NIEUWE TESTAMENT : TAALGEBRUIK : D

Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

- daimonion (demon) -- dia (door) -- de (echter) -- didaskô (leren) -- didômi (geven) -- doulos (dienaar) -- doxa (heerlijkheid) -


 
1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm .
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts (Vlaams Blok) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen -

Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , bijbelTaalgebruiken - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

-
OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


OPGELET : De getallen verwijzen steeds naar het aantal verzen waarin een 'woord' voorkomt . Eenzelfde 'woord' kan echter meerdere malen in hetzelfde vers voorkomen .

  NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
boeknr.  27 40 41 42 43 44 45 - 65 66    
hoofdst.  260 28 16 24 21 28 121 22 68  89 
verzen  7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
      8,52 %              

  NT Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul. Ap. br.
boeknr.  27 (aantal)   45  46  47  48  49  50  51  52  53  54  55  56  57  58  59  60  61  62  63  64  65     
hoofdst.  260 121 16  16  13  13  100 21
verzen  7957 2767 433  437  257  149  155  104  95  89  47  113  83  46  25  303  108  105  61  105  13  14  25  2336  431 


-- daimonion (demon) -- D -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- δαιμονιον = daimonion (demon)

- daimonion (demon) . δαιμονιον = daimonion (demon) . Taalgebruik in het NT : daimonion (demon) . Taalgebruik in de LXX : daimonion (demon) .Taalgebruik in Mc : daimonion (demon) . Taalgebruik in Lc : daimonion (demon) .

  daimonion (demon) Mt  Mc  Lc  syn. ev. bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk syn. ev.
1 nom. + acc. enk.daimonion 2 : (1) Mt 11,18 . (2) Mt 17,18 . 3 : (1) Mc 7,26 . (2) Mc 7,29 . (3) Mc 7,30 . 4 : (1) Lc 4,35 . (2) Lc 7,33 . (3) Lc 9,42 . (4) Lc 11,14 . 9 : (1) Mt 11,18 // Lc 7,33 . 15 21 6 15 2 3 4 6       9 15
2 gen. enk. daimoniou 1 : Mt 9,33 .   3 : (1) Lc 4,33 . (2) Lc 8,29 . (3) Lc 11,14 . 4 4 6 2 4 1   3         4 4
3 nom. + acc. mv. daimonia

6 : (1) Mt 7,22 . (2)Mt 9,34 . (3) Mt 10,8 . (4) Mt 12,24 . (5) Mt 12,27 . (6) Mt 12,28 .

8 : (1) Mc 1,34 . (2) Mc 1,39. (3) Mc 3,15 . (4) Mc 3,22 . (5) Mc 6,13 . (6) Mc 9,38 . (7) Mc 16,9 . (8) Mc 16,17 . 15 : (1) Lc 4,41 . (2) Lc 8,2 . (3) Lc 8,27 . (4) Lc 8,30 . (5) Lc 8,33 . (6) Lc 8,35 . (7) Lc 8,38 . (8) Lc 9,1 . (9) Lc 9,49. (10) Lc 10,17 . (11) Lc 11,15 . (12) Lc 11,18 . (13) Lc 11,19 . (14) Lc 11,20 . (15) Lc 13,32 . 29 : (1) Mc 1,34 // Lc 4,41 . (2) Mc 9,38 // Lc 9,49 . (3) Mt 12,24 // Mc 3,22 // Lc 11,15 . (4) Mt 12,27 // Lc 11,19 . (5) Mt 12,28 // Lc 11,20 . 29 34 3 31 6 8 15     1 1 29 29
4 gen. mv. daimoniôn 2 : (1) Mt 9,34 . (2) Mt 12,24 . 1 : Mc 3,22 . 1 : Lc 11,15 . 4 : (1) Mt 12,24 // Lc 11,15 . 4 11 1 10 2 1 1   1 3 2 4 4
5 dat. mv. daimoniois           5 4 1           1      
  Totaal   11 12 23 46 52 77 16 61 11 12 23 6 1 5 3 46 52

Lc (21 verzen , 23 X) : (1) Lc 4,33 . (2) Lc 4,35 . (3) Lc 4,41 . (4) Lc 7,33 . (5) Lc 8,2 . (6) Lc 8,27 . (7) Lc 8,29 . (8) Lc 8,30 . (9) Lc 8,33 . (10) Lc 8,35 . (11) Lc 8,38 . (12) Lc 9,1 . (13) Lc 9,42 . (14) Lc 9,49. (15) Lc 10,17 . (16) Lc 11,14 (2 vormen) . (17) Lc 11,15 (2 vormen) . (18) Lc 11,18 . (19) Lc 11,19 . (20) Lc 11,20 . (21) Lc 13,32 .

 

Een vorm van daimonion (demon) in Lc   (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . (12) . (13) . (14) . (15) . (16) . (17) . (18) . (19) . (20) . (21) . (22) . (23) . (24) . (25) . (26) . (27) . (28) . (29) . (30) . (31) .    

- δαιμονιζομαι = daimonizomai (bezeten zijn)

- daimonizomai (bezeten zijn) . δαιμονιζομαι = daimonizomai (bezeten zijn) . Taalgebruik in het NT : daimonizomai (bezeten zijn) . Taalgebruik in de LXX : daimonizomai (bezeten zijn) .

- Mt 9,28 (daimonizomenoi = demon wordende) // Mc 5,2 (en pneumati akathartôi = met een onzuivere geest) // Lc 8,27 (echôn daimonia = hebbende demonen) .
- Mt 12,22 (daimonizomenos = een demon wordende) // Lc 11,14 (daimon = een demon) .
- Mc 1,23 (en pneumati akathartôi = met een onzuivere geest) // Lc 4,33 (echôn pneuma daimoniou akathartou = hebbende een geest van een onzuivere demon) .
- Mc 1,26 (to pneuma to akatharton = de onzuivere geest) // Lc 4,35 (to daimonion = de demon) .
- Mc 5,13 (ta pneumata ta akatharta = de onzuivere geesten) // Lc 8,33 (ta daimonia = de demonen) .
- Mc 5,15 (ton daimonizomenon = de demon wordende) // Lc 8,35 (ta daimonia = de demonen) .
- Mc 5,18 (ho daimonistheis = de gedemoniseerde) // Lc 8,38 (ta daimonia = de demonen) .
- Mc 9,20 (to pneuma = de geest) // Lc 9,42 (to daimonion = de demon) .
- Mt 10,1 (exousian pneumatôn akathartôn = macht over onzuivere geesten) // Mc 3,15 (ta daimonia = de demonen) // Mc 6,7 (exousian tôn pneumatôn tôn akathartôn = macht over de onzuivere geesten) // Lc (exousian epi panta ta daimonia = macht over alle demonen) .

daimonizomenos (een demon wordende) bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk syn. ev.
nom. + acc. enk.daimonizomenos 1   1 1 : Mt 12,22 .             1 1
gen. enk. daimonizomenou 1   1       1 : Joh 10,21 .         1
dat. enk. daimonizomenôi      1 : Mc 5,16 .            
acc. enk. daimonizomenon 3   2 2 : (1) Mt 9,32 . (2) Mt 12,22 . 1 : Mc 5,15 .           2 2
nom. + acc. mv. daimonizomenoi 1   1 1 : Mc 8,28 .             1 1
gen. mv. daimonizomenôn 1   1 1 : Mc 8,33 .             1 1
acc.  mv. daimonizomenous 3   3 2 : (1) Mt 4,24 . (2) Mt 8,16 . 1 : Mc 1,32 .           3 3
pass. part. aor. nom. mann. enk. daimonistheis 2       1 : Mc 5,18 . 1 : Lc 8,36 .            
Totaal   13   13 7 4 1 1       9 10

- nom. mann. mv. δαιμονιζομενοι = daimonizomenoi (een demon wordende) van het werkw. δαιμονιζομαι = daimonizomai (bezeten zijn) . Taalgebruik in het NT : daimonizomai (bezeten zijn) . Taalgebruik in de LXX : daimonizomai (bezeten zijn) . Bijbel (1) : Mc 8,28 . Een vorm van het werkw. δαιμονιζομαι = daimonizomai (bezeten zijn) in de LXX (0) , in het NT (13) .

- acc. mann. enk. δαιμονιζομενον = daimonizomenon (een demon wordende) van het werkw. δαιμονιζομαι = daimonizomai (bezeten zijn) . Taalgebruik in het NT : daimonizomai (bezeten zijn) . Taalgebruik in de LXX : daimonizomai (bezeten zijn) . Bijbel (2) : (1) Mt 9,32 . (2) Mc 5,15 . Een vorm van het werkw. δαιμονιζομαι = daimonizomai (bezeten zijn) in de LXX (0) , in het NT (13) .


- Damaskos (Damascus) .

Damaskos (Damascus) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.   Apk   
nom. enk. Damaskos 6 6                  
gen. enk. Damaskou 23 23                  
dat. enk. Damaskôi 15 7 8         7 1    
acc. enk. Damaskon 18  11             
Totaal   62  47  15          13     

- δαμαζω = damazô (temmen, bedwingen, overweldigen)

- damaz˘ (temmen, bedwingen, overweldigen) . δαμαζω = damazô (temmen, bedwingen, overweldigen) . Taalgebruik in het NT : damaz˘ (temmen, bedwingen, overweldigen) . Taalgebruik in de LXX : damazô (temmen, bedwingen, overweldigen) .

- act. inf. aor. δαμασαι = damasai (om te bedwingen) van het werkw. δαμαζω = damazô (temmen, bedwingen, overweldigen) . Taalgebruik in het NT : damazô (temmen, bedwingen, overweldigen) . Taalgebruik in de LXX : damazô (temmen, bedwingen, overweldigen) . Bijbel (2) : (1) Mc 5,4 . (2) Jak 3,8 .


- dapanaô (onkosten maken, verkwisten) . dapanaô (onkosten maken, verkwisten) . Taalgebruik in de bijbel : dapanaô (onkosten maken, verkwisten) . Taalgebruik in Lc : dapanaô (onkosten maken, verkwisten) .

  dapanaô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. part. aor. gen. mann. enk. dapanèsantos                              
                               

 

- dauid (David) . dauid (David) . Taalgebruik in het NT : dauid (David) . Taalgebruik in de LXX : dauid (David) . Taalgebruik in Mc : dauid (David) .

dauid (David)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  
  957 903 54 15 7 12 1 10 6 3  

dauid (David) in Lc (12) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 1,69 . (4) Lc 2,4 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 3,31 . (7) Lc 6,3 . (8) Lc 18,38 . (9) Lc 18,39 . (10) Lc 20,41 . (11) Lc 20,42 . (12) Lc 20,44 .
dauid (David) in Mt : (1) Mt 1,1 . (2) Mt 1,6 . (3) Mt 1,17 . (4) Mt 1,20 . (5) Mt 9,27 . (6) Mt 12,3 . (7) Mt 12,23 . (8) Mt 15,22 . (9) Mt 20,30 . (10) Mt 20,31 . (11) Mt 21,9 . (12) Mt 21,15 . (13) Mt 22,42 . (14) Mt 22,43 . (15) Mt 22,45 .
In Mt komt David voor in verband met de genealogie en de afkomst van Jezus (Mt 1) en in verband met Jeruzalem (Mt 20 - Mt 22) . Er resten dan nog vier verzen .
Zoon van David in tien verzen in Mt : (1) Mt 1,1 . (2) Mt 1,20 (Jozef , zoon van David) . (3) Mt 9,27 . (4) Mt 12,23 . (5) Mt 15,22 . (6) Mt 20,30 . (7) Mt 20,31 . (8) Mt 21,9 . (9) Mt 21,15 . (10) Mt 22,42 .

- de (echter) . δε = de (echter) , afkorting δ' = d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in de LXX : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
In vijf verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,30 . (4) Mc 1,32 . (5) Mc 1,45 . In Mc 1,8 duidt het de tegenstelling aan tussen Johannes en Jezus . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 4,29 . (4) Mc 4,34 .

de (echter)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
de  6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7 1048  1251 
d'  73 50  23  12      19  20 
Totaal 6283 3804 2479 433 151 483 204 490 711 7 1067 1271

partikel de (echter) Mt 1 Mt 2 Mt 3 Mt 4 Mt 5 Mt 6 Mt 7 Mt 8 Mt 9 Mt 10 Mt 11 Mt 12 Mt 13 Mt 14 Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22 Mt 23 Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28
421 21 11 9 5 12 13 3 16 16 13 5 17 25 19 19 14 11 9 15 13 22 17 13 15 21 31 27 9
12         3         2   1       1   1     1   2       1  
433 21 11 9 5 15 13 3 16 16 15 5 18 25 19 19 15 11 10 15 13 23 17 15 15 21 31 28 9

Bijbel (6210) . OT (3754) NT (2456) . Mt (421) . Mc (149) . Lc (478) . Joh (203) . Hnd (490) . Brieven (708) . Apk (7) . In 421 verzen bij Mt . Mt 1 (21) . Mt 2 (11) .
In zes verzen in Mt 2,1-12 : (1) Mt 2,1 . (2) Mt 2,3 . (3) Mt 2,5 . (4) Mt 2,8 . (5) Mt 2,9 . (6) Mt 2,10 . In vijf verzen in Mt 2,13-23 : (1) Mt 2,13 . (2) Mt 2,14 . (3) Mt 2,19 . (4) Mt 2,21 . (5) Mt 2,22 .
In vijf verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,4 . (2) Mt 4,12 . (3) Mt 4,18 . (4) Mt 4,20 . (5) Mt 4,22 . Mt 14 (19) : (1) Mt 14,6 . (2) Mt 14,8 . (3) Mt 14,13 . (4) Mt 14,15 . (5) Mt 14,16 . (6) Mt 14,17 . (7) Mt 14,18 . (8) Mt 14,19 . (9) Mt 14,21 . (10) Mt 14,23 . (11) Mt 14,24 . (12) Mt 14,25 . (13) Mt 14,26 . (14) Mt 14,27 . (15) Mt 14,28 . (16) Mt 14,29 . (17) Mt 14,30 . (18) Mt 14,31 . (19) Mt 14,33 .
In veertien verzen in Mt 16 : (1) Mt 16,2 . (2) Mt 16,3 . (3) Mt 16,6 . (4) Mt 16,7 . (5) Mt 16,8 . (6) Mt 16,11 . (7) Mt 16,13 . (8) Mt 16,14 . (9) Mt 16,15 . (10) Mt 16,16 . (11) Mt 16,17 . (12) Mt 16,18 . (13) Mt 16,23 . (14) Mt 16,26 .
- ho de (hij echter) . Taalgebruik : de (echter) , zie Mt 1,2 . In 353 verzen in het NT .

de (echter)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
149 + 2 (d') 6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7 10  23  13  23  20 

 

de (echter)   Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
de (478) 17  11  13  18  15  23  37  36  21  22  26  13  16  15  11  26  16  22  14  35  34  20 
d' (5)                                        
483 17  11  13  18  15  23  37  37  23  22  26  13  16  15  12  26  16  23  14  35  34  20 
1151 verzen  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
  80  52  38  44  39  49  50  56  62  42  54  59  35  35  32  31  37  43  48  47  38  71  56  53 

In Lc 1 komt het zeventienmaal voor . In negen verzen in Lc 2 . In Lc 2,1 is het voor de achttiende keer . In Lc 2,1-20 komt het vijfmaal voor : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 2,6 . (4) Lc 2,17 . (5) Lc 2,19 . Het staat als tweede woord in de zin , aan het begin van vijf verzen .
In eenenveertig verzen in Lc 22 . In twintig verzen in Lc 24 . In zes verzen in Lc 23,56b-24,12 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,5 . (5) Lc 24,10 . (6) Lc 24,12 . In Lc 24,50-53 komt slechts éénmaal het partikel de (echter) voor .

  Lc 2,1 Lc 2,2 Lc 2,3 Lc 2,4 Lc 2,5 Lc 2,6 Lc 2,7 Lc 2,8 Lc 2,9 Lc 2,10 Lc 2,11 Lc 2,12 Lc 2,13 Lc 2,14 Lc 2,15 Lc 2,16 Lc 2,17 Lc 2,18 Lc 2,19 Lc 2,20
de (echter) (5) 1.      2.    3.                      4.    5.    
kai (en) (11)     1.        2.   3.  4.  5.    6.  7.    8.  9.    10.    11. 

 

de (echter) Hnd 1 Hnd 2 Hnd 3 Hnd 4 Hnd 5 Hnd 6 Hnd 7 Hnd 8 Hnd 9 Hnd 10 Hnd 11 Hnd 12 Hnd 13 Hnd 14
  14  13  12  24  23  26  30 17  19  22  23  11 

de (echter) Hnd 15 Hnd 16 Hnd 17 Hnd 18 Hnd 19 Hnd 20 Hnd 21 Hnd 22 Hnd 23 Hnd 24 Hnd 25 Hnd 26 Hnd 27  Hnd 28
  15  23  16  16  25  18  25  17  20  11  13  26  16 

Hnd 4 (12) : (1) Hnd 4,1 . (2) Hnd 4,4 . (3) Hnd 4,5 . (4) Hnd 4,13 . (5) Hnd 4,15 . (6) Hnd 4,19 . (7) Hnd 4,21 . (8) Hnd 4,23 . (9) Hnd 4,24 . (10) Hnd 4,32 . (11) Hnd 4,35 . (12) Hnd 4,36 . - 1 Tes (15) : (1) 1 Tes 2,16 . (2) 1 Tes 2,17 . (3) 1 Tes 3,6 . (4) 1 Tes 3,11 . (5) 1 Tes 3,12 . (6) 1 Tes 4,9 . (7) 1 Tes 4,10 . (8) 1 Tes 4,13 . (9) 1 Tes 5,1 . (10) 1 Tes 5,4 . (11) 1 Tes 5,8 . (12) 1 Tes 5,12 . (13) 1 Tes 5,14 . (14) 1 Tes 5,21 . (15) 1 Tes 5,23 .


- dechomai (ontvangen) . δεχομαι = dechomai (ontvangen, aanvaarden) . Taalgebruik in het NT : dechomai (ontvangen) . Taalgebruik in de LXX : dechomai (ontvangen) . Taalgebruik in Mc : dechomai (ontvangen) .

  dechomai (ontvangen)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  ind. praes. 3de pers. enk. dechetai            
  conj. praes. 3de pers. enk. dechètai                    
  conj. aor. 3de pers. enk. dexètai              
                               
  totaal                            

- δεκτος = dektos (ontvankelijk, aanvaardbaar) . Zie het werkw. δεχομαι = dechomai (ontvangen, aanvaarden) . Taalgebruik in het NT : dechomai (ontvangen) . Taalgebruik in de LXX : dechomai (ontvangen) . Een vorm van δεκτος = dektos in de LXX (34) , in het NT (5) .
- ενδεκτος = endektos (aanvaardbaar, aannemelijk) < en - dektos . Een vorm van ενδεκτος = endektos in de LXX (0) , in het NT (0) .
- ενδεχομαι = endechomai (aanvaarden, aannemen, ontvangen) . Een vorm van ενδεχομαι = endechomai in de LXX (2) : (1) Da 2,11 . (2) 2 Mac 11,18 , in het NT (1) .
- Bijwoord ενδεχομενως = endechomenôs (aannemelijk, aanvaardbaar) . Een vorm van ενδεχομενως = endechomenôs in de LXX (1) : 2 Mac 13,26 , in het NT (0) .
- acc. onz. enk. ανενδεκτον = anendektos (onaannemelijk, onontvankelijk) van het bijvoegl. naamw. ανενδεκτος = anendektos < an - en - dektos .


- deŔsis (gebed, vraag) . deèsis (gebed, vraag) . Taalgebruik in de bijbel : deèsis (gebed, vraag) . Taalgebruik in Lc : deèsis (gebed, vraag) .

  deèsis  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. vr. enk. deèsis   10           
                               
                               

- dei (moet) . dei (moet) . Taalgebruik in de bijbel : dei (moet) . Taalgebruik in Mc : dei (moet) . Taalgebruik in Lc : dei (moet) . Taalgebruik in Hnd : dei (moet) .

dei (moet)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. pr. 3de pers. enk. dei 94  18  76  12  15  24  21  30  23 
                             
                             
                             
totaal     102  18  10  24  28  32  42  26 


In vier verzen bij Matteüs : (1) Mt 16,21 . (2) Mt 17,10 . (3) Mt 24,6 . (4) Mt 26,54 .
In vijf verzen bij Marcus : (1) Mc 8,31 (// Mt 16,21 // Lc 9,22) (eerste lijdensvoorspelling) . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 13,7 . (4) Mc 13,10 . (5) Mc 13,14 .
In twaalf verzen bij Lucas :
(1) Lc 2,49 (Wist je niet dat ik in de dingen van mijn vader moet zijn.) .
(2) Lc 4,43 (Ook in de andere steden moet ik het koningrijk van God als blijde boodschap brengen) .
(3) Lc 9,22 : eipôn hoti dei ton huion tou anthrôpou polla pathein = zeggende dat de mensenzoon veel zal moeten lijden (eerste lijdensvoorspelling)
(4) Lc 12,12 (Wat je moet zeggen) .
(5) Lc 13,14 (Er zijn zes dagen waarop je moet werken) .
(6) Lc 13,33 (Maar ik moet me op weg begeven) .
(7) Lc 17,25 : prôton de dei auton polla pathein = eerst echter moet hij veel lijden (de mensenzoon) .
(8) Lc 19,5 (Want in jouw huis moet ik verblijven) .
(9) Lc 21,9 (Want dat moet eerst gebeuren) .
(10) Lc 22,37 (Want dit geschrevene moet door mij tot een einde gebracht worden) .
(11) Lc 24,7 : legôn ton huion tou anthrôpou hoti dei = zeggende dat de mensenzoon moet (de vrouwen bij het graf) .
(12) Lc 24,44 (Dat hij al het geschrevene in de wet van Mozes moest vervullen) .
In negen verzen bij Johannes : (1) Joh 3,7 . (2) Joh 3,14 . (3) Joh 3,30 . (4) Joh 4,20 . (5) Joh 4,24 . (6) Joh 9,4 . (7) Joh 10,16 . (8) Joh 12,34 . (9) Joh 20,9 .
In vijftien verzen in Handelingen : (1) Hnd 1,21 . (2) Hnd 3,21 . (3) Hnd 4,12 . (4) Hnd 5,29 . (5) Hnd 9,6 . (6) Hnd 9,16 . (7) Hnd 14,22 . (8) Hnd 15,5 . (9) Hnd 16,30 . (10) Hnd 19,21 . (11) Hnd 20,35 . (12) Hnd 23,11 . (13) Hnd 25,10 . (14) Hnd 27,24 . (15) Hnd 27,26 .
- deô (moeten) . Taalgebruik : deô (moeten) , zie Mt 16,21 .
--- hoti dei (dat moet) . hoti leidt een voorwerpszin in . Het wordt voorafgegaan door allerlei werkwoordvormen van verschillende werkwoorden met de betekenis van zeggen . In acht verzen in het NT : (1) Mt 16,21 (// Mc 8,31 // Lc 9,22) (eerste lijdensvoorspelling) . (2) Mc 8,31 (// Mt 16,21 // Lc 9,22) (eerste lijdensvoorspelling) . (3) Lc 9,22 ( // Mc 8,31 // Mt 16,21) (eerste lijdensvoorspelling) . (4) Lc 24,7 . (5) Lc 24,44 . (6) Joh 12,34 . (7) Joh 20,9 . (8) Hnd 15,5 . In vier van de acht teksten wordt de mensenzoon (ton huion tou anthrôpou) uitdrukkelijk vermeld : (2) Mc 8,31 . (3) Lc 9,22 . (4) Lc 24,7 . (6) Joh 12,34 .
--- edei (het moest) . Taalgebruik : deô (moeten) , zie Mt 16,21 . In tweeëntwintig verzen in de bijbel . In zes verzen in het OT . In zestien verzen in het NT : (1) Mt 18,33 . (2) Mt 23,23 . (3) Mt 25,27 . (4) Lc 11,42 . (5) Lc 13,16 . (6) Lc 15,32 . (7) Lc 22,7 . (8) Lc 24,26 . (9) Joh 4,4 . (10) Hnd 1,16 . (11) Hnd 17,3 . (12) Hnd 24,19 . (13) Hnd 27,21 . (14) Rom 1,27 . (15) 2 Cor 2,3 . (16) Heb 9,26 .
- edei pathein (hij moest lijden) . Taalgebruik : deô (moeten) , zie Mt 16,21 . In drie verzen in het NT : (1) Lc 24,26 : edei pathein ton Christon = dat Christus moest lijden . {(2) Lc 24,46 : ' edei ' pathein ton Christon = dat Christus moest lijden.} (3) Hnd 17,3 (hoti ton Christon. edei pathein = dat Christus moest lijden) .

- deiknumi (tonen, aanwijzen) . deiknumi (tonen, aanwijzen) . Taalgebruik in de bijbel : deiknumi (tonen, aanwijzen) . Taalgebruik in Lc : deiknumi (tonen, aanwijzen) .

  deiknumi  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. aor. 3de pers. enk. edeixen   39  33           
                               

- deka (tien) . δεκα = deka (tien) . Taalgebruik in het NT : deka (tien) . Taalgebruik in de LXX : deka (tien) . Bijbel (267) . OT (245) . Pentateuch (61) . Gn (21) . Gn 50 (2) : (1) Gn 50,22 . (2) Gn 50,26 . NT (22) : (1) Mt 20,24 . (2) Mt 25,1 . (3) Mt 25,28 . (4) Mc 10,41 . (5) Lc 13,16 . (6) Lc 14,31 . (7) Lc 15,8 . (8) Lc 17,12 . (9) Lc 17,17 . (10) Lc 19,13 . (11) Lc 19,16 . (12) Lc 19,17 . (13) Lc 19,24 . (14) Lc 19,25 . (15) Hnd 25,6 . (16) Apk 2,10 . (17) Apk 12,3 . (18) Apk 13,1 . (19) Apk 17,3 . (20) Apk 17,7 . (21) Apk 17,12 . (22) Apk 17,16 .


desmôtèrion (gevangenis)  bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk   
nom. + acc. onz. enk. desmôtèrion 5 3 2         2      
gen. enk. desmôtèriou 2 1 1         1      
dat. enk. desmôtèriôi 3 2 1 1              
acc.  enk. zie nom.                      
Totaal   10 6 4 1       3      

- deilos (vreesachtig, zwak van geloof, laf) . δειλος = deilos (vreesachtig, zwak van geloof, laf) . Taalgebruik in het NT : deilos (vreesachtig, zwak van geloof, laf) . Taalgebruik in de LXX : deilos (vreesachtig, zwak van geloof, laf) .

- nom. mann. mv. δειλοι = deiloi (kleingelovigen) van het bijvoegl. naamw. δειλος = deilos (vreesachtig, zwak van geloof, laf) . Taalgebruik in het NT : deilos (vreesachtig, zwak van geloof, laf) . Taalgebruik in de LXX : deilos (vreesachtig, zwak van geloof, laf) . Bijbel (4) : (1) W 4,20 . (2) W 9,14 . (3) Mt 8,26 . (4) Mc 4,40 .

- despotŔs (meester, heer) . δεσποτης = despotès (meester, heer) . Taalgebruik in het NT : despotŔs (meester, heer) . Taalgebruik in de LXX : despotès (meester, heer) .
- voc. mann. enk. δεσποτα = despota van het zelfst. naamw. δεσποτης = despotès (meester, heer) . Taalgebruik in het NT : despotès (meester, heer) . Taalgebruik in de LXX : despotès (meester, heer) . Bijbel (25) . OT (23) . Gn (2) : (1) Gn 15,2 . (2) Gn 15,8 . NT (2) : (1) Lc 2,29 . (2) Hnd 4,24 .


- deuro (welaan, kom) . deuro (welaan, kom) . Taalgebruik in de bijbel : deuro (welaan, kom) . Taalgebruik in Mc : deuro (welaan, kom) .

  deuro  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
Totaal  74  65   

- dexios (rechts) . dexios (rechts) . Taalgebruik in de bijbel : dexios (rechts) . Taalgebruik in Mc : dexios (rechts) . Taalgebruik in Lc : dexios (rechts) . Taalgebruik in Hnd : dexios (rechts) .Taalgebruik in de Septuaginta : dexios (rechts) . Hebr. jâmîn (rechterzijde, rechts) . Taalgebruik in Tenach : jâmîn (rechterzijde, rechts) . L. dexter . Fr. droit . Ned. rechts . E. right . D. rechter .

  dexios  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  gen. mv. dexiôn   67  44  23      17  17   
                               
                               

- de˘ (binden, boeien, ketenen) . δεω = deô (binden, boeien, ketenen) . Taalgebruik in het NT : de˘ (binden, boeien, ketenen) . Taalgebruik in de LXX : deô (binden, boeien, ketenen) .
- act. part. aor. nom. mann. mv. = dèsantes (bindende) van het werkw. δεω = deô (binden, boeien, ketenen) . Taalgebruik in de Bijbel : deô (binden, boeien, ketenen) . Bijbel (4) : (1) Hos 10,6 . (2) Mt 22,13 . (3) Mt 27,2 . (4) Mc 15,1 . Een vorm van δεω = deô in de LXX (69) , in het NT (41) , in Mc (8) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) .

- act. inf. aor. δησαι = dèsai (om te binden) van het werkw. δεω = deô (binden, boeien, ketenen) . Taalgebruik in het NT : deô (binden, boeien, ketenen) . Taalgebruik in de LXX : deô (binden, boeien, ketenen) . Bijbel (7) : (1) Re 15,10 . (2) Re 15,12 . (3) Ez 37,17 . (4) Ps 149,8 . (5) Tob 3,17 . (6) Mc 5,3 . (7) Hnd 9,14 . Een vorm van δεω = deô in de LXX (69) , in het NT (41) , in Mc (8) .

- passief inf. perf. δεδεσθαι = dedesthai (om gebonden te worden) van het werkw. δεω = deô (binden, boeien, ketenen) . Taalgebruik in het NT : deô (binden, boeien, ketenen) . Taalgebruik in de LXX : deô (binden, boeien, ketenen) . Bijbel (1) : Mc 5,4 .


- dia ( door , na ) . δια = dia (door, omwille van, na) . Taalgebruik in NT : dia (door) . Taalgebruik in de LXX : dia (door) . Taalgebruik in Mc : dia (door) . Taalgebruik in Lc : dia (door) . Taalgebruik in Brieven : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na . dia in Mc 2 (4) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 2,23 . (4) Mc 2,27 . di' in Mc 2 (1) : Mc 2,1 .

dia (door)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
dia  1419  938  481  51  29  32  44  62  248  15  112  156 
di'  310 174 136 6 2 5 13 11 99   13  26 
totaal  1729 1112 617 57 31 37 57 73 347 15 125  182 

- δια τουτο = dia touto (omwille van dat ; om-dat , daarom) . Lc (4) : (1) Lc 11,19 . (2) Lc 11,49 . (3) Lc 12,22 . (4) Lc 14,20 .

dia touto (daarom)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk  
      65  11  15  28   

dia : Hnd 5 (3) : (1) Hnd 5,3 . (2) Hnd 5,12 . (3) Hnd 5,19 .

dia (door)  bijbel OT NT Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul.   Ap. br.  
dia  1419  938  481  248  58  24  29  11  19  10  36  11  225  23 
di'  310 174 136 99 18 11 11 8 1 3 5 2 2 1 3 1   19   7 5 2       85  14 
totaal  1729 1112 617 347 76 35 40 19 20 13 13 9 8 6 9 3 4 55 2 18 7 5 2 2 1 310  37 

- dia (door) . In drie verzen in 1 Kor 1 : (1) 1 Kor 1,1 . (2) 1 Kor 1,10 . (3) 1 Kor 1,21 .
- di' (door) . In één vers in 1 Kor : (1) 1 Kor 1,9 .

dia touto (daarom)   NT Mt Mc Lc Joh Hnd Apk Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud   
  65  11  15  28                  

dia of di' in 1 Tes  dia touto (daarom) : (1)                      

- diaireô (uitnemen, verdelen) . diaireô (uitnemen, verdelen) . Taalgebruik in de bijbel : diaireô (uitnemen, verdelen) . Taalgebruik in Lc : diaireô (uitnemen, verdelen) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. aor. 3de pers. enk. dieilen   14  13                 
                               

- diaboa˘ (door elkaar hard roepen, uitschreeuwen) . διαβοαω = diaboaô (door elkaar hard roepen, uitschreeuwen) . Taalgebruik in het NT : diaboa˘ (door elkaar hard roepen, uitschreeuwen) . Taalgebruik in de LXX : diaboaô (door elkaar hard roepen, uitschreeuwen) .

- act. imperat. 2de pers. mv. διαβοησετε = diaboèseta (schreeuwt uit) van het werkw. διαβοαω = diaboaô (door elkaar hard roepen, uitschreeuwen) . Taalgebruik in het NT : diaboaô (door elkaar hard roepen, uitschreeuwen) . Taalgebruik in de LXX : diaboaô (door elkaar hard roepen, uitschreeuwen) . Bijbel (1) : Lv 25,10 . Een vorm van διαβοαω = diaboaô (door elkaar hard roepen, uitschreeuwen) in de LXX (3) : (1) Gn 45,16 . (2) Lv 25,10 . (3) Jdt 10,18 . In het NT (0) .



- diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . Taalgebruik in het NT : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . Taalgebruik in de LXX : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . L. diabolus . F. diable . E. devil . D. Teufel . Taalgebruik in Lc : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) .
--- dialobolos . Nominatief. In 28 verzen in de bijbel; in 12 verzen in het OT, in 16 verzen in het NT In 4 verzen bij Lucas : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 8,12 .
--- diabolou (van de duivel). In 13 verzen in de bijbel; in 1 vers in het OT, in 12 verzen in het NT Lc 4,2
--- diabolôi . Datief enkelvoud. In 9 verzen in de bijbel; in 5 verzen in het OT, in 4 verzen in het NT

diabolos (duivel) bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk syn. ev.
nom. enk.diabolos 28 12 16 4   4 1   2 5 8 9
gen. mann. enk. diabolou 13 1 12 1   1 2 2 6   2 4
dat. enk. diabolôi 9 5 4 1         3   1 1
acc. enk. diabolon 4 3 1           1      
nom. + acc. mv. diaboloi 1   1           1      
acc.  mv. diabolous 2   2           2      
Totaal   57 21 36 6   5 3 2 15 5 11 14

 


 

- diagignomai -> diaginomai (doorkomen, doorbrengen) . διαγινομαι = diaginomai (doorkomen, doorbrengen, vergaan, vervliegen) . Taalgebruik in de Bijbel : diaginomai (doorkomen, doorbrengen) . Een vorm van διαγινομαι = diaginomai in de LXX (1) : 2 Mak 11,26 , in het NT (3) : (1) Mc 16,1 (2) Hnd 25,13 . (3) Hnd 27,9 . Telkens is het in een losse genitiefconstructie , die een tijdsbepaling aanduidt .
- part. aor. gen. mann. en onz. enk. διαγενομενου = diagenomenou (doorgekomen) van het werkw. διαγινομαι = diaginomai (doorkomen, doorbrengen, vergaan, vervliegen) . Taalgebruik in de Bijbel : diaginomai (doorkomen, doorbrengen) . Bijbel : (1) Mc 16,1 (2) Hnd 27,9 . Een vorm van διαγινομαι = diaginomai in de LXX (1) : 2 Mak 11,26 , in het NT (3) : (1) Mc 16,1 (2) Hnd 25,13 . (3) Hnd 27,9 . Telkens is het in een losse genitiefconstructie , die een tijdsbepaling aanduidt .

- diaftheir˘ (verwoesten, vernietigen, bederven) . διαφθειρω = diaftheirô (verwoesten, vernietigen, bederven) . Taalgebruik in de Bijbel : diaftheir˘ (verwoesten, vernietigen, bederven) . Een vorm van διαφθειρω = diaftheirô in de LXX (83) , in het NT (5) .
- act. ind. praes. 3de pers. enk. = diaftheirei (hij vernietigt) van het werkw. Bijbel (1) : Lc 12,33 .


- diakoneô (dienen, dienaar zijn) . διακονεω = diakoneô (dienen, dienaar zijn) . Taalgebruik in het NT : diakoneô (dienen, dienaar zijn) . Taalgebruik in de LXX : diakoneô (dienen, dienaar zijn) . Taalgebruik in Mc : diakoneô (dienen, dienaar zijn) .

  diakoneô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. imperf. 3de pers. enk. dièkonei              
  act. ind. imperf. 3de pers. mv. dièkonoun            
  act. inf. aor. diakonèsai                  
  pass. inf. aor. diakonèthènai                  
                               

- act. ind. imperf. 3de pers. enk. διηκονει = dièkonei (zij bediende) van het werkw. διακονεω = diakoneô (dienen, dienaar zijn) . Taalgebruik in het NT : diakoneô (dienen, dienaar zijn) . Taalgebruik in de LXX : diakoneô (dienen, dienaar zijn) . Taalgebruik in Mc : diakoneô (dienen, dienaar zijn) . Bijbel = NT (4) : (1) Mt 8,15 . (2) Mc 1,31 . (3) Lc 4,39 . (4) Joh 12,2 .


 

- diakonos (dienaar) . diakonos (dienaar) . Taalgebruik in de bijbel : diakonos (dienaar) . Taalgebruik in Mc . : diakonos (dienaar) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. mann. enk. diakonos   14    14  2 : (1) Mc 9,35 . (2) Mc 10,43 .          
                               
                               
                               
                               
                               
                               
                               
  totaal                            

 

- dialogizomai (discussiëren, redetwisten) . dialogizomai (discussiëren, redetwisten) . Taalgebruik in de bijbel : dialogizomai (discussiëren, redetwisten) . Taalgebruik in Lc : dialogizomai (discussiëren, redetwisten) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
                               
  part. praes. gen. mv. dialogizomenôn                    
                               
                               
                               

- dianoia (het doordenken, verstand, ingesteldheid, bedoeling) . διανοια = dianoia (het doordenken, verstand, ingesteldheid, bedoeling) . Taalgebruik in het NT : dianoia (het doordenken, verstand, ingesteldheid, bedoeling) . Taalgebruik in de LXX : dianoia (het doordenken, verstand, ingesteldheid, bedoeling) . Een vorm van in de LXX (69) , in het NT (12) , in Lc (2) , in Hnd (0) .


- dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) . dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) . Taalgebruik in de bijbel : dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) . Taalgebruik in Lc : dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) . Taalgebruik in Hnd : dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) . Hebr. pâthach (openen) . Taalgebruik in Tenach : pâthach (openen) . Lat. aperire . Fr. ouvrir . Ned. openen . D. offnen . E. to open .


- διαπεραω = diaperaô (doortrekken, oversteken)

- diapera˘ (doortrekken, oversteken) . διαπεραω = diaperaô (doortrekken, oversteken) . Taalgebruik in het NT : diapera˘ (doortrekken, oversteken) . Taalgebruik in de LXX : diaperaô (doortrekken, oversteken) . In dit werkw. zit het zelfst. naamw. περαν (overzijde) .

- act. part. aor. gen. mann. enk. διαπερασαντος = diaperasantos (nadat hij overstak) van het werkw. διαπεραω = diaperaô (doortrekken, oversteken) . Taalgebruik in het NT : diaperaô (doortrekken, oversteken) . Taalgebruik in de LXX : diaperaô (doortrekken, oversteken) . In dit werkw. zit het zelfst. naamw. περαν (overzijde) . Bijbel (1) : Mc 5,21 . Een vorm van διαπεραω = diaperaô (doortrekken, oversteken) in de LXX (9) : (1) Dt 30,13 . (2) Js 23,2 . (3) , in het NT (6) : (1) Mt 9,1 . (2) Mt 14,34 . (3) Mc 5,21 . (4) Mc 6,53 . (5) Lc 16,26 . (6) Hnd 21,2 .


- diaporeuomai (oversteken, doortrekken, doorreizen) . διαπορευομαι = diaporeuomai (oversteken, doortrekken, doorreizen) . Taalgebruik in het NT : diaporeuomai (oversteken, doortrekken, doorreizen) . Taalgebruik in de LXX : diaporeuomai (oversteken, doortrekken, doorreizen) . Een vorm van διαπορευομαι = diaporeuomai in de LXX (43) , in het NT (5) , in Lc (3) .

- ind. imperf. 3de pers. enk. διεπορευετο = dieporeueto (hij trok door) van het werkw. διαπορευομαι = diaporeuomai (oversteken, doortrekken, doorreizen) . Taalgebruik in het NT : diaporeuomai (oversteken, doortrekken, doorreizen) . Taalgebruik in de LXX : diaporeuomai (oversteken, doortrekken, doorreizen) . Bijbel (9) . OT (8) . NT (1) : Lc 13,22 . Een vorm van διαπορευομαι = diaporeuomai in de LXX (43) , in het NT (5) : (1) Mc 2,23 . (2) Lc 6,1 . (3) Lc 13,22 . (4) Lc 18,36 . (5) Hnd 16,4 , (6) Rom 15,24 , in Lc (3) .

- part. praes. gen. mann. en onz. enk. διαπορευομενου = diaporeuomenou van het werkw. διαπορευομαι = diaporeuomai (oversteken, doortrekken, doorreizen) . Taalgebruik in het NT : diaporeuomai (oversteken, doortrekken, doorreizen) . Taalgebruik in de LXX : diaporeuomai (oversteken, doortrekken, doorreizen) . Bijbel (2) : (1) Ps 90,6 . (2) Lc 18,36 . Een vorm van διαπορευομαι = diaporeuomai in de LXX (43) , in het NT (5) : (1) Mc 2,23 . (2) Lc 6,1 . (3) Lc 13,22 . (4) Lc 18,36 . (5) Hnd 16,4 , (6) Rom 15,24 , in Lc (3) .


- διαρρηγνυμι OF διαρρησσω = diarrègnumi (doorbreken, doorklieven , doen barsten, verscheuren)

- diarrŔgnumi (doorbreken, doorklieven , doen barsten, verscheuren) . διαρρηγνυμι OF διαρρησσω = diarrègnumi OF diarrèssô (doorbreken, doorklieven , doen barsten, verscheuren, uiteenrijgen) . Taalgebruik in het NT : diarrŔgnumi (doorbreken, doorklieven , doen barsten, verscheuren) . Taalgebruik in de LXX : diarrègnumi (doorbreken, doorklieven , doen barsten, verscheuren) .

- act. ind. aor. 3de pers. enk. διερρηξεν = dierrèksen (hij verscheurde) van het werkw. διαρρηγνυμι OF διαρρησσω = diarrègnumi OF diarrèssô (doorbreken, doorklieven , doen barsten, verscheuren, uiteenrijgen) . Taalgebruik in het NT : diarrègnumi (doorbreken, doorklieven , doen barsten, verscheuren) . Taalgebruik in de LXX : diarrègnumi (doorbreken, doorklieven , doen barsten, verscheuren) . Bijbel (32) . LXX (31) . NT (1) : Mt 26,65 . Een vorm van διαρρηγνυμι OF διαρρησσω = diarrègnumi OF diarrèssô in het LXX (84) . Pentateuch (5) : (1) Gn 37,29 . (2) Gn 37,34 . (3) Lv 10,6 . (4) Lv 21,10 . (5) Nu 14,6 , in het NT (5) : (1) Mt 26,65 . (2) Mc 14,63 . (3) Lc 5,6 . (4) Lc 8,29 . (5) Hnd 14,14 . Parallel : Mt 26,65 // Mc 14,63 .

- act. part. aor. nom. mann. enk. διαρρηξας = diarrèksas (verscheurd) van het werkw. διαρρηγνυμι OF διαρρησσω = diarrègnumi OF diarrèssô (doorbreken, doorklieven , doen barsten, verscheuren, uiteenrijgen) . Taalgebruik in het NT : diarrègnumi (doorbreken, doorklieven , doen barsten, verscheuren) . Taalgebruik in de LXX : diarrègnumi (doorbreken, doorklieven , doen barsten, verscheuren) . Bijbel (1) : Mc 14,63 . Een vorm van διαρρηγνυμι OF διαρρησσω = diarrègnumi OF diarrèssô in het LXX (84) . Pentateuch (5) : (1) Gn 37,29 . (2) Gn 37,34 . (3) Lv 10,6 . (4) Lv 21,10 . (5) Nu 14,6 , in het NT (5) : (1) Mt 26,65 . (2) Mc 14,63 . (3) Lc 5,6 . (4) Lc 8,29 . (5) Hnd 14,14 . Parallel : Mt 26,65 // Mc 14,63 .


- diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) . διασκορπιζω = diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) . Taalgebruik in het NT : diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) . Taalgebruik in de LXX : diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) . Taalgebruik in Lc : diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) . Een vorm van διασκορπιζω = diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) in de LXX (53) , in het NT (9) : (1) Mt 25,24 . (2) Mt 25,26 . (3) Mt 26,31 . (4) Mc 14,27 . (5) Lc 1,51 . (6) Lc 15,13 . (7) Lc 16,1 . (8) Joh 11,52 . (9) Hnd 5,37 .
- act. ind. aor. 3de pers. enk. διεσκορπισεν = dieskorpisen (hij verkwistte, verstrooide) van het werkw. διασκορπιζω = diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) . Taalgebruik in het NT : diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) . Taalgebruik in de LXX : diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) . Taalgebruik in Lc : diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) . Bijbel (4) : (1) Dt 30,3 . (2) Ps 53,6 . Lc (2) : (1) Lc 1,51 . (2) Lc 15,13 . Een vorm van διασκορπιζω = diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) in de LXX (53) , in het NT (9) : (1) Mt 25,24 . (2) Mt 25,26 . (3) Mt 26,31 . (4) Mc 14,27 . (5) Lc 1,51 . (6) Lc 15,13 . (7) Lc 16,1 . (8) Joh 11,52 . (9) Hnd 5,37 .

  diaskorpizô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. dieskorpisen                  
                               

- diaspa˘ (uiteentrekken, verstrooien, verscheuren, losrukken) . διασπαω = diaspaô (uiteentrekken, verstrooien, verscheuren, losrukken) . Taalgebruik in het NT : diaspa˘ (uiteentrekken, verstrooien, verscheuren, losrukken) . Taalgebruik in de LXX : diaspaô (uiteentrekken, verstrooien, verscheuren, losrukken) .

- passief inf. perf. διεσπασθαι = diespasthai (om los te rukken) van het werkw. διασπαω = diaspaô (uiteentrekken, verstrooien, verscheuren, losrukken) . Taalgebruik in het NT : diaspaô (uiteentrekken, verstrooien, verscheuren, losrukken) . Taalgebruik in de LXX : diaspaô (uiteentrekken, verstrooien, verscheuren, losrukken) . Bijbel (1) : Mc 5,4 .



- diaspeirô (verspreiden) . Taalgebruik : Fr. disperser , dispersion . Ned. ver-s-p-r-eiden , dia-spora , sperma = zaad .
diesparèsan (zij werden verstrooid) . Passief aorist derde persoon meervoud . In tien verzen in de bijbel . In negen verzen in het OT . In één vers in het NT : Hnd 8,1 .
Lat. struere , struxi , structum : over elkaar uitbreiden , ophopen , oprichten , bouwen . Ned. s-t-r-ooien , verstrooien .
Hebr. nâphëtsû (zij werden verstrooid) . n-p-ts-û in 8 verzen in Tenach .
- diasparentes (de verstrooiden) . Taalgebruik : diaspeirô (verspreiden, verstrooien) , zie Hnd 8,1 . Passief participium aorist nominatief mannelijk en vrouwelijk meervoud . In twee verzen in de bijbel : (1) Hnd 8,4 . (2) Hnd 11,19 .

- diaperaô (oversteken, doortrekken) . Taalgebruik in de bijbel : diaperaô (oversteken, doortrekken) .

  diaperaô (oversteken, doortrekken)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. part. aor. gen. mann. enk. diaperasantos                    
  act. part. aor. nom. mann. mv. diaperasantes                  
                               

-

- diastellomai (bevelen) . diastellô (uiteenhalen, scheiden, bepalen) . Taalgebruik in NT : diastellomai (bevelen) . Taalgebruik in Mc : diastellomai (bevelen) . diastellô (uiteenhalen, scheiden, bepalen) .

  diastellomai (bevelen)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  med. imperf. 3de pers. enk. diestelleto                   
  med. aor. 3de pers. enk. diesteilato                   
  pass. ind. aor. 3de pers. enk. diestalè                              
  Totaal                             
                               

- diatarassô (in verwarring brengen) . diatarassô (in verwarring brengen) . Taalgebruik in de bijbel : diatarassô (in verwarring brengen) . Taalgebruik in Lc : diatarassô (in verwarring brengen) .

- pass. ind. aor. 3de pers. enk. διεταραχθη = dietarachthè (zij werd in verwarring gebracht) van het werkw. διαταρασσω = diatarassô (in verwarring brengen) . Taalgebruik in het NT : diatarassô (in verwarring brengen) . Taalgebruik in de LXX : diatarassô (in verwarring brengen) . Taalgebruik in Lc : diatarassô (in verwarring brengen) . Lc (1) Lc 1,29 . Enkel deze vorm in het NT . Enigste gebruik van dit werkw. in het NT . Niet in de LXX .
Zacharia werd in verwarring gebracht (εταραχθη = etarachthè) door het visioen van de engel (Lc 1,12) , Maria werd in verwarring gebracht (διεταραχθη = dietarachthè) door het woord van de engel (Lc 1,29) .

  diatarassô   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  pass. ind. aor. 3de pers. enk. dietarachthè                              

- διαθηκη = diathèkè (verbond)

- diathèkè (verbond) . διαθηκη = diathèkè (verbond) . Taalgebruik in het NT : diathèkè (verbond) . Taalgebruik in de LXX : diathèkè (verbond) . Taalgebruik in Hnd : diathèkè (verbond) . Taalgebruik in de Septuaginta : diathèkè (verbond) . Hebr. bërîth (verbond) . Taalgebruik in Tenach : bërîth (verbond) . diatithèmi = tussen-stellen . Lat. foedus (zie b.v. federaal) . Fr. alliance . E. covenant . Ned. verbond . D. Bund .

  diathèkè    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                                 
  nom. vr. enk. diathèkè     45  36               
                                 

- nom. vr. enk. διαθηκη = diathèkè (verbond) . Taalgebruik in het NT : diathèkè (verbond) . Taalgebruik in de LXX : diathèkè (verbond) . Bijbel (45) . OT (28) , NT (9) : (1) Lc 22,20 . (2) Rom 11,27 . (3) 1 Kor 11,25 . (4) Heb 8,9 . (5) Heb 8,10 . (6) Heb 9,15 . (7) Heb 9,16 . (8) Heb 9,17 . (9) Heb 10,16 . Een vorm van διαθηκη = diathèkè (verbond) in de LXX (358) , in het NT (33) , in Lc in 2 verzen : (1) Lc 1,72 . (2) Lc 22,20 . In Lc : 2 vormen van διαθηκη = diathèkè (verbond) in 2 verzen in 2 hoofdstukken . In Hnd : 2 vormen van διαθηκη = diathèkè (verbond) in 2 verzen in 2 hoofdstukken : (1) Hnd 3,25 . (2) Hnd 7,8 .
- בְרִית = bërîth (verbond) . Taalgebruik in Tenakh : bërîth (verbond) . Getalwaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , jod = 10 , taw = 22 of 400 ; totaal : 54 (2 X 3³) of 612 (2² X 3² X 17) . Structuur : 2 - 2 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (132) . Pentateuch (32) . Eerdere Profeten (40) . Latere Profeten (20) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (34) .
- Ned. : testamment , verbond . D. : Bund . E. : covenant . Fr. : alliance . Grieks : διαθηκη = diathèkè (verbond) . Taalgebruik in het NT : diathèkè (verbond) . Hebreeuws : בְרִית = bërîth (verbond) . Taalgebruik in Tenakh : bërîth (verbond) . Lat. : foedus (zie b.v. federaal) , testamentum .

Lat. foedus (zie b.v. federaal) , testamentum . E. testament . Fr. alliance . E. covenant . Ned. testamment , verbond , overeenkomst . D. Bund .

- gen. vr. enk. διαθηκης = diathèkès van het zelfst. naamw. διαθηκη = diathèkè (verbond) . Taalgebruik in het NT : diathèkè (verbond) . Taalgebruik in de LXX : diathèkè (verbond) . Bijbel (128) . OT (103) . NT (15) : (1) Mt 26,28 . (2) Mc 14,24 . (3) Lc 1,72 . (4) Hnd 3,25 . (5) 2 Kor 3,6 . (6) 2 Kor 3,14 . (7) Heb 7,22 . (8) Heb 8,6 . (9) Heb 9,4 . (10) Heb 9,15 . (11) Heb 9,20 . (12) Heb 10,29 . (13) Heb 12,24 . (14) Heb 13,20 . (15) Apk 11,19 . Een vorm van διαθηκη = diathèkè (verbond) in de LXX (358) , in het NT (33) , in Lc in 2 verzen : (1) Lc 1,72 . (2) Lc 22,20 . In Lc : 2 vormen van διαθηκη = diathèkè (verbond) in 2 verzen in 2 hoofdstukken . In Hnd : 2 vormen van διαθηκη = diathèkè (verbond) in 2 verzen in 2 hoofdstukken : (1) Hnd 3,25 . (2) Hnd 7,8 .


- διδασκαλος = didaskalos (leraar , leermeester)

- didaskalos (leraar , leermeester) . διδασκαλος = didaskalos (leraar , leermeester) . Taalgebruik in het NT : didaskalos (leraar , leermeester) . Taalgebruik in de LXX : didaskalos (leraar , leermeester) . Taalgebruik in Mc : didaskalos (leraar , leermeester) .

- voc. mann. enk. διδασκαλε = didaskale (leermeester) van het zelfst. naamw. διδασκαλος = didaskalos (leraar , leermeester) . Taalgebruik in het NT : didaskalos (leraar , leermeester) . Taalgebruik in de LXX : didaskalos (leraar , leermeester) .
- rabbi (meester). NT (15) . Mt (4) . Mc (3) . Joh (8) .

  didaskalos (leermeester) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. syn. ev.
1 nom. mann. enk. didaskalos 15   15 5 1 2 5   2 8 13
2 voc. mann. enk. didaskale 31   31 6 10 12 3     28 31
3 dat.  mann. enk. didaskalô(i) 2                  
4 acc. mann. enk. didaskalon 5   5 1 1 2     1 4 4
5 nom. + voc. mann. mv. didaskaloi 4   4         1 3    
6 gen. mann. mv. didaskalôn 1   1     1       1 1
7 acc. mann. mv. didaskalous 3   3           3    
  Totaal   61 59 12 12 17 8 1 9 41 49

didaskalos (leermeester) Mt  Mc   Lc  syn. ev.
nom. enk. didaskalos 5 : (1) Mt 9,11 . (2) Mt 10,25. (3) Mt 17,24 . (4) Mt 23,8 . (5) Mt 26,18 . 1 : Mc 14,14 . 2 : (1) Lc 6,40 . (2) Lc 22,11 . 8 : (1) Mt 10,25 // Lc 6,40 . (2) Mt 26,18 // Mc 14,14 // Lc 22,11 . 13
voc. enk. didaskale 6 : (1) Mt 8,19 . (2) Mt 12,38 . (3) Mt 19,16 . (4) Mt 22,16 . (5) Mt 22,24 . (6) Mt 22,36 . 10 : (1) Mc 4,38 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,38 . (4) Mc 10,17 . (5) Mc 10,20 . (6) Mc 10,35 . (7) Mc 12,14 . (8) Mc 12,19 . (9) Mc 12,32 . (10) Mc 13,1 . 12 : (1) Lc 3,12 . (2) Lc 7,40 . (3) Lc 9,38 . (4) Lc 10,25 . (5) Lc 11,45 . (6) Lc 12,13 . (7) Lc 18,18 . (8) Lc 19,39 . (9) Lc 20,21 . (10) Lc 20,28 . (11) Lc 20,39 . (12) Lc 21,7 . 28 : (1) Mt 19,16 // Mc 10,17 // Lc 18,18 . (2) Mt 22,16 // Mc 12,14 // Lc 20,21 . (3) Mt 22,24 // Mc 12,19 // Lc 20,28 . (4) Mt 22,36 // Lc 10,25 . (5) Mc 9,38 // Lc 9,38 . 31
acc. enk. didaskalon 1 : Mt 10,24 1 : Mc 5,35 . 2 : (1) Lc 6,40 . (2) Lc 8,49 . 4 : Mt 10,24 // Lc 6,40 . 4
Totaal   12 12 17 41 49

Een vorm van didaskalos (leermeester) in Mc   (1) Mc 4,38 (voc. enk. didaskale . Leerlingen tot Jezus) .  (2) Mc 5,35 (acc. enk. didaskalon . Afgevaardigden van de hogepriester) . (3) Mc 9,17 (voc. enk. didaskale . Iemand met een stomme zoon) . (4) Mc 9,38 (voc. enk. didaskale . Opmerking van de apostel Johannes tot Jezus) . (5) Mc 10,17 (voc. enk. . Iemand met een vraag aan Jezus) . (6) Mc 10,20 (voc. enk. didaskale . Antwoord van die iemand tot Jezus) . (7) Mc 10,35 (voc. enk. didaskale . De zonen van Zebedeüs met een vraag tot Jezus) . (8) Mc 12,14 (voc. enk. didaskale . Leerlingen van Farizeeën en Herodianen met een vraag aan Jezus) . (9) Mc 12,19 (voc. enk. didaskale . Sadduceeën met een vraag aan Jezus) . (10) Mc 10,32 (voc. enk. didaskale . Schriftgeleerde tot Jezus) . (11) Mc 13,1 (voc. enk. didaskale . Begin van de rede tegen de Farizeeën . De leerlingen tot Jezus) . (12) Mc 14,14 (nom. enk. didaskalos . Voorbereiding van het paasmaal) .   .  

Een vorm van didaskalos (leermeester) in Mt  

(1) Mt 8,19 (voc. enk. didaskale . Een schriftgeleerde met een voornemen tot Jezus) . (2) Mt 9,11 (nom. enk. didaskalos . Farizeeën tot leerlingen met een vraag . (3) Mt 10,24 (acc. enk. didaskalon bij het voorzetsel huper . Zendingsrede van Jezus tot zijn leerlingen) . (4) Mt 10,25 (nom. enk. didaskalos . Zendingsrede van Jezus tot zijn leerlingen) . (5) Mt 12,38 (voc. enk. didaskale . Enkele schriftgeleerden en Farizeeën met een vraag om een teken aan Jezus) . (6) Mt 17,24 (acc. enk. didaskalon . Inners van tempelbelasting tot Petrus) . (7) Mt 19,16 (voc. enk. . Iemand met een vraag aan Jezus) . (8) Mt 22,16 (voc. enk. didaskale . Leerlingen van Farizeeën en Herodianen met een vraag aan Jezus) . (9) Mt 22,24 (voc. enk. didaskale . Sadduceeën met een vraag aan Jezus) . (10) Mt 22,36 (voc. enk. didaskale . Farizeeën met een vraag aan Jezus) . (11) Mt 23,8 (acc. enk. didaskalon . Rede tegen de Farizeeën) . (12) Mt 26,18 (nom. enk. didaskalos . Voorbereiding van het paasmaal) .  

a

- διδασκω = didaskô (leren, onderrichten)

- didaskô (leren) . διδασκω = didaskô (leren, onderrichten) . Taalgebruik in de NT : didaskô (leren) . Taalgebruik in de LXX : didaskô (leren) . Taalgebruik in Mc : didaskô (leren) .
- Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven . Didactiek : leer van het onderrichten . Lat. docere (doctor) . Cfr docent , documentatie .

didaskô (leren, onderrichten) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. pr. 3de p. enk. didaskei 4 1 3           2 1    
ind. pr. 2de p.enk. didaskeis 6   6 1 1 1 1 1 1  
act. ind. imperf. 3de pers. enk. edidasken 15 1 14 2 6 2 2 1   1 10 12
conj. pr. 3de pers. enk. didaxèi 1   1 1             1 1
act. inf. praes. didaskein 15 2 13 1 4 1 1 4 2  
act. part. pr. nom. m. enk.didaskôn 32 9 23 4 4 7 3 3 2   15  18 
part. pr. nom mv. didaskontes 9 1 8 1 1     3 3  
part. pr. dat. enk. didaskonti   1   1 1            
ind aor. 3de p. enk. edidaxen 8 5 3     1 1   1  
ind. aor. 3de p. mv. edidaxan 3 2 1   1          
inf. aor. didaxai 10 7 3         2 1      
pass. aor. 3de pers. mv. edidachthèsan 2 1 1 1             1 1
pass. aor. 2de perrs. mv. edidachthète 3   3           3      
Andere vormen                        
totaal  109  29  80  12  17  12  14  15  4 49 

didaskô (leren, onderrichten) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. imperf. 3de pers. enk. edidasken 15 1 14 2 : (1) Mt 5,2 . (2) Mt 13,54 . 6 : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,2 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 10,1 . (6) Mc 11,17 . 2 : (1) Lc 4,15 . (2) Lc 5,3 . 2 : (1) Joh 7,14 . (2) Joh 8,2 . 1 : Hnd 18,25 .   1 : Apk 2,14 . 10 : (1) Lc 5,3 //Mc 4,2 . 12

- actief inf. praes. διδασκειν = didaskein (onderrichten) van het werkw. διδασκω = didaskô (leren, onderrichten) . Taalgebruik in de NT : didaskô (leren) . Taalgebruik in de LXX : didaskô (leren) . Bijbel (15) . OT (2) . Ezr (1) : Ezr 7,10 . 2 Kr (1) : 2 Kr 17,7 . NT (13) . Mt (1) : Mt 11,1 . Mc (4) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 6,2 . (3) Mc 6,34 . (4) Mc 8,31 . Lc (1) : Lc 6,6 . Joh (1) : Joh 7,35 . Hnd (4) : (1) Hnd 1,1 . (2) Hnd 4,2 .(3) Hnd 4,18 . (4) Hnd 5,28 . Br. : (1) 1 Tim 2,12 . (2) Heb 5,12 . Een vorm van διδασκω = didaskô (leren, onderrichten) in de LXX (107) , in het NT (95) , in Mt (14) , in Mc (17) , in Lc (17), in Joh (6) .

infin. praes. didaskein (onderwijzen, leren) van het werkw. didaskô (leren, onderrichten) . Taalgebruik in NT : didaskô (leren) . Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven . Didactiek : leer van het onderrichten . Lat. docere (doctor) . Cfr docent , documentatie . Bijbel (15) . OT (2) . Ezr (1) . 2 Kr (1) . NT (13) . Mt (1) . Mc (4) . Lc (1) . Joh (1) . Hnd (4) . Brieven (2) . In één vers bij Matteüs : (1) Mt 11,1 . In Marcus in vier verzen telkens voorafgegaan door het werkwoord èrxato (hij begon) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 6,2 . (3) Mc 6,34 . (4) Mc 8,31 . In één vers bij Lucas : (1) Lc 6,6 (eiselthein ... kai dideskein = binnengaan en onderrichten) . (1) Joh 7,35 : poreuesthai kai didaskein = zich op weg begeven en onderrichten .
In vier verzen in Hnd :
(1) Hnd 1,1 (poiein te kai didaskein = doen evenals onderrichten) .
(2) Hnd 4,2 : dia to didaskein autous ton laon = omdat zij het volk onderrichtten in de tempel .
(3) Hnd 4,18 : mède didaskein epi tôi onomati tou Ièsou = noch te onderrichten in de naam van Jezus (een duidelijke Taalgebruik naar Hnd 4,2) . Het sanhedrin verbood Petrus en Johannes om te spreken met een beroep op de naam van Jezus .
(4) Hnd 5,28 : mè didaskein epi tôi onomati toutôi = noch te onderrichten in deze naam . In Hnd 5,28 herinnerde het sanhedrin Petrus en Johannes aan het verbod , waaraan zij zich niet hielden . Daarom waren de apostelen opnieuw gearresteerd en ondervraagd .

didaskein (onderwijzen, leren) . Taalgebruik : didaskô (onderrichten - onderwijzen) , zie Mc 1,45 . Infinitief praesens . In vijftien verzen in de bijbel . OT (2) . Ezr (1) . 2 Kr (1) . NT (13) . Mt (1) . Mc (4) . Lc (1) . Joh (1) . Hnd (4) . Brieven (2) . In twee verzen in het OT . In dertien verzen in het NT . In één vers bij Matteüs : (1) Mt 11,1 . In Marcus in vier verzen telkens voorafgegaan door het werkwoord èrxato (hij begon) : (2) Mc 4,1 . (3) Mc 6,2 . (4) Mc 6,34 . (5) Mc 8,31 . In één vers bij Lucas : (6) Lc 6,6 (eiselthein ... kai dideskein = binnengaan en onderrichten) . (7) Joh 7,35 : poreuesthai kai didaskein = zich op weg begeven en onderrichten . In vier verzen in Hnd :
(8) Hnd 1,1 (poiein te kai didaskein = doen evenals onderrichten) .
(9) Hnd 4,2 : dia to didaskein autous ton laon = omdat zij het volk onderrichtten in de tempel .
(10) Hnd 4,18 : mède didaskein epi tôi onomati tou Ièsou = noch te onderrichten in de naam van Jezus (een duidelijke Taalgebruik naar Hnd 4,2) . Het sanhedrin verbood Petrus en Johannes om te spreken met een beroep op de naam van Jezus .
(11) Hnd 5,28 : mè didaskein epi tôi onomati toutôi = noch te onderrichten in deze naam . In Hnd 5,28 herinnerde het sanhedrin Petrus en Johannes aan het verbod , waaraan zij zich niet hielden . Daarom waren de apostelen opnieuw gearresteerd en ondervraagd .
(12) 1 Tim 2,12 . (13) Heb 5,12 .

--- didaskôn (onderrichtend) . In drieëntwintig verzen in het NT . In vier verzen bij Matteüs : (1) Mt 4,23 . (2) Mt 7,29 . (3) Mt 9,35 . (4) Mt 26,55 .
--- didaskontes (onderrichtend) . Taalgebruik : didaskô (onderrichten - onderwijzen) , zie Mc 1,45 . Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven . Didactiek : leer van het onderrichten . Actief tegenwoordig deelwoord nominatief mannelijk en vrouwelijk meervoud . In negen verzen in de bijbel . OT (1) . NT (8) . Mt (2) . Mc (1) . Hnd (2) . Brieven (3) . In één vers in het OT : Js 29,13 . In acht verzen in het NT . Mt (2) . Mc (1) . Hnd (2) . Brieven (3) . In detail : (1) Mt 15,9 . (2) Mt 28,20 . (3) Mc 7,7 = Mt 15,9 . (4) Hnd 5,42 . (5) Hnd 15,35 . (6) Kol 1,28 . (7) Kol 3,16 . (8) Tit 1,11 .
--- edidasken (hij onderrichtte - hij onderwees). In vijftien verzen in de bijbel . In één vers in het OT . In veertien verzen in het NT . In twee verzen bij Matteüs : (1) Mt 5,2 . (2) Mt 13,54 . In zes verzen bij Marcus : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,2 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 10,1 . (6) Mc 11,17 .


- didachè (lering, onderrichting) . Taalgebruik in de bijbel : didachè (lering, onderrichting) . Taalgebruik in Mc : didachè (lering, onderrichting) . Taalgebruik in Lc : didachè (lering, onderrichting) .

didachè (lering, onderrichting)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat. vr. enk. didachè(i)  15    15   
gen. vr. enk.  didachès          
acc. vr. enk. didachèn               
totaal 29  28  12 

- διδωμι = didômi (geven)

- didômi (geven) . διδωμι = didômi (geven) . Taalgebruik in het NT : didômi (geven) . Taalgebruik in de Septuaginta : didômi (geven) . Taalgebruik in Mc : didômi (geven) . Taalgebruik in Lc : didômi (geven) . Taalgebruik in Hnd : didômi (geven) . Taalgebruik in de Septuaginta : didômi (geven) . Hebr. nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenach : nâthan (geven) .
- Lat. dare / donare - donum : geven - gave , gift . Fr. donner - don : geven - gave . D. geben . E. to give . Een vorm van διδωμι = didômi (geven) in de LXX (2131) , in het NT (416) , in Mt (56) .

  didômi (geven)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. praes. 1ste pers. enk. didômi                            
                               
  act. ind. imperf. 3de pers. enk. edidou  13  4 : (1)          
  act. ind. fut. 3de pers. enk. dôsei   124  108  18  2 : (1) Mc 12,9 . (2) Mc 13,24 .   10  14 
  act. ind. fut. 1ste pers. enk. dôsô   209 188 21 3 2 2 3 2 0 9 7 10 0 0
  act. imperat. aor. 2de pers. enk. dos   89  73  16  2 : (1) Mc 10,21 . (2) Mc 10,37 .     10  15     
  act. imperat. aor. 2de pers. mv. dote  50  36  14    10  10   
  act. inf. aor. dounai   156  123  33  4 : (1) Mc 10,40 . (2) Mc 10,45 . (3) Mc 12,14 . (4) Mc 14,11 .   21  22     
  pass. aor. 3de pers. enk. edothè 58 30 28 2 0 1 2 0 5 18 3 5    
                               
  Totaal   2131 416 56 39  60 76 35 72 + 4 58 155 231 76 16

act. ind. fut. 3de pers. enk. dôsei (hij zal geven) van het werkw. didômi (geven) . Taalgebruik in de bijbel : didômi (geven) . Taalgebruik in Mc : didômi (geven) . Hebr. nâthan (tha) . Lat. dare / donare - donum : geven - gave , gift . Fr. donner - don : geven - gave .
Lc (5) : (1) Lc 1,32 . (2) Lc 11,8 . (3) Lc 11,13 . (4) Lc 16,12 . (5) Lc 20,16 . Een vorm van didômi (geven) in Lc 1 in 3 verzen : (1) Lc 1,32 . (2)Lc 1,73 . (3) Lc 1,77 .
-

act. inf. aor. dounai (om te geven) van het werkw. didômi (geven) . Taalgebruik in de bijbel : didômi (geven) . Taalgebruik in Mc : didômi (geven) . Hebr. nâthan (tha) . Lat. dare / donare - donum : geven - gave , gift . Fr. donner - don : geven - gave .
Lc (9) : (1) Lc 1,73 . (2) Lc 1,77 . (3) Lc 2,24 . (4) Lc 11,7 . (5) Lc 12,32 . (6) Lc 12,51 . (7) Lc 17,18 . (8) Lc 20,22 . (9) Lc 22,5 .

- pass. aor. 3de pers. enk. εδοθη = edothè (werd gegeven) van het werkw. διδωμι = didômi (geven) . Taalgebruik in het NT : didômi (geven) . Taalgebruik in de Septuaginta : didômi (geven) . Taalgebruik in Mc : didômi (geven) . Bijbel (58) . LXX (30) . NT (28) . Mt (2) : (1) Mt 14,11 . (2) Mt 28,18 .

. Het komt in achtenvijftig verzen in de bijbel voor . In dertig verzen in het OT : Da 7,14 . In achtentwintig verzen in het NT . In dit verband moet Ex 36,1 nader bekeken worden. In twee verzen bij Matteüs : (1) Mt 14,11 . (2) Mt 28,18 . In één vers bij Lucas . In twee verzen bij Johannes . In achttien verzen in Openbaring : (1) Apk 6,2 . (2) Apk 6,4 . (3) Apk 6,8 . (4) Apk 6,11 . (5) Apk 7,2 . (6) Apk 8,3 . (7) Apk 9,1 . (8) Apk 9,3 . (9) Apk 9,5 . (10) Apk 11,1 . (11) Apk 11,2 . (12) Apk 13,5 . (13) Apk 13,7 . (14) Apk 13,14 . (15) Apk 13,15 . (16) Apk 16,8 . (17) Apk 19,8 . (18) Apk 20,4 .
Mt 28,18 is geïnspireerd op Da 7,14 : kai edothè autôi exousia (En aan hem werd macht gegeven) kai panta ta ethnè tès gès (en alle volkeren van de aarde)...
- act. ind. fut. 1ste pers. enk. δωσω = dôsô ( ik zal geven) van het werkw. διδωμι = didômi (geven) . Taalgebruik in de Septuaginta : didômi (geven) . Taalgebruik in het NT : didômi (geven) . Bijbel (209) . OT (188) . NT (21) : (1) Mt 4,9 . (2) Mt 16,19 . (3) Mt 20,4 . (4) Mc 6,22 . (5) Mc 6,23 . (6) Lc 4,6 . (7) Lc 21,15 . (8) Joh 4,14 . (9) Joh 6,51 . (10) Joh 13,26 . (11) Hnd 2,19 . (12) Hnd 13,34 . (13) Apk 2,7 . (14) Apk 2,10 . (15) Apk 2,17 . (16) Apk 2,23 . (17) Apk 2,26 . (18) Apk 2,28 . (19) Apk 3,21 . (20) Apk 11,3 . (21) Apk 21,6 . Een vorm van didômi (geven) in de LXX (2131) , in het NT (416) .
- Latijn . act. ind. fut. 1ste pers. enk. dabo (ik zal geven) van het werkw. dare / donare - donum : geven - gave , gift . Bijbel (197) . OT (174) . NT (23) . Zie Grieks . Niet : (10) Joh 13,26 . Wel : (1) Joh 4,13 . (2) 2 Pe 1,15 . (3) Apk 3,9 .
- Fr. donner - don : geven - gave . D. geben . E. to give .
- Aramees : act. peal perf. 1ste pers. enk. יְהַבִית = jëhabîth (ik zal geven) van het werkw. יְהַב = jëhabh (geven) . Pentateuch (28) .
--- act. ind. aor. 3de pers. enk. εδωκεν = edôken (hij gaf) van het werkw. Bijbel (462) . OT (399) . NT (63) . Lc (7) .

- act. imperat. aor. 2de pers. enk. δος = dos (geef) van het werkw. διδωμι = didômi (geven) . Taalgebruik in het NT : didômi (geven) . Taalgebruik in de Septuaginta : didômi (geven) . Bijbel (89) . OT (73) . NT (16) . (1) Mt 5,42 . (2) Mt 6,11 . (3) Mt 14,8 . (4) Mt 17,27 . (5) Mt 19,21 . (6) Mc 10,21 . (7) Mc 10,37 . (8) Lc 12,58 . (9) Lc 14,9 . (10) Lc 15,12 . (11) Joh 4,7 . (12) Joh 4,10 . (13) Joh 4,15 . (14) Joh 6,34 . (15) Joh 9,24 . (16) Hnd 4,29 . Een vorm van διδωμι = didômi (geven) in de LXX (2131) , in het NT (416) , in Lc (54) . In Lc : X vormen van διδωμι = didômi (geven) in 54 verzen in 20 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van διδωμι = didômi (geven) in 34 verzen in 18 / 28 hoofdstukken .
- Hebr. act. imperat. perf. 2de pers. mann. enk. then / thèn van het werkw. nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenakh : nâthan (geven) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 50 of 500 . Structuur : 5 - 4 - 5 . Tenakh (12) : (1) Gn 14,21 . (2) 2 K 4,42 . (3) 2 K 4,43 . (4) Jr 18,21 . (5) Hos 9,14 . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . (12) .

- act. imperat. aor. 2de pers. mv. δοτε = dote (geeft) van het werkw. διδωμι = didômi (geven) . Taalgebruik in het NT : didômi (geven) . Taalgebruik in de Septuaginta : didômi (geven) . NT (14) : (1) Mt 10,8 . (2) Mt 14,16 . (3) Mt 25,8 . (4) Mt 25,28 . (5) Mc 6,37 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 11,41 . (8) Lc 12,33 . (9) Lc 15,22 . (10) Lc 19,24 . (11) Hnd 8,19 . (12) Rom 12,19 . (13) Apk 14,7 . (14) Apk 18,7 . Een vorm van διδωμι = didômi (geven) in de LXX (2131) , in het NT (416) , in Lc (54) , in Lc 9 (3) : (1) Lc 9,1 . (2) Lc 9,13 . (3) Lc 9,16 . In Lc : X vormen van διδωμι = didômi (geven) in 54 verzen in 20 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van διδωμι = didômi (geven) in 34 verzen in 18 / 28 hoofdstukken .

  didômi (geven)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. imperat. aor. 2de pers. mv. dote  50  36  14    10  10   
  Totaal   2131 416 56 39  60 76 35 72 + 4 58 155 231 76 16

- Hebreeuws . act. imperat. perf. 2de pers. mann. mv. תְנוּ = thënû (geeft) van het werkw. נָתַן = nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenakh : nâthan (geven) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 50 of 500 . Structuur : 5 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (23) : (1) Gn 23,4 . (2) Gn 34,8 . (3) Ex 7,9 . (4) Ex 17,2 . (5) Joz 20,2 . (6) Re 8,5 . (7) Re 20,13 . (8) 1 S 11,12 . (9) 1 S 17,10 . (10) 2 S 20,21 . (11) 1 K 3,26 . (12) 1 K 3,27 . (13) Jr 13,16 . (14) Jr 22,3 . (15) Jr 29,6 . (16) Jr 48,9 . (17) Ps 68,35 . (18) Spr 31,6 . (19) Spr 31,31 . (20) Ezr 10,11 . (21) 2 Kr 22,19 . (22) 2 Kr 30,8 . (23) 2 Kr 35,3 .
- Lat. dare / donare - donum : geven - gave , gift . Fr. donner - don : geven - gave . D. geben . E. to give .


--- dos = geef . Bijbel (89) . OT (73) . NT (16) . In drie verzen bij Lucas o.a. Lc 15,12 .
--- edothè (werd gegeven) . Passief aorist derde persoon enkelvoud .

Da 7,14 Mt 28,18 Apk 6,8 Apk 9,3 Apk 13,5 Apk 13,7
kai (en)   kai (en) kai (en) kai (en) kai (en)
edothè (werd gegeven) edothè (werd gegeven) edothè (werd gegeven) edothè (werd gegeven) edothè (werd gegeven) edothè (werd gegeven)
autôi (aan hem) moi (aan mij) autois (aan hen)   autois (aan hen)   autôi (aan hem) autôi (aan hem)
exousia (macht) pasa exousia (alle macht) exousia (macht)   exousia (macht)   exousia (macht) exousia (macht)
  en ouranôi (in de hemel)        
  kai (en) epi tès gès (op de aarde) epi to tetarton tès gès (op het vierde - deel - van de aarde)       epi pasan ... (over elke... ) 
  353. Verschijning aan de elf in Galilea : Mt 28,16-20         

- apodote (geef af - betaal belasting) . In zeven verzen in de bijbel . OT (2) . NT (5) :


- ind. fut. 3de pers. mv. διηγησονται = diègèsanto (zij zullen uiteenzetten, verhandelen, uitleggen, verhalen) van het werkw. διηγεομαι = diègèomai (uiteenzetten, verhandelen, uitleggen, verhalen) . Zie : διηγησις = diègèsis (uiteenzetting, verhandeling, uitleg, verhaal) . Taalgebruik in de bijbel : diègèsis (uiteenzetting, verhandeling, uitleg, verhaal) . Bijbel (13) : (1) Nu 13,27 . (2) Joz 2,23 . (3) Re 6,13 . (4) 1 K 13,11 . (5) Ps 64,11 . (6) Ps 78,3 . (7) Ps 119,85 . (8) 1 Mak 5,25 . (9) 1 Mak 8,2 . (10) 1 Mak 10,15 . (11) 1 Mak 11,5 . (12) Mc 5,16 . (13) Lc 9,10 .

- ind. aor. 3de pers. mv. = diègèsanto (zij vertelden)


- diègèsis (uiteenzetting, verhandeling, uitleg, verhaal) . διηγησις = diègèsis (uiteenzetting, verhandeling, uitleg, verhaal) . Taalgebruik in de bijbel : diègèsis (uiteenzetting, verhandeling, uitleg, verhaal) . Taalgebruik in Lc : diègèsis (uiteenzetting, verhandeling, uitleg, verhaal) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
                               

- διεγειρω = diegeirô (opwekken)

- diegeirô (opwekken) . διεγειρω = diegeirô (opwekken) . Taalgebruik in het NT : diegeirô (opwekken) . Taalgebruik in de LXX : diegeirô (opwekken) .

- act. ind. aor. 3de pers. mv. διηγειραν = diègeiran (zij wekten) van het werkw. διεγειρω = diegeirô (opwekken) . Taalgebruik in het NT : diegeirô (opwekken) . Taalgebruik in de LXX : diegeirô (opwekken) . Bijbel (1) : Lc 8,24 . Een vorm van διεγειρω = diegeirô in de LXX (5) : (1) Est 1,11 . (2) Jdt 1,4 . (3) 2 Mak 7,21 . (4) 2 Mak 15,10 . (5) 3 Mak 5,15 , in het NT (6) : (1) Mc 4,39 . (2) Lc 8,24 (2 vormen) . (3) Joh 6,18 . (4) 2 Pe 1,13 . (5) 2 Pe 3,1 .

- pass. part. aor. nom. mann. enk. διεγερθεις = diegertheis (gewekt) van het werkw. διεγειρω = diegeirô (opwekken) . Taalgebruik in het NT : diegeirô (opwekken) . Taalgebruik in de LXX : diegeirô (opwekken) . Bijbel (3) : (1) Est 11 . (2) Mc 4,39 . (3) Lc 8,24 . Een vorm van διεγειρω = diegeirô in de LXX (5) : (1) Est 1,11 . (2) Jdt 1,4 . (3) 2 Mak 7,21 . (4) 2 Mak 15,10 . (5) 3 Mak 5,15 , in het NT (6) : (1) Mc 4,39 . (2) Lc 8,24 (2 vormen) . (3) Joh 6,18 . (4) 2 Pe 1,13 . (5) 2 Pe 3,1 .


- διερχομαι = dierchomai (doorheen gaan)

- dierchomai (doorheen gaan) . διερχομαι = dierchomai (doorheen gaan) . Taalgebruik in het NT : dierchomai (doorheen gaan) . Taalgebruik in de LXX : dierchomai (doorheen gaan) . Taalgebruik in Lc : dierchomai (doorheen gaan) .

- conjunct. aor. 1ste pers. mv. διελθωμεν = dielthômen (laten we doorheengaan) van het werkw. διερχομαι = dierchomai (doorheen gaan) . Taalgebruik in het NT : dierchomai (doorheen gaan) . Taalgebruik in de LXX : dierchomai (doorheen gaan) . Taalgebruik in Lc : dierchomai (doorheen gaan) . Bijbel (5) : (1) Gn 4,8 . (2) 1 K 18,5 . (3) Mc 4,35 . (4) Lc 2,15 . (5) Lc 8,22 . Een vorm van διερχομαι = dierchomai in de LXX (152) , in het NT (42) , in Mt (2) : (1) Mt 12,43 . (2) Mt 19,24 , in Mc (2) : (1) Mc 4,35 . (2) Mc 10,25 , in Lc (10) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 2,35 . (3) Lc 4,30 . (4) Lc 5,15 . (5) Lc 8,22 . (6) Lc 9,6 . (7) Lc 11,24 . (8) Lc 17,11 . (9) Lc 19,1 . (10) Lc 19,4 . Lucas gebruikt het werkw. διερχομαι = dierchomai om het meer over te steken . In de LXX kan een vorm van διερχομαι = dierchomai de vertaling van 17 verschillende Hebreeuwse woorden zijn .
- נַעְבְּרָה נָּא = na`ëbërah-nâ´ (dat wij mogen doortrekken) < act. qal cohort. 1ste pers. mv. + versterking nâ´ van het werkw. עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) . Taalgebruik in Tenakh : `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 272 (2² X 2² X 17) . Structuur : 7 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (2) : (1) Nu 20,17 . (2) Re 11,19 .
- נַעֲבֹר = na`äbhor (wij zullen trekken door) van het werkw. עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) . Taalgebruik in Tenakh : `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 272 (2² X 2² X 17) . Structuur : 7 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (3) : (1) Nu 20,17 . (2) Nu 21,22 . (3) Nu 32,32 .
- Het zelfst. naamw. עֵבֶר = `ebhèr (overzijde, overkant) is afgeleid van het werkw. עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) . Het zelfst. naamw. עֶרֶב = `èrèbh (avond) heeft dezelfde letters als עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) maar de 2 laatste letters staan in een andere volgorde . De avond bevat de idee van overgang tussen de dag en de nacht .

- ind. imperf. 3de pers. enk. διηρχετο = dièrcheto (hij ging doorheen) van het werkw. διερχομαι = dierchomai (doorheen gaan) . Taalgebruik in het NT : dierchomai (doorheen gaan) . Taalgebruik in de LXX : dierchomai (doorheen gaan) . Taalgebruik in Lc : dierchomai (doorheen gaan) . Bijbel (4) : (1) Lc 5,15 . (2) Lc 17,11 . (3) Lc 19,1 . (4) Hnd 15,41 . Een vorm van διερχομαι = dierchomai in de LXX (152) , in het NT (42) , in Mt (2) : (1) Mt 12,43 . (2) Mt 19,24 , in Mc (2) : (1) Mc 4,35 . (2) Mc 10,25 , in Lc (10) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 2,35 . (3) Lc 4,30 . (4) Lc 5,15 . (5) Lc 8,22 . (6) Lc 9,6 . (7) Lc 11,24 . (8) Lc 17,11 . (9) Lc 19,1 . (10) Lc 19,4 . Lucas gebruikt het werkw. διερχομαι = dierchomai om het meer over te steken . In de LXX kan een vorm van διερχομαι = dierchomai de vertaling van 17 verschillende Hebreeuwse woorden zijn .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  part. aor. nom. mann. enk. dielthôn         2            
                               

- diermèneuô (uitleggen, vertalen) . diermèneuô (uitleggen, vertalen) . Taalgebruik in de bijbel : diermèneuô (uitleggen, vertalen) . Taalgebruik in de LXX : diermèneuô (uitleggen, vertalen) . Taalgebruik in Lc : diermèneuô (uitleggen, vertalen) . Taalgebruik in Hnd : diermèneuô (uitleggen, vertalen) .


- dikaios (rechtvaardig) . δικαιος = dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in de bijbel : dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in de Septuaginta : dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in Lc : dikaios (rechtvaardig) .

  dikaios  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. mann. enk. dikaios                            
                               
  nom. mann. mv. dikaioi   43  33  10  5 :          
  acc. mann. mv. dikaious 12 7 5 2 : (8) Mt 5,45 . (9) Mt 9,13 . 1 : (10) Mc 2,17 . 2 : (11) Lc 5,32 . (12) Lc 20,20 .                
                               

- acc. mann. mv. δικαιους = dikaious van het bijvoegl. naamw. δικαιος = dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in het NT : dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in de Septuaginta : dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in Lc : dikaios (rechtvaardig) . Bijbel (12) : (1) Gn 18,26 . (2) Ex 18,21 . (3) Ps 34,16 . (4) Ps 37,17 . (5) Ps 146,8 . (6) Spr 13,21 . (7) Job 27,5 . (8) Mt 5,45 . (9) Mt 9,13 . (10) Mc 2,17 . (11) Lc 5,32 . (12) Lc 20,20 .

- nom. vr. enk. of dat. vr. enk. δικαιοσυνη / δικαιοσυνῃ : dikaiosunè(i) (rechtvaardigheid) . Zie het bijvoegl. naamw. δικαιος = dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in de bijbel : dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in de Septuaginta : dikaios (rechtvaardig) . Bijbel (130) . OT (115) . Pentateuch (4) : (1) Gn 20,5 . (2) Gn 30,33 . (3) Ex 15,13 . (4) Lv 19,15 . NT (25) . W (4) : (1) W 1,15 . (2) W 9,3 . (3) W 14,7 . (4) W 15,3 . Een vorm van δικαιοσυνη = dikaiosunè (rechtvaardigheid) in de LXX (351) , in het NT (91) , in Mt (7) , in Mc (0) , in Lc (1) .

-- acc. vr. enk. δικαιοσυνην = dikaiosunèn (rechtvaardigheid) van het zelfst. naamw. δικαιοσυνη = dikaiosunè(i) (rechtvaardigheid) . Zie het bijvoegl. naamw. δικαιος = dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in de bijbel : dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in de Septuaginta : dikaios (rechtvaardig) . Bijbel (142) . OT (109) . Gn (10) : (1) Gn 15,6 . (2) Gn 18,19 . (3) Gn 19,19 . (4) Gn 20,13 . (5) Gn 21,23 . (6) Gn 24,27 . (7) Gn 24,49 . (8) Ex 34,7 . (9) Dt 9,5 . (10) Dt 33,21 . NT (33) . W (3) : (1) W 1,1 . (2) W 5,18 . (3) W 8,7 . NT (33) .
- gen. vr. enk. dikaiosunès (rechtvaardigheid) van het zelfst. naamw. W (3) : (1) W 2,11 . (2) W 5,6 . (3) W 12,16 .


- diktuon (vissersnet) . δικτυον = diktuon (vissersnet) . Taalgebruik in de bijbel : diktuon (vissersnet) . Taalgebruik in de LXX : diktuon (vissersnet) .

 

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. onz. mv. diktua   15                 
                               

- διωγμος = diôgmos (vervolging)

- diôgmos (vervolging) . διωγμος = diôgmos (vervolging) . Taalgebruik in het NT : di˘gmos (vervolging) . Taalgebruik in de LXX : diôgmos (vervolging) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 

nom. mann. enk. diôgmos 

        1 : Hnd 8,1 . 1 : Rom 8,35 .        
gen. mann. enk. diôgmou  1 : Mt 13,21 . 1 : Mc 4,17 .           2 : Mt 13,21 // Mc 4,17 .    
acc. mann. enk. diôgmon          1 : Hnd 13,50 .            
gen. mann. mv. diôgmôn             1 : Mc 10,30 .            
dat. mann. mv.  diôgmois             3 : (1) 2 Kor 12,10 . (2) 2 Tes 1,4 . (3) 2 Tim 3,11 .        
acc. mann. mv. diôgmous               1 : 2 Tim 3,11 .        
  totaal 13  10         

In de evangelies komt een vorm van διωγμος = diôgmos (verdrukking) slechts in twee (parallel)verzen voor : Mt 13,21 // Mc 4,17 (gen. mann. enk. διωγμου = diôgmou) . Een vorm : NT (10) . Hnd (3) . Br. (5) .


- dioti (omdat) . dioti (omdat) . Taalgebruik in de bijbel : dioti (omdat) . Taalgebruik in Lc : dioti (omdat) .

  dioti  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
    332  310  22        15    11 

Een vorm van thlipsis (verdrukking) en diôgmos (vervolging) komt samen voor in 4 verzen in het NT : (1) Mt 13,21 . (2) Mc 4,17 . (3) Rom 8,35 . (4) 2 Tes 1,4 .


- δωδεκα = dôdeka (twaalf)

- d˘deka (twaalf) . δωδεκα = dôdeka (twaalf) . Taalgebruik in het NT : dôdeka (twaalf) . Taalgebruik in de LXX : dôdeka (twaalf) . Mt (12) : (1) Mt 9,20 . (2) Mt 10,1 . (3) Mt 10,2 . (4) Mt 10,5 . (5) Mt 11,1 . (6) Mt 14,20 . (7) Mt 19,28 . (8) Mt 20,17 . (9) Mt 26,14 . (10) Mt 26,20 . (11) Mt 26,47 . (12) Mt 26,53 . Mc (15) : (1) Mc 3,14 . (2) Mc 3,16 . (3) Mc 4,10 . (4) Mc 5,25 . (5) Mc 5,42 . (6) Mc 6,7 . (7) Mc 6,43 . (8) Mc 8,19 . (9) Mc 9,35 . (10) Mc 10,32 . (11) Mc 11,11 . (12) Mc 14,10 . (13) Mc 14,17 . (14) Mc 14,20 . (15) Mc 14,43 . Lc (12) : (1) Lc 2,42 . (2) Lc 6,13 . (3) Lc 8,1 . (4) Lc 8,42 . (5) Lc 8,43 . (6) Lc 9,1 . (7) Lc 9,12 . (8) Lc 9,17 . (9) Lc 18,31 . (10) Lc 22,3 . (11) Lc 22,30 . (12) Lc 22,47 .

    bijbel LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  dôdeka (twaalf) 136 (2³ X 17) 69 + 6 = 75 24 27 5 1 12 8 3 1 11 1 61 12 15 12 6 4 2 10 39 45 1 1

- Hebreeuws . עָשַׂר = `âshâr (tien) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâr (tien) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 57 (3 X 19) OF 570 (2 X 3 X 5 X 19) . Structuur : 7 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (242) . Pentateuch (67) . Eerdere Profeten (55) . Latere Profeten (14) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (103) . 10 doet denken aan de 10 geboden van Mozes , geschreven op de 2 stenen tafelen (12 = 10 + 2) .
`asara (tien) .
- Ned. : tien . Arabisch : عَشَرَة = `asara (tien) . Taalgebruik in de Qoran : `asara (tien) . Aramees : עֲשַׂר = `äshar (tien, 10) . D. : zehn . E. : ten . Fr. : dix . Grieks : δεκα = deka (tien) . Taalgebruik in het NT : deka (tien) . Taalgebruik in de LXX : deka (tien) . Hebreeuws . עָשַׂר = `âshâr (tien) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâr (tien) . Latijn : decem .
-- עָשַׂר שְׁנִים = sjënîm `âshâr (12) . Tenakh (64) . 64 = (5 X 12) + 4 . Tenkh (64) . Bij het begin van het broodverhaal volgens Lucas stellen de twaalf voor om de massa te ontbinden , op het einde (het laatste woord) van het verhaal komt het woord twaalf voor als het aantal korven gebroken brood . De twaalf symboliseren de 12 stammen van Israël , het hele volk . Wellicht verbeelden de 12 korven de 12 stammen van Israël , het hele volk . Toen Mozes in de woestijn vertoefde , mocht het volk op de 6de dag een dubbele portie manna rapen : één voor de 6de dag en één voor de sabbat . Is de aanwezigheid van de 12 korven gebroken brood de aankondiging van de naderende sabbat , de dag van de Heer .

- οἱ δωδεκα = hoi dôdeka (de twaalf) . NT (5) : (1) Lc 8,1 . (2) Lc 9,12 . (3) Lc 22,14 (variante lezing ; de 12 apostelen) . (4) Hnd 6,12 . (5) Apk 21,21 .


 

- dogma (bevel, decreet) . δογμα = dogma (bevel, decreet) . Taalgebruik in de bijbel : dogma (bevel, decreet) . Taalgebruik in Lc : dogma (bevel, decreet) . Een vorm van δογμα = dogma in de LXX (18) , in het NT (5) .

  dogma  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. onz. enk. dogma                    
                               

Het komt in de bijbel slechts hier in Lc 2,1 voor . De nominatief meervoud dogmata (decreten, besluiten) vinden we in Hnd 16,4 ; hiermee zijn de besluiten van de apostelen bedoeld . Genitief meervoud in Hnd 17,7 : apenanti tôn dogmatôn Kaisaros : tegen de besluiten van de keizer .
In Da 2,13 wordt edogmatisthè (er werd gedecreteerd) in de vulgaat vertaald door egressa sententia (de zin / bedoeling werd uitgevaardigd) . Sententia komt in het OT in zeventien verzen voor , in het NT in één vers . Decretum in zestien verzen in de bijbel , enkel in het OT . Het Latijnse edictum komt in tien verzen in de bijbel voor ; in acht verzen in het OT , in twee verzen in het NT . In Lc 2,1 en Heb 11,23 (to diatagma tou basileôs = regis edictum : de uitvaardiging van de koning) . De genitief enkelvoud diatagmatos komt in twee verzen in het OT voor .


- dokeô (menen, schijnen) . δοκεω = dokeô (menen, schijnen) . Taalgebruik in de bijbel : dokeô (menen, schijnen) . Taalgebruik in Lc : dokeô (menen, schijnen) .

  dokeô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. praes. 2de pers. mv. dokeite   10    10       
                               

- doxa (heerlijkheid) . δοξα = doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in de bijbel : doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in de LXX : doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in Lc : doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in Mc : doxa (heerlijkheid) . Een vorm van δοξα = doxa in de LXX (453) , in het NT (165) , in Mt (7) , in Mc (3) , in Lc (13) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  gen. vr. enk. doxès   150  103  47  1 : Mc 13,26 . 37  30 
  dat. vr. enk. doxè(i)   60  37  23  2 : (1) Mc 8,38 . (2) Mc 10,37 .   13    10  12  1  
                               
                               
                               

- d˘re˘ (schenken) . δωρεω = dôreô (schenken) . Taalgebruik in de Bijbel : d˘re˘ (schenken) .
- pass. ind. aor. 3de pers. enk. εδωρησατο = edôrèsato (hij / het werd geschonken) van het werkw. δωρεω = dôreô (schenken) . Taalgebruik in de Bijbel : dôreô (schenken) . Bijbel (2) : (1) Est 8,1 . (2) Mc 15,45 . Een vorm van δωρεω = dôreô in de LXX (8) , in het NT (3) : (1) Mc 15,45 . (2) 2 Pe 1,3 . (3) 2 Pe 1,4 .

- douleu˘ (dienen, slaaf zijn) . douleuô (dienen, slaaf zijn) . Taalgebruik in de Bijbel : douleu˘ (dienen, slaaf zijn) .
- act. inf. praes. douleuein van het werkw. Bijbel (23) : (1) Ex 14,5 . (2) Ex 14,12 . (3) 1 S 2,24 . (4) Js 56,6 . (5) Jr 11,10 . (6) Jr 13,10 . (7) Jr 25,6 . (8) Jr 27,6 . (9) Jr 34,9 . (10) Jr 35,15 . (11) Sef 3,9 . (12) Ps 102,23 . (13) 2 Kr 33,16 . (14) 2 Kr 34,33 . (15) Jdt 11,1 . (16) 1 Mak 6,23 . (17) Sir 2,1 . (18) Mt 6,24 . (19) Lc 16,13 . (20) Rom 6,6 . (21) Rom 7,6 . (22) Gal 4,9 . (23) 1 Tes 1,9 .

- doulos (dienaar) . δουλος = doulos (dienaar) . Taalgebruik in het NT : doulos (dienaar) . Taalgebruik in de Septuaginta : doulos (dienaar) . Taalgebruik in Mc : doulos (dienaar) .

  doulos (dienaar) bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk syn. ev. P. A. b.
1 nom. enk.doulos 110 76 34 8 1 6 5   13 1 15 20  10  3
2 voc. mann. enk. doule                 
3 gen. enk. doulou 55 49 6 2   1     2 1 3  
4 dat. enk. doulôi 37 31 6 1   3 1     1 4    
5 acc. enk. doulon 60 43 17 2 3 9 1   2   14 15   
6 nom. mv. douloi 68 46 22 3   2 2 1 12 2 5 10  2
7 gen. mann. mv. doulôn   47  42             
8 acc.  mv. doulous 47 28 19 7   3 1 1 3 4 10 11   
  Totaal   430 315 115 29 4 26 11 2 32 11 59 70  27  5

 

  doulos (dienaar) Br.  Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  P.  A.b 
1 nom. enk.doulos 13                                              
2 voc. amnn. enk. doule                                                 
3 gen. enk. doulou 2                                              
4 dat. enk. doulôi                                                
5 acc. enk. doulon 2                                              
6 nom. mv. douloi 12                                              
7 gen. mann. mv. doulôn                                                  
8 acc.  mv. doulous 3                                              
  Totaal   32                                              

- nom. + dat. vr. enk. δουλ = doulè(i) (dienares) . Zie : δουλ= doulos (dienaar) . Taalgebruik in de bijbel : doulos (dienaar) . doulos (dienaar) . Taalgebruik in de Septuaginta : doulos (dienaar) . Bijbel (22) . OT (21) . NT (1) . Hebr. `èbhèd (dienaar, knecht) . Taalgebruik in Tenakh : `èbhèd (dienaar) . Getalwaarde : ayin = 16 of 70 , beth = 2 , daleth = 4 . Totaal : 22 (2 X 11) of 76 (4 X 19) . Structuur : 7 - 2 - 4 .
- gen. vr. enk. δουλης = doulès van het zelfst. naamw. δουλη = doulè (dienares) . Zie δουλος = doulos (dienaar) . Taalgebruik in het NT : doulos (dienaar) . Taalgebruik in de Septuaginta : doulos (dienaar) . Bijbel (11) : (1) 1 S 1,11 . (2) 1 S 25,24 . (3) 1 S 25,28 . (4) 1 S 25,31 . (5) 1 S 28,22 . (6) 2 S 14,15 . (7) 2 S 14,19 . (8) 2 S 20,17 . (9) Rt 2,13 . (10) Jdt 11,5 . (11) Lc 1,48 .
Arabisch : `abd (slaaf) . Taalgebruik in de Koran : `abd (slaaf) . Bijbel (11) : (1) 1 S 1,11 . (2) 1 S 25,24 . (3) 1 S 25,28 . (4) 1 S 25,31 . (5) 1 S 28,22 . (6) 2 S 14,15 . (7) 2 S 14,19 . (8) 2 S 20,17 . (9) Rt 2,13 . (10) Jdt 11,5 . (11) Lc 1,48 .

- doulos Ièsou komt slechts voor in Rom 1,1 . doulos Christou komt slechts voor in Kol 4,12 .


- doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik : doxa (heerlijkheid) . Hebr. khabhôd (heerlijkheid) . In Hebreeuws betekent het zwaarte (b.v. van zijn mantel) . In het Grieks getransponeerd naar iets lichts , heerlijks : doxa . Lat. gloria . Fr. gloire . Ned. heerlijkheid .

doxa (heerlijkheid) (enk.) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. vr. enk. doxa  134  101  33        23  4 19 
gen. vr. enk. doxès   150  103  47  37  30 
dat. vr. enk. doxè(i)  60  37  23    13    10  12 
acc. vr. enk.  doxan 187  134  4   12  23  10  18  19 
totaal 531  375  156  13  16  96  17  23  39  80  16 

 

doxa (heerlijkheid) (enk.) bijbel OT NT Hnd Apk syn.  ev.  Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Heb Jak 1 Pe 2 Pe Jud  P.  A. b. 
nom. vr. enk. doxa  134  101  33    4 23          19 
gen. vr. enk. doxès   150  103  47  37      30 
dat. vr. enk. doxè(i)  60  37  23      10  13                      12 
acc. vr. enk.  doxan 187  134  4 10  18  23                    19 
totaal 531  375  156  17  23  39  96  16  19  80  16 

- nom. vr. enk. δοξα = doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in de bijbel : doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in de LXX : doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in Lc : doxa (heerlijkheid) . Lc (4) : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 2,14 . (3) Lc 14,10 . (4) Lc 19,38 . Een vorm van δοξα = doxa (heerlijkheid) in de LXX (453) , in het NT (165) , in Lc (13) : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 2,14 . (3) Lc 2,32 . (4) Lc 4,6 . (5) Lc 9,26 . (6) Lc 9,31 . (7) Lc 9,32 . (8) Lc 12,27 . (9) Lc 14,10 . (10) Lc 17,18 . (11) Lc 19,38 . (12) Lc 21,27 . (13) Lc 24,26 . In Lc : 4 vormen in 9 hoofdstukken en in 13 verzen .

doxa (heerlijkheid) (enk.) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. vr. enk. doxa  134  101  33        23  4 19 

      1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
  doxa (enk.) Lc Lc 2 Lc 4 Lc 9 Lc 12 Lc 14 Lc 17 Lc 19 Lc 21 Lc 24
1. nom. vr. enk. doxa  Lc 2,9 . (2) Lc 2,14 .       (3) Lc 14,10 .   (4) Lc 19,38 .        
2. gen. vr. enk. doxès                 (1) Lc 21,27 .    
3. dat. vr. enk. doxè(i)      (1) Lc 9,26 . (2) Lc 9,31 (3) Lc 12,27 .            
4. acc. vr. enk.  doxan (1) Lc 2,32 (2) Lc 4,6 . (3) Lc 9,32 .     (4) Lc 17,18 .         (5) Lc 24,26
  totaal 13 

- כַבוֹד = kabhôd (heerlijkheid) . Taalgebruik in Tenakh : kabhôd (heerlijkheid) . Taalgebruik in Jesaja : kabhôd (heerlijkheid) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , beth = 2 , waw = 6 , daleth = 4 . Totaal : 23 OF 32 (2² X 2³) . Structuur : 2 - 2 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . כַבֹד = kabhod = 17. Tenakh (82) . Pentateuch (10) . Niet in Gn . Niet in Dt . Ex (4) telkens in combinatie met JHWH : (1) Ex 16,7 . (2) Ex 16,10 . (3) Ex 24,16 . (4) Ex 24,17 .
- וּכַבֹד = ûkhëbhôd (en de heerlijkheid) . Tenakh (26) . Pentateuch (3) : (1) Ex 40,34 . (2) Ex 40,35 . (3) Nu 14,10 . In 7 verzen in combinatie met JHWH .
- In Hebreeuws betekent het zwaarte (b.v. van zijn mantel) . In het Grieks getransponeerd naar iets lichts , heerlijks : δοξα = doxa . Lat. gloria . Fr. gloire . Ned. heerlijkheid .

- doxan theou (heerlijkheid van God) (4) : (1) Hnd 7,55 . (2) Rom 15,7 . (3) 1 Kor 10,31 . (4) Fil 2,11 . doxan tou theou (heerlijkheid van God) (4) : (1) Joh 11,40 . (2) Joh 12,43 . (3) 2 Kor 4,15 . (4) Apk 22,11 .

- eis doxan (tot heerlijkheid) . NT (11) : (1) Lc 24,26 . (2) Rom 3,7 . (3) Rom 9,23 . (4) Rom 15,7 . (5) 1 Kor 2,7 . (6) 1 Kor 10,31 . (7) 2 Kor 3,18 . (8) 2 Kor 4,15 . (9) Fil 1,11 . (10) Fil 2,11 . (11) Heb 2,10 .

- eis doxan (tou) theou (tot heerlijkheid van God) . NT (4) : (1) Rom 15,7 . (2) 1 Kor 10,31 . (3) 2 Kor 4,15 (tou theou = van God) . (4) Fil 2,11 .

7. - 8. doxa kuriou (de heerlijkheid van de Heer) . In het NT slechts in dit vers . Hebr. këbhôd JHWH (heerlijkheid van JHWH)
of 6. - 8. kai doxa kuriou (en de heerlijkheid van de Heer) . Hebr. ûkhëbhôd JHWH (en de heerlijkheid van JHWH) .

kabhôd (heerlijkheid)  Tenach Ex   Lv   Nu   Joz   1 S  1 K  1 Kr  2 Kr  Est  Ps  Spr  Pr  Js  Jr  Ez  Da  Hos  Mi  Hab  Hag  Zach  Mal 
kabhôd (heerlijkheid)   82  2 17   14  10   
ûkhëbhôd (en de heerlijkheid)   26                           
khebhôdô (zijn heerlijkheid)   13                                   
ûkhëbhôdô (en zijn heerlijkheid)                                           
këbhôd JHWH (heerlijkheid van JHWH)  17                               
ûkhëbhôd JHWH (en de heerlijkheid van JHWH)                                   

doxazô (verheerlijken) . δοξαζω = doxazô (verheerlijken, loven) . Taalgebruik in het NT : doxazô (verheerlijken) . Taalgebruik in de LXX : doxazô (verheerlijken) . Taalgebruik in Lc : doxazô (verheerlijken) . Een vorm van δοξαζω = doxazô in de LXX (143) , in het NT (61) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
                               
  pass. part. praes. nom. mann. enk. doxazomenos                    
                               
                               


--- doxazôn (verheerlijkend) . Tegenwoordig deelwoord nominatief mannelijk enkelvoud . In zeven verzen in de bijbel . In drie verzen in het OT . In vier verzen in het NT . : (1) Lc 5,25 . (2) Lc 17,15 . (3) Lc 18,43 . (4) Joh
--- act. part. praes. nom. mann. mv. δοξαζοντες = doxazontes (verheerlijkend) van het werkw. Bijbel (5) : (1) Kl 1,8 . (2) Sir 43,28 . (3) Sir 43,30 . (4) Lc 2,20 . (5) 2 Kor 9,13 .
--- doxason (verheerlijk) . Actief imperatief praesens tweede persoon enkelvoud . In negen verzen in de bijbel . In zes verzen in het OT . In drie verzen in het NT , nl. bij Johannes .
--- edoxazen (hij verheerlijkte) . In twee verzen in de bijbel : (1) Lc 13,13 . (2) Lc 23,47 .
--- edoxazon (zij verheerlijkten) . In zes verzen in de bijbel , enkel in het NT : (1) Lc 5,26 . (2) Lc 7,16 . (3) Hnd 4,21 . (4) Hnd 13,48 . (5) Hnd 21,20 . (6) Gal 1,24 . (1) Lc 5,25 . (2) Lc 5,26 . (3) Lc 7,16  Lc 13,13  Lc 17,15 Lc 18,43 Lc 23,47

doxaô (verheerlijken) . Verwijzing : doxazô (verheerlijken) , zie Lc 5,26 ; doxa (heerlijkheid) , zie Lc 2,9 .
--- doxazô ton theon : God verheerlijken . In zes van de zeven gevallen verheerlijkt de genezene God . In het zevende geval verheerlijkt de honderdman God bij het zien van de wijze waarop Jezus is gestorven .

edoxazon (zij verheerlijkten) . In zes verzen in de bijbel , enkel in het NT : (1) Lc 5,26 . (2) Lc 7,16 . (3) Hnd 4,21 . (4) Hnd 13,48 . (5) Hnd 21,20 . (6) Gal 1,24 .

- Een vorm van δοξαζω = doxazô (verheerlijken, loven) + τον θεον = ton theon (God) : God verheerlijken . Lc (7) . In zes van de zeven gevallen verheerlijkt een genezene of zijn omstaanders God : (1) Lc 5,25 . (2) Lc 5,26 . (3) Lc 7,16 . (4) Lc 13,13 . (5) Lc 17,15 . (6) Lc 18,43 . (7) Lc 23,47 . In het zevende geval verheerlijkt de honderdman God bij het zien van de wijze waarop Jezus is gestorven (Lc 23,47) . Hnd (3) : (1) Hnd 4,21 . (2) Hnd 11,18 . (3) Hnd 21,20 .

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Lc 5,25 Lc 5,26  Lc 7,16   Lc 13,13   Lc 17,15 Lc 18,43  Lc 23,47
  kai ekstasis elaben hapantes (en ontzetting benam allen)   elaben de fobos pantas (vrees echter benam allen)        
doxazôn ton theon (God verheerlijkend) kai edoxazon ton theon (en zij verheerlijkten God)  kai edoxazon ton theon (en zij verheerlijkten God) kai edoxazon ton theon (en zij verheerlijkten God) doxazôn ton theon (God verheerlijkend)  doxazôn ton theon (God verheerlijkend)   edoxazen ton theon (hij verheerlijkte God)
67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 - 110. De zoon van de weduwe van Naïn : Lc 7,11-17 - 223. Genezing van een kromgebogen vrouw op sabbat : Lc 13,10-17 - 253. Genezing van de tien melaatsen : Lc 17,11-19 - 276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc 10,46-52 - Lc 18,35-43 - 347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48

- δυναμαι = dunamai (kunnen)

- dunamai (kunnen) . δυναμαι = dunamai (kunnen) . Taalgebruik in het NT : dunamai (kunnen) . Taalgebruik in de LXX : dunamai (kunnen) .

- ind. praes. 3de pers. enk. δυναται = dunatai (hij kan) van het (hulp-) werkw. δυναμαι = dunamai (kunnen) . Taalgebruik in het NT : dunamai (kunnen) . Taalgebruik in de LXX : dunamai (kunnen) . Taalgebruik in Mc : dunamai (kunnen) . Bijbel (82) . OT (12) . NT (70) . Mc (11) : (1) Mc 2,7 .  (2) Mc 3,23 . (3) Mc 3,24 . (4) Mc 3,26 . (5) Mc 3,27 .  (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,18 .  (8) Mc 9,3 . (9) Mc 9,29 .  (10) Mc 10,26 .  (11) Mc 15,31 . Lc (9) : (1) Lc 3,8 . (2) Lc 5,21 . (3) Lc 6,39 . (4) Lc 12,25 . (5) Lc 14,26 . (6) Lc 14,27 . (7) Lc 14,33 . (8) Lc 16,13 . (9) Lc 18,26 . Een vorm van δυναμαι = dunamai (kunnen) in de LXX (332) , in het NT (209) , in Mt (27) , in Lc (26) .

- ind. imperf. 3de pers. enk. εδυνατο = edunato (hij kon) van het (hulp-) werkw. δυναμαι = dunamai (kunnen) . Taalgebruik in het NT : dunamai (kunnen) . Taalgebruik in de LXX : dunamai (kunnen) . Taalgebruik in Mc : dunamai (kunnen) . Bijbel (16) . OT (5) . NT (11) : (1) Mt 22,46 . (2) Mt 26,9 . (3) Mc 5,3 . (4) Mc 6,5 . (5) Lc 1,22 . (6) Joh 11,37 . (7) Hnd 26,32 . (8) Apk 5,3 . (9) Apk 7,9 . (10) Apk 14,3 . (11) Apk 15,8 . Een vorm van δυναμαι = dunamai (kunnen) in de LXX (332) , in het NT (209) .


- dunamis (macht, kracht) . dunamis (macht, kracht) . Taalgebruik in de bijbel : dunamis (macht, kracht) . Taalgebruik in Mc : dunamis (macht, kracht) . Taalgebruik in Lc : dunamis (macht, kracht) . Taalgebruik in Hnd : dunamis (macht, kracht) . Hebr. chaîl (kracht, sterkte) . Taalgebruik in Tenach : chaîl (kracht, sterkte) .
- Lat. vir-tus . Fr. puissance + E. power < Lat. potentia (mogelijkheid) zie Lat. posse (kunnen) . Ned. kracht . D. Kraft .

dunamis bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk 
nom. vr. enk. dunamis 88 59 11 0 0 3 : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 6,19 . 0 1 : Hnd 8,10 . 5 2
voc.                    
gen.  170 104 19 1 2 : (1) Mc 13,26 . (2) Mc 14,62 . 2 : (1) Lc 21,27 . (2) Lc 22,69 . 0 1 : Hnd 6,8 . 11 2
dat.  126 83 25 0 1 3 : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,36 . 0 4 : (1) Hnd 3,12 . (2) Hnd 4,7 . (3) Hnd 4,33 . (4) Hnd 10,38 . 16 1
acc.  128 70 32 2 4 4 : (1) Lc 8,46 . (2) Lc 9,1 . (3) Lc 10,19 . (4) Lc 24,49 . 0 1 : Hnd 1,8 . 15 6
Totaal       87 3 7 12 0 7 47 11

Een vorm van dunamis (macht, kracht) in Mc in 7 verzen :


-- dunamin . Accusatief enkelvoud . In zes verzen in Apk : (1) Apk 3,8 . (2) Apk 4,11 . (3) Apk 5,12 . (4) Apk 11,17 . (5) Apk 13,2 . (6) Apk 17,13 .

 

Lc 1,35 a Lc 1,35 b Hnd 1,8 Lc 24,49 Lc 1,17 Lc 3,22 Lc 4,14a Lc 4,18
   kai (en) kai lèmpsethe (en gij zult ontvangen) heôs hou endusèsthe (totdat jullie   kai (en) katabènai (neerdalen)     
pneuma hagion (heilige geest) dunamis hupsistou (de kracht van de Allerhoogste)  dunamin (kracht) eks hupsous dunamin (vanuit de hoge kracht) en pneumati kai dunamei èliou (in de geest en de kracht van Elia)   to pneuma to hagion (de heilige geest) ... en tèi dunamei tou pneutos (in de kracht van de geest) pneuma kuriou (de geest van de Heer)
epeleusetai (zal komen) epi se (over u) episkiasei (zal overschaduwen)   soi (u)   epelthontos tou hagiou pneumatos (van de komende heilige geest) ef'humas (over u)     ep'auton (over hem)     ep'eme (op mij) 
3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38  Hnd 1,1-14 : Jezus'laatste opdracht en hemelvaart 355. Verschijning aan de leerlingen in Jeruzalem : Lc 24,36-49 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25   18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 22. Prediking te Nazaret en verwerping : Lc 4,16-30 - Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58

- dunatos (mogelijk, krachtig) . dunatos (mogelijk, krachtig) . Taalgebruik in de bijbel : dunatos (mogelijk, krachtig) . Taalgebruik in Mc : dunatos (mogelijk, krachtig) .

  dunatos  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  nom. + acc. onz. mv. dunata   3 : (1) Mc 9,23 . (2) Mc 10,27 . (3) Mc 14,36 .        
                               
                               

- dunô = duô (onderdompelen, ondergaan) . δυνω / δυω = dunô / duô (onderdompelen, ondergaan) . Taalgebruik in het NT : dunô = duô (onderdompelen, ondergaan) . Taalgebruik in de LXX : dunô = duô (onderdompelen, ondergaan) . Een vorm van δυνω / δυω = dunô / duô (onderdompelen, ondergaan) in de LXX (26) , in het NT (2) .

  dunô = duô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. part. praes. gen. mann. enk. dunontos                 
                               
                               

- duskolôs (ontevreden, moeilijk) . duskolös (ontevreden, moeilijk) . Taalgebruik in de bijbel : duskolôs (ontevreden, moeilijk) . Taalgebruik in Mc : duskolôs (ontevreden, moeilijk) . Bijwoord .

duskolös  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
               

- duskolos (ontevreden, moeilijk) . duskolos (ontevreden, moeilijk) . Taalgebruik in de bijbel : duskolos (ontevreden, moeilijk) . Taalgebruik in Mc : duskolos (ontevreden, moeilijk) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. onz. + acc. mann. + onz. enk. duskolon     1 : Mc 10,24 .