NIEUWE TESTAMENT : TAALGEBRUIK : D

Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

- dia (door) -- de (echter) -- didaskô (leren) -- didômi (geven) -- doulos (dienaar) -- doxa (heerlijkheid) -


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
 
1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm . WEBLOG : BIJBELLEERHUIS
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts (Vlaams Blok) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen -

Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , bijbelTaalgebruiken - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

-
OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


OPGELET : De getallen verwijzen steeds naar het aantal verzen waarin een 'woord' voorkomt . Eenzelfde 'woord' kan echter meerdere malen in hetzelfde vers voorkomen .

  NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
boeknr.  27 40 41 42 43 44 45 - 65 66    
hoofdst.  260 28 16 24 21 28 121 22 68  89 
verzen  7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
      8,52 %              

  NT Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul. Ap. br.
boeknr.  27 (aantal)   45  46  47  48  49  50  51  52  53  54  55  56  57  58  59  60  61  62  63  64  65     
hoofdst.  260 121 16  16  13  13  100 21
verzen  7957 2767 433  437  257  149  155  104  95  89  47  113  83  46  25  303  108  105  61  105  13  14  25  2336  431 

- daimonion (demon) . Taalgebruik in de bijbel : daimonion (demon) . Taalgebruik in Mc : daimonion (demon) . Taalgebruik in Lc : daimonion (demon) .

  daimonion (demon) bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk syn. ev.
1 nom. + acc. enk.daimonion 21 6 15 2 3 4 6       9 15
2 gen. enk. daimoniou 6 2 4 1   3         4 4
3 nom. + acc. mv. daimonia 34 3 31 6 8 15     1 1 29 29
4 gen. mv. daimoniôn 11 1 10 2 1 1   1 3 2 4 4
5 dat. mv. daimoniois 5 4 1           1      
  Totaal   77 16 61 11 12 23 6 1 5 3 46 52

  daimonion (demon) NT  Mt  Mc  Lc  syn. ev.
1 nom. + acc. onz. enk.daimonion 15 2 : (1) Mt 11,18 . (2) Mt 17,18 . 3 : (1) Mc 7,26 . (2) Mc 7,29 . (3) Mc 7,30 . 4 : (1) Lc 4,35 . (2) Lc 7,33 . (3) Lc 9,42 . (4) Lc 11,14 . 9 : (1) Mt 11,18 // Lc 7,33 . 15
2 gen. onz. enk. daimoniou 4 1 : Mt 9,33 .   3 : (1) Lc 4,33 . (2) Lc 8,29 . (3) Lc 11,14 . 4 4
3 nom. + acc. onz. mv. daimonia 31

6 : (1) Mt 7,22 . (2)Mt 9,34 . (3) Mt 10,8 . (4) Mt 12,24 . (5) Mt 12,27 . (6) Mt 12,28 .

8 : (1) Mc 1,34 . (2) Mc 1,39. (3) Mc 3,15 . (4) Mc 3,22 . (5) Mc 6,13 . (6) Mc 9,38 . (7) Mc 16,9 . (8) Mc 16,17 . 15 : (1) Lc 4,41 . (2) Lc 8,2 . (3) Lc 8,27 . (4) Lc 8,30 . (5) Lc 8,33 . (6) Lc 8,35 . (7) Lc 8,38 . (8) Lc 9,1 . (9) Lc 9,49. (10) Lc 10,17 . (11) Lc 11,15 . (12) Lc 11,18 . (13) Lc 11,19 . (14) Lc 11,20 . (15) Lc 13,32 . 29 : (1) Mc 1,34 // Lc 4,41 . (2) Mc 9,38 // Lc 9,49 . (3) Mt 12,24 // Mc 3,22 // Lc 11,15 . (4) Mt 12,27 // Lc 11,19 . (5) Mt 12,28 // Lc 11,20 . 29
4 gen. mv. daimoniôn 10 2 : (1) Mt 9,34 . (2) Mt 12,24 . 1 : Mc 3,22 . 1 : Lc 11,15 . 4 : (1) Mt 12,24 // Lc 11,15 . 4
5 dat. mv. daimoniois 1          
  Totaal   61 11 12 23 46 52

Lc (21 verzen , 23 X) : (1) Lc 4,33 . (2) Lc 4,35 . (3) Lc 4,41 . (4) Lc 7,33 . (5) Lc 8,2 . (6) Lc 8,27 . (7) Lc 8,29 . (8) Lc 8,30 . (9) Lc 8,33 . (10) Lc 8,35 . (11) Lc 8,38 . (12) Lc 9,1 . (13) Lc 9,42 . (14) Lc 9,49. (15) Lc 10,17 . (16) Lc 11,14 (2 vormen) . (17) Lc 11,15 (2 vormen) . (18) Lc 11,18 . (19) Lc 11,19 . (20) Lc 11,20 . (21) Lc 13,32 .

- Mt 9,28 (daimonizomenoi = demon wordende) // Mc 5,2 (en pneumati akathartôi = met een onzuivere geest) // Lc 8,27 (echôn daimonia = hebbende demonen) .
- Mt 12,22 (daimonizomenos = een demon wordende) // Lc 11,14 (daimon = een demon) .
- Mc 1,23 (en pneumati akathartôi = met een onzuivere geest) // Lc 4,33 (echôn pneuma daimoniou akathartou = hebbende een geest van een onzuivere demon) .
- Mc 1,26 (to pneuma to akatharton = de onzuivere geest) // Lc 4,35 (to daimonion = de demon) .
- Mc 5,13 (ta pneumata ta akatharta = de onzuivere geesten) // Lc 8,33 (ta daimonia = de demonen) .
- Mc 5,15 (ton daimonizomenon = de demon wordende) // Lc 8,35 (ta daimonia = de demonen) .
- Mc 5,18 (ho daimonistheis = de gedemoniseerde) // Lc 8,38 (ta daimonia = de demonen) .
- Mc 9,20 (to pneuma = de geest) // Lc 9,42 (to daimonion = de demon) .
- Mt 10,1 (exousian pneumatôn akathartôn = macht over onzuivere geesten) // Mc 3,15 (ta daimonia = de demonen) // Mc 6,7 (exousian tôn pneumatôn tôn akathartôn = macht over de onzuivere geesten) // Lc 9,1 (exousian epi panta ta daimonia = macht over alle demonen) .

Een vorm van daimonion (demon) in Lc   (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . (12) . (13) . (14) . (15) . (16) . (17) . (18) . (19) . (20) . (21) . (22) . (23) . (24) . (25) . (26) . (27) . (28) . (29) . (30) . (31) .    

daimonizomenos (een demon wordende) bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk syn. ev.
nom. + acc. enk.daimonizomenos 1   1 1 : Mt 12,22 .             1 1
gen. enk. daimonizomenou 1   1       1 : Joh 10,21         1
dat. enk. daimonizomenôi      1 : Mc 5,16 .            
acc. enk. daimonizomenon 2   2 1 : Mt 9,32 . 1 : Mc 5,15 .           2 2
nom. + acc. mv. daimonizomenoi 1   1 1 : Mc 8,28 .             1 1
gen. mv. daimonizomenôn 1   1 1 : Mc 8,33 .             1 1
acc.  mv. daimonizomenous 3   3 2 : (1) Mt 4,24 . (2) Mt 8,16 . 1 : Mc 1,32 .           3 3
Totaal   10   10 6 3   1       9 10

- Damaskos (Damascus) .

Damaskos (Damascus) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.   Apk   
nom. enk. Damaskos 6 6                  
gen. enk. Damaskou 23 23                  
dat. enk. Damaskôi 15 7 8         7 1    
acc. enk. Damaskon 18  11             
Totaal   62  47  15          13     

- dapanaô (onkosten maken, verkwisten) . dapanaô (onkosten maken, verkwisten) . Taalgebruik in de bijbel : dapanaô (onkosten maken, verkwisten) . Taalgebruik in Lc : dapanaô (onkosten maken, verkwisten) .

  dapanaô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. part. aor. gen. mann. enk. dapanèsantos                              
                               

 

- dauid (David) . dauid (David) . Taalgebruik in het NT : dauid (David) . Taalgebruik in de LXX : dauid (David) . Taalgebruik in Mc : dauid (David) .

dauid (David)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  
  957 903 54 15 7 12 1 10 6 3  

dauid (David) in Lc (12) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 1,69 . (4) Lc 2,4 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 3,31 . (7) Lc 6,3 . (8) Lc 18,38 . (9) Lc 18,39 . (10) Lc 20,41 . (11) Lc 20,42 . (12) Lc 20,44 .
dauid (David) in Mt : (1) Mt 1,1 . (2) Mt 1,6 . (3) Mt 1,17 . (4) Mt 1,20 . (5) Mt 9,27 . (6) Mt 12,3 . (7) Mt 12,23 . (8) Mt 15,22 . (9) Mt 20,30 . (10) Mt 20,31 . (11) Mt 21,9 . (12) Mt 21,15 . (13) Mt 22,42 . (14) Mt 22,43 . (15) Mt 22,45 .
In Mt komt David voor in verband met de genealogie en de afkomst van Jezus (Mt 1) en in verband met Jeruzalem (Mt 20 - Mt 22) . Er resten dan nog vier verzen .
Zoon van David in tien verzen in Mt : (1) Mt 1,1 . (2) Mt 1,20 (Jozef , zoon van David) . (3) Mt 9,27 . (4) Mt 12,23 . (5) Mt 15,22 . (6) Mt 20,30 . (7) Mt 20,31 . (8) Mt 21,9 . (9) Mt 21,15 . (10) Mt 22,42 .

- de (echter) . de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in de bijbel : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
In vijf verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,30 . (4) Mc 1,32 . (5) Mc 1,45 . In Mc 1,8 duidt het de tegenstelling aan tussen Johannes en Jezus . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 4,29 . (4) Mc 4,34 .

de (echter)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
de  6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7 1048  1251 
d'  73 50  23  12      19  20 
Totaal 6283 3804 2479 433 151 483 204 490 711 7 1067 1271

partikel de (echter) Mt 1 Mt 2 Mt 3 Mt 4 Mt 5 Mt 6 Mt 7 Mt 8 Mt 9 Mt 10 Mt 11 Mt 12 Mt 13 Mt 14 Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22 Mt 23 Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28
421 21 11 9 5 12 13 3 16 16 13 5 17 25 19 19 14 11 9 15 13 22 17 13 15 21 31 27 9
12         3         2   1       1   1     1   2       1  
433 21 11 9 5 15 13 3 16 16 15 5 18 25 19 19 15 11 10 15 13 23 17 15 15 21 31 28 9

Bijbel (6210) . OT (3754) NT (2456) . Mt (421) . Mc (149) . Lc (478) . Joh (203) . Hnd (490) . Brieven (708) . Apk (7) . In 421 verzen bij Mt . Mt 1 (21) . Mt 2 (11) .
In zes verzen in Mt 2,1-12 : (1) Mt 2,1 . (2) Mt 2,3 . (3) Mt 2,5 . (4) Mt 2,8 . (5) Mt 2,9 . (6) Mt 2,10 . In vijf verzen in Mt 2,13-23 : (1) Mt 2,13 . (2) Mt 2,14 . (3) Mt 2,19 . (4) Mt 2,21 . (5) Mt 2,22 .
In vijf verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,4 . (2) Mt 4,12 . (3) Mt 4,18 . (4) Mt 4,20 . (5) Mt 4,22 . Mt 14 (19) : (1) Mt 14,6 . (2) Mt 14,8 . (3) Mt 14,13 . (4) Mt 14,15 . (5) Mt 14,16 . (6) Mt 14,17 . (7) Mt 14,18 . (8) Mt 14,19 . (9) Mt 14,21 . (10) Mt 14,23 . (11) Mt 14,24 . (12) Mt 14,25 . (13) Mt 14,26 . (14) Mt 14,27 . (15) Mt 14,28 . (16) Mt 14,29 . (17) Mt 14,30 . (18) Mt 14,31 . (19) Mt 14,33 .
In veertien verzen in Mt 16 : (1) Mt 16,2 . (2) Mt 16,3 . (3) Mt 16,6 . (4) Mt 16,7 . (5) Mt 16,8 . (6) Mt 16,11 . (7) Mt 16,13 . (8) Mt 16,14 . (9) Mt 16,15 . (10) Mt 16,16 . (11) Mt 16,17 . (12) Mt 16,18 . (13) Mt 16,23 . (14) Mt 16,26 .
- ho de (hij echter) . Taalgebruik : de (echter) , zie Mt 1,2 . In 353 verzen in het NT .

de (echter)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
149 + 2 (d') 6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7 10  23  13  23  20 

 

de (echter)   Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
de (478) 17  11  13  18  15  23  37  36  21  22  26  13  16  15  11  26  16  22  14  35  34  20 
d' (5)                                        
483 17  11  13  18  15  23  37  37  23  22  26  13  16  15  12  26  16  23  14  35  34  20 
1151verzen  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
  80  52  38  44  39  49  50  56  62  42  54  59  35  35  32  31  37  43  48  47  38  71  56  53 

In Lc 1 komt het zeventienmaal voor . In negen verzen in Lc 2 . In Lc 2,1 is het voor de achttiende keer . In Lc 2,1-20 komt het vijfmaal voor : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 2,6 . (4) Lc 2,17 . (5) Lc 2,19 . Het staat als tweede woord in de zin , aan het begin van vijf verzen .
In eenenveertig verzen in Lc 22 . In twintig verzen in Lc 24 . In zes verzen in Lc 23,56b-24,12 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,5 . (5) Lc 24,10 . (6) Lc 24,12 . In Lc 24,50-53 komt slechts éénmaal het partikel de (echter) voor .

  Lc 2,1 Lc 2,2 Lc 2,3 Lc 2,4 Lc 2,5 Lc 2,6 Lc 2,7 Lc 2,8 Lc 2,9 Lc 2,10 Lc 2,11 Lc 2,12 Lc 2,13 Lc 2,14 Lc 2,15 Lc 2,16 Lc 2,17 Lc 2,18 Lc 2,19 Lc 2,20
de (echter) (5) 1.      2.    3.                      4.    5.    
kai (en) (11)     1.        2.   3.  4.  5.    6.  7.    8.  9.    10.    11. 

 

de (echter) Hnd 1 Hnd 2 Hnd 3 Hnd 4 Hnd 5 Hnd 6 Hnd 7 Hnd 8 Hnd 9 Hnd 10 Hnd 11 Hnd 12 Hnd 13 Hnd 14
  14  13  12  24  23  26  30 17  19  22  23  11 

de (echter) Hnd 15 Hnd 16 Hnd 17 Hnd 18 Hnd 19 Hnd 20 Hnd 21 Hnd 22 Hnd 23 Hnd 24 Hnd 25 Hnd 26 Hnd 27  Hnd 28
  15  23  16  16  25  18  25  17  20  11  13  26  16 

Hnd 4 (12) : (1) Hnd 4,1 . (2) Hnd 4,4 . (3) Hnd 4,5 . (4) Hnd 4,13 . (5) Hnd 4,15 . (6) Hnd 4,19 . (7) Hnd 4,21 . (8) Hnd 4,23 . (9) Hnd 4,24 . (10) Hnd 4,32 . (11) Hnd 4,35 . (12) Hnd 4,36 . - 1 Tes (15) : (1) 1 Tes 2,16 . (2) 1 Tes 2,17 . (3) 1 Tes 3,6 . (4) 1 Tes 3,11 . (5) 1 Tes 3,12 . (6) 1 Tes 4,9 . (7) 1 Tes 4,10 . (8) 1 Tes 4,13 . (9) 1 Tes 5,1 . (10) 1 Tes 5,4 . (11) 1 Tes 5,8 . (12) 1 Tes 5,12 . (13) 1 Tes 5,14 . (14) 1 Tes 5,21 . (15) 1 Tes 5,23 .

- dechomai (ontvangen) . dechomai (ontvangen) ; Taalgebruik in de bijbel : dechomai (ontvangen) . Taalgebruik in Mc : dechomai (ontvangen) .

  dechomai (ontvangen)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  ind. praes. 3de pers. enk. dechetai            
  conj. praes. 3de pers. enk. dechètai                    
  conj. aor. 3de pers. enk. dexètai              
                               
  totaal                            

- deèsis (gebed, vraag) . deèsis (gebed, vraag) . Taalgebruik in de bijbel : deèsis (gebed, vraag) . Taalgebruik in Lc : deèsis (gebed, vraag) .

  deèsis  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. vr. enk. deèsis   10           
                               
                               

- dei (moet) . dei (moet) . Taalgebruik in de bijbel : dei (moet) . Taalgebruik in Mc : dei (moet) . Taalgebruik in Lc : dei (moet) . Taalgebruik in Hnd : dei (moet) .

dei (moet)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. pr. 3de pers. enk. dei 94  18  76  12  15  24  21  30  23 
                             
                             
                             
totaal     102  18  10  24  28  32  42  26 


In vier verzen bij Matteüs : (1) Mt 16,21 . (2) Mt 17,10 . (3) Mt 24,6 . (4) Mt 26,54 .
In vijf verzen bij Marcus : (1) Mc 8,31 (// Mt 16,21 // Lc 9,22) (eerste lijdensvoorspelling) . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,14 .
In twaalf verzen bij Lucas :
(1) Lc 2,49 (Wist je niet dat ik in de dingen van mijn vader moet zijn.) .
(2) Lc 4,43 (Ook in de andere steden moet ik het koningrijk van God als blijde boodschap brengen) .
(3) Lc 9,22 : eipôn hoti dei ton huion tou anthrôpou polla pathein = zeggende dat de mensenzoon veel zal moeten lijden (eerste lijdensvoorspelling)
(4) Lc 12,12 (Wat je moet zeggen) .
(5) Lc 13,14 (Er zijn zes dagen waarop je moet werken) .
(6) Lc 13,33 (Maar ik moet me op weg begeven) .
(7) Lc 17,25 : prôton de dei auton polla pathein = eerst echter moet hij veel lijden (de mensenzoon) .
(8) Lc 19,5 (Want in jouw huis moet ik verblijven) .
(9) Lc 21,9 (Want dat moet eerst gebeuren) .
(10) Lc 22,37 (Want dit geschrevene moet door mij tot een einde gebracht worden) .
(11) Lc 24,7 : legôn ton huion tou anthrôpou hoti dei = zeggende dat de mensenzoon moet (de vrouwen bij het graf) .
(12) Lc 24,44 (Dat hij al het geschrevene in de wet van Mozes moest vervullen) .
In negen verzen bij Johannes : (1) Joh 3,7 . (2) Joh 3,14 . (3) Joh 3,30 . (4) Joh 4,20 . (5) Joh 4,24 . (6) Joh 9,4 . (7) Joh 10,16 . (8) Joh 12,34 . (9) Joh 20,9 .
In vijftien verzen in Handelingen : (1) Hnd 1,21 . (2) Hnd 3,21 . (3) Hnd 4,12 . (4) Hnd 5,29 . (5) Hnd 9,6 . (6) Hnd 9,16 . (7) Hnd 14,22 . (8) Hnd 15,5 . (9) Hnd 16,30 . (10) Hnd 19,21 . (11) Hnd 20,35 . (12) Hnd 23,11 . (13) Hnd 25,10 . (14) Hnd 27,24 . (15) Hnd 27,26 .
- deô (moeten) . Taalgebruik : deô (moeten) , zie Mt 16,21 .
--- hoti dei (dat moet) . hoti leidt een voorwerpszin in . Het wordt voorafgegaan door allerlei werkwoordvormen van verschillende werkwoorden met de betekenis van zeggen . In acht verzen in het NT : (1) Mt 16,21 (// Mc 8,31 // Lc 9,22) (eerste lijdensvoorspelling) . (2) Mc 8,31 (// Mt 16,21 // Lc 9,22) (eerste lijdensvoorspelling) . (3) Lc 9,22 ( // Mc 8,31 // Mt 16,21) (eerste lijdensvoorspelling) . (4) Lc 24,7 . (5) Lc 24,44 . (6) Joh 12,34 . (7) Joh 20,9 . (8) Hnd 15,5 . In vier van de acht teksten wordt de mensenzoon (ton huion tou anthrôpou) uitdrukkelijk vermeld : (2) Mc 8,31 . (3) Lc 9,22 . (4) Lc 24,7 . (6) Joh 12,34 .
--- edei (het moest) . Taalgebruik : deô (moeten) , zie Mt 16,21 . In tweeëntwintig verzen in de bijbel . In zes verzen in het OT . In zestien verzen in het NT : (1) Mt 18,33 . (2) Mt 23,23 . (3) Mt 25,27 . (4) Lc 11,42 . (5) Lc 13,16 . (6) Lc 15,32 . (7) Lc 22,7 . (8) Lc 24,26 . (9) Joh 4,4 . (10) Hnd 1,16 . (11) Hnd 17,3 . (12) Hnd 24,19 . (13) Hnd 27,21 . (14) Rom 1,27 . (15) 2 Cor 2,3 . (16) Heb 9,26 .
- edei pathein (hij moest lijden) . Taalgebruik : deô (moeten) , zie Mt 16,21 . In drie verzen in het NT : (1) Lc 24,26 : edei pathein ton Christon = dat Christus moest lijden . {(2) Lc 24,46 : ' edei ' pathein ton Christon = dat Christus moest lijden.} (3) Hnd 17,3 (hoti ton Christon. edei pathein = dat Christus moest lijden) .

- deiknumi (tonen, aanwijzen) . deiknumi (tonen, aanwijzen) . Taalgebruik in de bijbel : deiknumi (tonen, aanwijzen) . Taalgebruik in Lc : deiknumi (tonen, aanwijzen) .

  deiknumi  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. aor. 3de pers. enk. edeixen   39  33           
                               

 

 

 

desmôtèrion (gevangenis)  bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk   
nom. + acc. onz. enk. desmôtèrion 5 3 2         2      
gen. enk. desmôtèriou 2 1 1         1      
dat. enk. desmôtèriôi 3 2 1 1              
acc.  enk. zie nom.                      
Totaal   10 6 4 1       3      

- deuro (welaan, kom) . deuro (welaan, kom) . Taalgebruik in de bijbel : deuro (welaan, kom) . Taalgebruik in Mc : deuro (welaan, kom) .

  deuro  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
Totaal  74  65   

- dexios (rechts) . dexios (rechts) . Taalgebruik in de bijbel : dexios (rechts) . Taalgebruik in Mc : dexios (rechts) . Taalgebruik in Lc : dexios (rechts) . Taalgebruik in Hnd : dexios (rechts) .Taalgebruik in de Septuaginta : dexios (rechts) . Hebr. jâmîn (rechterzijde, rechts) . Taalgebruik in Tenach : jâmîn (rechterzijde, rechts) . L. dexter . Fr. droit . Ned. rechts . E. right . D. rechter .

  dexios  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  gen. mv. dexiôn   67  44  23      17  17   
                               
                               

- dia ( door , na ) . dia (door, omwille van, na) . Taalgebruik in NT : dia (door) . Taalgebruik in de LXX : dia (door) . Taalgebruik in Mc : dia (door) . Taalgebruik in Lc : dia (door) . Taalgebruik in Brieven : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na . dia in Mc 2 (4) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 2,23 . (4) Mc 2,27 . di' in Mc 2 (1) : Mc 2,1 .

dia (door)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
dia  1419  938  481  51  29  32  44  62  248  15  112  156 
di'  310 174 136 6 2 5 13 11 99   13  26 
totaal  1729 1112 617 57 31 37 57 73 347 15 125  182 

dia touto (daarom)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk  
      65  11  15  28   

dia : Hnd 5 (3) : (1) Hnd 5,3 . (2) Hnd 5,12 . (3) Hnd 5,19 .

dia (door)  bijbel OT NT Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul.   Ap. br.  
dia  1419  938  481  248  58  24  29  11  19  10  36  11  225  23 
di'  310 174 136 99 18 11 11 8 1 3 5 2 2 1 3 1   19   7 5 2       85  14 
totaal  1729 1112 617 347 76 35 40 19 20 13 13 9 8 6 9 3 4 55 2 18 7 5 2 2 1 310  37 

- dia (door) . In drie verzen in 1 Kor 1 : (1) 1 Kor 1,1 . (2) 1 Kor 1,10 . (3) 1 Kor 1,21 .
- di' (door) . In één vers in 1 Kor : (1) 1 Kor 1,9 .

dia touto (daarom)   NT Mt Mc Lc Joh Hnd Apk Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud   
  65  11  15  28                  

dia of di' in 1 Tes  dia touto (daarom) : (1)                      

- diaireô (uitnemen, verdelen) . diaireô (uitnemen, verdelen) . Taalgebruik in de bijbel : diaireô (uitnemen, verdelen) . Taalgebruik in Lc : diaireô (uitnemen, verdelen) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. aor. 3de pers. enk. dieilen   14  13                 
                               

 


- diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . Taalgebruik in het NT : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . Taalgebruik in de LXX : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . L. diabolus . F. diable . E. devil . D. Teufel . Taalgebruik in Lc : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) .
--- dialobolos . Nominatief. In 28 verzen in de bijbel; in 12 verzen in het OT, in 16 verzen in het NT In 4 verzen bij Lucas : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 8,12 .
--- diabolou (van de duivel). In 13 verzen in de bijbel; in 1 vers in het OT, in 12 verzen in het NT Lc 4,2
--- diabolôi . Datief enkelvoud. In 9 verzen in de bijbel; in 5 verzen in het OT, in 4 verzen in het NT

diabolos (duivel) bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk syn. ev.
nom. enk.diabolos 28 12 16 4   4 1   2 5 8 9
gen. mann. enk. diabolou 13 1 12 1   1 2 2 6   2 4
dat. enk. diabolôi 9 5 4 1         3   1 1
acc. enk. diabolon 4 3 1           1      
nom. + acc. mv. diaboloi 1   1           1      
acc.  mv. diabolous 2   2           2      
Totaal   57 21 36 6   5 3 2 15 5 11 14

De losse genitief diagenomenou ... (van het werkwoord diaginomai: vergaan, vervliegen) komt in de bijbel slechts in twee verzen voor : (1) Mc 16,1 (2) Hnd 27,9 .

 

- diakoneô (dienen, dienaar zijn) . diakoneô (dienen, dienaar zijn) . Taalgebruik in de bijbel : diakoneô (dienen, dienaar zijn) . Taalgebruik in Mc : diakoneô (dienen, dienaar zijn) .

  diakoneô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. imperf. 3de pers. enk. dièkonei              
  act. ind. imperf. 3de pers. mv. dièkonoun            
  act. inf. aor. diakonèsai                  
  pass. inf. aor. diakonèthènai                  
                               

 

- diakonos (dienaar) . diakonos (dienaar) . Taalgebruik in de bijbel : diakonos (dienaar) . Taalgebruik in Mc . : diakonos (dienaar) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. mann. enk. diakonos   14    14  2 : (1) Mc 9,35 . (2) Mc 10,43 .          
                               
                               
                               
                               
                               
                               
                               
  totaal                            

 

- dialogizomai (discussiëren, redetwisten) . dialogizomai (discussiëren, redetwisten) . Taalgebruik in de bijbel : dialogizomai (discussiëren, redetwisten) . Taalgebruik in Lc : dialogizomai (discussiëren, redetwisten) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
                               
  part. praes. gen. mv. dialogizomenôn                    
                               
                               
                               

- dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) . dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) . Taalgebruik in de bijbel : dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) . Taalgebruik in Lc : dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) . Taalgebruik in Hnd : dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) . Hebr. pâthach (openen) . Taalgebruik in Tenach : pâthach (openen) . Lat. aperire . Fr. ouvrir . Ned. openen . D. offnen . E. to open .

 

- diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) . diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) . Taalgebruik in de bijbel : diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) . Taalgebruik in Lc : diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) . Een vorm van diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) in de LXX (53) , in het NT (9) .

  diaskorpizô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. aor. 3de pers. enk. dieskorpisen                  
                               

 

- diaspeirô (verspreiden) . Taalgebruik : Fr. disperser , dispersion . Ned. ver-s-p-r-eiden , dia-spora , sperma = zaad .
diesparèsan (zij werden verstrooid) . Passief aorist derde persoon meervoud . In tien verzen in de bijbel . In negen verzen in het OT . In één vers in het NT : Hnd 8,1 .
Lat. struere , struxi , structum : over elkaar uitbreiden , ophopen , oprichten , bouwen . Ned. s-t-r-ooien , verstrooien .
Hebr. nâphëtsû (zij werden verstrooid) . n-p-ts-û in 8 verzen in Tenach .
- diasparentes (de verstrooiden) . Taalgebruik : diaspeirô (verspreiden, verstrooien) , zie Hnd 8,1 . Passief participium aorist nominatief mannelijk en vrouwelijk meervoud . In twee verzen in de bijbel : (1) Hnd 8,4 . (2) Hnd 11,19 .

- diaperaô (oversteken, doortrekken) . Taalgebruik in de bijbel : diaperaô (oversteken, doortrekken) .

  diaperaô (oversteken, doortrekken)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. part. aor. gen. mann. enk. diaperasantos                    
  act. part. aor. nom. mann. mv. diaperasantes                  
                               

- diastellomai (bevelen) . Taalgebruik in NT : diastellomai (bevelen) . Taalgebruik in Mc : diastellomai (bevelen) . diastellô (uiteenhalen, scheiden, bepalen) .

  diastellomai (bevelen)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  med. imperf. 3de pers. enk. diestelleto                   
  med. aor. 3de pers. enk. diesteilato                   
  pass. ind. aor. 3de pers. enk. diestalè                              
  Totaal                             
                               

- diatarassô (in verwarring brengen) . diatarassô (in verwarring brengen) . Taalgebruik in de bijbel : diatarassô (in verwarring brengen) . Taalgebruik in Lc : diatarassô (in verwarring brengen) .

  diatarassô   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  pass. ind. aor. 3de pers. enk. dietarachthè                              

- diathèkè (verbond) . diathèkè (verbond) . Taalgebruik in de bijbel : diathèkè (verbond) . Taalgebruik in Lc. : diathèkè (verbond) . Taalgebruik in Hnd : diathèkè (verbond) . Taalgebruik in de Septuaginta : diathèkè (verbond) . Hebr. bërîth (verbond) . Taalgebruik in Tenach : bërîth (verbond) . diatithèmi = tussen-stellen . Lat. foedus (zie b.v. federaal) . Fr. alliance . E. covenant . Ned. verbond . D. Bund .

  diathèkè    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                                 
  nom. vr. enk. diathèkè     45  36               
                                 
                                 

- nom. vr. enk. diathèkè (verbond) . Taalgebruik in het NT : diathèkè (verbond) . Taalgebruik in Lc. : diathèkè (verbond) . Hebr. bërîth (verbond) . Taalgebruik in Tenach : bërîth (verbond) . Lat. testamentum . E. testament . Ned. testament, verbond . D. Bund . Fr. alliance . Bijbel (45) . OT (28) , NT (9) : (1) Lc 22,20 . (2) Rom 11,27 . (3) 1 Kor 11,25 . (4) Heb 8,9 . (5) Heb 8,10 . (6) Heb 9,15 . (7) Heb 9,16 . (8) Heb 9,17 . (9) Heb 10,16 . Een vorm van diathèkè (verbond) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 1,72 . (2) Lc 22,20 . In Lc : 2 vormen van diathèkè (verbond) in 2 verzen in 2 hoofdstukken . In Hnd : 2 vormen van diathèkè (verbond) in 2 verzen in 2 hoofdstukken : (1) Hnd 3,25 . (2) Hnd 7,8 .

- gen. vr. enk. diathèkès van het zelfst. naamw. diathèkè (verbond) . Taalgebruik in het NT : diathèkè (verbond) . Taalgebruik in de LXX : diathèkè (verbond) . Taalgebruik in Lc. : diathèkè (verbond) . Hebr. bërîth (verbond) . Taalgebruik in Tenach : bërîth (verbond) . Lat. testamentum . E. testament . Ned. testament, verbond . D. Bund . Fr. alliance . Bijbel (128) . OT (103) . NT (15) : (1) Mt 26,28 . (2) Mc 14,24 . (3) Lc 1,72 . (4) Hnd 3,25 . (5) 2 Kor 3,6 . (6) 2 Kor 3,14 . (7) Heb 7,22 . (8) Heb 8,6 . (9) Heb 9,4 . (10) Heb 9,15 . (11) Heb 9,20 . (12) Heb 10,29 . (13) Heb 12,24 . (14) Heb 13,20 . (15) Apk 11,19 . Een vorm van diathèkè (verbond) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 1,72 . (2) Lc 22,20 . In Hnd : 2 vormen van diathèkè (verbond) in 2 verzen in 2 hoofdstukken : (1) Hnd 3,25 . (2) Hnd 7,8 . Een vorm van diathèkè (verbond) in het NT (33) , in de LXX (358) .

- didaskalos (leraar , leermeester) . didaskalos (leraar , leermeester) . Taalgebruik in de bijbel : didaskalos (leraar , leermeester) . Taalgebruik in Mc : didaskalos (leraar , leermeester) .
- rabbi (meester). NT (15) . Mt (4) . Mc (3) . Joh (8) .

  didaskalos (leermeester) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. syn. ev.
1 nom. mann. enk. didaskalos 15   15 5 1 2 5   2 8 13
2 voc. mann. enk. didaskale 31   31 6 10 12 3     28 31
3 dat.  mann. enk. didaskalô(i) 2                  
4 acc. mann. enk. didaskalon 5   5 1 1 2     1 4 4
5 nom. + voc. mann. mv. didaskaloi 4   4         1 3    
6 gen. mann. mv. didaskalôn 1   1     1       1 1
7 acc. mann. mv. didaskalous 3   3           3    
  Totaal   61 59 12 12 17 8 1 9 41 49

didaskalos (leermeester) Mt  Mc   Lc  syn. ev.
nom. enk. didaskalos 5 : (1) Mt 9,11 . (2) Mt 10,25. (3) Mt 17,24 . (4) Mt 23,8 . (5) Mt 26,18 . 1 : Mc 14,14 . 2 : (1) Lc 6,40 . (2) Lc 22,11 . 8 : (1) Mt 10,25 // Lc 6,40 . (2) Mt 26,18 // Mc 14,14 // Lc 22,11 . 13
voc. enk. didaskale 6 : (1) Mt 8,19 . (2) Mt 12,38 . (3) Mt 19,16 . (4) Mt 22,16 . (5) Mt 22,24 . (6) Mt 22,36 . 10 : (1) Mc 4,38 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,38 . (4) Mc 10,17 . (5) Mc 10,20 . (6) Mc 10,35 . (7) Mc 12,14 . (8) Mc 12,19 . (9) Mc 12,32 . (10) Mc 13,1 . 12 : (1) Lc 3,12 . (2) Lc 7,40 . (3) Lc 9,38 . (4) Lc 10,25 . (5) Lc 11,45 . (6) Lc 12,13 . (7) Lc 18,18 . (8) Lc 19,39 . (9) Lc 20,21 . (10) Lc 20,28 . (11) Lc 20,39 . (12) Lc 21,7 . 28 : (1) Mt 19,16 // Mc 10,17 // Lc 18,18 . (2) Mt 22,16 // Mc 12,14 // Lc 20,21 . (3) Mt 22,24 // Mc 12,19 // Lc 20,28 . (4) Mt 22,36 // Lc 10,25 . (5) Mc 9,38 // Lc 9,38 . 31
acc. enk. didaskalon 1 : Mt 10,24 1 : Mc 5,35 . 2 : (1) Lc 6,40 . (2) Lc 8,49 . 4 : Mt 10,24 // Lc 6,40 . 4
Totaal   12 12 17 41 49

Een vorm van didaskalos (leermeester) in Mc   (1) Mc 4,38 (voc. enk. didaskale . Leerlingen tot Jezus) .  (2) Mc 5,35 (acc. enk. didaskalon . Afgevaardigden van de hogepriester) . (3) Mc 9,17 (voc. enk. didaskale . Iemand met een stomme zoon) . (4) Mc 9,38 (voc. enk. didaskale . Opmerking van de apostel Johannes tot Jezus) . (5) Mc 10,17 (voc. enk. . Iemand met een vraag aan Jezus) . (6) Mc 10,20 (voc. enk. didaskale . Antwoord van die iemand tot Jezus) . (7) Mc 10,35 (voc. enk. didaskale . De zonen van Zebedeüs met een vraag tot Jezus) . (8) Mc 12,14 (voc. enk. didaskale . Leerlingen van Farizeeën en Herodianen met een vraag aan Jezus) . (9) Mc 12,19 (voc. enk. didaskale . Sadduceeën met een vraag aan Jezus) . (10) Mc 10,32 (voc. enk. didaskale . Schriftgeleerde tot Jezus) . (11) Mc 13,1 (voc. enk. didaskale . Begin van de rede tegen de Farizeeën . De leerlingen tot Jezus) . (12) Mc 14,14 (nom. enk. didaskalos . Voorbereiding van het paasmaal) .   .  

Een vorm van didaskalos (leermeester) in Mt  

(1) Mt 8,19 (voc. enk. didaskale . Een schriftgeleerde met een voornemen tot Jezus) . (2) Mt 9,11 (nom. enk. didaskalos . Farizeeën tot leerlingen met een vraag . (3) Mt 10,24 (acc. enk. didaskalon bij het voorzetsel huper . Zendingsrede van Jezus tot zijn leerlingen) . (4) Mt 10,25 (nom. enk. didaskalos . Zendingsrede van Jezus tot zijn leerlingen) . (5) Mt 12,38 (voc. enk. didaskale . Enkele schriftgeleerden en Farizeeën met een vraag om een teken aan Jezus) . (6) Mt 17,24 (acc. enk. didaskalon . Inners van tempelbelasting tot Petrus) . (7) Mt 19,16 (voc. enk. . Iemand met een vraag aan Jezus) . (8) Mt 22,16 (voc. enk. didaskale . Leerlingen van Farizeeën en Herodianen met een vraag aan Jezus) . (9) Mt 22,24 (voc. enk. didaskale . Sadduceeën met een vraag aan Jezus) . (10) Mt 22,36 (voc. enk. didaskale . Farizeeën met een vraag aan Jezus) . (11) Mt 23,8 (acc. enk. didaskalon . Rede tegen de Farizeeën) . (12) Mt 26,18 (nom. enk. didaskalos . Voorbereiding van het paasmaal) .  

a

- didaskô (leren) . didaskô (leren, onderrichten) . Taalgebruik in NT : didaskô (leren) . Taalgebruik in Mc : didaskô (leren) . Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven . Didactiek : leer van het onderrichten . Lat. docere (doctor) . Cfr docent , documentatie .

didaskô (leren, onderrichten) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. pr. 3de p. enk. didaskei 4 1 3           2 1    
ind. pr. 2de p.enk. didaskeis 6   6 1 1 1 1 1 1  
act. ind. imperf. 3de pers. enk. edidasken 15 1 14 2 6 2 2 1   1 10 12
conj. pr. 3de pers. enk. didaxèi 1   1 1             1 1
act. inf. praes. didaskein 15 2 13 1 4 1 1 4 2  
act. part. pr. nom. m. enk.didaskôn 32 9 23 4 4 7 3 3 2   15  18 
part. pr. nom mv. didaskontes 9 1 8 1 1     3 3  
part. pr. dat. enk. didaskonti   1   1 1            
ind aor. 3de p. enk. edidaxen 8 5 3     1 1   1  
ind. aor. 3de p. mv. edidaxan 3 2 1   1          
inf. aor. didaxai 10 7 3         2 1      
pass. aor. 3de pers. mv. edidachthèsan 2 1 1 1             1 1
pass. aor. 2de perrs. mv. edidachthète 3   3           3      
Andere vormen                        
totaal  109  29  80  12  17  12  14  15  4 49 

didaskô (leren, onderrichten) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. imperf. 3de pers. enk. edidasken 15 1 14 2 : (1) Mt 5,2 . (2) Mt 13,54 . 6 : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,2 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 10,1 . (6) Mc 11,17 . 2 : (1) Lc 4,15 . (2) Lc 5,3 . 2 : (1) Joh 7,14 . (2) Joh 8,2 . 1 : Hnd 18,25 .   1 : Apk 2,14 . 10 : (1) Lc 5,3 //Mc 4,2 . 12

--- infin. praes. didaskein (onderwijzen, leren) van het werkw. didaskô (leren, onderrichten) . Taalgebruik in NT : didaskô (leren) . Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven . Didactiek : leer van het onderrichten . Lat. docere (doctor) . Cfr docent , documentatie . Bijbel (15) . OT (2) . Ezr (1) . 2 Kr (1) . NT (13) . Mt (1) . Mc (4) . Lc (1) . Joh (1) . Hnd (4) . Brieven (2) . In één vers bij Matteüs : (1) Mt 11,1 . In Marcus in vier verzen telkens voorafgegaan door het werkwoord èrxato (hij begon) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 6,2 . (3) Mc 6,34 . (4) Mc 8,31 . In één vers bij Lucas : (1) Lc 6,6 (eiselthein ... kai dideskein = binnengaan en onderrichten) . (1) Joh 7,35 : poreuesthai kai didaskein = zich op weg begeven en onderrichten .
In vier verzen in Hnd :
(1) Hnd 1,1 (poiein te kai didaskein = doen evenals onderrichten) .
(2) Hnd 4,2 : dia to didaskein autous ton laon = omdat zij het volk onderrichtten in de tempel .
(3) Hnd 4,18 : mède didaskein epi tôi onomati tou Ièsou = noch te onderrichten in de naam van Jezus (een duidelijke Taalgebruik naar Hnd 4,2) . Het sanhedrin verbood Petrus en Johannes om te spreken met een beroep op de naam van Jezus .
(4) Hnd 5,28 : mè didaskein epi tôi onomati toutôi = noch te onderrichten in deze naam . In Hnd 5,28 herinnerde het sanhedrin Petrus en Johannes aan het verbod , waaraan zij zich niet hielden . Daarom waren de apostelen opnieuw gearresteerd en ondervraagd .

didaskein (onderwijzen, leren) . Taalgebruik : didaskô (onderrichten - onderwijzen) , zie Mc 1,45 . Infinitief praesens . In vijftien verzen in de bijbel . OT (2) . Ezr (1) . 2 Kr (1) . NT (13) . Mt (1) . Mc (4) . Lc (1) . Joh (1) . Hnd (4) . Brieven (2) . In twee verzen in het OT . In dertien verzen in het NT . In één vers bij Matteüs : (1) Mt 11,1 . In Marcus in vier verzen telkens voorafgegaan door het werkwoord èrxato (hij begon) : (2) Mc 4,1 . (3) Mc 6,2 . (4) Mc 6,34 . (5) Mc 8,31 . In één vers bij Lucas : (6) Lc 6,6 (eiselthein ... kai dideskein = binnengaan en onderrichten) . (7) Joh 7,35 : poreuesthai kai didaskein = zich op weg begeven en onderrichten . In vier verzen in Hnd :
(8) Hnd 1,1 (poiein te kai didaskein = doen evenals onderrichten) .
(9) Hnd 4,2 : dia to didaskein autous ton laon = omdat zij het volk onderrichtten in de tempel .
(10) Hnd 4,18 : mède didaskein epi tôi onomati tou Ièsou = noch te onderrichten in de naam van Jezus (een duidelijke Taalgebruik naar Hnd 4,2) . Het sanhedrin verbood Petrus en Johannes om te spreken met een beroep op de naam van Jezus .
(11) Hnd 5,28 : mè didaskein epi tôi onomati toutôi = noch te onderrichten in deze naam . In Hnd 5,28 herinnerde het sanhedrin Petrus en Johannes aan het verbod , waaraan zij zich niet hielden . Daarom waren de apostelen opnieuw gearresteerd en ondervraagd .
(12) 1 Tim 2,12 . (13) Heb 5,12 .

--- didaskôn (onderrichtend) . In drieëntwintig verzen in het NT . In vier verzen bij Matteüs : (1) Mt 4,23 . (2) Mt 7,29 . (3) Mt 9,35 . (4) Mt 26,55 .
--- didaskontes (onderrichtend) . Taalgebruik : didaskô (onderrichten - onderwijzen) , zie Mc 1,45 . Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven . Didactiek : leer van het onderrichten . Actief tegenwoordig deelwoord nominatief mannelijk en vrouwelijk meervoud . In negen verzen in de bijbel . OT (1) . NT (8) . Mt (2) . Mc (1) . Hnd (2) . Brieven (3) . In één vers in het OT : Js 29,13 . In acht verzen in het NT . Mt (2) . Mc (1) . Hnd (2) . Brieven (3) . In detail : (1) Mt 15,9 . (2) Mt 28,20 . (3) Mc 7,7 = Mt 15,9 . (4) Hnd 5,42 . (5) Hnd 15,35 . (6) Kol 1,28 . (7) Kol 3,16 . (8) Tit 1,11 .
--- edidasken (hij onderrichtte - hij onderwees). In vijftien verzen in de bijbel . In één vers in het OT . In veertien verzen in het NT . In twee verzen bij Matteüs : (1) Mt 5,2 . (2) Mt 13,54 . In zes verzen bij Marcus : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,2 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 10,1 . (6) Mc 11,17 .

- didachè (lering, onderrichting) . Taalgebruik in de bijbel : didachè (lering, onderrichting) . Taalgebruik in Mc : didachè (lering, onderrichting) . Taalgebruik in Lc : didachè (lering, onderrichting) .

didachè (lering, onderrichting)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat. vr. enk. didachè(i)  15    15   
gen. vr. enk.  didachès          
acc. vr. enk. didachèn               
totaal 29  28  12 

- didômi (geven) . didômi (geven) . Taalgebruik in de bijbel : didômi (geven) . Taalgebruik in Mc : didômi (geven) . Taalgebruik in Lc : didômi (geven) . Taalgebruik in Hnd : didômi (geven) . Taalgebruik in de Septuaginta : didômi (geven) . Hebr. nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenach : nâthan (geven) . Lat. dare / donare - donum : geven - gave , gift . Fr. donner - don : geven - gave . D. geben . E. to give .

  didômi (geven)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. praes. 1ste pers. enk. didômi                            
                               
  act. ind. imperf. 3de pers. enk. edidou  13  4 : (1)          
  act. ind. fut. 3de pers. enk. dôsei   124  108  18  2 : (1) Mc 12,9 . (2) Mc 13,24 .   10  14 
  act. ind. fut. 1ste pers. enk. dôsô                              
  act. imperat. aor. 2de pers. enk. dos   89  73  16  2 : (1) Mc 10,21 . (2) Mc 10,37 .     10  15     
  act. imperat. aor. 2de pers. mv. dote  50  36  14    10  10   
  act. inf. aor. dounai   156  123  33  4 : (1) Mc 10,40 . (2) Mc 10,45 . (3) Mc 12,14 . (4) Mc 14,11 .   21  22     
                               
                               
  totaal                            

act. ind. fut. 3de pers. enk. dôsei (hij zal geven) van het werkw. didômi (geven) . Taalgebruik in de bijbel : didômi (geven) . Taalgebruik in Mc : didômi (geven) . Hebr. nâthan (tha) . Lat. dare / donare - donum : geven - gave , gift . Fr. donner - don : geven - gave .
Lc (5) : (1) Lc 1,32 . (2) Lc 11,8 . (3) Lc 11,13 . (4) Lc 16,12 . (5) Lc 20,16 . Een vorm van didômi (geven) in Lc 1 in 3 verzen : (1) Lc 1,32 . (2)Lc 1,73 . (3) Lc 1,77 .

act. inf. aor. dounai (om te geven) van het werkw. didômi (geven) . Taalgebruik in de bijbel : didômi (geven) . Taalgebruik in Mc : didômi (geven) . Hebr. nâthan (tha) . Lat. dare / donare - donum : geven - gave , gift . Fr. donner - don : geven - gave .
Lc (9) : (1) Lc 1,73 . (2) Lc 1,77 . (3) Lc 2,24 . (4) Lc 11,7 . (5) Lc 12,32 . (6) Lc 12,51 . (7) Lc 17,18 . (8) Lc 20,22 . (9) Lc 22,5 .

8. edothè (werd gegeven) . Passief aorist derde persoon enkelvoud van het werkwoord didômi (geven) . Taalgebruik : didômi (geven) , zie Mt 28,18 . Het komt in achtenvijftig verzen in de bijbel voor . In dertig verzen in het OT : Da 7,14 . In achtentwintig verzen in het NT . In dit verband moet Ex 36,1 nader bekeken worden. In twee verzen bij Matteüs : (1) Mt 14,11 . (2) Mt 28,18 . In één vers bij Lucas . In twee verzen bij Johannes . In achttien verzen in Openbaring : (1) Apk 6,2 . (2) Apk 6,4 . (3) Apk 6,8 . (4) Apk 6,11 . (5) Apk 7,2 . (6) Apk 8,3 . (7) Apk 9,1 . (8) Apk 9,3 . (9) Apk 9,5 . (10) Apk 11,1 . (11) Apk 11,2 . (12) Apk 13,5 . (13) Apk 13,7 . (14) Apk 13,14 . (15) Apk 13,15 . (16) Apk 16,8 . (17) Apk 19,8 . (18) Apk 20,4 .
Mt 28,18 is geïnspireerd op Da 7,14 : kai edothè autôi exousia (En aan hem werd macht gegeven) kai panta ta ethnè tès gès (en alle volkeren van de aarde)...
--- dôsô (ik zal geven) . Actief futurum eerste persoon enkelvoud . In 209 verzen in de bijbel . In twintig verzen in Gn . In 188 verzen in het OT. In éénentwintig verzen in het NT .
--- edôken (hij gaf) . Actieg aorist derde persoon mannelijk enkelvoud . In 426 verzen in de bijbel .
--- dos = geef . Bijbel (89) . OT (73) . NT (16) . In drie verzen bij Lucas o.a. Lc 15,12 .
--- edothè (werd gegeven) . Passief aorist derde persoon enkelvoud .

Da 7,14 Mt 28,18 Apk 6,8 Apk 9,3 Apk 13,5 Apk 13,7
kai (en)   kai (en) kai (en) kai (en) kai (en)
edothè (werd gegeven) edothè (werd gegeven) edothè (werd gegeven) edothè (werd gegeven) edothè (werd gegeven) edothè (werd gegeven)
autôi (aan hem) moi (aan mij) autois (aan hen)   autois (aan hen)   autôi (aan hem) autôi (aan hem)
exousia (macht) pasa exousia (alle macht) exousia (macht)   exousia (macht)   exousia (macht) exousia (macht)
  en ouranôi (in de hemel)        
  kai (en) epi tès gès (op de aarde) epi to tetarton tès gès (op het vierde - deel - van de aarde)       epi pasan ... (over elke... ) 
  353. Verschijning aan de elf in Galilea : Mt 28,16-20         

- apodote (geef af - betaal belasting) . In zeven verzen in de bijbel . OT (2) . NT (5) :

- diègèsis (uiteenzetting, verhandeling, uitleg, verhaal) . diègèsis (uiteenzetting, verhandeling, uitleg, verhaal) . Taalgebruik in de bijbel : diègèsis (uiteenzetting, verhandeling, uitleg, verhaal) . Taalgebruik in Lc : diègèsis (uiteenzetting, verhandeling, uitleg, verhaal) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
                               

 

- dierchomai (doorheen gaan) . dierchomai (doorheen gaan) . Taalgebruik in de bijbel : dierchomai (doorheen gaan) . Taalgebruik in Lc : dierchomai (doorheen gaan) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  part. aor. nom. mann. enk. dielthôn         2            
                               
                               

- diermèneuô (uitleggen, vertalen) . diermèneuô (uitleggen, vertalen) . Taalgebruik in de bijbel : diermèneuô (uitleggen, vertalen) . Taalgebruik in Lc : diermèneuô (uitleggen, vertalen) . Taalgebruik in Hnd : diermèneuô (uitleggen, vertalen) .

- dikaios (rechtvaardig) . dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in de bijbel : dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in Lc : dikaios (rechtvaardig) .

  dikaios  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. mann. enk. dikaios                            
                               
  nom. mann. mv. dikaioi   43  33  10           
                               
                               

- dikaiosunè (rechtvaardigheid) . nom. vr. enk. of dat. vr. enk. dikaiosunè(i) van het zelfst. naamw. . W (4) : (1) W 1,15 . (2) W 9,3 . (3) W 14,7 . (4) W 15,3 .
-- acc. vr. enk. dikaiosunèn (rechtvaardigheid) van het zelfst. naamw. Bijbel (142) . OT (109) . NT (33) . W (3) : (1) W 1,1 . (2) W 5,18 . (3) W 8,7 .
- gen. vr. enk. dikaiosunès (rechtvaardigheid) van het zelfst. naamw. W (3) : (1) W 2,11 . (2) W 5,6 . (3) W 12,16 .

- diktuon (vissersnet) . diktuon (vissersnet) . Taalgebruik in de bijbel : diktuon (vissersnet) . Taalgebruik in Lc : diktuon (vissersnet) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. onz. mv. diktua   15                 
                               
                               

 

- diôgmos (vervolging) . diôgmos (vervolging) . Taalgebruik in NT : diôgmos (vervolging) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 

nom. mann. enk. diôgmos 

        1 : Hnd 8,1 . 1 : Rom 8,35 .        
gen. mann. enk. diôgmou  1 : Mt 13,21 . 1 : Mc 4,17 .           2 : Mt 13,21 // Mc 4,17 .    
acc. mann. enk. diôgmon          1 : Hnd 13,50 .            
gen. mann. mv. diôgmôn             1 : Mc 10,30 .            
dat. mann. mv.  diôgmois             3 : (1) 2 Kor 12,10 . (2) 2 Tes 1,4 . (3) 2 Tim 3,11 .        
acc. mann. mv. diôgmous               1 : 2 Tim 3,11 .        
  totaal 13  10         

Een vorm van diôgmos (verdrukking) komt slechts in twee (parallel)verzen in de evangelies voor : Mt 13,21 // Mc 4,17 (gen. mann. enk. diôgmou) . Een vorm : NT (10) . Hnd (3) . Br. (5) . Taalgebruik in NT : diôgmos (vervolging) .

- dioti (omdat) . dioti (omdat) . Taalgebruik in de bijbel : dioti (omdat) . Taalgebruik in Lc : dioti (omdat) .

  dioti  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
    332  310  22        15    11 

Een vorm van thlipsis (verdrukking) en diôgmos (vervolging) komt samen voor in 4 verzen in het NT : (1) Mt 13,21 . (2) Mc 4,17 . (3) Rom 8,35 . (4) 2 Tes 1,4 .

- dogma (bevel, decreet) . dogma (bevel, decreet) . Taalgebruik in de bijbel : dogma (bevel, decreet) . Taalgebruik in Lc : dogma (bevel, decreet) .

  dogma  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. onz. enk. dogma                    
                               
                               

Het komt in de bijbel slechts hier in Lc 2,1 voor . De nominatief meervoud dogmata (decreten, besluiten) vinden we in Hnd 16,4 ; hiermee zijn de besluiten van de apostelen bedoeld . Genitief meervoud in Hnd 17,7 : apenanti tôn dogmatôn Kaisaros : tegen de besluiten van de keizer .
In Da 2,13 wordt edogmatisthè (er werd gedecreteerd) in de vulgaat vertaald door egressa sententia (de zin / bedoeling werd uitgevaardigd) . Sententia komt in het OT in zeventien verzen voor , in het NT in één vers . Decretum in zestien verzen in de bijbel , enkel in het OT . Het Latijnse edictum komt in tien verzen in de bijbel voor ; in acht verzen in het OT , in twee verzen in het NT . In Lc 2,1 en Heb 11,23 (to diatagma tou basileôs = regis edictum : de uitvaardiging van de koning) . De genitief enkelvoud diatagmatos komt in twee verzen in het OT voor .

- dokeô (menen, schijnen) . dokeô (menen, schijnen) . Taalgebruik in de bijbel : dokeô (menen, schijnen) . Taalgebruik in Lc : dokeô (menen, schijnen) .

  dokeô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. praes. 2de pers. mv. dokeite   10    10       
                               

 

- doxa (heerlijkheid) . doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in de bijbel : doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in de LXX : doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in Mc : doxa (heerlijkheid) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  gen. vr. enk. doxès   150  103  47  1 : Mc 13,26 . 37  30 
  dat. vr. enk. doxè(i)   60  37  23  2 : (1) Mc 8,38 . (2) Mc 10,37 .   13    10  12  1  
                               
                               
                               

 

- doulos (dienaar) . doulos (dienaar) . Taalgebruik in de bijbel : doulos (dienaar) . doulos (dienaar) . Taalgebruik in de Septuaginta : doulos (dienaar) . Taalgebruik in Mc : doulos (dienaar) .

  doulos (dienaar) bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk syn. ev. P. A. b.
1 nom. enk.doulos 110 76 34 8 1 6 5   13 1 15 20  10  3
2 voc. amnn. enk. doule                 
3 gen. enk. doulou 55 49 6 2   1     2 1 3  
4 dat. enk. doulôi 37 31 6 1   3 1     1 4    
5 acc. enk. doulon 60 43 17 2 3 9 1   2   14 15   
6 nom. mv. douloi 68 46 22 3   2 2 1 12 2 5 10  2
7 gen. mann. mv. doulôn   47  42             
8 acc.  mv. doulous 47 28 19 7   3 1 1 3 4 10 11   
  Totaal   430 315 115 29 4 26 11 2 32 11 59 70  27  5

 

  doulos (dienaar) Br.  Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  P.  A.b 
1 nom. enk.doulos 13                                              
2 voc. amnn. enk. doule                                                 
3 gen. enk. doulou 2                                              
4 dat. enk. doulôi                                                
5 acc. enk. doulon 2                                              
6 nom. mv. douloi 12                                              
7 gen. mann. mv. doulôn                                                  
8 acc.  mv. doulous 3                                              
  Totaal   32                                              

- nom. + dat. vr. enk. doulè(i) (dienares) . Zie : doulos (dienaar) . Taalgebruik in de bijbel : doulos (dienaar) . doulos (dienaar) . Taalgebruik in de Septuaginta : doulos (dienaar) . Bijbel (22) . OT (21) . NT (1) . Hebr. `èbhèd (dienaar, knecht) . Taalgebruik in Tenakh : `èbhèd (dienaar) . Getalwaarde : ayin = 16 of 70 , beth = 2 , daleth = 4 . Totaal : 22 (2 X 11) of 76 (4 X 19) . Structuur : 7 - 2 - 4 .
- gen. vr. enk. doulès van het zelfst. naamw. doulè (dienares) . Arabisch : `abd (slaaf) . Taalgebruik in de Koran : `abd (slaaf) . Bijbel (11) : (1) 1 S 1,11 . (2) 1 S 25,24 . (3) 1 S 25,28 . (4) 1 S 25,31 . (5) 1 S 28,22 . (6) 2 S 14,15 . (7) 2 S 14,19 . (8) 2 S 20,17 . (9) Rt 2,13 . (10) Jdt 11,5 . (11) Lc 1,48 .

- doulos Ièsou komt slechts voor in Rom 1,1 . doulos Christou komt slechts voor in Kol 4,12 .

- doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik : doxa (heerlijkheid) . Hebr. khabhôd (heerlijkheid) . In Hebreeuws betekent het zwaarte (b.v. van zijn mantel) . In het Grieks getransponeerd naar iets lichts , heerlijks : doxa . Lat. gloria . Fr. gloire . Ned. heerlijkheid .

doxa (heerlijkheid) (enk.) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. vr. enk. doxa  134  101  33        23  4 19 
gen. vr. enk. doxès   150  103  47  37  30 
dat. vr. enk. doxè(i)  60  37  23    13    10  12 
acc. vr. enk.   187  134  4   12  23  10  18  19 
totaal 531  375  156  13  16  96  17  23  39  80  16 

 

doxa (heerlijkheid) (enk.) bijbel OT NT Hnd Apk syn.  ev.  Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Heb Jak 1 Pe 2 Pe Jud  P.  A. b. 
nom. vr. enk. doxa  134  101  33    4 23          19 
gen. vr. enk. doxès   150  103  47  37      30 
dat. vr. enk. doxè(i)  60  37  23      10  13                      12 
acc. vr. enk.  doxan 187  134  4 10  18  23                    19 
totaal 531  375  156  17  23  39  96  16  19  80  16 

- doxa (heerlijkheid) . In vier verzen bij Lucas : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 2,14 . (3) Lc 14,10 . (4) Lc 19,38 .
Hebreeuws kabhôd, in 82 verzen. In Hebreeuws betekent het zwaarte (b.v. van zijn mantel) . In het Grieks getransponeerd naar iets lichts , heerlijks .

- doxan theou (heerlijkheid van God) (4) : (1) Hnd 7,55 . (2) Rom 15,7 . (3) 1 Kor 10,31 . (4) Fil 2,11 . doxan tou theou (heerlijkheid van God) (4) : (1) Joh 11,40 . (2) Joh 12,43 . (3) 2 Kor 4,15 . (4) Apk 22,11 .

- eis doxan (tot heerlijkheid) . NT (11) : (1) Lc 24,26 . (2) Rom 3,7 . (3) Rom 9,23 . (4) Rom 15,7 . (5) 1 Kor 2,7 . (6) 1 Kor 10,31 . (7) 2 Kor 3,18 . (8) 2 Kor 4,15 . (9) Fil 1,11 . (10) Fil 2,11 . (11) Heb 2,10 .

- eis doxan (tou) theou (tot heerlijkheid van God) . NT (4) : (1) Rom 15,7 . (2) 1 Kor 10,31 . (3) 2 Kor 4,15 (tou theou = van God) . (4) Fil 2,11 .

7. - 8. doxa kuriou (de heerlijkheid van de Heer) . In het NT slechts in dit vers . Hebr. këbhôd JHWH (heerlijkheid van JHWH)
of 6. - 8. kai doxa kuriou (en de heerlijkheid van de Heer) . Hebr. ûkhëbhôd JHWH (en de heerlijkheid van JHWH) .

kabhôd (heerlijkheid)  Tenach Ex   Lv   Nu   Joz   1 S  1 K  1 Kr  2 Kr  Est  Ps  Spr  Pr  Js  Jr  Ez  Da  Hos  Mi  Hab  Hag  Zach  Mal 
kabhôd (heerlijkheid)   82  2 17   14  10   
ûkhëbhôd (en de heerlijkheid)   26                           
khebhôdô (zijn heerlijkheid)   13                                   
ûkhëbhôdô (en zijn heerlijkheid)                                           
këbhôd JHWH (heerlijkheid van JHWH)  17                               
ûkhëbhôd JHWH (en de heerlijkheid van JHWH)                                   

doxazô (verheerlijken) . doxazô (verheerlijhen, loven) . Taalgebruik in de bijbel : doxazô (verheerlijken) . Taalgebruik in Lc : doxazô (verheerlijken) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
                               
  pass. part. praes. nom. mann. enk. doxazomenos                    
                               
                               


--- doxazôn (verheerlijkend) . Tegenwoordig deelwoord nominatief mannelijk enkelvoud . In zeven verzen in de bijbel . In drie verzen in het OT . In vier verzen in het NT . : (1) Lc 5,25 . (2) Lc 17,15 . (3) Lc 18,43 . (4) Joh
--- doxazontes (verheerlijkend) . Tegenwoordig deelwoord nominatief mannelijk en vrouwelijk meervoud .
--- doxason (verheerlijk) . Actief imperatief praesens tweede persoon enkelvoud . In negen verzen in de bijbel . In zes verzen in het OT . In drie verzen in het NT , nl. bij Johannes .
--- edoxazen (hij verheerlijkte) . In twee verzen in de bijbel : (1) Lc 13,13 . (2) Lc 23,47 .
--- edoxazon (zij verheerlijkten) . In zes verzen in de bijbel , enkel in het NT : (1) Lc 5,26 . (2) Lc 7,16 . (3) Hnd 4,21 . (4) Hnd 13,48 . (5) Hnd 21,20 . (6) Gal 1,24 . (1) Lc 5,25 . (2) Lc 5,26 . (3) Lc 7,16  Lc 13,13  Lc 17,15 Lc 18,43 Lc 23,47

(1) Lc 5,25 . (2) Lc 5,26 . (3) Lc 7,16  Lc 13,13  Lc 17,15 Lc 18,43 Lc 23,47

In zes van de zeven gevallen verheerlijkt de genezene God . In het zevende geval verheerlijkt de honderdman God bij het zien van de wijze waarop Jezus is gestorven .

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.      
Lc 5,25 Lc 5,26  Lc 7,16   Lc 13,13   Lc 17,15 Lc 18,43  Lc 23,47      
  kai ekstasis elaben hapantes (en ontzetting benam allen)   elaben de fobos pantas (vrees echter benam allen)              
doxazôn ton theon (God verheerlijkend) kai edoxazon ton theon (en zij verheerlijkten God)  kai edoxazon ton theon (en zij verheerlijkten God) kai edoxazon ton theon (en zij verheerlijkten God) doxazôn ton theon (God verheerlijkend)  doxazôn ton theon (God verheerlijkend)   edoxazen ton theon (hij verheerlijkte God)      
67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 - 110. De zoon van de weduwe van Naïn : Lc 7,11-17 - 223. Genezing van een kromgebogen vrouw op sabbat : Lc 13,10-17 - 253. Genezing van de tien melaatsen : Lc 17,11-19 - 276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc 10,46-52 - Lc 18,35-43 - 347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48      

doxaô (verheerlijken) . Verwijzing : doxazô (verheerlijken) , zie Lc 5,26 ; doxa (heerlijkheid) , zie Lc 2,9 .
--- doxazô ton theon : God verheerlijken . In zes van de zeven gevallen verheerlijkt de genezene God . In het zevende geval verheerlijkt de honderdman God bij het zien van de wijze waarop Jezus is gestorven .

edoxazon (zij verheerlijkten) . In zes verzen in de bijbel , enkel in het NT : (1) Lc 5,26 . (2) Lc 7,16 . (3) Hnd 4,21 . (4) Hnd 13,48 . (5) Hnd 21,20 . (6) Gal 1,24 .

- dunamis (macht, kracht) . dunamis (macht, kracht) . Taalgebruik in de bijbel : dunamis (macht, kracht) . Taalgebruik in Mc : dunamis (macht, kracht) . Taalgebruik in Lc : dunamis (macht, kracht) . Taalgebruik in Hnd : dunamis (macht, kracht) . Hebr. chaîl (kracht, sterkte) . Taalgebruik in Tenach : chaîl (kracht, sterkte) . Lat. vir-tus . Fr. puissance + E. power < Lat. potentia (mogelijkheid) zie Lat. posse (kunnen) . Ned. kracht . D. Kraft .

dunamis bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk 
nom. vr. enk. dunamis 88 59 11 0 0 3 : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 6,19 . 0 1 : Hnd 8,10 . 5 2
voc.                    
gen.  170 104 19 1 2 : (1) Mc 13,26 . (2) Mc 14,62 . 2 : (1) Lc 21,27 . (2) Lc 22,69 . 0 1 : Hnd 6,8 . 11 2
dat.  126 83 25 0 1 3 : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,36 . 0 4 : (1) Hnd 3,12 . (2) Hnd 4,7 . (3) Hnd 4,33 . (4) Hnd 10,38 . 16 1
acc.  128 70 32 2 4 4 : (1) Lc 8,46 . (2) Lc 9,1 . (3) Lc 10,19 . (4) Lc 24,49 . 0 1 : Hnd 1,8 . 15 6
Totaal       87 3 7 12 0 7 47 11

Een vorm van dunamis (macht, kracht) in Mc in 7 verzen :


-- dunamin . Accusatief enkelvoud . In zes verzen in Apk : (1) Apk 3,8 . (2) Apk 4,11 . (3) Apk 5,12 . (4) Apk 11,17 . (5) Apk 13,2 . (6) Apk 17,13 .

 

Lc 1,35 a Lc 1,35 b Hnd 1,8 Lc 24,49 Lc 1,17 Lc 3,22 Lc 4,14a Lc 4,18
   kai (en) kai lèmpsethe (en gij zult ontvangen) heôs hou endusèsthe (totdat jullie   kai (en) katabènai (neerdalen)     
pneuma hagion (heilige geest) dunamis hupsistou (de kracht van de Allerhoogste)  dunamin (kracht) eks hupsous dunamin (vanuit de hoge kracht) en pneumati kai dunamei èliou (in de geest en de kracht van Elia)   to pneuma to hagion (de heilige geest) ... en tèi dunamei tou pneutos (in de kracht van de geest) pneuma kuriou (de geest van de Heer)
epeleusetai (zal komen) epi se (over u) episkiasei (zal overschaduwen)   soi (u)   epelthontos tou hagiou pneumatos (van de komende heilige geest) ef'humas (over u)     ep'auton (over hem)     ep'eme (op mij) 
3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38  Hnd 1,1-14 : Jezus'laatste opdracht en hemelvaart 355. Verschijning aan de leerlingen in Jeruzalem : Lc 24,36-49 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25   18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 22. Prediking te Nazaret en verwerping : Lc 4,16-30 - Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58

- dunatos (mogelijk, krachtig) . dunatos (mogelijk, krachtig) . Taalgebruik in de bijbel : dunatos (mogelijk, krachtig) . Taalgebruik in Mc : dunatos (mogelijk, krachtig) .

  dunatos  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  nom. + acc. onz. mv. dunata   3 : (1) Mc 9,23 . (2) Mc 10,27 . (3) Mc 14,36 .        
                               
                               

- dunô = duô (onderdompelen, ondergaan) . dunô = duô (onderdompelen, ondergaan) . Taalgebruik in de bijbel : dunô = duô (onderdompelen, ondergaan) .

  dunô = duô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. part. praes. gen. mann. enk. dunontos                 
                               
                               

 

- duskolôs (ontevreden, moeilijk) . duskolös (ontevreden, moeilijk) . Taalgebruik in de bijbel : duskolôs (ontevreden, moeilijk) . Taalgebruik in Mc : duskolôs (ontevreden, moeilijk) . Bijwoord .

duskolös  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
               

- duskolos (ontevreden, moeilijk) . duskolos (ontevreden, moeilijk) . Taalgebruik in de bijbel : duskolos (ontevreden, moeilijk) . Taalgebruik in Mc : duskolos (ontevreden, moeilijk) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. onz. + acc. mann. + onz. enk. duskolon     1 : Mc 10,24 .