NIEUWE TESTAMENT : TAALGEBRUIK E

Overzicht van het N.T. : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -

Overzicht van Tenach : Tenach : overzicht , Tenach : taalgebruik - Tenach A - Tenach B - Tenach C - Tenach D - Tenach E - Tenach F - Tenach G - Tenach H - Tenach I - Tenach J - Tenach K - Tenach L - Tenach M - Tenach N - Tenach O - Tenach P - Tenach Q - Tenach R - Tenach S - Tenach T - Tenach U - Tenach V - Tenach W - Tenach X -Tenach Y - Tenach Z - Tenach : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - Septuaginta A - Septuaginta B - Septuaginta C - Septuaginta D - Septuaginta E - Septuaginta F - Septuaginta G - Septuaginta H - Septuaginta I - Septuaginta J - Septuaginta K - Septuaginta L - Septuaginta M - Septuaginta N - Septuaginta O - Septuaginta P - Septuaginta Q - Septuaginta R - Septuaginta S - Septuaginta T - Septuaginta U - Septuaginta V - Septuaginta W - Septuaginta X -Septuaginta Y - Septuaginta Z - Septuaginta : commentaar ,

- egô (ik) -- eimi (zijn) -- eirènè (vrede) -- eis (naar) -- eiserchomai (binnengaan) -- ek (uit) -- ekeinos (die) - ekklèsia (kerk) -- emprosthen (in nabijheid van) - en (in) -- tè(i) epaurion ('s anderendaags) -- epi (op, bij) -- erèmos (woestijn) -- euaggelion (evangelie) -- eucharisteô (danken) -- euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) -


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
 
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm . WEBLOG : BIJBELLEERHUIS
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts (Vlaams Blok) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen -

Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , bijbelTaalgebruiken - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

-
OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


OPGELET : De getallen verwijzen steeds naar het aantal verzen waarin een 'woord' voorkomt . Eenzelfde 'woord' kan echter meerdere malen in hetzelfde vers voorkomen .

  N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
boeknr.  27 40 41 42 43 44 45 - 65 66    
hoofdst.  260 28 16 24 21 28 121 22 68  89 
verzen  7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 

  N.T. Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul. Ap. br.
boeknr.  27 (aantal)   45  46  47  48  49  50  51  52  53  54  55  56  57  58  59  60  61  62  63  64  65     
hoofdst.  260 121 16  16  13  13  100 21
verzen  7957 2767 433  437  257  149  155  104  95  89  47  113  83  46  25  303  108  105  61  105  13  14  25  2336  431 

E

- ea (aai) . ea (aai) . Uitroep van pijnlijke verbazing . Taalgebruik in het N.T. : ea (aai) . Taalgebruik in Lc : ea (aai) .

  ea (aai)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                   

- ean (indien) . ean (indien) . Taalgebruik in het N.T. : ean (indien) . Taalgebruik in Mc : ean (indien) .

  ean (indien)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
    1411  1103  308  56  32  27  54  10  120  115  169     

- eaô (laten, toelaten) . eaô (laten, toelaten) . Taalgebruik in het N.T. : eaô (laten, toelaten) . Taalgebruik in Lc : eaô (laten, toelaten) .

  eaô  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. imperf. 3de pers. enk. eia                  
                               

- echô (hebben, bezitten) . echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het N.T. . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in Mc . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in Lc .Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir .

echô (hebben, bezitten)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. pr. 3de pers. enk echei   136  44  92  11  10  12  18  18  33  51     
 part. pr. nom. mann. enk. echôn 114  32  82  10  12  18  32  25  30  15 
act. ind.imperf. 3de pers. enk. eichen (hij had)   46  23  23  14  16   
act. ind. imperf. 3de pers. mv. eichon  32  13  19  10 
                             
                             
                             
                             
                             
                             
totaal                            

 

- èdè (reeds) . Taalgebruik in het N.T. : èdè (reeds) .

èdè (reeds)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  92  36  56  16  15    23  39  12 

Mc (7) : (1) Mc 4,37 . (2) Mc 6,35 . (3) Mc 8,2 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 13,28 . (6) Mc 15,42 . (7) Mc 15,44 .

- efèmeria (beurt volgens de dagrooster) . efèmeria (beurt volgens de dagrooster) . Taalgebruik in het N.T. : efèmeria (beurt volgens de dagrooster) . Taalgebruik in Mc : efèmeria (beurt volgens de dagrooster) .

    bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  gen. vr. enk. efèmerias   10                 

- efistèmi (staan bij) . efistèmi (staan bij) . Taalgebruik in het N.T. : efistèmi (staan bij) . Taalgebruik in Lc : efistèmi (staan bij) . Taalgebruik in Hnd : efistèmi (staan bij) .

efistèmi (staan bij)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 

ind. aor. 3de p. enk. epestè 

             
ind. aor. 3de p. mv. epestèsan                
part. aor. nom. mann. enk. epistas                 
part. aor. nom. vr. enk. epistasa                   
part. aor. nom. mann. mv. epistantes                         
ind. perf. 3de p. enk. efestèken                    
part. perf. nom. mann. enk. efestôs                       
act. conj. aor. 3de pers. enk. epistè(i)                  
totaal                            

Aorist derde persoon meervoud van het werkwoord epistèmi (staan bij) . In negen verzen in de bijbel . In vier verzen in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. : (1) Lc 20,1 . (2) Lc 24,4 . (3) Hnd 4,1 . (4) Hnd 10,17 . (5) Hnd 11,11 .

- egeirô (wekken) . egeirô (opwekken) . Taalgebruik in het N.T. : egeirô (wekken) . Taalgebruik in Mc : egeirô (wekken) . Wellicht wekken uit de slaap , op-wekken . Ned. wekken vlg. Lat. vegere : flink , levendig zijn , opgewekt zijn . . Lat. resurgere . Surgere ( surrexi , surrectum ) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super = op , boven + regere ( rexi , rectum ) : richten (rechtop) , leiden , sturen . -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten , terug rechtop staan . Ned. rekken ( Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr. résurrection .
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare (citus : vlug , snel) : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven .
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-) waken .

  egeirô (opwekken) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
  ind. pr. 3de p. enk. egeirei            
  ind. pr. 3de p. mv. egeirousin              
  act. imperat..praes. 2de pers. enk. egeire 14   14 1 5 4 1 1 1 1    
  imp. 2de p. mv. egeirete                  
  inf. pr. egeirein                  
  ind imp. 3de p. enk. ègeiren 27  20    10       
  ind. imp. 3de p. mv. ègeiran                
  inf. aor. egeirai               
  pas. ind. pr. 3de p. enk. egeiretai 5   5       2   3      
  pass. ind. praes. 3de pers. mv. egeirontai 10 1 9 1 1 2     5      
  pas. imper. praes. 2de pers. mv. egeiresthe            
  pas. conj. praes. 3de pers. enk. egeirètai               
  pass. fut. 3de pers. enk. egerthèsetai              
  pas. fut. 3de p. mv.  egerthèsontai 5            
  pass. ind. aor. 3de pers. enk. ègerthè 23  18       
  pas. ind. aor. 3de p. mv. ègerthèsan 2                  
  pas. conj. 3de p. enk. egerthè(i)                 
  pas. imp. 2de p. mv. egerthète                  
 

pass. inf. aor. egerthènai 

           
  pass. part. aor. nom. mann. + vr. enk. egertheis 13   13           
  pas. perf. 3de pers. enk. egègertai               
  pas. part. perf. acc. mann. enk. egègermenon              
  part. aor. nom. m. + vr. mv.                        
  Nog andere vormen...                          
  egeirô (opwekken) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
                           

actief imperfectum derde persoon enkelvoud . In zevenentwintig verzen in de bijbel . In zeven verzen in het O.T. . In twintig verzen in het N.T . Niet bij Matteüs . In twee verzen bij Marcus : (1) Mc 1,31 . (2) Mc 9,27 . In één vers bij Lucas . In drie verzen bij Johannes .

egeire (wek op, ontwaak) . Imperatief praesens . Het komt enkel in het N.T. voor , in veertien verzen. In één vers bij Matteüs . In vijf verzen bij Marcus . Bij Marcus : (1) Mc 2,9 (// Mt 9,5 // Lc 5,23) . (2) Mc 2,11 (// Lc 5,24 // Joh 5,8 ) . (3) Mc 3,3 (// Lc 6,8 ) . (4) Mc 5,41 (// Lc 8,54 ) . (5) Mc 10,49 . (1) Mc 2,9 : woord van Jezus tot de lamme . (3) Mc 3,3 : een woord van Jezus tot de man met de verschrompelde hand . (4) Mc 5,41 : een woord van Jezus tot het dochtertje van Jaïrus . (5) Mc 10,49 : een bemoedigend woord van het volk tot de blinde Bartimeüs .

egeirô (opwekken) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk    
act. ind imperf. 3de p. enk. ègeiren 27  20    10       

Mc (2) : (1) Mc 1,31 . (2) Mc 9,27 . Lc (1) : Lc 1,69 . Joh (3) : (1) Joh 12,1 . (2) Joh 12,9 . (3) Joh 12,17 . Hnd (10) : (1) Hnd 3,7 . (2) Hnd 3,15 . (3) Hnd 4,10 . (4) Hnd 5,30 . (5) Hnd 10,26 . (6) Hnd 10,40 . (7) Hnd 12,7 . (8) Hnd 13,22 . (9) Hnd 13,30 . (10) Hnd 13,37 .  Brieven (4) : (1) Rom 10,9 . (2) 1 Kor 6,14 . (3) 1 Kor 15,15 . (4) 1 Tes 1,10 .

- egègertai ( Hij is opgewekt ) . Passief perf. 3de pers. enk. van het werkwoord egeirô . Lat. resurgere . Surgere ( surrexi , surrectum ) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super = op , boven + regere ( rexi , rectum ) : richten , leiden , sturen . Ned. rekken ( Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr. résurrection .
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven .
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-) waken .
In 9 verzen in het N.T. . In 7 verzen in 1 Kor 15 : (1) 1 Kor 15,4 . (2) 1 Kor 15,12 . (3) 1 Kor 15,13 ( b : oude christos egègertai = is Christus niet opgewekt ) . (4) 1 Kor 15,14 ( b : ei de christos ouk egègertai = als Christus niet is opgewekt ) . (5) 1 Kor 15,16 ( b : oude christos egègertai = is Christus niet opgewekt ) . (6) 1 Kor 15,17 ( b : ei de christos ouk egègertai = als Christus niet is opgewekt ) . (7) 1 Kor 15,20 ( nuni de christos egègertai ek nekrôn = nu echter Christus is opgewekt uit de doden ) .

ègeiren ek nekrôn ( Hij wekte op uit de doden ) . In zes verzen in het N.T. : (1) Joh 12,1 . (2) Joh 12,9 . (3) Hnd 3,15 . (4) Hnd 4,10 . (5) Rom 10,9 . (6) 1 Tes 1,10 .

egeirô (opwekken, doen ontwaken) . Taalgebruik : egeirô (ontwaken, opwekken) , zie Mc 1,31 .
--- egeirousin (zij wekken) . In één vers in de bijbel , nl. Mc 4,38 . Hebreeuwse vertaling wajjâqîmû (Hifil imperfectum derde persoon meervoud) (en zij deden opstaan = zij richtten op) : (1) Joz 7,26 (kai epestèsan) . (2) Joz 8,29 (kai epestèsan) . (3) Re 18,30 (kai anestèsan) .
--- egeire (wek op, ontwaak) . Imperatief praesens . Het komt enkel in het N.T. voor , in veertien verzen. In één vers bij Matteüs . In vijf verzen bij Marcus . In vier verzen bij Lucas . In één vers bij Johannes enz. Bij Matteüs : Mt 9,5 (// Mc 2,9 // Lc 5,23 . Bij Marcus : (1) Mc 2,9 (// Mt 9,5 // Lc 5,23) . (2) Mc 2,11 (// Lc 5,24 // Joh 5,8 ) . (3) Mc 3,3 (// Lc 6,8 ) . (4) Mc 5,41 (// Lc 8,54 ) . (5) Mc 10,49 . (1) Mc 2,9 : woord van Jezus tot de lamme (3) Mc 3,3 : een woord van Jezus tot de man met de verschrompelde hand (4) Mc 5,41 : een woord van Jezus tot het dochtertje van Jaïrus (5) Mc 10,49 : een bemoedigend woord van het volk tot de blinde Bartimeüs . Bij Lucas : (1) Lc 5,23 (// Mt 9,5 (// Mc 2,9 ) . (2) Lc 5,24 (// Mc 2,11 // Joh 5,8 ) . (3) Lc 6,8 (// Mc 3,3 ) . (4) Lc 8,54 (// Mc 5,41 ) . Bij Johannes : Joh 5,8 (// Mc 2,11 // Lc 5,24 ) . (12) Hnd 3,9 : een woord van Petrus tot de lamme . (13) Ef 5,14 . (14) Apk 11,1 .
--- ègerthè (hij werd opgewekt) . Passief aorist derde persoon enkelvoud . Het komt in drieëntwintig verzen in de bijbel voor . In vijf verzen in het O.T.. In achttien verzen in het N.T. . In zes verzen bij Matteüs , in drie verzen bij Marcus , in vier verzen bij Lucas , in twee verzen bij Johannes enz. Bij Matteüs : (1) Mt 8,15 . (2) Mt 9,25 . (3) Mt 14,2 . (4) Mt 27,64 . (5) Mt 28,6 . (6) Mt 28,7 . Bij Marcus : (1) Mc 2,12 . (2) Mc 6,16 . (3) Mc 16,6 . (1) Mc 2,12 : de opwekking van de lamme . (2) Mc 6,16 : Herodes zei : Johannes die ik heb onthoofd , deze werd opgewekt . (3) Mc 16,6 : de engel zei tot de vrouwen : Hij werd opgewekt . In Hnd : Hnd 9,8 .
--- egertheis (ontwaakt, gewekt) . Passief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud. In 13 verzen in de bijbel, enkel in het N.T. In 9 verzen bij Matteüs, niet bij Marcus, in 1 vers bij Lucas, in 1 vers bij Johannes. Bij Matteüs : (1) Mt 1,24 . (2) Mt 2,13 . (3) Mt 2,14 . (4) Mt 2,20 . (5) Mt 2,21 . (6) Mt 8,26 . (7) Mt 9,6 . (8) Mt 9,7 . (9) Mt 9,19 .
- qûm (opstaan) . In zesenveertig verzen in de bijbel .
- wajjâqâm . In 125 verzen in de bijbel . In vijf / zes verzen in Ex (Exodus) : (1) Ex 1,8 . (2) Ex 2,17 . (3) Ex 12,30 . (4) Ex 24,13 . (5) Ex 40,18 (wajjâqèm hij deed opstaan ; hifil) . (6) Ex 40,33 .
-- wajjâqâm mosjèh (en Mozes stond op) . In drie verzen in de bijbel : (1) Ex 2,17 . (2) Ex 24,13 . (3) Nu 16,25 .
--- hâqem en huqam . In zes verzen in de bijbel .
--- qûmi (sta op) . Actief aorist tweede persoon vrouwelijk enkelvoud . In zestien verzen in de bijbel . (8) Js 51,17 . (9) Js 52,2 .
--- wahäqîmothî (ik doe opstaan) . Hifil aorist eerste persoon enkelvoud . In vier verzen in de bijbel : (1) Lv 26,9 . (2) 1 S 2,35 . (3) 2 S 7,12 . (4) Js 29,3 .
--- ´âqîm (ik zal doen opstaan) . Hifil imperfectum eerste persoon enkelvoud . In vijf verzen in de bijbel : (1) Gn 17,21 . (2) Dt 18,18 . (3) 1 S 3,12 . (4) Jr 30,9 . (5) Am 9,11 (tweemaal) .

- eggizô (naderen) . Taalgebruik in het N.T. : eggizô (naderen) . Taalgebruik in Mc : eggizô (naderen) .

eggizô (naderen)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.   A. b.  
ind. pr. 3de p. enk. eggizei  12  10                 
ind. pr. 3de p. mv. eggizousin                 
ind. imperf. 3de p. enk. èggizen               
part. pr. nom. mann. mv. eggizontes                 
inf. pr. eggizein                
ind. aor. 3de p. enk. èggisen   31  24             
ind. aor. 3de p. mv.  èggisan 18  16               
part. aor. nom. mann. enk. eggisas               
ind. perf. 3de pers. enk. èggiken   18  14        11  11 
Andere vormen                              
Totaal 107  74  33  16      26  26 

- eggizein . Infinitief praesens . In zes verzen in de bijbel . In vier verzen in het O.T. . In twee verzen in het N.T. : (1) Lc 18,35 : egeneto de en tôi eggizein auton eis Ierichô (terwijl hij echter Jericho naderde) . (2) Hnd 9,3 : egeneto eggizein auton tèi Damaskôi (het gebeurde dat hij Damaskus naderde) .
- èggisen (hij naderde) . In de 3de persoon enkelvoud komt het in 31 verzen in de bijbel voor; in 24 verzen in het O.T. en in 7 verzen in het N.T ; bij Matteüs slechts in Mt 21,34 .
- èggisan (zij naderden) indicatief aorist 3e persoon meervoud van het werkwoord eggizô : naderen. In deze vorm komt het in 18 verzen in de bijbel voor; in 16 verzen in het O.T. en in 2 verzen in het N.T. ; in Mt 21,1 en Lc 24,28 .
- èggiken (het is nabij) komt bij Matteüs 5X voor : Mt 3,2 Mt 3,1-6 -. Mt 4,17 - Mt 4,12-17 -. Mt 10,7 - Mt 10,5-16 -. Mt 26,45 - Mt 26,36-46 - en Mt 26,46 - Mt 26,36-46 -. Door het gebruik van het woordje 'naderbij' komt het drama dichterbij. Het uur van de waarheid is geslagen.

- egô (ik) . Taalgebruik : egô (ik) . Lat. ego . Ned. : ik . Fr. je . Hebr. ´ânî (653) en ´ânokhî (276) , samen (929) .

egô (ik)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  1553  1234  319  28  14  21  123  42  80  11  63  186     

- ei (je bent of : indien,of): act. ind. pr. 2de pers. enk. ei van het werkw. eimi (zijn) en ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde . Taalgebruik in het N.T. : ei . Taalgebruik in Mc : ei . Taalgebruik in Lc : ei . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .

ei (je bent of indien)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  1337  802  535  66  42  64  69  38  234  22  172  241     

- eiden (hij zag) . eiden (hij zag) . Taalgebruik in het N.T. : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Lc. : eiden (hij zag) . L. videre . Fr. voir .

  zien  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  part. aor. nom. mann. enk. idôn  106  45  61  12  12  20  12  44  47   
  part. aor. nom. mann. mv. idontes   63  22  41  14    28  32     
  ind. aor. 3de pers. enk. eiden  262  220  42  10  12  19  26     
  act. ind. aor. 3de pers. mv.  eidon 274  198  76  45  15  21     
  totaal 705  485  220  39  29  38  20  35  11  48  106  126     

- eidos (gezicht, gestalte) . eidos (gezicht, gestalte) . Taalgebruik in het N.T. : eidos (gezicht, gestalte) . Taalgebruik in Lc : eidos (gezicht, gestalte) .

  eidos  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk. eidos   26  24            2      
                               
                               

 

- eikôn (beeld) . Taalgebruik in het N.T. : eikôn (beeld) .

eikôn (beeld)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. eikôn  10           
gen. mann. enk. eikonos                    
dat. mann. enk. eikoni  13  10                     
acc. mann. enk. eikona  26  19             
                             
                             
                             
                             
totaal                            

 

 

- eimi (zijn) . eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Taalgebruik in Hnd : eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Taalgebruik in Tenach : hâjâh (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .

eimi (zijn) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. pr. 3de pers. enk. estin  2371  1558  813  114  69  96  147  66  296  25         
act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn   1506  1120  386  24  38  79  92  63  71  19  141  233     
                             
                             
imperf. 3de pers. mv. èsan   332  239  93  10  16  22  28  48  56 
totaal                            

 

eimi ( zijn )  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
act. ind. pr. 3de pers. enk. estin    10    11 
act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn   6 : (1) Mc 1,6 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 1,22 . (4) Mc 1,23 . (5) Mc 1,33 . (6) Mc 1,45 . 1 1 2 5 3 1     2 4   1 3 8 1
                                 

 

De verschillende vormen van het werkwoord eimi (zijn) . eimi (zijn) , zie Mc 1,6 . ousès , zie Joh 20,19 .
--- eimi (ik ben). In 14 verzen bij Matteüs.
--- este (jullie zijn). In 124 verzen in de bijbel; in 38 verzen in het O.T., in 86 verzen in het N.T. In 9 verzen bij Matteüs).
- èmèn (ik was) . Taalgebruik : eimi (zijn) , zie Mc 1,6 . Actief imperfectum eerste persoon enkelvoud van het werkwoord eimi (zijn) . Bijbel (55) . O.T. (35) . N.T. (15) . Mt (3) . Mc (1) . Joh (3) . Hnd (5) . 1 Kor 13,11 . Gal 1,10 . Gal 1,22 .
--- èn (was) actief imperfectum 3de persoon enkelvoud
--- èsan (zij waren) . Imperfectum derde persoon meervoud van het werkwoord eimi (zijn) . In 332 verzen in de bijbel ; in 239 verzen in het O.T. , in drieënnegentig verzen in het N.T. . Mt (10) . Mc (16) . Lc (22) : (22) Lc 24,53 (èsan ... eulogountes = zij waren aan het lofprijzen) . Hnd (28) .

 

- eirènè (vrede) . Taalgebruik in het N.T. : eirènè (vrede) . Taalgebruik in Lc : eirènè (vrede) . Hnd (7) . (1) dat. enk. eirènè(i) : Hnd 16,36 . Gen. enk. (2) : (1) Hnd 15,33 . (2) Hnd 24,2 . Acc. enk. (4) : (1) Hnd 7,26 . (2) Hnd 9,31 . (3) Hnd 10,36 . (4) Hnd 12,20 .

eirènè  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.  
nom. + dat.vr. enk.  151  105  46    34  10 
gen. vr. enk. eirènès  68  49  19        15    2
acc. vr. enk. eirènèn   102  80  22  9
Totaal  321  234  87  13  57  16  21 

eirènè (vrede) Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul.   Ap. br.  
nom. + dat.vr. enk.  34  3        
gen. vr. enk. eirènès  15                               
acc. vr. enk. eirènèn                                  
Totaal  57 10  4 2      

eirènè (vrede) Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb
nom. + dat.vr. enk. eirènè(i) 25  4 : (1) Rom 1,7 . (2) Rom 2,10 . (3) Rom 8,6 . (4) Rom 14,17 . 3 : (1) 1 Kor 1,3 . (2) 1 Kor 7,15 . (3) 1 Kor 16,11 . 1 : 2 Kor 1,2 . 3 : (1) Gal 1,3 . (2) Gal 5,22 . (3) Gal 6,16 . 3 : (1) Ef 1,2 . (2) Ef 2,14 . (3) Ef 6,23 . 2 : (1) Fil 1,2 . (2) Fil 4,7 . 2 : (1) Kol 1,2 . (2) Kol 3,15 . 2 : (1) 1 Tes 1,1 . (2) 1 Tes 5,3 . 1 : 2 Tes 1,2 . 1 : 1 Tim 1,2 . 1 : 2 Tim 1,2 . 1 : Tit 1,4 . 1 : Film3 .  
gen. vr. enk. eirènès  12  5 : (1) Rom 3,17 . (2) Rom 14,19 . (3) Rom 15,13 . (4) Rom 15,33 . (5) Rom 16,20 . 1 : 1 Kor 14,33 . 1 : 2 Kor 13,11   2 : (1) Ef 4,3 . (2) Ef 6,15 . 1 : Fil 4,9 .   1 : 1 Tes 5,23 . 1 : 2 Tes 3,16 .         3 : (1) Heb 7,2 . (2) Heb 11,31  . (3) Heb 13,20  .
acc. vr. enk. eirènèn   1 : Rom 5,1 .       2 : (1) Ef 2,15 . (2) Ef 2,17 .       1 : 2 Tes 3,16 .   1 : 2 Tim 2,22 .     1 : Heb 12,14  .
Totaal  43 10 

  Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud   
    Rom 1,7  1 Kor 1,3  2 Kor 1,2  Gal 1,3  Ef 1,2   Fil 1,2  Kol 1,2  1 Tes 1,1  2 Tes 1,2  1 Tim 1,2   2 Tim 1,2  Tit 1,4                     

- charis humin kai eirènè apo Theou Patros hèmôn kai apo kuriou Ièsou Christou (Genade zij u en vrede vanwege God onze vader en vanwege onze Heer Jezus Christus) . In tien verzen in de brieven van Paulus : (1) Rom 1,7 . (2) 1 Kor 1,3 . (3) 2 Kor 1,2 . (4) Gal 1,3 . (5) Ef 1,2 . (6) Fil 1,2 . (7) Kol 1,2 . (8) 1 Tes 1,1 . (9) 2 Tes 1,2 . (10) Film3 . Met deze begroeting opent Paulus een brief . In de pastorale brieven vinden we een variante van deze formulering : (1) 1 Tim 1,2 . (2) 2 Tim 1,2 . (3) Tit 1,4 .

eis (naar) . Voorzetsel van richting . In 6930 verzen in de bijbel . In 1594 verzen in het N.T. . In 215 verzen bij Matteüs . (1) Mt 2,1 (2) Mt 2,8 (3) Mt 2,11 (4) Mt 2,12 (5) Mt 2,13 (6) Mt 2,14 (7) Mt 2,20 (8) Mt 2,21 (9) Mt 2,22 (10) Mt 2,23 (11) Mt 3,10* (12) Mt 3,11* (13) Mt 3,12 (14) Mt 4,1 . Bij Marcus in 151 verzen . In 210 verzen bij Lucas . In twaalf verzen in Lc 1 : (1) Lc 1,9 (eis ton naon tou kuriou = naar detempel van de Heer) . (2) Lc 1,20 (tijdsbepaling) . (3) Lc 1,23 (eis ton oikon autou = naar huis) . (4) Lc 1,26 (eis polin tès Galilaias = naar een stad van Galilea) . (5) In 260 verzen in Hnd .

- eis (naar) . eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mt : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Taalgebruik in Lc : eis (naar) . Taalgebruik in Brieven : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .

eis (naar)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  6930  5336  1594  215  151  210  181  260  504  73  576  757  427  77 

Galilea waar Jezus zijn leerlingen verzamelt

Mc 1, 9 // Mt 3,13 // Lc 3,21 (Jezus ging van Nazaret van Galilea) Mc 1,14 // Mt 4,12 // Lc 4,14a (Jezus ging naar Galilea)   Mt 26,32   Mc 16,7 // Mt 28,7 (zoals hij je gezegd heeft)  Mt 28,7 // Mc 16,7 Mt 28,10   Mt 28,16
          alla hupagete (maar ga) kai tachu poreutheisai (en vlug vertrokken zijnde) hupagete (ga) hoi de hendeka (de elf echter)
          eipate tois mathètais autou kai tôi petrôi (zeg aan zijn leerlingen en aan Petrus) eipate tois mathètais autou (zeg aan zijn leerlingen) apaggeilate tois adelfois mou (meld aan mijn broeders)  
... Kai meta to paradothènai ton Iôannèn ( En nadat Johannes werd overgeleverd)   meta de to egerthènai me (nadat echter ik ben verrezen     hoti ègerthè apo tôn nekrôn (dat hij is opgewekt uit de doden)    eporeuthèsan (gingen)
èlthen (ging) èlthen (ging)   proaksô humas (zal ik je voorgaan)   proagei humas (gaat hij je voor)   kai idou proagei humas (en zie hij gaat je voor) hina (opdat) apelthôsin zouden vertrekken)  
Ièsous (Jezus) ho Ièsous (Jezus)              
apo (van) eis (naar)   eis (naar)   eis (naar) eis (naar) eis (naar) eis (naar)
Nazaret (Nazaret)                
tès Galilaias (Galilea) tèn Galilaian (Galilea)   tèn Galilaian (Galilea)   tèn Galilaian (Galilea) tèn Galilaian (Galilea) tèn Galilaian (Galilea) tèn Galilaian (Galilea) ...
          ekei auton opsesthe (daar hem zult gij zien) ekei auton opsesthe (daar hem zult gij zien) kakei me opsontai (en daar zullen zij mij zien)  
          kathôs eipen humin (zoals hij gezegd heeft jullie) idou eipon humin (zie ik heb het je gezegd)   17. kai idontes auton (en hem gezien hebbende)
18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 // Mt 3,13-17 // Lc 3,21-22 - Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 - 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 // Mt 4,12-17 // Lc 4,14-15 - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 -
  328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening : Mc 14,26-31 // Mt 26,30-35 // Lc 22,39 - Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -   351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 // Lc 23,56b-24,12 - Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -
  351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 // Lc 23,56b-24,12 - Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 - 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 // Lc 23,56b-24,12 - Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -  353. Verschijning aan de elf in Galilea : Mt 28,16-20 - Mt 28,16-20 -

- eisakouô (luisteren naar, verhoren) . eisakouô (luisteren naar, verhoren) . Taalgebruik in het N.T. : eisakouô (luisteren naar, verhoren) . Taalgebruik in Lc . : eisakouô (luisteren naar, verhoren) .

  eisakouô  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  pass. ind. aor. 3de pers. enk. eisèkousthè                              
                               


- eiserchomai (binnengaan) . eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het N.T. : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Lc : eiserchomai (binnengaan) .

  eiserchomai (binnengaan) aor.   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  inf. fut. 3de pers. mv. eiseleusontai   35  30           
  ind. aor. 3de pers. enk. eisèlthen  227  164  43  12  10  21  28     
  ind. aor. 3de pers. mv. eisèlthon 72  60  12       
  imperat. aor. 3de pers. enk. eiselthatô                   
  part. aor. nom. mann. enk. eiselthôn  33  13  20     15  15   
  part. aor. nom. vr. enk. eiselthousa                 
  part. aor. gen. mann. enk. eiselthontos               
  part. aor. gen. vr. enk. eiselthousès                    
  part. aor. nom. mann. mv. eiselthontes  15  10                     
  part. aor. nom. vr. mv. eiselthousai                 
  inf. aor. eiselthein   76  42  34  11  23  25     
  conj. aor. 3de pers. enk. eiselthè(i)  16     
  conj. aor. 2de pers. enk. eiselthè(i)s   21  17          4      
  conj. aor. 2de pers. mv. eiselthète   27  17  10          10  10     
  conj. aor. 1ste pers. mv. eiselthômen                 
  totaal                            

- eisèlthen (hij ging - naar - binnen) .
In vier verzen bij Mt : (1) Mt 2,21 . (2) Mt 12,4 . (3) Mt 21,12 . (4) Mt 24,38 .
In vijf verzen bij Mc : (1) Mc 2,26 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 15,43 .
In twaalf verzen bij Lc : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,38 . (4) Lc 6,4 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 8,30 . (7) Lc 9,46 . (8) Lc 10,38 . (9) Lc 17,27 . (10) Lc 19,7 . (11) Lc 22,3 . (12) Lc 24,29 .
In zeven verzen bij Joh : (1) Joh 13,27 . (2) Joh 18,1 . (3) Joh 18,33 . (4) Joh 19,9 . (5) Joh 20,5 . (6) Joh 20,6 . (7) Joh 20,8 .
In tien verzen in Hnd : (1) Hnd 1,21 . (2) Hnd 3,8 . (3) Hnd 5,7 . (4) Hnd 9,17 . (5) Hnd 10,24 . (6) Hnd 10,27 . (7) Hnd 11,8 . (8) Hnd 14,20 . (9) Hnd 17,2 . (10) Hnd 18,7 .
-- kai eisèlthen (en hij ging naar -binnen) . In tien verzen in het N.T. . Mt (1) : (3) Mt 21,12 . Mc (3) : (2) Mc 3,1 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,11 . Lc (3) : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,16 . (12) Lc 24,29 . Joh (2) : (4) Joh 19,9 . (6) Joh 20,6 . Hnd (2) : (2) Hnd 3,8 . (4) Hnd 9,17 .
kai hote eisèlthen (en toen hij naar binnen ging) . In twee verzen in het N.T. : (1) Mt 17,25 (volgens sommige versies) . (2) Mt 21,12 .
eisèlthen de (hij ging echter - naar - binnen) . In twee verzen in het N.T. : (1) Lc 9,46 . (2) Lc 22,3 .
-- eisèlthen eis (hij ging naar binnen in) . In eenentwintig verzen in het N.T. . Mt (3) . (2) Mt 12,4 . (3) Mt 21,12 . (4) Mt 24,38 . Mc (4) (1) Mc 2,26 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,11 . Lc (7) : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,38 . (4) Lc 6,4 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 8,30 . (8) Lc 10,38 . (9) Lc 17,27 . Joh (3) : (1) Joh 13,27 . (3) Joh 18,33 . (4) Joh 19,9 . Hnd (3) : (4) Hnd 9,17 . (7) Hnd 11,8 . (8) Hnd 14,20 .

eiserchomai (binnengaan) aor.   Mt Mc Lc syn. 
part. aor. nom. mann. enk. eiselthôn  3 : (1) Mt 9,25 . (2) Mt 22,11 . (3) Mt 26,58 . 6 : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 3,27 . (4) Mc 5,39 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 11,15 . 6 : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 7,36 . (4) Lc 11,37 . (5) Lc 19,1 . (6) Lc 19,45 . 15 : (1) Mc 11,15 // Lc 19,45 .
eiselthôn eis - 3 : (1) Mc 1,21 . (3) Mc 3,27 . (5) Mc 7,24 . 3 : (1) Lc 1,9 . (3) Lc 7,36 . (6) Lc 19,45 .  

- eisporeuomai (zich op weg begeven) . eisporeuomai (zich op weg begeven) . Taalgebruik in het N.T. : eisporeuomai (zich op weg begeven) . Taalgebruik in Mc : eisporeuomai (zich op weg begeven) . eis + por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen .

  eisporeuomai (zich op weg begeven)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  ind. pr. 3de pers. enk. eisporeuetai  11               
  ind. pr. 3de pers. mv. eisporeuontai               
  part. pr. nom. mann. enk. eisporeuomenos  20  18                     
  part. pr. gen. mann. enk. eisporeuomenou                         
  part. pr. dat. mann. enk. eisporeuomenô(i)                         
  part. pr. acc. mann. enk. eisporeuomenon               
  part. pr. nom. mann. enk. eisporeuomenoi               
  part. pr. nom. vr. mv. eisporeuomenai                  
  part. pr. gen. mann. mv. eisporeuomenôn                      
  part. pr. dat. mann. mv.  eisporeuomenois                        
  part. pr. acc. mann. mv. eisporeuomenous                     
  ind. imperf. 3de pers. enk. eiseporeueto   13  12                 
  totaal                            

  eisporeuomai (zich op weg begeven)   Mt Mc Lc Hnd syn. 
  ind. pr. 3de pers. enk. eisporeuetai    2 : (1) Mc 5,40 . (2) Mc 7,19 .   1 : Lc 22,10  
  ind. pr. 3de pers. mv. eisporeuontai    1 : Mc 1,21 1 : Lc 18,24 .    
  part. pr. nom. mann. enk. eisporeuomenos        2 : (1) Hnd 8,3 . (2) Hnd 9,28 .    
  part. pr. acc. mann. enk. eisporeuomenon  1 : Mt 15,17 . 2 : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,18 .     3 : (1) Mt 15,17 // Mc 7,19 .
  part. pr. nom. mann. enk. eisporeuomenoi    1 : Mc 11,2 . 3 : (1) Lc 8,16 . (2) Lc 11,33 . (3) Lc 19,30 .   4 : (1) Mc 11,2 // Lc 19,30 .
  part. pr. nom. vr. mv. eisporeuomenai   1 : Mc 4,19 .    
  part. pr. gen. mann. mv. eisporeuomenôn         1 : Hnd 3,2 .  
  part. pr. acc. mann. mv. eisporeuomenous        1 : Hnd 28,30 .  
  ind. imperf. 3de pers. enk. eiseporeueto     1 : Mc 6,56 .    
  totaal 8 14 

 

- ek (uit) . ek of ex (uit) . Taalgebruik in het N.T. : ek (uit) . Taalgebruik in Lc : ek (uit) .

ek (uit)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ek  2814 2239 575 46 38 46 112 58 175 100 130  242 
ex  1168 941  227  28  20  37  28  24  84  85  113 
Totaal   3982  3180  802  74  58  83  140  82  259  106  215   355

 

ek (uit)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
ek  38        
ex  20             
Totaal   58         


ek (uit)   Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud   
                                               
  175 35  23  15  21      10  21   

- ekballô (uitwerpen, uitvallen) . Taalgebruik in het N.T. : ekballô (uitwerpen, uitvallen) . Taalgebruik in Mc : ekballô (uitwerpen, uitvallen) .

  ekballô (uitwerpen, uitvallen)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. pr. 3de pers. enk. ekballei                
  act. ind. imperf. 3de pers. mv. exeballon                1      
  act. ind. fut. 3de pers. mv. ekbalousin                 
  act. imperat. pr. 2de pers. enk. ekbale        
  act. part. pr. nom. mann. enk. ekballôn                     
  act. part. pr. acc. mann. enk. ekballonta .                  
  act. inf. pr.  ekballein              
  act. ind. aor. 3de pers. enk. exebalen   26  21             
  act. imperat. aor. 2de pers. enk. ekbale       3      
  act. conj. aor. 3de pers. enk. ekbalè(i)            
  act. conj. aor. 3de pers. mv. ekbalôsin                  
  act. part. aor. ekbalôn              
  act. inf. aor. ekbalein   12             
  act. ind. perf. ekbeblèkei                    
  totaal 89  37  52  18                   
  ekballô (uitwerpen, uitvallen)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 

- ekcheô (uitgieten) . ekcheô (uitgieten) . Taalgebruik in het N.T. : ekcheô (uitgieten) . Taalgebruik in Hnd. : ekcheô (uitgieten) . Lat. effundere . Fr. répandre . Ned. uitgieten. D. ausgiessen . E. to pour out . Hnd (2) : (1) Hnd 2,17 . (2) Hnd 2,18 . Een vorm van ekcheô (uitgieten) in Hnd in 3 verzen : (1) Hnd 2,17 . (2) Hnd 2,18 . (3) Hnd 2,33 . Een vorm van ekcheô (uitgieten) in het N.T. (16) , in de LXX (141) .

      bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. praes. 1ste pers. enk. ekcheô     15  13                       
                                 
                                 

- ekei (daar) . Taalgebruik in het N.T. : ekei (daar) . Taalgebruik in Mc : ekei (daar) . Ned. hier . Fr. ici . Mc (11) : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 3,1 . (4) Mc 5,11 . (5) Mc 6,5 . (6) Mc 6,10 . (7) Mc 6,33 . (8) Mc 11,5 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 14,15 . (11) Mc 16,7 .

ekei (hier)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  753  659  94  28  11  16  22  45  77     

- ekeithen (vanhier, vandaar) . Taalgebruik in het N.T. : vanhier, vandaar . Taalgebruik in Mc : vanhier, vandaar . Het is meestal de vertaling van het Hebreeuwse misjsjâm (uit : min en sjam) . Misjsjâm (vanaf daar) komt in 103 verzen in Tenach voor .

  ekeithen daan vandaan  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
ekeithen  157  130  27  12    20  22     
kakeithen  10    10                 
  totaal  167  130  37  12  12    20  22     

 

- ekeinos (die) . ekeinos (die) . Taalgebruik in het N.T. : ekeinos (die) . Taalgebruik in Mc : ekeinos (die) . Taalgebruik in Lc : ekeinos (die) .

ekeinos (die)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                             
acc. vr. enk. ekeinèn   48  38  10  2 : (1) Mc 6,55 . (2) Mc 13,24 .    
dat. vr. mv. ekeinais   63  47  16        12  12     
                             
                             
totaal                            

en tais hèmerais ekeinais (in die dagen) . In zeven verzen in het N.T. : (1) Mt 3,1 . (2) Lc 2,1 . (3) Lc 4,2 . (4) Hnd 2,18 . (5) Hnd 7,41 . (6) Hnd 9,37 . (7) Apk 9,6 . Zie hierboven : egeneto de en tais hèmerais ekeinais (het gebeurde echter in die dagen) . In twee verzen in het N.T. : (1) Lc 2,1 . (2) Hnd 9,37 . Zonder en (in) : Hnd 2,18 . En ekeinais tais hèmerais (in díe dagen). In (1) Lc 5,35 . (2) Lc 9,36 . (3) Lc 21,23 . Bij Marcus staat telkens en ekeinais tais hèmerais : (1) Mc 1,9 (kai egeneto ...) . (2) Mc 8,1 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 . (5) en trisin hèmerais (in drie dagen) .

- ekkoptô (uitkappen, omkappen) . ekkoptô (uitkappen, omkappen) . Taalgebruik in het N.T. : ekkoptô (uitkappen, omkappen) . Taalgebruik in Lc : ekkoptô (uitkappen, omkappen) .

    bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. fut. 2de pers. enk. ekkopseis                             
  act. imperat. aor. 2de pers. enk. ekkopson                              
  pass. ind. praes. 3de pers. enk. ekkoptetai                              
                               

 

- ekpneô (uitademen, sterven) . Taalgebruik in het N.T. : ekpleô (uitademen, sterven) . Taalgebruik in Mc : ekpleô (uitademen, sterven) .
exepneusen (hij ademde uit, hij stierf) . In drie verzen in de bijbel : (1) Mc 15,37 . (2) Mc 15,39 . (3) Lc 23,46 .

- eleeô (medelijden hebben) . eleeô (medelijden hebben) . Taalgebruik in het N.T. : eleeô (medelijden hebben) . Taalgebruik in Mc : eleeô (medelijden hebben) . Taalgebruik in Lc : eleeô (medelijden hebben) .

    bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. èleèsen   12  10             
  act.imperat. aor.  2de pers. enk. eleèson 35  24  11          11  11     
                               
                               

- eleos (barmhartigheid) . eleos (barmhartigheid) . Taalgebruik in het N.T. : eleos (barmhartigheid) . Taalgebruik in Lc : eleos (barmhartigheid) .

  eleos  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + acc. onz. enk. eleos 226  207  19        12   
gen. onz. enk. eleous   33  28           
                               
                               

- èlias (Elia) . èlias (Elia) . Taalgebruik in het N.T. : èlias (Elia) . Taalgebruik in Mc : èlias (Elia) .

  èlias (Elia) .  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. èlias   19 16      13  15   
voc. en dat. mann. enk. èlia(i)         1    
acc. mann. enk. elian               
  Totaal   34  28  10      24  26 

- elisabet (Elisabeth) . elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in het N.T. : elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in Lc : elisabet (Elisabeth) .

  elisabet  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                     

 

- embainô (inklimmen) . Taalgebruik : embainô (inklimmen) .

    bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
 

act. part. pr. gen. mann. enk. embainontos 

                   
  act. part. aor. nom. mann. enk. embas             
  act. part. aor. acc. mann. enk. embanta                  
  act. inf. aor. embènai               
                               
                               
                               
                               
  totaal                            

- emfobos (bevreesd) . emfobos (bevreesd) . Taalgebruik in het N.T. : emfobos (bevreesd) . Taalgebruik in Lc : emfobos (bevreesd) .

- emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . Taalgebruik in het N.T. : emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . Taalgebruik in Lc : emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . < en (in, naar) + pros (bij) + -then (vanuit) . Lc (9) :

- emptuô (spuwen op of in : in iemands gelaat spuwen, uitspuwen) . Taalgebruik : emptuô (in iemands gelaat spuwen, uitspuwen) . Hebr. raq (speeksel) ; râqaq (spuwen) . Gr. emptuô < en-ptuô . Lat. conspuere < con -spuere . Ned. spuwen . Eerste lijdensaankondiging : Mc 10,34 : emptusousin (zij zullen bespuwen) // Lc 18,32 : emptusthèsetai (hij zal bespuwd worden) . Uitvoering : Mc 14,65 : emptuein (bespuwen) . // Mt 26,67 : Tote eneptusan eis to prosôpon autou = Toen spuwden ze naar zijn aangezicht . Deze zin grijpt terug naar Js 50,6 : to de prosôpon mou ouk apestrepsa apo aischunès emptusmatôn : mijn aangezicht echter heb ik niet afgewend van de schande van bespuwingen . Ook Mc 15,19 : eneptuon (zij bespuwden) // Mt 27,30 : emptusantes eis auton (naar hem gespuwd) . In al deze verzen komt de vorm slechts 1X voor in de bijbel .
- emptuein . Infinitief. In 1 vers in de bijbel : Mc 14,65 .
- emptusousin (zij zullen bespuwen) . In 1 vers in de bijbel : Mc 10,34 .
- emptusantes . Participium aorist. In 1 vers in de bijbel : Mt 27,30 . emptusantes eis auton (naar hem gespuwd) .
- eneptusan (zij bespuwden) . In 1 vers in de bijbel : Mt 26,67 . Tote eneptusan eis to prosôpon autou : Toen spuwden ze naar zijn aangezicht . Deze zin grijpt terug naar Js 50,6 : to de prosôpon mou ouk apestrepsa apo aischunès emptusmatôn : mijn aangezicht echter heb ik niet afgewend van de schande van bespuwingen.
- emptusthèsetai (hij zal bespuwd worden) . In 1 vers in de bijbel : Lc 18,32 .

- exestin (het is toegelaten) . exestin (het is toegelaten) . Taalgebruik in het N.T. : exestin (het is toegelaten) . Taalgebruik in Mc : exestin (het is toegelaten) .

exestin   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  27  26    19  21   

- exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in het N.T. : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in Lc : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in Hnd : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in de LXX : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Hebr. jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) . Taalgebruik in Tenach : jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) . exagô < ex (uit) + agô (leiden, voeren) . Een vorm van exagô (uitleiden, naar buiten leiden) in het N.T. (12) . Mc (1) . Lc (1) . Joh (1) . Hnd (8) . Br. (1) . LXX (221) .

  exagô    bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                                 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. exègagen    61  56       
                                 
                                 

 

-- exègagen (hij leidde uit) . In eenenzestig verzen in de bijbel . In zesenvijftig verzen in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. . In Lc 24,50 en in vier verzen in Hnd : (1) Hnd 7,36 . (2) Hnd 7,40 . (3) Hnd 12,17 . (4) Hnd 13,17 . In drie van de vier verzen verwijst exègagen (hij leidde uit) naar de uittocht uit Egypte door Mozes . In Hnd 12,17 wijst het op de bevrijding van Petrus uit de gevangenis .
In de Nederlandse taal zeggen we ook wel : iemand uitgeleide doen , in de betekenis van : met iemand meegaan tot op een plaats waar afscheid van iemand genomen wordt . Hier is wel iets merkwaardigs . Niet de leerlingen , maar Jezus doet de leerlingen uitgeleide . Niet de leerlingen , maar Jezus neemt afscheid van zijn leerlingen . Dit herinnert aan het verhaal van de Emmaüsgangers waarin duidelijk werd dat Jezus tegelijkertijd af- en aanwezig is .
exègagen is vaak de vertaling van het Hebreeuwse wajjôtse´(en hij deed uitgaan) . Actief hifil imperfectum derde persoon enkelvoud . In vijftien verzen in de bijbel . Verwijzing : jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) , zie Gn 15,7 .

- exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Lc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .

  exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  ind. imperf. 3de pers. enk. exèrcheto                
  ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen   232  165  67  11  19  11  25  44     
  ind. aor. 2de pers. mv. exèlthate  10             
  ind. aor. 3de pers. mv. exèlthon 81 58 23 3 5 2 7   4 2 10 17 2 2
  imperat. aor. 2de pers enk. exelthe   30  20  10             
  conj. aor. 2de perrs. mv. exelthète                
  perf. aor. 3de pers. enk exelèluthen               
  part. aor. nom. mann. enk. exelthôn  38  17  21        18  21     
  part. aor. nom. vr. enk. exelthousa             
  part. aor. nom. + acc. onz. mv.  exelthonta               
  part. aor. gen. mann. enk.  exelthontos              
  part. aor. acc. vr. enk. exelthousan                   
  part. aor.  nom. mann. mv. exelthontes 27  18      11  11     
  part. aor. nom. vr. mv. exelthousai    10             
  part. aor. gen. mv. exelthontôn   11                 
  part. perf. acc. onz. enk. exelèluthos                   
  totaal                            


(1) Mc 1,26 . De onreine geest ging uit de man uit na het bevel van Jezus om uit de man uit te gaan (exelthe ex autou = ga uit hem uit).
(2)
- exelthôn (uitgegaan) . Taalgebruik : eiselthôn (binnengegaan) , zie Mc 2,1 . Participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud . In achtendertig verzen in de bijbel . In zeventien verzen in het O.T. . In eenentwintig verzen in het N.T. . Mt (9) . Mc (3) . Lc (6) . Hnd (3) .
Bij Matteüs : (1) Mt 13,1 . (2) Mt 14,14 . (3) Mt 15,21 . (4) Mt 18,28 . (5) Mt 20,3 . (6) Mt 20,5 . (7) Mt 20,6 . (8) Mt 24,1 . (9) Mt 26,75 .
Bij Marcus : (1) Mc 1,45 . (2) Mc 6,34 . (3) Mc 7,31 .
Bij Lucas : (1) Lc 1,22 . (2) Lc 4,42 . (3) Lc 14,18 . (4) Lc 15,28 . (5) Lc 22,39 . (6) Lc 22,62 .
In Hnd : (1) Hnd 7,4 . (2) Hnd 12,9 . (3) Hnd 12,17 .
-- (ho) de exelthôn (hij echter uitgegaan) . Slechts in Mc 1,45 in het N.T. . de eindigt met epsilon en exelthôn begint met epsilon . Dit kan verwarring scheppen .
kai exelthôn (en uitgegaan) . In tien verzen in het N.T. . Mt (5) . Mc (1) . Lc (2) . Hnd (2) .
In vijf verzen bij Mt : (2) Mt 14,14 . (3) Mt 15,21 . (5) Mt 20,3 . (8) Mt 24,1 . (9) Mt 26,75 .
In één vers bij Mc : (2) Mc 6,34 . In Mc 7,31 : kai palin exelthôn (en opnieuw uitgegaan) . palin van Mc 7,31 (Mc 7,31-37) verwijst naar exelthôn (uitgegaan) van Mc 6,34 (Mc 6,30-34) .
In twee verzen bij Lucas : (5) Lc 22,39 . (6) Lc 22,62 .
In twee verzen in Hnd : (2) Hnd 12,9 . (3) Hnd 12,17 .
kai exelthôn (en uitgegaan) . In tien verzen in het N.T. . Mt (5) . Mc (1) . Lc (2) . Hnd (2) . In vijf verzen bij Mt : (2) Mt 14,14 . (3) Mt 15,21 . (5) Mt 20,3 . (8) Mt 24,1 . (9) Mt 26,75 . In één vers bij Mc : (2) Mc 6,34 .
- exelthontes (uitgegaan). - exelthontes (uitgegaan), zie Mc 2,1 . In 27 verzen in de bijbel; in 9 verzen in het O.T., in 18 verzen in het N.T.. In 5 verzen bij Matteüs, in 5 verzen bij Marcus, in 1 vers bij Lucas, in 6 verzen in Hand en in 1 vers in Heb. In 5 verzen bij Matteüs : (1) Mt 8,32 (de onreine geesten) . (2) Mt 9,31 . (3) Mt 12,14 . (// Mc 3,6) . (4) Mt 22,10 . (5) Mt 27,53 . In 5 verzen bij Marcus : (1) Mc 1,29 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 6,12 . (4) Mc 9,30 . (5) Mc 16,20 .

- ekklèsia (kerk) . Taalgebruik : ekklèsia (kerk) . Hebr. qâhal . Fr. église .

ekklèsia (kerk) bijbel  O.T.  N.T.  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
nom. + dat. enk. ekklèsia (i) 84 51 33 1       6 26   1 1
gen. enk. + acc. mv. ekklèsias 55 26 29 1       7 14 7 1 1
acc. enk. ekklèsian 37 17 20 1       9 10   1 1
nom. mv. ekklèsiai 7   7         1 4 2    
gen. mv. ekklèsiôn 7   7           6 1    
dat. mv. ekklèsiais 20 2 18           8 10    
Totaal   210 96 114 3       23 68 20 3 3

ekklèsia (kerk) bijbel  O.T.  N.T.  Hnd  Br. Apk  1 Kor 1
nom. + dat. enk. ekklèsia (i) 84 51 33 6 26   12 : (1) 1 Kor 1,2 . (2) 1 Kor 4,17 . (3) 1 Kor 6,4 . (4) 1 Kor 10,32 . (5) 1 Kor 11,18 . (6) 1 Kor 12,28 . (7) 1 Kor 14,5 . (8) 1 Kor 14,19 . (9) 1 Kor 14,23 . (10) 1 Kor 14,28 . (11) 1 Kor 14,35 . (12) 1 Kor 16,19 .
gen. enk. + acc. mv. ekklèsias 55 26 29 7 14 7 2 : (1) 1 Kor 11,22 . (2) 1 Kor 14,12 .  
acc. enk. ekklèsian 37 17 20 9 10   2 : (1) 1 Kor 14,4 . (2) 1 Kor 15,9 .  
nom. mv. ekklèsiai 7   7 1 4 2 2 : (1) 1 Kor 11,16 . (2) 1 Kor 16,19 .  
gen. mv. ekklèsiôn 7   7   6 1  
dat. mv. ekklèsiais 20 2 18   8 10 4 : (1) 1 Kor 7,17 . (2) 1 Kor 14,33 . (3) 1 Kor 14,34 . (4) 1 Kor 16,1 .  
Totaal   210 96 114 23 68 20 22

ekklèsia (kerk) Br.  
nom. + dat. enk. ekklèsia (i) 26 1 Kor (12) . (13) 2 Kor 1,1 . (14) Ef 1,22 . (15) Ef 3,21 . (16) Ef 5,24 . (17) Fil 4,15 . (18) Kol 1,24 . (19) Kol 4,16 . (20) 1 Tes 1,1 . (21) 2 Tes 1,1 . (22) 1 Tim 3,15 . (23) 1 Tim 5,16 . (24) Film 1,2 . (25) Heb 12,23 . (26) 3 Joh 1,9 .

 

 

- ekklèsia (kerk, gemeente, gemeenschap) . Taalgebruik : kaleô (roepen) , zie Gal 5,13 . In vierentachtig verzen in de bijbel . In eenenvijftig verzen in het O.T. . In drieëndertig verzen in het N.T. . Mt (1) . Hond (6) : (1) Hnd 7,38 . (2) Hnd 9,31 . (3) Hnd 11,26 . (4) Hnd 15,22 . (5) Hnd 19,32 . (6) Hnd 19,39 . Brieven (26) .

- eklegomai (uit-lezen, uitverkiezen) . eklegomai (uit-lezen, uitverkiezen) . Taalgebruik in het N.T. : eklegomai (uit-lezen, uitverkiezen) . Taalgebruik in Lc : eklegomai (uit-lezen, uitverkiezen) .

    bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  pass. part. perf. nom. mann. enk. eklelegmenos                           
                               

- exousia (gezag, macht) . exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in het N.T. : exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in Mc : exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in Lc : exousia (gezag, macht) .


11. exousia (macht) . Nominatief enkelvoud . Verwijzing : exousia (macht), zie Mt 28,18 .
--- exousia (gezag , macht) . Nominatief en datief enkelvoud . In 39 verzen in de bijbel; in 10 verzen in het O.T., in 29 verzen in het N.T. In 3 verzen bij Marcus, in 6 verzen bij Lucas, niet bij Johannes, enz. In 4 verzen bij Matteüs . Nominatief, komt slechts in 1 vers voor bij Matteüs : Mt 28,18 .
Nominatief, komt slechts in 1 vers voor bij Matteüs : Mt 28,18 . En poiai exousiai (door welke macht) komt in 3 verzen bij Matteüs voor : (1) Mt 21,23 . (2) Mt 21,24 . (3) Mt 21,27 . In acht verzen in Apk .
--- De accuatief exousian (macht) komt in 6 verzen : Mt 8,9 . Exousian echô (macht hebben) : (1) Mt 7,29 . (2) Mt 9,6 . Exousian didômi (macht geven) : (1) Mt 9,8 . (2) Mt 10,1 . (3) Mt 21,3 .
We kunnen niet ontkennen dat hier sterke taal gesproken wordt: Gegeven is aan mij alle macht in hemel en op de aarde. Laat het nog zijn dat hier naar Da 7,14 verwezen wordt (edothè autôi exousia - gegeven werd aan hem macht). De vraag rijst hoe we iets dergelijks kunnen beweren over wat in het hierna-maals gebeurt.
11. exousia (macht) . Nominatief enkelvoud . Verwijzing : exousia (macht), zie Mt 28,18 .
--- exousia (gezag , macht) . Nominatief en datief enkelvoud . In 39 verzen in de bijbel; in 10 verzen in het O.T., in 29 verzen in het N.T. In 3 verzen bij Marcus, in 6 verzen bij Lucas, niet bij Johannes, enz. In 4 verzen bij Matteüs . Nominatief, komt slechts in 1 vers voor bij Matteüs : Mt 28,18 .
Nominatief, komt slechts in 1 vers voor bij Matteüs : Mt 28,18 . En poiai exousiai (door welke macht) komt in 3 verzen bij Matteüs voor : (1) Mt 21,23 . (2) Mt 21,24 . (3) Mt 21,27 . In acht verzen in Apk .
--- De accuatief exousian (macht) komt in 6 verzen : Mt 8,9 . Exousian echô (macht hebben) : (1) Mt 7,29 . (2) Mt 9,6 . Exousian didômi (macht geven) : (1) Mt 9,8 . (2) Mt 10,1 . (3) Mt 21,3 .
We kunnen niet ontkennen dat hier sterke taal gesproken wordt: Gegeven is aan mij alle macht in hemel en op de aarde. Laat het nog zijn dat hier naar Da 7,14 verwezen wordt (edothè autôi exousia - gegeven werd aan hem macht). De vraag rijst hoe we iets dergelijks kunnen beweren over wat in het hierna-maals gebeurt.

  exousia (gezag, macht)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat vr. enk. exousia(i)   39  10  29    13  13 
gen. vr. enk. + acc. vr. mv. exousias  17  12           
acc. vr. enk. exousian   82  29  53  11  12  21  27  11   
nom. vr. mv. exousiai                   
gen. vr. mv. exousiôn                   
dat. vr. mv. exousiais                      
  totaal 145  46  99  10  10  16  30  20  36  42  29   

- eperchomai (komen op) . eperchomai (komen op) . Taalgebruik in het N.T. : eperchomai (komen op) . Taalgebruik in Lc : eperchomai (komen op) .

  eperchomai  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
                               
  ind. fut. 3de pers. enk. epeleusetai   15  14                 
                               
                               

--- epelthontos . Prefix epi (over) en de werkwoordvorm : indicatief aorist participium genitief enkelvoud . Slechts in Hnd 1,8 .
In heel wat teksten wordt de komst van de geest en van zijn kracht beschreven als komende van hoger . Mensen ervaren het als iets dat hen overkomt , dat ze ontvangen vanuit de hoge , van God .
--- Hnd 8,24 : hopôs mèden epelthèi ep'eme (opdat niets kome over mij) .

- ekpeirazô (beproeven, uitproberen) . ekpeirazô (beproeven, uitproberen) . Taalgebruik in het N.T. : ekpeirazô (beproeven, uitproberen) . Taalgebruik in Lc : ekpeirazô (beproeven, uitproberen) .

  ekpeirazô  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. fut. 2de pers. enk. ekpeiraseis                
                               
--- ekpeirazèi (hij zou uitproberen). In 2 verzen in de bijbel: (1) Dt 8,2 (Blijf denken aan heel die tocht van veertig jaar, die de Heer uw God u in de woestijn heeft laten maken. Hij heeft u toen vernederd en op de proef gesteld om uw gezindheid te leren kennen.) . (2) Dt 8,16 .
--- ekpeiraseis (jij zult beproeven). Slechts in 3 verzen in de bijbel: (1) Dt 6,16 . (2) Mt 4,7 . (3) Lc 4,12 .
--- exepeirasasthe (jullie hebben uitgeprobeerd). Slechts in Dt 6,16.

- ekplèssomai (buiten zichzelf raken van angst , verbazing , vreugde , bewondering) . ekplèssomai (buiten zichzelf raken van angst , verbazing , vreugde , bewondering) . Overlopen van . Taalgebruik in het N.T. : ekplèssomai (buiten zichzelf raken, ontzet zijn) . Taalgebruik in Mc : ekplèssomai (buiten zichzelf raken, ontzet zijn) . Taalgebruik in Lc : ekplèssomai (buiten zichzelf raken, ontzet zijn) .

  ekplèssomai (buiten zichzelf raken, ontzet zijn)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  pass. imperf. 3de pers. enk. exeplèsseto                      
  pass. imperf. 3de pers. mv. exeplèssonto                
  pass. aor. 3de pers. mv. exeplagèsan                    
                               

Een vorm van ekplèssomai (buiten zichzelf raken van angst , verbazing , vreugde , bewondering) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 2,48 . (2) Lc 4,32 . (3) Lc 9,43 .

ekplèssomai  bijbel N.T. Mt Mc Lc syn. 
             
pass. imperf. 3de pers. mv. exeplèssonto  3 : (1) Mt 7,28 . (2) Mt 19,25 . (3) Mt 22,33 . 4 :  (1) Mc 1,22 . (2) Mc 6,2 . (3) Mc 7,37 . (4) Mc 10,26 . 2 :  (1) Lc 4,32 . (2) Lc 9,43 . 9 :  (1) Mt 7,28 // Mc 1,22 // Lc 4,32 . (2) Mt 19,25 // Mc 10,26 .

 

Mc 1,22   Lc 4,32 . Een reactie op de leer Lc 4,36 . Een reactie op de uitdrijving van onreine geesten Mc 1,27 . We vinden bij Marcus een tweevoudige reactie : op de leer en op de uitdrijving van de onreine geest
kai (en)   kai (en) kai (en) hôste (zodat)
exeplèsonto (zij waren buiten zichzelf)   exeplèsonto (zij waren buiten zichzelf) sunelaloun pros allèlous legontes (en zij praatten met elkaar zeggend) suzètein autous legontas (zodat zij overlegden zeggende)
epi tèi didachè autou (over zijn leer)   epi tèi didachè autou (over zijn leer) tís ho logos houtos (wat is dit woord) tí estin touto; didachè kainè kat'exousian (wat is dit? een nieuwe leer met macht)
èn gar didaskôn autous (hij was lerende hen)) de nevenschikkende zin van reden (gar = want) zet Lucas om in een ondergeschikte zin van reden  hoti (omdat) hoti (omdat)  
hôs exousian echôn (als macht hebbende)   en exousiai (met macht) en exousiai en dunamei (met macht en kracht)  
    èn (was) ho logos autou (zijn woord) epitassei (opdraagt) kai tois pneumasi tois akathartois epitassei (en aan de onreine geesten beveelt hij)
54. Slot van de bergrede : Mc 1,22 - Mt 7,28-29 - Lc 4,32 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 - Lc 4,33-37   54. Slot van de bergrede : Mc 1,22 - Mt 7,28-29 - Lc 4,32 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 - Lc 4,33-37 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 - Lc 4,33-37

- ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in het N;T. : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in Mt : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in Mc : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . + por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen .

  ekporeuomai (zich op weg begeven uit)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  ind. praes. 3de pers. enk. ekporeuetai   24  17             
  ind. praes. 3de pers. mv. ekporeuontai   12  10               
  part. praes. gen. mann. enk. ekporeuomenou     3            
  part. praes. dat. mann. + onz. enk. ekporeuomenô(i)                  
  part. praes. nom. + acc. onz. enk. ekporeuomenon   12             
  part. praes. nom. mann. mv. poreuomenoi   12  11                 
  part. praes. nom. + acc. onz. mv. ekporeuomena                
  part. praes. nom. mv. ekporeuomenôn   10                 
  part. praes. dat. mann. mv. ekporeuomenois                  
  ind. imperf. 3de pers. enk. exeporeueto  21  18             
  ind. imperf. 3de pers. mv. exeporeuonto                 
                               
                               
                               
                               
  totaal                            

De tegengestelde beweging van eisporeuomai eis (zich op weg begeven naar) is ekporeuomai (zich naar buiten begeven uit) . Dat treffen we aan in Mc 11,19 : exeporeuonto exô tès poleôs (en zij begaven zich naar buiten uit de stad) . Merken we op dat er grote gelijkenissen zijn tussen Mc 1,21 en Mc 11,15 . Mc 11,19 .

Mediaal imperfectum derde persoon enkelvoud van ekporeuomai (zich op weg begeven naar buiten) . In eenentwintig verzen in de bijbel . O.T. (18) . N. T. (3) : (1) Mt 3,5 . (2) Mc 1,5 . (3) Lc 4,37 .

- exô (buiten) . exô (buiten) . Taalgebruik in het N.T. : exô (buiten) . Taalgebruik in Mc : exô (buiten) .

exô (buiten)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  163  101  62  10  10  12  11  29  41 

 

elpis (hoop) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
nom. enk. elpis 54 45 9         2 7      
gen. enk. elpidos 24 11 13         3 10      
dat. enk. elpidi 27 16 11         2 9      
acc. enk. elpida 38 20 18         1 17      
Totaal   143 92 51         8 43      

Een vorm van elpis (hoop) in vier verzen in 1 Tes : (1) 1 Tes 1,3 (gen. enk. elpidos) . (2) 1 Tes 2,19 nom. enk. elpis) . (3) 1 Tes 4,13 (acc. enk. elpida) . (4) 1 Tes 5,8 (acc. enk. elpida) .

 

- exteinô (uitstrekken) . Lat. extendere . Fr. étendre . L'action d'étendre se dit extension : lat. extendere , part. passé extensus . Ned. uitstrekken . Taalgebruik in het N.T. : exteinô (uitstrekken) . Taalgebruik in Mc : exteinô (uitstrekken) .

ekteinô (uitstrekken)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                             
                             
                             
act. imperat. aor. 2de pers. enk. ekteinon   15  12             
act.  aor. 3de pers. enk. exeteinen 41  39               
act. part. aor. nom. mann. enk. ekteinas  12               
                             
                             
totaal                            

-

- emprosthen (in nabijheid van) . Taalgebruik : emprosthen (in nabijheid van) .

emprosthen (in nabijheid van)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  175  130  45  16  27  32 

In vier verzen in 1 Tes : (1) 1 Tes 1,3 . (2) 1 Tes 2,19 . (3) 1 Tes 3,9 . (4) 1 Tes 3,13 .
- emprosthen tou theou (in de nabijheid van God) . In het N.T. slechts in 3 verzen in 1 Tes : (1) 1 Tes 1,3 . (3) 1 Tes 3,9 . (4) 1 Tes 3,13 .
-- emprosthen tou theou hèmôn (in de nabijheid van onze God) : 1 Tes 3,9 .
-- emprosthen tou theou kai patros hèmôn (in de nabijheid van onze God en Vader) : (1) 1 Tes 1,3 . (4) 1 Tes 3,13 .
- emprosthen tou kuriou ... (in de nabijheid van onze Heer ...) . Slechts in 1 vers in 1 Tes : 1 Tes 2,19 .

- emblepô (inkijken, aankijken, letten op) . Taalgebruik in het N.T. : emblepô (inkijken, aankijken, letten op) . Taalgebruik in Mc : emblepô (inkijken, aankijken, letten op) . N. blik .

  emblepô   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. imperf. 3de pers. enk.  eneblepen                  
 

act. part. aor. nom. mann. enk. emblepsas

         
                               
                               

- empimplèmi (invullen, vervullen) . empimplèmi (invullen, vervullen) . Taalgebruik in het N.T. : empimplèmi (invullen, vervullen) . Taalgebruik in Lc. : empimplèmi (invullen, vervullen) .

    bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. aor. 3de pers. enk. eneplèsen   15  14                 
                               

- en (in) . en (in, tijdens) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Taalgebruik in Mc : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Taalgebruik in Brieven : en (in) .

en (in) .   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk synopt. ev.
  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

en (in)   bijbel O.T. N.T. synopt. ev. Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paulus Ap. br.
  11097 8943 2154 654  836  966  134  133  104  34  88  52  59  36  21  32  28  13  56  33  41  29  48  797 169

1 Tes . De 89 verzen van 1 Tes is 3,98 % van het aantal verzen van de brieven van Paulus (2336) . en (in) komt 36 maal of in 36 verzen in 1 Tes voor of 4,51 % (van 797 verzen in de brieven van Paulus) . Dit benadert ongeveer de verhouding aantal verzen en het voorkomen van en (in) in de brieven van Paulus .
(1) 1 Tes 1,1 . (2) 1 Tes 1,5 . (3) 1 Tes 1,6 . (4) 1 Tes 1,7 . (5) 1 Tes 1,8 . (6) 1 Tes 2,2. (7) 1 Tes 2,3 . (8) 1 Tes 2,5 . (9) 1 Tes 2,7 . (10) 1 Tes 2,13 . (11) 1 Tes 2,14 . (12) 1 Tes 2,17 . (13) 1 Tes 2,19 . (14) 1 Tes 3,1 . (15) 1 Tes 3,2 . (16) 1 Tes 3,3. (17) 1 Tes 3,8 . (18) 1 Tes 3,13 . (19) 1 Tes 4,1 . (20) 1 Tes 4,4 . (21) 1 Tes 4,5 . (22) 1 Tes 4,6 . (23) 1 Tes 4,7 . (24) 1 Tes 4,10 . (25) 1 Tes 4,15 . (26) 1 Tes 4,16 . (27) 1 Tes 4,17 . (28) 1 Tes 4,18 . (29) 1 Tes 5,2 . (30) 1 Tes 5,3 . (31) 1 Tes 5,4 . (32) 1 Tes 5,12 . (33) 1 Tes 5,13 . (34) 1 Tes 5,18 . (35) 1 Tes 5,23 . (36) 1 Tes 5,26 .

en de tôi + infinitief . Voorzetsel + partikel + bepaald lidwoord datief onzijdig enkelvoud + infinitief . In vier verzen in het N.T. : (1) Mt 13,25 . (2) Lc 8,42 . (3) Lc 11,37 . (4) Hnd 9,3 . (5) Hnd 11,15 .

- enanti (tegenover) . enanti (tegenover) . Taalgebruik in het N.T. : enanti (tegenover) . Taalgebruik in Lc : enanti (tegenover) .

  enanti  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1.     236  234      (1) Lc 1,8 .            

- enanti tou theou (tegenover God) . N.T. (2) : (1) Lc 1,8 .

- enantion (tegenover, in de ogen van) . enantion (tegenover, in de ogen van) . Taalgebruik in het N.T. : enantion (tegenover, in de ogen van) . Taalgebruik in Lc : enantion (tegenover, in de ogen van) .

  enantion  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  406  400      (3) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 20,26 . (3) Lc 24,19 .            

- enduô (leggen op, inkleden, aankleden) .

enduô (leggen op, inkleden) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.   A. b.  
ind. pr. 3de p. enk.                              
ind. pr. 3de p. mv.                            
ind. imperf. 3de p. enk.                            
part. pr. nom. mann. mv.                            
inf. pr.                            
ind. aor. 3de p. enk.                            
ind. aor. 3de p. mv.                            
imperat. aor. 2de p. enk. endusai                        
part. aor. nom. mann. enk.                            
ind. perf. 3de pers. enk.                              
pass. part. perf. nom. mann. enk. endedumenos                  
Andere vormen                              
Totaal                            

- endedumenos (zich aangekleed met) van het werkwoord enduomai (zich iets aantrekken, zich aankleden met, 'aanhebben') . Participium perfectum nominatief mannelijk enkelvoud . In drie verzen in het O.T. en in Mc 1,6 .
(1) Zach 3,3 : kai Ièsous èn endedumenos himata rupara (en Josua had zich aangekleed met vuile kleren) .
(2) Da 6,4 : kai Danièl èn endedumenos porfuran (en Daniël had zich aangekleed met purper) .
(3) Da 10,5 : kai idou anthrôpos heis endedumenos bussina kai tèn osfun autou periezôsmenos bussinôi (en zie één man was gekleed in linnen kleren en had zijn lenden omgord met een gouden gordel) .

- enneuô (toewenken) . enneuô (toewenken) . Taalgebruik in het N.T. : enneuô (toewenken) . Taalgebruik in Lc : enneuô (toewenken) .

  enneuô  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. imperf. 3de pers. mv. eneneuon                    
                               

 

- enôpion (voor het aangezicht van) . enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in het N.T. : enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in Lc : enôpion (voor het aangezicht van) .

  enôpion  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               

In Lc in 19 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,76 . (5) Lc 4,7 . (6) Lc 5,18 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 8,47 . (9) Lc 12,6 . (10) Lc 12,9 . (11) Lc 13,26 . (12) Lc 14,10 . (13) Lc 15,10 . (14) Lc 15,18 . (15) Lc 15,21 . (16) Lc 16,15 . (17) Lc 23,14 . (18) Lc 24,11 . (19) Lc 24,43 .

6. eneteilamèn (ik beval, opdroeg) . In eenenveertig verzen in de bijbel . In veertig verzen in het O.T. : (1) Gn 3,11 . (2) Gn 3,17 . (3) Ex 23,15 . (4) Ex 29,35 . (5) Ex 31,11 . (6) Dt 1,16 . (7) Dt 1,18 . (8) Dt 3,18 . (9) Dt 3,21 . (10) Dt 11,28 . (11) Dt 12,21 . (12) Dt 24,8 . (13) Dt 31,5 . (14) Dt 31,29 . (15) Joz 13,6 . (16) Joz 22,2 . (17) Re 2,20 . (18) (26) (27) Jr 7,22 . (28) Jr 7,23 . (29) Jr 7,31 . (30) Jr 11,4 . (31) In één vers in het N.T. : Mt 28,20 .
- entellô (bevelen, opdragen, vragen) . entellô (bevelen, opdragen, vragen) . Taalgebruik in het N.T. : entellô (bevelen, opdragen, vragen) . Taalgebruik in Mc : entellô (bevelen, opdragen, vragen) . Taalgebruik in Lc : entellô (bevelen, opdragen, vragen) .
--- entellomai . In 48 verzen in de bijbel . In 46 verzen in het O.T. In 2 verzen in het N.T.
--- entelletai . In 2 verzen in de bijbel . Nu 32,25 . Am 6,11 .
--- entetaltai (hij heeft opgedragen) . Perfectum derde persoon enkelvoud . In 8 verzen in de bijbel . In 7 verzen in het O.T. : (4) 1 K 13,17 : hoti houtôs entetaltai moi en logôi kurios = want zo heeft de Heer met een woord mij opgedragen . In 1 vers in het N.T. : Hnd 13,47 : houtôs gar entetaltai hèmin kurios = want zo heeft de Heer ons opgedragen . Men moet zich houden aan de opdracht die iemand van God heeft ontvangen .
--- eneteilato (hij droeg op) . Actief aorist derde persoon enkelvoud . In 232 verzen in de bijbel . O.T. (224) . Gn (14) . Ex (9) . Lv (12) . Nu (13) . Dt (30) . Joz (26) . N.T. (8) . Mt (2) . Mc (2) . Joh (2) . Heb (2) . In acht verzen in het N.T. : (1) Mt 17,9 . (2) Mt 19,7 . (3) Mc 10,3 . (4) Mc 13,34 . (5) Joh 8,5 . (6) Joh 14,31 . (7) Heb 9,20 . (8) Heb 11,22 .

    bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  med. ind. fut. 3de pers. enk. enteleitai                
  ind. aor. 3de pers. enk. eneteilato 232  224       
                               
                               
                               
                               
                               
                               
                               
  totaal                            


--- enteilamenos (opgedragen) . Participium aorist passief nominatief mannelijk enkelvoud : Hnd 1,2 . Hapax .
- tsâwâh (opdragen) . Verwijzing : tsâwâh (opdragen) , zie Mt 28,20 .

- enteuthen (van hier, daarop) . enteuthen (van hier, daarop) . Taalgebruik in het N.T. : enteuthen (van hier, daarop) . Taalgebruik in Lc : enteuthen (van hier, daarop) .

  enteuthen  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
    31  22         

- entolè (opdracht) . entolè (opdracht) . Taalgebruik in het N.T. : entolè (opdracht) . Taalgebruik in Mc. : entolè (opdracht) . Taalgebruik in Lc. : entolè (opdracht) .

  entolè (opdracht) bijbel  O.T.  N.T.  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
1 nom. + dat. enk. entolè(i) 24 10 14 2 : (1) Mt 22,36 . (2) Mt 22,38 . 2   2   8  
2 gen. enk. entolès 16 7 9           9      
3 acc. enk. entolèn 42 24 18 1 : Mt 15,3 . 3 2 3 1 8  
4 nom. + acc mv. entolai 11 10 1           1      
5 gen. mv. entolôn 27 24 3 1 : Mt 5,19 .         2  
6 dat. vr. mv. entolais 20 17 3 1 : Mt 22,40 .   1     1  
7 acc. mv. entolas 145 128 17 1 : Mt 19,17 . 1 1 4   8 2
  Totaal   285  220  65  6 37  16  25 

 

Een vorm van entolè (opdracht) bij Mt   (1) Mt 5,19 . (2) Mt 15,3 . (3) Mt 19,17 . (4) Mt 22,36 . (5) Mt 22,38 . (6) Mt 22,40.    

- epaggelia (belofte , bij-engelschap , engelbewaarderschap) . epaggelia (belofte , bij-engelschap , engelbewaarderschap) . Taalgebruik in het N.T. : epaggelia (belofte , bij-engelschap , engelbewaarderschap) . Lat. promissum . (promittere) . Fr. promettre - > promis . E. promis . Ned. beloven , belofte .

      bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  acc. vr. enk. epaggelian     18  16        10    10   
                                 
                                 

 

- tèi epaurion ('s anderendaags) . epaurion (de dag erop) .  Taalgebruik in het N.T. : tè(i) epaurion ('s anderendaags) . Taalgebruik in Mc : tè(i) epaurion ('s anderendaags) . Gr. aurion (bijwoord) : morgen (vroeg) . ep-aurion : de dag erop , de volgende dag . Fr. lendemain < le - en - demain -> l'endemain -> lendemain -> le lendemain . demain > Lat. de mane (matin) . Lat. altera die -> Ned. 's anderendaags .

- epairô (opheffen, verheffen) . epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in het N.T. : epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in Lc : epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in Hnd : epairô (opheffen, verheffen) .

- epaischunomai (zich schamen over) . epaischunomai (zich schamen over) . Taalgebruik in het N.T. : epaischunomai (zich schamen over) . Taalgebruik in Mc : epaischunomai (zich schamen over) .

  epaischunoma  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  pass. conj. aor. 3de pers. enk. epaischunthè(i)              
  pass. ind. fut. 3de pers. enk. epaischunthèsetai                  
                               
                               

- epanagô (opvaren) . epanagô (opvaren) . Taalgebruik in het N.T. : epanagô (opvaren) . Taalgebruik in Lc : epanagô (opvaren) .

    bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. imperat. aor. 2de pers. enk. epanagage                   
  act. inf. aor. epanagagein                    
                               

 

epaurion ('s anderendaags)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
tè(i) (...) epaurion  39  22  17  1 : Mt 27,62 . 1 : Mc 11,12 .   5 : (1) Joh 1,29 . (2) Joh 1,35 . (3) Joh 1,43 . (4) Joh 6,22 . (5) Joh 12,12 . 10 : (1) Hnd 10,9 . (2) Hnd 10,23 . (3) Hnd 10,24 . (4) Hnd 14,20 . (5) Hnd 20,7 . (6) Hnd 21,8 . (7) Hnd 22,30 . (8) Hnd 23,32 . (9) Hnd 25,6 . (10) Hnd 25,23 .            
tè(i) epaurion        1 : Mc 11,12   5 : (1) Joh 1,29 . (2) Joh 1,35 . (3) Joh 1,43 . (4) Joh 6,22 . (5) Joh 12,12 3 : (4) Hnd 14,20 .  (5) Hnd 20,7 . (9) Hnd 25,6 .            
tè(i) de epaurion      1 : Mt 27,62 .         6 : (1) Hnd 10,9 . (2) Hnd 10,23 . (3) Hnd 10,24 .  (6) Hnd 21,8 . (7) Hnd 22,30 . (8) Hnd 23,32 .            
kai  tè(i) epaurion       1 : Mc 11,12     (4) Hnd 14,20            
tè(i) oun epaurion              (10) Hnd 25,23            

- epeidèper (nadat nu, daar nu) . epeidèper (nadat nu, daar nu) . Taalgebruik in het N.T. : epeidèper (nadat nu, daar nu) . Taalgebruik in Lc : epeidèper (nadat nu, daar nu) .

  epeidèper  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd