NEDERLANDS : ETYMOLOGIE

- https://onzetaal.nl/ .
- http://www.projectx2002.org/nederlands/fonetiek_en_fonologie_oef.htm .
- http://vincentderooij.socsci.uva.nl/atw/week1.html .

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -

- http://www.omniglot.com/writing/egyptian.htm#origins .

A

- -a : ba , ga , la , ma , na , pa , ra , sla , va ,
- -aad : daad , laad , naad , raad , zaad .
- -aak : haak , kaak , laak , maak , raak , taak , vaak , waak , zaak .
- -aal : baal , daal , faal , kaal , maal , paal , sjaal , taal , vaal , Waal , zaal .
- -aam : alaam , faam , naam , raam ,
- -aan : baan , banaan , dekaan , gaan , graan , haan , laan , maan , vandaan ,
- -aap : kaap , paap , raap ,
- -aar : baar , gaar , haar , jaar , maar , naar , paar , raar , vaar , waar .
- --- Als suffix : ler-aar < stam leer - aar . Zie WdH , Morfologisch 170-173 .
- -aars : kaars , laars , paars , vaars .
- acht : dacht , jacht , klacht , kracht , lacht , macht , nacht , pacht , pracht , slacht , vacht , wacht , zacht .
- -ar : bar , dar , kar , nar , spar ,

-

- Ned. : aarde . D. : Erde . E. : earth . Arabisch : أَرْض = ´arD (aarde) . Aramees : אֲרְעַ = ´ärë`a (aarde) . Hebreeuws : אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) . Syrisch : ´ar`o (aarde) .
- Fr. : terre . Italiaans : terra . Lat. : terra < ter-sa , zie tergere (tergo of tergeo) ; torrere (torreo, torrui, tostum) : drogen , dor) . Spaans : tierra . De aarde (t') wordt voorgesteld door aan beide kanten afgeronde rechthoek met drie punten eronder als zaden die in de aarde kunnen ontkiemen . Tegenover terra (aarde) staat mare : zee .
-- Grieks : γη = gè (aarde, land) -> gaia - geo-logie . Geb . In de Egyptische mythologie is Geb de god van de aarde , zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Geb_(mythologie) . Hij wordt voorgesteld door een gans .

- Ned.: ach-t-er . Arabisch : âkhar . Hebr. :´-ch-r . (1) voorzetsel אֶחָר = ´èchär (na, achter) stat. constr. אַחַר = ´achar . (2) אַחֵר = ´acher (a-n-der, andere) . D.: hinter .
-- E.: an-other < elk ander , other .
- Lat.: post .

- Ned.: adelaar (edele aar) . D.: Adler .
- Lat.: aquila . E. : eagle . Fr. : aigle .

- adem - asem (Waarschoots: ausme) . Gr.: οσμη / οδμη = osmè / odmè (reuk) ; zie wkw. οζω = ozô (ruiken) . Lat. : odor, odoris . Fr. : odeur .

- Ned.: ageren < Lat.: agere , egi , actum (handelen) . Gr.: αγω = agô (voeren, leiden, drijven) .

- Franse uitgang -ain > lat.: -anus : panis -> pain ; famis -> faim .

- Ned.: Amon :

- Ned.: Atoem : https://nl.wikipedia.org/wiki/Atoem .

B

- Ned.: bak-k-en

- banen, gaan . Grieks : βαινω = bainô (banen, gaan, zich in beweging zetten) . Hebreeuws : בָּא = bâ´ (gaan, komen) .

- Ned.: beest . E.: beast . Fr.: bête .

- beet-je . D. : Bit . E.: bit . Fr.: bit . Stam : b - t .

- Ned.: berg .
-- Lat.: mons , montis . Fr.: mont .
-- Hiëroglyfen : dw . Uitgebeeld door twee hoogtes waartussen een dal is .

- Ned.: be-stem-men. Lat.: de-stin-are: bestemmen, bepalen, bevestigen. Fr.: destiner.

- Ned.: bijten , beet , gebeten . bete .

- blad (van een boom). Stam: b/f -l. D.: Blatt. G.: φυλλον = fullon (blad). βλαστος (kiem, spruit, stengel). Ww. βλαστ-αν-ω = blastanô (kiemen, ontspruiten). Lat.: folium (blad); flos, floris (bloem).

- blik-ken. Gr.: βλεπω = blepô.

- Ned.: blind . D.: blind . E.: blind .
- Lat.: caecus . Fr.: aveugle (ab oculis : zonder ogen)
- Gr.: tuflos .
- Hebr. : `iwwer .

- Ned.: boek . D.: Buch . E. : book .
- Gr.: βιβλιον (boek , geschrift) < βιβλος = bib-los (papyrusplant, papyrusrol , boek) . De Griekse uitgang -ion duidt een collectivum aan en gaat van zn naar zn .
-Lat.: liber . Fr.: livre . Stam : l - b/v - r . In het Grieks is het b-b-l . Waarom l en r ?
- Gr.: παπυρος . Lat.: papyrus . Ned.: papyrus . p-p-r -> (?) b-b-l . Ned.: papier . D. Papier . Fr.: papier . E.: paper . Zie : Chronique d'Egypte . Bulletin périodique de la Fondation Egyptologique Reine Elisabeth . L'étymologie du mot « papyrus » . Joseph Vergote , pp.393-397. Print ISSN: 0009-6067 Online ISSN: 2034-6441 .

- Ned.: bot . Fr.: bouton .

- -- Ned. : boot . D. : Boot . E. : boat . Fr. : navire , bateau (oud-eng. bat + suffix -eau) . Gr. : ναυς , gen. νεως = naus (schip) . L. : navis (= schip ; navicula = boot) .
-- Ned. : vlot (pl- -> vl-) . Grieks : πλοιον = ploion (boot) . Taalgebruik in het NT : ploion (boot) . Zie het werkw. πλεω = pleô (varen) . Taalgebruik in het NT : pleô (varen) . De r en l zijn lingualen (tongletters) . pl -> vr : pleô (varen) ; afgeleid ervan is πλοιον = ploion (vaar-tuig) .
- Ned. : oever . D. : Üfer . Hebr. : עֵבֶר = `ebhèr (oever, overzijde, overkant) . Zie het werkw. עָבַר = `âbhar ('oeveren', overgaan, voorbijgaan, doortrekken) . Taalgebruik in Tenakh : `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) . Grieks : περαν = peran (oever, overzijde, overkant) . Taalgebruik in het NT : peran (overzijde, overkant) . (b/p/v , is de glottisslag aan het begin van het Griekse woord weggevallen ?) . Lat. : ripa (metathesis = omwisseling van de medeklinkers van het Griuekse περαν = peran (overzijde, overkant ?) Frans : rive .

- Ned.: boter . Lat.: butyrum . D.: Butter . E.: butter . Fr.: beurre .

- bouw (gebouw) . D.: Bau . E.: building . Hiëroglyfen : pr (uitspraak: per) . Hebreeuws : בנה (bânâh : bouwen) . בת (beth : bouw, huis) . Stam : b/p .
- bouwen . D.: bauen . E.: build .

- Ned.: breken , brak , gebroken . Lat.: fra-n-gere (nasalisatie) , fregi , fractum . Ned. zn : breuk . Fr.: briser (breken, ver-brijz-elen) .
- Hebr.: שׁבר = sjâbhar . sj (mischien van sjeni : twee) br : in twee breken . br in Hebr. en in Ned. , Lat. b/f- r . Arabisch : thabara .
- Gr.: κλαω = klaô .

- Ned.: zn brood . D.: Brot . E : bread . Lat.: defrutum (ingekookte most, moststroop). Gr.: bruton (een gegiste drank uit gerst). Stam: b/f - r - d/t. De grondbetekenis is gisten; verwant met brouwen. Met het Griekse αρτος = artos (brood) heeft het de r en d/t gemeenschappelijk.
- Lat.: panis . Fr.: pain
- In het hiëroglyfisch stelt een brood de letter t voor. Te onthouden door Brot.\נר|-
- Aramees : לַחְמָא = lachëm'â (brood). Hebreeuws: לחם = lèchèm (brood). Taalgebruik in Tenakh : lèchèm (brood).
- Arabisch : خُبز = chubz (brood). Taalgebruik in de Qoran: chubz (brood). In het Arabisch heeft lachm een andere betekenis.

D. : Bruder . E. : brother . Fr. : frère . Lat.: frater (fra-ter , pa-ter , ma-ter ; broe-der , va-der, moe-der , zus-ter) . Stam : b/f - r .
Grieks : αδελφος = adelfos (broer) .
Hebreeuws : אָח = ´âch (broer) . Arabisch : أخ = ´ach (broer) .

- Ned.: brullen. Een klanknabootsend woord? Fr.: rugir. Een brullende of briesende leeuw.

C

- cirkel . Fr.: cercle . E. circle . Fr. : Lat.: circulus , verkleinwoord van circus . Gr.: κιρκος = kirkos (kring, renbaan) . Hebr.: ככר = kkr. cirkel, rond.
- cyclus . D.: Zyclus . E. : cycle . Fr.: cycle . Gr.: κυκλος = kuklos : wiel , kring , cirkel , ring , (ronde) schijf .
- kring . Middelned.: crinc , cring . D.: Kreis .
- singel . Lat.: cingulum (gordel) .
- Stam : c/k/s - r of k/g .

D

- Ned. : dag . D. : Tag . E. : day . F. : jour < Lat. diurnum . Cfr journaal . Grieks : ἡμερα = hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Lat. : dies . Latijn : dies (dag) . diurnus (dagelijks) . Hiëroglyfen : tá (aarde , land , bodem) ; dit benadert de klank dag ; het wordt verbeeld door een langs beide kanten afgeronde rechthoek met drie punten (bedoeld als zaden) eronder . http://farao.egypte-alles-over.nl/Egyptische_boeken.html#BoekderDag . Noet is de godin van de nacht , Geb de god van de dag , de aarde .
-- Arabisch : يَوم = jaum (dag) . Hebreeuws : יוֹם = jôm (dag) .

- Ned.: deel . D.: Teil .
-- Fr.: part . E.: part . Lat.: pars , partis .

- jong dier, dierenjong, jonge leeuw, welp. Gr.: σκυμνος = skumnos. De uitgang -μνος = mnos zou voortkomen uit μενος = menos: participiumvorm. sk zou de stam kunnen zijn; skul: bedekken of verslinden (misschien de tegenstelling van bedekken nl ont-dekken, ontdoen van, beroven enz). Jonge dieren worden door de moeder bedekt. κυλαξ = kulaks: jonge hond.

- Ned.: deur. D.: Tür. E.: door. Gr.: θυρα = thura. Stam: d/t/th - r. Gr.: δελτα = delta; 4de letter van het Griekse alfabet. De hoofdletter heeft de vorm van een deur van een tent. In het Hiëroglyfisch wordt de lettergreep di afgebeeld door een tent met een deurtent. di of rdi: geven, aandacht schenken aan. Zie het Griekse wkw διδωμι = didômi: (stam: d) geven. De letter delta doet denken aan de Egyptische delta: een omgekeerde hoofdletter delta. De letter d met de klank da/dat zou wijzen kunnen aanduiden, zoals het aanwijzend voornaamwoord die/dat; aandacht schenken aan is een kijken in de richting van, wijzen op. In het Hiëroglyfisch wordt de letter d afgebeeld door een man met duim. Dient de hand als een richtingwijzer?
In het Hebreeuws doet de hoofdletter d denken aan een stijlpost met een draaiende deur. דלת‏ (délet).

- distributie < Fr.: distribution < Lat.: acc. enk. distributionem van het Lat.: distributio : verdeling , uitdeling , indeling . E.: distibution .

- doden . D.: töten . Fr.: tuer .
- E.: kill .

- Website : http://de-bruyn.it/english/0611_met.shtml .
- dood . D.: Tod . E.: death / dead .
- Lat.: mors , mortis . Fr.: mort . Ned.: moord . D. : Mord . E .: murder . Gr.: μορτος = mortos . Arabisch : lidw + zn : الموت = almawt (de dood) . Hebreeuws : מוות = mèwèth . Stam : m - t(h) . Hiëroglyfen : moet of mut : https://nl.wikipedia.org/wiki/Moet_(godin) - http://suijs.org/web%20egypte/e-3-goden-mut.htm .
- Gr.: θανατος = thanatos .

- Ned.: doof . D.: taub . E.: deaf . Stam : d/t - f/b . Gr.: τυφλος = tuflos (blind , doof) .
- Ned.: doven (uitdoen , uitdoven) . Het vuur dooft uit . De lichten doven .

- Ned. : duisternis . Arabisch : ظلام = DHalâm (duisternis) . Taalgebruik in de Qoran : DHalâm (duisternis) . D. : Finsternis . E. : darkness . Fr. : ténèbres . Grieks : σκοτος = skotos (duisternis) . Taalgebruik in het NT : skotos (duisternis) . Hebreeuws : חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Lat. : tenebra.

E

- e- : eb , eg , el , en , er .
- -e : de , ge , me , te , we , ze .
- -ee : fee , mee , pee , ree , vee , wee , zee .
- -eed : deed , kleed , leed , meed , smeed , wreed .
- -eef : beef , geef , keef , leef , neef , teef , weef , zeef .
- -eer : beer , heer , keer , leer , meer , neer , peer , veer , weer , zeer .
- -eet : beet , heet , kreet , meet , speet , vreet , weet , zweet .

- Ned.: egel . D.: Igel .

- Ned.: ei . D.: Ei . E.: egg . Fr. : oeuf . Lat.: ovum .

- enthouiasme . Gr.: ενθουσιασμος = enthousiasmos : geestvervoering , goddelijke inspiratie < εν = en (in) + θεος = theos (god) , Lat.: deus .
- Gr.: ενθουσιαζω = '(door een god) bezeten zijn of buiten zichzelf zijn .
- Gr.: εξουσια < εξ = ex (uit) + ουσια = ousia (het zijnde) is een zelfst. naamw. vr. enk. , afkomstig van het wkw. ειμι = eimi (zijn, bestaan) : het zijnde uit ; macht , mogelijkheid , kracht .

- Ned.: eten . D.: essen . E.: eat . Gr.: εσθιω /εσθω / εδω = esthiô / esthô / edô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs .
- Lat.: mandere , mandeo , mandi , mansum . Fr.: manger .

F

- Ned.: fornuis. Fr.: fournaise. E.: furnace.

- Ned.: funerarium . Ontleend aan Frans funéraire ‘betreffende een begrafenis’ [1565; Rey], zelf ontleend aan Laatlatijn funerarius, een afleiding van klassiek Latijn fūnus (genitief fūneris) ‘sterfgeval, begrafenis, lijkstoet’.

G

- Ned.: gaan. D.: gehen. E.: go. .

- Ned.: gans . D.: Gans . E.: Goose . Gr.: χην = chèn . Lat.: anser . Hebr.: אוז = ´ooz .

- Geb . In de Egyptische mythologie is hij de god van de aarde , zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Geb_(mythologie) . Hij wordt voorgesteld door een gans .

- Ned.: geven .
-- Gr.: δι-δω-μι = di-dô-mi . Lat.: donare . Fr.: donner . Hiëroglyfen : di (piramide met een piramide erin : verdubbeling van de d / delta ?) .

- Ned.: gno-sis (kennis) . Lat.: cog-noscere , cog-novi, cog-nitum (leren kennen , vernemen , kennis maken met) . < con-gnoscere , de n assimileerde met de g , maar er werd 1 g geschreven ; eigenlijk zouden we moeten schrijven co-gno-scere . < Gr.: γι-ννω-σκ-ω . Stam : gno .

- Ned. : goed . Arabisch : طَيَّبٌ = thajjab (goed) . Taalgebruik in de Qoran : thajjab (goed) . Aramees : טַב = tabh (goed) . Hebreeuws : טוֹב = tôbh (goed) . Stam : t-b .
- Ned. : goed . D. : gut . E. : good . Gr. : αγαθος = agathos (voorvoegsel a - gath -os) . Stam : g - d/t/th .
- Lat. : bijvoegl. naamw. : bonus / bijw. : bene . Fr. : bijvoegl. naamw. : bon / bijw. : bien .

- Ned.: goud . E.: gold .

- Physiologus . 19. περι γυπος : over de gier . Stam : γ/κ .
- γυψ
-- γυ-νη
-- υψ-  
- In feite gaat het om de "beval-steen". Deze steen heeft het kenmerk dat er zich iets anders in bevindt; wanneer je ermee klopt, geeft hij een geluid. Zoals een noot heeft hij een kern en een omhulsel. Of een vrouw die in haar buik een vrucht draagt.
- εγ-κυος / εγ-κυμων : (iets) in de holte ; zwanger , drachtig < εν κυω / κυεω : een holte of bolrond maken en daarin iets omvatten, bevatten .
- https://nl.wikipedia.org/wiki/Vale_gier : "de vleugelpennen doen in vlucht enigszins denken aan vingers. "
- De Egyptische godin werd wordt verbeeld met de gier: zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Nechbet . Nechbet is de godin van Opper-Egypte. In het Hebreuws betekent nègèbh : het Zuiden, dor land . In Nechbet zittten de letters ch/g en b/p -> gp: gier .



H

- Ned. : hand . D. : Hand . E. : hand . Oudengels : hentan (trachten te pakken) . Oudnoors : henda (grijpen) .
- Arabisch : يد = jad (hand) . Hebreeuws : יָד = jâd (hand) .
- Fr. : main . Lat. : manus .
- Grieks : χειρ = cheir (hand) . cfr chirurgie, chiropraxie . Hand betekent dus 'grijper' (stam : g/ch- r) . In het hiëroglyfisch geeft de hand (vingers = doigts < Lat.: digitus) de letter d weer ; de onderarm met twee vingers (grijpertjes) de letter ajin (`) . Uit het Hebreeuws : jatten (stelen) . Portal (2008, 63) . Horappollon 119 .

- hart . D.: Herz . E.: heart . Gr.: καρδια = kardia . Lat.: cor, cor-d-is . Fr.: coeur . Stam : c/h - r - d/t/z .
-- Hebr.: לב (lebh) . Zie Ned.: leven , loven, lief-de . Stam: l - b/v/f . Hiëroglyfen : ib .

- Ned. : hebben . D. : haben . E. : have . Fr. : avoir . Lat. : habere . Stam : h-b/v .
- Grieks : εχω = echô (hebben, bezitten) . Stam s-ch .

- Ned.: hechten. Lat.: nectere (necto) , nexui , nectum: 1. a) knopen, vlechten, vastbinden aan. b) binden, boeien, gijzelen. 2. verbinden, aaneenrijgen. Nexus zou dus betekenen : verbonden. De vraag rijst dan : waarmee of met wie verbonden? Het Ned. hechten en het Lat. nectere lijken toch heel sterk op elkaar.
- an-nex-atie : aan-hech-ting, b.v. de annexatie (aanhechting) van het Krim aan Rusland.
- We moeten de wonde hechten. Het kind is gehecht aan zijn moeder. Iemand in hechtenis nemen.
- Gr.: δεω = deô: 1. binden, hechten. 2. ontbreken, nood hebben aan. De Griekse letter delta, afgeleid uit het Semitische d-l-th : deur. Een deur opent en sluit. Er zijn dus twee tegengestelde aspecten. Is dit ook met het ww deô: binden en ontberen?
- zn = desmos (band) . de- infix s - uitgang mos . Zn eindigend op (s)mos: van werkwoord naar zelfstanding naamwoord: zn van handeling: binden-> binding-band (uit bond - gebonden?).

- heet . D.: heiss . E.: hot . Hebr.: חמ = châm , wkw. châmam .
- Lat.: chal-i-dus . Fr.: chaud .

- h-e-n , h-aa-n , h-oe-n(der) . Stam : h-n .
-- kip ; Fr.: coq (haan) ; klanknabootsend : kuklekuuk ; stam : c/k - q/k .

- Ned.: hof . Gr.: κηπος = kèpos . D.: Hufe . Ned.: hoeve . Stam : k/h - p/f/v : "omsluiting" - In het hiëroglyfisch komt de h overeen met : volgens sommigen : een hof met ingang , volgens anderen : een rieten hut .

- hol-te . εγ-κυος / εγ-κυμων : (iets) in de holte ; zwanger , drachtig < εν κυω / κυεω : een holte of bolrond maken en daarin iets omvatten, bevatten .

- Ned.: hond. Lat.: canis. Fr.: chien.

- Ned. : hoofd < Lat. : caput , capitis . D. : Koph (de d/t valt weg) . E. : head (de p/f is verdwenen . chapt-er : hoofd-ing , hoofd-stuk . Zie Fr. : chef (degene die aan het hoofd staat) . Stam : h/k/c/ch - f/p/ph - d/t .
- Fr. : tête < Lat. : testa (vr. enk. van testus, a, um < tegere : dekken ; t/g , g/k) . Is tête = gedekt ? Het hoofd dat b/gedekt is ?
- Gr. : καρα = kara (hoofd) . Proto-Indo-Europees : krh-(e)s-n- ('hoofd') . Zie Ned. : her-senen , k/h . Sanskriet : sirsn-as .
- Arabisch : رئيس (rajîsj) . Hebreeuws : רֹאשׁ = ro´sj (hoofd, top, begin) . Taalgebruik in Tenakh : ro´sj (hoofd, top, begin) .
- Fr. : bout (uit-einde, uiterst punt , top (metathesis: b-t/ t-p) . Lat. : pungere , pupugi , punctum . In het Hiërglyfisch stelt een hoofd in profiel de ideogram voor met de klankwaarde pt ; b/p .

- Ned. : huis : indogermaanse basis met de betekenis van "bedekken" (dak , Lat.: tectum = bedekt < tegere : dekken, bedekken) . Hiervan zijn ook afgeleid Latijn cus-tos (bewaker) , Grieks κευθω = keuthô (bedekken, verbergen) , E. to hide (verbergen) . D. : Hause . E. : house . Fr. : maison < mansio (verblijf) -> manere (blijven, verblijven) . Grieks : οικος = oikos (woning) . Taalgebruik in het NT : oikos (huis) . Hebreeuws : בַּיִּת = bajith (huis) . Taalgebruik in Tenakh : bajith (huis) . Lat. : domus (domi-nus : het huis betreffende , heer) .
- In het hieroglyfisch geeft een soort huis met binnentuin de klankwaarde pr weer . Een vierkant geeft de letter p
- Bibliografie : De Martelaere Patricia , Thuis . Een plaats om beu te worden , in : Verrassingen . Essays , Amsterdam , Meulenhoff , 1997 , p. 7-21 .

- Ned.: hut . Gr.: κυτος = kutos (omhulsel , huid) . Lat.: cutis .


I


J


K

- Ned.: kalf . D.: Kalb . E.: calb .

- kauwen - kiew . Hebr.: אָכַל = ´âkhal (eten) .

- kern . Gr.: καριον : noot, walnoot ; kern of pit van steenvruchten; stam : k-r . καριον : noot, walnoot ; kern of pit van steenvruchten; stam : k-r .

- kiem . D.: Keim . Griekse wortel γεν = gen . Stam : k/g - m/n . Ned.: ont-kiemen . D.: keimen .
- Gr.: βλαστος = blastos . Gr. wkw. met affix : βλαστ-αν-ω = ont-kiem-en . Ned.: bolster ? (de grondbetekenis is 'zwellen') .
--- Ned.: blad . Gr.: φυλλον = fullon . Lat.: folium . Fr.: feuille . D.: Blatt .
--- Ned.: bloem . D.: Blume . E.: flower . Lat.: flos , floris . Fr.: fleur .

- Ned.: kla-gen . Lat.: cla-mare (roepen) . zn : cla-mor . Indo-Europese stam : kel . Gr.: kaleô . (Zie Mesotten Bart, Reliqua, Halewyn, 2012 , blz 334-335) .
- Gr.: kra-zô (krassen , krijsen , roepen) . W -> S : kra-sis (gekras , gekrijs) . Fr.: crier . zn : le cri . Ned. : kreet .
- Gr.: kraugè (geschreeuw) . A + S -> W : kraug-adzô . zie Ned.: kla-g-en .
- Hebr.: tsâ `aq . Lees Gr. van rechts naar links (kradzô -> dz - r -k) , alzo : Hebr.: tsade // Gr.: dzèta ; Hebr.: ajin // Gr.: rho ; Hebr.: qoph // Gr.: k . Opmerkelijk : ajin // rho .

- Ned.: klein . D.: klein .
- Fr.: petit . Volkslatijn : pittittus . Hebr.: פת = path (stuke , bete) < פתת = pâthath (in stukken verdelen) .

-

- Ned.: kneden . D.: kneten . E.: knead .

- Ned. : knie . Gr. : γονυ = gonu (knie) ; gen. γυνατος = gunatos . Taalgebruik in het NT : gonu (knie) . Lat. : genu . k/g . D. : Knie . E. : knee . Fr. : genou .
- Arabisch : ركبة (rakba) . Hebreeuws : בֶרֶךְ= bèrèkh) . In het Arabisch staat de b achteraan , in het Hebreeuws vooraan .

- Ned.: koek / cake . D.: Kuchen . E.: cake .

- Ned.: kolom . E.: column . Fr.: colonne . Lat.: columna . Stam : k/c - l - m/n .
- Gr.: στηλη = stèlè (stijl) .

- Ned.: kroon . Lat.: corona .

- Ned.: kun-de < kun-nen . Gr.: γι-γ-ν-ω-σκ-ω = gignôskô : ken-nen, weten . zie Lat.: s-c-ie-n-tia (stam: c-n) . Bij het Ned. kunde zit ook de stam g/c/k - n. In het Gr.: τεχν=ι=της - technitès : technieker, kun-de-naar, kun-st-enaar, staat een t vóór chn. In het Hebreeuws wordt de t (thaw) gebruikt bij het vormen van zelfstandige naamwoorden.


L

- l-n : laan , leen , loon , leun ,
- laan (weg) . Wellicht verwant met het Griekse ελαυνω = elaunô (voortdrijven van mens en dier) . De laan zou dan de weg zijn waarlangs het vee wordt gedreven . D. : Allee . E. : avenue . Fr. : la rue .

- lachen - lach . D.: lachen . E.: laugh .
- ridere, rideo , risi , risum . Fr.: rire .

- Ned.: leeuw . Arabisch: لبؤة (labiwah). D. : Löwe . E.: lion . Fr.: lion . Gr.: λεων , λεοντος . Lat.: leo , leonis . Hebr. : לביא (lâbhi´) .
-- Middelnederlands: leu, leeu, leeuwe (Van Dale Lexicografie, 1989, blz. 439).
-- De Griekse uitgang -ôn lijkt op een actief tegenwoordig deelwoord; verbuiging: -ôn , -ontos. Maar er zijn ook zelfstandige naamwoorden met die vorm (Fleury, 1947, nr 146 a). De stam is leont. De eind t valt weg (Van De Vorst, 1969, nr 18C1) en in de vorming van de nominatief enkelvoud heeft een verlenging plaats, vandaar ô i.p.v. o. De genitief enkelvoud wordt gevormd door de stam leont- met de uitgang -os; bijgevolg: leontos. De zelfstandige naamwoorden, die eindigen op -ôn kunnen een collectief aanduiden.
-- In het Latijn valt de naale slot-n in de nominatief enkelvoud weg; vandaar: leo ; genitief enkelvoud: leo-n-is. (Raeymaekers, 1947, nr 36b).
-- In het Oudfrans komt nog leon voor. Verandering van e in i onder invloed van? Ligt de ei en de i dicht bij elkaar bij het maken van de overgang van de e naar de o?
-- Hebreeuws: lâbhî´ . Verwijzing naar het Ugaritisch : lbu , het Akkadisch: labbu, labbatu. Leeuwin : לְבִיאָה (lëbhî´âh). Zelfstandig naamwoord met drie medeklinkers, waarbij één ooprspronkelijke lange klinker in de tweede lettergreep: qatîlvorm (Lettinga 24e4).Arabisch: لبؤة (labiwah).
-- Als het Indo-Europese woord een leenwoord uit het Semitisch is , is dan de w in het Duits en het Nederlands afkomstig van het Semitische b(h) of v/w?
-- In het Hiëroglyfenschrift bestaat de letter l niet. Als die letter dan toch moet gebruikt worden, gebruikt men het beeld van een leeuw. De liggende leeuw geeft het ideogram, determinatief en de klankwaarde rw. Veronderstel dat r en l (liquida) hier uitwisselbaar zijn, dan hebben we rw of lw (leeuw).
- https://newchristianbiblestudy.org/fr/bible/story/the-lioness-and-her-whelps/lxx-a-parsing-unaccented .

- Ned.: leren . D.: lernen . E.: learn.
-- Hebr.: לָמַד = lâmad. Stam : l - m - d. Gr.: μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô (leren, onderwijzen). μαθητης = mathètès: leerling. Stam : math. Zie Hebr.: m-d . ל = l wordt gebruikt voor de datief: aan, voor. מה = mâh of mah of mèh: vragend vnw wat of welk. למה = lâmmâh of lâmèh: waarom? De ד is de letter daleth: d. Het zou naar iets kunnen verwijzen, een aanwijzend voornaamwoord: dat. We zouden het Hebreeuwse למד = lâmad kunnen vertalen met : voor wat is dat? Waarvoor of waarom is dat? Het is de vraag naar de functionaliteit van het aangeduide. Leren is onderwijzen.
- In het Ned.: dit, dat; ook het bep lidw de. In het Gr.: het bep lidw το = to: de. In het Gr.: δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c. Beide woorden beginnen met een d, dat. In het Grieks kennen we het wkw δεικ-νυ-μι = deik-nu-mi: wijzen, tonen. Gr.: δακτυλος = daktulos: vinger Lat.: digitus: vinger - vangen, begrepen vanuit δεικ-νυ-μι = deiknumi: wijzen, tonen zou wijzer (dat! b.v. een vingerwijzing: vermaning) kunnen betekenen. Is in het Nederlands een d een v geworden en werd er vervolgens de nasalisatie met n ingevoerd waardoor we 'v-i-n-g-er' krijgen? In het Hiëroglyfisch wordt de d voorgesteld door een hand met duim. Te onthouden met digitus/doigt.
- Gr.: δεχομαι = dechomai: ontvangen (stam: d - k/ch) wordt in het Latijn vertaald door ac-cipere < ad + capere: tot zich nemen. In het Frans wordt 'ontvangen' door recevoir < het Latijn recipere < re + capere: terug nemen, vertaald. Het Nederlandse kapen: overmeesteren, roven komt van het Latijnse capere.
- Het Nederlandse werkwoord leren en het Hebreeuwse werkwoord lamed beginnen met de letter l.
-- -rac. 3lm (savoir) . Het Arabisch en het Hebreeuws hebben de l + m gemeenschappelijk.
verbe: ta3allama (apprendre pour soi-même) تعلـَّمَ
maSdar: ta3allum (le fait d'apprendre) تعلـُّم
N d'agent: muta3allim (celui qui apprend) متعلـِّم
N de patient: muta3allam متعلـَّم

- loven . D.: Lob . Lat.: lau-dare . Fr.: louer . Stam : l - b/v/u (in tweeklank) .
-- Hebr.: לב (lebh) . Zie Ned.: leven , loven, lief-de . Stam: l - b/v/f . Hiëroglyfen : ib . Moeilijkheid van de l in het hiëroglyfenschrift .


M : Hiëroglyfen : http://www.aegyptisch.de/glyphomat.pl . http://hieroglyphes.pagesperso-orange.fr/ . http://www.perkemet.be/viewtopic.php?f=18&t=3057&sid=0de6e73181b32c43021ebdfacefc7ff9 . In sectie G en H van Gardiners sign-list ontdekken we ongeveer 65 volledige en onvolledige afbeeldingen van vogels. Volgens het Egyptisch canon staan die afbeeldingen altijd in profiel. Eén uitzondering valt wel op, de uil (volgens Newberry gaat het om de schuuruil (kerkuil) of Tyto Alba). Dit hiëroglief staat voor de medeklinker m en is mogelijk afgeleid van zijn naam: (i) m (w) of 'iemand die kreunt of klaagt’.
Er zijn wereldwijd 16 soorten uilen gekend, waarvan één soort voorkomt in Egypte.
De kop van het dier kan zo’n 270 graden draaien zonder ogenschijnlijk invloed te hebben op de rest van het lichaam. Deze vogels observeren nauwgezet de omgeving en hebben een uiterst scherp gehoor. Het dier was zeker niet mensenschuw. Je vond ze in Egyptische tempels samen met een overvloed aan prooien zoals ratten, muizen, mussen en tortelduiven. Opmerkelijk is dat het de enige vogel is die als hiëroglief afgebeeld wordt zonder achterst pootklauw.
(gedeeltelijk uit Between Heaven and Earth - Birds in Ancient Egypt Rozenn Bailleul -Lesuer)

- Ned.: majesteit . D.: Majestät . E.: majesty . Fr.: majesté . Hiëroglyfen : chèm . Het wordt voorgesteld door een vollersknots . Geheugensteuntje met een metathesis : m-ch .

- malen , maalde , gemaald . meel . maalderij . molen . Gr.: μυλος (molen, molensteen) .

- markt - mercator - mercurius

- Ned. : meer . magis (meer) ; bijwoord , comparatief . maxime (mak-sime; meest) : bijwoord , superlatief . magnus (groot) . g/k. Oudengels : ma . Grieks : μεγας = megas (groot) . E.: major (uitspraak : meedzë) . Hiëroglyfen : n_tr (netjer) : god , goddelijk , uitgebeeld met een vlaggestok met vlag .
-- Ned. : magis-ter : letterlijk meer-dere , meestal vertaald door mees-ter . Oudengels : ma . Engels : mas-ter . Ned. : mees-ter . Grieks : μεγας = megas (groot) . Hiëroglyfisch : nb (weergegeven door een schaal) .

- Ned.: melk . D.: Milch . E.: milk .
- Lat.: lac - lactis . Fr.: lait .

- mens < man-s ? . Hebreeuws : יש (isj : man) ; vr. ישה (isjâh : man-n-in , vrouw) . Hiëroglyfen : s ; weergegeven door een sluitstuk ; vr. s.t (t geeft de vrouwelijke vorm weer) .

- Ned. : meten - maat -
- Ned.: afmeten - afgemeten - afmeting .

- Ned.: moe-der (va-der , broe-der) . D.: Mu-tter (Va-ter , Brü-der) . E.: mo-ther (fa-ther , bro-ther) . Fr.: mè-re (pè-re , frè-re) . Lat.: ma-ter (pa-ter , fra-ter) . Gr.: μη-τηρ = mè-tèr (πα τηρ = pa-tèr) . Hiëroglyfen : ´at .

-- uit-mond-en .

. - Ned.: zn most (nog niet gegist druivesap). Lat.: mustum.

- Fr. : mot < Lat.: muttum < muttire : de klank mu voortbrengen , fluisteren , grommelen . Hiëroglyfen : md , mv. (met w) : mdw = medou (les mots = woorden) .


N

- naam . Wkw. noemen . Gr. : ονομα = onoma . Lat.: nomen . D. : Name . Fr. : nom . E. : name . Stam: n-m . Hiëroglyfen : rn . De mond verbeeldt de r . Zie het Griekse ρη-μα : woord ; ρεω = reô (vloeien) . We zeggen : vloeiend een taal spreken .
-- Arabisch : اسم = ism (naam) . Hebr. שֵׁם = sjem (naam) .

- Ned. : nacht . D. : Nacht . E. : night . Fr. : nuit . Gr. : νυξ , νυκτος = nux (nacht) . Lat. : nox , noctis . Het Griekse nuks < ne ok(w)t . Got. : nahts . Sanskr. : nak . Oudeng. : neaht , niht . (u - o - i - a) . Het hiëroglyfisch nwt (Noet) is de hemelgodin , de moeder van de zonnegod Re , die zij dagelijks ter wereld brengt . Website : https://nl.wikipedia.org/wiki/Noet . Het woord Noet wordt verbeeld door een kruik (nw) (water-kruik op het hoofd) en een brood (t) : water en brood . In de afbeelding heeft zij het levensteken `ankh in haar hand . Uit de hemel valt regen , die het graan doet schieten , koren opbrengt en als brood tot voedsel dient .
-- Hebr.: לָיְלָה = lajëlâh (nacht) .

- Ned.: wkw nemen - nam - genomen. Gr.: νεμω = nemô: delen, toedelen, verdelen; med.: krijgen, hebben, bezitten. Zie Lat.: numerus: getal.
- Gr.: λαμβανω = lambanô (nemen)..
-
-

O

- -ocht : bocht , kocht, mocht , pocht , tocht , vocht , zocht .

- -ond : blond , bond , grond , mond , pond , rond , vond , wond , zond
- -ont : kont , lont ,

- Ned.: offer < ob-fer : op-voer-ing (f/b/p - f/v - r) .

oog                      
N.: o o g                
D.: A u g e              
G.:   o f (p)   th a l m o s  
L.:   o c u     l   u s  
E.:   e y e              
Heb.:   a j in              
Fr.:   o   oei     l        
                       

- Ned.: op-merk-ing. Fr.: re-marqu-er. Het Franse re-mont-er vertalen we naar het Nederlandse be-klim-men, re-double-ment naar ver-dubbel-ing. Het voorvoegsel re- wordt op een verschillende wijze vertaald.

- Ned.: olifant. Gr.: ελεφας, -αντος. Lat.: elephantus. E.: elephant. Fr.: éléfant. D.: Elefant.
-- Arabisch: فيل = fil. Hebr.: פיל = pil.
-- Stam: l - f/ph of spiegelbeeld: f/p - l.

- Osiris , Griekse vorm van het Hiëroglyfisch ws ir -> osir-is (de uitgang is kan de uitspraak van het Griekse -ès zijn; ws=os : ze zou erop kunnen wijzen dat de w zowel de oe- als de o-klank kan weergeven .) . Het Latijnse os, ossis , onz. mv. ossa : beenderen , gebeente . Osiris is de god van de onderwereld . Zou hij kunnen betekenen : hij die de beenderen (van de gestorvenen ; ossa) ziet (ir: oog) . Osiris is de zoon van Noet (de godin van de hemel) en Geb (de god van de aarde) . Noet en Geb waren zus en broer .
Osiris wordt gezien als de god van de wederopstanding en vruchtbaarheid (overgang van de seizoenen : winter - lente ; de penis in erectie) . Zie ook pilaar en de djed van Osiris .
- https://nl.wikipedia.org/wiki/Osiris_(mythologie) .
- https://www.google.be/search?q=osiris&biw=1600&bih=660&tbm=isch&tbo=u&source=univ&sa=X&sqi=2&ved=0ahUKEwia9YbswMTSAhUCMBoKHQBLANgQsAQILQ&dpr=1 .



P

- p-t : peet , pet , peut , piet , pit , poet , poot , pot , put
11452

- Ned.: papyrus . Gr.: παπυρος . Lat.: papyrus . p-p-r -> (?) b-b-l . Ned.: papier . D. Papier . Fr.: papier . E.: paper . Zie : Chronique d'Egypte . Bulletin périodique de la Fondation Egyptologique Reine Elisabeth . L'étymologie du mot « papyrus » . Joseph Vergote , pp.393-397. Print ISSN: 0009-6067 Online ISSN: 2034-6441 .
- http://www.egypte-antique.com/page-egypte-ancienne-papyrus .

- Ned.: pilaar . D.: Pfeiler . E. : pillar . Fr. pilier .
- djed pillar van Osiris : https://www.google.be/search?q=pillar+djed+osiris&biw=1600&bih=660&tbm=isch&imgil=oTmTnpAIbHbP2M%253A%253B8kEWbAY5YICDlM%253Bhttp%25253A%25252F%25252Fwww.pyramidofman.com%25252Fdjed%25252F&source=iu&pf=m&fir=oTmTnpAIbHbP2M%253A%252C8kEWbAY5YICDlM%252C_&usg=__12Fxv_h0qV0wgl0pUr3Z7mFGip8%3D&ved=0ahUKEwjMgriCvcTSAhWKVhoKHVvDD4MQyjcIOA&ei=krK-WMzxJoqtaduGv5gI#imgrc=oTmTnpAIbHbP2M: .
- dj : fonetisch weergegeven door het beeld van een slang. Is het een klanknabootsend woord , nl. de sisklank van een slang ? In het Ned. spreken we van slang (wellicht van slingeren) : het geeft de activiteit van de slang weer als 'kruip'dier . De letter dj wordt afgebeeld door een opgerichte slang . Een slang ondergaat een metamorfose door haar jaarlijkse vervelling , maar ze kan zich langs de grond slingeren maar zich ook oprichten . Geeft de djed pilaar de opgerichte dj weer als beeld van Osiris die god van de onderwereld is , maar ook herrijst en tot leven komt ?

- Zuidned.: poelde (ook in het Waarschoots) . Lat.: pulla . Fr.: poule . Spaans : pollo .

- plooi
-- L.: explicare : ont-plooi-en , ont-vouw-en , uit-leggen .

- Ned.: put. Lat.: puteus. Fr.: puit.

Q

- q-n-? . Hebr.: קָנַה = qânah (verwerven, bezitten, kopen).
-- Grieks : ktaomai . zn : ktè-ma : bezit . In Rost (1836) wordt verwezen naar de grondvorm kenô : een ledige ruimte maken of veroorzaken . kteinô (doden, vermoorden). kenos : ledig , ijdel , nietig .

R

- r : behoort tot de "liquidae" letters : http://www.vanoostendorp.nl/fonologie/tongval/t16.html .

- Ned.: vnnl. rap ‘snel’ [1599; Kil.].
Wrsch. een afleiding van de wortel van → rapen, zie aldaar voor de vormen met de betekenis ‘(zich) haasten’.
Mnd. rap ‘dartel, vlug’ (waaraan ontleend nzw. rapp ‘vlug’)

- Ned.: regel (in de betekenis van meetlat) . D. : Regel . E. : rule . Fr.: règle . Lat.: regula . In het Latijn bevat lex, legis: wet, eveneens een vloeibare consonant (r/l) gevolgd door een gutturaal (g).
- Arabisch : رجل  (râjul) . Aramees : רִגְלָא of רַגְלָא (rigëlâ' of ragëlâ') . Hebreeuws : רֶגֶל = règèl (voet, voetstap) . Het Latijnse regula betekent : lat , liniaal , maatstaf , richtsnoer , regel . Een lengtemaat was b.v. zoveel voet . Zie website : https://nl.wikipedia.org/wiki/Voet_(lengtemaat) . Stam : r - g- l .

- Ned: regeren, richten. Fr: régner. Lat: regere, rexi, rectum. Lat: rex, regis, Fr: roi wordt meestal vertaald door koning; hij was een alleen-regeerder, een mon-arch. Lat: reg-num, Fr: règne betekent rijk, koning-rijk -> konink-rijk.
-- Hebr: מלך = mâlakh, zn mèlèkh.
-- In beide groepen is een vloeibare consonant r/l en een gutturaal g/k.

- Ned.: rennen . Gr.: ρεω = reô (vloeien, stromen) . Hebr.: רזצ = rwts of rûts .
- Lat.: currere (curro) . Fr.: courir . Ned. dialect : crossen .
- Ned.: renner . D.: Rennfahrer . E.: ra-cer .
- Ned.: koereur /coureur . Fr.:
- Ned.: koers . D.: Kurs . E.: course . Fr.: cours . Lat.: cursus .

- Ned.: room . Gr.: κρεμα = krema . D.: Creme . E.: cream . Fr.: crème . Arabisch : كريم = karim .

- Ned.: ruiken - rook - geroken. Arabisch: رائحة = rayiha. Hebr.: ריח = rich. Stam: r - k/ch.
-- Gr.: οσφραινομαι = osfrainomai: ruiken, speuren naar. Lat.: alfacere - feci - factum.
-- Hebr.: קִיטוֹר = qitôr: rook. r - (t) - q/k.

S

- salto -> Lat.: wkw. salire , salio , salui , saltum (zie http://www.koxkollum.nl/cursus/cursuslatstamtijdenlijst.htm) ; saltum : gesprongen , saltus : een sprong . salum : deinig , schommeling . Fr.: sal-u-er . Ned.: salueren (met de hand heen en weer zwaaien als groet) . Frequentatief : saltare : dansen . Gr.: σαλ-ε-υ-ω = sal-euô : heen en weer schudden , heftig bewegen , op en neer deinen . σαλος = salos : onrustige , heftige deining , storm . (Griekse stamtijden : http://home.kpn.nl/herakleitos/Grieks/CSE/CEVO%20stamtijden.pdf ) .

- Ned.: samen . Gr.: συν = sun . Lat.: com/con .

- Ned.: schemer - schemering ( 's morgens en 's avonds: ochtendschemering en avondschemering). Heeft het Hebr. wkw sjâkham iets met schemering te maken? In Gn 19,27 wordt het Griekse wkw ορθριζω = orthrizô: vroeg in de ochtend bezig zijn, vroeg in de morgen opstaan (bij de opgang van de zon).

- Ned.: schenken. Hebr.: וַתַּשְׁקֶ֧יןָ = waththasjqîn: en zij leten drinken, zij schonken; wkw act hifil wajjiqtol + imperf. 3de pers mv van het wkw שׁקה = sjâqâh: laten drinken, uitschenken.

- Ned.: schouder . Waarschoots: schâ-re.

- (s) g:/ch/ - r - v/f/b/ . Semitische talen : s - f - r . Wat de 1ste letter betreft : k- of s (zie Lat.: centum = kentum of sentum) . Dan een metathesis? f - r (Indo-Europese talen : r - f). Heeft deze metathesis met de eerste letter te maken ?
- Ned.: schrijven . D.: schreiben .Gr.: γραφω = grafô (graveren , griffen , schrijven , krabben , krabbelen) . Lat.: scribere , scripsi , scriptum . Frans : é-cri-re . Stammedeklinkers: (s) ch/g - v/f/b .
- resultaat van het geschrevene (perf deelwoord) , letter : Grieks : γραφ-μα -> γρα-μ-μα (assimilatie van de f aan de m) .
- Aramees : סְפַר = sephar . Hebreeuws : סָפַר = sâphar (cijferen , tellen) .
- Hebr.: part praes mann enk ספר = sofer (schrijver , staatssecretaris , schriftgeleerde) .

Ned. : schrijven ( s - ch=g of k - p = b = f = v . Arabisch : كَتَبَ = kataba (schrijven) . Taalgebruik in de Qoran : kataba (schrijven) . Aramees : סְפַר = sephar (tellen, schrijven) . D. : schreiben . E. : write . Fr. : écrire . Grieks : γραφω = grafô (schrijven,griften) . Taalgebruik in het NT : grafô (schrijven) . Hebreeuws : סָפַר = sâphar (cijferen, tellen, schrijven, griften) . Taalgebruik in Tenakh : sâphar (schrijven, griften, cijferen) EN כָּתַב= kâthabh (schrijven) . Taalgebruik in Tenakh : kâthabh (schrijven) . Latijn : scribere .

- Ned: slang. - slingeren. (Dit drukt de beweging uit.) D.: Schlange. De s geeft de sisklank weer.
- Lat: serpens, -ntis. Fr: le serpent < serpentis, de uitgang -is valt weg. In de Franse uitspraak valt de -t weg.
- In het hiëroglyfisch schrift stelt de cobra de letter dz (dzed) voor.
- Arabisch: ثعبان (thueban). Hebreeuws : נחש.

- sluiten - slot - sleutel . Hebr.: pâtach : openen . miph(ë)theach (middel om te openen) : sleutel . In het Hebreeuws wordt verondersteld dat iets gesloten is en dient een "sleutel" om te openen .
- Gr.: κλη(i)ω of κλειω . Lat.: claudere , clausi , clausum . Gr.: κλειθρον = kleithron (slot, grendel) . claustrum , Fr.: clôture , Ned.: claustrum of slot , ook klooster . Lat.: clavis (sleutel) . Fr.: clé .
- J. De Vries (Etymologisch woordenboek , Het Spectrum , 1966) maakt een onderscheid tussen kentum- (centum = kentum : honderd) en satemtalen (centum wordt satem) . Zou het kunnen dat sluiten afkomstig is van het Latijnse claudere (c/k tegenover s) ?
- Stam : c /k/s - l - d /t . Ook n (Grieks) tegenover m (Latijn) .

- Ned.: slurf, zie slurpen, op-slorp-en (Lat.: sorbere, stam: s - r -b/p; in het Latijn zonder l); het heeft te maken met het geluid waabij eten en voedsel genomen wordt. De slurf van een olifant is het lichaamsdeel dat eten en drinken tot zich neemt en daarbij een geluid geeft dat wij slurpen noemen.
-- Gr.: προβοσκις, -δος = proboskis, -idos: lett.: voor het voeden, zie προ = pro + βοσκεω = boskeô: voeden. Lat.: proboscis, -idis. De slurf is dus het middel om voedsel tot zich te nemen.

- Ned.: smoor. Waarschoots: smur: mist.

- snellen - snel -

- spieken (afkijken). Lat.: specere, spexi, spectum. respicere (terugkijken).

- Ned.: staan. Gr.: ι-στη-μι = i-stè-mi: staan, stellen. Lat.: stare.
-- Gr.: εξ-ι-στη-μι = ex-i-stè-mi: uit-staan, buiten zichzelf staan, brengen uiten (de gewone toestand), veranderen. Lat.: existare. Fr.: exister.
--- zn het bestaan. Gr.: εκ-στασις = exstasis: extase, het buiten zichzelf staan, het buiten zichzelf bestaan. Fr.: ex-ist-ence: be-staan.
- Ned.: opstaan. Er is een verschil met op-staan en ergens op staan. Gr.: αν-ιστη-μι.

- Ned.: stad . D.: Stadt .
- E. : city . Lat.: civitas .
- Arabisch : مدينة = medina .
- Gr.: polis .
- Fr.: ville .
- Hiëroglief : niwt : http://www.gardenvisit.com/blog/niwt-symbol-ancient-egyptian-city-determinative-hieroglyph/ . https://en.wikipedia.org/wiki/Townsite-city-region_(hieroglyph) . http://www.shabtis.com/Amen-niwt-nakht.html . https://books.google.be/books?id=1Jead15xcBQC&pg=PA189&lpg=PA189&dq=niwt&source=bl&ots=YztyETyGxS&sig=XmAw359QrIAl14CUQQDnVt_cB-U&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwiN-4T0psDSAhXIyRoKHWkmBWE4FBDoAQguMAM#v=onepage&q=niwt&f=false .

- Ned. : steunen (uit : stewnen?) . Waarschoots : steun .

- Ned.: stijl (in de betekenis van pilaar, zuil). Gr.: στη-λη (stel-ling < stellen < staan). Lat.: statua (stare)

- Ned.: st-ra-len . Lat. : radiare : stralen . radians (de stralende) : de zon . Waarschoots : strauwn . Hiëroglyfen : ra : weergegeven door een mond (r) en een onderarm met hand en vingers (ajin ; Gr. : χειρ = cheir : hand ; grijpen) en het determinatief : een cirkel met een punt erin (de zon) . Zie : https://nl.wikipedia.org/wiki/Ra_(god) . In het Hebreeuws is zien: râ'âh . Zon en zien kunnen dus verband met elkaar hebben . Gr.: λαμπω = lampô .
- Ned.: straal . Oude verwante talen wijzen naar pijl . D.: Strahl . Lat.: radius .

- Ned.: stromen , s-t-ro-m-en . De Germaanse woorden zijn door -t invoeging uit Indo-Europese stam sreu ontstaan . Gr.: ρεω = rheô .
- Van wkw naar zn Gr.: ρευ-μα : stro ming .

- Ned.: stuurs: (Etymologisch Woordenboek, De Vries): stijf, sterk, streng. Verwant met het Griekse στερεος = stereos ? Gemeenschappelijke medeklinkers (stam: s-t-r) .


T

- Ned. : raken , aanraken , tikken , aantikken -> toets ? . E. : touch . Fr. toucher < volkslat. toccare < Lat. : ta-n-g-ere (tetigi , tactum) . It. : toccare . Sp. : tocar . Raken = treffen . "Noli me tangere" (wil me niet aanraken, wil me niet vasthouden, klamp je niet vast) : Joh 20,13 . Ned. : tang : gereedschap om iets te grijpen , vast te houden . Ned. : tank : een reservoir om vloeistoffen vast te houden .
In het NT komen 2 soorten aanrakingen voor : de ene in de betekenis van : voor zichzelf vasthouden , vastklampen , iemand niet loslaten ; de tweede in de betekenis van : de bevrijdende kracht van de ander erkennen (bloedvloeiende vrouw in Mc 5,25-34) . De 2 betekenissen komen voor in Ps-Mt. XIII,4 : Salome wil een bewijs van wat Zelomi zegt over de maagdelijkheid van Maria ; ze gelooft niet . In Ps-Mt XIII,5 gelooft Zelomi de jongeling dat zij door het kind kan genezen worden . Zij raakt de rand (zie Mt 9,20 en Lc 8,44) van de doeken aan en wordt genezen . Zelfs textueel wordt naar het verhaal van de ongelovige Thomas verwezen (Joh 20, 25 : nisi … non credam : tenzij … zal ik niet geloven) . In Ps-Mt XIII,3 gelooft Zelomi onmiddellijk en roept uit : Heer , grote Heer (Zoals Thomas uitroept : mijn Heer en mijn God) .
De 2 vroedvrouwen zijn nodig om de maagdelijkheid van Maria te bewijzen . Twee : omdat een bewijs slechts geldig is bij twee getuigen .
De naam Salome komt voor in Mc 16,1 . Zij zal getuige zijn van het lege graf en van het getuigenis van de jongeling over de verrijzenis van Jezus . Zo omspant Salome het hele leven van Jezus : geboren uit de maagd Maria … de derde dag verrezen uit de doden .  

-- Gr. ἁπτω = haptô (hechten, vastgrijpen, aanraken) . Bayens (1963 , nr.96 nota en 1 : "De praesensstam wordt dikwijls versterkt met τ = t." Ned. : = hap-pen ? (bijten) . Een hap is een beet .

- Ned.: tillen . Optillen = opheffen . Gr.: τελλω (?) . ανατειλοντος του ηλιου (nadat de zon was opgegaan ; nadat de zon naar boven / op-getild)

- -ter . Lat.: pa-ter (va-der) , ma-ter (moe-der) , fra-ter (broe-der) ->

- tocht < tijgen (trekken, beginnen) . Lat. : dicere (zeggen) . Gr. : deiknumi (tonen) .

- Trouw kan een werkwoordvorm en een zelfstandig naamwoord zijn . De werkwoordvorm is actief imperatief 2de persoon enkelvoud van het werkwoord trouwen . Het zelfstandig naamwoord is afgeleid van het werkwoord . Bij dergelijke woorden die éénlettergrepig zijn krijgt het zelfstandig naamwoord het bepaald lidwoord de .
Het werkwoord trouwen kan een prefix krijgen : be-trouwen , ver-trouwen . Hieruit is dan het zelfstandig naamwoord ontstaan : het be-trouwen , het ver-trouwen .

- Ned.: tuin : een bebouwd stuk grond binnen een omheining bij een woning ; omheining , omheinde ruimte . .
- Lat.: hortus . Fr.: jardin . E;: garden . Stam : h/g:j - r - t/d .
- Gr.: κηπος = kèpos . D.: Hufe . Ned.: hoeve . Stam : k/h - p/f/v : "omsluiting" - In het hiëroglyfisch komt de h overeen met : volgens sommigen : een hof met ingang , volgens anderen : een rieten hut .

- twee . Arabisch : اِثنَان = ´ithnân (twee) . D. : zwei . E. : two . Fr. : deux . Grieks : δυο = duo (twee) . Hebreeuws : שְׂנַיִם = sjënajim (twee) . Lat. : duo . (d - t - z/ts ; u -w) . Er zijn slechts twee geslachten : mannelijk en vrouwelijk . Er kunnen dus slechts jongens en meisjes geboren worden . In het gezin zijn er dus ouders , broers en zussen . Hiëroglyfen : sn(w) : twee . sn : broer . snt : zus(ter) (t geeft de vrouwelijke vorm aan) .

U

- Ned.: één. Lat.: un-us. Fr.: un (de uitgang valt weg. Blijft over: un; uitspraak: ë met nasaalklank n. D.: ein. E.: one (de Latijnse u wordt w, en een ë uitgang. Uitspraak: woin.)
-- Bijvoeglijk naamwoord. Hoofdtelwoord: één.
-- Indo-Europese stam: sem. Zie Grieks: εις μια εν

- -uit : buit , duit , fluit , guit , kluit , luit , ruit , snuit .
--- Als prefix : uit- .



V

- Ned. : va-der . Arabisch : اَب = ´ab (vader) . Taalgebruik in de Qoran : ´ab (vader) . D. : Va-ter . E. : fa-ther . Fr. : pè-re . Grieks : πατηρ = pa-tèr (va-der) . Taalgebruik in het NT : patèr (vader) . Hebreeuws : אַב = ´abh (vader) . Taalgebruik in Tenakh : ´abh (vader) . Lat. : pa-ter . Stam: b/p/v/f - a.

- van . D.: von . E.: of . Hiëroglyfen : n ; na een zelfst. nw. mann. mv. n(w) ; na een vr. zelfst. nw. enk. en mv. : n(t) . nw - van : metathesis ? Stam : v/f/w , n . nw wordt voorgesteld door een vat ; bier van het vat . Een vloeistof heeft een vat nodig om het te kunnen bevatten .

- Ned.: vast (bevestigd , gevestigd) . Lat.: fixum . D.: fest . Fr.: fixé .
- Ned.: vestigen . Lat.: fingere , fixi , fixum .

- vat . E.: barrel . Fr.: baril .

- Ned.: vee . Lat. : pecus .

- Ned. : ven-ster . Fr. : fen-être < fen-es-ter . Lat.: fenestra .

- Ned. : ver-meer-deren . Lat. : aug-ment-are . It. : aumentare . Sp. : aumentar . Fr. : augmenter . E. : augment . Ned. : augmenteren . D. : augmentieren . < Indo-Eurepees aweg (groeien) . Lat. augere (vermeerderen, doen groeien, vergroten) - auctus .
- Ned. : veel . Indo-Europees : epe- , ple (p / f / v + l) . A. : Arabisch : كثير = kathir (zie http://www.arabischlexicon.com/183-kathyr-veel-1603157916101585.html) . D. : viel . E. : much . Fr. : beaucoup . ) . Gr. : πολυς = polus (veel) . Hebr. + Aramees : רַב = rab . Lat. : multus .

- Ned.: ver-zadig-en , ver-zadig-d . Middelned.: versaden , saden , sadigen . Hebr.: סעד = sâad (steunen , ook : sterken, zich verkwikken) .

- Ned.: veulen. D.: Fohlen. E.: foal. Fr.: poulain. Gr.: πωλος = pôlos: veulen. Stam: v/f/p - l.
-

- Ned.: vinger . D.: Finger . E.: finger .
- Gr.: δακτυλος = daktulos . Lat.: ta-n-gere , tetigi , tactum . Fr.: doigt . Stam : t/d - g/c . -> dig-itus . Hoe is de verhouding van de v/f en d/t ?

- Ned.: vlak-te. Hebr.: ככר = kkr. cirkel, rond.

- Ned.: voeren . D.: führen . Gr.: φερω = ferô . Lat.: ferre .
- Ned.: voertuig , vervoeren , het vervoer , vervoermiddelen , afvoeren , wegvoeren ,

por-tare (f / p) . Frans : porter . Italiaans : portare . Ned. : bre-n-gen (p / b) . D. : bringen . E. : to bring .

- Ned. : voet , poot . D. : Fuss . E. : foot . Fr. : pied . Grieks : πους = pous , ποδος = podos (voet) . Latijn : pes , -dis . (p - f - v ; d - t) . Stam : p/v - s/t/d . Het Latijnse regula betekent : lat , liniaal , maatstaf , richtsnoer , regel . Een lengtemaat was b.v. zoveel voet . Zie website : https://nl.wikipedia.org/wiki/Voet_(lengtemaat) .
- Arabisch : رجل  (râjul) . Aramees : רִגְלָא of רַגְלָא (rigëlâ' of ragëlâ') . Hebreeuws : רֶגֶל = règèl (voet, voetstap) . Het Latijnse regula betekent : lat , liniaal , maatstaf , richtsnoer , regel . Een lengtemaat was b.v. zoveel voet . Zie website : https://nl.wikipedia.org/wiki/Voet_(lengtemaat) . Stam : r - g- l .

- Ned. : vol . Indo-Europees : epe- , ple (p / f / v + l) . Arabisch : كامل = kamil . D. : voll . E. : Full . Fr. : plein . Gr. : πολυς = polus . Hebr. : מָלֵא = mâle . Lat. : plenus (vol) . It. : pieno . Sp. : pleno

- Ned. : vol-heid . Indo-Europees : epe- , ple (p / f / v + l) . D. : Fülle . E. : Fulness / plenitude . Fr. : plénitude . Gr. : πληρωμα = plèrôma . L. : pleni-tudo . It. : plenitudine . Sp. : plenitud .

- Ned.: vragen. D.: fragen.
- E.: ask.
- Fr.: demander.

- Ned.: vrij. D.: Frei . E.: free. Stam: v/f - r .
- Lat.: liber .De l is ofwel in het Latijn en het Grieks toegevoegd of de Germaanse stammen hebben de l weggelaten. Stam: b- (v/f) - r ; Fr.: libre.
- Gr.: ε-λευθ-ερ-ος = eleutheros . Een e vóór de l , een th in de plaats van een b/v/f .



W

- Ned.: waar. Lat.: verus. Fr.: vrai.

- Ned.: waarschuwen < waar + schuwen. Het betekent ongeveer: "door opmerkzaam te maken op zijn hoede doen zijn" (De Vries, 1971). Fr.: avertissement < Fr.: avertir < volkslatijn: avertire > klassiek Latijn: advertere: wenden naar, zijn aandacht vestigen op, opletten, opmerken.

- Ned.: warm . D.: warm . Gr.: θερμος = thermos . Stam : w/th? - r - m .

- warm-te . D.: Wärme . Fr.: chaleur .

- Ned.: wie ?
- Ned.: wat ? D.: What ? E.: what ? Fr.: quel ? Grieks : τι = ti? Lat.: quod .
- Ned.: waar ?
- Ned.: wanneer ?

- Ned.: want. Gr.: γὰρ = gar: want, immers. Fr.: car < Lat.: quare: om welke zaak, daarom, dus.

- water . D. : Wasser . E. : water . Grieks : ὑδωρ = hudôr (water) . Grieks : Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Oudkerkslavisch : voda en genalaseerd Latijn unda . Oudindisch : udan . In het Hiëroglyfisch stelt een papyrus de klankwaarde w'd (wad) voor ; het betekent groen, vers zijn ; w'd wr (wad oer) : zee (de groene - grote = de grote groene) .
- Fr. : eau . Lat. : aqua .

- Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Lat.: via (via-tor: reiziger, iemand die op weg gaat). Fr.: voie (voiture: een voertuig om op weg te gaan).
- ὁδὸς = hodos: weg; stam: sod. Sanskriet: a-sad-: betreden; Russ.: xod: voortgang.
- Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; medeklinkers: X - r - ch; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u + r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-g: weg.
- Hebr.: הלך = hâlakh: gaan. Plaatsen we de ל = l tussen haakjes, dan hebben we הך = h - k -> weg. De halachah is de levensweg, de wijze waarop de levensweg moet gegaan worden. In Deuteronomium wordt gesteld dat wie de geboden en voorschriften onderhoudt, zal leven; zo niet zal hij sterven. De bdidachè vertrekt van de twee wegen: de ene van het leven, de andere van de dood. In De Krijgsrol van de Dode Zeerollen is er sprake van de kinderen van het licht en de kinderen van de duisternis.

- Ned.: wekken. Lat.: vegere: flink, levendig zijn, opge-wek-t zijn.

- Wellicht wekken uit de slaap , op-wekken . Ned. wekken vlg. Lat. resurgere . Surgere (surrexi , surrectum) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super = op, boven + regere (rexi , rectum) : richten (rechtop), leiden , sturen . -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten , terug rechtop staan . Ned. rekken (Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr. résurrection .
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare (citus : vlug , snel) : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven .
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-) waken .

- (ge)welf . Fr.: voûte (Waarschoots : vede zoals be-de < bed) . Lat.: volvere , volvi , volutum .

-

- Ned.: wkw weten - wist - geweten. Gr.: οιδα = oida (ik weet). (Stam: tweeklank met) i/j/w - d/t:/ss. Hebr.: יָדַע = jâda` (kennen, weten). Stam: d-` = da`a. De ajin is een diepe keelletters en kan misschien als een k klinken. In dat geval zou er een verband zijn met de stam d-k (zie leren).
- Ned.: ver-wit-t-igen (laten of doen weten). Middennederlands: wit-tich: "verstand-ig, kund-ig" < wit: "verstand, kennis".

- Ned.: wijn . D.: Wein . E.: wine . Fr.: vin . Gr.: οινος = oinos . Lat.: vinum . Stam : v/w - n .

- Ned.: wolf . Lat.: lupus .

Y


Z

- zien. Hebr.: נבט = nâbhat: zien, kijken. Lat.: videre. Gr.: ειδεν: hij zag. Stamletters: bh/v + d/t. (Gn 19,26)
- Ned.: zien, zag, gezien. Hebr.: שׁקף: neerzien, omlaag kijken. Vergelijk: Ned.: zag en Hebr. שׁק. (Gn 19,28)

- Ned.: zetten/ zitten - neder-zetting. Lat.: sedere. Hebr.: nifal nitsabh: zich stellen, staan. matsâbhâh (prefix om een plaats aan te duiden): standplaats, bezetting, wachtpost, zuil (grens?), gedenkteken. Egypt.: mastaba.

- Ned.: zon . D.: Sonne . E.: sun . Indo-Europese stam: sehu-el .
- Gr. : λιος = hèlios (sâwelios. Is het Ned. woord hel (helder , helschijnend) verwant met de Griekse stam λ- = hèl- ? Lat.: sol (sawol of swol) , solis . Fr.: soleil (uit het Latijnse verkleinwoord soliculus) . En naast de woorden met l , staan de woorden met n? Vandaar : zon enz.
- Hebr.: שֶׁמֶשׁ = sjèmèsj (zon) . Taalgebruik in Tenakh : sjèmèsj (zon) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 55 (5 X 11) OF 640 (2² X 2³ X 2³ X 5²) . Structuur : 3 - 4 - 3 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (50) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (21) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (14) . Zn qatl-vorm (Lettinga , 1961 , 24e1) . Spiegelwoord . Van links naar rechts , van het oosten naar het westen : een sj in het oosten (van de opgaande zon) , een sj in het westen van de ondergaande zon , een m in het midden (als hoogtepunt van de gang van de zon , op de middag) . Arabisch : شمس = sjamsj (zon) .
- Hiëroglyfen : ra : weergegeven door een mond (r) en een onderarm met hand en vingers (ajin ; Gr. : χειρ = cheir : hand ; grijpen) en het determinatief : een cirkel met een punt erin (de zon) . Zie : https://nl.wikipedia.org/wiki/Ra_(god) .
- Ned.: st-ra-len . Lat. : radiare : stralen . radians (de stralende) : de zon . Waarschoots : strauwn .
- Ned.: schijnen . D.: scheinen . E. : to shine . Hebben schijnen (sjijnen) en zon (s/z - n) met elkaar te maken ? Is schijnen een activiteit van de zon ?

- Ned.: zoon . D. : Sohn . E. : son . In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' (zoon) weer .
- Arabisch : اِبن = ´ibn (zoon) . Taalgebruik in de Qoran : ´ibn (zoon) . Hebreeuws : בֵּן/ בִּן / בֶּן= ben / bin / bèn (zoon, kind) . b/p/v/f - n .
- Lat.: filius . Fr. : fils .
- Gr. : υἰος = huios (zoon) .

- zout (zou zowt moeten uitgesproken worden). D.: Salz. E.: salt. In het Duits: de l i.p.v. de u, de t tot z (ts). Lat.: sal, -is. Gr.: αλς = hals. Hebr.: mèlach. Een methathesis in het Grieks?

- Ned.: zuil. D.: Säule.

- zus-ter (fra-ter , pa-ter , ma-ter ; broe-der , va-der, moe-der , zus-ter) . D.: Schwester . E. : sister . Fr.: soeur . Lat.: soror , -oris . Hiëroglyfen : sn.t

- zwart . D. : schwarz . Hiëroglyfen : km (keme) .
-- E.: black .
-- km : zwart worden , zwart zijn . kmt : Egypte .
-- Lat. : niger . Fr.: noir .

a
b
c
d
e
f
g
h
i
j
k
l
m
n
o
p
q
r
s
t
u
v
w
x
y
z