NIEUWE TESTAMENT G : TAALGEBRUIK

Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

- Galilaia (Galilea) -- gar (want) -- gè (aarde) -- ginomai (worden) -- grègoreô (waken) -- gunè (vrouw) -


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
 
1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm . WEBLOG : BIJBELLEERHUIS
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts (Vlaams Blok) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen -

Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , bijbelTaalgebruiken - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

-
OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


OPGELET : De getallen verwijzen steeds naar het aantal verzen waarin een 'woord' voorkomt . Eenzelfde 'woord' kan echter meerdere malen in hetzelfde vers voorkomen .

  NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
boeknr.  27 40 41 42 43 44 45 - 65 66    
hoofdst.  260 28 16 24 21 28 121 22 68  89 
verzen  7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 

G

- gala , -aktos (melk) . γαλα , -ακτος = gala , -aktos (melk) . Taalgebruik in de Bijbel : gala , -aktos (melk) . Een vorm van γαλα , -ακτος = gala , -aktos (melk) in de LXX (49) , in het NT (5) .


- galènè (windstilte) . γαληνη = galènè (windstilte) . Taalgebruik in het NT : galènè (windstilte) . Taalgebruik in de LXX : galènè (windstilte) . Bijbel (3) : (1) Mt 8,26 . (2) Mc 4,39 . (3) Lc 8,24 .


 

- Galilaia (Galilea) . γαλιλαια= galilaia (Galilea) . Taalgebruik in het NT : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in de LXX : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Mc : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Lc : Galilaia (Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) .

Galilaia (Galilea)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat. vr. enk. Galilaia(i)   20  13           
gen. vr. enk. Galilaias , telkens met het bep. lidw. tès 40  36  10      25  33     
acc. vr. enk. Galilaian   25  8 17        11  17     
totaal  85  25  60  16  12  13  16      41  57     
apo tès Galilaias (vanaf Galilea)      10               
eis tèn Galilaian (naar Galilea)       16               

Van de 12 teksten van Mc zijn er tien parallel met Matteüs . Niet parallel : (1) Mc 1,28 . (2) Mc 6,21 . Van de twaalf teksten van Mc zijn er slechts twee parallel met Lc : (1) Mt 4,12 // Mc 1,14 // Lc 4,14 . (2) Mt 27,55 // Mc 15,41 // Lc 23,49 .

- Galilaias (van Galilea) . In drie verzen in Hnd : (1) Hnd 9,31 (kath' holès ... Galilaias = over geheel ... Galilea) . (2) Hnd 10,37 (apo tès Galilaias = vanaf Galilea) . (3) Hnd 13,31 (apo tès Galilaias = vanaf Galilea) .
- apo tès Galilaias (vanaf Galilea) . NT (10) . Mt (4) : (1) Mt 3,13 . (2) Mt 4,25 . (3) Mt 19,1 . (4) Mt 27,55 . Mc (1) Mc 3,7 . Lc (3) : (1) Lc 2,4 . (2) Lc 23,5 . (3) Lc 23,49 . Hnd (2) : (2) Hnd 10,37 . (3) Hnd 13,31 . apo Nazaret tès Galilaias (van Nazeret van Galilea) : Mt 21,11 .
- eis tèn Galilaian (naar Galilea) . In zestien verzen in het NT . Mt (5) : (1) Mt 4,12 . (2) Mt 26,32 . (3) Mt 28,7 . (4) Mt 28,10 . (5) Mt 28,16 . Mc (3) : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 14,28 . (3) Mc 16,7 . Lc (2) . Joh (6) . eis holèn tèn Galilaian (naar heel Galilea): Mc 1,39 . eis ta merè tès Galilaias (naar de gebieden van Galilea) : Mt 2,22 .

Galilaia (Galilea)  syn.    Mt Mc Lc Joh syn.  
nom. + dat. vr. enk. Galilaia(i)     3 : (1) Mt 4,15 . (2) Mt 4,23 . (3) Mt 17,22 . 1 : Mc 15,41 . 1 : Lc 24,6 . 2 : (1) Joh 7,1 . (2) Joh 7,9 . (1) Mt 4,23 // Mc 1,39
gen. vr. enk. Galilaias , telkens met het bep. lidw. tès 25    8 : (1) Mt 2,22 . (2) Mt 3,13 . (3) Mt 4,18 . (4) Mt 4,25 . (5) Mt 15,29 . (6) Mt 19,1 . (7) Mt 21,11 . (8) Mt 27,55 . 7 : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,16 . (3) Mc 1,28 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 6,21 . (6) Mc 7,31 . (7) Mc 9,30 . 10 : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 3,1 . (4) Lc 4,31 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 8,26 . (7) Lc 17,11 . (8) Lc 23,5 . (9) Lc 23,49 . (10) Lc 23,55 . 8 : (1) Joh 2,1 . (2) Joh 2,11 . (3) Joh 4,46 . (4) Joh 6,1 . (5) Joh 7,41 . (6) Joh 7,52 . (7) Joh 12,21 . (8) Joh 21,2 . 5 : (1) Mt 3,13 //  Mc 1,9 . (2) Mt 4,18 // Mc 1,16 . (3) Mt 4,25 // Mc 3,7 . (4) Mt 15,29 // Mc 7,31 . (5) Mt 27,55 // Mc 15,41 // Lc 23,49 .
acc. vr. enk. Galilaian   11    5 : (1) Mt 4,12 . (2) Mt 26,32 . (3) Mt 28,7 . (4) Mt 28,10 . (5) Mt 28,16 . 4 : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 1,39 . (3) Mc 14,28 . (4) Mc 16,7 . 2 : (1) Lc 2,39 . (2) Lc 4,14 6 : (1) Joh 1,43 . (2) Joh 4,3 . (3) Joh 4,43 . (4) Joh 4,45 . (5) Joh 4,47 . (6) Joh 4,54 . 3 : (1) Mt 4,12 // Mc 1,14 // Lc 4,14 .  (2) Mt 26,32 // Mc 14,28 . (3) Mt 28,7 // Mc 16,7 .
totaal  41    16  12  13  16 9 (20)  

- εις την γαλιλαιαν = eis tèn galilaian (naar Galilea) . De accusatief vrouwelijk enkelvoud γαλιλαιαν = Galilaian komt 17X voor in het NT . 16X in de uitdrukking εις την γαλιλαιανeis = tèn Galilaian (naar Galilea) en 1X in de uitdrukking : εις την γαλιλαιαν = eis tèn holèn tèn Galilaian (naar heel Galilea) (Mc 1,39) . Mc (3) : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 14,28 . (3) Mc 16,7 .

- apo tès Galilaias (vanaf Galilea) . Mc (1) Mc 3,7 . Verder : Mc 1,9 (gen. : apo nazaret tès Galilaias = van Nazaret van Galilea) .
- dia tès galilaias (door Galilea) . Mc (1) Mc 9,30 .
- en tè(i) Galilaia(i) (in Galilea) . Mc (1) Mc 15,41 .
- eis tèn Galilaian (naar Galilea) . NT (16) . Mc (3) : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 14,28 . (3) Mc 16,7 . Verder : (1) Mc 1,28 (eis holèn tèn perichôron tès galilaias = naar de hele omgeving van Galilea) . (2) Mc 1,39 (eis holèn tèn galilaian = naar heel Galilea) . (3) Mc 7,31 (eis tèn thalassan tès Galilaias = naar het meer van Galilea) .
- para ... tès Galilaias (langs ... van Galilea) : (1) Mc 1,16 (para tèn thalassan tès Galilaias = langs het meer van Galilea) .


- galilaios (Galileeër) . galilaios (Galileeër) . Taalgebruik in het NT : galilaios (Galileeër) . Taalgebruik in Lc : galilaios (Galileeër) .

  galilaios  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  gen. mann. mv. galilaiôn                              
                               

 

- gameô (huwen) .gameô (huwen) . Taalgebruik in het NT : gameô (huwen) . Taalgebruik in Mc : gameô (huwen) .

  gameô (huwen)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. praes. 3de pers. mv. gamousin                
  act. ind. aor. 3de pers. enk. egamèsen                  
  act. conj.  aor. 3de pers. enk. gamèsè(i)                
                               
  totaal                            

- γαρ = gar (want)

- gar (want) . γαρ = gar (want) . Taalgebruik in het NT : gar (want) . Taalgebruik in de LXX : gar (want) . Taalgebruik in Lc : gar (want) . Hebr. kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Fr. car . Ned. want . D. denn . Hnd (73) . Hnd 4 (7) : (1) Hnd 4,3 . (2) Hnd 4,12 . (3) Hnd 4,16 . (4) Hnd 4,20 . (5) Hnd 4,22 . (6) Hnd 4,27 . (7) Hnd 4,34 .

gar (want)   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  
  3 1 3 2 3 8 4 4 7 4 3 5 6 6 2 63  2289  1299  990  123  63  92  61  73  563  15  278  339 

gar (want) Mt 1 Mt 2 Mt 3 Mt 4 Mt 5 Mt 6 Mt 7 Mt 8 Mt 9 Mt 10 Mt 11 Mt 12 Mt 13 Mt 14 Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22 Mt 23 Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28
in Mt   5

In drie verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 1,22 . (3) Mc 1,38 . In drieënzestig verzen bij Marcus . 60. Mc 15,10 . 61. Mc 15,14 . 62. Mc 16,4 . 63. 2X in Mc 16,8 .

gar (want)   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16  
in Mc   3 1 3 2 3 8 4 4 7 4 3 5 6 6 2 63 

gar (want) . Taalgebruik in het NT : gar (want) . Taalgebruik in Lc : gar (want) . Hebr. kî . Fr. car . Ned. : want .
Lc (92) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,30 . (4) Lc 1,44 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,66 . (7) Lc 1,76 .

gar (want)   bijbel OT NT ev.   Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  P.  A.b.  
  2289  1299  990  339  563  131  98  71  34  11  13  23  13  14  88  15  10  15  516  47 

touto gar (want dit)   bijbel OT NT ev.   Mt Mc Lc Hnd Br. Rom 2 Kor  Ef  Fil  Kol  1 Tes  1 Tim  Heb 1 Pe P.  A.b.  
25      25 3 1 1 2 20 3 2 2 1 1 3 4 1 3 17 3

Mt 25 : (1) Mt 25,3 . (2) Mt 25,14 . (3) Mt 25,29 . (4) Mt 25,35 . (5) Mt 25,42 .

1 Tes (23 of 4,45%) : (1) 1 Tes 1,8 . (2) 1 Tes 1,9 . (3) 1 Tes 2,1 . (4) 1 Tes 2,3 . (5) 1 Tes 2,5 . (6) 1 Tes 2,9 . (7) 1 Tes 2,14 . (8) 1 Tes 2,19 . (9) 1 Tes 2,20 . (10) 1 Tes 3,3 . (11) 1 Tes 3,4 . (12) 1 Tes 3,9 . (13) 1 Tes 4,2 . (14) 1 Tes 4,3 . (15) 1 Tes 4,7 . (16) 1 Tes 4,9 . (17) 1 Tes 4,10 . (18) 1 Tes 4,14 . (19) 1 Tes 4,15 . (20) 1 Tes 5,2 . (21) 1 Tes 5,5 . (22) 1 Tes 5,7 . (23) 1 Tes 5,18 .

- autoi gar (want zij / dezen) . NT (10) : (1) Lc 22,71 . (2) Joh 4,42 . (3) Joh 4,45 . (4) 1 Tes 1,9 . (5) 1 Tes 2,1 . (6) 1 Tes 3,3 . (7) 1 Tes 4,9 . (8) 1 Tes 5,2 . (9) 2 Tes 3,7 . (10) Heb 13,17 .


- gastèr (buik, schoot) . γαστηρ = gastèr (buik, schoot) . Taalgebruik in het NT : gastèr (buik, schoot) . Taalgebruik in de LXX : gastèr (buik, schoot) . Taalgebruik in Lc : gastèr (buik, schoot) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  dat. vr. enk. gastri   43  35         
                               

- dat. vr. enk. γαστρι = gastri van het zelfst. naamw. γαστηρ = gastèr (buik, schoot) . Taalgebruik in het NT : gastèr (buik, schoot) . Taalgebruik in de LXX : gastèr (buik, schoot) . Taalgebruik in Lc : gastèr (buik, schoot) . NT (8) : (1) Mt 1,18 . (2) Mt 1,23 . (3) Mt 24,19 . (4) Mc 13,17 . (5) Lc 1,31 . (6) Lc 21,23 . (7) 1 Tes 5,3 . (8) Apk 12,2 . Een vorm van γαστηρ = gastèr (buik, schoot) in de LXX (70) , in het NT (9) , in Lc (2) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  dat. vr. enk. gastri   43  35         

 

- gazofulakion (schatkist) . gazofulakion (schatkist) . Taalgebruik in het NT : gazofulakeion (schatkist) . Taalgebruik in Mc : gazofulakeion (schatkist) .

  gazofulakion  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + acc. onz. enk.  gazofulakion 14  11    1              
gen. onz. enk. gazofulakiou                  
dat. onz. enk. gazofulakiô(i)                    
  Totaal  22  17             

gès (op de aarde) . Genitief enkelvoud van het zelfstandig naamwoord gè (aarde) .

- MT : ´ârèts (aarde) . In 453 verzen in de bijbel . Met lidwoord hâ´ârèts (de aarde) . In 851 verzen in de bijbel .
--- bâ´ârèts (op de aarde) . In 398 verzen in de bijbel .
- Vulgaat : terra . Nominatief en ablatief enkelvoud . Het lidwoord speelt geen rol . In 1163 verzen in de bijbel .

- gè (aarde) . nom. + dat. vr. enk. γη / γῃ = gè / gè(i) (aarde, land) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Taalgebruik in Lc : gè (aarde) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Lv (29) . Lv 25 (8) : (1) Lv 25,2 . (2) Lv 25,4 . (3) Lv 25,5 . (4) Lv 25,7 . (5) Lv 25,9 . (6) Lv 25,19 . (7) Lv 25,23 . (8) Lv 25,45 . Lv 26 (12) : (1) Lv 26,1 . (2) Lv 26,4 . (3) Lv 26,6 . (4) Lv 26,20 . (5) Lv 26,33 . (6) Lv 26,34 . (7) Lv 26,36 . (8) Lv 26,38 . (9) Lv 26,39 . (10) Lv 26,41 . (11) Lv 26,43 . (12) Lv 26,44 . Mt (17) : (1) Mt 5,13 . (2) Mt 6,10 . (3) Mt 6,19 . (4) Mt 9,6 . (5) Mt 11,25 . (6) Mt 12,40 . (7) Mt 12,42 . (8) Mt 13,5 . (9) Mt 14,24 . (10) Mt 16,19 . (11) Mt 17,25 . (12) Mt 18,18 . (13) Mt 18,19 . (14) Mt 23,9 . (15) Mt 23,35 . (16) Mt 24,30 . (17) Mt 28,18 . Lc (3) : (1) Lc 8,15 . (2) Lc 12,51 . (3) Lc 21,33 . Een vorm van γη = gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) .

  gè  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. + dat. vr. enk gè(i) 771  736  35  10    15  15 
2 gen. vr. enk. gès   1203  1082  121  17  11  10  15  21  42  38  43     
3 acc. vr. enk.  gèn 961  884  77  13  12  10  25  30  36 
  totaal 2935  2702  233  40  18  25  11  32  34  73  83  94     

- Hebreeuws אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (453) . Pentateuch (117) . Eerdere Profeten (54) . Latere Profeten (130) . 12 Kleine Profeten (34) . Geschriften (118) .
- Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Arabisch : أَرْض = ´arD (aarde) . Taalgebruik in de Qoran : ´arD (aarde) .

- tès gès (van de aarde) . NT (120) . Mt (17) : (1) Mt 5,13 . (2) Mt 6,10 . (3) Mt 6,19 . (4) Mt 9,6 . (5) Mt 11,25 . (6) Mt 12,40 . (7) Mt 12,42 . (8) Mt 13,5 . (9) Mt 14,24 . (10) Mt 16,19 (2X) . (11) Mt 17,25 . (12) Mt 18,18 (2X) . (13) Mt 18,19 . (14) Mt 23,9 . (15) Mt 23,35 . (16) Mt 24,30 . (17) Mt 28,18 .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                             
acc. vr. enk.   961  884  77  13  12  10  25  30  36 
totaal                            

- gen. vr. enk. γης = gès van het zelfst. naamw. γη = gè (aarde, land) . Lv (40) . Lv 25 (8) : (1) Lv 25,6 . (2) Lv 25,10 . (3) Lv 25,18 . (4) Lv 25,24 . (5) Lv 25,31 . (6) Lv 25,38 . (7) Lv 25,42 . (8) Lv 25,55 . Lv 26 (6) : (1) Lv 26,5 . (2) Lv 26,6 . (3) Lv 26,13 . (4) Lv 26,22 . (5) Lv 26,42 . (6) Lv 26,45 .

  gè  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
2 gen. vr. enk. gès   1203  1082  121  17  11  10  15  21  42  38  43     

- gemizô (aanvullen ; passief : aangevuld worden, vol worden) . γεμιζω = gemizô (aanvullen ; passief : aangevuld worden, vol worden) . Taalgebruik in het NT : gemizô (aanvullen ; passief : aangevuld worden, vol worden) . Taalgebruik in de LXX : gemizô (aanvullen ; passief : aangevuld worden, vol worden) .

- pass. inf. praes. γεμιζεσθαι = gemizesthai (vol te worden) van het werkw. γεμιζω = gemizô (aanvullen ; passief : aangevuld worden, vol worden) . Taalgebruik in het NT : gemizô (aanvullen ; passief : aangevuld worden, vol worden) . Taalgebruik in de LXX : gemizô (aanvullen ; passief : aangevuld worden, vol worden) .


- genea (geslacht, generatie) . genea (geslacht, generatie) . Taalgebruik in het NT : genea (geslacht, generatie) . Taalgebruik in de Septuaginta : genea (geslacht, generatie) . Hebr. dor (geslacht, generatie) . Taalgebruik in Tenach : dor (geslacht, generatie) . Getalwaarde : daleth = 4 , resj = 20 of 300 ; totaal : 24 of 304 . Lat. progenies . Fr. génération . E. generation . Ned . geslacht , generatie . D. Geslecht .

      bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + dat vr. enk. genea(i)     46  31  15      13  13   
  gen. vr. enk. + acc. vr. mv.     92  80  12               
  acc. vr. enk. genean     37  33             
                                 
                                 

 

- genesis (oorsprong, geslacht) . genesis (oorsprong, geslacht) . Taalgebruik in het NT : genesis (oorsprong, geslacht) . Taalgebruik in Lc . : genesis (oorsprong, geslacht) .

  genesis  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  dat. vr. enk. genesei                  
                               

- gennaô (voortbrengen, baren) . γενναω = gennaô (voortbrengen, baren) . Taalgebruik in het NT : gennaô (voortbrengen, baren) . Taalgebruik in de LXX : gennaô (voortbrengen, baren) . Taalgebruik in Lc : gennaô (voortbrengen, baren) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. fut. 3de pers. enk. gennèsei                  
  act. ind. aor. 3de pers. enk. egennèsen   136  118  18  15          16  16     
  pass. part. praes. nom. + acc. onz. enk. gennômenon                    
                               

act. ind. fut. 3de pers. enk. gennèsei (zij zal voortbrengen) van het werkw. gennaô (voortbrengen, baren) . Taalgebruik in het NT : gennaô (voortbrengen, baren) . Taalgebruik in Lc : gennaô (voortbrengen, baren) .
Lc (1) Lc 1,13 . Een vorm van gennaô (voortbrengen, baren) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,57 . (4) Lc 3,22 . (5) Lc 20,34 . (6) Lc 23,29 .

- act. ind. aor. 3de pers. enk. εγεννησεν = egennèsen (en hij bracht voort) van het werkw. γενναω = gennaô (voortbrengen, baren) . Taalgebruik in het NT : gennaô (voortbrengen, baren) . Taalgebruik in de LXX : gennaô (voortbrengen, baren) . Taalgebruik in Lc : gennaô (voortbrengen, baren) . Gn (49) .


- Gennèsaret (Genezaret) . γεννησαρετ = Gennèsaret (Genezaret) . Taalgebruik in het NT : Gennèsaret (Genezaret) . Bijbel = NT (3) : (1) Mt 14,34 . (2) Mc 6,53 . (3) Lc 5,1 . In Mt en Mc : = eis Gennèsaret (naar Genezaret) .

- Gerasènôn (Gerasenen) . Enkel in gen. mv. . Mc (1) Mc 5,1 . Lc (2) .
-- eis tèn chôran tôn gerasènôn (naar de streek van de Gerasenen) . Mc (1) gignôskô (kennen, weten) . Taalgebruik in Mc :


- γιγνωσκω = gignôskô (kennen, weten) 

- ginôskô (kennen, weten) . γιγνωσκω = gignôskô (kennen, weten)  . Taalgebruik in het NT : gignôskô (kennen, weten) . Taalgebruik in de LXX : gignôskô (kennen, weten) .

- ind. fut. 1ste pers. enk. γνωσομαι = gnôsomai (ik zal kennen) van het werkw. γινωσκω = ginôskô (kennen, weten)  . Taalgebruik in het NT : ginôskô (kennen, weten) . Taalgebruik in de LXX : ginôskô (kennen, weten) . Bijbel (17) : (1) Gn 15,8 . (2) Gn 24,14 . (3) Gn 24,44 . (4) Gn 42,33 . (5) Gn 42,34 . (6) Nu 22,19 . (7) Re 6,37 . (8) 2 S 19,36 . (9) 2 S 24,2 . (10) Js 47,8 . (11) Jr 11,18 . (12) Ps 119,125 . (13) Rt 4,4 . (14) Da 2,9 . (15) 1 Kr 21,2 . (16) Lc 1,18 . (17) 1 Kor 4,19 .

- act. ind. fut. 2de pers. mv. gnôsesthe (jullie zullen kennen) van het werkw. γινωσκω = ginôskô (kennen, weten)  . Taalgebruik in het NT : ginôskô (kennen, weten) . Taalgebruik in de LXX : ginôskô (kennen, weten) . Bijbel (39) . LXX (33) . NT (6) : (1) Mc 4,13 . (2) Joh 8,28 . (3) Joh 8,32 . (4) Joh 14,7 . (5) Joh 14,20 . (6) 2 Kor 13,6 . Een vorm van γινωσκω = ginôskô (kennen, weten)  in de LXX (746) , in het NT (221) , Mt (20) , in Mc (12) , in Lc (28) , in Joh (56) , in Hnd (16) , in de Br. van Paulus (50) .


- γινομαι = ginomai (worden, gebeuren)

- ginomai (worden) . γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,4 . (2) Mc 4,10 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,39 . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  pr. 3de pers. enk. ginetai  65  39  26        18  18 
  imperat. praes. 2de pers. enk. ginou   37  32       
  imperat. pr. 3de pers. enk. ginesthô 10         
  part. praes. nom. vr. mv. ginemenai                
  ind. aor. 3de pers. enk. egeneto  925  730  195  13  17  69  16  6   17  99  115 
  ind. aor. 2de pers. enk. egenou   21  19           
  aor. 3de pers. mv. egenonto  128  115  13   
  inf. pr. ginesthai   20  10  10         
  conj. aor. 3de pers. enk. genètai   149  104  45  12  17    23  27 
  aor. 3de pers. enk. egenèthè  273  261  12         
  aor. 1ste pers. mv. egenèthèmen  16  10                 
  aor. 2de pers. mv. egenèthète                 
  inf. aor. genesthai   85  48  37  10     
  part. aor. nom. mann. enk. genomenos 61  35  26      10  11   
  part. aor. gen. mann. enk. genomenou   13      
  part. aor. gen. vr. enk. genomenès  41  33  11    20  21 
  part. aor. nom. mann. mv. genomenoi                         
  part. aor. gen. mv. genomenôn                          
  ind. perf. 3de pers. enk.  gegonen 74  43  31  13  11  16 
  part. perf. nom. + acc. onz. enk.   17         
                           
                           
                           
                           


ginomai (worden, gebeuren)  bijbel Tenach OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
aor. 3de pers. enk. egeneto  925  wajëhî : 784 730  195  13  17  69  16  53    17  99  115 

In drie verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,11 .

egeneto (het gebeurde) Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24  
67 3      

 

  Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud   
                                               
                                               
                                               
                                               
aor. 3de pers. enk. egenèthè                                   
aor. 1ste pers. mv. egenèthèmen                                          
aor. 2de pers. mv. egenèthète                                       
inf. aor. genesthai                                    
                                               

zie Lc 1,5 , Mc 1,4 en Mc 16,1 . Taalgebruik : hâjâh (zijn) , zie Ex 24,18 .

- ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . OT (730) . NT (195) . Lc (69) . Lc 1-2 (14) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,41 (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,65 . (8) Lc 2,1 . (9) Lc 2,2 . (10) Lc 2,6 . (11) Lc 2,13 . (12) Lc 2,15 . (13) Lc 2,42 . (14) Lc 2,46 . Lc 5 (3) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,17 . Lc 8 (3) : (1) Lc 8,1 . (2) Lc 8,22 . (3) Lc 8,24 . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... zoals vele verhalen bij ons beginnen) . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) , in Lc (129) , in Lc 1 (10) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,23 . (6) Lc 1,38 . (7) Lc 1,41 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 . in Lc 5 (3) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,17 , in Lc 8 (8) : (1) Lc 8,1 . (2) Lc 8,17 . (3) Lc 8,22 . (4) Lc 8,24 . (5) Lc 8,34 . (6) Lc 8,35 . (7) Lc 8,40 . (8) Lc 8,56 . In Lc : X vormen in 24 / 24 hoofdstukken en in 130 verzen .

ginomai (worden, gebeuren)  bijbel Tenach OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
aor. 3de pers. enk. egeneto  925  wajëhî : 784 730  195  13  17  69  16  53    17  99  115 

egeneto (het gebeurde) Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24  
67 3      

- Hebreeuws . wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalwaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 .Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) .
- Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .

- ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . OT (730) . NT (195) . Lc (69) . Lc 1-2 (14) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,41 (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,65 . (8) Lc 2,1 . (9) Lc 2,2 . (10) Lc 2,6 . (11) Lc 2,13 . (12) Lc 2,15 . (13) Lc 2,42 . (14) Lc 2,46 . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... zoals vele verhalen bij ons beginnen) . Lc (69) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,41 (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,65 . (8) Lc 2,1 . (9) Lc 2,2 . (10) Lc 2,6 . (11) Lc 2,13 . (12) Lc 2,15 . (13) Lc 2,42 . (14) Lc 2,46 . (15) Lc 3,2 . (16) Lc 3,21 . (17) Lc 4,25 . (18) Lc 4,36 . (19) Lc 5,1 . (20) Lc 5,12 . (21) Lc 5,17 . (22) Lc 6,1 . (23) Lc 6,6 . (24) Lc 6,12 . (25) Lc 6,13 . (26) Lc 6,16 . (27) Lc 6,49 . (28) Lc 7,11 . (29) Lc 8,1 . (30) Lc 8,22 . (31) Lc 8,24 . (32) Lc 9,18 . (33) Lc 9,28 . (34) Lc 9,29 . (35) Lc 9,33 . (36) Lc 9,34 . (37) Lc 9,35 . (38) (64) Lc 24,19 . (65) Lc 24,15 . (66) Lc 24,21 . (67) Lc 24,30 . (68) Lc 24,31 . (69) Lc 24,51 . In drieënvijftig verzen in Hnd .
- egeneto de : in twintig verzen bij Lucas : (2) Lc 1,8 . (8) Lc 2,1 . (10) Lc 2,6 . (16) Lc 3,21 . (19) Lc 5,1 . (22) Lc 6,1 . (23) Lc 6,6 . (24) Lc 6,12 . (33) Lc 9,28 ....
Lucas gebruikt (Kai) egeneto (de) (en het gebeurde) op verschillende wijzen :
1. ... egeneto ... (het gebeurde) + onderwerp : Mc 1,4 ; Lc 1,65 ;
2. een variante van voorgaande : ... egeneto ... (het gebeurde) + tijdsaanduiding + onderwerp : Lc 1,5 ;
3 . ... egeneto ... (het gebeurde) , gevolgd door een tijdsaanduiding + hoofdwerkwoord : Lc 1,59 ; Lc 2,1 (zie Mc 1,9) ;
4. ... egeneto ... (het gebeurde) + en tôi (in het) + infinitiefzin + hoofdwerkwoord . In tweeëntwintig verzen bij Lucas : Lc 1,8 ; Lc 2,6 ; Lc 3,21 ; (22) Lc 24,51

    (1) (2) (3) (4) (6) (7) (8) (10) (12)
Mc 1,4 Mc 1,9 Lc 1,5 Lc 1,8 Lc 1,23 Lc 1,41 Lc 1,59 Lc 1,65 Lc 2,1 Lc 2,6 Lc 2,15
  Kai (en)     Kai (en) kai (en) Kai (en) Kai (en)     Kai (en)
Egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde) Egeneto (het gebeurde) Egeneto (het gebeurde) de (echter) egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde) Egeneto (het gebeurde) de (echter) Egeneto (het gebeurde) de (echter) egeneto (het gebeurde)
  en (in) ekeinais tais hèmerais (die dagen) en (in) tais hèmerais (de dagen) en (in) tôi (het) hôs (zodra) hôs (zodra) en (in) tèi hèmerai tèi ogdoèi (de dag de achtste)   en (in) tais hèmerais ekeinais (die dagen) en (in) tôi (het) hôs (zodra) 
    Hèrôdou (van Herodes) hierateuein (uitoefenen van het priesterschap) auton (hij)           einai (zijn) autous ekei (zij daar)  
  èlthen (ging)   elache (door loting verkreeg) apèlthen (ging hij weg) eskirtèsen (sprong op) èlthon (kwamen zij)    eksijlthen (ging uit) eplèsthèsan (waren vervuld)  
 Iôannès ho baptizôn (Johannes de Doper) Ièsous (Jezus) hiereus tis... (een priester)         fobos (vrees) dogma (een bevel)    
13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25     4. Bezoek van Maria aan Elisabet : Lc 1,39-56  5. Geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,57-80   6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20    

zinsconstructie egeneto ... en tôi + infinitiefzin (het gebeurde ... terwijl (tijdens...)

  1. (2) 2. (10) 3. (16) 4. (19) 5. (20) 4. (32)       (62) 
  Lc 1,8 Lc 2,6 Lc 3,21 Lc 5,1 Lc 5,12 Lc 9,18 Lc 9,33 Lc 9,51 Lc 19,29 Lc 24,4
nevenschikkend voegwoord         kai (en) kai (en) kai (en)    Kai (en) kai (en)
vervoegd werkwoord egeneto (het gebeurde) geneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde)  egeneto (het gebeurde)
nevenschikkend partikel de (echter) de (echter) de (echter) de (echter)       de (echter)    
voorzetsel + infinitiefzin (gelijktijdigheid) : en tôi ( 'terwijl' ) en tôi ( 'terwijl' ) en tôi ( 'terwijl' ) en tôi ( 'terwijl' ) en tôi ( 'terwijl' ) en tôi ( 'terwijl' ) en tôi ( 'terwijl' ) en tôi ( 'terwijl' ) en tôi ( 'terwijl' ) hôs (zodra)  en tôi ( 'terwijl' )
werkwoord in de infintief hierateuein ( - hij - het priesterschap uitoefent) einai ( - zij - zijn) baptisthènai (gedoopt werd) ton ochlon epikeisthai autôi (de menigte aandrong op hem) einai ( - hij - is) proseuchesthai ( - hij - bad) diachôrizesthai ( zij - zich verwijderden)  sumplèrousthai (stilaan vol werden) èggisen (hij naderde)  aporeisthai ( zij - in verwarring raakten)
onderwerp van de infinitiefzin in de accusatief auton (hij) autous (zij) hapanta ton laon (het hele volk)   auton (hij) auton (hij) autous (zij) tas hèmeras tès analèmpseôs autou (de dagen van zijn opneming)    autas (zij)
    ekei (daar)     en miai tôn poleôn (in één van de steden)   ap'autou (van hem)     peri toutou (hierover)
  2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25  6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 62. Wonderbare visvangst. Roeping van Simon Petrus en metgezellen : Lc 5,1-11 - Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22  63. Genezing van een melaatse : Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16  168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36  168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36  183. Het ongastvrije samaritanendorp : Lc 9,51-56  279. Intocht in Jeruzalem : Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40  351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12  

 

      (63) 
  Lc 9,51 Hnd 2,1 Lc 24,4
nevenschikkend voegwoord   kai (en) kai (en)
vervoegd werkwoord egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde)
nevenschikkend partikel de (echter)    
voorzetsel + infinitiefzin (gelijktijdigheid) : en tôi ( 'terwijl' ) en tôi ( 'terwijl' ) en tôi ( 'terwijl' ) en tôi ( 'terwijl' )
werkwoord in de infintief sumplèrousthai (in het vervuld worden) sumplèrousthai (in het vervuld worden) aporeisthai ( zij - in verwarring raakten)
onderwerp van de infinitiefzin in de accusatief tas hèmeras (de dagen) tas hèmeras (de dagen) autas (zij)
  tès analèmpseôs autou (van zijn opneming) tès pentèkostès (van de vijftigste) peri toutou (hierover)
  183. Het ongastvrije samaritanendorp : Lc 9,51-56 Hnd 2,1-13 : Pinksteren . 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 

- εγενετο δε = egeneto de (het gebeurde echter) . LXX () . NT (40) . Lc (20) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 2,1 . (3) Lc 2,6 . (4) Lc 3,21 . (5) Lc 5,1 . (6) Lc 6,1 . (7) Lc 6,6 . (8) Lc 6,12 . (9) Lc 8,40 . (10) Lc 9,28 . (11) Lc 9,37 . (12) Lc 9,51 . (13) Lc 9,57 . (14) Lc 10,38 . (15) Lc 11,14 . (16) Lc 11,27 . (17) Lc 16,22 . (18) Lc 18,35 . (19) Lc 22,24 . (20) Lc 22,44 .

- και εγενετο = kai egeneto (en het gebeurde) . LXX (560) . NT (62) . Lc (35) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,59 . (4) Lc 1,65 . (5) Lc 2,15 . (6) Lc 2,42 . (7) Lc 2,46 . (8) Lc 4,36 . (9) Lc 5,12 . (10) Lc 5,17 . (11) Lc 6,13 . (12) Lc 6,16 . (13) Lc 6,49 . (14) Lc 7,11 . (15) Lc 8,1 . (16) Lc 8,22 . (17) Lc 8,24 . (18) Lc 9,18 . (19) Lc 9,29 . (20) Lc 9,33 . (21) Lc 11,1 . (22) Lc 13,19 . (23) Lc 14,1 . (24) Lc 17,11 . (25) Lc 17,14 . (26) Lc 17,28 . (27) Lc 19,15 . (28) Lc 19,29 . (29) Lc 20,1 . (30) Lc 22,14 . (31) Lc 22,66 . (32) Lc 24,4 . (33) Lc 24,15 . (34) Lc 24,30 . (35) Lc 24,51 .

ginomai   Mt Mc Lc syn.  
part. aor. gen. vr. enk. genomenès  9 : 7 opsias... genomenès : (1) Mt 8,16 . (2) Mt 14,15 . (3) Mt 14,23 . (4) Mt 16,2 . (5) Mt 20,8 . (6) Mt 26,20 . (7) Mt 27,57 . + 2 : (1) Mt 13,21 . (2) Mt 27,1 . 9 : 5 : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 4,35 . (3) Mc 6,47 . (5) Mc 14,17 . (6) Mc 15,42 . + 4 : (1) Mc 4,17 . (2) Mc 6,21 . (3) Mc 6,35 . (4) Mc 15,33 . 2 : (1) Lc 4,42 . (2) Lc 6,48 . 20 : (1) Mt 13,21 // Mc 4,17 . (2) Mt 14,15 // Mc 6,35 .

 

Lc 9,51 Lc 24,50 2 K 2,1 2 K 2,9 2 K 2,11   Mc 16,19 Hnd 1,9 Hnd 1,11 
Egeneto de (het gebeurde echter) kai egeneto (en het gebeurde) kai egeneto (en het gebeurde)   kai egeneto autôn poreuomenôn eporeuonto (en het gebeurde dat zij terwijl zij aan het gaan waren, aan het gaan waren) Ho men oun kurios (Ièsous) (De heer Jezus echter derhalve) kai (en) houtos ho Ièsous (Deze Jezus)
en tôi sumplèrousthai (in het vol worden)

en tôi eulogein auton autous ('terwijl hij hen zegende)

    kai elaloun (en met elkaar praatten)  ... meta to lalèsai autois (na gesproken te hebben met hen) tauta eipôn (dat gezegd hebbende) ...    
  diestè ap'autôn (verwijderde hij zich van hen)       kai diesteilan ana meson amfoterôn (en zij - de strijdkarren en de paarden - plaatste zich tussen hen beiden - Elia en Elisa)        
tas hèmeras tès analèmpseôs autou (de dagen van zijn opneming)   en tôi anagein kurion ton Hliou ... eis ton ouranon (toen de Heer Elia ... in de hemel opnam prin è analèmfthènai me apo sou (vooraleer ik van u wordt opgenomen) kai anelèmfthè ... eis ton ouranon (en hij - Elia - werd in de hemel opgenomen) anelèmfthè eis ton ouranon (werd in de hemel opgenomen) epèrthè (werd hij opgenomen) ho analèmftheis af'humôn eis ton ouranon (die van u werd opgenomen in de hemel)
183. Het ongastvrije samaritanendorp : Lc 9,51-56 356. Afscheid en hemelvaart : Lc 24,50-53 2 K 2 ,1-18 : Elia in de hemel opgenomen 2 K 2 ,1-18 : Elia in de hemel opgenomen 2 K 2 ,1-18 : Elia in de hemel opgenomen 357. Het langere Marcusslot : Mc 16,9-20   Hnd 1  : Jezus'laatste opdracht en hemelvaart Hnd 1   : Jezus'laatste opdracht en hemelvaart

 

--- to gegonos (het gebeurde) . In zeventien verzen in de bijbel . In negen verzen in het OT . In acht verzen in het NT .
--- wajëhî (en het gebeurde) . In 784 verzen in de bijbel . LXX vertaalt heel vaak : kai egeneto . De constructie wajëhî bajjâmîm hâhem (en het gebeurde in die dagen) komt in drie verzen in de bijbel voor : (1) Ex 2,11 . (2) Re 19,1 . (3) 1 S 28,1 . Verwijzing : jôm (dag) , zie Ex 2,23 .


- glôssa (tong, taal) . glôssa (tong, taal) . Taalgebruik in het NT : glôssa (tong, taal) . Taalgebruik in Lc : glôssa (tong, taal) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. vr. enk. glôssa                           
                               
                               

- γογγυζω = gogguzô (brommen, morren)

- gogguzô (brommen, morren) . γογγυζω = gogguzô (brommen, morren) . Taalgebruik : gogguzô (brommen, morren) . Hebr. râgan (morren, oproerig zijn). wajjerâgënû (en zij morden). Nifal imperfectum 3de persoon meervoud.

-
- act. ind. praes. 3de pers. mv. γογγυζουσιν = gogguzousin (zij morren) van het werkw. γογγυζω = gogguzô (brommen, morren) . Taalgebruik : gogguzô (brommen, morren) . Bijbel (3) : (1) Nu 14,27 . (2) Nu 17,20 . (3) Joh 6,61 .
- lwn of ljn (morren tegen) . In 5 verzen in de bijbel : (1) Ex 15,24 . (2) Nu 14,2 . (3) Nu 17,6 . (4) Joz 3,1 . (5) Joz 9,18 .

- act. ind. imperf. 3de pers. mv. εγογγυζον = egogguzon (zij morden) van het werkw. γογγυζω = gogguzô (brommen, morren) . Taalgebruik : gogguzô (brommen, morren) . Bijbel (3) : (1) Mt 20,11 . (2) Lc 5,30 . (3) Joh 6,41 . Een vorm van γογγυζω = gogguzô in de Bijbel (22) , in de LXX (16) : (1) Ex 16,7 (variante lezing) . (2) Ex 17,3 . (3) Nu 11,1 . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . (12) . (13) . (14) . (15) . (16) . In het NT (8) : (1) Mt 20,11 . (2) Lc 5,30 . (3) Joh 6,41 . (4) Joh 6,43 . (5) Joh 6,61 . (6) Joh 7,32 . (7) 1 Kor 10,10 .

--- wajjâlèn (en het morde) . Hifil imperfectum . In 6 verzen in de bijbel; slechts 1X in de betekenis van morren : Ex 17,3 .
--- wajjillonû (zij morden tegen) . Nifal imperfectum derde persoon meervoud . In vijf verzen in de bijbel : (1) Ex 15,24 (wajjillonû hâ`âm `al ; LXX : kai diegogguzen ho laos epi - en het volk morde tegen) . (2) Nu 14,2 (wajjillonû `al ; LXX : kai diegogguzon epi : en zij morden tegen) . (3) Nu 17,6 (wajjillonû kâl `ädath bënê jishërâ´el... `al (en de hele bijeenkomst van de zonen van Israël morde tegen ; LXX : kai egoggusan hoi huoi Israèl ... epi : en de zonen van Israël morden ... tegen) . (4) Joz 3,1 (wajalinû qal imperfectum derde persoon mannelijk meervoud) . (5) Joz 9,18 (wajjillonû kâl `ädâh `al (en de hele bijeenkomst morde tegen ; LXX : kai egoggusan pasa hè sunagôgè epi : en de hele samenkomst morde tegen) .
--- wajjillînû (en zij morden) . Hifil imperfectum derde persoon mannelijk meervoud . Slechts in Ex 16,2 in de bijbel .
--- mallînîm (de morrenden) . Hifil participium. Slechts in 1 vers in de bijbel, nl. Nu 14,27 (2X)
--- thelunnôth (gemor) . Zelfstandig naamwoord meervoud. In 2 verzen in de bijbel : (1) Nu 14,27 . (2) Nu 17,20 .

--- egogguzen (hij morde). In 2 verzen in de bijbel : (1) Ex 17,3 . (2) Re 1,14 .
- act. ind. imperf. 3de pers. mv. εγογγυζον = egogguzon (zij morden) van het werkw. γογγυζω = gogguzô (brommen, morren) . Taalgebruik : gogguzô (brommen, morren) . Bijbel (3) : (1) Mt 20,11 . (2) Lc 5,30 . (3) Joh 6,41 . Een vorm van γογγυζω = gogguzô in de Bijbel (22) , in de LXX (16) , in het NT (8) , in Joh (4) : (1) Joh 6,41 . (2) Joh 6,43 . (3) Joh 6,61 . (4) Joh 7,32 . Zie ook act. ind. imperf. 3de pers. mv. διεγογγυζον = diegogguzon (zij morden) van het werkw. διαγογγυζω = diagogguzô (brommen, morren) . Bijbel (3) : (1) Nu 14,2 . (2) Lc 15,2 . (3) Lc 19,7 . Een vorm van het werkw. διαγογγυζω = diagogguzô in de LXX (10) , in het NT (2) : (1) Lc 15,2 . (2) Lc 19,7 .
--- egoggusen (hij morde). Aorist 3de persoon enkelvoud. Jdt 5,22.
--- egoggusan (zij morden). Aorist. In 5 verzen in de bijbel: (1) Nu 14,27 . (2) Nu 14,29 . (3) Nu 17,6 . (4) Ps 106,25 . (5) 1 Cor 10,10 .
--- diegogguzon (zij morden). Actief imperfectum derde persoon meervoud . In 3 verzen in de bijbel: (1) Nu 14,2 : wajjillonû `al (zij morden tegen) : nifal imperfectum van lwn (morren) . (2) Lc 15,2 . (3) Lc 19,7 .
--- diegoggusan (zij morden). Aorist. In 2 verzen in de bijbel: (1) Nu 14,36 . (2) Joz 9,18 .
--- diegogguzen . In 2 verzen in de bijbel : (1) Ex 15,24 . (2) Ex 16,2 .
- act. imperatief praes. 2de pers. mv. γογγυζετε = gogguzete (mort) van het werkw. van het werkw. γογγυζω = gogguzô (brommen, morren) . Taalgebruik : gogguzô (brommen, morren) . Bijbel (2) : (1) Joh 6,43 . (2) 1 Kor 10,10 .


grafè (schrift) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
nom. + dat. enk. grafè(i) 36 13 23     1   10 12  
gen. enk. grafès 10 7 3         2 1      
acc. enk. grafèn 17 13 4   1   1 1 1  
nom. mv. grafai 3   3 2 1          
gen. mv. grafôn 6 1 5         2 3      
dat. mv. grafais 4   1   1   1 1  
acc. mv. grafas 9   9 1 1 2 1 1 3  
Totaal   85  34  51  17  21    11  13 

- gonupeteô (op zijn knie vallen) . gonupeteô (op zijn knie vallen) . Taalgebruik in het NT : gonupeteô (op zijn knie vallen) . Taalgebruik in Mc : gonupeteô (op zijn knie vallen) . Verschillende vormen in slechts vier verzen in de bijbel : (1) Mt 17,14 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 10,17 . (4) Mt 27,29 . Varianten bij de ontmoeting tussen een zieke en de genezer kunnen zijn : knielen bij , bij zijn voeten vallen , op zijn gezicht vallen .
--- gonupetôn (op zijn knie vallend) . Actief participium nominatief enkelvoud van het werkwoord gonupeteô : op de knieën vallen. Het komt in de bijbel in twee verzen voor : (1) Mt 17,14 . (2) Mc 1,40 .
--- gonupetèsas (op zijn knie gevallen). Actief participium aorist. Nominatief mannelijk enkelvoud . Mc 10,17 .
--- Gonupetèsantes (op hun knie gevallen) . Nominatief mannelijk meervoud . Mt 27,29 .

  gonupeteô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. part. praes. nom. mann. enk. gonupetôn                  
act. part. aor. nom. mann. enk. gonupetèsas                    
act. part. aor. nom. mann. mv. gonupetèsantes                  
  Totaal                 

- gonu (knie) . γονυ = gonu (knie) . Gen. γυνατος = gunatos . Taalgebruik in het NT : gonu (knie) . Taalgebruik in de LXX : gonu (knie) . Een vorm van γονυ = gonu (knie) in de LXX (38) , in het NT (12) .
- Lat. genu . Fr. genou . Ned. knie .


 

- grafè (schrift) . grafè (schrift) . Taalgebruik in het NT : grafè (schrift) . Taalgebruik in Lc : grafè (schrift) . Taalgebruik in Hnd : grafè (schrift) . Zie verder : grafô (schrijven) . Taalgebruik in het NT : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Mc : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Lc : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Hnd : grafô (schrijven) . Hebr. sjâphar (schrijven) . Taalgebruik in Tenach : sjâphar (schrijven) . cijfer . sofer (schrijver) . sephèr (geschrift, boek) . Om een tekst te lezen spreekt men soms over een tekst ontcijferen . Lat. scribere . Fr. écrire .

grafè (schrift) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
nom. + dat. enk. grafè(i) 36 13 23     1   10 12  
gen. enk. grafès 10 7 3         2 1      
acc. enk. grafèn 17 13 4   1   1 1 1  
nom. mv. grafai 3   3 2 1          
gen. mv. grafôn 6 1 5         2 3      
dat. mv. grafais 4   1   1   1 1  
acc. mv. grafas 9   9 1 1 2 1 1 3  
Totaal   85  34  51  17  21    11  13 

- dat. onz. mv. γραφαις = grafais van het zelfst. naamw. γραφη = grafè (schrift) . Taalgebruik in het NT : grafè (schrift) . Taalgebruik in de LXX : grafè (schrift) . Taalgebruik in Lc : grafè (schrift) . Taalgebruik in Hnd : grafè (schrift) . Bijbel (4) : (1) Mt 21,42 . (2) Lc 24,27 . (3) Hnd 18,24 . (4) Rom 1,2 . Een vorm van γραφη = grafè in de LXX (50) , in het NT (50) , in Lc (4) : (1) Lc 4,21 . (2) Lc 24,27 . (3) Lc 24,32 . (4) Lc 24,45 . In Lc : 3 vormen van grafè (schrift) in 4 verzen in 2 hoofdstukken . In Hnd : 5 vormen van grafè (schrift) in 7 verzen in 4 hoofdstukken .

grafè (schrift) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
dat. mv. grafais 4   1   1   1 1  

- Hebreeuws . הַכְּתֻבִים = hakkëthûbhîm (de geschriften) < prefix bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfst. naamw. këthûbh (schrift, geschrif, bevel) . Zie het werkw. כָּתַב= kâthabh (schrijven) . Taalgebruik in Tenakh : kâthabh (schrijven) . Getalwaarde : kaph = 12 of 30 , thaw = 22 of 400 , beth = 2 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 342 (2 X 3² X 19) . Structuur : 3 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (4) : (1) 2 K 23,3 . (2) 2 K 23,24 . (3) Jr 32,12 . (4) Jr 51,60 .
- bakkëthûbhîm (in de geschriften) < prefix voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfst. naamw. Tenakh (1) : Nu 11,26 .
- Latijn . dat. vr. mv. scripturis van scriptura (geschrift) . Bijbel (5) : Zie Grieks + Hnd 17,2 .

- grafô (schrijven) . γραφω = grafô (schrijven) . Taalgebruik in het NT : grafô (schrijven) . Taalgebruik in de LXX : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Mc : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Lc : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Hnd : grafô (schrijven) . Om een tekst te lezen spreekt men soms over een tekst ontcijferen . Bijbel (1) : 1 Tes 5,1 . Een vorm van grafô (schrijven) in de LXX (304) , in het NT (190) , in 1 Tes (2) : (1) 1 Tes 4,9 . (2) 1 Tes 5,1 .
- Ned. : schrijven ( s - ch=g of k - p = b = f = v . Arabisch : ?????? = kataba (schrijven) . Taalgebruik in de Qoran : kataba (schrijven) . Aramees : ????? = sephar (tellen, schrijven) . D. : schreiben . E. : write . Fr. : écrire . Grieks : ??af? = grafô (schrijven,griften) . Taalgebruik in het NT : grafô (schrijven) . Hebreeuws : ????? = sâphar (cijferen, tellen, schrijven, griften) . Taalgebruik in Tenakh : sâphar (schrijven, griften, cijferen) EN ??????= kâthabh (schrijven) . Taalgebruik in Tenakh : kâthabh (schrijven) . Latijn : scribere .

- act. qal part. praes. mann. enk. = sopher (schrijvend -> schrijver) .
- sephèr (geschrift, boek) .

grafô bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. aor. 3de p. enk. egrapsen 63 55 8   2 2 3   1   4 7
act. inf. aor. grapsai      
pass. ind. perf. 3de pers. enk. gegraptai 89 22 67 9 7 9 2 5 33 2 25 27
part. perf. nom. + acc. onz.. enk. gegrammenon 25 8 17     3 7   1 6 3 10
part. perf. nom.. + acc. onz. mv. gegrammena  54 47 7     3 2 1   1 3 5
                         
totaal                         

--- gegraptai (er werd geschreven) . Passief perfectum derde persoon enkelvoud . In negenentachtig verzen in de bijbel . In tweeëntwintig verzen in het OT . In zevenenzestig verzen in het NT .
In 9 verzen bij Matteüs: (1) .
In zeven verzen bij Marcus : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 7,6 . (3) Mc 9,12 . (4) Mc 9,13 . (5) Mc 11,17 . (6) Mc 14,16 . (7) Mc 14,21 .

grafô (schrijven) waken) Mt Mc Lc syn. ev.
pass. perf. 3de p. enk. gegraptai 9 : 7 : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 7,6 . (3) Mc 9,12 . (4) Mc 9,13 . (5) Mc 11,17 . (6) Mc 14,16 . (7) Mc 14,21 . 9 : (1) Lc 2,23 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 4,4 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,10 . (6) Lc 7,27 . (7) Lc 10,26 . (8) Lc 19,46 . (9) Lc 24,46 . 25 27

Een vorm van grafô (schrijven) in Lc in 20 verzen : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 3,4 . (5) Lc 4,4 . (6) Lc 4,8 . (7) Lc 4,10 . (8) Lc 4,17 . (9) Lc 7,27 . (10) Lc 10,26 . (11) Lc 16,6 . (12) Lc 16,7 . (13) Lc 18,31 . (14) Lc 19,46 . (15) Lc 20,17 . (16) Lc 20,28 . (17) Lc 21,22 . (18) Lc 22,37 . (19) Lc 24,44 . (20) Lc 24,46 .

In negen verzen in Lc (9) : (1) Lc 2,23 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 4,4 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,10 . (6) Lc 7,27 . (7) Lc 10,26 . (8) Lc 19,46 . (9) Lc 24,46 .
In vijf verzen in Hnd : (1) Hnd 1,20 . (2) Hnd 7,42 . (3) Hnd 13,33 . (4) Hnd 15,15 . (5) Hnd 23,5 .
- gegrammena (geschrevene) . passief participium perfectum nominatief en accusatief onzijdig meervoud . In vierenvijftig verzen in de bijbel . In zevenenveertig verzen in het OT . In zeven verzen in het NT : (1) Lc 18,31 . (2) Lc 21,22 . (3) Lc 24,44 . (4) Joh 12,16 . (5) Joh 20,30 . (6) Hnd 13,29 . (7) Op 1,3 .
--- panta ta gegrammena (al het geschrevene) . In drie verzen in het NT nl. bij Lucas : (1) Lc 18,31 : telesthèsetai ... : al het geschrevene zal voltooid worden (derde lijdensvoorspelling) . (2) Lc 21,22 : tou plèsthènai ... : opdat al het geschrevene zou vervuld worden (eschatologische rede) . (3) Lc 24,44 : hoti dei plèrôthènai ... : dat al het geschrevene moet vervuld worden (verschijning aan de elf en hun metgezellen) . Door deze drie teksten is de derde lijdensvoorspelling , de eschatologische rede en een verschijningsverhaal met elkaar verbonden .
- hè grafè (de schrift) .
--- nominatief vrouwelijk enkelvoud grafè of datief vrouwelijk enkelvoud grafèi . In zesendertig verzen in de bijbel . In twintig verzen in het NT
--- genitief vrouwelijk enkelvoud grafès . In tien verzen in de bijbel .
- tèn grafèn (de schrift) . Accusatief enkelvoud . In vier verzen in de bijbel : (1) Mc 12,10 . (2) Joh 20,9 . (3) Hnd 1,16 . (4) Jak 2,8 .
- sj-ph- / - sjâphar (schrijven) . cijfer . Om een tekst te lezen spreekt men soms over een tekst ontcijferen .
- sjephèr (schrift , boek) .

1. de priesters en de schriftge-leerden van het volk tot Herodes   2. Jezus tot de diabolos (duivel) 3. de diabolos (duivel) tot Jezus) 4. Jezus tot de diabolos (duivel) 5. Jezus tot de diabolos (duivel) 6. Jezus tot de menigte over Johannes de Doper 7. Jezus tot de kooplui in de tempel 8. Jezus tot zijn leerlingen 9. Jezus tot zijn leerlingen
 Mt 2,5 Mt 3,3  Mt 4,4  Mt 4,6  Mt 4,7  Mt 4,10  Mt 11,10  Mt 21,13 Mt 26,24 Mt 26,31
hoi de (zij echter)   ho de (hij echter) kai (en)   tote (dan) nai (ja) kai (en) ho de (hij echter) tote (dan)
    apokritheis (beantwoord)           apokritheis (beantwoord)  
eipan (zeiden)   eipen (zei) legei (hij zegt) efè (zei) legei (zegt) legô (ik zeg) legei (hij zegt) eipen (zei) legei (zegt)
      autôi (aan hem) autôi (aan hem) autôi (aan hem) humin (aan u)     autôi (aan hem)
        ho Ièsous (Jezus) ho Ièsous (Jezus)       ho Ièsous (Jezus)
houtôs (zo) houtôs (zo)         houtos estin peri hou (deze is waarover)   kathôs (§zoals)  
gar (immers) gar (immers)                
gegraptai (er werd geschreven) estin ho rètheis (is wat werd gezegd) gegraptai (er werd geschreven) gegraptai (er werd geschreven) palin gegraptai (opnieuw werd er geschreven) gegraptai (er werd geschreven) gegraptai (er werd geschreven) gegraptai (er werd geschreven) gegraptai (er werd geschreven) gegraptai (er werd geschreven)
       hoti (dat)   gar (immers)     peri autou (over hem) gar (immers)
dia tou profètou (via de profeet) dia Hèsaiou tou profètou legontos (via Jesaja de profeet, zeggende)                
11. Huldiging van de magiërs : Mt 2,1-12 - 13. Optreden van Johannes de Doper : Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -  20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - 88. Jezus'getuigenis over Johannes de Doper : Lc 7,24-28 - Mt 11,7-11 - 283. Tempelreiniging : Mc 11,15-17 - Mt 21,12-13 - Lc 19,45-46 - 321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - 328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening : Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -

- γραμματευς = grammateus (schriftgeleerde)

- grammateus (schriftgeleerde) . γραμματευς = grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in het NT : grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in de LXX : grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in Mc : grammateus (schriftgeleerde) .

  grammateus (schriftgeleerde) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk   
1 nom. + voc. enk. grammateus 29 24 5 2 1     1 1    
2 gen. enk. grammateôs 11 11                  
3 dat. enk. grammatei 5 5                  
4 acc. enk. grammatea 9 9                  
5 nom. + voc. + acc. mv. grammateis 61 22 39 14 11 11 1 2      
6 gen. mv. grammateôn 20 3 17 5 8 3   1      
7 dat. mv. grammateusin 5 3 2 1 1            
  Totaal   140 77 63 22 21 14 1 3 1    

In het NT komt een vorm van het zelfstandig naamwoord grammateus (schriftgeleerde) in drieënzestig verzen voor . Bij Matteüs is dat in tweeëntwintig verzen of 34,92 % . Voor bijna 2/3 is het een nom. of acc. mv.

grammateus (schriftgeleerde) Mt   
nom. + voc. enk. grammateus 2 : (1) Mt 8,19 . (2) Mt 13,52 .  
nom. + voc. + acc. mv. grammateis 14 : (1) Mt 2,4 . (2) Mt 7,29 . (3) Mt 15,1 . (4) Mt 17,10 . (5) Mt 21,15 . (6) Mt 23,2 . (7) Mt 23,13 . (8) Mt 23,15 . (9) Mt 23,23 . (10) Mt 23,25 . (11) Mt 23,27 . (12) Mt 23,29 . (13) Mt 23,34 . (14) Mt 26,57 .  
gen. mv. grammateôn 5 : (1) Mt 5,20 . (2) Mt 9,3 . (3) Mt 12,38 . (4) Mt 16,21 . (5) Mt 27,41 .  
dat. mv. grammateusin 1 : Mt 20,18 .  
Totaal   22  

Een vorm van grammateus (schriftgeleerde) .  (1) Mt 2,4 (acc. mv) . (2) Mt 5,20 (gen. mv.) . (3) Mt 7,29 (nom. mv.) . (4) Mt 8,19 (nom. enk.) . (5) Mt 9,3 (gen. mv.) . (6) Mt 12,38 (gen. mv.) . (7) Mt 13,52 (nom. enk.) . (8) Mt 15,1 (nom. mv.) . (9) Mt 16,21 (gen. mv.) . (10) Mt 17,10 (nom. mv.) . (11) Mt 20,18 (dat. mv.) . (12) Mt 21,15 (nom. mv.) . (13) Mt 23,2 (nom. mv.) . (14) Mt 23,13 (voc. mv.) . (15) Mt 23,15 (voc. mv.) . (16) Mt 23,23 (voc. mv.) . (17) Mt 23,25 (voc. mv.) . (18) Mt 23,27 (voc. mv.) . (19) Mt 23,29 (voc. mv.) . (20) Mt 23,34 (acc. mv.) . (21) Mt 26,57 (nom. mv.) . (22) Mt 27,41 (nom. mv.) .  

De schriftgeleerden zijn erbij wanneer Jezus voor het eerst in de tempel in Jeruzalem optreedt (Mt 21,15) . Tegen hen spreekt Jezus weeklachten uit (Mt 23) . Ze zijn erbij wanneer het sanhedrin samenkomt om een oordeel over Jezus te vellen en staan onder het kruis om Jezus te bespotten .

hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden) . In negen verzen in de bijbel : (1) Mt 21,15 . (2) Mt 26,3 (// Mc 14,1 // Lc 22,2) . (3) Mc 11,27 . (4) Mc 14,1 (// Mt 26,3 // Lc 22,2) .


- grègoreô (waken) . Taalgebruik in het NT : grègoreô (waken) . Taalgebruik in Mc : grègoreô (waken) .

grègoreô (waken) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
imp. 2de p. mv. grègoreite 10   10 4 4     1 1   8 8
conj. pr. 3de p. enk. grègorèi 1   1   1           1 1
conj. pr. 1ste pers. mv. grègorômen                   
part. pr. nom. mann. enk. grègorôn                    
part. pr. nom.. mann. mv. grègorountes                   
part. pr. acc. mann. mv. grègorountas 1   1     1         1 1
ind. aor. 3de p. enk. egrègorèsen 3 2 1               1 1
imper. aor. 2de p. mv. grègorèsate 1   1           1      
conj. aor. 2de pers. enk. grègorèsèis                   
inf. aor. grègorèsai             
totaal  24  22    13  13 

 

grègoreô (waken) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
imp. 2de p. mv. grègoreite 10   10 4 : (1) Mt 24,42 . (2) Mt 25,13 . (3) Mt 26,38 . (4) Mt 26,41 . 4 : (1) Mc 13,35 . (2) Mc 13,37 . (3) Mc 14,34 . (4) Mc 14,38 .     1 1   8 : (1) Mt 24,42 // Mc 13,35 . (2) Mt 26,38 // Mc 14,34 . (3) Mt 26,41 // Mc 14,38 . 8
totaal  24  22    13  13 

- γυνη = gunè (vrouw)

- gunè (vrouw) . γυνη = gunè (vrouw) . Taalgebruik in het NT : gunè (vrouw) . Taalgebruik in de LXX : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Mc : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Lc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . E. wife . D. Frau . Een vorm van gunè (vrouw) in de LXX (1074) , in het NT (209) , in Hnd (19) .

- Ned. : vrouw . D. : Frau . E. : wife . Fr. : femme . Grieks : γυνη = gunè (vrouw) . Taalgebruik in het NT : gunè (vrouw) . Lat. : mulier . Arabisch : امرأة = aimra'a . Hebreeuws : אִשָּׁה = ´isjsjâh (vrouw) . Taalgebruik in Tenakh : ´isjsjâh (vrouw) .

  gunè (vrouw)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. vr. enk. gunè   299  228  71  16  11  20  31  42  20   
2 voc. vr. enk. gunai  11  10         
3 gen. vr. enk. gunaikos   143  121  22    2 : 1) Hnd 5,2 . (2) Hnd 16,1 . 11  11   
4 dat. vr. enk. gunaiki   58  43  15      2  Hnd (2) : (1) Hnd 5,1 . (2) Hnd 24,24 .  
5 acc. vr. enk. gunaika   269  220  49  11  10  13  29  30  13   
6 nom. + voc. vr. mv. gunaikes  108  93  15     
7 gen. vr. mv.  gunaikôn 48  37  11       
8 dat. vr. mv. gunaixin   24  19         
9 acc. vr. mv. gunaikas  99  88  11           
  totaal 1059  850  209  29  16  38  22  18  67  19  83  105  64 

gunè (vrouw)   Br. P.  A. b. 
nom. vr. enk. gunè   20 : (1) Rom 7,2 . (2) 1 Kor 7,3 . (3) 1 Kor 7,4 . (4) 1 Kor 7,13 . (5) 1 Kor 7,14 . (6) 1 Kor 7,34 . (7) 1 Kor 7,39 . (8) 1 Kor 11,5 . (9) 1 Kor 7,6 . (10) 1 Kor 11,7 . (11) 1 Kor 11,8 . (12) 1 Kor 11,9 . (13) 1 Kor 11,10 . (14) 1 Kor 11,11 . (15) 1 Kor 11,12 . (16) 1 Kor 11,15 . (17) Ef 5,33 . (18) 1 Tim 2,11 . (19) 1 Tim 2,14 . (20) 1 Tim 5,9 . 20   
voc. vr. enk. gunai  1 : 1 Kor 7,16 .  
gen. vr. enk. gunaikos   11 : (1) 1 Kor 7,1 . (2) 1 Kor 7,27 . (3) 1 Kor 11,3 . (4) 1 Kor 11,8 . (5) 1 Kor 11,11 . (6) 1 Kor 11,12 . (7) Gal 6,4 . (8) Ef 5,23 . (9) 1 Tim 3,2 . (10) 1 Tim 3,12 . (11) Tit 1,6 11   
dat. vr. enk. gunaiki   7 : (1) 1 Kor 7,3 . (2) 1 Kor 7,14 . (3) 1 Kor 7,27 . (4) 1 Kor 7,33 . (5) 1 Kor 11,6 . (6) 1 Kor 14,35 . (7) 1 Tim 2,12  
acc. vr. enk. gunaika   13 : (1) 1 Kor 5,1 . (2) 1 Kor 7,2 . (3) 1 Kor 7,10 . (4) 1 Kor 7,11 . (5) 1 Kor 7,12 . (6) 1 Kor 7,16 . (7) 1 Kor 7,27 . (8) 1 Kor 9,5 . (9) 1 Kor 11,9 . (10) 1 Kor 7,13 . (11) Ef 5,29 . (12) Ef 5,31 . (13) Ef 5,33 13   
nom. + voc. vr. mv. gunaikes  7 : (1) 1 Kor 14,34 . (2) Ef 5,22 . (3) Ef 5,24 . (4) Kol 3,18 . (5) Heb 11,35 . (6) 1 Pe 3,1 . (7) 1 Pe 3,5
gen. vr. mv.  gunaikôn 1 : 1 Pe 3,1 .  
dat. vr. mv. gunaixin   1 : 1 Tim 2,10 .  
acc. vr. mv. gunaikas  6 : (1) 1 Kor 7,29 . (2) Ef 5,25 . (3) Ef 5,28 . (4) Kol 3,19 . (5) 1 Tim 2,9 . (6) 1 Tim 3,11  
totaal 67  64