NIEUWE TESTAMENT : TAALGEBRUIK C

Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,
Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
 
1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm . WEBLOG : BIJBELLEERHUIS
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts (Vlaams Blok) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen -

Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , bijbelTaalgebruiken - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

-
OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


OPGELET : De getallen verwijzen steeds naar het aantal verzen waarin een 'woord' voorkomt . Eenzelfde 'woord' kan echter meerdere malen in hetzelfde vers voorkomen .

  NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
boeknr.  27 40 41 42 43 44 45 - 65 66    
hoofdst.  260 28 16 24 21 28 121 22 68  89 
verzen  7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 

  NT Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul. Ap. br.
boeknr.  27 (aantal)   45  46  47  48  49  50  51  52  53  54  55  56  57  58  59  60  61  62  63  64  65     
hoofdst.  260 121 16  16  13  13  100 21
verzen  7957 2767 433  437  257  149  155  104  95  89  47  113  83  46  25  303  108  105  61  105  13  14  25  2336  431 

C


- χαιρω = chairô (zich verheugen)

- chairô (zich verheugen) . χαιρω = chairô (zich verheugen) . Taalgebruik in het NT : chairô (zich verheugen) . Taalgebruik in de Septuaginta : chairô (zich verheugen) . Taalgebruik in Lc : chairô (zich verheugen) . Taalgebruik in Hnd : chairô (zich verheugen) . Website : http://fr.wikipedia.org/wiki/Joie_(philosophie) . Een vorm van χαιρω = chairô (zich verheugen) in de LXX (87) , in het NT (74) , in Lc (12) , in Joh (9) .

Indo-Europees jug (band) . L. gaudium . Fr. joie . E. joy . Ned. vreugde . D. Freude . zie website http://fr.wiktionary.org/wiki/joie .

- pass. ind. aor. 3de pers. enk. εχαρη = echarè (en hij verheugde zich) van het werkw. χαιρω = chairô (zich verheugen) . Taalgebruik in het NT : chairô (zich verheugen) . Taalgebruik in de Septuaginta : chairô (zich verheugen) . OT (10) . NT (3) : (1) Lc 23,8 . (2) Joh 8,56 . (3) Hnd 11,23 . Een vorm van χαιρω = chairô (zich verheugen) in de LXX (87) , in het NT (74) , in Lc (12) , in Joh (9) .

chairô (zich verheugen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. pr. 3de p. enk.                        
ind. pr. 1ste p. enk.                        
ind. pr. 3de p. mv.                        
ind. pr. 1ste p. mv. chairomen  2   2           2      
ind. pr. + imp. 2de p. mv. chairete 10 1 9 2   1     6  
med. ind. fut. 3de pers. mv. charèsontai     1        
                         
                         
Totaal (bij benadering)                          

- chalaô (ontspannen, los maken) . χαλαω = chalaô (ontspannen, los maken) . Taalgebruik in het NT : chalaô (ontspannen, los maken) . Taalgebruik in Lc : chalaô (ontspannen, los maken) .

  chalaô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. imperat. aor. 2de pers. mv. chalasate                    
                               

- act. imperat. aor. 2de pers. mv. χαλασατε = chalasate (maakt los) van het werkw. χαλαω = chalaô (ontspannen, los maken) . Taalgebruik in het N.T. : chalaô (ontspannen, los maken) . Taalgebruik in Lc : chalaô (ontspannen, los maken) . Lc (1) Lc 5,4 . Deze vorm slechts in Lc in de bijbel . Een vorm van χαλαω = chalaô (ontspannen, los maken) in de LXX (4) : (1) Gn 36,28 / Gn 39,21 . (2) Js 33,23 . (3) Js 57,4 . (4) Jr 45,6 (Jr 38,6) , in het NT (7) : (1) Mc 2,4 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,5 . (4) Hnd 9,25 . (5) Hnd 27,17 . (6) Hnd 27,30 . (7) 2 Kor 11,33 , in Lc (2) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 .


- chalkos (koper , brons, metaal) . χαλκος = chalkos (koper , brons, metaal) . Taalgebruik in het NT : chalkos (koper , brons, metaal) . Taalgebruik in de LXX : chalkos (koper , brons, metaal) .

- acc. mann. mv. = chalkous



- χαρα = chara (vreugde)

- chara (vreugde) . χαρα = chara (vreugde) . Taalgebruik in het NT : chara (vreugde) . Taalgebruik in de Septuaginta : chara (vreugde) . Taalgebruik in Lc . : chara (vreugde) . Taalgebruik in Hnd. : chara (vreugde) . Taalgebruik in Brieven : chara (vreugde) . Website : http://fr.wikipedia.org/wiki/Joie_(philosophie) . Indo-Europees jug (band) . L. gaudium . Fr. joie . E. joy . Ned. vreugde . D. Freude . zie website http://fr.wiktionary.org/wiki/joie .

  chara (vreugde) bijbel  OT  NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
1 nom. + dat. vr. enk. chara(i) 33 12 21     3 3 1 14   3 6
2 gen. vr. enk. charas 32 10 22 3 1 4   2 12   8 8
3 acc. vr. enk. charan 23 9 14 3   1 4 1 5   4 8
  Totaal   88 31 57 6 1 8 7 4 31   15 22

  chara bijbel  OT  NT  Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk  syn. ev.
1 nom. + dat. vr. enk. chara(i) 33 12 21 0 0 3 : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 15,7 . (3) Lc 15,10 . 3 : (1) Joh 3,29 . (2) Joh 15,11 . (3) Joh 16,24 . 1 : Hnd 8,8 . 14   3 6
2 gen. vr. enk. charas 32 10 22 3 : (1) Mt 13,20 . (2) Mt 13,44 . (3) Mt 28,8 . 1 : Mc 4,16 . 4 : (1) Lc 8,13 . (2) Lc 10,17 . (3) Lc 24,41 . (4) Lc 24,52 . 0 2 : Hnd 13,52 . 12 : (1) Fil 1,4 . (2) Fil 2,29 . (3) Kol 1,11 . (4) 1 Tes 1,6 . (5) Heb 10,34 .   8 : Mt 13,20 // Mc 4,16 // Lc 8,13 . 8
3 acc. vr. enk. charan 23 9 14 3 : (1) Mt 2,10 . (2) Mt 25,21 . (3) Mt 25,23 . 0 1 : Lc 2,10 . 4 : (1) Joh 16,20 . (2) Joh 16,21 . (3) Joh 16,22 . (4) Joh 17,13 . 1 : Hnd 15,3 5   4 8
  Totaal   88 31 57 6 1 8 7 4 31   15 22

- meta charas (met vreugde) . In elf verzen in het NT : Mt (1) Mt 13,20 . Mc (1) Mc 4,16 . Lc (3) : (1) Lc 8,13 . (2) Lc 10,17 . (3) Lc 24,52 . Hnd (1) Hnd 13,52 . Brieven (5) : (1) Fil 1,4 . (2) Fil 2,29 . (3) Kol 1,11 . (4) 1 Tes 1,6 . (5) Heb 10,34 . Parallel : Mt 13,20 // Mc 4,16 // Lc 8,13 .

--- charan . Accusatief enkelvoud . In drieëntwintig verzen in de bijbel . In negen verzen in het OT . In veertien verzen in het NT . In één vers bij Lucas : (1) Lc 2,10 . In één vers in Hnd : Hnd 15,3 .
--- charèsontai (zij zullen zich verheugen) . In vijf verzen in de bijbel . Slechts in één vers in het NT , nl. Lc 1,14 .


- charis (genade) . χαρις = charis (genade, gratie) . Taalgebruik in het NT : charis (genade, gratie) . Taalgebruik in de LXX : charis (genade, gratie) . Taalgebruik in Lc : charis (genade, gratie) . Zelfstandig naamwoord . Nominatief vrouwelijk enkelvoud . Begin van een groet . ch - r : L. gratia . Fr. grâce . Vertaling : gratie , genade , char-me , bevalligheid . We zouden groeten : aangenaam . Verwante woorden : eucharisteô (danken) .

- charis humin kai eirènè apo Theou patros hèmôn kai apo kuriou Ièsou Christou (Genade zij u en vrede vanwege God onze vader en vanwege onze Heer Jezus Christus) . In tien verzen in de brieven van Paulus : (1) Rom 1,7 . (2) 1 Kor 1,3 . (3) 2 Kor 1,2 . (4) Gal 1,3 . (5) Ef 1,2 . (6) Fil 1,2 . (7) Kol 1,2 . (8) 1 Tes 1,1 . (9) 2 Tes 1,2 . (10) Film3 . Met deze begroeting opent Paulus een brief . In de pastorale brieven vinden we een variante van deze formulering : (1) 1 Tim 1,2 . (2) 2 Tim 1,2 . (3) Tit 1,4 .

charis (genade) bijbel  OT  NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
nom. charis 78 20 58 0 0 4 1 1 50 2
gen. charitos 31 4 27 0 0 1 2 6 18 0
dat. chariti 26 2 24 0 0 1 0 3 20 0
acc. charin 158 108 50 0 0 3 . 1 6 40 0
Totaal   293  134  159 0 0 9 4 16 128 2 13 

 

charis bijbel  OT  bijbel  OT  NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
nom. vr. enk. charis 78 20 78 5 58 0 0 4 : (1) Lc 2,40 . (2) Lc 6,32 . (3) Lc 6,33 . (4) Lc 6,34 . 1 1 : Hnd 4,33 . 50 2
gen. charitos 31 4 31 2 27 0 0 1 : Lc 4,22 . 2 6 : (1) Hnd 6,8 . (2) Hnd 14,3 . (3) Hnd 15,11 . (4) Hnd 18,27 . (5) Hnd 20,24 . (6) Hnd 20,32 . 18 0
dat. chariti 26 2 26 0 24 0 0 1 : Lc 2,52 . 0 3 : (1) Hnd 13,43 . (2) Hnd 14,26 . (3) Hnd 15,40 . 20 0
acc. vr. enk. charin 158 108 158 60 50 0 0 3 : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 7,47 . (3) Lc 17,9 . 1 6 : (1) Hnd 2,47 . (2) Hnd 7,10 . (3) Hnd 7,46 . (4) Hnd 11,23 . (5) Hnd 25,3 . (6) Hnd 25,9 . 40 0
Totaal   293  134      159 0 0 9 4 16 128 2 13 

Een vorm van charis (genade, gratie) in Lc in 9 verzen : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 2,40 . (3) Lc 2,52 . (4) Lc 4,22 . (5) Lc 6,32 . (6) Lc 6,33 . (7) Lc 6,34 . (8) Lc 7,47 . (9) Lc 17,9 .

Een vorm van charis bij Hnd  (1) Hnd 2,47 (acc. enk. charin) . (2) Hnd 4,33 (nom. enk. charis) . (3) Hnd 6,8 (gen. enk. charitos) . (4) Hnd 7,10 (acc. enk. charin) . (5) Hnd 7,46 (acc. enk. charin) . (6) Hnd 11,23 (acc. enk. charin) . (7) Hnd 13,43 (dat. enk. chariti) . (8) Hnd 14,3 (gen. enk. charitos) . (9) Hnd 14,26 (dat. enk. chariti) . (10) Hnd 15,11 (gen. enk. charitos) . (11) Hnd 15,40 (dat. enk. chariti) . (12) Hnd 18,27 (gen. enk. charitos) . (13) Hnd 20,24 (gen. enk. charitos) . (14) Hnd 20,32 (gen. enk. charitos) . (15) Hnd 25,3 (acc. enk. charin) . (16) Hnd 25,9 (acc. enk. charin) .  

 

charis (genade) bijbel  OT  NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  ev. Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul Ap.
nom. charis 78 20 58 0 0 4 1 1 50 9 :         45 
gen. charitos 31 4 27 0 0 1 2 6 : 18 3                               14 
dat. chariti 26 2 24 0 0 1 0 3 20                     19 
acc. charin 158 108 50 0 0 3 : 1 6 40             34 
Totaal   293  134  159 0 0 9 4 16 13  128 23  18  14  10    112  16 

In het slotvers 1 Tes 5,28 komen we charis opnieuw tegen als slotwens . nom. vr. enk. charis (genade, gratie) . Taalgebruik in het NT : charis (genade, gratie) . Taalgebruik in de LXX : charis (genade, gratie) . Begin van een groet . ch - r : L. gratia . Fr. grâce . Vertaling : gratie , genade , char-me , bevalligheid . We zouden groeten : aangenaam . Verwante woorden : eucharisteô (danken) . 1 Kor (4) : (1) 1 Kor 1,3 . (2) 1 Kor 15,10 . (3) 1 Kor 15,57 . (4) 1 Kor 16,23 . Een vorm van charis (genade, gratie) in de LXX (164) , in het NT (155) , in 1 Kor (10) . charis (genade, gratie) is in de LXX de vertaling van 8 verschillende Hebreeuwse woorden .
Meestal komen we in de slotwens van een brief de uitdrukking tegen : de genade van onze Heer Jezus Christus...

charis  Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Fil  1 Tes  2 Tes  1 Tim  Film Paul  Apk 
    2 : (1) Rom 16,20 . (2) Rom 16,24 . 1 : 1 Kor 16,23 . 1 : 2 Kor 13,13 .   1 : Gal 6,18 1 : Fil 4,23 1 : 1 Tes 5,28 .   1 : 2 Tes 3,18 .   1 : 1 Tim 1,14 1 : Film 25 .   10.   1 : Apk 22,21 .  

- χειρ = cheir (hand)

- cheir (hand) . χειρ = cheir (hand) . Taalgebruik in het NT : cheir (hand) . Taalgebruik in de LXX : cheir (hand) . Taalgebruik in Mc : cheir (hand) . Taalgebruik in Lc : cheir (hand) . Taalgebruik in Hnd : cheir (hand) .

  cheir (hand) bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
1 nom. enk. cheir 142 129 13 2 2 4   4 1   8 8
2 gen. enk. cheiros 292 266 26 2 4 3 3 9 1 4   9 12
3 dat. enk. cheiri 347 327 20 1   1 1 4 7 2 3
4 acc. enk. cheira 295 265 30 8 5 5 3 4 1 18 21
5 nom. mv. cheires 68 66 2         1 1      
6 gen. mv. cheirôn 151 133 18 2 1 1   8 5 4 4
7 dat. mv.chersin 128 118 10 1 3 1 1   3 5 6
8 acc. mv. cheiras 392 333 59 9 11 11 7 14 7   31 38
  Totaal   1815 1637 178 25 26 26 15 44 26 16  77  92 

cheira (hand) . Acc. vr. enk. van het zelfstandig naamwoord cheir (hand) . Taalgebruik : cheir (hand) . Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 .

- gen. mann. enk. χειρος = cheiros (van de hand) van het zelfst. naamw. χειρ = cheir (hand) . Taalgebruik in het NT : cheir (hand) . Taalgebruik in de LXX : cheir (hand) .

cheir bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk Lc Hnd
nom.vr. enk. cheir 142 129 13 2 2 4   4 1   (1) Lc 6,10 . (2) Lc 22,21 .   (1) Hnd 4,28 . (2) Hnd 7,50 . (3) Hnd 11,21 . (4) Hnd 13,11 .
gen. vr. enk. cheiros 292 266 26 2 4 3 3 9 1 4   (1) Lc 1,71 . (2) Lc 1,74 . (3) Lc 8,54 .   (1) Hnd 2,23 . (2) Hnd 3,7 . (3) Hnd 7,25 . (4) Hnd 11,30 . (5) Hnd 12,11 . (6) Hnd 15,23 . (7) Hnd 23,19 . (8) Hnd 28,3 .
dat. vr. enk. cheiri 347 327 20 1   1 1 4 7 (1) Lc 3,17 (1) Hnd 7,35 . (2) Hnd 12,17 . (3) Hnd 13,16 . (4) Hnd 21,40 .
acc. vr. enk. cheira 295 265 30 8 5 5 3 4 1 (1) Lc 5,13 . (2) Lc 6,8 . (3) Lc 6,10 . (4) Lc 9,62 . (5) Lc 15,22 .   (1) Hnd 4,30 . (2) Hnd 9,41 . (3) Hnd 19,33 . (4) Hnd 26,1 .  
nom. vr. mv. cheires 68 66 2         1 1     Hnd 20,34 
gen. vr. mv. cheirôn 151 133 18 2 1 1   8 5 (1) Lc 4,11 .   (1) Hnd 5,12 . (2) Hnd 7,41 . (3) Hnd 8,18 . (4) Hnd 12,7 . (5) Hnd 14,3 . (6) Hnd 17,25 . (7) Hnd 19,11 . (8) Hnd 19,26
dat. vr. mv.chersin 128 118 10 1 3 1 1   3 (1) Lc 6,1 .    
acc. vr. mv. cheiras 392 333 59 9 11 11 7 14 7   (1) Lc 4,40 . (2) Lc 9,44 . (3) Lc 13,13 . (4) Lc 13,13 . (5) Lc 21,12 . (6) Lc 23,53 . (8) Lc 24,7 . (9) Lc 24,39 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,50 (1) Hnd 4,3 . (2) Hnd 5,18 . (3) Hnd 6,6 . (4) Hnd 8,17 . (5) Hnd 8,19 . (6) Hnd 9,12 . (7) Hnd 9,17 . (8) Hnd 12,1 . (9) Hnd 13,3 . (10) Hnd 19,6 . (11) Hnd 21,11 . (12) Hnd 21,27 . (13) Hnd 28,8 . (14) Hnd 28,17
Totaal   1815 1637 178 25 26 26 15 44 26 16     

Verwijzing : jad (hand) , zie Ps 31,6 - cheir (hand) , zie Lc 23,46 . In 142 verzen in de bijbel .
bëjâdëkhâ (in jouw hand) . Het kan ook bëjâdèkhâ (in jouw handen) gevocaliseerd worden . Ps 31,6a spreekt Jezus uit op het kruis (Lc 23,46) . Het is een gebed van overgave aan God . Er is ook enige verwijzing in Hnd 7,59 .
(1) Lc 4,40 : tas cheiras epititheis = de handen opleggend .
(2) Lc 9,44 : mellei paradidosthai eis cheiras anthrôpôn = zal overgeleverd worden in handen van mensen .
(3) Lc 13,13 : kai epethèken autèi tas cheiras = en hij legde haar de handen op .
(4) Lc 13,13 : epiballein ep'auton tas cheiras = op te leggen op hem de handen .
(5) Lc 21,12 : epibalousin ef'humas tas cheiras autôn = zij zullen op jullie hun handen opleggen . Zie Mc 14,46 . 3. epebalon (zij legden op) .
(6) Lc 23,53 : ouk exeteinate tas cheiras ep'eme = jullie strekten de handen niet uit op mij .
(7) Lc 23,46 : pater eis cheiras sou paratithemai to pneuma mou = Vader , in uw handen beveel ik mijn geest .
(8) Lc 24,7 : hoti dei paradothènai eis cheiras anthrôpôn kai hamartôlôn = dat hij moest overgeleverd worde in handen van mensen en zondaars .
(9) Lc 24,39 : idete tas cheiras mou kai tas podas mou = zie mijn handen en mijn voeten .
(10) Lc 24,40 : edeixen autois tas cheiras kai tas podas = hij toonde hen de handen en de voeten .
(11) Lc 24,50 : eparas tas cheiras autou = zijn handen omhooggeheven .
- genitief enkelvoud cheiros . In 292 verzen in de bijbel . In zesentwintig verzen in het N.T. .
Handen opleggen . Naar iemand een hand uitsteken (om iemand te bemachtigen) . De hand op iemand leggen (overweldigen) . In iemands handen overleveren . In iemands handen neerleggen . Zijn handen en voeten tonen . Zijn handen omhoogheffen om te zegenen .
- epicheireô : de handen slaan aan , aanpakken , ondernemen , beproeven .
--- epecheirèsan (zij beproefden) . Actief aorist derde persoon meervoud . Slechts in Lc 1,1 .


 

- cheirotonèsantes (de handen gestrekt) . Met handoplegging kreeg iemand een taak toegewezen . Nederlandse vertalingen : aanstellen , aanwijzen . Zie Hnd 14,23 .

- chèra (weduwe) . chèra (weduwe) . Taalgebruik in het NT : chèra (weduwe) . Taalgebruik in Mc : chèra (weduwe) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + dat. vr. enk. chèra(i)   30  20  10         
  gen. vr. mv. chèrôn                
                               

- chilias (duizendtal) . = chilias (duizendtal) . Taalgebruik in het NT : chilias (duizendtal) . Taalgebruik in de LXX : chilias (duizendtal) .


- chitôn (wollen of linnen onderkleed) . chitôn (wollen of linnen onderkleed) . Taalgebruik in het NT : chitôn (wollen of linnen onderkleed) . Taalgebruik in Lc : chitôn (wollen of linnen onderkleed) .

  chitôn  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
acc. mann. enk. chitôna   18  14         
acc. mann. mv. chitônas   19  13           
  Totaal  37  27  10     

- acc. mann. mv. χιτωνας = chitônas (kleren) van het zelfst. naamw. χιτων = chitôn (wollen of linnen onderkleed) . Taalgebruik in het NT : chitôn (wollen of linnen onderkleed) . Taalgebruik in de LXX : chitôn (wollen of linnen onderkleed) . Taalgebruik in Lc : chitôn (wollen of linnen onderkleed) . Gn (19) : (1) Gn 3,21 . (2) Ex 28,40 . (3) Ex 29,9 . (4) Ex 35,19 . (5) Ex 36,34 . (6) Ex 40,14 . (7) Lv 8,13 . (8) Js 3,16 . (9) Js 36,22 . (10) Jdt 14,19 . (11) 2 Mak 4,38 . (12) 2 Mak 12,40 . (13) Bar 6,30 . (14) Mt 10,10 // Mc 6,9 // Lc 9,3 . (15) Mc 14,63 . (16) Mt 10,10 // Mc 6,9 // Lc 9,3 . (17) Lc 3,11 . (18) Mt 10,10 // Mc 6,9 // Lc 9,3 . (19) Hnd 9,39 . Een vorm van χιτων = chitôn chitôn (wollen of linnen onderkleed) in de LXX (27) , in het NT (10) , in Lc (3) : : (1) Lc 3,11 . (2) Lc 6,29 . (3) Lc 9,3 .


- pisseach (lam, mank, kreupel) . mank , waarschijnlijk ontleend aan het Lat. mancus verminkt , gebrekkig (zie verminken) .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. chôlos                      
acc. mann. enk.  chôlon          
nom. mann. mv. chôloi             
gen. mann. mv. chôlôn                  
acc. mann. mv. chôlous               
totaal 25 11 14 5 1 3 1 3 1   9 10 1  

- choiros (varken) . χοιρος = choiros (varken) . Taalgebruik in het NT : choiros (varken) . Taalgebruik in de LXX : choiros (varken) .
- nom. mann. mv. χοιρων = choirôn van het zelfst. naamw. χοιρος = choiros (varken) . Taalgebruik in het NT : choiros (varken) . Taalgebruik in de LXX : choiros (varken) . Bijbel = NT (6) : (1) Mt 7,6 . (2) Mt 8,30 . (3) Mt 8,31 . (4) Mc 5,11 . (5) Mc 5,16 . (6) Lc 8,32 .
- Ned. : varken . E. : swine . Fr. : porc . Grieks : χοιρος = choiros (varken) . Taalgebruik in het NT : choiros (varken) . Lat. : porcus .


chôlos (lamme) = chôlos (lam, mank, kreupel) . Taalgebruik in het NT : chôlos (lam, mank, kreupel) . Taalgebruik in de LXX : chôlos (lam, mank, kreupel) .

Verwjzing : chôlos (lamme) , zie Mt 11,5 .
- nominatief mannelijk meervoud chôloi (lammen) . In zeven verzen in de bijbel . In drie verzen in het OT . In vier verzen in het NT : (1) Mc 11,5 // Lc 7,22 . (2) Mt 21,14 : 21:14 kai prosèlthon autô tufloi kai chôloi en tô ierô kai etherapeusen autous = en blinden en lammen kwamen naar hem toe in de tempel en hij genas hen . (3) Lc 7,22 // Mc 11,5 . (4) Hnd 8,7 : .


- chôra (streek, land) . χωρα = chôra (streek, land) . Taalgebruik in het NT : chôra (streek, land) .
- nom. vr. enk. χωρα = chôra of dat. vr. enk. χωρᾳ = chôra(i) (streek, land) van het zelfst. naamw. χωρα = chôra (streek, land) . Taalgebruik in het NT : chôra (streek, land) . Bijbel (45) . OT (40) . NT (5) : (1) Mt 4,16 . (2) Mc 1,5 . (3) Lc 2,8 . (4) Lc 12,16 . (5) Hnd 10,39 .

- acc. vr. enk. χωραν = chôran (streek, plaats) van het zelfst. naamw. χωρα = chôra (streek, land) . Taalgebruik in het NT : chôra (streek, land) . Taalgebruik in de LXX : chôra (streek, land) . Bijbel (66) . NT (14) : (1) Mt 2,12 . (2) Mt 8,28 . (3) Mc 5,1 . (4) Mc 6,55 . (5) Lc 8,26 . (6) Lc 15,13 . (7) Lc 15,14 . (8) Lc 19,12 . (9) Joh 11,54 . (10) Hnd 12,20 . (11) Hnd 16,6 . (12) Hnd 18,23 . (13) Hnd 26,20 . (14) Hnd 27,27 .

chôra (streek)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P..  A. b.. 
nom. + vr. enk. chôra(i)                              
gen. mann. enk.                            
dat. mann. enk.                            
acc. mann. enk.                            
nom. mann. mv..                            
gen. mann. mv.                              
dat. mann. mv.                            
acc. mann. mv.                            
totaal                            

- chôrion (plaats, plek, landgoed) . chôrion (plaats, plek, landgoed) . Taalgebruik in de Bijbel : chôrion (plaats, plek, landgoed) . Bijbel (6) . OT (1) . NT (5) : (1) Mt 26,36 . (2) Mc 14,32 . (3) Hnd 1,18 . (4) Hnd 1,19 . (5) Hnd 5,8 . Een vorm van chôrion (plaats, plek, landgoed) in de LXX (6) , in het NT (10) . Hnd (7) : (1) Hnd 1,18 . (2) Hnd 1,19 . (3) Hnd 4,34 . (4) Hnd 5,3 . (5) Hnd 5,8 . (6) Hnd 28,7 .
- gen. onz. enk. chôriou . Bijbel (3) : (1) 2 Mak 12, 7 . (2) Joh 4,5 . (3) Hnd 5,3 .
- gen. onz. mv. chôriôn (van landgoederen) van het zelfst. naamw. Bijbel (2) : (1) 1 Kr 27, 27 . (2) Hnd 4,34 .

- chôris (afgezien van, behalve) . Taalgebruik : chôris (afgezien van, behalve) . In Mc 4,34 .

chôris (afgezien van, behalve)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  53  15  38    30    27 

- chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen) . χορταζω = chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen) . Taalgebruik in het NT : chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen) . Taalgebruik in de LXX : chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen) . Zie website http://lexicon.katabiblon.com/index.php?lemma=%CF%87%CE%BF%CF%81%CF%84%E1%BD%B1%CE%B6%CF%89 . Een vorm van χορταζω = chortazô in de LXX (13) : (1) Jr 5,7 . (2) Kl 3,15 . (3) Kl 3,30 . (4) Ps 17,14 . (5) Ps 17,15 . (6) Ps 37,19 . (7) Ps 59,16 . (8) Ps 81,17 . (9) Ps 104,13 . (10) Ps 104,16 . (11) Ps 107,9 . (12) Ps 132,15 . (13) Job 38,27 . In het NT (15) : (1) Mt 5,6 . (2) Mt 14,20 . (3) Mt 15,33 . (4) Mt 15,37 . (5) Mc 6,42 . (6) Mc 7,27 . (7) Mc 8,4 . (8) Mc 8,8 . (9) Lc 6,21 . (10) Lc 9,17 . (11) Lc 15,16 . (12) Lc 16,21 . (13) Joh 6,26 . (14) Fil 4,12 . (15) Jak 2,16 . (16) Apk 19,21 . In de LXX is het de vertaling van het Hebreeuwse werkwoord שָׂבַע = shâbha` . In de LXX wordt שָׂבַע = shâbha` zelf door 7 verschillende Griekse (werk)woorden vertaald .

- act. ind. aor. 3de pers. enk. εχορτασεν = echortasen (hij voedde) van het werkw. χορταζω = chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen) . Taalgebruik in het NT : chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen) . Taalgebruik in de LXX : chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen) . Bijbel (3) : (1) Ps 81,17 . (2) Ps 107,9 . (3) Kl 3,15 .

- pass. ind. aor. 3de pers. mv. εχορτασθησαν = echorasthèsan (zij werden verzadigd) van het werkw. χορταζω = chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen) . Taalgebruik in het NT : chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen) . Taalgebruik in de LXX : chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen) . Bijbel (7) : (1) Ps 17,14 . (2) Mt 14,20 . (3) Mt 15,37 . (4) Mc 6,42 . (5) Mc 8,8 . (6) Lc 9,17 . (7) Apk 19,21 .

- pass. ind. fut. 3de pers. mv. χορτασθησονται = chortasthèsontai (zij zullen verzadigd worden) van het werkw. χορταζω = chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen) . Taalgebruik in het NT : chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen) . Taalgebruik in de LXX : chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen) . Bijbel (2) : (1) Ps 37,19 . Alfabetpsalm , letter jod (2) Mt 5,6 .
- pass. fut. 3de pers. mv. saturabuntur (zij zullen verzadigd worden) van het werkw. saturare . Bijbel (8) : (1) Dt 14,29 . (2) Hos 4,10 . (3) Ps 22,27 . (4) Ps 37,19 . (5) Ps 104,16 . (6) Spr 1,31 . (7) Job 27,14 . (8) Mt 5,6 .


 

- chreia (gebrek, behoefte, nood) . χρεια = chreia (gebrek, behoefte, nood) . Taalgebruik in het NT : chreia (gebrek, behoefte, nood) . Taalgebruik in de LXX : chreia (gebrek, behoefte, nood) . In de LXX is het Griekse χρεια = chreia de vertaling van 7 verschillende Hebreeuwse woorden .

- acc. vr. enk. χρειαν = chreian van het zelfst. naamw. χρεια = chreia (gebrek, behoefte, nood) . Taalgebruik in het NT : chreia (gebrek, behoefte, nood) . Taalgebruik in de LXX : chreia (gebrek, behoefte, nood) . Bijbel (53) . OT (6) . NT (38) . Hnd (2) : (1) Hnd 2,45 . (2) Hnd 4,35 . 1 Tes (4) : (1) 1 Tes 1,8 . (2) 1 Tes 4,9 . (3) 1 Tes 4,12 . (4) 1 Tes 5,1 . Een vorm van chreia (gebrek, behoefte, nood) in de LXX (55) , in het NT (49) , in Hnd (5) : (1) Hnd 2,45 . (2) Hnd 4,35 . (3) Hnd 6,3 . (4) Hnd 20,34 . (5) Hnd 28,10 .

- chrèma (bezit, vermogen) . chrèma (bezit, vermogen, geld) . Taalgebruik in het NT : chrèma (bezit, vermogen) . Taalgebruik in Mc : chrèma (bezit, vermogen) . Een vorm van chrèma (bezit, vermogen, geld) in de LXX (41) , in het NT (6) , in Hnd (4) : (1) Hnd 4,37 . (2) Hnd 8,18 . (3) Hnd 8,20 . (4) Hnd 24,26 .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  nom. + acc. onz. mv. chrèmata   19  15             
                               
                               

- nom. en acc. onz. mv. chrèmata (bezit, vermogen, geld) . Bijbel (19) . OT (15) . NT (4) : (1) Mc 10,23 . (2) Lc 18,24 . (3) Hnd 8,18 . (4) Hnd 24,26 .

- chrèzô (nodig hebben, behoeftig zijn) . chrè(i)zô (nodig hebben, behoeftig zijn) . Taalgebruik in de Bijbel : chrèzô (nodig hebben, behoeftig zijn) . Een vorm van chrè(i)zô (nodig hebben, behoeftig zijn) in de LXX (1) , in het NT (5) : (1) Mt 6,32 . (2) Lc 11,8 . (3) Lc 12,30 . (4) Rom 16,2 . (5) 2 Kor 3,2 .
- chrè(i)zete (jullie hebben nodig) .
- Latijn . act. ind. praes. 2de pers. mv. indigetis van het werkw. indigere . Bijbel (4) : (1) Mt 6,32 . (2) Lc 12,30 . (3) 1 Tes 5,1 . (4) Heb 5,12 .


- chriô (zalven) . χριω = chriô (zalven) . Taalgebruik in het NT : chriô (zalven) . Taalgebruik in de LXX : chriô (zalven) . Taalgebruik in Lc : chriô (zalven) .

  chriô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. echrisen  19  16             
                               

act. ind. aor. 3de pers. enk. εχρισεν = echrisen (hij zalfde) van het werkw. χριω = chriô (zalven) . Taalgebruik in het NT : chriô (zalven) . Taalgebruik in de LXX : chriô (zalven) . Taalgebruik in Lc : chriô (zalven) . Bijbel (19) : (1) Lv 7,36 . (2) Lv 8,11 . (3) Lv 8,12 . (4) Nu 7,1 . (5) Nu 7,10 . (6) Nu 7,84 . (7) 1 S 10,1 . (8) 1 S 11,15 . (9) 1 S 15,17 . (10) 1 S 16,13 . (11) 1 K 1,39 . (12) 2 K 11,12 . (13) Js 61,1 . (14) Ps 45,8 . (15) Sir 45,15 . (16) Sir 46,13 . (17) Lc 4,18 . (18) Hnd 10,38 . (19) Heb 1,9 . Een vorm van χριω = chriô in de LXX (79) , in het NT (5) : (1) Lc 4,18 . (2) Hnd 4,27 . (3) Hnd 10,38 . (4) 2 Kor 1,21 . (5) Heb 1,9 .
- Hebreeuws . act. qal perf. 3de pers. mann. enk. מָשַׁח = mâsjach (zalven) . Taalgebruik in Tenakh : mâsjach (zalven) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , sjin = 20 of 200 , chet = 8 ; totaal : 41 OF 248 (2³ X 31) . Structuur : 4 - 2 - 8 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenak (2) : (1) Nu 35,25 . (2) Js 61,1 .
- Bij hun aanstelling werden hogepriesters , priesters en koningen met olie gezalfd .


- χριστος = christos (gezalfde, Christus)

- christos (Christus) . χριστος = christos (gezalfde, Christus) . Taalgebruik in het NT : christos (Christus) . Taalgebruik in de LXX : christos (Christus) . Taalgebruik in Lc : christos (Christus) . Taalgebruik in Hnd : christos (Christus) . Taalgebruik in Brieven : christos (Christus) . Hebr. mâsjîach (Messias , gezalfde) , in het Grieks christos (Christus) . Zie het werkw. mâsjach (zalven) . Taalgebruik in Tenach : mâsjach (zalven) . Een vorm van christos (gezalfde, Christus) in het OT (50) , in het NT (529) , in Lc (12) .

  christos (Christus)   bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
1 nom. mann. enk. christos 118 8 110 8 5 5 15 4 73 0 18 33
2 voc. christe 1   1 1 0 0 0 0 1 0 1 1
3 gen. christou 251 11 240 5 2 0 1 11 214 7 7 8
4 dat. christô(i) 107 5 102 0 0 0 0 0 102 0    
5 acc. christon 78 14 64 2 0 7 2 10 43 0 9 11
  Totaal   554 38 517 16 7 12 18 25 432 7 35 53

Christos  bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  syn. ev. Hnd  Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud 
nom. Christos 118 8 110 8 5 5 15 18 33 4 73 14 18 2 9 6 4 4   1 3       6   2 1 3      

voc. Christe

1   1 1 0 0 0 1 1 0                                            
gen. Christou 251 11 240 5 2 0 1 7 8 11 214 27 24 30 15 20 17 11 6 7 8 5 4 4 6 2 14 6 2 2   4
dat. Christô(i) 107 5 102 0 0 0 0     0 102 16  12  16  11             
acc. Christon 78 14 64 2 0 7 2 9 11 10 43                
totaal 555 38 517 16 7 12 18 35 53 25 432 65  61  44  36  46  37  25  10  10  14  13  12  21   

 

Christos 1 Kor bijbel  OT  NT  Br. 1 Kor  1 Kor 1 1 Kor 2 1 Kor 3 1 Kor 4 1 Kor 5 1 Kor 6 1 Kor 7 1 Kor 8 1 Kor 9 1 Kor 10 1 Kor 11 1 Kor 12 1 Kor 13 1 Kor 14 1 Kor 15 1 Kor 16
nom. Christos 118 8 110 73 18                

voc. Christe

1   1                                    
gen. Christou 251 11 240 214 24 10           
dat. Christô(i) 107 5 102 102 12                       
acc. Christon 78 14 64 43                    
totaal 555 38 517 432 61  17      15 

Christos 1 Kor 1 1 Kor  1 Kor 1
nom. Christos 18 2 : (1) 1 Kor 1,13 . (2) 1 Kor 1,17 .

voc. Christe

   
gen. Christou 24 10 : (1) 1 Kor 1,1 . (2) 1 Kor 1,2 . (3) 1 Kor 1,3 . (4) 1 Kor 1,6 . (5) 1 Kor 1,7 . (6) 1 Kor 1,8 . (7) 1 Kor 1,9 . (8) 1 Kor 1,10 . (9) 1 Kor 1,12 . (10) 1 Kor 1,17 .
dat. Christô(i) 12  3 : (1) 1 Kor 1,2 . (2) 1 Kor 1,4 . (3) 1 Kor 1,30 .
acc. Christon 2 : (1) 1 Kor 1,23 . (2) 1 Kor 1,24.
totaal 61  17 

Nom. enk. christos (Christus) in 8 verzen in 1 Kor 15 (8) : (1) 1 Kor 15,3 . (2) 1 Kor 15,12 . (3) 1 Kor 15,13 . (4) 1 Kor 15,14 . (5) 1 Kor 15,16 . (6) 1 Kor 15,17 . (7) 1 Kor 15,20 . (8) 1 Kor 15,23 .

- Christos apethanen ( Christus stierf ) . In drie verzen in het NT : (1) Rom 14,15 . (2) 1 Kor 8,11 . (3) 1 Kor 15,3 . + Christos kai apethanen ( Christus stierf ook) : Rom 14,9 .
- Christos egègertai ( Christus is opgewekt ) . In 5 verzen in het NT : (1) 1 Kor 15,13 ( b : oude christos egègertai = is Christus niet opgewekt ) . (2) 1 Kor 15,14 ( b : ei de christos ouk egègertai = als Christus niet is opgewekt ) . (3) 1 Kor 15,16 ( b : oude christos egègertai = is Christus niet opgewekt ) . (4) 1 Kor 15,17 ( b : ei de christos ouk egègertai = als Christus niet is opgewekt ) . (5) 1 Kor 15,20 ( nuni de christos egègertai ek nekrôn = nu echter Christus is opgewekt uit de doden ) .

christos (Christus)   NT  Mc   Lc  Hnd  ev.
nom. christos 110 5 5 : (1) Lc 2,11 (-) . (2) Lc 3,15 (+) . (3) Lc 22,67 (+) . (4) Lc 23,35 (+) . (5) Lc 23,39 (+) . 4 : (1) Hnd 9,22 . (2) Hnd 9,34 . (3) Hnd 17,3 . (4) Hnd 26,23 . 33
voc. christe 1 0 0 0 1
gen. christou 240 2 0 11: 8
dat. christô(i) 102 0 0 0  
acc. mann. enk. christon 64 0 7 : (1) Lc 2,26 (+) . (2) Lc 4,41 (+) . (3) Lc 9,20 (+) . (4) Lc 20,41 (+) . (5) Lc 23,2 (-) . (6) Lc 24,26 (+) . (7) Lc 24,46 (+) . 10 : (1) Hnd 2,36 . (2) Hnd 3,18 . (3) Hnd 3,20 . (4) Hnd 5,42 . (5) Hnd 8,5 . (6) Hnd 11,17 . (7) Hnd 17,3 . (8) Hnd 18,5 . (9) Hnd 18,28 . (10) Hnd 24,24 11
Totaal   517 7 12 25 53

- pathein ton Christon (dat Christus - moest - lijden) . Taalgebruik : deô (moeten) , zie Mt 16,21 . In vier verzen in het NT : (1) Lc 24,26 : edei pathein ton Christon = dat Christus moest lijden . {(2) Lc 24,46 : ' edei ' pathein ton Christon = dat Christus moest lijden.} (3) Hnd 3,18 : pathein ton Christon = dat Christus (moest) lijden .(4) Hnd 17,3 (hoti ton Christon. edei pathein = dat Christus moest lijden) .

christos (Christus)  Met (+) of zonder lidw. (-) . NT  Mt  Mc Lc  syn. ev.
nom. christos 110 8 : (1) Mt 1,16 (-) . (2) Mt 2,4 (+) . (3) Mt 16,16 (+) . (4) Mt 16,20 (+) . (5) Mt 23,10 (+) . (6) Mt 24,5 (+) . (7) Mt 24,23 (+) . (8) Mt 27,63 (+) . 5 : (1) Mc 8,29 . (2) Mc 12,35 . (3) Mc 13,21 . (4) Mc 14,61 (+) . (5) Mc 15,32 . 5 : (1) Lc 2,11 (-) . (2) Lc 3,15 (+) . (3) Lc 22,67 (+) . (4) Lc 23,35 (+) . (5) Lc 23,39 (+) . 18 : (1) Mt 16,16 // Mc 8,29 // Lc 9,20 . (2) Mt 24,23 // Mc 13,21 . (3) Mt 27,63 // Mc 14,61 // Lc 22,67 . (4) Mc 15,32 // Lc 23,35 . 33
voc. christe 1 1 : Mt 26,68 . 0 0 1 1
gen. christou 240 5 : (1) Mt 1,1 (-) . (2) Mt 1,17 (+) . (3) Mt 1,18 (+) . (4) Mt 11,2 (+) . (5) Mt 22,42 (+) . 2 : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 9,41 . 0 7 : (1) Mt 22,42 // Mc 12,35 // Lc 20,41 . 8
dat. christô(i) 102 0 0 0    
acc. christon 64 2 : (1) Mt 27,17 (+) . (2) Mt 27,22 (+) . 0 7 : : (1) Lc 2,26 (+) . (2) Lc 4,41 (+) . (3) Lc 9,20 (+) . (4) Lc 20,41 (+) . (5) Lc 23,2 (-) . (6) Lc 24,26 (+) . (7) Lc 24,46 (+) . 9 : 11
Totaal   517 16 7 12 35 53

 

  Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud   
                                               
en Christô(i) = in Christus  87  13  12  13  10                 
                                               

Een vorm van Christos in 1 Tes (1) 1 Tes 1,1 (dat. enk. christôi) . (2) 1 Tes 1,3 (gen. enk. christou) . (3) 1 Tes 2,7 (gen. enk. christou) . (4) 1 Tes 2,14 (dat. enk. christôi) . (5) 1 Tes 3,2 (gen. enk. christou) . (6) 1 Tes 4,16 (dat. enk. christôi) . (7) 1 Tes 5,9 (gen. enk. christou) . (8) 1 Tes 5,18 (dat. enk. christôi) . (9) 1 Tes 5,23 (gen. enk. christou) . (10) 1 Tes 5,28 (gen. enk. christou) .  

- en ... kuriô(i) Ièsou Christô(i) = in de Heer Jezus Christus . In drie verzen , enkel in Tes : (1) 1 Tes 1,1 . (2) 2 Tes 1,1 . (3) 2 Tes 3,12 . Ook enkel in de Tes komt en theô(i) = in God voor : (1) 1 Tes 1,1 . (2) 1 Tes 2,2 . (3) 2 Tes 1,1 .


- chronizô (lange tijd verblijven, dralen) . chronizô (lange tijd verblijven, dralen) . Taalgebruik in het NT : chronizô (lange tijd verblijven, dralen) . Taalgebruik in Lc : chronizô (lange tijd verblijven, dralen) .

  chronizô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. inf. praes. chronizein       (1) Lc 1,21 .            
                               
                               

 

- chronos (tijd) . chronos (tijd) . Taalgebruik in het NT : chronos (tijd) . Taalgebruik in Lc : chronos (tijd) .

  chronos  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. mann. enk. chronos   19  12     
                               
                               
                               

Een vorm van chronos (tijd) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,57 . (2) Lc 4,5 . (3) Lc 8,27 . (4) Lc 8,29 . (5) Lc 18,4 . (6) Lc 20,9 . (7) Lc 23,8 .