NIEUWE TESTAMENT : TAALGEBRUIK L

Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
 
1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm .
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND --  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z

HOOFDTHEMA'S : HOOFDTHEMA'S : - Arabisch , allochtonen , Aramees , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , getallen , globalisering en antiglobalisering , Grieks , Hebreeuws , Hebreeuwse lessen ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , Latijn , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen .


Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , bijbeltaalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

-
OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


OPGELET : De getallen verwijzen steeds naar het aantal verzen waarin een 'woord' voorkomt . Eenzelfde 'woord' kan echter meerdere malen in hetzelfde vers voorkomen .

  NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
boeknr.  27 40 41 42 43 44 45 - 65 66    
hoofdst.  260 28 16 24 21 28 121 22 68  89 
verzen  7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 

  NT Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul. Ap. br.
boeknr.  27 (aantal)   45  46  47  48  49  50  51  52  53  54  55  56  57  58  59  60  61  62  63  64  65     
hoofdst.  260 121 16  16  13  13  100 21
verzen  7957 2767 433  437  257  149  155  104  95  89  47  113  83  46  25  303  108  105  61  105  13  14  25  2336  431 

L

- lagchanô (door het lot verkrijgen, loten) . lagchanô (door het lot verkrijgen, loten) . Taalgebruik in het NT : lagchanô (door het lot verkrijgen, loten) . Taalgebruik in Lc : lagchanô (door het lot verkrijgen, loten) .

  lagchanô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. aor. 3de pers. enk. elache                    
                               

- lailaps (storm met regenbuien) . λαιλαψ = lailaps (storm met regenbuien) . Taalgebruik : lailaps (storm met regenbuien) . Bijbel (5) : (1) Jr 25,32 . (2) Job 21,18 . (3) W 5,23 . (4) Mc 4,37 . (5) Lc 8,23 . Een vorm van λαιλαψ = lailaps in de LXX (7) , in het NT (3) .


- laos (volk) . λαος = laos (volk) . Taalgebruik in het NT : laos (volk) . Taalgebruik in de LXX : laos (volk) . Taalgebruik in Lc : laos (volk) . Een vorm van λαος = laos (volk) in de LXX (2064) , in het NT (141) .
- Hebr. `am (volk) . Taalgebruik in Tenakh : `am (volk) . Lat. populus . Fr. peuple . E. people . Ned. volk . D. Volk .

hâ`âm (het volk) : lidwoord + zelfstandig naamwoord enkelvoud . In 659 verzen in de bijbel .
- `am (volk) . Taalgebruik : `am (volk) , zie Js 9,1 en `im (met) : in 612 verzen in de bijbel .

--- kî `am qâdôsj aththâh laJHWH êlohèjkhâ (want gij zijt een heilig volk voor JHWH uw God) . In drie verzen in de bijbel : (1) Dt 7,6 . (2) Dt 14,2 . (3) Dt 14,21 .
--- lîhëjôth lô lë`am : om te zijn voor hem tot volk . In vier verzen in de bijbel : (1) Dt 4,20 . (2) Dt 7,6 . (3) Dt 14,2 . (4) Dt 26,18 .
- laos (volk) .

  laos (volk)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1. nom. mann. enk. laos  571  547  24  11  12 
  gen. mann. enk. laou   486  448  38      12    11             
  dat. mann. enk. laô(i)  225  199  26      14   
  acc. mann. enk. laon  525  482  43    12    16  11  14  14  10 
  nom. mann. mv. laoi                             
  gen. mann. mv. laôn                             
  dat. mann. mv. laois                             
  acc. mann. mv. laous                              
  totaal                            

1. Lc (7) : (1) Lc 1,21 . (2) Lc 7,29 . (3) Lc 18,43 . (4) Lc 19,48 . (5) Lc 20,6 . (6) Lc 21,38 . (7) Lc 23,35 .
2. Lc (12) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,32 . (3) Lc 3,15 . (4) Lc 6,17 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 8,47 . (7) Lc 19,47 . (8) Lc 20,26 . (9) Lc 20,45 . (10) Lc 22,66 . (11) Lc 23,27 . (12) Lc 24,19 .
4. Lc (12) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 3,18 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 7,16 . (5) Lc 9,13 . (6) Lc 20,1 . (7) Lc 20,9 . (8) Lc 20,19 . (9) Lc 22,2 . (10) Lc 23,5 . (11) Lc 23,13 . (12) Lc 23,14 .

ek tou laou (uit het volk) . In twee verzen in het NT : (1) Hnd 3,23 . (2) Hnd 26,17 .

- ethnos (volk) (Hebreeuws gôj) .

ethnos (volk) bijbel  OT  NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc Hnd
nom. + acc. enk. ethnos 128  113  15     
gen. enk. ethnous 45  38          2      
dat. enk. ethnei 49  43        1        
acc. enk.                        
nom. + acc mv. ethnè 339 289 50 4 1 3   8 15    
gen. mv. ethnôn 255 213 42 4 1 3   11 17    
dat. mv. ethnesin 173 141 32 4 2 1   8 15   (1) Hnd 4,27 . (2) Hnd 11,18 . (3) Hnd 14,27 . (4) Hnd 15,12 . (5) Hnd 21,19 . (6) Hnd 26,20 . (7) Hnd 26,23 . (8) Hnd 28,28 .
acc. mv.                        
Totaal                          

- Genitief meervoud ethnôn . In 255 verzen in de bijbel .
- Datief meervoud ethesi(n) . ethnesi in 5 verzen . ethnesin in 173 verzen in de bijbel .
- Accusatief meervoud ethnous . In vijfenveertig verzen in de bijbel .


- λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten)

- laleô (lallen, spreken, praten) . λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in de LXX : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Mc : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Lc : laleô (lallen, spreken, praten) . Een vorm van λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) in de LXX (1189) , in het NT (298) .
- lalein (spreken) . Taalgebruik : laleô (lallen, spreken, praten) , zie Mt 4,6 . In zevenendertig verzen in de bijbel . In zestien verzen in het OT . In eenentwintig verzen in het NT . Mt (2) . Mc (3) . Lc (2) Joh (1) . Hnd (6) . Brieven (7) . In zes verzen in Hnd : (1) Hnd 2,4 . (2) Hnd 4,17 . (3) Hnd 4,20 . (4) Hnd 4,29 . (5) Hnd 5,40 . (6) Hnd 11,15 .
--- elalei (hij sprak). In 35 verzen in de bijbel; in 15 verzen in het OT, in 20 verzen in het NT Lc (4) : (1) Lc 1,64 . (2) Lc 2,38 . (3) Lc 9,11 . (4) Lc 24,32 .

- act. ind. aor. 3de pers. enk. ελαλησεν = elalèsen (hij sprak) van het werkw. λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in de LXX : laleô (lallen, spreken, praten) . Lc (5) : (1) Lc 1,55 . (2) Lc 1,70 . (3) Lc 2,50 . (4) Lc 11,14 . (5) Lc 24,6 . Een vorm van λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) in de LXX (1189) , in het NT (298) , in Lc (31) . In 7 verzen in Lc 1 : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,55 . (6) Lc 1,64 . (7) Lc 1,70 .

act. ind. aor. 3de pers. enk. elalèsen (hij sprak) van het werkw. laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in de LXX : laleô (lallen, spreken, praten) . Lc (5) : (1) Lc 1,55 . (2) Lc 1,70 . (3) Lc 2,50 . (4) Lc 11,14 . (5) Lc 24,6 . In acht verzen in Hnd : (1) Hnd 2,31 . (2) Hnd 3,21 . (3) Hnd 7,6 . (4) Hnd 8,26 . (5) Hnd 9,27 . (6) Hnd 23,9 . (7) Hnd 28,21 . (8) Hnd 28,25 . Een vorm van laleô (lallen, spreken, praten) in de LXX (1189) , in het NT (298) , in Lc (31) , in Hnd (60) . In 7 verzen in Lc 1 : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,55 . (6) Lc 1,64 . (7) Lc 1,70 .

  laleô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. praes. 3de pers. enk. lalei   34 14  20    10 
  act. ind. + imperat. praes. 2de pers. mv.  laleite 11         
  act. ind. imperf. 3de pers. enk. elalei   35  15  20  11  14  1  
  act. inf. praes. lalein   37  16  21       
  act. part. praes. nom. mann. enk. lalôn   51  35  16     
  act. part. praes. gen. mann. enk. lalountos   43  26  17    11   
  act. part. praes. nom. mann. + vr. mv. lalountes 12        
  act. part. praes. gen. mv. lalountôn   14            1    
  act. ind. aor. 3de pers. enk. elalèsen   431  400  31  13  19   
  act. ind. aor. 1ste pers. enk. elalèsa   66  58           
  act. ind. aor. 3de pers. mv. elalèsan   54  44  10       
  act. inf. aor. lalèsai 77  55  22    11   
  act. conj. aor. 2de pers. mv. lalèsète                
  pass. part. praes. nom. onz. + acc. mann. + onz. enk. laloumenon               1    
  pass. part. perf. dat. mann. mv. lelalèmenois                    
                               
  totaal                            

- lalèsai . Lc (4) : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 11,37 .
- elalei
- elaloun (zij spraken) . Taalgebruik : laleô (lallen, spreken, praten) , zie Mt 4,6 . Actief imperfectum derde persoon meervoud . In zestien verzen in de bijbel . In tien verzen in het OT . In zes verzen in het NT . Lc (1) . Hnd (4) . 1 Kor (1) . In vier verzen in Hnd : (1) Hnd 4,31 . (2) Hnd 11,20 . (3) Hnd 19,6 . (4) Hnd 26,31 .
--- elalèsen (hij sprak) . Het komt in 431 verzen in de bijbel voor . In 400 verzen in het OT . In eenendertig verzen in het NT .
In 7 verzen bij Matteüs . (1) Mt 9,33 (de stomme) . (2) Mt 13,3 . (3) Mt 13,33 . (4) Mt 13,34 . (5) Mt 14,27 . (6) Mt 23,1 . (7) Mt 28,18 . In vier verzen volgt op elalèsen (hij sprak) ... legôn (zeggend) : Mt 13,3 , Mt 14,27 , Mt 23,1 , Mt 28,18 , gevolgd door een citaat . In zes van de zeven verzen is Jezus onderwerp . In vier verzen (van de zes) wordt de naam ho Ièsous (Jezus) uitdrukkelijk vermeld ; in twee verzen voor het werkwoord elalèsen (hij sprak) : Mt 13,34 , Mt 14,27 ; in twee verzen erna : Mt 23,1 en Mt 28,18 . In zes verzen volgt op het werkwoord elalèsen (hij sprak) een datief ; in vier verzen is het autois (tot hen) ; in twee verzen is het tois ochlois (de menigten) .
In één vers bij Marcus : Mc 6,50 .
In vijf verzen bij Lucas : (1) Lc 1,55 (kathôs ... = zoals ...) . (2) Lc 1,70 (kathôs ... = zoals ...) . (3) Lc 2,50 . (4) Lc 11,14 . (5) Lc 24,6 (hôs ... = zoals ...) .
In acht verzen in Hnd : (1) Hnd 2,31 . (2) Hnd 3,21 . (3) Hnd 7,6 . (4) Hnd 8,26 . (5) Hnd 9,27 . (6) Hnd 23,9 . (7) Hnd 28,21 . (8) Hnd 28,25 . .
--- laleis (jij spreekt) De indicatief praesens 2de persoon enkelvoud komt bij Matteüs enkel in Mt 13,10 voor. De indicatief praesens 3de persoon enkelvoud komt bij Matteüs enkel in Mt 12,34 voor. De indicatief imperfectum 3de persoon enkelvoud komt bij Matteüs ook slechts eenmaal voor, nl. in Mt 13,34 .
--- lalountos (terwijl hij sprak) . Participium praesens genitief enkelvoud . In drieënveertig verzen in de bijbel . In zesentwintig verzen in het OT . In zeventien verzen in het NT . In vijf verzen in Hnd . Bij het begin van Hnd 10,44 is Petrus aan het woord en wordt dat woord afgebroken door tussenkomst van de heilige geest . In Hnd 4,1 zijn Petrus en Johannes aan het woord en wordt het woord afgebroken door de tussenkomst van afgevaardigden van de overheid . Gelijkaardige situaties . In Hnd 22,9 zegt Paulus dat tijdens zijn visioen de omstaanders wel het licht zagen maar niet de stem hoorden die tot hem sprak (tèn de fônèn ouk èkousan tou lalountos moi = maar zij hoorden de stem niet van hem die tot mij sprak .)
--- act. part. praes. gen. mv. λαλουντων = lalountôn van het werkw. λαλεω= laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in de LXX : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Lc : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Hnd : laleô (lallen, spreken, praten) . Lc (1) Lc 24,36 . Hnd (4) : (1) Hnd 2,6 (λαλουντων αυτων lalountôn autôn) . (2) Hnd 2,11 (λαλουντων αυτων = lalountôn autôn) . (3) Hnd 4,1 (λαλουντων δε αυτων = lalountôn de autôn - losse genitief) . (4) Hnd 10,46 (αυτων λαλουντων = autôn lalountôn) . OT (9) : (1) Gn 50,17 . (2) Dt 5,28 . (3) Js 65,24 . (4) Ps 28,3 . (5) Ps 63,12 . (6) Ps 109,20 . (7) Job 34,37 . (8) Est 6,14 . (9) 2 Kr 33,18 . Een vorm van laleô (lallen, spreken, praten) in de LXX (1189) , in het NT (298) , in Lc (31) . In 5 verzen in Lc 24 : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,25 . (3) Lc 24,32 . (4) Lc 24,36 . (5) Lc 24,44 . In Lc : 17 vormen in 12 / 24 hoofdstukken en in 31 verzen . In Hnd : 23 vormen van laleô (lallen, spreken, praten) in 23 / 28 hoofdstukken en in 60 verzen .

  laleô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. part. praes. gen. mv. lalountôn   14            1    


- Een vorm van het werkwoord laleô (lallen, spreken, praten) en het lijdend voorwerp ton logon , in Hnd :
(1) Hnd 4,29 : lalein ton logon sou (uw woord te spreken) .
(2) Hnd 4,31 : elaloun ton logon tou theou (zij spraken het woord van God) .
(3) Hnd 8,25 : lalèsantes ton logon tou kuriou (sprekend het woord van de Heer) .
(4) Hnd 11,19 : lalountes ton logon (sprekend het woord) .
(5) Hnd 13,46 : lalèthènai ton logon tou theou (gesproken te worden het woord van God) .
(6) Hnd 14,25 : lalèsantes ... ton logon (sprekend ... het woord) .
(7) Hnd 16,6 : lalèsai ton logon (om het woord te spreken) .
(8) Hnd 16,32 : kai elalèsan autôi ton logon tou kuriou (en zij spraken het woord van de Heer) .

- act. aor. imperat. 2de pers. enk. = lalèson (spreek) . Bijbel (70) . Pentateuch (43) . Gn (1) . Ex (9) . Lv (18) . Nu (15) . Dt (0) .


- lambanô (nemen) . λαμβανω = lambanô (nemen) . Taalgebruik in het NT : lambanô (nemen) . Taalgebruik in de Septuaginta : lambanô (nemen) . Taalgebruik in Lc : lambanô (nemen) . Taalgebruik in Hnd : lambanô (nemen) .

lambanô (nemen)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                             
                             
act. ind. pr. 3de pers. enk. lambanousin          
act. part. pr. nom. mann. enk. lambanôn          
                             
act. ind. aor. 1ste pers. mv. elabomen   12         
                             
act. part. aor. nom. mann. enk. labôn 86 46 40 11 5 7 4              

Totaal

1593 1335 258 53 20 22 46 29 34+16 23 95 141 50 15

- act. ind. aor. 3de pers. enk. ελαβεν = elaben (hij nam) van het werkw. λαμβανω = lambanô (nemen) . Taalgebruik in de Septuaginta : lambanô (nemen) . Taalgebruik in het NT : lambanô (nemen) . Bijbel (353) . 1 S (23) : (1) 1 S 7,9 . (2) 1 S 7,12 . (3) 1 S 9,22 . (4) 1 S 10,1 . (5) 1 S 11,7 . (6) 1 S 14,32 . (7) 1 S 15,21 . (8) 1 S 16,13 . (9) 1 S 16,20 . (10) 1 S 17,40 . (11) 1 S 17,49 . (12) 1 S 17,51 . (13) 1 S 17,54 . (14) 1 S 19,13 . (15) 1 S 21,7 . (16) 1 S 24,3 . (17) 1 S 25,18 . (18) 1 S 25,35 . (19) 1 S 25,43 . (20) 1 S 26,12 . (21) 1 S 28,24 . (22) 1 S 30,20 . (23) 1 S 31,4 . NT (20) : (1) Mt 8,17 . (2) Mt 15,36 . (3) Mc 12,20 . (4) Mc 12,21 . (5) Mc 15,23 . (6) Lc 5,26 . (7) Lc 7,16 . (8) Lc 20,31 . (9) Joh 6,11 . (10) Joh 13,12 . (11) Joh 19,1 . (12) Joh 19,27 . (13) Joh 19,30 . (14) Hnd 24,27 . (15) Rom 4,11 . (16) 1 Kor 11,23 . (17) Heb 2,2 . (18) Heb 11,11 . (19) 1 Pe 4,10 . (20) Apk 5,8 .

- act. part. aor. nom. mann. enk. λαβων = labôn van het werkw. λαμβανω = lambanô (nemen) . Taalgebruik in de Septuaginta : lambanô (nemen) . Taalgebruik in het NT : lambanô (nemen) . Bijbel (86) . LXX (46) . NT (40) . Pentateuch (27) . Ex (9) . Ex 24 (3) : Ex 24,6 - Ex 24,7 - Ex 24,8 . Mt (11) : (1) Mt 13,31 . (2) Mt 14,19 . (3) Mt 17,27 . (4) Mt 25,16 . (5) Mt 25,18 . (6) Mt 25,20 . (7) Mt 26,26 . (8) Mt 26,27 . (9) Mt 27,24 . (10) Mt 27,48 . (11) Mt 27,59 . Mc (5) : (1) Mc 6,41 . (2) Mc 8,6 . (3) Mc 9,36 . (4) Mc 14,22 . (5) Mc 14,23 . Lc (7) : (1) Lc 6,4 . (2) Lc 9,16 . (3) Lc 13,19 . (4) Lc 20,29 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 24,30 . (7) Lc 24,43 . Joh (4) : (1) Joh 3,33 . (2) Joh 13,4 . (3) Joh 13,30 . (4) Joh 18,3 . Een vorm van λαμβανω = lambanô (nemen) in het NT (258) , in de LXX (1335) . In Lc : X vormen van lambanô (nemen) in 23 verzen in 11 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van lambanô (nemen) in 29 verzen in 18 / 28 hoofdstukken . In de LXX kan λαμβανω = lambanô de vertaling van 39 Hebreeuwse werkw. zijn .
- Hebreeuws . וַיּקַּח = wajjiqqach (en hij nam) < prefix nevensch. voegwoord waw + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. לָקַח = lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . Taalgebruik in Tenakh : lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , qoph = 19 of 100 , chet = 8 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 138 (2 X 3 X 23) . Structuur : 3 - 1 - 8 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (199) . Pentateuch (86) . Eerdere Profeten (80) . Latere Profeten (17) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (15) . Ex (15) : (1) Ex 2,1 . (2) Ex 4,20 . (3) Ex 6,20 . (4) Ex 6,23 . (5) Ex 13,19. (6) Ex 14,7 . (7) Ex 18,2 . (8) Ex 18,12 . (9) Ex 24,6 . (10) Ex 24,7 . (11) Ex 24,8 . (12) Ex 32,4 . (13) Ex 32,20 . (14) Ex 34,4 . (15) Ex 40,20 . Ex 24 (3) . Ex 24,6 - Ex 24,7 - Ex 24,8 beginnen met וַיּקַּח = wajjiqqach (en hij nam) . Een vorm van לָקַח = lâqach in Tenakh (905) .
- Lat. accipere (ad-capere = aan-grijpen, aannemen) . Fr. prendre . N. nemen . D. nehmen . E. take .


- lampô (stralen, schijnen) . λαμπω = lampô (stralen, schijnen) . Taalgebruik in de Bijbel : lampô (stralen, schijnen) . Taalgebruik in Lc : lampô (stralen, schijnen) . Taalgebruik in Hnd : lampô (stralen, schijnen) . Ned. lamp .
- act. ind. aor. 3de pers. enk. περιελαμψεν = perielampsen van het werkw. περιλαμπω = perilampô (omstralen) . Zie het werkw. λαμπω = lampô (stralen, schijnen) . Taalgebruik in de Bijbel : lampô (stralen, schijnen) . Taalgebruik in Lc : lampô (stralen, schijnen) . Taalgebruik in Hnd : lampô (stralen, schijnen) . Een vorm van het werkw. περιλαμπω = perilampô in het NT (2) : (1) Lc 2,9 . (2) Hnd 26,13 .
- act. ind. aor. 3de pers. enk. ελαμψεν = elampsen (hij straalde) van het werkw. λαμπω = lampô (stralen, schijnen) . Taalgebruik in de Bijbel : lampô (stralen, schijnen) . Taalgebruik in Lc : lampô (stralen, schijnen) . Taalgebruik in Hnd : lampô (stralen, schijnen) . Bijbel = NT (3) : (1) Mt 17,2 . (2) Hnd 12,7 . (3) 2 Kor 4,6 . Een vorm van λαμπω = lampô in de LXX (7) , in het NT (7) : (1) Mt 5,15 . (2) Mt 5,16 . (3) Mt 17,2 . (4) Lc 17,24 . (5) Hnd 12,7 . (6) 2 Kor 4,6 (2 vormen) , in Lc (1) .

Ned. lamp .

- λαμπας = lampas (toorts, fakkel) . Zie : λαμπω = lampô (stralen, schijnen) . Taalgebruik in de Bijbel : lampô (stralen, schijnen) .
- nom. vr. mv. λαμπαδες = lampades (fakkels) . Zie : λαμπω = lampô (stralen, schijnen) . Taalgebruik in de Bijbel : lampô (stralen, schijnen) . Bijbel (9) : (1) Gn 15,17 . (2) Nah 2,5 . (3) Job 41,11 . (4) Da 10,6 . (5) Jdt 10,22 . (6) 1 Mak 6,39. (7) Mt 25,8 . (8) Hnd 20,8 . (9) Apk 4,5 .

  lampô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. praes. 3de pers. enk. lampei     2              
act. ind. aor. 3de pers. enk. elampsen              
act. imperat. aor. 3de pers. enk.                    
  Totaal     6        

elampsen (hij straalde) . In drie verzen in de bijbel :
(1) Mt 17,2 . (elampsen to prosôpon autou hôs hèlios = zijn aangezicht straalde als de zon) .
(2) Hnd 12,7 (kai fôs elampsen en tèi oikèmati = en licht straalde in de cel) .
(3) 1 Cor 4,6 (hos elampsen en tais kardiais hèmôn = dat straalde in onze harten) .


- latomeô (uit steen houwen) . latomeô (uit steen houwen) . Taalgebruik in het NT : latomeô (uit steen houwen) . Een vorm van latomeô (uit steen houwen) in de LXX (8) , in het NT (2) . Act. ind. aor. 2de pers. enk. elatomèsas (jij houwde uit) . Bijbel (1) : Js 22,16 . Passief participium perfectum nominatief onzijdig enkelvoud lelatomèmenon (gehouwen) . Hapax in de bijbel . In deze vorm slechts in Mc 15,46 . Paralleltekst van Mc 15,46 is Mt 27,60 waar we lezen : act. aor. 3de pers. mann. enk. elatomèsen (hij houwde uit) . Tenakh (2) : (1) 2 Kr 26,10 . (2) Mt 27,60 . Passief participium perfectum acc mann mv. lelatomèmenous (uitgehouwen) . Bijbel (2) : (1) Dt 6,11 . (2) Neh 9,25 . Dt 6,11 : lakkous lelatomèmenous (parallel Ne 9,25) hous ouk exelatomèsas (en uitgegraven citernen die je niet uitgroef) .


- λατρευω = latreuô (door (loon) dienen)

latreuô (door (loon) dienen) . λατρευω = latreuô (door (loon) dienen) . Taalgebruik in het NT : latreuô (door (loon) dienen) . Taalgebruik in de LXX : latreuô (door (loon) dienen) . Taalgebruik in Lc : latreuô (door (loon) dienen) .

- act. ind. fut. 2de pers. enk. λατρευσεις = latreuseis (jij zult dienen) van het werkw. λατρευω = latreuô (door (loon) dienen) . Taalgebruik in het NT : latreuô (door (loon) dienen) . Taalgebruik in de LXX : latreuô (door (loon) dienen) . Taalgebruik in Lc : latreuô (door (loon) dienen) . Bijbel (8) : (1) Ex 23,25 . (2) Dt 6,13 . (3) Dt 7,16 . (4) Dt 10,20 . (5) Dt 28,36 . (6) Dt 28,48 . (7) Mt 4,10 . (8) . Lc 4,8 . Een vorm van λατρευω = latreuô (door (loon) dienen) in de LXX (109) , in het NT (21) , in Lc (3) : (1) Lc 1,74 . (2) Lc 2,37 . (3) Lc 4,8 . In de LXX kan een vorm van λατρευω = latreuô de vertaling van 4 verschillende Hebreeuwse woorden zijn .

- act. ind. aor. 2de pers. enk. λατρευσῃς = latreusè(i)s (jij zoudt dienen) van het werkw. λατρευω = latreuô (door (loon) dienen, verdienen, dienen) . Taalgebruik in het NT : latreuô (door (loon) dienen) . Taalgebruik in de LXX : latreuô (door (loon) dienen) . Taalgebruik in Lc : latreuô (door (loon) dienen) . Bijbel (8) : (1) Ex 20,5 . (2) Ex 23,24 . (3) Dt 4,19 . (4) Dt 5,9 . (5) Dt 8,19 . (6) Dt 30,17 . In de LXX kan een vorm van λατρευω = latreuô de vertaling van 4 verschillende Hebreeuwse woorden zijn .

- act. inf. praes. λατρευειν = latreuein (om te dienen) van het werkw. λατρευω = latreuô (door (loon) dienen) . Taalgebruik in het NT : latreuô (door (loon) dienen) . Taalgebruik in de LXX : latreuô (door (loon) dienen) . Taalgebruik in Lc : latreuô (door (loon) dienen) . Tenakh (18) : (1) Lv 18,21 . (2) Nu 16,9 . (3) Dt 10,12 . (4) Dt 11,13 . (5) Dt 11,28 . (6) Dt 28,14 . (7) Dt 29,17 . (8) Joz 22,5 . (9) Joz 22,27 . (10) Joz 24,15 . (11) Joz 24,16 . (12) Joz 24,19 . (13) Joz 24,22 . (14) Re 2,19 . (15) Ez 20,32 . (16) Lc 1,74 . (17) Hnd 7,42 . (18) Heb 9,14 . Een vorm van λατρευω = latreuô (door (loon) dienen) in de LXX (109) , in het NT (21) , in Lc (3) : (1) Lc 1,74 . (2) Lc 2,37 . (3) Lc 4,8 . In de LXX kan een vorm van λατρευω = latreuô de vertaling van 4 verschillende Hebreeuwse woorden zijn .



- λεγω = legô (zeggen)

- legô (zeggen) . λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de LXX : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mt : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .

  legô : act. ind. praes. bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
act. ind. prae. 1ste pers. enk. legô 220  10 210  61  19  50  36  42 130  166 
2 act. ind. pr. 2de pers. enk.  legeis 38  15  23  10    11  21 
3 act. ind. pr. 3de pers. enk.  legei 1027  702  325  54  62  14  112  11  46  26  130  242 
4 act. ind. pr. 1ste pers. mv.  legomen            
5 act. ind. + imperat. pr. 2de pers. mv.  legete 45  16  29  11    19 26 
act. ind. pr. 3de pers. mv.  legousin 97  37  60  23  16  43  52 
  Totaal 1431 780 651 144 105 84 175 16 95 32 333 508

legô (zeggen) tegenwoordige tijd bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
act. part. pr. nom. mann. enk. legôn  936  758  178  49  18  47  25  15  16  114  122 
part. pr. nom. vr. enk. legousa 47  26  21  13  15 
part. pr. gen. mann. en vr. enk. legontos  28  23  11    14  14 
part. pr. gen. vr. enk. legousès              
part. pr. acc. mann. en vr. enk. legonta        
part. pr. nom. mann. en vr. mv. legontes  384  232  152  47  15  37  10  23  16  99  109 
part. pr. gen. mv. legontôn 24  18           
part. pr. acc. mann. legontas   12     
inf. pr. 51  11  40 12    25  26 
Andere vormen pr.                        
totaal 2928  1837  1091  265  150  191  196  79  124  86  606  802 

- act. ind. praes. 3de pers. enk. λεγει = legei (hij zegt) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) .

kai legei autois o iŔsous (En Jezus zegt hen) . In drie verzen in het NT : (1) Mt 9,28 . (2) Mt 15,34 . (3) Mc 14,27 .

- eipen de (hij zei echter) . NT (77) . Hnd () : (1) Hnd 1,7 . (2) Hnd 3,6 . (3) Hnd 5,3 . (4) Hnd 7,1 . (5) Hnd 7,33 . (6) Hnd 8,29 . (7) Hnd 8,37 . (8) Hnd 9,5 . (9) Hnd 9,15 . (10) Hnd 10,4 . (11) Hnd 11,12 . (12) Hnd 12,17 . (13) Hnd 18,9 . (14) Hnd 19,4 . (15) Hnd 21,39 . (16) Hnd 23,20 . (17) Hnd 25,10 . Hebr. wajj´omèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. . Tenakh (1879) .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
                         
                         
ind. aor. 3de p. enk. eipen  3024  2426  598  118  56  223  114  75  397  511 
                         
act. ind. aor. 3de p. mv. eipan 384  289  95  16  28  26  17         
inf. aor. eipein  32  29  11       
                         
  81  10  71  31  19  13    53  66 
                         
totaal                        

 

elegen (hij zei)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
  81  10  71  31  19  13    53  66         

kai elegen (en hij zei) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . NT (19) . Mc (16) . Lc (2) . Joh (1) . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,21 . (5) Mc 4,24 . (6) Mc 4,26 . (7) Mc 4,30 . Niet gevolgd door autois (hen) . NT (7) . Mc (5) . Lc (1) . Joh (1) . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,9 . (2) Mc 4,26 . (3) Mc 4,30 .


- lepra (melaatsheid) . lepra (melaatsheid) . Taalgebruik in het NT : lepra (melaatsheid) . Taalgebruik in Mc : lepra (melaatsheid) .

  lepra  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. vr. enk. lepra  18  16  1 :         3    
                               
                               

--- lepra (melaatsheid) . In negentien verzen in de bijbel . In zestien verzen in het OT . In drie verzen in het NT . In het OT is er sprake over melaatsheid in Ex 4,6 Ex 4,6 (Mozes) , in Nu 12,10 (Mirjam, de zus van Mozes) , 2 K 5 (Naäman), Lv 13-15.
- hatstsâra `ath (de melaatsheid) . Lidwoord en zelfstandig naamwoord hatstsâra`ath (melaatsheid) . In zeven verzen in de bijbel . tsârâ`ath (melaatsheid) . In twintig verzen in de bijbel : nl in Lv 13 en Lv 14 .
- lepras . Genitief enkelvoud of accusatief meervoud . In drieëntwintig verzen in de bijbel . In achttien verzen in Lv 13 en Lv 14 . In één vers in Lc 5,12 .
- mëtsorâ` (melaats) . Pual participium mannelijk enkelvoud . In vijf verzen in de bijbel : mëtsora`ath (melaats) . Pual participium vrouwelijk enkelvoud . In twee verzen in de bijbel : (1) Ex 4,6 (mëtsora`ath kasjsjâlèg = LXX hôsei chiôn = melaats als sneeuw) . (2) Nu 12,10 (mëtsora`ath kasjsjâlèg = LXX : leprôs hôsei chiôn = melaats als sneeuw) .


- lepros (melaatse) . λεπρος = lepros (melaatse) . Taalgebruik in het NT : lepros (melaatse) . Taalgebruik in de LXX : lepros (melaatse) . Taalgebruik in Mc . : lepros (melaatse) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. mann. enk. lepros                
  gen. mann. enk. leprou                
                               

- nom. mann. enk. λεπρος = lepros (melaatse) . Taalgebruik in het NT : lepros (melaatse) . Taalgebruik in de LXX : lepros (melaatse) . Taalgebruik in Mc : lepros (melaatse) . Bijbel (8) : (1) Lv 13,44 . (2) Lv 13,45 . (3) 2 S 3,29 . (4) 2 Kr 26,20 . (5) 2 Kr 26,21 . (6) 2 Kr 26,21 . (7) Mt 8,2 . (8) Mc 1,40 .
--- nom. mann. mv. λεπροι = leproi (melaatsen) van het bijvoegl. naamw. λεπρος = lepros (melaatse) . Taalgebruik in het NT : lepros (melaatse) . Taalgebruik in de LXX : lepros (melaatse) . . Bijbel (6) : (1) 2 K 7,3 . (2) 2 K 7,8 . (3) Mt 11,5 . (4) Lc 4,27 . (5) Lc 7,22 . (6) Lc 17,12 . Een vorm van λεπρος = lepros in de Bijbel (21) , in de LXX (12) , in het NT (9) , in Mc (2) : (1) Mc 1,40 . (2) : Mc 14,3 , in Lc (3) : (1) Lc 4,27 . (2) Lc 7,22 . (3) Lc 17,12 .

- nom. vr. enk. lepra (melaatsheid) . Zie λεπρος = lepros (melaatse) . Taalgebruik in het NT : lepros (melaatse) . Taalgebruik in de LXX : lepros (melaatse) . Bijbel (19) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . (12) . (13) . (14) . (15) . (16) . (17) . (18) . (19) .

1 Kr 26,20 - 1 Kr 26,21 - 1 Kr 26,22 - 1 Kr 26,23 - 2 Kr 26,20 - 2 Kr 26,21 - 2 Kr 26,22 -2 Kr 26,21 -

Lv 13,1 - Lv 13,2 - Lv 13,3 - Lv 13,4 - Lv 13,5 - Lv 13,6 - Lv 13,7 - Lv 13,8 - Lv 13,9 - Lv 13,10 - Lv 13,11 - Lv 13,12 - Lv 13,13 - Lv 13,14 - Lv 13,15 - Lv 13,16 - Lv 13,17 - Lv 13,18 - Lv 13,19 - Lv 13,20 - Lv 13,21 - Lv 13,22 - Lv 13,23 - Lv 13,24 - Lv 13,25 - Lv 13,26 - Lv 13,27 - Lv 13,28 - Lv 13,29 - Lv 13,30 - Lv 13,31 - Lv 13,32 - Lv 13,33 - Lv 13,34 - Lv 13,35 - Lv 13,36 - Lv 13,37 - Lv 13,38 - Lv 13,39 - Lv 13,40 - Lv 13,41 - Lv 13,42 - Lv 13,43 - Lv 13,44 - Lv 13,45 - Lv 13,46 - Lv 13,47 - Lv 13,48 - Lv 13,49 - Lv 13,50 - Lv 13,51 - Lv 13,52 - Lv 13,53 - Lv 13,54 - Lv 13,55 - Lv 13,56 - Lv 13,57 - Lv 13,58 - Lv 13,59 -


- lèstès (rover) . lèstès (rover) . Taalgebruik in het NT : lèstès (rover) . Taalgebruik in Mc : lèstès (rover) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  acc. mann. enk. lèstèn                
  gen. mann. mv. lèstôn          
  acc. mann. mv. lèstas                
                               

 

- leui (Levi) . λευι = leui (Levi) . Taalgebruik in het NT : leui (Levi) . Taalgebruik in de LXX : leui (Levi) . Taalgebruik in Mc : leui (Levi) .

  leui (Levi)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. mann. enk. leui   75  70           
  gen. mann. enk. leuis                    
  acc. mann. enk. leuin                  
                               
  totaal                            

- λευκος = leukos (wit)

- leukos (wit) . λευκος = leukos (wit) . Taalgebruik in het NT : leukos (wit) . Taalgebruik in de LXX : leukos (wit) . Taalgebruik in Lc : leukos (wit) .

- mann. enk. λευκος = leukos (wit) . Taalgebruik in het NT : leukos (wit) . Taalgebruik in de LXX : leukos (wit) . Taalgebruik in Lc : leukos (wit) . Bijbel (4) : (1) Hl 5,10 . (2) Lc 9,29 . (3) Apk 6,2 . (4) Apk 19,11 . Een vorm van λευκος = leukos in de LXX (32) , in het NT (24) . In de LXX kan een vorm van λευκος = leukos de vertaling van 6 verschillende Hebreeuws / Aramese woorden zijn .

- = häwar (wit zijn) . = lâbhan (wit zijn , zich zuiveren van zonden) . Libanon : de witte berg (de berg met sneeuw) = Mont blanc .
- Lat. albus (zie albe) l-b . Fr. blanc ; b-l n (Hebr. b-l-n) .


- bepaald lidwoord . bepaald lidw. , , = ho , hè , to (de - het) OF voegwoord è (of) . Taalgebruik in NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd. : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das .
Het grote verschil tussen het Grieks en het Nederlands is dat de Griekse lidwoorden (en de uitgangen van de zelfstandige naamwoorden, zie hieronder) de functie in de zin weergeven. Als wij bijvoorbeeld zeggen: "De eend ziet de kat" weten we allemaal dat "de eend" het onderwerp is. In het Grieks geven het lidwoord en de uitgang van het zelfstandige naamwoord aan wat het onderwerp en wat het lijdend voorwerp is. In ons voorbeeld kan "de kat" dan makkelijk onderwerp zijn, als het maar de juiste uitgang heeft. Het onderwerp en het lijdend voorwerp worden in het Grieks 'nominativus' respectievelijk 'accusativus' genoemd. Naast de nominativus en de accusativus kent het Grieks de 'genitivus' en de 'dativus'. De genitivus geeft een bezit aan, dus 'van...'. Voor de dativus kan je aan of voor zetten. Het Grieks kent verder nog mannelijke, vrouwelijke en onzijdige uitgangen. Natuurlijk wordt er ook onderscheid gemaakt tussen enkel- en meervoud. Een volledig overzicht van de lidwoorden vind je hieronder:
lidwoord uitgangen .
Je ziet dat er op sommige letters een omgekeerde komma staat. Deze komma wordt een 'spiritus asper' genoemd en je spreekt hem uit door een h-klank voor het woord te zetten. Een gewone komma boven een letter heet een 'spiritus lenis'. De uitspraak van bovenstaande rijtjes vind je hieronder:
ho (o als in 'hok') he (e als in 'het') to (o als in hok)
toe tes toe
tooi tej tooi
ton ten to
hoi hai taa
toon toon toon
tois tais tois
toes tas taa

  lidw. enk. bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
2. nom. vr. enk. hè 4860 3762  1098  151  76 143  117  83  443  85  370  487 
3. nom. + acc. onz. enk. to 5941  4582  1359  186  108  181  121  172  482  109  475  596 
4. gen. m. + onz. enk. tou 8480  6542  1938  234  116  272  196  269  673  178  622  818 
5. gen. vr. enk. tès 5271  4202  1069  107  65  109  72  164  430  122  281  353 
6. dat. m. + onz. enk. tô(i) 5507  4462  1045  121  68  154  98  163  367  74  343  441 
7. dat. vr. enk. tè(i) 3381  2631  750  94  55  119  64  122  264  32  268  332 
8. acc. mann. enk. ton 6202  4880  1322  167  124  191  197  244 338  61  482  679 
9. acc. vr. enk. tèn 6161  4889  1272  180  109  149  121  198  404  111  438  559 
  Totaal   54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- bepaald lidw. nom. en acc. onz. enk. to van het bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) OF voegwoord è (of) . Taalgebruik in NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd. : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das . Hnd (172) . Hnd 2 (8) : (1) Hnd 2,1 . (2) Hnd 2,4 . (3) Hnd 2,6 . (4) Hnd 2,16 . (5) Hnd 2,21 . (6) Hnd 2,29 . (7) Hnd 2,44 . (8) Hnd 2,47 . Hnd 5 (11) : (1) Hnd 5,3 . (2) Hnd 5,4 . (3) Hnd 5,7 . (4) Hnd 5,8 . (5) Hnd 5,9 . (6) Hnd 5,16 . (7) Hnd 5,21 . (8) Hnd 5,23 . (9) Hnd 5,28 . (10) Hnd 5,32 . (11) Hnd 5,38 .

- mann. en onz. enk. tou (de) van het bepaald lidw. bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) OF voegwoord è (of) . Taalgebruik in NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd. : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das . Hnd (269) . Hnd 5 () : (1) Hnd 5,3 . (2) Hnd 5,24 . (3) Hnd 5,28 . (4) Hnd 5,31 . (5) Hnd 5,40 . (6) Hnd 5,41 .

- bepaald lidw. gen. vr. enk. tès van het Hnd (164) . Hnd 5 (6) : (1) Hnd 5,2 . (2) Hnd 5,3 . (3) Hnd 5,19 . (4) Hnd 5,20 . (5) Hnd 5,28 . (6) Hnd 5,37 .

tèi de ... komt in vijftien verzen in het NT voor : (1) Mt 26,17 . (2) Mt 27,62 . (3) Lc 1,57 . (4) Lc 24,1 . (5) Joh 20,1 . (6) Hnd 10,9 . (7) Hnd 10,23 . (8) Hnd 20,15 . (9) Hnd 21,1 . (10) Hnd 21,8 . (11) Hnd 21,18 . (12) Hnd 22,30 . (13) Hnd 23,11 . (14) Hnd 23,32 . (15) Rom 7,25 . In elf verzen staat het aan het begin van een vers .

bep. lidw. dat vr. enk. tè(i)   Joh 1 Joh 2 Joh 3 Joh 4 Joh 5 Joh 6 Joh 7 Joh 8 Joh 9 Joh 10 Joh 11 Joh 12 Joh 13 Joh 14 Joh 15 Joh 16 Joh 17 Joh 18 Joh 19 Joh 20 Joh 21
64     

Datief vrouwelijk enkelvoud . Ned. de . E. the . In vijf verzen in Joh 1 : (1) Joh 1,5 . (2) Joh 1,23 . (3) Joh 1,29 . . (4) Joh 1,35 . . (5) Joh 1,43 . In de laatste drie verzen staat het lidwoord telkens vóór epaurion ('s anderendaags) .

- nom. mann. mv. hoi (de) van het bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in NT : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das . Hnd (147) . Hnd 2 (7) : (1) Hnd 2,7 . (2) Hnd 2,9 . (3) Hnd 2,10 . (4) Hnd 2,14 . (5) Hnd 2,17 . (6) Hnd 2,41 . (7) Hnd 2,44 .

bepaald lidw. gen. mv. tôn (de) van het bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) OF voegwoord è (of) . Taalgebruik in NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mt : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd. : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das . Hnd (166) . Hnd 4 (7) : (1) Hnd 4,4 . (2) Hnd 4,11 . (3) Hnd 4,32 . (4) Hnd 4,34 . (5) Hnd 4,35 . (6) Hnd 4,36 . (7) Hnd 4,37 . Hnd 5 (12) : (1) Hnd 5,2 . (2) Hnd 5,9 . (3) Hnd 5,12 . (4) Hnd 5,13 . (5) Hnd 5,16 . (6) Hnd 5,17 . (7) Hnd 5,21 . (8) Hnd 5,23 . (9) Hnd 5,30 . (10) Hnd 5,32 . (11) Hnd 5,36 . (12) Hnd 5,38 .

- acc. mann. mv. tous van het bepaald lidw. ho , hè , to (de - het) OF voegwoord è (of) . Taalgebruik in NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd. : bepaald lidwoord . Website : http://mediatheek.thinkquest.nl/~kla020/algemeen_3/gramm.html . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das . Hnd (122) . Hnd 5 (10) : (1) Hnd 5,2 . (2) Hnd 5,5 . (3) Hnd 5,10 . (4) Hnd 5,11 . (5) Hnd 5,15 . (6) Hnd 5,18 . (7) Hnd 5,23 . (8) Hnd 5,24 . (9) Hnd 5,34 . (10) Hnd 5,40 .

  lidw. mv.   bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
10. nom. m. mv. hoi   4230 3257 973 196 101 165 125 147 169 70 462  587 
11. nom. vr. mv. .hai   983 849 134 30 15 24 2 15 27 21    
12. nom. + acc. onz. mv. ta   4361  3647  714  97  47  98  69  77  254  72     
13. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn   5178  4144  1034  178  90  119  98  166  267  116     
14. dat. m. + onz. mv. tois   2715  2179  536  96  47  65  36  82  193  17  208  244 
15. dat. vr. mv. tais   980  799  181  21  10  33  24  66  23  64  68 
16. acc. m. mv. tous   2960 2330 630 91 52 98 51 122 156 60    
17. acc. vr. enk. tas   1987  1674  313  36  27  42  19  57  96  36     
  Totaal     23394  18879  4515  745  389  644  404  690  1228  415  1778  2182 

 

lidw. mv. Mt 1 Mt 2 Mt 3 Mt 4 Mt 5 Mt 6 Mt 7 Mt 8 Mt 9 Mt 10 Mt 11 Mt 12 Mt 13 Mt 14 Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22 Mt 23 Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28
nom. m. mv. hoi   11  13  13  10  10  13  10  14  15 
nom. vr. mv. .hai                                                        
nom. + acc. onz. mv. ta                                                        
gen. m. + vr. + onz. mv. tôn                                                        
dat. m. + onz. mv. tois                                                        
dat. vr. mv. tais                                                        
acc. m. mv. tous                                                        
acc. vr. enk. tas                                                        
                                                         
                                                         

-- hoi (de) . Taalgebruik : lidwoord , zie Mt 28,18 . In 196 verzen bij Mt , zie Mt 2,5 . Mt 1 (0) . Mt 2 (3) . Mt 3 (1) . Mt 4 (3) . Mt 5 (11) . Mt 6 (4) . Mt 7 (8) . Mt 8 (6) . Mt 9 (13) . Mt 10 (3) . Mt 11 (3) . Mt 12 (13) . Mt 13 (10) . Mt 14 (9) . Mt 15 (7) . Mt 16 (5) . Mt 17 (7) . Mt 18 (3) . Mt 19 (5) . Mt 20 (10) . Mt 21 (13) . Mt 22 (10) . Mt 23 (3) . Mt 24 (7) . Mt 25 (5) . Mt 26 (14). Mt 27 (15) . Mt 28 (5) .

In drie verzen in Mt 2 : (1) Mt 2,5 . (2) Mt 2,9 . (3) Mt 2,20 .
In drie verzen in Mt 4 : (1) Mt 4,3 . (2) Mt 4,20 . (3) Mt 4,22 .
In dertien verzen in Mt 12 : (1) Mt 12,1 . (2) Mt 12,2 . (3) Mt 12,3 . (4) Mt 12,5 . (5) Mt 12,14 . (6) Mt 12,23 . (7) Mt 12,24 . (8) Mt 12,27 . (9) Mt 12,36 . (10) Mt 12,46 . (11) Mt 12,47 . (12) Mt 12,48 . (13) Mt 12,49 .


- limnè (meer) . λιμνη = limnè (meer) . Taalgebruik in het NT : limnè (meer) . Taalgebruik in de LXX : limnè (meer) . Een vorm van λιμνη = limnè in de LXX (5) : (1) Ps 107,35 . (2) Ps 114,8 . (3) Hl 7,5 . (4) 1 Mak 11,35 . (5) 2 Mak 12,16 , in het NT (11) . Lc (5) . Apk (6) .

- acc. vr. enk. λιμνην = limnèn van het zelfst. naamw. λιμνη = limnè (meer) . Taalgebruik in het NT : limnè (meer) . Taalgebruik in de LXX : limnè (meer) . Bijbel (9) . LXX (1) : 2 Mak 12,16 . Lc (4) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,2 . (3) Lc 8,23 . (4) Lc 8,33 . Apk (4) : (1) Apk 19,20 . (2) Apk 20,10 . (3) Apk 20,14 . (4) Apk 20,15 . Een vorm van λιμνη = limnè in de LXX (5) : (1) Ps 107,35 . (2) Ps 114,8 . (3) Hl 7,5 . (4) 1 Mak 11,35 . (5) 2 Mak 12,16 , in het NT (11) . Lc (5) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,2 . (3) Lc 8,22 . (4) Lc 8,23 . (5) Lc 8,33 . Apk (6) : (1) Apk 19,20 . (2) Apk 20,10 . (3) Apk 20,14 . (4) Apk 20,15 . (5) Apk 21,8 . In de LXX kan λιμνη = limnè de vertaling van 2 verschillende Hebreeuwse woorden zijn .

- gen. vr. enk. λιμνης = limnès van het zelfst. naamw. λιμνη = limnè (meer) . Taalgebruik in het NT : limnè (meer) . Taalgebruik in de LXX : limnè (meer) . Bijbel (1) : Lc 8,22 . Een vorm van λιμνη = limnè in de LXX (5) : (1) Ps 107,35 . (2) Ps 114,8 . (3) Hl 7,5 . (4) 1 Mak 11,35 . (5) 2 Mak 12,16 , in het NT (11) . Lc (5) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,2 . (3) Lc 8,22 . (4) Lc 8,23 . (5) Lc 8,33 . Apk (6) : (1) Apk 19,20 . (2) Apk 20,10 . (3) Apk 20,14 . (4) Apk 20,15 . (5) Apk 21,8 . In de LXX kan λιμνη = limnè de vertaling van 2 verschillende Hebreeuwse woorden zijn .


- λιθος = lithos (steen)

- lithos (steen) . λιθος = lithos (steen) . Taalgebruik in het NT : lithos (steen) . Taalgebruik in de LXX : lithos (steen) . Taalgebruik in Lc : lithos (steen) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  dat. mann. enk. lithô(i)   24  15         
  acc. mann. enk. lithon                              
                               

- acc. mann. enk. λιθον = lithon (steen) van het zelfst. naamw. λιθος = lithos (steen) . Taalgebruik in het NT : lithos (steen) . Taalgebruik in de LXX : lithos (steen) . Taalgebruik in Lc : lithos (steen) . Bijbel (81) . OT (57) . Gn (6) : (1) Gn 11,3 . (2) Gn 28,18 . (3) Gn 29,3 . (4) Gn 29,8 . (5) Gn 29,10 . (6) Gn 31,45 . NT (24) . Mc (4) : (1) . (2) . (3) . (4) . Lc (5) : (1) Lc 4,11 . (2) Lc 19,44 . (3) Lc 20,17 . (4) Lc 20,18 . (5) Lc 24,2 . Een vorm van λιθος = lithos in de LXX (306) , in het NT (58) , in Lc in 13 verzen : (1) Lc 3,8 . (2) Lc 4,3 . (3) Lc 4,11 . (4) Lc 11,11 . (5) Lc 17,2 . (6) Lc 19,40 . (7) Lc 19,44 . (8) Lc 20,17 . (9) Lc 20,18 . (10) Lc 21,5 . (11) Lc 21,6 . (12) Lc 22,41 . (13) Lc 24,2 . In Lc : 7 vormen in 9 hoofdstukken en 13 verzen .

- τον λιθον = ton lithon (de steen) . NT (10) : (1) Mt 21,44 . (2) Mt 27,66 . (3) Mt 28,2 . (4) Mc 16,3 . (5) Lc 20,18 . (6) Lc 24,2 . (7) Joh 8,7 . (8) Joh 11,39 . (9) Joh 11,41 . (10) Joh 20,1 .

- lithôi. Datief enkelvoud. In 24 verzen in de bijbel; in 15 verzen in het OT, in 9 verzen in het NT . nom. vr. mv. lithinai (stenen) van het bijvoegl. naamw. lithinos (stenen) . Zie : Bijbel (4) : (1) Ex 32,15 . (2) 1 K 8,9 . (3) Ez 40,42 . (4) Joh 2,6 . Een vorm van lithinos (stenen) in de LXX (24) , in het NT (3) .
- Een vorm van het zelfst. naamw. λιθος = lithos (steen) met het bepaald lidw. komt overeen met הָאֶבֶן = hâ´èbhèn (de steen) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֶבֶן = ´èbhèn (steen) . Taalgebruik in Tenakh : ´èbhèn (steen) . Getalwaarde : aleph = 1 , ben = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 17 OF 53 (priemgetal) . Structuur : 1 - 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (19) : (1) Gn 28,18 . (2) Gn 29,3 (2X) . (3) Gn 29,8 . (4) Gn 29,10 . (5) Ex 24,12 . (6) Ex 28,10 . (7) Joz 24,27 . (8) 1 S 4,1 . (9) 1 S 6,15 . (10) 1 S 17,49 . (11) 1 S 20,19 . (12) 2 S 20,8 . (13) 2 K 12,13 . (14) Jr 3,9 . (15) Ez 11,19 . (16) Ez 36,26 . (17) Zach 3,9 . (18) Zach 4,7 . (19) Zach 4,10 .

- dat. mann. mv. λιθοις= lithois (stenen) van het zelfsdt. naamw. λιθος = lithos (steen) . Taalgebruik in het NT : lithos (steen) . Taalgebruik in de LXX : lithos (steen) . Bijbel (47) . OT (44) . NT (3) . Mc (1) : Mc 5,5 .


- logizomai (rekenen, berekenen) . λογιζομαι = logizomai (rekenen, berekenen) . Taalgebruik in de Bijbel : logizomai (rekenen, berekenen) .
- ελογισθη = elogisthè (hij werd gerekend) van het werkw. λογιζομαι = logizomai (rekenen, berekenen) . Taalgebruik in de Bijbel : logizomai (rekenen, berekenen) . Bijbel (15) : (1) Gn 15,6 . (2) 2 S 19,44 . (3) Js 53,3 . (4) Js 53,12 . (5) Ps 106,31 . (6) 1 Mak 2,52 . (7) W 3,2 . (8) Lc 22,37 . (9) Rom 4,3 . (10) Rom 4,9 . (11) Rom 4,10 . (12) Rom 4,22 . (13) Rom 4,23 . (14) Gal 3,6 . (15) Jak 2,23 . Een vorm van λογιζομαι = logizomai in de LXX (121) , in het NT (40) , in Synopt. (1) , in Lc (1) .


- logos (woord) . λογος = logos (woord) . Taalgebruik in het NT : logos (woord) . Taalgebruik in Lc : logos (woord) . Taalgebruik in Hnd. : logos (woord) . Taalgebruik in de LXX : logos (woord) . Hebr. dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Fr. leçon , parole (parler) . Ned. woord . D. Wort . E. word . Een vorm van logos (woord) in de LXX (1238) , in het NT (331) .

  logos (woord) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev. 
1 nom. enk. logos 296 231 65 2 1 5 15 9 32 1 8 23 
2 gen. enk. logou 65 38 27 1 0 2 2 8 14 0    
3 dat. enk. logôi 92 47 45 3 2 3 3 8 26 0 11 
4 acc. enk. logon 347 220 127 17 18 10 14 31 30 7 45  59 
5 nom. mv. logoi 86 76 10 1 1 3 0 1 0 4    
6 gen. mv. logôn 133 124 9 1 0 3 2 1 1 1    
7 dat. mv. logois 88 71 17 0 1 3 0 3 10 0
8 acc. mv. logous 286 264 22 6 1 3 2 4 1 5    
  Totaal   1393  1071  322 31 24 32 38 65 114 18 87  125 

nom. mann. enk. logos (woord) . Taalgebruik in NT : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . 1 Kor (5) : (1) 1 Kor 1,18 . (2) 1 Kor 2,4 . (3) 1 Kor 12,8 . (4) 1 Kor 14,36 . (5) 1 Kor 15,54 .

-

acc. mann. mv. λογους = logous (woorden) van het zelfst. naamw. λογος = logos (woord) . Taalgebruik in het NT : logos (woord) . logos (woord) . Taalgebruik in de LXX : logos (woord) . Taalgebruik in Lc : logos (woord) . Taalgebruik in Hnd. : logos (woord) . Taalgebruik in de LXX : logos (woord) . Hebr. dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Fr. leçon , parole (parler) . Ned. woord . D. Wort . E. word . Een vorm van logos (woord) in de LXX (1238) , in het NT (331) . Hnd (4) : (1) Hnd 2,22 . (2) Hnd 5,5 . (3) Hnd 5,24 . (4) Hnd 16,36 .
- tous logouw toutous (deze woorden) . NT (12) : (1) Mt 7,24 . (2) Mt 7,26 . (3) Mt 7,28 . (4) Mt 19,1 . (5) Mt 26,1 . (6) Lc 9,28 . (7) Lc 9,44 . (8) Joh 10,19 . (9) Hnd 2,22 . (10) Hnd 5,5 . (11) Hnd 5,24 . (12) Hnd 16,36 .

(1) 1 Tes 1,5 (dat. enk. logôi) . (2) 1 Tes 1,6 (acc. enk. logon) . (3) 1 Tes 1,8 (nom. enk. logos) . (4) 1 Tes 2,5 (dat. enk. logôi) . (5) 1 Tes 2,13 ((acc. enk. logon) . (6) 1 Tes 4,15 (dat. enk. logôi) . (7) 1 Tes 4,18 (dat. mv. logois) .

  logos (woord) Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  P.  A.b 
1 nom. enk. logos 32                      
  ho logos tou theou (het woord van God)   6                                  
2 gen. enk. logou 14                                              
3 dat. enk. logôi 26                                              
4 acc. enk. logon 30             25 
  ton logon tou theou   4                                        
5 nom. mv. logoi 0                                              
6 gen. mv. logôn 1                                              
7 dat. mv. logois 10                                              
8 acc. mv. logous 1                                              
  Totaal   114                                              

 

logos (woord) . Taalgebruik : logos (woord) , zie Mt 7,24 .
- logous (woorden) . Taalgebruik : logos (woord) , zie Mt 7,24 . Accusatief mannelijk meervoud . In zes verzen bij Matteüs .
- tous logous toutous (deze woorden) komt voor bij het beëindigen van een rede nl . de bergrede (Mt 7,28) , de kerkrede (Mt 19,1) en de eschatologische rede (Mt 26,1) . Aan tous logous toutous (deze woorden) wordt hier in Mt 7,24 en Mt 7,26 voorafgegaan door mou (van mij) : al wie naar deze woorden van mij luistert .
Om een rede te beëindigen heeft Matteüs zich geïnspireerd op het einde van de Pentateuch nl. Dt 31,1 en Dt 32,45 zie Mt 7,28-29 . De woorden van Jezus worden in het verlengde van Mozes geplaatst, maar zijn meer dan een herhaling ervan. In de bergrede wordt in 14 verzen legô humin (ik zeg jullie) gebruikt. Jezus vertelt iets nieuws. Iedere godsdienst beroept zich op een stichter. Hij wordt gezien als een leermeester die gevolgd moet worden. Vaak zijn de volgelingen dan onvolmaakte copieën of doordrukken. De evolutie van het leven, het tijdelijke van een stichter, van een profeet wordt vaak over het hoofd gezien. Dat maakt wellicht het verschil uit tussen Jezus en de farizeeën. De farizeeën pluizen uit wat nog kan in het verlengde van Mozes. Jezus brengt nieuwe dingen. Volgens de farizeeën ging Jezus te ver.
Het probleem waarvoor Jezus stond , stelt zich ook nu . De katholieke kerk houdt wellicht te sterk aan één visie , waardoor oecumene moeilijk is . Daarenboven houdt ze zich aan een visie die op een bepaald moment een bepaalde richting is uitgegaan . Er is nood aan nieuwe visies ; het Nieuw Testament moet opnieuw bekeken worden om na te gaan wat weggeselecteerd werd of ondergesneeuwd is .
Bij de nadagen van paus Johannes-Paulus II wordt het wierookvat gebruikt en wordt de zaligverklaring ingezet . Paus Johannes-Paulus II moet in de eerste plaats gezien worden als primus inter pares (eerste onder gelijken - bisschop onder de bisschoppen) . Negatief aan zijn pontificaat is dat hij verschillende malen het gesprek heeft doen stopzetten , sommige theologen het zwijgen heeft opgelegd en sommige bisschoppen onder druk heeft gezet . Binnenkerkelijk heeft hij zich niet altijd als bisschop onder zijn gelijken gedragen . Dat neemt niet weg dat zijn grote verdienste ligt in zijn onnoembare bijdrage aan de val van het IJzeren Gordijn en het communisme . Het evangelie van Mt 7,24-27 als slot van de bergrede nodigt uit tot een kritische kijk op wat rondom ons gebeurt . We hoeven niet mee te gaan in het fan- en kijkcijfergedrag rondom de gestorven paus .

Een inspirerend denker, een profeet, zoals Jezus, brengt nieuwe gedachten en ideeën, nieuwe inzichten. Hij wil mensen aan het denken zetten en hen helpen hun eigen verantwoordelijkheid op te nemen. Hij is er in de eerste plaats niet op uit om volgelingen te werven. Volgelingen worden belangrijk wanneer je structuur en organisatie krijgt, met een leider, afspraken, leer. De sterke taal : wie niet naar mijn woorden luistert, zal het koninkrijk der hemelen niet binnengaan , kan wellicht aan de eerste christelijke gemeenschap worden toegeschreven. Het inspirerende denken stolt, wordt vastgelegd; de leiding verwacht dat de leden zich eraan houden. Het is toch verrassend hoe telkens weer in de geschiedenis mensen het gestolde doorbreken en hoe volgelingen het nieuwe en inspirerende opnieuw laten stollen. De mens is blijkbaar bang om zijn eigen verantwoordelijkheid op te nemen; hij voelt blijkbaar meer zekerheid als hij kan terugvallen op iemand anders, die voor hem de waarheid is. De mens is blijkbaar bang voor zijn eigen beperkte, relatieve waarheid.

Ook vandaag stelt zich de vraag : wie is een leerling van Jezus of wie behoort tot de kerk? Behoort hij die niet regelmatig naar de kerk gaat, tot de kerk? Wie niet alles wat de kerk (en het vaticaan) voorhoudt, gelooft en beleeft, behoort hij niet tot de kerk? Sommigen maken over het toebehoren tot de kerk geen probleem, anderen wel.
- logos (woord) . Taalgebruik : logos (woord) , zie Mt 7,24 . Zelfstandig naamwoord nominatief mannelijk enkelvoud . In 296 verzen in de bijbel . In vijfenzestig verzen in het NT . In negen verzen in Hnd : (1) Hnd 6,5 . (2) Hnd 6,7 . (3) Hnd 11,22 . (4) Hnd 12,24 . (5) Hnd 13,15 . (6) Hnd 13,26 . (7) Hnd 13,49 . (8) Hnd 17,13 . (9) Hnd 19,20 .
-- ho logos . Taalgebruik : logos (woord) , zie Mt 7,24 . Bepaald lidwoord nominatief mannelijk enkelvoud ho (de) en zelfstandig naamwoord nominatief mannelijk enkelvoud logos (woord) . In tweeënzestig verzen in het NT . In acht van de negen verzen van hierboven ; niet in Hnd 13,15 .
-- ho logos tou theou (het woord van God) . Taalgebruik : logos (woord) , zie Mt 7,24 . In twaalf verzen in het NT : Lc (1) . Joh (1) . In drie verzen in Hnd : (3) Hnd 6,7 . (4) Hnd 12,24 . (5) Hnd 17,13 . Andere boeken van het NT (7) .
--- logon (woord) . Taalgebruik : logos (woord) , zie Mt 7,24 . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Accusatief mannelijk enkelvoud van het zelfstandig naamwoord logos (woord) . In 347 verzen in de bijbel . In 127 verzen in het NT . Mt (17) . Mc (18) . Lc (10) . Joh (14) . Hnd (31) :
(1) Hnd 1,1 : ton men prôton logon (het eerste boek enerzijds) .
(2) Hnd 2,41 : hoi men oun apodexamenoi ton logon autou (enerzijds zij die derhalve zijn woord ont-vingen) .
(3) Hnd 4,4 : polloi de akousantôn ton logon (velen echter van wie het woord hoorden) .
(4) Hnd 4,29 : lalein ton logon sou (uw woord te spreken) .
(5) Hnd 4,31 : elaloun ton logon tou theou (zij spraken het woord van God) .
(6) Hnd 6,2 : ton logon tou theou (het woord van God) .
(7) Hnd 8,4 : euaggelizomenoi ton logon (het woord verkondigend) .
(8) Hnd 8,14 : hoti dedektai ... ton logon tou theou (dat Samaria het woord van God heeft ontvangen) .
(9) Hnd 8,25 : lalèsantes ton logon tou kuriou (sprekend het woord van de Heer) .
(10) Hnd 10,36 : ton logon (het woord) .
(11) Hnd 10,44 : pantas tous akouontas ton logon (al wie hoort het woord) .
(12) Hnd 11,1 : hoti kai ta ethnè edexanto ton logon tou theou (dat ook de heidenen het woord van God ontvingen) .
(13) Hnd 11,19 : lalountes ton logon (sprekend het woord) .
(14) Hnd 13,5 : katèggellon ton logon tou theou (zij verkondigden het woord van God) .
(15) Hnd 13,7 : akousai ton logon tou theou (te horen het woord van God) .
(16) Hnd 13,44 : akousai ton logon tou theou (het woord van God) .
(17) Hnd 13,46 : lalèthènai ton logon tou theou (gesproken te worden het woord van God) .
(18) Hnd 13,48 : edoxazon ton logon tou kuriou (zij verheerlijkten het woord van de Heer) .
(19) Hnd 14,25 : lalèsantes ... ton logon (sprekend ... het woord) .
(20) Hnd 15,7 : akousai ta ethnè ton logon tou euaggeliou (dat de heidenvolkeren het woord van het evangelie horen) .
(21) Hnd 15,35 : euaggelizomenoi ... ton logon tou kuriou (verkondigend het woord van de Heer) .
(22) Hnd 15,36 : katèggeilamen ton logon tou kuriou (wij verkondigden het woord van de Heer) .
(23) Hnd 16,6 : lalèsai ton logon (om het woord te spreken) .
(24) Hnd 16,32 : kai elalèsan autôi ton logon tou kuriou (en zij spraken het woord van de Heer) .
(25) Hnd 17,11 : edexanto ton logon (zij ontvingen het woord) .
(26) Hnd 18,11 : didaskôn ... ton logon tou theou (lerend het woord van God) .
(27) Hnd 18,14 : kata logon (tegenwoord, aanklacht) .
(28) Hnd 19,10 : akousai ton logon tou kuriou (te horen het woord van de Heer) .
(29) Hnd 19,38 : logon (een woord, zaak) .
(30) Hnd 19,40 : logon (woord, verantwoording) .
(31) Hnd 20,7 : ton logon (het woord) .
Voor logon (woord) staat het bepaald lidwoord ton wanneer de boodschap bedoeld is , in het andere geval staat er geen lidwoord : (1) Hnd 18,14 . (2) Hnd 19,38) . (3) Hnd 19,40 . Ton logon (het woord) in 28 verzen .
- Zonder nadere bepaling (in absolute zin) : (1) Hnd 4,4 . (2) Hnd 8,4 . (3) Hnd 10,36 . (4) Hnd 10,44 . (5) Hnd 11,19 . (6) Hnd 14,25 . (7) Hnd 16,6 . (8) Hnd 17,11 . (9) Hnd 20,7 .
- ton logon tou theou (het woord van God) NT (21) . Mc (1) . Lc (3) . Hnd (9) . Br. (4) . Apk (4) .
ton logon tou kuriou (het woord van de Heer) (6) . Met een persoonlijk voornaamwoord : (1) Hnd 2,41 . (2) Hnd 4,29 .
ton logon met de nadere bepaling tou euaggeliou (van de goede boodschap) : Hnd 15,7 .
Een vorm van logos (woord) komt in absolute zin voor . In vijf verzen in Matteüs : in Mt 13,20 . Mt 13,22 . Mt 13,23 : houtos estin ho ton logon akouôn (hij is degene die naar het woord luistert) . In acht verzen bij Marcus . In drie verzen bij Lucas . Het is hét Woord. Het staat voor het evangelie. Het is een term van de primitieve kerk . Dit gebruik in de evangelies komt enkel voor in de uitleg van de parabel van de zaaier .
-- τον λογον του θεου = ton logon tou theou (het woord van God) . NT (21) . Mc (1) : Mc 7,13 . Lc (3) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 8,21 . (3) Lc 11,28 . Hnd (9) : (1) Hnd 4,31 . (2) Hnd 6,2 . (3) Hnd 8,14 . (4) Hnd 11,1 . (5) Hnd 13,5 . (6) Hnd 13,7 . (7) Hnd 13,44 . (8) Hnd 13,46 . (9) Hnd 18,11 . Brieven (4) . Apk (4) . Vier verzen komen voor in de eerste zendingsreis van Paulus en Barnabas .
-- ton logon tou kuriou (het woord van de Heer) . Taalgebruik : logos (woord) , zie Mt 7,24 . In het NT enkel in Hnd : (1) Hnd 8,25 . (2) Hnd 13,48 . (3) Hnd 15,35 . (4) Hnd 15,36 . (5) Hnd 16,32 . (6) Hnd 19,10 .
-- Met een persoonlijk voornaamwoord : (1) Hnd 2,41 . (2) Hnd 4,29 .
-- ton logon met de nadere bepaling tou euaggeliou (van de goede boodschap) : Hnd 15,7 .
-- Een vorm van het werkwoord akouô (horen, luisteren) met het lijdend voorwerp ton logon , in Hnd :
(1) Hnd 4,4 : polloi de akousantôn ton logon (velen echter van wie het woord hoorden) .
(2) Hnd 10,44 : pantas tous akouontas ton logon (al wie hoort het woord) .
(3) Hnd 13,7 : akousai ton logon tou theou (te horen het woord van God) .
(4) Hnd 13,44 : akousai ton logon tou theou (het woord van God) .
(5) Hnd 19,10 : akousai ton logon tou kuriou (te horen het woord van de Heer) .
Een vorm van het werkwoord laleô (spreken) met het lijdend voorwerp ton logon (het woord) komt in Hnd in acht verzen voor .
Er is progressie in de werkwoorden : het woord spreken - naar het woord luisteren - het woord ontvangen .

 


- lupeô (kwetsen, pijn doen) . lupeô (kwetsen, pijn doen) , pass. bedroeven . Taalgebruik in het NT : lupeô (kwetsen, pijn doen) . Taalgebruik in Mc : lupeô (kwetsen, pijn doen) .

  lupeô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  pass. part. praes. nom. mann. enk. lupoumenos            
  pass. inf. praes. lupeisthai                  
                               

- lusitele˘ (voordeliger zijn , beter zijn) . lusiteleô (voordeliger zijn , beter zijn) . Taalgebruik in het NT : lusitele˘ (voordeliger zijn , beter zijn) . Taalgebruik in de LXX : lusiteleô (voordeliger zijn , beter zijn) .

- act. ind. praes. 3de pers. enk. lusitelei (het is nuttig, beter, voordeliger)


- lutron (losprijs) . λυτρον = lutron (losprijs) . Taalgebruik in het NT : lutron (losprijs) . Taalgebruik in de LXX : lutron (losprijs) . Taalgebruik in Mc : lutron (losprijs) . Bijbel (3) : (1) Spr 13,8 . (2) Mt 20,28 . (3) Mc 10,45 .

lutron (losprijs)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + acc. onz. enk. lutron                
gen. onz. mv. lutrou                         
dat. onz. enk. lutrô(i)                        
totaal                            

- λυτρωσις = lutrôsis (loskopen, verlossing)

- lutrôsis (loskopen, verlossing) . λυτρωσις = lutrôsis (loskopen, verlossing) . Taalgebruik in de LXX : lutrôsis (loskopen, verlossing) . Taalgebruik in het NT : lutrôsis (loskopen, verlossing) . Taalgebruik in Lc : lutrôsis (loskopen, verlossing) . In de LXX kan een vorm van λυτρωσις = lutrôsis de vertaling van 2 Hebreeuwse werkw. zijn .
- acc. vr. enk. λυτρωσιν = lutrôsin (loskoping, verlossing) van het zelfst. naamw. λυτρωσις = lutrôsis (loskoping, verlossing) . Taalgebruik in de LXX : lutrôsis (loskopen, verlossing) . Taalgebruik in het NT : lutrôsis (loskopen, verlossing) . Bijbel (5) . OT (2) : (1) Re 1,15 . (2) Ps 111,9 . NT (3) . Lc (2) : (1) Lc 1,68 . (2) Lc 2,38 . En : Heb 9,12 . Een vorm van λυτρωσις = lutrôsis (loskoping, verlossing) in de LXX (15) , o.a. : (1) Lv 25,29 . (2) Lv 25,48 . (3) Nu 18, 16 . (4) Re 1,15 . (5) Js 63,4 . (6) Ps 49,9 . (7) Ps 130,7 . (8) Ps 111,9 , in het NT (3) (zie hoger) .

  lutrôsis  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. vr. enk. lutrôsis                         
  acc. vr. enk. lutrôsin                
                               

- λυτροω = lutroô (loskopen, verlossen) . Een vorm van λυτροω = lutroô (loskopen, verlossen) in de LXX (108) , in het NT (3) , in Lc (1) .
- act. ind. aor. 3de pers. enk. ελυτρωσατο = elutrôsato (hij kocht los, hij verloste) van het werkw. λυτροω = lutroô (loskopen, verlossen) . Zie het zelfst. naamw. λυτρωσις = lutrôsis (loskopen, verlossing) . Taalgebruik in de LXX : lutrôsis (loskopen, verlossing) . Taalgebruik in het NT : lutrôsis (loskopen, verlossing) . Bijbel (14) : (1) Dt 7,8 . (2) Dt 15,15 . (3) Dt 24,18 . (4) 2 S 4,9 . (5) 1 K 1,29 . (6) Js 44,23 . (7) Js 63,9 . (8) Jr 31,11 . (9) Ps 78,42 . (10) Ps 106,10 . (11) Ps 107,2 . (12) Ps 136,24 . (13) Da 6,28 . (14) Sir 48,20 . In de LXX kan een vorm van λυτροω = lutroô de vertaling van 10 Hebreeuwse woorden zijn .