NIEUWE TESTAMENT : TAALGEBRUIK O

Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -

Overzicht van Tenach : Tenach : overzicht , Tenach : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenach : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,

- ochlos (menigte) -- oida (ik weet) -- eiden (hij zag) -- oikia (huis) -- oligon (een weinig) -- opisô (achter) -- opsia (avond) -- ou - ouk - ouch (niet) -


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
 
1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm . WEBLOG : BIJBELLEERHUIS
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts (Vlaams Blok) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen -

Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , bijbelTaalgebruiken - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

2-
OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jd+t (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


OPGELET : De getallen verwijzen steeds naar het aantal verzen waarin een 'woord' voorkomt . Eenzelfde 'woord' kan echter meerdere malen in hetzelfde vers voorkomen .

  NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
boeknr.  27 40 41 42 43 44 45 - 65 66    
hoofdst.  260 28 16 24 21 28 121 22 68  89 
verzen  7957 1071 678 1151 8797 1007 2767 404 2900  3779 

  NT Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul. Ap. br.
boeknr.  27 (aantal)   45  46  47  48  49  50  51  52  53  54  55  56  57  58  59  60  61  62  63  64  65     
hoofdst.  260 121 16  16  13  13  100 21
verzen  7957 2767 433  437  257  149  155  104  95  89  47  113  83  46  25  303  108  105  61  105  13  14  25  2336  431 

- οχλος = ochlos (menigte)

- ochlos (menigte) . οχλος = ochlos (menigte) . Taalgebruik in het NT : ochlos (menigte) . Taalgebruik in de LXX : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Lc : ochlos (menigte) Hnd () : (1) Hnd 1,15 . (2) Hnd 6,7 . (3) Hnd 11,24 . (4) Hnd 16,22 . Een vorm van οχλος = ochlos in de LXX (55) , in het NT (174) , in Hnd (22) . Joh (12) : (1) Joh 6,2 . (2) Joh 6,5 . (3) Joh 6,22 . (4) Joh 6,24 . (5) Joh 7,20 . (6) Joh 7,49 . (7) Joh 12,9 . (8) Joh 12,12 . (9) Joh 12,17 . (10) Joh 12,18 . (11) Joh 12,29 . (12) Joh 12,34 . In de LXX is οχλος = ochlos de vertaling van 9 Hebreeuwse werkwoorden .

  ochlos (menigte)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Apk syn.  ev. 
1 nom. mann. enk. ochlos  49  45  13  12  28  40 
2 gen. mann. enk. ochlou  31  25  15  19 
3 dat. mann. enk. ochlô(i)  21  10  11    10 
4 acc. mann. enk. ochlon  41  35  10  13    27  29 
  enk. 142 26 116 19 35 25 19 15 3 79 98
5 nom. mann. mv. ochloi   28    28  14  10      25  25 
6 gen. mann. mv. ochlôn            
7 dat. mann. mv. ochlois  16  11      10 
8 acc. mann. mv. ochlous  22  17  10        13  13 
  mv.  70 13  29  17  16    48  49 
  totaal enk. en mv. 212 39  173  50  36  41  20  23  127  147 

- nom. mann. mv. οχλοι = ochloi (menigten) van het werkw. οχλος = ochlos (menigte) . Taalgebruik in het NT : ochlos (menigte) . Taalgebruik in de LXX : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Lc : ochlos (menigte) . Een vorm van οχλος = ochlos in de LXX (55) , in het NT (174) .

- Ochloi (menigten). Nominatief meervoud. In 14 verzen bij Matteüs, zie Mt 4,20 en Mc 2,13 .
- ochlon (menigte) . Accusatief enkelvoud. In tien verzen bij Matteüs : (1) Mt 8,18 . (2) Mt 9,23 . (3) Mt 14,5 . (4) Mt 14,14 . (5) Mt 15,10 . (6) Mt 15,31 . (7) Mt 15,32 . (8) Mt 15,33 . (9) Mt 17,14 . (10) Mt 21,26 .

- Ochloi (menigten). Nominatief meervoud. Slechts in één bijbelvers nl. in Mc 10,1 . In 14 verzen bij Matteüs, zie Mt 4,20 en Mc 2,13 .
- ochlon (menigte) . Accusatief enkelvoud. In eenenveertig verzen in de bijbel . In zes verzen in het OT . In vijfendertig verzen in het NT . In tien verzen bij Matteüs : (1) Mt 8,18 . (2) Mt 9,23 . (3) Mt 14,5 . (4) Mt 14,14 . (5) Mt 15,10 . (6) Mt 15,31 . (7) Mt 15,32 . (8) Mt 15,33 . (9) Mt 17,14 . (10) Mt 21,26 . In dertien verzen bij Marcus : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 3,9 . (3) Mc 4,36 . (4) Mc 5,31 . (5) Mc 6,34 . (6) Mc 6,45 . (7) Mc 7,14 . (8) Mc 8,2 . (9) Mc 8,34 . (10) Mc 9,14 . (11) Mc 11,32 . (12) Mc 12,12 . (13) Mc 15,11 . polun ochlon (een grote menigte) . In twee verzen : (1) Mt 14,14 . (2) Mc 6,34 . In Mc 9,14 lezen we ochlon polun (een grote menigte) . Het bepaald lidwoord wordt bij het zelfstandig naamwoord accusatief enkelvoud ochlon (menigte) gebruikt , tenzij een bijvoeglijk naamwoord het zelfstandig naamwoord nader bepaald . Uitzonderingen hierop zijn : (1) Mt 8,18 . (2) Hnd 21,27 . Het bepaald lidwoord wordt in zesentwintig van de vijfendertig verzen gebruikt .

- οχλοι πολλοι = ochloi polloi (vele menigten) . NT (8) : (1) Mt 4,25 . (2) Mt 8,1 . (3) Mt 12,15 . (4) Mt 13,2 . (5) Mt 15,30 . (6) Mt 19,2 . (7) Lc 5,15 . (8) Lc 14,25 .


- ofrus (hoogte, heuvelrand) . ofrus (hoogte, heuvelrand) . Taalgebruik in het NT : ofrus (hoogte, heuvelrand) . Taalgebruik in Lc : ofrus (hoogte, heuvelrand)

  ofrus  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  gen. vr. enk. ofruos                    
                               

- οφθαλμος = ofthalmos (oog)

- ofthalmos (oog) . nom. mann. enk. οφθαλμος = ofthalmos (oog) . Taalgebruik in het NT : ofthalmos (oog) . Taalgebruik in de LXX : ofthalmos (oog) . Taalgebruik in Lc : ofthalmos (oog) . Taalgebruik in Hnd : ofthalmos (oog) . Een vorm van οφθαλμος = ofthalmos (oog) in de LXX (678) , in het NT (100) .
- dat. mann. mv. οφθαλμοις = ofthalmois van het zelfst. naamw. οφθαλμος = ofthalmos (oog) . Taalgebruik in het NT : ofthalmos (oog) . Taalgebruik in de LXX : ofthalmos (oog) . Bijbel (159) . LXX (155) . NT (4) . Een vorm van οφθαλμος = ofthalmos (oog) in de LXX (678) , in het NT (100) .
- acc. mann. mv. ofthalmous (ogen) . Bijbel (173) . Pentateuch (14) . Eerdere Profeten (22) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (27) . Gn (4) : (1) Gn 13,10 . (2) Gn 21,19 . (3) Gn 39,7 . (4) Gn 46,4 .
- Lat. oculus . Fr. oeil (yeux) . E. eye . Ned. oog . D. Aug .


- ofeilèma (schuld, verplichting) . οφειλημα = ofeilèma (schuld, verplichting) . Taalgebruik in het NT : ofeilèma (schuld, verplichting) . Een vorm van οφειλημα = ofeilèma (schuld, verplichting) in de LXX (4) , in het NT (2) .

- nom. en acc. onz. mv. οφειληματα = ofeilèmata (schulden, verplichtingen) . Bijbel (1) : Mt 6,12 .


oida bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. 2de p. mv. oidate 73 14 59 7 5 2 10 3 32   14 24
ouk oidate     29    14    15 
Totaal  412  170  242  20  16  16  57  12  109  12  52 109 

In vijf verzen in Mc : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 10,38 . (3) Mc 10,42 . (4) Mc 13,33 . (5) Mc 13,35 . ouk oidate : In vier verzen in Mc ; niet in (3) Mc 10,42 .


- οιδα = oida (ik weet)

- oida (ik weet) . οιδα = oida (ik weet) . Taalgebruik in het NT : oida (ik weet) . Taalgebruik in de LXX : oida (ik weet) .

oida bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. pr. 3de p. enk. oiden  57  35  22    10  10 
ind. 2de p. enk. oidas  39  23  16    4 10 
act. ind. perf. 1ste pers. enk. oida 87  38  49  13  11  13  26 
ind. 2de p. mv. oidate 73 14 59 7 5 : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 10,38 . (3) Mc 10,42 . (4) Mc 13,33 . (5) Mc 13,35 . 2 10 3 32   14 24
1ste pers. mv. oidamen   49  40  16  18     21 
act. ind. plusqperf. 3de pers. mv. è(i)deisan 23  15       
part. nom. mann. enk. eidôs 35 14 21 1 2 3 5 3 6 1 6 11
part.nom. m. + vr. mv. eidotes 37 14 23 1 1 1 1   19   3 4
part. nom. + acc.onz. mv. eidota                
inf. eidenai   28  17  11         
A                        
Totaal  412  170  242  20  16  16  57  12  109  12  52 109 

oida bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. 2de p. mv. oidate 73 14 59 7 5 2 10 3 32   14 24
ouk oidate     29    14    15 
Totaal  412  170  242  20  16  16  57  12  109  12  52 109 

In vijf verzen in Mc : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 10,38 . (3) Mc 10,42 . (4) Mc 13,33 . (5) Mc 13,35 . ouk oidate : In vier verzen in Mc ; niet in (3) Mc 10,42 .

- act. part. aor. nom. mann. enk. ειδως = eidôs (wetende) van het werkw. οιδα = oida (ik weet) . Taalgebruik in het NT : oida (ik weet) . Taalgebruik in de LXX : oida (ik weet) . Joh (5) : (1) Joh 6,61 . (2) Joh 13,1 . (3) Joh 13,3 . (4) Joh 18,4 . (5) Joh 19,28 . Een vorm van in de LXX (283) , in het NT (321) .
- ειδως δε = eidôs de (wetende echter) . NT (2) : (1) Mt 12,25 . (2) Joh 6,61 .
- ειδως ὁ Ιησους = eidôs ho Ièsous (Jezus wetende) . NT (3) : (1) Joh 13,1 . (2) Joh 13,3 . (3) Joh 19,28 . ειδως δε ὁ Ιησους = eidôs de ho Ièsous (Jezus echter wetende) . NT (2) : (1) Mt 12,25 . (2) Joh 6,61 .


- eiden (hij zag) . Taalgebruik : eiden (hij zag) .

idôn (gezien) . Taalgebruik : idôn (gezien) , zie Mt 2,16 . Actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud . In 106 verzen in de bijbel . In vijfenveertig verzen in het OT . In eenenzestig verzen in het NT . In twaalf verzen bij Matteüs : (1) Mt 2,16 . (2) Mt 3,7 . (3) Mt 5,1 . (4) Mt 8,18 . (5) Mt 9,2 . (6) Mt 9,4 . (7) Mt 9,22 . (8) Mt 9,23 . (9) Mt 9,36 . (10) Mt 21,19 . (11) Mt 27,3 . (12) Mt 27,24 . Idôn (gezien) veronderstelt altijd een voorwerp of voorwerpszin . Bij Matteüs komt het in drie verzen voor met een objectzin : (1) Mt 2,16 : Herodes . (2) Mt 27,3 : Judas . (3) Mt 27,24 : Pilatus .

 

Mt 2,16 : Herodes Mt 27,3 : Judas Mt 27,24 : Pilatus
Tote (toen) Tote (toen)  
Hèrôdès(Herodes) idôn (gezien) idôn (gezien) Ioudas ho paradidous auton (Judas die hem overlevert) idôn de ho Pilatos (Gezien echter Pilatus)
hoti (dat) enepaichthè hupo tôn magôn (dat hij misleid werd door de magiërs) hoti (dat) katekrithè (dat hij werd veroordeeld) hoti ouden ôfelei (dat niets hielp)...
 

brengt de dertig zilverstukken terug

laat een kom water brengen en wast zijn handen in het bijzijn van het volk
  èmarton paradous haima athôion ( ik heb gezondigd. Ik leverde onschuldig bloed uit) athôios eimi apo tou haimatos toutou ( onschuldig ben ik aan dit bloed)
  Mt 27,4 : su opsèi (u ziet maar) humeis opsesthe ( u ziet maar)
12. Vlucht naar Egypte en terugkeer : Mt 2,13-23 - 337. Einde van Judas : Mt 27,3-10 - 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 -

Jezus is in acht verzen het onderwerp , in de andere vier gevallen is het Herodes , Johannes de Doper , Judas en Pilatus . In vier van de acht verzen , waarin Jezus onderwerp is , is een vorm van ochlos (menigte) het lijdend voorwerp . In Mt 5,1 wordt het eerst met betrekking tot Jezus gebruikt en we zien een identieke deelwoordzin : idôn de tous ochlous (gezien echter de menigten) met Mt 9,36 .

Mt 5,1 idôn de tous ochlous (gezien echter de menigten)
Mt 8,18 idôn de ho Ièsous ochlon (gezien echter Jezus een menigte)
Mt 9,23 kai idôn tous aulètas kai ton ochlon (en gezien de fluitspelers en de menigte)
Mt 9,36 idôn de tous ochlous esplagchnisthè peri autôn oti èsan eskulmenoi kai errimmenoi ôsei probata mè echonta poimena (gezien echter de menigten werd hij door medelijden bewogen over hen omdat zij waren vermoeid en afgetobd als schapen die geen herder hebben)

- idontes (gezien) . idontes (gezien) . Taalgebruik : idontes (gezien) , zie Mt 2,16 . In drieënzestig verzen in de bijbel . In tweeëntwintig verzen in het OT . In eenenveertig verzen in het NT . Mt (14) . Mc (5) . Lc (9) . Joh (4) . Hnd (5) . Brieven (4) . In veertien verzen bij Matteüs : (1) Mt 2,10 . (2) Mt 8,34 . (3) Mt 9,8 . (4) Mt 9,11 . (5) Mt 12,2 . (6) Mt 14,26 . (7) Mt 18,31 . (8) Mt 21,15 . (9) Mt 21,20 . (10) Mt 21,32 . (11) Mt 21,38 . (12) Mt 26,8 . (13) Mt 27,54 . (14) Mt 28,17 . In vijf verzen bij Marcus . In negen verzen bij Lucas . In vijf verzen in Hnd .


-- idontes de (gezien echter) . In twaalf verzen in het NT . Mt (4) . Lc (6) . Hnd (2) . Hierop volgt vaak het onderwerp in de nominatief mannelijk of vrouwelijk meervoud ingeleid door het bepaald lidwoord hoi of hai . In vijf verzen bij Mt : (1) Mt 2,10 . (3) Mt 9,8 .(8) Mt 21,15 . (12) Mt 26,8 .
-- kai idontes (en gezien) . In negen verzen in het NT : Mt (4) . Mc (1) .Lc (6) . Hnd (1) . (2) Mt 8,34 . (4) Mt 9,11 . (9) Mt 21,20 . (14) Mt 28,17 .
- eiden (hij zag) . Actief aorist derde persoon enkelvoud . In 262 verzen in de bijbel . In 220 verzen in het OT . In tweeënveertig verzen in het NT . In tien verzen bij Matteüs : (1) Mt 3,16 . (2) Mt 4,16 . (3) Mt 4,18 . (4) Mt 4,21 . (5) Mt 8,14 . (6) Mt 9,9 . (7) Mt 14,14 . (8) Mt 20,3 . (9) Mt 22,11 . (10) Mt 26,71 . In vijf verzen bij Marcus : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,16 . (3) Mc 1,19 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 6,34 .

  zien  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  part. aor. nom. mann. enk. idôn  106  45  61  12  12  20  12  44  47   
  part. aor. nom. mann. mv. idontes   63  22  41  14    28  32     
  ind. aor. 3de pers. enk. eiden  262  220  42  10  12  19  26     
  ind. aor. 3de pers. mv.   274  198  76  45  15  21     
  totaal 705  485  220  39  29  38  20  35  11  48  106  126     

zien  Mt Mc Lc ev.  syn. 
ind. aor. 3de pers. enk. eiden  10 : (1) Mt 3,16 . (2) Mt 4,16 . (3) Mt 4,18 . (4) Mt 4,21 . (5) Mt 8,14 . (6) Mt 9,9 . (7) Mt 14,14 . (8) Mt 20,3 . (9) Mt 22,11 . (10) Mt 26,71 . 5 : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,16 . (3) Mc 1,19 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 6,34 . 4 : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 15,20 . (3) Lc 21,1 . (4) Lc 21,2 . 26  (1) Mt 3,16 // Mc 1,10 .  (2) Mt 4,18 // Mc 1,16 . (3) Mt 4,21 // Mc 1,19 . (4) Mt 9,9 // Mc 2,14 . (5) Mt 14,14 // Mc 6,34 .
totaal 39  29  38  126  126 

- οικια = oikia (huis)

- oikia (huis) . οικια = oikia (huis) . Taalgebruik in het NT : oikia (huis) . Taalgebruik in de LXX : oikia (huis) . Taalgebruik in Mc : oikia (huis) . Taalgebruik in Lc : oikia (huis) . Hebr. be(j)th (huis) . Taalgebruik in Tenach : be(j)th (huis) . Lat. domus . Fr. maison . Ned. huis . E. house . D. Hause . Een vorm van οικια = oikia (huis) in de LXX (268) , in het NT (94) , in Lc (25) , in Hnd (12) .

- eis tèn oikian (naar het huis) . LXX (28) . NT (18) . Mt (8) . Mc (4) . Lc (5) . Hnd (1) . komt achttienmaal voor in het NT . Achtmaal bij Matteüs . Viermaal bij Marcus . Vijfmaal bij Lucas . Eénmaal in Hnd . Bij Matteüs : vijfmaal in combinatie met een werkwoordvorm van erchomai (gaan) , driemaal in combinatie met een werkwoordvorm van eiserchomai (binnengaan)

oikia (huis)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat. vr. enk. oikia(i)  73  39  34    21  26     
gen. vr. enk. en acc. vr. mv. oikias  85  68  17        13  13   
acc. vr. enk. oikian   119  81  38  11  12      30  30 
nom. vr. mv. oikiai   17  17                         
gen. vr. mv. oikiôn  16  15  1                    
dat. vr. enk. oikiais                         
totaal 318  228  90  24  16  24  12    64  69     

 

oikia (huis)  Mt Mc Lc syn. 
nom. + dat. vr. enk. oikia(i)  9 : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . 5 : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) .  7 : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) .   21 
gen. vr. enk. en acc. vr. mv. oikias  4 : (1) . (2) . (3) . (4) .   4 : (1) . (2) . (3) . (4) .   5 : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) .  13 
acc. vr. enk. oikian   11 : (1) Mt 2,11 . (2) Mt 7,24 . (3) Mt 7,26 . (4) Mt 8,14 . (5) Mt 9,23 . (6) Mt 9,28 . (7) Mt 10,12 . (8) Mt 12,29 . (9) Mt 13,36 . (10) Mt 17,25 . (11) Mt 24,43 . 7 : (1) Mc 1,29 . (2) Mc 3,27 . (3) Mc 6,10 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 10,10 . (6) Mc 10,29 . (7) Mc 13,34.   12 : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 6,48 . (3) Lc 6,49 . (4) Lc 7,44 . (5) Lc 8,51 . (6) Lc 9,4 . (7) Lc 10,5 . (8) Lc 10,7 . (9) Lc 15,8 . (10) Lc 18,29 . (11) Lc 22,10 . (12) Lc 22,54 . 30 : (1) Mt 7,24 // Lc 6,48 . (2) Mt 7,26 // Lc 6,49 . (3) Mt 8,14 // Mc 1,29 // Lc 4,38 . (4) Mt 12,29 // Mc 3,27 . (5) Mc 6,10 // Lc 9,4 . (6) Mc 10,29 // Lc 18,29 // Mt 19,29 .
totaal 24  16  24  64 

- oikia (huis) , zie Mc 1,29 . - Oikian (huis). In 11 verzen bij Matteüs, zie oikia (huis) in Mc 1,29 : (1) Mt 2,11 zie elthontes (gegaan, gekomen) in Mt 2,11 . (2) Mt 7,24 (huis op de rots) . (3) Mt 7,26 (huis op zand) . (4) Mt 8,14 zie elthôn (gegaan, gekomen) . (5) Mt 9,18 zie elthôn (gegaan, gekomen) . (6) Mt 9,28 (elthonti de eis tèn oikian - zij kwamen dichterbij hem die echter naar huis kwam) . (7) Mt 10,12 (eiserchomenoi de eis tèn oikian - terwijl jullie echter in het huis binnengaan) . (8) Mt 12,29 (eiselthein eis oikian tou ischurou - in het huis van de sterke binnengaan) . (9) Mt 13,36 (èlthen eis tèn oikian - ging hij naar het huis) . (10) Mt 17,25 (elthonta eis tèn oikian - gekomen in het huis) (11) Mt 24,43 (zijn huis verwoesten) .


- oikos (huis) . oikos (huis) . Taalgebruik in het NT : oikos (huis) . Taalgebruik in Lc : oikos (huis) . Taalgebruik in Hnd : oikos (huis) . Taalgebruik in de Septuaginta : oikos (huis) . Hebr. be(j)th (huis) . Taalgebruik in Tenach : be(j)th (huis) . Getalwaarde van be(j)th ; beth = 2 , jod = 10 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 412) . Tenach (911) . Lat. domus . Fr. maison . Ned. huis . E. house . D. Hause . Een vorm van oikos in de LXX (2062) , in het NT (112) .

  oikos (huis)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. mann. enk. oikos  222  207  15     
2 gen. mann. enk. oikou   469  457  12     
3 dat. mann. enk. oikô(i)  358  338  20       
4 acc. mann. enk. oikon   592  536  56  10  19  11  10    33  35  10   
5 nom. mann. mv. oikoi  19  19                         
6 gen. mann. mv. + part. pr. nom. mann. enk.   30  28                   
7 dat. mann. enk. oikois   18  17                 
8 acc. mann. mv. oikous   110  106           
  totaal 1818  1708  110  12  32  25  28           

- oikodomeô (bouwen) . oikodomeô (bouwen) . Taalgebruik in het NT : oikodomeô (bouwen) . Taalgebruik in Lc : oikodomeô (bouwen) .

  oikodomeô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. imperf. 3de pers. enk. ô(i)kodomèto                   
                               
                               

- oikoumenè (bewoonde aarde, wereld) . pass. part. praes. nom. vr. enk. οικυμενη = oikoumenè (bewoonde aarde, wereld) van het werkw. οικεω = oikeô (wonen, bewonen) . . Taalgebruik in het NT : oikoumenè (bewoonde aarde, wereld) . Taalgebruik in de LXX : oikoumenè (bewoonde aarde, wereld) . Taalgebruik in Lc : oikoumenè (bewoonde aarde, wereld) . Een vorm van οικεω = oikeô in de LXX (150) , in het NT (8) .

  oikoumenè  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  gen. vr. enk. oikoumenès                    
  acc. vr. enk. oikoumenèn  32  24         
                               

- pass. part. praes. acc. vr. enk. οικυμενην = oikoumenèn (bewoonde aarde, wereld) van het werkw. οικεω = oikeô (wonen, bewonen) . Taalgebruik in het NT : oikoumenè (bewoonde aarde, wereld) . Taalgebruik in de LXX : oikoumenè (bewoonde aarde, wereld) . Taalgebruik in Lc : oikoumenè (bewoonde aarde, wereld) . Bijbel (32) . OT (23) . NT (9) : (1) Lc 2,1 . (2) Hnd 11,28 . (3) Hnd 17,6 . (4) Hnd 17,31 . (5) Hnd 24,5 . (6) Heb 1,6 . (7) Heb 2,5 . (8) Apk 12,9 . Lc (1) Lc 2,1 . Een vorm van οικεω = oikeô in de LXX (150) , in het NT (8) .

- oligon (een weinig) . oligon (een weinig) . Taalgebruik in het NT : oligon (een weinig) . Taalgebruik in Mc : oligon (een weinig) . Het is meestal de vertaling van het Hebreuwse më`at (56) .

oligon (een weinig)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  38  26  12     

In twee verzen in Mc : (1) Mc 1,19 . (2) Mc 6,31 .

In vijf verzen in Mc : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 10,38 . (3) Mc 10,42 . (4) Mc 13,33 . (5) Mc 13,35 . ouk oidate : In vier verzen in Mc ; niet in (3) Mc 10,42 .

- omnumi (zweren, onder ede beloven) . omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in het NT : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in de Septuaginta. : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Lat. jurare . Fr. jurer . E. to swear . D. schwören .


- oneidos (nijd, smaad, verwijt, schande) . ονειδος = oneidos (nijd, smaad, verwijt, schande) . Taalgebruik in het NT : oneidos (smaad, verwijt, schande) . Taalgebruik in de LXX : oneidos (smaad, verwijt, schande) . Bijbel (44) . LXX (43) . NT (1) . Een vorm van ονειδος = oneidos (nijd, smaad, verwijt, schande) in de LXX (53) , in het NT (1) .


- onoma (naam) . nom. + acc. onz. enk. ονομα = onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in de Septuaginta : onoma (naam) . Taalgebruik in Mc : onoma (naam) . Taalgebruik in Lc : onoma (naam) . Taalgebruik in Hnd : onoma (naam) .
- Ned. : naam (zie het Griekse onoma zonder de begin o) . . stam : N ... M . Arabisch : اسم = ism (naam) . Taalgebruik in de Qoran : ism (naam) . D. : Name . Eng. : name . Fr. : nom . Grieks : ονομα = onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Hebr. שֵׁם = sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Lat. nomen .

  onoma (naam)  bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.   Apk  syn. ev.
1 nom. + acc. onz. enk. onoma 676 578 98 10 6 15 11 15 17 24 31 42
2 gen. onz. enk. onomatos 55 38 17 1   1   8 4 3 2 2
3 dat. onz. enk. onomati 260 168 92 7 8 16 13 35 13   31 44
4 nom. + acc. onz. mv. onomata 58 50 8 1   1     1 5 2 2
5 gen. onz. mv. onomatôn 24  22  2                
6 dat. onz. mv. onomasin                    
  Totaal   1079  862 217  19  14  33  24  60  35  32  66  90 


- onomati (naam) . Datief onzijdig enkelvoud . In zestien verzen in Lc : (1) Lc 1,5 (onomati Zacharias = met de naam Zacharia) . (2) Lc 1,59 . (3) Lc 1,61 . (4) Lc 5,27 (onomati Levin = met de naam Levi) . (5) Lc 9,48 . (6) Lc 9,49 . (7) Lc 10,17 . (8) Lc 10,38 (onomati Martha = met de naam Martha) . (9) Lc 13,35 . (10) Lc 16,20 (onomati Lazaros = met de naam Lazarus) . (11) Lc 19,2 (onomati kaloumenos Zakchaios = met de naam genoemd Zacheüs) . (12) Lc 19,38 . (13) Lc 21,8 . (14) Lc 23,50 (onomati Iôsèf = met de naam Jozef) . (15) Lc 24,18 (onomati Kleopas = met de naam Kleopas) . (16) Lc 24,47 .
In zeven verzen volgt een eigennaam op onomati (met de naam) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 5,27 . (3) Lc 10,38 . (4) Lc 16,20 . (5) Lc 19,2 . (6) Lc 23,50 . (7) Lc 24,18 . In twee verzen staat : kai idou anèr onomati + eigennaam : (1) Lc 19,2 . (2) Lc 23,50 .
In vijfendertig verzen in Hnd : (1) Hnd 2,38 . (2) Hnd 3,6 . (3) Hnd 4,7 . (4) Hnd 4,10 . (5) Hnd 4,17 . (6) Hnd 4,18 . (7) Hnd 5,1 . (8) Hnd 5,28 . (9) Hnd 5,34 . (10) Hnd 5,40 . (11) Hnd 8,9 . (12) Hnd 9,10 . (13) Hnd 9,11 . (14) Hnd 9,12 . (15) Hnd 9,27 . (16) Hnd 9,28 . (17) Hnd 9,33 . (18) Hnd 9,36 . (19) Hnd 10,1 . (20) Hnd 10,48 . (21) Hnd 11,28 . (22) Hnd 12,13 . (23) Hnd 15,14 . (24) Hnd 16,1 . (25) Hnd 16,14 . (26) Hnd 16,18 . (27) Hnd 17,34 . (28) Hnd 18,2 . (29) Hnd 18,7 . (30) Hnd 18,24 . (31) Hnd 19,24 . (32) Hnd 20,9 . (33) Hnd 21,10 . (34) Hnd 27,1 . (35) Hnd 28,7 .
--- en tôi onomati (in de naam) . In zesentwintig verzen in het NT . Mt (1) . Mc (2) . Lc (1) . Joh (12) . In zes verzen in Hnd : (1) (2) Hnd 3,6 . (2) (4) Hnd 4,10 . (3) (15) Hnd 9,27 . (4) (16) Hnd 9,28 . (5) (20) Hnd 10,48 . (6) (26) Hnd 16,18 . Andere boeken (4) .
-- epi tôi onomati (in de naam van) . In zestien verzen in het NT . Mt (2) . Mc (3) . Lc (5) . In zes verzen in Hnd : (1) (1) Hnd 2,38 . (2) (5) Hnd 4,17 . (3) (6) Hnd 4,18 . (4) (8) Hnd 5,28 . (5) (10) Hnd 5,40 . (6) (23) Hnd 15,14 .
--- epi tôi onomati (bij de naam van) Ièsou Christou (Jezus Christus) . Slechts in Hnd 2,38 in het NT .
--- epi tôi onomati tou Ièsou (bij de naam van Jezus) . In twee verzen in het NT : (1) Hnd 4,18 . (2) Hnd 5,40 .
--- epi tôi onomati toutôi (bij deze naam) . In twee verzen in het NT : (1) Hnd 4,17 . (2) Hnd 5,28 .


- opisô (achter) . Taalgebruik : opisô (achter) . Lat. post (uit primere , prestum ?) Fr. après (ad prestum) . Hebr. ´acher (101) en ´achärej (294) . Ned. achter . In zes verzen in Mc : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,17 . (3) Mc 1,20 . (4) Mc 8,33 . (5) Mc 8,34 . (6) Mc 13,16 .

opisô (achter)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  353  318  35  19  26 

opisô (achter)   Tenach Pentateuch Vroege prof. 12 kl. prof. grote prof. hagiografen dt. -can.
´achar   101  41  20  10  25   
´-ch-rj  294  80  134  37  38   
totaal  395  121  154  10  47  63   
               
opisô (318)     50  143  12  47  47  19 

- οψια = opsia (avond)

- opsia (avond) . οψια = opsia (avond) . Taalgebruik in het NT : opsia (avond) . Taalgebruik in Mc : opsia (avond) . D. Abend . E. evening . Lat. ad vesperas . Gr. hespera . Lat. serus (serenade) . Fr. soir . Bij de joden begint de nieuwe dag met het vallen van de avond , na zonsondergang .

opsia (avond)   bijbel OT NT Mt Mc Joh syn.  ev. 
nom. + dat. mann. enk. opsia(i) (avond)  1 : Jdt 13,1     1 : Joh 6,16 .  
gen. mann. enk. opsias ('s avonds)  14    14  7 : (1) Mt 8,16 . (2) Mt 14,15 . (3) Mt 14,23 . (4) Mt 16,2 . (5) Mt 20,8 . (6) Mt 26,20 . (7) Mt 27,57 . 6 : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 4,35 . (3) Mc 6,47 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 14,17 . (6) Mc 15,42 . 1 : Joh 20,19 . 13 : (1) Mt 8,16 // Mc 1,32 . (2) Mt 14,23 // Mc 6,47 . (3) Mt 26,20 // Mc 14,17 . (4) Mt 27,57 // Mc 15,42   14 
acc. mann. enk. opsian              
totaal 16  15  13  15 
opsias... genomenès       7   5 :  (1) Mc 1,32 . (2) Mc 4,35 . (3) Mc 6,47 . (4) . (5) Mc 14,17 . (6) Mc 15,42 . Niet in (4) Mc 11,11 .      

opsias de genomenès (avond echter geworden . 's avonds . Het werd avond.) . Opsias... genomenès ('s avonds) : :in 7 verzen bij Matteüs. In 6 verzen wordt opsias (avond) gevolgd door het partikel de (echter) , op de tweede plaats in de zin . Hebr. `rb . opsia : avond . Bij Matteüs : (1) Mt 8,16 (avond van de sabbat) . (2) Mt 14,15 (avond van de broodvermenigvuldiging) . (3) Mt 14,23 (avond vóór het wandelen over het meer) . (4) Mt 16,2 (zonder de - echter) . (5) Mt 20,8 . (6) Mt 26,20 (de avond van het laatste Avondmaal) (7) Mt 27,57 (de avond van de kruisafneming) .

- opsias de ('s avonds echter) . In zeven verzen in de bijbel , in het NT . In zes verzen bij Mt (zie boven , niet in Mt 16,2) , in één vers bij Mc : Mc 1,32 .

In twee verzen in de bijbel . In één vers in het OT : Jdth 13,1 . In één vers in het NT : Joh 6,16 .


- opse (laat) . opse (laat) . Taalgebruik in het NT : opse (laat) . Taalgebruik in Mc : opse (laat) . Avond . D. Abend . E. evening . Lat. ad vesperas . Gr. hespera . Lat. serus (serenade) . Fr. soir . Het komt in zeven verzen in de bijbel voor . In vier verzen in het OT : (1) Gn 24,11 : de dienaars van Abraham wachten bij de bron tot 's avonds wanneer de vrouwen water komen putten , onder wie Rebecca . (2) Ex 30,8 (reukoffer bij avond) . (3) Js 5,11 . (4) Jr 2,23 . In drie verzen in het NT : (1) Mt 28,1 . (2) Mc 11,19 . (3) Mc 13,35 . Zie ook : lë`eth `èrèbh (bij avondtijd) . Taalgebruik : `eth (tijd) , zie Zach 10,1 . In vier verzen in de bijbel : (1) Gn 8,11 . (2) Gn 24,11 . (3) Js 17,14 . (4) Zach 14,7 .

  opse (laat)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                 

 

- orgè (toorn) . orgè (toorn) . Taalgebruik in het NT : orgè (toorn) . Taalgebruik in de LXX : orgè (toorn) . Taalgebruik in Mc : orgè (toorn) . Taalgebruik in Lc : orgè (toorn) .

  orgè (toorn)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk

syn.  

ev. 
1 nom. + dat vr. enk. orgè(i)  154  141  13        10 
2 gen. vr. enk. orgès  79  65  14     
3 acc. vr. enk. orgèn  70  61                 
  Totaal  303  267  36    25 

- oreinos (bergachtig) . bijvoegl. naamw. oreinos (bergachtig) . Taalgebruik in het NT : oreinos (bergachtig) . Taalgebruik in Lc : oreinos (bergachtig) .

  oreinos  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
dat. vr. enk. oreinè(i)   14  13                 
acc. vr. enk. oreinèn   18  17                 
  Totaal  32  30                 

- oros (berg) . oros (berg) . Taalgebruik in NT : oros (berg) . Taalgebruik in Mc : oros (berg) . Taalgebruik in Lc : oros (berg) .

  oros (berg) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn.  ev.
1 nom. + acc. enk. horos 196 168 28 8 6 6 3   1

20 

23
2 gen. mann. enk. orous 127 115 12 4 1 3   2 2  
3 dat. enk. horei 116 105 11 2 2 1 2 1 3  
4 nom. + acc. mv. horè 108 101 7 2 1 1     1 4
5 gen. mv. horôn 66 65 1                
6 dat. mv. horesin 29 25 4   1 1     1
  Totaal   642 579 63 16 11 12 5 3 8 8 39  44 

 

  oros (berg) NT  Mt    Mc   Lc  syn.   
1 nom. + acc. onz. enk. oros 28 8 : (1) Mt 4,8 . (2) Mt 5,1 . (3) Mt 14,23 . (4) Mt 15,29 . (5) Mt 17,1 . (6) Mt 21,1 . (7) Mt 26,30 . (8) Mt 28,16 .   6 : (1) Mc 3,13 . (2) Mc 6,46 . (3) Mc 9,2 . (4) Mc 11,1 . (5) Mc 13,3 . (6) Mc 14,26 . 6 : (1) Lc 3,5 . (2) Lc 6,12 . (3) Lc 9,28 . (4) Lc 19,29 . (5) Lc 21,37 . (6) Lc 22,39 .

20 : (1) Mt 5,1 // Mc 3,13 // Lc 6,12 . (2) Mt 14,23 // Mc 6,46 . (3) Mt 17,1 // Mc 9,2 // Lc 19,29 . (4) Mt 21,1 // Mc 11,1 // Lc 19,28 . (5) Mt 26,30 // Mc 14,26 // Lc 22,39 .

 
2 gen. onz. enk. orous 12 4 : (1) Mt 5,14 . (2) Mt 8,1 . (3) Mt 17,9 . (4) Mt 24,3 .   1 : Mc 9,9 . 3 : (1) Lc 4,29 . (2) Lc 9,37 . (3) Lc 19,37 . 8 : (1) Mt 8,1 // Mt 17,9 // Mc 9,9 // Lc 9,37 . (2) Mt 24,3 // Mc 13,3 .  
3 dat. enk. horei 11 2 : (1) Mt 17,20 . (2) Mt 21,21 .   2 : (1) . (2) Mc 11,23 . 1 : Lc 8,32 . 5 : (1) Mt 17,20 // Mt 21,21 // Mc 11,23 .  
4 nom. + acc. mv. horè 7 2 : (1) Mt 18,12 . (2) Mt 24,16 .   1 : Mc 13,14 . 1 : Lc 21,21 . 4 : (1) Mt 24,16 // Mc 13,14 // Lc 21,21 .  
6 dat. mv. horesin 4     1 : Mc 5,5 . 1 : Lc 23,30 .  
  Totaal   63 16   11 12 39   

(1) Lc 3,5 . (2) Lc 4,29 . (3) Lc 6,12 . (4) Lc 8,32 . (5) Lc 9,28 . (6) Lc 9,37 . (7) Lc 19,29 . (8) Lc 19,37 . (9) Lc 21,21 . (10) Lc 21,37 . (11) Lc 22,39 . (12) Lc 23,30 .

eis (to) horos (naar de berg) . In acht verzen bij Matteüs : (1) Mt 4,8 . (2) Mt 5,1 . (3) Mt 14,23 . (4) Mt 15,29 . (5) Mt 17,1 - Mt 17,2 . (6) Mt 21,1 . (7) Mt 26,30 . (8) Mt 28,16 . In deze acht verzen staat het voorzetsel van plaats (eis = naar) vóór het zelfstandig naamwoord horos (berg) . Tussen het voorzetsel en het zelfstandig naamwoord staat het bepaald lidwoord tenzij horos (berg) wordt gevolgd door een bijvoeglijk naamwoord (Mt 4,7 en Mt 17,1) . In zes van de acht verzen is Jezus onderwerp van de zin .
De berg is de plaats van de Godsontmoeting . Ook wanneer de tegenstander (diabolos - duivel) Jezus naar de hoge berg voert . De hoge berg is de berg van Mozes waar God zijn verbond met zijn volk sloot en aan Mozes de twee stenen tafels gaf . De hoge berg is ook de plaats waar Jezus van gedaante veranderde , een voorsmaakje van de verrezen Jezus . Het is de berg vanwaar Jezus zijn leerlingen zendt om hen te leren onderhouden alles wat hij opgedragen heeft .

1. de duivel 2. Jezus 3. Jezus 4. 5. 6.   7. 8.  de elf leerlingen
Mt 4,8 Mt 5,1 Mt 14,23 Mt 15,29 Mt 17,1 - Mt 17,2 Mt 21,1 Mt 24,3 Mt 26,30 Mt 28,16
palin (opnieuw)     kai (en) kai ... (en) kai (en)...   kai (en ) Hoi de endeka mathètai (De elf leerlingen echter)
paralambanei (neemt bij zich) auton (hem) ho diabolos (de duivel) anebè (hij klom omhoog) anebè (hij klom omhoog) anabas (opgeklommen) paralambanei (neemt bij zich) ... kai anaferei autous (en hij voert hen omhoog) èlthon ( zij kwamen)... kathèmenou de autou epi orous tôn Helaiôn (terwijl hij echter zich op de Olijfberg neerzet) exèlthon ( zij gingen naar buiten) eporeuthèsan (gingen op weg)
eis horos hupsèlon lian (naar een zeer hoge berg) eis to horos (naar de berg) eis to horos (naar de berg)  kat'idian (op zichzelf) eis to horos (naar de berg) eis horos hupsèlon (naar een hoge berg)  kat'idian (op zichzelf) eis to horos tôn Helaiôn (naar de Olijfberg)   eis to horos (naar de berg)  ... eis to horos (naar de berg)
  kai kathisantos autou (en nadat hij zich had neergezet)   ekathèto ekei (zette hij zich naar)          
  prosèlthan autôi hoi mathètai autou (kwamen zijn leerlingen bij hem)         prosèlthan autôi hoi mathètai autou (kwamen deleerlingen bij hem) kat'idian (afzonderlijk)    
 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -  24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 - 152. Jezus wandelt op het meer - Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33  157. Genezing van een doofstomme : Mc 7,31-37 - Mt 15,29-31 -  168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 -  281. Jezus gaat Jerzalem binnen : Mc 11,11 - Mt 21,1-11 - 299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 -  328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening : Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -  353. Verschijning aan de elf in Galilea :Mt 28,16-20 -

- genitief mann. enkelvoud orthrou (des morgens = 's morgens) .
- orthros (ochtendschemering, morgen) . orthros (ochtendschemering, morgen) . Taalgebruik in het NT : orthros (ochtendschemering, morgen) . Taalgebruik in het NT : orthros (ochtendschemering, morgen) . In acht verzen in de bijbel , slechts in het OT
- orthrou (des morgens = 's morgens). Genitief enkelvoud . In vijftien verzen in de bijbel ; in dertien verzen in het OT, in twee verzen in het NT (1) Lc 24,1 . (2) Joh 8,2 .
- orthrinai , vrouwelijk meervoud van orthrinos : in de vroege morgen plaats vindend : Lc 24,22 .
- orthrizô : 's morgens vroeg komen .


- ou - ouk - ouch (niet) . ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in de LXX : ou - ouk - ouch (niet) . Hebr. lo´ (niet) . Taalgebruik in Tenakh : lo´ (niet) . Fr. ne... pas . E. not . D. nicht .

ou (niet)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
ou   3068  2321  747  97  42  84  113  68  313  30  223  336 
ouk  3499  2752  747  93  66  92  137  56  274  29  251  388 
ouch  452  351  101  20  49  20  40 
Totaal  7019 5424 1595 197 114 183 270 132 636 63 494 764
Totaal                         

ou (niet)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
ou   42   
ouk  66 
ouch                     
Totaal  114 4 7 5 10 3 8 7 7 11 6 5 9 10 15 4 3

Een vorm van ou (niet) in tien verzen in Mc 13 : (1) Mc 13,2 (ou) . (2) Mc 13,11 (ou) . (3) Mc 13,14 (ou) . (4) Mc 13,19 (ou) . (5) Mc 13,20 (ouk) . (6) Mc 13,24 (ou) . (7) Mc 13,30 (ou) . (8) Mc 13,31 (ou) . (9) Mc 13,33 (ouk) . (10) Mc 13,35 (ouk) .

ou (niet)  bijbel OT NT ev.  Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  P.  A.b 
ou   3068  2321  747  336  313  62  60  54  14  11    39  12    276  37 
ouk  3499  2752  747  388  274  40  69  27  23    27  15  24  219  55 
ouch  452  351  101  40  49  10                38 11 
Totaal  7019 5424 1595 764 636 112  135  88  37  15  14  11  18  12    71  25  13  13  41  533  103 

ou - ouk - ouch (niet) in achttien verzen in 1 Tes : (1) 1 Tes 1,5 (ouk) . (2) 1 Tes 1,8 (ou) . (3) 1 Tes 2,1 (ou) . (4) 1 Tes 2,3 (ouk) . (5) 1 Tes 2,4 (ouch) . (6) 1 Tes 2,8 (ou) . (7) 1 Tes 2,13 (ou) . (8) 1 Tes 2,17 (ou) . (9) 1 Tes 4,7 (ou) . (10) 1 Tes 4,8 (ouk) . (11) 1 Tes 4,9 (ou) . (12) 1 Tes 4,13 (ou) . (13) 1 Tes 4,15 (ou) . (14) 1 Tes 5,1 (ou) . (15) 1 Tes 5,3 (ou) . (16) 1 Tes 5,4 (ouk) . (17) 1 Tes 5,5 (ouk) . (18) 1 Tes 5,9 (ouk) .

- ouchi (niet, neen) . ouchi (niet, neen) . Taalgebruik in het NT : ouchi (niet, neen) . Taalgebruik in de LXX : ouchi (niet, neen) . Taalgebruik in Lc : ouchi (niet, neen) . Bijbel (218) . OT (166) . NT (52) . Hnd (2) : (1) Hnd 5,4 . (2) Hnd 7,50 .

- oude (noch) . Hnd (11) : (1) Hnd 2,27 . (2) Hnd 4,12 . (3) Hnd 4,32 . (4) Hnd 4,34 . (5) Hnd 7,5 . (6) Hnd 8,21 . (7) Hnd 9,9 . (8) Hnd 16,21 . (9) Hnd 17,25 . (10) Hnd 24,13 . (11) Hnd 24,18 . kai oude (en niet) . NT (7) : (1) Mc 6,31 . (2) Mc 12,21 . (3) Mc 14,59 . (4) Joh 8,42 . (5) Hnd 4,32 . (6) 1 Kor 14,21 . (7) 2 Kor 3,10 . Hebr. wëlo´ (en niet) . Tenakh (1381) . oude heis (niet iemand) . NT (3) : (1) Hnd 4,32 . (2) Rom 3,10 . (3) 1 . lo´ ´èhad . Tenakh (2) : (1) Ex 9,6 lo´ ... ´èhad. (2) Job 14,4 .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
ou   3068  2321  747  97  42  84  113  68  313  30  223  336 
ouk  3499  2752  747  93  66  92  137  56  274  29  251  388 
ouch  452  351  101  20  49  20  40 
oude   505  386  119  23  18  14  11  37  50  64 

- ουδεις = oudeis (niemand)

- oudeis (niemand) . ουδεις = oudeis (niemand) . Taalgebruik in het NT : oudeis (niemand) . Taalgebruik in de LXX : oudeis (niemand) . Taalgebruik in Mc : oudeis (niemand) . Taalgebruik in Lc : oudeis (niemand) . Een vorm van ουδεις = oudeis (niemand) in het OT (270) , in het NT (226) , in Lc (33) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. mann. enk. oudeis   136 41 95   11 18                 
  nom. + acc. onz. enk. ouden   161          12                 
                               
  dat. mann. + onz. enk. oudeni                            
  acc. mann. enk. oudena  29  15  14     
                               
  totaal                            

- nom. mann. enk. ουδεις = oudeis (niemand) . Taalgebruik in het NT : oudeis (niemand) . Taalgebruik in de LXX : oudeis (niemand) . Taalgebruik in Lc : oudeis (niemand) . Bijbel (136) . OT (41) . NT (95) . Lc (18) : (1) Lc 1,61 . (2) Lc 4,24 . (3) Lc 4,27 . (4) Lc 5,36 . (5) Lc 5,37 . (6) Lc 5,39 . (7) Lc 7,28 . (8) Lc 8,16 . (9) Lc 9,62 . (10) Lc 10,22 . (11) Lc 11,33 . (12) Lc 14,24 . (13) Lc 15,16 . (14) Lc 16,13 . (15) Lc 18,19 . (16) Lc 18,29 . (17) Lc 19,30 . (18) Lc 23,53 . Een vorm van ουδεις = oudeis (niemand) in het OT (270) , in het NT (226) , in Lc (33) .

- ουδεις (...) εστιν = oudeis (...) estin (er is niemand) . NT (5) : (1) Mc 9,39 . (2) Mc 10,29 . (3) Lc 1,61 . (4) Lc 7,28 . (5) Lc 18,29 .


 

- ouketi (niet nog, niet meer) . ouketi (niet nog, niet meer) . Taalgebruik in het NT : ouketi (niet nog, niet meer) . Taalgebruik in Mc : ouketi (niet nog, niet meer) .

  ouketi  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  142  97  45  12  15  12  24  15   

- oun (dus, bijgevolg) . ουν = oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in het NT : oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in de LXX : oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in Mc : oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in Lc : oun (dus, bijgevolg) . In de LXX (260) , in het NT (493) , in Mt (57) , in Mt 6 () : (1) Mt 6,2 . (2) Mt 6,8 . (3) Mt 6,9 . (4) Mt 6,22 . (5) Mt 6,23 . (6) Mt 6,31 . (7) Mt 6,34 .

oun (dus)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  688  198  490  56  33  194  60  196  95  289 

In zes verzen in Mc : (1) Mc 10,9 . (2) Mc 11,31 . (3) Mc 12,9 . (4) Mc 13,35 . (5) Mc 15,12 . (6) Mc 16,19 .


- ουρανος = ouranos (hemel)

- ouranos (hemel) . ουρανος = ouranos (hemel) . Taalgebruik in het NT : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Mc : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Lc : ouranos (hemel) .

  ouranos (hemel)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. ouranos  48  36  12  1 : Mc 13,31 .    
voc. mann. enk. ourane                     
gen. mann. enk. ouranou  360  270  90  12  7 : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . 16  14  10  22  35  49     
dat. mann. enk. ouranô(i)  76  42  34  2 : (1) Mc 10,21 . (2) Mc 13,32 .   18  13  13   
acc. mann. enk. ouranon  182  142  40  11  13  16 
nom. mann. mv. ouranoi                             
gen. mann. mv. ouranôn  53  12  41  35        37  37 
dat. mann. mv. ouranois  40  34  16        12    22  22  11 
acc. mann. mv. ouranous  18  13         
  totaal                            

- acc. mann. enk. ουρανον = ouranon van het zelfst. naamw. ουρανος = ouranos (hemel) . Taalgebruik in het NT : ouranos (hemel) . Taalgebruik in de Septuaginta : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Lc : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Hnd : ouranos (hemel) . Lc (9) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 3,21 . (3) Lc 9,16 . (4) Lc 15,18 . (5) Lc 15,21 . (6) Lc 16,17 . (7) Lc 17,24 . (8) Lc 18,13 . (9) Lc 24,51 . Een vorm van ουρανος = ouranos (hemel) in de LXX (682) , in het NT (272) , in Lc (36) , in Lc 2 (2) : (1) Lc 2,13 . (2) Lc 2,15 . In Lc : 6 vormen in 19 hoofdstukken en 36 verzen . In Hnd : X vormen van ουρανος = ouranos (hemel) in 24 verzen in 12 / 28 hoofdstukken .
- שָׁמַיִם / שָׁמָיִם = sjâmajim / sjâmâjim (hemelen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmajim (hemelen) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 57 (3 X 19) OF 390 (2 X 3 X 5 X 13 = 15 X 26) . Structuur : 3 - 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (92) . Pentateuch (7) . Eerdere Profeten (5) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (49) .

- ouranois . 3 : (1) Mc 11,25 . (2) Mc 12,25 . (3) Mc 13,25 .

  ouranos (hemel)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
acc. mann. enk. ouranon  182  142  40  11  13  16 
  Totaal 954 682 272 82 18 34 18 26 21 52 134 152    
 

      1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  9.  10.  11.  12.  13.  14.  15.  16.  17.  18.  19.  
  ouranos (hemel)   Lc Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 6 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 24
1.  nom. mann. enk. ouranos      (1) Lc 4,25 .                             (2) Lc 21,33 .      
2.  gen. mann. enk. ouranou  16  + 1 ( ) Lc 2,13 . (1) Lc 3,22 .     (2) Lc 8,5 . (3) Lc 9,54 . (4) Lc 9,58 .     (5) Lc 10,15 . (6) Lc 10,18 . (7) Lc 10,21 .   (8) Lc 11,13 . (9) Lc 11,16 . (10) Lc 12,56 . (11) Lc 13,19 .     (12) Lc 17,29 .          (13) Lc 20,4 . (14) Lc 20,5 . (15) Lc 21,11 . (16) Lc 22,43 .      
3. dat. mann. enk. ouranô(i)        (1) Lc 6,23       () Lc 11,2     (2) Lc 15,7 .       (3) Lc 19,38 .           
4.  acc. mann. enk. ouranon  (1) Lc 2,15 . (2) Lc 3,21 .       (3) Lc 9,16 .         (4) Lc 15,18 . (5) Lc 15,21 . (6) Lc 16,17 (7) Lc 17,24 . (8) Lc 18,13 .         (9) Lc 24,51 .        
5.  gen. mann. mv. ouranôn                                  (1) Lc 21,26 .    
6.  dat. mann. mv. ouranois              (1) Lc 10,20 .  

() Lc 11,2 .  

(2) Lc 12,33 .           (3) Lc 18,22 .            
  totaal 36  1

- Ned. : hemel . Arabisch : سَمَاة = samâ´ (hemel) . Taalgebruik in de Qoran : samâ´ (hemel) . D. : Himmel . E. : heaven . Fr. : ciel . Grieks : ουρανος = ouranos (hemel) . Taalgebruik in het NT : ouranos (hemel) . Hebreeuws : שָׁמַיִם / שָׁמָיִם = sjâmajim / sjâmâjim (hemelen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmajim (hemelen) .

-

- εις τον ουρανον = eis ton ouranon (naar de hemel) . Lc (6 / 9) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 9,16 . (3) Lc 15,18 . (4) Lc 15,21 . (5) Lc 18,13 . (6) Lc 24,51 .
- הַשָּׁמַיִמָה = hasjsjâmajëmâh (naar de hemel) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. stat. constr. mann. mv. + hâ van richting . Zie : Tenakh (11) : (1) Gn 15,5 . (2) Gn 28,12 . (3) Ex 9,8 . (4) Ex 9,10 . (5) Dt 4,19 . (6) Dt 30,12 . (7) Joz 8,20 . (8) Re 13,20 . (9) Re 20,40 . (10) Job 2,12 . (11) 2 Kr 6,13 .

- αναβλεψας εις τον ουρανον = anablepsas eis ton ouranon (omhooggeblikt naar de hemel) . NT (4) : (1) Mt 14,19 . (2) Mc 6,41 . (3) Mc 6,41 . (4) Lc 9,16 .

Een vorm van ouranos (hemel) in Mc in 18 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 4,32 . (4) Mc 6,41 . (5) Mc 7,34 . (6) Mc 8,11 . (7) Mc 10,21 . (8) Mc 11,25 . (9) Mc 11,26 . (10) Mc 11,30 . (11) Mc 11,31 . (12) Mc 12,25 . (13) Mc 13,25 . (14) Mc 13,27 . (15) Mc 13,31 . (16) Mc 13,32 . (17) Mc 14,62 . (18) Mc 16,19 .

Een vorm van ouranos (hemel) in Lc in 36 verzen . ouranon : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 3,21 . (3) Lc 9,16 . (4) Lc 15,18 . (5) Lc 15,21 . (6) Lc 16,17 . (7) Lc 17,24 . (8) Lc 18,13 . (9) Lc 24,51 . ouranou : (1) Lc 3,22 . (2) Lc 8,5 . (3) Lc 9,54 . (4) Lc 9,58 . (5) Lc 10,15 . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . (12) . (13) . (14) . (15) . (16) .

1. hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) waarbij basileia (koninkrijk) nominatief enkelvoud is . In twintig verzen bij Matteüs : (1) Mt 3,2 . (2) Mt 4,17 . (3) Mt 5,3 . (4) Mt 5,10 . (5) Mt 5,19 . (7) Mt 8,11 . (8) Mt 10,7 . (9) Mt 11,11 . (10) Mt 11,12 . (14) Mt 13,24 . (15) Mt 13,31 . (18) Mt 13,44 . (19) Mt 13,45 . (20) Mt 13,47 . (21) Mt 13,52 . (25) Mt 18,23 . (26) Mt 19,14 . (27) Mt 20,1 . (30) Mt 22,2 . (32) Mt 25,1 .

3. (1) Mc 4,32 . (2) Mc 8,11 . (3) Mc 11,30 . (4) Mc 11,31 . (5) Mc 13,25 . (6) Mc 13,27 . (7) Mc 14,62 .

4. ouranôi ( - in de - hemel) . Datief enkeloud van het zelfstandig naamwoord ouranos (hemel) . In 76 verzen in de bijbel . In 42 verzen in het OT In 34 verzen in het NT In acht verzen bij Mt .

5. - accusatief mannelijk enkelvoud ouranon . In 182 verzen in de bijbel . In 142 verzen in het OT . In veertig verzen in het NT .
-- tèn basileian tou theou (het koninkrijk van de hemelen) . In zeven verzen in het NT , enkel bij Mt : (1) Mt 5,20 . (2) Mt 7,21 . (3) Mt 13,52 . (4) Mt 18,3 . (5) Mt 19,12 . (6) Mt 19,23 . (7) Mt 23,14 .

Taalgebruik : ouranos (hemel) , zie Mt 28,18 . In 48 verzen in de bijbel . In 26 verzen in het OT In 12 verzen in het NT
- ouranôn (van de hemel) . Taalgebruik : ouranos (hemel) , zie Mt 28,18 . Genitief mannelijk meervoud . In drieënvijftig verzen in de bijbel . In twaalf verzen in het OT . In eenenveertig verzen in het NT . Mt (35) . Mc (1) . Lc (1) . Brieven (4) . In negenentwintig verzen in de verschillende vormen van de uitdrukking hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) . Verder : (1) Mt 3,17 . (2) Mt 24,29 . (3) Mt 24,31 . (4) Mt 24,36 .
-- hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) waarbij basileia (koninkrijk) nominatief enkelvoud is . In twintig verzen bij Matteüs : (1) Mt 3,2 . (2) Mt 4,17 . (3) Mt 5,3 . (4) Mt 5,10 . (5) Mt 5,19 . (7) Mt 8,11 . (8) Mt 10,7 . (9) Mt 11,11 . (10) Mt 11,12 . (14) Mt 13,24 . (15) Mt 13,31 . (18) Mt 13,44 . (19) Mt 13,45 . (20) Mt 13,47 . (21) Mt 13,52 . (25) Mt 18,23 . (26) Mt 19,14 . (27) Mt 20,1 . (30) Mt 22,2 . (32) Mt 25,1 .
-- tèn basileian tou theou (het koninkrijk van de hemelen) . In zeven verzen in het NT , enkel bij Mt : (1) Mt 5,20 . (2) Mt 7,21 . (3) Mt 13,52 . (4) Mt 18,3 . (5) Mt 19,12 . (6) Mt 19,23 . (7) Mt 23,14 .
-- tès basileias tôn ouranôn (van het koninkrijk van de hemelen) . In twee verzen in het NT , bij Mt : (1) Mt 13,11 . (2) Mt 16,19 .
- accusatief mannelijk enkelvoud ouranon . In 182 verzen in de bijbel . In 142 verzen in het OT . In veertig verzen in het NT .
- accusatief mannelijk meervoud ouranous . In achttien verzen in de bijbel .
--- basjsjâmaîm (in de hemelen) . In 48 verzen in de bijbel .
--- -- sjâmâîm (hemelen , hemel) . In tweeënnegentig verzen in de bijbel .
--- -- hasjsjâmaîm (de hemelen , de hemel) . In 223 verzen in de bijbel . ´èth hasjsjâmaîm (de hemel) is een hapax .


- oute (noch) .

oute (noch)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  90  52  38  14  12