelvoud ho . Bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . Mt (408) . In tien verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,1 (ho Ièsous = Jezus) . (2) Mt 4,3 (ho peirazôn = de beproever) . (3) Mt 4,4 (tweemaal ; ho de = hij echter ; ho anthrôpos = de mens) . (4) Mt 4,5 (ho diabolos = de duivel) . (5) Mt 4,7 (ho Ièsous = Jezus) . (6) Mt 4,8 (ho diabolos = de duivel) . (7) Mt 4,10 (ho Ièsous = Jezus) . (8) Mt 4,11 (ho diabolos = de duivel) . In de pericope Mt 4,1-11 komt negenmaal het lidwoord voor ; viermaal bij Ièsous = Jezus ; driemaal bij diabolos (duivel) ; eenmaal bij peirazôn = beproever ; eenmaal bij anthrôpos = mens . Verder (9) Mt 4,16 (tweemaal ; ho laos ho kathèmenos = het volk het zittende) . (10) Mt 4,17 (ho Ièsous = Jezus)
6. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mt : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mt (215) . Mt 4 (7) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,8 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 4,13 . (6) Mt 4,18 . (7) Mt 4,24.
7. horos (berg) . horos (berg) . Verwijzing : horos (berg) , zie Mt 4,8 en Mc 9,2 . (Hebreeuws : har , zie Mt 4,8 ) In 196 verzen in de bijbel . In 168 verzen in het O.T. . In achtentwintig verzen in het N.T. . In acht verzen bij Matteüs : (1) Mt 4,8 . (2) Mt 5,1 . (3) Mt 14,23 . (4) Mt 15,29 . (5) Mt 17,1 - Mt 17,2 . (6) Mt 21,1 . (7) Mt 26,30 . (8) Mt 28,16 . In deze acht verzen staat het voorzetsel van plaats (eis = naar) vóór het zelfstandig naamwoord horos (berg) . Tussen het voorzetsel en het zelfstandig naamwoord staat het bepaald lidwoord tenzij horos wordt gevolgd door een bijvoeglijk naamwoord (Mt 4,7 en Mt 17,1) . In zes van de acht verzen is Jezus onderwerp van de zin (niet in Mt 4,8 en Mt 28,16 ) .
| 1. de duivel | 2. Jezus | 3. Jezus | 4. | 5. | 6. | 7. | 8. de elf leerlingen | |
| Mt 4,8 | Mt 5,1 | Mt 14,23 | Mt 15,29 | Mt 17,1 - Mt 17,2 | Mt 21,1 | Mt 24,3 | Mt 26,30 | Mt 28,16 |
| palin (opnieuw) | kai (en) | kai ... (en) | kai (en)... | kai (en ) | Hoi de endeka mathètai (De elf leerlingen echter) | |||
| paralambanei (neemt bij zich) auton (hem) ho diabolos (de duivel) | anebè (hij klom omhoog) | anebè (hij klom omhoog) | anabas (opgeklommen) | paralambanei (neemt bij zich) ... kai anaferei autous (en hij voert hen omhoog) | èlthon ( zij kwamen)... | kathèmenou de autou epi orous tôn Helaiôn (terwijl hij echter zich op de Olijfberg neerzet) | exèlthon ( zij gingen naar buiten) | eporeuthèsan (gingen op weg) |
| eis horos hupsèlon lian (naar een zeer hoge berg) | eis to horos (naar de berg) | eis to horos (naar de berg) kat' idian (op zichzelf) | eis to horos (naar de berg) | eis horos hupsèlon (naar een hoge berg) kat' idian (op zichzelf) | eis to horos tôn Helaiôn (naar de Olijfberg) | eis to horos (naar de berg) | ... eis to horos (naar de berg) | |
| kai kathisantos autou (en nadat hij zich had neergezet) | ekathèto ekei (zette hij zich naar) | |||||||
| prosèlthan autôi hoi mathètai autou (kwamen zijn leerlingen bij hem) | prosèlthan autôi hoi mathètai autou (kwamen de leerlingen bij hem) kat' idian (afzonderlijk) | |||||||
| 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - | 24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 - | 152. Jezus wandelt op het meer - Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 | 157. Genezing van een doofstomme : Mc 7,31-37 - Mt 15,29-31 - | 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - | 281. Jezus gaat Jerzalem binnen : Mc 11,11 - Mt 21,1-11 - | 299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 - | 328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening : Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 - | 353. Verschijning aan de elf in Galilea :Mt 28,16-20 - |
- har (berg) . Verwijzing : horos
(berg) , zie Mt
4,8 . In 114 verzen in de bijbel . In negen verzen in Ex
(Exodus) : (1) Ex
3,1 . (2) Ex
18,5 . (3) Ex
19,11 . (4) Ex
19,20 . (5) Ex
19,23 . (6) Ex
24,13 . (7) Ex
24,16 . (8) Ex
34,2 . (9) Ex
34,4 . In veertien verzen in Dt
(Deuteronomium) : (1) Dt
1,2 . (2) Dt
1,7 . (3) Dt
1,19 . (4) Dt
1,20 . (5) Dt
2,1 . (6) Dt
2,5 . (7) Dt
3,8 . (8) Dt
3,12 . (9) Dt
4,48 . (10) Dt
11,29 . (11) Dt
27,12 . (12) Dt
32,49 . (13) Dt
33,19 . (14) Dt
34,1 .
- hâhâr (de berg) . In drieëntachtig verzen in de bijbel .
In twintig verzen in Ex
(Exodus) .
-- ´èl hâhâr (naar de berg) . In zeven verzen in de
bijbel : (1) Ex
24,15 . (2) Ex
24,18 . (3) Nu
20,27 . (4) Nu
33,38 . (5) 1 S 17,3 (tweemaal) . (6) 2
K 4,27 . (7) Js
22,5 .
-- ´èth hâhâr (de berg) . Lijdend voorwerp . In acht
verzen in de bijbel : (1)
--- har be(j)th JHWH (de berg van het huis van JHWH . In twee verzen in de bijbel
- twee verzen die bijna identiek zijn - : (1) Js
2,2 . (2) Mi 4,1 .
--- ´èl har (naar de berg van) . In twintig verzen in de bijbel
: (1) Ex 3,1
. (2) Ex
19,23 . (3) Ex
24,13 . (4) Ex
34,2 . (5) Ex
34,4 . (6) Nu
27,12 . (7) Dt
32,49 . (8) Dt
34,1 . (9) Joz
15,10 . (10) 1
K 18,19 . (11) 1
K 18,20 . (12) 2
K 2,25 . (13) 2
K 4,25 . (14) Ps
43,3 . (15) Hl
4,6 . (16) Js
2,3 . (17) Js
16,1 . (18) Js
56,7 . (19) Ez
40,2 . (20) Mi
4,2 .
--- ´èl har JHWH (naar de berg van JHWH) komt slechts tweemaal
in de bijbel voor : (1) Js
2,3 . (2) Mi 4,2 .
--- ´èl har hä´èlohîm (naar de berg van
God) komt eveneens slechts tweemaal voor : (1) Ex
3,1 . (2) Ex
24,13 .
--- hâhârâh (bergwaarts , naar het gebergte) . In dertien
verzen in de bijbel : (1) Gn
12,8 . (2) Gn
19,17 . (3) Gn
19,19 . (4) Ex
24,12 . (5) Dt
1,24 . (6) Dt
1,41 . (7) Dt
1,43 . (8) Dt
9,9 . (9) Dt
10,1 . (10) Dt
10,3 . (11) Joz
2,16 . (12) Joz
2,22 . (13) Re 1,34 .
| palin (opnieuw) 16X bij Matteüs | 1. | verwijzing | 2. | verwijzing | 3. | verwijzing | 4. | verwijzing | 5. | |||
| Mt 4,7 | Mt 4,6b | Mt 4,8 | Mt 4,5 | Mt 5,38 | Mt 13,47 | Mt 13,44 | Mt 13,47 | |||||
| palin (opnieuw, op zijn beurt) | Palin (opnieuw) | Tote (dan, daarna) | palin (opnieuw) | |||||||||
| gegraptai (staat er geschreven) | gegraptai (staat er geschreven) | paralambanei (neemt hij bij zich) | paralambanei (neemt hij bij zich) | èkousate je hebt gehoord) | èkousate je hebt gehoord) | |||||||
| auton (hem) | auton (hem) | hoti errethè (dat er gezegd werd) | hoti errethè (dat er gezegd werd) | |||||||||
| ho diabolos (hij = de duivel) | ho diabolos (hij = de duivel) | |||||||||||
| eis... (naar...) | eis... (naar...) | |||||||||||
| 6. | verwijzing | 7. | verwijzing | 8. | verwijzing | 9. | verwijzing | 10. | verwijzing | 11. | verwijzing | |||||||
| Mt 18,19 | Mt 19,24 | Mt 20,5 | Mt 21,36 | Mt 22,1 | Mt 22,4 | |||||||||||||
| 12. | verwijzing | 14. | 13. | verwijzing | 15. | verwijzing | 16. | ||||
| Mt 26,42 | Mt 26,44 | Mt 26,43 | Mt 26,72 | Mt 27,50 | |||||||
19. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn van het bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . Mt (180) . Mt 4 (7) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,8 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 4,13 . (6) Mt 4,18 . (7) Mt 4,24 .
| Mt 4,9 - Mt 4,9 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt 4 -- Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [9] And saith unto him, All these things will I give thee,
if thou wilt fall down and worship me.
Luther-Bibel . 9 und sprach zu ihm: Das alles will ich dir geben, wenn du niederfällst
und mich anbetest.
Tekstuitleg van Mt 4,9 .
| 1. de beproever | 2. Jezus | 3. de duivel | 4. Jezus | 5. de duivel | 6. Jezus |
| Lc 4,3 | Lc 4,4 | Lc 4,9 | Lc 4,12 | Lc 4,6 | Lc 4,8 |
| kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | |
| apokrithè (antwoordde) | apokritheis (geantwoord) | apokritheis (geantwoord) | |||
| eipen de (zei echter) | eipen (hij zei) | eipen (zei) | eipen (hij zei) | ho Ièsous (Jezus) eipen (hij zei) | |
| autôi (aan hem) | pros auton (tot hem) | autôi (hem) | autôi (aan hem) | autôi (hem) | autôi (hem) |
| ho diabolos (de duivel) | ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) | ho diabolos (de duivel) |
| 1. de beproever | 2. Jezus | 3. de duivel | 4. Jezus | 5. de duivel | 6. Jezus | ||||||
| Mt 4,3 | Lc 4,3 | Mt 4,4 | Lc 4,4 | Mt 4,6 | Lc 4,9 | Mt 4,7 | Lc 4,12 | Mt 4,9 | Lc 4,6 | Mt 4,10 | Lc 4,8 |
| kai (en) | ho de (hij echter) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | tote (toen) | kai (en) | ||
| proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever) | apokritheis (geantwoord) | apokrithè (antwoordde) | apokritheis (geantwoord) | apokritheis (geantwoord) | |||||||
| eipen (zei hij) | eipen de (zei echter) | eipen (zei) | legei (hij zegt) | eipen (hij zei) | efè (zei) | eipen (zei) | eipen (hij zei) | eipen (hij zei) | legei (zegt) | ho Ièsous (Jezus) eipen (hij zei) | |
| autôi (hem) | autôi (aan hem) | pros auton (tot hem) | autôi (aan hem) | autôi (hem) | autôi (aan hem) | autôi (aan hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | |
| ho diabolos (de duivel) | ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) | ho diabolos (de duivel) | ho Ièsous (Jezus) |
ean (indien) .
| Mt 4,10 - Mt 4,10 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt 4 - Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . Then saith Jesus unto him, Get thee hence, Satan: for it
is written, Thou shalt worship the Lord thy God, and him only shalt thou serve.
Luther-Bibel . 10 Da sprach Jesus zu ihm: Weg mit dir, Satan! Denn es steht
geschrieben (5.Mose 6,13): »Du sollst anbeten den Herrn, deinen Gott,
und ihm allein dienen.«
Tekstuitleg van Mt 4,10 . Dit vers Mt 4,10 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 95 (5 X 19) letters . De getalwaarde van Mt 4,10 is 11826 (2 X 3 X 3 X 3 X 3 X 73) . Jezus reageert voor de derde maal op een derde verzoek van de duivel . Dit vers begint met tote (daarop , dan) .
4. bepaald lidwoord , nominatief mannelijk enkelvoud ho OF betrekkelijk voornaamwoord , nominatief onzijdig enkelvoud ho . Bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . Mt (408) . In tien verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,1 (ho Ièsous = Jezus) . (2) Mt 4,3 (ho peirazôn = de beproever) . (3) Mt 4,4 (tweemaal ; ho de = hij echter ; ho anthrôpos = de mens) . (4) Mt 4,5 (ho diabolos = de duivel) . (5) Mt 4,7 (ho Ièsous = Jezus) . (6) Mt 4,8 (ho diabolos = de duivel) . (7) Mt 4,10 (ho Ièsous = Jezus) . (8) Mt 4,11 (ho diabolos = de duivel) . In de pericope Mt 4,1-11 komt negenmaal het lidwoord voor ; viermaal bij Ièsous = Jezus ; driemaal bij diabolos (duivel) ; eenmaal bij peirazôn = beproever ; eenmaal bij anthrôpos = mens . Verder (9) Mt 4,16 (tweemaal ; ho laos ho kathèmenos = het volk het zittende) . (10) Mt 4,17 (ho Ièsous = Jezus)
| Mt 4,10 | tote legei autôi ho ièsous | upage satana gegraptai gar kurion ton theon sou proskunèseis kai autôi monôi latreuseis |
| Lc 4,12 | kai apokritheis eipen autôi ho Ièsous oti | eirètai ouk ekpeiraseis kurion ton theon sou |
| 1. de beproever | 2. Jezus | 3. de duivel | 4. Jezus | 5. de duivel | 6. Jezus |
| Mt 4,3 | Mt 4,4 | Mt 4,6 | Mt 4,7 | Mt 4,9 | Mt 4,10 |
| kai (en) | ho de (hij echter) | kai (en) | kai (en) | tote (toen) | |
| proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever) | apokritheis (geantwoord) | ||||
| eipen (zei hij) | eipen (zei) | legei (hij zegt) | efè (zei) | eipen (hij zei) | legei (zegt) |
| autôi (hem) | autôi (aan hem) | autôi (aan hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | |
| ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) |
| 1. de beproever | 2. Jezus | 3. de duivel | 4. Jezus | 5. de duivel | 6. Jezus | ||||||
| Mt 4,3 | Lc 4,3 | Mt 4,4 | Lc 4,4 | Mt 4,6 | Lc 4,9 | Mt 4,7 | Lc 4,12 | Mt 4,9 | Lc 4,6 | Mt 4,10 | Lc 4,8 |
| kai (en) | ho de (hij echter) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | tote (toen) | kai (en) | ||
| proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever) | apokritheis (geantwoord) | apokrithè (antwoordde) | apokritheis (geantwoord) | apokritheis (geantwoord) | |||||||
| eipen (zei hij) | eipen de (zei echter) | eipen (zei) | legei (hij zegt) | eipen (hij zei) | efè (zei) | eipen (zei) | eipen (hij zei) | eipen (hij zei) | legei (zegt) | ho Ièsous (Jezus) eipen (hij zei) | |
| autôi (hem) | autôi (aan hem) | pros auton (tot hem) | autôi (aan hem) | autôi (hem) | autôi (aan hem) | autôi (aan hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | |
| ho diabolos (de duivel) | ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) | ho diabolos (de duivel) | ho Ièsous (Jezus) |
1. tote (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het N.T.
: tote
(dan) . Taalgebruik in Mt : tote
(dan) . Bijwoord van tijd . Mt (89) . Mt (4) : (1) Mt
4,1 . (2) Mt
4,5 . (3) Mt
4,10 . (4) Mt
4,11 . (5) Mt
4,17 . In totaal wordt in deze pericope viermaal tote (daarna, dan) gebruikt
. De verandering van personage wordt o.a. opgevangen door het woordje tote (daarop,
daarna / to-de = dit echter, na dit) : (1) Mt
4,1 . (2) Mt
4,5 . (3) Mt
4,10 . (4) Mt
4,11 . Het woordje staat hier telkens aan het begin van het vers . Nog in
dit hoofdstuk : Mt
4,17 . Het volgt op Mt
3,13-17 (de doop van Jezus) . Behalve de tote-zin in Mt
4,1 hebben de andere tote-zinnen een gelijke zinsconstructie :
1. Mt
4,5 : tote (dan) paralambanei (neemt bij) auton (hem) ho diabolos (de duivel)
.
2. Mt
4,10 : tote (dan) legei (zegt) autôi (aan hem) ho Ièsous (Jezus)
.
3. Mt
4,11 : tote (dan) afièsin (verlaat) auton (hem) ho diabolos (de duivel)
.
Opmerkelijk in deze tote-zinnen is de tegenwoordige tijd van het werkwoord .
1. - 5. tote legei autôi ho Ièsous (dan zegt aan hem Jezus) . In twee zinnen in het N.T. : (1) Mt 4,11 . (2) Mt 26,52 . In beide zinnen volgt een bevel in de imperatief ; in Mt 4,11 gericht tot de duivel , in Mt 26,52 gericht tot Petrus .
| Mt 4,11 - Mt 4,11 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt 4 - Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [11] Then the devil leaveth him, and, behold, angels came
and ministered unto him.
Luther-Bibel . 11 Da verließ ihn der Teufel. Und siehe, da traten Engel
zu ihm und dienten ihm.
Tekstanalyse van Mt 4,11 . Het vers Mt 4,11 telt 12 (2² X 3) woorden en 65 (5 X 13) letters . De getalwaarde van Mt 4,11 is 6210 (2 X 3³ X 5 X 23) .
Mt 4,11.1.
tote (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het N.T. :
tote
(dan) . Taalgebruik in Mt : tote
(dan) . Bijwoord van tijd . Mt (89) . Mt (4) : (1) Mt
4,1 . (2) Mt
4,5 . (3) Mt
4,10 . (4) Mt
4,11 . (5) Mt
4,17 . In totaal wordt in deze pericope viermaal tote (daarna, dan) gebruikt
. De verandering van personage wordt o.a. opgevangen door het woordje tote (daarop,
daarna / to-de = dit echter, na dit) : (1) Mt
4,1 . (2) Mt
4,5 . (3) Mt
4,10 . (4) Mt
4,11 . Het woordje staat hier telkens aan het begin van het vers . Nog in
dit hoofdstuk : Mt
4,17 . Het volgt op Mt
3,13-17 (de doop van Jezus) . Behalve de tote-zin in Mt
4,1 hebben de andere tote-zinnen een gelijke zinsconstructie :
1. Mt
4,5 : tote (dan) paralambanei (neemt bij) auton (hem) ho diabolos (de duivel)
.
2. Mt
4,10 : tote (dan) legei (zegt) autôi (aan hem) ho Ièsous (Jezus)
.
3. Mt
4,11 : tote (dan) afièsin (verlaat) auton (hem) ho diabolos (de duivel)
.
Opmerkelijk in deze tote-zinnen is de tegenwoordige tijd van het werkwoord .
4. bepaald lidwoord , nominatief mannelijk enkelvoud ho OF betrekkelijk voornaamwoord , nominatief onzijdig enkelvoud ho . Bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . Mt (408) . In tien verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,1 (ho Ièsous = Jezus) . (2) Mt 4,3 (ho peirazôn = de beproever) . (3) Mt 4,4 (tweemaal ; ho de = hij echter ; ho anthrôpos = de mens) . (4) Mt 4,5 (ho diabolos = de duivel) . (5) Mt 4,7 (ho Ièsous = Jezus) . (6) Mt 4,8 (ho diabolos = de duivel) . (7) Mt 4,10 (ho Ièsous = Jezus) . (8) Mt 4,11 (ho diabolos = de duivel) . In de pericope Mt 4,1-11 komt negenmaal het lidwoord voor ; viermaal bij Ièsous = Jezus ; driemaal bij diabolos (duivel) ; eenmaal bij peirazôn = beproever ; eenmaal bij anthrôpos = mens . Verder (9) Mt 4,16 (tweemaal ; ho laos ho kathèmenos = het volk het zittende) . (10) Mt 4,17 (ho Ièsous = Jezus)
7. idou (zie) , zie Mt 1,20 . Idou (zie) komt slechts eenmaal bij de werkwoordsvorm prosèlthon (zij kwamen naderbij) voor . De verklaring ligt in het woord dat op idou (zie) volgt : aggeloi (engelen) . Matteüs gebruikt vaak idou (zie) , wanneer een hemels wezen verschijnt of een hemels verschijnsel plaatsvindt . Omdat het onderwerp meestal volgt op idou (zie) staat het hier uitzonderlijk vóór prosèlthon (zij kwamen naderbij) .
8. aggeloi (engelen) .
9. prosèlthon (zij kwamen naderbij) .
idou (zie) - idou
(zie). In 59 verzen bij Matteüs, zie Mt 1,20 : Mt
1,18-25 - . Hieraan gaat vaak het nevenschikkend voegwoord kai (en) vooraf.
Idou (zie) komt bij Matteüs 59X voor. Na idou (zie) volgt meestal het onderwerp
. Idou (zie) komt slechts eenmaal bij de werkwoordsvorm prosèlthon (zij
kwamen naderbij) voor . De verklaring ligt in het woord dat op idou (zie) volgt
: aggeloi (engelen) . Matteüs gebruikt vaak idou (zie) , wanneer een hemels
wezen verschijnt of een hemels verschijnsel plaatsvindt . Omdat het onderwerp
meestal volgt op idou (zie) staat het hier uitzonderlijk vóór
prosèlthon (zij kwamen naderbij) . Twee werkwoorden staan nevenschikkend
in de zin: prosèlthon kai dièkonoun (zij kwamen naderbij en dienden).
Het verklaart waarom autôi (bij hem) niet onmiddellijk na prosèlthon
(zij kwamen naderbij) maar na dièkonoun (zij dienden) staat. Zie ook
- euthus
(onmiddellijk, dadelijk, terstond). In 40 verzen bij Marcus, zie Mc 1,10 : Mc
1,9-11 . -
Mt 4,3 en Mt 4,11b vormen een inclusio. 1) Mt 4,3 : kai (en).
Mt 4,11b : kai idou (en zie). 2) onderwerp en werkwoordsvorm van proserchomai
(naderbijkomen). Mt 4,3 : proselthôn ho peirazôn (naderbijgekomen
de beproever) . Mt 4,11b : aggeloi prosèlthon (engelen kwamen naderbij).
3) Mt 4,3-10 : de beproever probeert Jezus op de proef te stellen. Mt 4,11b
: Tegenover het op de proef stellen van Jezus door de beproever staat dat de
engelen Jezus dienen.
21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mt 4,12-17 - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mt 4,12 - Mt 4,13 - Mt 4,14 - Mt 4,15 - Mt 4,16 - Mt 4,17 -
Mt 4,12-16 vormt een geheel : twee nevenschikkende zinnen , een doelzin als inleiding op het citaat en tenslotte het bijbelcitaat zelf .
| 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 // Mt 4,12-17 // Lc 4,14-15 - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 - | ||||
| Synopsis Denaux-Vervenne | Liturgische lezing (KBS 1961) | Willibrordvertaling (1995) | Nieuwe BijbelVertaling (2004) | Eigen vertaling (Arseen De Kesel) |
| 12. Toen hij nu hoorde dat Johannes overgeleverd was, trok hij zich terug. | 12 Toen Jezus vernam dat Johannes was gevangen genomen, week Hij uit naar Galilea. | [12] Toen Hij hoorde dat Johannes overgeleverd was, nam Hij de wijk naar Galilea. | [12] Toen Jezus hoorde dat Johannes gevangengenomen was, week hij uit naar Galilea. | 12. Jezus hoorde dat Johannes was overgeleverd. Hij week uit naar Galilea. |
| 13. En hij verliet Nazret (en) ging wonen in Kafarnaüm aan de zee, in het gebied van Zebulon en Naftali. | 13 Met voorbijgaan echter van Nazaret vestigde Hij zich in Kafarnaüm aan de oever van het meer, in het grensgebied van Zebulon en Naftali, | [13] Met voorbijgaan van Nazaret vestigde Hij zich in Kafarnaüm* bij het meer, in het gebied van Zebulon en Naftali, | [13] Hij liet Nazaret achter zich en ging wonen in Kafarnaüm, aan het Meer van Galilea, in het gebied van Zebulon en Naftali. | 13. Hij liet Nazaret achter en ging wonen in Kafarnaüm langs het Meer van Galilea, in het gebergte van Zebulon en Neftali |
| 14. opdat vervuld zou worden wat gezegd werd door Jesaja de profeet, zeggend: | 14 opdat in vervulling zou gaan het woord van de profeet Jesaja: |
14] opdat vervuld zou worden wat bij monde van de profeet Jesaja gezegd is: | [14] Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jesaja: [ | 14. opdat in vervulling zou gaan wat via de profeet Jesaja was gezegd: |
| 15. Land van Zebulon en land van Naftali, weg van de zee, aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de heidenen. | 15 "Land van Zebulon, land van Naftali, liggend aan de zee, Overjordanië: Galilea van de heidenen! | [15] Land van Zebulon en land van Naftali, aan de weg naar zee, aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de heidenen! |
[15] ‘Land van Zebulon en Naftali, gebied aan de weg naar zee en aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de heidenen, luister: | |
| 16. Het volkdat zit in duisternis heeft een groot licht gezien en over diegenen die in het domein en de schaduw van de dood zaten: een licht is over hen opgegaan (Js 8,23-9,1) | 16 Het volk dat in de duisternis zat,heeft een groot licht aanschouwd; en over hen die in het landvan doodse duisternis gezeten waren, over hen is een licht opgegaan." | 16] Het volk dat in duisternis zit heeft een groot licht gezien, en over hen die in het land en in de schaduw van de dood zitten, over hen is een licht opgegaan. |
[16] Het volk dat in duisternis leefde, zag een schitterend licht, en zij die woonden in de schaduw van de dood werden door het licht beschenen.’ | |
| 17. Van toen af begon Jezus te verkondigen en te zeggen: Bekeer u, naderbijgekomen is immers het Rijk der hemelen. | 17 Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: "Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij." | [17] Vanaf toen begon Jezus te verkondigen. Hij zei: ‘Bekeer u, want het koninkrijk der hemelen* is ophanden.’ | [17] Vanaf dat moment begon Jezus zijn verkondiging. ‘Kom tot inkeer,’ zei hij, ‘want het koninkrijk van de hemel is nabij!’ | Van dan af begon Jezus te verkondigen: 'Bekeer u, want het koninkrijk van de hemel is nabij.' |
| 1. | 2. | 3. | 4. | |||
| Mt 4,12 | Mt 4,13 | Mt 4,14 | Mt 4,15-16 | Mt 4,17 | ||
| participium + objectzin hoofdwekwoord | nevenschikkend voegwoord, participiumzin, participium + hoofdwerkwoord | doelzin. inleidingsformel op citaat | citaat | apo tote (van dan af) | ||
| de : duidt verandering van personage aan | kai (en) om de nevenschikkende zin in te leiden | |||||
| woorden | 9 | 15 | 9 | 33 | 15 | 81 (9X9) |
| lettergrepen | 24 | 38 | 20 | 66 | 33 | 181 (10X10 + 9X9) |
| Mt 4,12 - Mt 4,12 : 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mt 4,12 - Mt 4,13 - Mt 4,14 - Mt 4,15 - Mt 4,16 - Mt 4,17 -- Mt 4 -- Mt 4,1-11 - Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible : Now when Jesus had heard that John was cast into prison,
he departed into Galilee;
Luther-Bibel (1984) : Als nun Jesus hörte, daß aJohannes gefangengesetzt
worden war, zog er sich nach Galiläa zurück.
Tekstanalyse van Mt 4,12 . Dit vers Mt 4,12 telt 11 woorden en 59 letters . De getalwaarde van Mt 4,12 is 6163 (priemgetal) .
1. akouô (horen, luisteren) . Verwijzing
: akouô
(horen, luisteren) , zie Mt
4,12 .
- akousas
(gehoord) . participium aorist / verleden
deelwoord , nominatief mannelijk enkelvoud bij het onderwerp - soms participiumzin
. In vierenvijftig verzen in de bijbel . In eenentwintig verzen in het O.T.
. In drieëndertig verzen in het N.T. ( in zeventien verzen + de = echter)
. In acht verzen bij Matteüs : (1) Mt
2,3 (+ de) . (2) Mt
2,22 (+ de) . (3) Mt
4,12 (+ de) . (4) Mt
8,10 (+ de) . (5) Mt
9,12 . (6) Mt
11,2 . (7) Mt
14,13 . (8) Mt
19,22 (+ de) . (Mt
22,7 + de) . In vijf verzen bij Marcus : (1) Mc
2,17 . (2) Mc
6,16 (+ de) . (3) Mc
6,20 . (4) Mc
10,47 . (5) Mc
12,28 . In tien verzen bij Lucas : (1) Lc
6,49 . (2) Lc
7,3 (+ de) . (3) Lc
7,9 (+ de) . (4) Lc
7,29 . (5) Lc
8,50 . (6) Lc
14,15 (+ de) . (7) Lc
18,22 (+ de) . (8) Lc
18,23 . (9) Lc
18,36 (+ de) . (10) Lc
23,6 . In zes verzen bij Johannes : (1) Joh
4,47 . (2) Joh
6,45 . (3) Joh
11,4 (+ de) . (4) Joh
12,29 . (5) Joh
19,13 . (6) Joh
21,7 . In drie verzen in Hnd : (1) Hnd
7,12 (+ de) . (2) Hnd
22,26 (+ de) . (3) Hnd
23,16 (+ de) . (Hnd
24,22 + de) . Het kan de vertaling zijn van wajjisjëma`(en hij hoorde)
. Het kan aan het begin van een pericope staan en legt dan een link naar de
voorgaande pericope of het geeft nieuwe informatie in een voorwerpszin bij akousas
(gehoord) . Of het staat binnen een pericope en legt dan een link naar (een)
voorgaande vers(en) .
Wat Jezus en Johannes over elkaar vernemen , verloopt via leerlingen . In Mt
4,12 verneemt Jezus dat Johannes is overgeleverd . Jezus wijkt uit naar
Galilea . Blijkbaar voelt Jezus zich bedreigd . In Galilea gaat Jezus op zoek
naar leerlingen . Er komt een nieuw stadium in het leven van Jezus . Johannes
verdwijnt in de gevangenis en Jezus manifesteert zich als leraar . In Mt
11,2 heeft Johannes over de werken van Jezus gehoord en hij stelt hem via
zijn leerlingen de vraag of hij de komende is . Johannes had dus nog leerlingen
. Je zou mogen verwachten dat de leerlingen van Johannes naar de kring van Jezus
waren overgestapt . Want als Jezus de komende is , dan is Johannes zijn wegbereider
geweest . In Mt
14,13 verneemt Jezus dat Johannes onthoofd en begraven is . Blijkbaar wordt
Jezus zozeer in samenhang met Johannes de Doper gezien , dat ook zijn leven
in gevaar is , wanneer dat het geval met Johannes is . In deze gevallen heeft
horen iets bedreigends . Zo wordt ook duidelijk dat het lot van Johannes ook
het lot van Jezus zal worden . Het uitwijken van Jezus zal een wending nemen
wanneer Petrus belijdt dat Jezus de messias is , de zoon van de levende God
. De leerlingen zijn dan voldoende gevormd en gegroeid dat zijn boodschap kan
overleven bij zijn heengaan .
| 1. Herodes | 2. Jozef | 3. Jezus | 7. : Jezus | 4. Jezus | 5. Jezus | 6. Johannes de Doper | 8. de jongeling | |
| bijbelplaats | Mt 2,3 | Mt 2,22 | Mt 4,12 | Mt 14,13 | Mt 8,10 | Mt 9,12 | Mt 11,2 | Mt 19,22 |
| akousas (gehoord) | akousas (gehoord) | akousas (gehoord) | akousas (gehoord) | akousas (gehoord) | ho de (hij echter) akousas (gehoord) | Ho de Iôannès (Johannes echter) akousas (gehoord) | akousas (gehoord) | |
| het partikel de (echter) | de (echter) | de (echter) | de (echter) | de (echter) | de (echter) | de (echter) | ||
| onderwerp | ho basileus Hèrôides (koning Herodes) | ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) | ho neaniskos (de jongeling) | ||||
| + voorwerpszin : hoti... (dat...) of voorwerp | hoti (dat)... | hoti (dat)... | ton logon (het woord) | |||||
| vervoegd werkwoord | etarachthè (werd hij ontsteld) | 23 anechôrèsen (week hij uit) | anechôrèsen (week hij uit) | anechôrèsen (week hij uit) | ethaumasen (was hij verwonderd) | eipen (zei hij) | .... eipen (zei) | apèlthen (ging hij weg) |
| 11. Huldiging van de magiërs : Mt 2,1-12 - | 12. Vlucht naar Egypte en terugkeer : t 2,13-23 - | 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 - | 150. Terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop - Mc 6,30-34 - Mt 14,13-14 -Lc 9,10-11 - | 57. De honderdman van Kafarnaüm :Mt 8,5-13 - Lc 7,1-10 - | 69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 - | 111. Vraag van Johannes de Doper : Lc 7,18-23 - Mt 11,2-6 - | 268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 - |
--- akouei (hij luistert naar, hij hoort) . Actief praesens derde persoon enkelvoud . In negen verzen bij Matteüs .
--- akouôn (horend, luisterend naar) . Tegenwoordig deelwoord nominatief mannelijk enkelvoud . In vier verzen bij Matteüs . Het wordt aangewend in de gelijkenis van een huizenbouwer (Mt 7,24-27 ) en in die van de zaaier (Mt 13,18-23 ). Mt 7,26 : kai pas ho akouôn mou tous logous toutous (en al wie luistert naar deze woorden van mij) . Mt 13,20 . Mt 13,22 . Mt 13,23 : houtos estin ho ton logon akouôn (hij is degene die naar het woord luistert) . In deze vier verzen is het werkwoord akouô (horen, luisteren) vergezeld van een vorm van logos (woord) als lijdend voorwerp .
--- akouontos (horend, luisterend naar) . Participium praesens genitief mannelijk of onzijdig enkelvoud . In zes verzen in de bijbel . In vier verzen in het O.T. . In twee verzen in het N.T. nl . Mt 13,19 en Lc 20,45 .
- akouontes (horende) . Verwijzing : akouô
(horen, luisteren) , zie Mt
4,12 . Tegenwoordig deelwoord nominatief mannelijk en vrouwelijk meervoud
. In twintig verzen in de bijbel . In vijf verzen in het O.T. . In vijftien
verzen in het N.T. . In vijf verzen in Lc : (1) Lc
2,47 . (2) Lc
4,28 . (3) Lc
8,10 . (4) Lc
8,21 . (5) Lc
11,28 . In vier verzen in Hnd : (1) Hnd
7,54 . (2) Hnd
9,7 . (3) Hnd
9,21 . (4) Hnd
18,8 .
-- pantes hoi akouantes (al wie hoort) . In twee verzen in het N.T. : (1) Lc
2,47 . (2) Hnd
9,21 .
- akouontas (horende) . Verwijzing : akouô
(horen, luisteren) , zie Mt
4,12 . Tegenwoordig deelwoord accusatief mannelijk en vrouwelijk meervoud
. In zes verzen in de bijbvel . Hnd (5) : (1) Hnd
5,5 . (2) Hnd
5,11 . (3) Hnd
10,44 . (4) Hnd
17,8 . (5) Hnd
26,29 . Tenslotte : 1
Tim 4,16 .
-- pantas tous akouontas (al wie hoort) . Verwijzing : akouô
(horen, luisteren) , zie Mt
4,12 . In vier verzen in het N.T. : (1) Hnd
5,5 . (2) Hnd
5,11 . (3) Hnd
10,44 . (4) Hnd
26,29 .
--- pantas tous akouontas tauta (al wie dat hoort) . Verwijzing : akouô
(horen, luisteren) , zie Mt
4,12 . In drie verzen in het N.T. : (1) Hnd
5,5 . (2) Hnd
5,11 . (3) Hnd
17,8 .
--- akouein (horen) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . Actief infinitief praesens . In tweeëntwintig verzen in het O.T. . In tweeënveertig verzen in de bijbel . In twintig verzen in het N.T. . Mt (1) . Mc (4) . Lc (7) . Joh (3) . Hnd (3) . In zeven verzen in Lc . : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,15 . (3) Lc 8,8 . (4) Lc 14,35 . (5) Lc 15,1 . (6) Lc 22,38 . (7) Lc 23,8 . In drie verzen in Hnd : (1) Hnd 4,19 . (2) Hnd 8,6 . (3) Hnd 17,21 .
--- èkousen (hij hoorde) . Indicatief aorist derde persoon mannelijk enkelvoud komt in 184 verzen in de bijbel voor . In 168 verzen in het O.T. en in zestien verzen in het N.T. In Mt 14,1, in Mc 6,14, in drie verzen in Lucas, in zes verzen in Johannes, in vijf verzen in de rest van het N.T. wajjisjma`(en hij hoorde) komt in het O.T. in negentig verzen voor .
- akousantes (gehoord) . Verwijzing : akouô
(horen, luisteren) , zie Mt
4,12 . Participium aorist nominatief mannelijk en vrouwelijk meervoud .
In zevenenzestig verzen in de bijbel . In vijftien verzen in het O.T. . In tweeënvijftig
verzen in het N.T. . Mt (13) . Mc (7) . Lc (7) . Joh (5) . Hnd (16) . Brieven
(4) . In dertien verzen bij Matteüs : (1) Mt
2,9 . (2) Mt
12,24 . (3) Mt
14,13 . (4) Mt
15,12 . (5) Mt
17,6 . (6) Mt
19,25 . (7) Mt
20,24 . (8) Mt
20,30 . (9) Mt
21,45 . (10) Mt
22,22 . (11) Mt
22,33 . (12) Mt
22,34 . (13) Mt
27,47 . In zeven verzen bij Lucas : (1) Lc
1,66 . (2) Lc
2,18 . (3) Lc
8,12 . (4) Lc
8,14 . (5) Lc
8,15 . (6) Lc
18,26 . (7) Lc
20,16 . In zestien verzen in Handelingen : (1) Hnd
2,37 . (2) Hnd
4,24 . (3) Hnd
5,21 . (4) Hnd
5,33 . (5) Hnd
8,14 . (6) Hnd
9,38 . (7) Hnd
11,18 . (8) Hnd
14,14 . (9) Hnd
16,38 . (10) Hnd
17,32 . (11) Hnd
18,26 . (12) Hnd
19,5 . (13) Hnd
19,28 . (14) Hnd
21,20 . (15) Hnd
22,2 . (16) Hnd
28,15 . Er zijn 4 teksten waarbij de Farizeeën onderwerp zijn Mt
12,24 , Mt
15,12 , Mt
21,45 , Mt
22,34 . In 3 gevallen staat het onderwerp voor het particpium, in 1 geval
erna.
- akousantes de (gehoord echter) . In twaalf verzen in het N.T. . Mt (1) . Lc
(1) . Hnd (10) : (1) Hnd
2,37 . (3) Hnd
5,21 . (5) Hnd
8,14 . (7) Hnd
11,18 . (8) Hnd
14,14 . (10) Hnd
17,32 . (11) Hnd
18,26 . (12) Hnd
19,5 . (13) Hnd
19,28 . (15) Hnd
22,2 . In deze tien verzen in Hnd staat dit telkens bij het begin van een
zin . In negen verzen in het begin van een vers , niet in Hnd
18,26 .
- hoi de akousantes (de toehoorders echter) . Verwijzing : akouô
(horen, luisteren) , zie Mt
4,12 . In zes verzen in het N.T. . Mt (1) . Mc (1) . Joh (1) . Hnd (3) .
In drie verzen in Hnd : (1) Hnd
4,24 . (2) Hnd
5,33 . (3) Hnd
21,20 . Telkens bij het begin van het vers .
| 1. | 2. | 3. | 4. | 5. | 6. | 7. | 8. | 9. | 10. | 11. | 12. | 13. |
| Mt 2,9 | Mt 12,24 | Mt 14,13 | Mt 15,12 | Mt 17,6 | Mt 19,25 | Mt 20,24 | Mt 20,30 | Mt 21,45 | Mt 22,22 | Mt 22,33 | Mt 22,34 | Mt 27,47 |
| hoi de (zij echter) | hoi de Farisaioi (de Farizeeën echter) | kai (en) | hoti hoi Farisaioi (dat de Farizeeën) | kai (en) | kai (en) | kai idou duo tufloi (en zie twee blinden)... | kai (en) | kai (en) | kai (en) | hoi de Farisaioi (de Fariuzeeën echter) | tines de ... (sommigen echter...) | |
| akousantes (gehoord) | akousantes (gehoord) | akousantes (gehoord) | akousantes (gehoord) | akousantes (gehoord) | akousantes de (gehoord echter) | akousantes (gehoord) | akousantes (gehoord) | akousantes (gehoord) | akousantes (gehoord) | akousantes (gehoord) | akousantes (gehoord) | akousantes (gehoord) |
| hoi ochloi (de menigten) | hoi mathètai (de leerlingen) | hoi mathètai (de leerlingen) | hoi deka (de tien) | hoi archiereis kai hoi Farisaioi (de hogepriesters en de Farizeeën) |
hoi ochloi (de menigten) |
- akousèi (hij zou luisteren) . Conjunctief aorist derde persoon enkelvoud
. Het komt in zevenendertig verzen in de bijbel voor . In negenentwintig verzen
in het O.T. . In acht verzen in het N.T. . In Mt
10,14 (gelijkaardige tekst als Mt
18,15) , Mt
18,15 en Mt
18,16 .
- akousai . Actief infinitief aorist . In eenenzestig verzen in de bijbel .
In zeventien verzen in het N.T. . Mt (2) . Lc (3) . Hnd (11) . Jak 1,19 . In
elf verzen in Hnd : (1) Hnd
10,22 . (2) Hnd
10,33 . (3) Hnd
13,7 . (4) Hnd
13,44 . (5) Hnd
15,7 . (6) Hnd
19,10 . (7) Hnd
22,14 . (8) Hnd
24,4 . (9) Hnd
25,22 . (10) Hnd
26,3 . (11) Hnd
28,22 .
Een vorm van het werkwoord akouô (horen, luisteren) met het lijdend voorwerp
ton logon , in Hnd :
(1) Hnd
4,4 : polloi de akousantôn ton logon (velen echter van wie het woord
hoorden) .
(2) Hnd
10,44 : pantas tous akouontas ton logon (al wie hoort het woord) .
(3) Hnd
13,7 : akousai ton logon tou theou (te horen het woord van God) .
(4) Hnd
13,44 : akousai ton logon tou theou (het woord van God) .
(5) Hnd
19,10
: akousai ton logon tou kuriou (te horen het woord van de Heer) .
--- akoè (gerucht over hem) . In eenendertig verzen in de bijbel . In
tweeëntwintig verzen in het O.T. . In negen verzen in het N.T.
--- -- akoai : hoormiddelen . In twee verzen in de bijbel : (1) 1 S 2,24 . (2)
Mc 7,35
.
2. de (echter) , zie Mt 1,2 . Bij Matteüs komt de (echter) in 421 verzen voor . Het duidt op een verandering van personage . Het staat steeds op de tweede plaats in een zin . Bij het participium akousas (gehoord) komt telkens het partikel de (echter) voor . Blijkbaar is er iets gebeurd en gezegd , dat het hoofdpersonage van de zin met akousas (gehoord) te weten komt . Er heeft dan telkens een verandering van personage plaats .
3. hoti (dat, omdat) , zie Mt 2,16 . Hoti (dat, omdat) komt bij Matteüs 137 verzen voor . Hier leidt het een afhankelijke voorwerpszin bij akousas (gehoord) in. Het komt tweemaal voor bij het participium nominatief mannelijk enkelvoud akousas (gehoord) . De voorwerpszin in Mt 4,12 geeft nieuwe informatie. Hoe die informatie bekomen werd , wordt niet gezegd . Die informatie kwam in ieder geval Jezus ter ore. Het lijkt er ook op dat sommigen bekommerd waren om Jezus te verwittigen van wat er was gebeurd zodat hij zich in veiligheid zou kunnen brengen .
7. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mt : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mt (215) . Mt 4 (7) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,8 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 4,13 . (6) Mt 4,18 . (7) Mt 4,24.
8. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn van het bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . Mt (180) . Mt 4 (7) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,8 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 4,13 . (6) Mt 4,18 . (7) Mt 4,24 .
| 1. | 2. | 3. | 4. | 5. | Pilatus | ||
| bijbelplaats | Mt 26,2 | Mt 26,24 | Mt 26,45 | Mt 17,22 | Mt 20,18 | Mt 20,19 | Mt 27,26 |
| Jezus | kai ho huios tou anthrôpou (en de mensenzoon) | ouai de tôi anthrôpôi ekeinôi di'hou ho huios tou anthrôpou (wee echter die mens door wie de mensenzoon) | kai ho huios tou anthrôpou (en de mensenzoon) | mellei ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon staat op het punt) | kai ho huios tou anthrôpou (en de mensenzoon) | ton de Ièsoun Jezus echter) | |
| wordt overgeleverd | paradidotai (wordt overgeleverd) | paradidotai (wordt overgeleverd) | paradidotai (wordt overgeleverd) | paradidosthai (overgeleverd te worden) | paradothèsetai (zal overgeleverd worden) | kai paradôsousin auton (en zij zuillen hem overleveren) | paredôken (leverde hij over) |
| tot | eis to staurothènai (om gekruisigd te worden) | eis cheiras hamartôlôn (in handen van zondaars) | eis cheiras anthrôpôn (in handen van mensen) | kai katakrinousin auton thanatôi (en zullen veroordelen hem ter dood) | eis to... staurôsai (om hemte ... kruisigen) | hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden. | |
| 317. Complot tegen Jezus : Mc 14,1-2 // Mt 26,1-5 // Lc 22,1-2 - Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 - | 321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 // Mt 26,20-25 // Lc 22,14 - Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - | 329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 // Mt 26,36-46 // Lc 22,40-46 Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - | 171. Tweede lijdensvoorspelling : Mc 9,30-32 // Mt 17,22-23 // Lc 9,43b-45 - Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 - | 273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 // Mt 20,17-19 // Lc 18,31-34 - Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 - | 273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 // Mt 20,17-19 // Lc 18,31-34 - Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 - | 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 // Mt 27,24-26 // Lc 23,24-25 - Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 - |
De overlevering brengt niet alleen het levenslot van Jezus in beeld, maar ook van de eerste christenen. In de bergrede, de zendingsrede en de eschatologische rede is het wel in de toekomstige tijd geformuleerd. Wellicht beleven ze situaties van uitleveringen. Vandaar die gevoeligheid om dat aspect van het lot van Johannes de Doper en van Jezus te belichten. Matteüs geeft dus ook heel wat weer over de situatie van de eerste christelijke gemeenten in Galilea in de 1ste eeuw.
| 1. | 2. | 3. | 4. | 5. | |
| bijbelplaats | Mt 10,17 | Mt 24,9 | Mt 24,9 | Mt 10,19 | Mt 10,19 |
| overlevering | paradôsousin gar humas(want zij zullen u overleveren) | tote paradôsousin humas (dan zullen zij u overleveren) | kai allèlous paradôsousin (en zij zullen elkaar overleveren) | hotan de paradôsin humas (wanneer zij echter u overleveren) | paradôsei adelfos adelfon eis thanaton (een broer zal zijn broer ter dood overleveren) |
| eis... (in ...) | eis (tot) | ||||
| ter dood | kai apoktenousin humas (en zij zullen u doden) | eis thanaton (ter dood) ... kaiu thanatôsousin autous (en zij zullen hem doden) | |||
| 77. Gedrag bij vervolgingen: - Mt 10,17-23 - Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 - | 301. Gedrag bij vervolgingen : Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 - | 301. Gedrag bij vervolgingen : Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 - | 77. Gedrag bij vervolgingen: Mt 10,17-23 - Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 - | 77. Gedrag bij vervolgingen: Mt 10,17-23 - Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 - |
Het is opvallend hoe teksten over "overlevering" bij Marcus en Matteüs zo sterk met elkaar overeenkomen.
| 1. | 2. | 3. | 4. | |||||||
| Mt 26,46 | Mc 14,42 | Mt 26,21 | Mc14,18 | Mt 26,45 | Mc 14,41 | Mt 17,22 | Mc 9,31 | |||
| idou èggiken (zie nabij is) | idou (zie) | amèn legô humin hoti heis ex humôn (voorwaar ik zeg u dat één uit jullie) | amèn legô humin hoti heis ex humôn (voorwaar ik zeg u dat één uit jullie) | kai ho hui²os tou anthrôpou (en de mensenzoon) | idou paradidotai ho huios tou anthrôpou (zie wordt overgeleverd de mensenzoon) | mellei ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon staat op het punt) | hoti ho huios tou anthrôpou (dat de mensenzoon) | |||
| ho paradidous me (die mij overlevert) | ho paradidous me (die mij overlevert) èggiken (is nabij) | paradôsei me (mij zal overleveren) | paradôsei me (mij zal overleveren) | paradidotai (wordt overgeleverd) | paradidosthai (overgeleverd te worden) | paradidotai (wordt overgeleverd) | ||||
| eis cheiras hamartôlôn (in handen van zondaars) | eis tas cheiras tôn hamartôlôn (in de handen van de zondaars) | eis cheiras anthrôpôn (in handen van mensen) | eis cheiras hamartôlôn (in handen van zondaars) | |||||||
| 329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - | 329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - | 321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 // Mt 26,20-25 // Lc 22,14 - Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - | 321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 // Mt 26,20-25 // Lc 22,14 - Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - | 329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - | 329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - | 171. Tweede lijdensvoorspelling : Mc 9,30-32 // Mt 17,22-23 // Lc 9,43b-45 - Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 - | 171. Tweede lijdensvoorspelling : Mc 9,30-32 // Mt 17,22-23 // Lc 9,43b-45 - Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 - |
Jezus wijkt uit van de diepten van de Jordaan en de woestijn van Judea naar
het meer van Galilea en de hoogten van de bergen van Zebulon en Neftali om dan
af te dalen naar het zuiden en op te gaan naar Jeruzalem.
Breukelman, F.H., Bijbelse theologie. Deel 3. De theologie van de evangelist
Mattheüs, Kampen, J.J.Kok, 1984. Blz.145-149: A. Het anachôrein van
Jezus in Mattheüs 4 : 12.
Het evangelie van Matteüs heeft de dood als een centraal thema. Eerst probeert Jezus de dood te ontlopen om zo het brengen van zijn boodschap niet in gevaar te brengen, daarna daagt hij het lot uit en gaat naar Jeruzalem waar hij gedood wordt. Van een ontwijken kiest Jezus voor de uitdaging en de confrontatie.
- eis tèn Galilaian (naar Galilea) . Verwijzing : Galilea , zie Mc 1,14 . In vijf verzen bij Matteüs : (1) Mt 4,12 . (2) Mt 26,32 . (3) Mt 28,7 . (4) Mt 28,10 . (5) Mt 28,16 .
Jezus gaat slechts 2X naar Galilea - Galilaia
(Galilea) -. De eerste maal is het om als leraar op te treden, de tweede
maal als verrezene (waar hij zijn leerlingen verzamelt). Wanneer Jezus voor
de eerste maal naar Galilea gaat, roept hij leerlingen. Misschien zijn het wel
leerlingen van Johannes de Doper die door het gebeuren in Judea terug naar huis
zijn getrokken. De uitlevering van Johannes had tot gevolg dat zijn leerlingen
uiteen gingen, veiligheid zochten,verstrooid werden. Het kan dat Jezus deze
verstrooide leerlingen bijeenbrengt en zelf als leraar gaat optreden.
Er moet iets verduidelijkt worden in verband met Galilea. Het ligt in het noorden,
boven Samaria. Het ene koninkrijk werd in 931 voor Christus gesplitst in het
Noordrijk (Israël) en het Zuidrijk (Juda). In 721 voor Christus kwam een
einde aan de onafhankelijkheid van het Noordrijk en ontstond het volk van de
'Samaritanen'. Met de Romeinen kwam Palestina (met Judea, Samaria en Galilea)
onder de provincie Syrië. Wellicht rond het begin van de christelijke tijdrekening
weken heel wat bewoners uit Judea (joden) naar Galilea uit. Hoe was hun verhouding
met de inheemse bevolking? In ieder geval kwamen de joden bijeen in synagogen.
Dat Jezus na zijn verrijzenis zijn leerlingen voorgaat naar Galilea en dat zij
Hem daar zullen zien, kan erop wijzen dat de christelijke gemeenten in Galilea
zich beroepen op Jezus als stichter van hun gemeenschappen. Volgens Lucas moeten
de leerlingen in Jeruzalem blijven. Daar wordt dan de eerste christelijke gemeente
gesticht.
| 1. | 2. | 3. | 4. | 5. |
| Mt 4,12 | Mt 26,32 | Mt 28,7 | Mt 28,10 | Mt 28,16 |
| kai tachu poreutheisai (en vlug vertrokken zijnde) | hupagete (ga) | hoi de hendeka (de elf echter) | ||
| eipate tois mathètais autou (zeg aan zijn leerlingen) | apaggeilate tois adelfois mou (meld aan mijn broeders) | |||
| Akousas de hoti paredothè (Gehoord echter dat Johannes was uitgeleverd) | meta de to egerthènai me (nadat echter ik ben verrezen | hoti ègerthè apo tôn nekrôn (dat hij is opgewekt uit de doden) | eporeuthèsan (gingen) | |
| anechôrèsen (week hij uit) | proaksô humas (zal ik je voorgaan) | kai idou proagei humas (en zie hij gaat je voor) | hina (opdat) apelthôsin zouden vertrekken) | |
| eis (naar) | eis (naar) tèn Galilaian (Galilea) | eis (naar) tèn Galilaian (Galilea) | eis (naar) tèn Galilaian (Galilea) | eis (naar) tèn Galilaian (Galilea) |
| ekei auton opsesthe (daar hem zult gij zien) | kakei me opsontai (en daar zullen zij mij zien) | |||
| idou eipon humin (zie ik heb het je gezegd) | 17. kai idontes auton (en hem gezien hebbende) | |||
| 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 | 328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening : Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 | 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 | 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 | 353. Verschijning aan de elf in Galilea : Mt 28,16-20 |
Mt 4,12 gelijkt zeer sterk op Mt 2,22. Matteüs wil duidelijk maken dat Jezus met de dood bedreigd werd, zoals dat met Mozes het geval was.
| Ex 2,15 | Mt 2,22 - (Mt 2,22-23) Jozef week uit naar Galilea, omdat Archelaos koning over Judea is, in de plaats van zijn vader Herodes) | Mt 2,23 | Mt 4,12 (Jezus week uit naar Galilea, omdat Johannes werd gevangen genomen) | Mt 4,15 |
| 15a. wajjisjm`a Par`oh ´èth haddâbhâr hazèh - èkousen de Faraô to rèma touto (De Farao echter vernam dit gebeuren) | Mt 2,22 Akousas de hoti (Toen -Jozef - echter vernam dat...) | 22. Akousas de hoti ( Jezus echter vernomen dat...) | ||
| 15c. wajjibhraH Mosjèh - anechôrèsen de Môusès (week echter Mozes uit) | anechôrèsen (week hij uit) | anechôrèsen (week hij uit) | ||
| eis ta merè tès Galilaias (naar het landsgedeelte van Galilea) | eis tèn Galilaian (naar Galilea) | |||
| wajjeesèv be´èrèdz midjan wejjeesjev `al habbe' eer (en hij vestiogde zich in het land Midjan en hij vestigde zich bij de bron) kai ôikèsen en gèi Madiam, elthôn de eis gèn Madiam ekathisen epi tou freatos (en hij vestigde zich in het land Midjam, gekomen echter in het land Midjam settelde hij zich bij de bron) | Mt 2,23 kai elthôn (en) | 13. Kai katalipôn tèn Nazara elthôn (en achtergelaten Nazaret) | ||
| katôikèsen (hij ging wonen) | katôikèsen (ging hij wonen) | |||
| eis polin legomenèn Nazareth (in de stad die wordt genoemd Nazaret) | hoti nazaraios klèthèsetai (dat hij Nazareeër zou genoemd worden) | eis Kafarnaum tèn parathalassian en horiois Zaboulôn kai Nefthalim (in Kafarnaüm langs het meer in de bergen van Zabulon en Neftali | gè Zaboulôn kai gè Nefthalim, hodon thalassès, peran tou Iordanou, Galilaia ôon ethnôn (land van Zebulon en land van Neftali, weg naar de zee, aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de heidenen | |
| hôs (opdat) | hina (opdat) | |||
| plèrôthèi to rèthen dia (zou vervuld worden het gezegde via) | plèrôthèi to rèthen dia (zou vervuld worden het gezegde via) | |||
| Mozes en zijn volk. Vlucht naar Midjan - Ex 2,11-22 - | 12. Vlucht naar Egypte en terugkeer : Mt 2,13-23 - | 12. Vlucht naar Egypte en terugkeer : Mt 2,13-23 - | 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 - | 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 - |
Betekenis van Mt 4,12
Jezus' optreden ( Mt
3,13 ) begint na het optreden van Johannes de Doper ( Mt
3,1 ) . Het optreden van Jezus wordt bedreigd met de dood , eerst door de
wereldlijke politieke machthebbers (Mt
4,12 . Mt
14,13 ) en later door de religieuze leiders . Die bedreiging brengt Jezus
naar Galilea en vervolgens naar het meer heidens gebied . De overlevering van
Johannes ( Mt
4,12 ) scherpt Jezus'bewustzijn aan dat ook zijn overlevering (en dood)
het gevolg van zijn optreden kan zijn . Johannes is de wegbereider en voorganger
van Jezus : zowel wat zijn boodschap als wat zijn levenslot betreft .
Er gaat een schok door Judea wanneer de profeet Johannes de Doper wordt overgeleverd
. Wellicht door iemand van Johannes'bekenden die de verblijfplek kon aanduiden
. De overlevering en de gevangenneming van Johannes betekent totale onbetrouwbaarheid
van het gebied . Dat gaat rond als een vuur . Jezus wordt verwittigd en moet
in het noorden , in Galilea , veiligheid zoeken . De rust van de woestijn wordt
brutaal verstoord . De plek van bezinning en voorbereiding wordt een verradershol
. De leerlingen van Johannes moeten hun vel trachten te redden .
Jezus wijkt uit naar Galilea . Hij laat Nazaret achter zich . Hij is niet meer
dezelfde als bij zijn vertrek naar Judea om door Johannes gedoopt te worden
. Hij draagt een boodschap in zich . Hij gaat naar Kafarnaüm . Jezus zal
naargelang het gevaar dichter komt , verder uitwijken naar heidens gebied en
de 'heidenen' leren kennen . Het is Matteüs'overtuiging dat de joodse boodschap
volgens Jezus een licht voor de heidenen kan zijn . Zo breken oudtestamentische
teksten open die aankondigen dat heidenen naar Jeruzalem zullen gaan . In Mt
28 zal Jezus zijn leerlingen zenden om het evangelie te verkondigen aan
alle volkeren.
In een sfeer van dreiging , macht , verraad , haat , brengt Jezus zijn boodschap
dat God liefde is en dat mensen elkaar moeten beminnen . Hoe is hij aan de druk
kunnen weerstaan om niet gewelddadig en agressief te worden ?
| Mt 4,13 - Mt 4,13 : 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mt 4,12 - Mt 4,13 - Mt 4,14 - Mt 4,15 - Mt 4,16 - Mt 4,17 -- Mt 4 -- Mt 4,1-11 - Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [13] And leaving Nazareth, he came and dwelt in Capernaum,
which is upon the sea coast, in the borders of Zabulon and Nephthalim:
Luther-Bibel . 13 Und er verließ Nazareth, kam und wohnte in Kapernaum,
das am See liegt im Gebiet von Sebulon und Naftali,
Tekstanalyse van Mt 4,13
2. kataleipô (achterlaten) . Verwijzing
: kataleipô
(achterlaten) , zie Mt
4,13 .
--- katalipôn (achtergelaten) . In tien verzen in de bijbel . In vier
verzen in het O.T. . In zes verzen in het N.T. . Bij Matteüs komt het in
drie verzen voor . Jezus laat Nazaret achter zich . Daar heeft hij zijn kinder-
en jeugdjaren doorgebracht . Jezus sluit definitief een periode af .
| Mt 4,13 | Mt 16,4 | Mt 21,17 | |
| verbindend voegwoord | kai (en) | kai (en) | kai (en) |
| participiumzin | katalipôn (achtergelaten) | katalipôn (achtergelaten) | katalipôn (achtergelaten) |
| lijdend voorwerp | tèn Nazara (Nazaret) | autous (hen) | autous (hen) |
| werkwoordvorm van erchomai | elthôn (gegaan) | apèlthen (ging hij weg) | exèlthen exô tès poleôs (ging hij buiten de stad) |
| katôikèsen vestigde hij zich) | |||
| eis Kafarnaoum (in Kafarnaüm) | eis Bèthanian (naar Bethanië) | ||
| 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 - | 159. Vraag om een teken uit de hemel : Mc 8,11-13 - Mt 16,1-4 - Mt 12,38-42 - | 284. Jezus in de tempel. Terugkeer naar Betanië : Mc 11,18-19 - Mt 21,14-17 - Lc 19,47-48 - |
--- katelipen (hij liet achter) . Aorist derde persoon enkelvoud . In eenendertig verzen in de bijbel . In achtentwintig verzen in het O.T. : (8) 1 K 19,20 . In drie verzen in het N.T. .
3. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn van het bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . Mt (180) . Mt 4 (7) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,8 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 4,13 . (6) Mt 4,18 . (7) Mt 4,24 .
- Nazaret (Nazaret) . Het komt in 4 verzen in de bijbel voor, slechts in het N.T. Het komt zo slechts in 1 vers bij Matteüs : Mt 2,23 . In Mt 21,11 staat Nazareth (Nazaret) (apo Nazareth tès Galilaias : uit Nazaret van Galilea) - Mt 21,10-11 - . Ook Nazara (Nazaret) komt slechts 1X voor, nl. Mt 4,13 - Mt 4,12-17 -. Nazaraios (de Nazarener) komt in de nominatief voor in Mt 2,23 en in de genitief in Mt 26,71 (meta Ièsou tou Nazaraiou : met Jezus de Nazarener) - Mt 26,69-75 -.
6. elthôn
(gegaan, gekomen) , zie Mt
8,14 .
Jezus gaat wonen . In het Grieks : deelwoord van erchomai (gaan) en het hoofdwerkwoord
. In het Nederlands is gaan het hoofdwerkwoord en het erop volgend werkwoord
een infinitief .
7. katoikeô : nederzetten (nederzetting),
wonen, zich vestigen . Verwijzing : katoikeô
(nederzetten, wonen) , zie Mt
4,13 .
--- katoikountes (bewoners) . In 107 verzen in de bijbel . In achtennegentig
verzen in het O.T. . In negen verzen in het N.T. . In vijf verzen in Hnd : .
In vier verzen in Opb . Het Hebreeuwse werkwoord josjëbhê wordt in
twintig verzen door een synoniem Grieks woord vertaald : kathèmenoi (die
gezeten zijn) .
--- katôikèsen (hij woonde) komt in de bijbel in veertig verzen
voor . In zevenendertig verzen in het O.T. . In drie verzen in het N.T. . Bij
Matteüs komt katôikèsen (hij woonde) slechts tweemaal voor
.
- jâsjabh (wonen) komt in 123 verzen in de bijbel voor . Qal perfectum
derde persoon enkelvoud of jôsjeb : qal participium mannelijk enkelvoud
.
--- josjëbhê (die bewonen) . In 110 verzen in de bijbel.
--- josjëbhim (die bewonen, bewoners) . In 24 verzen in de bijbel .
--- wajjesjèbh (en hij verbleef) . Actief qal imperfectum derde persoon
enkelvoud . In 228 verzen in de bijbel . In achtentwintig verzen in Gn . (28)
Gn 50,22
.
8. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mt : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mt (215) . Mt 4 (7) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,8 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 4,13 . (6) Mt 4,18 . (7) Mt 4,24.
9. Kafarnaüm komt bij Matteüs 4X voor. Hier in Mt 4,13. Verder in Mt 8,5 de honderdman van Kafarnaüm) - Mt 8,5-13 - in Mt 11,23 (de vervloeking van Kafarnaüm) - Mt 11,20-24 - en in Mt 17,24 (tempelbelasting) - Mt 17,24-27 -
10. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn van het bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . Mt (180) . Mt 4 (7) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,8 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 4,13 . (6) Mt 4,18 . (7) Mt 4,24 .
| Mt 4,14 - Mt 4,14 : 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mt 4,12 - Mt 4,13 - Mt 4,14 - Mt 4,15 - Mt 4,16 - Mt 4,17 -- | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [14] That it might be fulfilled which was spoken by Esaias
the prophet, saying,
Luther-Bibel . 14 damit erfüllt würde, was gesagt ist durch den Propheten
Jesaja, der da spricht (Jesaja 8,23; 9,1):
Tekstuitleg van Mt 4,14 .
| Mt 4,15 - Mt 4,15 : 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mt 4,12 - Mt 4,13 - Mt 4,14 - Mt 4,15 - Mt 4,16 - |