MATTEÜSEVANGELIE : VIERDE HOOFDSTUK , MT 4 -
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mt (Matteüs) -- Mt 4 -
- Mt 4,1-11 - Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -

Overzicht van Tenach : Tenach : overzicht , Tenach : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenach : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,

Overzicht van het Matteüsevangelie : Mt : overzicht , Mt : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Mt : commentaar ,
Overzicht van het N.T.
: NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

Overzicht van het Matteüsevangelie : Mt 1 , Mt 2 , Mt 3 , Mt 4 , Mt 5 , Mt 6 , Mt 7 , Mt 8 , Mt 9 , Mt 10 , Mt 11 , Mt 12 , Mt 13 , Mt 14 , Mt 15 , Mt 16 , Mt 17 , Mt 18 , Mt 19 , Mt 20 , Mt 21 , Mt 22 , Mt 23 , Mt 24 , Mt 25 , Mt 26 , Mt 27 , Mt 28 .
Bijbeluitleg per pericope - Mt 4,1-11 - Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 -
Bijbeluitleg vers per vers - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 - Mt 4,12 - Mt 4,13 - Mt 4,14 - Mt 4,15 - Mt 4,16 - Mt 4,17 - Mt 4,18 - Mt 4,19 - Mt 4,20 - Mt 4,21 - Mt 4,22 - Mt 4,23 - Mt 4,24 - Mt 4,25 -


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
             
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts (Vlaams Blok) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat
- akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 .
- akousas (gehoord) 8X bij Matteüs
- akoloutheô (volgen) , zie Mt 4,20 .
- eis tèn Galilaian (naar Galilea) , zie Mt 4,12 .
- eiserchomai (binnengaan) bij Matteüs, zie Mt 4,3 : Mt 4,1-11 
- ekeithen (vanhier, vandaar) , zie Mt 4,21 .
- èrxato (hij begon : 7X bij Matteüs)
- horos (berg). In 196 verzen in de bijbel (zie Mt 4,8 ) ; in 168 verzen in het O.T., in 28 verzen in het N.T. In 8 verzen bij Matteûs : (1) Mt 4,7 . (2) Mt 5,1 . (3) Mt 14,23 . (4) Mt 15,29 . (5) Mt 17,1 - Mt 17,2 . (6) Mt 21,1 . (7) Mt 26,30 . (8) Mt 28,16 . In 6 verzen bij Marcus : (1) Mc 3,13 . (2) Mc 6,46 . (3) Mc 9,2 . (4) Mc 11,2 . (5) Mc 13,3 . (6) Mc 14,26 .
- kataleipô (achterlaten) , zie Mt 4,13 .
- katoikeô (nederzetten, wonen) , zie Mt 4,13 .
- laleô (lallen, spreken, praten), zie Mt 4,6 . - elalèsen (hij sprak). In 7 verzen bij Matteüs. (1) Mt 9,33 (de stomme). (2) Mt 13,3 . (3) Mt 13,33 . (4) Mt 13,34 . (5) Mt 14,27 . (6) Mt 23,1 . (7) Mt 28,18 .
- legô (zeggen). Bij Matteüs, zie Mt 4,6 . Eipen (hij zei), zie Mt 4,6
- Nazaret (Nazaret) , zie Mt 4,13 .
- ochloi (menigten 14X bij Matteüs) ochlos (menigte) 6X bij Matteüs
- paradidômi (overleveren) , zie Mt 4,12 .
- paralambanô (naast zich nemen) , zie Mt 4,5 .
- ploion (boot) , zie Mt 4,22 .
- proserchomai (naderbijkomen) , prosèlthen (hij kwam naderbij. 6X bij Matteüs) , - proselthôn (naderbijgekomen. 14X bij Matteüs) , - prosèlthon (zij kwamen naderbij. 14X bij Matteüs) - proselthontes (naderbijgekomen) zie Mt 4,3
- therapeuô (genezen) bij Matteüs -
Bibliografie - Mt 4,1-11 bibl.-
Literatuur
Liturgisch gebruik

Overzicht van de bijbelboeken - bijbeloverzicht , taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het vierde hoofdstuk van het Matteüsevangelie :
20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13
21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 -
23. Roeping van de eerste leerlingen : Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 -
24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 -
20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mt 4,1-11 - Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt (Matteüs) -- Mt 4 -- Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 -

Evangelielezing van de 1ste (eerste) zondag in de veertigdagentijd A : Mt 4,1-11 :
 1 Daarna werd Jezus door de Geest naar de woestijn gevoerd om door de duivel op de proef gesteld te worden. 2 Nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij honger. 3 Nu trad de verleider op Hem toe en sprak: "Als Gij de Zoon van God zijt, beveel dan dat deze stenen hier in brood veranderen." 4 Hij gaf ten antwoord: "Er staat geschreven: Niet van brood alleen leeft de mens, maar van elk woord dat komt uit de mond van God." 5 Vervolgens nam de duivel Hem mee naar de heilige stad, plaatste Hem op de bovenbouw van een tempelpoort 6 en sprak tot Hem: "Als Gij de Zoon van God zijt, werp U dan naar beneden, want er staat geschreven: Aan zijn engelen zal Hij omtrent U een bevel geven, dat zij U op de handen nemen, opdat Ge uw voet niet zult stoten aan een steen." 7 Jezus zei tot hem: "Er staat ook geschreven: Gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen." 8 Tenslotte nam de duivel Hem mee naar een heel hoge berg, vanwaar hij Hem alle koninkrijken der wereld toonde in hun heerlijkheid. 9 En hij zei: "Dat alles zal ik U geven, als Gij in aanbidding voor mij neervalt." 10 Toen zei Jezus hem: "Weg, satan; er staat geschreven: De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen." 11 Nu liet de duivel Hem met rust en er kwamen engelen om Hem te dienen.

inleiding

Jezus maakt kennis met tegenstand . In zijn leven ontmoet Jezus regelmatig tegenstanders (dia-bolos - diaballô : tegenwerpen , dis-cussiëren , testen , toetsen) . Jezus' tegenstanders stellen vragen , maken opwerpingen , brengen één en ander in . Jezus wordt op de proef gesteld , uitgeprobeerd , getest , getoetst . Jezus is de these . Zijn tegenstanders de antithese . In Mt 4,1-11 worden schriftteksten gebruikt . Hoe lezen beide partijen de schrift ? Waarom wordt de ene tekst afgewezen en de andere aanbevolen ? Welke schriftinterpretaties worden in beide gevallen gehanteerd ?

Tegenstanders veronderstellen dat het zoonschap van God met macht moet gepaard gaan (bekoringsverhaal , bij de kruisdood) . Tweemaal wordt op een goddelijke stem beroep gedaan om dit zoonschap van God te bevestigen. De eerste christenen zagen wellicht de uniekheid van Jezus . Ze hebben zijn uniek-zijn beschreven en beklemtoond om hun eigen identiteit en eigenheid te affirmeren . En ze doen het op zo'n wijze dat er buiten hen (en buiten Jezus) geen heil te verwachten valt . In Mt 16,16 belijdt Petrus wie Jezus is . Blijkbaar is de toekomst verzekerd (op deze rots zal ik mijn kerk bouwen) om de confrontatie met Jeruzalem aan te gaan .

structuur van de pericope

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Jezus naar de woestijn waar hij veertig dagen vast eerste toenadering van de beproever . De inleiding eerste toenadering van de beproever . De woorden antwoord erop door Jezus . De inleiding antwoord erop door Jezus. De woorden tweede toenadering van de beproever . De inleiding tweede toenadering van de beproever . De woorden
Mt 4,1 - Mt 4,2 Mt 4,3a Mt 4,3b Mt 4,4a Mt 4,4b Mt 4,5 - Mt 4,6a Mt 4,6b
twee nevenschikkende zinnen kai (en) ondanks de persoonsverandering   de (echter)-tekst   Tote (dan)... tweemaal kai nevenschikkende zin voor het citeren  
verleden tijd (aorist) verleden tijd (aorist)   verleden tijd (aorist)   T.T. , V.T ., T.T.  

14 + 9 = 23

6 12 4 16 20 29
30 + 27 = 57 (19 X 3) 12 21 8 37 42 55


8. 9. 10. 11. 12. 13. 14.
antwoord erop door Jezus . De inleiding antwoord erop door Jezus . De woorden derde toenadering van de beproever . De inleiding derde toenadering van de beproever . De woorden antwoord erop door Jezus . De inleiding. antwoord erop door Jezus . De woorden slot 
Mt 4,7a Mt 4,7b Mt 4,8 - Mt 4,9a Mt 4,9b Mt 4,10a Mt 4,10b Mt 4,11 
  palin (opnieuw)     tote (dan, daarop)   tote (dan)
imperfectum   T.T. (tweemaal) + V.T.   T.T.   T.T., V.T. (aorist , imperfectum)
4 8 24 8 5 13 12
7 17 49 16 9 29 29

aan het woord

1. de beproever 2. Jezus 3. de duivel 4. Jezus 5. de duivel 6. Jezus
Mt 4,3 Mt 4,4 Mt 4,6 Mt 4,7 Mt 4,9 Mt 4,10
kai (en) ho de (hij echter) kai (en)   kai (en) tote (toen)
proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever) apokritheis (geantwoord)        
eipen (zei hij) eipen (zei) legei (hij zegt) efè (zei) eipen (hij zei) legei (zegt)
autôi (hem)   autôi (aan hem) autôi (aan hem) autôi (hem) autôi (hem)
      ho Ièsous (Jezus)   ho Ièsous (Jezus)

 

1. de beproever   2. Jezus   3. de duivel   4. Jezus   5. de duivel   6. Jezus  
Mt 4,3 Lc 4,3 Mt 4,4 Lc 4,4 Mt 4,6 Lc 4,9 Mt 4,7 Lc 4,12 Mt 4,9 Lc 4,6 Mt 4,10 Lc 4,8
kai (en)   ho de (hij echter) kai (en) kai (en) kai (en)   kai (en) kai (en) kai (en) tote (toen) kai (en)
proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever)   apokritheis (geantwoord) apokrithè (antwoordde)       apokritheis (geantwoord)       apokritheis (geantwoord)
eipen (zei hij) eipen de (zei echter) eipen (zei)   legei (hij zegt) eipen (hij zei) efè (zei) eipen (zei) eipen (hij zei) eipen (hij zei) legei (zegt) ho Ièsous (Jezus) eipen (hij zei)
autôi (hem) autôi (aan hem)   pros auton (tot hem) autôi (aan hem) autôi (hem) autôi (aan hem) autôi (aan hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem)
  ho diabolos (de duivel)   ho Ièsous (Jezus)     ho Ièsous (Jezus) ho Ièsous (Jezus)   ho diabolos (de duivel) ho Ièsous (Jezus)  

 

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Jezus naar de woestijn waar hij veertig dagen vast eerste toenadering van de beproever . De inleiding eerste toenadering van de beproever . De woorden antwoord erop door Jezus . De inleiding antwoord erop door Jezus. De woorden tweede toenadering van de beproever . De inleiding tweede toenadering van de beproever . De woorden
Mt 4,1 - Mt 4,2 Mt 4,3a Mt 4,3b Mt 4,4a Mt 4,4b Mt 4,5 - Mt 4,6a Mt 4,6b
Lc 4,1 - Lc 4,2 Lc 4,3a Lc 4,3b Lc 4,4a Lc 4,4b Lc 4,9a Lc 4,9b - Lc 4,10

In Mt 4,1-11 zijn heel wat bijzonderheden op te merken .

Vooreerst wat het voegwoord kai (en) en het partikel de (echter) betreft . Verwijzingen : kai (en) , zie Mt 1,2 en de (echter) , zie Mt 1,2 .
Matteüs gebruikt het voegwoord kai (en) om o.a. twee nevenschikkende zinnen met hetzelfde onderwerp met elkaar te verbinden : Mt 4,2 , Mt 4,5 (tweemaal) , Mt 4,6 , Mt 4,8 (tweemaal) , Mt 4,9 , Mt 4,10 , Mt 4,11 . Negenmaal in totaal .
In Mt 4,3 wordt kai (en) gebruikt om een zin met een ander onderwerp aan elkaar te verbinden .
In Mt 4,11 wordt kai (en) gebruikt om twee zinnen met een verschillend onderwerp met elkaar te verbinden . De twee zinnen zijn tegengesteld en concentrisch opgebouwd . Mt 4,11a : A : tote (dan) , B : afièsin (verlaat) , C : auton (hem) , D: ho diabolos (de duivel) ; Mt 4,11b : kai idou (en zie) , D' : aggeloi (engelen) , B' : prosèlthon kai dièkonèn autôi (kwamen nader bij hem en dienden hem) .
In Mt 4,1 en Mt 4,8 wordt het voegwoord kai (en) gebruikt om twee zinsdelen te verbinden .
In pericope Mt 4,1-11 wordt kai (en) veertienmaal aangewend . Hiervan staat kai (en) in vier verzen aan het begin van het vers : (1) Mt 4,2 . (2) Mt 4,3 . (3) Mt 4,6 . (4) Mt 4,9 .
Het partikel de (echter) staat steeds op de tweede plaats in de zin . Het duidt aan dat er tussen de vorige zin en de huidige zin verandering van personage plaats vindt , m.a.w. er is een ander onderwerp : Mt 4,4 .
In totaal wordt in deze pericope viermaal tote (daarna, dan) gebruikt . De verandering van personage wordt o.a. opgevangen door het woordje tote (daarop, daarna / to-de = dit echter, na dit): (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,10 . (4) Mt 4,11 .
We hadden de (echter) verwacht in plaats van kai (en) : Mt 4,3 .
Besluit : dertienmaal kai (en) , eenmaal de (echter) , viermaal tote (dan, daarop) .

Er is een variatie in het gebruik van werkwoordtijden . Mt 4,1-4 staat in de verleden tijd (aorist) . Mt 4,5a begint met de tegenwoordige tijd , vervolgt (Mt 4,5b) in de verleden tijd (aorist) en gaat dan weer verder (Mt 4,6) in de tegenwoordige tijd . In Mt 4,6 lezen we een verleden tijd (imperfectum) . Mt 4,8 staat in de tegenwoordige tijd en de nevenschikkende zin die erop volgt , staat in de verleden tijd . Mt 4,10 gebruikt een tegenwoordige tijd . Zo begint Mt 4,11 in een tegenwoordige tijd , vervolgt in een verleden tijd (aorist) en een verleden tijd (imperfectum) .

Mt 4,1 - Mt 4,1 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt (Matteüs) -- Mt 4 -- Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:1 tote ho Ièsous anèchthè eis tèn erèmon hupo tou pneumatos peirasthènai hupo tou diabolou  1 tunc Iesus ductus est in desertum ab Spiritu ut temptaretur a diabolo   1. Toen werd Jezus door de Geest opwaarts geleid naar de woestijn om op de proef gesteld te worden door de duivel.   1 Daarna werd Jezus door de Geest naar de woestijn gevoerd om door de duivel op de proef gesteld te worden.  [1] Toen werd Jezus door de Geest naar de woestijn gebracht om door de duivel* op de proef gesteld* te worden.  [1] Daarna werd Jezus door de Geest meegevoerd naar de woestijn om door de duivel op de proef gesteld te worden.  1 ¶ Dan wordt Jezus door de Geest weggevoerd  naar de woestijn, om beproefd te worden door de duivel.   1. Alors Jésus fut emmené au désert par l'Esprit, pour être tenté par le diable.  

King James Bible . Then was Jesus led up of the Spirit into the wilderness to be tempted of the devil.
Luther-Bibel . 1 Da wurde Jesus vom Geist in die Wüste geführt, damit er von dem Teufel versucht würde.

Tekstanalyse van Mt 4,1 . Dit vers Mt 4,1 telt 14 (2 X 7) woorden en 69 (3 X 23) letters . De getalwaarde van Mt 4,1 is 8002 (2 X 4001) .

Mt 4,1.1. tote (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het N.T. : tote (dan) . Taalgebruik in Mt : tote (dan) . Bijwoord van tijd . Mt (89) . Mt 4 (5) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,10 . (4) Mt 4,11 . (5) Mt 4,17 . In totaal wordt in deze pericope viermaal tote (daarna, dan) gebruikt . De verandering van personage wordt o.a. opgevangen door het woordje tote (daarop, daarna / to-de = dit echter, na dit) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,10 . (4) Mt 4,11 . Het woordje staat hier telkens aan het begin van het vers . Nog in dit hoofdstuk : Mt 4,17 . Het volgt op Mt 3,13-17 (de doop van Jezus) . Er zijn echter meerdere overeenkomsten tussen Mt 3,13 en Mt 4,1 .
- Mt 3,13 : Tote (dan) paraginetai ho Ièsous (treedt Jezus op) apo tès Galilaias epi ton Iordanèn pros ton Iôannèn (van Galilea naar de Jordaan bij Johannes) tou baptisthènai hu'autou (om gedoopt te worden door hem) .
- Mt 4,1 : Tote (dan) ho Ièsous anèchthè (werd Jezus naar omhoog geleid) eis tèn erèmon (naar de woestijn) hupo tou pneumatos peirasthènai hupo tou diabolou (door de geest om beproefd te worden door de duivel) .

Mt 4,1.2. bepaald lidwoord , nominatief mannelijk enkelvoud ho OF betrekkelijk voornaamwoord , nominatief onzijdig enkelvoud ho . Bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . Mt (408) . In tien verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,1 (ho Ièsous = Jezus) . (2) Mt 4,3 (ho peirazôn = de beproever) . (3) Mt 4,4 (tweemaal ; ho de = hij echter ; ho anthrôpos = de mens) . (4) Mt 4,5 (ho diabolos = de duivel) . (5) Mt 4,7 (ho Ièsous = Jezus) . (6) Mt 4,8 (ho diabolos = de duivel) . (7) Mt 4,10 (ho Ièsous = Jezus) . (8) Mt 4,11 (ho diabolos = de duivel) . In de pericope Mt 4,1-11 komt negenmaal het lidwoord voor ; viermaal bij Ièsous = Jezus ; driemaal bij diabolos (duivel) ; eenmaal bij peirazôn = beproever ; eenmaal bij anthrôpos = mens . Verder (9) Mt 4,16 (tweemaal ; ho laos ho kathèmenos = het volk het zittende) . (10) Mt 4,17 (ho Ièsous = Jezus)

Mt 4,1.3. nom. mann. enk. ièsous (Jezus) . Taalgebruik in N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mt : Ièsous (Jezus) . Mt (110) . In vier verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,1 (+) Bij het begin van het vers staat tote ho Ièsous (daarop Jezus) . (2) Mt 4,7 (+) . (3) Mt 4,10 (+) . Bij het begin van het vers staat tote (dan , daarop) . (4) Mt 4,17 (+) . Bij het begin van het vers staat apo tote (van dan af) .
Zoals in Mt 3,13 is Jezus onderwerp . Hier in Mt 4,1 staat het onderwerp vooraan de zin , onmiddellijk na tote (dan) . Meestal komt na tote (dan) het werkwoord . Het onderwerp komt onmiddellijk na tote (daarop, dan) in : (1) Mt 2,7 en (2) Mt 2,16 : tote Hèrôidès ... (dan Herodes...) .

Mt 4,1.1. - 2. tote gevolgd door een lidwoord . In tien verzen in Mt . In vier verzen staat tote ho : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 16,24 . (3) Mt 21,1 . (4) Mt 23,1 .

Mt 4,1.1. - 3. tote ho Ièsous (daarop Jezus) . n vier verzen in Mt : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 16,24 . (3) Mt 21,1 . (4) Mt 23,1 . In drie verzen staat het aan het begin van een vers , van een pericope , behalve in Mt 21,1 . Slechts in Mt .

Mt 4,1.4. pass. ind. aor. 3de pers. enk. anèchthè (hij werd omhooggevoerd) van het werkw. anagô (omhoog voeren) (ana = omhoog + agô = voeren, leiden) . Taalgebruik in het N.T. : anagô (omhoogvoeren) . Taalgebruik in Mt : anagô (omhoogvoeren) . In twee verzen in de bijbel . Slechts in het N.T. : (1) Mt 4,1 . (2) Hnd 18,21 . Dit is de enigste vorm in Mt .

Mt 4,1.5. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mt : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mt (215) . Mt 4 (7) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,8 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 4,13 . (6) Mt 4,18 . (7) Mt 4,24 .

Mt 4,1.6. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn van het bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . Mt (180) . Mt 4 (7) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,8 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 4,13 . (6) Mt 4,18 . (7) Mt 4,24 .

Mt 4,1.7. acc. vr. enk. erèmon van het zelfst. naamw. erèmos (woestijn, eenzame plaats) . Taalgebruik in het N.T. : erèmos (woestijn) . Taalgebruik in Mt. : erèmos (woestijn) . Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth (chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn) (39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten) . désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen , aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is verlaten . Mt (3) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 11,7 . (3) Mt 14,13 . Een vorm van erèmos (woestijn, eenzame plaats) in Mt in 8 verzen : (1) Mt 3,1 . (2) Mt 3,3 . (3) Mt 4,1 . (4) Mt 11,7 . (5) Mt 14,13 . (6) Mt 14,15 . (7) Mt 23,38 . (8) Mt 24,26 .

Mt 4,1.5. - 7. eis tèn erèmon (naar de woestijn) . Mt (2) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 11,7 . eis erèmon topon (naar een eenzame plaats) . Mt (1) Mt 14,13 .

Mt 4,1.8. hupo (door) . Afkorting : hup' of huf' . Taalgebruik in het N.T. : hupo (door) . Taalgebruik in Mt : hupo (door) . Mt (24 + 4 + 0 = 28) . hupo (23) : (1) Mt 1,22 . (2) Mt 2,15 . (3) Mt 2,16 . (4) Mt 3,14 . (5) Mt 4,1 . (6) Mt 5,13 . (7) Mt 5,15 . (8) Mt 6,2 . (9) Mt 8,8 . (10) Mt 8,9 . (11) Mt 8,24 . (12) Mt 10,22 . (13) Mt 11,7 . (14) Mt 11,27 . (15) Mt 14,8 . (16) Mt 14,24 . (17) Mt 19,12 . (18) Mt 20,23 . (19) Mt 22,31 . (20) Mt 23,7 . (21) Mt 23,37 . (22) Mt 24,9 . (23) Mt 27,12 . (24) Mt 28,14 . hup' (4) : (1) Mt 3,6 . (2) Mt 3,13 . (3) Mt 8,9 . (4) Mt 17,12 .

Mt 4,1.9. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mt (234) . Mt 4 (9) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,3 . (3) Mt 4,5 . (4) Mt 4,6 . (5) Mt 4,8 . (6) Mt 4,14 . (7) Mt 4,15 . (8) Mt 4,21 . (9) Mt 4,25 .

Mt 4,1.12. hupo (door) . Afkorting : hup' of huf' . Taalgebruik in het N.T. : hupo (door) . Taalgebruik in Mt : hupo (door) . Mt (24 + 4 + 0 = 28) . hupo (23) : (1) Mt 1,22 . (2) Mt 2,15 . (3) Mt 2,16 . (4) Mt 3,14 . (5) Mt 4,1 . (6) Mt 5,13 . (7) Mt 5,15 . (8) Mt 6,2 . (9) Mt 8,8 . (10) Mt 8,9 . (11) Mt 8,24 . (12) Mt 10,22 . (13) Mt 11,7 . (14) Mt 11,27 . (15) Mt 14,8 . (16) Mt 14,24 . (17) Mt 19,12 . (18) Mt 20,23 . (19) Mt 22,31 . (20) Mt 23,7 . (21) Mt 23,37 . (22) Mt 24,9 . (23) Mt 27,12 . (24) Mt 28,14 . hup' (4) : (1) Mt 3,6 . (2) Mt 3,13 . (3) Mt 8,9 . (4) Mt 17,12 .

13. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mt (234) . Mt 4 (9) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,3 . (3) Mt 4,5 . (4) Mt 4,6 . (5) Mt 4,8 . (6) Mt 4,14 . (7) Mt 4,15 . (8) Mt 4,21 . (9) Mt 4,25 .

- hupo tou pneumatos (door de geest) - hupo - pneuma (geest) 18X bij Matteüs) - Wat wordt er bedoeld dat Jezus door de geest naar de woestijn gedreven werd. Woestijn in deze contekst doet natuurlijk denken aan de tocht van de Hebreeën door de woestijn onder leiding van Mozes. De woestijn was de leerschool. Het was ook een levensschool. Daar werd het verbond tussen God en het volk gesloten. Daar oefenden de Hebreeën zich om aan de geboden van God te gehoorzamen. Had de doopervaring een leergierigheid in Jezus losgemaakt. Is hij in de leer bij Johannes gegaan? Matteüs legt de band tussen Mt 3,13-17 en Mt 4,1.
Als mens kan je door innerlijke krachten of door tegenstand van buiten getest en getoetst worden .

Mt 4,2 - Mt 4,2 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt (Matteüs) -- Mt 4 -- Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:2 kai nèsteusas èmeras tesserakonta kai nuktas tesserakonta usteron epeinasen  2 et cum ieiunasset quadraginta diebus et quadraginta noctibus postea esuriit    2. En hij vastte veertig dagen en veertig nachten, daarna had hij honger.   2 Nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij honger.  [2] Na veertig dagen en veertig nachten vasten kreeg Hij tenslotte honger.   [2] Nadat hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, had hij grote honger.   2 Na veertig dagen en veertig nachten vasten is hij ten slotte uitgehongerd.  2. Il jeûna durant quarante jours et quarante nuits, après quoi il eut faim.  

King James Bible . [2] And when he had fasted forty days and forty nights, he was afterward an hungred.
Luther-Bibel . 2 Und da er vierzig Tage und vierzig Nächte gefastet hatte, hungerte ihn.

Tekstuitleg van Mt 4,2 .

husteron (Heb; : ´achar - voorzetsel : ´achäre. daarna, later, tenslotte. 22X in de bijbel, 7X bij Matteüs) (1) Mt 4, 2 . (2) Mt 21,29 . (3) Mt 21,32 . (4) Mt 21,37 . (5) Mt 22,27 . (6) Mt 25,11 . (7) Mt 26,60 . In 6 gevallen staat het bij het begin van de zin, niet in Mt 21,32. In 5 van de 6 gevallen wordt husteron (later) dat in het begin van de zin staat, door de (echter) dat op de tweede plaats in de zin staat.
epeinasen (hij had honger) in deze vorm 8X in de bijbel, 3X bij Matteüs.

Mt 4,3 - Mt 4,3 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt (Matteüs) -- Mt 4 -- Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Kai proselthôn ho peirazôn eipen autôi  ei uios ei tou theou | eipon | eipe | ina oi lithoi outoi artoi genôntai 3 et accedens temptator dixit ei si Filius Dei es dic ut lapides isti panes fiant   3. En de beproever naderde (en) zei hem: "Als je de zoon van God bent, zeg dat die stenen broden worden."    3 Nu trad de verleider op Hem toe en sprak: "Als Gij de Zoon van God zijt, beveel dan dat deze stenen hier in brood veranderen."  [3] De beproever kwam naar Hem toe en zei: ‘Als U de Zoon van God* bent, zeg dan dat deze stenen brood worden.’  [3] Nu kwam de beproever naar hem toe en zei: ‘Als u de Zoon van God bent, beveel dan die stenen in broden te veranderen.’  3 De beproever komt en zegt tot hem: als jij een zoon van God bent, zeg dan dat deze stenen broden worden!  3. Et, s'approchant, le tentateur lui dit : « Si tu es Fils de Dieu, dis que ces pierres deviennent des pains. »

King James Bible . And when the tempter came to him, he said, If thou be the Son of God, command that these stones be made bread.
Luther-Bibel . Und der Versucher trat zu ihm und sprach: Bist du Gottes Sohn, so sprich, dass diese Steine Brot werden.

Tekstanalyse van Mt 4,3 . Dit vers Mt 4,3 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 78 (2 X 39) letters . De getalwaarde van Mt 4,3 is 9043 (priemgetal) .

De inleidingen op de citaten in pericope Mt 4,1-11

1. de beproever 2. Jezus 3. de duivel 4. Jezus 5. de duivel 6. Jezus
Mt 4,3 Mt 4,4 Mt 4,6 Mt 4,7 Mt 4,9 Mt 4,10
kai (en) ho de (hij echter) kai (en)   kai (en) tote (toen)
proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever) apokritheis (geantwoord)        
eipen (zei hij) eipen (zei) legei (hij zegt) efè (zei) eipen (hij zei) legei (zegt)
autôi (hem)   autôi (aan hem) autôi (aan hem) autôi (hem) autôi (hem)
      ho Ièsous (Jezus)   ho Ièsous (Jezus)

Matteüs , vergeleken met Lucas

1. de beproever   2. Jezus   3. de duivel   4. Jezus   5. de duivel   6. Jezus  
Mt 4,3 Lc 4,3 Mt 4,4 Lc 4,4 Mt 4,6 Lc 4,9 Mt 4,7 Lc 4,12 Mt 4,9 Lc 4,6 Mt 4,10 Lc 4,8
kai (en)   ho de (hij echter) kai (en) kai (en) kai (en)   kai (en) kai (en) kai (en) tote (toen) kai (en)
proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever)   apokritheis (geantwoord) apokrithè (antwoordde)       apokritheis (geantwoord)       apokritheis (geantwoord)
eipen (zei hij) eipen de (zei echter) eipen (zei)   legei (hij zegt) eipen (hij zei) efè (zei) eipen (zei) eipen (hij zei) eipen (hij zei) legei (zegt) ho Ièsous (Jezus) eipen (hij zei)
autôi (hem) autôi (aan hem)   pros auton (tot hem) autôi (aan hem) autôi (hem) autôi (aan hem) autôi (aan hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem)
  ho diabolos (de duivel)   ho Ièsous (Jezus)     ho Ièsous (Jezus) ho Ièsous (Jezus)   ho diabolos (de duivel) ho Ièsous (Jezus)  

De inleiding (Mt 4,3) op de woorden van de beproever bestaat uit 6 woorden en 12 lettergrepen . Let op de mooie structuur : 1 lettergreep - 3 lettergrepen (participium bestaande uit 3 lettergrepen en eindigend op -ôn) - 1 lettergreep - 3 lettergrepen (participium praesens als zelfstandig naamwoord gebruikt ; het bestaat uit 3 lettergrepen en eveneens eindigend op -ôn) - 2 lettergrepen - 2 lettergrepen ( 1 - 3 - 1 - 3 - 2 - 2 ) . .

1. kai (en) . Verwijzing : kai (en) , zie Mt 1,2 . Nevenschikkend voegwoord . In 26980 verzen in de bijbel . In 5113 verzen in het N.T. . In 705 verzen bij Matteüs . Er heeft hier een verandering van personage plaats maar toch staat er het nevenschikkend voegwoord kai (en) . We hadden eerder de (echter) verwacht . In pericope Mt 4,1-11 wordt kai (en) veertienmaal aangewend . Hiervan staat kai (en) in vier verzen aan het begin van het vers : (1) Mt 4,2 . (2) Mt 4,3 . (3) Mt 4,6 . (4) Mt 4,9 .

2. proselthôn (naderbijgekomen) . Verwijzing : proselthôn (naderbijgekomen) , zie Mt 4,3 . Actief participium nominatief mannelijk enkelvoud . Bij proselthôn (naderbijgekomen) staat geen autôi (bij hem) ; het staat na het hoofdwerkwoord eipen (hij zei) . Het naderbijkomen is vaak bedoeld om iets te zeggen . Zo komt een vorm van het werkwoord legô (zeggen) vaak samen met het werkwoord proserchomai (naderbijkomen) voor . Na een werkwoordvorm van zeggen volgt dan meestal een citaat van de persoon , die onderwerp is in de inleiding . Het citaat staat meestal in de rechtstreekse rede .
- In achtentwintig verzen in de bijbel . In vijf verzen in het O.T. In drieentwintig verzen in het N.T. Het komt bij Matteüs in veertien verzen voor : (1) Mt 4,3 . (2) Mt 8,2 . (3) Mt 8,19 . (4) Mt 18,21 . (5) Mt 19,16 . (6) Mt 21,28 . (7) Mt 21,30 . (8) Mt 25,20 . (9) Mt 25,22 . (10) Mt 25,24 . (11) Mt 26,49 . (12) Mt 27,58 . (13) Mt 28,2 . (14) Mt 28,18 . In drie verzen bij Marcus : (1) Mc 1,31 . (2) Mc 12,28 . (3) Mc 14,45 (// Mt 26,49) . In drie verzen bij Lucas.
We bekijken de veertien verzen bij Matteüs wat van naderbij :

- In alle gevallen gaat de participiumzin aan de hoofdzin vooraf .
- Voegwoord - partikel . In negen gevallen wordt de zin ingeleid door het voegwoord kai (en) , in drie gevallen door het partikel de (echter) . In twee gevallen is er geen inleiding door het voegwoord of partikel. In één geval staat het bijwoord van tijd tote (< to - de , dan) aan het begin van de zin . In twee gevallen wordt het voegwoord kai (en) gevolgd door het tussenvoegsel idou (zie) , in één geval door een bijwoord van tijd eutheôs (onmiddellijk, dadelijk) .
- Het onderwerp . In zeven gevallen is er een uitdrukkelijke vermelding van het onderwerp , in zeven gevallen niet . In drie gevallen staat het onderwerp vóór het participium , in vier gevallen erna .
- In tien gevallen staat een meewerkend voorwerp . Staat het onderwerp vóór het participium , dan volgt het meewerkend voorwerp op het participium. Staat het onderwerp na het participium , dan staat het meewerkend voorwerp na het hoofdwerkwoord .
- Het hoofdwerkwoord . In negen gevallen is het hoofdwerkwoord eipen (hij zei) . In twee gevallen wordt een synoniem van het werkwoord zeggen gebruikt . In de andere drie gevallen wordt een ander werkwoord gebruikt . In twee van deze gevallen wordt het hoofdwerkwoord gevolgd door het participium legôn (zeggend) . Bij een synoniem van het werkwoord zeggen , nl. elalèsen (hij sprak) wordt ook het participium legôn (zeggend) gebruikt . Slechts in twee gevallen treffen we noch het werkwoord eipen (hij zei) of het participium legôn (zeggend) aan .
- In elf van de veertien gevallen wordt een persoon in de rechtstreekse rede geciteerd.
- In Mt 4,3 , Mt 8,19 en Mt 18,21 vinden we dezelfde zinsstructuur : het nevenschikkend voegwoord kai (en) , het participium aorist nominatief , het onderwerp , het hoofdwerkwoord eipen (hij zei) en het meewerkend voorwerp autôi (aan hem) . Bij deze zinsstructuur sluit Mt 28,18 nauw aan . In Mt 8,2 , Mt 19,16 en Mt 21,28 vinden we eveneens ongeveer dezelfde structuur .

  1. de beproever 2. een melaatse 3. een schriftgeleerde 4. Petrus 5. iemand 6. (een vader tot de oudste zoon 7.(een vader tot de jongste zoon
bijbeltekst Mt 4,3

Mt 8,2

Mt 8,19 Mt 18,21 Mt 19,16 Mt 21,28 Mt 21,30
  Kai (en) kai idou (en zie) lepros (een melaatse) Kai (en) Tote (dan) kai idou (en zie) heis (één iemand) Kai (en)  
proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) prosekunei (knielde) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn de (naderbijgekomen echter))
onderwerp ho peirazôn (de beproever)   heis grammateus (één schriftgeleerde) ho Petros (Petrus)      
meewerkend voorwerp (datief)   autôi (bij hem)     autôi (bij hem) tôi prôtôi (aan de eerste) tôi heterôi (aan de andere)
werkwoord vorm van legô : zeggen eipen (zei) legôn (zeggende) eipen (zei) eipen (zei) eipen (zei) eipen (zei) eipen (zei)
meewerkend voorwerp autôi (aan hem)   autôi (aan hem) autôi (aan hem)      
citaat rechtstreekse rede rechtstreekse rede rechtstreekse rede rechtstreekse rede rechtstreekse rede rechtstreekse rede hôsautôs (evenzo)
  geen aanspreektitel kurie (Heer) didaskale (meester)  kurie (Heer)  didaskale (meester)  teknon (kind)  
  20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - 56. Genezing van een melaatse : Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 - 64. Voorwaarden van het volgen : Mt 8,18-22 - Lc 9,57-62 -  181. Vergevingsgezindheid : Mt 18,21-22 - Lc 17,3b-4 -  
268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 -
 288. Gelijkenis van de twee zonen : Mt 21,28-32 -  288. Gelijkenis van de twee zonen : Mt 21,28-32 -

  8. 9. 10.  11.   12.   13. 14. Jezus
bijbeltekst Mt 25,20 Mt 25,22 Mt 25,24 Mt 26,49 Mt 27,58   Mt 28,2 Mt 28,18
  kai (en)      kai eutheôs (en onmiddellijk)   kai (en) kai (en) 
onderwerp         houtos (deze)    
proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen)  proselthôn de (naderbijgekomen echter) proselthôn de (naderbijgekomen echter) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) proselthôn (naderbijgekomen) 
onderwerp         tôi Pilatôi (bij Pilatus)   ho Ièsous (Jezus) 
werkwoord prosènegken         èitèsato (vroeg) apekulisen (rolde weg) elalèsen (sprak) autois (aan hen)
meewerkend voorwerp (datief)       tôi Ièsou (bij Jezus)       
werkwoord vorm van legô : zeggen legôn eipen (zei hij) eipen (zei hij) eipen (zei hij)     legôn (zeggende)  
meewerkend voorwerp              
citaat rechtstreekse rede rechtstreekse rede rechtstreekse rede rechtstreekse rede    

 

rechtstreekse rede

aanspreektitel kurie (Heer) kurie (Heer)  kurie (Heer)  chaire, rabbi (gegroet rabbi)      
  314. Gelijkenis van de talenten : Mt 25,14-30 - 314. Gelijkenis van de talenten : Mt 25,14-30 - Mt 25,14-30 -  314. Gelijkenis van de talenten : Mt 25,14-30 - 330. Gevangenneming van Jezus : Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 - 349. Begrafenis van Jezus : Mc 15,40-41 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a - 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 - 353. Verschijning aan de elf in Galilea : Mt 28,16-20 -

proserchomai (naderbijkomen) vraagt om een nadere bepaling : bij iets of iemand naderbij komen. We zetten het eventjes op een rijtje .
- Mt 4,3 : proselthôn (naderbijgekomen) (Mt 4,1-11) .
- Mt 4,11 : prosèlthon (zij kwamen naderbij) (Mt 4,1-11) .
- Mt 8,2 : proselthôn (naderbijgekomen) - Mt 8,2-4 - .
- Mt 8,5 : prosèlthen (hij kwam naderbij) - Mt 8,5-13 - .
- Mt 8,19 : proselthôn (naderbijgekomen) - Mt 8,18-22 - .
- Mt 8,25 : proselthontes (naderbijgekomen) - Mt 8,23-27 -.
- Mt 9,14 : proserchontai autôi (= Jezus) (zij komen naderbij) - Mt 9,14-17 - .
- Mt 9,28 : prosèlthon (zij kwamen naderbij) - Mt 9,27-31 - .
- Mt 13,10 : proselthontes (naderbijgekomen) - Mt 13,10-15 - .
- Mt 13,27 : proselthontes (naderbijgekomen) .
- Mt 13,36 : prosèlthon (zij kwamen naderbij) - Mt 13,36-43 - .
- Mt 14,12 : proselthontes (naderbijgekomen) - Mt 14,3-12 - .
- Mt 14,15 : prosèlthon (zij kwamen naderbij) - Mt 14,15-21a - .
- Mt 15,1 : proserchontai tôi Ièsou (zij komen Jezus naderbij) - Mt 15,1-9 - .
- Mt 15,12 : proselthontes (naderbijgekomen) - Mt 15,10-20 - .
- Mt 15,23 : proselthontes (naderbijgekomen) - Mt 15,21-28 - .
- Mt 15,30 : prosèlthon (zij kwamen naderbij) - Mt 15,29-31 - .
- Mt 16,1 : proselthontes (naderbijgekomen) - Mt 16,1-4 - .
- Mt 17,7 : prosèlthen (hij - Jezus - kwam naderbij) - Mt 17,1-9 - .
- Mt 17,14 : prosèlthen (hij kwam naderbij) .
- Mt 17,19 : proselthontes (naderbijgekomen) .
- Mt 17,24 : prosèlthon (zij kwamen naderbij) .
- Mt 18,1 : prosèlthon (de leerlingen kwamen naderbij). Omvat Mt 18,1-20.
- Mt 18,21 : proselthôn (Petrus naderbijgekomen) . Omvat Mt 20,21-35 .
- Mt 19,3 : prosèlthon (zij kwamen naderbij) .
- Mt 19,16 : proselthôn (naderbijgekomen) .
- Mt 20,20 : prosèlthen (hij kwam naderbij) .
- Mt 21,14 : prosèlthon (zij kwamen naderbij) .
- Mt 21,23 : prosèlthon (zij kwamen naderbij) .
- Mt 21,28 : proselthôn (naderbijgekomen) .
- Mt 21,30 : proselthôn (naderbijgekomen) .
- Mt 22,23 : prosèlthon (zij kwamen naderbij) .
- Mt 24,1 : prosèlthon (zij kwamen naderbij) .
- Mt 24,3 : prosèlthon (zij kwamen naderbij) .
- Mt 25,20 : proselthôn (naderbijgekomen) .
- Mt 25,22 : proselthôn (naderbijgekomen) .
- Mt 25,24 : proselthôn (naderbijgekomen) .
- Mt 26,7 : prosèlthen (hij kwam naderbij) .
- Mt 26,17 : prosèlthon (zij kwamen naderbij) .
- Mt 26,49 : proselthôn (naderbijgekomen) .
- Mt 26,50 : proselthontes (naderbijgekomen) .
- Mt 26,69 : prosèlthen (hij kwam naderbij) .
- Mt 26,73 : proselthontes (naderbijgekomen) .
- Mt 27,58 : proselthôn (naderbijgekomen) .
- Mt 28,2 : proselthôn (naderbijgekomen) .
- Mt 28,18 : proselthôn (naderbijgekomen) .

- proselthontes (naderbijgekomen) . Verwijzing : proselthôn (naderbijgekomen) , zie Mt 4,3 . Verleden deelvoud nominatief mannelijk meervoud van het werkwoord proserchomai (naderbijkomen) . In drieëntwintig verzen in de bijbel . O.T. (6) . N.T. (17) . Mt (11) . Mc (2) . Lc (3) . Hnd (1) . In elf verzen bij Matteüs .

1. 2. 3. 4. 5. 6.   7.
Mt 8,25 Mt 13,10 Mt 13,27 Mt 14,12 Mt 15,12 Mt 15,23 Mt 16,1
kai (en) kai (en)   kai (en) Tote (daarop) kai (en) kai (en)
proselthontes (naderbijgekomen) proselthontes (naderbijgekomen)   proselthontes (naderbijgekomen) proselthontes (naderbijgekomen) proselthontes (naderbijgekomen) proselthontes (naderbijgekomen)
  hoi mathètai (de leerlingen)   hoi mathètai autou (zijn leerlingen) hoi mathètai (de leerlingen) hoi mathètai autou (zijn leerlingen) hoi Pharisaioi kai hoi Saddoukaioi (de Farizeeën en de Sadduceeën)
            peirazontes(op de proef stellend - uitproberend)
ègeiran auton legontes (wekten hem zeggend)   eipan (zeiden)     legousin (zeggen zij) èrôtoun (vroegen zij) epèrôtèsan (vroegen zij)
  autôi (hem)     autôi (hem) auton (hem)  auton (hem)
  dia ti (waarom)         legontes (zeggende)   
65. Het bedaren van de storm : Mc 4,35-41 - Mt 8,23-27 - Lc 8,22-25  127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt : Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10  133. Gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe : Mt 13,24-30  149. Onthoofding van Johannes de Doper : Mc 6,17-29 - Mt 14,3-12  155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20  156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw : Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28  159. Vraag om een teken uit de hemel : Mc 8,11-13 - Mt 16,1-4 - Mt 12,38-42 -


8. 9. 10. 11.
Mt 17,19 Mt 26,50 Mt 26,60 Mt 26,73
Tote (daarop) Tote (daarop)    
proselthontes (naderbijgekomen) proselthontes (naderbijgekomen)   proselthontes (naderbijgekomen) 
hoi mathètai (de leerlingen)     ... eipon (zij zeiden) tôi Petrôi (tot Petrus)  
... eipon (zij zeiden)        
170. Genezing van een bezeten kind : Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a  330. Gevangenneming van Jezus : Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53  332. Jezus voor het Sanhedrin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71  334. Verloochening van Petrus : Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 

 - prosèlthen (hij kwam naderbij) , zie Mt 4,3 . Actief aorist derde persoon enkelvoud . In vierentwintig verzen in de bijbel ; in zestien verzen in het O.T. , in acht verzen in het N.T. In zes verzen bij Matteüs : (1) Mt 8,5 . (2) Mt 17,7 . (3) Mt 17,14 . (4) Mt 20,20 . (5) Mt 26,7 . (6) Mt 26,69 .

  1. 2. Jezus 3. 4. 5. 6.
bijbelplaats Mt 8,5 Mt 17,7 Mt 17,14 Mt 20,20 Mt 26,7 Mt 26,69
    kai (en)   Tote (dan)   kai (en)
 prosèlthen (hij kwam naderbij) prosèlthen (kwam tot bij) prosèlthen (kwam tot bij) prosèlthen (kwam tot bij) prosèlthen (kwam tot bij) prosèlthen (kwam tot bij) prosèlthen (kwam tot bij)
onderwerp            
werkwoord autôi (hem)   autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem)
meewerkend voorwerp (datief)

hekatontarchos (een honderdman

ho Ièsous (Jezus) anthrôpos (een mens) hè mètèr... (de moeder van...) gunè (een vrouw) mia paidiskè (één meisje)
werkwoord vorm van legô : zeggen parakalôn auton (hem ter hulp roepend) kai hapsamenos autôn (en hen aanrakende) gonupetôn auton (op de knieën vallend voor hem)      
meewerkend voorwerp kai legôn (en zeggend) eipen (zei) kai legôn (en zeggend)     legousa (zeggende)
citaat rechtstreekse rede rechtstreekse rede rechtstreekse rede     rechtstreekse rede
aanspreektitel kurie (Heer) kurie (Heer) kurie (Heer)      
  57. De honderdman van Kafarnaüm : Mt 8,5-13 - Lc 7,1-10 - 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - 170. Genezing van een bezeten kind : Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a - 273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 - 318. Zalving van Jezus te Betanië : Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50 - 334. Verloochening van Petrus : Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -
 prosèlthen (hij kwam naderbij) : zesmaal bij Matteüs . viermaal rechtstreekse rede. driemaal legôn / legousa (zeggende), eenmaal een tweede nevenschikkende zin met eipen (hij zei) .

prosèlthon (ik kwam naderbij / zij kwamen naderbij) : indicatief aorist eerste persoon enkelvoud of derde persoon meervoud van het werkwoord proserchomai (naderbij gaan / komen). Het komt in zesentwintigverzen in de bijbel voor ; in elf verzen in het O.T. , in veertien verzen bij Matteüs (zie hieronder) en in Joh 12,21.

prosèlthon (zij kwamen naderbij)  1. de leerlingen 2.  3.   4.   5.   6.   7.  de leerlingen
bijbelplaats Mt 4,11   Mt 5,1 Mt 9,28   Mt 13,36 Mt 14,15 Mt 15,30   Mt 17,24   Mt 18,1
  kai idou (en zie) aggeloi (engelen)     kai (en)   opsias de genomenès ('savonds echter) kai (en)    En ekeinèi tèi hôrai (Op dat ogenblik)
prosèlthen (hij kwam naderbij) hoofdwerkwoord prosèlthon (kwamen naderbij)   prosèlthan (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij)  prosèlthon (kwamen naderbij)
onderwerp   autôi (tot hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (tot hem) autôi (hem)    
werkwoord   hoi mathètai autou (zijn leerlingen)  oi tufloi (de blinden) hoi mathètai autou (zijn leerlingen) hoi mathètai (de leerlingen)  ochloi polloi (vele menigten) hoi ... tôi Petrôi (aan Petrus) hoi mathètai (de leerlingen) tôi Ièsou (aan Jezus)
werkwoord vorm van legô : zeggen       legontes (zeggende)  legontes (zeggende)    kai eipan (en ze zeiden) legontes (zeggende) 
citaat        rechtstreekse rede  rechtstreekse rede   rechtstreekse rede    
  20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - 24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 - 72. Genezing van twee blinden : Mc 10,46-52 - Mt 20,29-34 - Lc 18,35-43 - Mt 9,27-31 - 137. Uitleg van de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe : Mt 13,36-43 - 151. eerste broodvermenigvuldiging - Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a - 156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw : Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28 - 172. Tempelbelasting : Mt 17,24-27 - 173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 -


  8. 9. 10. 11. 12. 13. 14.
bijbelplaats Mt 19,3 Mt 21,14 Mt 21,23   Mt 22,23   Mt 24,1 Mt 24,3 Mt 26,17
 prosèlthen (hij kwam naderbij) hoofdwerkwoord prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) kai (en)  prosèlthon (kwamen naderbij) prosèlthon (kwamen naderbij) ...   prosèlthon (kwamen naderbij)
onderwerp autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) didaskonti (lerende) autôi (hem) didaskonti (lerende)   autôi (hem)  
werkwoord Farizaioi (de Farizeeën) tufloi ( blinden) hoi archiereis kai hoi prebuterou tou laou (de hogepriesters en de oudsten van het volk) Saddukaioi (Sadduceeërs hoi mathètai autou (zijn leerlingen) hoi mathètai (de leerlingen)  kat'idian (afzonderlijk) hoi mathètai (de leerlingen) tôi Ièsou (aan Jezus)
werkwoord vorm van legô : zeggen  ... kai legontes (en zeggende)   legontes (zeggende)  legontes (zeggende)    legontes (zeggende)  legontes (zeggende) 
citaat rechtstreekse rede   rechtstreekse rede onrechtstreekse rede   rechtstreekse rede rechtstreekse rede
prosèlthon (zij kwamen naderbij) in veertien verzen bij Matteüs 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : - Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 - 284. Jezus in de tempel. Terugkeer naar Betanië : Mc 11,18-19 - Mt 21,14-17 - Lc 19,47-48 - 287. Vraag naar Jezus'macht : Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 - 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis : Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 - 299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 - 299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 - 320. Voorbereiding van het paasmaal : Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -

prosechontai (zij komen naderbij) indicatief presens 3de persoon meervoud van het werkwoord proserchomai : naderbij komen. Mt 9,14 - Mt 9,14-17 - en Mt 15,1 - Mc 7,1-13 - .

eiserchomai (binnengaan, gaan naar) bij Matteüs, zie Mt 4,3 .

             
Mt 5,20 Mt 10,5 Mt 10,11 Mt 18,3 Mt 26,47 Mt 7,21 Mt 18,8
ean mè (indien niet)... kai eis polin Samaritôn (en in een stad van Samaritanen) eis hèn d'an polin è kômèn (in welke stad of dorp echter ook)  ean mè (indien niet)...     kalon soi estin (het is goed voor jou)
ou mè eiselthète (ga je niet binnen) mè eiselthète (ga je niet binnen) eiselthète (je binnengaat) ou mè eiselthète (ga je niet binnen) mè eiselthète (ga je niet binnen) eiseleusetai (hij zal binnengaan) eiselthein (binnen te gaan)
eis tèn basileian tôn ouranôn (in het koninkrijk van de hemelen)     eis tèn basileian tôn ouranôn (in het koninkrijk van de hemelen) eis peirasmon (in bekoring) eis tèn basileian tôn ouranôn (in het koninkrijk van de hemelen) eis tèn zôèn (in het leven)
 28. Jezus'houding ten aanzien van Wet en gerechtigheid : Mt 5,17-20 - Lc 16,16 - Lc 16,17 -  76. Zendingsrede: Mt 10,5-16 - Lc 9,1-6 - Mc 6,7-13 -  76. Zendingsrede: Mt 10,5-16 - Lc 9,1-6 - Mc 6,7-13 -  173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 -  329. Jezus in Getsemane Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -  52. Heer-Heer zeggen : - Mt 7,21-23 -  176. Ergernis (2) : Mc 9,43-48 - Mt 18,8-9 - Mt 5,29-30 -


             
 Mt 18,9 Mt 19,17 Mt 19,23 Mt 19,24 Mt 21,31   Mt 23,13   
kalon soi estin (het is goed voor jou)  ei de theleis (indien echter je wilt hoti plousios duskolôs (dat een rijke moeilijk è plousion (dan een rijke)  hoti hoi telônai kai hai pornai (dat de tolenaars en de hoeren)  humeis gar (want jullie)  
 eis tèn zôèn (in het leven) eiselthein (binnen te gaan)  eis tèn zôèn (in het leven) eiselthein (binnen te gaan) eiseleusetai (hij zal binnengaan) eiselthein (binnen te gaan)  proagousin humas (jullie zullen voorgaan)  ouk eiserchesthe (gaan niet binnen) oude tous eiserchomenous afiete eiselthein (noch beletten jullie de binnentredenden binnen te gaan)
    eis tèn basileian tôn ouranôn (in het koninkrijk van de hemelen) eis tèn basileian tôn ouranôn (in het koninkrijk van de hemelen)  eis tèn basileian tou theou (in het koninkrijk van God)    
 176. Ergernis (2) : Mc 9,43-48 - Mt 18,8-9 - Mt 5,29-30 -  268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 -  268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 -  269. Het is moeilijk voor de rijken om het Rijk Gods binnen te gaan : Mc 10,23-27 - Mt 19,23-26 - Lc 18,24-27 -  288. Gelijkenis van de twee zonen : Mt 21,28-32 -  296. Zeven weespreuken tegen schriftgeleerden en Farizeeën : Mt 23,13-36 - Lc 11,37-54 -  

3. bepaald lidwoord , nominatief mannelijk enkelvoud ho OF betrekkelijk voornaamwoord , nominatief onzijdig enkelvoud ho . Bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . In tien verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,1 (ho Ièsous = Jezus) . (2) Mt 4,3 (ho peirazôn = de beproever) . (3) Mt 4,4 (tweemaal ; ho de = hij echter ; ho anthrôpos = de mens) . (4) Mt 4,5 (ho diabolos = de duivel) . (5) Mt 4,7 (ho Ièsous = Jezus) . (6) Mt 4,8 (ho diabolos = de duivel) . (7) Mt 4,10 (ho Ièsous = Jezus) . (8) Mt 4,11 (ho diabolos = de duivel) . In de pericope Mt 4,1-11 komt negenmaal het lidwoord voor ; viermaal bij Ièsous = Jezus ; driemaal bij diabolos (duivel) ; eenmaal bij peirazôn = beproever ; eenmaal bij anthrôpos = mens . Verder (9) Mt 4,16 (tweemaal ; ho laos ho kathèmenos = het volk het zittende) . (10) Mt 4,17 (ho Ièsous = Jezus)

4. peirazôn (de beproever) . Hier in Mt 4,3 staat ho peirazôn (de beproever) , terwijl in Mt 4,1, Mt 4,5 en Mt 4,8 diabolos (duivel) wordt gebruikt. In Mt 4,1 vinden we het werkwoord peirazô (beproeven), waarvan peirazôn (beproevende) is afgeleid. Het onderwerp staat na het participium aorist proselthôn (naderbijgekomen).

  1. 7. 2. 3. 4. 5. 6. 8. 9.  10. 11.
  Mt 3,17 = Mt 17,5 Mt 4,3.6 Mt 8,29 Mt 14,33 Mt 16,16 Mt 26 Mt 27,40 Mt 27,43 Mt 27,54
 
ei (indien gij) Tí hèmin kai soi, wat is er tussen ons en u alèthôs (waarlijk)
ei (indien) ei (indien gij) eipen gar hoti (want hij zei) alèthôs (waarlijk)
  houtos (deze) huios (zoon) huie (zzon)   su (gij) su (gij) huios (zoon)    
  estin (is) ei (zijt)     ei (zijt) ei (zijt) ei (zijt)    
  ho huios mou (mijn zoon) tou theou (van God) tou theou (van God) theou huios ei (u bent zoon van God) ho christos, ho huios tou theou tou zôntos (de Christus, de zoon van de levende God) ho christos ho huios tou theou: de Christus, de zoon van God tou theou (van God) theou eimi huios (ik ben zoon van God) theou huios èn houtos (zoon van God was deze)
  ho agapètos (de beminde)
   
       
  18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 // Mt 3,13-17 // Lc 3,21-22 - Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36 - Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 // Mt 4,1-11 // Lc 4,1-13 - Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -
 66. Twee bezetenen van Gadara van de demonen bevrijd : Mt 8,28-34 // (Mc 5,1-20) // (Lc 8,26-39) - Mt 8,28-34 - Mc 5,1-20 - Lc 8,26-39 -  152. Mc 6,45-52 // Mt 14,22-33 : Jezus wandelt op het meer - Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 - 162. belijdenis van Petrus (Mt 16,13-20 // Mc 8,27-30 // Lc 9,18-21) - Mc 8,27-30 - Mt 16,13-20 - Lc 9,18-21 - 332. Jezus voor het Sandredin : (Mt 26,57-68 // Mc 14,53-65 // Lc 22,54-71) - Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -

 

346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : (Mt 27,38-43 // Mc 15,27-32a // Lc 23,35-38) - Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -

 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 // Mt 27,38-44 // Lc 23,35-43 - Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -  347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 // Mt 27,45-54 // Lc 23,44-48 - Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -

14. hoi (de) . Verwijzing : bepaald lidwoord .

lidw. mv. bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  syn. ev.
nom. m. mv. hoi 4230 3257 973 196 101 165 125 147 169 70 462  587 

lidw. mv. Mt 1 Mt 2 Mt 3 Mt 4 Mt 5 Mt 6 Mt 7 Mt 8 Mt 9 Mt 10 Mt 11 Mt 12 Mt 13 Mt 14 Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22 Mt 23 Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28
nom. m. mv. hoi (196)   11  13  13  10  10  13  10  14  15 

In drie verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,3 . (2) Mt 4,20 . (3) Mt 4,22 .

Mt 4,4 - Mt 4,4 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt 4 -- Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:4 o de apokritheis eipen gegraptai ouk ep artô monô zèsetai o anthrôpos all epi panti rèmati ekporeuomenô dia stomatos theou  4 qui respondens dixit scriptum est non in pane solo vivet homo sed in omni verbo quod procedit de ore Dei     4. Hij echter antwoordde (en) zei: "Er staat geschreven: Niet van brood alleen zal de mens leven, maar van elk woord dat uitgaat door de mond van God".    4 Hij gaf ten antwoord: "Er staat geschreven: Niet van brood alleen leeft de mens, maar van elk woord dat komt uit de mond van God."  [4] Hij antwoordde: ‘Er staat geschreven: De mens zal niet leven van brood alleen, maar van ieder woord dat uit de mond van God komt.’   [4] Maar Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Er staat geschreven: “De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God.”’   4 Maar hij zegt ten antwoord: er staat geschreven: niet bij brood alleen zal de mens leven, maar bij alle woord dat uit Gods mond voortkomt!  4. Mais il répondit : « Il est écrit : Ce n'est pas de pain seul que vivra l'homme, mais de toute parole qui sort de la bouche de Dieu » 

King James Bible . But he answered and said, It is written, Man shall not live by bread alone, but by every word that proceedeth out of the mouth of God.
Luther-Bible . 4 Er aber antwortete und sprach: Es steht geschrieben (5.Mose 8,3): »Der Mensch lebt nicht vom Brot allein, sondern von einem jeden Wort, das aus dem Mund Gottes geht.

Tekstuitleg van Mt 4,4 . Dit vers Mt 4,4 telt 19 woorden en 101 letters . De getalwaarde van Mt 4,4 is 10175 (5 X 5 X 11 X 37) .

1. bepaald lidwoord , nominatief mannelijk enkelvoud ho OF betrekkelijk voornaamwoord , nominatief onzijdig enkelvoud ho . Bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . In tien verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,1 (ho Ièsous = Jezus) . (2) Mt 4,3 (ho peirazôn = de beproever) . (3) Mt 4,4 (tweemaal ; ho de = hij echter ; ho anthrôpos = de mens) . (4) Mt 4,5 (ho diabolos = de duivel) . (5) Mt 4,7 (ho Ièsous = Jezus) . (6) Mt 4,8 (ho diabolos = de duivel) . (7) Mt 4,10 (ho Ièsous = Jezus) . (8) Mt 4,11 (ho diabolos = de duivel) . In de pericope Mt 4,1-11 komt negenmaal het lidwoord voor ; viermaal bij Ièsous = Jezus ; driemaal bij diabolos (duivel) ; eenmaal bij peirazôn = beproever ; eenmaal bij anthrôpos = mens . Verder (9) Mt 4,16 (tweemaal ; ho laos ho kathèmenos = het volk het zittende) . (10) Mt 4,17 (ho Ièsous = Jezus)

2. de (echter) . Verwijzing : de (echter) , zie Mt 1,2 . de (echter) . Partikel als tweede woord in de zin . Lichte tegenstelling . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . In 421 verzen bij Mt .In vijf verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,4 . (2) Mt 4,12 . (3) Mt 4,18 . (4) Mt 4,20 . (5) Mt 4,22 .

1. - 2. ho de (hij echter) . Verwijzing : de (echter) , zie Mt 1,2 . In 353 verzen in het N.T. . In één vers in Mt 4,4 , nl Mt 4,4 . hoi de (zij echter) in twee verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,20 . (2) Mt 4,22 .

3. apokritheis (geantwoord) . Deelwoord aorist nominatief enkelvoud van het werkwoord Verwijzing : apokrinomai (antwoorden) , zie Mt 3,15 . In 124 verzen in de bijbel . In dertig verzen in het O.T. . In vierennegentig verzen in het N.T. . Het komt bij Matteüs in drieënveertig verzen voor .

1. - 4. ho de apokritheis eipen (hij echter geantwoord zei) . In zesentwintig verzen in het N.T. . In zestien verzen bij Matteüs . (1) Mt 4,4 . (2) Mt 12,39 . (3) Mt 12,48 . (4) Mt 13,11 . (5) Mt 13,37 . (6) Mt 15,3 . (7) Mt 15,24 . (8) Mt 15,26 .

11. bepaald lidwoord , nominatief mannelijk enkelvoud ho OF betrekkelijk voornaamwoord , nominatief onzijdig enkelvoud ho . Bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . In tien verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,1 (ho Ièsous = Jezus) . (2) Mt 4,3 (ho peirazôn = de beproever) . (3) Mt 4,4 (tweemaal ; ho de = hij echter ; ho anthrôpos = de mens) . (4) Mt 4,5 (ho diabolos = de duivel) . (5) Mt 4,7 (ho Ièsous = Jezus) . (6) Mt 4,8 (ho diabolos = de duivel) . (7) Mt 4,10 (ho Ièsous = Jezus) . (8) Mt 4,11 (ho diabolos = de duivel) . In de pericope Mt 4,1-11 komt negenmaal het lidwoord voor ; viermaal bij Ièsous = Jezus ; driemaal bij diabolos (duivel) ; eenmaal bij peirazôn = beproever ; eenmaal bij anthrôpos = mens . Verder (9) Mt 4,16 (tweemaal ; ho laos ho kathèmenos = het volk het zittende) . (10) Mt 4,17 (ho Ièsous = Jezus)

1. de beproever 2. Jezus 3. de duivel 4. Jezus 5. de duivel 6. Jezus
Mt 4,3 Mt 4,4 Mt 4,6 Mt 4,7 Mt 4,9 Mt 4,10
kai (en) ho de (hij echter) kai (en)   kai (en) tote (toen)
proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever) apokritheis (geantwoord)        
eipen (zei hij) eipen (zei) legei (hij zegt) efè (zei) eipen (hij zei) legei (zegt)
autôi (hem)   autôi (aan hem) autôi (aan hem) autôi (hem) autôi (hem)
      ho Ièsous (Jezus)   ho Ièsous (Jezus)

1. de beproever   2. Jezus   3. de duivel   4. Jezus   5. de duivel   6. Jezus  
Mt 4,3 Lc 4,3 Mt 4,4 Lc 4,4 Mt 4,6 Lc 4,9 Mt 4,7 Lc 4,12 Mt 4,9 Lc 4,6 Mt 4,10 Lc 4,8
kai (en)   ho de (hij echter) kai (en) kai (en) kai (en)   kai (en) kai (en) kai (en) tote (toen) kai (en)
proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever)   apokritheis (geantwoord) apokrithè (antwoordde)       apokritheis (geantwoord)       apokritheis (geantwoord)
eipen (zei hij) eipen de (zei echter) eipen (zei)   legei (hij zegt) eipen (hij zei) efè (zei) eipen (zei) eipen (hij zei) eipen (hij zei) legei (zegt) ho Ièsous (Jezus) eipen (hij zei)
autôi (hem) autôi (aan hem)   pros auton (tot hem) autôi (aan hem) autôi (hem) autôi (aan hem) autôi (aan hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem)
  ho diabolos (de duivel)   ho Ièsous (Jezus)     ho Ièsous (Jezus) ho Ièsous (Jezus)   ho diabolos (de duivel) ho Ièsous (Jezus)  

17. part. praes. dat. mann. + onz. enk. ekporeuomenô(i) (zich een weg banend) van het werkw. ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in het N;T. : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in Mt : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . + por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen . Mt (1) Mt 4,4 .

Mt 4,5 - Mt 4,5 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt 4 -- Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:5 tote paralambanei auton o diabolos eis tèn agian polin kai estèsen auton epi to pterugion tou ierou   5 tunc adsumit eum diabolus in sanctam civitatem et statuit eum supra pinnaculum templi  5. Toen nam de duivel hem mee naar de heilige stad en zette hem op de tinne van de tempel.   5 Vervolgens nam de duivel Hem mee naar de heilige stad, plaatste Hem op de bovenbouw van een tempelpoort  [5] Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad, zette Hem op de rand van de tempel,   [5] Vervolgens nam de duivel hem mee naar de heilige stad en zette hem op het hoogste punt van de tempel.  5 Dan neemt de duivel hem mee naar de heilige stad, posteert hem op de dakrand van het heiligdom  5. Alors le diable le prend avec lui dans la Ville Sainte, et il le plaça sur le pinacle du Temple 

King James Bible . Then the devil taketh him up into the holy city, and setteth him on a pinnacle of the temple,
Luther-Bibel . 5 Da führte ihn der Teufel mit sich in die heilige Stadt und stellte ihn auf die Zinne des Tempels

Tekstanalyse van Mt 4,5 . Dit vers Mt 4,5 telt 17 woorden en 83 letters . De getalwaarde van Mt 4,5 is 7620 (2 X 2 X 3 X 5 X 127) . Met tote (dan , daarop) begint de tweede toenadering van de duivel . De zinsconstructie is Hebreeuws : tijdsbepaling - vervoegd werklwoord - voornaamwoord (lijdend voorwerp) - onderwerp . De tweede uitgekozen plaats is de tempel . Het is dé uitgelezen plek van Gods aanwezigheid . Door vermetel vertrouwen dachten de leiders van het joodse volk dat de stad Jeruzalem en de tempel niet in de handen van de Romeinen zouden vallen , omdat deze plaatsen bijzonder voor God waren . De evangelist Matteüs weet dat de stad en de tempel vernield zijn .

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Jezus naar de woestijn waar hij veertig dagen vast eerste toenadering van de beproever . De inleiding eerste toenadering van de beproever . De woorden antwoord erop door Jezus . De inleiding antwoord erop door Jezus. De woorden tweede toenadering van de beproever . De inleiding tweede toenadering van de beproever . De woorden
Mt 4,1 - Mt 4,2 Mt 4,3a Mt 4,3b Mt 4,4a Mt 4,4b Mt 4,5 - Mt 4,6a Mt 4,6b
Tote (dan) twee nevenschikkende zinnen kai (en) ondanks de persoonsverandering   de (echter)-tekst   Tote (dan)... tweemaal kai nevenschikkende zin voor het citeren  
verleden tijd (aorist) verleden tijd (aorist)   verleden tijd (aorist)   T.T. , V.T ., T.T.  
Lc 4,1 - Lc 4,2 Lc 4,3a Lc 4,3b Lc 4,4a Lc 4,4b Lc 4,9a Lc 4,9b - Lc 4,10

1. tote (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het N.T. : tote (dan) . Taalgebruik in Mt : tote (dan) . Bijwoord van tijd . Mt (89) . Mt (4) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,10 . (4) Mt 4,11 . (5) Mt 4,17 . In totaal wordt in deze pericope viermaal tote (daarna, dan) gebruikt . De verandering van personage wordt o.a. opgevangen door het woordje tote (daarop, daarna / to-de = dit echter, na dit) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,10 . (4) Mt 4,11 . Het woordje staat hier telkens aan het begin van het vers . Nog in dit hoofdstuk : Mt 4,17 . Het volgt op Mt 3,13-17 (de doop van Jezus) . Behalve de tote-zin in Mt 4,1 hebben de andere tote-zinnen een gelijke zinsconstructie :
1. Mt 4,5 : tote (dan) paralambanei (neemt bij) auton (hem) ho diabolos (de duivel) .
2. Mt 4,10 : tote (dan) legei (zegt) autôi (aan hem) ho Ièsous (Jezus) .
3. Mt 4,11 : tote (dan) afièsin (verlaat) auton (hem) ho diabolos (de duivel) .
Opmerkelijk in deze tote-zinnen is de tegenwoordige tijd van het werkwoord .

2. paralambanei ( hij neemt naast zich) . Actief praesens derde persoon enkelvoud .
- paralambanô ((naast zich nemen, vergezellen) . Verwijzing : paralambanô (naast zich nemen) bij Mt 4,5 .
--- paralambanei ( hij neemt naast zich) . In deze vorm komt het in acht verzen voor in de bijbel .
In vier verzen bij Matteüs : (1) Mt 4,5 . (2) Mt 4,8 . (3) Mt 12,45 . (4) Mt 17,1 .
In drie verzen bij Marcus : (1) Mc 5,40 . (2) Mc 9,2 . (3) Mc 14,33 .
In één vers bij Lucas : Lc 11,26 .
Na de zin met paralambanei (hij neemt naast zich) volgt nog een andere (aanvullende) nevenschikkende zin.
--- paralambanousin (zij nemen bij zich) . Actief praesens 3de persoon meervoud. Slechts in 1 vers in de bijbel, nl. in Mc 4,36 .
--- paralambanontes (bij zich nemend) . Participium praesens. Slechts in 1 vers in de bijbel, nl. in Heb 12,28 .
--- paralabôn . Participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud . In vijftien verzen in de bijbel . In vijf verzen in het O.T. . In tien verzen in het N.T. . In 1 vers bij Matteüs, in 1 vers bij Marcus . In drie verzen bij Lucas : (1) Lc 9,10 . (2) Lc 9,28 . (3) Lc 18,31 . In 5 verzen in Hnd.
- parelaben . In 17 verzen in de bijbel; in 13 verzen in het O.T., in 4 verzen bij Matteüs.
- parelabete . In 5 verzen in de bijbel, nl. in de brieven van Paulus.

1. de duivel 2. de duivel 3. de duivel 4. Jezus 5. Jezus

Mt 4,5

Mt 4,8 Mt 12,45 Mt 17,1 - Mt 17,2 Mt 26,37
Tote (dan) palin (opnieuw) kai (en) Kai meth'hèmeras hex (na zes dagen) kai (en)
paralambanei (neemt naast zich) paralambanei (neemt naast zich) paralambanei (neemt naast zich) meth'heautou (met zich) paralambanei (neemt naast zich) paralabôn (meegenomen naast zich)
auton (hem) auton (hem) hepta hetera pneumata (zeven andere geesten)    
ho diabolos (de duivel) ho diabolos (de duivel)   ho Ièsous (Jezus)  
      ton Petron (Petrus) kai (en) Iakôbon (Jakobus) kai (en) Iôannèn (Johannes) ton adelfon autou (zijn broer)  ton Petron (Petrus)  kai (en)  tous duo huious Zebedaiou (de twee zonen van Zebedeüs) 
eis tèn hagian polin (naar de heilige stad) eis horos hupsèlon lian (naar een zeer hoge berg)      
kai estèsen (en hij plaatste) kai deiknusin autôi (en hij toon taan hem) kai eiselthonta katoikei ekei (en binnengegaan wonen zij daar) kai (en) anaferei (hij voert omhoog)  
 auton (hem) pasas tas basileias  tou kosmou kai tèn doxan autôn (alle koninkrijken van de wereld en hun schittering)    autous (hen)  
epi to pterugion tou hierou (op de tinne van de tempel) eis horos hupsèlon (naar een hoge berg)    eis horos hupsèlon (naar een hoge berg)  
      kat'idian (bij zichzelf - in afzondering)  
kai legei autôi (en hij zegt aan hem) kai eipen autôi (en hij zei hem)      èrxato ... (begon hij...)
efè autôi ho Ièsous (Jezus zei aan hem)  tote legei autôi ho Ièsous (dan zegt Jezus aan hem)      tote legei autois (dan zegt hij aan hen)
 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -  20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -  122. Terugkeer van de onreine geest: Mt 12,43-45 - Lc 11,24-26 -  168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 -  329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -

4. bepaald lidwoord , nominatief mannelijk enkelvoud ho OF betrekkelijk voornaamwoord , nominatief onzijdig enkelvoud ho . Bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . In tien verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,1 (ho Ièsous = Jezus) . (2) Mt 4,3 (ho peirazôn = de beproever) . (3) Mt 4,4 (tweemaal ; ho de = hij echter ; ho anthrôpos = de mens) . (4) Mt 4,5 (ho diabolos = de duivel) . (5) Mt 4,7 (ho Ièsous = Jezus) . (6) Mt 4,8 (ho diabolos = de duivel) . (7) Mt 4,10 (ho Ièsous = Jezus) . (8) Mt 4,11 (ho diabolos = de duivel) . In de pericope Mt 4,1-11 komt negenmaal het lidwoord voor ; viermaal bij Ièsous = Jezus ; driemaal bij diabolos (duivel) ; eenmaal bij peirazôn = beproever ; eenmaal bij anthrôpos = mens . Verder (9) Mt 4,16 (tweemaal ; ho laos ho kathèmenos = het volk het zittende) . (10) Mt 4,17 (ho Ièsous = Jezus)

6. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mt : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mt (215) . Mt 4 (7) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,8 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 4,13 . (6) Mt 4,18 . (7) Mt 4,24 .

7. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn van het bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . Mt (180) . Mt 4 (7) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,8 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 4,13 . (6) Mt 4,18 . (7) Mt 4,24 .

Mt 4,6 - Mt 4,6 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt 4 -- Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:6 kai legei autô ei uios ei tou qeou bale seauton katô gegraptai gar oti tois aggelois autou enteleitai peri sou kai epi ceirôn arousin se mèpote proskoyès pros liqon ton poda soukai legei autôi  6 et dixit ei si Filius Dei es mitte te deorsum scriptum est enim quia angelis suis mandabit de te et in manibus tollent te ne forte offendas ad lapidem pedem tuum   6. En hij zei hem: "Als je zoon van God bent, werp jezelf dan naar beneden; er staat immers geschreven: Aan zijn engelen zal hij omtrent je bevelen en op hun handen zullen ze je nemen, opdat je je voet niet stoot aan een steen."   6 en sprak tot Hem: "Als Gij de Zoon van God zijt, werp U dan naar beneden, want er staat geschreven: Aan zijn engelen zal Hij omtrent U een bevel geven, dat zij U op de handen nemen, opdat Ge uw voet niet zult stoten aan een steen."  [6] en zei: ‘Als U de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: Zijn engelen zal Hij bevelen U op hun handen te dragen, zodat U aan geen steen uw voet zult stoten.’  [6] Hij zei tegen hem: ‘Als u de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: “Zijn engelen zal hij opdracht geven om u op hun handen te dragen, zodat u uw voet niet zult stoten aan een steen.”’   6 en zegt tot hem: als je een zoon van God bent, werp jezelf dan naar beneden; want er staat geschreven: aan zijn engelen zal hij over jou bevelen, en op handen zullen ze je dragen opdat je je voet niet aan een steen stoot!  6. et lui dit : « Si tu es Fils de Dieu, jette-toi en bas ; car il est écrit : Il donnera pour toi des ordres à ses anges, et sur leurs mains ils te porteront, de peur que tu ne heurtes du pied quelque pierre. »

King James Bible . [6] And saith unto him, If thou be the Son of God, cast thyself down: for it is written, He shall give his angels charge concerning thee: and in their hands they shall bear thee up, lest at any time thou dash thy foot against a stone.
Luther-Bibel . 6 und sprach zu ihm: Bist du Gottes Sohn, so wirf dich hinab; denn es steht geschrieben (Psalm 91,11-12): »Er wird seinen Engeln deinetwegen Befehl geben; und sie werden dich auf den Händen tragen, damit du deinen Fuß nicht an einen Stein stößt.«

Tekstuitleg van Mt 4,6 .

1. de beproever 2. Jezus 3. de duivel 4. Jezus 5. de duivel 6. Jezus
Mt 4,3 Mt 4,4 Mt 4,6 Mt 4,7 Mt 4,9 Mt 4,10
kai (en) ho de (hij echter) kai (en)   kai (en) tote (toen)
proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever) apokritheis (geantwoord)        
eipen (zei hij) eipen (zei) legei (hij zegt) efè (zei) eipen (hij zei) legei (zegt)
autôi (hem)   autôi (aan hem) autôi (aan hem) autôi (hem) autôi (hem)
      ho Ièsous (Jezus)   ho Ièsous (Jezus)

1. de beproever   2. Jezus   3. de duivel   4. Jezus   5. de duivel   6. Jezus  
Mt 4,3 Lc 4,3 Mt 4,4 Lc 4,4 Mt 4,6 Lc 4,9 Mt 4,7 Lc 4,12 Mt 4,9 Lc 4,6 Mt 4,10 Lc 4,8
kai (en)   ho de (hij echter) kai (en) kai (en) kai (en)   kai (en) kai (en) kai (en) tote (toen) kai (en)
proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever)   apokritheis (geantwoord) apokrithè (antwoordde)       apokritheis (geantwoord)       apokritheis (geantwoord)
eipen (zei hij) eipen de (zei echter) eipen (zei)   legei (hij zegt) eipen (hij zei) efè (zei) eipen (zei) eipen (hij zei) eipen (hij zei) legei (zegt) ho Ièsous (Jezus) eipen (hij zei)
autôi (hem) autôi (aan hem)   pros auton (tot hem) autôi (aan hem) autôi (hem) autôi (aan hem) autôi (aan hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem)
  ho diabolos (de duivel)   ho Ièsous (Jezus)     ho Ièsous (Jezus) ho Ièsous (Jezus)   ho diabolos (de duivel) ho Ièsous (Jezus)  

2. legei (hij zegt) . Actief praesens derde persoon enkelvoud van het werkwoord legô (zeggen) . Verwijzing : legô (zeggen) , zie Mt 4,6 .
- legei (hij zegt) . In 1027 verzen in de bijbel; in 702 verzen in het O.T., in 325 verzen in het N.T. In 54 verzen bij Matteüs, in 62 verzen bij Marcus, in 14 verzen bij Lucas, in 112 verzen bij Johannes, in 11 verzen in Hnd.

kai legei autôi

 legei (hij zegt) 54X bij Matteüs . (2) Mt 4,10 - Mt 4,1-11 - (1.1. + 2.1.). Mt 8,4. Mt 8,20. Mt 9,28. Mt 15,34. Mt 18,22. Mt 21,31. Mt 21,42. Mt 26,31. Mt 26,52 . Mt 26,64. Mt 28,10. (1) Mt 4,6 (de duivel) - Mt 4,1-11 - (3) Mt 4,19. Mt 8,7. Mt 8,26. Mt 9,9. Mt 14,31. Mt 19,20. Mt 20,21. Mt 21,19. Mt 22,12. Mt 22,20. Mt 26,36. Mt 26,45. Mt 8,22. Mt 21,16. Mt 9,6. Mt 9,37. Mt 12,13. Mt 22,8. Mt 22,21. Mt 26,38. Mt 12,44 Mt 16,15. Mt 18,32. Mt 19,8. Mt 19,18. Mt 19,20. Mt 20,7. Mt 20,21. Mt 20,23. Mt 22,43. Mt 26,25. Mt 17,20 Mt 17,25 Mt 20,8. Mt 21,45. Mt 26,18. Mt 26,35. Mt 26,40. Mt 26,71. Mt 27,13. Mt 27,22.
1.1. tote . 1.2. kai (en) . 1.3. zonder tote (dan) / kai (en) / zonder kai (en)/ kai (en) ho de Ièsous (Jezus echter) tote (dan) tote (dan)   ho de (hij echter)    
  legei (zegt) legei (hij zegt) legei (zegt) legei (zegt hij) legei (zegt hij) legei (hij zegt) legei (zegt) legei (hij zegt)  
 2.1. autôi (aan hem) 2.2. autois (aan hen) autôi (aan hem) / autois (aan hen) autais (aan hen) autois (aan hen) / autôi (aan hem) / autèi (aan haar) tois mathètais (aan de leerlingen) autôi (aan hem) / autois (aan hen) tôi paralutikôi (aan de verlamde) / tous mathètais autou (aan zijn leerlingen) tôi anthrôôi (aan de man) tois doulois autou (aan zijn dienaars) autois (aan hen) autois (aan hen)   autois (aan hen) / autôi (aan hem) autois (aan hen)    
  ho Ièsous (Jezus)                
legei (hij zegt) 54X bij Matteüs. legete : 4X . legousin (zij zeggen) 23X bij Matteüs. legontes (zeggende) 47X bij Matteüs . legôn (zeggende) komt bij Matteüs 49X voor. legô (ik zeg) : 61 X . legein (zeggen : 6X. legontos (zeggende) : 11 X. legonti (zeggende) : 1X . eipen (hij zei) : 118 X . eipan (zij zeiden) : 16X . eipon (zij zeiden) : 7X . eipein (zeggen) : 1 X .

- legô (ik zeg) . In 61 verzen bij Matteüs, zie Mt 4,6 : Mt 4,1-11 - .
(1) Mt 3,9 : legô gar humin hoti (want ik zeg jullie dat)
(2) Mt 5,18 : amèn gar legô humin (want voorwaar ik zeg jullie)
(3) Mt 5,20 : legô gar humin hoti (want ik zeg jullie dat)
(4) Mt 5,22 : egô de legô humin hoti (ik echter zeg jullie dat)
(5) Mt 5,26 : amèn legô soi (voowaar ik zeg je)
(6) Mt 5,28 : egô de legô humin hoti (ik echter zeg jullie dat)
(7) Mt 5,32 : egô de legô humin hoti (ik echter zeg jullie dat)
(8) Mt 5,34 : egô de legô humin (ik echter zeg jullie)
(9) Mt 5,39 : egô de legô humin (ik echter zeg jullie)
(10) Mt 5,44 : egô de legô humin (ik echter zeg jullie)
(11) Mt 6,2 : amèn legô humin (voorwaar ik zeg jullie)
(12) Mt 6,5 : amèn legô humin (voorwaar ik zeg jullie)
(13) Mt 6,16 : amèn legô humin (voorwaar ik zeg jullie)
(14) Mt 6,25 : dia touto legô humin (daarom zeg ik jullie)
(15) Mt 6,29 : egô de legô humin hoti (ik echter zeg jullie dat)
(16) Mt 8,9 : kai legô toutôi (en ik zeg aan deze)
(17) Mt 8,10 : amèn legô humin (voorwaar ik zeg jullie)
(18) Mt 8,11 : egô de legô humin hoti (ik echter zeg jullie dat)
(19) Mt 10,15 : amèn legô humin (voorwaar ik zeg jullie)

- legousin (zij zeggen) : 23X bij Matteüs

legousin (zij zeggen) 23X bij Matteüs            
  Mt 16,13. Mt 17,10. Mt 21,16. Mt 23,3. Mt 27,22. Mt 13,18 (3.1.). Mt 14,17 (1.3.). Mt 15,33. Mt 19,10. Mt 9,28 (3.1.). Mt 13,51 (3.1.). Mt 19,7 (3.1.). Mt 20,7 (3.1.). Mt 20,22 (3.1.). Mt 20,33 (3.1.). Mt 21,41(3.1.). Mt 22,21 (3.1.) Mt 22,42 (3.1.) Mt 11,17 (1.2.). Mt 11,18 (1.1.). Mt 11,19 (1.1.). Mt 21,31 (1.2.) Mt 15,12
1.1. kai (en) . 1.2. zonder kai (en). 1.3. hoi de (zij echter)   Mt 13,18 hoi de douloi (de dienaars echter) oi de (zij echter) kai (en)     participiumzin
    legousin (zij zeggen) legousin (zij zeggen) legousin (zij zeggen) legousin (zij zeggen) legousin (zij zeggen)
             
3.1. autôi (aan hem) . 3.2. autois (aan hen)   autôi (aan hem) autôi (aan hem) autôi (aan hem)   autôi (aan hem)
      hoi mathètai (de leerlingen) + autou (van hem (Mt 19,10)      

- legeis (jij zegt) 2X bij Matteüs . Actief presens 2de persoon enkelvoud. legomen (wij zeggen) 0X bij Matteüs. legete (jullie zeggen) 4X bij Matteüs. Actief tegenwoordige tijd 2de persoon meervoud. legein (zeggen) infinitief presens : 4X bij Matteüs.

- legontes (zeggende) : 47 X bij Matteüs

legontes (zeggende) 47X bij Matteüs      
  Mt 2,2. Mt 6,31. Mt 8,25. Mt 8,27. Mt 8,29. Mt 8,31. Mt 9,14. Mt 9,27. Mt 9,33. Mt 12,10. Mt 12,30. Mt 13,36. Mt 14,15. Mt 14,33. Mt 15,1. Mt 15,23. Mt 17,10. Mt 18,1. Mt 19,3. Mt 19,25. Mt 20,12. Mt 20,30. Mt 20,31. Mt 21,9. Mt 21,20. Mt 21,23. Mt 21,25. Mt 22,16. Mt 22,23. Mt 22,24. Mt 24,3. Mt 24,5. Mt 25,37. Mt 25,44. Mt 26,8. Mt 26,17. Mt 26,68. Mt 27,23. Mt 27,29. Mt 27,40. Mt 27,54. Mt 27,63. Mt 23,13. Mt 10,7. Mt 14,26. Mt 16,7. Mt 23,16.
       
  legontes (zeggende) legontes (zeggende)  
  + rechtstreekse rede hoti (dat)  

- legôn (zeggende) : 49X bij Matteüs

 legôn (zeggende) komt bij Matteüs 49X voor. (1) Mt 1,20 - Mt 1,18-25 - . (2) Mt 2,13 - Mt 2,13-23 -. (3) Mt 2,20 - Mt 2,13-23 - . (4) Mt 3,2 - Mt 3,1-6 - . (5) Mt 3,14 . Mt 5,2. Mt 7,21 . Mt 8,2. Mt 8,3. Mt 8,6. Mt 9,30. Mt 10,5. Mt 13,3. Mt 13,24. Mt 13,31. Mt 14,27. Mt 14,30. Mt 15,7. Mt 16,13. Mt 16,22. Mt 17,9. Mt 17,15. Mt 17,25. Mt 18,26. Mt 18,28. Mt 18,29. Mt 21,2 - Mt 21,1-11 - Mt 21,37. Mt 22,1. Mt 22,4. Mt 22,42. Mt 22,43. Mt 23,2. Mt 25,20. Mt 24,45. Mt 26,27. Mt 26,39. Mt 26,42. Mt 26,48. Mt 26,65. Mt 26,70. Mt 27,4. Mt 27,11. Mt 27,46. Mt 28,9. Mt 28,18.

In zevenenveertig verzen bij Lucas : (1) Lc 1,63 .

- legein (te zeggen) . Infinitief praesens . In eenenvijftig verzen in de bijbel . O.T. (11) . N.T. (40) . Mt (5) . Mc (8) . Lc (12) . Joh (1) . Hnd (6) . Brieven (8) .

- elegen (hij zei) slechts 3X bij Matteüs. elegon (zij zeiden) : 8X bij Matteüs.

- eipen (hij zei) , zie Mt 4,6 komt in 3026 verzen in de bijbel voor . In 2428 verzen in het O.T. . In 598 verzen in het N.T. . In 118 verzen bij Matteüs . In acht verzen in Mt 16 : (1) Mt 16,2 . (2) Mt 16,6 . (3) Mt 16,8 . (4) Mt 16,12 . (5) Mt 16,16 . (6) Mt 16,17 . (7) Mt 16,23 . (8) Mt 16,24 . In zesenvijtig verzen bij Marcus . In 223 verzen bij Lucas . Iin 114 verzen bij Johannes . In vijfenzeventig verzen in Hnd . Johannes : (1) Joh 1,23 . (2) Joh 1,33 . (3) Joh 1,42 . (4) Joh 1,46 . (5) Joh 1,48 . (6) Joh 1,50 . (7) Joh 2,16 . (8) Joh 2,19 . (9) Joh 2,22 . (10) Joh 3,2 . (11) Joh 3,3 . (12) Joh 3,9 . (13) Joh 3,10 . (14)
--- ho de Ièsous eipen autois (Jezus echter zei hen) . In acht verzen in het N.T. : (1) Mt 13,57 . (2) Mt 14,16 . (3) Mt 16,6 . (4) Mt 17,20 . (5) Mt 19,28 . (6) Mt 24,2 . (7) Mc 10,38 . (8) Mc 10,39 .

eipen (hij zei) 118X bij Matteüs  in combinatie met een werkwoordvorm van proserchomai (naderbij komen)  in combinatie met de werkwoordsvorm aprokritheis (beantwoord) (1) Mt 3,15 - Mt 3,13-17 - (2) Mt 4,4 - Mt 4,1-11 - (3) Mt 11,4 - Mt 11,2-6 -  
eipon (zij zeiden of ik zei) 7X bij Matteüs : ik zei :Mt 16,11. Mt 28,7.      
eipan (zij zeiden) 16X bij Matteüs      
       

- eipômen : actief conjunctief aorist 1ste persoon meervoud. 2X na ean (indien) : Mt 21,25 en Mt 21,26 : ean eipômen = indien wij zouden zeggen.

- eipôn (gezegd) . In tweeëndertig verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In negenentwintig verzen in het N.T. . In vijf verzen bij Lucas : (1) Lc 9,22 (eerste lijdensvoorspelling) . (2) Lc 19,28 (kai eipôn tauta = en dit gezegd) . Jezus was op weg naar Jeruzalem . (3) Lc 22,8 . Bij de zending van Petrus en Johannes gaf Jezus hen een opdracht , die ingeleid wordt door eipôn (gezegd) . (4) Lc 23,46 ( touto de eipôn = dit echter gezegd) (5) Lc 24,40 (kai touto eipôn = en dit gezegd) . Daarop toonde Jezus zijn handen en zijn voeten . In elf verzen bij Johannes . In negen verzen in Hnd : (1) Hnd 1,9 (kai tauta eipôn = en dit gezegd) . (2) Hnd 4,25 (hierop volgt een citaat) . (3) Hnd 7,26 (hierop volgt een citaat) . (4) Hnd 7,27 (hierop volgt een citaat) . (5) Hnd 7,60 . (6) Hnd 18,21 (hierop volgt een citaat) . (7) Hnd 19,21 . (8) Hnd 19,40 (kai tauta eipôn = en dit gezegd) . (9) Hnd 20,36 (kai tauta eipôn = en dit gezegd) .
- In negen verzen in het N.T. : (1) Lc 23,46 . (7) (1) Hnd 1,9 . (8) (8) Hnd 19,40 . (9) (9) Hnd 20,36 . In het vers van Lc en in de drie verzen van Hnd wordt tauta eipôn (dit gezegd) voorfagegaan door het koppelwoord kai (en) .

- erousin (zij zullen zeggen) : indicatief onvoltooid toekomende tijd. Slechts in 1 vers bij Matteüs nl. Mt 7,22 - Mt 7,21-23 -. Het enkelvoud erei (hij zal zeggen) komt in 4 verzen bij Matteüs voor; in drie verzen bij de pericope over het laatste oordeel nl. Mt 25,34.40.41 - Mt 25,31-46 - .

- efè (hij zei) 14X bij Matteüs. Meestal volgt na efè (hij zei) tot wie gesproken wordt (meewerkend voorwerp) en dan pas het onderwerp.

- laleô (lallen, spreken, praten) . Verwijzing : laleô (lallen, spreken, praten) , zie Mt 4,6 .
- lalein (spreken) . Verwijzing : laleô (lallen, spreken, praten) , zie Mt 4,6 . In zevenendertig verzen in de bijbel . In zestien verzen in het O.T. . In eenentwintig verzen in het N.T. . Mt (2) . Mc (3) . Lc (2) Joh (1) . Hnd (6) . Brieven (7) . In zes verzen in Hnd : (1) Hnd 2,4 . (2) Hnd 4,17 . (3) Hnd 4,20 . (4) Hnd 4,29 . (5) Hnd 5,40 . (6) Hnd 11,15 .
--- elalei (hij sprak). In 35 verzen in de bijbel; in 15 verzen in het O.T., in 20 verzen in het N.T.
- elaloun (zij spraken) . Verwijzing : laleô (lallen, spreken, praten) , zie Mt 4,6 . Actief imperfectum derde persoon meervoud . In zestien verzen in de bijbel . In tien verzen in het O.T. . In zes verzen in het N.T. . Lc (1) . Hnd (4) . 1 Kor (1) . In vier verzen in Hnd : (1) Hnd 4,31 . (2) Hnd 11,20 . (3) Hnd 19,6 . (4) Hnd 26,31 .
--- elalèsen (hij sprak) . Het komt in 431 verzen in de bijbel voor . In 400 verzen in het O.T. . In eenendertig verzen in het N.T. .
In 7 verzen bij Matteüs . (1) Mt 9,33 (de stomme) . (2) Mt 13,3 . (3) Mt 13,33 . (4) Mt 13,34 . (5) Mt 14,27 . (6) Mt 23,1 . (7) Mt 28,18 . In vier verzen volgt op elalèsen (hij sprak) ... legôn (zeggend) : Mt 13,3 , Mt 14,27 , Mt 23,1 , Mt 28,18 , gevolgd door een citaat . In zes van de zeven verzen is Jezus onderwerp . In vier verzen (van de zes) wordt de naam ho Ièsous (Jezus) uitdrukkelijk vermeld ; in twee verzen voor het werkwoord elalèsen (hij sprak) : Mt 13,34 , Mt 14,27 ; in twee verzen erna : Mt 23,1 en Mt 28,18 . In zes verzen volgt op het werkwoord elalèsen (hij sprak) een datief ; in vier verzen is het autois (tot hen) ; in twee verzen is het tois ochlois (de menigten) .
In één vers bij Marcus : Mc 6,50 .
In vijf verzen bij Lucas : (1) Lc 1,55 (kathôs ... = zoals ...) . (2) Lc 1,70 (kathôs ... = zoals ...) . (3) Lc 2,50 . (4) Lc 11,14 . (5) Lc 24,6 (hôs ... = zoals ...) .
In acht verzen in Hnd : (1) Hnd 2,31 . (2) Hnd 3,21 . (3) Hnd 7,6 . (4) Hnd 8,26 . (5) Hnd 9,27 . (6) Hnd 23,9 . (7) Hnd 28,21 . (8) Hnd 28,25 . .
--- laleis (jij spreekt) De indicatief praesens 2de persoon enkelvoud komt bij Matteüs enkel in Mt 13,10 voor. De indicatief praesens 3de persoon enkelvoud komt bij Matteüs enkel in Mt 12,34 voor. De indicatief imperfectum 3de persoon enkelvoud komt bij Matteüs ook slechts eenmaal voor, nl. in Mt 13,34 .
--- lalountos (terwijl hij sprak) . Participium praesens genitief enkelvoud . In drieënveertig verzen in de bijbel . In zesentwintig verzen in het O.T. . In zeventien verzen in het N.T. . In vijf verzen in Hnd . Bij het begin van Hnd 10,44 is Petrus aan het woord en wordt dat woord afgebroken door tussenkomst van de heilige geest . In Hnd 4,1 zijn Petrus en Johannes aan het woord en wordt het woord afgebroken door de tussenkomst van afgevaardigden van de overheid . Gelijkaardige situaties . In Hnd 22,9 zegt Paulus dat tijdens zijn visioen de omstaanders wel het licht zagen maar niet de stem hoorden die tot hem sprak (tèn de fônèn ouk èkousan tou lalountos moi = maar zij hoorden de stem niet van hem die tot mij sprak .)
--- lalountôn (terwijl zij aan het praten waren - naar hen die aan het praten waren) . Participium praesens genitief meervoud . Losse genitief . In veertien verzen in de bijbel . In negen verzen in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. . In één vers bij Lucas nl. Lc 24,36 en in vier verzen in Hnd : (1) Hnd 2,6 . (2) Hnd 2,11 . (3) Hnd 4,1 . (4) Hnd 10,46 .
- Een vorm van het werkwoord laleô (lallen, spreken, praten) en het lijdend voorwerp ton logon , in Hnd :
(1) Hnd 4,29 : lalein ton logon sou (uw woord te spreken) .
(2) Hnd 4,31 : elaloun ton logon tou theou (zij spraken het woord van God) .
(3) Hnd 8,25 : lalèsantes ton logon tou kuriou (sprekend het woord van de Heer) .
(4) Hnd 11,19 : lalountes ton logon (sprekend het woord) .
(5) Hnd 13,46 : lalèthènai ton logon tou theou (gesproken te worden het woord van God) .
(6) Hnd 14,25 : lalèsantes ... ton logon (sprekend ... het woord) .
(7) Hnd 16,6 : lalèsai ton logon (om het woord te spreken) .
(8) Hnd 16,32 : kai elalèsan autôi ton logon tou kuriou (en zij spraken het woord van de Heer) .

2. - 4. kai legei autôi (en hij zegt hem) . In vierentwintig verzen in het N.T. .

Mt 4,7 - Mt 4,7 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt 4 -- Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:7 efè autôi ho ièsous palin gegraptai ouk ekpeiraseis kurion ton theon sou   7 ait illi Iesus rursum scriptum est non temptabis Dominum Deum tuum   7. Jezus verklaarde hem: "Nog staat er geschreven: Je zult de Heer je God niet uitdagend op de proef stellen."   7 Jezus zei tot hem: "Er staat ook geschreven: Gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen."  [7] Jezus zei hem: ‘Er staat ook geschreven: U zult de Heer uw God niet op de proef stellen.’  [7] Jezus antwoordde: ‘Er staat ook geschreven: “Stel de Heer, uw God, niet op de proef.”’   7 Jezus’ verweer tegen hem is: wéér iets dat geschreven staat: je zult de Heer, je God, niet beproeven!   7. Jésus lui dit : « Il est encore écrit : Tu ne tenteras pas le Seigneur, ton Dieu. » 

King James Bible . [7] Jesus said unto him, It is written again, Thou shalt not tempt the Lord thy God.
Luther-Bibel . 7 Da sprach Jesus zu ihm: Wiederum steht auch geschrieben (5.Mose 6,16): »Du sollst den Herrn, deinen Gott, nicht versuchen.«

Tekstuitleg van Mt 4,7 .

3. bepaald lidwoord , nominatief mannelijk enkelvoud ho OF betrekkelijk voornaamwoord , nominatief onzijdig enkelvoud ho . Bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . In tien verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,1 (ho Ièsous = Jezus) . (2) Mt 4,3 (ho peirazôn = de beproever) . (3) Mt 4,4 (tweemaal ; ho de = hij echter ; ho anthrôpos = de mens) . (4) Mt 4,5 (ho diabolos = de duivel) . (5) Mt 4,7 (ho Ièsous = Jezus) . (6) Mt 4,8 (ho diabolos = de duivel) . (7) Mt 4,10 (ho Ièsous = Jezus) . (8) Mt 4,11 (ho diabolos = de duivel) . In de pericope Mt 4,1-11 komt negenmaal het lidwoord voor ; viermaal bij Ièsous = Jezus ; driemaal bij diabolos (duivel) ; eenmaal bij peirazôn = beproever ; eenmaal bij anthrôpos = mens . Verder (9) Mt 4,16 (tweemaal ; ho laos ho kathèmenos = het volk het zittende) . (10) Mt 4,17 (ho Ièsous = Jezus)

1. de beproever 2. Jezus 3. de duivel 4. Jezus 5. de duivel 6. Jezus
Mt 4,3 Mt 4,4 Mt 4,6 Mt 4,7 Mt 4,9 Mt 4,10
kai (en) ho de (hij echter) kai (en)   kai (en) tote (toen)
proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever) apokritheis (geantwoord)        
eipen (zei hij) eipen (zei) legei (hij zegt) efè (zei) eipen (hij zei) legei (zegt)
autôi (hem)   autôi (aan hem) autôi (aan hem) autôi (hem) autôi (hem)
      ho Ièsous (Jezus)   ho Ièsous (Jezus)

1. de beproever   2. Jezus   3. de duivel   4. Jezus   5. de duivel   6. Jezus  
Mt 4,3 Lc 4,3 Mt 4,4 Lc 4,4 Mt 4,6 Lc 4,9 Mt 4,7 Lc 4,12 Mt 4,9 Lc 4,6 Mt 4,10 Lc 4,8
kai (en)   ho de (hij echter) kai (en) kai (en) kai (en)   kai (en) kai (en) kai (en) tote (toen) kai (en)
proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever)   apokritheis (geantwoord) apokrithè (antwoordde)       apokritheis (geantwoord)       apokritheis (geantwoord)
eipen (zei hij) eipen de (zei echter) eipen (zei)   legei (hij zegt) eipen (hij zei) efè (zei) eipen (zei) eipen (hij zei) eipen (hij zei) legei (zegt) ho Ièsous (Jezus) eipen (hij zei)
autôi (hem) autôi (aan hem)   pros auton (tot hem) autôi (aan hem) autôi (hem) autôi (aan hem) autôi (aan hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem)
  ho diabolos (de duivel)   ho Ièsous (Jezus)     ho Ièsous (Jezus) ho Ièsous (Jezus)   ho diabolos (de duivel) ho Ièsous (Jezus)  


Mt 4,10 efè autôi ho ièsous palin gegraptai ouk ekpeiraseis kurion ton theon sou
Lc 4,12 kai apokritheis eipen autôi ho Ièsous oti eirètai ouk ekpeiraseis kurion ton theon sou

1. - 4. efè autôi ho Ièsous (Jezus zei hem) . In vier verzen in het N.T. :

Mt 4,8 - Mt 4,8 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt 4 -- Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 -- Mt (Matteüs) -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:8 palin paralambanei auton o diabolos eis oros upsèlon lian kai deiknusin autô pasas tas basileias tou kosmou kai tèn doxan autôn  8 iterum adsumit eum diabolus in montem excelsum valde et ostendit ei omnia regna mundi et gloriam eorum  8. Nogmaals nam de duivel hem mee naar een zeer hoge berg en toonde hem alle rijken van de wereld en hun heerlijkheid.  8 Tenslotte nam de duivel Hem mee naar een heel hoge berg, vanwaar hij Hem alle koninkrijken der wereld
toonde in hun heerlijkheid.  
[8] Weer nam de duivel Hem mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij liet Hem alle koninkrijken van de wereld zien met al hun pracht,  [8] De duivel nam hem opnieuw mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij toonde hem alle koninkrijken van de wereld in al hun pracht  8 Weer neemt de duivel hem mee, naar een zeer hoge berg; hij toont hem alle koninkrijken van de wereld en hun glorie,   8. De nouveau le diable le prend avec lui sur une très haute montagne, lui montre tous les royaumes du monde avec leur gloire  

King James Bible . [8] Again, the devil taketh him up into an exceeding high mountain, and sheweth him all the kingdoms of the world, and the glory of them;
Luther-Bibel . 8 Darauf führte ihn der Teufel mit sich auf einen sehr hohen Berg und zeigte ihm alle Reiche der Welt und ihre Herrlichkeit

Tekstuitleg van Mt 4,8 . Dit vers Mt 4,8 telt 21 (3 X 7) woorden en 107 letters . De getalwaarde van Mt 4,8 is 11202 (2 X 3 X 1867) .

4. bepaald lidwoord , nominatief mannelijk enkelvoud ho OF betrekkelijk voornaamwoord , nominatief onzijdig enkelvoud ho . Bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . Mt (408) . In tien verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,1 (ho Ièsous = Jezus) . (2) Mt 4,3 (ho peirazôn = de beproever) . (3) Mt 4,4 (tweemaal ; ho de = hij echter ; ho anthrôpos = de mens) . (4) Mt 4,5 (ho diabolos = de duivel) . (5) Mt 4,7 (ho Ièsous = Jezus) . (6) Mt 4,8 (ho diabolos = de duivel) . (7) Mt 4,10 (ho Ièsous = Jezus) . (8) Mt 4,11 (ho diabolos = de duivel) . In de pericope Mt 4,1-11 komt negenmaal het lidwoord voor ; viermaal bij Ièsous = Jezus ; driemaal bij diabolos (duivel) ; eenmaal bij peirazôn = beproever ; eenmaal bij anthrôpos = mens . Verder (9) Mt 4,16 (tweemaal ; ho laos ho kathèmenos = het volk het zittende) . (10) Mt 4,17 (ho Ièsous = Jezus)

6. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mt : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mt (215) . Mt 4 (7) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,8 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 4,13 . (6) Mt 4,18 . (7) Mt 4,24.

7. horos (berg) . horos (berg) . Verwijzing : horos (berg) , zie Mt 4,8 en Mc 9,2 . (Hebreeuws : har , zie Mt 4,8 ) In 196 verzen in de bijbel . In 168 verzen in het O.T. . In achtentwintig verzen in het N.T. . In acht verzen bij Matteüs : (1) Mt 4,8 . (2) Mt 5,1 . (3) Mt 14,23 . (4) Mt 15,29 . (5) Mt 17,1 - Mt 17,2 . (6) Mt 21,1 . (7) Mt 26,30 . (8) Mt 28,16 . In deze acht verzen staat het voorzetsel van plaats (eis = naar) vóór het zelfstandig naamwoord horos (berg) . Tussen het voorzetsel en het zelfstandig naamwoord staat het bepaald lidwoord tenzij horos wordt gevolgd door een bijvoeglijk naamwoord (Mt 4,7 en Mt 17,1) . In zes van de acht verzen is Jezus onderwerp van de zin (niet in Mt 4,8 en Mt 28,16 ) .

1. de duivel 2. Jezus 3. Jezus 4. 5. 6.   7. 8.  de elf leerlingen
Mt 4,8 Mt 5,1 Mt 14,23 Mt 15,29 Mt 17,1 - Mt 17,2 Mt 21,1 Mt 24,3 Mt 26,30 Mt 28,16
palin (opnieuw)     kai (en) kai ... (en) kai (en)...   kai (en ) Hoi de endeka mathètai (De elf leerlingen echter)
paralambanei (neemt bij zich) auton (hem) ho diabolos (de duivel) anebè (hij klom omhoog) anebè (hij klom omhoog) anabas (opgeklommen) paralambanei (neemt bij zich) ... kai anaferei autous (en hij voert hen omhoog) èlthon ( zij kwamen)... kathèmenou de autou epi orous tôn Helaiôn (terwijl hij echter zich op de Olijfberg neerzet) exèlthon ( zij gingen naar buiten) eporeuthèsan (gingen op weg)
eis horos hupsèlon lian (naar een zeer hoge berg) eis to horos (naar de berg) eis to horos (naar de berg)  kat' idian (op zichzelf) eis to horos (naar de berg) eis horos hupsèlon (naar een hoge berg)  kat' idian (op zichzelf) eis to horos tôn Helaiôn (naar de Olijfberg)   eis to horos (naar de berg)  ... eis to horos (naar de berg)
  kai kathisantos autou (en nadat hij zich had neergezet)   ekathèto ekei (zette hij zich naar)          
  prosèlthan autôi hoi mathètai autou (kwamen zijn leerlingen bij hem)         prosèlthan autôi hoi mathètai autou (kwamen de leerlingen bij hem) kat' idian (afzonderlijk)    
20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - 24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 - 152. Jezus wandelt op het meer - Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 157. Genezing van een doofstomme : Mc 7,31-37 - Mt 15,29-31 - 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - 281. Jezus gaat Jerzalem binnen : Mc 11,11 - Mt 21,1-11 - 299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 -  328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening : Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -  353. Verschijning aan de elf in Galilea :Mt 28,16-20 -

- har (berg) . Verwijzing : horos (berg) , zie Mt 4,8 . In 114 verzen in de bijbel . In negen verzen in Ex (Exodus) : (1) Ex 3,1 . (2) Ex 18,5 . (3) Ex 19,11 . (4) Ex 19,20 . (5) Ex 19,23 . (6) Ex 24,13 . (7) Ex 24,16 . (8) Ex 34,2 . (9) Ex 34,4 . In veertien verzen in Dt (Deuteronomium) : (1) Dt 1,2 . (2) Dt 1,7 . (3) Dt 1,19 . (4) Dt 1,20 . (5) Dt 2,1 . (6) Dt 2,5 . (7) Dt 3,8 . (8) Dt 3,12 . (9) Dt 4,48 . (10) Dt 11,29 . (11) Dt 27,12 . (12) Dt 32,49 . (13) Dt 33,19 . (14) Dt 34,1 .
- hâhâr (de berg) . In drieëntachtig verzen in de bijbel . In twintig verzen in Ex (Exodus) .
-- ´èl hâhâr (naar de berg) . In zeven verzen in de bijbel : (1) Ex 24,15 . (2) Ex 24,18 . (3) Nu 20,27 . (4) Nu 33,38 . (5) 1 S 17,3 (tweemaal) . (6) 2 K 4,27 . (7) Js 22,5 .
-- ´èth hâhâr (de berg) . Lijdend voorwerp . In acht verzen in de bijbel : (1)
--- har be(j)th JHWH (de berg van het huis van JHWH . In twee verzen in de bijbel - twee verzen die bijna identiek zijn - : (1) Js 2,2 . (2) Mi 4,1 .
--- ´èl har (naar de berg van) . In twintig verzen in de bijbel : (1) Ex 3,1 . (2) Ex 19,23 . (3) Ex 24,13 . (4) Ex 34,2 . (5) Ex 34,4 . (6) Nu 27,12 . (7) Dt 32,49 . (8) Dt 34,1 . (9) Joz 15,10 . (10) 1 K 18,19 . (11) 1 K 18,20 . (12) 2 K 2,25 . (13) 2 K 4,25 . (14) Ps 43,3 . (15) Hl 4,6 . (16) Js 2,3 . (17) Js 16,1 . (18) Js 56,7 . (19) Ez 40,2 . (20) Mi 4,2 .
--- ´èl har JHWH (naar de berg van JHWH) komt slechts tweemaal in de bijbel voor : (1) Js 2,3 . (2) Mi 4,2 .
--- ´èl har hä´èlohîm (naar de berg van God) komt eveneens slechts tweemaal voor : (1) Ex 3,1 . (2) Ex 24,13 .
--- hâhârâh (bergwaarts , naar het gebergte) . In dertien verzen in de bijbel : (1) Gn 12,8 . (2) Gn 19,17 . (3) Gn 19,19 . (4) Ex 24,12 . (5) Dt 1,24 . (6) Dt 1,41 . (7) Dt 1,43 . (8) Dt 9,9 . (9) Dt 10,1 . (10) Dt 10,3 . (11) Joz 2,16 . (12) Joz 2,22 . (13) Re 1,34 .

palin (opnieuw) 16X bij Matteüs 1.   verwijzing     2. verwijzing   3. verwijzing   4. verwijzing  5.
  Mt 4,7  Mt 4,6b   Mt 4,8 Mt 4,5   Mt 5,38     Mt 13,47 Mt 13,44 Mt 13,47 
   palin (opnieuw, op zijn beurt)     Palin (opnieuw) Tote (dan, daarna)   palin (opnieuw)          
   gegraptai (staat er geschreven)   gegraptai (staat er geschreven)   paralambanei (neemt hij bij zich) paralambanei (neemt hij bij zich)   èkousate je hebt gehoord) èkousate je hebt gehoord)        
        auton (hem) auton (hem)   hoti errethè (dat er gezegd werd) hoti errethè (dat er gezegd werd)        
        ho diabolos (hij = de duivel) ho diabolos (hij = de duivel)              
        eis... (naar...) eis... (naar...)              
                         

 

6. verwijzing   7. verwijzing   8. verwijzing    9. verwijzing   10. verwijzing   11. verwijzing    
Mt 18,19     Mt 19,24     Mt 20,5      Mt 21,36     Mt 22,1     Mt 22,4      
                                     
                                     
                                     
                                     
                                     
                                     
                                     
                                     

 

12. verwijzing 14. 13. verwijzing   15. verwijzing    16.    
Mt 26,42   Mt 26,44 Mt 26,43     Mt 26,72      Mt 27,50    
                       
                       
                       
                       

19. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn van het bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . Mt (180) . Mt 4 (7) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,8 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 4,13 . (6) Mt 4,18 . (7) Mt 4,24 .

Mt 4,9 - Mt 4,9 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt 4 -- Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:9 kai eipen autô tauta soi panta dôsô ean pesôn proskunèsès moi  9 et dixit illi haec tibi omnia dabo si cadens adoraveris me    9. En hij zei hem: "Al deze dingen zal ik je geven als je valt (en) voor mij neerknielt".   9 En hij zei: "Dat alles zal ik U geven, als Gij in aanbidding voor mij neervalt."  [9] en zei: ‘Dit alles zal ik U geven, als U voor mij in aanbidding neervalt.’  [9] en zei: ‘Dit alles zal ik u geven als u voor mij neervalt en mij aanbidt.’  9 en hij zegt tot hem: dat alles zal ik jou geven, als je neervalt en hulde brengt aan mij!  9. et lui dit : « Tout cela, je te le donnerai, si, te prosternant, tu me rends hommage. » 

King James Bible . [9] And saith unto him, All these things will I give thee, if thou wilt fall down and worship me.
Luther-Bibel . 9 und sprach zu ihm: Das alles will ich dir geben, wenn du niederfällst und mich anbetest.

Tekstuitleg van Mt 4,9 .

1. de beproever 2. Jezus 3. de duivel 4. Jezus 5. de duivel 6. Jezus
Lc 4,3 Lc 4,4 Lc 4,9 Lc 4,12 Lc 4,6 Lc 4,8
  kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) kai (en)
  apokrithè (antwoordde)   apokritheis (geantwoord)   apokritheis (geantwoord)
eipen de (zei echter)   eipen (hij zei) eipen (zei) eipen (hij zei) ho Ièsous (Jezus) eipen (hij zei)
autôi (aan hem) pros auton (tot hem) autôi (hem) autôi (aan hem) autôi (hem) autôi (hem)
ho diabolos (de duivel) ho Ièsous (Jezus)   ho Ièsous (Jezus) ho diabolos (de duivel)  

 

1. de beproever   2. Jezus   3. de duivel   4. Jezus   5. de duivel   6. Jezus  
Mt 4,3 Lc 4,3 Mt 4,4 Lc 4,4 Mt 4,6 Lc 4,9 Mt 4,7 Lc 4,12 Mt 4,9 Lc 4,6 Mt 4,10 Lc 4,8
kai (en)   ho de (hij echter) kai (en) kai (en) kai (en)   kai (en) kai (en) kai (en) tote (toen) kai (en)
proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever)   apokritheis (geantwoord) apokrithè (antwoordde)       apokritheis (geantwoord)       apokritheis (geantwoord)
eipen (zei hij) eipen de (zei echter) eipen (zei)   legei (hij zegt) eipen (hij zei) efè (zei) eipen (zei) eipen (hij zei) eipen (hij zei) legei (zegt) ho Ièsous (Jezus) eipen (hij zei)
autôi (hem) autôi (aan hem)   pros auton (tot hem) autôi (aan hem) autôi (hem) autôi (aan hem) autôi (aan hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem)
  ho diabolos (de duivel)   ho Ièsous (Jezus)     ho Ièsous (Jezus) ho Ièsous (Jezus)   ho diabolos (de duivel) ho Ièsous (Jezus)  

ean (indien) .

Mt 4,10 - Mt 4,10 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt 4 - Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:10 tote legei autôi ho ièsous upage satana gegraptai gar kurion ton theon sou proskunèseis kai autôi monôi latreuseis  10 tunc dicit ei Iesus vade Satanas scriptum est Dominum Deum tuum adorabis et illi soli servies   10. Toen zei Jezus hem: "Ga heen, Satan ! Er staat immers geschreven: Voor de Heer je God zul je neerknielen en hem alleen zul je dienen."   10 Toen zei Jezus hem: "Weg, satan; er staat geschreven: De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen."  [10] Toen zei Jezus hem: ‘Ga weg, satan. Want er staat geschreven: De Heer uw God zult u aanbidden en Hem alleen dienen.’  [10] Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Ga weg, Satan! Want er staat geschreven: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen hem.”’   10 Dan zegt Jezus tot hem: ga weg, satan!– want er staat geschreven: de Heer, je God, zul je huldigen en alleen hém vereren!   10. Alors Jésus lui dit : « Retire-toi, Satan ! Car il est écrit : C'est le Seigneur ton Dieu que tu adoreras, et à Lui seul tu rendras un culte. »  

King James Bible . Then saith Jesus unto him, Get thee hence, Satan: for it is written, Thou shalt worship the Lord thy God, and him only shalt thou serve.
Luther-Bibel . 10 Da sprach Jesus zu ihm: Weg mit dir, Satan! Denn es steht geschrieben (5.Mose 6,13): »Du sollst anbeten den Herrn, deinen Gott, und ihm allein dienen.«

Tekstuitleg van Mt 4,10 . Dit vers Mt 4,10 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 95 (5 X 19) letters . De getalwaarde van Mt 4,10 is 11826 (2 X 3 X 3 X 3 X 3 X 73) . Jezus reageert voor de derde maal op een derde verzoek van de duivel . Dit vers begint met tote (daarop , dan) .

4. bepaald lidwoord , nominatief mannelijk enkelvoud ho OF betrekkelijk voornaamwoord , nominatief onzijdig enkelvoud ho . Bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . Mt (408) . In tien verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,1 (ho Ièsous = Jezus) . (2) Mt 4,3 (ho peirazôn = de beproever) . (3) Mt 4,4 (tweemaal ; ho de = hij echter ; ho anthrôpos = de mens) . (4) Mt 4,5 (ho diabolos = de duivel) . (5) Mt 4,7 (ho Ièsous = Jezus) . (6) Mt 4,8 (ho diabolos = de duivel) . (7) Mt 4,10 (ho Ièsous = Jezus) . (8) Mt 4,11 (ho diabolos = de duivel) . In de pericope Mt 4,1-11 komt negenmaal het lidwoord voor ; viermaal bij Ièsous = Jezus ; driemaal bij diabolos (duivel) ; eenmaal bij peirazôn = beproever ; eenmaal bij anthrôpos = mens . Verder (9) Mt 4,16 (tweemaal ; ho laos ho kathèmenos = het volk het zittende) . (10) Mt 4,17 (ho Ièsous = Jezus)

Mt 4,10 tote legei autôi ho ièsous upage satana gegraptai gar kurion ton theon sou proskunèseis kai autôi monôi latreuseis 
Lc 4,12 kai apokritheis eipen autôi ho Ièsous oti eirètai ouk ekpeiraseis kurion ton theon sou

 

1. de beproever 2. Jezus 3. de duivel 4. Jezus 5. de duivel 6. Jezus
Mt 4,3 Mt 4,4 Mt 4,6 Mt 4,7 Mt 4,9 Mt 4,10
kai (en) ho de (hij echter) kai (en)   kai (en) tote (toen)
proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever) apokritheis (geantwoord)        
eipen (zei hij) eipen (zei) legei (hij zegt) efè (zei) eipen (hij zei) legei (zegt)
autôi (hem)   autôi (aan hem) autôi (aan hem) autôi (hem) autôi (hem)
      ho Ièsous (Jezus)   ho Ièsous (Jezus)

1. de beproever   2. Jezus   3. de duivel   4. Jezus   5. de duivel   6. Jezus  
Mt 4,3 Lc 4,3 Mt 4,4 Lc 4,4 Mt 4,6 Lc 4,9 Mt 4,7 Lc 4,12 Mt 4,9 Lc 4,6 Mt 4,10 Lc 4,8
kai (en)   ho de (hij echter) kai (en) kai (en) kai (en)   kai (en) kai (en) kai (en) tote (toen) kai (en)
proselthôn ho peirazôn (en naderbijgekomen de beproever)   apokritheis (geantwoord) apokrithè (antwoordde)       apokritheis (geantwoord)       apokritheis (geantwoord)
eipen (zei hij) eipen de (zei echter) eipen (zei)   legei (hij zegt) eipen (hij zei) efè (zei) eipen (zei) eipen (hij zei) eipen (hij zei) legei (zegt) ho Ièsous (Jezus) eipen (hij zei)
autôi (hem) autôi (aan hem)   pros auton (tot hem) autôi (aan hem) autôi (hem) autôi (aan hem) autôi (aan hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem)
  ho diabolos (de duivel)   ho Ièsous (Jezus)     ho Ièsous (Jezus) ho Ièsous (Jezus)   ho diabolos (de duivel) ho Ièsous (Jezus)  

1. tote (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het N.T. : tote (dan) . Taalgebruik in Mt : tote (dan) . Bijwoord van tijd . Mt (89) . Mt (4) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,10 . (4) Mt 4,11 . (5) Mt 4,17 . In totaal wordt in deze pericope viermaal tote (daarna, dan) gebruikt . De verandering van personage wordt o.a. opgevangen door het woordje tote (daarop, daarna / to-de = dit echter, na dit) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,10 . (4) Mt 4,11 . Het woordje staat hier telkens aan het begin van het vers . Nog in dit hoofdstuk : Mt 4,17 . Het volgt op Mt 3,13-17 (de doop van Jezus) . Behalve de tote-zin in Mt 4,1 hebben de andere tote-zinnen een gelijke zinsconstructie :
1. Mt 4,5 : tote (dan) paralambanei (neemt bij) auton (hem) ho diabolos (de duivel) .
2. Mt 4,10 : tote (dan) legei (zegt) autôi (aan hem) ho Ièsous (Jezus) .
3. Mt 4,11 : tote (dan) afièsin (verlaat) auton (hem) ho diabolos (de duivel) .
Opmerkelijk in deze tote-zinnen is de tegenwoordige tijd van het werkwoord .

1. - 5. tote legei autôi ho Ièsous (dan zegt aan hem Jezus) . In twee zinnen in het N.T. : (1) Mt 4,11 . (2) Mt 26,52 . In beide zinnen volgt een bevel in de imperatief ; in Mt 4,11 gericht tot de duivel , in Mt 26,52 gericht tot Petrus .

Mt 4,11 - Mt 4,11 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - bijbeloverzicht -- taalgebruik - Mt 4,1 - Mt 4,2 - Mt 4,3 - Mt 4,4 - Mt 4,5 - Mt 4,6 - Mt 4,7 - Mt 4,8 - Mt 4,9 - Mt 4,10 - Mt 4,11 -- Mt 4 - Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:11 tote afièsin auton o diabolos kai idou aggeloi prosèlqon kai dièkonoun autô  11 tunc reliquit eum diabolus et ecce angeli accesserunt et ministrabant ei   11. Toen verliet de duivel hem, en zie, engelen naderden en bedienden hem.    11 Nu liet de duivel Hem met rust en er kwamen engelen om Hem te dienen.  [11] Toen liet de duivel Hem met rust, en er kwamen engelen om Hem van dienst te zijn.  [11] Daarna liet de duivel hem met rust, en meteen kwamen er engelen om voor hem te zorgen.  11 Dan laat de duivel hem los, en zie, engelen komen tot hem en hebben hem bediend.   11. Alors le diable le quitte. Et voici que des anges s'approchèrent, et ils le servaient.  

King James Bible . [11] Then the devil leaveth him, and, behold, angels came and ministered unto him.
Luther-Bibel . 11 Da verließ ihn der Teufel. Und siehe, da traten Engel zu ihm und dienten ihm.

Tekstanalyse van Mt 4,11 . Het vers Mt 4,11 telt 12 (2² X 3) woorden en 65 (5 X 13) letters . De getalwaarde van Mt 4,11 is 6210 (2 X 3³ X 5 X 23) .

Mt 4,11.1. tote (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het N.T. : tote (dan) . Taalgebruik in Mt : tote (dan) . Bijwoord van tijd . Mt (89) . Mt (4) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,10 . (4) Mt 4,11 . (5) Mt 4,17 . In totaal wordt in deze pericope viermaal tote (daarna, dan) gebruikt . De verandering van personage wordt o.a. opgevangen door het woordje tote (daarop, daarna / to-de = dit echter, na dit) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,10 . (4) Mt 4,11 . Het woordje staat hier telkens aan het begin van het vers . Nog in dit hoofdstuk : Mt 4,17 . Het volgt op Mt 3,13-17 (de doop van Jezus) . Behalve de tote-zin in Mt 4,1 hebben de andere tote-zinnen een gelijke zinsconstructie :
1. Mt 4,5 : tote (dan) paralambanei (neemt bij) auton (hem) ho diabolos (de duivel) .
2. Mt 4,10 : tote (dan) legei (zegt) autôi (aan hem) ho Ièsous (Jezus) .
3. Mt 4,11 : tote (dan) afièsin (verlaat) auton (hem) ho diabolos (de duivel) .
Opmerkelijk in deze tote-zinnen is de tegenwoordige tijd van het werkwoord .

4. bepaald lidwoord , nominatief mannelijk enkelvoud ho OF betrekkelijk voornaamwoord , nominatief onzijdig enkelvoud ho . Bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . Mt (408) . In tien verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,1 (ho Ièsous = Jezus) . (2) Mt 4,3 (ho peirazôn = de beproever) . (3) Mt 4,4 (tweemaal ; ho de = hij echter ; ho anthrôpos = de mens) . (4) Mt 4,5 (ho diabolos = de duivel) . (5) Mt 4,7 (ho Ièsous = Jezus) . (6) Mt 4,8 (ho diabolos = de duivel) . (7) Mt 4,10 (ho Ièsous = Jezus) . (8) Mt 4,11 (ho diabolos = de duivel) . In de pericope Mt 4,1-11 komt negenmaal het lidwoord voor ; viermaal bij Ièsous = Jezus ; driemaal bij diabolos (duivel) ; eenmaal bij peirazôn = beproever ; eenmaal bij anthrôpos = mens . Verder (9) Mt 4,16 (tweemaal ; ho laos ho kathèmenos = het volk het zittende) . (10) Mt 4,17 (ho Ièsous = Jezus)

7. idou (zie) , zie Mt 1,20 . Idou (zie) komt slechts eenmaal bij de werkwoordsvorm prosèlthon (zij kwamen naderbij) voor . De verklaring ligt in het woord dat op idou (zie) volgt : aggeloi (engelen) . Matteüs gebruikt vaak idou (zie) , wanneer een hemels wezen verschijnt of een hemels verschijnsel plaatsvindt . Omdat het onderwerp meestal volgt op idou (zie) staat het hier uitzonderlijk vóór prosèlthon (zij kwamen naderbij) .

8. aggeloi (engelen) .

9. prosèlthon (zij kwamen naderbij) .

idou (zie) - idou (zie). In 59 verzen bij Matteüs, zie Mt 1,20 : Mt 1,18-25 - . Hieraan gaat vaak het nevenschikkend voegwoord kai (en) vooraf. Idou (zie) komt bij Matteüs 59X voor. Na idou (zie) volgt meestal het onderwerp . Idou (zie) komt slechts eenmaal bij de werkwoordsvorm prosèlthon (zij kwamen naderbij) voor . De verklaring ligt in het woord dat op idou (zie) volgt : aggeloi (engelen) . Matteüs gebruikt vaak idou (zie) , wanneer een hemels wezen verschijnt of een hemels verschijnsel plaatsvindt . Omdat het onderwerp meestal volgt op idou (zie) staat het hier uitzonderlijk vóór prosèlthon (zij kwamen naderbij) . Twee werkwoorden staan nevenschikkend in de zin: prosèlthon kai dièkonoun (zij kwamen naderbij en dienden). Het verklaart waarom autôi (bij hem) niet onmiddellijk na prosèlthon (zij kwamen naderbij) maar na dièkonoun (zij dienden) staat. Zie ook - euthus (onmiddellijk, dadelijk, terstond). In 40 verzen bij Marcus, zie Mc 1,10 : Mc 1,9-11 . -
Mt 4,3 en Mt 4,11b vormen een inclusio. 1) Mt 4,3 : kai (en). Mt 4,11b : kai idou (en zie). 2) onderwerp en werkwoordsvorm van proserchomai (naderbijkomen). Mt 4,3 : proselthôn ho peirazôn (naderbijgekomen de beproever) . Mt 4,11b : aggeloi prosèlthon (engelen kwamen naderbij). 3) Mt 4,3-10 : de beproever probeert Jezus op de proef te stellen. Mt 4,11b : Tegenover het op de proef stellen van Jezus door de beproever staat dat de engelen Jezus dienen.

21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mt 4,12-17 - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mt 4,12 - Mt 4,13 - Mt 4,14 - Mt 4,15 - Mt 4,16 - Mt 4,17 -

Mt 4,12-16 vormt een geheel : twee nevenschikkende zinnen , een doelzin als inleiding op het citaat en tenslotte het bijbelcitaat zelf .

 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 // Mt 4,12-17 // Lc 4,14-15 - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 -        
Synopsis Denaux-Vervenne Liturgische lezing (KBS 1961) Willibrordvertaling (1995) Nieuwe BijbelVertaling (2004) Eigen vertaling (Arseen De Kesel)
 12. Toen hij nu hoorde dat Johannes overgeleverd was, trok hij zich terug. 12 Toen Jezus vernam dat Johannes was gevangen genomen, week Hij uit naar Galilea. [12] Toen Hij hoorde dat Johannes overgeleverd was, nam Hij de wijk naar Galilea. [12] Toen Jezus hoorde dat Johannes gevangengenomen was, week hij uit naar Galilea. 12. Jezus hoorde dat Johannes was overgeleverd. Hij week uit naar Galilea.
13. En hij verliet Nazret (en) ging wonen in Kafarnaüm aan de zee, in het gebied van Zebulon en Naftali. 13 Met voorbijgaan echter van Nazaret vestigde Hij zich in Kafarnaüm aan de oever van het meer, in het grensgebied van Zebulon en Naftali, [13] Met voorbijgaan van Nazaret vestigde Hij zich in Kafarnaüm* bij het meer, in het gebied van Zebulon en Naftali, [13] Hij liet Nazaret achter zich en ging wonen in Kafarnaüm, aan het Meer van Galilea, in het gebied van Zebulon en Naftali. 13. Hij liet Nazaret achter en ging wonen in Kafarnaüm langs het Meer van Galilea, in het gebergte van Zebulon en Neftali
14. opdat vervuld zou worden wat gezegd werd door Jesaja de profeet, zeggend: 14 opdat in vervulling zou gaan
het woord van de profeet Jesaja:
14] opdat vervuld zou worden wat bij monde van de profeet Jesaja gezegd is: [14] Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jesaja: [ 14. opdat in vervulling zou gaan wat via de profeet Jesaja was gezegd:
15. Land van Zebulon en land van Naftali, weg van de zee, aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de heidenen. 15 "Land van Zebulon, land van Naftali, liggend aan de zee, Overjordanië: Galilea van de heidenen! [15] Land van Zebulon en land van Naftali,
aan de weg naar zee,
aan de overkant van de Jordaan,
Galilea van de heidenen!
[15] ‘Land van Zebulon en Naftali, gebied aan de weg naar zee en aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de heidenen, luister:  
16. Het volkdat zit in duisternis heeft een groot licht gezien en over diegenen die in het domein en de schaduw van de dood zaten: een licht is over hen opgegaan (Js 8,23-9,1) 16 Het volk dat in de duisternis zat,heeft een groot licht aanschouwd; en over hen die in het landvan doodse duisternis gezeten waren, over hen is een licht opgegaan." 16] Het volk dat in duisternis zit
heeft een groot licht gezien,
en over hen die in het land
en in de schaduw van de dood zitten,
over hen is een licht opgegaan.
[16] Het volk dat in duisternis leefde, zag een schitterend licht, en zij die woonden in de schaduw van de dood werden door het licht beschenen.’  
17. Van toen af begon Jezus te verkondigen en te zeggen: Bekeer u, naderbijgekomen is immers het Rijk der hemelen. 17 Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: "Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij." [17] Vanaf toen begon Jezus te verkondigen. Hij zei: ‘Bekeer u, want het koninkrijk der hemelen* is ophanden.’ [17] Vanaf dat moment begon Jezus zijn verkondiging. ‘Kom tot inkeer,’ zei hij, ‘want het koninkrijk van de hemel is nabij!’ Van dan af begon Jezus te verkondigen: 'Bekeer u, want het koninkrijk van de hemel is nabij.'

 

  1.   2. 3. 4.  
  Mt 4,12 Mt 4,13 Mt 4,14 Mt 4,15-16 Mt 4,17  
  participium + objectzin hoofdwekwoord nevenschikkend voegwoord, participiumzin, participium + hoofdwerkwoord doelzin. inleidingsformel op citaat citaat apo tote (van dan af)  
  de : duidt verandering van personage aan kai (en) om de nevenschikkende zin in te leiden        
woorden 9 15 9 33 15 81 (9X9)
lettergrepen 24 38 20 66 33 181 (10X10 + 9X9)

 

Mt 4,12 - Mt 4,12 : 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mt 4,12 - Mt 4,13 - Mt 4,14 - Mt 4,15 - Mt 4,16 - Mt 4,17 -- Mt 4 -- Mt 4,1-11 - Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:12 akousas de oti iôannès paredothè anechôrèsen eis tèn galilaian 12 cum autem audisset quod Iohannes traditus esset secessit in Galilaeam Toen hij nu hoorde dat Johannes overgeleverd was , trok hij zich terug naar Galilea  12 Als nu Jezus gehoord had, dat Johannes overgeleverd was, is Hij wedergekeerd naar Galilea;  [12] Toen Hij hoorde dat Johannes overgeleverd was, nam Hij de wijk naar Galilea.    [12] Toen Jezus hoorde dat Johannes gevangengenomen was, week hij uit naar Galilea.   12 ¶ Maar als hij hoort dat Johannes is overgeleverd, neemt hij de wijk naar Galilea. 12. Ayant appris que Jean avait été livré, il se retira en Galilée

King James Bible : Now when Jesus had heard that John was cast into prison, he departed into Galilee;
Luther-Bibel (1984) : Als nun Jesus hörte, daß aJohannes gefangengesetzt worden war, zog er sich nach Galiläa zurück.

Tekstanalyse van Mt 4,12 . Dit vers Mt 4,12 telt 11 woorden en 59 letters . De getalwaarde van Mt 4,12 is 6163 (priemgetal) .

1. akouô (horen, luisteren) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 .
-  akousas (gehoord) . participium aorist / verleden deelwoord , nominatief mannelijk enkelvoud bij het onderwerp - soms participiumzin . In vierenvijftig verzen in de bijbel . In eenentwintig verzen in het O.T. . In drieëndertig verzen in het N.T. ( in zeventien verzen + de = echter) . In acht verzen bij Matteüs : (1) Mt 2,3 (+ de) . (2) Mt 2,22 (+ de) . (3) Mt 4,12 (+ de) . (4) Mt 8,10 (+ de) . (5) Mt 9,12 . (6) Mt 11,2 . (7) Mt 14,13 . (8) Mt 19,22 (+ de) . (Mt 22,7 + de) . In vijf verzen bij Marcus : (1) Mc 2,17 . (2) Mc 6,16 (+ de) . (3) Mc 6,20 . (4) Mc 10,47 . (5) Mc 12,28 . In tien verzen bij Lucas : (1) Lc 6,49 . (2) Lc 7,3 (+ de) . (3) Lc 7,9 (+ de) . (4) Lc 7,29 . (5) Lc 8,50 . (6) Lc 14,15 (+ de) . (7) Lc 18,22 (+ de) . (8) Lc 18,23 . (9) Lc 18,36 (+ de) . (10) Lc 23,6 . In zes verzen bij Johannes : (1) Joh 4,47 . (2) Joh 6,45 . (3) Joh 11,4 (+ de) . (4) Joh 12,29 . (5) Joh 19,13 . (6) Joh 21,7 . In drie verzen in Hnd : (1) Hnd 7,12 (+ de) . (2) Hnd 22,26 (+ de) . (3) Hnd 23,16 (+ de) . (Hnd 24,22 + de) . Het kan de vertaling zijn van wajjisjëma`(en hij hoorde) . Het kan aan het begin van een pericope staan en legt dan een link naar de voorgaande pericope of het geeft nieuwe informatie in een voorwerpszin bij akousas (gehoord) . Of het staat binnen een pericope en legt dan een link naar (een) voorgaande vers(en) .
Wat Jezus en Johannes over elkaar vernemen , verloopt via leerlingen . In Mt 4,12 verneemt Jezus dat Johannes is overgeleverd . Jezus wijkt uit naar Galilea . Blijkbaar voelt Jezus zich bedreigd . In Galilea gaat Jezus op zoek naar leerlingen . Er komt een nieuw stadium in het leven van Jezus . Johannes verdwijnt in de gevangenis en Jezus manifesteert zich als leraar . In Mt 11,2 heeft Johannes over de werken van Jezus gehoord en hij stelt hem via zijn leerlingen de vraag of hij de komende is . Johannes had dus nog leerlingen . Je zou mogen verwachten dat de leerlingen van Johannes naar de kring van Jezus waren overgestapt . Want als Jezus de komende is , dan is Johannes zijn wegbereider geweest . In Mt 14,13 verneemt Jezus dat Johannes onthoofd en begraven is . Blijkbaar wordt Jezus zozeer in samenhang met Johannes de Doper gezien , dat ook zijn leven in gevaar is , wanneer dat het geval met Johannes is . In deze gevallen heeft horen iets bedreigends . Zo wordt ook duidelijk dat het lot van Johannes ook het lot van Jezus zal worden . Het uitwijken van Jezus zal een wending nemen wanneer Petrus belijdt dat Jezus de messias is , de zoon van de levende God . De leerlingen zijn dan voldoende gevormd en gegroeid dat zijn boodschap kan overleven bij zijn heengaan .

  1. Herodes 2. Jozef 3. Jezus 7. : Jezus 4. Jezus 5. Jezus 6. Johannes de Doper 8. de jongeling
bijbelplaats Mt 2,3 Mt 2,22 Mt 4,12   Mt 14,13 Mt 8,10 Mt 9,12 Mt 11,2 Mt 19,22
  akousas (gehoord) akousas (gehoord) akousas (gehoord) akousas (gehoord) akousas (gehoord) ho de (hij echter) akousas (gehoord)  Ho de Iôannès (Johannes echter)  akousas (gehoord) akousas (gehoord)
het partikel de (echter) de (echter) de (echter) de (echter) de (echter) de (echter)     de (echter)
onderwerp ho basileus Hèrôides (koning Herodes)     ho Ièsous (Jezus) ho Ièsous (Jezus)     ho neaniskos (de jongeling)
+ voorwerpszin : hoti... (dat...) of voorwerp   hoti (dat)... hoti (dat)...         ton logon (het woord)
vervoegd werkwoord etarachthè (werd hij ontsteld)  23 anechôrèsen (week hij uit) anechôrèsen (week hij uit) anechôrèsen (week hij uit) ethaumasen (was hij verwonderd) eipen (zei hij)  .... eipen (zei) apèlthen (ging hij weg)
  11. Huldiging van de magiërs : Mt 2,1-12 - 12. Vlucht naar Egypte en terugkeer : t 2,13-23 - 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 - 150. Terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop - Mc 6,30-34 - Mt 14,13-14 -Lc 9,10-11 - 57. De honderdman van Kafarnaüm :Mt 8,5-13 - Lc 7,1-10 - 69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 - 111. Vraag van Johannes de Doper : Lc 7,18-23 - Mt 11,2-6 - 268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 -

--- akouei (hij luistert naar, hij hoort) . Actief praesens derde persoon enkelvoud . In negen verzen bij Matteüs .

--- akouôn (horend, luisterend naar) . Tegenwoordig deelwoord nominatief mannelijk enkelvoud . In vier verzen bij Matteüs . Het wordt aangewend in de gelijkenis van een huizenbouwer (Mt 7,24-27 ) en in die van de zaaier (Mt 13,18-23 ). Mt 7,26 : kai pas ho akouôn mou tous logous toutous (en al wie luistert naar deze woorden van mij) . Mt 13,20 . Mt 13,22 . Mt 13,23 : houtos estin ho ton logon akouôn (hij is degene die naar het woord luistert) . In deze vier verzen is het werkwoord akouô (horen, luisteren) vergezeld van een vorm van logos (woord) als lijdend voorwerp .

--- akouontos (horend, luisterend naar) . Participium praesens genitief mannelijk of onzijdig enkelvoud . In zes verzen in de bijbel . In vier verzen in het O.T. . In twee verzen in het N.T. nl . Mt 13,19 en Lc 20,45 .

- akouontes (horende) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . Tegenwoordig deelwoord nominatief mannelijk en vrouwelijk meervoud . In twintig verzen in de bijbel . In vijf verzen in het O.T. . In vijftien verzen in het N.T. . In vijf verzen in Lc : (1) Lc 2,47 . (2) Lc 4,28 . (3) Lc 8,10 . (4) Lc 8,21 . (5) Lc 11,28 . In vier verzen in Hnd : (1) Hnd 7,54 . (2) Hnd 9,7 . (3) Hnd 9,21 . (4) Hnd 18,8 .
-- pantes hoi akouantes (al wie hoort) . In twee verzen in het N.T. : (1) Lc 2,47 . (2) Hnd 9,21 .
- akouontas (horende) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . Tegenwoordig deelwoord accusatief mannelijk en vrouwelijk meervoud . In zes verzen in de bijbvel . Hnd (5) : (1) Hnd 5,5 . (2) Hnd 5,11 . (3) Hnd 10,44 . (4) Hnd 17,8 . (5) Hnd 26,29 . Tenslotte : 1 Tim 4,16 .
-- pantas tous akouontas (al wie hoort) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . In vier verzen in het N.T. : (1) Hnd 5,5 . (2) Hnd 5,11 . (3) Hnd 10,44 . (4) Hnd 26,29 .
--- pantas tous akouontas tauta (al wie dat hoort) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . In drie verzen in het N.T. : (1) Hnd 5,5 . (2) Hnd 5,11 . (3) Hnd 17,8 .

--- akouein (horen) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . Actief infinitief praesens . In tweeëntwintig verzen in het O.T. . In tweeënveertig verzen in de bijbel . In twintig verzen in het N.T. . Mt (1) . Mc (4) . Lc (7) . Joh (3) . Hnd (3) . In zeven verzen in Lc . : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,15 . (3) Lc 8,8 . (4) Lc 14,35 . (5) Lc 15,1 . (6) Lc 22,38 . (7) Lc 23,8 . In drie verzen in Hnd : (1) Hnd 4,19 . (2) Hnd 8,6 . (3) Hnd 17,21 .

--- èkousen (hij hoorde) . Indicatief aorist derde persoon mannelijk enkelvoud komt in 184 verzen in de bijbel voor . In 168 verzen in het O.T. en in zestien verzen in het N.T. In Mt 14,1, in Mc 6,14, in drie verzen in Lucas, in zes verzen in Johannes, in vijf verzen in de rest van het N.T. wajjisjma`(en hij hoorde) komt in het O.T. in negentig verzen voor .

- akousantes (gehoord) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . Participium aorist nominatief mannelijk en vrouwelijk meervoud . In zevenenzestig verzen in de bijbel . In vijftien verzen in het O.T. . In tweeënvijftig verzen in het N.T. . Mt (13) . Mc (7) . Lc (7) . Joh (5) . Hnd (16) . Brieven (4) . In dertien verzen bij Matteüs : (1) Mt 2,9 . (2) Mt 12,24 . (3) Mt 14,13 . (4) Mt 15,12 . (5) Mt 17,6 . (6) Mt 19,25 . (7) Mt 20,24 . (8) Mt 20,30 . (9) Mt 21,45 . (10) Mt 22,22 . (11) Mt 22,33 . (12) Mt 22,34 . (13) Mt 27,47 . In zeven verzen bij Lucas : (1) Lc 1,66 . (2) Lc 2,18 . (3) Lc 8,12 . (4) Lc 8,14 . (5) Lc 8,15 . (6) Lc 18,26 . (7) Lc 20,16 . In zestien verzen in Handelingen : (1) Hnd 2,37 . (2) Hnd 4,24 . (3) Hnd 5,21 . (4) Hnd 5,33 . (5) Hnd 8,14 . (6) Hnd 9,38 . (7) Hnd 11,18 . (8) Hnd 14,14 . (9) Hnd 16,38 . (10) Hnd 17,32 . (11) Hnd 18,26 . (12) Hnd 19,5 . (13) Hnd 19,28 . (14) Hnd 21,20 . (15) Hnd 22,2 . (16) Hnd 28,15 . Er zijn 4 teksten waarbij de Farizeeën onderwerp zijn Mt 12,24 , Mt 15,12 , Mt 21,45 , Mt 22,34 . In 3 gevallen staat het onderwerp voor het particpium, in 1 geval erna.
- akousantes de (gehoord echter) . In twaalf verzen in het N.T. . Mt (1) . Lc (1) . Hnd (10) : (1) Hnd 2,37 . (3) Hnd 5,21 . (5) Hnd 8,14 . (7) Hnd 11,18 . (8) Hnd 14,14 . (10) Hnd 17,32 . (11) Hnd 18,26 . (12) Hnd 19,5 . (13) Hnd 19,28 . (15) Hnd 22,2 . In deze tien verzen in Hnd staat dit telkens bij het begin van een zin . In negen verzen in het begin van een vers , niet in Hnd 18,26 .
- hoi de akousantes (de toehoorders echter) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . In zes verzen in het N.T. . Mt (1) . Mc (1) . Joh (1) . Hnd (3) . In drie verzen in Hnd : (1) Hnd 4,24 . (2) Hnd 5,33 . (3) Hnd 21,20 . Telkens bij het begin van het vers .

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13.
Mt 2,9 Mt 12,24 Mt 14,13 Mt 15,12 Mt 17,6 Mt 19,25 Mt 20,24 Mt 20,30 Mt 21,45 Mt 22,22 Mt 22,33 Mt 22,34 Mt 27,47
hoi de (zij echter) hoi de Farisaioi (de Farizeeën echter) kai (en) hoti hoi Farisaioi (dat de Farizeeën) kai (en)   kai (en) kai idou duo tufloi (en zie twee blinden)... kai (en) kai (en) kai (en) hoi de Farisaioi (de Fariuzeeën echter) tines de ... (sommigen echter...)
akousantes (gehoord) akousantes (gehoord) akousantes (gehoord) akousantes (gehoord) akousantes (gehoord) akousantes de (gehoord echter) akousantes (gehoord) akousantes (gehoord) akousantes (gehoord) akousantes (gehoord) akousantes (gehoord) akousantes (gehoord) akousantes (gehoord)
    hoi ochloi (de menigten)   hoi mathètai (de leerlingen) hoi mathètai (de leerlingen) hoi deka (de tien)  

hoi archiereis kai hoi Farisaioi (de hogepriesters en de Farizeeën)

  hoi ochloi (de menigten)    

- pantes hoi akousantes (allen die hoorden) . In twee verzen in het N.T. : (1) Lc 1,66 . (2) Lc 2,18 .

- akousèi (hij zou luisteren) . Conjunctief aorist derde persoon enkelvoud . Het komt in zevenendertig verzen in de bijbel voor . In negenentwintig verzen in het O.T. . In acht verzen in het N.T. . In Mt 10,14 (gelijkaardige tekst als Mt 18,15) , Mt 18,15 en Mt 18,16 .
- akousai . Actief infinitief aorist . In eenenzestig verzen in de bijbel . In zeventien verzen in het N.T. . Mt (2) . Lc (3) . Hnd (11) . Jak 1,19 . In elf verzen in Hnd : (1) Hnd 10,22 . (2) Hnd 10,33 . (3) Hnd 13,7 . (4) Hnd 13,44 . (5) Hnd 15,7 . (6) Hnd 19,10 . (7) Hnd 22,14 . (8) Hnd 24,4 . (9) Hnd 25,22 . (10) Hnd 26,3 . (11) Hnd 28,22 .

Een vorm van het werkwoord akouô (horen, luisteren) met het lijdend voorwerp ton logon , in Hnd :
(1) Hnd 4,4 : polloi de akousantôn ton logon (velen echter van wie het woord hoorden) .
(2) Hnd 10,44 : pantas tous akouontas ton logon (al wie hoort het woord) .
(3) Hnd 13,7 : akousai ton logon tou theou (te horen het woord van God) .
(4) Hnd 13,44 : akousai ton logon tou theou (het woord van God) .
(5) Hnd 19,10 : akousai ton logon tou kuriou (te horen het woord van de Heer) .

--- akoè (gerucht over hem) . In eenendertig verzen in de bijbel . In tweeëntwintig verzen in het O.T. . In negen verzen in het N.T.
--- -- akoai : hoormiddelen . In twee verzen in de bijbel : (1) 1 S 2,24 . (2) Mc 7,35 .

2. de (echter) , zie Mt 1,2 . Bij Matteüs komt de (echter) in 421 verzen voor . Het duidt op een verandering van personage . Het staat steeds op de tweede plaats in een zin . Bij het participium akousas (gehoord) komt telkens het partikel de (echter) voor . Blijkbaar is er iets gebeurd en gezegd , dat het hoofdpersonage van de zin met akousas (gehoord) te weten komt . Er heeft dan telkens een verandering van personage plaats .

3. hoti (dat, omdat) , zie Mt 2,16 . Hoti (dat, omdat) komt bij Matteüs 137 verzen voor . Hier leidt het een afhankelijke voorwerpszin bij akousas (gehoord) in. Het komt tweemaal voor bij het participium nominatief mannelijk enkelvoud akousas (gehoord) . De voorwerpszin in Mt 4,12 geeft nieuwe informatie. Hoe die informatie bekomen werd , wordt niet gezegd . Die informatie kwam in ieder geval Jezus ter ore. Het lijkt er ook op dat sommigen bekommerd waren om Jezus te verwittigen van wat er was gebeurd zodat hij zich in veiligheid zou kunnen brengen .

7. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mt : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mt (215) . Mt 4 (7) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,8 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 4,13 . (6) Mt 4,18 . (7) Mt 4,24.

8. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn van het bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . Mt (180) . Mt 4 (7) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,8 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 4,13 . (6) Mt 4,18 . (7) Mt 4,24 .

   1. 2. 3.  4.  5.    Pilatus
bijbelplaats   Mt 26,2 Mt 26,24 Mt 26,45  Mt 17,22  Mt 20,18 Mt 20,19  Mt 27,26
 Jezus kai ho huios tou anthrôpou (en de mensenzoon) ouai de tôi anthrôpôi ekeinôi di'hou ho huios tou anthrôpou (wee echter die mens door wie de mensenzoon) kai ho huios tou anthrôpou (en de mensenzoon) mellei ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon staat op het punt)  kai ho huios tou anthrôpou (en de mensenzoon)    ton de Ièsoun Jezus echter)
 wordt overgeleverd paradidotai (wordt overgeleverd) paradidotai (wordt overgeleverd) paradidotai (wordt overgeleverd) paradidosthai (overgeleverd te worden)  paradothèsetai (zal overgeleverd worden) kai paradôsousin auton (en zij zuillen hem overleveren)  paredôken (leverde hij over)
 tot  eis to staurothènai (om gekruisigd te worden)    eis cheiras hamartôlôn (in handen van zondaars) eis cheiras anthrôpôn (in handen van mensen)   kai katakrinousin auton thanatôi (en zullen veroordelen hem ter dood) eis to... staurôsai (om hemte ... kruisigen)  hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden.
   317. Complot tegen Jezus : Mc 14,1-2 // Mt 26,1-5 // Lc 22,1-2 - Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 -  321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 // Mt 26,20-25 // Lc 22,14 - Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 -  329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 // Mt 26,36-46 // Lc 22,40-46 Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -  171. Tweede lijdensvoorspelling : Mc 9,30-32 // Mt 17,22-23 // Lc 9,43b-45 - Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 -  273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 // Mt 20,17-19 // Lc 18,31-34 - Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 -  273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 // Mt 20,17-19 // Lc 18,31-34 - Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 -  342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 // Mt 27,24-26 // Lc 23,24-25 - Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 -

De overlevering brengt niet alleen het levenslot van Jezus in beeld, maar ook van de eerste christenen. In de bergrede, de zendingsrede en de eschatologische rede is het wel in de toekomstige tijd geformuleerd. Wellicht beleven ze situaties van uitleveringen. Vandaar die gevoeligheid om dat aspect van het lot van Johannes de Doper en van Jezus te belichten. Matteüs geeft dus ook heel wat weer over de situatie van de eerste christelijke gemeenten in Galilea in de 1ste eeuw.

  1. 2. 3. 4. 5.
bijbelplaats Mt 10,17 Mt 24,9 Mt 24,9 Mt 10,19 Mt 10,19
overlevering paradôsousin gar humas(want zij zullen u overleveren) tote paradôsousin humas (dan zullen zij u overleveren) kai allèlous paradôsousin (en zij zullen elkaar overleveren) hotan de paradôsin humas (wanneer zij echter u overleveren) paradôsei adelfos adelfon eis thanaton (een broer zal zijn broer ter dood overleveren)
  eis... (in ...) eis (tot)      
ter dood   kai apoktenousin humas (en zij zullen u doden)     eis thanaton (ter dood) ... kaiu thanatôsousin autous (en zij zullen hem doden)
  77. Gedrag bij vervolgingen: - Mt 10,17-23 - Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 - 301. Gedrag bij vervolgingen : Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 - 301. Gedrag bij vervolgingen : Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 - 77. Gedrag bij vervolgingen: Mt 10,17-23 - Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 - 77. Gedrag bij vervolgingen: Mt 10,17-23 - Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 -

Het is opvallend hoe teksten over "overlevering" bij Marcus en Matteüs zo sterk met elkaar overeenkomen.

1.     2.     3.      4.  
 Mt 26,46   Mc 14,42   Mt 26,21 Mc14,18   Mt 26,45 Mc 14,41    Mt 17,22  Mc 9,31
 idou èggiken (zie nabij is)  idou (zie)   amèn legô humin hoti heis ex humôn (voorwaar ik zeg u dat één uit jullie) amèn legô humin hoti heis ex humôn (voorwaar ik zeg u dat één uit jullie)   kai ho hui²os tou anthrôpou (en de mensenzoon) idou paradidotai ho huios tou anthrôpou (zie wordt overgeleverd de mensenzoon)   mellei ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon staat op het punt) hoti ho huios tou anthrôpou (dat de mensenzoon)
ho paradidous me (die mij overlevert)  ho paradidous me (die mij overlevert)  èggiken (is nabij)   paradôsei me (mij zal overleveren) paradôsei me (mij zal overleveren)   paradidotai (wordt overgeleverd)     paradidosthai (overgeleverd te worden) paradidotai (wordt overgeleverd)
             eis cheiras hamartôlôn (in handen van zondaars)  eis tas cheiras tôn hamartôlôn (in de handen van de zondaars)   eis cheiras anthrôpôn (in handen van mensen)   eis cheiras hamartôlôn (in handen van zondaars)
 329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -  329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -    321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 // Mt 26,20-25 // Lc 22,14 - Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 -  321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 // Mt 26,20-25 // Lc 22,14 - Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 -    329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -  329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -    171. Tweede lijdensvoorspelling : Mc 9,30-32 // Mt 17,22-23 // Lc 9,43b-45 - Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 -  171. Tweede lijdensvoorspelling : Mc 9,30-32 // Mt 17,22-23 // Lc 9,43b-45 - Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 -


Jezus wijkt uit van de diepten van de Jordaan en de woestijn van Judea naar het meer van Galilea en de hoogten van de bergen van Zebulon en Neftali om dan af te dalen naar het zuiden en op te gaan naar Jeruzalem.
Breukelman, F.H., Bijbelse theologie. Deel 3. De theologie van de evangelist Mattheüs, Kampen, J.J.Kok, 1984. Blz.145-149: A. Het anachôrein van Jezus in Mattheüs 4 : 12.

Het evangelie van Matteüs heeft de dood als een centraal thema. Eerst probeert Jezus de dood te ontlopen om zo het brengen van zijn boodschap niet in gevaar te brengen, daarna daagt hij het lot uit en gaat naar Jeruzalem waar hij gedood wordt. Van een ontwijken kiest Jezus voor de uitdaging en de confrontatie.

- eis tèn Galilaian (naar Galilea) . Verwijzing : Galilea , zie Mc 1,14 . In vijf verzen bij Matteüs : (1) Mt 4,12 . (2) Mt 26,32 . (3) Mt 28,7 . (4) Mt 28,10 . (5) Mt 28,16 .

Jezus gaat slechts 2X naar Galilea - Galilaia (Galilea) -. De eerste maal is het om als leraar op te treden, de tweede maal als verrezene (waar hij zijn leerlingen verzamelt). Wanneer Jezus voor de eerste maal naar Galilea gaat, roept hij leerlingen. Misschien zijn het wel leerlingen van Johannes de Doper die door het gebeuren in Judea terug naar huis zijn getrokken. De uitlevering van Johannes had tot gevolg dat zijn leerlingen uiteen gingen, veiligheid zochten,verstrooid werden. Het kan dat Jezus deze verstrooide leerlingen bijeenbrengt en zelf als leraar gaat optreden.
Er moet iets verduidelijkt worden in verband met Galilea. Het ligt in het noorden, boven Samaria. Het ene koninkrijk werd in 931 voor Christus gesplitst in het Noordrijk (Israël) en het Zuidrijk (Juda). In 721 voor Christus kwam een einde aan de onafhankelijkheid van het Noordrijk en ontstond het volk van de 'Samaritanen'. Met de Romeinen kwam Palestina (met Judea, Samaria en Galilea) onder de provincie Syrië. Wellicht rond het begin van de christelijke tijdrekening weken heel wat bewoners uit Judea (joden) naar Galilea uit. Hoe was hun verhouding met de inheemse bevolking? In ieder geval kwamen de joden bijeen in synagogen.
Dat Jezus na zijn verrijzenis zijn leerlingen voorgaat naar Galilea en dat zij Hem daar zullen zien, kan erop wijzen dat de christelijke gemeenten in Galilea zich beroepen op Jezus als stichter van hun gemeenschappen. Volgens Lucas moeten de leerlingen in Jeruzalem blijven. Daar wordt dan de eerste christelijke gemeente gesticht.
1. 2. 3. 4. 5.
Mt 4,12 Mt 26,32 Mt 28,7 Mt 28,10 Mt 28,16
    kai tachu poreutheisai (en vlug vertrokken zijnde) hupagete (ga) hoi de hendeka (de elf echter)
    eipate tois mathètais autou (zeg aan zijn leerlingen) apaggeilate tois adelfois mou (meld aan mijn broeders)  
Akousas de hoti paredothè (Gehoord echter dat Johannes was uitgeleverd) meta de to egerthènai me (nadat echter ik ben verrezen hoti ègerthè apo tôn nekrôn (dat hij is opgewekt uit de doden)    eporeuthèsan (gingen)
anechôrèsen (week hij uit) proaksô humas (zal ik je voorgaan)   kai idou proagei humas (en zie hij gaat je voor) hina (opdat) apelthôsin zouden vertrekken)  
eis (naar) eis (naar) tèn Galilaian (Galilea) eis (naar) tèn Galilaian (Galilea) eis (naar) tèn Galilaian (Galilea) eis (naar) tèn Galilaian (Galilea)
    ekei auton opsesthe (daar hem zult gij zien) kakei me opsontai (en daar zullen zij mij zien)  
    idou eipon humin (zie ik heb het je gezegd)   17. kai idontes auton (en hem gezien hebbende)
21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening : Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39   351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12  353. Verschijning aan de elf in Galilea : Mt 28,16-20

Mt 4,12 gelijkt zeer sterk op Mt 2,22. Matteüs wil duidelijk maken dat Jezus met de dood bedreigd werd, zoals dat met Mozes het geval was.

Ex 2,15 Mt 2,22 - (Mt 2,22-23) Jozef week uit naar Galilea, omdat Archelaos koning over Judea is, in de plaats van zijn vader Herodes)  Mt 2,23 Mt 4,12 (Jezus week uit naar Galilea, omdat Johannes werd gevangen genomen) Mt 4,15
15a. wajjisjm`a Par`oh ´èth haddâbhâr hazèh - èkousen de Faraô to rèma touto (De Farao echter vernam dit gebeuren) Mt 2,22 Akousas de hoti (Toen  -Jozef - echter vernam  dat...)   22. Akousas de hoti ( Jezus echter vernomen dat...)  
15c. wajjibhraH Mosjèh - anechôrèsen de Môusès (week echter Mozes uit) anechôrèsen (week hij uit)   anechôrèsen (week hij uit)  
  eis ta merè tès Galilaias  (naar het landsgedeelte  van Galilea)   eis tèn Galilaian (naar Galilea)  
wajjeesèv be´èrèdz midjan wejjeesjev `al habbe' eer (en hij vestiogde zich in het land Midjan en hij vestigde zich bij de bron) kai ôikèsen en gèi Madiam, elthôn de eis gèn Madiam ekathisen epi tou freatos (en hij vestigde zich in het land Midjam, gekomen echter in het land Midjam settelde hij zich bij de bron) Mt 2,23 kai elthôn (en)   13. Kai katalipôn tèn Nazara elthôn (en achtergelaten Nazaret)  
  katôikèsen (hij ging wonen)   katôikèsen (ging hij wonen)  
  eis polin legomenèn Nazareth (in de stad die wordt genoemd Nazaret) hoti nazaraios klèthèsetai (dat hij Nazareeër zou genoemd worden) eis Kafarnaum tèn parathalassian en horiois Zaboulôn kai Nefthalim (in Kafarnaüm langs het meer in de bergen van Zabulon en Neftali gè Zaboulôn kai gè Nefthalim, hodon thalassès, peran tou Iordanou, Galilaia ôon ethnôn (land van Zebulon en land van Neftali, weg naar de zee, aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de heidenen
  hôs (opdat)   hina (opdat)  
  plèrôthèi to rèthen dia (zou vervuld worden het gezegde via)   plèrôthèi to rèthen dia (zou vervuld worden het gezegde via)  
Mozes en zijn volk. Vlucht naar Midjan - Ex 2,11-22 - 12. Vlucht naar Egypte en terugkeer : Mt 2,13-23 - 12. Vlucht naar Egypte en terugkeer : Mt 2,13-23 - 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 - 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 -

Betekenis van Mt 4,12

Jezus' optreden ( Mt 3,13 ) begint na het optreden van Johannes de Doper ( Mt 3,1 ) . Het optreden van Jezus wordt bedreigd met de dood , eerst door de wereldlijke politieke machthebbers (Mt 4,12 . Mt 14,13 ) en later door de religieuze leiders . Die bedreiging brengt Jezus naar Galilea en vervolgens naar het meer heidens gebied . De overlevering van Johannes ( Mt 4,12 ) scherpt Jezus'bewustzijn aan dat ook zijn overlevering (en dood) het gevolg van zijn optreden kan zijn . Johannes is de wegbereider en voorganger van Jezus : zowel wat zijn boodschap als wat zijn levenslot betreft .
Er gaat een schok door Judea wanneer de profeet Johannes de Doper wordt overgeleverd . Wellicht door iemand van Johannes'bekenden die de verblijfplek kon aanduiden . De overlevering en de gevangenneming van Johannes betekent totale onbetrouwbaarheid van het gebied . Dat gaat rond als een vuur . Jezus wordt verwittigd en moet in het noorden , in Galilea , veiligheid zoeken . De rust van de woestijn wordt brutaal verstoord . De plek van bezinning en voorbereiding wordt een verradershol . De leerlingen van Johannes moeten hun vel trachten te redden .
Jezus wijkt uit naar Galilea . Hij laat Nazaret achter zich . Hij is niet meer dezelfde als bij zijn vertrek naar Judea om door Johannes gedoopt te worden . Hij draagt een boodschap in zich . Hij gaat naar Kafarnaüm . Jezus zal naargelang het gevaar dichter komt , verder uitwijken naar heidens gebied en de 'heidenen' leren kennen . Het is Matteüs'overtuiging dat de joodse boodschap volgens Jezus een licht voor de heidenen kan zijn . Zo breken oudtestamentische teksten open die aankondigen dat heidenen naar Jeruzalem zullen gaan . In Mt 28 zal Jezus zijn leerlingen zenden om het evangelie te verkondigen aan alle volkeren.
In een sfeer van dreiging , macht , verraad , haat , brengt Jezus zijn boodschap dat God liefde is en dat mensen elkaar moeten beminnen . Hoe is hij aan de druk kunnen weerstaan om niet gewelddadig en agressief te worden ?

Mt 4,13 - Mt 4,13 : 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mt 4,12 - Mt 4,13 - Mt 4,14 - Mt 4,15 - Mt 4,16 - Mt 4,17 -- Mt 4 -- Mt 4,1-11 - Mt 4,12-17 - Mt 4,18-22 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:13 kai katalipôn tèn nazara elthôn katôkèsen eis kafarnaoum tèn parathalassian en oriois zaboulôn kai nefthalim 13 et relicta civitate Nazareth venit et habitavit in Capharnaum maritimam in finibus Zabulon et Nepthalim   En hij verliet Nazaret (en) ging wonen in Kafarna¨m aan de zee , in het gebied van Zebulon en Naftali . .  13 En Nazareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapernaum, gelegen aan de zee, in de landpale van Zebulon en Nafthali;  [13] Met voorbijgaan van Nazaret vestigde Hij zich in Kafarnaüm* bij het meer, in het gebied van Zebulon en Naftali,  [13] Hij liet Nazaret achter zich en ging wonen in Kafarnaüm, aan het Meer van Galilea, in het gebied van Zebulon en Naftali.   13 Hij laat Nazaret achter zich en komt aan en gaat wonen in Kafarnaoem aan de zee, in het gebied van Zebulon en Naftali;  13. et, laissant Nazara, vint s'établir à Capharnaüm, au bord de la mer, sur les confins de Zabulon et de Nephtali,

King James Bible . [13] And leaving Nazareth, he came and dwelt in Capernaum, which is upon the sea coast, in the borders of Zabulon and Nephthalim:
Luther-Bibel . 13 Und er verließ Nazareth, kam und wohnte in Kapernaum, das am See liegt im Gebiet von Sebulon und Naftali,

Tekstanalyse van Mt 4,13

2. kataleipô (achterlaten) . Verwijzing : kataleipô (achterlaten) , zie Mt 4,13 .
--- katalipôn (achtergelaten) . In tien verzen in de bijbel . In vier verzen in het O.T. . In zes verzen in het N.T. . Bij Matteüs komt het in drie verzen voor . Jezus laat Nazaret achter zich . Daar heeft hij zijn kinder- en jeugdjaren doorgebracht . Jezus sluit definitief een periode af .
  Mt 4,13 Mt 16,4 Mt 21,17
verbindend voegwoord kai (en) kai (en) kai (en)
participiumzin katalipôn (achtergelaten) katalipôn (achtergelaten) katalipôn (achtergelaten)
lijdend voorwerp tèn Nazara (Nazaret) autous (hen) autous (hen)
werkwoordvorm van erchomai elthôn (gegaan) apèlthen (ging hij weg) exèlthen exô tès poleôs (ging hij buiten de stad)
  katôikèsen vestigde hij zich)    
  eis Kafarnaoum (in Kafarnaüm)   eis Bèthanian (naar Bethanië)
  21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 - 159. Vraag om een teken uit de hemel : Mc 8,11-13 - Mt 16,1-4 - Mt 12,38-42 - 284. Jezus in de tempel. Terugkeer naar Betanië : Mc 11,18-19 - Mt 21,14-17 - Lc 19,47-48 -

--- katelipen (hij liet achter) . Aorist derde persoon enkelvoud . In eenendertig verzen in de bijbel . In achtentwintig verzen in het O.T. : (8) 1 K 19,20 . In drie verzen in het N.T. .

3. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn van het bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . Mt (180) . Mt 4 (7) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,8 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 4,13 . (6) Mt 4,18 . (7) Mt 4,24 .

- Nazaret (Nazaret) . Het komt in 4 verzen in de bijbel voor, slechts in het N.T. Het komt zo slechts in 1 vers bij Matteüs : Mt 2,23 . In Mt 21,11 staat Nazareth (Nazaret) (apo Nazareth tès Galilaias : uit Nazaret van Galilea) - Mt 21,10-11 - . Ook Nazara (Nazaret) komt slechts 1X voor, nl. Mt 4,13 - Mt 4,12-17 -. Nazaraios (de Nazarener) komt in de nominatief voor in Mt 2,23 en in de genitief in Mt 26,71 (meta Ièsou tou Nazaraiou : met Jezus de Nazarener) - Mt 26,69-75 -.

6. elthôn (gegaan, gekomen) , zie Mt 8,14 .
Jezus gaat wonen . In het Grieks : deelwoord van erchomai (gaan) en het hoofdwerkwoord . In het Nederlands is gaan het hoofdwerkwoord en het erop volgend werkwoord een infinitief .

7. katoikeô : nederzetten (nederzetting), wonen, zich vestigen . Verwijzing : katoikeô (nederzetten, wonen) , zie Mt 4,13 .
--- katoikountes (bewoners) . In 107 verzen in de bijbel . In achtennegentig verzen in het O.T. . In negen verzen in het N.T. . In vijf verzen in Hnd : . In vier verzen in Opb . Het Hebreeuwse werkwoord josjëbhê wordt in twintig verzen door een synoniem Grieks woord vertaald : kathèmenoi (die gezeten zijn) .
--- katôikèsen (hij woonde) komt in de bijbel in veertig verzen voor . In zevenendertig verzen in het O.T. . In drie verzen in het N.T. . Bij Matteüs komt katôikèsen (hij woonde) slechts tweemaal voor .
- jâsjabh (wonen) komt in 123 verzen in de bijbel voor . Qal perfectum derde persoon enkelvoud of jôsjeb : qal participium mannelijk enkelvoud .
--- josjëbhê (die bewonen) . In 110 verzen in de bijbel.
--- josjëbhim (die bewonen, bewoners) . In 24 verzen in de bijbel .
--- wajjesjèbh (en hij verbleef) . Actief qal imperfectum derde persoon enkelvoud . In 228 verzen in de bijbel . In achtentwintig verzen in Gn . (28) Gn 50,22 .

8. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mt : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mt (215) . Mt 4 (7) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,8 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 4,13 . (6) Mt 4,18 . (7) Mt 4,24.

9. Kafarnaüm komt bij Matteüs 4X voor. Hier in Mt 4,13. Verder in Mt 8,5 de honderdman van Kafarnaüm) - Mt 8,5-13 - in Mt 11,23 (de vervloeking van Kafarnaüm) - Mt 11,20-24 - en in Mt 17,24 (tempelbelasting) - Mt 17,24-27 -

10. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn van het bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. ho ...to.. , tè... N. : de , het . E. : the . D. der , die , das . Mt (180) . Mt 4 (7) : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,8 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 4,13 . (6) Mt 4,18 . (7) Mt 4,24 .
Mt 4,14 - Mt 4,14 : 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mt 4,12 - Mt 4,13 - Mt 4,14 - Mt 4,15 - Mt 4,16 - Mt 4,17 --
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:14 ina plèrôthè to rèthen dia èsaiou tou profètou legontos   14 ut adimpleretur quod dictum est per Esaiam prophetam   opdat verwuld zou worden wat gezegd werd door Jesaja de profeet , zeggend :   14 Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende:   14] opdat vervuld zou worden wat bij monde van de profeet Jesaja gezegd is:   [14] Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jesaja:   14 zo wordt vervuld wat is gesproken door de profeet Jesaja waar hij zegt:   14. pour que s'accomplît l'oracle d'Isaïe le prophète :  

King James Bible . [14] That it might be fulfilled which was spoken by Esaias the prophet, saying,
Luther-Bibel . 14 damit erfüllt würde, was gesagt ist durch den Propheten Jesaja, der da spricht (Jesaja 8,23; 9,1):

Tekstuitleg van Mt 4,14 .

Mt 4,15 - Mt 4,15 : 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mt 4,12 - Mt 4,13 - Mt 4,14 - Mt 4,15 - Mt 4,16 -