NIEUWE TESTAMENT : TAALGEBRUIK B

Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

- baptisma (doopsel) -- basileia (koninkrijk) -- betrekkelijk voornaamwoord -- blepô (kijken, zien) -


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
 
1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm . WEBLOG : BIJBELLEERHUIS
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts (Vlaams Blok) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen -

Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , bijbelTaalgebruiken - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

-
OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


OPGELET : De getallen verwijzen steeds naar het aantal verzen waarin een 'woord' voorkomt . Eenzelfde 'woord' kan echter meerdere malen in hetzelfde vers voorkomen .

  NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
boeknr.  27 40 41 42 43 44 45 - 65 66    
hoofdst.  260 28 16 24 21 28 121 22 68  89 
verzen  7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 

B


- βαινω = bainô (banen, gaan, zich in beweging zetten)

- bain˘ (banen, gaan, zich in beweging zetten) . βαινω = bainô (banen, gaan, zich in beweging zetten) . Taalgebruik in het NT : bain˘ (banen, gaan, zich in beweging zetten) . Taalgebruik in de LXX : bainô (banen, gaan, zich in beweging zetten) .

- Ned. : banen, gaan . Grieks : βαινω . Hebreeuws : בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) .


 

- ballantion (geldbuidel, portemonee) .


- ballô (werpen, gooien) . βαλλω = ballô (werpen, gooien, vallen) . Taalgebruik in het NT : ballô (werpen, gooien) . Taalgebruik in Mc : ballô .

  ballô   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind.  praes. 3de pers. enk. ballei      
  act. ind. imperf. 3de pers. mv. eballon                  
  act. part. praes. nom. mann. mv. ballontes                    
  act. ind. aor. 3de prs. enk. ebalen   22  20    10     
  act. ind. aor. 3de pers. mv. ebalon   15         
  act. conj. aor. 3de pers. enk. balè(i)                
  act. inf. aor. balein            
  act. imperat. aor. 2de pers. enk. bale   16             
  pass. imperat. aor. 2de pers. enk. blèthèti                  
  pass. ind. perf. blèthènai                  
  pass. ind. perf. 3de pers. enk. beblètai                  
  pass. part. perf. nom. + acc. onz. + acc. mann. enk.  beblèmenon           3      
                               
                               

- ballô (werpen, gooien), zie Mt 8,14 .


 

- baptisma (doopsel) . βαπτισμα = baptisma (doopsel) . Taalgebruik in het NT : baptisma (doopsel) . Taalgebruik in de LXX : baptisma (doopsel) . Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el , do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me .

baptisma (doopsel) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
nom. + acc. onz. enk. baptisma 17   17 2 4 4   5 2   10 10
gen. enk. baptismatos 2   2         1 1      
Totaal   19   19 2 4 4   6 3   10 10

- baptisma (doopsel) . NT (17) : (1) Mt 3,7 . (2) Mt 21,25 . (3) Mc 1,4 . (4) Mc 10,38 . (5) Mc 10,39 . (6) Mc 11,30 . (7) Lc 3,3 . (8) Lc 7,29 . (9) Lc 12,50 . (10) Lc 20,4 . (11) Hnd 10,37 . (12) Hnd 13,24 . (13) Hnd 18,25 . (14) Hnd 19,3 . (15) Hnd 19,4 . (16) Ef 4,5 . (17) 1 Pe 3,21 .

1. Mc 1,8 egô (ik)       ebaptisa (doopte) humas (jullie) hudati (met water)  
    autos (hij) de (echter)     baptisei (zal dopen) humas (jullie) pneumati hagiôi (met heilige geest)  
2. Mt 3,11 egô (ik) men (enerzijds) humas (jullie)   baptizô (doop)   en hudati (met water) eis metanoian (tot bekering)
    autos (hij)   humas (jullie)   baptisei (zal dopen)   en pneumati hagiôi kai puri (met heilige geest en vuur)  
3. Lc 3,16 egô (ik) men  (enerzijds)   hudati (met water) baptizô (doop) humas (jullie)    
    autos (hij)   humas (jullie)   baptisei (zal dopen)   en pneumati hagiôi kai puri (met heilige geest en vuur)  
4. Joh 1,26 egô (ik)       baptizô (doop)   en hudati (met water)  
5. Hnd 1,5 (hoti) Iôannès (want) (Johannes) men (enerzijds)     ebaptisen (doopte)   hudati (met water)  
    humeis (jullie) de (echter)   en pneumati (met geest) baptisthèsesthe (zullen gedoopt worden)   hagiôi (heilige)  
6. Hnd 8,38 (kai) (en)       ebaptisen (doopte) auton (hem)    
7. Hnd 11,16 Iôannès (Johannes) men (enerzijds)     ebaptisen(doopte)   hudati (met water)  
    humeis (jullie) de (echter)     baptisthèsesthe (zullen gedoopt worden)   en pneumati hagiôi (met heilige geest)  
8. Hnd 19,4 Iôannès (Johannes)       ebaptisen baptisma (doopte een doopsel)     metanoias (van bekering)

 

 

  Mc 1,8a Mc 1,8b Lc 3,16 Lc 3,16e Hnd 1,5a Hnd 1,5b Hnd 11,16b Hnd 11,16c Hnd 19,4b
onderwerp egô (ik) autos (hij) egô (ik) autos (hij) hoti (want) Iôannès (Johannes) humeis (u) Iôannès (Johannes) humeis (u) Iôannès (Johannes)
    de (echter) men (enerzijds)   men (enerzijds) de (anderzijds) men (enerzijds) de (anderzijds)  
      hudati (met water)     en pneumati ... hagiôi (met heilige geest)      
vervoegd werkwoord ebaptisa (doopte) baptisei (zal dopen) baptizô (doop) humas (u) baptisei (zal dopen) ebaptisen (doopte) baptisthèsesthe (zult gedoopt worden) ebaptisen (doopte) baptisthèsesthe (zult gedoopt worden) ebaptisen baptisma metanoias (doopte een doopsel van bekering)
lijdend voorwerp  humas (u) humas (u) humas (u)            
bepaling van middel   hudati (met water) pneumati hagiôi (met heilige geest)   en pneumati hagiôi (met heilige geest) kai puri (en vuur) hudati (met water)     en pneumati hagiôi (met heilige geest)  
   16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 -  16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 -  16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 -  16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 - Hnd 1,1-14 : Jezus'laatste opdracht en hemelvaart : Hnd 1 Hnd 1,1-14 : Jezus'laatste opdracht en hemelvaart : Hnd 1 Hnd 11,1-18 : Petrus verklaart in Jeruzalem zijn optreden : Hnd 11 Hnd 11,1-18 : Petrus verklaart in Jeruzalem zijn optreden : Hnd 11 Hnd 19,1-20 : Paulus te Efeze : Hnd 19  

- baptizô (dopen) . βαπτιζω = baptizô (dopen) . Taalgebruik in het NT : baptizô (dopen) . Taalgebruik in de LXX : baptizô (dopen) . Taalgebruik in Mc : baptizô (dopen) . Taalgebruik in Lc : baptizô (dopen) . Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el , do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me .

baptisthènai (om gedoopt te worden) . Taalgebruik : baptizô (dopen) , zie Mt 3,13 . Zie ook : baptizô (dopen) , zie Mc 1,8 . Passief infinitief aorist . In tien verzen in de bijbel . Slechts in het NT : (1) Mt 3,13 . (2) Mt 3,14 . (3) Mc 10,38 . (4) Lc 3,7 . (5) Lc 3,12 . (6) Lc 3,21 . (7) Lc 12,50 . (8) Hnd 8,36 . (9) Hnd 10,47 . (10) Hnd 10,48 .

baptizô (dopen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. syn. ev.
ind. pr. 3de p. enk. baptizei 3 1 2       2 : (1) Joh 3,26 . (2) Joh 4,1 .       2
ind. pr. 2de p. enk. baptizeis  1   1       1 : Joh 1,25 .       1
ind. pr. 1ste p. enk. baptizô 3   3 1 : Mt 3,11 .   1 : Lc 3,16 . 1 : Joh 1,26 .     2 3
ind imp. 3de p. enk. ebaptizen 2   2       2 : (1) Joh 3,22 . (2) Joh 4,2 .       2
ind. fut. 3de p. enk. baptisei 3   3 1 : Mt 3,11 . 1 : Mc 1,8 . 1 : Lc 3,16 .       3 3
part. pr. nom. mann. enk. baptizôn  7   7   2 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 6,14 .   5 : (1) Joh 1,28 . (2) Joh 1,31 . (3) Joh 1,33 (Jezus) . (4) Joh 3,23 . (5) Joh 10,40 .     2 7
act. part. praes. gen. mann. enk. baptizontos 1   1   1         1 1
part. pr. nom. mann. mv. baptizontes 1   1 1 : Mt 28,19 .           1 1
ind. aor. 3de p. enk. ebaptisen           4 : (1) Hnd 1,5 . (2) Hnd 8,38 . (3) Hnd 11,16 . (4) Hnd 19,4 .      
ind. aor. 1ste p. enk. ebaptisa     1 : (1) Mc 1,8 .       2 : (1) 1 Kor 1,14 . (2) 1 Kor 1,16 .
pass. imperf. 3de pers. mv. ebaptizonto 5   5 1 : Mt 3,6 . 1 : Mc 1,5 .   1 : Joh 3,23 . 2 : (1) Hnd 8,12 . (2) Hnd 18,8 .   2 3
inf. pr. baptizein 2   2       1 : Joh 1,33 .   1 : 1 Kor 1,17 .   1
pass. aor. 3de p. enk. ebaptisthè 5   5   1 : Mc 1,9 .   1 : Lc 11,38 .   3 : (1) Hnd 9,18 . (2) Hnd 16,15 . (3) Hnd 16,33 .   2 2
pass. aor. 3de p. mv. ebaptisthèsan           2 : (1) Hnd 2,41 . (2) Hnd 19,5 1 :  1 Kor 10,2 .    
pass. fut. 2de p. mv. baptisthèsesthe     1 : Mc 10,39 .     2 : (1) Hnd 1,5 . (2) Hnd 11,16 .  
pass. conj. aor. 3de pers. mv. baptisôntai 1   1   1         1 1
pass. part. aor. nom. mann. enk. baptistheis   1 : Mt 3,16 . 1 : Mc 16,16 .     1 : Hnd 8,13 .  
pass. inf. aor. baptisthènai 10   10  2 : (1) Mt 3,13 . (2) Mt 3,14 . 1 : Mc 10,38 . 4 : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 3,12 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 12,50 .   3 : (1) Hnd 8,36 . (2) Hnd 10,47 . (3) Hnd 10,48 .  
Andere vormen                      
Totaal  60 1 59 7 11 7 13 20 4 25 38

- ebaptisen (hij doopte) . In vier verzen in de bijbel . Slechts in het NT : (1) Hnd 1,5 . (2) Hnd 8,38 . (3) Hnd 11,16 . (4) Hnd 19,4 . In twee verzen wordt het gevolgd door hudati (met water) : (1) Hnd 1,5 . (2) Hnd 11,16 .
- to baptisma (het doopsel) komt in Mt 3,7 en Mt 21,25 voor.
--- baptisthètô (dat hij worde gedoopt) . Passief imperatief derde persoon mannelijk enkelvoud . In één vers in de bijbel : Hnd 2,38 .


- baptistès (doper) . Taalgebruik in het NT : baptistès (doper) . Taalgebruik in Mc : baptistès (doper) .

  baptistès (doper)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. baptistès                  
gen. mann. enk. baptistou                  
dat. mann. enk. baptistè(i)                             
acc. mann. enk. baptistèn     3            
  totaal 12    12          12  12     

- bareomai (bezwaren) . bareomai (bezwaren) . Taalgebruik in het NT : bareomai (bezwaren) . Taalgebruik in Lc : bareomai (bezwaren) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  pass. part. perf. nom. mann. mv. bebarèmenoi                  
                               
                               

Barnabas (Barnabas) . βαρναβας = barnabas (Barnabas) . Taalgebruik in het NT : barnabas (Barnabas) . In allerlei vormen komt het woord 28X voor .
- nom. mann. enk. . NT (10) : (1) Hnd 4,36 . (2) Hnd 9,27 . (3) Hnd 12,25 . (4) Hnd 13,1 . (5) Hnd 13,46 . (6) Hnd 14,14 . (7) Hnd 15,35 . (8) Hnd 15,37 . (9) 1 Kor 9,6 . (10) Gal 2,13 .
Tweemaal als genitief enkelvoud : (1) Hnd 11,30 . (2) Hnd 15,12 .
Achtmaal als datief enkelvoud : (1) Hnd 13,43 . (2) Hnd 14,20 . (3) Hnd 15,2 . (4) Hnd 15,22 . (5) Hnd 15,25 . (6) Gal 2,1 . (7) Gal 2,9 . (8) Kol 4,10 .
Achtmaal als accusatief enkelvoud Barnaban : (1) Hnd 11,22 . (2) Hnd 13,2 . (3) Hnd 13,7 . (4) Hnd 13,50 . (5) Hnd 14,12 vermelding van Barnabas en Paulus die als goden op aarde worden beschouwd . (6) Hnd 15,2 : Paulon kai Barnaban = Paulus en Barnabas . (7) Hnd 15,36 : eipen pros Barnaban Paulos = zei Paulus tot Barnabas . (8) Hnd 15,39 .
Dit geeft het volgende overzicht :
(1) Hnd 4,36 . (2) Hnd 9,27 . (3) Hnd 11,22 .
(4) Hnd 11,30 : Barnaba kai Saulou = van Barnabas en Saulus . .
(5) Hnd 12,25 : Barnabas de kai Saulos = Barnabas echter en Saulus .
(6) Hnd 13,1 : ho te Barnabas ... kai Saulos : zoals Barnabas ... en Saulus .
(7) Hnd 13,2 : ton Barnaban kai Saulon = zonder mij Barnabas en Saulus af .
(8) Hnd 13,7 : houtos proskalesamenos Barnaban kai Saulon = deze riep Barnabas en Saulus bij zich .
(9) Hnd 13,43 : tôi Paulôi kai tôi Barnabai = Paulus en Barnabas .
(10) Hnd 13,46 : tôi Paulôi kai tôi Barnabai = zij volgden Paulus en Barnabas .
(11) Hnd 13,50 : epègeiron diôgmon epi ton Paulon kai Barnaban = zij ontketenden een vervolging tegen Paulus en Barnabas .
(12) Hnd 14,12 vermelding van Barnabas en Paulus die als goden op aarde worden beschouwd .
(13) Hnd 14,14 : hoi apostoloi Barnabas kai Paulos = de apostelen Barnabas en Paulus .
(14) Hnd 14,20 : sun tôi Barnabai = Paulus ging de stad uit met Barnabas .
(15) Hnd 15,2 (tweemaal) meningsverschil met de Judeeërs : tôi Paulôi kai tôi Barnabai ; Paulon kai Barnaban = Paulus en Barnabas .
(16) Hnd 15,12 : Barnaba kai Paulou = zij luisterden naar Barnabas en Paulus .
(17) Hnd 15,22 : sun tôi Paulôi kai Barnabai = samen met Paulus en Barnabas .
(18) Hnd 15,25 : sun tois agapètois hèmôn Barnabai kai Paulôi = samen met onze geliefden Barnabas en Paulus .
(19) Hnd 15,35 : Paulos de kai Barnabas = Paulus echter en Barnabas .
(20) Hnd 15,36 : eipen pros Barnaban Paulos = zei Paulus tot Barnabas .
(21) Hnd 15,37 . (22) Hnd 15,39 . (23) 1 Kor 9,6 . (24) Gal 2,1 . (25) Gal 2,9 . (26) Gal 2,13 . (27) Kol 4,10 .
Barnabas was een bijnaam die hem door de apostelen werd gegeven . Hij heette echter Jozef . Hij was een leviet en was afkomstig uit Cyprus (Hnd 4,36 - Hnd 4,37) . Barnabas verkocht wat hij bezat (Hnd 4,36 - Hnd 4,37) en sloot zich bij de gemeente van Jeruzalem aan . Barnabas bracht Saulus bij de apostelen (Hnd 9,27) . Hij werd door Jeruzalem naar Antiochië gestuurd om te zien wat daar aan het gebeuren was . Hij was enthousiast en bemoedigde de leerlingen . Hij bracht Saulus naar Antiochië (Hnd 11,25 - Hnd 11,26) . Barnabas en Paulus ontvingen verschillende opdrachten (Hnd 11,30 . Hnd 12,25 . Hnd 13,2 - Hnd 13,3 . Hnd 15,2 . Hnd 15,22 . Hnd 15,25) . Barnabas maakte de eerste zendingsreis van Paulus mee (Hnd 13,4-14,27) . Vanaf Hnd 13,13 nam Paulus de leiding . In Hnd 15,39 gingen Barnabas en Paulus uit elkaar na een meningsverschil over Johannes Marcus .


- βασιλεια = basileia (koninkrijk, koningschap)

- basileia (koninkrijk) . βασιλεια = basileia (koninkrijk, koningschap) . Taalgebruik in het NT : basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in de LXX : basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in Mc : basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in Lc : basileia .

basileia bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev. P. A. b.
nom. + dat enk. basileia(i) 164 93 71 33 7 23 1   3 4 63  64  3  
gen. enk. + acc. mv. basileias 156 131 25 10 3 5   3 4   18  18  3 1
acc. enk. basileian 132 71 61 11 9 17 2 5 12 5 37  39 11 1
nom. mv. basileiai 4 4                        
gen. mv. 8 8                        
dat. mv. 9 9                        
Totaal   473  316  157  54  19  45  19  118  121     

- nom. vr. enk. βασιλεια , dat. vr. enk. βασιλειᾳ = basileia (i) (koninkrijk) . Taalgebruik in het NT : basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in de LXX : basileia (koninkrijk) . Mt (33) : (1) Mt 3,2 . (2) Mt 4,17 . (3) Mt 5,3 . (4) Mt 5,10 . (5) Mt 5,19 . (6) Mt 6,10 : hè basileia sou (uw koninkrijk) . (7) Mt 8,11 . (8) Mt 10,7 . (9) Mt 11,11 . (10) Mt 11,12 . (11) Mt 12,25 . (12) Mt 12,26 . (13) Mt 12,28 : hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) . (14) Mt 13,24 . (15) Mt 13,31 . (16) Mt 13,33 . (17) Mt 13,43 : en tèi basileiai tou patros autôn (in het koninkrijk van hun vader) . (18) Mt 13,44 . (19) Mt 13,45 . (20) Mt 13,47 . (21) Mt 13,52 . (22) Mt 16,28 : en tèi basileiai autou (in zijn koninkrijk) . (23) + (24) Mt 18,1 + Mt 18,4 : en tèi basileiai tôn ouranôn (in het koninkrijk van de hemelen) . (25) Mt 18,23 . (26) Mt 19,14 . (27) Mt 20,1 . (28) Mt 20,21 : en tèi basileiai sou (in je koninkrijk) . (29) Mt 21,43 : hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) . (30) Mt 22,2 . (31) Mt 24,7 : basileia epi basileian (koninkrijk op koninkrijk . (32) Mt 25,1 . (33) Mt 26,29 : en tèi basileiai tou patros mou (in het koninkrijk van mijn vader) .

- ἡ βασιλεια των ουρανων = hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) . Matteüs (20) : (1) Mt 3,2 . (2) Mt 4,17 . (3) Mt 5,3 . (4) Mt 5,10 . (5) Mt 5,19 . (7) Mt 8,11 . (8) Mt 10,7 . (9) Mt 11,11 . (10) Mt 11,12 . (14) Mt 13,24 . (15) Mt 13,31 . (18) Mt 13,44 . (19) Mt 13,45 . (20) Mt 13,47 . (21) Mt 13,52 . (25) Mt 18,23 . (26) Mt 19,14 . (27) Mt 20,1 . (30) Mt 22,2 . (32) Mt 25,1 .

In tien verzen is het koninkrijk van de hemelen thema van vergelijking .

hômoiôthè . 1. homoia . 2. homoia . 3.   hômoiôthè . 2. hômoiôthè . 3. homoia . 4. homoia . 5. homoia . 6. homoia . 7.
Mt 13,24 Mt 13,31 Mt 13,33  Mt 21,33 Mt 18,23    Mt 22,2 Mt 13,44 Mt 13,45   Mt 13,47   Mt 20,1
Allèn parabolèn (Een andere parabel) Allèn parabolèn (Een andere parabel) Allèn parabolèn (Een andere parabel) Allèn parabolèn (Naar een andere parabel) dia touto (daarom)     palin (opnieuw) palin (opnieuw)  
parethèken (voegde hij toe) autois (hen) legôn (zeggend) parethèken (voegde hij toe) autois (hen) legôn (zeggend) elalèsen (sprak hij) autois (hen) akousate (luistert)            
hômoiôthè (werd vergeleken) homoia estin (vergelijkbaar is) homoia estin (vergelijkbaar is)   hômoiôthè (werd vergeleken) hômoiôthè (werd vergeleken) homoia estin (vergelijkbaar is) homoia estin (vergelijkbaar is) homoia estin (vergelijkbaar is) homoia gar estin (want vergelijkbaar is)
hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen)   hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen)
anthrôpôi speiranti (met een zaaier) kokkôi sinapeôs (mostaardzaadje) zumèi (zuurdesem) anthrôpos èn oikodespotès (er was een huisheer) anthrôpôi basilei (met een koning) anthrôpôi basilei (met een koning)  thèsaurôi (met een schat) kekrummenôi en tôi agrôi (verborgen in de akker) anthrôpôi emporôi (met een handelaar) sagènèi (met een net) anthrôpôi oikodespotèi (met een huisheer)
  hon labôn anthrôpos espeiren en tôi agrôi autou (dat een man genomen, op zijn akker zaaide) hèn labousa gunè enekrupsen (dat een vrouw genomen, verborg) hostis efeutusen (die plantte) hos èthelèsen (die wilde) hostis epoièsen gamous (die een bruiloft gaf)   hon heurôn anthrôpos ekrupsen (dat een man gevonden, verborg)     hostis exèlthen (die uitging)
133. Gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe : Mt 13,24-30  134. Gelijkenis van het mosterdzaad : Mc 4,30-32 - Mt 13,31-32 - Lc 13,18-19  135. Gelijkenis van het zuurdeeg : Lc 13,20-21 - Mt 13,33  289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers : Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19  182. Gelijkenis van de onbarmhartige dienaar : Mt 18,23-35  290. Gelijkenis van het koninklijke bruilofts-maal : Mt 22,1-14 - Lc 14,15-24  138. Gelijkenis van de schat en de parel : Mt 13,44-46  138. Gelijkenis van de schat en de parel : Mt 13,44-46 139. Gelijkenis van het visnet : Mt 13,47-50  272. Gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard : Mt 20,1-16

Mt 25,1 Mt 7,24 Mt 7,26 Mt 13,52
Tote Pas oun (Al wie derhalve) kai pas (en al wie) dia touto pas grammateus... (daarom is elke schriftgeleerde)
homoiôthèsetai (zal vergeleken worden) homoiôthèsetai (zal vergeleken worden) homoiôthèsetai (zal vergeleken worden) homoios estin (vergelijkbaar)
hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen)      
deka parthenois (met tien maagden) andri fronimôi (met een wijs man) andri môrôi (met een dwaas man) anthrôpôi oikodespotèi (met een huisheer)
haitines labousai tas lampadas heautôn exèlthon (die hun lampen genomen) uittrokken hostis ôikodomèsen (die bouwde) hostis ôikodomèsen (die bouwde) hostis ekballei (die uitwerpt - uithaalt)
       

 

basileia (koninkrijk) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc Hnd
nom. + dat enk. basileia(i) 164 93 71 33 7 23 1   3 4    
gen. enk. + acc. mv. basileias 156 131 25 10 3 5   3 4     (1) Hnd 1,3 . (2) Hnd 8,12 . (3) Hnd 19,8 .  
dat. enk. zie nom.                        
acc. enk. basileian 132 71 61 11 9 17 2 5 12 5   (1) Hnd 1,6 . (2) Hnd 14,22 . (3) Hnd 20,25 . (4) Hnd 28,23 . (5) Hnd 28,31 .
nom. mv. basileiai 4 4                    
gen. mv. 8 8                    
dat. mv. 9 9                    
acc. mv.                        
Totaal                          

basileia (koninkrijk) bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc Hnd
nom. enk. hè basileia tou theou     21  13         
gen. enk. . tès basileias tou theou     10   3 3   3 1     (1) Hnd 1,3 . (2) Hnd 8,12 . (3) Hnd 19,8 .  
dat. enk.tè(i) basileia(i) tou theou                  
                         
acc. enk. tèn basileian tou theou     30 3 8 12 2 4 1   (1) Lc 4,43 . (2) Lc 8,1 . (3) Lc 9,2 . (4) Lc 9,27 . (5) Lc 9,60 . (6) Lc 9,62 . (7) Lc 12,31 . (8) Lc 13,20 . (9) Lc 18,17 . (10) Lc 18,24 . (11) Lc 18,25 . (12) Lc 23,51 (1) Hnd 14,22 . (2) Hnd 20,25 .(3) Hnd 28,23 . (4) Hnd 28,31 .

- tèn basileian tou theou (- verkondigend - het koninkrijk van God) . Taalgebruik : hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) , zie Mt 3,2 . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In dertig verzen in de bijbel .
Uitdrukking in twaalf verzen bij Lucas .
(1) Lc 4,43 : euaggelisasthai me dei tèn basileian tou theou , epi touto apestalèn = ik moet de blijde boodschap brengen van het koninkrijk van God ; daartoe ben ik gezonden .
(2) Lc 8,1 : kèrussôn kai euaggelizomenos tèn basileian tou theou = verkondigend en de blijde boodschap brengend van het koninkrijk van God .
(3) Lc 9,2 : kŔrussein tŔn basileian tou theou = het koninkrijk van God te verkondigen .
(4) Lc 9,27 . (5) Lc 9,60 . (6) Lc 9,62 . (7) Lc 12,31 . (8) Lc 13,20 . (9) Lc 18,17 . (10) Lc 18,24 . (11) Lc 18,25 . (12Lc 23,51 .
In drie verzen in Hnd : (1) Hnd 14,22 . (2) Hnd 20,25 .(3) Hnd 28,23 .
--- eis tèn basileian tou theou eiselthein (het koninkrijk van God binnengaan) . In vier verzen in het NT : (1) Mt 19,24 . (2) Mc 10,24 . (3) Mc 10,25 . (4) Lc 18,25 .
--- eiselthein eis tèn basileian tou theou (binnengaan in het koninkrijk van God) . In drie verzen in het NT : (1) Mc 9,47 . (2) Joh 3,5 . (3) Hnd 14,22 .

basileia tôn ouranôn (koninkrijk der hemelen) NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  syn. ev.
nom. enk. hè basileia tôn ouranôn 17 17             17 17
gen. enk. . tès basileias tôn ouranôn 2 2             2 2
dat. enk.tè(i) basileia(i) tôn ouranôn 6 6             6 6
acc. enk. tèn basileian tôn ouranôn 7 7             7 7
totaal 32 32             32 32

- basaniz˘ (kwellen, folteren, in het nauw brengen) . βασανιζω = basanizô (kwellen, folteren, in het nauw brengen) . Taalgebruik in het NT : basaniz˘ (kwellen, folteren, in het nauw brengen) . Taalgebruik in de LXX : basanizô (kwellen, folteren, in het nauw brengen) .

- pass. part. praes. acc. mann. mv. βασανιζομενους = basavizomenous (gekweld wordende) van het werkw. βασανιζω = basanizô (kwellen, folteren, in het nauw brengen) . Taalgebruik in het NT : basanizô (kwellen, folteren, in het nauw brengen) . Taalgebruik in de LXX : basanizô (kwellen, folteren, in het nauw brengen) . Bijbel = Mc (1) : Mc 6,48 . Een vorm van βασανιζω = basanizô (kwellen, folteren, in het nauw brengen) in de LXX () , in het NT () .

- act. subjonctief aor. 2de pers. enk. βασανισῃς = basanisè(i)s (jij zoudt folteren) van het werkw. βασανιζω = basanizô (kwellen, folteren, in het nauw brengen) . Taalgebruik in het NT : basanizô (kwellen, folteren, in het nauw brengen) . Taalgebruik in de LXX : basanizô (kwellen, folteren, in het nauw brengen) . Bijbel (2) : (1) Mc 5,7 . (2) Lc 8,28 .


- bathos (diepte) . βαθος = bathos (diepte) . Taalgebruik in het NT : bathos (diepte) . Taalgebruik in de LXX : bathos (diepte) . Een vorm van βαθος = bathos in de LXX (23) , in het NT (8) : (1) Mt 13,5 . (2) Mc 4,5 . (3) Lc 5,4 . (4) Rom 8,39 . (5) Rom 11,33 . (6) 1 Kor 2,10 . (7) 2 Kor 8,2 . (8) Ef 3,18 .

- nom. + acc. onz. enk. βαθος = bathos (diepte) . Taalgebruik in het NT : bathos (diepte) . Taalgebruik in de LXX : bathos (diepte) . Bijbel (16) . OT (10) : (1) Js 7,11 . (2) Ez 31,14 . (3) Ez 31,18 . (4) Ez 32,18 . (5) Ez 32,24 . (6) Ez 43,13 . (7) Spr 18,3 . (8) Pr 7,24 . (9) Jdt 8,14 . (10) W 4,3 . NT (6) : (1) Mt 13,5 . (2) Mc 4,5 . (3) Lc 5,4 . (4) Rom 8,39 . (5) Rom 11,33 . (6) Ef 3,18 . Dit is de enigste vorm in Lc . Een vorm van βαθος = bathos in de LXX (23) , in het NT (8) : (1) Mt 13,5 . (2) Mc 4,5 . (3) Lc 5,4 . (4) Rom 8,39 . (5) Rom 11,33 . (6) 1 Kor 2,10 . (7) 2 Kor 8,2 . (8) Ef 3,18 .


 

- beelzeboul (Beëlzebul) . In zeven verzen in de bijbel : Mt (3) . Mc (1) . Lc (3) .


- basileus (koning) . basileus (koning) . Taalgebruik in het NT : basileus (koning) . Taalgebruik in Mc : basileus (koning) . Taalgebruik in Lc : basileus (koning) .

  basileus (koning)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. basileus  931  887  44  12  24  33   
gen. mann. enk. basileôs   692  683         
dat. mann. enk. basilei  259  253       
acc. mann. enk. basilea  473  459  14   
nom. + acc. mann. mv. basileis  174  359  15           
gen. mann. mv. basileôn   101  90  11       
dat. mann. mv. basileusin  50  49                     
  totaal                            

- Bèthania (Bethanië) . βηθανια = bèthania (Bethanië) . Taalgebruik in het NT : Bèthania (Bethanië) . Taalgebruik in Lc : Bèthania (Bethanië) .
- nom. vr. enk. βηθανια = bèthania of dat.vr. enk. βηθανια = Bèthania(i) . NT (4) : (1) Mt 26,6 . (2) Mc 14,3 . (3) Joh 1,28 . (4) Joh 11,18 .
- acc. vr. enk. βηθανιαν = Bèthanian (Bethanië) van de eigennaam βηθανια = bèthania (Bethanië) . Taalgebruik in het NT : Bèthania (Bethanië) . Taalgebruik in Lc : Bèthania (Bethanië) . Bijbel (6) : (1) Mt 21,17 . (2) Mc 11,1 . (3) Mc 11,11 . (4) Lc 19,29 . (5) Lc 24,50 . (6) Joh 12,1 . Stadje op de oostelijke helling van de Olijfberg , aan de weg van Jeruzalem naar Jericho . Vooral bekend als de woonplaats van Lazarus , Maria en Marta . In dit stadje zou een vrouw Jezus gezalfd hebben . Bethanië omsluit de gebeurtenissen van Jezus in Jeruzalem . In Lc 19,29 naderen Jezus en zijn leerlingen Bethanië . In Lc 24,50 neemt Jezus er afscheid van zijn leerlingen .

Bèthanian (Betanië) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In zes verzen in de bijbel : (1) Mt 21,17 . (2) Mc 11,1 . (3) Mc 11,11 . (4) Lc 19,29 . (5) Lc 24,50 . (6) Joh 12,1 . Stadje op de oostelijke helling van de Olijfberg , aan de weg van Jeruzalem naar Jericho . Vooral bekend als de woonplaats van Lazarus , Maria en Marta . In dit stadje zou een vrouw Jezus gezalfd hebben .

Dit was - volgens het marcusevangelie - voor Judas Iskarioth de aanleiding om afstand van Jezus te nemen en hem aan de hogepriesters over te leveren .
- nom. vr. enk. Bèthania of dat.vr. enk. Bèthaniai . NT (4) : (1) Mt 26,6 . (2) Mc 14,3 . (3) Joh 1,28 . (4) Joh 11,18 .

- Betlehem . bethleem (Betlehem) . Taalgebruik in het NT : bethleem (Betlehem) . Taalgebruik in Lc : bethleem (Betlehem) .

Het stadje Betlehem is niet zomaar een stadje . Betlehem is evenals Jeruzalem de stad van David . In Betlehem werd David geboren , in Jeruzalem had hij zijn koningszetel gevestigd , nadat hij de stad op de inheemse bevolking veroverd had . Beide steden hebben dus een zekere relatie met elkaar . Als zoon van David werd Jezus in Betlehem geboren . Later zal Jezus naar Jeruzalem optrekken om er zijn blijde inkomst te vieren .
- Bèthleëm (Betlehem) . In tweeëntwintig verzen in de bijbel . In veertien verzen in het OT . In acht verzen in het NT : (1) Mt 2,1 . (2) Mt 2,5 . (3) Mt 2,6 . (4) Mt 2,8 . (5) Mt 2,16 . (6) Lc 2,4 . (7) Lc 2,15 . (8) Joh 7,42 .
- בֵּית לָחֶם = bêth lâchèm (Bethlehem) . Tenakh (11) : (1) Gn 35,19 . (2) Gn 48,7 . (3) Rt 1,19 . (4) 1 S 16,4 . (5) 1 S 17,15 . (6) 1 S 20,28 . (7) 2 S 2,32 . (8) 2 S 23,14 . (9) 2 S 23,24 . (10) 1 Kr 4,4 . (11) Jr 41,17 .
- mibbêth lâchèm (uit Bethlehem) . In negen verzen in de bijbel : (1) Re 17,7 . (2) Re 17,8 . (3) Re 17,9 . (4) Re 19,1 . (5) Re 19,18 . (6) Rt 1,1 . (7) Rt 1,2 . (8) Rt 2,4 . (9) 1 S 17,12 .
- ´èphërâthâh , hiw´ bêth lâchèm (Efrata , dit is Bethlehem) : Gn 35,19 en Gn 48,7 . Efrata komt in zeven verzen in de bijbel voor . (1) Gn 35,16 . (2) Gn 35,19 . (3) Gn 48,7 . (4) Mi 5,1 . (5) 1 Kr 2,19 (Kaleb huwde Efrat en en zij baarde hem Chur) . (6) 1 Kr 2,50 - 1 Kr 2,51 (De zonen van Chur, de eerstgeborene van Efrat waren ... Salma, de vader van Bethlehem) . (7) 1 Kr 4,4 (Dat waren de zonen van Chur, de eerstgeborene van Efrat, de vader van Bethlehem) . Ook nog Rt 4,11 . In de omgeving van Efrata bracht Rachel , de lievelingsvrouw van Jakob, haar tweede zoon Benjamin ter wereld ; zijzelf stierf in het kraambed . Daar werd Rachel ook begraven .

- betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in het NT : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : betrekkelijk voornaamwoord .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. hos   652  454  198  27  25  28  10  31  129  80  90     
                             
                             
                             
                             
                             
                             
                             
totaal                            

 

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                             
nom. vr. enk. hètis   81  44  37      20  19 
                             
nom. mann. mv. hoitines                              
                             
                             
                             
totaal                            

 

- Bètsaïda . Taalgebruik in het NT : Bètsaïda (Betsaïda) . Taalgebruik in Mc : Bètsaïda (Betsaïda) .

  Bètsaïda ( Betsaïda  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1. 

nom. + voc. + dat. vr. enk. bèthsaida(i)  

             
2.  acc. vr. enk. bèthsaidan      2 : (1) Mc 6,45 . (2) Mc 8,22 .              
  totaal            

In twee verzen (Mc 6,45 , Mc 8,22) bij Marcus . Eveneens in twee verzen bij Lucas en Johannes en in één vers bij Matteüs .
--- (1) Mc 6,45 kai proagein eis to peran pros Bèthsaidan (en vooruit te varen naar de overkant bij Betsaïda) . Het staat bij het begin van de pericope .
--- (2) Mc 8,22 Kai erchontai eis Bèthsaïdan (en zij gaan naar Betsaïda) . Het staat aan het begin van de pericope .
De pericopen op weg naar Betsaïda (Mc 6,45-Mc 8,26) heeft Lucas niet . We spreken van de grote Lucaanse weglating.

- biblion (document, brief) . biblion (document, brief) . Taalgebruik in het NT : biblion (document, brief) . Taalgebruik in Mc : biblion (document, brief) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk. biblion   73  57  16      11     
                               
  totaal                            

- bios (leven) . bios (leven) . Taalgebruik in het NT : bios (leven) . Taalgebruik in Mc : bios (leven) . F. vie . E. life . N. leven .

  bios  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  acc. mann. enk. bion   24  17         

1 

                               
                               

 

- blasfèmeô (lasteren, godslasteren) . blasfèmeô (lasteren, godslasteren) . Taalgebruik in het NT : blasfèmeô (lasteren, godslasteren) . Taalgebruik in Mc : blasfèmeô (lasteren, godslasteren) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. praes. 3de pers. enk. blasfèmei                 
  act. ind. imperf.  3de pers. mv. eblasfèmôn              
  act. conj. aor. 3de pers. enk. blasfèmèsè(i)                  
  act. conj. aor. 3de pers. mv. blasfèmèsôsin                    
                               

- blepô (kijken, zien) . Taalgebruik : blepô .

blepô (kijken, zien) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. pr. 3de p. enk. blepei 12 2 10     1 7   2  
ind. pr. 2de p. enk. blepeis  14  10     
act. ind. praes. 1ste pers. enk. blepô 7 2 5   1   2   2   1 3
ind. pr. 3de p. mv. blepousin 9 5 4 2     1     2
ind imp. 3de p. enk. eblepen 3 2 1         1        
ind. imp. 3de p. mv. eblepon 2 1 1       1        
ind. pr. + imperat. pr. 2de pers. mv. blepete 33  31    13    16  16 
part. pr. nom. mann. enk. blepôn  24  12  12   
part. pr. nom. mann. mv. blepontes  17  10   
part. pr. gen. mann. mv. blepontôn               
part. pr. acc. mann. mv. blepontas               
inf. pr. blepein  22  13     
Andere vormen                        
Totaal  141 50 91 17 13 13 11 10 18 43 54

blepô (kijken, zien) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. praes. + imperat. praes. 2de pers. mv. blepete 33  31  4 : (1) Mt 11,4 . (2) Mt 13,17 . (3) Mt 24,2 . (4) Mt 24,4 . 8 : (1) Mc 4,24 . (2) Mc 8,15 . (3) Mc 8,18 . (4) Mc 12,38 . (5) Mc 13,5 . (6) Mc 13,9 . (7) Mc 13,23 . (8) Mc 13,33 . 4 : (1) Lc 8,18 . (2) Lc 10,23 . (3) Lc 10,24 . (4) Lc 21,8 .   13    16 : (1) Mc 4,24 // Lc 8,18 .  (2) Mt 13,17 // Lc 10,24 . (3) Mt 24,4 // Mc 13,5 // Lc 21,8 . 16 
Algmeen totaal  141 50 91 17 13 13 11 10 18 43 54

blepô (zien) . Taalgebruik : blepô (zien, kijken) , zie Mt 11,4 .
--- anablepousin (zij keken op) : indicatief presens derde persoon meervoud van anablepô : naar boven kijken , opkijken . In deze vorm komt het slechts in twee verzen in de bijbel voor : (1) Mt 11,4 . (2) Lc 7,22 (paralleltekst) .
--- blepousin (zij kijken) : indicatief presens derde persoon meervoud . In deze vorm komt het in de bijbel in negen verzen voor : (1) Gn 45,12. (2) 1 K 1,48. (3) Jr 5,21. (4) Ez 12,2. (5) Ez 13,3. (6) Mt 13,13. (7) Mt 13,16. (8) Joh 21,9. (9) Ap 11,9.
--- blepete (jullie kijken of kijk) zie Mc 13,33 . . opsontai (zij zullen zien) komt in negen verzen voor in het NT . In drie verzen bij Matteüs . In eenenveertig verzen in het OT .

- act. ind. praes. 2de pers. enk. βλεπεις = blepeis (jij ziet) van het werkw. βλεπω = blepô (kijken, zien) . Taalgebruik in het NT : blepô (kijken, zien) . Taalgebruik in de LXX : blepô (kijken, zien) . Taalgebruik in Mc : blepô (kijken, zien) . Een vorm van βλεπω = blepô (kijken, zien) in de LXX (133) , in het NT (132) , Mt (20) , Mc (14) , Lc (15) , Joh (17) . Hnd (14) .

Mt 13,7   Mt 15,10 Mt 11,4   Mt 11,5 Mt 13,13  
idein (te zien) kai akousai (en te horen)         hoti (omdat) kai (en)
ha blepete (wat jij ziet) ha akouete (wat jij hoort) akouete (hoort) ha akouete (wat jij hoort) ha blepete (wat jij ziet) tufloi (blinden) hoi blepontes (de zienden, de kijkers) akouontes (de gehoorden)
kai ouk eidan (en zij zagen niet. ) kai ouk èkousan (en zij hoorden niet )       anablepousin (kijken op) ou blepousin (zien/ kijken niet) ouk akouousin (horen niet)
    kai suniete (en begrijpt)         oude suniousin (noch begrijpen)
 128. Zalispreking van de leerlingen : Mt 13,16-17 - Lc 10,23-24 -    155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 -  87. Vraag van Johannes de Doper : Mt 11,2-6 - Lc 7,18-23 -     87. Vraag van Johannes de Doper :Mt 11,2-6 - Lc 7,18-23 -  
127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt : Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10 -
 

- blepô (kijken) bij Marcus, zie Mc 13,33 . Blepete (kijk uit) . In deze vorm komt het in 8 verzen in Marcus voor, waarvan in 4 verzen in Mc 13 : (1) Mc 4,24 (2) Mc 8,15 (3) Mc 8,18 (4) Mc 12,38 (5) Mc 13,5 (6) Mc 13,9 (7) Mc 13,23 (8) Mc 13,33 .

De vorm blepei (hij ziet) komt in 7 verzen bij Johannes voor. Actief indicatief praesens 3de persoon enkelvoud van het werkwoord blepô (zien). (1) Joh 1,29 ; (2) Joh 9,19 . (3) Joh 9,21 . (4) Joh 11,9 . (5) Joh 20,1 . (6) Joh 20,5 . (7) Joh 21,20 . In het Grieks hoort bij het werkwoord blepô (zien) het lijdend voorwerp in de accusatief , eventueel vergezeld van een participiumvorm van een werkwoord . In het Nederlands vertalen we dit door een objectzin. B.v. ik zie Jezus , komende = ik zie Jezus komen .
- blepô (zien) . Taalgebruik : - blepô (zien) , zie Joh 1,29 .

Joh 1,29 Joh 20,1 Joh 20,5 Joh 21,20 Joh 20,6  
blepei (hij ziet) blepei (zij ziet) blepei (hij ziet) blepei (hij ziet) theôrei (hij ziet)  
ton Ièsoun (Jezus) ton lithon (dat de steen)   ton mathètèn (de leerling)    
erchomenon pros auton (naar hem komen) èrmenon ek tou mnèmeiou (van het gedenkteken is weggerold) keimena ta othonia (de doeken liggen) ... akolouthounta (Jezus volgen) ta othonia keimena (de doeken liggen)  
           

- βραχιων = brachiôn (arm)

- brachi˘n (arm) . βραχιων = brachiôn (arm) . Taalgebruik in het NT : brachi˘n (arm) . Bijbel (16) . LXX (16) . NT (1) .


- brefos (ongeboren vrucht, jong kind) . βρεφος = brefos (ongeboren vrucht, jong kind) . Taalgebruik in het NT : brefos (ongeboren vrucht, jong kind) . Taalgebruik in de LXX : brefos (ongeboren vrucht, jong kind) . Taalgebruik in Lc : brefos (ongeboren vrucht, jong kind) .

  brefos  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk. brefos                    
                               

- nom. + acc. onz. enk. βρεφος = brefos (ongeboren vrucht, jong kind) . Taalgebruik in het NT : brefos (ongeboren vrucht, jong kind) . Taalgebruik in de LXX : brefos (ongeboren vrucht, jong kind) . Taalgebruik in Lc : brefos (ongeboren vrucht, jong kind) . Lc (4) : (1) Lc 1,41 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 2,12 . (4) Lc 2,16 . Een vorm van βρεφος = brefos (ongeboren vrucht, jong kind) in in de LXX (5) , in het NT (8) , Lc in 5 verzen : (1) Lc 1,41 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 2,12 . (4) Lc 2,16 . (5) Lc 18,15 .

- Lat. infans . Fr. enfant , bébé . E. babe . D. Kind . Ned. kind , zuigeling .


- βρωσις = brôsis (het eten, spijs, het invreten, roest)

- br˘sis (het eten, spijs, het invreten, roest) . βρωσις = brôsis (het eten, spijs, het invreten, roest) . Taalgebruik in de Bijbel : br˘sis (het eten, spijs, het invreten, roest) . Bijbel (7) : (1) Gn 25,28 . (2) Re 14,14 . (3) Jr 34,20 . (4) Mt 6,19 . (5) Mt 6,20 . (6) Joh . (7) Rom 14,17 . Een vorm van βρωσις = brôsis in de LXX (42) , in het NT (11) .


- buthiz˘ (doen zinken) . βυθιζω = buthizô (doen zinken) . Taalgebruik in het NT : buthiz˘ (doen zinken) . Taalgebruik in de LXX : buthizô (doen zinken) . Een vorm van βυθιζω = buthizô in de LXX (1) : 2 Mak 12,4 , in het NT (2) : (1) Lc 5,7 . (2) 1 Tim 6,9 .

- pass. inf. praes. βυθιζεσθαι = buthizesthai (zinken) van het werkw. βυθιζω = buthizô (doen zinken) . Taalgebruik in het NT : buthizô (doen zinken) . Taalgebruik in de LXX : buthizô (doen zinken) . Bijbel (1) : Lc 5,7 . Een vorm van βυθιζω = buthizô in de LXX (1) : 2 Mak 12,4 , in het NT (2) : (1) Lc 5,7 . (2) 1 Tim 6,9 .