NIEUWE TESTAMENT : TAALGEBRUIK E

- egô (ik) -- eimi (zijn) -- eirènè (vrede) -- eis (naar) -- eiserchomai (binnengaan) -- ek (uit) -- ekeinos (die) - ekklèsia (kerk) -- emprosthen (in nabijheid van) - en (in) -- tè(i) epaurion ('s anderendaags) -- epi (op, bij) -- erèmos (woestijn) -- euaggelion (evangelie) -- eucharisteô (danken) -- euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) -

Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -

Overzicht van Tenach : Tenach : overzicht , Tenach : taalgebruik - Tenach A - Tenach B - Tenach C - Tenach D - Tenach E - Tenach F - Tenach G - Tenach H - Tenach I - Tenach J - Tenach K - Tenach L - Tenach M - Tenach N - Tenach O - Tenach P - Tenach Q - Tenach R - Tenach S - Tenach T - Tenach U - Tenach V - Tenach W - Tenach X -Tenach Y - Tenach Z - Tenach : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - Septuaginta A - Septuaginta B - Septuaginta C - Septuaginta D - Septuaginta E - Septuaginta F - Septuaginta G - Septuaginta H - Septuaginta I - Septuaginta J - Septuaginta K - Septuaginta L - Septuaginta M - Septuaginta N - Septuaginta O - Septuaginta P - Septuaginta Q - Septuaginta R - Septuaginta S - Septuaginta T - Septuaginta U - Septuaginta V - Septuaginta W - Septuaginta X -Septuaginta Y - Septuaginta Z - Septuaginta : commentaar ,


1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm .
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HANDTIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts (Vlaams Blok) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen -

Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

-
OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


OPGELET : De getallen verwijzen steeds naar het aantal verzen waarin een 'woord' voorkomt . Eenzelfde 'woord' kan echter meerdere malen in hetzelfde vers voorkomen .

  NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
boeknr.  27 40 41 42 43 44 45 - 65 66    
hoofdst.  260 28 16 24 21 28 121 22 68  89 
verzen  7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 

  NT Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul. Ap. br.
boeknr.  27 (aantal)   45  46  47  48  49  50  51  52  53  54  55  56  57  58  59  60  61  62  63  64  65     
hoofdst.  260 121 16  16  13  13  100 21
verzen  7957 2767 433  437  257  149  155  104  95  89  47  113  83  46  25  303  108  105  61  105  13  14  25  2336  431 

E

- ea (aai) . ea (aai) . Uitroep van pijnlijke verbazing . Taalgebruik in het NT : ea (aai) . Taalgebruik in Lc : ea (aai) .

  ea (aai)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                   

- ean (indien) . εαν = ean (indien) . Taalgebruik in het NT : ean (indien) . Taalgebruik in de LXX : ean (indien) . Taalgebruik in Mc : ean (indien) . Taalgebruik in Lc : ean (indien) .

  ean (indien)  bijbel OT Gn  Ex  Lv  Nu Dt NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
    1411  1103  50 84 163 74 133 308  56  32  27  54  10  120  115  169     

- eaô (laten, toelaten) . eaô (laten, toelaten) . Taalgebruik in het NT : eaô (laten, toelaten) . Taalgebruik in Lc : eaô (laten, toelaten) .

  eaô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. imperf. 3de pers. enk. eia                  
                               

- echô (hebben, bezitten) . εχω = echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het NT . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in de LXX . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in Mc . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in Lc . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir . D. haben . E. have .

echô (hebben, bezitten)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. pr. 3de pers. enk echei   136  44  92  11  10  12  18  18  33  51     
 part. pr. nom. mann. enk. echôn 114  32  82  10  12  18  32  25  30  15 
act. ind.imperf. 3de pers. enk. eichen (hij had)   46  23  23  14  16   
act. ind. imperf. 3de pers. mv. eichon  32  13  19  10 
                             
                             
totaal                            

- act. ind. imperf. 3de pers. enk. ειχεν = eichen (hij had) van het werkw. εχω = echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het NT . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in de LXX . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir . D. haben . E. have . Een vorm van echô (hebben, bezitten) in de LXX (497) , in het NT (705) , in Hnd (44) . Lc (4) : (1) Lc 13,6 . (2) Lc 15,11 . (3) Lc 16,1 . (4) Lc 21,4 . Hnd (4) : (1) Hnd 2,45 . (2) Hnd 4,35 . (3) Hnd 9,31 . (4) Hnd 18,18 .


- εχθρος = echthros (vijand)

- echthros (vijand) . εχθρος = echthros (vijand) . Taalgebruik in het NT : echthros (vijand) . Taalgebruik in de LXX : echthros (vijand) . Een vorm van εχθρος = echthros in de LXX (456) , in het NT (32) , in Lc (8) : (1) Lc 1,71 . (2) Lc 1,74 . (3) Lc 6,27 . (4) Lc 6,35 . (5) Lc 10,19 . (6) Lc 19,27 . (7) Lc 19,43 . (8) Lc 20,43 .

- acc. mann. enk. . Bijbel (26) . OT (24) . NT (2) .

- gen. mann. mv. εχθρων = echthrôn (van de vijanden) van het zelfst. naamw. εχθρος = echthros (vijand) . Taalgebruik in het NT : echthros (vijand) . Taalgebruik in de LXX : echthros (vijand) . Bijbel (146) . NT (2) : (1) Lc 1,71 . (2) Lc 1,74 . Een vorm van εχθρος = echthros in de LXX (456) , in het NT (32) , in Lc (8) : (1) Lc 1,71 . (2) Lc 1,74 . (3) Lc 6,27 . (4) Lc 6,35 . (5) Lc 10,19 . (6) Lc 19,27 . (7) Lc 19,43 . (8) Lc 20,43 .

-

- εχθρα = echthra (vijandschap) . Zie :
- acc. vr. enk. εχθραν = echthran van het zelfst. naamw. εχθρα = echthra (vijandschap) . Zie : εχθρος = echthros (vijand) . Taalgebruik in Tenakh : echthros (vijand) . Bijbel (17) : (1) Gn 3,15 . (2) Nu 35,20 . (3) Nu 35,22 . (4) Js 63,10 . (5) Jr 9,7 . (6) Ez 35,5 . (7) Ez 35,11 . (8) Mi 2,8 . (9) Spr 6,35 . (10) Spr 10,18 . (11) Spr 26,26 . (12) 1 Mak 11,40 . (13) 1 Mak 13,17 . (14) Sir 6,9 . (15) Sir 37,2 . (16) Ef 2,14 . (17) Ef 2,16 . Een vorm van εχθρα = echthra in de LXX (14) , in het NT (6) .
- Latijn . acc. vr. enk. inimicitiam van het zelfst. naamw. inimicitia (vijandschap) . Tenakh (6) : (1) 1 Mak 13,17 . (2) Sir 6,9 . (3) Sir 28,9 . (4) Sir 37,2 . (5) Ef 2,14 . (6) Ef 2,16 . acc. vr. mv. inimicitias van het zelfst. naamw. inimicitia (vijandschap) . Tenakh (6) : (1) Gn 3,15 . (2) Gn 26,21 . (3) Ez 25,15 . (4) 1 Mak 7,26 . (5) 1 Mak 9,51 . (6) 1 Mak 11,40 .


- ηδη = èdè (reeds)

- èdè (reeds) . ηδη = èdè (reeds) . Taalgebruik in het NT : èdè (reeds) .

èdè (reeds)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  92  36  56  16  15    23  39  12 

Mc (7) : (1) Mc 4,37 . (2) Mc 6,35 . (3) Mc 8,2 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 13,28 . (6) Mc 15,42 . (7) Mc 15,44 .

- και ηδη = kai èdè (en reeds) . NT (2) : (1) Mc 6,35 (2X) . (2) Mc 15,42 .
- ηδη δε = èdè de (reeds echter) . NT (5) : (1) Mt 3,10 . (2) Lc 3,9 . (3) Lc 7,6 . (4) Joh 4,51 . (5) Joh 7,14 .


- efèmeria (beurt volgens de dagrooster) . efèmeria (beurt volgens de dagrooster) . Taalgebruik in het NT : efèmeria (beurt volgens de dagrooster) . Taalgebruik in Mc : efèmeria (beurt volgens de dagrooster) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  gen. vr. enk. efèmerias   10                 

- εφιστημι = efistèmi (staan bij)

- efistèmi (staan bij) . εφιστημι = efistèmi (staan bij) . Taalgebruik in het NT : efistèmi (staan bij) . Taalgebruik in de LXX : efistèmi (staan bij) . Taalgebruik in Lc : efistèmi (staan bij) . Taalgebruik in Hnd : efistèmi (staan bij) .

efistèmi (staan bij)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 

ind. aor. 3de p. enk. epestè 

             
ind. aor. 3de p. mv. epestèsan                
part. aor. nom. mann. enk. epistas                 
part. aor. nom. vr. enk. epistasa                   
part. aor. nom. mann. mv. epistantes                         
ind. perf. 3de p. enk. efestèken                    
part. perf. nom. mann. enk. efestôs                       
act. conj. aor. 3de pers. enk. epistè(i)                  
totaal                            

- act. ind. aor. 3de pers. mv. επεστησαν = epestèsan (zij stonden bij) van het werkw. εφιστημι = efistèmi (staan bij) . Taalgebruik in het NT : efistèmi (staan bij) . Taalgebruik in de LXX : efistèmi (staan bij) . Taalgebruik in Lc : efistèmi (staan bij) . Taalgebruik in Hnd : efistèmi (staan bij) . Bijbel (9) . OT (4) : (1) . (2) . (3) . (4) . NT (5) : (1) Lc 20,1 . (2) Lc 24,4 . (3) Hnd 4,1 . (4) Hnd 10,17 . (5) Hnd 11,11 .


- eforaô (kijken op, neerkijken) . εφοραω = eforaô (kijken op, neerkijken) . Taalgebruik in het NT : eforaô (kijken op, neerkijken) . Taalgebruik in de Septuaginta : eforaô (kijken op, neerkijken) .

- επειδεν = epeiden ( hij keek neer ) < voorzetsel ep' + act. ind. aor. 3de pers. enk. van het werkw. εφοραω = eforaô (kijken op, neerkijken) . Taalgebruik in het NT : eforaô (kijken op, neerkijken) . Taalgebruik in de Septuaginta : eforaô (kijken op, neerkijken) . Tenakh (5) : (1) Gn 4,4 (en JHWH keek neer - sjâ`â - op Abel) . (2) Ex 2,25 (en hij - God - keek neer - râ´âh - op de Israëlieten) . (3) Ps 54,9 (Mijn oog keek neer - râ´âh - op mijn vijanden) . (4) Ps 92,12 (Mijn oog keek neer - nâbhat - op mijn vijanden) . (5) Lc 1,25 (God keek neer op mijn schande) . Een vorm van εφοραω = eforaô (kijken op, neerkijken) in de LXX (29) , in het NT (2) : (1) Lc 1,25 . (2) Hnd 4,29 .
- Kijken op - neerzien kan positief of negatief geïnterpreteerd worden : genadig neerzien op , misprijzend neerkijken op .


- egche˘ (ingieten) . εγχεω = egcheô (ingieten) . Taalgebruik in het NT : egche˘ (ingieten) . Taalgebruik in de LXX : egcheô (ingieten) . Een vorm van εγχεω = egcheô in de LXX (6) , in het NT () .


- εγειρω = egeirô (opwekken)

- egeir˘ (wekken) . εγειρω = egeirô (opwekken) . Taalgebruik in het NT : egeirô (wekken) . Taalgebruik in de LXX : egeirô (wekken) . Taalgebruik in Mc : egeirô (wekken) . Wellicht wekken uit de slaap , op-wekken . Ned. wekken vlg. Lat. vegere : flink , levendig zijn , opgewekt zijn . Lat. resurgere . Surgere (surrexi , surrectum) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super = op, boven + regere (rexi , rectum) : richten (rechtop), leiden , sturen . -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten , terug rechtop staan . Ned. rekken (Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr. résurrection .
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare (citus : vlug , snel) : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven .
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-) waken .

  egeirô (opwekken) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
  ind. pr. 3de p. enk. egeirei            
  ind. pr. 3de p. mv. egeirousin              
  act. imperat..praes. 2de pers. enk. egeire 14   14 1 5 4 1 1 1 1    
  imp. 2de p. mv. egeirete                  
  inf. pr. egeirein                  
  ind imp. 3de p. enk. ègeiren 27  20    10       
  ind. imp. 3de p. mv. ègeiran                
  inf. aor. egeirai               
  pas. ind. pr. 3de p. enk. egeiretai 5   5       2   3      
  pass. ind. praes. 3de pers. mv. egeirontai 10 1 9 1 1 2     5      
  pas. imper. praes. 2de pers. mv. egeiresthe            
  pas. conj. praes. 3de pers. enk. egeirètai               
  pass. fut. 3de pers. enk. egerthèsetai              
  pas. fut. 3de p. mv.  egerthèsontai 5            
  pass. ind. aor. 3de pers. enk. ègerthè 23  18       
  pas. ind. aor. 3de p. mv. ègerthèsan 2                  
  pas. conj. 3de p. enk. egerthè(i)                 
  pas. imp. 2de p. mv. egerthète                  
 

pass. inf. aor. egerthènai 

           
  pass. part. aor. nom. mann. + vr. enk. egertheis 13   13           
  pas. perf. 3de pers. enk. egègertai               
  pas. part. perf. acc. mann. enk. egègermenon              
  part. aor. nom. m. + vr. mv.                        
  Nog andere vormen...                          
  egeirô (opwekken) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
                           

actief imperfectum derde persoon enkelvoud . In zevenentwintig verzen in de bijbel . In zeven verzen in het OT . In twintig verzen in het NT Niet bij Matteüs . In twee verzen bij Marcus : (1) Mc 1,31 . (2) Mc 9,27 . In één vers bij Lucas . In drie verzen bij Johannes .

egeire (wek op, ontwaak) . Imperatief praesens . Het komt enkel in het NT voor , in veertien verzen. In één vers bij Matteüs . In vijf verzen bij Marcus . Bij Marcus : (1) Mc 2,9 (// Mt 9,5 // Lc 5,23) . (2) Mc 2,11 (// Lc 5,24 // Joh 5,8 ) . (3) Mc 3,3 (// Lc 6,8 ) . (4) Mc 5,41 (// Lc 8,54 ) . (5) Mc 10,49 . (1) Mc 2,9 : woord van Jezus tot de lamme . (3) Mc 3,3 : een woord van Jezus tot de man met de verschrompelde hand . (4) Mc 5,41 : een woord van Jezus tot het dochtertje van Jaïrus . (5) Mc 10,49 : een bemoedigend woord van het volk tot de blinde Bartimeüs .

- act. ind. imperf. 3de pers. enk. ηγειρεν = ègeiren (hij wekte op) van het werkw. εγειρω = egeirô (opwekken) . Taalgebruik in het NT : egeirô (wekken) . Taalgebruik in de LXX : egeirô (wekken) . Taalgebruik in Mc : egeirô (wekken) . Taalgebruik in Lc : egeirô (wekken) . Bijbel (27) . OT (7) : (1) Re 2,16 . (2) Re 2,18 . (3) Re 3,9 . (4) Re 3,15 . (5) Re 7,19 . (6) 1 K 11,14 . (7) Jr 51,11 . NT (20) . Mc (2) : (1) Mc 1,31 . (2) Mc 9,27 . Lc (1) : Lc 1,69 . Joh (3) : (1) Joh 12,1 . (2) Joh 12,9 . (3) Joh 12,17 . Hnd (10) : (1) Hnd 3,7 . (2) Hnd 3,15 . (3) Hnd 4,10 . (4) Hnd 5,30 . (5) Hnd 10,26 . (6) Hnd 10,40 . (7) Hnd 12,7 . (8) Hnd 13,22 . (9) Hnd 13,30 . (10) Hnd 13,37 .  Brieven (4) : (1) Rom 10,9 . (2) 1 Kor 6,14 . (3) 1 Kor 15,15 . (4) 1 Tes 1,10 . Een vorm van εγειρω = egeirô (opwekken) in de LXX (57) , in het NT (143) , in Lc in 18 verzen : (1) Lc 1,69 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 5,23 . (4) Lc 5,24 . (5) Lc 6,8 . (6) Lc 7,14 . (7) Lc 7,16 . (8) Lc 7,22 . (9) Lc 8,54 . (10) Lc 9,7 . (11) Lc 9,22 . (12) Lc 11,8 . (13) Lc 11,31 . (14) Lc 13,25 . (15) Lc 20,37 . (16) Lc 21,10 . (17) Lc 24,6 . (18) Lc 24,34 . In de LXX is een vorm van εγειρω = egeirô de vertaling van 17 verschillende Hebreeuwse woorden .

egeirô (opwekken) bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br Apk syn. ev.
ind imperf. 3de pers. enk. ègeiren 27  20    10   

- act. ind. aor. 3de pers. mv. ηγειραν = ègeiran (zij wekten) van het werkw. εγειρω = egeirô (opwekken) . Taalgebruik in het NT : egeirô (wekken) . Taalgebruik in de LXX : egeirô (wekken) . Bijbel (5) : (1) 1 S 5,3 . (2) Mi 3,5 . (3) Jdt 10,23 . (4) 1 Mak 3,49 . (5) Mt 8,25 . Een vorm van εγειρω = egeirô (opwekken) in de LXX (57) , in het NT (143) , in Mt (36) , in Mt 8 (36) : (1) Mt 8,15 . (2) Mt 8,25 . (3) Mt 8,26 .

      1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  9.  10.  11.  12. 
  egeirô    Lc 1 Lc 3 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 11 Lc 13 Lc 20 Lc 21 Lc 24
1.  act. ind imperf. 3de p. enk. ègeiren   (1) Lc 1,69 .                        
2.  act. imperat..praes. 2de pers. enk. egeire       (1) Lc 5,23 . (2) Lc 5,24 .   (3) Lc 6,8 .     (4) Lc 8,54 .              
3.  act. conj. aor. 3de pers. enk. egethè(i)                  (1) Lc 13,25 .        
4.  act. inf. aor. egeirai     (1) Lc 3,8 .                      
5.  pass. ind. praes. 3de pers. mv. egeirontai           (1) Lc 7,22 .           (2) Lc 20,37 .      
6.  pass. fut. 3de pers. enk. egerthèsetai                  (1) Lc 11,31 .       (2) Lc 21,10 .    
7.  pass. ind. aor. 3de pers. enk. ègerthè          (1) Lc 7,16 .     (2) Lc 9,7 .           (3) Lc 24,6 . (4) Lc 24,34 .  
8.  pass. imperat. aor. 2de pers. enk. egerthèti           (1) Lc 7,14 .                
9.  pass. inf. aor. egerthènai               (1) Lc 9,22 .            
10.  pass. part. aor. nom. mann. + vr. enk. egertheis                (1) Lc 11,8 .          
    18  1 1

- Lat. resurgere . Surgere ( surrexi , surrectum ) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super = op , boven + regere ( rexi , rectum ) : richten , leiden , sturen . Ned. rekken ( Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr. résurrection .
- Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven .
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-) waken . D. auferwecken .

- egègertai ( Hij is opgewekt ) . Passief perf. 3de pers. enk. van het werkwoord egeirô . Lat. resurgere . Surgere ( surrexi , surrectum ) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super = op , boven + regere ( rexi , rectum ) : richten , leiden , sturen . Ned. rekken ( Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr. résurrection .
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven .
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-) waken .
In 9 verzen in het NT . In 7 verzen in 1 Kor 15 : (1) 1 Kor 15,4 . (2) 1 Kor 15,12 . (3) 1 Kor 15,13 ( b : oude christos egŔgertai = is Christus niet opgewekt ) . (4) 1 Kor 15,14 ( b : ei de christos ouk egŔgertai = als Christus niet is opgewekt ) . (5) 1 Kor 15,16 ( b : oude christos egŔgertai = is Christus niet opgewekt ) . (6) 1 Kor 15,17 ( b : ei de christos ouk egŔgertai = als Christus niet is opgewekt ) . (7) 1 Kor 15,20 ( nuni de christos egŔgertai ek nekrôn = nu echter Christus is opgewekt uit de doden ) .

ègeiren ek nekrôn ( Hij wekte op uit de doden ) . In zes verzen in het NT : (1) Joh 12,1 . (2) Joh 12,9 . (3) Hnd 3,15 . (4) Hnd 4,10 . (5) Rom 10,9 . (6) 1 Tes 1,10 .

egeirô (opwekken, doen ontwaken) . Taalgebruik : egeirô (ontwaken, opwekken) , zie Mc 1,31 .
--- egeirousin (zij wekken) . In één vers in de bijbel , nl. Mc 4,38 . Hebreeuwse vertaling wajjâqîmû (Hifil imperfectum derde persoon meervoud) (en zij deden opstaan = zij richtten op) : (1) Joz 7,26 (kai epestèsan) . (2) Joz 8,29 (kai epestèsan) . (3) Re 18,30 (kai anestèsan) .
--- egeire (wek op, ontwaak) . Imperatief praesens . Het komt enkel in het NT voor , in veertien verzen. In één vers bij Matteüs . In vijf verzen bij Marcus . In vier verzen bij Lucas . In één vers bij Johannes enz. Bij Matteüs : Mt 9,5 (// Mc 2,9 // Lc 5,23 . Bij Marcus : (1) Mc 2,9 (// Mt 9,5 // Lc 5,23) . (2) Mc 2,11 (// Lc 5,24 // Joh 5,8 ) . (3) Mc 3,3 (// Lc 6,8 ) . (4) Mc 5,41 (// Lc 8,54 ) . (5) Mc 10,49 . (1) Mc 2,9 : woord van Jezus tot de lamme (3) Mc 3,3 : een woord van Jezus tot de man met de verschrompelde hand (4) Mc 5,41 : een woord van Jezus tot het dochtertje van Jaïrus (5) Mc 10,49 : een bemoedigend woord van het volk tot de blinde Bartimeüs . Bij Lucas : (1) Lc 5,23 (// Mt 9,5 (// Mc 2,9 ) . (2) Lc 5,24 (// Mc 2,11 // Joh 5,8 ) . (3) Lc 6,8 (// Mc 3,3 ) . (4) Lc 8,54 (// Mc 5,41 ) . Bij Johannes : Joh 5,8 (// Mc 2,11 // Lc 5,24 ) . (12) Hnd 3,9 : een woord van Petrus tot de lamme . (13) Ef 5,14 . (14) Apk 11,1 .
--- ègerthè (hij werd opgewekt) . Passief aorist derde persoon enkelvoud . Het komt in drieëntwintig verzen in de bijbel voor . In vijf verzen in het OT. In achttien verzen in het NT . In zes verzen bij Matteüs , in drie verzen bij Marcus , in vier verzen bij Lucas , in twee verzen bij Johannes enz. Bij Matteüs : (1) Mt 8,15 . (2) Mt 9,25 . (3) Mt 14,2 . (4) Mt 27,64 . (5) Mt 28,6 . (6) Mt 28,7 . Bij Marcus : (1) Mc 2,12 . (2) Mc 6,16 . (3) Mc 16,6 . (1) Mc 2,12 : de opwekking van de lamme . (2) Mc 6,16 : Herodes zei : Johannes die ik heb onthoofd , deze werd opgewekt . (3) Mc 16,6 : de engel zei tot de vrouwen : Hij werd opgewekt . In Hnd : Hnd 9,8 .
--- egertheis (ontwaakt, gewekt) . Passief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud. In 13 verzen in de bijbel, enkel in het NT In 9 verzen bij Matteüs, niet bij Marcus, in 1 vers bij Lucas, in 1 vers bij Johannes. Bij Matteüs : (1) Mt 1,24 . (2) Mt 2,13 . (3) Mt 2,14 . (4) Mt 2,20 . (5) Mt 2,21 . (6) Mt 8,26 . (7) Mt 9,6 . (8) Mt 9,7 . (9) Mt 9,19 .
- qûm (opstaan) . In zesenveertig verzen in de bijbel .
- wajjâqâm . In 125 verzen in de bijbel . In vijf / zes verzen in Ex (Exodus) : (1) Ex 1,8 . (2) Ex 2,17 . (3) Ex 12,30 . (4) Ex 24,13 . (5) Ex 40,18 (wajjâqèm hij deed opstaan ; hifil) . (6) Ex 40,33 .
-- wajjâqâm mosjèh (en Mozes stond op) . In drie verzen in de bijbel : (1) Ex 2,17 . (2) Ex 24,13 . (3) Nu 16,25 .
--- hâqem en huqam . In zes verzen in de bijbel .
--- qûmi (sta op) . Actief aorist tweede persoon vrouwelijk enkelvoud . In zestien verzen in de bijbel . (8) Js 51,17 . (9) Js 52,2 .
--- wahäqîmothî (ik doe opstaan) . Hifil aorist eerste persoon enkelvoud . In vier verzen in de bijbel : (1) Lv 26,9 . (2) 1 S 2,35 . (3) 2 S 7,12 . (4) Js 29,3 .
--- ´âqîm (ik zal doen opstaan) . Hifil imperfectum eerste persoon enkelvoud . In vijf verzen in de bijbel : (1) Gn 17,21 . (2) Dt 18,18 . (3) 1 S 3,12 . (4) Jr 30,9 . (5) Am 9,11 (tweemaal) .

- pass. ind. aor. 3de pers. enk. εξηγερθη = exègerthè (hij werd gewekt uit) van het werkw. εξεγειρω = exegeirô (wekken uit) . Zie het werkw. εγειρω = egeirô (opwekken) . Taalgebruik in het NT : egeirô (wekken) . Taalgebruik in de LXX : egeirô (wekken) . Bijbel (6) : (1) Gn 28,16 . (2) Re 16,14 . (3) Re 16,20 . (4) Ps 78,65 . (5) Est 8,4 . (6) Sir 40,7 . Een vorm van het werkw. εξεγειρω = exegeirô in de LXX (88) , in het NT (2) : (1) Rom 9,17 . (2) 1 Kor 6,14 .

- pass. part. aor. nom. mann. enk. εξεγερθεις = exegertheis (gewekt uit) van het werkw. εξεγειρω = exegeirô (wekken uit) . Zie het werkw. εγειρω = egeirô (opwekken) . Taalgebruik in het NT : egeirô (wekken) . Taalgebruik in de LXX : egeirô (wekken) . Bijbel (1) : Gn 41,21 . Een vorm van het werkw. εξεγειρω = exegeirô in de LXX (88) , in het NT (2) : (1) Rom 9,17 . (2) 1 Kor 6,14 .


- εγγιζω = eggizô (naderen)

- eggizô (naderen) . εγγιζω = eggizô (naderen) . Taalgebruik in het NT : eggizô (naderen) . Taalgebruik in de LXX : eggizô (naderen) . Taalgebruik in Mc : eggizô (naderen) .
- act. ind. praes. 3de pers. enk. εγγιζει = eggizei (hij nadert) van het werkw. εγγιζω = eggizô (naderen) . Taalgebruik in het NT : eggizô (naderen) . Taalgebruik in de LXX : eggizô (naderen) . Bijbel (12) : (1) Nu 24,17 . (2) Dt 15,9 . (3) 2 S 19,43 . (4) Js 26,17 . (5) Js 29,13 . (6) Js 41,21 . (7) Js 50,8 . (8) Js 51,5 . (9) Spr 10,14 . (10) Rt 2,20 . (11) Lc 12,33 . (12) Lc 21,28 .

- act. ind. fut. 3de pers. enk. = eggiei (hij zal naderbij komen) van het werkw. εγγιζω = eggizô (naderen) . Taalgebruik in het NT : eggizô (naderen) . Taalgebruik in de LXX : eggizô (naderen) . Bijbel (9) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) .

eggizô (naderen)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.   A. b.  
ind. pr. 3de p. enk. eggizei  12  10                 
ind. pr. 3de p. mv. eggizousin                 
ind. imperf. 3de p. enk. èggizen               
part. pr. nom. mann. mv. eggizontes                 
inf. pr. eggizein                
ind. aor. 3de p. enk. èggisen   31  24             
ind. aor. 3de p. mv.  èggisan 18  16               
part. aor. nom. mann. enk. eggisas               
ind. perf. 3de pers. enk. èggiken   18  14        11  11 
Andere vormen                              
Totaal 107  74  33  16      26  26 

- eggizein . Infinitief praesens . In zes verzen in de bijbel . In vier verzen in het OT . In twee verzen in het NT : (1) Lc 18,35 : egeneto de en tôi eggizein auton eis Ierichô (terwijl hij echter Jericho naderde) . (2) Hnd 9,3 : egeneto eggizein auton tèi Damaskôi (het gebeurde dat hij Damaskus naderde) .
- èggisen (hij naderde) . In de 3de persoon enkelvoud komt het in 31 verzen in de bijbel voor; in 24 verzen in het OT en in 7 verzen in het N.T ; bij Matteüs slechts in Mt 21,34 .
- èggisan (zij naderden) indicatief aorist 3e persoon meervoud van het werkwoord eggizô : naderen. In deze vorm komt het in 18 verzen in de bijbel voor; in 16 verzen in het OT en in 2 verzen in het NT ; in Mt 21,1 en Lc 24,28 .
- èggiken (het is nabij) komt bij Matteüs 5X voor : Mt 3,2 Mt 3,1-6 -. Mt 4,17 - Mt 4,12-17 -. Mt 10,7 - Mt 10,5-16 -. Mt 26,45 - Mt 26,36-46 - en Mt 26,46 - Mt 26,36-46 -. Door het gebruik van het woordje 'naderbij' komt het drama dichterbij. Het uur van de waarheid is geslagen.


- egô (ik) . Gr. egô (ik) . Taalgebruik in het NT : egô (ik) . Lat. ego . Ned. : ik . Fr. je . Hebr. ´ânî (653) en ´ânokhî (276) , samen (929) .

egô (ik)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  1553  1234  319  28  14  21  123  42  80  11  63  186     

- ei (je bent of : indien,of): act. ind. pr. 2de pers. enk. ει = ei van het werkw. ειμι eimi (zijn) en ει = ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde . Taalgebruik in het NT : ei . Taalgebruik in de LXX : ei . Taalgebruik in Mc : ei . Taalgebruik in Lc : ei . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .

ei (je bent of indien)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  1337  802  535  66  42  64  69  38  234  22  172  241     

- ειδεν = eiden (hij zag)

- eiden (hij zag) . act. ind. aor. 3de pers. enk. ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Aoristvorm van horaô (zien) . Taalgebruik in de LXX : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Lc. : eiden (hij zag) . Ned. : zien . Arabisch : رَاهَ = ra´â (zien) . Taalgebruik in de Qoran : ra´â (zien) . D. : sehen , schauen . E. : to see . Fr. : voir . Gr. : ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) . Hebreeuws : רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Lat. : videre . Een vorm van ειδον / ειδεν = eidon / eiden in het NT (336) .

- act. ind. aor. 1ste pers. enk. en 3de pers. mv. ειδον = eidon (ik zag / zij zagen) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Taalgebruik in de LXX : eiden .

  zien  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  part. aor. nom. mann. enk. idôn  106  45  61  12  12  20  12  44  47   
  part. aor. nom. mann. mv. idontes   63  22  41  14    28  32     
  ind. aor. 3de pers. enk. eiden  262  220  42  10  12  19  26     
  act. ind. aor. 1ste pers. enk. en 3de pers. mv.  eidon 274  198  76  45  15  21     
  totaal 705  485  220  39  29  38  20  35  11  48  106  126     

- act. part. aor. nom. mann. enk. ιδων = idôn (gezien) van het werkw. ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Taalgebruik in de LXX : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . Mt (12) : (1) Mt 2,16 . (2) Mt 3,7 . (3) Mt 5,1 . (4) Mt 8,18 . (5) Mt 9,2 . (6) Mt 9,4 . (7) Mt 9,22 . (8) Mt 9,23 . (9) Mt 9,36 . (10) Mt 21,19 . (11) Mt 27,3 . (12) Mt 27,24 . Mc (12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,25 . (8) Mc 10,14 . (9) Mc 11,13 . (10) Mc 12,28 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 15,39 . Met Jezus als onderwerp . Mc (7 / 12 . expliciet : 4 / 12 , impliciet : 3 / 12) . Expliciet (4 / 12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 9,25 . (3) Mc 10,14 . (4) Mc 12,34 . Impliciet (3 / 12) : (1) Mc 6,48 . (2) Mc 8,33 . (3) Mc 11,13 . Andere (5 / 12) : (1) Mc 5,6 (bezetene) . (2) Mc 5,22 (Jaïrus) . (3) Mc 9,20 (onreine geest) . (4) Mc 12,28 (een schriftgeleerde) . (5) Mc 15,39 (centurio) . Lc (20) : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 7,13 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,28 . (8) Lc 10,31 . (9) Lc 10,32 . (10) Lc 10,33 . (11) Lc 11,38 . (12) Lc 13,12 . (13) Lc 17,14 . (14) Lc 17,15 . (15) Lc 18,24 . (16) Lc 18,43 . (17) Lc 19,41 . (18) Lc 22,58 . (19) Lc 23,8 . (20) Lc 23,47 . ειδον / ειδεν = eidon / eiden in het NT (336) .

  zien  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  part. aor. nom. mann. enk. idôn  106  45  61  12  12  20  12  44  47   

- και ιδων = kai idôn (en ziende) . NT (8 / 12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 11,13 . (8) Mc 12,34 . kai ... idôn (en ... gezien) . Mc (1 / 8) : Mc 12,34 . idôn de (gezien echter) in Mc (3 / 12) : (1) Mc 9,25 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 15,39 .
- ιδων δε = idôn de (gezien echter) . LXX (14) . NT (17) . Mc (5) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 9,25 . (4) Mc 10,14 . (5) Mc 15,39 .

- ιδων αυτον = idôn auton (hem ziende) . LXX (1) : Nu 21,8 . NT (7) : (1) Mc 5,22 . (2) Mc 9,15 . (3) Mc 9,20 . (4) Mc 12,34 . (5) Lc 10,31 . (6) Lc 10,33 . (7) Lc 22,58 .

- eiden (hij zag) . Taalgebruik in Tenach : châzâh (zien, aanzien, uitkiezen) . eiden (hij zag) 7X bij Johannes -- eiden (hij zag) , zie Mt 2,16 .


 

- eidos (gezicht, gestalte) . eidos (gezicht, gestalte) . Taalgebruik in het NT : eidos (gezicht, gestalte) . Taalgebruik in Lc : eidos (gezicht, gestalte) .

  eidos  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk. eidos   26  24            2      
                               
                               

- eikôn (beeld) . εικων = eikôn (beeld) . Taalgebruik in het NT : eikôn (beeld) . Bijbel (10) . OT (4) . NT (6) : (1) Mt 22,20 . (2) Mc 12,16 . (3) 1 Kor 11,7 . (4) 2 Kor 4,4 . (5) Kol 1,15 . (6) Apk 13,15 .

eikôn (beeld)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. eikôn  10           
gen. mann. enk. eikonos                    
dat. mann. enk. eikoni  13  10                     
acc. mann. enk. eikona  26  19             
                             
totaal                            

- εικων = eikôn (beeld) . Taalgebruik in het NT : eikôn (beeld) . Taalgebruik in de LXX : eikôn (beeld) . εικων = eikôn (beeld) is de vertaling van 6 verschillende Hebr. woorden in de LXX . Bijbel (10) . OT (4) . NT (6) : (1) Mt 22,20 . (2) Mc 12,16 . (3) 1 Kor 11,7 . (4) 2 Kor 4,4 . (5) Kol 1,15 . (6) Apk 13,15 . Een vorm van εικων = eikôn (beeld) in LXX (56) , in het NT (23) , in Kol (2) : (1) Kol 1,15 . (2) Kol 3,10 .

- acc. mann. enk. εικονα = eikona van het zelfst. naamw. εικων = eikôn (beeld) . Taalgebruik in het NT : eikôn (beeld) . Taalgebruik in de LXX : eikôn (beeld) . eikôn (beeld) is de vertaling van 6 verschillende Hebr. woorden in de LXX . Bijbel (26) : (1) Gn 1,26 . (2) Gn 1,27 . (3) Gn 5,1 . (4) Gn 5,3 . (5) Dt 4,16 . (6) Js 40,19 . (7) Js 40,20 . (8) Hos 13,2 . (9) Ps 73,20 . (10) Da 2,34 . (11) Da 2,35 . (12) Da 3,1 . (13) 2 Kr 33,7 . (14) W 2,23 . (15) W 14,15 . (16) W 14,17 . (17) Sir 17,3 . (18) Lc 20,24 . (19) 1 Kor 15,49 . (20) 2 Kor 3,18 . (21) Kol 3,10 . (22) Heb 10,1 . (23) Apk 13,14 . Apk 14,9. (25) Apk 14,11 . (26) Apk 20,4 . Een vorm van εικων = eikôn (beeld) in LXX (56) , in het NT (23) , in Kol (2) : (1) Kol 1,15 . (2) Kol 3,10 .


- eikosi (twintig) . = eikosi (twintig) , zie 20 . Taalgebruik in het NT : eikosi (twintig) . Taalgebruik in de LXX : eikosi (twintig) . L. viginti . Fr. vingt . N. twintig . E. twenty . D. zwanzig . Bijbel (232) . OT (222) . NT (10) . Hnd (2) : (1) Hnd 1,15 . (2) Hnd 27,28 . Hebr. `èshërîm (twintig) , zie 20 . Taalgebruik in Tenakh : `èshërîm (twintig) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 80 (2 X 2³ X 5) OF 620 (2² X 5 X 31 OF 20 X 31) . Structuur : 7 - 3 - 2 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (191) . wë`èshërîm (en twintig) < verbindingswoord wë + . Tenakh (86) .


- ειμι = eimi (zijn)

- eimi (zijn) . ειμι = eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in de LXX : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Taalgebruik in Hnd : eimi . Een vorm van ειμι = eimi (zijn) in het NT (2450) , in de LXX (6947) .

eimi (zijn) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. pr. 3de pers. enk. estin  2371  1558  813  114  69  96  147  66  296  25  176 323    
act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn   1506  1120  386  24  38  79  92  63  71  19  141  233     
act. ind. praes. 2de pers. mv. este 124 33 86   4       47          
                             
imperf. 3de pers. mv. èsan   332  239  93  10  16  22  28  48  56 
totaal                            

- este (jullie zijn) . 1 Tes (4) : (1) 1 Tes 2,20 . (2) 1 Tes 4,9 . (3) 1 Tes 5,4 . (4) 1 Tes 5,5 .

eimi ( zijn )  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
act. ind. pr. 3de pers. enk. estin    10    11 
act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn   6 : (1) Mc 1,6 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 1,22 . (4) Mc 1,23 . (5) Mc 1,33 . (6) Mc 1,45 . 1 1 2 5 3 1     2 4   1 3 8 1
                                 

- act. ind. imperf. 3de pers. enk. ην = èn (hij / zij was) van het werkw. ειμι = eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in de LXX : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Taalgebruik in Hnd : eimi (zijn) . Lc (79) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,22 . (5) Lc 1,66 . (6) Lc 1,80 . Een vorm van ειμι = eimi (zijn) in het NT (2450) , in de LXX (6947) . , in de LXX (6947) , in het NT (2450) . Tenakh (114) . Pentateuch (18) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (26) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (30) .

- act. ind. imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Taalgebruik in Hnd : eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Taalgebruik in Tenach : hâjâh (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Hnd (28) : (1) Hnd 1,10 . (2) Hnd 1,13 . (3) Hnd 1,14 . (4) Hnd 2,1 . (5) Hnd 2,2 . (6) Hnd 2,5 . (7) Hnd 2,42 . (8) Hnd 2,44 . (9) Hnd 4,6 . (10) Hnd 4,13 . (11) Hnd 4,31 . (12) Hnd 5,12 . (13) Hnd 11,20 . (14) Hnd 12,3 . (15) Hnd 12,12 . (16) Hnd 13,1 . (17) Hnd 13,48 . (18) Hnd 14,4 . (19) Hnd 14,7 . (20) Hnd 14,26 . (21) Hnd 17,11 . (22) Hnd 18,3 . (23) Hnd 19,7 . Hnd 19,14. (25) Hnd 20,8 . (26) Hnd 21,9 . (27) Hnd 21,29 . (28) Hnd 23,13 .

De verschillende vormen van het werkwoord eimi (zijn) . eimi (zijn) , zie Mc 1,6 . ousès , zie Joh 20,19 .
--- eimi (ik ben). In 14 verzen bij Matteüs.
--- este (jullie zijn). In 124 verzen in de bijbel; in 38 verzen in het OT, in 86 verzen in het NT In 9 verzen bij Matteüs).
- èmèn (ik was) . Taalgebruik : eimi (zijn) , zie Mc 1,6 . Actief imperfectum eerste persoon enkelvoud van het werkwoord eimi (zijn) . Bijbel (55) . OT (35) . NT (15) . Mt (3) . Mc (1) . Joh (3) . Hnd (5) . 1 Kor 13,11 . Gal 1,10 . Gal 1,22 .
--- èn (was) actief imperfectum 3de persoon enkelvoud
--- èsan (zij waren) . Imperfectum derde persoon meervoud van het werkwoord eimi (zijn) . In 332 verzen in de bijbel ; in 239 verzen in het OT , in drieënnegentig verzen in het NT . Mt (10) . Mc (16) . Lc (22) : (22) Lc 24,53 (èsan ... eulogountes = zij waren aan het lofprijzen) . Hnd (28) .

actief ind. pr. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het Kol : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . D. sein . Kol (17) . Kol 1 (7) : (1) Kol 1,6 . (2) Kol 1,7 . (3) Kol 1,15 . (4) Kol 1,17 . (5) Kol 1,18 . (6) Kol 1,24 . (7) Kol 1,27 . Een vorm van eimi (zijn) in de LXX (6947) , in het NT (2450) .

eimi (zijn) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. pr. 3de pers. enk. estin  2371  1558  813  114  69  96  147  66  296  25  176 323    
Totaal 9397 6947 2450 288 192 361 442 560 496 111 841 1283    

- eirènè (vrede) . nom vr. enk. ειρηνη = eirènè / dat. vr. enk. ειρηνῃ = eirènè(i) (vrede) . Taalgebruik in het NT : eirènè (vrede) . Taalgebruik in de LXX : eirènè (vrede) . Taalgebruik in Lc : eirènè (vrede) . Een vorm van ειρηνη = eirènè (vrede) in de LXX (294) , in het NT (91) . Hnd (7) . (1) dat. enk. eirènè(i) : Hnd 16,36 . Gen. enk. (2) : (1) Hnd 15,33 . (2) Hnd 24,2 . Acc. enk. (4) : (1) Hnd 7,26 . (2) Hnd 9,31 . (3) Hnd 10,36 . (4) Hnd 12,20 .

eirènè  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.  
nom. + dat.vr. enk.  151  105  46    34  10 
gen. vr. enk. eirènès  68  49  19        15    2
acc. vr. enk. eirènèn   102  80  22  9
Totaal  321  234  87  13  57  16  21 

      1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  9.  10.  
  eirènè  Lc Lc 1 Lc 2 Lc 7 Lc 8 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 14 Lc 19 Lc 24
1.  nom. + dat.vr. enk. erirènè(i)   (1) Lc 2,14 . (2) Lc 2,29 .     (3) Lc 10,5 . (4) Lc 10,6 . (5) Lc 11,21 .     (6) Lc 19,38 .   (7) Lc 24,36 .     
2.  gen. vr. enk. eirènès  (1) Lc 1,79 .       (2) Lc 10,6 .            
3.  acc. vr. enk. eirènèn       (1) Lc 7,50 . (2) Lc 8,48 .     (3) Lc 12,51 . (4) Lc 14,32 . (5) Lc 19,42 .        
  Totaal  '13'  '2' 

eirènè (vrede) Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul.   Ap. br.  
nom. + dat.vr. enk.  34  3        
gen. vr. enk. eirènès  15                               
acc. vr. enk. eirènèn                                  
Totaal  57 10  4 2      

eirènè (vrede) bijbel OT NT syn. ev.   Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb
nom. + dat.vr. enk. eirènè(i) 151  105  46  10  25  4 : (1) Rom 1,7 . (2) Rom 2,10 . (3) Rom 8,6 . (4) Rom 14,17 . 3 : (1) 1 Kor 1,3 . (2) 1 Kor 7,15 . (3) 1 Kor 16,11 . 1 : 2 Kor 1,2 . 3 : (1) Gal 1,3 . (2) Gal 5,22 . (3) Gal 6,16 . 3 : (1) Ef 1,2 . (2) Ef 2,14 . (3) Ef 6,23 . 2 : (1) Fil 1,2 . (2) Fil 4,7 . 2 : (1) Kol 1,2 . (2) Kol 3,15 . 2 : (1) 1 Tes 1,1 . (2) 1 Tes 5,3 . 1 : 2 Tes 1,2 . 1 : 1 Tim 1,2 . 1 : 2 Tim 1,2 . 1 : Tit 1,4 . 1 : Film3 .  
gen. vr. enk. eirènès  68  49  19  2 12  5 : (1) Rom 3,17 . (2) Rom 14,19 . (3) Rom 15,13 . (4) Rom 15,33 . (5) Rom 16,20 . 1 : 1 Kor 14,33 . 1 : 2 Kor 13,11   2 : (1) Ef 4,3 . (2) Ef 6,15 . 1 : Fil 4,9 .   1 : 1 Tes 5,23 . 1 : 2 Tes 3,16 .         3 : (1) Heb 7,2 . (2) Heb 11,31  . (3) Heb 13,20  .
acc. vr. enk. eirènèn   102  80  22  9 1 : Rom 5,1 .       2 : (1) Ef 2,15 . (2) Ef 2,17 .       1 : 2 Tes 3,16 .   1 : 2 Tim 2,22 .     1 : Heb 12,14  .
Totaal  321  234  87  16  21  43 10 

  Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud   
    Rom 1,7  1 Kor 1,3  2 Kor 1,2  Gal 1,3  Ef 1,2   Fil 1,2  Kol 1,2  1 Tes 1,1  2 Tes 1,2  1 Tim 1,2   2 Tim 1,2  Tit 1,4                     

- Lat. pax . Fr. paix . E. peace . Ned. vrede . D. Friede .

- gen. vr. enk. ειρηνης = eirènès van het zelfst. naamw. ειρηνη = eirènè (vrede) . Taalgebruik in het NT : eirènè (vrede) . Taalgebruik in de LXX : eirènè (vrede) . Taalgebruik in Lc : eirènè (vrede) . Bijbel (68) . OT (49) . NT (19) . Pentateuch () : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . Lc (2) : (1) Lc 1,79 . (2) Lc 10,6 .

- charis humin kai eirènè apo Theou Patros hèmôn kai apo kuriou Ièsou Christou (Genade zij u en vrede vanwege God onze vader en vanwege onze Heer Jezus Christus) . In tien verzen in de brieven van Paulus : (1) Rom 1,7 . (2) 1 Kor 1,3 . (3) 2 Kor 1,2 . (4) Gal 1,3 . (5) Ef 1,2 . (6) Fil 1,2 . (7) Kol 1,2 . (8) 1 Tes 1,1 . (9) 2 Tes 1,2 . (10) Film3 . Met deze begroeting opent Paulus een brief . In de pastorale brieven vinden we een variante van deze formulering : (1) 1 Tim 1,2 . (2) 2 Tim 1,2 . (3) Tit 1,4 .

- ειρηνη ὑμιν = eirènè humin (vrede aan jullie) . NT (5) : (1) Lc 24,36 . (2) Joh 20,19 . (3) Joh 20,21 . (4) Joh 20,21 . (5) 1 Pe 5,14 .
- Hebreeuws . לָכֶמ שָׁלוֹם = sjâlôm lâkhèm (vrede zij jullie) . Tenakh (1) : Gn 43,23 .
- שָׁלוֹם לָךָ = lëkhâ sjâlôm (aan jou vrede) . Tenakh (2) : (1) Nu 6,26 . (2) 1 S 25,6 .
- לָךָ שָׁלוֹם = sjâlôm lëkhâ (vrede aan jou) . Tenakh (3) : (1) Re 6,23 . (2) 1 S 20,21 . (3) 1 Kr 12,19 .

- en eirènè(i) (in vrede) . NT (8) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) .


eis (naar) . Voorzetsel van richting . In 6930 verzen in de bijbel . In 1594 verzen in het NT . In 215 verzen bij Matteüs . (1) Mt 2,1 (2) Mt 2,8 (3) Mt 2,11 (4) Mt 2,12 (5) Mt 2,13 (6) Mt 2,14 (7) Mt 2,20 (8) Mt 2,21 (9) Mt 2,22 (10) Mt 2,23 (11) Mt 3,10* (12) Mt 3,11* (13) Mt 3,12 (14) Mt 4,1 . Bij Marcus in 151 verzen . In 210 verzen bij Lucas . In twaalf verzen in Lc 1 : (1) Lc 1,9 (eis ton naon tou kuriou = naar detempel van de Heer) . (2) Lc 1,20 (tijdsbepaling) . (3) Lc 1,23 (eis ton oikon autou = naar huis) . (4) Lc 1,26 (eis polin tès Galilaias = naar een stad van Galilea) . (5) In 260 verzen in Hnd .

- eis (naar) . (1) voorzetsel eis (naar) . (2) telwoord heis , mia , hen (één iemand) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . Taalgebruik in Mt : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Taalgebruik in Lc : eis (naar) . Taalgebruik in Brieven : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .

eis (naar)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  6930  5336  1594  215  151  210  181  260  504  73  576  757  427  77 

Galilea waar Jezus zijn leerlingen verzamelt

Mc 1, 9 // Mt 3,13 // Lc 3,21 (Jezus ging van Nazaret van Galilea) Mc 1,14 // Mt 4,12 // Lc 4,14a (Jezus ging naar Galilea)   Mt 26,32   Mc 16,7 // Mt 28,7 (zoals hij je gezegd heeft)  Mt 28,7 // Mc 16,7 Mt 28,10   Mt 28,16
          alla hupagete (maar ga) kai tachu poreutheisai (en vlug vertrokken zijnde) hupagete (ga) hoi de hendeka (de elf echter)
          eipate tois mathètais autou kai tôi petrôi (zeg aan zijn leerlingen en aan Petrus) eipate tois mathètais autou (zeg aan zijn leerlingen) apaggeilate tois adelfois mou (meld aan mijn broeders)  
... Kai meta to paradothènai ton Iôannèn ( En nadat Johannes werd overgeleverd)   meta de to egerthènai me (nadat echter ik ben verrezen     hoti ègerthè apo tôn nekrôn (dat hij is opgewekt uit de doden)    eporeuthèsan (gingen)
èlthen (ging) èlthen (ging)   proaksô humas (zal ik je voorgaan)   proagei humas (gaat hij je voor)   kai idou proagei humas (en zie hij gaat je voor) hina (opdat) apelthôsin zouden vertrekken)  
Ièsous (Jezus) ho Ièsous (Jezus)              
apo (van) eis (naar)   eis (naar)   eis (naar) eis (naar) eis (naar) eis (naar)
Nazaret (Nazaret)                
tès Galilaias (Galilea) tèn Galilaian (Galilea)   tèn Galilaian (Galilea)   tèn Galilaian (Galilea) tèn Galilaian (Galilea) tèn Galilaian (Galilea) tèn Galilaian (Galilea) ...
          ekei auton opsesthe (daar hem zult gij zien) ekei auton opsesthe (daar hem zult gij zien) kakei me opsontai (en daar zullen zij mij zien)  
          kathôs eipen humin (zoals hij gezegd heeft jullie) idou eipon humin (zie ik heb het je gezegd)   17. kai idontes auton (en hem gezien hebbende)
18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 // Mt 3,13-17 // Lc 3,21-22 - Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 - 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 // Mt 4,12-17 // Lc 4,14-15 - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 -
  328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening : Mc 14,26-31 // Mt 26,30-35 // Lc 22,39 - Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -   351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 // Lc 23,56b-24,12 - Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -
  351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 // Lc 23,56b-24,12 - Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 - 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 // Lc 23,56b-24,12 - Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -  353. Verschijning aan de elf in Galilea : Mt 28,16-20 - Mt 28,16-20 -

- eisakouô (luisteren naar, verhoren) . εισακουω = eisakouô (luisteren naar, verhoren) . Taalgebruik in het NT : eisakouô (luisteren naar, verhoren) . Taalgebruik in de LXX. : eisakouô (luisteren naar, verhoren) . Een vorm van εισακουω = eisakouô in de LXX (249) , in het NT (5) : (1) Mt 6,7 . (2) Lc 1,13 . (3) Hnd 10,31 . (4) 1 Kor 14,21 . (5) Heb 5,7 .

- pass. ind. aor. 3de pers. enk. εισηκουσθη = eisèkousthè (er werd gehoord, hij werd verhoord) van het werkw. εισακουω = eisakouô (luisteren naar, verhoren) . Taalgebruik in het NT : eisakouô (luisteren naar, verhoren) . Taalgebruik in de LXX. : eisakouô (luisteren naar, verhoren) .
In vijf verzen in Tenakh :
(1) Da 10,12 (εισηκουσθη το ρημα μου = eisèkousthè to rèma sou = uw woord werd verhoord) .
(2) Tob 3,16 (και εισηκουσθη ἡ προσευχη αμφοτερων = Kai eisèkousthè hè proseuchè amfoterôn = en het gebed van beiden werd verhoord) .
(3) Sir 51,11 (εισηκουσθη ἡ δεησις μου = eisèkousthè hè deèsis mou = mijn bede werd verhoord) .
(4) Lc 1,13 (διοτι εισηκουσθη ἡ δεησις σου = dioti eisèkousthè hè deèsis sou = en daarom werd uw gebed verhoord) .
(5) Hnd 10,31 (εισηκουσθη σου ἡ προσευχη = eisèkousthè sou hè proseuchè = uw gebed werd verhoord) .


- εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan)

- eiserchomai (binnengaan) . εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in de LXX : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Lc : eiserchomai

  eiserchomai (binnengaan) aor.   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  inf. fut. 3de pers. mv. eiseleusontai   35  30           
  ind. aor. 3de pers. enk. eisèlthen  227  164  43  12  10  21  28     
  ind. aor. 3de pers. mv. eisèlthon 72  60  12       
  imperat. aor. 3de pers. enk. eiselthatô                   
  part. aor. nom. mann. enk. eiselthôn  33  13  20     15  15   
  part. aor. nom. vr. enk. eiselthousa                 
  part. aor. gen. mann. enk. eiselthontos               
  part. aor. gen. vr. enk. eiselthousès                    
  part. aor. nom. mann. mv. eiselthontes  15  10                     
  part. aor. nom. vr. mv. eiselthousai                 
  inf. aor. eiselthein   76  42  34  11  23  25     
  conj. aor. 3de pers. enk. eiselthè(i)  16     
  conj. aor. 2de pers. enk. eiselthè(i)s   21  17          4      
  conj. aor. 2de pers. mv. eiselthète   27  17  10          10  10     
  conj. aor. 1ste pers. mv. eiselthômen                 
  totaal                            

- εισηλθεν = eisèlthen (hij ging - naar - binnen) .
Mt (4) : (1) Mt 2,21 . (2) Mt 12,4 . (3) Mt 21,12 . (4) Mt 24,38 .
Mc (5) : (1) Mc 2,26 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 15,43 .
Lc (12) : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,38 . (4) Lc 6,4 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 8,30 . (7) Lc 9,46 . (8) Lc 10,38 . (9) Lc 17,27 . (10) Lc 19,7 . (11) Lc 22,3 . (12) Lc 24,29 .
Joh (7) : (1) Joh 13,27 . (2) Joh 18,1 . (3) Joh 18,33 . (4) Joh 19,9 . (5) Joh 20,5 . (6) Joh 20,6 . (7) Joh 20,8 .
Hnd (10) : (1) Hnd 1,21 . (2) Hnd 3,8 . (3) Hnd 5,7 . (4) Hnd 9,17 . (5) Hnd 10,24 . (6) Hnd 10,27 . (7) Hnd 11,8 . (8) Hnd 14,20 . (9) Hnd 17,2 . (10) Hnd 18,7 .
-- kai eisèlthen (en hij ging naar -binnen) . NT (10) . Mt (1) : (1) Mt 21,12 . Mc (3) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 11,11 . Lc (3) : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 24,29 . Joh (2) : (1) Joh 19,9 . (2) Joh 20,6 . Hnd (1) : (2) Hnd 3,8 . (2) Hnd 9,17 .
kai hote eisèlthen (en toen hij naar binnen ging) . In twee verzen in het NT : (1) Mt 17,25 (volgens sommige versies) . (2) Mt 21,12 .
eisèlthen de (hij ging echter - naar - binnen) . In twee verzen in het NT : (1) Lc 9,46 . (2) Lc 22,3 .
-- εισηλθεν εις = eisèlthen eis (hij ging naar binnen in) . NT (21) . Mt (3) . (2) Mt 12,4 . (3) Mt 21,12 . (4) Mt 24,38 . Mc (4) (1) Mc 2,26 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,11 . Lc (7) : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,38 . (4) Lc 6,4 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 8,30 . (8) Lc 10,38 . (9) Lc 17,27 . Joh (3) : (1) Joh 13,27 . (3) Joh 18,33 . (4) Joh 19,9 . Hnd (3) : (4) Hnd 9,17 . (7) Hnd 11,8 . (8) Hnd 14,20 .

eiserchomai (binnengaan) aor.   Mt Mc Lc syn. 
part. aor. nom. mann. enk. eiselthôn  3 : (1) Mt 9,25 . (2) Mt 22,11 . (3) Mt 26,58 . 6 : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 3,27 . (4) Mc 5,39 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 11,15 . 6 : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 7,36 . (4) Lc 11,37 . (5) Lc 19,1 . (6) Lc 19,45 . 15 : (1) Mc 11,15 // Lc 19,45 .
eiselthôn eis - 3 : (1) Mc 1,21 . (3) Mc 3,27 . (5) Mc 7,24 . 3 : (1) Lc 1,9 . (3) Lc 7,36 . (6) Lc 19,45 .  

 

- eisporeuomai (zich op weg begeven) . eisporeuomai (zich op weg begeven) . Taalgebruik in het NT : eisporeuomai (zich op weg begeven) . Taalgebruik in Mc : eisporeuomai (zich op weg begeven) . eis + por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen .

  eisporeuomai (zich op weg begeven)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  ind. pr. 3de pers. enk. eisporeuetai  11               
  ind. pr. 3de pers. mv. eisporeuontai               
  part. pr. nom. mann. enk. eisporeuomenos  20  18                     
  part. pr. gen. mann. enk. eisporeuomenou                         
  part. pr. dat. mann. enk. eisporeuomenô(i)                         
  part. pr. acc. mann. enk. eisporeuomenon               
  part. pr. nom. mann. enk. eisporeuomenoi               
  part. pr. nom. vr. mv. eisporeuomenai                  
  part. pr. gen. mann. mv. eisporeuomenôn                      
  part. pr. dat. mann. mv.  eisporeuomenois                        
  part. pr. acc. mann. mv. eisporeuomenous                     
  ind. imperf. 3de pers. enk. eiseporeueto   13  12                 
  totaal                            

  eisporeuomai (zich op weg begeven)   Mt Mc Lc Hnd syn. 
  ind. pr. 3de pers. enk. eisporeuetai    2 : (1) Mc 5,40 . (2) Mc 7,19 .   1 : Lc 22,10  
  ind. pr. 3de pers. mv. eisporeuontai    1 : Mc 1,21 1 : Lc 18,24 .    
  part. pr. nom. mann. enk. eisporeuomenos        2 : (1) Hnd 8,3 . (2) Hnd 9,28 .    
  part. pr. acc. mann. enk. eisporeuomenon  1 : Mt 15,17 . 2 : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,18 .     3 : (1) Mt 15,17 // Mc 7,19 .
  part. pr. nom. mann. enk. eisporeuomenoi    1 : Mc 11,2 . 3 : (1) Lc 8,16 . (2) Lc 11,33 . (3) Lc 19,30 .   4 : (1) Mc 11,2 // Lc 19,30 .
  part. pr. nom. vr. mv. eisporeuomenai   1 : Mc 4,19 .    
  part. pr. gen. mann. mv. eisporeuomenôn         1 : Hnd 3,2 .  
  part. pr. acc. mann. mv. eisporeuomenous        1 : Hnd 28,30 .  
  ind. imperf. 3de pers. enk. eiseporeueto     1 : Mc 6,56 .    
  totaal 8 14 


-- E -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -



- εξ = ex < e-k+s) is een voorzetsel en ἑξ = hex (zes) is een telwoord

- ek (uit) . εκ = ek of εξ = ex (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Taalgebruik in de Septuaginta : ek (uit) . Taalgebruik in Lc : ek (uit) .

ek (uit)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ek  2814 2239 575 46 38 46 112 58 175 100 130  242 
ex  1168 941  227  28  20  37  28  24  84  85  113 
Totaal   3982  3180  802  74  58  83  140  82  259  106  215   355

 

ek (uit)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
ek  38        
ex  20             
Totaal   58         


ek (uit)   Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud   
                                               
  175 35  23  15  21      10  21   

 

- ἑξ = hex (zes) . εξ = ex < e-k+s) is een voorzetsel en ἑξ = hex (zes) is een telwoord . Zie : Taalgebruik in de Septuaginta : ek (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Lv 25 (1) : (1) Lv 25,3 . Een vorm van ἑξ = hex (zes) in de LXX (134) , in het NT (13) . : (1) Mt 17,1 . (2) Mc 9,2 . (3) Lc 4,25 . (4) Lc 13,14 . (5) Joh 2,6 . (6) Joh 2,20 . (7) Joh 12,1 . (8) Hnd 11,12 . (9) Hnd 18,11 . (10) Hnd 27,37 . (11) Jak 5,17 . (12) Apk 4,8 . (13) Apk 13,18 . dat. mann. + onz. enk. hectô(i) . Bijbel (8) : (1) Lv 25,21 . (2) 2 K 18,10 . (3) Ez 8,1 . (4) Hag 1,1 . (5) 2 Kr 16,1 . (6) 1 Mak 2,70 . (7) Lc 1,26 . (8) Apk 9,14 .
- Lat. sex . Bijbel (120) . OT (109) . NT (11) . Ex (22) : (1) Ex 16,26 . (2) Ex 20,9 . (3) Ex 20,11 . (4) Ex 21,2 . (5) Ex 23,10 . (6) Ex 23,12 . (7) Ex 24,16 . (8) Ex 25,32 . (9) Ex 25,33 . (10) Ex 25,35 . (11) Ex 26,9 . (12) Ex 26,22 . (13) Ex 28,10 . (14) Ex 31,15 . (15) Ex 31,17 . (16) Ex 34,21 . (17) Ex 35,2 . (18) Ex 36,16 . (19) Ex 36,27 . (20) Ex 37,18 . (21) Ex 37,19 . (22) Ex 37,21 . Lv (3) : (1) Lv 12,5 . (2) Lv 23,3 . (3) Lv 25,3 . Fr. six . Ned. zes . D. sechs . E. six . Arabisch : sittah (zes) . Taalgebruik in de Qoran : sittah (zes) .

- Gr. ἑξ = hex (zes) . Een vorm van ἑξ = hex (zes) in de LXX (134) . Lv (2) : (1) Lv 24,6 . (2) Lv 25,3 . In het NT (13) : (1) Mt 17,1 . (2) Mc 9,2 . (3) Lc 4,25 . (4) Lc 13,14 . (5) Joh 2,6 . (6) Joh 2,20 . (7) Joh 12,1 . (8) Hnd 11,12 . (9) Hnd 18,11 . (10) Hnd 27,37 . (11) Jak 5,17 . (12) Apk 4,8 . (13) Apk 13,18 . Hebr. שֵׁשׁ = sjesj (zes) . Taalgebruik in Tenakh : sjesj (zes) . Getallenwaarde sjesj : = 2 X 21 of 2 X 300 = 42 (2 X 3 X 7 OF 6 X 7) OF 600 (2³ X 3 X 5²) . Structuur : 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (102) . Pentateuch (34) . Eerdere Profeten (24) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (0) . Alle prof. boeken (34) . Geschriften (34) .
- Lat. sex . Bijbel (120) . OT (109) . NT (11) . Fr. six . Ned. zes . D. sechs . E. six . Arabisch : سِتة = sittah (zes) . Taalgebruik in de Qoran : sittah (zes) .


- εκβαλλω = ekballô (uitwerpen, uitvallen) 

- ekballô (uitwerpen, uitvallen) . εκβαλλω = ekballô (uitwerpen, uitvallen)  . Taalgebruik in het NT : ekballô (uitwerpen, uitvallen) . Taalgebruik in de LXX : ekballô (uitwerpen, uitvallen) . Taalgebruik in Mc : ekballô (uitwerpen, uitvallen) .

  ekballô (uitwerpen, uitvallen)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. pr. 3de pers. enk. ekballei                
  act. ind. imperf. 3de pers. mv. exeballon                1      
  act. ind. fut. 3de pers. mv. ekbalousin                 
  act. imperat. pr. 2de pers. enk. ekbale        
  act. part. pr. nom. mann. enk. ekballôn                     
  act. part. pr. acc. mann. enk. ekballonta .                  
  act. inf. pr.  ekballein              
  act. ind. aor. 3de pers. enk. exebalen   26  21             
  act. imperat. aor. 2de pers. enk. ekbale       3      
  act. conj. aor. 3de pers. enk. ekbalè(i)            
  act. conj. aor. 3de pers. mv. ekbalôsin                  
  act. part. aor. ekbalôn              
  act. inf. aor. ekbalein   12             
  act. ind. perf. ekbeblèkei                    
  totaal 89  37  52  18                   
  ekballô (uitwerpen, uitvallen)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 

-


- ekcheô (uitgieten) . ekcheô (uitgieten) . Taalgebruik in het NT : ekcheô (uitgieten) . Taalgebruik in Hnd. : ekcheô (uitgieten) . Lat. effundere . Fr. répandre . Ned. uitgieten. D. ausgiessen . E. to pour out . Hnd (2) : (1) Hnd 2,17 . (2) Hnd 2,18 . Een vorm van ekcheô (uitgieten) in Hnd in 3 verzen : (1) Hnd 2,17 . (2) Hnd 2,18 . (3) Hnd 2,33 . Een vorm van ekcheô (uitgieten) in het NT (16) , in de LXX (141) .

      bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. praes. 1ste pers. enk. ekcheô     15  13                       
                                 
                                 

- ekchunn˘ (gieten, vergieten) . εκχεω = ekchunnô (gieten, vergieten) . Taalgebruik in de Bijbel : ekchunn˘ (gieten, vergieten) . Een vorm van in de LXX (0) , in het NT (11) .
- pass. part. praes. nom. + acc. onz. enk. εκχυννομενον = ekchunnomenon (uitgegoten, vergoten) van het werkw. εκχεω = ekchunnô (gieten, vergieten) . Taalgebruik in de Bijbel : ekchunnô (gieten, vergieten) . Een vorm van in de LXX (0) , in het NT (11) . NT (4) : (1) Mt 23,35 . (2) Mt 26,28 . (3) Mc 14,24 . (4) Lc 22,20 .


- ekei (daar) . ekei (hier, daar) . Taalgebruik in het NT : ekei (daar) . Taalgebruik in de LXX : ekei (daar) . Taalgebruik in Mc : ekei (daar) . Lat. ibi . Ned. hier . Fr. ici . Mc (11) : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 3,1 . (4) Mc 5,11 . (5) Mc 6,5 . (6) Mc 6,10 . (7) Mc 6,33 . (8) Mc 11,5 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 14,15 . (11) Mc . de ekei (echter daar) . NT (8) :

ekei (hier)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  753  659  94  28  11  16  22  45  77     

- εκειθεν = ekeithen

- ekeithen (vanhier, vandaar) . εκειθεν = ekeithen . Taalgebruik in het NT : vanhier, vandaar . Taalgebruik in de LXX : vanhier, vandaar . Taalgebruik in Mc : vanhier, vandaar .

Het is meestal de vertaling van het Hebreeuwse misjsjâm (uit : min en sjam) . Misjsjâm (vanaf daar) komt in 103 verzen in Tenach

  ekeithen daan vandaan  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
ekeithen  157  130  27  12    20  22     
kakeithen  10    10                 
  totaal  167  130  37  12  12    20  22     

- ekeinos (die) . ekeinos (die) . Taalgebruik in het NT : ekeinos (die) . Taalgebruik in Mc : ekeinos (die) . Taalgebruik in Lc : ekeinos (die) .

ekeinos (die)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                             
acc. vr. enk. ekeinèn   48  38  10  2 : (1) Mc 6,55 . (2) Mc 13,24 .    
dat. vr. mv. ekeinais   63  47  16        12  12     
                             
                             
totaal                            

en tais hèmerais ekeinais (in die dagen) . In zeven verzen in het NT : (1) Mt 3,1 . (2) Lc 2,1 . (3) Lc 4,2 . (4) Hnd 2,18 . (5) Hnd 7,41 . (6) Hnd 9,37 . (7) Apk 9,6 . Zie hierboven : egeneto de en tais hèmerais ekeinais (het gebeurde echter in die dagen) . In twee verzen in het NT : (1) Lc 2,1 . (2) Hnd 9,37 . Zonder en (in) : Hnd 2,18 . En ekeinais tais hèmerais (in díe dagen). In (1) Lc 5,35 . (2) Lc 9,36 . (3) Lc 21,23 . Bij Marcus staat telkens en ekeinais tais hèmerais : (1) Mc 1,9 (kai egeneto ...) . (2) Mc 8,1 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 . (5) en trisin hèmerais (in drie dagen) .

- ekkoptô (uitkappen, omkappen) . ekkoptô (uitkappen, omkappen) . Taalgebruik in het NT : ekkoptô (uitkappen, omkappen) . Taalgebruik in Lc : ekkoptô (uitkappen, omkappen) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. fut. 2de pers. enk. ekkopseis                             
  act. imperat. aor. 2de pers. enk. ekkopson                              
  pass. ind. praes. 3de pers. enk. ekkoptetai                              
                               

- eklegô (uit-lezen, uit-kiezen, ver-kiezen, uit-ver-kiezen) . eklegô (uit-lezen, uit-kiezen, ver-kiezen, uit-ver-kiezen) . Taalgebruik in het NT : eklegô (uit-lezen, uit-kiezen, ver-kiezen, uit-ver-kiezen) . Taalgebruik in de Septuaginta : eklegô (uit-lezen, uit-kiezen, ver-kiezen, uit-ver-kiezen) . Lat. eligere . Fr. elire , choissir . E. to choose , to elect . D. auswählen . Een vorm van eklegô in de LXX (141) , (uit-lezen, uit-kiezen, ver-kiezen, uit-ver-kiezen) in het NT (22) .

- èkô (komen) . èkô (komen) . Taalgebruik in de LXX : èkô (komen) . Taalgebruik in het NT : èkô (komen) .
- act. praes. 3de pers. enk. èkei (hij komt) . Bijbel (59) . OT (44) . NT (4) . Js

- ekpneô (uitademen, sterven) . Taalgebruik in het NT : ekpleô (uitademen, sterven) . Taalgebruik in Mc : ekpleô (uitademen, sterven) .
exepneusen (hij ademde uit, hij stierf) . In drie verzen in de bijbel : (1) Mc 15,37 . (2) Mc 15,39 . (3) Lc 23,46 .


- εκτεινω = ekteinô (strekken, uitstrekken)

- ektein˘ (strekken, uitstrekken) . εκτεινω = ekteinô (strekken, uitstrekken) . Taalgebruik in het NT : ektein˘ (strekken, uitstrekken) . Taalgebruik in de LXX : ekteinô (strekken, uitstrekken) .
- Bayens (1963, 103,5) . De stam ten (?) .

- act. imperat. aor. 2de pers. enk. εκτεινον = ekteinon (strek uit) van het werkw. εκτεινω = ekteinô (uitstrekken) . Taalgebruik in het NT : ekteinô (strekken, uitstrekken) . Taalgebruik in de LXX : ekteinô (strekken, uitstrekken) . Taalgebruik in Mc : exteinô (uitstrekken) . Bijbel (15) . LXX (12) : (1) Ex 4,4 . (2) Ex 7,19 . (3) Ex 8,1 . (4) Ex 8,12 . (5) Ex 9,22 . (6) Ex 10,12 . (7) Ex 10,21 . (8) Ex 14,16 . (9) Ex 14,26 . (10) Joz 8,18 . (11) Sir 7,32 . (12) Sir 14,13 . NT (3) : (1) Mt 12,13 . (2) Mc 3,5 . (3) Lc 6,10 . De hand uitstrekken komt in het NT voor in : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,5 .
- n-t-h : Tenakh (35) . 1. act. qal perf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. נָטַה = nâtah (hij strekte uit) . 2. act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. נְטֵה = nëteh (strek uit) van het werkw. נָטַה = nâtah (uitstrekken, neigen, zich wenden) . Taalgebruik in Tenakh : nâtâh (uitstrekken, neigen, zich wenden) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , tet = 9, he = 5; totaal : 28 (2² X 7) OF 64 (2³ X 2³) . Structuur : 5 - 9 - 5 . De som van de elementen is telkens 1 .
- Ned. : uitstrekken . Fr. : étendre . L'action d'étendre se dit extension : lat. extendere , part. passé extensus . Grieks : εκτεινω = ekteinô (uitstrekken) . Taalgebruik in het NT : ekteinô (strekken, uitstrekken) ; ek- t-n . Lat. : extendere .

- εκτεινον την χειρα = ekteinon tèn cheira (strek de hand uit) . LXX (9) : (1) Ex 4,4 . (2) Ex 7,19 . (3) Ex 9,22 . (4) Ex 10,12 . (5) Ex 10,21 . (6) Ex 14,16 . (7) Ex 14,26 . (8) Joz 8,18 . (9) Sir 7,32 . NT (3) : (1) Mt 12,13 . (2) Mc 3,5 . (3) Lc 6,10 .
- εκτεινον την χειρα σου = ekteinon tèn cheira sou (strek je hand uit) . LXX (7) : (1) Ex 7,19 . (2) Ex 9,22 . (3) Ex 10,21 . (4) Ex 14,16 . (5) Ex 14,26 . (6) Joz 8,18 . (7) Sir 7,32 . NT (3) : (1) Mt 12,13 . (2) Mc 3,5 . (3) Lc 6,10 .
- נְטֵה אֶת יָדְךָ = nëteh ´èth jâdëkhâ (strek je hand uit) . Tenakh (3) : (1) Ex 8,1 . (2) Ex 9,22 . (3) Ex 14,26 .
- וּנְטֵה אֶת יָדְךָ = ûnëteh ´èth jâdëkhâ (en strek je hand uit) . Tenakh (1) : Ex 14,16 .
- נְטֵה יָדְךָ = nëteh jâdëkhâ (strek je hand uit) . Tenakh (2) : (1) Ex 10,8 . (2) Ex 10,21 .
- וּנְטֵה יָדְךָ = ûnëteh jâdëkhâ (en strek je hand uit) . Tenakh (1) : Ex 7,19 .

ekteinô (uitstrekken)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. imperat. aor. 2de pers. enk. ekteinon   15  12             
act.  aor. 3de pers. enk. exeteinen 41  39               
act. part. aor. nom. mann. enk. ekteinas  12               
                             
totaal                            

ελαιον = elaion (olie)

- elaion (olie) . ελαιον = elaion (olie) . Taalgebruik in het NT : elaion (olie) . Taalgebruik in de LXX : elaion (olie) . Een vorm van ελαιον = elaion (olie) in de LXX (200) , in het NT (11) .

- nom. + acc. onz. enk. . Bijbel (79) . LXX (73) . NT (6) .

- Ned. : olie . Arabisch : مَرهَم = marham (zalf) . Taalgebruik in de Qoran : marham (zalf) . D. : Salböl . E. : oil . Fr. : huile . Grieks : ελαιον = elaion (olie) . Taalgebruik in het NT : elaion (olie) . Hebreeuws : שֶּמֶן = sjèmèn (vet, olie, zalf) OF bijvoegl. naamw. (= sjamen , vr. = sjëmenâh = vet, dik, sterk) . Taalgebruik in Tenakh : sjèmèn (vet, olie, zalf) . Lat. : oleum (olie) van olea (olijfboom) .


- elaun˘ (varen, roeien) . ελαυνω = elaunô (varen, roeien) . Taalgebruik in het NT : elaun˘ (varen, roeien) . Taalgebruik in de LXX : elaunô (varen, roeien) . Een vorm van ελαυνω = elaunô (varen, roeien) in de LXX (8) , in het NT (5) .

- act. inf. praes. ελαυνειν = elaunein (om te varen) van het werkw. ελαυνω = elaunô (varen, roeien) . Taalgebruik in het NT : elaunô (varen, roeien) . Taalgebruik in de LXX : elaunô (varen, roeien) . Bijbel (2) : (1) 1 K 9,27 . (2) Mc 6,48 . Een vorm van ελαυνω = elaunô (varen, roeien) in de LXX (8) , in het NT (5) .


- eleeô (medelijden hebben) . eleeô (medelijden hebben) . Taalgebruik in het NT : eleeô (medelijden hebben) . Taalgebruik in Mc : eleeô (medelijden hebben) . Taalgebruik in Lc : eleeô .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. èleèsen   12  10             
  act.imperat. aor.  2de pers. enk. eleèson 35  24  11          11  11     
                               
                               

- eleos (barmhartigheid) . ελεος = eleos (barmhartigheid) . Taalgebruik in het NT : eleos (barmhartigheid) . Taalgebruik in de Septuaginta : eleos (barmhartigheid) . Taalgebruik in Lc : eleos (barmhartigheid) . Taalgebruik in Hnd : eleos (barmhartigheid) .
- Hebr. chèsed (liefde, barmhartigheid) . Taalgebruik in Tenach : chèsed (liefde, barmhartigheid) .
- Lat. misericordia . Fr. misericorde . E. mercy . N. barmhartigheid . D. Barmherzigkeit .

  eleos  Lc Lc 1 Lc 10 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + acc. onz. enk. eleos (1) Lc 1,50 . (2)  Lc 1,58 . (3) Lc 1,72 . (4) Lc 10,37 226  207  19  3 : (1) Mt 9,13 . (2) Mt 12,7 . (3) Mt 23,23 .       12   
gen. onz. enk. eleous   (1) Lc 1,54 .  (2) Lc 1,78 .   33  28           
                                 

1. Lc (4) : (1) Lc 1,50 . (2)  Lc 1,58 . (3) Lc 1,72 . (4) Lc 10,37 .
2. Lc (2) : (1) Lc 1,54 . (2) Lc 1,78 .
Een vorm van eleos (barmhartigheid) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 1,50 . (2) Lc 1,54 . (3)  Lc 1,58 . (4) Lc 1,72 . (5) Lc 1,78 . In Lc : 2 vormen van eleos (barmhartigheid) in 6 verzen in 2 hoofdstukken . Niet in Hnd .

- acc. vr. enk. ελεημοσυνην = eleèmosunèn van het zelfst. naamw. ελεημοσυνη = eleèmosunè (barmhartigheid) . Zie ελεος = eleos (barmhartigheid) . Taalgebruik in het NT : eleos (barmhartigheid) . Taalgebruik in de Septuaginta : eleos (barmhartigheid) . Taalgebruik in Lc : eleos (barmhartigheid) . Taalgebruik in Hnd : eleos (barmhartigheid) . Bijbel (21) : (1) Gn 47,29 . (2) Js 38,18 . (3) Ps 24,5 . (4) Ps 33,5 . (5) Tob 4,7 . (6) Tob 4,8 . (7) Tob 4,16 . (8) Tob 12,8 . (9) Tob 13,8 . (10) Tob 14,10 . (11) Sir 7,10 . (12) Sir 12,3 . (13) Sir 29,12 . (14) Sir 35,2 . (15) Mt 6,2 . (16) Mt 6,3 . (17) Lc 11,41 . (18) Lc 12,33 . (19) Hnd 3,2 . (20) Hnd 3,3 . (21) Hnd 3,10 . Een vorm van ελεημοσυνη = eleèmosunè in de LXX (70) , in het NT (13) . Een vorm met de stam ελε = ele (barmhart- , ontferm-) in Lc in 12 verzen .


- elegch˘ (berispen, terecht wijzen, van schuld overtuigen) . ελεγχω = elegchô (berispen, terecht wijzen, van schuld overtuigen) . Taalgebruik in het NT : elegch˘ (berispen, terecht wijzen, van schuld overtuigen) . Taalgebruik in de LXX : Taalgebruik in het NT : elegchô (berispen, terecht wijzen, van schuld overtuigen) .

- act. imperat. aor. 2de pers. enk. ελεγξον = elegkson (wijs terecht) van het werkw. ελεγχω = elegchô (berispen, terecht wijzen, van schuld overtuigen) . Taalgebruik in het NT : elegchô (berispen, terecht wijzen, van schuld overtuigen) . Taalgebruik in de LXX : Taalgebruik in het NT : elegchô (berispen, terecht wijzen, van schuld overtuigen) . Bijbel (6) : (1) Sir 19,13 . (2) Sir 19,14 . (3) Sir 19,15 . (4) Sir 19,17 . (5) Mt 18,15 . (6) 2 Tim 4,2 .

- èlias (Elia) . èlias (Elia) . Taalgebruik in het NT : èlias (Elia) . Taalgebruik in Mc : èlias .

  èlias (Elia) .  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. èlias   19 16      13  15   
voc. en dat. mann. enk. èlia(i)         1    
acc. mann. enk. elian               
  Totaal   34  28  10      24  26 

- elisabet (Elisabeth) . elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in het NT : elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in Lc : elisabet (Elisabeth) .

  elisabet  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                     

- εμβαινω = embainô (inklimmen, beklimmen, klimmen in)

- embainô (inklimmen) . εμβαινω = embainô (inklimmen, beklimmen, klimmen in) . Taalgebruik in het NT : embainô (inklimmen) . Taalgebruik in de LXX : embainô (inklimmen) . Een vorm van εμβαινω = embainô in de LXX (4) : (1) Jon . (2) Nah 3,14 . (3) 1 Mak 15,37 . (4) 2 Mak 12,3 , in het NT (17) , in Lc (3) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 8,22 . (3) Lc 8,37 .

- act. ind. aor. 3de pers. enk. ενεβη = enebè (hij stapte in) van het werkw. Bijbel (3) : (1) Jon 1,3 . (2) Mt 15,39 . (3) Lc 8,22 . In deze 3 teksten is het werkw. ενεβη = enebè telkens gevolgd door εις = eis .

- act. part. aor. nom. mann. enk. εμβας = embas (ingestapt) van het werkw. εμβαινω = embainô (inklimmen, beklimmen, klimmen in) . Taalgebruik in het NT : embainô (inklimmen) . Taalgebruik in de LXX : embainô (inklimmen) . Bijbel (6) : (1) 1 Mak 15,37 . (2) Mt 9,1 . (3) Mc 8,10 . (4) Mc 8,13 . (5) Lc 5,3 . (6) Lc 8,37 . Een vorm van εμβαινω = embainô in de LXX (4) : (1) Jon 1,3 . (2) Nah 3,14 . (3) 1 Mak 15,37 . (4) 2 Mak 12,3 , in het NT (17) , in Lc (3) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 8,22 . (3) Lc 8,37 .

- εμβας εις = embas eis (ingestapt in) . NT (3) : (1) Mt 9,1 . (2) Mc 8,10 . (3) Lc 8,37 .
- εμβας δε εις = embas de eis (ingestapt echter in) . NT (1) : Lc 5,3 .
- Het is telkens Jezus die in de boot stapt .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
 

act. part. pr. gen. mann. enk. embainontos 

                   
  act. ind. aor. 3de pers. enk. enebè 3 1 2 1   1                
  act. part. aor. nom. mann. enk. embas             
  act. part. aor. acc. mann. enk. embanta                  
  act. inf. aor. embènai               
                               

- emfobos (bevreesd) . emfobos (bevreesd) . Taalgebruik in het NT : emfobos (bevreesd) . Taalgebruik in de LXX : emfobos (bevreesd) . Taalgebruik in Lc : emfobos (bevreesd) .
- nom. mann. enk. εμφοβος = emfobos (bevreesd) . Taalgebruik in het NT : emfobos (bevreesd) . Taalgebruik in de LXX : emfobos (bevreesd) . Taalgebruik in Lc : emfobos (bevreesd) . Bijbel (3) : (1) Sir 19,24 . (2) Hnd 10,4 . (3) Hnd 24,25 . Een vorm van emfobos (bevreesd) in de LXX (1) : Sir 19,24 . In het NT (5) , in Lc in 2 verzen : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,37 . In Lc : 2 vormen in 1 hoofdstuk en in 2 verzen . Hnd (2) : (1) Hnd 10,4 . (2) Hnd 24,25 . Apk (1) : Apk 11,13 .
- nom. mann. mv. εμφοβοι = emfoboi (bevreesd) van het bijvoegl. naamw. εμφοβος = emfobos (bevreesd) . Taalgebruik in het NT : emfobos (bevreesd) . Taalgebruik in de LXX : emfobos (bevreesd) . Taalgebruik in Lc : emfobos (bevreesd) . Bijbel (2) . Lc (1) Lc 24,37 (εμφοβοι γενομενοι = emfoboi genomenoi = bevreesd geworden) . Apk (1) : Apk 11,13 (και οἱ λοιποι εμφοβοι εγενοντο = kai hoi loipoi emfoboi egenonto = de overigen werden bevreesd) . Een vorm van emfobos (bevreesd) in de LXX (1) : Sir 19,24 . In het NT (5) , in Lc in 2 verzen : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,37 . In Lc : 2 vormen in 1 hoofdstuk en in 2 verzen . Hnd (2) : (1) Hnd 10,4 . (2) Hnd 24,25 . Apk (1) : Apk 11,13 .
- gen. mann. mv. εμφοβων = emfobôn van het bijvoegl. naamw. εμφοβος = emfobos (bevreesd) . Taalgebruik in het NT : emfobos (bevreesd) . Taalgebruik in de LXX : emfobos (bevreesd) . Taalgebruik in Lc : emfobos (bevreesd) . Lc (1) Lc 24,5 . Een vorm van emfobos (bevreesd) in de LXX (1) : Sir 19,24 . In het NT (5) , in Lc in 2 verzen : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,37 . In Lc : 2 vormen in 1 hoofdstuk en in 2 verzen . Hnd (2) : (1) Hnd 10,4 . (2) Hnd 24,25 . Apk (1) : Apk 11,13 .


- εμπροσθεν = emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor)

- emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . εμπροσθεν = emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . Taalgebruik in het NT : emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . Taalgebruik in de LXX : emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . Taalgebruik in Lc : emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . < en (in, naar) + pros (bij) + -then (vanuit) . Lc (9) : (1) Lc 5,19 . (2) Lc 7,27 . (3) Lc 10,21 . (4) Lc 12,8 . (5) Lc 14,2 . (6) Lc 19,4 . (7) Lc 19,27 . (8) Lc 19,28 . (9) Lc 21,36 .


- emptuô (spuwen op of in : in iemands gelaat spuwen, uitspuwen) . Taalgebruik : emptuô (in iemands gelaat spuwen, uitspuwen) . Hebr. raq (speeksel) ; râqaq (spuwen) . Gr. emptuô < en-ptuô . Lat. conspuere < con -spuere . Ned. spuwen . Eerste lijdensaankondiging : Mc 10,34 : emptusousin (zij zullen bespuwen) // Lc 18,32 : emptusthèsetai (hij zal bespuwd worden) . Uitvoering : Mc 14,65 : emptuein (bespuwen) . // Mt 26,67 : Tote eneptusan eis to prosôpon autou = Toen spuwden ze naar zijn aangezicht . Deze zin grijpt terug naar Js 50,6 : to de pros˘pon mou ouk apestrepsa apo aischunŔs emptusmat˘n : mijn aangezicht echter heb ik niet afgewend van de schande van bespuwingen . Ook Mc 15,19 : eneptuon (zij bespuwden) // Mt 27,30 : emptusantes eis auton (naar hem gespuwd) . In al deze verzen komt de vorm slechts 1X voor in de bijbel .
- emptuein . Infinitief. In 1 vers in de bijbel : Mc 14,65 .
- emptusousin (zij zullen bespuwen) . In 1 vers in de bijbel : Mc 10,34 .
- emptusantes . Participium aorist. In 1 vers in de bijbel : Mt 27,30 . emptusantes eis auton (naar hem gespuwd) .
- eneptusan (zij bespuwden) . In 1 vers in de bijbel : Mt 26,67 . Tote eneptusan eis to prosôpon autou : Toen spuwden ze naar zijn aangezicht . Deze zin grijpt terug naar Js 50,6 : to de pros˘pon mou ouk apestrepsa apo aischunŔs emptusmat˘n : mijn aangezicht echter heb ik niet afgewend van de schande van bespuwingen.
- emptusthèsetai (hij zal bespuwd worden) . In 1 vers in de bijbel : Lc 18,32 .

- endeomai (nodig hebben, missen, ontbreken) . ενδεομαι = endeomai (nodig hebben, missen, ontbreken) . Taalgebruik in het NT : endeomai (nodig hebben, missen, ontbreken) . Taalgebruik in de LXX : endeomai (nodig hebben, missen, ontbreken) . Een vorm van ενδεομαι = endeomai in de LXX (3) : (1) Dt 8,9 . (2) Dt 15,8 . (3) Spr 28,27 , in het NT (?) .
- pass. ind. praes. 3de pers. enk. ενδεειται = endeeitai (wat aan hem gemist wordt = wat hij mist) van het werkw. Bijbel (1) : Dt 15,8 .

- exestin (het is toegelaten) . exestin (het is toegelaten) . Taalgebruik in het NT : exestin (het is toegelaten) . Taalgebruik in Mc : exestin (het is toegelaten) .

exestin   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  27  26    19  21   

- εξαγω = exagô (uitleiden, naar buiten leiden)

- exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . εξαγω = exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in het NT : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in de LXX : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in Lc : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in Hnd : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in de LXX : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Hebr. jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) . Taalgebruik in Tenach : jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) . exagô < ex (uit) + agô (leiden, voeren) . Een vorm van exagô (uitleiden, naar buiten leiden) in het NT (12) . Mc (1) . Lc (1) . Joh (1) . Hnd (8) . Br. (1) . LXX (221) .

  exagô    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. exègagen    61  56       
                                 

- act. ind. aor. 3de pers. enk. εξηγαγεν = exègagen (hij leidde uit) van het werkw. εξαγω = exagô (uitleiden, naar buiten leiden) < ex (uit) + agô (leiden, voeren) . Taalgebruik in het NT : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in de LXX : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in Lc : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in Hnd : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Bijbel (67) . OT (62) . Pentateuch (30) . Gn (6) : (1) Gn 1,21 . (2) Gn 11,31 . (3) Gn 15,5 . (4) Gn 20,13 . (5) Gn 43,23 . (6) Gn 49,12 . Ex (12) : (1) Ex 12,51 . (2) Ex 13,3 . (3) Ex 13,9 . (4) Ex 13,14 . (5) Ex 13,16 . (6) Ex 16,6 . (7) Ex 16,32 . (8) Ex 18,1 . (9) Ex 19,17 . (10) Ex 32,1 . (11) Ex 32,12 . (12) Ex 32,23 . Nu (1) : Gn 49,12 . Dt (11) : (1) Dt 1,27 . (2) Dt 4,20 . (3) Dt 4,37 . (4) Dt 5,15 . (5) Dt 6,21 . (6) Dt 6,23 . (7) Dt 7,8 . (8) Dt 7,19 . (9) Dt 9,28 . (10) Dt 26,8 . (11) Dt 29,24 . NT (5) : (1) Lc 24,50 . (2) Hnd 7,36 . (3) Hnd 7,40 . (4) Hnd 12,17 . (5) Hnd 13,17 . Een vorm van εξαγω = exagô (uitleiden, naar buiten leiden) in de LXX (221) , in het NT (12) . Syn. (2) . Ev. (3) . Dit is de enigste vorm in Lc . In Hnd : 4 vormen van exagô (uitleiden, naar buiten leiden) in 8 verzen in 7 / 28 hoofdstukken . In de Nederlandse taal zeggen we ook wel : iemand uitgeleide doen , in de betekenis van : met iemand meegaan tot op een plaats waar afscheid van iemand genomen wordt .

- act. imperat. aor. 3de pers. enk. εξαγαγετω = exagagetô (moge uitgaan) van het werkw. εξαγω = exagô (uitleiden, naar buiten leiden) < ex (uit) + agô (leiden, voeren) . Taalgebruik in het NT : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in de LXX : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Bijbel (2) : (1) Gn 1,20 . (2) Gn 1,24 . Een vorm van εξαγω = exagô (uitleiden, naar buiten leiden) in de LXX (221) , in het NT (12) . Syn. (2) . Ev. (3) .

Niet de leerlingen , maar Jezus doet de leerlingen uitgeleide . Niet de leerlingen , maar Jezus neemt afscheid van zijn leerlingen . Dit herinnert aan het verhaal van de Emmaüsgangers waarin duidelijk werd dat Jezus tegelijkertijd af- en aanwezig is .
exègagen is vaak de vertaling van het Hebreeuwse wajjôtse´(en hij deed uitgaan) . Actief hifil imperfectum derde persoon enkelvoud . In vijftien verzen in de bijbel . Verwijzing : jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) , zie Gn 15,7 .


- exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . εξερχομαι = exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het NT : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in de LXX : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Lc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Een vorm van εξερχομαι = exerchomai in de LXX (216) , in het NT (742) , in Lc (41) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .

  exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  ind. imperf. 3de pers. enk. exèrcheto                
  ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen   232  165  67  11  19  11  25  44     
  ind. aor. 2de pers. mv. exèlthate  10             
  ind. aor. 3de pers. mv. exèlthon 81 58 23 3 5 2 7   4 2 10 17 2 2
  imperat. aor. 2de pers enk. exelthe   30  20  10             
  conj. aor. 2de perrs. mv. exelthète                
  perf. aor. 3de pers. enk exelèluthen               
  part. aor. nom. mann. enk. exelthôn  38  17  21        18  21     
  part. aor. nom. vr. enk. exelthousa             
  part. aor. nom. + acc. onz. mv.  exelthonta               
  part. aor. gen. mann. enk.  exelthontos              
  part. aor. acc. vr. enk. exelthousan                   
  part. aor.  nom. mann. mv. exelthontes 27  18      11  11     
  part. aor. nom. vr. mv. exelthousai    10             
  part. aor. gen. mv. exelthontôn   11                 
  part. perf. acc. onz. enk. exelèluthos                   
  totaal                            

- ind. aor. 3de pers. enk. εξηλθεν = exèlthen (ging uit) van het werkw. εξερχομαι = exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het NT : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in de LXX : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Lc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Lc (8) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,35 . (4) Lc 5,27 . (5) Lc 7,17 . (6) Lc 8,5 . (7) Lc 8,35 . (8) Lc 17,29 . Een vorm van εξερχομαι = exerchomai in de LXX (216) , in het NT (742) , in Lc (41)
- Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .

- actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud εξελθων = exelthôn (uitgegaan) van het werkwoord εξερχομαι = exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het NT : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in de LXX : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Lc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Lc (6) : (1) Lc 1,22 . (2) Lc 4,42 . (3) Lc 14,18 . (4) Lc 15,28 . (5) Lc 22,39 . (6) Lc 22,62 . Een vorm van εξερχομαι = exerchomai in de LXX (216) , in het NT (742) , in Lc (41)

  exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  part. aor. nom. mann. enk. exelthôn  38  17  21        18  21     


(1) Mc 1,26 . De onreine geest ging uit de man uit na het bevel van Jezus om uit de man uit te gaan (exelthe ex autou = ga uit hem uit).
(2)
- exelthôn (uitgegaan) . Taalgebruik : eiselthôn (binnengegaan) , zie Mc 2,1 . Participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud . In achtendertig verzen in de bijbel . In zeventien verzen in het OT . In eenentwintig verzen in het NT . Mt (9) . Mc (3) . Lc (6) . Hnd (3) .
Bij Matteüs : (1) Mt 13,1 . (2) Mt 14,14 . (3) Mt 15,21 . (4) Mt 18,28 . (5) Mt 20,3 . (6) Mt 20,5 . (7) Mt 20,6 . (8) Mt 24,1 . (9) Mt 26,75 .
Bij Marcus : (1) Mc 1,45 . (2) Mc 6,34 . (3) Mc 7,31 .
Bij Lucas : (1) Lc 1,22 . (2) Lc 4,42 . (3) Lc 14,18 . (4) Lc 15,28 . (5) Lc 22,39 . (6) Lc 22,62 .
In Hnd : (1) Hnd 7,4 . (2) Hnd 12,9 . (3) Hnd 12,17 .
-- (ho) de exelthôn (hij echter uitgegaan) . Slechts in Mc 1,45 in het NT . de eindigt met epsilon en exelthôn begint met epsilon . Dit kan verwarring scheppen .
kai exelthôn (en uitgegaan) . In tien verzen in het NT . Mt (5) . Mc (1) . Lc (2) . Hnd (2) .
In vijf verzen bij Mt : (2) Mt 14,14 . (3) Mt 15,21 . (5) Mt 20,3 . (8) Mt 24,1 . (9) Mt 26,75 .
In één vers bij Mc : (2) Mc 6,34 . In Mc 7,31 : kai palin exelthôn (en opnieuw uitgegaan) . palin van Mc 7,31 (Mc 7,31-37) verwijst naar exelthôn (uitgegaan) van Mc 6,34 (Mc 6,30-34) .
In twee verzen bij Lucas : (5) Lc 22,39 . (6) Lc 22,62 .
In twee verzen in Hnd : (2) Hnd 12,9 . (3) Hnd 12,17 .
kai exelthôn (en uitgegaan) . In tien verzen in het NT . Mt (5) . Mc (1) . Lc (2) . Hnd (2) . In vijf verzen bij Mt : (2) Mt 14,14 . (3) Mt 15,21 . (5) Mt 20,3 . (8) Mt 24,1 . (9) Mt 26,75 . In één vers bij Mc : (2) Mc 6,34 .
- exelthontes (uitgegaan). - exelthontes (uitgegaan), zie Mc 2,1 . In 27 verzen in de bijbel; in 9 verzen in het OT, in 18 verzen in het NT. In 5 verzen bij Matteüs, in 5 verzen bij Marcus, in 1 vers bij Lucas, in 6 verzen in Hand en in 1 vers in Heb. In 5 verzen bij Matteüs : (1) Mt 8,32 (de onreine geesten) . (2) Mt 9,31 . (3) Mt 12,14 . (// Mc 3,6) . (4) Mt 22,10 . (5) Mt 27,53 . In 5 verzen bij Marcus : (1) Mc 1,29 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 6,12 . (4) Mc 9,30 . (5) Mc 16,20 .


- ekklèsia (kerk) . Taalgebruik : ekklèsia (kerk) . Hebr. qâhal . Fr. église .

ekklèsia (kerk) bijbel  OT  NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
nom. + dat. enk. ekklèsia (i) 84 51 33 1       6 26   1 1
gen. enk. + acc. mv. ekklèsias 55 26 29 1       7 14 7 1 1
acc. enk. ekklèsian 37 17 20 1       9 10   1 1
nom. mv. ekklèsiai 7   7         1 4 2    
gen. mv. ekklèsiôn 7   7           6 1    
dat. mv. ekklèsiais 20 2 18           8 10    
Totaal   210 96 114 3       23 68 20 3 3

ekklèsia (kerk) bijbel  OT  NT  Hnd  Br. Apk  1 Kor 1
nom. + dat. enk. ekklèsia (i) 84 51 33 6 26   12 : (1) 1 Kor 1,2 . (2) 1 Kor 4,17 . (3) 1 Kor 6,4 . (4) 1 Kor 10,32 . (5) 1 Kor 11,18 . (6) 1 Kor 12,28 . (7) 1 Kor 14,5 . (8) 1 Kor 14,19 . (9) 1 Kor 14,23 . (10) 1 Kor 14,28 . (11) 1 Kor 14,35 . (12) 1 Kor 16,19 .
gen. enk. + acc. mv. ekklèsias 55 26 29 7 14 7 2 : (1) 1 Kor 11,22 . (2) 1 Kor 14,12 .  
acc. enk. ekklèsian 37 17 20 9 10   2 : (1) 1 Kor 14,4 . (2) 1 Kor 15,9 .  
nom. mv. ekklèsiai 7   7 1 4 2 2 : (1) 1 Kor 11,16 . (2) 1 Kor 16,19 .  
gen. mv. ekklèsiôn 7   7   6 1  
dat. mv. ekklèsiais 20 2 18   8 10 4 : (1) 1 Kor 7,17 . (2) 1 Kor 14,33 . (3) 1 Kor 14,34 . (4) 1 Kor 16,1 .  
Totaal   210 96 114 23 68 20 22

ekklèsia (kerk) Br.  
nom. + dat. enk. ekklèsia (i) 26 1 Kor (12) . (13) 2 Kor 1,1 . (14) Ef 1,22 . (15) Ef 3,21 . (16) Ef 5,24 . (17) Fil 4,15 . (18) Kol 1,24 . (19) Kol 4,16 . (20) 1 Tes 1,1 . (21) 2 Tes 1,1 . (22) 1 Tim 3,15 . (23) 1 Tim 5,16 . (24) Film 1,2 . (25) Heb 12,23 . (26) 3 Joh 1,9 .

 

 

- ekklèsia (kerk, gemeente, gemeenschap) . Taalgebruik : kaleô (roepen) , zie Gal 5,13 . In vierentachtig verzen in de bijbel . In eenenvijftig verzen in het OT . In drieëndertig verzen in het NT . Mt (1) . Hond (6) : (1) Hnd 7,38 . (2) Hnd 9,31 . (3) Hnd 11,26 . (4) Hnd 15,22 . (5) Hnd 19,32 . (6) Hnd 19,39 . Brieven (26) .

- eklegomai (uit-lezen, uitverkiezen) . eklegomai (uit-lezen, uitverkiezen) . Taalgebruik in het NT : eklegomai (uit-lezen, uitverkiezen) . Taalgebruik in Lc : eklegomai (uit-lezen, uitverkiezen) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  pass. part. perf. nom. mann. enk. eklelegmenos                           
                               

- exousia (gezag, macht) . exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in het NT : exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in de LXX : exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in Mc : exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in Lc : exousia (gezag, macht) . - nom. + dat. vr. enk. exousia(i) (macht) . Taalgebruik in het NT : exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in de LXX : exousia (gezag, macht) . Hnd (2) : (1) Hnd 1,7 . (2) Hnd 5,4 . Een vorm van exousia (gezag, macht) in de LXX (79) , in het NT (102) , in Hnd (7) .


11. exousia (macht) . Nominatief enkelvoud . Verwijzing : exousia (macht), zie Mt 28,18 .
--- exousia (gezag , macht) . Nominatief en datief enkelvoud . In 39 verzen in de bijbel; in 10 verzen in het OT, in 29 verzen in het NT In 3 verzen bij Marcus, in 6 verzen bij Lucas, niet bij Johannes, enz. In 4 verzen bij Matteüs . Nominatief, komt slechts in 1 vers voor bij Matteüs : Mt 28,18 .
Nominatief, komt slechts in 1 vers voor bij Matteüs : Mt 28,18 . En poiai exousiai (door welke macht) komt in 3 verzen bij Matteüs voor : (1) Mt 21,23 . (2) Mt 21,24 . (3) Mt 21,27 . In acht verzen in Apk .
--- De accuatief exousian (macht) komt in 6 verzen : Mt 8,9 . Exousian echô (macht hebben) : (1) Mt 7,29 . (2) Mt 9,6 . Exousian didômi (macht geven) : (1) Mt 9,8 . (2) Mt 10,1 . (3) Mt 21,3 .
We kunnen niet ontkennen dat hier sterke taal gesproken wordt: Gegeven is aan mij alle macht in hemel en op de aarde. Laat het nog zijn dat hier naar Da 7,14 verwezen wordt (edothè autôi exousia - gegeven werd aan hem macht). De vraag rijst hoe we iets dergelijks kunnen beweren over wat in het hierna-maals gebeurt.
11. exousia (macht) . Nominatief enkelvoud . Verwijzing : exousia (macht), zie Mt 28,18 .
--- exousia (gezag , macht) . Nominatief en datief enkelvoud . In 39 verzen in de bijbel; in 10 verzen in het OT, in 29 verzen in het NT In 3 verzen bij Marcus, in 6 verzen bij Lucas, niet bij Johannes, enz. In 4 verzen bij Matteüs . Nominatief, komt slechts in 1 vers voor bij Matteüs : Mt 28,18 .
Nominatief, komt slechts in 1 vers voor bij Matteüs : Mt 28,18 . En poiai exousiai (door welke macht) komt in 3 verzen bij Matteüs voor : (1) Mt 21,23 . (2) Mt 21,24 . (3) Mt 21,27 . In acht verzen in Apk .
--- De accuatief exousian (macht) komt in 6 verzen : Mt 8,9 . Exousian echô (macht hebben) : (1) Mt 7,29 . (2) Mt 9,6 . Exousian didômi (macht geven) : (1) Mt 9,8 . (2) Mt 10,1 . (3) Mt 21,3 .
We kunnen niet ontkennen dat hier sterke taal gesproken wordt: Gegeven is aan mij alle macht in hemel en op de aarde. Laat het nog zijn dat hier naar Da 7,14 verwezen wordt (edothè autôi exousia - gegeven werd aan hem macht). De vraag rijst hoe we iets dergelijks kunnen beweren over wat in het hierna-maals gebeurt.

  exousia (gezag, macht)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat vr. enk. exousia(i)   39  10  29    13  13 
gen. vr. enk. + acc. vr. mv. exousias  17  12           
acc. vr. enk. exousian   82  29  53  11  12  21  27  11   
nom. vr. mv. exousiai                   
gen. vr. mv. exousiôn                   
dat. vr. mv. exousiais                      
  totaal 145  46  99  10  10  16  30  20  36  42  29   

- eperchomai (komen op) . επερχομαι = eperchomai (komen op) . Taalgebruik in het NT : eperchomai (komen op) . Taalgebruik in de LXX : eperchomai (komen op) . Taalgebruik in Lc : eperchomai (komen op) .

  eperchomai  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  ind. fut. 3de pers. enk. epeleusetai   15  14                 
                               

- ind. fut. 3de pers. enk. επελευσεται = epeleusetai (hij zal komen over) van het werkw. επερχομαι = eperchomai (komen op) . Taalgebruik in het NT : eperchomai (komen op) . Taalgebruik in de LXX : eperchomai (komen op) . Taalgebruik in Lc : eperchomai (komen op) . Prefix epi (over) en het werkwoord erchomai (gaan, komen) . Bijbel (15) : (1) Nu 6,5 . (2) Nu 8,7 . (3) Spr 26,2 . (4) Job 19,29 . (5) Job 20,22 . (6) Job 21,17 . (7) Job 23,6 . (8) Job 23,17 . (9) Job 25,3 . (10) Pr 2,12 . (11) Da 11,15 . (12) Da 11,41 . (13) Bar 4,24 . (14) Bar 4,35 . (15) Lc 1,35 . Een vorm van επερχομαι = eperchomai (komen op) in de LXX (112) , in het NT (9) , Lc (3) : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 11,22 . (3) Lc 21,26 .

--- epelthontos . Prefix epi (over) en de werkwoordvorm : indicatief aorist participium genitief enkelvoud . Slechts in Hnd 1,8 .
In heel wat teksten wordt de komst van de geest en van zijn kracht beschreven als komende van hoger . Mensen ervaren het als iets dat hen overkomt , dat ze ontvangen vanuit de hoge , van God .
--- Hnd 8,24 : hopôs mèden epelthèi ep'eme (opdat niets kome over mij) .


- ekpeirazô (beproeven, uitproberen) . ekpeirazô (beproeven, uitproberen) . Taalgebruik in het NT : ekpeirazô (beproeven, uitproberen) . Taalgebruik in Lc : ekpeirazô (beproeven, uitproberen) .

  ekpeirazô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. fut. 2de pers. enk. ekpeiraseis                
                               
--- ekpeirazèi (hij zou uitproberen). In 2 verzen in de bijbel: (1) Dt 8,2 (Blijf denken aan heel die tocht van veertig jaar, die de Heer uw God u in de woestijn heeft laten maken. Hij heeft u toen vernederd en op de proef gesteld om uw gezindheid te leren kennen.) . (2) Dt 8,16 .
--- ekpeiraseis (jij zult beproeven). Slechts in 3 verzen in de bijbel: (1) Dt 6,16 . (2) Mt 4,7 . (3) Lc 4,12 .
--- exepeirasasthe (jullie hebben uitgeprobeerd). Slechts in Dt 6,16.

- ekplèssomai (buiten zichzelf raken van angst , verbazing , vreugde , bewondering) . = ekplèssomai (buiten zichzelf raken van angst , verbazing , vreugde , bewondering) . Overlopen van . Taalgebruik in het NT : ekplèssomai (buiten zichzelf raken, ontzet zijn) . Taalgebruik in Mc : ekplèssomai (buiten zichzelf raken, ontzet zijn) . Taalgebruik in Lc : ekplèssomai (buiten zichzelf raken, ontzet zijn) .

  ekplèssomai (buiten zichzelf raken, ontzet zijn)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  pass. imperf. 3de pers. enk. exeplèsseto                      
  pass. imperf. 3de pers. mv. exeplèssonto                
  pass. aor. 3de pers. mv. exeplagèsan                    
                               

Een vorm van ekplèssomai (buiten zichzelf raken van angst , verbazing , vreugde , bewondering) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 2,48 . (2) Lc 4,32 . (3) Lc 9,43 .

ekplèssomai  bijbel NT Mt Mc Lc syn. 
             
pass. imperf. 3de pers. mv. exeplèssonto  3 : (1) Mt 7,28 . (2) Mt 19,25 . (3) Mt 22,33 . 4 :  (1) Mc 1,22 . (2) Mc 6,2 . (3) Mc 7,37 . (4) Mc 10,26 . 2 :  (1) Lc 4,32 . (2) Lc 9,43 . 9 :  (1) Mt 7,28 // Mc 1,22 // Lc 4,32 . (2) Mt 19,25 // Mc 10,26 .

 

Mc 1,22   Lc 4,32 . Een reactie op de leer Lc 4,36 . Een reactie op de uitdrijving van onreine geesten Mc 1,27 . We vinden bij Marcus een tweevoudige reactie : op de leer en op de uitdrijving van de onreine geest
kai (en)   kai (en) kai (en) hôste (zodat)
exeplèsonto (zij waren buiten zichzelf)   exeplèsonto (zij waren buiten zichzelf) sunelaloun pros allèlous legontes (en zij praatten met elkaar zeggend) suzètein autous legontas (zodat zij overlegden zeggende)
epi tèi didachè autou (over zijn leer)   epi tèi didachè autou (over zijn leer) tís ho logos houtos (wat is dit woord) tí estin touto; didachè kainè kat'exousian (wat is dit? een nieuwe leer met macht)
èn gar didaskôn autous (hij was lerende hen)) de nevenschikkende zin van reden (gar = want) zet Lucas om in een ondergeschikte zin van reden  hoti (omdat) hoti (omdat)  
hôs exousian echôn (als macht hebbende)   en exousiai (met macht) en exousiai en dunamei (met macht en kracht)  
    èn (was) ho logos autou (zijn woord) epitassei (opdraagt) kai tois pneumasi tois akathartois epitassei (en aan de onreine geesten beveelt hij)
54. Slot van de bergrede : Mc 1,22 - Mt 7,28-29 - Lc 4,32 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 - Lc 4,33-37   54. Slot van de bergrede : Mc 1,22 - Mt 7,28-29 - Lc 4,32 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 - Lc 4,33-37 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 - Lc 4,33-37

- ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in het N;T. : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in Mt : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in Mc : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . + por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen .

  ekporeuomai (zich op weg begeven uit)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  ind. praes. 3de pers. enk. ekporeuetai   24  17             
  ind. praes. 3de pers. mv. ekporeuontai   12  10               
  part. praes. gen. mann. enk. ekporeuomenou     3            
  part. praes. dat. mann. + onz. enk. ekporeuomenô(i)                  
  part. praes. nom. + acc. onz. enk. ekporeuomenon   12             
  part. praes. nom. mann. mv. poreuomenoi   12  11                 
  part. praes. nom. + acc. onz. mv. ekporeuomena                
  part. praes. nom. mv. ekporeuomenôn   10                 
  part. praes. dat. mann. mv. ekporeuomenois                  
  ind. imperf. 3de pers. enk. exeporeueto  21  18             
  ind. imperf. 3de pers. mv. exeporeuonto                 
                               
                               
                               
                               
  totaal                            

De tegengestelde beweging van eisporeuomai eis (zich op weg begeven naar) is ekporeuomai (zich naar buiten begeven uit) . Dat treffen we aan in Mc 11,19 : exeporeuonto exô tès poleôs (en zij begaven zich naar buiten uit de stad) . Merken we op dat er grote gelijkenissen zijn tussen Mc 1,21 en Mc 11,15 . Mc 11,19 .

Mediaal imperfectum derde persoon enkelvoud van ekporeuomai (zich op weg begeven naar buiten) . In eenentwintig verzen in de bijbel . OT (18) . N. T. (3) : (1) Mt 3,5 . (2) Mc 1,5 . (3) Lc 4,37 .


- exô (buiten) . εξω = exô (buiten) . Taalgebruik in het NT : exô (buiten) . Taalgebruik in de LXX : exô (buiten) . Taalgebruik in Mc : exô (buiten) .

exô (buiten)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  163  101  62  10  10  12  11  29  41 

 

elpis (hoop) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
nom. enk. elpis 54 45 9         2 7      
gen. enk. elpidos 24 11 13         3 10      
dat. enk. elpidi 27 16 11         2 9      
acc. enk. elpida 38 20 18         1 17      
Totaal   143 92 51         8 43      

Een vorm van elpis (hoop) in vier verzen in 1 Tes : (1) 1 Tes 1,3 (gen. enk. elpidos) . (2) 1 Tes 2,19 nom. enk. elpis) . (3) 1 Tes 4,13 (acc. enk. elpida) . (4) 1 Tes 5,8 (acc. enk. elpida) .

-

- emprosthen (in nabijheid van) . Taalgebruik : emprosthen (in nabijheid van) .

emprosthen (in nabijheid van)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  175  130  45  16  27  32 

In vier verzen in 1 Tes : (1) 1 Tes 1,3 . (2) 1 Tes 2,19 . (3) 1 Tes 3,9 . (4) 1 Tes 3,13 .
- emprosthen tou theou (in de nabijheid van God) . In het NT slechts in 3 verzen in 1 Tes : (1) 1 Tes 1,3 . (3) 1 Tes 3,9 . (4) 1 Tes 3,13 .
-- emprosthen tou theou hèmôn (in de nabijheid van onze God) : 1 Tes 3,9 .
-- emprosthen tou theou kai patros hèmôn (in de nabijheid van onze God en Vader) : (1) 1 Tes 1,3 . (4) 1 Tes 3,13 .
- emprosthen tou kuriou ... (in de nabijheid van onze Heer ...) . Slechts in 1 vers in 1 Tes : 1 Tes 2,19 .

- emblepô (inkijken, aankijken, letten op) . Taalgebruik in het NT : emblepô (inkijken, aankijken, letten op) . Taalgebruik in Mc : emblepô (inkijken, aankijken, letten op) . N. blik .

  emblepô   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. imperf. 3de pers. enk.  eneblepen                  
 

act. part. aor. nom. mann. enk. emblepsas

         
                               
                               

- empimplèmi (invullen, vervullen) . εμπιμπλημι = empimplèmi (invullen, vervullen) . Taalgebruik in het NT : empimplèmi (invullen, vervullen) . Taalgebruik in de LXX : empimplèmi (invullen, vervullen) . Taalgebruik in Lc. : empimplèmi (invullen, vervullen) .

- act. ind. aor. 3de pers. enk. ενεπλησεν = eneplèsen (hij vervulde, overlaadde) van het werkw. εμπιμπλημι = empimplèmi (invullen, vervullen) . Taalgebruik in het NT : empimplèmi (invullen, vervullen) . Taalgebruik in de LXX : empimplèmi (invullen, vervullen) . Taalgebruik in Lc. : empimplèmi (invullen, vervullen) . LXX (14) : (1) Ex 35,31 . (2) Ex 35,35 . (3) Re 17,5 . (4) Re 17,12 . (5) Jr 41,9 . (6) Ps 105,40 . (7) Ps 107,9 . (8) Job 9,18 . (9) Job 15,2 . (10) Job 22,18 . (11) 2 Kr 5,14 . (12) Sir 16,29 . (13) Sir 17,7 . (14) Bar 3,32 . NT (1) = Lc (1) Lc 1,53 . Een vorm van εμπιμπλημι = empimplèmi (invullen, vervullen) in de LXX (142) , in het NT (5) : (1) Lc 1,53 . (2) Lc 6,25 . (3) Joh 6,12 . (4) Hnd 14,17 . (5) Rom 15,24 .

  empimplèmi (invullen, vervullen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. aor. 3de pers. enk. eneplèsen   15  14                 
                               

- εν = en (in, tijdens)

- en (in) . εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . E. in . D. in . Fr. dans . Taalgebruik in Mc : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Taalgebruik in Brieven : en (in) . Bijbel (11097) . NT (2154) . Joh (182) . Joh 1 (14) : (1) Joh 1,1 . (2) Joh 1,2 . (3) Joh 1,3 . (4) Joh 1,4 . (5) Joh 1,5 . (6) Joh 1,10 . (7) Joh 1,14 . (8) Joh 1,23 . (9) Joh 1,26 . (10) Joh 1,28 . (11) Joh 1,31 . (12) Joh 1,33 . (13) Joh 1,45 . (14) Joh . Hnd (226) . Hnd 4 (11) : (1) Hnd 4,2 . (2) Hnd 4,5 . (3) Hnd 4,7 . (4) Hnd 4,9 . (5) Hnd 4,10 . (6) Hnd 4,12 . (7) Hnd 4,24 . (8) Hnd 4,27 . (9) Hnd 4,30 . (10) Hnd 4,31 . (11) Hnd 4,34 . Hnd 5 (11) : (1) Hnd 5,4 . (2) Hnd 5,12 . (3) Hnd 5,18 . (4) Hnd 5,20 . (5) Hnd 5,22 . (6) Hnd 5,23 . (7) Hnd 5,25 . (8) Hnd 5,27 . (9) Hnd 5,34 . (10) Hnd 5,37 . (11) Hnd 5,42 .

en (in) .   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk synopt. ev.
  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

en (in)   bijbel OT NT synopt. ev. Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paulus Ap. br.
  11097 8943 2154 654  836  966  134  133  104  34  88  52  59  36  21  32  28  13  56  33  41  29  48  797 169

1 Tes . De 89 verzen van 1 Tes is 3,98 % van het aantal verzen van de brieven van Paulus (2336) . en (in) komt 36 maal of in 36 verzen in 1 Tes voor of 4,51 % (van 797 verzen in de brieven van Paulus) . Dit benadert ongeveer de verhouding aantal verzen en het voorkomen van en (in) in de brieven van Paulus .
(1) 1 Tes 1,1 . (2) 1 Tes 1,5 . (3) 1 Tes 1,6 . (4) 1 Tes 1,7 . (5) 1 Tes 1,8 . (6) 1 Tes 2,2. (7) 1 Tes 2,3 . (8) 1 Tes 2,5 . (9) 1 Tes 2,7 . (10) 1 Tes 2,13 . (11) 1 Tes 2,14 . (12) 1 Tes 2,17 . (13) 1 Tes 2,19 . (14) 1 Tes 3,1 . (15) 1 Tes 3,2 . (16) 1 Tes 3,3. (17) 1 Tes 3,8 . (18) 1 Tes 3,13 . (19) 1 Tes 4,1 . (20) 1 Tes 4,4 . (21) 1 Tes 4,5 . (22) 1 Tes 4,6 . (23) 1 Tes 4,7 . (24) 1 Tes 4,10 . (25) 1 Tes 4,15 . (26) 1 Tes 4,16 . (27) 1 Tes 4,17 . (28) 1 Tes 4,18 . (29) 1 Tes 5,2 . (30) 1 Tes 5,3 . (31) 1 Tes 5,4 . (32) 1 Tes 5,12 . (33) 1 Tes 5,13 . (34) 1 Tes 5,18 . (35) 1 Tes 5,23 . (36) 1 Tes 5,26 .

- εν δε τῳ = en de tôi + infinitief . Voorzetsel + partikel + bepaald lidwoord datief onzijdig enkelvoud + infinitief . NT (4) : (1) Mt 13,25 . (2) Lc 8,42 . (3) Lc 11,37 . (4) Hnd 9,3 . (5) Hnd 11,15 .

- εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Lc (288) . Lc 3 (10) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,8 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,16 . (7) Lc 3,17 . (8) Lc 3,20 . (9) Lc 3,21 . (10) Lc 3,22 .

en (in) .   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk synopt. ev.
  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

- Hebr. בְּ = bë . Fr. en . Ned. in . E. in . D. in . Fr. dans . Arabisch : فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran : fi (in) .

- εν ταις = en tais (in... ) . NT (104) . Lc (22) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,39 . (5) Lc 1,80 . (6) Lc 2,1 . (7) Lc 3,15 . (8) Lc 4,2 . (9) Lc 4,15 . (10) Lc 4,25 . (11) Lc 4,44 . (12) Lc 5,16 . (13) Lc 5,22 . (14) Lc 6,12 . (15) Lc 11,43 . (16) Lc 13,26 . (17) Lc 17,26 . (18) Lc 17,28 . (19) Lc 20,46 . (20) Lc 21,21 . (21) Lc 24,18 . (22) Lc 24,38 .


- enanti (tegenover) . enanti (tegenover) . Taalgebruik in het NT : enanti (tegenover) . Taalgebruik in Lc : enanti (tegenover) .

  enanti  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1.     236  234      (1) Lc 1,8 .            

- enanti tou theou (tegenover God) . NT (2) : (1) Lc 1,8 .


- enantios (tegengesteld) . εναντιος = enantios (tegengesteld) . Taalgebruik in het NT : enantios (tegengesteld) . Taalgebruik in de LXX : enantios (tegengesteld) . Een vorm van εναντιος = enantios (tegengesteld) in de LXX (72) , in het NT (8) .

 


- enantion (tegenover, in de ogen van) . enantion (tegenover, in de ogen van) . Taalgebruik in het NT : enantion (tegenover, in de ogen van) . Taalgebruik in Lc : enantion .

  enantion  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  406  400      (3) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 20,26 . (3) Lc 24,19 .            

-

 

- enduô (leggen op, inkleden, aankleden) .

enduô (leggen op, inkleden) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.   A. b.  
ind. pr. 3de p. enk.                              
ind. pr. 3de p. mv.                            
ind. imperf. 3de p. enk.                            
part. pr. nom. mann. mv.                            
inf. pr.                            
ind. aor. 3de p. enk.                            
ind. aor. 3de p. mv.                            
imperat. aor. 2de p. enk. endusai                        
part. aor. nom. mann. enk.                            
ind. perf. 3de pers. enk.                              
pass. part. perf. nom. mann. enk. endedumenos                  
Andere vormen                              
Totaal                            

- endedumenos (zich aangekleed met) van het werkwoord enduomai (zich iets aantrekken, zich aankleden met, 'aanhebben') . Participium perfectum nominatief mannelijk enkelvoud . In drie verzen in het OT en in Mc 1,6 .
(1) Zach 3,3 : kai Ièsous èn endedumenos himata rupara (en Josua had zich aangekleed met vuile kleren) .
(2) Da 6,4 : kai Danièl èn endedumenos porfuran (en Daniël had zich aangekleed met purper) .
(3) Da 10,5 : kai idou anthrôpos heis endedumenos bussina kai tèn osfun autou periezôsmenos bussinôi (en zie één man was gekleed in linnen kleren en had zijn lenden omgord met een gouden gordel) .


- ενεχω = enechô (hebben, (vast)houden in, wrokken, het op iemand gemunt hebben)

- enech˘ (hebben, (vast)houden in, wrokken, het op iemand gemunt hebben) . ενεχω = enechô (hebben, (vast)houden in, wrokken, het op iemand gemunt hebben) . Taalgebruik in het NT : enech˘ (hebben, (vast)houden in, wrokken, het op iemand gemunt hebben) . Taalgebruik in de LXX : enechô (hebben, (vast)houden in, wrokken, het op iemand gemunt hebben) .

- act. ind. aor. 3de pers. enk. = eneichen (hij / zij had het gemunt op) van het werkw. ενεχω = enechô (hebben, (vast)houden in, wrokken, het op iemand gemunt hebben) . Taalgebruik in het NT : enechô (hebben, (vast)houden in, wrokken, het op iemand gemunt hebben) . Taalgebruik in de LXX : enechô (hebben, (vast)houden in, wrokken, het op iemand gemunt hebben) . Bijbel (1) : Mc 6,19 . Een vorm van ενεχω = enechô in (1) Mc 6,19 . (2) Lc 11,53 . (3) Gal 5,1 .


- eneileô (inwikkelen) . ενειλεω = eneileô (inwikkelen) . Taalgebruik : eneileô (inwikkelen) . Een vorm van ενειλεω = eneileô in de LXX (1 : variante lezing in 1 S 21,10) , in het NT (1) : Mc 15,46 . Een vorm van het werkw. ειλεω = eileô (oprollen, wikkelen) in LXX (2) : (1) 2 K 2,8 . (2) Js 11,5 , in het NT (0) .
- act. ind. aor. 3de pers. enk. ενειλησεν = eneilèsen (hij wikkelde in) van het werkw.
- act. ind. aor. 3de pers. enk. ειλησεν = eilèsen (hij wikkelde om) van het werkw. ειλεω = eileô (oprollen, wikkelen) . Zie het werkw. ενειλεω = eneileô (inwikkelen) . Taalgebruik : eneileô (inwikkelen) . Bijbel (1) : 2 K 2,8 . Een vorm van het werkw. ειλεω = eileô (oprollen, wikkelen) in LXX (2) : (1) 2 K 2,8 . (2) Js 11,5 , in het NT (0) . Een vorm van ενειλεω = eneileô in de LXX (1 : variante lezing in 1 S 21,10) , in het NT (1) : Mc 15,46 .
- pass. part. praes. nom. mann. enk. ειλομένος = eilomenos (ingewikkeld, omgegord , singel, gordel) van het werkw. ειλεω = eileô (oprollen, wikkelen) . Zie het werkw. ενειλεω = eneileô (inwikkelen) . Taalgebruik : eneileô (inwikkelen) . Bijbel (1) : Js 11,5 . Een vorm van het werkw. ειλεω = eileô (oprollen, wikkelen) in LXX (2) : (1) 2 K 2,8 . (2) Js 11,5 , in het NT (0) . Een vorm van ενειλεω = eneileô in de LXX (1 : variante lezing in 1 S 21,10) , in het NT (1) : Mc 15,46 .


- eniautos (jaar) . ενιαυτος = eniautos (jaar) . Taalmgebruik in het NT : eniautos (jaar) . Taalmgebruik in de LXX : eniautos (jaar) . Bijbel (13) . NT (0) . Lv (5) : (1) Lv 25,5 . (2) Lv 25,10 . (3) Lv 25,11 . (4) Lv 25,29 . (5) Lv 25,30 .


- enneuô (toewenken) . enneuô (toewenken) . Taalgebruik in het NT : enneuô (toewenken) . Taalgebruik in Lc : enneuô .

  enneuô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. imperf. 3de pers. mv. eneneuon                    
                               

- ενωπιον = enôpion (voor het aangezicht van)

- enôpion (voor het aangezicht van) . ενωπιον = enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in het NT : enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in de LXX : enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in Lc : enôpion (voor het aangezicht van) .

  enôpion  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
    508 423 85 - - 19 1 13 22 30 19 20    

In Lc in 19 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,76 . (5) Lc 4,7 . (6) Lc 5,18 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 8,47 . (9) Lc 12,6 . (10) Lc 12,9 . (11) Lc 13,26 . (12) Lc 14,10 . (13) Lc 15,10 . (14) Lc 15,18 . (15) Lc 15,21 . (16) Lc 16,15 . (17) Lc 23,14 . (18) Lc 24,11 . (19) Lc 24,43 .


6. eneteilamèn (ik beval, opdroeg) . In eenenveertig verzen in de bijbel . In veertig verzen in het OT : (1) Gn 3,11 . (2) Gn 3,17 . (3) Ex 23,15 . (4) Ex 29,35 . (5) Ex 31,11 . (6) Dt 1,16 . (7) Dt 1,18 . (8) Dt 3,18 . (9) Dt 3,21 . (10) Dt 11,28 . (11) Dt 12,21 . (12) Dt 24,8 . (13) Dt 31,5 . (14) Dt 31,29 . (15) Joz 13,6 . (16) Joz 22,2 . (17) Re 2,20 . (18) (26) (27) Jr 7,22 . (28) Jr 7,23 . (29) Jr 7,31 . (30) Jr 11,4 . (31) In één vers in het NT : Mt 28,20 .
- entellô (bevelen, opdragen, vragen) . entellô (bevelen, opdragen, vragen) . Taalgebruik in het NT : entellô (bevelen, opdragen, vragen) . Taalgebruik in Mc : entellô (bevelen, opdragen, vragen) . Taalgebruik in Lc : entellô (bevelen, opdragen, vragen) .
--- entellomai . In 48 verzen in de bijbel . In 46 verzen in het OT In 2 verzen in het NT
--- entelletai . In 2 verzen in de bijbel . Nu 32,25 . Am 6,11 .
--- entetaltai (hij heeft opgedragen) . Perfectum derde persoon enkelvoud . In 8 verzen in de bijbel . In 7 verzen in het OT : (4) 1 K 13,17 : hoti houtôs entetaltai moi en logôi kurios = want zo heeft de Heer met een woord mij opgedragen . In 1 vers in het NT : Hnd 13,47 : houtôs gar entetaltai hèmin kurios = want zo heeft de Heer ons opgedragen . Men moet zich houden aan de opdracht die iemand van God heeft ontvangen .
--- eneteilato (hij droeg op) . Actief aorist derde persoon enkelvoud . In 232 verzen in de bijbel . OT (224) . Gn (14) . Ex (9) . Lv (12) . Nu (13) . Dt (30) . Joz (26) . NT (8) . Mt (2) . Mc (2) . Joh (2) . Heb (2) . In acht verzen in het NT : (1) Mt 17,9 . (2) Mt 19,7 . (3) Mc 10,3 . (4) Mc 13,34 . (5) Joh 8,5 . (6) Joh 14,31 . (7) Heb 9,20 . (8) Heb 11,22 .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  med. ind. fut. 3de pers. enk. enteleitai                
  ind. aor. 3de pers. enk. eneteilato 232  224       
                               
                               
                               
                               
                               
                               
                               
  totaal                            


--- enteilamenos (opgedragen) . Participium aorist passief nominatief mannelijk enkelvoud : Hnd 1,2 . Hapax .
- tsâwâh (opdragen) . Verwijzing : tsâwâh (opdragen) , zie Mt 28,20 .

- enteuthen (van hier, daarop) . enteuthen (van hier, daarop) . Taalgebruik in het NT : enteuthen (van hier, daarop) . Taalgebruik in Lc : enteuthen (van hier, daarop) .

  enteuthen  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
    31  22         

- entolè (opdracht) . entolè (opdracht) . Taalgebruik in het NT : entolè (opdracht) . Taalgebruik in Mc. : entolè (opdracht) . Taalgebruik in Lc. : entolè (opdracht) .

  entolè (opdracht) bijbel  OT  NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
1 nom. + dat. enk. entolè(i) 24 10 14 2 : (1) Mt 22,36 . (2) Mt 22,38 . 2   2   8  
2 gen. enk. entolès 16 7 9           9      
3 acc. enk. entolèn 42 24 18 1 : Mt 15,3 . 3 2 3 1 8  
4 nom. + acc mv. entolai 11 10 1           1      
5 gen. mv. entolôn 27 24 3 1 : Mt 5,19 .         2  
6 dat. vr. mv. entolais 20 17 3 1 : Mt 22,40 .   1     1  
7 acc. mv. entolas 145 128 17 1 : Mt 19,17 . 1 1 4   8 2
  Totaal   285  220  65  6 37  16  25 

 

Een vorm van entolè (opdracht) bij Mt   (1) Mt 5,19 . (2) Mt 15,3 . (3) Mt 19,17 . (4) Mt 22,36 . (5) Mt 22,38 . (6) Mt 22,40.    

- entulissô (inwikkelen) . εντυλισσω = entulissô (inwikkelen) . Taalgebruik in de Bijbel : entuliss˘ (inwikkelen) . Een vorm van εντυλισσω = entulissô in de LXX (0) , in het NT (3) : (1) Mt 27,59 . (2) Lc 23,53 . (3) Joh 20,7 . Een vorm van het werkw. τυλισσω = tulissô (omwikkelen) niet in de Bijbel .
- act. ind. aor. 3de pers. mann. enk. ενετυλιξεν = enetulixen (hij wikkelde in) van het werkw. εντυλισσω = entulissô (inwikkelen) . Taalgebruik in de Bijbel : entulissô (inwikkelen) . Bijbel (2) : (1) Mt 27,59 . (2) Lc 23,53 . Een vorm van εντυλισσω = entulissô in de LXX (0) , in het NT (3) : (1) Mt 27,59 . (2) Lc 23,53 . (3) Joh 20,7 . Een vorm van het werkw. τυλισσω = tulissô (omwillkelen) niet in de Bijbel .

- epaggelia (belofte , bij-engelschap , engelbewaarderschap) . epaggelia (belofte , bij-engelschap , engelbewaarderschap) . Taalgebruik in het NT : epaggelia (belofte , bij-engelschap , engelbewaarderschap) . Lat. promissum . (promittere) >promis . E. promis . Ned. beloven , belofte .

      bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  acc. vr. enk. epaggelian     18  16        10    10   
                                 
                                 

 

- tèi epaurion ('s anderendaags) . epaurion (de dag erop) .  Taalgebruik in het NT : tè(i) epaurion ('s anderendaags) . Taalgebruik in Mc : tè(i) epaurion ('s anderendaags) . Gr. aurion (bijwoord) : morgen (vroeg) . ep-aurion : de dag erop , de volgende dag . Fr. lendemain < le - en - demain -> l'endemain -> lendemain -> le lendemain . demain > Lat. de mane (matin) . Lat. altera die -> Ned. 's anderendaags .


- επαιρω = epairô (opheffen, verheffen)

- epairô (opheffen, verheffen) . επαιρω = epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in het NT : epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in de LXX : epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in Lc : epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in Hnd : epairô (opheffen, verheffen) .
- act. part. aor. nom. mann. enk. επαρας = eparas (opgeheven) van het werkw. επαιρω = epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in het NT : epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in de Septuaginta : epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in Lc : epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in Hnd : epairô (opheffen, verheffen) . Bijbel (9) . LXX (4) : (1) Gn 13,10 . (2) Ex 7,20 . (3) Nu 20,11 . (4) Ps 102,11 . NT (5) . Lc (3) : (1) Lc 6,20 . (2) Lc 16,23 . (3) Lc 24,50 . Verder : (1) Joh 6,5 . (2) Joh 17,1 . Een vorm van επαιρω = epairô (opheffen, verheffen) in de LXX (83) , in het NT (19) , in Lc in 6 verzen : (1) Lc 6,20 . (2) Lc 11,27 . (3) Lc 16,23 . (4) Lc 18,13 . (5) Lc 21,28 . (6) Lc 24,50 . In Lc : 4 vormen van επαιρω = epairô (opheffen, verheffen) in 6 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 4 vormen van επαιρω = epairô (opheffen, verheffen) in 5 verzen in 5 hoofdstukken .

- act. ind. aor. 3de pers. enk. επηρεν = epèren (hij hief op, hij verhief) van het werkw. επαιρω = epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in het NT : epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in de Septuaginta : epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in Lc : epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in Hnd : epairô (opheffen, verheffen) . Bijbel (17) . LXX (15) . Pentateuch (3) : (1) Gn 7,17 . (2) Ex 10,13 . (3) Ex 17,11 . Sir (2) : (1) Sir 48,18 . (2) Sir 50,20 . NT (2) : (1) Joh 13,18 . (2) Hnd 2,14 .


- epaischunomai (zich schamen over) . epaischunomai (zich schamen over) . Taalgebruik in het NT : epaischunomai (zich schamen over) . Taalgebruik in Mc : epaischunomai .

  epaischunoma  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  pass. conj. aor. 3de pers. enk. epaischunthè(i)              
  pass. ind. fut. 3de pers. enk. epaischunthèsetai                  
                               
                               

- epakou˘ (luisteren naar , beluisteren) . επακουω = epakouô (luisteren naar , beluisteren) . Taalgebruik in het NT : epakou˘ (luisteren naar , beluisteren) . Taalgebruik in de LXX : epakouô (luisteren naar , beluisteren) .

- επηκουσεν = epèkousen (hij luisterde naar) < voorzetsel ep' + act. ind. aor. 3de pers. enk. van het werkw. επακουω = epakouô (luisteren naar , beluisteren) . Taalgebruik in het NT : epakouô (luisteren naar , beluisteren) . Taalgebruik in de LXX : epakouô (luisteren naar , beluisteren) . Tenakh (27) . Pentateuch (5) : (1) Gn 16,11 (Ismaël) . (2) Gn 25,21 . (3) Gn 30,6 (Dan) . (4) Gn 30,17 (Issachar) . (5) Gn 30,22 . Niet in het NT . Een vorm van επακουω = epakouô in de LXX (100) , in het NT (1) : 2 Kor 6,2 .


- epanagô (opvaren) . επαναγω = epanagô (opvaren) . Taalgebruik in het NT : epanagô (opvaren) . Taalgebruik in de LXX : epanagô . Een vorm van επαναγω = epanagô in de LXX (5) : (1) Zach 4,12 . (2) 2 Mak 9,21 . (3) 2 Mak 12,4 . (4) Sir 17,26 . (5) Sir 26,28 , in het NT (3) : (1) Mt 21,18 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,4 .

-

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. imperat. aor. 2de pers. enk. epanagage                   
  act. inf. aor. epanagagein                    
                               

- epaurion ('s anderendaags, de volgende dag) . επαυριον = epaurion ('s anderendaags, de volgende dag) . Taalgebruik in het NT : epaurion ('s anderendaags, de volgende dag) . Taalgebruik in de LXX : epaurion ('s anderendaags, de volgende dag) .

epaurion ('s anderendaags)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
tè(i) (...) epaurion  39  22  17  1 : Mt 27,62 . 1 : Mc 11,12 .   5 : (1) Joh 1,29 . (2) Joh 1,35 . (3) Joh 1,43 . (4) Joh 6,22 . (5) Joh 12,12 . 10 : (1) Hnd 10,9 . (2) Hnd 10,23 . (3) Hnd 10,24 . (4) Hnd 14,20 . (5) Hnd 20,7 . (6) Hnd 21,8 . (7) Hnd 22,30 . (8) Hnd 23,32 . (9) Hnd 25,6 . (10) Hnd 25,23 .            
tè(i) epaurion        1 : Mc 11,12   5 : (1) Joh 1,29 . (2) Joh 1,35 . (3) Joh 1,43 . (4) Joh 6,22 . (5) Joh 12,12 3 : (4) Hnd 14,20 .  (5) Hnd 20,7 . (9) Hnd 25,6 .            
tè(i) de epaurion      1 : Mt 27,62 .         6 : (1) Hnd 10,9 . (2) Hnd 10,23 . (3) Hnd 10,24 .  (6) Hnd 21,8 . (7) Hnd 22,30 . (8) Hnd 23,32 .            
kai  tè(i) epaurion       1 : Mc 11,12     (4) Hnd 14,20            
tè(i) oun epaurion              (10) Hnd 25,23            

- epeidèper (nadat nu, daar nu) . epeidèper (nadat nu, daar nu) . Taalgebruik in het NT : epeidèper (nadat nu, daar nu) . Taalgebruik in Lc : epeidèper (nadat nu, daar nu) .

  epeidèper  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                       

- επερωταω = eperôtaô ( 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen)

- eperotaô (epi - erôtaô) . επερωταω = eperôtaô ( 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) . Taalgebruik in het NT : eperotaô (epi - erôtaô) . Taalgebruik in de LXX : eperotaô (epi - erôtaô) . Taalgebruik in Mc : eperotaô (epi - erôtaô) . Taalgebruik in Lc : eperotaô (epi - erôtaô) .

  eperôtaô   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. praes. 3de pers. mv. eperôtôsin             1  
  act. ind. imperf. 3de pers. enk. apèrôta  10    10            10  10     
  act. ind. imperf. 3de pers. mv.  epèrôtôn 13  10            10  10     
  act. fut. 1ste pers. enk. eperôtèsô                    
  act. ind. aor. 3de pers. enk. epèrôtèsen  32  16  16      14  15     
  act. ind. aor. 3de pers. mv. epèrôtèsan 15                          
  act. inf. aor. eperôtèsai   11               
                               
  totaal                            

- act. ind. imperf. 3de pers. mv. epèrôtôn (zij vroegen op) . OT (3) . NT (10) . Mc (6) : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,28 . (4) Mc 10,2 . (5) Mc 10,10 . (6) Mc 12,18 . Lc (4) De leerlingen vroegen : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,28 . (4) Mc 10,10 . De Farizeeën : (1) Mc 10,2 . De Sadduceeën : (1) Mc 12,18 .
- epèrôtèsen (hij ondervroeg) . Indicatief aorist derde persoon enkelvoud . In tweeëndertig verzen in de bijbel . In zestien verzen in het OT . In zestien verzen in het NT . Mt (3) . Mc (6) . Lc (5) . Joh (1) . Hnd (1) . Het betreft o.a. de ondervraging van Jezus door de hogepriester en door Pilatus : (1) Mt 27,11 // Mc 15,2 . (2) Mc 14,60 . (3) Mc 15,2 // Mt 27,11 . In Hnd 5,27 ondervroeg de hogepriester Petrus en Johannes .

1.     2.     3.     4.   5.
Mc 7,17 // Mt 15,12  Mt 15,12 // Mc 7,17   Mc 9,11// Mt 17,10 Mt 17,10 // Mc 9,11    Mc 9,28 // Mt 17,19 Mt 17,19 // Mc 9,28    Mt 18,1 // Mc 9,33    Mc 10,10
Kai (en) hote (toen)  Tote (dan)   kai (en) Kai (en)     Kai (en)  Tote (toen)    En ekeinèi tèi hôrai (Op hetzelfde moment)   Kai (en)
eisèlthen (hij binnenging)  proselthontes (gekomen zijnde bij hem)          eiselthontos autou (nadat hij binnengegaan was)  proselthontes (gekomen zijnde bij)    prosèlthon (kwamen)    
eis oikon (in huis) apo tou ochlou (weg van de menigte)            eis oikian (in huis)         eis tèn oikian (thuis) palin (opnieuw)
   hoi mathètai (de leerlingen)          hoi mathètai autou (zijn leerlingen) kat'idiav (onder elkaar - afgezonderd  hoi mathètai (de leerlingen)    hoi mathètai (de leerlingen)    hoi mathètai (de leerlingen)
              tôi Ièsou (tot Jezus) kat'idian (afgezonderd)   tôi Ièsou (tot Jezus)    
 epèrôtôn (vroegen) legousin ( zeggen)    epèrôtôn (zij vroegen)  epèrôtèsan (vroegen)    epèrôtôn (vroegen)  eipon (zeiden zij)    legontes (zeggende)    peri toutou (hierover) epijrôtôn (vroegen)
auton (hem)  autôi (aan hem)   auton (hem)  auton (hem)    auton (hem)          auton (hem) 
hoi mathètai autou ( de leerlingen van hem)       hoi mathètai ( de leerlingen)              
      legontes (zeggende) legontes (zeggende)              
155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 // Mt 15,10-20 - Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 - 155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 // Mt 15,10-20 - Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 -   169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia : Mc 9,11-13 // Mt 17,10-13 - Mc 9,11-13 - Mt 17,10-13 -
169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia : Mc 9,11-13 // Mt 17,10-13 - Mc 9,11-13 - Mt 17,10-13 -
   170. Genezing van een bezeten kind : Mc 9,14-29 // Mt 17,14-21 // Lc 9,37-43a - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21  170. Genezing van een bezeten kind : Mc 9,14-29 // Mt 17,14-21 // Lc 9,37-43a - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 -     173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37 // Mt 18,1-5 // Lc 9,46-48   265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : Mc 10,2-12 // Mt 19,3-9

- epèrôtèsen (hij vroeg op) . Indicatief aorist derde persoon enkelvoud . In tweeëndertig verzen in de bijbel . In zestien verzen in het O.T. . In zestien verzen in het N.T. . Mt (3) . Mc (6) . Lc (5) . Joh (1) . Hnd (1) . In drie verzen bij Mt : Mt 22,35 , Mt 22,41 en Mt 27,11 .
- èrôtôn (zij vroegen) . Actief indicatief imperfectum derde persoon meervoud . In negen verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. . In zeven verzen in het N.T. . Mc (1) . Joh (4) . Hnd (2) .
--- èrôtèsan (zij vroegen) komt in 11 verzen in de bijbel voor; in 3 verzen in het O.T, in 8 verzen in het N.T. In Lc 4,38, in 6 verzen bij Johannes en in Hnd 10,48.
--- èrôta (hij vroeg) komt in 9 verzen in de bijbel voor; in 3 verzen in het O.T., in 6 verzen in het N.T. In Mt 16,13 ,


- επι = epi (op, bij) . Afkortingen : επ' = ep' en εφ' = ef'

- epi (op, bij) . επι = epi (op, bij) . Afkortingen : επ' = ep' en εφ' = ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in de LXX : epi (op, bij) . Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 1 (10 + 1 = 11) . epi (10) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,17 . (4) Lc 1,29 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,48 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 . επ' = ep' (1) Lc 1,12 . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,12 . (3) Lc 24,22 . (4) Lc 24,24 . (5) Lc 24,25 . (6) Lc . Een vorm van επι = epi (op) in de LXX (7297) , in het NT (878) .

- Ned. : op . D. : auf . E. : . Fr. : sur . Grieks : επι = epi (op, bij) . Afkortingen : επ' = ep' en εφ' = ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) .
- Lat. ad . Fr. à . E. at . Ned. op , naar, bij . D. bei .

epi (op, bij)  bijbel OT NT Mt Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
epi 4540  3946 594  91  51    104  22  120  117 89  246  268 
ep 1320  1179  141  13  14              25  13  24  30  22  52  65 
ef  430  348  82  10                          20  17  25  36  37 
Totaal   6290  5473  817  114  71  10  149  36  161  172  114  334  370 

epi (op, bij)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
epi 51   
ep 14             
ef                         
Totaal   71  10 


epi (op, bij)   bijbel OT NT ev.  Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  P. Ab
epi  4540  3946 594  268  117 13  15  15    21        106 11
ep  1320  1179  141  65  30  8 1 2 2       1 1 1 1 1   4 2 3 1 1     1 22 8
ef  430  348  82  37  25  6 1 5 2 1 2   1 2 1       1 1 1 1         21 4
totaal  6290  5473  817  370  172  27   22 8 10 7 6 6 4 8 6 1 2 26 8 8 3 1   1 1 149 23

epi (op, bij, tijdens) . Voorzetsel . Een vorm van epi in zes verzen in 1 Tes : (1) 1 Tes 1,2 (epi) . (2) 1 Tes 2,16 (ep') . (3) 1 Tes 3,7 (ef') . (4) 1 Tes 3,7 (epi) . (5) 1 Tes 3,9 . (6) 1 Tes 4,7 .


- επιβαλλω = epiballô ('op-werpen', overvallen)

- epiball˘ (op-werpen , over-vallen) . επιβαλλω = epiballô ('op-werpen', overvallen) . Taalgebruik in het NT : epiballô (op-werpen , over-vallen) . Taalgebruik in de LXX : epiballô (op-werpen , over-vallen) . Taalgebruik in Lc : epiballô (op-werpen , over-vallen) . Lat. ballô . Ned. vallen -> over-vallen âphal .

- act. ind. imperf. 3de pers. enk. επεβαλλεν = epeballen (hij viel op , hij overviel) van het werkw. επιβαλλω = epiballô ('op-werpen', overvallen) . Taalgebruik in het NT : epiballô (op-werpen , over-vallen) . Taalgebruik in de LXX : epiballô (op-werpen , over-vallen) . In de Bijbel slechts in Mc 4,37 .

epiballô ('op-werpen') bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  Lc Hnd  
ind. pr. 3de p. enk. epiballei           (1) Lc 5,36 .    
ind. pr. 3de p. mv. epiballousin                  
ind. fut. 1ste p. enk. epibalô                 
ind. fut. 3de p. mv. epibalousin             (1) Lc 21,12 .    
ind imp. 3de p. enk. epeballen                  
ind. imp. 3de p. mv. epeballon                       (1) Hnd 4,3 . (2)  Hnd 5,18 . (3) Hnd 21,27 .
part. pr. nom. onz. enk. epiballon                 (1) Lc 15,12 .    
ind. aor. 3de p. enk. epebalen 13  10              (1) Lc 12,1 .  
ind. aor. 3de p. mv. epebalon           (1) Hnd 4,3 . (2)  Hnd 5,18 . (3) Hnd 21,27 .  
act. inf. aor. epibalein             (1) Lc 20,19  
part. aor. nom. m. + vr. enk. epibalôn           (1) Lc 9,62 .    
  49  31  18       

-

- epiblepô (kijken op, neerzien) . επιβλεπω = epiblepô (kijken op, neerzien) . Taalgebruik in het NT : epiblepô (kijken op, neerzien) . Taalgebruik in de LXX : epiblepô (kijken op , neerzien) . Een vorm van επιβλεπω = epiblepô (kijken op, neerzien) in de LXX (114) , in de Pentateuch (7) : (1) Gn 19,26 . (2) Gn 19,28 . (3) Ex 14,24 . (4) Lv 26,9 . (5) Nu 12,10 . (6) Nu 21,9 . (7) Dt 9,27 , in het NT (3) : (1) Lc 1,48 . (2) Lc 9,38 . (3) Jak 2,3 . Het voorvoegsel επι = epi van het werkw. επιβλεπω = epiblepô (kijken op, neerzien) wordt hierna in de bepaling met het voorzetsel επι = epi versterkt .
- act. aor. 3de pers. enk. επεβλεψεν = epeblepsen (hij keek op, hij keek neer) van het werkw. επιβλεπω = epiblepô (kijken op, neerzien) . Taalgebruik in het NT : epiblepô (kijken op, neerzien) . Taalgebruik in de LXX : epiblepô (kijken op , neerzien) . Bijbel (26) . OT (25) : (1) Gn 19,26 . (2) Gn 19,28 . (3) Ex 14,24 . (4) Nu 12,10 . (5) Nu 21,9 . (6) Re 6,14 . (7) Re 20,40 . (8) 1 S 7,2 . (9) 1 S 24,9 . (10) 2 S 1,7 . (11) 2 S 2,20 . (12) 1 K 18,43 . (13) 1 K 19,6 . (14) 2 K 13,23 . (15) Ez 10,11 . (16) Hab 3,6 . (17) Zach 10,4 . (18) Ps 33,13 . (19) Ps 33,14 . (20) Ps 102,18 . (21) Ps 102,20 . (22) 2 Kr 20,24 . (23) Sir 16,29 . (24) Sir 39,20 . (25) Sir 42,16 . NT (1) Lc 1,48 . Een vorm van επιβλεπω = epiblepô (kijken op, neerzien) in de LXX (114) , in de Pentateuch (7) : (1) Gn 19,26 . (2) Gn 19,28 . (3) Ex 14,24 . (4) Lv 26,9 . (5) Nu 12,10 . (6) Nu 21,9 . (7) Dt 9,27 , in het NT (3) : (1) Lc 1,48 . (2) Lc 9,38 . (3) Jak 2,3 . Het voorvoegsel επι = epi van het werkw. επιβλεπω = epiblepô (kijken op, neerzien) wordt hierna in de bepaling met het voorzetsel επι = epi versterkt .
- De vervoegde werkwoordsvorm επεβλεψεν = epeblepsen telt 9 letters , waarvan 4X een vorm van de e - klank en 3X een labiale medeklinker . Het is een aoristvorm die voorafgegaan wordt door het voorvoegsel ep' (< epi) . Wellicht onder invloed van het lijdend voorwerp την ταπεινωσιν = tèn tapeinôsin (de laagheid) kreeg het werkwoord het voorvoegsel epi (op) , waardoor hoog - laag wordt weergegeven . God kijkt vanuit het hoge op de laagheid van zijn dienares . Dat kijken van God was bevrijdend zoals uit het voorgaande vers blijkt .


- epicheireô (de handen slaan aan, aanpakken, ondernemen, beproeven) . epicheireô (de handen slaan aan, aanpakken, ondernemen, beproeven) . Taalgebruik in het NT : epicheireô (de handen slaan aan, aanpakken, ondernemen, beproeven) . Taalgebruik in Lc : epicheireô .

  epicheireô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. aor. 3de pers. mv. epecheirèsan                 
                               

- epiche˘ (gieten op) . epicheô (gieten op) . Taalgebruik in Tenakh : epiche˘ (gieten op) .


- epididômi (bovenop geven , geven) . epididômi (bovenop geven , geven) . Taalgebruik in het NT : epididômi (bovenop geven , geven) . Taalgebruik in Lc : epididômi .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
                               
  pass. ind. aor. 3de pers. enk. paredothè                  
                               

- epifain˘ (tonen,laten zien, ten toon spreiden) . επιφαινω = epifainô (tonen, laten zien, ten toon spreiden) . Taalgebruik in de Bijbel : epifain˘ (tonen,laten zien, ten toon spreiden) .

- act. inf. aor. επιφαναι = epifanai van het werkw. επιφαινω = epifainô (tonen, laten zien, ten toon spreiden) . Taalgebruik in de Bijbel : epifainô (tonen,laten zien, ten toon spreiden) . Bijbel (3) : (1) Nu 6,25 . (2) Ps 67,2 . (3) Lc 1,79 . Een vorm van επιφαινω = epifainô in de LXX (25) , in het NT (4) : (1) Lc 1,79 . (2) Hnd 27,20 . (3) Tit 2,11 . (4) Tit 3,4 .


- epigignôskô (leren kennen, begrijpen) . επιγιγνωσκω = epigignôskô (leren kennen, begrijpen) . Taalgebruik in het NT : epigignôskô (leren kennen, begrijpen) . Taalgebruik in de LXX : epigignôskô (leren kennen, begrijpen) . Taalgebruik in Lc : epigignôskô (leren kennen, begrijpen) .

  epigignôskô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. conj. aor. 2de pers. enk. epignô(i)s                  
                               

- epikeimai (op iets liggen, aandringen, bedreigen) . επικειμαι = epikeimai (op iets liggen, aandringen, bedreigen) . Taalgebruik in het NT : epikeimai (op iets liggen, aandringen, bedreigen) . Taalgebruik in Lc : epikeimai (op iets liggen, aandringen, bedreigen) . Een vorm van επικειμαι = epikeimai in de LXX (7) , in het NT (7) .


- keimai (liggen, rusten) . Verwijzing : keimai (liggen, rusten) , zie Lc 5,1 .
--- keitai (hij ligt) . Qal praesens derde persoon enkelvoud . In negen verzen in de bijbel . In twee verzen in het OT . In zeven verzen in het NT

--- katakeisthai - katakeimai (neerliggen) . In twee verzen in de bijbel : (1) Mc 2,15 . (2) Hnd 28, 8 .

- epipiptô (vallen op, opdringen) . epipiptô (vallen op, opdringen) . Taalgebruik in het NT : epipiptô (vallen op, opdringen) . Taalgebruik in Mc : epipiptô (vallen op, opdringen) .

  epipiptô (vallen op, opdringen)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. inf. praes. epipiptein                    
  act. ind. aor. 3de pers. enk. epepesen   26  19             
                               
                               
                               

- episkeptomai (kijken naar, bekijken) . επισκεπτομαι = episkeptomai (kijken naar, bekijken) . Taalgebruik in het NT : episkeptomai (kijken naar, bekijken) . Taalgebruik in de LXX : episkeptomai (kijken naar, bekijken) . Taalgebruik in Lc : episkeptomai (kijken naar, bekijken) . In de LXX kan επισκεπτομαι = episkeptomai de vertaling zijn van 10 Hebreeuwse woorden .

  episkeptomai  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  ind. fut. 3de pers. enk. episkepsetai                  
  ind. aor. 3de pers. enk. epeskepsato   26  23               
                               

  episkeptomai  Lc Lc 1 Lc 7 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
ind. fut. 3de pers. enk. episkepsetai    (1) Lc 1,78 .                    
ind. aor. 3de pers. enk. epeskepsato   (1) Lc 1,68 . (2) Lc 7,16 .   26  23               
                                     

- ind. aor. 3de pers. enk. επεσκεψατο = epeskepsato (hij zag om) van het werkw. επισκεπτομαι = episkeptomai (kijken naar, bekijken) . Taalgebruik in het NT : episkeptomai (kijken naar, bekijken) . Taalgebruik in de LXX : episkeptomai (kijken naar, bekijken) . Bijbel (26) . ΟΤ (23) : (1) Gn 21,1 . (2) Ex 4,31 . (3) Nu 3,39 . (4) Nu 3,42 . (5) Nu 4,34 . (6) Nu 4,37 . (7) Nu 4,41 . (8) Nu 4,45 . (9) Nu 4,46 . (10) Nu 4,49 . (11) Joz 8,10 . (12) Re 15,1 . (13) 1 S 2,21 . (14) 1 S 13,15 . (15) 2 S 18,1 . (16) 1 K 20,15 . (17) 1 K 20,26 . (18) 2 K 3,6 . (19) Kl 4,22 . (20) Ezr 1,2 . (21) Ezr 6,1 . (22) Jdt 7,7 . (23) Sir 46,14 . NT (3) . Lc (2) : (1) Lc 1,68 . (2) Lc 7,16 . En : Hnd 15,14 . Een vorm van επισκεπτομαι = episkeptomai (kijken naar, bekijken) in de LXX (163) , in het NT (11) : (1) Mt 25,36 . (2) Mt 25,43 . (3) Lc 1,68 . (4) Lc 1,78 . (5) Lc 7,16 . (6) Hnd 6,3 . (7) Hnd 7,23 . (8) Hnd 15,14 . (9) Hnd 15,36 . (10) Heb 2,6 . (11) Jak 1,27 . In de LXX kan επισκεπτομαι = episkeptomai de vertaling zijn van 10 Hebreeuwse woorden .

- ind. fut. 3de pers. enk. επισκεψεται = episkepsetai (hij zal naar ons omkijken) van het werkw. επισκεπτομαι = episkeptomai (kijken naar, bekijken) . Taalgebruik in het NT : episkeptomai (kijken naar, bekijken) . Taalgebruik in de LXX : episkeptomai (kijken naar, bekijken) . Bijbel (7) : (1) Gn 50,24 . (2) Gn 50,25 . (3) Ex 13,19 . (4) Lv 13,36 . (5) Zach 10,3 . (6) Jdt 8,33 . (7) Lc 1,78 . Een vorm van επισκεπτομαι = episkeptomai (kijken naar, bekijken) in de LXX (163) , in het NT (11) : (1) Mt 25,36 . (2) Mt 25,43 . (3) Lc 1,68 . (4) Lc 1,78 . (5) Lc 7,16 . (6) Hnd 6,3 . (7) Hnd 7,23 . (8) Hnd 15,14 . (9) Hnd 15,36 . (10) Heb 2,6 . (11) Jak 1,27 . In de LXX kan επισκεπτομαι = episkeptomai de vertaling van 10 Hebreeuwse woorden zijn .


- episkiazô (overschaduwen, een schaduw werpen op) . episkiazô (overschaduwen, een schaduw werpen op) . Taalgebruik in het NT : episkiazô (overschaduwen, een schaduw werpen op) . Taalgebruik in Lc : episkiazô (overschaduwen, een schaduw werpen op) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. imperf. 3de pers. enk. epeskiazen                  
  act. ind. fut. 3de pers. enk. episkiasei                  
                               

- epistatès (bijstaander, meester) . επιστατης = epistatès (bijstaander, meester) . Taalgebruik in het NT : epistatès (bijstaander, meester) . Taalgebruik in de LXX : epistatès (bijstaander, meester) . Taalgebruik in Lc : epistatès (bijstaander, meester) . Een vorm van επιστατης = epistatès in de bijbel (20) , in het OT (13) , in het NT = Lc (6) .

- voc. mann. enk. επιστατα = epistata (bijstaander) van het zelfst. naamw. επιστατης = epistatès (bijstaander, meester) . Taalgebruik in het NT : epistatès (bijstaander, meester) . Taalgebruik in de LXX : epistatès (bijstaander, meester) . Taalgebruik in Lc : epistatès (bijstaander, meester) . Een vorm van επιστατης = epistatès in de bijbel (20) , in het OT (13) , in het NT = Lc (6) . Bijbel = Lc (6) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 8,24 . (3) Lc 8,45 . (4) Lc 9,33 . (5) Lc 9,49 . (6) Lc 17,13 .

  epistatès  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  voc. mann. enk. epistata                             
  Totaal   20 13 7                      

- επιστρεφω = epistrefô (naar iets toekeren)

- epistrefô (naar iets toekeren) . επιστρεφω = epistrefô (naar iets toekeren) . Taalgebruik in het NT : epistrefô (naar iets toekeren) . Taalgebruik in de Septuaginta : epistrefô (naar iets toekeren) . Taalgebruik in Lc : epistrefô (naar iets toekeren) . Taalgebruik in Hnd : epistrefô (naar iets toekeren) .
- Hebr. sjûbh (terugkeren) . Taalgebruik in Tenach : sjûbh (terugkeren) . Lat. convertere . Ned. draaien naar , bekeren . D. bekehren . E. turn .
- act. ind. fut. 3de pers. enk. επιστρεψει = epistrepsei (hij zal toekeren) van het werkw. επιστρεφω = epistrefô (naar iets toekeren) . Taalgebruik in het NT : epistrefô (naar iets toekeren) . Taalgebruik in de Septuaginta : epistrefô (naar iets toekeren) . Een vorm van επιστρεφω = epistrefô (naar iets toekeren) in de LXX (534) , in het NT (36) , in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 2,39 . (4) Lc 8,55 . (5) Lc 17,4 . (6) Lc 17,31 . (7) Lc 22,32 . In Lc : 7 vormen van επιστρεφω = epistrefô (naar iets toedraaien / keren) in 7 verzen in 5 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van επιστρεφω = epistrefô (naar iets toedraaien / keren) in 11 verzen in 8 / 28 hoofdstukken .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. fut. 3de pers. enk. epistrepsei   38  37                 
  act. ind. aor. 3de pers. mv. epestrepsan   33  31               
  act. inf. aor. epistrepsai   38  36               
                               

- episunagô : bijeenbrengen .

pass. part. perf. nom. vr. enk. episunègmenè (verzamelde) van het werkw. episunagô : bijeenbrengen .

 

- επιτασσω = epitassô (opdragen, bevelen)

- epitass˘ (opdragen, bevelen) . επιτασσω = epitassô (opdragen, bevelen) . Taalgebruik in het NT : epitass˘ (opdragen, bevelen) . Taalgebruik in de LXX : epitassô (opdragen, bevelen) .

- act. ind. praes. 3de pers. enk. επιτασσει = epitassei (hij beveelt) van het werkw. επιτασσω = epitassô (opdragen, bevelen) . Taalgebruik in het NT : epitassô (opdragen, bevelen) . Taalgebruik in de LXX : epitassô (opdragen, bevelen) . Bijbel = NT (3) : (1) Mc 1,27 // Lc 4,36 . (2) Lc 4,36 // Mc 1,27 . (3) Lc 8,25 . Een vorm van επιτασσω = epitassô in de LXX (38) , in het NT (10) , in Mc (4) : (1) Mc 1,27 // Lc 4,36 . (2) Mc 6,27 . (3) Mc 6,39 . (4) Mc 9,25 , in Lc (4) : (1) Lc 4,36 // Mc 1,27 . (2) Lc 8,25 . (3) Lc 8,31 . (4) Lc 14,22 . Verder : (1) Hnd 23,2 . (2) Film 1,8 . In de LXX kan een vorm van επιτασσω = epitassô (opdragen, bevelen) de vertaling van 11 Hebreeuwse woorden zijn .


- epithume˘ (begeren, verlangen) . επιθυμεω = epithumeô (begeren, verlangen) . Taalgebruik in de Bijbel : epithume˘ (begeren, verlangen) .
- act. ind. aor. 1ste pers. enk. επεθυμησα = epethumèsa (ik verlangde) van het werkw. επιθυμεω = epithumeô (begeren, verlangen) . Taalgebruik in de Bijbel : epithumeô (begeren, verlangen) . Bijbel (6) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) .


- επιτιμαω = epitimaô (nadrukkelijk vermanen , 'opdragen' , bevelen , berispen)

- epitimaô (nadrukkelijk vermanen , 'opdragen') , bevelen , berispen) . επιτιμαω = epitimaô (nadrukkelijk vermanen , 'opdragen' , bevelen , berispen) . Taalgebruik in het NT : epitimaô (opleggen, opdragen) . Taalgebruik in de LXX : epitimaô (opleggen, opdragen) . Taalgebruik in Mc. : epitimaô (opleggen, opdragen) . Taalgebruik in Lc. : epitimaô (opleggen, opdragen) . Het werkwoord heeft een voorvoegsel epi (aan , op) .

epitimaô (opleggen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Br. syn. ev.  
ind imp. 3de p. enk. epetima 1   1   1 :     1 1
ind. imp. 3de p. mv. epetimôn 3   3   1 2   3 3
inf. pr. epitiman   1 : Mt 16,22 .    
part. pr. nom. mann. enk. epitimôn 2   2     2   2 2
ind. aor. 3de p. enk. enk. epitèmèsen 16 2 14 4 : (1) Mt 8,26 . (2) Mt 12,16 . (3) Mt 17,18 . (4) Mt 20,31 . 5 : (1) Mc 1,25 . (2) Mc 4,39 . (3) Mc 8,30 . (4) Mc 8,33 . (5) Mc 9,25 .     14 : : (1) Mt 8,26 // Mc 1,25 . (2) Mt 12,16 // Mc 3,12 .(3) Mt 17,18 // Mc 9,25 . 14
ind. aor. 3de p. mv. epetimèsan 2   2 1 : Mt 19,13 . 1     2 2
imperat. aor. 2de pers. enk. epitimèson     
inf. aor. epitimèsai 2 1 1       1    
part. aor. nom. m. + vr. enk. epitimèsas 1   1     1   1 1
  33 4 29 6 9 12 2 27 27

- act. ind. aor. 3de pers. enk. επετιμησεν = epetimèsen (hij deed een beroep op 'hun' eer) van het werkw. επιτιμαω = epitimaô (beroep doen op hun eer , nadrukkelijk vermanen , 'opdragen' , bevelen , berispen) . Taalgebruik in het NT : epitimaô (opleggen, opdragen) . Taalgebruik in de LXX : epitimaô (opleggen, opdragen) . Taalgebruik in Lc. : epitimaô (opleggen, opdragen) . Het werkwoord heeft een voorvoegsel επι = epi (aan bij, op) wat het werkwoord versterkt . Wellicht omwille van het voorvoegsel volgt op het werkwoord steeds een datief . Bijbel (16) . LXX (2) : (1) Gn 37,10 . (2) Ps 106,9 . NT (14) : (1) Mt 8,26 . (2) Mt 12,16 ( // Mc 3,12 ) . (3) Mt 17,18 . (4) Mt 20,31 . (5) Mc 1,25 ( // Mt 8,26 ) . (6) Mc 4,39 . (7) Mc 8,30 . (8) Mc 8,33 . (9) Mc 9,25 ( // Mt 17,18 ) . (11) Lc 4,35 . (12) Lc 4,39 . (13) Lc 8,24 . (14) Lc 9,42 . (15) Lc 9,55 . Een vorm van επιτιμαω = epitimaô (nadrukkelijk vermanen , 'opdragen' , bevelen , berispen) in de LXX (11) , in het NT (29) , in Lc (12) : (1) Lc 4,35 . (2) Lc 4,39 . (3) Lc 4,41 . (4) Lc 8,24 . (5) Lc 9,21 . (6) Lc 9,42 . (7) Lc 9,55 . (8) Lc 17,3 . (9) Lc 18,15 . (10) Lc 18,39 . (11) Lc 19,39 .(12) Lc 23,40 . In de LXX kan het Griekse werkwoord επιτιμαω = epitimaô (beroep doen op hun eer , nadrukkelijk vermanen , 'opdragen' , bevelen , berispen) de vertaling zijn van 3 verschillende Hebreeuwse werkwoorden .

- επετιμησεν αυτοις = epetimèsen autois (hij deed een beroep op hun eer) . Bijbel = NT (4) : (1) Mt 12,16 . (2) Mt 20,31 . (3) Mc 8,30 . (4) Lc 9,55 .
- επετιμησεν αυτοις ἱνα = epetimèsen autois hina (hij deed een beroep op hun eer opdat) . Bijbel = NT (3) : (1) Mt 12,16 . (2) Mt 20,31 . (3) Mc 8,30 .

- act. imperat. aor. 2de pers. enk. επιτιμησον (vermaan) van het werkw. επιτιμαω = epitimaô (nadrukkelijk vermanen , 'opdragen' , bevelen , berispen) . Taalgebruik in het NT : epitimaô (opleggen, opdragen) . Taalgebruik in de LXX : epitimaô (opleggen, opdragen) . Taalgebruik in Lc. : epitimaô (opleggen, opdragen) . Het werkwoord heeft een voorvoegsel επι = epi (aan bij, op) wat het werkwoord versterkt . Wellicht omwille van het voorvoegsel volgt op het werkwoord steeds een datief . Bijbel (4) : (1) Ps 68,31 . (2) Lc 17,3 . (3) Lc 19,39 . (4) 2 .


- epitithèmi (opleggen) . επιτιθημι = epitithèmi (opleggen) . Taalgebruik in het NT : epitithèmi (opleggen) . Taalgebruik in de LXX : epitithèmi (opleggen) . Taalgebruik in Mc : epitithèmi (opleggen) . Taalgebruik in Lc : epitithèmi (opleggen) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. praes. 3de pers. enk. epitithèsin                            
  act. part. praes. nom. mann. enk. epititheis                    
  act. ind. fut. 3de pers. mv. epithèsousin   21  20                   
  act. ind. aor. 3de pers. enk. epethèken   54  49             
  act. ind. aor. 3de pers. mv. epethèkan 27 21 6 3   1 1 1            
  act. conj. aor. 3de pers. enk. epithè(i)              
  act. conj. aor. 2de pers. enk. epithè(i)s                 
  act. part. aor. nom. mann. enk. epitheis             
                               

 

  epitithèmi (opleggen)  Mc Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Apk syn.  ev. 
act. ind. fut. 3de pers. mv. epithèsousin             (1) Mc 16,8 .   21  20           
act. ind. aor. 3de pers. enk. epethèken   (1) Mc 3,16 . (2) Mc 3,17 .         (3) Mc 8,25 .     54  49       
act. conj. aor. 3de pers. enk. epithè(i)         (1) Mc 7,32 .            
act. conj. aor. 2de pers. enk. epithè(i)s    (1) Mc 5,23 .                    
act. part. aor. nom. mann. enk. epitheis      (1) Mc 6,5 .     (2) Mc 8,23 .          
  Totaal  87  72  15  11  12 

Zoals we hierboven zagen , gaat het aanstellen voor een opdracht vaak met een handoplegging gepaard .
- epitithei (leg op) . Imperatief tweede persoon enkelvoud . 1 Tim 5,22 : cheiras tacheôs mèdeni epitithei : leg niemand overijld de handen op (wellicht tot vergeving van zonden) .
- epetithesan (zij legden op) . Indicatief imperfectum derde persoon enkelvoud . Hapax in de bijbel : Hnd 8,17 : tote epetithesan tas cheiras ep'autous = toen legden zij de handen op hen . Handoplegging op de gelovige Samaritanen door de apostelen Petrus en Johannes . Aan de handoplegging ging gebed vooraf .

- act. ind. aor. 3de pers. enk. επεθηκεν = epethèken (hij legde op) van het werkw. επιτιθημι = epitithèmi (opleggen) . Taalgebruik in het NT : epitithèmi (opleggen) . Taalgebruik in de LXX : epitithèmi (opleggen) . NT (5) : (1) Mc 3,16 . (2) Mc 3,17 . (3) Mc 8,25 . (4) Lc 13,13 . (5) Joh 9,15 .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. epethèken   54  49             

- epethèkan (zij legden op) . Aorist derde persoon meervoud . In zevenentwintig verzen in de bijbel . In eenentwintig verzen in het O.T. . In zes verzen in het N.T. . Hnd 6,6 : epethèkan autois tas chieras = legden zij - de apostelen - hen de handen op (bij de aanstelling van de zeven) . In deze vorm hapax in Hnd .
- epithô . Conjuctief aorist eerste persoon enkelvoud . Hapax in Hnd . Hnd 8,19 : ean epithô tas cheiras = indien ik de handen opleg . In Samaria probeert een zekere Simon de macht van de handoplegging van de apostelen af te kopen .
- epitheis (opgelegd) . Participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud . In zes verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. . In twee verzen in Hnd : (1) Hnd 9,17 . (2) Hnd 28,8 .
- epithenta (opgelegd) . Participium aorist accusatief mannelijk enkelvoud . Hapax in de bijbel . Hnd 9,12 : kai epithenta autôi tas cheiras = en opgelegd hem de handen . Ananias legde Saulus de handen op opdat hij zou zien .
- epithentes (opgelegd) . In vijf verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. . In drie verzen in het N.T. In de etekenis van handen opleggen slechts in Hnd 13,3 : epithentes tas cheiras autois = hun handen op hen gelegd (bij het uitsturen van missionarissen vanuit Antiochië) .

- act. ind. praes. 3de pers. enk. ep?t???s?? = epitithèsin van het werkw. επιτιθημι = epitithèmi (opleggen) . Taalgebruik in het NT : epitithèmi (opleggen) . Taalgebruik in de LXX : epitithèmi (opleggen) . Taalgebruik in Lc : epitithèmi (opleggen) . Bijbel (2) : (1) Dt 22,17 . (2) Lc . Een vorm van επιτιθημι = epitithèmi in de LXX (270) , in het NT (40) , in Lc (5) .


- epizèteô (opzoeken) . epizèteô (opzoeken) . Taalgebruik in het NT : epizèteô (opzoeken) . Taalgebruik in Lc : epizèteô (opzoeken) .

  epizèteô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. imperf. 3de pers. mv. epezètoun                 
                               
                               

- ερχομαι = erchomai (gaan, komen)

erchomai (gaan, komen) . ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in de LXX : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Lc. : erchomai (gaan, komen) . Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan, komen) in de LXX (1054) , in het NT (631) , in Mc (86) .

erchomai (gaan, komen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. pr. 3de p. enk. erchetai 130 42 88 13 16 11 37 1 7 40  77 
ind. pr. 3de p. mv. erchontai 65 47 18  12      15  16 
part. pr. nom. mann. enk. erchomenos 31  25    11  18 
part. pr. acc. mann. enk. erchomenon 23  17    14 
part. pr. nom. mann. mv. erchomenoi 11         
part. pr. acc. mann. mv. erchomenous             
inf. pr. erchesthai  17  1     8
ind imp. 3de p. enk. èrcheto 22 18   1 1      
ind. imp. 3de p. mv. èrchonto 15 9 6   1   4 1    
ind. fut. 3de pers. mv. eleusontai   14  10     
ind. aor. 3de p. enk. èlthen 338 250 88 20 13 17 18 5 4 11  50  68 
ind. aor. 2de pers. enk. èlthes   10         
ind. aor. 1ste p. enk. + 3de p. mv. èlthon 197 136 61 8 9 11 17 11 4 28 45 
ind. aor. 1ste p. mv. èlthomen  15            2
conj. aor. 3de pers. enk. elthèi  71  40  31  11    12  19 
imperat. aor. 3de p. enk. elthatô - elthetô 6 - 9  5 - 7   1 - 2  1 - 1    0 - 1          1 - 2  1 - 2 
inf. aor. elthein 127 87 40 7 1 4 8 3 17   12 20
part. aor. nom. m. + vr. enk. elthôn 66 17 49 14 7 11 7 2 8   32  39 
part. aor. gen. m. enk. elthontos 10      2    
part. aor. dat. m. + vr. enk. elthonti            
part. aor. acc. mann. enk. elthonta               
part. aor. nom. m. + vr. mv. elthontes 36 15 21 11 3   2 4 1   14  16 
part. aor. gen. mv. elthontôn            
Andere vormen                         
Totaal (bij benadering)   1093  637 456  96  72  78  109  45  36  20   246 355 

- kai erchetai (en hij gaat) . NT (13) . Mt (2) . Mc (6) : (1) Mc 1,40 . (2) Mc 3,20 / Mc 3,19 (variante erchontai = zij gaan) . (3) Mc 3,31 . (4) Mc 5,22 . (5) Mc 14,37 . (6) Mc 14,41 . Lc (2) . Joh (3) .
- erchetai eis (hij gaat naar) . NT (7) . Mc (5) : (1) Mc 3,20 . (2) Mc 5,38 (variante erchontai = zij gaan) . (3) Mc 6,1 . (4) Mc 8,22 (vaiante erchontai = zij gaan) . (5) Mc 10,1 . Joh (2) . Jezus is telkens onderwerp .
- erchetai pros (hij gaat naar) . NT (14) . Mt (2) . Mc (2) : (1) Mc 1,40 . (2) Mc 6,48 . Lc (1) . Joh (8) . 2 Joh (1) .
- kai erchetai pros (en hij gaat naar) . N;T. (5) . Mt (1) . Mc (1) : Mc 1,40 . Joh (3) .

- και ερχονται = kai erchontai (en zij gaan) . NT (9) = Mc (9) : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 3,20 / Mc 3,19 (variante ερχονται = erchontai = zij gaan) . (4) Mc 5,15 . (5) Mc 10,46 . (6) Mc 11,15 . (7) Mc 11,27 . (8) Mc 12,18 . (9) Mc 14,32 .
- και ερχονται προς = kai erchontai pros (en zij gaan naar) . NT (2) . Mc (2) : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 5,15 .
- ερχονται προς = erchontai pros (zij gaan naar) . NT (5) . Mt (1) : Mt 7,15 . Mc (3) : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 5,15 . (3) Mc 11,27 . Joh (1) : Joh 3,26 .

- ind. fut. 3de pers. mv. eleusontai (zij zullen komen) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in de LXX : erchomai (gaan, komen) . Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan, komen) in de LXX (1054) , in het NT (631) , in Lc (98) .

- act. ind. aor. 3de pers. enk. ηλθεν = èlthen (hij kwam) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in de LXX : erchomai (gaan, komen) . In 12 verzen bij Marcus . Joh (18) : (1) Joh 1,7 . (2) Joh 1,11 . (3) Joh 3,2 . (4) Joh 3,22 . (5) Joh 4,45 . (6) Joh 4,46 . (7) Joh 6,23 . (8) Joh 9,7 . (9) Joh 11,32 . (10) Joh 12,1 . (11) Joh 12,28 . (12) Joh 13,1 . (13) Joh 16,21 . (14) Joh 19,38 . (15) Joh 19,39 . (16) Joh 20,4 . (17) Joh 20,19 . (18) Joh .

(1) Mc 1,9 : èlthen Ièsous apo Nazaret tès Galilaias (Jezus kwam van Nazaret van Galilea) + een tweede nevenschikkende zin - Mc 1,9-11 -
(2) Mc 1,14 : èlthen ho Ièsous eis tèn Galilaian kèrussôn (Jezus ging naar Galilea verkondigen) - Mc 1,14-15 -
(3) Mc 1,39 kai èlthen kèrussôn eis tas sunagôgas autôn eis holèn tèn Galilaian kai daimonia ekballôn (en hij ging in hun synagogen in heel Galilea verkondigen en duivels uitdrijven) - Mc 1,39 -
(4) Mc 4,4 kai èlthen ta peteina kai katefagen auto (en de vogels kwamen het opeten) - Mc 4,3-9 - + een tweede nevenschikkende zin
(5) Mc 5,33 hè de gunè ... èlthen... (de vrouw echter kwam... ) + twee nevenschikkende zinnen. - Mc 5,21-43 -
(6) Mc 7,31 : èlthen dia Sidônos eis tèn thalassan tès Galilaias ana meson tôn horiôn Dekapoleôs (en hij ging via Sidon naar de zee van Galilea overmidden de bergen van Dekapolis - Mc 7,31-37 -
(7) Mc 8,10 : élthen eis ta merè Dalmanoutha (hij ging naar de delen van Dalmanoutha) - Mc 10,2-12 - (8) Mc 10,45 (9) Mc 10,50 : èlthen pros ton Ièsoun (hij ging tot bij Jezus) - Mc 10,46-52 - (10) Mc 11,13 (11) Mc 14,3 (12) Mc 14,41

elthontes (gegaan) komt in 36 verzen in de bijbel voor; in 15 verzen in het OT, in 21 verzen in het NT In 11 verzen bij Matteüs, in 3 verzen bij Marcus, ...

- ind. aor. 3de pers. mv. ηλθον = èlthon (zij gingen) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in de LXX : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . ηλθον = èlthon (ik kwam of zij kwamen) : Mc (9) : (1) Mc 1,29 . (2) Mc 5,1 . (3) Mc 6,53 . (4) Mc 9,33 . (5) Mc 14,16 . ('6') Mc 2,17 ; ('7') Mc 3,8 . ('8') Mc 5,14 . ('9') Mc 6,29 . In 1 vers staat de 1ste persoon (Mc 2,17) , in de andere verzen staat de 3de persoon meervoud . In Mc 4,35 staat de cohortativus in de aoristvorm en in de 1ste pers. mv. . Dit zou de aorist en de 3de pers. mv. in Mc 5,1 kunnen verklaren .

-- kai èlthon (en zij gingen) . NT (12) . Mt (3) . Mc (2) . Lc (4) . Joh (3) .
--- kai èlthon eis (en zij gingen naar) . NT (4) . Mt (1) . Mc (2) . Joh (1) .
-- èlthon eis (zij gingen naar) . NT (19) . Mt (2) . Mc (5) . Joh (3) . Hnd (7) . Br (2) .

Erchomai (gaan, komen), zie Mc 2,1 en Mc 11,1
- Erchontai (zij gaan). Indicatief tegenwoordige tijd derde persoon meervoud van het werkwoord erchomai ( gaan , komen ) . In 65 verzen in de bijbel; in 47 verzen in het OT, in 18 verzen in het NT In 2 verzen bij Matteüs, in 12 verzen bij Marcus, in 1 vers bij Lucas, in 1 vers bij Johannes enz. In 12 verzen bij Marcus : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 5,15 . (4) Mc 5,35 . (5) Mc 5,38 . (6) Mc 8,22 . (7) Mc 10,46 . (8) Mc 11,15 . (9) Mc 11,27 . (10) Mc 12,18 . (11) Mc 14,32 . (12) . Mc 16,2 . In 6 verzen : erchontai (zij gaan) + eis (naar) voorzetsel van plaats + plaatsbepaling (4X een stad , 2X een bepaalde plaats). In al deze verzen is Jezus en zijn leerlingen onderwerp . (1) Mc 5,38 . (2) Mc 8,22 . (3) Mc 10,46 . (4) Mc 11,15 . (5) Mc 11,27 . (6) Mc 14,32 . In de volgende 6 gevallen volgt op het werkwoord een voorzetsel + persoon . In 4 gevallen gaan mensen naar Jezus toe (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 5,15 . (4) Mc 12,18 ; in 3 van de 4 gevallen volgt pros auton (naar hem). In 1 geval wordt het voorzetsel apo (vanwege) + genitief gebruikt, gevolgd door een persoon Mc 5,35 . In 1 vers : erchontai (zij gaan) + epi (naar, bij) voorzetsel van plaats + plaatsbepaling: Mc 16,2 . Slechts in 1 vers wordt erchontai (zij komen) gebruikt in verband met een zieke.


Jezus en zijn leerlingen 1. Jezus en 3 leerlingen 2. Jezus en de leerlingen 3. Jezus en de leerlingen Jezus en de leerlingen 4. Jezus en de leerlingen 5. Jezus en de leerlingen 6. Jezus en zijn leerlingen 12. de vrouwen
Mc 1,21 Mc 5,38 Mc 8,22 Mc 10,46 Mc 11,1 Mc 11,15 Mc 11,27   Mc 14,32   Mc 16,2
kai (en) kai (en) Kai (en) Kai (en) Kai hote (en wanneer) Kai (en) Kai (en) Kai (en) kai (en)....
eisporeuontai (zij begeven zich op weg) erchontai (zij gaan) erchontai (zij gaan) erchontai (zij gaan) eggizousin (zij naderen)

erchontai (zij gaan)

erchontai (zij gaan) erchontai (zij gaan) erchontai (zij gaan)
eis (naar)  eis (naar) eis (naar) eis (naar) eis (naar)

eis (naar)

palin (opnieuw) eis (naar) eis (naar)  
Kafarnaoum (Kafarnaüm) ton oikon tou archisunagôgou (het huis van de synagogeoverste) Bèthsaïdan (Betsaïda) Ierichô (Jericho) Hierosoluma (Jeruzalem) Hierosoluma (Jeruzalem) Hierosoluma (Jeruzalem) chôrion hou to onoma Gethsèmani (naar de plaats waarvan de naam Getsemani) epi (naar)  to mnèmeion (het graf)
24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 144. Genezing van een vrouw met bloedvloeiïng. Opwekking van Jaïrus'dochter : Mc 5,21-43 - Mt 9,18-26 - Lc 8,40-56 161. Genezing van een blinde te Betsaïda : Mc 8,22-26 276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc 10,46-52 - Mt 20,29-34 - Lc 18,35-43 279. Intocht in Jeruzalem : Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 283. Tempel-reiniging : Mc 11,15-17 - Mt 21,12-13 - Lc 19,45-46 287. Vraag naar Jezus'macht : Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12


 kai (en).... erchontai (zij gaan) epi (naar)  to mnèmeion (het graf)
7. de dragers van de lamme 8. de leerlingen van Johannes en de Farizeeën 9. de landlui 10. huisgenoten van synagogeoverste) 11. Sadduceeën 12. de vrouwen
Mc 2,3 Mc 2,18 Mc 5,15 Mc 5,35 Mc 12,18 Mc 16,2  
kai (en) kai (en) kai (en)   kai (en)
erchontai (zij gaan) ferontes (dragende) erchontai (zij gaan) kai legousin autôi (zij gaan hem zeggen) + vraag erchontai (zij gaan) erchontai (zij komen) erchontai (zij gaan) Saddukaioi (Sad0duceeën)
pros auton (naar hem) de vraag is tot Jezus gericht  pros ton Ièsoun (naar Jezus) apo tou archisunagôgou (van de synageopverste) pros auton (naar hem)
67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 - Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe : Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 - 143. Twee bezetenen van Gadara van de demonen bevrijd : Mt 8,28-34 - Mc 5,1-20 - 144. Genezing van een vrouw met bloedvloeiïng. Opwekking van Jaïrus'dochter : Mc 5,21-43 - Mt 9,18-26 - Lc 8,40-56 - 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis : Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 - 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -

- erchomai (gaan) + samenstellingen. Bij Marcus: zie Mc 2,1 en Mc 11,1 . Marcus: zie Mc 11,1 . eiselthôn (binnengegaan) bij Marcus, zie Mc 2,1 . (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 3,27 . (4) Mc 5,39 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 11,15 . - Erchontai (zij gaan), zie Mc 11,1 . In 12 verzen bij Marcus : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 5,15 . (4) Mc 5,35 . (5) Mc 5,38 . (6) Mc 8,22 . (7) Mc 10,46 . (8) Mc 11,15 . (9) Mc 11,27 . (10) Mc 12,18 . (11) Mc 14,32 . (12) Mc 16,2 . Erchetai (hij gaat / komt) In 16 verzen bij Marcus, zie Mc 11,1 . In 7 verzen is Jezus onderwerp : (1) Mc 3,20 . (2) Mc 6,1 . (3) Mc 6,48 . (4) Mc 10,1 . (5) Mc 14,17 . (6) Mc 14,37 . (7) Mc 14,41 . In Mc 1,40 gaat een zieke naar Jezus. In Mc 5,22 gaat een synagoge-overste om genezing vragen voor zijn dienaar. Slechts in 2 verzen wordt erchetai (hij gaat / komt) + voorzetsel pros (naar) gebruikt : (1) Mc 1,40 . (2) Mc 6,48 . De andere teksten : (10) Mc 1,7 (in een citaat) . (11) Mc 3,31 (de moeder van Jezus) . (12) Mc 4,15 (de satan) . (13) Mc 4,15 (de standaard) . (14) Mc 13,35 (de huisheer) . (15) Mc 14,66 (één van de dienstmeisjes) . (16) Mc 15,36 (een omstaander zegt). - erchomai (gaan, komen), zie Mc 2,1 . - exelthontes (uitgegaan), zie Mc 2,1 . In 5 verzen bij Marcus : (1) Mc 1,29 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 6,12 . (4) Mc 9,30 . (5) Mc 16,20 .
- erchomai (gaan, komen) , zie Mt 3,14 en . Bij Matteüs, zie Mt 3,14 : Mt 3,13-17 - - erchomai (komen, gaan) , zie Lc 1,35 .

- act. part. aor. nom. vr. enk. ελθουσα = elthousa van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in de LXX : erchomai (gaan, komen) . Bijbel (9) : (1) Ex 2,8 . (2) Ez 33,6 . (3) Jdt 11,18 . (4) Jdt 12,13 . (5) Mt 15,25 . (6) Mc 5,26 . (7) Mc 5,27 . (8) Mc 7,25 . (9) Mc 12,42 . Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan, komen) in de LXX (1054) , in het NT (631) .


- ερημος = erèmos (woestijn, eenzame plaats)

- erèmos (woestijn, eenzame plaats) . ερημος = erèmos (woestijn, eenzame plaats) . Taalgebruik in het NT : erèmos (woestijn) . Taalgebruik in de LXX : erèmos (woestijn) . heremiet < herèmitos : kluizenaar . désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen , aaneenschakelen . Fr. désert . Een vorm van erèmos (woestijn, eenzame plaats) in de LXX (386) , in het NT (47) . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is verlaten .
- eis tèn erŔmon : naar de woestijn) . In Gn 13,1 wordt hannègebah (ngb, denk aan Negebwoestijn) vertaald in eis tèn erèmon (naar de woestijn). Dezelfde Hebreeuwse vorm vinden we ook in Gn 12,9 .
- en tè erèmô(i) = in de woestijn . In de vierentwintig verzen , hierboven gegeven . In Lc 4,1 bestaat de variante eis tèn erèmon (tot in de woestijn) en in Lc 9,12 staat en erèmô(i) zonder lidwoord .
- erèmois . Datief meervoud . In vijf verzen in de bijbel . In twee verzen in het OT . In drie verzen in het NT

  erèmos (woestijn)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. enk. erèmos   32  28  2     1        
2 gen. enk. erèmou  54  52               
3 dat. enk. erèmô(i)  169  145  24  3 4 3   11  15   
4 acc. enk. erèmon  107  94  13  4   1      
5 nom. mv. erèmoi                          
6 gen. mv. erèmôn                          
7 dat. mv.  erèmois              
8 acc. mv. erèmous  10                 
  totaal 387  340  47  10  27  32   

 

  erèmos (woestijn)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. enk. erèmos   32  28  2 : (1) Mt 14,15 . (2) Mt 23,38 . 1 : Mc 6,35 .     1 : Hnd 8,26 .     3 : (1) Mt 14,15 // Mc 6,35 .    
2 gen. enk. erèmou  54  52        1 : Joh 11,54 .   1 : Gal 4,27      
3 dat. enk. erèmô(i)  169  145  24  3 : (1) Mt 3,1 . (2) Mt 3,3 . (3) Mt 24,26 . 3 : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,13 . 5 : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 4,1 . (4) Lc 9,12 . (5) Lc 15,4 . 4 : (1) Joh 1,23 . (2) Joh 3,14 . (3) Joh 6,31 . (4) Joh 6,49 . 6 : (1) Hnd 7,30 . (2) Hnd 7,36 . (3) Hnd 7,38 . (4) Hnd 7,42 . (5) Hnd 7,44 . (6) Hnd 13,18 . 3 : (1) 1 Kor 10,5 . (2) Heb 3,8 . (3) Heb 3,17 .   11: (1) Mt 3,1 // Mc 1,4 // Lc 3,2 . (2) Mt 3,3 // Mc 1,3 // Lc 3,4 . (3) Mc 1,13 // Lc 4,1 15 :  
4 acc. enk. erèmon  107  94  13  3 : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 11,7 . (3) Mt 14,13 . 4 : (1) Mc 1,12 . (2) Mc 1,35 . (3) Mc 6,31 . (4) Mc 6,32 . 2 : (1) Lc 4,42 . (2) Lc 7,24 .   1 : Hnd 21,38 .   3 : (1) Apk 12,6 . (2) Apk 12,14 . (3) Apk 17,3 . 9 : (1) Mt 4,1 // Mc 1,12 // Lc 4,1 . (2) Mt 11,7 // Lc 7,24 . (3) Mt 14,13 // Mc 6,32 .    
5 nom. mv. erèmoi                          
6 gen. mv. erèmôn                          
7 dat. mv.  erèmois   1 : Mc 1,45 . 2 : (1) Lc 1,80 . (2) Lc 5,16 .         3 : (1) Mc 1,45 // Lc 5,16 .    
8 acc. mv. erèmous  10      1 : Lc 8,29 .            
  totaal 387  340  47  10  27  32   

- erèmos . Bijvoeglijk naamwoord nominatief mannelijk enkelvoud . In tweeëndertig verzen in de bijbel . In achtentwintig verzen in het OT . In vier verzen in het NT : (1) Mt 14,15 // Mc 6,35 . (2) Mt 23,38 . (3) Mc 6,35 // Mt 14,15 . (4) Hnd 8,26 . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is verlaten .
- erèmon (woestijn) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . Het komt in 107 verzen in de bijbel voor . In dertien verzen in het NT : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 11,7 . (3) Mt 14,13 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,35 . (6) Mc 6,31 . (7) Mc 6,32 . (8) Lc 4,42 . (9) Lc 7,24 . (10) Hnd 21,38 . (11) Apk 12,6 . (12) Apk 12,14 . (13) Apk 17,3 .
-- eis tèn erŔmon : naar de woestijn) . In Gn 13,1 wordt hannègebah (ngb, denk aan Negebwoestijn) vertaald in eis tèn erèmon (naar de woestijn). Dezelfde Hebreeuwse vorm vinden we ook in Gn 12,9 .
- erèmôi (in de woestijn) . In 169 verzen in de bijbel . ; in 145 verzen in het OT, in 24 verzen in het NT In 3 verzen bij Matteüs. In drie verzen bij Marcus: (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,13 . In 5 verzen bij Lucas: (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 4,1 . (4) Lc 9,12 . (5) Lc 15,4 .

- εν τῃ ερημῳ = en tè erèmô(i) ( in de woestijn) . In de vierentwintig verzen in het NT . In Lc 4,1 bestaat de variante eis tèn erèmon (tot in de woestijn) en in Lc 9,12 staat en erèmô(i) zonder lidwoord . Hebr. bammidëbar (in de woestijn) in 138 verzen . - bammidëbâr (in de woestijn) . In 138 verzen in de bijbel . LXX-vertaling is dikwijls en tèi erèmôi (in de woestijn) . In negen verzen in Dt (Deuteronomium) : (1) Dt 1,1 . (2) Dt 4,43 . (3) Dt 8,2 . (4) Dt 8,15 . (5) Dt 8,16 . (6) Dt 9,7 . (7) Dt 9,28 . (8) Dt 11,5 . (9) Dt 29,4 .

Gn 24,7 Gn 24,7 . LXX
hü' (hij zelf) autos (hij zelf)
jisjlach (zal zenden) apostelei (zal zenden)
mal'akhö (zijn engel) ton aggelon autou (zijn engel)
lep(f)än(j)ècha (voor uw aangezicht) emprosthen sou (voor u)
Het huwelijk van Isaak : Gn 24,1-67 .  

Het citaat in Mc 1,2 komt uit Ex 23,20 . Het gaat er om een bode (een engel) die Mozes voorgaat op zijn weg naar het beloofde land . In deze contekst wordt Johannes de Doper gezien als de bode , de engel , van Jezus , de nieuwe Mozes .

In Maleachi krijgt de bode die gestuurd wordt een concrete invulling nl. de profeet Elia . Deze profeet moest eerst terugkomen vooraleer de Messias zou komen . Johannes de Doper wordt gezien als de teruggekeerde Elia . En het impliceert weer dat Jezus de Messias is . In één adem hebben we Mozes en Elia . Het zijn de twee figuren die we zien verschijnen bij de transfiguratie van Jezus (Mc 9,2-10 // Mt 17, 1-9 // Lc 9,28-36) en het zijn wellicht ook de twee mannen die in Lc 24,1-12 bij het graf aan de vrouwen verschijnen . Mozes personifieert de wet , Elia de profeten . Jezus wordt gezien als de vervulling van de wet en de profeten . Johannes de Doper wordt dus volledig getypeerd in het licht van Jezus en het citaat zegt misschien meer over Jezus dan over Johannes .

Marcus vat aan met een citeerformule (Mc 1,2) . In Mc 1,15 zegt hij dat de gunstige tijd vervuld is . Misschien mogen we van een concentrische cirkel spreken . Matteüs beklemtoont het nog sterker door op de parallelplaats van Mc 1,15 de citeerformule "opdat het gezegde vanwege de profeet Jesaja vervuld zou worden", gevolgd door een bijbelcitaat . Mt 3,1-6 en Mt 4,13-17 vertonen een chiastische (kruisvormige) structuur. Binnen de korte tekst Mc 1,2-8 treffen we ook een concentrische structuur aan.


- erèmois . Datief meervoud . In vijf verzen in de bijbel . In twee verzen in het OT . In drie verzen in het NT .

1. 2. 3. 4. 1. 1. 2. 3.
Mc 1,12 Mc 1,35 Mc 6,31 Mc 6,32 Mc 6,35 Mc 1,3 Mc 1,4 Mc 1,13
kai euthus (en onmiddellijk kai (en) deute (welaan) kai (en)     egeneto (trad op) kai (en)
to pneuma (de geest)   humeis autoi (jullie zelf)     fônè boôntos (een stem van een roepende) Iôannès ho baptizôn (Johannes de Doper)  
auton ekballei (werpt hem uit) apèlthen (hij ging weg) kat'idian (bij jezelf) apèlthen (hij ging weg) en tôi ploiôi (in de boot - per boot)       èn ( hij was)
eis tèn erèmon (naar de woestijn) eis erèmon topon (naar een eenzame plaats) eis erèmon topon (naar een eenzame plaats) eis erèmon topon (naar een eenzame plaats) erèmos estin ho topos (eenzaam is de plaats) en tèi erèmôi (in de woestijn) en tèi erèmôi (in de woestijn) en tèi erèmôi (in de woestijn)
20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - 60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm : Mc 1,35-38 - Lc 4,42-43 -

 150 Terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop - Mc 6,30-34 - Mt 14,13-14 -Lc 9,10-11 -

 150. Terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop - Mc 6,30-34 - Mt 14,13-14 -Lc 9,10-11 -  151. Eerste broodvermenigvuldiging - Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a - 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -

- ergon (werk) . εργον = ergon (werk) . Taalgebruik in het NT : ergon (werk) . Taalgebruik in de LXX : ergon (werk) .
- dat. onz. mv. εργοις = ergois van het zelfst. naamw. εργον = ergon (werk) . Taalgebruik in het NT : ergon (werk) . Taalgebruik in de LXX : ergon (werk) . Bijbel (70) . LXX (57) . NT (13) .


- ερωταω = erôtaô (vragen)

- erôtaô (vragen) . ερωταω = erôtaô (vragen) . Taalgebruik in het NT : erôtaô . Taalgebruik in de LXX : erôtaô .

  erôtaô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. imperf. 3de pers. enk. èrôta          
  act. ind. imperf. 3de pers. mv. èrôtôn              
                               

- act. ind. imperf. 3de pers. enk. ηρωτα = èrôta (hij / zij vroeg) van het werkw. ερωταω = erôtaô (vragen) . Taalgebruik in het NT : erôtaô . Taalgebruik in de LXX : erôtaô . Bijbel (9) : (1) Gn 40,7 . (2) 1 S 22,10 . (3) Jr 37,17 . (4) Mt 16,13 . (5) Mc 7,26 . (6) Mc 8,5 . (7) Lc 7,36 . (8) Joh 4,47 . (9) Hnd 3,3 . Een vorm van ερωταω = erôtaô (vragen) in de LXX (70) , in het NT (62) , in Mc (3) .

- act. ind. aor. 3de pers. mann. enk. = èrôtèsen (hij vroeg) van het werkw. ερωταω = erôtaô (vragen) . Taalgebruik in het NT : erôtaô . Taalgebruik in de LXX : erôtaô . Bijbel (14) : (1) Gn 32,30 . (2) Gn 37,15 . (3) Gn 43,27 . (4) 1 S 19,22 . (5) 2 S 5,19 . (6) 1 Kr 14,10 . (7) 1 Kr 14,14 . (8) Tob 7,3 . (9) Lc 5,3 . (10) Lc 8,37 . (11) Lc 23,3 . (12) Joh 18,19 . (13) Joh 19,38 . (14) Hnd 23,18 . Een vorm van ερωταω = erôtaô (vragen) in de LXX (70) , in het NT (62) , in Mc (3) .


- èsaias (Jesaja) . ησαιας = èsaias (Jesaja) . Taalgebruik in het NT : èsaias (Jesaja) . Taalgebruik in de LXX : èsaias (Jesaja) . Taalgebruik in Lc : èsaias (Jesaja) .

- dat. mann. enk. ησαιᾳ = èsaia(j) (Jesaja) van het zelfst. naamw. ησαιας = èsaias (Jesaja) . Taalgebruik in het NT : èsaias (Jesaja) . Taalgebruik in de LXX : èsaias (Jesaja) . Bijbel = NT (1) : Mc 1,2 .

  èsaias  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  gen. mann. enk. èsaiou   11           
                               
                               

 

- eschatos (laatste) .Taalgebruik in het NT : eschatos (laatste) . Taalgebruik in Mc : eschatos (laatste) .

  eschatos (laatste) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
1 nom. m. enk. eschatos 9 3 6   1       2 3 1 1
2 nom. + dat. vr. enk. eschathè(i)   20  10  10         
3 nom. onz. + acc. mann. en onz. enk. eschaton 17 10 7 3   3     1   6 6
4 gen. mann. + onz. enk. eschatou 35 30 5         2 3      
5 gen. vr. enk. eschatès                      
6 dat. m. + onz. enk. eschatôi 6 4 2 1         1   1 1
7 acc. vr. enk. eschatèn                    
8 nom. m. mv. eschatoi 21 16 5 3 1 1         5 5
9 nom. vr. mv. eschatai 1 1                    
10 gen. m. + vr. + onz. mv. eschatôn 34 31 3 1         1 1 1 1
11 dat. mann. + onz. mv. eschatois 3 3                    
12 dat. vr. mv. eschatais 6 3 3           1 1    
13 acc. mann. mv. eschatous                 
14 acc. vr. mv. eschatas                    
  Totaal   163  120  43  12  15  22 

- εσθιω = esthiô (eten)

- esthiô (eten) . εσθιω = esthiô (eten) . Taalgebruik in het NT : esthiô (eten) . Taalgebruik in de LXX : esthiô (eten) . Taalgebruik in Mc : esthiô (eten) . Gr. εσθιω = esthiô , fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , EΝ het werkw. φαγω = fagô (eten) .
- Lat. manducare . F. manger . comedere (eten) . Ned. eten . (vgl Gr. e -s-th-) . E. to eat . D. essen . Arabisch : ´akala (eten) . Taalgebruik in de Qoran : ´akala (eten) .
- Grieks . med. futurum 1ste pers. mv. φαγομεθα = fagometha (wij zullen eten) . Zie het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . Taalgebruik in de Bijbel : esthiô (eten) . Gr. εσθιω = esthiô , fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , EΝ het werkw. φαγω = fagô (eten) . Βιjbel (7) : (1) Gn 3,2 . (2) Lv 25,20 . (3) 1 K 17,12 . (4) 2 K 6,28 . (5) Js 4,1 . (6) Neh 5,2 . (7) Neh 5,3 .

- act. ind. praes. 3de pers. enk. εσθιει = esthiei (hij eet) van het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . Taalgebruik in het NT : esthiô (eten) . Taalgebruik in de LXX : esthiô (eten) . Taalgebruik in Mc : esthiô (eten) . Gr. εσθιω = esthiô , fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , EΝ het werkw. φαγω = fagô (eten) . Bijbel (10) : (1) Gn 40,17 . (2) Spr 23,7 . (3) Job 40,15 . (4) Mt 9,11 . (5) Mt 15,27 . (6) Mc 2,16 . (7) Rom 14,2 . (8) Rom 14,6 . (9) 1 Kor 9,7 . (10) 1 Kor 11,29 . In Lc 15,2 vinden we συνεσθιει = sunesthiei (hij eet samen met) (slechts 1X in de Bijbel) . Een vorm van esθιω = esthiô in de LXX (686) , in het NT (65) , in Mt (11) , in Mc (11) , in Lc (12) . Een vorm van φαγω = fagô in de LXX (zie εσθιω = esthiô) , in het NT (94) , in Mt (13) , in Mc (17) , in Lc (21) , in Joh (15) .
- Lat. manducare . F. manger . comedere (eten) . Ned. eten . (vgl Gr. e -s-th-) . E. to eat . D. essen . Arabisch : ´akala (eten) . Taalgebruik in de Qoran : ´akala (eten) .

- act. ind. praes. 2de pers. mv. = esthiete (jullie eten) van het werkw. Bijbel = NT (6) : (1) Lc 5,30 . (2) Lc 10,8 . (3) 1 Kor 10,25 . (4) 1 Kor 10,27 . (5) 1 Kor 10,28 . (6) 1 Kor 10,31 .

- εσθιοντων = esthiontôn (terwijl zij eten) van het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . Taalgebruik in de Bijbel : esthiô (eten) . Gr. εσθιω = esthiô , fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , EΝ het werkw. φαγω = fagô (eten) . Bijbel (6) : (1) Job 1,18 . (2) Da 1,15 . (3) Mt 26,21 . (4) Mt 26,26 . (5) Mc 14,18 . (6) Mc . Een vorm van esθιω = esthiô in de LXX (686) , in het NT (65) , in Mt (11) , in Mc (11) , in Lc (12) . Een vorm van φαγω = fagô in de LXX (zie εσθιω = esthiô) , in het NT (94) , in Mt (13) , in Mc (17) , in Lc (21) , in Joh (15) .

- act. conjunct. aor. 1ste pers. mv. φαγωμεν = fagômen (wij zouden eten) . Zie het werkw. φαγω = fagô (eten) en het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . Taalgebruik in de Bijbel : esthiô (eten) . Bijbel (7) : (1) Nu 11,13 . (2) 2 K 6,29 . (3) Js 22,13 . (4) Mt 6,31 . (5) Lc 22,8 . (6) 1 Kor 8,8 . (7) 1 Kor 15,32 . Een vorm van esθιω = esthiô in de LXX (686) , in het NT (65) , in Mt (11) , in Mc (11) , in Lc (12) . Een vorm van φαγω = fagô in de LXX (zie εσθιω = esthiô) , in het NT (94) , in Mt (13) , in Mc (17) , in Lc (21) , in Joh (15) . Mt 6 (2) : (1) Mt 6,25 . (2) Mt 6,31 .

- act. ind. aor. 1ste pers. enk. en 3de pers. mv. εφαγον = efagon (zij aten) . Zie het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . Taalgebruik in het NT : esthiô (eten) . Taalgebruik in de LXX : esthiô (eten) . Gr. εσθιω = esthiô , fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , EΝ het werkw. φαγω = fagô (eten) . Bijbel (57) . Pentateuch (15) . NT (13) : (1) Mt 12,4 . (2) Mt 14,20 . (3) Mt 15,37 . (4) Mc 6,42 . (5) Mc 8,8 . (6) Lc 9,17 . (7) Joh 6,23 . (8) Joh 6,31 . (9) Joh 6,49 . (10) Joh 6,58 . (11) Hnd 10,14 . (12) 1 Kor 10,3 . (13) Apk 10,10 . Een vorm van esθιω = esthiô in de LXX (686) , in het NT (65) , in Mt (11) , in Mc (11) , in Lc (12) . Een vorm van φαγω = fagô in de LXX (zie εσθιω = esthiô) , in het NT (94) , in Mt (13) , in Mc (17) , in Lc (21) , in Joh (15) .

- ind. fut. 3de pers. mv. = fagontai (zij zullen eten) . Zie het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . Taalgebruik in het NT : esthiô (eten) . Taalgebruik in de LXX : esthiô (eten) . Gr. εσθιω = esthiô , fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs EΝ het werkw. φαγω = fagô (eten) . Bijbel (45) . OT (44) . NT (1) . Pentateuch () : (1) Gn 43,16 . (2) Ex 12,8 . (3) Lv 8,31 . (4) Lv 22,11 . (5) Lv 24,9 . (6) Nu 9,11 . (7) Nu 11,21 . (8) Dt 14,29 . (9) Dt 18,1 . (10) Dt 26,12 . (11) Dt 31,20 . Vroege Profeten (2) : (1) 1 K 21,24 . (2) 2 K 4,43 .

- act. infinitief aor (2de) = fagein van het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . Taalgebruik in de Bijbel : esthiô (eten) . Gr. εσθιω = esthiô , fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , EΝ het werkw. φαγω = fagô (eten) . Lc (5) : (1) Lc 6,4 . (2) Lc 8,55 . (3) Lc 9,13 . (4) Lc 14,1 . (5) Lc 22,15 .

- act. conjunct. oar. 2de pers. mv. φαγητε = fagète (jullie zouden eten) . Zie het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . Taalgebruik in het NT : esthiô (eten) . Taalgebruik in de LXX : esthiô (eten) . Gr. εσθιω = esthiô , fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs EΝ het werkw. φαγω = fagô (eten) . Bijbel (11) : (1) Gn 2,17 . (2) Gn 3,1 . (3) Gn 3,5 . (4) Zach 7,6 . (5) Est 4,16 . (6) Ezr 9,12 . (7) Mt 6,25 . (8) Lc 12,22 . (9) Lc 12,29 . (10) Joh 6,53 . (11) Apk 19,18 . Een vorm van esθιω = esthiô in de LXX (686) , in het NT (65) , in Mt (11) , in Mc (11) , in Lc (12) . Een vorm van φαγω = fagô in de LXX (zie εσθιω = esthiô) , in het NT (94) , in Mt (13) , in Mc (17) , in Lc (21) , in Joh (15) .

  esthiô (eten)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. praes. 3de pers. enk. esthiei   10         
  act. ind praes. 3de pers. mv. esthiousin  12           
                               
  ind. fut. 3de pers. mv. fagontai   45  44                     
  act. ind. aor. 3de pers. enk. efagen  39  34             
  act. conjunct. aor. 1ste pers. mv. fagômen                            
  act. infinitief aor (2de) fagein 97 64 33 6 5 5 4 2 8 3 16 20 8  
                               
  totaal fagô     94 13 17 21 15 6 16 6 51 66 15 1

- ethnos (volk) . ethnos (volk) . Taalgebruik in het NT : ethnos (volk) . Hebr. gôj (volk) . Taalgebruik in Tenach : gôj (volk) .

ethnos (volk) bijbel  OT  NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
nom. + acc. enk. ethnos 128  113  15 
gen. enk. ethnous 45  38          2    
dat. enk. ethnei 49  43        1    
nom. + acc mv. ethnè 339 289 50 4 1 3   8 32
gen. mv. ethnôn 255 213 42 4 1 3   11 17
dat. mv. ethnesin 173 141 32 4 2 1   8 15
Totaal   989  837  152  14  10  38  66  14  29  34 

 

ethnos (volk) bijbel  OT  NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  syn. ev.
nom. + acc. enk. ethnos 128  113  15  1 : Mt 24,7 .
gen. enk. ethnous 45  38          2    
dat. enk. ethnei 49  43  1 : Mt 21,43 .       1    
nom. + acc mv. ethnè 339 289 50 4 : (1) Mt 6,32 . (2) Mt 12,21 . (3) Mt 25,32 . (4) Mt 28,19 . 1 3   8 15
gen. mv. ethnôn 255 213 42 4 : (1) Mt 4,15 . (2) Mt 10,5 . (3) Mt 20,25 . (4) Mt 24,9 . 1 3   11 17
dat. mv. ethnesin 173 141 32 4 : (1) Mt 10,18 . (2) Mt 12,18 . (3) Mt 20,19 . (4) Mt 24,14 . 2 1   8 15
Totaal   989  837  152  14  10  38  66  14  29  34 

Een vorm van ethnos (volk) (1) Mt 4,15 (gen. mv) . (2) Mt 6,32 (nom. mv.) . (3) Mt 10,5 (gen. mv.) . (4) Mt 10,18 (dat. mv.) . (5) Mt 12,18 (dat. mv.) . (6) Mt 12,21 (nom. mv.) . (7) Mt 20,19 (dat. mv.) . (8) Mt 20,25 (gen. mv) . (9) Mt 21,43 . (10) Mt 24,7 (nom. enk.) . (11) Mt 24,9 (gen. mv) . (12) Mt 24,14 (dat. mv.) . (13) Mt 25,32 (nom. mv.) . (14) Mt 28,19 (nom. mv.) .    

dat. mv. ethnesin (1) Hnd 4,27 . (2) Hnd 11,18 . (3) Hnd 14,27 . (4) Hnd 15,12 . (5) Hnd 21,19 . (6) Hnd 26,20 . (7) Hnd 26,23 . (8) Hnd 28,28 .


- ethos (gewoonte) . ethos (gewoonte) . Taalgebruik in het NT : ethos (gewoonte) . Taalgebruik in Lc : ethos (gewoonte) .

  ethos  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk. ethos                
                               
                               
                               

- ετος = etos (jaar)

- etos (jaar) . ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Taalgebruik in Lc : etos (jaar) . Bijbel (300) . OT (273) . NT (27) . Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) .
- gen. onz. mv. ετων = etôn (van jaren) van het zelfst. naamw. ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) .Bijbel (124) . OT (109) . Lv (6) : (1) Lv 25,8 . (2) Lv 25,15 . (3) Lv 25,16 . (4) Lv 25,51 . (5) Lv 25,52 . (6) Lv 27,5 . NT (15) : (1) Mc 5,42 . (2) Lc 2,37 . (3) Lc 2,42 . (4) Lc 3,23 . (5) Lc 8,42 . (6) Lc 8,43 . (7) Hnd 4,22 . (8) Hnd 7,30 . (9) Hnd 9,33 . (10) Hnd 24,10 . (11) Hnd 24,17 . (12) Rom 15,23 . (13) 2 Kor 12,2 . (14) Gal 2,1 . (15) 1 Tim 5,9 . Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) .

- dat. onz. enk. ετει = etei ('in het' jaar) van het zelfst. naamw. ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Taalgebruik in Lc : etos (jaar) . Bijbel (129) . OT (128) . NT (1) . Lv (7) : (1) Lv 19,24 . (2) Lv 19,25 . (3) Lv 25,4 . (4) Lv 25,13 . (5) Lv 25,20 . (6) Lv 25,21 . (7) Lv 25,54 .
- basjsjânâh hasjsjisjsjîth (in het zesde jaar) . Tenakh (2) : (1) Lv 25,21 . (2) Ez 8,1 .

- Grieks . nom. + acc. onz. mv. ετη = etè (jaren) van het zelfst. naamw. ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Bijbel (300) . OT (273) . NT (27) . Ex (8) : (1) Ex 6,16 . (2) Ex 6,18 . (3) Ex 6,20 . (4) Ex 12,40 . (5) Ex 12,41 . (6) Ex 16,35 . (7) Ex 21,2 . (8) Ex 23,10 . Lv (7) : (1) Lv 19,23 . (2) Lv 25,3 . (3) Lv 25,8 . (4) Lv 25,21 . (5) Lv 25,27 . (6) Lv 25,52 . (7) Lv 27,18 . Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) .
- Lat. annus . Fr. an of année . Ned. jaar . E. year . D. Jahr . Arabisch : sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) .
- Lat. dat. mann. enk. anno ('in het' jaar) van het zelfst. naamw. Bijbel (231) . OT (226) . NT (5) . Lv (11) : (1) Lv 16,34 . (2) Lv 19,24 . (3) Lv 19,25 . (4) Lv 25,4 . (5) Lv 25,13 . (6) Lv 25,20 . (7) Lv 25,21 . (8) Lv 25,22 . (9) Lv 25,54 . (10) Lv 27,5 . (11) Lv 27,17 .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  nom. + acc. onz. mv. etè                            
                               

- euaggelizomai (goede boodschap brengen) . ευαγγελιζομαι = euaggelizomai (goede boodschap brengen) . Taalgebruik in het NT : euaggelizomai (goede boodschap brengen) . Taalgebruik in de LXX : euaggelizomai (goede boodschap brengen) . Taalgebruik in Lc : euaggelizomai (goede boodschap brengen) .

euaggelizomai (goede boodschap brengen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev. P. . A. b.
ind. pr. 3de p. enk. euaggelizetai 3   3     1     2   1  
ind. pr. 1ste p. enk. euaggelizomai                    
ind. pr. 3de p. mv. euaggelizontai 2   2 1   1         2    
ind. pr. 1ste p. mv euaggelizometha                        
part. pr. nom. mann. enk. euaggelizomenos 7 4 3     1   1 1   1  
part. pr. nom. mann. mv. euaggelizomenoi 8 1 7     1   6     1    
inf. pr. euaggelizesthai  2   2           2        
ind imp. 3de p. enk. euèggelizeto 3   3     1   2     1    
ind. aor. 3de p. enk. euèggelisato 2   2         1 1        
ind. aor. 1ste p. mv. euhggelisamèn                    
inf. aor. euaggelisasthai             
Andere vormen                               
Totaal (bij benadering)   42 8 34 1   8   12 13   9 13   

Een vorm van euaggelizomai (goede boodschap brengen) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 2,10 . (3) Lc 3,18 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,43 . (6) Lc 7,22 . (7) Lc 8,1 . (8) Lc 9,6 . (9) Lc 16,6 . (10) Lc 20,1 .

euaggelizomenos (de goede boodschap brengend) . In drie verzen in het NT . Lc (1) : Lc 8,1 . Hnd (1) Hnd 10,36 . 1 Kor (1) : 1 Kor 9,18 .


- ευαγγελιον = euaggelion (goede boodschap)

- euaggelion (evangelie) . ευαγγελιον = euaggelion (goede boodschap) . Taalgebruik in het NT : euaggelion (evangelie) . Taalgebruik in de Septuaginta : euaggelion (evangelie) . Taalgebruik in Mc : euaggelion (evangelie) . Taalgebruik in Gal : euaggelion (evangelie) . Hebr. bësorâh (boodschap) . Taalgebruik in Tenach : bësorâh (boodschap) . Lat. evangelium . Fr. évangile . D. Evangelium . E. gospel . Een vorm van euaggelion (goede boodschap) in de LXX (1) , in het NT (76) .

euaggelion (evangelie) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.  
nom. + acc. onz. enk. euaggelion 41   41 4 : (1) Mt 4,23 . (2) Mt 9,35 . (3) Mt 24,14 . (4) Mt 26,13 . 4 : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 13,10 . (3) Mc 14,9 . (4) Mc 16,15 .     1 : Hnd 20,24 . 31 1 : Apk 14,6 . 8 : (1) Mt 4,23// (Mc 1,14) // Mt 9,35 .(2) Mt 24,14 // Mt 26,13 // Mc 14,9 . (3) Mt 26,13 // Mc 14,9 . 8
gen. onz. enk. euaggeliou   22   22   3 : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 8,35 . (3) Mc 10,29 .     1 : Hnd 15,7 . 18   3 3
dat. onz. enk. euaggeliôi 13 1 12   1 : Mc 1,15 .       11   1 1
Totaal  76 1 75 4 8     2 60 1 12 12

 

euaggelion (evangelie) bijbel OT NT syn. ev.   Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Film 1 Pe P.  Apk A.b 
nom. + acc. onz. enk. euaggelion 41   41 8 8 31         31  1  
gen. onz. enk. euaggeliou   22   22 3 3 18         18     
dat. onz. enk. euaggeliôi 13 1 12 1 1 11           10   
Totaal  76 1 75 12 12 60 59 1  

euaggelion (evangelie) bijbel OT NT

ev.

Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Film 1 Pe P.  A.b 
nom. + acc. onz. enk. euaggelion 41   41 8 31 7 : (1) Rom 1,1 . (2) Rom 1,16 . (3) Rom 2,16 . (4) Rom 11,28 . (5) Rom 15,16 . (6) Rom 15,19 . (7) Rom 16,25 . 4 : (1) 1 Kor 9,14 . (2) 1 Kor 9,18 . (3) 1 Kor 9,23 . (4) 1 Kor 15,1 . 5 : (1) 2 Kor 2,12 . (2) 2 Kor 4,3 . (3) 2 Kor 9,13 . (4) 2 Kor 11,4 . (5) 2 Kor 11,7 . 5 : (1) Gal 1,6 . (2) Gal 1,7 . (3) Gal 1,11 . (4) Gal 2,2 . (5) Gal 2,7 . 1 : Ef 1,13 . 2 : (1) Fil 1,5 . (2) Fil 2,22 .   5 : (1) 1 Tes 1,5 . (2) 1 Tes 2,2 . (3) 1 Tes 2,4 . (4) 1 Tes 2,8 . (5) 1 Tes 2,9 .   1 : 1 Tim 1,11 . 1 : 2 Tim 2,8 .     31   
gen. onz. enk. euaggeliou   22   22 3 18   2 : (1) 1 Kor 4,15 . (2) 1 Kor 9,14 . 1 : 2 Kor 4,4 . 2 : (1) Gal 2,5 . (2) Gal 2,14 . 3 : (1) Ef 3,6 . (2) Ef 6,15 . (3) Ef 6,19 . 5 : (1) Fil 1,7 . (2) Fil 1,12 . (3) Fil 1,16 . (4) Fil 1,27 . (5) Fil 4,15 . 2 : (1) Kol 1,5 . (2) Kol 1,23 .   1 : 2 Tes 2,14 .   : 2 Tim 1,10 . 1 : Film 1,13 .   18   
dat. onz. enk. euaggeliôi 13 1 12 1 11 2 : (1) Rom 1,9 . (2) Rom 10,16 . 2 : (1) 1 Kor 9,12 . (2) 1 Kor 9,18 . 2 : (1) 2 Kor 8,18 . (2) 2 Kor 10,14 .     1 : Fil 4,3 .   1 : 1 Tes 3,2 . 1 : 2 Tes 1,8 .   1 : 2 Tim 1,8 .   1 : 1 Pe 4,17 . 10 
Totaal  76 1 75 12 60 59  

to euaggelion tou theou (de goede boodschap van God) . In vier verzen in het NT : (1) Rom 15,16 . (2) 1 Tes 2,2 . (3) 1 Tes 2,8 . (4) 1 Tes 2,9 .

en tôi euaggeliôi (in het evangelie) . In zeven verzen in het NT : (1) Mc 1,15 . (2) Rom 1,9 . (3) 1 Kor 9,18 . (4) 2 Kor 8,18 . (5) 2 Kor 10,14 . (6) Fil 4,3 . (7) 1 Tes 3,2 . In twee verzen : en tôi euaggeliôi tou Christou (in het evangelie van Christus) : (1) 2 Kor 10,14 . (2) 1 Tes 3,2 .

Een vorm van euaggelion in 1 Tes in zes verzen : (1) 1 Tes 1,5 . (2) 1 Tes 2,2 . (3) 1 Tes 2,4 . (4) 1 Tes 2,8 . (5) 1 Tes 2,9 . (6) 1 Tes 3,2 (dat. onz. enk. euaggeliôi) .


- eucharisteô (danken) . ευχαριστεω = eucharisteô (danken) . Taalgebruik in de Bijbel : eucharisteô (danken) . ch - r . L. gratia . Fr. grace . Vertaling : gratie , genade , char-me , bevalligheid . ευχαριστεω = eucharisteô : welgevallen , goede bevalligheid brengen . Het is verwonderlijk hoe relatief beperkt het woordgebruik rond dank(en) is . Dikwijls wordt "danken" gebruikt bij het begin van een brief in een 'dankschema' . Verwante woorden : charis (genade, gratie) .
- ευχαριστησας = eucharistèsas (gedankt) van het werkw. ευχαριστεω = eucharisteô (danken) . Taalgebruik in de Bijbel : eucharisteô (danken) . ch - r . L. gratia . Fr. grace . Vertaling : gratie , genade , char-me , bevalligheid . ευχαριστεω = eucharisteô : welgevallen , goede bevalligheid brengen . Bijbel (9) : (1) Mt 15,36 . (2) Mt 26,27 . (3) Mc 8,6 . (4) Mc 14,23 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,19 . (7) Joh 6,11 . (8) Hnd 28,15 . (9) 1 Kor 11,24 . Een vorm van ευχαριστεω = eucharisteô in de LXX (6) , in het NT (38) , in Lc (4) : (1) Lc 17,16 . (2) Lc 18,11 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,19 .

eucharisteô (danken) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. pr. 1ste p. enk. eucharistô  10    10         
ind. pr. 1ste p. mv. eucharistoumen               
part. pr. nom. mann. enk. eucharistôn             
part. pr. nom. mann. mv. eucharistountes                    
ind. pr. + imp. pr. 2de p. mv. eucharisteite 1   1           1      
inf. pr. eucharistein 2   2           2      
part. aor. nom. m. + vr. enk. eucharistèsas 9   9 2 2 2 1 1 1   6 7
part. aor. nom. m. + vr. mv. eucharistèsantes 1 1                    
Andere vormen                         
  33 1 31 2 2 4 2 1 19 1