NIEUWE TESTAMENT : TAALGEBRUIK A

Overzicht van het N.T. : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -

Overzicht van Tenach : Tenach : overzicht , Tenach : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenach : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,

- aanwijzend voornaamwoord -- agrupneô (slaaploos of wakker zijn, waken) -- adelfos (broer) -- adialeiptôs (niet - tussen - laten , on-op-houdelijk) -- afièmi (aflaten, achterlaten) -- aforizô (afzonderen) -- aggelos (engel) -- agô (leiden, voeren) -- akouô (horen) -- alètheia (waarheid) -- alèthôs (waarlijk) -- allos (ander) -- anabainô (beklimmen) -- anatellô (oprijzen) -- andreas (Andreas) -- anthrôpos (mens) -- apechô (afhouden, onthouden) -- apo (af , van-weg) -- apokteinô (doden, vermoorden) -- apollumi ( ten gronde richten , doden , verliezen ) -- apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) -- apostolos (apostel) -- archè (begin, heerschappij) -- archomai (beginnen, aanvangen, heersen) -


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
http://scripturetext.com/      
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm . WEBLOG : BIJBELLEERHUIS
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts (Vlaams Blok) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen -

Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , bijbelTaalgebruiken - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

-
OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


OPGELET : De getallen verwijzen steeds naar het aantal verzen waarin een 'woord' voorkomt . Eenzelfde 'woord' kan echter meerdere malen in hetzelfde vers voorkomen .

  N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
boeknr.  27 40 41 42 43 44 45 - 65 66    
hoofdst.  260 28 16 24 21 28 121 22 68  89 
verzen  7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 

 

                                                     
      Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
                                                     
                                                     
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   
                                                     
                                                     
                                                     

 

  N.T. Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul. Ap. br.
boeknr.  27 (aantal)   45  46  47  48  49  50  51  52  53  54  55  56  57  58  59  60  61  62  63  64  65     
hoofdst.  260 121 16  16  13  13  100 21
                                                   
                                                   
                                                   
verzen  7957 2767 433  437  257  149  155  104  95  89  47  113  83  46  25  303  108  105  61  105  13  14  25  2336  431 

A

- voornaamwoord autos . pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord autos .

  autos bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
1 nom. mann. enk. autos   654  490  164  12  15  45  18  17  49  72  90 
2 gen. mann. enk. autou  6883  5685  1198  225  143  220  150  118  256  86  588  738 
3 dat. mann. enk. autô(i)  2475  1686  789  159  109  144  153  79  114  31  412  565 
4 acc. mann. enk. auton   2872  2032  840  114  146  184  154  136  85  21  598  752 
  totaal 12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

- auto (zelf) . Taalgebruik : autos (hij zelf) , zie Lc 24,36 . Nominatief en accusatief onzijdig enkelvoud . In 490 verzen in de bijbel . In 101 verzen in het N.T. . In acht verzen in Hnd : (1) Hnd 1,15 . (2) Hnd 2,1 . (3) Hnd 2,44 . (4) Hnd 2,47 . (5) Hnd 4,26 . (6) Hnd 7,6 . (7) Hnd 14,1 . (8) Hnd 27,6 .
-- epi to auto (op hetzelfde - op dezelfde plaats) . Taalgebruik : autos (hij zelf) , zie Lc 24,36 . In tien verzen in het N.T. : (3) Hnd 1,15 . (4) Hnd 2,1 . (5) Hnd 2,44 . (6) Hnd 2,47 . (7) Hnd 4,26 .

autos (hij zelf). Verwijzing : autos (hij zelf) , zie Lc 24,36 . In 654 verzen in de bijbel ; in 490 verzen in het O.T. , in 164 verzen in het N.T. In twaalf verzen bij Matteüs . In vijftien verzen bij Marcus . In vijfenveertig verzen bij Lucas . In achttien verzen bij Johannes . In zeventien verzen in Hnd .
- auto (zelf) . Verwijzing : autos (hij zelf) , zie Lc 24,36 . Nominatief en accusatief onzijdig enkelvoud . In 490 verzen in de bijbel . In 101 verzen in het N.T. . In acht verzen in Hnd : (1) Hnd 1,15 . (2) Hnd 2,1 . (3) Hnd 2,44 . (4) Hnd 2,47 . (5) Hnd 4,26 . (6) Hnd 7,6 . (7) Hnd 14,1 . (8) Hnd 27,6 .
-- epi to auto (op hetzelfde - op dezelfde plaats) . Verwijzing : autos (hij zelf) , zie Lc 24,36 . In tien verzen in het N.T. : (1) Mt 22,34 . (2) Lc 17,35 . (3) Hnd 1,15 . (4) Hnd 2,1 . (5) Hnd 2,44 . (6) Hnd 2,47 . (7) Hnd 4,26 . (8) 1 Kor 7,5 . (9) 1 Kor 11,20 . (10) 1 Kor 14,23 .
--- autôn (van hen) . In 3701 verzen in de bijbel ; in 3203 verzen in het O.T., in 498 verzen in het N.T. In vierennegentig verzen bij Lucas .

  autoi  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
5. nom. mann. mv.autoi  356  271  85  10  19  12  30  31  40 
6. gen. mv.autôn  3701  3203  498  93  37  94  31  87  91  65  224  255 
7. dat. mann. en onz. mv.autois  1722  1180  542  101  117  89  97  75  47  16  307  404 
8. acc. mann. mv. autous  1991  1652  339  46  40  83  18  95  32  25  169  187 
  totaal  7770  6306  1464  250  196  285  155  269  200  109  731  886 

- auto (zelf) . Taalgebruik : autos (hij zelf) , zie Lc 24,36 . Nominatief en accusatief onzijdig enkelvoud . In 490 verzen in de bijbel . In 101 verzen in het N.T. . In acht verzen in Hnd : (1) Hnd 1,15 . (2) Hnd 2,1 . (3) Hnd 2,44 . (4) Hnd 2,47 . (5) Hnd 4,26 . (6) Hnd 7,6 . (7) Hnd 14,1 . (8) Hnd 27,6 .
-- epi to auto (op hetzelfde - op dezelfde plaats) . Taalgebruik : autos (hij zelf) , zie Lc 24,36 . In tien verzen in het N.T. : (3) Hnd 1,15 . (4) Hnd 2,1 . (5) Hnd 2,44 . (6) Hnd 2,47 . (7) Hnd 4,26 .

  nom. onz. enk. auto 490 389 101 14 8 17 9 8 41 4 39 48

- dat. mann. en onz. mv.autois van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord autos .
Lc (89) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,22 .

- houtos (deze) . aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Mc : houtos (deze) .

houtos (deze)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. houtos   531  345  186  32  12  39  48  35  19         
                             
                             
                             
nom. mann. mv. houtoi  382  310  72  10  14  20  12  22  26     
                             
                             
                             
totaal                            

1. nom. mann. enk. houtos .

- aarôn (Aäron) . aarôn (Aäron) . Taalgebruik in het N.T. : aarôn (Aäron) . Taalgebruik in Lc : aarôn (Aäron) .

- abia (Abia) . abia (Abia) . Taalgebruik in het N.T. : abia (Abia) . Taalgebruik in Lc : abia (Abia) . Benaming van de achtste priesterklasse .

    bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  abia  26  24               

 

- achri (tot) . achri (tot) . Taalgebruik in het N.T. : achri (tot) . Taalgebruik in Lc : achri (tot) .

achri (tot)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  
  47 3 44 1   4   15 13 11   

- adelfos (broer) . Taalgebruik in het N.T. : adelfos (broer) . Taalgebruik in Mc : adelfos (broer) . Hebr. ´âch . L. frater . Fr. frère . Ned. broer . E. brother . D. Bruder .

  adelfos (broer) bijbel  O.T. N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
1 nom. enk. adelfos 147 107 40 7 4 4 6

18 1 15 21
2 voc. enk. adelfe 25 19 6     1   3 2   1 1
3 gen. enk. adelfou 123 106 17 3 2 4 1   7   9 10
4 dat. enk. adelfôi 60 47 13 6 1 3     3   10 10
5 acc. enk. adelfon 124 86 38 5 5 1 1 1 25   11 12
6 nom. + voc. mv. adelfoi 329 184 145 7 5 4 4 26 98 1 16 20
7 gen. mv. adelfôn 114 93 21 2   1   9 6 3 3 3
8 dat. mv. adelfois 63 46 17 1       8 8   1 1
9 acc. mv. adelfous 121 82 39 6 2 5 2 10 14   13 15
  Totaal   1106 770 336 37 29 23 14 57 181 5 79 93

adelfos (broer) bijbel  O.T. N.T.  ev. Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  P.  A.b 
nom. enk. adelfos 147 107 40 21 18                         14 
voc. enk. adelfe 25 19 6 1 2                                          
gen. enk. adelfou 123 106 17 10 7                                
dat. enk. adelfôi 60 47 13 10 3                                      
acc. enk. adelfon 124 86 38 12 25               10        14  11 
nom. + voc. mv. adelfoi 329 184 145 20 98 10  22  10      14      15          81  17 
gen. mv. adelfôn 114 93 21 3 6                                
dat. mv. adelfois 63 46 17 1 8                              
acc. mv. adelfous 121 82 39 15 14                         11 
Totaal   1106 770 336 93 181 18  35  15  11  19    10  19  14    141  40 

 

adelfos (broer) Mt  Mc   Lc 
nom. enk. adelfos 7 : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . 4 : (1) . (2) . (3) . (4) . 4 : (1) . (2) . (3) . (4) .
voc. enk. adelfe     1
gen. enk. adelfou 3 : (1) . (2) . (3) . 2 : (1) . (2) . 4 : (1) . (2) . (3) . (4) .
dat. enk. adelfôi 6 : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . 1 : 3 : (1) . (2) . (3) .
acc. enk. adelfon 5 : : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . 5 : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . 1 :
nom. + voc. mv. adelfoi 7 : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . 5 : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . 4 : (1) . (2) . (3) . (4) .
gen. mv. adelfôn 2 : (1) . (2) .   1 :
dat. mv. adelfois 1 :    
acc. mv. adelfous 6 : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . 2 : (1) . (2) . 5 : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) .
Totaal   37 19 23

 

adelfos (broer) Mt  Mc   Lc 
nom. enk. adelfos 7 : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . 4 : (1) . (2) . (3) . (4) . 4 : (1) . (2) . (3) . (4) .
voc. enk. adelfe     1
gen. enk. adelfou 3 : (1) . (2) . (3) . 2 : (1) . (2) . 4 : (1) . (2) . (3) . (4) .
dat. enk. adelfôi 6 : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . 1 : 3 : (1) . (2) . (3) .
acc. enk. adelfon 5 : : (1) Mt 4,18 . (2) Mt 4,21 . (3) Mt 10,21 . (4) Mt 17,1 . (5) Mt 18,15 . 5 : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 1,19 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 5,37 . (5) Mc 13,12 . 1 : Lc 6,14 .
nom. + voc. mv. adelfoi 7 : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . 5 : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . 4 : (1) . (2) . (3) . (4) .
gen. mv. adelfôn 2 : (1) . (2) .   1 :
dat. mv. adelfois 1 :    
acc. mv. adelfous 6 : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . 2 : (1) . (2) . 5 : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) .
Totaal   37 19 23

ton adelfon autou (zijn broer) . In 19 verzen in het N.T. : Mt (3) : (1) Mt 4,18 . (2) Mt 4,21 . (3) Mt 17,1 . Mc (2) (1) Mc 1,16 . (2) Mc 1,19 . . Lc (1) : Lc 6,14 .. Br. (13) .

´âch (broer)  Tenach Pentateuch Vroege prof. 12 kl. prof. grote prof. hagiografen dt. -can.
´âchî (mijn broer) , ´ächî (de broer van) , ´achaj (mijn broers) , ´ächej (de broers van) 92 38 32   1 21  
´âchîw  (zijn broer) , ´èchâjw (zijn broers) 153  88  26  23   

- ´âchîw  (zijn broer) , ´èchâjw (zijn broers) : in 64 verzen in Gn . In 24 verzen in Gn 1-36 . In 40 verzen in Gn 37-50 .

adelfos (broer) bijbel  O.T. N.T.  ev. Br. 1 Tes  P.  A.b 
nom. enk. adelfos 147 107 40 21 18   14 
voc. enk. adelfe 25 19 6 1 2    
gen. enk. adelfou 123 106 17 10 7  
dat. enk. adelfôi 60 47 13 10 3    
acc. enk. adelfon 124 86 38 12 25 2 : (1) 1 Tes 3,2 . (2) 1 Tes 4,6 . 14  11 
nom. + voc. mv. adelfoi 329 184 145 20 98 14 : (1) 1 Tes 1,4 . (2) 1 Tes 2,1 . (3) 1 Tes 2,9 . (4) 1 Tes 2,14 . (5) 1 Tes 2,17 . (6) 1 Tes 3,7 . (7) 1 Tes 4,1 . (8) 1 Tes 4,10 . (9) 1 Tes 4,13 . (10) 1 Tes 5,1 . (11) 1 Tes 5,4 . (12) 1 Tes 5,12 . (13) 1 Tes 5,14 . (14) 1 Tes 5,25. 81  17 
gen. mv. adelfôn 114 93 21 3 6  
dat. mv. adelfois 63 46 17 1 8 1 : 1 Tes 5,27 .  
acc. mv. adelfous 121 82 39 15 14 2 : (1) 1 Tes 4,10 . (2) 1 Tes 5,26 . 11 
Totaal   1106 770 336 93 181 19  141  40 

- adialeiptôs (niet - tussen - laten , on-op-houdelijk) .
adialeiptôs (niet - doorheen - laten , niet - tussenuit - laten , on-op-houdelijk) . Taalgebruik : adialeiptôs (niet - tussen - laten , on-op-houdelijk) . In negen verzen in de bijbel . O.T. (5 : in 1 Mak en 2 Mak) . N.T. (4) : (1) Rom 1,9 . (2) 1 Tes 1,2 . (3) 1 Tes 2,13 . (4) 1 Tes 5,17 .

- adunatos (onmogelijk) . adunatos (onmogelijk) . Taalgebruik in het N.T. : adunatos (onmogelijk) . Taalgebruik in Mc : adunatos (onmogelijk) .

    bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk. adunaton   13             
                               
  totaal                            

 

- afièmi (aflaten, achterlaten) . Taalgebruik : afièmi (aflaten, achterlaten) .Taalgebruik in Mc : afièmi (aflaten, achterlaten) . par-donner (pardon) : ver-geven . s'excuser (ex -causa) = buiten de zaak , zich ver-ont-schuld-igen . kwijt-schelden (ont-schulden) .

afièmi (aflaten)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
ind. pr. 3de p. enk. afièsin              
ind. imperf. 3de p. enk. èfien                    
imperat.  pr. 2de p. enk. afes 23  15        14  15     
inf. pr. afienai          
part. aor. nom. mann. enk. afeis             
part. aor. nom. mann. mv. afentes  15    15        13  13   
pass. fut. 3de p. enk. afethèsetai  23  14       
pass. pr. 3de p. mv. afientai                 
                             
                             
totaal                            

In vijftien verzen in het N.T. . In vier verzen bij Matteüs . In zes verzen bij Marcus . In drie verzen bij Lucas . Niet bij Johannes , enz. (5) Mc 1,18 . (6) Mc 1,20 . (7) Mc 4,36 : afentes ton ochlon (de menigte achtergelaten) . (8) Mc 7,8 . (9) Mc 12,12 . (10) Mc 14,50 .

- afesis (vergeving) . Taalgebruik in het N.T. : afesis (vergeving) . Taalgebruik in Mc : afesis (vergeving) . Taalgebruik in Lc : afesis (vergeving) . Taalgebruik in Hnd : afesis (vergeving) . par-donner (pardon) : ver-geven , door : over -geven . s'excuser (ex -causa) = buiten de zaak , zich ver-ont-schuld-igen . kwijt-schelden (ont-schulden) .

afesis (af-lating) bijbel O.T. N.T. ev.  Mt Mc Lc Hnd Br.
nom vr. enk. afesis 5 2 3         1 : Hnd 13,38 2 : (1) Heb 9,2 . (2) Heb 10,18
gen. vr. enk. afeseôs 21 21              
dat. vr. enk.: afesei 8 6     2 : (1) Lc 1,77 . (2) Lc 4,18 .    
acc. vr. enk. afesin 26 14 12 1 : Mt 26,28 . 2 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 3,29 . 3 : (1) Lc 3,3 . (2) Lc 4,18 . (3) Lc 24,47 . 4 : (1) Hnd 2,38 . (2) Hnd 5,31 . (3) Hnd 10,43 . (4) Hnd 26,18 . 2 : (1) Ef 1,7 . (2) Kol 1,14 .
totaal 60 44 17   1 2 5 5 4

Accusatief enkelvoud . In zesentwintig verzen in de bijbel . In veertien verzen in het O.T. . In twaalf verzen in het N.T. . In zes verzen in de evangelies : (1) Mt 26,28 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 3,29 . (4) Lc 3,3 . (5) Lc 4,18 . (6) Lc 24,47 . In zes verzen in de andere boeken van het N.T. : (1) Hnd 2,38 . (2) Hnd 5,31 . (3) Hnd 10,43 . (4) Hnd 26,18 . (5) Ef 1,7 . (6) Kol 1,14 . In negen verzen in combinatie met hamartiôn (van zonden) , vandaar : zondenvergeving . Niet in (1) Mc 3,29 . (2) Lc 4,18 . (3) Ef 1,7 (vergeving van overtredingen) .

- vergeving van zonden

afesis  N.T. Mt Mc Lc Hnd Br.
afesis hamartiôn 1       1 : Hnd 13,38 NIET : 2 : (1) Heb 9,2 . (2) Heb 10,18
afesei hamartiôn     1 : (1) Lc 1,77 . NIET : (2) Lc 4,18 .    
afesin (tôn) hamartiôn 9 1 : Mt 26,28 . 1 : (1) Mc 1,4 . NIET : (2) Mc 3,29 .

1 : (1) Lc 3,3 . (3) Lc 24,47 . NIET : (2) Lc 4,18 .

1 : (1) Hnd 2,38 . (2) Hnd 5,31 . (3) Hnd 10,43 . (4) Hnd 26,18 . 1 : (2) Kol 1,14 . NIET : (1) Ef 1,7 .
totaal 11 1 1 3 5 1
eis afesin hamartiôn (tot vergeving van zonden) 1 : Mt 26,28 . (1) Mc 1,4 . 1 : (1) Lc 3,3 . (2) Lc 24,47 . (1) Hnd 2,38 .  

eis afesin hamartiôn (tot vergeving van zonden) . Taalgebruik : afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) , zie Mt 6,14 . In vier verzen in het N.T. : (1) Mt 26,28 . (2) Mc 1,4 . (3) Lc 3,3 . (4) Hnd 2,38 .

Verwijzing : afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) , zie Mt 6,14 . Accusatief enkelvoud . In zesentwintig verzen in de bijbel . In veertien verzen in het O.T. . In twaalf verzen in het N.T. . In zes verzen in de evangelies : (1) Mt 26,28 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 3,29 . (4) Lc 3,3 . (5) Lc 4,18 . (6) Lc 24,47 . In zes verzen in de andere boeken van het N.T. : (1) Hnd 2,38 . (2) Hnd 5,31 . (3) Hnd 10,43 . (4) Hnd 26,18 . (5) Ef 1,7 . (6) Kol 1,14 . In negen verzen in combinatie met hamartiôn (van zonden) , vandaar : zondenvergeving . Niet in (1) Mc 3,29 . (2) Lc 4,18 . (3) Ef 1,7 (vergeving van overtredingen) .

- afistèmi (afstand nemen, verwijderen) . afistèmi (afstand nemen, verwijderen) . Taalgebruik in het N.T. : afistèmi (afstand nemen, verwijderen) . Taalgebruik in Lc : afistèmi (afstand nemen, verwijderen) .

    bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. aor. 3de pers. enk. apestè   39  37               
                               

 

- aforizô (afzonderen) . aforizô (afzonderen) . Taalgebruik in het N.T. : aforizô (afzonderen) . Taalgebruik in de Septuaginta : aforizô (afzonderen) . Hebr. bâdal (afscheiden, verdelen) . Taalgebruik in Tenach : bâdal (afscheiden, verdelen) . Lat. segregare . Fr. mettre à part . E. to separate . D. aussondern . Zie ook horizô (begrenzen, bepalen, vaststellen) .
-- act. part. aor. nom. mann. enk. aforisas (afgezonderd) van het werkw. aforizô (afzonderen) . In twee verzen in de bijbel : (1) Lv 20,26 . (2) Gal 1,15 .
-- afôrismenos (afgezonderd) . Pass. aor. nom. mann. enk. van aforizô (afzonderen) . Slechts in één vers in de bijbel : Rom 1,1 .

- agalliaô (jubelen) . agalliaô (jubelen) . Taalgebruik in het N.T. : agalliaô (jubelen) . Taalgebruik in Lc : agalliaô (jubelen) .

  agalliaô  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. ègalliasen                      
  pass. ind. aor. 3de pers. enk. ègalliasato              
                               
                               

 

- agapaô (liefhebben) . agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in het N.T. : agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in Mc: agapaô (liefhebben) .

  agapaô  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. inf. praes. agapa(i)n  26  20           
  act. ind. fut. 2de pers. enk. agapèseis   14  10       
  act. ind. aor. 3de pers. enk. ègapèsen   45  33  12       
                               

- agathos (goed) . agathos (goed) . Taalgebruik in het N.T. : agathos (goed) . Taalgebruik in Mc : agathos (goed) .

  agathos  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. mann. enk. agathos   53  43  10  1 : Mc 10,18 .    
  nom. onz. + acc. mann. + onz. enk.  agathon 168  134  34  2 : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 10,18 .   26    24 
  voc. enk. agathe    1 : Mc 10,17 .            
                               
  gen. mv. agathôn   43  37         
                               
                               
                               

 

 

- aggelos (engel) . aggelos (engel) . Taalgebruik in het N.T. : aggelos (engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos (engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden . Hebr. malë´akh .

  aggelos (engel) bijbel  O.T. N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
1 nom. enk. aggelos 155 108 47 6   10 1 11 2 17 16 17
2 gen. enk. aggelou 23 9 14     1   5   8 1 1
3 dat. enk. aggelôi 17 8 9     1       8 1 1
4 acc. enk. aggelon 57 35 22 1 1 3   4 2 11 5 5
5 nom. + voc. mv. aggeloi 53 31 22 7 3 1     4 7 11 11
6 gen. mv. aggelôn 51 20 31 2 1 7   1 13 7 10 10
7 dat. mv. aggelois 13 4 9 2   1     3 3 3 3
8 acc. mv. aggelous 71 52 19 2 1 1 2   8 5 4 6
  Totaal   440 267 173 20 6 25 3 21 32 66 51 54

Een vorm van aggelos (engel) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,28 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,34 .(9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 .

aggelos (engel) bijbel  O.T. N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
acc. mann. enk. aggelon 57 35 22 1 : Mt 11,10 . 1 : Mc 1,2 . 3 : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 7,27 .   4 2 11 5 : (1) Mt 11,10 // Mc 1,2 // Lc 7,27 . 5
Totaal   440 267 173 20 6 25 3 21 32 66 51 54

aggelous (engelen) accusatief meervoud van aggelos (engel) . In deze vorm komt het in 71 verzen in de bijbel voor; in 6 verzen in de evangelies: Mt 13,41 , Mt 24,31 , Mc 13,27 , Lc 9,52 , Joh 1,51 , Joh 20,12 .
- aggelos (engel) . aggelos (engel) . Taalgebruik : aggelos (engel) , zie Mt 13,41 . In 155 verzen in de bijbel . In 108 verzen in het O.T. . In zevenenveertig verzen in het N.T. . In tien verzen in Genesis : (1) Gn 16,7. (2) Gn 16,8 . (3) Gn 16,9 . (4) Gn 16,10 . (5) Gn 16,11 . (6) Gn 21,17 . (7) Gn 22,11 . (8) Gn 22,15 . (9) Gn 31,11 . (10) Gn 48,16 . In vijf verzen in Ex : (1) Ex 3,2 . (2) Ex 4,24 . (3) Ex 14,19 . (4) Ex 23,23 . (5) . In verzen in rechters : (1) Re 2,1 . (2) Re 2,4 . (3) Re 5,23 . (4) Re 6,11 . (5) Re 6,12 . (6) Re 6,14 . (7) Re 6,16 . (8) Re 6,20 . (9) Re 6,21 . (10) Re 6,22 . (11) Re 13,3 . (12) Re 13,9 . (13) Re 13,11 . (14) Re 13,13 . (15) Re 13,16 . (16) Re 13,18 . (17) Re 13,20 . (18) Re 13,21 . (19) In elf verzen in Hnd . Zie o.a. de vijf verzen van aggelos kuriou (de engel van de Heer) . In twee verzen bij Lucas : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 2,9 . In elf verzen in Hnd : (1) Hnd 5,19 . (2) Hnd 7,30 . (3) Hnd 8,26 . (4) Hnd 10,7 . (5) Hnd 12,7 . (6) Hnd 12,8 . (7) Hnd 12,10 . (8) Hnd 12,15 . (9) Hnd 12,23 . (10) Hnd 23,9 . (11) Hnd 27,23 .

In tien verzen bij Lucas : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,38 . (8) Lc 2,9 . (9) Lc 2,10 . (10) Lc 22,43 .
(1) Lc 1,11 : ôfthè de autôi aggelos kuriou = een engel van de Heer echter verscheen hem . Zie Lc 22,43 : ôfthè de autôi aggelos ap'ouranou = een engel uit de hemel echter verscheen hem .
(2) Lc 1,13 : eipen de pros auton ho aggelos = de engel echter zei tot hem .
(3) Lc 1,19 : kai apokritheis ho aggelos eipen autôi = en geantwoord zei de engel hem . Zie Lc 1,35 : kai apokritheis ho aggelos eipen autèi = en geantwoord zei de engel haar .
(4) Lc 1,26 : ho aggelos gabrièl = de engel Gabriël .
(5) Lc 1,30 : kai eipen ho aggelos autèi = en de engel zei haar .
(6) Lc 1,35 : kai apokritheis ho aggelos eipen autèi = en geantwoord zei de engel haar . Zie Lc 1,19 : kai apokritheis ho aggelos eipen autôi = en geantwoord zei de engel hem .
(7) Lc 1,38 : kai apèlthen ap'autès ho aggelos = en de engel ging van haar weg .
(8) Lc 2,9 : kai (volgens sommige handschriften : idou = zie) aggelos kuriou epestè autois kai doxa kuriou perielampsen autous (en een engel van de Heer stond bij hen en de heerlijkheid van de Heer omstraalde hen) . Zie Hnd 12,7 : kai idou aggelos kuriou epestè kai fôs elampsen en ... (en zie een engel van de Heer stond er en een licht straalde in ...) .
(9) Lc 2,10 : kai eipen autois ho aggelos = en de engel zei hen .
(10) Lc 22,43 : ôfthè de autôi aggelos ap'ouranou = een engel uit de hemel echter verscheen hem . Zie Lc 1,11 : ôfthè de autôi aggelos kuriou = een engel van de Heer echter verscheen hem .
--- aggelos kuriou (de engel van de Heer) . In twaalf verzen in het N.T. .
In vijf verzen bij Matteüs :
(1) Mt 1,20 (losse genitief + idou + ) .
(2) Mt 1,24 (uitvoering van wat in Mt 1,20 werd opgedragen) .
(3) Mt 2,13 (losse genitief + idou + ) .
(4) Mt 2,19 (losse genitief + idou + ) .
(5) Mt 28,2 : aggelos gar kuriou (want een engel van de Heer) .
In drie verzen gaat een losse genitief , gevolgd door idou (zie) vooraf .
In twee verzen bij Lucas :
(1) Lc 1,11 : ôfthè de autôi aggelos kuriou = een engel van de Heer echter verscheen hem . Zie Lc 22,43 : ôfthè de autôi aggelos ap'ouranou = een engel uit de hemel echter verscheen hem .
(2) Lc 2,9 : kai (volgens sommige handschriften : idou = zie) aggelos kuriou = en (zie) een engel van de Heer .
In vijf verzen in Hnd : (1) Hnd 5,19 . (2) Hnd 7,30 . (3) Hnd 8,26 . (4) Hnd 12,7 . (5) Hnd 12,23 . ? Hnd 27,23 .
(1) Hnd 5,19 : aggelos de kuriou = de engel van de Heer echter .
(2) Hnd 7,30 (sommige handschriften geven slechts aggelos = een engel) .
(3) Hnd 8,26 : aggelos de kuriou = de engel van de Heer echter .
(4) Hnd 12,7 : kai idou aggelos kuriou = en zie een engel van de Heer .
(5) Hnd 12,23 .
--- aggelon (engel) . Accusatief mannelijk enkelvoud . In zevenenvijftig verzen in de bijbel . In tweeëntwintig verzen in het N.T. : (1) Mt 11,10 . (2) Mc 1,2 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,34 . (5) Lc 7,27 . (6) Hnd 10,3 . (7) Hnd 11,13 . (8) Hnd 12,11 . (9) Hnd 23,8 . (10)
Aggeloi (engelen) : nominatief meervoud. In 155 verzen in de bijbel. In deze vorm in 11 verzen in de evangelies; in 7 verzen in Matteüs (Mt 4,11 , Mt 13,39 , Mt 13,49 , Mt 18,10 , Mt 22,30 , Mt 24,36 , in 3 verzen in Marcus en in 1 vers in Lucas. Aggelos (engel) in 6 verzen in Matteüs; in 10 verzen in Lucas en in 1 vers in Johannes.

Ex 23,20 Hebr. Mal 3,1 Hebr. Mal 3,23 Hebr. Ex 23,20 Grieks Mal 3,1 Grieks Mal 3,22 Grieks Mc 1,2 Mt 11,10 Lc 7,27
hinneh (zie) hinnij (zie)
hinneh (zie) kai idou (en zie) idou (zie) kai idou (en zie) idou (zie) idou (zie) idou (zie)
'ânokhi (ik)
'ânokhi (ik) egô (ik) egô (ik) egô (ik)   egô (ik)  
sjoleach (zend) soleah (ik zend) sjoleach (zend) apostellô (zend) eksapostellô (zend) apostellô (zend) apostellô (zend) apostellô (zend) apostellô (zend)
malë´âkh (een bode) mal'âkhi (mijn bode) malë´âkh (een bode) ton aggelon mou (mijn bode) ton aggelon mou (mijn bode)
ton aggelon mou (mijn bode) ton aggelon mou (mijn bode) ton aggelon mou (mijn bode)
lëphanè(j)kha (voor uw aangezicht)

pro prosôpou sou (voor uw aangezicht)

pro prosôpou sou (voor uw aangezicht) pro prosôpou sou (voor uw aangezicht) pro prosôpou sou (voor uw aangezicht)


lâkhèm (naar u)

humin (tot u)   
 
    eth elijjâh hannâb'i' (de profeet)     Hlian tèn Thesbitèn (Elia de Thesbiet)      
  upinnâh (en bereidt) dèrèch (de weg) lephana(j) (voor zijn aangezicht) liphânâh (voor zijn aangezicht)    kai epiblepsetai hodon (de weg) pro prosôpou mou (voor mijn aangezicht)        

Ex 21,1 - 23,33 (Ex 23) : het verbondsboek
  Mal 2,17-3,5 : de dag van de Heer Mal 3,22-24 : over de toekomst Ex 21,1 - 23,33 (Ex 23 ) : het verbondsboek   Mal 2,17-3,5 : de dag van de Heer Mal 3,22-24 : over de toekomst 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 // Mt 3,1-6 // Lc 3,1-6  88. Jezus'getuigenis over Johannes de Doper Mt 11,7-13 // Lc 7,24-28    88. Jezus'getuigenis over Johannes de Doper Mt 11,7-13 // Lc 7,24-28 

- agnoeô (ontkennen) . agnoeô (ontkennen) . Taalgebruik in het N.T. : agnoeô (ontkennen) . Taalgebruik in Mc : agnoeô (ontkennen) .

  agnoeô (ontkennen)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. imperf. 3de pers. mv. ègnooun                

- agrupneô (slaaploos of wakker zijn, waken) . agrupneô (slaaploos of wakker zijn, waken) . Taalgebruik in het N.T. : agrupneô (slaaploos of wakker zijn, waken) . Taalgebruik in Mc : agrupneô (slaaploos of wakker zijn, waken) .

  agrupneô  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. omperat. praes. 2de pers. mv. agrupneite               

agrupneite (waakt) . Taalgebruik : agrupneô (slaaploos of wakker zijn, waken) . Imperatief prasens 2de pers. mv. In drie verzen in de bijbel . In Esr 8,29 is het de vertaling van sjiqdu (sjâqad) . In twee verzen in het N.T. : (1) Mc 13,33 . (2) Lc 21,36 . In vier verzen in het N.T. wordt een vorm van het werkwoord agrupneô (slaaploos of wakker zijn, waken) gebruikt .

- agô (leiden) . agô (leiden, voeren) . Taalgebruik in het N.T. : agô (leiden, voeren) . Taalgebruik in Lc : agô (leiden, voeren) . In het Nederlands kennen we het werkwoord ageren , ac-tie voeren , handelen .

  agô (leiden, voeren)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
                               
                               
                               
  act. ind. aor. 3de pers. enk. ègagen                            
  act. ind. aor. 3de pers. mv. ègagon   39  26  13           
  med. ind. imperf. 3de pers. enk. ègeto                    
                               
  totaal                            

- actief indicatief aorist derde persoon meervoud ègagon (zij leidden) van het werkwoord agô (leiden , voeren) .

ègagon (zij leidden) . Taalgebruik : agô (leiden) , zie Lc 23,1 . Actief aorist derde persoon meervoud van het werkwoord agô (leiden, voeren) . In het Nederlands kennen we het werkwoord ageren , ac-tie voeren , handelen . In negenendertig verzen in de bijbel . In zesentwintig verzen in het O.T. . In dertien verzen in het N.T. : (1) Mt 21,7 . (2) Lc 4,29 . (3) Lc 4,40 . (4) Lc 19,35 . (5) Lc 22,54 : ègagon eis tèn oikian tou archiereôs = naar het huis van de hogepriester . (6) Lc 23,1 : ègagon auton epi ton Pilaton = zij leidden hem tot bij Pilatus . (7) Joh 18,13 : ègagon pros Annan = zij leidden (hem) naar Annas . In zes verzen in Hnd : (1) Hnd 6,12 : kai ègagon eis to sunedrion = en zij leidden (hem) naar het sanhedrin . (2) Hnd 17,15 . (3) Hnd 17,19 . (4) Hnd 18,12 : kai ègagon auton epi to bèma = en zij leidden hem tot de rechterstoel . (5) Hnd 20,12 . (6) Hnd 23,31 . Vaak in de betekenis van : iemand voor het gerecht brengen , voorleiden .
- agô (leiden) . Taalgebruik : agô (leiden, voeren) .
--- ègen autous (hij leidde hen) . Slechts in Hnd 5,26 .
- anèchtè (hij werd omhooggevoerd) . In twee verzen in de bijbel . Slechts in het N.T. : (1) Mt 4,1 . (2) Hnd 18,21 .
-- anachthentes (opgevaren) . Taalgebruik : agô (leiden) , zie Lc 23,1 . Passief aorist participium nominatief mannelijk en vrouwelijk meervoud van het werkwoord anagô (naar boven leiden / voeren, opvaren) . In drie verzen in de bijbel . Slechts in Hnd : (1) Hnd 13,13 . (2) Hnd 16,11 . (3) Hnd 27,4 .
--- agagontes (geleid) . Participium aorist nominatief mannelijk meervoud . In één vers in de bijbel : Hnd 5,27
--- apègagon (zij leidden weg) . In twaalf verzen in de bijbel . In vijf verzen in het O.T. . In zeven verzen in het N.T. : (1) Mt 26,57 . (2) Mt 27,2 . (3) Mt 27,31 . (4) Mc 14,53 . (5) Mc 15,16 . (6) Lc 22,66 . (7) Lc 23,26 .

Mt 26,57 // Mc 14,53 // Lc 22,54 Mc 14,53 Lc 22,54 Lc 22,66
Hoi de kratèsantes (Zij echter overmeesterd) Kai (en) Sullabontes de (Meegenomen echter)  
ton Ièsoun (Jezus)   auton (hem)  
apègagon (leidden zij weg) apègagon (leidden zij weg) ègagon (leidden zij) ) kai eisègagon (en leidden binnen) apègagon (zij leidden weg)
  ton Ièsoun (Jezus)   auton (hem) 
      eis to sunedrion autôn (naar hun sanhedrin) .  

Via T.V. zijn vele beelden in ons geheugen gebrand van onschuldige mensen die midden in de nacht van hun bed gelicht worden , opgepakt , afgevoerd of weggeleid worden .
- paragôn (langsvoerend , langsdrijvend) . Zie Mt 9,9 .

- agrauleô (op het land, in de vrije natuur verblijven) . agrauleô (op het land, in de vrije natuur verblijven) . Taalgebruik in het N.T. : agrauleô (op het land, in de vrije natuur verblijven) . Gr. agros (akker, land, veld) . L. ager ( landbouw : agricola) . Ned. akker .

  agrauleô  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. praes. nom. mann. mv.             1 : Lc 2,8 .                  

- aifnidios (plotseling) . aifnidios (plotseling) . Taalgebruik in het N.T. : aifnidios (plotseling) . Taalgebruik in Lc : aifnidios (plotseling) .

  aifnidios  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
               
                               

- aineô (loven, prijzen) . Taalgebruik in het N.T. : aineô (loven, prijzen) . Taalgebruik in Lc : aineô (loven, prijzen) .


--- ainein . Infinitief . In zeventien verzen in de bijbel . In zestien verzen in het O.T. . In één vers in het N.T. nl. Lc 19,37 : ainein ton theon (God lof te prijzen) .
--- ainôn (prijzend) . In vier verzen in de bijbel .In twee verzen in het O.T. . In twee verzen in het N.T. . Plaatsnaam Aenon : Joh 3,23 . Participium praesens nominatief mannelijk enkelvoud : Hnd 3,8 .
--- ainounta (prijzend) . Accusatief enkelvoud . Slechts in één vers in de bijbel : Hnd 3,9 .
--- ainountes (prijzend) . Participium praesens nominatief mannelijk meervoud. In vier verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. . In twee verzen in het N.T. : (1) Lc 2,20 : ainountes ton theon = God lofprijzend (herders) . (2) Hnd 2,47 : ainountes ton theon = God lofprijzend .
--- ainountôn . In twee verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . Bij Lucas : (1) Lc 2,13 : ainountôn ton theon (van hen die God prijzen) .
Overzicht . In drie verzen in Lc . In drie verzen in Hnd . (1) Lc 2,13 . (2) Lc 2,20 . (3) Lc 19,37 . (1) Hnd 2,47 . (2) Hnd 3,8 . (3) Hnd 3,9 .

- airô (nemen) . airô (nemen) . Taalgebruik in het N.T. : airô (nemen) . Taalgebruik in Mc : airô (nemen) . Taalgebruik in Lc : airô (nemen) .

  airô (nemen)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. fut. 3de pers. mv. arousin            
  act. imperat. aor. 2de pers. enk. aron   16  2 : (1) Mc 2,9 . (2) Mc 2,11 .            
  act. imperat. aor. 3de pers. enk. aratô   1 : Mc 8,34 .            
  act. conj. aor. 3de pers. enk. arè(i)          
                               
                               
                               
  totaal                            

- aiôn (eeuwigheid) . aiôn (eeuwigheid) . Taalgebruik in het N.T. : aiôn (eeuwigheid) . Taalgebruik in Lc : aiôn (eeuwigheid) .

  aiôn  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  gen. mann. enk. aiônos   192  168  24  10    11  12 
                               

 

- aiônios (eeuwig) . aiônios (eeuwig) . Taalgebruik in het N.T. : aiônios (eeuwig) . Taalgebruik in Mc : aiônios (eeuwig) .

    bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. onz. + acc. mann. + onz. enk. aiônion   124  80 44   2 : (1) Mc 10,17 . (2) Mc 10,30 . 14  18  10  24  10 
                               
                               
                               

- aiteô (vragen, bedelen) . aiteô (vragen, bedelen) . Taalgebruik in het N.T. : aiteô (vragen, bedelen) . Taalgebruik in Mc : aiteô (vragen, bedelen) .

  aiteô  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. aor. 3de pers. enk. è(i)tèsato  14  2 : (1) Mc 6,25 . (2) Mc 15,43 .          
  act. imperat. aor. 2de pers. enk. aitèson     1 : Mc 6,22 .              
  act. conj. aor. 2de pers. enk. aitèsè(i)s      1: Mc 6,23 .                
  act. conj. aor. 1ste pers. mv. aitèsômen       1 : Mc 10,35 .              
  med. act. ind. praes. 2de pers. mv. aiteisthe   2 : (1) Mc 10,38 . (2) Mc 11,24 .          
  med. inf. praes. aiteisthai       1 : Mc 15,8 .          
  med. conj. aor. 1ste pers. enk. aitèsomai       1 : Mc 6,24              
                               

 

- akoloutheô (volgen) . akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het N.T. : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in Mc : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in Lc : akoloutheô (volgen) . Ned. acoliet .

  akoloutheô (volgen)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. praes. 3de pers. enk.  + act. imperat. praes. 2de pers. enk. akolouthei 16    16   10  14     
  act. ind. pr. 3de p. mv.  + act. part. praes. dat. mv. akolouthousin              
  act. ind. imperf. 3de pers. enk. èkolouthei  15  14    10     
  act. ind. imperf. 3de p. mv. èkolouthoun                  
  act. ind. fut. 1ste pers. enk. akolouthèsô               
  act. imperat. pr. 3de p. enk. akoloutheitô             
  act. inf. pr. akolouthein                 
  act. part. pr. nom. mann. mv. akolouthountes               
  act. ind. aor. 3de p. enk. èkolouthèsen              
  act. ind. aor. 3de pers. mv. èkolouthèsan  19  18  11      15  17     
  act. ind. aor. 2de p. mv. èkolouthèsate                  
  act.  ind. aor. 1ste pers. mv. èkolouthèsamen                
  act. ind. perf. 1ste p. mv. èkolouthèkamen                    
  act. part. aor. nom. mann. mv. akolouthèsantes                  
  akoloutheô (volgen)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  totaal                            

akoloutheô (volgen) , zie Mt 4,20 . - èkolouthèsan (zij volgden). In 11 verzen bij Matteüs: (1) Mt 4,20 . (2) Mt 4,22 . (3) Mt 4,25 . (4) Mt 8,1 . (5) Mt 8,25 . (6) Mt 9,27 . (7) Mt 12,15 . (8) Mt 14,13 . (9) Mt 19,2 . (10) Mt 20,34 . (11) Mt 27,55 . - èkolouthèsen (hij volgde). In 3 verzen bij Matteüs: (1)  Mt 9,9 . (2) Mt 9,19 . (3) Mt 20,29 .

- akatharos (onzuiver) . akatharos (onzuiver) . Taalgebruik in het N.T. : akatharos (onzuiver) . Taalgebruik in Mc : akatharos (onzuiver) . Taalgebruik in Lc : akatharos (onzuiver) .

  akatharos (onzuiver) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
1 nom. m. enk. akathartos 63 62 1           1      
2 nom. + dat vr. enk , nom + acc. onz. mv. .akatharta(i) 25 19 6   2     1 1 2
3 nom. + acc. onz. enk. akatharton 37 28 9 1 4 1   3    
4 gen. mann. + onz. enk. akathartou 13 10 3     1     1 1 1 1
5 dat. m. + onz. enk. akathartô(i) 11 6 5   3 2        
6 nom. m. mv. akathartoi 6 6                    
7 gen. m. + vr. + onz. mv. akathartôn 12 8 4 1 1 1   1    
8 dat. mv. akathartois 2   2   1 1         2 2
  Totaal   169 139 30 2 11 6   5 3 3 19  19 

  akatharos (onzuiver) N.T.  Mt  Mc   Lc  syn. ev.
1 nom. m. enk. akathartos 1          
2 nom. + dat vr. enk , nom + acc. onz. mv. .akatharta(i) 6   2 : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 5,13 .  
3 nom. + acc. onz. enk. akatharton 9 1: Mt 12,43 . 4 : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 3,30 . (3) Mc 5,8 . (4) Mc 7,25 . 1 : Lc 11,24 . 6 : (1) Mt 12,43 // Lc 11,24 . (2) Mc 1,26 //Lc 4,33 . (3) Mc 5,8 // Lc 8,29 .
5 dat. m. + onz. enk. akathartô(i) 5   3 : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 5,2 . (3) Mc 9,25 . 2: (1) Lc 8,29 . (2) Lc 9,42 . 5 : Mc 9,25 // Lc 9,42 .
6 nom. m. mv. akathartoi            
7 gen. m. + vr. + onz. mv. akathartôn 4 1: Mt 10,1 . 1 : Mc 6,7 . 1 : Lc 6,18 . 3 : (1) Mt 10,1 // Mc 6,7 .
8 dat. mv. akathartois 2   1 : Mc 1,27 . 1 : Lc 4,36 . 2 : (1) Mc 1,27 // Lc 4,36 . 2
  Totaal   30 2 11 6 19  19 

Lc (6) : (1) Lc 4,33 . (2) Lc 4,36 . (3) Lc 6,18 . (4) Lc 8,29 . (5) Lc 9,42 . (6) Lc 11,24 .

Een vorm van akathartos (onzuiver) in Mc   (1) Mc 1,23 (dat onz. enk. akathartôi in : anthrôpos en pneumati akathartôi = een mens met een onzuivere geest) . (2) Mc 1,26 (nom. onz. enk. akatharton in : to pneuma to akatharthon = de onzuivere geest) . (3) Mc 1,27 (dat. onz. mv. akathartois in : tois pneumasin tois akathartois = aan de onzuivere geesten) . (4) Mc 3,11 (nom. onz. mv. akatharta in : ta pneumata ta akatharta = de onzuivere geesten) . (5) Mc 3,30 (acc. onz. enk. akatharton in : pneuma akatharton = een onzuivere geest) . (6) Mc 5,2 (dat. onz. enk. akathartôi in : anthrôpos en pneumati akathartôi = een mens met een onzuivere geest) . (7) Mc 5,8 (voc. onz. enk. to pneuma to akatharton = de onzuivere geest) . (8) Mc 5,13 (nom. onz. mv. akatharta in : ta pneumata ta akatharta = de onzuivere geesten) . (9) Mc 6,7 (gen. onz. mv. akathartôn in : exousian tôn pneumatôn tôn akathartôn = macht over de onzuivere geesten) . (10) Mc 7,25 (acc. onz. enk. akatharton in : pneuma akatharton = een onzuivere geest) . (11) Mc 9,25 (dat. m. + onz. enk. akathartô(i) in : tôi pneumati tôi akathartô(i) = aan de onzuivere geest).    

- Mt 9,28 (daimonizomenoi = demon wordende) // Mc 5,2 (en pneumati akathartôi = met een onzuivere geest) // Lc 8,27 (echôn daimonia = hebbende demonen) .
- Mt 12,22 (daimonizomenos = een demon wordende) // Lc 11,14 (daimon = een demon) .
- Mc 1,23 (en pneumati akathartôi = met een onzuivere geest) // Lc 4,33 (echôn pneuma daimoniou akathartou = hebbende een geest van een onzuivere demon) .
- Mc 1,26 (to pneuma to akatharton = de onzuivere geest) // Lc 4,35 (to daimonion = de demon) .
- Mc 5,13 (ta pneumata ta akatharta = de onzuivere geesten) // Lc 8,33 (ta daimonia = de demonen) .
- Mc 5,15 (ton daimonizomenon = de demon wordende) // Lc 8,35 (ta daimonia = de demonen) .
- Mc 5,18 (ho daimonistheis = de gedemoniseerde) // Lc 8,38 (ta daimonia = de demonen) .
- Mc 9,20 (to pneuma = de geest) // Lc 9,42 (to daimonion = de demon) .
- Mt 10,1 (exousian pneumatôn akathartôn = macht over onzuivere geesten) // Mc 3,15 (ta daimonia = de demonen) // Mc 6,7 (exousian tôn pneumatôn tôn akathartôn = macht over de onzuivere geesten) // Lc 9,1 (exousian epi panta ta daimonia = macht over alle demonen) .

- akouô (horen) . akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Taalgebruik in Mc : akouô (horen) . Taalgebruik in Lc : akouô (horen) . Taalgebruik in Hnd : akouô (horen) . Taalgebruik in de Septuaginta : akouô (horen) . Beide (horen en oor) zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Lat. audire . Ned. horen . E. to hear . D. höhren .

akouô (horen) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. pr. 3de p. enk. akouei                        
ind. pr. 1ste p. enk. akouô                        
ind. pr. 2de p. enk. akoueis                         
act. ind. pr. 3de p. mv. + act. part.pr. dat mv. akouousin 19  10     
act ind praes. + imperat. praes. 2de pers. mv.akouete 28  19       
conj. pr. 3de pers. mv. akouôsin                          
act. inf. praes. akouein                      
part. pr. nom. m. enk. akouôn                         
part. pr. dat. enk. akouonti                         
act. part. praes. acc. mann. enk. akouonta            
act. part. praes. nom. mann. mv. akouontes  20  15   
part. pr. g. mv. akouontôn                         
ind imp. 3de p. enk. èkouei                        
ind. imp. 3de p. mv. èkouon 17  10         
act. ind. aor. 3de pers. enk. èkousen  186  170  16    11  
act. ind. aor. 3de pers. mv. èkousan  99  81  18  11 
act. ind. aor. 1ste pers. mv. èkousamen   35  25  10     
impera. aor. 2de p. mv. akousate                         
inf. aor. akousai                          
conj. aor. 3de pers. mv. akousôsin   19  12       
part. aor. nom. enk. akousas                         
act. part. aor. nom. mv. akousantes   67  15  52  13  16    27  32 
pass. aor. 3de pers. enk. èkousthè   20  16       
                         
                         
                         

- akouontes (horende) . Taalgebruik : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . Tegenwoordig deelwoord nominatief mannelijk meervoud . In twintig verzen in de bijbel . In vijf verzen in het O.T. . In vijf verzen in Lc : (1) Lc 2,47 . (2) Lc 4,28 . (3) Lc 8,10 . (4) Lc 8,21 . (5) Lc 11,28 . In vier verzen in Hnd : (1) Hnd 7,54 . (2) Hnd 9,7 . (3) Hnd 9,21 . (4) Hnd 18,8 . pantes hoi akouantes (alle toehoorders) .

akousantes (gehoord) . Actief participium aorist nominatief mannelijk meervoud van het werkwoord akouô ( horen ) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare ( het oor lenen aan , toehoren , aanhoren ) -> écouter . Hnd (16) : (1) Hnd 2,37 . (2) Hnd 4,24 . (3) Hnd 5,21 . (4) Hnd 5,33 . (5) Hnd 8,14 . (6) Hnd 9,38 . (7) Hnd 11,18 . (8) Hnd 14,14 . (9) Hnd 16,38 . (10) Hnd 17,32 . (11) Hnd 18,26 . (12) Hnd 19,5 . (13) Hnd 19,28 . (14) Hnd 21,20 . (15) Hnd 22,2 . (16) Hnd 28,15 .

akouô (horen) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
part. aor. nom. mv. akousantes   67  15  52  13  16       

1. - 2. akousantes de (gehoord echter) . In twaalf verzen in het N.T. . Mt (1) . Lc (1) . Hnd (10) : (1) Hnd 2,37 . (3) Hnd 5,21 . (5) Hnd 8,14 . (7) Hnd 11,18 . (8) Hnd 14,14 . (10) Hnd 17,32 . (11) Hnd 18,26 . (12) Hnd 19,5 . (13) Hnd 19,28 . (15) Hnd 22,2 . In deze tien verzen in Hnd staat dit telkens bij het begin van een zin . In negen verzen in het begin van een vers , niet in Hnd 18,26 .

- akribôs (nauwkeurig, wel overwogen) . akribôs (nauwkeurig, wel overwogen) . Taalgebruik in het N.T. : akribôs (nauwkeurig, wel overwogen) . Taalgebruik in Lc : akribôs (nauwkeurig, wel overwogen) .

- alètheia (waarheid) . Taalgebruik in het N.T. : alètheia (waarheid) . Taalgebruik in Mc : alètheia (waarheid) .

  alètheia (waarheid)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. + dat. vr. enk. alètheia(i)   103  63  40      12    27    13  15  12 
2 gen. vr. enk. alètheias  79  37  42    29    10  20 
3 acc. vr. enk. alètheian  69  47  22        15    11 
  totaal 251  147  104  23  71    30  46  25 

- alèthès (waar) . alèthès (waar) . Taalgebruik in het N.T. : alèthès (waar) . Taalgebruik in Mc : alèthès (waar) .

  alèthès  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. mann. enk. alèthès   15  15    10      12 
                               
                               

 

- alèthôs (waarlijk) . Taalgebruik in het N.T. : alèthôs (waarlijk) . Taalgebruik in Mc : alèthôs (waarlijk) .

alèthôs (waarlijk)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  33  15  18    15 

- alla (maar) . alla (maar) . Taalgebruik in het N.T. : alla (maar) . Taalgebruik in Mc : alla (maar) . Taalgebruik in Lc : alla (maar) .

alla (maar)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev.  
alla 644  230  414  32  30  19  56  22  248  81  137 
all'  449  238  211  12  18  16  49  103  46  95 
Totaal  1093  468  625  44  48  35  105  30  251  12  127  232 

alla (maar)   bijbel O.T. N.T. ev.   Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  P.  A. b.  
alla  644  230  414  137  248  54  42  33  17  10  12  10  10  11  11  219  29 
all'  449  238  211  95  103  14  23  23          86  17 
Totaal   1093  468  625  232  351  68  65  56  23  13  14  12  12  12  16  15  12  305  46 

- allèloi (elkander, elkaar) . allèloi (elkander, elkaar) . Taalgebruik in het N.T. : allèloi (elkander, elkaar) . Taalgebruik in Lc : allèloi (elkander, elkaar) . Taalgebruik in Hnd : allèloi (elkander, elkaar) .
- acc. mann. mv. allèlous . Lc (9)

- allos (ander) . Taalgebruik in het N.T. : allos (ander) . Taalgebruik in Mc : allos (ander) . Lat. alter , -tera , -terum (de andere van twee) . Fr. autre . Ned. a-n-d-er . Eng. other . allèlôn (gen. mv.) , -ois (dat. mv.) , -ous (acc. mv.) : elkaar , de een de ander .
- heteros , -a , -on (een van de twee) . Lat. uter , utra , utrum . Fr. autre . ne-uter = geen van beide . Noch mannelijk , noch vrouwelijk -> on-zijdig .

allos (ander)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                             
                             
nom.+ acc. onz. enk. allo   2 11  12       
nom. mann. mv. alloi  30  23  11    18     
                             
                             
                             
                             
totaal                            

- amemptos (onberispelijk, voortreffelijk) . amemptos (onberispelijk, voortreffelijk) . Taalgebruik in het N.T. : amemptos (onberispelijk, voortreffelijk) . Taalgebruik in Lc : amemptos (onberispelijk, voortreffelijk) . Lc (1) : Lc 1,6 . Dit is de enigste vorm in Lc .

- amèn (amen, ja, voorwaar) . amèn (amen, ja, voorwaar) . Taalgebruik in het N.T. : amèn (amen, ja, voorwaar) . Taalgebruik in Mc : amèn (amen, ja, voorwaar) .

- amfoteros (beide) . amfoteros (beide) . Taalgebruik in het N.T. : amfoteros (beide) . Taalgebruik in Lc : amfoteros (beide) .

    bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  nom. mann. mv. amfoteroi  46  39         
                               
                               

 

amèn (amen, ja, voorwaar)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  106  102  31  13  25    20  50  75     

- ampelôn (wijngaard) . ampelôn (wijngaard) . Taalgebruik in het N.T. : ampelôn (wijngaard) . Taalgebruik in Lc : ampelôn (wijngaard) .

    bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  dat. mann. enk. ampelôni                
                               

 

- an . an . Taalgebruik in het N.T. : an . Taalgebruik in Mc : an . Taalgebruik in Lc : an .

  an  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
    679  528  151  36  18  29  23  15  28  83  106     

- anabainô (beklimmen) . anabainô (beklimmen) . Taalgebruik in het N.T. : anabainô (beklimmen) . Taalgebruik in Mc : anabainô (beklimmen) . Taalgebruik in Lc : anabainô (beklimmen) .

- anebè (hij steeg op, hij klom op, hij klom omhoog ). Taalgebruik : anabainô (opklimmen) , zie Mt 3,16 . Het komt in 187 verzen in de bijbel voor . In het O.T. is het meestal de vertaling van het hebreeuwse wajja`al (`lh) . Taalgebruik : `âlah (opgaan, opklimmen) , zie Ps 68,19 . In 165 verzen in het O.T.. In tien verzen in Gn . In tien verzen in Ex. : (1) Ex 2,23 . (2) Ex 16,13 . (3) Ex 19,3 . (4) . In tweeëntwintig verzen in het N.T. . Bij Matteüs komt het in drie verzen voor : bij het doopsel (Mt 3,16) , bij de bergrede (Mt 5,1) en bij het wandelen over het water (Mt 14,23) . In Mc 6,15 , in 3 verzen bij Lucas, in 5 verzen bij Johannes, in 6 verzen in Hnd.
--- `âlah (gaan, klimmen) . In 158 verzen in de bijbel . Zie ook Taalgebruik : järad (afdalen, afstijgen, vallen) , zie Nu 11,9 .
--- enebè (hij stapte in - de boot -). In 3 verzen in de bijbel: (1) Jon 1,3 (enebè eis autou = hij stapte erin) . (2) Mt 15,39 (enebè eis to ploion = hij stapte in de boot) . (3) Lc 8,22 (enebè eis ploion = hij stapte in een boot).
--- anabainei (hij beklimt). In 11 verzen in de bijbel. In 7 verzen in het O.T. In 4 verzen in het N.T. : (1) Mc 3,13 .

  anabainô (beklimmen)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. pr. 3de pers. enk. anabainei  11               
  act. ind. pr. 1ste pers. mv. anabainomen                  
  act. ind. pr. 3de pers. mv. anabainousin                 
  act. part. pr. nom. mann. enk. anabainôn            
  act. part. pr. acc. mann. enk. anabainonta              
  act. part. pr. nom. mann. mv. anabainontes                  
  act. part. pr. gen. mann. mv. anabainontôn               
  act. ind. aor. 3de pers. enk. anebè   187  165  22  12     
  act. ind. aor. 3de pers. mv. anebèsan   75  65  10       
  act. part. aor. nom. mann. enk. anabas   11           
  act. part. aor. nom. mann. mv. anabantes                             
                               
  totaal                            

 

Mc 1,10 Gn 13,1 Hnd 8,39
kai euthus (en onmiddellijk)   hote de (wanneer echter)
anabainôn (opklimmend) wajja´al Abhëram (En Abram klom op) anebè de Abram anebèsan (zij opstegen)
ek tou hudatos (uit het water) ... mimmitszëraim (uit Egypte) ex tou Aiguptou ek tou hudatos (uit het water)
Mc 1,12 to pneuma auton ekballei (de geest werpt hem uit)   pneuma kuriou èrpasen ton Filippon (de geest van de Heer roofde Filippus)
Mc 1,12 eis tèn erèmon (naar de woestijn) hannègëbâh (naar de woestijn) eis tèn erèmon  
 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 - Abram en Lot : Gn 13  Filippus en de Ethiopische eunuch - Hnd 8,26-40 -

 

 1. 2.  3.
Mt 3,16 Mt 5,1  Mt 14,23
baptistheis de ho Ièsous (gedoopt echter Jezus) idôn de tous ochlous (de menigten echter gezien) kai apolusas tous ochlous (en ontbonden de menigten)
euthus anebè (steeg onmiddellijk op) anebè (ging hij op) anebè (ging hij op)
apo tou hudatos (uit het water) eis to oros (naar de berg) eis to oros (naar de berg)
    kat'idian (afzonderlijk)
18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -  24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 - Jezus wandelt op het meer - Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 -

- anablepô (naar boven blikken) . Taalgebruik in het N.T. : anablepô (naar boven blikken) . Taalgebruik in Mc : anablepô (naar boven blikken) .

    bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. aneblepsen            
  act. part. aor. nom. mann. enk. anablepsas  22  15          7      
  act.  part. aor. nom. vr. mv. anablepsasai                  
  act. conjunct. aor. 1ste persd. enk. anablepsô                 
                               
  totaal                            

- anachôreô (uitwijken) .

Vervolgens geven we parallelteksten van Marcus die Matteüs interpreteert als een uitwijken (wegens gevaar). Het uitwijken van Jezus wegens gevaar heeft te maken met Herodes , die Johannes de Doper laat gevangen nemen en onthoofden , en met sommige Farizeeën en schriftgeleerden . Jezus is een gevaar en zal veroordeeld worden enerzijds omdat hij bevestigt dat hij de koning van de joden is , anderzijds dat hij de messias , de zoon van God is .

Mc 1,14 // Mt 4,12 Mt 4,12 // Mc 1,14 Mc 3,7// Mt 12,15 Mt  12,15 // Mc 3,7 Mc 6,32 // Mt 14,13 // Lc 9,10b Mt14,13 // Mc 6,32 // Lc 9,10b Mc 7,24// Mt 15,21 Mt 15,21 // Mc 7,24
Kai (en) 22. Akousas de hoti (Toen -Jezus- echter vernam dat...) Kai ho Iijsous...  (En Jezus...) 15. Ho de Iijsous gnous (Jezus echter wetende) Kai (en) Akousas de Iijsous (gehoord hebbende echter Jezus) Ekeithen de anastas (Vandaar echter opgestaan zijnde) Kai ekselthoon ekeithen ho Iijsous (en uitgegaan zijnde vandaar Jezus)
meta to paradothijnai ton Iooannijn (nadat Johannes werd overgeleverd) Iooannijs paredothij (Johannes werd overgeleverd)






ijlthen (ging hij) anechoorijsen (week hij uit)
anechoorijsen (week uit)

apijlthon (zij gingen weg) en tooi ploiooi (in de boot)
anechoorijsen (week uit) ekeithen (vandaar) en ploiooi (in een boot)
apiijlthen (ging hij weg) anechoorijsen (week uit)
eis tijn Galilaian (naar Galilea) eis tijn Galilaian (naar Galilea) pros tijn thalassan (bij het meer) anechoorijsen (week hij uit) ekeithen (vandaar) eis erijmon topon (naar een eenzame plaats) eis erijmon topon (naar een eenzame plaats) eis ta horia Turou (naar de bergen van Tyrus) eis ta merij Turou kai Sidoonos (naar delen van Tyrus en Sidon)
        kat'idian (op henzelf) kat'idian (op henzelf)    
21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 // Mt 4,12-17 // Lc 4,14-15 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 // Mt 4,12-17 // Lc 4,14-15 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 // Mt 12,9-14 // Lc 6,6-11 // (Lc 14,1-6). 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 // Mt 12,9-14 // Lc 6,6-11 // (Lc 14,1-6). 150. Mc 6,30-34 // Mt 14,13-14 // Lc 9,10-11 : terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop 150. Mc 6,30-34 // Mt 14,13-14 // Lc 9,10-11 : terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop 156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw : Mc 7,24-30 // Mt 15,21-28 156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw : Mc 7,24-30 // Mt 15,21-28
Mc 1,14 (Jezus ging naar Galilea) Mc 3,7 (Jezus week uit nadat de Farizeeën en Herodianen een besluit namen Jezus te doden) Mc 6,32 // Mt 14,13 // Lc 9,10b-17 Mc 7,24
Kai (en) Kai ho Ièsous...  (En Jezus...)
Kai (en) Ekeithen de anastas (Vandaar echter opgestaan zijnde)
meta to paradothènai ton Iôannèn (nadat Johannes werd overgeleverd)      
èlthen (ging hij) anechôrèsen (week uit) apèlthon (zij gingen weg) en tôi ploiôi (in de boot) apèlthen (ging hij weg)
eis tèn Galilaian (naar Galilea) pros tèn thalassan (bij het meer) eis erèmon topon (naar een eenzame plaats) eis ta horia Turou (naar de bergen van Tyrus)


kat'idian (op henzelf)
 
Mc 1,14-15 // Mt 4,12-17 // Lc 4,1-13 : begin van Jezus' optreden in Galilea - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 -
Mc 3,7-12 //Mt 12,15-21 // Lc 6,17-19: volkstoeloop en genezingen - Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a -
150. Mc 6,30-34 // Mt 14,13-14 // Lc 9,10-11 : terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop - Mc 6,30-34 - Mt 14,13-14 -Lc 9,10-11 -
156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw : Mc 7,24-30 // Mt 15,21-28 - Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28 -

 

Mc 7,24 // Mt 15,21 Mt 15,21 // Mc 7,24 Mc 7,31 // Mt 15,29 Mt 15,29 // Mc 7,31
Ekeithen (vandaar)      
de (echter) Kai (en) Kai (en) Kai (en)
    palin (opnieuw) metabas (overgestoken zijnde)
anastas (opgestaan) ekselthoon (naar buiten gegaan) ekselthoon (weggetrokken zijnde)  
  ekeithen (vandaar)   ekeithen (vandaar)
  ho Ièsous (Jezus)   ho Iijsous (Jezus)
    ek toon horioon Turou (uit dfe bergen van Tyrus)  
apijlthen (ging weg) anechoorijsen (week uit) ijlthen (ging hij) ijlthen (ging hij)
eis to horia Turou (naar de bergen van Tyrus) eis ta merij Turou kai Sidoonos (naar het gebied van Tyrus en Sidon)    
156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw : Mc 7,24-30 // Mt 15,21-28 156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw : Mc 7,24-30 // Mt 15,21-28 157. Genezing van een doofstomme : Mc 7,31-37 // Mt 15,29-31 157. Genezing van een doofstomme : Mc 7,31-37 // Mt 15,29-31

- anafôneô (luid uitspreken, uitroepen) . anafôneô (luid uitspreken, uitroepen) . Taalgebruik in het N.T. : anafôneô (luid uitspreken, uitroepen) . Taalgebruik in Lc : anafôneô (luid uitspreken, uitroepen) .

  anafôneô  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. anefônèsen                    

- anaginôskô (herkennen, erkennen, duidelijk zien, lezen) . anaginôskô (herkennen, erkennen, duidelijk zien, lezen) . Taalgebruik in het N.T. : anaginôskô (herkennen, erkennen, duidelijk zien, lezen) . Taalgebruik in Lc : anaginôskô (herkennen, erkennen, duidelijk zien, lezen) .

  anaginôskô  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. inf. aor. anagnônai                  
                               
                               

anagnônai . Actief infinitief aorist . In drie verzen in de bijbel o.a. Lc 4,16 .
- anaginôskô (herkennen, erkennen, duidelijk zien, lezen) .
--- anaginôskomenas . Passief praesens participium accusatief vrouwelijk meervoud .

- anagô (omhoogvoeren) . anagô (omhoogvoeren) . Taalgebruik in het N.T. : anagô (omhoogvoeren) . Taalgebruik in Mt : anagô (omhoogvoeren) . Niet in Mc . Taalgebruik in Lc : anagô (omhoogvoeren) . Niet in Joh .

  anagô  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. mv. anègagon  22  19               
  act. part. aor. nom. mann. enk. anagagôn            
  pass. ind. aor. 3de pers. enk. anèchthè                 
  pass. ind. aor. 3de pers. mv. anèchthèsan                  
                               

- anaireô (opnemen, doden, vernietigen) . anaireô (opnemen, doden, vernietigen) . Taalgebruik in het N.T. : anaireô (opnemen, doden, vernietigen) . Taalgebruik in Lc : anaireô (opnemen, doden, vernietigen) . Taalgebruik in Hnd : anaireô (opnemen, doden, vernietigen) .

- anaferô (naar boven dragen, omhoog voeren) . anaferô (naar boven dragen, omhoog voeren) . Taalgebruik in het N.T. : anaferô (naar boven dragen, omhoog voeren) . Taalgebruik in Lc : anaferô (naar boven dragen, omhoog voeren) .

- anaklinô (omhoog houden, neerleggen) . anaklinô (omhoog houden, neerleggen) . Taalgebruik in het N.T. : anaklinô (omhoog houden, neerleggen) . Taalgebruik in Lc : anaklinô (omhoog houden, neerleggen) .

  anaklinô  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. imperf. 3de pers. enk. aneklinen                    
                               
                               

- actief ind. aor. 3de pers. enk anekraksen (hij schreeuwde het uit) van het werkw. anakrazô (uitschreeuwen, oproepen) . komt in vijf verzen in de bijbel voor . In drie verzen in het O.T. : (1) 1 S 4,5 . (2) 1 K 22,32 . (3) 1 M 2,27 . In twee verzen in het N.T. : (1) Mc 1,23 . (2) Lc 4,33 .
- anakrazô (uitschreeuwen) . Taalgebruik in het N.T. : anakrazô (uitschreeuwen) . Taalgebruik in Mc : anakrazô (uitschreeuwen) . Taalgebruik in Lc : anakrazô (uitschreeuwen) .

actief ind. aor. 3de pers. enk anekraksen (hij schreeuwde het uit) van het werkw. anakrazô (uitschreeuwen, oproepen) . In twee verzen in het N.T. : (1) Mc 1,23 . (2) Lc 4,33 . Een vorm van anakrazô (uitschreeuwen, oproepen) in Mc (2) en Lc (3) .
--- anakraksas (uitgeschreeuwd) . Participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud . In Lc 8,28 .
--- ekraksen (hij schreeuwde) . In elf verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. . In negen verzen in het N.T. : (1) Mt 14,30 . (2) Joh 7,28 . (3) Joh 7,37 . (4) Joh 12,44 . (5) Hnd 7,60 . (6) Apk 7,2 .
--- kraksas (geschreeuwd) . Participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud . In vier verzen in de bijbel : (1) Mt 27,50 . (2) Mc 5,7 . (3) Mc 9,24 . (4) Mc 9,26 .
--- een werkwoordvorm van ana(krazô) + fônèi megalèi (roepen met luide stem) : 1 S 4,5 . 1 M 2,27 . Mt 27,50 . Mc 5,7 . Lc 4,33 . Lc 8,28 . Hnd 7,60 .

  anakrazô (uitschreeuwen)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. anekraxen                
  act. ind. aor. 3de pers. mv. anekraxan                  
                               
                               

- anakuptô (het hoofd omhoogsteken) . anakuptô (het hoofd omhoogsteken) . Taalgebruik in het N.T. : anakuptô (het hoofd omhoogsteken) . Taalgebruik in Lc : anakuptô (het hoofd omhoogsteken) .

  anakuptô  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. imperat.  aor. 2de pers. mv. anakupsate                  
                               
                               

- anastasis (opstanding) . Taalgebruik : egeirô (ontwaken, opwekken) , zie Mc 1,31 .

anastasis (opstanding) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk syn. ev.
nom. enk. anastasis 7 6          
gen. enk. anastaseôs 19 16   2   6   3  
dat. enk. anastasei 7   7 2     5 6
acc. enk.anastasin 13 11     2   5        
Totaal   46 40     6   11        

 

 

anastasis (opstanding) bijbel  N.T.  Lc  Hnd  Lc   Hnd 
nom. enk. anastasis 7 6        
gen. enk. anastaseôs 19 16 2 6 (1) Lc 20,35 . (2) Lc 20,36 .   (1) Hnd 1,22 . (2) Hnd 2,31 . (3) Hnd 4,33 . (4) Hnd 23,6 . (5) Hnd 24,21 . (6) Hnd 26,23
dat. enk. anastasei 7 7 2   (1) Lc 14,14 . (2) Lc 20,33 .    
acc. enk.anastasin 13 11 2 5 (1) Lc 2,34 . (2) Lc 20,27 .   (1) Hnd 4,2 . (2) Hnd 17,18 . (3) Hnd 17,32 . (4) Hnd 23,8 . (5) Hnd 24,15
Totaal   46 40 6 11    

gen. mv. nekrôn opstanding uit doden : (2) Hnd 4,2 . (10) Hnd 17,32 . (11) Hnd 23,6 . (12) Hnd 24,21 . (13) Hnd 26,23 .


- Taalgebruik naar de opstanding van Jezus :
-- (1) Hnd 1,22 : martura tès anastaseôs autou (getuige van zijn opstanding) .
-- (2) Hnd 2,31 : peri tès anastaseôs tou Christou (over de opstanding van Christus) .
-- (3) Hnd 4,33 : to marturion ... tès anastaseôs tou kuriou Ièsou (het getuigenis van de opstanding van de Heer Jezus) .
-- (1) Hnd 4,2 : kai kataggellein en tôi Ièsou tèn anastasin tèn ek nekrôn (en aan te kondigen de opstanding die uit doden) .
-- (2) Hnd 17,18 : hoti ton Ièsoun kai tèn anastasin euèggelizeto (want hij verkondigde Jezus en de opstanding) .
- anastaseôs nekrôn (van een opstanding van doden) . (4) Hnd 23,6 . (5) Hnd 24,21 . (6) Hnd 26,23 .  of (11) Hnd 23,6 . (12) Hnd 24,21 . (13) Hnd 26,23
-- tèn anastasin tès ek nekrôn (de opstanding die uit doden) : Hnd 4,2 .
-- anastasin nekrôn (een opstanding van doden) : Hnd 17,32 .
In Hnd zijn er elf verzen met een vorm van het zelfstandig naamwoord anastasis (opstanding) . Meestal verwijst opstanding naar opstanding uit (de) doden . In negen verzen is er sprake over (de) opstanding van / uit (de) doden . In vijf verzen verwijst de opstanding naar de opstanding uit de doden . Bij het zelftstandig naawoord 'opstanding' staat dan telkens het bepaald lidwoord .

- anatassô (opstellen, de gegevens sytematisch rangschikken, onderzoeken) . anatassô (opstellen, de gegevens sytematisch rangschikken, onderzoeken) . Taalgebruik in het N.T. : anatassô (opstellen, de gegevens sytematisch rangschikken, onderzoeken) . Taalgebruik in Lc : anatassô (opstellen, de gegevens sytematisch rangschikken, onderzoeken) . anatassô diègèsin : een verhaal opbouwen , omstandig vertellen . Lc 1,1 : anataxasthai : passief infinitief aorist . Hapax . zij namen ter hand dat een verhaal zou opgebouwd worden . Verwijzing : tassö (bevelen, opdragen) , zie Mt 21,6 . Vertaling van het Hebreeuwse werkwoord tsawâh

- anatellô (oprijzen) . Taalgebruik : anatellô (oprijzen) .

- anatellô (oprijzen, opgaan) . Taalgebruik : anatellô (oprijzen, opgaan) , zie Mt 5,14 .
--- aneteilen (ging op) . In veertien verzen in de bijbel . In elf verzen in het O.T. . In drie verzen in het N.T. . Mt 4,16 citeert Js 9,1 en schrijft fôs aneteilen autois (licht ging op voor hen) . Matteüs herneemt dikwijls in zijn kindsheidsevangelie een thema dat bij het begin van Jezus' optreden wordt besproken . In Mt 4,16 wordt het werkwoord anatellô (rijzen, opstijgen) - anesteilen (ging op) gebruikt , dat van dezelfde stam is als anatolè (opstijging, oprijzing) van Mt 2,1-12 . Het is niet toevallig dat bij het begin van het optreden van Jezus het werkwoord anatellô (oprijzen, stijgen) wordt gebruikt . Jezus is het licht dat schijnt in de duisternis .
Het is dan ook begrijpelijk dat Matteüs kort na de zaligsprekingen de tekst over "jullie zijn het licht..." plaatst. Er is wel iets opmerkelijks. Jezus wordt gezien als het licht voor de heidenen . In de vroege christengemeenten van Matteüs waren de gemeenschappen gemixt : joden en heidenen . Zo'n gemengde gemeenschap is dan een licht voor zowel joden als heidenen , voor alle anderen , voor de wereld . Er heeft dus een zekere verschuiving plaats . In dezelfde richting wijst het beeld van het zout .
- zârach (rijzen, opgaan) . Taalgebruik : zârach (rijzen, opgaan) , zie Mt 5,14 . In 19 verzen in de bijbel . Stralen de vertaling van ngh (het Griekse lampô : stralen, schijnen). Zerach (zèrah) is ook een eigennaam: (1) Gn 36,17; (2) Gn 36,33; (3) Gn 38,30; (4) Joz 7,1; (5) Joz 7,18 ; (6) Joz 7,24; (7) Joz 22,20; (8) Js 60,1 (werkwoord) . (9) Ps 112,4 (werkwoord) . (10) Neh 11,24; (11) 1 Kr 1,37; (12) 1 Kr 1,44; (13) 1 Kr 2,4; (14) 1 Kr 2,6; (15) 1 Kr 4,24; (16) (16) 1 Kr 6,6; (17) 1 Kr 6,26; (18) 1 Kr 9,6; (19) 2 Kr 14,8.
--- jizërach (hij zal opgaan) . In drie verzen in de bijbel : (1) 2 S 23,4 . (2) Js 60,2 . (3) Job 9,7 .
--- wajjizërach (en hij zal oprijzen) . Slechts in één vers in de bijbel : Gn 32,32 .
- mizërach (het opkomen) . In vijftien verzen in de bijbel .
--- mimmizarach (van het opkomen) . Voorzetsel min en zelfstandig naaamwoord mannelijk enkelvoud . In zestien verzen in de bijbel . mimmizarach sjèmesj (van het opkomen van de zon) . In zes verzen in de bijbel . mimmizarach sjèmesj `ad mëbô´ô (van het opkomen van de zon tot haar ondergang) . In drie verzen in de bijbel : (1) Ps 50,1 . (2) Ps 113,3 . (3) Mal 1,11 .

Js 60,1 MT Js 60,1 LXX Js 60,2 MT Js 60,2 LXX Ps 112,4 MT Ps 112,4 LXX Ps 97,11 Ps 97,11
ûkhëbhôd JHWH `âlaîkh zârâch (en de heerlijkheid van JHWH ging over u op) kai doxa kuriou (en de heerlijkheid van JHWH) epi se anatetalken (over jou heeft doen opgaan) we`âlaîkh jizërach JHWH ûkhëbhôdô  `âlaîkh jerâ´èh (en over jou zal JHWH opgaan en zijn heerlijkheid zal over jou gezien worden) epi de se fanèsetai kurios kai hè doksa autou  epi se ophthèsetai (over u echter zal de Heer schijnen en zijn heerlijkheid over u zal gezien worden) zârach bachosjèkh ´ôr (licht is opgegaan in de duisternis) exaneteilen en skotei fôs (licht is opgegaan in de duisternis) ´ôr zâru`a latstsaddîq ûlëjisjërê leb shimëchâh (licht is opgegaan voor de rechtvaardige en voor de gerechtigen van hart vreugde) fôs aneteilen
tôi dikaiôi kai
tôi euthesi tèi
kardiai
eufrosunè .

 

anatellô (oprijzen)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                             
                             
act. aor. 3de pers. enk. aneteilen   14  11           
                             
                             
                             
                             
                             
totaal                            

- andreas (Andreas) . andreas (Andreas) . Taalgebruik in het N.T. : andreas (Andreas) . Taalgebruik in Mc : andreas (Andreas) .

  andreas (Andreas)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. mann. enk. andreas     1 :   Mt 10,2 . 1 : Mc 13,3    3 : (1) Joh 1,40 . (2) Joh 6,8 . (3) Joh 12,22 1 : Hnd 1,13 .          
2 voc. en dat. mann. enk. andrea(i)           1 :  Joh 12,22            
3 gen. mann. enk. andreou       1 : Mc 1,29 .     1 : Joh 1,44 .            
4 acc. mann. enk. andrean                
  totaal                            

 

- anèr (man) . anèr (man) . Taalgebruik in het N.T. : anèr (man) . Taalgebruik in Mc : anèr (man) . Taalgebruik in Lc : anèr (man) .

  anèr (man) bijbel  O.T. N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
1 nom. mann. enk. anèr 480 432 48 1   9 2 14 22   10  12 
2 voc. mann. enk. aner 1   1           1      
3 gen.  mann. enk. andros 151 135 16     2 1 2 11  
4 dat. mann. enk. andri 105 87 18 2 1 3   4 7 1
5 acc. mann. enk. andra 189 160 29 1 2 1 2 14 9  
6 nom. + voc. mann. mv. andres 394 331 63 4 1 8 1 44 5   13  14 
7 gen.  mann. mv. andrôn 140 133 7     2   5    
8 dat.  mann. mv. andrasin 51 44 7         1 6      
9 acc.  mann. mv. andras 211 191 20     1 1 15 3  
  Totaal   1722 1513 209 26  99  6 38  45 

 

anèr (man) Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  P.  A.b 
nom. enk. anèr 22 13                                  18 
voc. enk. aner 1                                          
gen. enk. andros 11                                   10 
dat. enk. andri 7                                  
acc. enk. andra 9                                    
nom. + voc. mv. andres 5                                  
gen. mv. andrôn                                                
dat. mv. andrasin 6                                  
acc. mv. andras 3                                      
Totaal   6 29          2               55 

 

anèr (man) - gunè (vrouw)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
Totaal  anèr (man) 1722 1513 209 26  99  6 38  45     
totaal gunè (vrouw) 1059  850  209  29  16  38  22  18  67  19  83  105  64 

 

- anèr (man) . In veertien verzen in Hnd :
(1) Hnd 3,2 (kai tis anèr chôlos... = en een man , lam ...) .
(2) Hnd 5,1 (anèr de tis Ananias onomati = een man echter, Ananias met name) .
(3) Hnd 8,9 (anèr de tis onomati Sumeôn = een man echter, met name Simeon) .
(4) Hnd 8,27 (kai idou anèr Aithiops = en zie een Ethiopisch man) .
(5) Hnd 10,1 (anèr de tis en Kaisareiai onomati Kornèlios = een man echter in Caesarea, met name Cornelius) .
(6) Hnd 10,28 (Cornelius - anèr dikaios kai foboumenos ton theon = een rechtvaardig en godvrezend man) .
(7) Hnd 10,30 (kai idou anèr - Paulus - = en zie een man) .
(8) Hnd 11,24 (Barnabas - hoti èn anèr agathos kai plèrès pneumatos hagiou kai pisteôs = want hij was een goed man en vol van heilige geest en van geloof) .
(9) Hnd 14,8 (kai tis anèr = en een man) .
(10) Hnd 16,9 (anèr Makedôn tis = een Macedoniër) .
(11) Hnd 18,24 (Apollo - anèr logios = een welbespraakt man) .
(12) Hnd 22,3 (egô eimi anèr Ioudaios = ik ben een jood) .
(13) Hnd 22,12 (Ananias de tis, anèr eulabès... = Een Ananias, een godsvruchtig man) .
(14) Hnd 25,14 (anèr tis = welke man) .
In vijf van de veertien verzen in Hnd staat anèr (man) vooraan de zin : (2) Hnd 5,1 . (3) Hnd 8,9 . (5) Hnd 10,1 . (10) Hnd 16,9 . (14) Hnd 25,14 . In drie verzen ervan (2) Hnd 5,1 . (3) Hnd 8,9 . (5) Hnd 10,1 wordt het woord anèr (man) gevolgd door het partikel de (echter) en het onbepaald voornaamwoord tis (een bepaald iemand) . In deze drie verzen wordt dan de concrete naam gegeven : (2) Hnd 5,1 (anèr de tis Ananias onomati = een man echter, Ananias met name) . (3) Hnd 8,9 (anèr de tis onomati Sumeôn = een man echter, met name Simeon) . (5) Hnd 10,1 (anèr de tis en Kaisareiai onomati Kornèlios = een man echter in Caesarea, met name Cornelius) . Deze constructie vinden we ook in Hnd 18,24 waar Ioudaious (jood) het woord anèr (man) vervangt ; wellicht omdat anèr (man) nog verder in de zin vermeld wordt . Hnd 18,24 (Ioudaios de tis Apollôs onomati = een jood echter , Apollo met name ) .
- De constructie kai tis anèr (en een man) komt tweemaal in Hnd voor : (1) Hnd 3,2 . (2) Hnd 14,8 . In beide teksten staat het aan het begin van een vers en van de beschrijving van de noodlijdende . In deze beide teksten gaat het om de genezing van een lamme : Hnd 3,1-10 en Hnd 14,8-20 . In deze beide teksten draagt de man geen naam of wordt zijn afkomst niet vermeld .
-- anèr de tis onomati (een bepaalde man echter met naam) . In het N.T. slechts in dit vers Hnd 5,1 .
-- De constructie kai tis anèr (en een man) komt tweemaal in Hnd voor : (1) Hnd 3,2 . (2) Hnd 14,8 . In beide teksten staat het aan het begin van een vers en van de beschrijving van de noodlijdende . In deze beide teksten gaat het om de genezing van een lamme : Hnd 3,1-10 en Hnd 14,8-20 . In deze beide teksten draagt de man geen naam of wordt zijn afkomst niet vermeld .
- andres adelfoi . Nominatief mannelijk meervoud . In een vers in het N.T. Vocatief mannelijk meervoud . In dertien verzen in het N.T. : (1) Hnd 1,16 . (2) Hnd 2,29 . (3) . Zie Hnd 1,16 .

- aneuriskô (vinden, ontdekken) . aneuriskô (vinden, ontdekken) . Taalgebruik in het N.T. : aneuriskô (vinden, ontdekken) . Taalgebruik in Lc : aneuriskô (vinden, ontdekken) .

  aneuriskô  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. mv. aneuran                    
                               
                               

 

- anistèmi (opstaan) . anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het N.T. : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Mc : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Lc : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Hnd : anistèmi (opstaan) .

anistèmi (opstaan) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk  Lc Hnd  
ind. fut. pr. 1ste p. enk. anastèsô 19 15 4       4          
ind. fut. 3de p. enk. anastèsei 8 5 3 1       2       (1) Hnd 3,22 . (2) Hnd 7,37 .
ind. aor. 3de p. enk. anestèsen 13 9 4         4       (1) Hnd 2,24 . (2) Hnd 2,32 . (3) Hnd 9,41 . (4) Hnd 13,34 .
inf. aor. anastènai 20 13 7   2 2 1 2 (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,46 .       (1) Hnd 10,41 . (2) Hnd 17,3 .
part. aor. nom. m. enk. anastèsas 3   3         3       (1) Hnd 13,26 . (2) Hnd 13,33 . (3) Hnd 17,31 .
act. part. aor. nom. mann. enk. anastas   74  38  36  11    17         
part. aor. nom. vr. enk. anastasa                 
part. aor. nom. mann. mv. anastantes  18  12             
med. ind. aor. 3de pers. enk. anestè   137  122  15         
conj. aor. 3de pers. enk. anestè(i)   10               
conj. aor. 3de pers. mv. anastôsin                  
pass. ind. fut. 3de pers. enk. anastèsetai  20  15             
                         

- anastas (opgestaan). Taalgebruik : anastas (opgestaan) , zie Mc 1,35 . In vierenzeventig verzen in de bijbel; in vijfenvijftig verzen in het O.T. In zesendertig verzen in het N.T. In negentien verzen in de evangelies. In 2 verzen bij Matteüs . In 6 verzen bij Marcus : (1) Mc 1,35 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 7,24 . (4) Mc 10,1 . (5) Mc 14,60 . (6) Mc 16,9 . In elf verzen bij Lucas. In de LXX is anastas vaak de vertaling van een vorm van het werkwoord q(w)um (staan, opstaan).
-- Mc 1,35 Kai prôi ennucha lian anastas (en 's morgens vroeg, nog in de nacht, opgestaan). We zien hier de link tussen prôi ('s morgens vroeg ) en anastas (opgestaan). Reeds sluimert de gedachte van de opstanding door.
-- Mc 2,14 : kathèmenon epi to telônion (gezeten bij het tolhuis) - anastas (opgestaan) .
-- Mc 7,24 : Ekeithen de anastas (Vanaf hier echter opgestaan)
-- Mc 10,1 : Kai ekeithen anastas (En vanaf hier opgestaan)
-- Mc 14,60 : kai anastas ho archiereus (en opgestaan de hogepriester) .
-- Mc 16,9 : anastas de prôï prôtèi sabbatou (opgestaan 's morgens op de eerste sabbat) .
- Actief futurum derde persoon enkelvoud anastèsei (hij zal doen opstaan) . In acht verzen in de bijbel . In vijf verzen in het O.T. o.a. Dt 18,18 . In drie verzen in het N.T. : (2) Hnd 3,22 . (3) Hnd 7,37 .
--- anastèsô (ik zal doen opstaan) . In negentien verzen in de bijbel : (1) Dt 18,18 (´âqîm) . (2) 1 S 2,35 (wahäqîmothî) . (3) 2 S 7,12 (wahäqîmothî) . (4) 1 K 9,5 (wahäqimothî) . (5) Jr 23,4 (wahäqimothî) . (6) Jr 23,5 (wahäqimothî) . (7) Jr 30,9 (´âqîm) . (8) Ez 16,60 ( (wahäqimôthî) . (9) Ez 16,62 (wahäqîmôthî) .

gen. mv. nekrôn God - deed - opstaan uit doden : (1) Hnd 10,41 . (2) Hnd 13,34 . (3) Hnd 17,3 . (4) Hnd 17,31 .

- anôthen (van boven af) . anôthen (van boven af) . Taalgebruik in het N.T. : anôthen (van boven af) . Taalgebruik in Lc : anôthen (van boven af) .

- anti (ter wille van , tegenover) . anti (ter wille van , tegenover) . Taalgebruik in het N.T. : anti (ter wille van , tegenover) . Taalgebruik in Mc : anti (ter wille van , tegenover) .

  anti  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
    135  119  16     

 

- anthrôpos (mens) . anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Lc : anthrôpos (mens) .

  anthrôpos (mens) bijbel  O.T. N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
1 nom. mann. enk. anthrôpos 512 394 118 21 14 24 21  10  27  59  80 
2 voc. enk. anthrôpe 16 7 9     4     5  
3 gen. enk. anthrôpou 403 283 120 31 15 30 16  17  76  92 
4 dat. enk. anthrôpôi 107 81 26 11 3 5   19  20 
5 acc. enk. anthrôpon 186 128 58 11 7 6 10  18  24  34 
6 nom. + voc. mv. anthrôpoi 90 63 27 4 1 5 10  12 
7 gen. mv. anthrôpôn 277 181 96 18 11 10 3 10  39  43 
8 dat. mv. anthrôpois 82 39 43 10 1 6 16    17  19 
9 acc. mv. anthrôpous 87 57 30 2 1 4