NIEUWE TESTAMENT : TAALGEBRUIK P

Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

- palin (opnieuw) -- pantote (al-tijd) -- para (langs) -- parabolè (parabel, gelijkenis) -- paradidômi (overleveren) -- pas (ieder, elk, alles) -- paschô (lijden) -- paulos (Paulus) -- peri (over, rondom, omwille van) -- persoonlijk voornaamwoord -- piptô (vallen) -- pistis (geloof) -- plèthos (menigte, veelheid) -- pneuma (geest) -- poimèn (herder) -- poimnè (kudde) -- polus (veel) -- ponèros (slecht) -- pôs (hoe) -- pote (wanneer, soms) -- pro (voor) -- proetoimazô (voorafbereiden) -- profèteia (profetie) -- pro-orizô (vooraf bepalen, bestemmen) -- pros (naar, bij) -- proseuchè (aanroeping, gebed) -- prosôpon (aangezicht) -- prothesis (tentoonstelling, voorstel, voorafbepaling, plan) -- prôï (vroeg) -


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
 
1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm . WEBLOG : BIJBELLEERHUIS
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts (Vlaams Blok) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen -

Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , bijbelTaalgebruiken - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

-
OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


OPGELET : De getallen verwijzen steeds naar het aantal verzen waarin een 'woord' voorkomt . Eenzelfde 'woord' kan echter meerdere malen in hetzelfde vers voorkomen .

  NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
boeknr.  27 40 41 42 43 44 45 - 65 66    
hoofdst.  260 28 16 24 21 28 121 22 68  89 
verzen  7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 

  NT Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul. Ap. br.
boeknr.  27 (aantal)   45  46  47  48  49  50  51  52  53  54  55  56  57  58  59  60  61  62  63  64  65     
hoofdst.  260 121 16  16  13  13  100 21
verzen  7957 2767 433  437  257  149  155  104  95  89  47  113  83  46  25  303  108  105  61  105  13  14  25  2336  431 

P

- persoonlijk voornaamwoord . Persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Brieven : persoonlijk voornaamwoord .

  pers. vnw. 1ste pers. enk.   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. enk. egô                             
gen. enk. mou  3356  2897  459  67  34  77 82              
dat. enk.  moi                            
acc. enk. me   1568  1305  263  30  27  40                 
  totaal                            

 

  pers. vnw. 2de pers. enk.   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. enk. su  981  820  161  17  25  53  17  36  51  104     
gen. enk. sou                             
dat. enk.  soi 1310 1112 198                      
acc. enk. se                              
  totaal                            

- humeis (jullie) . 1 Tes (9) : (1) 1 Tes 1,6 . (2) 1 Tes 2,10 . (3) 1 Tes 2,14 . (4) 1 Tes 2,19 . (5) 1 Tes 2,20 . (6) 1 Tes 3,8 . (7) 1 Tes 4,9 . (8) 1 Tes 5,4 . (9) 1 Tes 5,5 .

-

hèmin . Lc (22) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,2 . (3) Lc 1,73 . (4) Lc 2,15 . (5) Lc 2,48 . (6) Lc 4,34 . (7) Lc 7,5 . (8) Lc 7,16 . (9) Lc 9,13 . (10) Lc 10,11 . (11) Lc 10,17 . (12) Lc 11,3 . (13) Lc 11,4 . (14) Lc 13,25 . (15) Lc 17,5 . (16) Lc 20,2 . (17) Lc 20,28 . (18) Lc 22,8 . (19) Lc 22,67 . (20) Lc 23,18 . (21) Lc 24,24 . (22) Lc 24,32 . 1 Tes (14) : (1) 1 Tes 1,1 . (2) 1 Tes 1,5 . (3) 1 Tes 2,8 . (4) 1 Tes 2,10 . (5) 1 Tes 2,13 . (6) 1 Tes 3,4 . (7) 1 Tes 3,7 . (8) 1 Tes 4,2 . (9) 1 Tes 4,6 . (10) 1 Tes 4,9 . (11) 1 Tes 4,11 . (12) 1 Tes 4,15 . (13) 1 Tes 5,1 . (14) 1 Tes 5,12 .

pers. vnw. 2de pers. mv.  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  
nom. mv. hèmeis  270  148  122  18  21  70    13  31 
gen. mv. hèmôn  1223  866  357  12  18  13  41  257  11  35  48 
dat. mv. hèmin  470  310  160  18  22  14  33  64   49  63 
acc. mv. hèmas  521  369  152  11  18  25  87  34  37 
totaal 2484  1693  791  46  22  63  48  120  478  14  131  179 

  èmeis (wij) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Apk syn.  ev.   Br Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  P. A.  
1 nom. mv. hèmeis  270  148  122  29 10 20 62 24   59  31  70  13  16          10        57  13 
2 gen. mv. hèmôn  1223  866  357  61 12 60 43 34 4   48  257  37  21  51  12  26  16  13  16  217  40 
3 dat. mv. hèmin  470  310  160  103 34 90 84 32 5 227 63  64           14      43  21 
4 acc. mv. hèmas  521  369  152  31 13 35 30 26 2 79  37  87  10  20  11          76  11 
  totaal 2484  1693  791  224 69 205 219 116 11 498  179  478  55  47  96  20  27  13  43  21  15  29  23  36  393  85 

 

pers. vnw. 2de p. mv.  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
nom. mv. humeis  506 284 222 29 10 20 62 24 77   59  121 
gen. mv. humôn  1573 1084 489 61 12 60 43 34 275 4    
dat. mv. humin  1109 553 556 103 34 90 84 32 208 5 227 311
acc. mv. humas  846 456 390 31 13 35 30 26 253 2 79  109 
totaal 4034 2377 1657 224 69 205 219 116 813 11 498  717 

pers. vnw. 2de p. mv.  bijbel OT NT Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud   
nom. mv. humeis  506 284 222 77 16  10                 
gen. mv. humôn  1573 1084 489 275 19  40  44  20  23  21  23  18  20  20         
dat. mv. humin  1109 553 556 208 15  43  30  13  11  10  14  11        11  15     
acc. mv. humas  846 456 390 253 29  37  51  16  10  11  16  27  15          15     
totaal 4034 2377 1657 813 70  136  135  41  44  47  5 73  37  30  35  48  21  24     

- persoonl. voornaamw. 2de pers. nom. mann. mv. ὑμεις = humeis (jullie) . Zie Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (20) : (1) Lc 9,13 . (2) Lc 9,20 . (3) Lc 9,44 . (4) Lc 10,24 . (5) Lc 11,13 . (6) Lc 11,39 . (7) Lc 11,48 . (8) Lc 12,24 . (9) Lc 12,29 . (10) Lc 12,36 . (11) Lc 12,40 . (12) Lc 16,15 . (13) Lc 17,10 . (14) Lc 19,46 . (15) Lc 21,31 . (16) Lc 22,26 . (17) Lc 22,28 . (18) Lc 22,70 . (19) Lc 24,48 . (20) Lc 24,49 .

- persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. + vr. mv. humas (jullie) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . 1 Tes (27) . 1 Tes 5 () : (1) 1 Tes 5,4 . (2) 1 Tes 5,12 . (3) 1 Tes 5,14 . (4) 1 Tes 5,18 . (5) 1 Tes 5,23 . (6) 1 Tes 5,24 . (7) 1 .

autos (hij)  3de pers. enk. bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
nom. mann. enk. autos   654  490  164  12  15  45  18  17  49  72  90 
gen. mann. enk. autou  6883  5685  1198  225  143  220  150  118  256  86  588  738 
dat. mann. enk. autô(i)  2475  1686  789  159  109  144  153  79  114  31  412  565 
acc. mann. enk. auton   2872  2032  840  114  146  184  154  136  85  21  598  752 
totaal 12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

autos (hij)  3de pers. enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
nom. mann. enk. autos   15             
gen. mann. enk. autou  143  13  10  12  16  17  15 
dat. mann. enk. autô(i)  109  10  14  16   
acc. mann. enk. auton   146  11  12  12  16  12  14  17 
totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34 

 

  autoi (mv.) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
5. nom. mann. mv. autoi  356  271  85  10  19  12  30  31  40 
6. gen. mv.autôn  3701  3203  498  93  37  94  31  87  91  65  224  255 
7. dat. mann. en onz. mv.autois  1722  1180  542  101  117  89  97  75  47  16  307  404 
8. acc. mann. mv. autous  1991  1652  339  46  40  83  18  95  32  25  169  187 
  totaal  7770  6306  1464  250  196  285  155  269  200  109  731  886 

- persoonl. voornaamw. 3de pers. enk. nom. mann. enk. αυτος = autos (hij) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc 5 (5) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,14 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,37 . Lc 8 (4) : (1) Lc 8,1 . (2) Lc 8,22 . (3) Lc 8,37 . (4) Lc 8,54 .

- heautos (zichzelf) . ἑαυτος = heautos (zichzelf) . Taalgebruik in het NT : heautos (zichzelf) . Taalgebruik in de LXX : heautos (zichzelf) .

- acc. mann. enk. ἑαυτον = heauton (zichzelf) van het wederkerig voornaamw. ἑαυτος = heautos (zichzelf) . Taalgebruik in het NT : heautos (zichzelf) . Taalgebruik in de LXX : heautos (zichzelf) . Bijbel (117) . OT (52) . NT (65) . Mc (5) : (1) Mc 3,26 . (2) Mc 5,5 . (3) Mc 8,34 . (4) Mc 12,33 . (5) Mc 15,31 .


- pagis (valstrik, verderf) . pagis (valstrik, verderf) . Taalgebruik in het NT : pagis (valstrik, verderf) . Taalgebruik in Lc : pagis (valstrik, verderf) .

  pagis  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. vr. enk. pagis   15  14                 
                               

- pais (kind) . παις = pais (kind) . Taalgebruik in het NT : pais (kind) . Taalgebruik in de Septuaginta : pais (kind) .

nom. mann. enk. παις = pais (kind) . Taalgebruik in het NT : pais (kind) . Taalgebruik in de Septuaginta : pais (kind) . Bijbel (87) . OT (78) . Js (10) : (1) Js 20,3 . (2) Js 24,2 . (3) Js 41,8 . (4) Js 41,9 . (5) Js 42,1 . (6) Js 43,10 . (7) Js 44,1 . (8) Js 44,2 . (9) Js 44,21 . (10) Js 52,13 . NT (9) . Mt (5) o.a. Mt 12,18 .
- doulos (dienaar) . Taalgebruik in het NT : doulos (dienaar) . doulos (dienaar) . Taalgebruik in de Septuaginta : doulos (dienaar) . Een vorm van doulos (dienaar) in de LXX (383) , in het NT (124) . Merkwaardig is het gebruik van pais (kind) en doulos (dienaar) in het NT . Er is een duidelijke voorkeur voor doulos (dienaar) .


- paidion (kind) . paidion (kind) . Taalgebruik in het NT : paidion (kind) . Taalgebruik in Mc : paidion (kind) . Taalgebruik in Lc : paidion (kind) .

  paidion (kind)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk.  paidion 79  53  26      23  25   
  gen. onz. enk. paidiou   19  13                 
  nom. + acc. onz. mv. paidia   57  44  13     
  gen. onz. mv. paidiôn                
                               
  totaal                            

nom. + acc. onz. enk. paidion (kind) . Bijbel (79) . LXX (53) . NT (26) . Gn (12) : (1) Gn 17,12 . (2) Gn 21,7 . (3) Gn 21,8 . (4) Gn 21,14 . (5) Gn 21,15 . (6) Gn 21,16 . (7) Gn 21,18 . (8) Gn 21,19 . (9) Gn 40,20 . (10) Gn 44,22 . (11) Gn 44,32 . (12) Gn 44,33 . (13) Ex 2,3 . (14) Ex 2,6 . (15) Ex 2,7 . (16) Ex 2,9 . (17) Ex 21,22 . (18) Dt 1,39 . (19) Dt 25,6 . (20) 1 S 1,2 . (21) 1 S 1,5 . (22) 1 S 1,6 . (23) 2 S 6,23 . (24) 2 S 12,15 . (25) 1 K 3,25 . (26) 1 K 3,26 . (27) 1 K 3,27 . (28) Js 3,5 . (29) Js 7,16 . (30) Js 8,4 . (31) Js 9,5 . (32) Js 10,19 . (33) Js 11,6 . (34) Js 11,8 . (35) Js 53,2 . (36) Jr 31,20 . (37) Ruth 4,16 . In negen verzen in Lucas : (1) Lc 1,59 . (2) Lc 1,66 . (3) Lc 1,76 . (4) Lc 1,80 . (5) Lc 2,27 . (6) Lc 2,40 . (7) Lc 9,47 . (8) Lc 9,48 . (9) Lc 18,17 .


- pais (kind, dienaar) . παις = pais (kind, dienaar) . Taalgebruik in het NT : pais (kind, dienaar) . Taalgebruik in de Septuaginta : pais (kind) .
- nom. mann. enk. παις = pais (kind) . Taalgebruik in het NT : pais (kind) . Taalgebruik in de Septuaginta : pais (kind) . Bijbel (87) . OT (78) . Js (10) : (1) Js 20,3 . (2) Js 24,2 . (3) Js 41,8 . (4) Js 41,9 . (5) Js 42,1 . (6) Js 43,10 . (7) Js 44,1 . (8) Js 44,2 . (9) Js 44,21 . (10) Js 52,13 . NT (9) . Mt (5) o.a. Mt 12,18 .
- Hebr. `èbhèd (dienaar, knecht) . Taalgebruik in Tenakh : `èbhèd (dienaar) . Getalwaarde : ayin = 16 of 70 , beth = 2 , daleth = 4 . Totaal : 16 + 2 + 4 of 70 + 2 + 4 = 22 (2 X 11) of 76 (4 X 19) . Structuur : 7 - 2 - 4 . `-b-d in Tenakh (115) . Een vorm van pais (kind) in de Septuaginta (470) , in het NT (24, met variante lezingen 27) . Mt (5) : (1) Mt 2,16 . (2) Mt 8,6 . (3) Mt 8,8 . (4) Mt 8,13 . (5) Mt 12,18 . (6) Mt 14,2 . (7) Mt 17,18 . (8) Mt 21,15 . (9) Lc 1,16 . (10) Lc 1,54 . (11) Lc 1,68 . (12) Lc 1,80 . (13) Lc 2,25 . (14) Lc 2,32 . (15) Lc 2,34 . (16) Lc 4,25 . (17) Lc 4,27 . (18) Lc 7,9 . (19) Lc 22,30 . (20) Lc 24,21 . (21) Joh 4,51 . (22) Hnd 3,13 . (23) Hnd 3,26 . (24) Hnd 4,25 . (25) Hnd 4,27 . (26) Hnd 4,30 . (27) Hnd 20,12 .
- gen. mann. enk. παιδος = paidos van het zelfst. naamw. παις = pais (kind, dienaar) . Taalgebruik in het NT : pais (kind, dienaar) . Bijbel (31) . OT (26) : (1) Gn 18,17 . (2) Gn 19,2 . (3) Gn 32,19 . (4) Gn 33,14 . (5) Gn 44,31 . (6) Gn 46,34 . (7) Dt 22,15 . (8) Dt 22,16 . (9) Js 44,26 . (10) Js 45,4 . (11) Js 50,10 . (12) Ps 69,18 . (13) Spr 29,21 . (14) Job 1,8 . (15) Da 9,11 . (16) Da 9,17 . (17) 1 Kr 17,17 . (18) 1 Kr 17,24 . (19) 1 Kr 17,25 . (20) 1 Kr 17,27 . (21) 1 Kr 21,8 . (22) 2 Kr 6,19 . (23) 2 Kr 6,21 . (24) 2 Mak 6,23 . (25) 2 Mak 15,12 . (26) Bar 2,28 . Nt (5) : (1) Lc 1,54 . (2) Lc 1,69 . (3) Lc 8,51 . (4) Hnd 4,25 . (5) Hnd 4,30 . Een vorm van παις = pais (kind) in de Septuaginta (470) , in het NT (24, met variante lezingen 27) . Mt (5) : (1) Mt 2,16 . (2) Mt 8,6 . (3) Mt 8,8 . (4) Mt 8,13 . (5) Mt 12,18 . (6) Mt 14,2 . (7) Mt 17,18 . (8) Mt 21,15 . (9) Lc 1,16 . (10) Lc 1,54 . (11) Lc 1,69 . (12) Lc 1,80 . (13) Lc 2,25 . (14) Lc 2,32 . (15) Lc 2,34 . (16) Lc 4,25 . (17) Lc 4,27 . (18) Lc 7,9 . (19) Lc 22,30 . (20) Lc 24,21 . (21) Joh 4,51 . (22) Hnd 3,13 . (23) Hnd 3,26 . (24) Hnd 4,25 . (25) Hnd 4,27 . (26) Hnd 4,30 . (27) Hnd 20,12 .

(4)
    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. mann. enk. pais   87  78             
  gen. mann. enk. paidos   31  26               
                               

 

- palin (opnieuw) . παλιν = palin (opnieuw) . Taalgebruik in het NT : palin (opnieuw) . Taalgebruik in de LXX : palin (opnieuw) . Fr. de nouveau . E. again . Ned. opnieuw . Taalgebruik in Mc : palin (opnieuw) .

palin (opnieuw)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
palin (opnieuw)  206 70 136 16 26 26 45 5 16 2 68  113 
kai palin (en opnieuw)     31 1 6 1 8 3 12   8 16

 

palin (opnieuw)   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
26           

 

palin (opnieuw)  Joh 1 Joh 2 Joh 3 Joh 4 Joh 5 Joh 6 Joh 7 Joh 8 Joh 9 Joh 10 Joh 11 Joh 12 Joh 13 Joh 14 Joh 15 Joh 16 Joh 17 Joh 18 Joh 19 Joh 20 Joh 21
45             

in vijfenveertig verzen bij Johannes (zie Joh 1,35 ) .

Mt : (1) . (2) . (3) Mt 13,45 . (4) Mt 13,47 . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . (12) . (13) . (14) . (15) . (16) .


-

- pantothen (van overal) . Taalgebruik in NT : pantothen (van overal) . Taalgebruik in Mc : pantothen (van overal) .

  pantothen (van overal)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
             

 

- para (langs) . παρα = para . Afkorting . παρ' = par' (langs, vanwege) . Taalgebruik in het NT : para (langs) . Taalgebruik in de LXX : para (langs) . Taalgebruik in Mc : para (langs) . Hnd (18) : (1) Hnd 2,33 . (2) Hnd 3,2 . (3) Hnd 4,35 . (4) Hnd 5,2 . (5) Hnd 7,16 . (6) Hnd 7,58 . (7) Hnd 9,14 . (8) Hnd 9,43 . (9) Hnd 10,6 . (10) Hnd 10,22 . (11) Hnd 10,32 . (12) Hnd 16,13 . (13) Hnd 17,9 . (14) Hnd 18,13 . (15) Hnd 20,24 . (16) Hnd 22,3 . (17) Hnd 26,10 . (18) Hnd 28,22 .

para  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
para  677  553  124  13  11  20  21  18  40  44  65     
par'  238  178  60  10  10  22  16  26  21 
totaal 915  731  184  17  15  28  31  28  62  60  91     

In twintig verzen bij Lucas : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 1,37 . (3) Lc 1,45 . (4) Lc 2,1 . In eenentwintig verzen bij Johannes

para  syn.  Mt Mc Lc syn. 
para  44  13 : (1) Mt 2,16 . (2) Mt 4,18 . (3) Mt 6,1 . (4) Mt 13,1 . (5) Mt 13,4 . (6) Mt 13,19 . (7) Mt 15,29 . (8) Mt 15,30 . (9) Mt 18,19 . (10) Mt 19,26 . (11) Mt 20,30 . (12) Mt 21,42 . (13) Mt 28,15 11 : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 4,4 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,46 . (9) Mc 12,2 . (10) Mc 12,11 . (11) Mc 14,43 20 : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 1,37 . (3) Lc 1,45 . (4) Lc 2,1 . (5) Lc 2,52 . (6) Lc 3,13 . (7) Lc 5,1 . (8) Lc 5,2 . (9) Lc 7,38 . (10) Lc 8,5 . (11) Lc 8,12 . (12) Lc 8,35 . (13) Lc 8,41 . (14) Lc 8,49 . (15) Lc 13,2 . (16) Lc 13,4 . (17) Lc 17,16 . (18) Lc 18,27 . (19) Lc 18,35 . (20) Lc 19,7 . 7 : (1) Mt 4,18 // Mc 1,16 // Lc 5,1  (2) Mt 13,1 // Mc 4,1 . (3) Mt 13,4 // Mc 4,4 // Lc 8,5 . (4) Mt 13,19 // Mc 4,15 // Lc 8,12 .(5) Mt 19,26 // Mc 10,27 // Lc 18,27 . (6) Mt 20,30 // Mc 10,46 // Lc 18,35 . (7) Mt 21,42 // Mc 12,11 .
par'  16  4 : (1) Mt 2,4 . (2) Mt 2,7 . (3) Mt 8,10 . (4) Mt 22,25 .   4 : (1) Mc 3,21 . (2) Mc 5,26 . (3) Mc 8,11 . (4) Mc 16,9 . 8 : (1) Lc 6,19 . (2) Lc 6,34 . (3) Lc 9,47 . (4) Lc 10,7 . (5) Lc 11,16 . (6) Lc 11,37 . (7) Lc 12,48 . (8) Lc 18,14  
totaal 60  17  15  28  7 (19)

Parallel in Mc 1 : Mt 4,18 // Mc 1,16 // Lc 5,1 . Parallel in Mc 4 : (1) Mt 13,1 // Mc 4,1 . (2) Mt 13,4 // Mc 4,4 // Lc 8,5 . (3) Mt 13,19 // Mc 4,15 // Lc 8,12 .

- παρα τῳ θεῳ = para tô(i) theô(i) (vanwege God) . NT (11) : (1) Mc 10,27 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,37 . (4) Lc 18,27 . (5) Rom 2,11 . (6) Rom 2,13 . (7) Rom 9,14 . (8) 1 Kor 3,19 . (9) 1 Kor 7,24 . (10) Gal 3,11 . (11) Jak 1,27 .


1. allèn (een andere) . Taalgebruik : allos (ander) , zie Mt 13,24 . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In zeventien verzen in de bijbel . In acht verzen in het OT . In negen verzen in het NT . Mt (6) . Mc (1) . Lc (1) . Opb (1) . In zes verzen bij Matteüs : (1) Mt 5,39 : een andere wang . (2) Mt 13,24 : een andere parabel . (3) Mt 13,31 : een andere parabel . (4)  Mt 13,33 : een andere parabel . (5) Mt 19,9 : een andere vrouw . (6)  Mt 21,33 : een andere parabel .
- allèn parabolèn (een andere parabel) wijst erop dat er reeds een parabel voorafging nl. de parabel van de zaaier (Mt 13,3b-9) . In Mt 13,24 wordt een tweede parabel gegeven . Hij is de eerste in een reeks van drie , die telkens met allèn parabolèn (een andere parabel) beginnen . Evenals de eerste parabel gaat het om een zaaier en zaad . In deze parabel wordt naast goed zaad ook onkruid gezaaid .
Mc 10,11 gebruikt de term in verband met een andere vrouw en Lc 6,29 in verband met de andere wang .
- allos (ander) . Taalgebruik : allos (ander) , zie Mt 13,24 .

2. parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in het NT : parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in de LXX : parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in Mc : parabolè (parabel, gelijkenis) . Paraballô : naast elkaar werpen , vergelijken .
- parabolè(i) (parabel) kan nominatief of datief vrouwelijk enkelvoud zijn .
- parabolès (van de parabel) . Genitief vrouwelijk enkelvoud . In drie verzen in de bijbel : (1) Mt 13,34 . (2) Mc 4,34 . (3) Lc 8,4 .
- parabolèn (parabel) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud van parabolè (parabel) . In acht verzen bij Matteüs : (1) Mt 13,18 . (2) Mt 13,24 : een andere parabel . (3) Mt 13,31 : een andere parabel . (4)  Mt 13,33 : een andere parabel . (5) Mt 13,36 . (6) Mt 15,15 : vraag van Petrus om de parabel uit te leggen . (7)  Mt 21,33 : een andere parabel . (8) Mt 24,32 .

- παραβολην ταυτην = parabolèn tautèn (deze parabel) . NT (8) : (1) Mt 15,15 . (2) Mc 4,13 . (3) Lc 4,23 . (4) Lc 12,41 . (5) Lc 15,3 . (6) Lc 18,9 . (7) Lc 20,9 . (8) Lc 20,19 .
- parabolais . Datief vrouwelijk meervoud . In zes verzen bij Matteüs : (1) Mt 13,3 . (2) Mt 13,10 . (3) Mt 13,13 . (4) Mt 13,34 . (5) Mt 13,35 . (6) Mt 22,1 .
-- en parabolais (door middel van parabels) . In elf verzen in het NT . Mt (6) . Mc (4) . Lc (1) .

Mt 13,3 Mt 13,10 Mt 13,13   Mt 13,34    Mt 13,35  Mt 22,1 
kai (en) dia tí (waarom) dia touto Tauta panta (Dat alles) kai (en) anoixô ... to stoma mou (ik zal mijn mond openen) palin eipen (hij zei opnieuw)
  en parabolais (in parabels) en parabolais (in parabels)   chôris parabolès (zonder parabel) en parabolais (in parabels) en parabolais (in parabels)
elalèsen (hij sprak) laleis (spreek je) autois lalô (spreek ik hen) elalèsen (hij sprak) ho Ièsous (Jezus) ouden elalei (sprak hij niets)    
autois (hen) autois (hen)     autois (hen)    autois (hen) 
polla (vele dingen)            
en parabolais (in parabels)     en parabolais (in parabels)      
      tois ochlois (tot de menigten)      
126. Gelijkenis van de zaaier : Mc 4,3-9 - Mt 13,3b-9 - Lc 8,5-8 127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt : Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10   127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt : Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10   136. Jezus spreekt in gelijkenissen : Mc 4,33-34 - Mt 13,34-35    136. Jezus spreekt in gelijkenissen : Mc 4,33-34 - Mt 13,34-35  290. Gelijkenis van het koninklijke bruiloftsmaal : Mt 22,1-14 - Lc 14,15-24 

1. - 2. allèn parabolèn (een andere parabel) . allèn (een andere) is in Matteüs viermaal gebruikt in combinatie met parabolèn (parabel) : (2) Mt 13,24 , (3)  Mt 13,31 , (4) Mt 13,33 . (6)  Mt 21,33 : een andere parabel .

parabolè(i) (parabel) kan nominatief of datief vrouwelijk enkelvoud zijn . In veertien verzen in de bijbel . In negen verzen in het OT . In vijf verzen in het NT . Mc (1) Mc 4,30 . Lc (2) . Heb (2) . Niet bij Matteüs .

  parabolè (parabel)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. + dat. vr. enk.  parabolè(i) 14           
2 gen. vr. enk. parabolès               
3 acc. vr. enk. parabolèn  49  23  26  14          26  26     
4 nom. vr. mv. parabolai                          
5 gen. vr. mv. parabolôn                          
6 dat. vr. mv. parabolais   16  12          12  12     
7 acc. vr. mv. parabolas                
  totaal 94  44 50  17  13  18        48  48   

-  paradidômi (overleveren) . paradidômi (overleveren)  . Taalgebruik in het NT : paradidômi (overleveren) . Taalgebruik in Mc : paradidômi (overleveren) . Lat. tradere (trans - dare) . Fr. trahir . Ned. overleveren , overgeven . Hebr. mâsar . Bij (Gr. para) langs , naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is . Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over : tegenover , aan de andere zijde . Zo kan para-didômi betekenen : geven aan de tegenovergestelde , de andere , de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen . NT (7) . Mt (3) : (1) Mt 26,2 . (2) Mt 26,24 // Mc 14,21 . (3) Mt 26,45 // Mc 14,41 . Mc (3) : (1) Mc 9,31  . (2) Mc 14,21 // Mt 26,24 . (3) Mc 14,41 // Mt 26,45 . Lc (1) : Lc 22,22 .
Drie teksten in het schema aankondiging - vervulling , drie teksten rond de wee-klacht over de overlevering van Jezus en één tekst nl. de inleiding van het lijdensverhaal bij Matteüs .

paradidômi (overleveren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
pass. ind.  pr. 3de pers. enk. paradidotai

        7 : (1) Mc 14,21 // Mt 26,24 // Lc 22,22 . (2)  Mc 14,41 // Mt 26,45 .    

Bijbel : OT : 1 . NT : 1 . 4. 6. 5.   1. 3. 2. 7. 
  aankondiging (2de) vervulling  Judas    vervulling  Judas  Judas
bijbelplaats   Mc 9,31  Mc 14,41 // Mt 26,45 Mc 14,21 // Mt 26,24 // Lc 22,22 Mt 26,2 Mt 26,45 // Mc 14,41 Mt 26,24 // Mc 14,21 // Lc 22,22 Lc 22,22 // Mc 14,21 // Mt 26,24
 Jezus hoti ho huios tou anthrôpou (dat de mensenzoon) idou paradidotai ho huios tou anthrôpou (zie wordt overgeleverd de mensenzoon) ouai de tôi anthrôpôi ekeinôi di'hou ho huios tou anthrôpou (wee echter die mens door wie de mensenzoon) kai ho huios tou anthrôpou (en de mensenzoon) kai ho huios tou anthrôpou (en de mensenzoon) ouai de tôi anthrôpôi ekeinôi di'hou ho huios tou anthrôpou (wee echter die mens door wie de mensenzoon) plèn ouai tôi anthrôpôi ekeinôi di'hou (maar wee die mens door wie
wordt overgeleverd paradidotai (wordt overgeleverd)   paradidotai (wordt overgeleverd) paradidotai (wordt overgeleverd) paradidotai (wordt overgeleverd) paradidotai (wordt overgeleverd) paradidotai (hij wordt overgeleverd)
tot eis cheiras anthrôpôn (in handen van mensen) eis tas cheiras tôn hamartôlôn (in de handen van de zondaars)   eis to staurothènai (om gekruisigd te worden) eis cheiras hamartôlôn (in handen van zondaars)    
  171. Tweede lijdensvoorspelling : Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 317. Complot tegen Jezus : Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14

- paradothèsetai (hij zal overgeleverd worden) . In de drie parallelteksten van de derde lijdensaankondiging : (1) Mt 20,18 . (2) Mc 10,33 . (3) Lc 18,32 .

- paredôkan (zij leverden over) . Actief ind. aor. perf. 3de pers. mv. van het werkw. paradidômi . . Lat. tradere (trans - dare) . Fr. trahir . Ned. overleveren , overgeven . Hebr. mâsar . Bij (Gr. para) langs , naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is . Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over : tegenover , aan de andere zijde . Zo kan para-didômi betekenen : geven aan de tegenovergestelde , de andere , de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen . I.v.m. de overlevering van Jezus aan Pilatus : In 5 van de 6 verzen : (1) Mt 27,2 // Mc 15,1 . (2) Mt 27,18 // Mc 15,10 (paradedôkeisan = zij hem hadden overgeleverd) . (3) Mc 15,1 // Mt 27,2 . (4) Lc 24,20 . (5) Joh 18,35 .

- paredôken (hij leverde over) . Actief ind. aor. perf. 3de pers. enk. . In 4 verzen in de syn. i.v.m. de overlevering van Jezus aan Pilatus : (1) Mt 27,26 // Mc 15,15 // Lc 23,25 . (2) Mc 3,19 // Mt 10,4 (paradous = 'die overleverde') // Lc 6,16 (prodotès = overleveraar) . (3) Mc 15,15 // Lc 23,25 // Mt 27,26 . (4) Lc 23,25 // Mt 27,26 // Mc 15,15 .

paradidômi (overleveren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. aor. 3de pers. enk. paredôken  82  65  17   
act. ind. aor. 3de pers. mv. paredôkan        

sanhedrin (paredôkan) sanhedrin (paredôkan) sanhedrin (paredôkan) Judas (paredôken) Pilatus (paredôken) Pilatus (paredôken) Pilatus (paredôken)
Mc 15,1 // Mt 27,2 Mt 27,2 // Mc 15,1 Mt 27,18 // ( Mc 15,10) Mc 3,19 // (Mt 10,4) Mc 15,15 // Lc 23,25 // Mt 27,26 Mt 27,26 // Mc 15,15 // Lc 23,25 Lc 23,25 // Mt 27,26 // Mc 15,15 
kai (en) kai (en) hoti (dat) kai Ioudan Iskariôth (Judas Iskariot) kai (en) ton de Ièsoun Jezus echter)  
paredôkan Pilatôi (zij leverden - hem - uit aan Pilatus) paredôkan Pilatôi (zij leverden - hem - uit aan Pilatus) tôi hègemoni (de procureur) dia fthonon paredôkan auton (zij hem omwille van nijd overleverden ) hos kai paredôken auton (die hem ook overleverde) paredôken (leverde hij over) ton Ièsoun (Jezus) paredôken (leverde hij over) ton de Ièsoun (Jezus) paredôken (leverde hij over)
    hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden.   hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden. hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden. tôi thelèmati autôn (aan hun wil)
336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 - 336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1- 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 97. Roeping van de Twaalf : Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 - 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25


paradidômi (overleveren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. praes. 3de pers. enk. paradidotai             
act. part. pr. nom. enk.  paradidous 11  10           
act. part. praes. nom. mann. mv. paradidontes                  
act. ind. fut. 3de pers. enk. paradôsei   16           
act. ind. fut. 3de pers. mv. paradôsousin                  
act. ind. aor. 3de pers. mv. paredosan                            
act. ind. aor. 3de pers. enk. paredôken  82  65  17   
act. ind. aor. 3de pers. mv. paredôkan        
act. ind. aor. 2de pers. mv. paredôkate                  
act. conj. aor. 3de pers. enk. paradoi               
act. ind. perf. 3de pers. mv. paradedôkeisan                 1      
pass. ind.  pr. 3de pers. enk. paradidotai

           
                             
pass. ind. fut. 3de pers. enk. paradothèsetai 11             
pass. inf. aor.  paradothènai 3              
                             
totaal                            

 

paradothènai (overgeleverd te worden) . Passief infinitief aorist. In 3 verzen in de bijbel : (1) Js 23,7 . (2) Mc 1,14 . (3) Lc 24,7 .
 paradidômi (overleveren) . Dit thema speelt in het hele evangelie een belangrijke rol . Het bevat twee aspecten . Enerzijds is er de overlevering die tot de dood leidt . (Zo kan het niet langer blijven doorgaan .) Johannes de Doper wordt overgeleverd . Jezus wordt overgeleverd en ook de leerlingen van Jezus worden overgeleverd . De overlevering gebeurt door iemand uit de intieme kring : huisgenoten , familiekring , leerlingengroep . Het is het gevolg van een onoverbrugbaar meningsverschil . Innerlijke verscheurdheid , met gevolg : prooi voor de vijand , de Romeinen . Verscheurdheid omtrent geweldloosheid of gewelddadig verzet . Anderzijds is er de overlevering die tot leven leidt (de traditio) .

1. 2. 6. 7. 5. 3. 4.
Mc 1,14 Mc 3,19 Mc 14,42 Mc 14,44 Mc 14,18 Mc 14,10 Mc 14,11
meta de (Nadat echter) kai Ioudan Iskariôth (Judas Iskariot) idou (zie)   amèn legô humin hoti heis ex humôn (voorwaar ik zeg je dat één uit jullie) hina (opdat) kai ezètei  (en hij zocht)
paradothènai (Johannes werd overgeleverd) ton Iôannèn hos kai paredôken auton (die hem ook overleverde) ho paradidous me (die mij overlevert)  èggiken (is nabij) dedôken de ho paradidous auton sussèmon (hem echter overleverend heeft hij een teken gegeven) paradôsei me (mij zal overleveren) auton paradoi autois (hij hem aan hen zou overleveren) pôs auton eukairôs paradôi (hoe hij hem op een geschikt moment zou overleveren)
21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 - 97. Roeping van de Twaalf : Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 - 329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - 330. Gevangenneming van Jezus : Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 - 321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - 319. Verraad van Judas : Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 - 319. Verraad van Judas : Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 -

 

            sanhedrin  Pilatus
bijbelplaats   Mc 14,21 Mc 14,41 Mc 9,31  Mc 10,33  Mc 10,33 - Mc 10,34 Mc 15,2 Mc 15,15 
 Jezus ouai de tôi anthrôpôi ekeinôi di'hou ho huios tou anthrôpou (wee echter die mens door wie de mensenzoon) idou paradidotai ho huios tou anthrôpou (zie wordt overgeleverd de mensenzoon) hoti ho huios tou anthrôpou (dat de mensenzoon) kai ho huios tou anthrôpou (en de mensenzoon)   kai (en) kai (en)
wordt overgeleverd paradidotai (wordt overgeleverd)   paradidotai (wordt overgeleverd) paradothèsetai (zal overgeleverd worden) kai paradôsousin auton (en zij zullen hem overleveren) paredôkan Pilatôi (zij leverden - hem - uit aan Pilatus) paredôken (leverde hij over) ton Ièsoun (Jezus)
tot   eis tas cheiras tôn hamartôlôn (in de handen van de zondaars) eis cheiras hamartôlôn (in handen van zondaars) kai katakrinousin auton thanatôi (en zullen veroordelen hem ter dood) ... kai apoktenousin (en doden)   hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden.
  321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - 329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - 171. Tweede lijdensvoorspelling :Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 - 273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 - 273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 - 336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 -  342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 -

5. paredothè (werd overgeleverd) . Taalgebruik : paradidômi (overleveren) , zie Mt 4,12 . Verder : Mc 14,41 . Mt 26,45 . Mt 26,46 .
-  paradidômi (overleveren) . Taalgebruik : paradidômi (overleveren) , zie Mt 4,12 en Mc 1,14 .
--- paredothè (hij werd overgeleverd) komt in 9 verzen in de bijbel voor. In 5 verzen in het OT en in 4 verzen in het NT (1) Js 53,12. (2) Jr 2,24. (3) Jr 46,24. (4) Jr 50,2. (5) 1 M 5,50. (6) Mt 4,12. (7) Mt 11,27. (8) Lc 10,22. (9) Rom 4,25 . In 2 verzen bij Matteüs. In deze twee verzen worden de twee aspecten van paradidômi (overleveren) gegeven. In Mt 4,12 komt het negatief aspect ter sprake : overleveren ten dode, in Mt 11,27 het positieve aspect (doorgeven aan de ander).
--- Er zijn een tiental teksten over Judas die Jezus overlevert. Verder zijn er twee teksten die spreken over de hogepriesters en de oudsten van het volk die Jezus overleveren aan Pilatus : Mt 27,2 - Mt 27,1-2 - en Mt 27,18 - Mt 27,15-23 -. Tenslotte zal Pilatus Jezus uitleveren. : Mt 27,26 - Mt 27,24-26 -.
Het is tragiek! Voordat er sprake van enige concrete bedreiging is, wordt Judas reeds genoemd als degene die Jezus zal overleveren. De Farizeeën zijn de eersten om te besluiten dat Jezus uit de weg moet worden geruimd. Dan komt de dreiging van de wereldlijke macht. Ook de hogepriesters en de oudsten van Jeruzalem zullen besluiten Jezus te doden. Judas, één van de twaalf, in de onmiddellijke kring rond Jezus, besluit om Jezus uit te leveren en zoekt daartoe een gunstig moment. Uitgeleverd zullen de hogepriesters en de oudsten van het volk Jezus ter dood veroordelen. Zij leveren Jezus uit aan Pilatus van wie ze eisen dat Jezus wordt gekruisigd. Onder joodse druk levert Pilatus Jezus uit om gekruisigd te worden.
Waarom wordt het Griekse werkwoord paradidômi gebruikt ? Het Griekse voorzetsel para kan naast, langs betekenen ; para-didômi : ervan langs geven , iemand een lesje leren . In para-sol en para-plu kan nog iets van dat para (langs, ernaast) begrepen worden : een parasol en een paraplu worden gebruikt opdat de zon ernaast schijnt en de regen ernaast valt . Hoe is men tot de Nederlandse uitdrukking gekomen : iemand ervan langs geven ? En waarom heeft men paradidômi door overleveren , in handen van iemand anders geven , vertaald?
Bij langs , naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is . Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over : tegenover , aan de andere zijde . Zo kan para-didômi betekenen : geven aan de tegenovergestelde , de andere , de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen .

Judas zal Jezus over- / uitleveren . In 10 verzen in Matteüs wordt dat verteld . In 6 verzen staat een deelwoord ; in 4 verzen het tegenwoordig deelwoord , in 2 verzen het verleden deelwoord (participium aorist) . In 3 verzen staat de indicatief futurum (onvoltooid toekomende tijd) en in 1 vers de conjunctief .

  1. - 1. 10. - 2. 6. -  1. 7. - 2. 8. - 3. 9. - 4. 4. - 7. 5. - 8. 2. -  9. 3. - 10.
bijbeltekst   Mt 10,4 // (Mc 3,19) // (Lc 6,16) Mt 27,4 Mt 26,25 Mt 26,46  // Mc 14,42 Mt 26,48 // Mc 14,44 // (Lc 22,48) Mt 27,3 Mt 26,21 // Mc 14,18 Mt 26,23 // Lc 22,21 Mt 26,15 // Mc 14,10 // Lc 22,4 Mt 26,16 // Mc 14,11 // Lc 22,6  
Judas kai Ioudas ho Iskariôtès (Judas Iskariot)   apokritheis de Ioudas (geantwoord echter Judas idou èggiken (zie genaderd is) ho de (hij echter) Tote idôn Ioudas (toen gezien Judas) amèn legô humin hoti heis ex humôn (voorwaar ik zeg u dat één uit jullie) houtos (die) kagô (en ik) kai apo tote ezètei eukairian hina (en van dan af zocht hij een gunstige gelegenheid opdat)
 levert Jezus over ho kai paradous auton (die hem ook overleverde) paradous haima athôion (overgeleverd onschuldig bloed ) ho paradidous auton (die hem overlevert) ho paradidous me (die mij overlevert)  paradidous auton (hem overleverend) ho paradidous auton (die hem overlevert) paradôsei me (mij zal overleveren) me paradôsei (zal mij overleveren) humin paradôsô auton (zal hem aan jullie overleveren) auton paradôi (hij hem zou overleveren)
  75. Keuze van de twaalf en volmachtsoverdracht : Mt 10,1-4  337. Einde van Judas : Mt 27,3-10  321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 -  329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -  330. Gevangenneming van Jezus : Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 -  337. Einde van Judas : Mt 27,3-10 - Mt 27,3-10 -  321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 -  321. Aanduiding van de verrader :Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - 319. Verraad van Judas : Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 - 319. Verraad van Judas : Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 -

Bij Mt is er vijfmaal sprake van de overlevering van de Mensenzoon .

  1. aankondiging (2de) 2. aankondiging (3de) 3. 4. 5. vervulling (2de)
bijbelplaats   Mt 17,22  // Mc 9,31 // Lc 9,44 Mt 20,18 // Mc 10,33 // Lc 18,32 Mt 26,2 Mt 26,24 // Mc 14,21 // Lc 22,22 Mt 26,45 // Mc 14,41
Jezus mellei ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon staat op het punt) kai ho huios tou anthrôpou (en de mensenzoon) kai ho huios tou anthrôpou (en de mensenzoon) ouai de tôi anthrôpôi ekeinôi di'hou ho huios tou anthrôpou (wee echter die mens door wie de mensenzoon) kai ho huios tou anthrôpou (en de mensenzoon)
wordt overgeleverd paradidosthai (overgeleverd te worden) paradothèsetai (zal overgeleverd worden) paradidotai (wordt overgeleverd) paradidotai (wordt overgeleverd) paradidotai (wordt overgeleverd)
tot eis cheiras anthrôpôn (in handen van mensen)  kai katakrinousin auton thanatôi (en zullen veroordelen hem ter dood) eis to staurothènai (om gekruisigd te worden)   eis cheiras hamartôlôn (in handen van zondaars)
  171. Tweede lijdensvoorspelling : Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 - 317. Complot tegen Jezus : Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46

 

 

  1. aankondiging (2de) 2. aankondiging (3de)  1. 2. 3. vervulling (2de)  5.    Pilatus
bijbelplaats   Mt 17,22  // Mc 9,31 // Lc 9,44 Mt 20,18 // Mc 10,33 // Lc 18,32 Mt 26,2 Mt 26,24 // Mc 14,21 // Lc 22,22 Mt 26,45 // Mc 14,41 Mt 20,18 // Mc 10,33 // Lc 18,32 Mt 20,19  Mt 27,26
Jezus mellei ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon staat op het punt)  kai ho huios tou anthrôpou (en de mensenzoon) kai ho huios tou anthrôpou (en de mensenzoon) ouai de tôi anthrôpôi ekeinôi di'hou ho huios tou anthrôpou (wee echter die mens door wie de mensenzoon) kai ho huios tou anthrôpou (en de mensenzoon)  kai ho huios tou anthrôpou (en de mensenzoon)    ton de Ièsoun Jezus echter)
wordt overgeleverd paradidosthai (overgeleverd te worden)  paradothèsetai (zal overgeleverd worden) paradidotai (wordt overgeleverd) paradidotai (wordt overgeleverd) paradidotai (wordt overgeleverd)  paradothèsetai (zal overgeleverd worden) kai paradôsousin auton (en zij zuillen hem overleveren)  paredôken (leverde hij over)
tot eis cheiras anthrôpôn (in handen van mensen)   kai katakrinousin auton thanatôi (en zullen veroordelen hem ter dood)  eis to staurothènai (om gekruisigd te worden)   eis cheiras hamartôlôn (in handen van zondaars)  kai katakrinousin auton thanatôi (en zullen veroordelen hem ter dood) eis to... staurôsai (om hemte ... kruisigen)  hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden.
   171. Tweede lijdensvoorspelling : Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45  273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 // Mt 20,17-19 // Lc 18,31-34 - Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 -  317. Complot tegen Jezus : Mc 14,1-2 // Mt 26,1-5 // Lc 22,1-2 - Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 -  321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 // Mt 26,20-25 // Lc 22,14 - Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 -  329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 // Mt 26,36-46 // Lc 22,40-46 Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -  273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 // Mt 20,17-19 // Lc 18,31-34 - Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 -  273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 // Mt 20,17-19 // Lc 18,31-34 - Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 -  342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 // Mt 27,24-26 // Lc 23,24-25 - Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 -

De overlevering brengt niet alleen het levenslot van Jezus in beeld, maar ook van de eerste christenen. In de bergrede, de zendingsrede en de eschatologische rede is het wel in de toekomstige tijd geformuleerd. Wellicht beleven ze situaties van uitleveringen. Vandaar die gevoeligheid om dat aspect van het lot van Johannes de Doper en van Jezus te belichten. Matteüs geeft dus ook heel wat weer over de situatie van de eerste christelijke gemeenten in Galilea in de 1ste eeuw.

  1. 2. 3. 4. 5.
bijbelplaats Mt 10,17 Mt 24,9 Mt 24,9 Mt 10,19 Mt 10,19
overlevering paradôsousin gar humas(want zij zullen u overleveren) tote paradôsousin humas (dan zullen zij u overleveren) kai allèlous paradôsousin (en zij zullen elkaar overleveren) hotan de paradôsin humas (wanneer zij echter u overleveren) paradôsei adelfos adelfon eis thanaton (een broer zal zijn broer ter dood overleveren)
  eis... (in ...) eis (tot)      
ter dood   kai apoktenousin humas (en zij zullen u doden)     eis thanaton (ter dood) ... kaiu thanatôsousin autous (en zij zullen hem doden)
  77. Gedrag bij vervolgingen: - Mt 10,17-23 - Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 - 301. Gedrag bij vervolgingen : Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 - 301. Gedrag bij vervolgingen : Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 - 77. Gedrag bij vervolgingen: Mt 10,17-23 - Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 - 77. Gedrag bij vervolgingen: Mt 10,17-23 - Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 -

Het is opvallend hoe teksten over "overlevering" bij Marcus en Matteüs zo sterk met elkaar overeenkomen.

1.     2.     vervulling     aankondiging    
 Mt 26,46   Mc 14,42   Mt 26,21 Mc14,18   Mt 26,45 Mc 14,41   Mt 17,22    Mc 9,31   Lc 9,44
 idou èggiken (zie nabij is)  idou (zie)   amèn legô humin hoti heis ex humôn (voorwaar ik zeg u dat één uit jullie) amèn legô humin hoti heis ex humôn (voorwaar ik zeg u dat één uit jullie)   kai ho huios tou anthrôpou (en de mensenzoon) idou paradidotai ho huios tou anthrôpou (zie wordt overgeleverd de mensenzoon)   mellei ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon staat op het punt) hoti ho huios tou anthrôpou (dat de mensenzoon) ho gar huios tou anthrôpou (want de mensenzoon)
ho paradidous me (die mij overlevert)  ho paradidous me (die mij overlevert)  èggiken (is nabij)   paradôsei me (mij zal overleveren) paradôsei me (mij zal overleveren)   paradidotai (wordt overgeleverd)     paradidosthai (overgeleverd te worden) paradidotai (wordt overgeleverd) mellei paradidosthai (staat op het punt overgeleverd te worden)
            eis cheiras hamartôlôn (in handen van zondaars) eis tas cheiras tôn hamartôlôn (in de handen van de zondaars)   eis cheiras anthrôpôn (in handen van mensen)  eis cheiras anthrôpôn (in handen van mensen) eis cheiras anthrôpôn  (in handen van mensen
 329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -  329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -    321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 // Mt 26,20-25 // Lc 22,14 - Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 -  321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 // Mt 26,20-25 // Lc 22,14 - Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 -   329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -     171. Tweede lijdensvoorspelling : Mc 9,30-32 // Mt 17,22-23 // Lc 9,43b-45 - Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 -    


Jezus wijkt uit van de diepten van de Jordaan en de woestijn van Judea naar het meer van Galilea en de hoogten van de bergen van Zebulon en Neftali om dan af te dalen naar het zuiden en op te gaan naar Jeruzalem.
Breukelman, F.H., Bijbelse theologie. Deel 3. De theologie van de evangelist Mattheüs, Kampen, J.J.Kok, 1984. Blz.145-149: A. Het anachôrein van Jezus in Mattheüs 4 : 12.

Het evangelie van Matteüs heeft de dood als een centraal thema. Eerst probeert Jezus de dood te ontlopen om zo het brengen van zijn boodschap niet in gevaar te brengen, daarna daagt hij het lot uit en gaat naar Jeruzalem waar hij gedood wordt. Van een ontwijken kiest Jezus voor de uitdaging en de confrontatie.


- paraggellô (afkondigen, bevelen) . παραγγελλω = paraggellô (afkondigen, bevelen) . Taalgebruik in het NT : paraggellô (afkondigen, bevelen) . Taalgebruik in de LXX : paraggellô (afkondigen, bevelen) .
- act. ind. aor. 3de pers. enk. παρηγγειλεν = parèggeilen (hij kondigde af , hij beval) van het werkw. παραγγελλω = paraggellô (afkondigen, bevelen) . Taalgebruik in het NT : paraggellô (afkondigen, bevelen) . Taalgebruik in de LXX : paraggellô (afkondigen, bevelen) . Bijbel (21) : (1) Re 4,10 . (2) 1 S 10,17 . (3) 1 S 15,4 . (4) 1 S 23,8 . (5) 1 K 12,6 . (6) 1 K 15,22 . (7) 1 K 15,22 . (8) 2 Kr 36,22 . (9) Jdt 7,1 . (10) 1 Mak 5,58 . (11) 1 Mak 9,63 . (12) . 2 Mak 5,25 . (13) 2 Mak 13,10 . (14) 2 Mak 15,10 . (15) Mc 6,8 . (16) Lc 5,14 . (17) Lc 8,29 . (18) Lc 8,56 . (19) Lc 9,21 . (20) Hnd 1,4 . (21) Hnd 10,42 . Een vorm van παραγγελλω = paraggellô in de LXX (23) , in het NT (30) .


- paragô (langsdrijven, langsgaan) . paragô (langsdrijven, langsgaan) . Taalgebruik in NT : paragô (langsdrijven, langsgaan) . Taalgebruik in Mc : paragô (langsdrijven, langsgaan) .

  paragô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1.  act. ind. praes. 3de pers. enk. paragei               
2.   act. ind. imperf. 3de pers. enk. parègen  '1'    '1'        '1'          '1'     
3.   act. part. praes. nom. mann. enk. paragôn                
4.   act. part. praes. acc. mann. enk. paragonta                    
5.  act. part. praes. dat. mann. enk. paragonti                   
6.   pass. ind. praes. 3de pers. enk. paragetai                     
  totaal                            

(1) Mt 9,9 (roeping van Levi) : kai paragôn ho Ièsous eiden anthrôpon = en langsvoerend Jezus zag (hij) een mens // Mc 2,14 : kai paragôn eiden = en langsvoerend zag hij . (2) Mc 1,16 (roeping van de leerlingen) : kai paragôn para tèn thalassan tès Galilaias eiden = en langsvoerend langs de zee van Galilea zag hij // Mt 4,18 : peripatôn de para tèn thalassan tès Galilaias eiden = rondwandelend echter langs het meer van Galilea zag hij . (3) Mc 2,14 (zie hoger) . (4) Joh 9,1 (genezing van een blinde) : kai paragôn eiden anthrôpon = en langsvoerend zag hij een mens . In vier verzen in de bijbel , enkel in het NT : (1) Mt 9,9 (roeping van Matteüs) . (2) Mc 1,16 (roeping van Petrus en Andreas) . (3) Mc 2,14 (roeping van Levi) . (4) Joh 9,1 (Jezus voert langs een blinde) . Parallelteksten : (1) Mt 9,9 // Mc 2,14 .


- parachrèma (dadelijk, op hetzelfde ogenblik) . παραχρημα = parachrèma (dadelijk, op hetzelfde ogenblik) . Taalgebruik in het NT : parachrèma (dadelijk, op hetzelfde ogenblik) . Taalgebruik in de LXX : parachrèma (dadelijk, op hetzelfde ogenblik) . Taalgebruik in Lc : parachrèma (dadelijk, op hetzelfde ogenblik) . Bijbel (33) . OT (8) . NT (18) . Mt (2) : (1) Mt 21,19 . (2) Mt 21,20 . Lc (10) : (1) Lc 1,64 . (2) Lc 4,39 . (3) Lc 5,25 . (4) Lc 8,44 . (5) Lc 8,47 . (6) Lc 8,55 . (7) Lc 13,13 . (8) Lc 18,43 . (9) Lc 19,11 . (10) Lc 22,60 . Hnd (6) : (1) Hnd 3,7 . (2) Hnd 5,10 . (3) Hnd 12,23 . (4) Hnd 13,11 . (5) Hnd 16,26 . (6) Hnd 16,33 .


- παρακαλεω = parakaleô (bijroepen, ter hulp roepen , troosten , bijstaan , aanbevelen, aandringen)

- parakaleô - ad-vocare (bij-roepen) . παρακαλεω = parakaleô (bijroepen, ter hulp roepen , troosten , bijstaan , aanbevelen, aandringen) . Vertalingen : Latijn : exhortare ; Nederlands : aansporen , oproepen . Taalgebruik in het NT : parakaleô - ad-vocare (bij-roepen) . Taalgebruik in de LXX : parakaleô - ad-vocare (bij-roepen) . Taalgebruik in Mc : parakaleô - ad-vocare (bij-roepen) .

- parakaleô - ad-vocare ( bij-roepen , ter hulp roepen , troosten , bijstaan , aanbevelen) . Taalgebruik : parakalôn (te hulp roepend) , zie Mt 5,4 . De Geest wordt paraklètos : trooster, iemand die bijstaat

-
--- parakalountes . Taalgebruik : parakalôn (te hulp roepend) , zie Mt 5,4 . Actief participium praesens nominatief mannelijk meervoud van het werkwoord parakaleô - ad-vocare (bij-roepen, ter hulp roepen, troosten, bijstaan, aanbevelen) . Vertalingen : Latijn : exhortare ; Nederlands : aansporen , oproepen . In zes verzen in de bijbel . In twee verzen in het OT . In vier verzen in het NT : (1) Hnd 9,38 . (2) Hnd 14,22 . (3) 1 Th 2,12 . (4) Heb 10,25 .
--- parekalei (hij riep naast zich, hij drong aan) . Actief imperfectum derde persoon enkelvoud . In zestien verzen in de bijbel . In acht verzen in het OT . In acht verzen in het NT : (1) Mt 18,29 . (2) Mc 5,10 . (3) Mc 5,18 . (4) Lc 8,41 . (5) Lc 15,28 . (6) Hnd 2,40 . (7) Hnd 11,23 . (8) Hnd 27,33 .
--- parekaloun (zij riepen bij, zij spoorden aan, zij drongen aan) . Actief imperfectum derde persoon meervoud . In twaalf verzen in de bijbel . In vier verzen in het OT . In acht verzen in het NT : (1) Mt 8,31 . (2) Mt 14,36 . (3) Mc 6,56 . (4) Lc 7,4 . (5) Lc 8,31 . (6) Hnd 13,42 . (7) Hnd 19,31 . (8) Hnd 25,2 .
--- parekalesen (hij vroeg) . Actief aorist derde persoon enkelvoud . In veertien verzen in de bijbel . In elf verzen in het OT . In drie verzen in het NT : (1) Hnd 8,31 . (2) Hnd 16,15 . (3) 2 Cor 7,6 .
--- paraklèthèsontai (zij zullen getroost worden) . In twee verzen in de bijbel : (1) Js 66,12 . (2) Mt 5,4 . Zie ook Js 61,2

parakaleô (bijroepen, troosten) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. pr. 3de p. enk. parakalei 6 1 5   1       4   1
ind. pr. 1ste p. enk. parakalô  22  19          17       
ind. pr. 3de p. mv. parakalousin 2   2   2           2
ind. pr. 1ste p. mv. parakaloumen                   
ind. pr. + imp. 2de p. mv. parakaleite 8 5 3           3      
part. pr.  nom. m. + vr. enk. parakalôn 19 10 9 1 1 1   1 5   3
ind. part. nom. m. + vr. mv. parakalountes  6 2 4         2 2      
inf. pr. parakalein 4 1 3   1       2   1
ind. imp. 3de p. enk. parekalei 16 8 8 1 2 2   3     5
ind. imp. 3de p. mv. parekaloun 12 4 8 2 1 2   3     5
ind aor. 3de p. enk. parekalesen 14 11 3         2 1      

ind. aor. 3de p. mv. parekalesan

11 5 6 1 1 1   3     3
ind. inf. aor. parakalesai  13 7 6 1         5   1
ind. aor. 1ste enk. parekalesa 7 2 5         1 4      
pass. fut. 3de p.. mv. paraklèthèsontai 2 1 1               1
inf. pass. paraklèthènai   2 1 1 1             1
Er zijn nog andere vormen                        
Totaal (bij benadering)   150  61  89    17  49    23  23 

 

parakaleô (bijroepen, troosten) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev. 1 Tes.
ind. pr. 1ste p. mv. parakaloumen                    3 : (1) 1 Tes 4,1 . (2) 1 Tes 4,10 . (3) 1 Tes 5,14 .
ind. part. pr.  nom. m. + vr. enk. parakalôn 19 10 9 1 1 1   1 5   3 2 : (1) 1 Tes 4,18 . (2) 1 Tes 5,11 .
ind. part. nom. m. + vr. mv. parakalountes  6 2 4         2 2       1 : 1 Tes 2,12 .
ind. inf. aor. parakalesai  13 7 6 1         5   1 1 : 1 Tes 3,2 .
Er zijn nog andere vormen                         pareklèthèmen : aor. pass. 1ste p. mv. : 1 Tes 3,7 .
Totaal (bij benadering)   150  61  89    17  49    23  23  8

In 1 Tes in 8 verzen of 16,32 % van de Brieven (49) .

- paraklèsis (bijstand, hulp, troost) , παρακλησις = paraklèsis (bijstand, hulp, troost) . Taalgebruik in het NT : paraklèsis (bijstand, hulp, troost) . Taalgebruik in de LXX : paraklèsis (bijstand, hulp, troost) . De geest wordt vaak παρακλητος = paraklètos - ad-vocatus , bij-geroepene genoemd . In geval van nood is het een helper , in geval van verdriet is het een trooster enz. Hij is iemand die naast je staat , de aanwezigheid van God bij jou , jouw engel-bewaarder enz. .
- acc. vr. enk. παρακλησιν = paraklèsin van het zelfst. naamw. παρακλησις = paraklèsis (bijstand, hulp, troost) . Taalgebruik in het NT : paraklèsis (bijstand, hulp, troost) . Taalgebruik in de LXX : paraklèsis (bijstand, hulp, troost) . De geest wordt vaak παρακλητος = paraklètos - ad-vocatus , bij-geroepene genoemd . In geval van nood is het een helper , in geval van verdriet is het een trooster enz. Hij is iemand die naast je staat , de aanwezigheid van God bij jou , jouw engel-bewaarder enz. . Bijbel (14) : (1) Js 28,29 . (2) Js 57,18 . (3) Jr 16,7 . (4) Nah 3,7 . (5) 1 Mak 12,9 . (6) 2 Mak 7,24 . (7) 2 Mak 15,11 . (8) Lc 2,25 . (9) Lc 6,24 . (10) 1 Kor 14,3 . (11) 2 Kor 8,17 . (12) 2 Tes 2,16 . (13) Film 1,7 . (14) Heb 6,18 .


- parakoloutheô (naast iemand de weg afleggen, begeleiden) . parakoloutheô (naast iemand de weg afleggen, begeleiden) . Taalgebruik in het NT : parakoloutheô (naast iemand de weg afleggen, begeleiden) . Taalgebruik in het NT : parakoloutheô (naast iemand de weg afleggen, begeleiden) .

  parakoloutheô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. part. perf. dat. mann. enk. parèkolouthèkoti                              
                               

- παραλαμβανω = paralambanô (overnemen)

- paralambanô (overnemen) . παραλαμβανω = paralambanô (overnemen) . Taalgebruik in het NT : paralambanô (overnemen) . Taalgebruik in de LXX : paralambanô (overnemen) . Taalgebruik in Mc : paralambanô (overnemen) . Taalgebruik in Lc : paralambanô (overnemen) . Lat. accipere ( ad- capere = aan-nemen , aanvaarden ) . Fr. accepter , reçevoir .

  paralambanô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. praes. 3de pers. enk. paralambanei               
  act. ind. praes. 3de pers. mv. paralambousin                    
  act. ind. aor. 3de pers. mv. parelabon              
  act. part. aor. nom. mann. enk. paralabôn   15  10           
                               
                               

paralambanei ( hij neemt naast zich) . Actief praesens derde persoon enkelvoud .
- paralambanô ((naast zich nemen, vergezellen) . Verwijzing : paralambanô (naast zich nemen) bij Mt 4,5 .
--- paralambanei ( hij neemt naast zich) . In deze vorm komt het in acht verzen voor in de bijbel .
In vier verzen bij Matteüs : (1) Mt 4,5 . (2) Mt 4,8 . (3) Mt 12,45 . (4) Mt 17,1 .
In drie verzen bij Marcus : (1) Mc 5,40 . (2) Mc 9,2 . (3) Mc 14,33 .
In één vers bij Lucas : Lc 11,26 .
Na de zin met paralambanei (hij neemt naast zich) volgt nog een andere (aanvullende) nevenschikkende zin.
--- paralambanousin (zij nemen bij zich) . Actief praesens 3de persoon meervoud. Slechts in 1 vers in de bijbel, nl. in Mc 4,36 .
--- paralambanontes (bij zich nemend) . Participium praesens. Slechts in 1 vers in de bijbel, nl. in Heb 12,28 .
--- paralabôn . Participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud . In vijftien verzen in de bijbel . In vijf verzen in het OT . In tien verzen in het NT . In 1 vers bij Matteüs, in 1 vers bij Marcus . In drie verzen bij Lucas : (1) Lc 9,10 . (2) Lc 9,28 . (3) Lc 18,31 . In 5 verzen in Hnd.
- parelaben . In 17 verzen in de bijbel; in 13 verzen in het OT, in 4 verzen bij Matteüs.
- parelabete . In 5 verzen in de bijbel, nl. in de brieven van Paulus.

1. de duivel 2. de duivel 3. de duivel 4. Jezus 5. Jezus

Mt 4,5

Mt 4,8 Mt 12,45 Mt 17,1 - Mt 17,2 Mt 26,37
Tote (dan) palin (opnieuw) kai (en) Kai meth'hèmeras hex (na zes dagen) kai (en)
paralambanei (neemt naast zich) paralambanei (neemt naast zich) paralambanei (neemt naast zich) meth'heautou (met zich) paralambanei (neemt naast zich) paralabôn (meegenomen naast zich)
auton (hem) auton (hem) hepta hetera pneumata (zeven andere geesten)    
ho diabolos (de duivel) ho diabolos (de duivel)   ho Ièsous (Jezus)  
      ton Petron (Petrus) kai (en) Iakôbon (Jakobus) kai (en) Iôannèn (Johannes) ton adelfon autou (zijn broer)  ton Petron (Petrus)  kai (en)  tous duo huious Zebedaiou (de twee zonen van Zebedeüs) 
eis tèn hagian polin (naar de heilige stad) eis horos hupsèlon lian (naar een zeer hoge berg)      
kai estèsen (en hij plaatste) kai deiknusin autôi (en hij toon taan hem) kai eiselthonta katoikei ekei (en binnengegaan wonen zij daar) kai (en) anaferei (hij voert omhoog)  
 auton (hem) pasas tas basileias  tou kosmou kai tèn doxan autôn (alle koninkrijken van de wereld en hun schittering)    autous (hen)  
epi to pterugion tou hierou (op de tinne van de tempel) eis horos hupsèlon (naar een hoge berg)    eis horos hupsèlon (naar een hoge berg)  
      kat'idian (bij zichzelf - in afzondering)  
kai legei autôi (en hij zegt aan hem) kai eipen autôi (en hij zei hem)      èrxato ... (begon hij...)
efè autôi ho Ièsous (Jezus zei aan hem)  tote legei autôi ho Ièsous (dan zegt Jezus aan hem)      tote legei autois (dan zegt hij aan hen)
 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -  20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -  122. Terugkeer van de onreine geest: Mt 12,43-45 - Lc 11,24-26 -  168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 -  329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -

 

parousia bijbel  OT  NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev. 
nom.+ dat. enk. parousia(i) 16 1 15 3         12   3 3
gen. enk. parousias 6   6 1         5   1 1
acc. enk. parousian 5 3 2           2      
Totaal   27 4 23 4         19   4 4

- παραλυτικος = paralutikos (lamme)

- paralutikos (lamme) . παραλυτικος = paralutikos (lamme) . Taalgebruik in het NT : paralutikos (lamme) . Taalgebruik in Mc : paralutikos (lamme) .
- παρα = para (langs , terzijde) en λυω = luô ( losmaken , vrijmaken , vrijlaten ) ; zie b.v. het woordelement los- in los-maken . Het Ned. achtervoegsel - loos : vrij van , zonder ; zie b.v. smaakloos , mateloos enz. . παραλυω = paraluô ; ter zijde losmaken , verlammen .

  paralutikos (lamme) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  ev. syn.
1 nom. enk. : paralutikos 2   2 (1) Mt 8,6 . (1) Mc 2,4 . Lc 5,18 : paralelumenos (verlamde)   Hnd 9,33 : paralelumenos (verlamde)        
2 gen. enk. : paralutikou                        
3 dat. enk. : paralutikôi 5   5 2 : (1) Mt 9,2 . (2) Mt 9,6 3 : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,9 . (3) Mc 2,10 . Lc 5,24 : paralelumenôi (aan de verlamde)            
4 acc. enk. : paralutikon 2   2 (1) Mt 9,2 . (1) Mc 2,3              
5 nom. mv. : paralutikoi               Hnd 8,7 : paralelumenoi (verlamden)        
6 gen. mv. : paralutikôn                        
7 dat. mv. : paralutikois                        
8 acc. mv. : paralutikous 1 Dt 32,36 : paralelumenous (verlamden) 1 1                
  Totaal   10   10 5 5              

- datief mannelijk enkelvoud paralutikôi . In vijf verzen in de bijbel : (1) Mt 9,2 // Mc 2,5 . (2) Mt 9,6 // Mc 2,10 . (3) Mc 2,5 // Mt 9,2 . (4) Mc 2,9 . (5) Mc 2,10 // Mt 9,6 . Bijbel (5) : (1) Mt 9,2 // Mc 2,5 . (2) Mt 9,6 // Mc 2,10 . (3) Mc 2,5 // Mt 9,2 . (4) Mc 2,9 . (5) Mc 2,10 // Mt 9,6 .
- accusatief mannelijk enkelvoud paralutikon . In twee verzen in de bijbel : (1) Mt 9,2 // Mc 2,3 . (2) Mc 2,3 // Mt 9,2 .
- In Mc 2,1-12 komt een vorm van paralutikos vijfmaal voor , in Mt 9,1-8 viermaal .


- παραπορευομαι = paraporeuomai (zich begeven langs)

- paraporeuomai (zich begeven langs) . παραπορευομαι = paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in het NT : paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in de LXX : paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in Mc : paraporeuomai .

  paraporeuomai (zich begeven langs)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  part. praes. nom. mann. mv. paraporeuomenoi               
  inf. praes. paraporeuesthai                     
  ind. imperf. 3de pers. mv. pareporeuonto                  
                               

- ind. praes. 2de pers. mv. παραπορευεσθε = paraporeuesthe (jij begeeft zich langs) van het werkw. παραπορευομαι = paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in het NT : paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in de LXX : paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in Mc : paraporeuomai . Bijbel (3) . LXX () : (1) Dt 2,4 . (2) Dt 2,13 . (3) 2 Kr 24,20 . Een vorm van παραπορευομαι = paraporeuomai (zich op weg begeven langs) in de LXX (38) . Pentateuch (9) : (1) Gn 37,28 . (2) Ex 2,5 . (3) Ex 30,13 . (4) Ex 30,14 . (5) Ex 39,3 . (6) Dt 2,4 . (7) Dt 2,13 . (8) Dt 2,14 . (9) Dt 2,18 . In het NT (5) , in Mc (4) : (1) Mc 2,23 . (2) Mc 9,30 . (3) Mc 11,20 . (4) Mc 15,29 . Een vorm van het Griekse werkw. παραπορευομαι = paraporeuomai (zich begeven langs) kan de vertaling van 4 verschillende Hebreeuwse werkw. zijn .

- ind. praes. 3de pers. mv. παραπορευονται = paraporeuontai (zij begeven zich langs) van het werkw. παραπορευομαι = paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in het NT : paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in de LXX : paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in Mc : paraporeuomai . Bijbel (1) : Ex 30,13 . Een vorm van παραπορευομαι = paraporeuomai (zich op weg begeven langs) in de LXX (38) . Pentateuch (9) : (1) Gn 37,28 . (2) Ex 2,5 . (3) Ex 30,13 . (4) Ex 30,14 . (5) Ex 39,3 . (6) Dt 2,4 . (7) Dt 2,13 . (8) Dt 2,14 . (9) Dt 2,18 . In het NT (5) , in Mc (4) : (1) Mc 2,23 . (2) Mc 9,30 . (3) Mc 11,20 . (4) Mc 15,29 . Een vorm van het Griekse werkw. παραπορευομαι = paraporeuomai (zich begeven langs) kan de vertaling van 4 verschillende Hebreeuwse werkw. zijn .

- ind. imperf. 3de pers. mv. παρεπορευοντο = pareporeuonto (zij begaven zich langs) van het werkw. παραπορευομαι = paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in het NT : paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in de LXX : paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in Mc : paraporeuomai . Bijbel (7) . LXX (6) : (1) Gn 32,32 . (2) Gn 37,28 . (3) Ex 2,5 . (4) Joz 8,33 . (5) Js 29,2 . (6) 2 S 15,23 . NT (1) : Mc 9,30 . Een vorm van παραπορευομαι = paraporeuomai (zich op weg begeven langs) in de LXX (38) . Pentateuch (9) : (1) Gn 37,28 . (2) Ex 2,5 . (3) Ex 30,13 . (4) Ex 30,14 . (5) Ex 39,3 . (6) Dt 2,4 . (7) Dt 2,13 . (8) Dt 2,14 . (9) Dt 2,18 . In het NT (5) , in Mc (4) : (1) Mc 2,23 . (2) Mc 9,30 . (3) Mc 11,20 . (4) Mc 15,29 . Een vorm van het Griekse werkw. παραπορευομαι = paraporeuomai (zich begeven langs) kan de vertaling van 4 verschillende Hebreeuwse werkw. zijn .

- ind. imperf. 3de pers. enk. pareporeueto (hij begaf zich langs) van het werkw. παραπορευομαι = paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in het NT : paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in de LXX : paraporeuomai (zich begeven langs) . Bijbel (3) : (1) 2 S 15,18 . (2) 1 K 20,39 . (3) Rt 4,1 .

- inf. praes. παραπορευεσθαι = paraporeuesthai van het werkw. παραπορευομαι = paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in het NT : paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in de LXX : paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in Mc : paraporeuomai . Bijbel = Mc (1) : Mc 2,23 . Een vorm van παραπορευομαι = paraporeuomai (zich op weg begeven langs) in de LXX (38) . Pentateuch (9) : (1) Gn 37,28 . (2) Ex 2,5 . (3) Ex 30,13 . (4) Ex 30,14 . (5) Ex 39,3 . (6) Dt 2,4 . (7) Dt 2,13 . (8) Dt 2,14 . (9) Dt 2,18 . In het NT (5) , in Mc (4) : (1) Mc 2,23 . (2) Mc 9,30 . (3) Mc 11,20 . (4) Mc . Een vorm van het Griekse werkw. παραπορευομαι = paraporeuomai (zich begeven langs) kan de vertaling van 4 verschillende Hebreeuwse werkw. zijn .

- part. praes. nom. mann. enk. παραπορευμενος = paraporeuomenos (die zich op weg begeeft langs) van het werkw. παραπορευομαι = paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in het NT : paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in de LXX : paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in Mc : paraporeuomai . Bijbel (4) . LXX (4) : (1) Ex 30,14 . (2) Ex 39,3 . (3) Jr 19,8 . (4) Jr 49,17 . Een vorm van παραπορευομαι = paraporeuomai (zich op weg begeven langs) in de LXX (38) . Pentateuch (9) : (1) Gn 37,28 . (2) Ex 2,5 . (3) Ex 30,13 . (4) Ex 30,14 . (5) Ex 39,3 . (6) Dt 2,4 . (7) Dt 2,13 . (8) Dt 2,14 . (9) Dt 2,18 . In het NT (5) , in Mc (4) : (1) Mc 2,23 . (2) Mc 9,30 . (3) Mc 11,20 . (4) Mc 15,29 . Een vorm van het Griekse werkw. παραπορευομαι = paraporeuomai (zich begeven langs) kan de vertaling van 4 verschillende Hebreeuwse werkw. zijn .

- part. praes. nom. mann. mv. παραπορευομενοι = parapeuromenoi (die zich begeven langs) van het werkw. παραπορευομαι = paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in het NT : paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in de LXX : paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in Mc : paraporeuomai . Bijbel (7) . LXX () : (1) 1 K 13,25 . (2) Ps 80,13 . (3) Kl 1,12 . (4) Kl 2,15 . NT (3) : (1) Mt 27,39 . (2) Mc 11,20 . (3) Mc 15,29 . Een vorm van παραπορευομαι = paraporeuomai (zich op weg begeven langs) in de LXX (38) . Pentateuch (9) : (1) Gn 37,28 . (2) Ex 2,5 . (3) Ex 30,13 . (4) Ex 30,14 . (5) Ex 39,3 . (6) Dt 2,4 . (7) Dt 2,13 . (8) Dt 2,14 . (9) Dt 2,18 . In het NT (5) , in Mc (4) : (1) Mc 2,23 . (2) Mc 9,30 . (3) Mc 11,20 . (4) Mc 15,29 . Een vorm van het Griekse werkw. παραπορευομαι = paraporeuomai (zich begeven langs) kan de vertaling van 4 verschillende Hebreeuwse werkw. zijn .


- paraskeuè (voorbereiding, maatregelen, dag van voorbereiding voor een feest) . παρασκευη = paraskeuè (voorbereiding, maatregelen, dag van voorbereiding voor een feest) . Taalgebruik in de Bijbel : paraskeuè (voorbereiding, maatregelen, dag van voorbereiding voor een feest) . Bijbel (3) : (1) Mc 15,42 . (2) Joh 19,14 . (3) Joh 19,31 . Een vorm van παρασκευη = paraskeuè in de LXX (3) : (1) Jdt 2,17 . (2) Jdt 4,5 . (3) 2 Mak 15,21 , in het NT (6) : (1) Mt 27,62 . (2) Mc 15,42 . (3) Lc 23,54 . (4) Joh 19,14 . (5) Joh 19,31 . (6) Joh .

- paratèreô (zijdelings observeren) .

- paratithèmi (zetten naast, toevertrouwen) . paratithèmi (zetten naast, toevertrouwen) . Taalgebruik in het NT : paratithèmi (zetten naast, toevertrouwen) . Taalgebruik in Lc : paratithèmi (zetten naast, toevertrouwen) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
                               
                               
                               

In vier verzen in de bijbel : (1) Tob 10,13 . (2) Lc 23,46 . (3) Hnd 20,32 . (4) 1 Tim 1,18 .

- parerchomai (langskomen, voorbijgaan) . parerchomai (langskomen, voorbijgaan) . Taalgebruik in het NT : parerchomai (langskomen, voorbijgaan) . Taalgebruik in Mc : parerchomai (langskomen, voorbijgaan) .

  parerchomai  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  ind. fut. 3de pers. mv. pareleusontai     1 : Mc 13,31 .        
  inf. aor. parelthein                              
                               

- parthenos (maagd) . παρθενος = parthenos (maagd) . Taalgebruik in het NT : parthenos (maagd) . Taalgebruik in de LXX : parthenos (maagd) .
- acc. vr. enk. παρθενον = parthenon van het zelfst. naamw. παρθενος = parthenos (maagd) . Taalgebruik in het NT : parthenos (maagd) . Taalgebruik in de LXX : parthenos (maagd) . Bijbel (18) : (1) Gn 34,3 . (2) Ex 22,15 . (3) Lv 21,13 . (4) Lv 21,14 . (5) Dt 22,19 . (6) Dt 22,28 . (7) 1 K 1,2 . (8) Jr 51,22 . (9) Ez 9,6 . (10) Ez 44,22 . (11) Job 31,1 . (12) Sir 9,5 . (13) Sir 30,20 . (14) Lc 1,27 . (15) 1 Kor 7,36 . (16) 1 Kor 7,37 . (17) 1 Kor 7,38 . (18) 2 Kor 11,2 . Een vorm van παρθενος = parthenos in de LXX (67) , in het NT (15) .

- gen. vr. enk. παρθενου = parthenou van het zelfst. naamw. παρθενος = parthenos (maagd) . Taalgebruik in het NT : parthenos (maagd) . Taalgebruik in de LXX : parthenos (maagd) . Bijbel (3) : (1) Gn 34,3 . (2) Jdt 9,2 . (3) Lc 1,27 . Een vorm van παρθενος = parthenos in de LXX (67) , in het NT (15) .


- πας = pas (ieder, elk, alles)

- pas (ieder, elk, alles) . πας = pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in de LXX : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . kl (al) . Taalgebruik in Tenakh : kl (al) . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder kull (al).

  pas (al) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1 nom. m. enk. pas 636 544 92 12 5 16 15  32  33  48 
2 nom. vr. enk. pasa 288 245 43 10 2 22  16  16 
3 nom. + acc. onz. enk. pan 471 401 70 31  11  16  20 
4 gen. + onz. m. enk. pantos  337  305  32 7 14 
5 gen. vr. enk. pasès  226  185  41 9 23 
6 dat. m. + onz. enk. panti   271  213  58  40 
7 dat. vr. enk. pasèi  238  194  44 33 
8 acc. m. enk. , nom. m. + onz. mv. panta 1358 1119 239 32  21 34  20  19  103 10  87  107 
9 acc. vr. enk. pasan  380  329  51  26  13  14 
10 nom. m. mv. pantes 724 558 166 18  15 25 14  33 57 58  72 
11 nom. vr. mv. pasai 148  132  16 
12 gen. mv. pantôn 443 317 126 10  17 22 65  32  35 
13 gen. vr. mv. pasôn   82  77 
14 dat m. + onz. mv. pasin   264  183  81  13  11  49  19  19 
15 dat.  vr. mv. pasais 82  75 
16 acc. m. mv. pantas 482 395 87 4 14  21  35  27  30 
17 acc. vr. mv. pasas 267 258 9 3 1 1 0 2 2 0
  Totaal 6697  5530  1167 122  66  157  62  167  540  53  345  407 

pas , pasa, pan (ieder, elk) . pas , pasa, pan (ieder, elk) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk) . Taalgebruik in Hnd : pas (ieder, elk) . Lat. omnis .

zie Mc 2,13 . Zie verder : Mt 5,22 en Joh 3,16 .
- Pas. In 636 verzen in de bijbel . In 544 verzen in het OT . In tweeënnegentig verzen in het NT . In vijf verzen bij Marcus . In vier verzen wordt het als bijvoeglijk naamwoord bij ho ochlos (de menigte) gebruikt : nl. (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 . Eénmaal wordt het zelfstandig gebruikt nl. Mc 9,49 . In zestien verzen bij Lucas .
- Pasa . In 288 verzen in de bijbel; in 245 verzen in het OT, in 43 verzen in het NT In 2 verzen bij Marcus : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 13,20 . Pan . In 471 verzen in de bijbel; in 401 verzen in het OT, in 70 verzen in het NT In Mc 7,18 .
- pantes (meervoud) . In 724 verzen in de bijbel . In 558 verzen in het OT . In 166 verzen in het NT . In vijftien verzen bij Marcus : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,37 . In vijfentwintig verzen in Lc : In drieëndertig verzen in Hnd , zie Hnd 1,14 .
- Panta . In 1358 verzen in de bijbel; in 1119 verzen in het OT, in 239 verzen in het NT In 21 verzen bij Marcus.
- pantôn . Genitief meervoud . In 443 verzen in de bijbel . In 126 verzen in het NT . In zeventien verzen in Lc . In tweeëntwintig verzen in Hnd .
Pantas. In 482 verzen in de bijbel; in 295 verzen in het OT, in 87 verzen in het NT In 4 verzen bij Marcus: (1) Mc 1,32 . Pasas . In 267 verzen in de bijbel; in 256 verzen in het OT, in 9 verzen in het NT Pantothen (van overal) . In 8 verzen in de bijbel; in 5 verzen in het OT, in 3 verzen in het NT In Mc 1,45 .

- nom. mann. mv. παντες = pantes (allen) van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in de LXX : pas (ieder, elk, alles) . Mt (18) : (1) Mt 11,13 . (2) Mt 11,28 . (3) Mt 12,23 . (4) Mt 14,20 . (5) Mt 15,37 . (6) Mt 19,11 . (7) Mt 21,26 . (8) Mt 22,28 . (9) Mt 23,8 . (10) Mt 25,31 . (11) Mt 26,27 . (12) Mt 26,31 . (13) Mt 26,33 . (14) Mt 26,35 . (15) Mt 26,52 . (16) Mt 26,56 . (17) Mt 27,1 . (18) Mt 27,22 .

- Nominatief mannelijk en vrouwelijk meervoud pantes (allen) . Taalgebruik in de Bijbel : pas (ieder, elk) . Bijbel (724) . NT (166) . Hnd (33) : (1) Hnd 1,14 . (2) Hnd 2,1 . (3) Hnd 2,4 . (4) Hnd 2,12 . (5) Hnd 2,14 . (6) Hnd 2,32 . (7) Hnd 2,44 . (8) Hnd 3,24 . (9) Hnd 4,21 . (10) Hnd 5,17 . (11) Hnd 5,36 . (12) Hnd 5,37 . (13) Hnd 6,15 . (14) Hnd 8,1 . (15) Hnd 8,10 . (16) Hnd 9,21 . (17) Hnd 9,26 . (18) Hnd 9,35 . (19) Hnd 10,33 . (20) Hnd 10,43 . (21) Hnd 16,33 . (22) Hnd 17,7 . (23) Hnd 17,21 . (24) Hnd 18,17 . (25) Hnd 19,7 . (26) Hnd 20,25 . (27) Hnd 21,18 . (28) Hnd 21,20 . (29) Hnd 21,24 . (30) Hnd 22,3 . (31) Hnd 25,24 . (32) Hnd 26,4 . (33) Hnd 27,36 .
- hapantes (allen) . In zes verzen in Hnd : (Hnd 2,1) . (1) Hnd 2,7 . (2) Hnd 4,31 . (3) Hnd 5,12 . (4) Hnd 5,16 . (5) Hnd 16,3 . (6) Hnd 16,28 . Een vorm van pas in de LXX (6833) , in het NT (1226) , in Hnd (170) .

  pas (al) bijbel  OT  NT  ev. Br.  Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef    Fil   Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  P.. A. B.
1 nom. m. enk. pas 636 544 92 48  32  6 2   3 2 -         1     5 1     11 1     19  13 
2 nom. vr. enk. pasa 288 245 43 16  22  4 3   1 4 Fil 2,11         1     2 3 1 1 1       16 
3 nom. + acc. onz. enk. pan 471 401 70 20  31  3 3 3   3 (1) Fil 2,9 . (2) Fil 2,10 . 5     1 2 2     2     5       24 
4 gen. + onz. m. enk. pantos  337  305  32 14  1 1 1   1 -   1 2   1   1 4             1 13 
5 gen. vr. enk. pasès  226  185  41 23  2   1   5 Fil 2,29 2     4   2   3   1   2       20 
6 dat. m. + onz. enk. panti   271  213  58  40  5 3 11 1 3 (1) Fil 1,18 . (2) Fil 4,6 . (3) Fil 4,12 . 3 2 2 2       2   2   1       37 
7 dat. vr. enk. pasèi  238  194  44 33  2 2 4   5 (1) 5 2 3 3 1         2           31 
8 acc. m. enk. , nom. m. + onz. mv. panta 1358 1119 239 107  103 9 28 6 2 11   13 1 1 3 2 2   13   1 2 1     1 98 
9 acc. vr. enk. pasan  380  329  51  14  26  5 3 4       2   1     2   1 2 2 1       2 19 
10 nom. m. mv. pantes 724 558 166 72  57 8 17 3 3 2   1 1 1   4 1   9   2   2 1     52 
11 nom. vr. mv. pasai 148  132  16  2                                          
12 gen. mv. pantôn 443 317 126 35  65  9 8 7 2 6   1 3 4 6 1 1   6 2 2 1 1   2 1 56 
13 gen. vr. mv. pasôn   82  77      2                                      
14 dat mann. + onz. mv. pasin   264  183  81  19  49  4 8 3 2 4   3 3 2 2 3 3   3 1 2           46 
15 dat.  vr. mv. pasais 82  75    2                         1   1        
16 acc. m. mv. pantas 482 395 87 30  35  8 3 4 1 2   1 5   1 1 1 1 1   1 1       1 32 
17 acc. vr. mv. pasas 267 258 9 2         1   0                   1          
  Totaal 6697  5530  1167 407  540  68  83  49  15  49    32  36  18  16  22  17  14  49  12  17  24  470  70

- gen. mann. en onz. mv. pantôn (van allen /alles) . pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in de LXX : pas (ieder, elk, alles) . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Hebr. kl (al) . Taalgebruik in Tenakh : kl (al) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 23 OF 50 (2 X 5²) . Structuur : 2 - 3 . Tenakh (2709) . Pentateuch (824) . Eerdere Profeten (584) . Latere Profeten (505) . 12 Kleine Profeten (104) . Geschriften (692) . Arabisch : kull (al) . Taalgebruik in de Koran : kull (al) . Ef (6) : (1) Ef 3,8 . (2) Ef 4,6 . (3) Ef 4,10 . (4) Ef 5,20 . (5) Ef 6,18 . (6) Ef 6,24 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in de LXX (6833) , in het NT (1226) , in Ef (50) .

  pas (al) 1 Tes 
1 nom. m. enk. pas  
2 nom. vr. enk. pasa  
3 nom. + acc. onz. enk. pan  
4 gen. + onz. m. enk. pantos  1 : 1 Tes 5,22 .
5 gen. vr. enk. pasès   
6 dat. m. + onz. enk. panti   2
7 dat. vr. enk. pasèi  2
8 acc. m. enk. , nom. m. + onz. mv. panta 1
9 acc. vr. enk. pasan   
10 nom. m. mv. pantes 1
11 nom. vr. mv. pasai  
12 gen. mv. pantôn 3
13 gen. vr. mv. pasôn    
14 dat mann. + onz. mv. pasin   3
15 dat.  vr. mv. pasais  
16 acc. m. mv. pantas 5
17 acc. vr. mv. pasas  
  Totaal 18 

Een vorm van pas (ieder, elk)  + pantote (altijd) in 1 Tes (1) 1 Tes 1,2 (pantote : altijd) . (2) 1 Tes 1,2 (gen. mv. pantôn) . (3) 1 Tes 1,7 (dat. mv. pasin) . (4) 1 Tes 2,15 (dat. mv. pasin) . (5) 1 Tes 2,16 (pantote : altijd) . (6) 1 Tes 3,6 (pantote : altijd) . (7) 1 Tes 3,7 (dat. vr. enk. pantèi) . (8) 1 Tes 3,9 (dat. vr. enk. pantèi) . (9) 1 Tes 3,12 (acc. mv. pantas) . (10) 1 Tes 3,13 (gen. mv. pantôn) . (11) 1 Tes 4,6 (gen. mv. pantôn) . (12) 1 Tes 4,10 (acc. mv. pantas) . (13) 1 Tes 4,17 (pantote : altijd) . (14) 1 Tes 5,5 (nom. mann. mv. pantes) . (15) 1 Tes 5,14 (acc. mv. pantas) . (16) 1 Tes 5,15 (pantote : altijd) . (17) 1 Tes 5,15 (acc. mv. pantas) . (18) 1 Tes 5,16 (pantote : altijd) (19) 1 Tes 5,21 acc. onz. mv. panta) . (20) 1 Tes 5,22 (gen. enk. pantos) . (21) 1 Tes 5,26 (acc. mv. pantas) . (22) 1 Tes 5,27  (dat. mv. pasin) .

- pantote (al-tijd) . pantote (al-tijd) . Taalgebruik in NT : pantote (al-tijd) . Taalgebruik in de LXX : pantote (al-tijd) . pan = al , t - t = tijd , op elk moment , in alle omstandigheden . Fr. tou- jours < tous jours = alle dagen , altijd . L. sem-per (een-s voor alle keren , altijd) , zie website : http://www.ety.nl/etywrdfam.html . al-ways (? all - ways : op alle wijzen? of 'allerwegen') . In 1 Tes in zes verzen of 21,42 % van de 28 verzen in de Br. van Paulus : (1) 1 Tes 1,2 . (2) 1 Tes 2,16 . (3) 1 Tes 3,6 . (4) 1 Tes 4,17 . (5) 1 Tes 5,15 . (6) 1 .

pantote (al-tijd)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  40 2 38 1 1 2 6   28   10 

pantote (al-tijd)  bijbel OT NT ev.  Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  P. A.b
  40 2 38 10  28                    28  

pantote (al-tijd)  bijbel OT NT ev.  Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  2 Tim Film Heb P.
  40 2 38 10  28  1 : Rom 1,10 . 2 : (1) 1 Kor 1,4 . (2) 1 Kor 15,58 . 4 : (1) 2 Kor 2,14 . (2) 2 Kor 4,10 . (3) 2 Kor 5,6 . (4) 2 Kor 9,8 . 1 : Gal 4,18 . 1 : Ef 5,20 . 4 : (1) Fil 1,4 . (2) Fil 1,20 . (3) Fil 2,12 . (4) Fil 4,4 . 3 : (1) Kol 1,3 . (2) Kol 4,6 . (3) Kol 4,12 . 6 : (1) 1 Tes 1,2 . (2) 1 Tes 2,16 . (3) 1 Tes 3,6 . (4) 1 Tes 4,17 . (5) 1 Tes 5,15 . (6) 1 Tes 5,16 . 3 : (1) 2 Tes 1,3 . (2) 2 Tes 1,11 . (3) 2 Tes 2,13 . 1 :2 Tim 3,7 . 1 : Film 1,4 . 1 : Heb 7,25 . 28

- paratithèmi (zetten naast, toevertrouwen) . paratithèmi (zetten naast, toevertrouwen . Taalgebruik in het NT : paratithèmi (zetten naast, toevertrouwen) . Taalgebruik in Lc : paratithèmi (zetten naast, toevertrouwen) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
                               
                               
  med. ind. praes. 1ste pers. enk. paratithemai                              
                               

 

- pareimi (naast iemand zijn , aanwezig zijn bij) . pareimi (naast iemand zijn , aanwezig zijn bij) . Taalgebruik in het NT : pareimi (naast iemand zijn , aanwezig zijn bij) . Taalgebruik in Lc . : pareimi (naast iemand zijn , aanwezig zijn bij) .

  pareimi   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. imperf. 3de pers. mv. parèsan                
                               

- πασχα = pascha (pascha, Pasen)

- pascha (pascha) . πασχα = pascha (pascha, Pasen) . Taalgebruik in het NT : pascha (pascha) . Taalgebruik in de LXX : pascha (pascha) . Taalgebruik in Mc : pascha (pascha) . Joh (9) : (1) Joh 2,13 . (2) Joh 2,23 . (3) Joh 6,4 . (4) Joh 11,55 . (5) Joh 12,1 . (6) Joh 13,1 . (7) Joh 18,28 . (8) Joh 18,39 . (9) Joh 19,14 .

pascha (pascha)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  55  28  27    15  24   

- paschô (lijden) . paschô (lijden) . Taalgebruik in het NT : paschô (lijden) . Taalgebruik in Mc : paschô (lijden) . Taalgebruik in Lc : paschô (lijden) . Hebr. `ânâh (bedrukt, terneergebogen zijn, bitter leiden) . Taalgebruik in Tenakh : `ânâh (bedrukt, terneergebogen zijn, bitter leiden) . Gr. pathos . Lat. pati - passio . Ned. pathos - passie . Zie http://www.xs4all.nl/~adcs/woordenweb/p/pathos.htm .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. inf. aor. pathein   13  12       
act. ind. perf. 3de pers. mv. peponthasin                              
                             
totaal     41  6   22  13  13  11  11 

18. pathein (lijden) . Infinitief aorist . In dertien verzen in de bijbel . In (1) Ez 16,5 . (2) Mt 16,21 (// Mc 8,31 // Lc 9,22) (eerste lijdensvoorspelling) . (3) Mc 8,31 (// Mt 16,21 // Lc 9,22) (eerste lijdensvoorspelling) . (4) Lc 9,22 ( // Mc 8,31 // Mt 16,21) (eerste lijdensvoorspelling) . (5) Lc 17,25 . (6) Lc 22,15 (het laatste avondmaal) . (7) Lc 24,26 (verschijning van Jezus aan de Emmaüsgangers) . (8) Lc 24,46 (verschijning van Jezus aan de elf en hun metgezellen) . In vier verzen in Handelingen : (9) Hnd 1,3 (inleiding van Handelingen) . (10) Hnd 3,18 (toespraak van Petrus) . (11) Hnd 9,16 (Saulus in Damascus) . (12) Hnd 17,3 (Paulus in Tessalonica) . en in (13) Heb 9,26 . In elf verzen gaat het om het lijden van Christus . In de evangelies is er zevenmaal sprake van het lijden van de messias / mensenzoon ; de verhalen van de eerste lijdenvoorspelling , de mensenzoon , het laatste avondmaal , de vrouwen bij het graf , de verschijning aan de Emmaüsgangers , de verschijning aan de elf en hun metgezellen worden aan elkaar gelinkt .
--- polla pathein (veel lijden) . In vier verzen in het NT : (2) Mt 16,21 (// Mc 8,31 // Lc 9,22) (eerste lijdensvoorspelling) . (3) Mc 8,31 (// Mt 16,21 // Lc 9,22) (eerste lijdensvoorspelling) . (4) Lc 9,22 ( // Mc 8,31 // Mt 16,21) (eerste lijdensvoorspelling) . (5) Lc 17,25 .
- pathein ton Christon (dat Christus - moest - lijden) . Taalgebruik : deô (moeten) , zie Mt 16,21 . In vier verzen in het NT : (1) Lc 24,26 : edei pathein ton Christon = dat Christus moest lijden . {(2) Lc 24,46 : ' edei ' pathein ton Christon = dat Christus moest lijden.} (3) Hnd 3,18 : pathein ton Christon = dat Christus (moest) lijden .(4) Hnd 17,3 (hoti ton Christon. edei pathein = dat Christus moest lijden) .
- paschô (lijden) . Taalgebruik : paschô (lijden) , zie Mt 16,21 .
--- paschein . Infinitief praesens . In vier verzen in het NT .
- pascha (Pesach - Pasen) . Het komt in vijfenvijftig verzen in de bijbel voor . In achtenwintig verzen in het OT . In zevenentwintig verzen in het NT .
- Het Hebreeuwse woord p sh ch komt in vijfentwintig verzen in de bijbel voor .


- πατηρ = patèr (vader)

- patèr (vader) . πατηρ = patèr (vader) . Taalgebruik in het NT : patèr (vader) . Taalgebruik in de LXX : patèr (vader) . Taalgebruik in Mc : patèr (vader) . Taalgebruik in Lc : patèr (vader) . Een vorm van πατηρ = patèr (vader) in de LXX (1451) , in het NT (415) .
Hebreeuws : אַב = ´abh (vader) . Taalgebruik in Tenakh : ´abh (vader) . Getalwaarde : alèph = 1 , beth = 2 ; totaal 3 . Structuur : 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (30) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (13) . Een vorm van אַב = ´abh (vader) in Tenakh (1211) , als stam in Tenakh (2148) .
- Ned. : va-der . Arabisch : اَب = ´ab (vader) . Taalgebruik in de Qoran : ´ab (vader) . D. : Va-ter . E. : fa-ther . Fr. : pè-re . Grieks : πατηρ = pa-tèr (va-der) . Taalgebruik in het NT : patèr (vader) . Hebreeuws : אַב = ´abh (vader) . Taalgebruik in Tenakh : ´abh (vader) . Lat. : pa-ter . (Labialen : stemloos : p ; stemloos aangeblazen : ph = f ; stemhebbend : b ; stemhebbend aangeblazen : bh = v) .

patèr (vader) enk. bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br Apk syn  ev. 
nom. mann. enk. patèr  305  199  106  18  15  49  17    38  87 
voc. enk. pater  41  17  24    11        15  24 
gen. mann. enk. patros  420  323  97  21  25  32  31  56 
dat. mann. enk. patri  109  76  33  1 11  18 
acc. mann. enk. patera  218  134  84  13  31  20    30  61 
totaal 1093  749  344  60  17  48  121  11  8 125  246 

--- pateres (vaders) . Nominatief meervoud . In 120 verzen in de bijbel . In vierentwintig verzen in het NT

  patèr (vader) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  gen. mann. mv. paterôn   202  188  14       
                               
  acc. mann. mv. pateras   54  42  12           
                               

pater (vader) . Vocatief enkelvoud .
In vier verzen bij Matteüs : (1) Mt 6,9 . (2) Mt 11,25 . (3) Mt 26,39 . (4) Mt 26,42 .

- tous pateras (de vaders) . NT (11) :

patèr (vader) enk. bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Apk P.  A.B. 
nom. enk. patèr  305  199  106  18  15  49  17                        14 
voc. enk. pater  41  17  24    11                                                     
gen. enk. patros  420  323  97  21  25  32      24 
dat. enk. patri  109  76  33  13                        10 
dat. enk. patera  218  134  84  13  31  20                            12 
totaal 1093  749  344  60  17  48  121  11  82  11 11  10    60  22 

theos kai patèr   NT Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul.   Ap. br 
theos kai patèr 7 7     2   2     1 1             1           6 1
theou kai patros 4 4       1     1 2                           4  
theôi kai patri 7 6   1     1 1 2               1             5 1
theon kai patera 2 2 1                           1             1 1
  20 19 1 1 2 1 3 1 3 3 1           3 1           16 3

theos patèr   NT Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul.   Ap. br 
theôs ho patèr 1 1   1                                       1  
theou patros 19 19 1 1 1 2 2 2 1 1 1 1 1 1 1     1 1   1     16  3
theôi patri 3 3               1 1                       1 2 1
totaal  23 23 1 2 1 2 2 2 1 2 2 1 1 1 1     1 1   1   1 19 4

- patris (vaderstad) . πατρις , -δος = patris (vaderstad) . Taalgebruik in het NT : patris (vaderstad) . Taalgebruik in de LXX : patris (vaderstad) . Taalgebruik in Lc : patris (vaderstad) .

  patris  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  dat. vr. enk. patridi           
                               
                               

- paulos (Paulus) . παυλος = paulos (Paulus) . Taalgebruik in NT : paulos (Paulus) .

    NT Hnd 13 Hnd 14 Hnd 15 Hnd 16 Hnd 17 Hnd 18 Hnd 19 Hnd 20 Hnd 21 Hnd 22 Hnd 23 Hnd 24 Hnd 25 Hnd 26 Hnd 27  Hnd 28 Hnd Hnd Hnd
1 nom.mann. enk. paulos 79  55  55  55 
2 voc. mann. enk. paule 2                           1 1   2 2 2
3 gen. mann. enk. paulou 30      24  24  24 
4 dat mann. enk. paulô(i) 17              17  17  17 
5 acc mann. enk. paulon 30      30  30  30 
  totaal  158  11  10  11  15  10  128  128  128 


  paulos  NT Hnd Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film 2 Pe P. A. b.
1 nom. enk. paulos   79  55  24  1 : Rom 1,1 . 4 : (1) 1 Kor 1,1 . (2) 1 Kor 1,13 . (3) 1 Kor 3,5 . (4) 1 Kor 3,22 . 2 : (1) 2 Kor 1,1 . (2) 2 Kor 10,1 . 2 : (1) Gal 1,1 . (2) Gal 5,2 . 2  : (1)Ef 1,1 . (2) Ef 3,1 . 1 : Fil 1,1 . 2  : (1) Kol 1,1 . (2) Kol 1,23 . 2  : (1) 1 Tes 1,1 . (2) 1 Tes 2,18 . 1  : 2 Tes 1,1 . 1  : 1 Tim 1,1 . 1  : 2 Tim 1,1 . 1 :   Tit 1,1 . 3 : (1) Film 1,1 . (2) Film 1,9 . (3) Film 1,19. 1 : 2 Pe 3,15 . 23 
3 gen. enk. paulou  30  24   4 : (1) 1 Kor 1,12 . (2) 1 Kor 1,13 . (3) 1 Kor 3,4 . (4) 1 Kor 16,21 .         1 : Kol 4,18 .   1 : 2 Tes 3,17 .            
  totaal  158  128  30  29 

- pauomai (ophouden) . παυομαι = pauomai (ophouden) . Taalgebruik in het NT : pauomai (ophouden) . Taalgebruik in de LXX : pauomai (ophouden) .

  pauomai  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  med. ind. aor. 3de pers. enk. epausato  20  18              2    
                               
                               

- med. ind. aor. 3de pers. enk. επαυσατο = epausato (hij hield op) van het werkw. παυομαι = pauomai (ophouden) . Taalgebruik in het NT : pauomai (ophouden) . Taalgebruik in de LXX : pauomai (ophouden) . Bijbel (20) : (1) Gn 18,33 . (2) Gn 24,19 . (3) Ex 31,17 . (4) Nu 16,31 . (5) Nu 25,8 . (6) Joz 7,26 . (7) 2 S 15,24 . (8) Jr 26,19 . (9) Jr 43,1 . (10) Job 31,40 . (11) Est 5,1 . (12) Tob 5,23 . (13) Tob 14,1 . (14) Jdt 5,22 . (15) Jdt 10,1 . (16) Jdt 14,9 . (17) 1 Mak 2,23 . (18) 1 Mak 3,23 . (19) Lc 5,4 . (20) Lc 11,1 . Een vorm van παυομαι = pauomai (ophouden) in de LXX (78) , in het NT (15) , in Lc (3) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 8,24 . (3) Lc 11,1 . In de LXX kan het Griekse werkw. παυω = pauô kan de vertaling van 16 verschillende Hebreeuwse werkw. zijn .


- πεδη = pedè (voetboei, kluister)

- pedè (voetboei, kluister) . πεδη = pedè (voetboei, kluister) . Taalgebruik in het NT : pedè (voetboei, kluister) . Taalgebruik in de LXX : pedè (voetboei, kluister) .

- acc. vr. mv. πεδας = pedas (voetboeien) van het zelfst. naamw. πεδη = pedè (voetboei, kluister) . Taalgebruik in het NT : pedè (voetboei, kluister) . Taalgebruik in de LXX : pedè (voetboei, kluister) . Bijbel (4) : (1) 1 Mak 3,41 . (2) Sir 6,24 . (3) Sir 33,29 . (4) Mc 5,4 .

- dat. vr. mv. πεδαις = pedais (met voetboeien) van het zelfst. naamw. πεδη = pedè (voetboei, kluister) . Taalgebruik in het NT : pedè (voetboei, kluister) . Taalgebruik in de LXX : pedè (voetboei, kluister) . Bijbel (10) : (1) Re 16,21 . (2) 2 S 3,34 . (3) 2 K 25,7 . (4) Jr 52,11 . (5) Ps 105,18 . (6) Ps 149,8 . (7) 2 Kr 33,11. (8) 2 Kr 36,6 . (9) Mc 5,4 . (10) Lc 8,29 .


- peilatos OF pilatos (Pilatus) . peilatos OF pilatos (Pilatus) . Taalgebruik in het NT : peilatos OF pilatos (Pilatus) . Taalgebruik in Lc : peilatos OF pilatos (Pilatus) .

  peilatos OF pilatos  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. mann. enk. peilatos OF pilatos                           
                               
                               

- peinaô (hongeren, honger hebben) . πειναω = peinaô (hongeren, honger hebben) . Taalgebruik in het NT : peinaô (hongeren, honger hebben) . Taalgebruik in de LXX : peinaô (hongeren, honger hebben) . Taalgebruik in Lc : peinaô (hongeren, honger hebben) . Een vorm van πειναω = peinaô (hongeren, honger hebben) in de LXX (53) , in het NT (23) , in Lc (5) : (1) Lc 1,53 . (2) Lc 4,2 . (3) Lc 6,3 . (4) Lc 6,21 . (5) Lc 6,25 .

  peinaô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. part. praes. nom. mann. enk. peinôntes                
  act. part. praes. acc. mann. mv. peinôntas                  
  act. ind. aor. 3de pers. enk. epeinasen              
  act. ind. fut. 2de pers. mv.  peinasete                
  Totaal 76 53 23 9 2 5 1   5 1 16 17    

- act. ind. aor. 3de pers. enk. επεινασεν = epeinasen (hij hongerde; hij had honger) van het werkw. πειναω = peinaô (hongeren, honger hebben) . Taalgebruik in het NT : peinaô (hongeren, honger hebben) . Taalgebruik in de LXX : peinaô (hongeren, honger hebben) . Taalgebruik in Lc : peinaô (hongeren, honger hebben) . Bijbel (8) . OT (1) Gn 41,55 . NT (7) : (1) Mt 4,2 // Lc 4,2 . (2) Mt 12,3 // Mc 2,25 // Lc 6,3 . (3) Mt 21,18 // Mc 11,12 . (4) Mc 2,25 . (5) Mc 11,12 . (6) Lc 4,2 . (7) Lc 6,3 . Een vorm van πειναω = peinaô (hongeren, honger hebben) in de LXX (53) , in het NT (23) , in Lc (5) : (1) Lc 1,53 . (2) Lc 4,2 . (3) Lc 6,3 . (4) Lc 6,21 . (5) Lc 6,25 .

- act. part. praes. nom. mann. mv. πεινωντες = peinôntes van het werkw. πειναω = peinaô (hongeren, honger hebben) . Taalgebruik in het NT : peinaô (hongeren, honger hebben) . Taalgebruik in Lc : peinaô (hongeren, honger hebben) . Bijbel (3) : (1) Re 8,4 . (2) 1 S 2,5 . (3) Ps 107,5 . (4) Mt . (5) Lc 6,21 . Een vorm van πειναω = peinaô (hongeren, honger hebben) in de LXX (53) , in het NT (23) .

- act. part. praes. acc. mann. mv. πεινωντας = peinôntas van het werkw. πειναω = peinaô (hongeren, honger hebben) . Taalgebruik in het NT : peinaô (hongeren, honger hebben) . Taalgebruik in Lc : peinaô (hongeren, honger hebben) . Bijbel (2) . OT (1) : Ps 107,36 . Lc (1) Lc 1,53 . Een vorm van πειναω = peinaô (hongeren, honger hebben) in de LXX (53) , in het NT (23) , in Lc (5) : (1) Lc 1,53 . (2) Lc 4,2 . (3) Lc 6,3 . (4) Lc 6,21 . (5) Lc 6,25 .


- πειραζω = peirazô (beproeven, op de proef stellen)

- peirazô (beproeven, op de proef stellen) . πειραζω = peirazô (beproeven, op de proef stellen) . Taalgebruik in het NT : peirazô (beproeven, op de proef stellen) . Taalgebruik in de LXX : peirazô (beproeven, op de proef stellen) . Taalgebruik in Mc : peirazô (beproeven, op de proef stellen) . peira : proef , poging . Lat. probare (proberen , be-proeven) . ex-periment (uit-probering , ervaring) . Hebr. nâsâh .

peirazô (beproeven, proberen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  
ind. pr. 3de p. enk. peirazei 3 2 1           1    
ind. pr. 3de p. mv. peirazousin 2 2                  
ind. pr. + imp. 2de p. mv. peirazete 5 1 4 1 1     1 1    
ind. part. pr.  nom. m. + vr. enk. peirazôn          
ind. part. nom. m. + vr. mv. peirazontes    2          
inf. pr. peirazein 1 1                  
ind. imp. 3de p. enk. epeirazen               
ind. imp. 3de p. mv. epeirazon 1                
ind aor. 3de p. enk. epeirasen 6 2           1 1    
ind. aor. 3de p. mv. epeirasan            2      
ind. inf. aor. peirasai             
pass. part. pr. nom. man. enk. peirazomenos          2      
ind. aor. 3de p. enk. epeirasen 8 6 2         1 1    
ind. aor. 3de p. mv. epeirasthèsan 1 1                  
pass. conj. aor. 2de p.. enk.  peirasthè(i)s                
inf. pass. peirasthènai                
part. aor. nom. m. + vr. enk. peirastheis 1   1           1    
Er zijn nog andere vormen                      
Totaal (bij benadering)                        


- peirazei (hij beproeft) . In drie verzen in de bijbel . In twee verzen in het OT . In één vers in het NT : (1) Dt 13,4 (De Heer uw God stelt u dan op de proef om te zien of u Hem met heel uw hart en ziel bemint.) . (2) Jdt 8,25 . (3) Jak 1,13 (Niemand mag zeggen , als hij beproefd wordt . Ik word door God beproefd . Want God , die niet door het kwaad wordt beproefd , beproeft zelf ook niemand . Wordt iemand beproefd , dan is het altijd zijn eigen begeerte die hem lokt en meetrekt .) .
--- peirazousin (zij beproeven) . In twee verzen in de bijbel : (1) W 1,2 . (2) W 2,24 .
--- peirazôn (beproevend) : (1) Sir 18,23 (wees niet als een mens die God beproeft) . (2) Mt 4,3 . (3) Mt 22,35 (het voornaamste gebod) . (4) Joh 6,6 . (5) 1 Tes 3,5 .
--- peirazontes (op de proef stellend) . Participium praesens nominatief mannelijk meervoud. Slechts in het NT . In zes verzen : (1) Mt 16,1 . (2) Mt 19,3 . (3) Mc 8,11 . (4) Mc 10,2 . (5) Lc 11,16 . (6) Joh 8,6 . Behalve in (1) Mt 16,1 en Lc 11,16 wordt peirazontes (op de proef stellend) gevolgd door auton (dat naar Jezus verwijst) . Behalve in (5) Lc 11,16 zijn het de Farizeeën die Jezus op de proef stellen .
--- peirazein . Infinitief . Slechts in één vers in de bijbel : Ex 17,7.
--- epeirasen (hij beproefde). In 8 verzen in de bijbel; in 6 verzen in het OT, in 2 verzen in het NT (1) Ex 15,25 . (2) Dt 4,24 . (3) Da 1,14 . (4) Jdt 8,26 . (5) W 3,5 . (6) Sir 39,4 . (7) Hnd 24,6 . (8) 1 Tes 3,5 .
--- peirazomai (ik word beproefd). Slechts in 1 vers in de bijbel : Jak 1,13 .
--- peirazomenos (beproefd wordend) . In vier verzen in de bijbel . Slechts in het NT : (1) Mc 1,13 . (2) Lc 4,2 . (3) Heb 11,17 . (4) Jak 1,13 .
--- peirasthète (opdat jullie zouden beproefd worden). Slechts in Opb 2,10.
--- peirasthènai. Passief infinitief aorist. In 2 verzen in de bijbel. Slechts in het NT : (1) Mt 4,1 . (2) 1 Cor 10,13 .

--- peirasmos (beproeving) . πειρασμος = peirasmos (beproeving) . Taalgebruik in het NT : peirasmos (beproeving) . Taalgebruik in de LXX : peirasmos (beproeving) . Taalgebruik in Lc : peirasmos (beproeving) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  acc. mann. enk. peirasmon   12  11       
                               

- mann. enk.

Zelfstandig naamwoord . In 4 verzen in de bijbel; (1) Ex 17,7 . (2) Sir 27,5 . (3) Sir 27,7 . (4) 1 Cor 10,13 .
----- peirasmon. Accusatief. In 12 verzen in de bijbel; in 1 vers in het OT nl. Sir 2,1. In 11 verzen in het NT : (1) Mt 6,13 . (2) Mt 26,11 // Mc 14,38. (3) Mc 14,38 . (4) Lc 4,13 . (5) Lc 11,4 . (6) Lc 22,40 . (7) Lc 22,46 . (8) Gal 4,14 . (9) 1 Tim 6,9 . (10) Jak 1,12 . (11) 1 Pe 4,12 .
----- peirasmôi . Datief. In 8 verzen in de bijbel; in 7 verzen in het OT, in 1 vers in het NT In het OT : (1) Dt 4,34 . (2) Dt 6,16 (Stel de Heer uw God niet op de proef zoals u dat in Massa hebt gedaan). (3) Dt 9,22 .
--- apeirastos . Slechts in 1 vers in de bijbel : Jak 1,13 .


- peithô (overtuigen, zich laten overtuigen, vertrouwen) . πειθω = peithô (overtuigen, zich laten overtuigen, vertrouwen) . Taalgebruik in het NT : Tenakh : peithô (overtuigen, zich laten overtuigen, vertrouwen) . Taalgebruik in de LXX T : Tenakh : peithô (overtuigen, zich laten overtuigen, vertrouwen) .

- act. ind. perf. 1ste pers. enk. = pepoitha (ik vertrouw) van het werkw. πειθω = peithô (overtuigen, zich laten overtuigen, vertrouwen) . Taalgebruik in het NT : Tenakh : peithô (overtuigen, zich laten overtuigen, vertrouwen) . Taalgebruik in de LXX T : Tenakh : peithô (overtuigen, zich laten overtuigen, vertrouwen) . Bijbel (4) : (1) Ps 11,1 . (2) Ps 25,2 . (3) Gal 5,10 . (4) Fil 2,24 .


- πεμπω = pempô (laten gaan, zenden)

- pempô (laten gaan, zenden) . πεμπω = pempô (laten gaan, zenden) . Taalgebruik in het NT : pempô (laten gaan, zenden) . Taalgebruik in de LXX : pempô (laten gaan, zenden) .

- act. imperat. aor. 2de pers. enk. πεμψον = pempson (zend) van het werkw. πεμπω = pempô (laten gaan, zenden) . Taalgebruik in het NT : pempô (laten gaan, zenden) . Taalgebruik in de LXX : pempô (laten gaan, zenden) . Bijbel (9) : (1) 2 Mak 3,38 . (2) W 9,10 . (3) Mc 5,12 . (4) Lc 16,24 . (5) Hnd 10,5 . (6) Hnd 10,32 . (7) Apk 1,11 . (8) Apk 14,15 . (9) Apk 14,18 .


- pente (vijf, 5) . πεντε = pente (vijf, 5) . Taalgebruik in het NT : pente (vijf, 5) . Taalgebruik in de LXX : pente (vijf, 5) . Bijbel (231) . OT (198) . Gn (20) : zie hieronder , niet in : (1) Gn 5,32 . (2) Gn 11,11 . (3) Gn 43,34 . Verder wel nog in : (1) Gn 14,9 . (2) Gn 18,28 . (3) Gn 25,7 . (4) Gn 45,22 . (5) Gn 46,27 . (6) Gn 47,2 . NT (33) . Lc (9) : (1) Lc 1,24 . (2) Lc 9,13 . (3) Lc 9,16 . (4) Lc 12,6 . (5) Lc 12,52 . (6) Lc 14,19 . (7) Lc 16,28 . (8) Lc 19,18 . (9) Lc 19,19 .
- Hebreeuws . חֲמֵשׁ / חָמֵשׁ = châmesj / chämesj (vijf) . Taalgebruik in Tenakh : châmesj (vijf) . Getalwaarde : chet = 8 , mem = 13 of 40 , sjin = 21 of 300 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 348 (2² X 3 X 29 OF 12 X 29) . Structuur : 8 - 4 - 3 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (88) . De getalwaarde 348 is het spiegelbeeld van de structuur van het woord . Pentateuch (34) . Eerdere Profeten (13) . Latere Profeten (26) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (15) . Gn (17) : (1) Gn 5,6 . (2) Gn 5,10 . (3) Gn 5,11 . (4) Gn 5,15 . (5) Gn 5,17 . (6) Gn 5,21 . (7) Gn 5,23 . (8) Gn 5,30 . (9) Gn 5,32 . (10) Gn 7,20 . (11) Gn 11,11 . (12) Gn 11,12 . (13) Gn 11,32 . (14) Gn 12,4 . (15) Gn 43,34 . (16) Gn 45,6 . (17) Gn 45,11 .
- de vijfde letter van het Hebreeuwse alfabet is de letter he , symbool van de adem , wind , geest . De Thorah bestaat uit 5 boeken , vandaar penta-teuch .
- Lat. quinque . Fr. cinq . Ned. vijf . E. five . D. fünf . Arabisch : ذَمس = chams (vijf) . Taalgebruik in de Qoran : chams (vijf) .


- πενθεω = pentheô (beklagen, betreuren, treuren)

- pentheô (beklagen, betreuren, treuren) . πενθεω = pentheô (beklagen, betreuren, treuren) . Taalgebruik in het NT : pentheô (beklagen, betreuren, treuren) . Taalgebruik in de LXX : pentheô (beklagen, betreuren, treuren) .

- act. part. praes. nom. mann. mv. πενθουντες = penthountes (treurenden) van het werkw. πενθεω = pentheô (beklagen, betreuren, treuren) . Taalgebruik in het NT : pentheô (beklagen, betreuren, treuren) . Taalgebruik in de LXX : pentheô (beklagen, betreuren, treuren) . Bijbel (3) : (1) Mt 5,4 . (2) Apk 18,15 . (3) Apk 18,19 .


- πενθερα = penthera (schoonmoeder)

penthera (schoonmoeder) . πενθερα = penthera (schoonmoeder) . Taalgebruik in het NT : penthera (schoonmoeder) . Taalgebruik in de LXX : penthera (schoonmoeder) .

- nom. vr. enk. πενθερα = penthera (schoonmoeder) . Taalgebruik in het NT : penthera (schoonmoeder) . Taalgebruik in de LXX : penthera (schoonmoeder) . Bijbel (7) . OT (4) : (1) Rt 2,18 . (2) Rt 2,19 . (3) Rt 3,1 . (4) Rt 3,6 . NT (3) : (1) Mc 1,30 . (2) Lc 4,38 . (3) Lc 12,53 . Een vorm van πενθερα = penthera (schoonmoeder) in de LXX (13) , in het NT (6) .

Nominatief vrouwelijk enkelvoud . Het komt in zeven verzen in de bijbel voor (in vier verzen in het boek Ruth) . In vier verzen in het O.T. . In drie verzen in het NT : (1) Mc 1,30 . (2) Lc 4,38 . (3) Lc 12,53 .
--- pentheran. In 7 verzen in de bijbel; in 5 verzen in het O.T., in 2 verzen in het NT : (1) Mt 8,14 . (2) Lc 12,53 .
--- pentheras : genitief enkelvoud of accusatief meervoud. In 4 verzen in de bijbel; in 3 verzen in het O.T., in 1 vers in het NT nl. Mt 10,35 .


- περαν = peran (oever, overzijde, overkant)

peran (overzijde, overkant) . περαν = peran (overzijde, overkant) . Taalgebruik in het NT : peran (overzijde, overkant) . Taalgebruik in de LXX : peran (overzijde, overkant) . Bijbel (115) . OT (92) . NT (23) . Mt (7) : (1) Mt 4,15 . (2) Mt 4,25 . (3) Mt 8,18 . (4) Mt 8,28 . (5) Mt 14,22 . (6) Mt 16,5 . (7) Mt 19,1 . Mc (7) : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 4,35 . (3) Mc 5,1 . (4) Mc 5,21 . (5) Mc 6,45 . (6) Mc 8,13 . (7) Mc 10,1 . Lc (1) : Lc 8,22 . Joh (8) : (1) Joh 1,28 . (2) Joh 3,26 . (3) Joh 6,1 . (4) Joh 6,17 . (5) Joh 6,22 . (6) Joh 6,25 . (7) Joh 10,40 . (8) Joh .

peran (overzijde  bijbel LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  115  92 22 38 7 0 16 2     8 12 23        15  23     

- περαν του ιορδανου = peran tou iordanou (aan de overzijde van de Jordaan) . NT (7) . Mt (2) : (1) Mt 4,15 . (2) Mt 19,1 . Mc (2) : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 10,1 . Joh (3) : (1) Joh 1,28 . (2) Joh 3,26 . (3) Joh .

-


- περι = peri (omwille van, over)

- peri (over, rondom, omwille van) . περι = peri (omwille van, over) . Taalgebruik in NT : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in de LXX : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Mc : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Lc : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Hnd : peri . Fr. pour , N. voor .

peri (omwille van, over) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  894  590  304  28  22  43  57  63  90 93  150 
peri allèlous     15     3   4        
                         

peri (omwille van)  bijbel OT NT ev.  Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  P.  A.b 
  894  590  304  150  90 10    2 20      71  19 

- peri (over) in Hnd , zie Hnd 1,1 . In drieënzestig verzen in Hnd . Twaalf verzen met ta peri (dat over) , zie Hnd 28,31 . In drie verzen in Hnd 1 : (1) Hnd 1,1 . (2) Hnd 1,3 : ta peri (over wat) . (3) Hnd 1,16 .
- ta peri (dat over) . In eenentwintig verzen in het NT : (1) Lc 24,19 : ta peri Ièsou tou Nazaraiou = dat over Jezus de Nazarener (Emmaüsverhaal) . (2) Lc 24,27 . (3) Hnd 1,3 . (4) Hnd 8,12 . (5) Hnd 13,29 . (6) Hnd 18,25 . (7) Hnd 19,8 . (8) Hnd 23,11 . (9) Hnd 23,15 . (10) Hnd 24,10 . (11) 24,22 . (12) Hnd 28,15 . (13) Hnd 28,23 . (14) Hnd 28,31 : didaskôn ta peri tou kuriou Ièsou Christou = onderrichtend dat over de Heer Jezus Christus .
- ta peri tès basileias tou theou (dat over het koninkrijk van God) . In drie verzen in het NT : (3) Hnd 1,3 . (4) Hnd 8,12 . (7) Hnd 19,8 .
Uit de formuleringen van Lc 4,43 , Lc 24,19 , Hnd 1,3 en Hnd 28,31 blijkt dat het eerste optreden van Jezus in Nazaret en Kafarnaüm (Lc 4,14-44) , het einde van het Lucasevangelie , het begin en het einde van de Hnd met elkaar te maken hebben .
- peri auton (rond hem) . NT (5) : (1) Mt 8,18 . (2) Mc 3,32 . (3) Mc 3,34 . (4) Mc 4,10 . (5) Lc 22,49 .
- peri pantôn (over alles) . Taalgebruik : peri (over) in Hnd , zie Hnd 1,1 . Taalgebruik : pas (ieder, elk) , zie Mc 2,13 . In vijftien verzen in het NT . In vier verzen in Hnd : (1) Hnd 1,1 : over alles wat Jezus begon te doen ... . (2) Hnd 22,10 : en daar zal je gezegd worden over alles wat ... . (3) Hnd 24,8 : over alles waarvan wij hem beschuldigen . (4) Hnd 26,2 : Over alles waarvan ik word aangeklaagd ... . In deze vier verzen is pantôn zelfstandig gebruikt . De bepaling peri pantôn (over alles) wordt gevolgd door een betrekkelijke zin , die ingeleid wordt door het betrekkelijk voornaamwoord genitief onzijdig meervoud hôn .


- periballô (werpen rondom, bedekken) . περιβαλλω = periballô (werpen rondom, bedekken) . Taalgebruik in het NT : periballô (werpen rondom, bedekken) . Taalgebruik in de LXX : : periballô (werpen rondom, bedekken) . Een vorm van περιβαλλω = periballô (werpen rondom, bedekken) in de LXX (71) , in het NT (23) . In de LXX kan een vorm van περιβαλλω = periballô (werpen rondom, bedekken) de vertaling van 8 verschillende Hebreeuwse woorden zijn .
- act. ind. imperf. 3de pers. mv. = perieballon (zij bedekten) van het werkw. περιβαλλω = periballô (werpen rondom, bedekken) . Taalgebruik in het NT : periballô (werpen rondom, bedekken) . Bijbel (1) : 1 K 1,1 . Een vorm van περιβαλλω = periballô (werpen rondom, bedekken) in de LXX (71) , in het NT (23) . In de LXX kan een vorm van περιβαλλω = periballô (werpen rondom, bedekken) de vertaling van 8 verschillende Hebreeuwse woorden zijn .

- pass. part. perf. nom. mann. enk. = peribeblèmenon (omkleed, bedekt)


- περιβλεπω = periblepô (rondkijken)

- periblepô (rondkijken) . περιβλεπω = periblepô (rondkijken) . Taalgebruik in het NT : periblepô (rondkijken) . Taalgebruik in de LXX : periblepô (rondkijken) . Taalgebruik in Mc : periblepô .

  periblepô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
ind. imperf. 3de pers. enk. perieblepeto                   
part. aor. nom. mann. enk. periblepsamenos                
part. aor. nom. mann. mv. periblepsamenoi                    
  Totaal               

- perichôros (omstreek) . perichôros (omstreek) . Taalgebruik in het NT : perichôros (omstreek) . Taalgebruik in Lc : perichôros (omstreek) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
                               
  gen. mann. enk. perichôrou   11                 
                               
                               
                               

- periechô (rondom houden, omvatten) . περιεχω = periechô (rondom houden, omvatten) . Taalgebruik in het NT : periechô (rondom houden, omvatten) . Taalgebruik in de LXX : periechô (rondom houden, omvatten) . Een vorm van περιεχω = periechô in de LXX (34) , in het NT (2) : (1) Lc 5,9 . (2) 1 Pe 2,6 . In de LXX kan het Griekse werkw. περιεχω = periechô de vertaling van 8 verschillende Hebreeuwse werkwoorden .

  periechô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. perieschen   10                 
                               

- perioikos (omwonende) . perioikos (omwonende) . Taalgebruik in het NT : perioikos (omwonende) . Taalgebruik in Lc : perioikos (omwonende) .

  perioikos  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  nom. mann. mv. perioikoi                              
                               
                               

- περιπατεω = peripateô (rondwandelen)

- peripateô (rondwandelen) . περιπατεω = peripateô (rondwandelen) . Taalgebruik in het NT : peripateô (rondwandelen) . Taalgebruik in de LXX : peripateô (rondwandelen) . Taalgebruik in Mc : peripateô (rondwandelen) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
                               
  act. part. praes. gen. mann. enk. peripatountos     1 : Mc 11,27 .          
                               

- perisseuô (overtollig zijn , overvloed hebben) . perisseuô (overtollig zijn , overvloed hebben) . Taalgebruik in het NT : perisseuô (overtollig zijn , overvloed hebben) . Taalgebruik in Mc : perisseuô (overtollig zijn , overvloed hebben) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. part. praes. gen. mann. + onz. enk. perisseuontos                  
                               
                               
                               
                               
                               

 

- perissos (overmatig, bovenmatig groot) . περισσος = perissos (overmatig, bovenmatig groot) . Taalgebruik in het NT : perissos (overmatig, bovenmatig groot) . Taalgebruik in de LXX : perissos (overmatig, bovenmatig groot) . Taalgebruik in Mc : perissos (overmatig, bovenmatig groot) .

  perissos (overmatig, bovenmatig
groot) 
bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  bijwoord perissôs             
  perissoteron  12    12         
                               
                               
                               
                               
                               
  totaal                            

- peristera (duif) . peristera (duif) . Taalgebruik in het NT : peristera (duif) . Taalgebruik in Mc : peristera (duif) .

  peristera  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  acc. vr. enk. peristeran            
                               
                               

- peritemnô (rondom snijden, besnijden) . peritemnô (rondom snijden, besnijden) . Taalgebruik in het NT : peritemnô (rondom snijden, besnijden) . Taalgebruik in Lc : peritemnô (rondom snijden, besnijden) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. inf. aor. peritemein                              
                               

 

- peritomè (besnijdenis) , zie Rom 2,25 . Nominatief of vrouwelijk enkelvoud . In twaalf verzen in de bijbel . OT (1) : Gn 17,13 . NT (11) , slechts in de brieven van Paulus : (1) Rom 2,25 . (2) Rom 2,28 . (3) Rom 2,29 . (4) Rom 4,10 . (5) 1 Kor 7,19 . (6) Gal 5,6 . (7) Gal 6,15 . (8) Fil 3,3 . (9) Fil 3,5 . (10) Kol 2,11 . (11) Kol 3,11 .

petros (steen , Petrus) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk     
nom. 100   100 15                
gen.       1                
dat.       4                
acc.       3                
Totaal                          

- πετεινον = peteinon (vogel, gevogelte)

- peteinon (vogel, gevogelte) . πετεινον = peteinon (vogel, gevogelte) . Taalgebruik in het NT : peteinon (vogel, gevogelte) . Taalgebruik in de LXX : peteinon (vogel, gevogelte) .

- nom. + acc. onz. mv. πετεινα = peteina (vogels , gevogelte) van het zelfst. naamw. πετεινον = peteinon (vogel, gevogelte) . Taalgebruik in het NT : peteinon (vogel, gevogelte) . Taalgebruik in de LXX : peteinon (vogel, gevogelte) . Bijbel (42) . LXX (31) . Gn (4) : (1) Gn 1,20 . (2) Gn 1,22 . (3) Gn 2,19 . (4) Gn 40,17 . NT (11) : (1) Mt 6,26 . (2) Mt 8,20 . (3) Mt 13,4 . (4) Mt 13,32 . (5) Mc 4,4 . (6) Mc 4,32 . (7) Lc 8,5 . (8) Lc 9,58 . (9) Lc 13,19 . (10) Hnd 10,12 . (11) Hnd 11,6 .


- petros (Petrus) . eigennaam petros (Petrus) . Taalgebruik in het NT : petros (Petrus) . Taalgebruik in Mc : petros (Petrus) . Taalgebruik in Lc : petros (Petrus) . Taalgebruik in Hnd : Petros .

  petros (Petrus)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. petros   100    100  15  13  23  37    37  60     
voc. mann. enk. petre                  
gen. mann. enk. petrou   12    12           
dat. mann. enk. petrô(i)   15    15    13     
acc. mann. enk. petron   25    25  10      12  15     
  totaal                            

- pilatos (Pilatus) . nom. mann. enk. πιλατος = pilatos (Pilatus) . Taalgebruik in het NT : pilatos (Pilatos) . Bijbel (39) . Mt (6) . Mc (7) . Lc (8) : (1) Lc 13,1 . (2) Lc 23,3 . (3) Lc 23,4 . (4) Lc 23,6 . (5) Lc 23,12 . (6) Lc 23,13 . (7) Lc 23,20 . (8) Lc 23,24 . Joh (17) . Een vorm van πιλατος = pilatos in het NT (55) , in Lc (20) .
- gen. mann. enk. πιλατου= pilatou (van Pilatus) . Bijbel (3) : (1) Lc 3,1 . (2) Hnd 3,13 . (3) Hnd 3,13 . Een vorm van πιλατος = pilatos in het NT (55) , in Lc (20) .

- pimplèmi (vullen) . πιμπλημι = pimplèmi (vullen) . Taalgebruik in het NT : pimplèmi (vullen) . Taalgebruik in de LXX : pimplèmi (vullen) . Taalgebruik in Lc : pimplèmi . Taalgebruik in Hnd : pimplèmi (vervullen, vol maken) . Een vorm van πιμπλημι = pimplèmi (vervullen, vol maken) in de LXX (116) , in het NT (?) , in Lc (?) .
Hebr. mâlâ´ (vullen, vervullen) . Taalgebruik in Tenach : mâlâ´ (vullen, vervullen) .
Lat. replere . Fr. remplir . Ned. vervullen . D. erfüllen . E. to fill .

  pimplèmi  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  pass. ind. aor. 3de pers. enk. eplèsthè   26  21             
  pass. ind. aor. 3de pers. mv. eplèsthèsan   14  12               
  pass. conj. aor. 2de pers. enk. plèsthè(i)s                     
  pass. part. aor. nom. mann. enk. plèstheis                     
                               

      1.  2.  3.  4.  5.  6. 
  pimplèmi    Lc 1 Lc 2 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 21
1.  act. ind. aor. 3de pers. mv. eplèsan         (1) Lc 5,7 .      
2.  pass. ind. fut. 3de pers. enk. plèsthèsetai (1) Lc 1,15 .            
3.  pass. ind. aor. 3de pers. enk. eplèsthè   (1) Lc 1,41 . (2) Lc 1,57 . (3) Lc 1,67          
4.  pass. ind. aor. 3de pers. mv. eplèsthèsan (1) Lc 1,23 .   (2) Lc 2,6 . (3) Lc 2,21 . (4) Lc 2,22 . (5) Lc 4,28 . (6) Lc 5,26 . (7) Lc 6,11 .  
5.  pass. inf. aor. plèsthènai               (1) Lc 21,22  
  Totaal   

      1.  2.  3.  4.  5.  6.  7. 
  pimplèmi    Hnd 2 Hnd 3 Hnd 4 Hnd 5 Hnd 9 Hnd 13 Hnd 19
1.  pass. ind. aor. 3de pers. enk. eplèsthè               (1) Hnd 19,29
2.  pass. ind. aor. 3de pers. mv. eplèsthèsan (1) Hnd 2,4 . (2) Hnd 3,10 . (3) Hnd 4,31 . (4) Hnd 5,17 .   (5) Hnd 13,45 .        
3.  pass. conj. aor. 2de pers. enk. plèsthè(i)s           (1) Hnd 9,17 .      
4.  pass. part. aor. nom. mann. enk. plèstheis       (1) Hnd 4,8 .       (2) Hnd 13,9 .    
  Totaal 

De Hebreeuwse tekst van 2 K 4,6 - wajëhî  kimëlo´th (en het gebeurde tijdens het vullen van de vaten) . LXX : heôs eplèsthèsan (totdat zij waren gevuld) - benadert de tekst van Lc 1,23 (kai egeneto hôs eplèsthèsan hai hèmerai tès leitourgias autou = en het gebeurde zodra de dagen van zijn dienst)

- pimplèmi (vervullen, vol maken) . Verwijzing : pimplèmi (vervullen, vol maken) , zie Lc 4,1 .
--- plèsthèsetai (hij / zij zal vervuld worden) . Passief futurum derde persoon enkelvoud . In zeventien verzen in de bijbel . In zestien verzen in het OT : o.a. (9) Ps 12,14 . (10) Ps 14,14 . (11) Ps 15,4 . (12) Ps 28,19 . En slechts in Lc 1,15 (pneumatos hagiou plèsthèsetai = van heilige geest zal zij vervuld worden) in het NT .

--- plèsthèsontai (zij zullen vervuld worden) . In tien verzen in de bijbel , enkel in het OT : (6) Ps 65,12 . (7) Ps 104,28 .

- pass. ind. fut. 3de pers. mv. εμπλησθησονται = emplèsthèsontai van het werkw. εμπιμπλημι = empimplèmi (vervullen) . Zie het werkw. πιμπλημι = pimplèmi (vullen) . Taalgebruik in het NT : pimplèmi (vullen) . Taalgebruik in de LXX : pimplèmi (vullen) . Bijbel (8) : (1) Dt 14,29 . (2) Dt 26,12 . (3) Js 13,21 . (4) Js 29,19 . (5) Jr 50,10 . (6) Ps 22,27 . (7) Sir 2,16 . (8) Sir 4,12 . Een vorm van εμπιμπλημι = empimplèmiin de LXX (142) , in het NT (5) : in het NT (5) : (1) Lc 1,53 . (2) Lc 6,25 . (3) Joh 6,12 . (4) Hnd 14,17 . (5) Rom 15,24 . In de LXX is εμπιμπλημι = empimplèmi de vertaling van 9 Hebreeuwse (werk)woorden .
- Lat. replere . Fr. remplir . Ned. vervullen . D. erfüllen . E. to fill .

--- plèstheis (vervuld) . Passief participium aorist . In vijf verzen in de bijbel . In drie verzen in het OT . In twee verzen in Hnd : (1) Hnd 4,8 (Petrus - plèstheis pneumatos hagiou = vervuld van heilige geest) . (2) Hnd 13,9 (Paulus - plèstheis pneumatos hagiou = vervuld van heilige geest) .
--- eplèsthè (hij / zij werd vervuld) . In zesentwintig verzen in de bijbel . In eenentwintig verzen in het OT : (14) Ps 17,14 . (15) Ps 26,10 . (16) Ps 80,10 . (17) Ps 88,4 . (18) Ps 123,4 . (19) Ps 126,2 . In vijf verzen in het NT : (1) Mt 22,10 . (2) Lc 1,41 ( Elisabeth - eplèsthè pneumatos hagiou = zij werd vervuld van heilige geest) . (3) Lc 1,57 . (4) Lc 1,67 (Zacharia - eplèsthè pneumatos hagiou = hij werd vervuld van heilige geest) . (5) Hnd 19,29 .
--- eneplèsa ( hij vervulde) . Actief perfectum eerste persoon enkelvoud . In drie verzen in de bijbel : (1) Ex 28,3 . (2) Ex 31,3. (3)

- act. ind. aor. 3de pers. enk. ενεπλησεν = eneplèsen (hij vervulde, overlaadde) van het werkw. εμπιμπλημι = empimplèmi (invullen, vervullen) . Taalgebruik in het NT : empimplèmi (invullen, vervullen) . Taalgebruik in de LXX : empimplèmi (invullen, vervullen) . Taalgebruik in Lc. : empimplèmi (invullen, vervullen) . LXX (14) : (1) Ex 35,31 . (2) Ex 35,35 . (3) Re 17,5 . (4) Re 17,12 . (5) Jr 41,9 . (6) Ps 105,40 . (7) Ps 107,9 . (8) Job 9,18 . (9) Job 15,2 . (10) Job 22,18 . (11) 2 Kr 5,14 . (12) Sir 16,29 . (13) Sir 17,7 . (14) Bar 3,32 . NT (1) = Lc (1) Lc 1,53 . Een vorm van εμπιμπλημι = empimplèmi (invullen, vervullen) in de LXX (142) , in het NT (5) : (1) Lc 1,53 . (2) Lc 6,25 . (3) Joh 6,12 . (4) Hnd 14,17 . (5) Rom 15,24 . In de LXX is εμπιμπλημι = empimplèmi de vertaling van 9 Hebreeuwse (werk)woorden .
- Lat. replere . Fr. remplir . Ned. vervullen . D. erfüllen . E. to fill .

--- eneplèsthè. In zeventien verzen in de bijbel . Enkel in het OT .
--- eplèsthèsan (zij werden vervuld) . passief indicatief aorist derde persoon meervoud . In veertien verzen in de bijbel . In twee verzen in het OT : (1) 2 K 4,6 (heôs eplèthèsan ta skeua = totdat de vaten waren gevuld) . (2) Ps 38,8 .
In twaalf verzen in het NT . In zeven verzen bij Lucas . In vier verzen ervan heeft de vervulling te maken met de tijd ; in de andere drie verzen heeft het te maken met gevoelens . In vijf verzen in Hnd . In twee verzen ervan heeft vervulling te maken met heilige geest ; in de andere drie verzen heeft vervulling te maken met gevoelens .
(1) Lc 1,23 (kai egeneto hôs eplèsthèsan hai hèmerai tès leitourgias autou = en het gebeurde zodra de dagen van zijn dienst) .
(2) Lc 2,6 (eplèsthèsan hai hèmerai tou = de dagen waren bereikt om...) .
(3) Lc 2,21 (eplèsthèsan hèmerai oktô tou = de acht dagen waren bereikt om ...) .
(4) Lc 2,22 (eplèsthèsan hai hèmerai tou = de dagen waren bereikt van ...) .
(5) Lc 4,28 (eplèsthèsan pantes thumou = allen werden vervuld van woede) .
(6) Lc 5,26 (eplèsthèsan fobou = zij werden vervuld van vrees) .
(7) Lc 6,11 (autoi de eplèsthèsan avoias = deze echter werden vervuld van onbegrip) . .
(8) Hnd 2,4 (eplèsthèsan pantes pneumatos hagiou = allen werden vervuld van heilige geest) .
(9) Hnd 3,10 (eplèsthèsan thambous kai ekstaseôs = zij werden vervuld van ... en exstase) .
(10) Hnd 4,31 (eplèsthèsan hapantes tou hagiou pneumatos = allen werden vervuld van de heilige geest) .
(11) Hnd 5,17 : (eplèsthèsan zèlou : zij werden vervuld van afgunst) . Het conflict tussen enerzijds de hogepriester en de Sadduceeën en anderzijds de apostelen) .
(12) Hnd 13,45 : (eplèsthèsan zèlou : zij werden vervuld van afgunst) . Het optreden van verhaal van de tweede sabbat in Antiochië van Pisidië .
-- eplèsen. In zestien verzen in de bijbel . Slechts in het OT .

- act. ind. aor. 3de pers. mv. επλησαν = eplèsan van het werkw. πιμπλημι = pimplèmi (vullen) . Taalgebruik in het NT : pimplèmi (vullen) . Taalgebruik in de LXX : pimplèmi (vullen) . Taalgebruik in Lc : pimplèmi . Taalgebruik in Hnd : pimplèmi (vervullen, vol maken) . Bijbel (10) : (1) Gn 26,15 . (2) Ex 2,16 . (3) 1 K 18,35 . (4) Jr 19,4 . (5) Ez 8,17 . (6) Mi 6,12 . (7) Job 3,15 . (8) Ezr 9,11. (9) 2 Kr 16,14 . (10) Lc 5,7 . Een vorm van πιμπλημι = pimplèmi (vervullen, vol maken) in de LXX (116) , in het NT (?) . Een vorm van πιμπλημι = pimplèmi (vullen) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,23 . (3) Lc 1,41 . (4) Lc 1,57 . (5) Lc 1,67 . (6) Lc 2,6 . (7) Lc 2,21 . (8) Lc 2,22 . (9) Lc 4,28 . (10) Lc 5,7 . (11) Lc 5,26 . (12) Lc 6,11 . (13) Lc 21,22 . In Lc : 5 vormen van πιμπλημι = pimplèmi (vervullen, vol maken) in 6 / 24 hoofdstukken en in 13 verzen . In Hnd : 4 vormen van πιμπλημι = pimplèmi (vervullen,

In vijf verzen in Hnd . In twee verzen ervan heeft vervulling te maken met heilige geest ; in de andere drie verzen heeft vervulling te maken met gevoelens .
Bij het optreden van Jezus in de synagoge van Nazaret (Lc 4,16-30) volgde op de positieve reactie een negatieve (Lc 4,28) : eplèsthèsan pantes thumou = allen werden vervuld van woede . Zo staat bij het optreden van Paulus en Barnabas de positieve reactie van het volk (Hnd 13,44) tegenover de negatieve reactie van de joden (Hnd 13,45) : Hnd 13,45 : eplèsthèsan zèlou : zij werden vervuld van afgunst , zie ook Hnd 5,17 : eplèsthèsan zèlou : zij werden vervuld van afgunst .


- pipraskô (verkopen) . pipraskô (verkopen) . Taalgebruik in de Bijbel : pipraskô (verkopen) . Een vorm van pipraskô (verkopen) in de LXX (32) , in het NT (9) , in Hnd (3) : (1) Hnd 2,45 . (2) Hnd 4,34 . (3) Hnd 5,4 . Een synoniem is : pôleô (verkopen) . Taalgebruik in het NT : pôleô (verkopen) . Een vorm van pôleô (verkopen) in de LXX (16) , in het NT (22) , in Hnd (3) : (1) Hnd 4,34 . (2) Hnd 4,37 . (3) Hnd 5,1 .
-- actief imperfectum derde persoon meervoud epipraskon (en zij verkochten) van het werkw. In de bijbel enkel in Hnd 2,45 .
-- pass. indic. futurum 3de pers. enk. prathèsetai (het zal verkocht worden) van het werkw. Bijbel (6) : (1) Lv 25,23 . (2) Lv 25,42 . (3) Lv 27,27 . (4) Dt 21,14 . (5) Jr 34,14 . (6) Ez 48,14 .
-- pass. ind. futurum 3de pers. mv. prathèsontai (zij zullen verkocht worden) van het werkw. Bijbel (1) : Lv 25,34 .
- Hebr. mâkhar (verkopen) . Taalgebruik in Tenakh : mâkhar (verkopen) .
- D. verkaufen . E. to sell . Lat. vendere . Fr. vendre .

gonupeteô (op zijn knie vallen) . Taalgebruik : gonupeteô (op zijn knie vallen) , zie Mc 1,40 . Verschillende vormen in slechts vier verzen in de bijbel : (1) Mt 17,14 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 10,17 . (4) Mt 27,29 . Varianten bij de ontmoeting tussen een zieke en de genezer kunnen zijn : knielen bij , bij zijn voeten vallen , op zijn gezicht vallen .
--- gonupetôn (op zijn knie vallend) . Actief participium nominatief enkelvoud van het werkwoord gonupeteô : op de knieën vallen. Het komt in de bijbel in twee verzen voor : (1) Mt 17,14 . (2) Mc 1,40 .
--- gonupetèsas (op zijn knie gevallen). Actief participium aorist. Nominatief mannelijk enkelvoud . Mc 10,17 .
--- Gonupetèsantes (op hun knie gevallen) . Nominatief mannelijk meervoud . Mt 27,29 .


- πιπτω = piptô (vallen)

- piptô (vallen) . πιπτω = piptô (vallen) . Taalgebruik in het NT : piptô (vallen) . Taalgebruik in de Septuaginta : piptô (vallen) . Taalgebruik in Mc : piptô (vallen) .

Hebr. nâphal = vallen . Taalgebruik in Tenakh : nâphal (vallen) . Eng. to fall . Lat. cadere . Fr. tomber .
--- act. ind. praes. 3de pers. enk. πιπτει = piptei (hij valt) van het werkw. πιπτω = piptô (vallen) . Taalgebruik in het NT : piptô (vallen) . Taalgebruik in de Septuaginta : piptô (vallen) . Taalgebruik in Mc : piptô (vallen) . Bijbel (8) . OT (3) . NT (5) .
--- epipten (hij viel). Het komt in drie verzen in de bijbel voor . In twee verzen in het OT . In één vers in het NT . Bij Marcus : Mc 14,35 .
--- epesan (zij vielen) . Tweede aorist derde persoon meervoud . In negenendertig verzen in de bijbel . In zevenentwintig verzen in het OT . In twaalf verzen in het NT
--- pesôn (gevallen). Taalgebruik : piptô (vallen) , zie Mc 1,40 . Participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud van het werkwoord piptô = vallen . In tweeëntwintig verzen in de bijbel . In negen verzen in het OT . In dertien verzen in het NT . Mt (4) . Mc (1) . Lc (3) . Joh (1) . Hnd (3) : (1) Hnd 5,5 . (2) Hnd 9,4 . (3) Hnd 10,25 . 1 Kor (1) .
--- pesontes (gevallen) . Actief participium mannelijk enkelvoud nominatief . In zes verzen in de bijbel . In vijf verzen in het OT . In één vers in het NT : Mt 2,11 , zie prosekunèsan bij Mt 2,11 .

- epipiptô (op-vallen, over-vallen) .
--- epepesen (hij viel over) . Actief aorist derde persoon enkelvoud . In zesentwintig verzen in de bijbel . In zeventien verzen in het OT . In zeven verzen in het NT . Heel wat hebben overvalt vrees iemand (epepesen fobos epi ... = vrees overviel - over - ...) , zo b.v. in Hnd 19,17 . In Hnd 10,44 : epepesen to pneuma to hagion epi ... = de heilige geest viel over ... In Gn 46,29 en Lc 15,20 : hij viel hem om de hals .

piptô (vallen)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. praes. 3de pers. enk. piptei          
act. ind. imperf. 3de pers. enk. epipten                  
                             
act. part. praes. nom. mann. mv. piptontes                  
act. ind. aor. 3de pers. enk. epesen 99  73  26  16  17   
act. part. aor. nom. mann. enk. pesôn   22  13     
totaal                            

- pisteuô (geloven, vertrouwen) . πιστευω = pisteuô (geloven, vertrouwen) . Taalgebruik in het NT : pisteuô (geloven, vertrouwen) . Taalgebruik in de LXX : pisteuô (geloven, vertrouwen) . Taalgebruik in Lc : pisteuô (geloven, vertrouwen) . Een vorm van πιστευω = pisteuô (geloven, vertrouwen) in de LXX (88) , in het NT (241) , in Hnd (54) .
- act. part. praes. nom. mann. mv. pisteuontes (gelovenden, gelovigen) van het werkw. Bijbel (7) : (1) Mt 21,22 . (2) Joh 6,64 . (3) Joh 20,31 . (4) Hnd 2,44 . (5) Hnd 5,14 . (6) Hnd 9,26 . (7) 1 Pe 1,8 .

- act. ind. aor. 3de pers. enk. επιστευσεν = episteusen (hij geloofde) van het werkw. πιστευω = pisteuô (geloven, vertrouwen) . Taalgebruik in het NT : pisteuô (geloven, vertrouwen) . Taalgebruik in de LXX : pisteuô (geloven, vertrouwen) . Bijbel (20) : (1) Gn 15,6 . (2) Gn 45,26 . (3) Ex 4,31 . (4) Js 53,1 . (5) Jr 40,14 . (6) Jdt 14,10 . (7) Joh 4,50 . (8) Joh 4,53 . (9) Joh 7,48 . (10) Joh 12,38 . (11) Joh 20,8 . (12) Hnd 8,13 . (13) Hnd 13,12 . (14) Hnd 18,8 . (15) Rom 4,3 . (16) Rom 4,17 . (17) Rom 4,18 . (18) Rom 10,16 . (19) Gal 3,6 . (20) Jak 2,23 .

- act. ind. praes. 2de pers. mv. + act. imperat. praes. 2de pers. mv. πιστευετε = pisteuete (jullie geloven / gelooft) van het werkw. πιστευω = pisteuô (geloven, vertrouwen) . Taalgebruik in het NT : pisteuô (geloven, vertrouwen) . Taalgebruik in de LXX : pisteuô (geloven, vertrouwen) . Bijbel (20) : (1) 2 Kr 32,15 . (2) Mt 9,28 . (3) Mc 1,15 . (4) Mc 11,24 . (5) Mc 13,21 . (6) Joh 3,12 . (7) Joh 5,38 . (8) Joh 5,47 . (9) Joh 6,36 . (10) Joh 8,45 . (11) Joh 8,46 . (12) Joh 10,25 . (13) Joh 10,26 . (14) Joh 10,37 . (15) Joh 10,38 . (16) Joh 12,36 . (17) Joh 14,1 . (18) Joh 14,11 . (19) Joh 16,31 . (20) 1 Joh 4,1 . Een vorm van πιστευω = pisteuô (geloven, vertrouwen) in de LXX (88) , in het NT (241) , in Mt (11) , in Mc (14) : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 5,36 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,42 . (6) Mc 11,23 . (7) Mc 11,24 . (8) Mc 11,31 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 15,32 . (11) Mc 16,13 . (12) Mc 16,14 . (13) Mc 16,16 . (14) Mc 16,17 , in Lc (9) , in Joh (98) , in Hnd (54) . In de LXX kan πιστευω = pisteuô (geloven, vertrouwen) de vertaling van 4 Hebreeuwse werkw. zijn .

  pisteuô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. aor. 2de pers. enk. episteusas                  
  act. part. aor. nom. vr. enk. pisteusasa                    
 

act. part. praes. nom. mann. mv. pisteuontes

7   7 1     2 " 1          
                               

Een vorm van (geloven, vertrouwen) in Lc in 9 verzen : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 1,45 . (3) Lc 8,12 . (4) Lc 8,13 . (5) Lc 8,50 . (6) Lc 16,11 . (7) Lc 20,5 . (8) Lc 22,67 . (9) Lc 24,25 .


- pistis (geloof) . πιστις = pistis (geloof) . Taalgebruik in het NT : pistis (geloof) . Taalgebruik in de LXX : pistis (geloof) .

pistis (geloof) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
nom. pistis 41 6 35 2 2 6   1 23 1 10   
gen. pisteôs 92  89          84       
dat. pistei 75  17  58          52       
acc. pistin 66  15  51    31  14   
Totaal   274  41  233  11    15  190  24   

pistis (geloof) bijbel  OT  NT  ev. Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  P. A.b
nom. pistis 41 6 35   23  5 5   2 1     1 2         1 5     1       17 
gen. pisteôs 92  89    84  22    15              78 
dat. pistei 75  17  58    52        19        46 
acc. pistin 66  15  51    31                26 
Totaal   274  41  233    190  36  20  18  32  13      167  23 

 

pistis (geloof) bijbel  OT  NT  ev. Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh Jud  P. A.b
nom. pistis 41 6 35   23  5 5   2 1     1 : 1 Tes 1,8 . 2         1 5     1   17 
gen. pisteôs 92  89    84  22    15  5 : (1) 1 Tes 1,3 . (2) 1 Tes 3,2 . (3) 1 Tes 3,7 . (4) 1 Tes 3,10 . (5) 1 Tes 5,8 .         78 
dat. pistei 75  17  58    52        19    46 
acc. pistin 66  15  51    31      2 : (1) 1 Tes 3,5 . (2) 1 Tes 3,6 .       26 
Totaal   274  41  233    190  36  20  18  32  13  167  23 

Een vorm van pistis (geloof) in 1 Tes in acht verzen ; 4,79 % van het aantal in de Br. van Paulus .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                             
                             
                             
                             
                             
                             
                             
                             
totaal                            

- planaô (dwalen, in de war raken) . planaô (dwalen, in de war raken) . Taalgebruik in het NT : planaô (dwalen, in de war raken) . Taalgebruik in Mc : planaô (dwalen, in de war raken) .

  planaô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. fut. 3de pers. mv. planèsousin   1 : Mc 13,6 .              
  act. conj. aor. 3de pers. enk. planèsè(i)     1 : Mc 13,5 .            
                               
                               

- πλην = plèn (behalve, uitgezonderd, maar, doch)

- plèn (behalve, uitgezonderd, maar, doch) . πλην = plèn (behalve, uitgezonderd, maar, doch) . Taalgebruik in het NT : plèn (behalve, uitgezonderd, maar, doch) . Taalgebruik in de LXX : plèn (behalve, uitgezonderd, maar, doch) . Bijbel (238) . OT (207) . NT (31) . Lc (15) : (1) Lc 6,24 . (2) Lc 6,35 . (3) Lc 10,11 . (4) Lc 10,14 . (5) Lc 10,20 . (6) Lc 11,41 . (7) Lc 12,31 . (8) Lc 13,33 . (9) Lc 17,1 . (10) Lc 18,8 . (11) Lc 19,27 . (12) Lc 22,21 . (13) Lc 22,22 . (14) Lc 22,42 . (15) Lc 23,28 .


- plèrès (vol) . plèrès (vol) . Taalgebruik in het NT : plèrès (vol) . Taalgebruik in Lc : plèrès .

  plèrès  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. mann. enk. plèrès   54  45             
  nom. + voc. + acc. mann. mv. + vr. plèreis  25  20  1            
                               

- plèrès (vol) . Taalgebruik : pimplèmi (vervullen, vol maken) , zie Lc 4,1 . Bijvoeglijk naamwoord mannelijk enkelvoud .
In vierenvijftig verzen in de bijbel . In vijfenveertig verzen in het OT . In negen verzen in het NT . Niet bij Matteüs en Marcus .
In twee verzen bij Lucas :
(1) Lc 4,1 (Jezus : plèrès pneumatos hagiou = vol van heilige geest) .
(2) Lc 5,12 (kai idou anèr plèrès lepras = en zie een man vol van melaatsheid) .
In één vers in Joh . In Joh 1,14 (Jezus : plèrès charitos kai alètheias = vol van genade en waarheid) .
In zes verzen in Hnd , waaronder drie verzen die op de diaken Stefanus betrekking hebben :
(1) Hnd 6,5 (Stefanus - plèrès pisteôs kai pneumatos hagiou = vol van geloof en heilige geest) .
(2) Hnd 6,8 (Stefanos de plèrès charitos kai dunameôs = Stefanus echter vol van genade en kracht) .
(3) Hnd 7,55 (Stefanus : plèrès pneumatos hagiou = vol van heilige geest) .
(4) Hnd 9,36 (Dorkas : hautè èn plèrès ergôn agathôn kai eleèmosunôn = Dorkas, zij was vol van goede werken en aalmoezen) .
(5) Hnd 11,24 (Barnabas - plèrès pneumatos hagiou kai pisteôs = vol van heilige geest en van geloof) .
(6) Hnd 13,10 .
- plèreis (vol) . In vijfentwintig verzen in de bijbel . In twintig verzen in het OT . In vijf verzen in het NT : (1) Mt 14,20 . (2) Mt 15,37 . (3) Mc 8,19 . (4) Hnd 6,3 (zeven getuigen - plèreis pneumatos kai sofias = vol van geest en wijsheid) . (5) Hnd 19,28 .
-- plèreis (vol) met genitief , die de 'volheid' nader bepaalt .

- plèroforeô (voldragen, geheel (vervullen) . plèroforeô (voldragen, geheel (vervullen) . Taalgebruik in het NT : plèroforeô (voldragen, geheel (vervullen) . Taalgebruik in Lc : plèroforeô (voldragen, geheel (vervullen) .

  plèroforeô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  pass. part. perf. gen. nom. + onz. mv. peplèroforèmenôn                              
                               

-

Een vorm van planaô (dwalen, in de war raken) in Mc in 4 verzen : (1) Mc 12,24 . (2) Mc 12,27 . (3) Mc 13,5 . (4) Mc 13,6 .

- plèthos (menigte, veelheid) - plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in het NT : plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in Lc : plèthos (menigte, veelheid) . Bijbel (172) . OT (147) . NT (25) . Hnd (12) . (1) Op Pinksterdag stroomt de menigte samen ; ieder hoort hen spreken in zijn eigen taal (Hnd 2,6) . Volgens Hnd 4,32 is de menigte gelovigen één van hart en één van geest . (2) De invloed van de apostelen en van Petrus wordt in Jeruzalem zo groot dat een menigte uit de omliggende steden hun zieken en gekwelden door onreine geesten naar hen brengen opdat zij zouden genezen worden (Hnd 5,16) . (3) De groep leerlingen wordt door de apostelen bijeengeroepen (Hnd 6,2) om zeven medewerkers te kiezen . De groep stemt in met het voorstel van de apostelen (Hnd 6,5) . (4) Bij de eerste missiereis van Paulus en Barnabas gelooft een grote menigte in Iconium na hen te horen (Hnd 14,1) . (5) Hnd 14,4 . (6) Bij het eerste concilie te Jeruzalem luistert de hele menigte naar Paulus en Barnabas over hun werk bij de heidenen (Hnd 15,12) . (7) Na het afscheid van Jeruzalem en de aankomst in Antiochië riepen Paulus en Barnabas de menigte (gemeente) samen (Hnd 15,30) . (8) In Tessalonica sluit een grote groep en een niet gering aantal aanzienlijke vrouwen zich bij Paulus en Silas aan (Hnd 17,4) . (9) Hnd 21,36 . (10) Hnd 23,7 . (11) Hnd 25,24 . (12) Hnd 28,3 . Hebr. rabh (veel, talrijk, groot) . Taalgebruik in Tenakh : rabh (veel, talrijk, groot) . Tenakh (180) .

plèthos (menigte) bijbel  OT  NT  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. Apk     
nom. + acc. onz. enk. plèthos 172 147 25   2 8 : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,13 . (3) Lc 5,6 . (4) Lc 6,17 . (5) Lc 8,37 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 23,1 . (8) Lc 23,27 1 12 : (1) Hnd 2,6 . (2) Hnd 5,16 . (3) Hnd 6,2 . (4) Hnd 14,1 . (5) Hnd 14,4 . (6) Hnd 15,12 . (7) Hnd 15,30 . (8) Hnd 17,4 . (9) Hnd 21,36 . (10) Hnd 23,7 . (11) Hnd 25,24 . (12) Hnd 28,3 2 :      
gen. enk. plèthous 44  40              (1) Hnd 4,32 . (2) Hnd 6,5 . (3) Hnd 19,9 .  
dat. enk. plèthô(i) 45  44            1        
Totaal   261  231  30    15  1        

- plèroô (vervullen) . = plèroô (vervullen) . Taalgebruik in het NT : plèroô (vervullen) . Taalgebruik in Lc : plèroô (vervullen) . Taalgebruik in Hnd : plèroô (vervullen) . Gr. pimplèmi (vervullen, vol maken) . Taalgebruik in de Septuaginta : pimplèmi (vervullen, vol maken) . Taalgebruik in het NT : pimplèmi (vervullen, vol maken) . Lat. replere . Fr. remplir . Ned. vervullen . D. erfüllen . E. to fill . Hebr. mâlâ´ (vullen, vervullen) . Taalgebruik in Tenakh : mâlâ´ (vullen, vervullen) . Hnd (3) : (1) Hnd 2,2 . (2) Hnd 3,18 . (3) Hnd 5,3 . Een vorm van pimplèmi (vervullen, vol maken) in de LXX (116) . Een vorm van plèroô (vullen) in de LXX (112) , in het NT (86) , in Hnd (16) .

plèroô (vervullen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk Lc Hnd
ind. pr. 3de p. enk.                        
ind. pr. 3de p. mv.                        
imp. 2de p. mv.                        
act. inf. praes. plèroun                        
ind imp. 3de p. enk.                        
ind. imp. 3de p. mv. eplèrounto 2   2         2       1) Hnd 9,23 . (2) Hnd 13,52 .
ind. aor. 3de p. enk. eplèrôsen 11 7 4     1   3        
ind. aor. 3de p. mv.                        
part. aor. nom. m. + vr. enk.                        
part. aor. nom. m. + vr. mv.                        
                         

In zijn Taalgebruik naar de schrift in Lc 4,21 wijst Jezus op de vervulling ervan . peplèrôtai : (is vervuld geworden, is in vervulling gegaan) . Passief perfectum derde persoon enkelvoud van het werkwoord plèroô (vervullen) . Op twee andere opmerkelijke plaatsen wordt de passief infinitief perfectum gebruikt : (1) Lc 24,44 . (2) Hnd 1,16 . (In zes verzen in de bijbel . In vier verzen in het OT . In twee verzen in het NT .) In deze beide gevallen is er eveneens Taalgebruik naar vervulling van de schrift(en) . In Lc 24,44 geeft Lucas de voorlaatste woorden van Jezus bij zijn verschijnen aan de elf en hun metgezellen . In Hnd 1,16 spreekt Petrus voor het eerst de verzamelde gemeenschap toe . Taalgebruik : pimplèmi (vervullen, vol maken) , zie Lc 4,1 .

Lc 4,21   peplèrôtai hè grafè autè
Lc 24,44 dei plèrôthènai panta ta gegrammena
Hnd 1,16 edei plèrôthènai tèn grafèn

eplèrounto (zij vervulden) . Imperfectum derde persoon meervoud . Taalgebruik : pimplèmi (vervullen, vol maken) , zie Lc 4,1 . In twee verzen in de bijbel : (1) Hnd 9,23 . (2) Hnd 13,52 (eplèrounto charas kai pneumatis hagiou = zij werden vervuld van genade en heilige geest) .


(12) Hnd 13,45 : (eplèsthèsan zèlou : zij werden vervuld van afgunst) . Het optreden van verhaal van de tweede sabbat in Antiochië van Pisidië .
-- eplèsen. In zestien verzen in de bijbel . Slechts in het OT .
- plèroô (vervullen)
--- plèroumenon (vervullend) . Passief participium onzijdig enkelvoud . Hapax . Lc 2,40 .
--- eplèrounto (zij vervulden) . Imperfectum derde persoon meervoud . In twee verzen in de bijbel : (1) Hnd 9,23 . (2) Hnd 13,52 (eplèrounto charas kai pneumatis hagiou = zij werden vervuld van genade en heilige geest) .
--- eplèrôsen (hij vervulde). In 11 verzen in de bijbel. In 7 verzen in het OT In 4 verzen in het NT : (1) Lc 7,1 . (2) Hnd 2,2 . (3) Hnd 3,18 . (4) Hnd 5,3 .
--- peplèrôken (hij heeft vervuld). In 3 verzen in de bijbel. In 1 vers in het OT In 2 verzen in het NT
--- peplèrôtai (het is vervuld geworden) . In vijf verzen in de bijbel . Passief perfectum derde persoon enkelvoud . Slechts in het NT : (1) Mc 1,15 . (2) Lc 4,21 . (3)
--- plèrôthènai (vervuld worden) . Passief infinitief . In zes verzen in de bijbel . In vier verzen in het OT . In twee verzen in het NT : (1) Lc 24,44 . (2) Hnd 1,16 .
--- aneplèrôsen. In 2 verzen in de bijbel. Slechts in het OT
--- plères . In 8 verzen in de bijbel. Slechts in het OT
--- plèreis (vol) . Nominatief meervoud . In vijfentwintig verzen in de bijbel . In twintig verzen in het OT . In vijf verzen in het NT : (1) Mt 14,20 . (2) Mt 15,37 . (3) Mc 8,19 . (4) Hnd 6,3 (zeven getuigen - plèreis pneumatos kai sofias = vol van geest en wijsheid) . (5) Hnd 19,29 .
--- sumplèrousthai . Infinitief. In 2 verzen in de bijbel; in 1 vers bij Lucas (Lc 9,51) en in 1 vers in Hnd. (Hnd 2,1) .
- mâl´â (vullen, vervullen) .
--- mâlë´û (zij werden vervuld) . Perfectum derde persoon meervoud . In achtentwintig verzen in de bijbel .
--- îmëlë´û (zij vuilden) . In zeven verzen in de bijbel : (1) Gn 50,3 . (2) 2 S 7,12 . (3) Ez 7,19 . (4) Zach 8,5 . (5)
-

plèrôma (volheid)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + acc. onz. enk. plèrôma 21  10  11             
                             
totaal                            

- plèthos (menigte, veelheid) . πληθος = plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in het NT : plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in de LXX : plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in Mc : plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in Lc : plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in Hnd : plèthos (menigte, veelheid) . Een vorm van πληθος = plèthos in de LXX (288) , in het NT (31) .

gen. enk. plèthous 44  40               
dat. enk. plèthô(i) 45  44            1        
Totaal   261  231  30    15  1        

- nom. + acc. onz. enk. πληθος = plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in het NT : plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in de LXX : plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in Lc : plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in Hnd : plèthos (menigte, veelheid) . Mc (2) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 3,8 . Lc (8) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,13 . (3) Lc 5,6 . (4) Lc 6,17 . (5) Lc 8,37 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 23,1 . (8) Lc 23,27 . Joh (1) : Joh 5,3 . Hnd (12) : (1) Hnd 2,6 . (2) Hnd 5,16 . (3) Hnd 6,2 . (4) Hnd 14,1 . (5) Hnd 14,4 . (6) Hnd 15,12 . (7) Hnd 15,30 . (8) Hnd 17,4 . (9) Hnd 21,36 . (10) Hnd 23,7 . (11) Hnd 25,24 . (12) Hnd 28,3 . Jac (1) : Jak 5,20 . 1 Pe (1) : 1 Pe 4,8 . Een vorm van πληθος = plèthos in de LXX (288) , in het NT (31) , in Lc (8) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,13 . (3) Lc 5,6 . (4) Lc 6,17 . (5) Lc 8,37 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 23,1 . (8) Lc 23,27 . In de LXX is πληθος = plèthos de vertaling van 17 verschillende Hebreeuwse woorden .

- plèthos (menigte, veelheid) , zie Hnd 2,6 . Op Pinksterdag stroomt de menigte samen ; ieder hoort hen spreken in zijn eigen taal (Hnd 2,6) . Volgens Hnd 4,32 is de menigte gelovigen één van hart en één van geest . De invloed van de apsotelen en van Petrus wordt in Jeruzalem zo groot dat een menigte uit de omliggende steden hun zieken en gekwelden door onreine geesten naar hen brengen opdat zij zouden genezen worden (Hnd 5,16) . De groep leerlingen wordt door de apostelen bijeengeroepen (Hnd 6,2) om zeven medewerkers te kiezen . De groep stemt in met het voorstel van de apostelen (Hnd 6,5) . Bij de eerste missiereis van Paulus en Barnabas gelooft een grote menigte in Iconium na hen te horen (Hnd 14,1) . Bij het eerste concilie te Jeruzalem luistert de hele menigte naar Paulus en Barnabas over hun werk bij de heidenen (Hnd 15,12) . Na het afscheid van Jeruzalem en de aankomst in Antiochië riepen Paulus en Barnabas de menigte (gemeente) samen (Hnd 15,30) . In Tessalonica sluit een grote groep en een niet gering aantal aanzienlijke vrouwen zich bij Paulus en Silas aan (Hnd ) .

plèthos (menigte) bijbel  OT  NT  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk     
nom. + acc. enk. plèthos 172 147 25   2 8 1 12 2 (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,13 . (3) Lc 5,6 . (4) Lc 6,17 . (5) Lc 8,37 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 23,1 . (8) Lc 23,27   (1) Hnd 2,6 . (2) Hnd 5,16 . (3) Hnd 6,2 . (4) Hnd 14,1 . (5) Hnd 14,4 . (6) Hnd 15,12 . (7) Hnd 15,30 . (8) Hnd 17,4 . (9) Hnd 21,36 . (10) Hnd 23,7 . (11) Hnd 25,24 . (12) Hnd 28,3
gen. enk. plèthous 44  40              (1) Hnd 4,32 . (2) Hnd 6,5 . (3) Hnd 19,9 .  
dat. enk. plèthô(i) 45  44            1        
Totaal   261  231  30    15  1        

 

plèthunô (vermeerderen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  
ind. pr. 3de p. enk. plèthunei 14 13           1    
ind. pr. 3de p. mv. plèthunousin 1 1                  
part. pr. nom. m. enk. plèthunôn 7 6 1           1    
part. pr. gen. mv. plèthunontôn 1   1         1      
pas. ind imp . 3de p. enk. eplèthuneto 4 1 3         3      
pas. inf. aor. plèthunthènai.              
pas. conj. aor. 3de p. enk. plèthuntheiè                
inf. pas. aor. plèthunthènai 2 1 1 1              

 

plèthunô (vermeerderen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  Lc Hnd  
ind. pr. 3de p. enk. plèthunei 14 13           1      
ind. pr. 3de p. mv. plèthunousin 1 1                    
part. pr. nom. m. enk. plèthunôn 7 6 1           1      
part. pr. gen. mv. plèthunontôn 1   1         1       (1) Hnd 6,1 .
pas. ind imp . 3de p. enk. eplèthuneto 4 1 3         3       (1) Hnd 6,7 . (2) Hnd 9,31 . (3) Hnd 12,24
pas. inf. aor. plèthunthènai.                
pas. conj. aor. 3de p. enk. plèthuntheiè                  
inf. pas. aor. plèthunthènai 2 1 1 1                

-- eplèthuneto (en nam toe) . In vier verzen in de bijbel . OT (1) . NT (3) : (1) Hnd 6,7 . (2) Hnd 9,31 . (3) Hnd 12,24 .
-- plèthunontôn (terwijl zij in aantal toenamen) . Taalgebruik : pimplèmi (vervullen, vol maken) , zie Lc 4,1 . Actief participium praesens genitief meervoud . Slechts in één vers in de bijbel : Hnd 6,1 . Inclusio met Hnd 6,7 : kai eplèthuneto o arithmos tôn mathètôn en ierousalèm (en het aantal leerlingen in Jeruzalem nam toe) .


- pleô (varen) . πλεω = pleô (varen) . Taalgebruik in het NT : pleô (varen) . Taalgebruik in de LXX : pleô (varen) .

- act. part. praes. gen. mann. mv. πλεοντων = pleontôn van het werkw. πλεω = pleô (varen) . Taalgebruik in het NT : pleô (varen) . Taalgebruik in de LXX : pleô (varen) . Bijbel (2) : (1) 1 Mak 13,29 . (2) Lc 8,23 . Een vorm van het werkw. πλεω = pleô in de LXX (6) , in het NT (6) , in Lc (1) .


- πλοιον = ploion (boot)

- ploion (boot) . πλοιον = ploion (boot) . Taalgebruik in het NT : ploion (boot) . Taalgebruik in de LXX : ploion (boot) .Taalgebruik in Mc. : ploion (boot) . Taalgebruik in Lc. : ploion .

  ploion (boot)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + acc. onz. enk. ploion   37  31      18  22     
gen. onz. enk. ploiou   14  12         
dat. onz. enk. ploiô(i)   15  14        10  10     
nom. + acc. onz. mv. ploia   23  18           
gen. onz. mv. ploiôn             1    
dat. onz. mv.                          
  totaal 102  38  64  13  16  19  37  43     

- Ned. : boot . D. : Boot . E. : boat . Fr. : navire , bateau (oud-eng. bat + suffix -eau) . Gr. : ναυς , gen. νεως = naus (schip) . L. : navis (= schip ; navicula = boot) .
- Ned. : vlot (pl- -> vl-) . Grieks : πλοιον = ploion (boot) . Taalgebruik in het NT : ploion (boot) . Zie het werkw. πλεω = pleô (varen) . Taalgebruik in het NT : pleô (varen) . De r en l zijn linqualen (tongletters) . pl -> vr : pleô (varen) ; afgeleid ervan is πλοιον = ploion (vaar-tuig) .

- nom. + acc. onz. enk. πλοιον = ploion (boot) . Taalgebruik in het NT : ploion (boot) . Taalgebruik in de LXX : ploion (boot) . Mt (9) : (1) Mt 4,22 . (2) Mt 8,23 . (3) Mt 8,24 . (4) Mt 9,1 . (5) Mt 13,2 . (6) Mt 14,22 . (7) Mt 14,24 . (8) Mt 14,32 . (9) Mt 15,39 . Mc (7) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,37 . (3) Mc 5,18 . (4) Mc 6,45 . (5) Mc 6,47 . (6) Mc 6,51 .  (7) Mc 8,10 . Lc (2) : (1) Lc 8,22 . (2) Lc 8,37 . Een vorm van πλοιον = ploion (boot) in de LXX (42) , in het NT (66) , in Lc (6) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,11 . (5) Lc 8,22 . (6) Lc 8,37 .

- nom. + acc. onz. mv. πλοια = ploia (boten) van het zelfst. naamw. πλοιον = ploion (boot) . Taalgebruik in het NT : ploion (boot) . Taalgebruik in de LXX : ploion (boot) . OT (18) : (1) Js 23,1 . (2) Js 23,10 . (3) Js 23,14 . (4) Js 60,9 . (5) Ez 27,9 . (6) Ez 27,25 . (7) Ps 48,8 . (8) Ps 104,26 . (9) 2 Kr 8,18 . (10) 2 Kr 9,21 . (11) 2 Kr 20,36 . (12) 2 Kr 20,37 . (13) 1 Mak 8,26 . (14) 1 Mak 8,28 . (15) 1 Mak 11,1 . (16) 1 Mak 13,29 . (17) 1 Mak 15,3 . (18) 1 Mak 15,14 . NT (5) . Mc (1) Mc 4,36 . Lc (3) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,7 . (3) Lc 5,11 . Jak (1) : Jak 4,36 . Een vorm van πλοιον = ploion (boot) in de LXX (42) , in het NT (66) , in Lc (6) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,11 . (5) Lc 8,22 . (6) Lc 8,37 . In het OT is dit mv. πλοια = ploia (boten) vaak verbonden met de havenplaats Tarsis .
- Hebreeuws . vr. mv. אֳנִיּוֹת = ´änijjôth (schepen) van het zelfst. naamw. אֳנִי = 'änî (schip, vloot) . Taalgebruik in Tenakh : 'änî (schip, vloot) . Getalwaarde : aleph = 1 ; nun = 14 of 50 , jod = 10 ; totaal : 25 (5²) OF 61 . Structuur : 1 - 5 - 1 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (15) : (1) Gn 49,13 . (2) Re 5,17 . (3) 1 K 9,27 . (4) 1 K 22,49 . (5) Js 2,16 . (6) Js 23,1 . (7) Js 23,14 . (8) Ez 27,9 . (9) Ez 27,25 . (10) Ps 48,8 . (11) Ps 104,26 . (12) Job 9,26 . (13) 2 Kr 9,21 . (14) 2 Kr 20,36 . (15) 2 Kr 20,37 .

- ek tou ploiou (uit de boot . Mc (2) : (1) Mc 5,2 . (2) Mc . Lc (1) Hnd (1) .

Mc : Met een voorzetsel : 14 / 16 . Zonder voorzetsel : 2 / 16 . Met eis = naar (6 / 7) , ek = uit (2 / 2) , en = in (6 / 6) . De verhalen rond de boot kunnen we in drie groepen indelen .
- De eerste groep situeert zich rond de roeping van de eerste leerlingen (Mc 1,19-20) : (2) : (1) Mc 1,19 . (2) Mc 1,20 .
- de tweede groep rond Mc 4,1-5,21 met het verhaal van de stormstilling (Mc 4,35-41) : (6 , 7X) : (1) Mc 4,1 (eis ploion = in een boot) . (2) Mc 4,36 (en tô(i) ploiô(i) (in de boot) + (alla ploia = de andere boten) . (3) Mc 4,37 (eis to ploion (tegen de boot) . (4)  Mc 5,2 (ek tou ploiou = uit de boot) . (5)  Mc 5,18 (eis to ploion = in de boot) . (6) Mc 5,21 (en tô(i) ploiô(i) = in de boot) .
- de derde groep rond Mc 6,32-8,22 met het verhaal van het wandelen op het meer (Mc 6,45-52) . (7) : (1) Mc 6,32 (en tô(i) ploiô(i) = in de boot) . (2) Mc 6,45 (eis to ploion = in de boot) . (3) Mc 6,47 (to ploion en mesô(i) tès thalassès = de boot in het midden van het meer) . (4) Mc 6,51 (eis to ploion = in de boot) . (5) Mc 6,54 (ek tou ploiou = uit de boot). (6) Mc 8,10 (eis to ploion = in de boot) . (7)  Mc 8,14 (en tô(i) ploiô(i) = in de boot) .
We kunnen de eerste groep verwaarlozen . Dan komen we tot twee groepen (Mc gebruikt vaak een tweetal) met telkens 7X een vorm van het woord het woord ploion (boot) .
- εις πλοιον = eis ploion (in een boot) : Mc (1) Mc 4,1 .
- εις το πλοιον = eis to ploion (in de boot) : Mc (5) : (1) Mt 4,22 . (2) Mt 8,23 . (3) Mt 8,24 . (4) Mt 9,1 . (5) Mt 13,2 . (6) Mt 14,22 . (7) Mt 14,24 . (8) Mt 14,32 . (9) Mt 15,39 .
- eis (to) ploion ( in een / de boot) . In vier verzen in combinatie met embainô (inklimmen) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 5,18 . (3) Mc 6,45 . (4) (5) Mc 8,10 . In Mc 6,51 in combinatie met anabainô (opklimmen) . In Mc 4,37 beuken de golven tegen de boot .
- ek tou ploiou (uit de boot) . Mc (2) : (1) Mc 5,2 . (2) Mc 6,54 . Telkens in combinatie met een vorm van het werkw. exerchomai (uitgaan) .
- en tô(i) ploiô(i) (in de boot) . Bij Mc in de 6 verzen : (1) Mc 1,19 . (2) Mc 1,20 . (3)  Mc 4,36 . (4) Mc 5,21 . (5) Mc 6,32 . (6)  Mc 8,14 .

- (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,37 . (3) Mc 5,18 . (4) Mc 6,45 . (5) Mc 6,47 . (6) Mc 6,51 .  (7) Mc 8,10 .

  ploion (boot)  Mc Mc 1 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 8 bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + acc. onz. enk. ploion     2 : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,37 .   1 : Mc 5,18 .   3 : (1) Mc 6,45 . (2) Mc 6,47 . (3) Mc 6,51 .   1 : Mc 8,10 .   37  31      18  22     
gen. onz. enk. ploiou       1 : Mc 5,2 .   1 : Mc 6,54 .     14  12         
dat. onz. enk. ploiô(i)   2 : (1) Mc 1,19 . (2) Mc 1,20 .   1 : Mc 4,36 .   1 : Mc 5,21 .   1 : Mc 6,32 .   1 : Mc 8,14 .   15  14        10  10     
nom. + acc. onz. mv. ploia     1 : Mc 4,36 .         23  18           
  totaal 16  102  38  64  13  16  19  37  43     

Tussen Mc 4,1 en Mc 8,22 spelen de verhalen zich meestal af rond het meer van Galilea .
In Mc 3,6 besluiten de Farizeeën en de Herodianen om Jezus uit de weg te ruimen . Bij de aanstelling van de twaalf wordt op de laatste plaats de apostel vermeld die Jezus heeft overgeleverd (Mc 3,19) . Terwijl zijn familieleden komen om Jezus te overweldigen (Mc 3,20-22) komen er schriftgeleerden uit Jeruzalem die hem ervan beschuldigen door de duivel bezeten te zijn . Langs verschillende kanten krijgt Jezus het moeilijk . Hij zoekt veiligheid . Hij gaat naar het meer en neemt plaats in een boot , van waaruit hij onderricht . Na zijn aansporing om door te steken naar de overkant , krijgen ze met een zware storm te maken . Ze gaan naar de overkant , naar het land van de Gerasenen . Daar drijft hij uit een bezetene de duivels uit . Toen ze terug naar de overzijde kwamen , verzamelde zich een grote menigte : een bloedvloeiënde vrouw wordt genezen en het dochtertje van Jaïrus wordt uit de dood opgewekt .
Na de executie van Johannes de Doper door Herodes trekt Jezus weg maar wordt opgehouden door een menigte die hij te eten geeft . Dan komt Jezus de leerlingen op het meer 's nachts tegemoet . Na een discussiegesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden uit Jeruzalem over reinheid en onreinheid voelt Jezus zich bedreigd . Hij zoekt veiligheid door naar het noorden te gaan , waar hij door een Syro-Fenicische om hulp wordt gevraagd . Hij gaat vandaar terug naar het meer van Galilea , naar het heidens gebied Dekapolis . Hij geneest er een doofstomme en voedt een grote menigte . Dan komt hij in Dalmanutha en tenslotte in Betsaïda .
- Een vorm van ploion (boot) in 3 verzen van Mc 4 : (1) Mc 4,1 (eis ploion = in een boot) . (2) Mc 4,36 a (dat. en tô(i) ploiô(i) = in de boot) . (3) Mc 4,36 b (nom. ploia = boten) . (4) Mc 4,37 a (acc. eis to ploion = in de boot) . (5) Mc 4,37 b : (acc. to ploion = de boot) .
- Een vorm van ploion (boot) in 5 verzen van Mc 6 : (1) Mc 6,32 (dat. en tô(i) ploiô(i) = in de boot).   (2) Mc 6,45 (acc. eis to ploion = in de boot) . (3) Mc 6,47 . (4) Mc 6,51 (acc. eis to ploion = in de boot). (5)   Mc 6,54 (gen. ek tou ploiou = uit de boot) .  

- ploion (boot) . Bijbel (37) . OT (6) . In zevenendertig verzen in de bijbel . In zes verzen in het O.T. : (3) Jon 1,3 . (4) Jon 1,4 . In eenendertig verzen in het N.T. . In negen verzen bij Matteüs . In zes verzen is het eis to ploion (in de boot) met een vorm van het werkwoord embainô (inklimmen) : (1) Mt 8,23 . (2) Mt 9,1 . (3) Mt 13,2 . (4) Mt 14,22 . (5) Mt 14,32 . (6) Mt 15,39 . De andere drie teksten : (1) Mt 4,22 . (2) Mt 8,24 . (3) Mt 14,24 .
- ploiou . Genitief enkelvoud . In veertien verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. : (1) Jon 1,5 . (2) W 14,1 . In één vers bij Matteüs .
-- apo tou ploiou (uit de boot) slechts in Mt 14,29 .
- ploiôi . Datief enkelvoud . In één vers in het O.T. : Jon 1,5 . In veertien verzen in het N.T. . In drie verzen bij Matteüs : (1) Mt 4,21 (en tôi ploiôi = met de boot) . (2) en ploiôi (per boot) : Mt 14,13 . (3) Mt 14,33 .
- ´ânijjâh (boot) . In twee verzen in de bijbel : (1) Jon 1,3 . (2) Spr 30,19 . Met lidwoord en met verbindingsteken waw : wëhâ´änijjâh (en de boot) . In één vers in de bijbel , nl. Jon 1,4 . LXX . ploion (boot) .

- nom. en acc. onz. enk. = ploiarion (bootje) . Zie : πλοιον = ploion (boot) . Taalgebruik in het NT : ploion (boot) . Taalgebruik in de LXX : ploion (boot) . Bijbel (2) : (1) Mc 3,9 . (2) Joh 6,22 (2X) .


- plousios (rijk)

- plousios (rijk) . πλουσιος = plousios (rijk) . Taalgebruik in het NT : plousios (rijk) . Taalgebruik in de LXX : plousios (rijk) .
- acc. mann. mv. πλουσιους = plousious (rijken) van het bijvoegl. naamw. πλουσιος = plousios (rijk) . Taalgebruik in het NT : plousios (rijk) . Taalgebruik in de LXX : plousios (rijk) . Bijbel (5) : (1) Js 53,9 . (2) Lc 14,12 . (3) Lc 21,1 . (4) Jak 2,5 . (5) Apk 13,16 . Een vorm van πλουσιος = plousios in de LXX (56) , in het NT (28) , in Lc (11) .


- plouteô (rijk zijn) . πλουτεω = plouteô (rijk zijn) . Taalgebruik in de Bijbel : plouteô (rijk zijn) . Een vorm van πλουτεω = plouteô in de LXX (14) , in het NT (12) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . (12) .

- act. part. praes. nom. mann. enk. πλουτων= ploutôn (rijk zijnde) van het werkw. πλουτεω = plouteô (rijk zijn) . Taalgebruik in de Bijbel : plouteô (rijk zijn) . Bijbel (4) : (1) Ex 30,15 . (2) Sir 11,18 . (3) Lc 12,21 . (4) Rom 10,12 . Een vorm van πλουτεω = plouteô in de LXX (14) , in het NT (12) .
- Hebreeuws . act. qal part. nom. mann. enk. עֹשֵׁר = `osjer (rijk zijnde) van het werkw. עָשַׁר = `âsjar (rijk maken, rijk worden) . Taalgebruik in Tenakh : `âsjar (rijk maken, rijk worden) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 57 (3 X 19) OF 570 (2 X 3 X 5 X 19) . Structuur : 7 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 .
- De 2 Hebreeuwse deelwoorden van het vers nl. אֹצֵר = ´otser (verzamelende) en עֹשֵׁר = `osjer (rijk zijnde kopmen wat klank betreft sterk met elkaar overeen .

- act. part. praes. acc. mann. mv. ploutountas (rijk zijnde) van het werkw. πλουτεω = plouteô (rijk zijn) . Taalgebruik in de Bijbel : plouteô (rijk zijn) . Bijbel (1) : Lc 1,53 . Een vorm van πλουτεω = plouteô in de LXX (14) , in het NT (12) .


- plunô (wassen) . πλυνω = plunô (wassen) . Taalgebruik in het NT : plunô (wassen) . Taalgebruik in de LXX : plunô (wassen) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. imperf. 3de pers. mv. eplunon                      
                               

- act. ind. imperf. 3de pers. mv. επλυνον = eplunon (zij wasten) van het werkw. πλυνω = plunô (wassen) . Taalgebruik in het NT : plunô (wassen) . Taalgebruik in de LXX : plunô (wassen) . Lc (1) Lc 5,2 . Enkel in Lc en de enigste vorm in de evangelies . Een vorm van πλυνω = plunô in de LXX (52) , in het NT (3) : (1) Lc 5,2 . (2) Apk 7,14 . (3) Apk 22,14 .


- πνευμα = pneuma (geest)

- pneuma (geest) . πνευμα = pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in de Septuaginta : pneuma (geest) . Taalgebruik in Lc : pneuma (geest) . Taalgebruik in Hnd : pneuma (geest) .
- Hebr. rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) .
- Lat. spiritus . Fr. esprit . E. spirit . Ned. geest . D. Geist . Arabisch : روح = rûH (geest) . Taalgebruik in de Qoran : rûH (geest) .

  pneuma bijbel  OT  NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev. 
1 nom.+ acc. onz. enk. pneuma 366 220 146 6 12 16 14 31 55 12 34 48
2 gen. enk. pneumatos 138 42 96 6 0 6 4 23 56 1 12 16
3 dat. enk. pneumati 124 37 87 4 7 : 8 5 10 49 4 19 24
4 nom. + acc. mv. pneumata 21 3 18 2 2 2   3 4 6
5 gen. mv. pneumatôn 17 6 11 1 1 3   1 3 5
6 dat. mv. pneumasi(n) 5   5   1 1     3   2
  Totaal   671  308  363 19 23 36 23 68 170 24 78 101

 

  pneuma (geest) bijbel  OT  NT  ev.  Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  P.   a. b.  
1 nom.+ acc. onz. enk. pneuma 366 220 146 48 55 10  14                  46 
2 gen. onz. enk. pneumatos 138 42 96 16 56 11            50 
3 dat. onz. enk. pneumati 124 37 87 24 49 10  10                    44 
  Totaal   628 299 329 88 160 31  32  16  17  14      140  20 

 

pneuma Mt 

Mc 

Lc  syn. ev. 
nom.+ acc. enk. pneuma 6 : (1) Mt 3,16 . (2) Mt 10,20. (3) Mt 12,18 . (4) Mt 12,43 . (5) Mt 26,41 . (6) Mt 27,50 . 12 : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,26 . (4) Mc 3,29 . (5) Mc 3,30 . (6) Mc 5,8 . (7) Mc 7,25 . (8) Mc 9,17 . (9) Mc 9,20 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 13,11 . (12) Mc 14,38 . 16 : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 1,47 . (3) Lc 2,25 . (4) Lc 3,22 . (5) Lc 4,18 . (6) Lc 4,33 . (7) Lc 8,55 . (8) Lc 9,39 . (9) Lc 11,13 . (10) Lc 11,24 . (11) Lc 12,10 . (12) Lc 12,12 . (13) Lc 13,11 . (14) Lc 23,46 . (15) Lc 24,37 . (16) Lc 24,39 . 34 : (1) Mt 3,16 // Mc 1,10 // Lc 3,22 . (2) Mc 1,26 //Lc 4,33 . (3) / Mc 3,29 // Lc 12,10 . (4) Mc 5,8 // Lc 8,29 . (5) Mt 10,20. // Lc 12,12 . (6) Mt 12,43 // Lc 11,24 . (7) Mt 26,41 // Mc 14,38 . 48
gen. enk. pneumatos 6 : (1) Mt 1,18 . (2) Mt 1,20 . (3) Mt 4,1 . (4) Mt 12,31 . (5) Mt 12,32 . (6) Mt 28,19 . 0 6 : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,67 . (4) Lc 2,26 . (5) Lc 4,1 . (6) Lc 4,14 . 12 : ( 1) Mt 4,1 // Mc 1,12 // Lc 4,1 . 16
dat. enk. pneumati 4 : (1) Mt 3,11. (2) Mt 5,3 . (3) Mt 12,28 . (4) Mt 22,43 . 7 : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,23 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 5,2 . (5) Mc 8,12 . (6) Mc 9,25 . (7) Mc 12,36 . 8 : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,80 . (3) Lc 2,27 . (4) Lc 3,16 . (5) Lc 4,1 . (6) Lc 8,29 . (7) Lc 9,42 . (8) Lc 10,21 . 19 : (1) Mt 3,11 // Mc 1,8 // Lc 3,16 . (2) Mc 9,25 // Lc 9,42 . 24
nom. + acc. mv. pneumata 2 (1) Mt 8,16 . (2) Mt 12,45 . 2 : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 5,13 . 2 : (1) Lc 10,20 . (2) Lc 11,26 . 6 : (1) Mt 12,45 // Lc 11,26 . 6
gen. mv. pneumatôn 1 : Mt 10,1 . 1: Mc 6,7 3 : (1) Lc 6,18 . (2) Lc 7,21 . (3) Lc 8,2 . 5 : (1) Mt 10,1 // Mc 6,7 . 5
dat. mv. pneumasi(n)   1 : Mc 1,27 1: Lc 4,36 . 2 : (1) Mc 1,27 // Lc 4,36 . 2
Totaal   19 23 36 78 101

Lc 1 (7) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,35 . (4) Lc 1,41 . (5) Lc 1,47 . (6) Lc 1,67 . (7) Lc 1,80 .

- Mt 9,28 (daimonizomenoi = demon wordende) // Mc 5,2 (en pneumati akathartôi = met een onzuivere geest) // Lc 8,27 (echôn daimonia = hebbende demonen) .
- Mc 1,23 (en pneumati akathartôi = met een onzuivere geest) // Lc 4,33 (echôn pneuma daimoniou akathartou = hebbende een geest van een onzuivere demon) .
- Mc 1,26 (to pneuma to akatharton = de onzuivere geest) // Lc 4,35 (to daimonion = de demon) .
- Mc 5,13 (ta pneumata ta akatharta = de onzuivere geesten) // Lc 8,33 (ta daimonia = de demonen) .
- Mc 9,20 (to pneuma = de geest) // Lc 9,42 (to daimonion = de demon) .
- Mt 10,1 (exousian pneumatôn akathartôn = macht over onzuivere geesten) // Mc 3,15 (ta daimonia = de demonen) // Mc 6,7 (exousian tôn pneumatôn tôn akathartôn = macht over de onzuivere geesten) // Lc 9,1 (exousian epi panta ta daimonia = macht over alle demonen) .

12. - 13. to pneuma (de geest) . Taalgebruik : to pneuma (de geest) , zie Lc 4,1 . Zie ook : Mc 1,10 . Het komt bij Marcus in twaalf verzen voor .
(1) Mc 1,10 : kai to pneuma ... katabainon eis auton : en de geest neerdalend naar hem .
(2) Mc 1,12 : to pneuma auton ekballei (de geest werpt hem uit) .
(3) Mc 1,23 : anthrôpos en pneumati akathartôi (een mens met een onreine geest) Mc 1,26 : to pneuma to akatharton (de onzuivere geest)
- Mc 3,11 : ta pneumata ta akatharta (de onzuivere geesten)
(4) Mc 3,29 : to pneuma to hagion (de heilige geest)
(5) Mc 3,30 : pneuma akatharton (een onzuivere geest)
(6) Mc 5,2 : anthrôpos en pneumati akathartôi (een mens met een onreine geest) Mc 5,8 : exelthe to pneuma to akatharton ek tou anthrôpou : onreine geest, ga uit de mens weg Mc 5,13 : kai exelthonta ta pneumata ta akatharta eisèlthon (en de uitgegane onzuivere geesten gingen in) to pneuma to akatharton (de onzuivere geest) echei (hij heeft een onreine geest)
- Mc 6,7 : kai edidou autois exousian tôn pneumatôn tôn akathartôn : en hij gaf hen de macht over de onzuivere geesten
(7) Mc 7,25 : pneuma akatharton (een onzuivere geest)
(8) Mc 9,17 : pneuma alalon (een stomme geest)
(9) Mc 9,20 : to pneuma (de geest)
(10) Mc 9,25 : epetimèsen tôi pneumati tôi akathartôi legôn autôi (en hij droeg aan de onzuivere geest op hem zeggende : to alalon kai kôfon pneuma (de stomme en dove geest)
(11) Mc 13,11 : to pneuma to hagion (de heilige geest)
(12) Mc 14,38 : to pneuma (de geest)

Mc 3,22 : hoti Beelzeboul echei (dat hij Beëlzebub heeft - dat hij in het bezit van Beëlzebub is)

De genitief enkelvoud pneumatos (van de geest) komt in zes verzen bij Lucas voor ; in vier verzen in combinatie met vervullen / vol :
(1) Johannes de Doper : Lc 1,15 (pneumatos hagiou plèsthèsetai = van heilige geest zal hij vervuld worden) .
(2) Lc 1,41 ( Elisabeth - eplèsthè pneumatos hagiou hè Elisabet = Elisabeth werd vervuld van heilige geest) .
(3) Lc 1,67 (Zacharia - eplèsthè pneumatos hagiou = hij werd vervuld van heilige geest) .
(4) Lc 2,26 .
(5) Lc 4,1 (plèrès pneumatos hagiou = vol van heilige geest) .
(6) Lc 4,14 : en tèi dunamei tou pneumatos = in de kracht van de geest) .
Meestal volgt de bepaling pneumatos (van geest) op het begrip van vullen / vol , behalve in Lc 1,15 .
Bij het zelfstandig naamwoord pneumatos (van geest) staat het bijvoeglijk naamwoord hagiou (heilig) . Er zijn geen lidwoorden .
- pneuma (adem, wind, geest) .Taalgebruik : pneuma (adem, wind, geest) , zie Lc 4,1 . Zie ook : Mc 1,10 .
--- pneuma (geest) . In 366 verzen in de bijbel . In 220 verzen in het OT . In 146 verzen in het NT . In zes verzen bij Matteüs . In twaalf verzen bij Marcus . In zestien verzen bij Lucas : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 1,47 . (3) Lc 2,25 . (4) Lc 3,22 . (5) Lc 4,18 . (6) Lc 4,33 . (7) Lc 8,55 . (8) Lc 9,39 . (9) Lc 11,13 . (10) Lc 11,24 . (11) Lc 12,10 . (12) Lc 12,12 . (13) Lc 13,11 . (14) Lc 23,46 . (15) Lc 24,37 . (16) Lc 24,39 . (15) In 14 verzen bij Johannes. In 31 verzen in Hnd. to pneuma mou (mijn geest) . NT (5) : (1) Mt 12,18 . (2) Lc 1,47 . (3) Lc 23,46 . (4) Hnd 7,39 . (5) 1 Kor 14,14 .
--- pneumatos (van de geest) . Genitief onzijdig enkelvoud . In 138 verzen in de bijbel . In tweeënveertig verzen in het OT . In zesennegentig verzen in het NT . In zes verzen bij Matteüs . In drieëntwintig verzen in Hnd.:
(1) Hnd 1,2 (dia pneumatos hagiou = via heilige geest) .
(2) Hnd 1,8 (dunamin epelthontos tou pneumatos hagiou ef'humas = kracht van de over jullie komende heilige geest) .
(3) Hnd 2,4 (eplèsthèsan pantes pneumatos hagiou = allen werden vervuld van heilige geest) .
(4) Hnd 2,17 .
(5) Hnd 2,18 .
(6) Hnd 2,33 .
(7) Hnd 2,38 (tèn dôrean tou hagiou pneumatos = de gave van de heilige geest) .
(8) Hnd 4,8 (Petrus - plèstheis pneumatos hagiou = vervuld van heilige geest) .
(9) Hnd 4,25 .
(10) Hnd 4,31 (eplèsthèsan hapantes tou hagiou pneumatos = allen werden vervuld van de heilige geest) .
(11) Hnd 6,3 (7 getuigen - plèreis pneumatos kai sofias = vol van geest en wijsheid) .
(12) Hnd 6,5 (Stefanus - plèrès pisteôs kai pneumatos hagiou = vol van geloof en heilige geest) .
(13) Hnd 7,17 XXX
(14) Hnd 7,55 (plèrès pneumatos hagiou = vol van heilige geest) .
(15) Hnd 9,31 XXX .
(16) Hnd 10,45 (hè dôrea tou hagiou pneumatos ekkechutai = de gave van de heilige geest wordt uitgestort) .
(17) Hnd 11,24 (plèrès pneumatos hagiou kai pisteôs = vol van heilige geest en van geloof) .
(18) Hnd 11,28 .
(19) Hnd 13,4 .
(20) Hnd 13,9 (Paulus - plèstheis pneumatos hagiou = vervuld van heilige geest) .
(21) Hnd 13,52 .
(22) Hnd 16,6 .
(23) Hnd 21,4 .
--- pneumati . Datief enkelvoud. In 124 verzen in de bijbel. In zevenendertig verzen in het OT . In zevenentachtig verzen in het NT . In vier verzen bij Matteüs (driemaal en pneumati = met geest) . In zeven verzen bij Marcus . In acht verzen bij Lucas :
(1) Lc 1,17 (en pneumati kai dunamei Hèliou = in de geest en de kracht van Elia) .
(2) Lc 1,80 .
(3) Lc 2,27 .
(4) Lc 3,16 (en pneumati hagiôi kai puri = met heilige geest en met vuur) .
(5) Lc 4,1 . (6) Lc 8,29 . (7) Lc 9,42 . (8) Lc 10,21 . In 5 verzen bij Johannes. In 10 verzen in Hnd : (1) Hnd 1,5 . (2) Hnd 6,10 . (3) Hnd 7,51 . (4) Hnd 10,38 . (5) Hnd 11,16 . (6) Hnd 15,28 . (7) Hnd 16,18 . (8) Hnd 18,25 . (9) Hnd 19,21 . (10) Hnd 20,22 .
De aanwezigheid van God is transcendent (overstijgend - niet helemaal te vatten) en immanent (blijvend in - aanwezig in de schepping) . God was op deze wijze aanwezig op de verbondstent : de wolk om de transcendente aanwezigheid van God aan te duiden , de heerlijkheid van God om de plaatselijke aanwezigheid van God (immanentie) aan te duiden. In het Hebreeuws drukt het woord shekinah die aanwezigheid uit . Dat Hebreeuwse woord is afgeleid van het werkwoord sjakan en wordt in Ex 40,35 in het Grieks vertaald door episkiazô (overschaduwen) .
  2. 3. 8. 1. 4. 5. 6. 7. 9. 10.
1. Lc 1,34a Lc 1,34b Hnd 1,8 Lc 1,17 Lc 3,22 Lc 4,14 Lc 4,18 Lc 9,34 Ex 40,35b Ex 40,35c
2.    kai (en) kai lèmpsethe (en gij zult ontvangen)   kai (en) katabènai (neerdalen)     egeneto (er was)   hoti (want)  kai (en)
3. pneuma hagion (heilige geest) dunamis hupsistou (de kracht van de Allerhoogste)  dunamin (kracht) en pneumati kai dunamei èliou (in de geest en de kracht van Elia)   to pneuma to hagion (de heilige geest) ... en tèi dunamei tou pneumatos (in de kracht van de geest) pneuma kuriou (de geest van de Heer) nefelè (een wolk)    doxès kuriou (door de heerlijkheid van de Heer)
4. epeleusetai (zal komen) episkiasei (zal overschaduwen)   epelthontos tou hagiou pneumatos (van de komende heilige geest)         kai epeskiazen (en overschaduwde)  epeskiazen (overschaduwde) plèsthè (was vervuld)
5. epi se (over u) soi (u)   ef'humas (over u)   ep'auton (over hem)   ep'eme (op mij) autous (hen)   ep'autèn (op haar nl. de verbondstent) hè nefelè (de wolk) hè skènè (de verbondstent) 
  3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38   Hnd 1,1-14: Jezus'laatste opdracht en hemelvaart 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25   18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 22. Prediking te Nazaret en verwerping : Lc 4,16-30 - Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36   Ex 40,1-38 : inwijding van het heiligdom Ex 40,1-38 : inwijding van het heiligdom

- rûach (geest) . In 204 verzen in de bijbel .
--- rûchî (mijn geest) . In eenendertig verzen in de bijbel .

 

Lc 1,35 a Lc 1,35 b Hnd 1,8 Lc 24,49 Lc 1,17 Lc 3,22 Lc 4,14a Lc 4,18
   kai (en) kai lèmpsethe (en gij zult ontvangen) heôs hou endusèsthe (totdat jullie   kai (en) katabènai (neerdalen)     
pneuma hagion (heilige geest) dunamis hupsistou (de kracht van de Allerhoogste)  dunamin (kracht) eks hupsous dunamin (vanuit de hoge kracht) en pneumati kai dunamei èliou (in de geest en de kracht van Elia)   to pneuma to hagion (de heilige geest) ... en tèi dunamei tou pneutos (in de kracht van de geest) pneuma kuriou (de geest van de Heer)
epeleusetai (zal komen) episkiasei (zal overschaduwen)   epelthontos tou hagiou pneumatos (van de komende heilige geest)          
epi se (over u) soi (u)   ef'humas (over u)     ep'auton (over hem)   ep'eme (op mij)
3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38  Hnd 1,1-14 : Jezus'laatste opdracht en hemelvaart 355. Verschijning aan de leerlingen in Jeruzalem : Lc 24,36-49 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25   18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 22. Prediking te Nazaret en verwerping : Lc 4,16-30 - Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58

- ποιεω = poieô (doen, maken)

- poieô (doen, maken) . ποιεω = poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in de LXX : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Mc : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Lc : poieô (doen, maken) . Een vorm van ποιεω = poieô (doen, maken) in de LXX (3390) , in het NT (565) .

- inf. praes. ποιειν = poiein (te doen) van het werkw. ποιεω = poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in de LXX : poieô (doen, maken) . Bijbel (131) .

- act. ind. aor. 3de pers. enk. εποιησεν = epoièsen (hij deed) van het werkw. ποιεω = poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in de LXX : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Lc : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Hnd : poieô (doen, maken) . Bijbel (714) . OT (641) . NT (73) . Lc (14) : (1) Lc 1,49 . (2) Lc 1,51 . (3) Lc 1,68 . (4) Lc 3,19 . (5) Lc 5,29 . (6) Lc 6,3 . (7) Lc 6,10 . (8) Lc 8,8 . (9) Lc 8,39 . (10) Lc 11,40 . (11) Lc 16,8 . (12) Lc 17,9 . (13) Lc 19,18 . (14) Lc 23,22 . Een vorm van ποιεω = poieô (doen, maken) in de LXX (3390) , in het NT (565) , in Lc (88) , Lc 1 (5) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,49 . (3) Lc 1,51 . (4) Lc 1,68 . (5) Lc 1,72 . Het Griekse εποιησεν = epoièsen kan de vertaling zijn van het Hebr. עָשָׂה = `âsâh
poieô (doen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
act. ind. aor. 3de p. enk. epoièsen 714 641 73 13 9 14 18 14 4 1    

- Hebreeuws . `-sh-h . (1) act. qal . perf. 3de pers. mann. enk. עָשָׂה = `âshâh (hij maakt) . (2) act. qal part. mann. enk. עֹשֶׂה = `oshèh (makende) . Tenakh (503) . Pentateuch (112) . Eerdere Profeten (161) . Latere Profeten (78) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (133) .
- Lat. facere . Fr. faire . N. doen . D. tun . E. make .

- act. ind. futurum 2de pers. enk. ποιησεις = poièseis (jij zult maken) van het werkw. ποιεω = poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in de LXX : poieô (doen, maken) . Bijbel (190) . OT (187) . NT (3) . Ex (84) . Ex 20 (3) : (1) Ex 20,4 . (2) Ex 20,9 . (3) Ex 20,10 . Een vorm van ποιεω = poieô (doen, maken) in de LXX (3390) , in het NT (565) .

- act. part. aor. nom. mann. enk. ποιησας = poièsas (makende, scheppende) van het werkw. ποιεω = poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in de LXX : poieô (doen, maken) . W (4) : (1) W 9,1 . (2) W 13,15 . (3) W 14,8 . (4) W 14,15 . Een vorm van poieô (doen, maken) in de LXX (3390) , in het NT (565) . Lat. facere . Fr. faire . N. doen . E. do . D. tun .
Hebr. act. qal part. mann. enk. `oshèh (makende) van het werkw. `âshâh (maken, doen) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâh (maken) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , shin = 21 of 300 , he = 5 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 375 (3 X 5³) . Structuur : 7 - 3 - 5 . `-sh-h . (1) act. qal . perf. 3de pers. mann. enk. `âshâh (hij maakt) . (2) act. qal part. mann. enk. `oshèh (makende) . Tenakh (503) . Pentateuch (112) . Eerdere Profeten (161) . Latere Profeten (78) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (133) . OF : act. qal part. nom. mann. enk. bôre´ (scheppend) van het werkw. bârâ´ (scheppen) . Taalgebruik : bârâ´ (scheppen) . Getalwaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 23 of 203 . Structuur : 2 - 2 -1 . Tenakh = Jesaja (7) : (1) Js 40,28 . (2) Js 42,5 (ho poièsas) . (3) Js 43,15 . (4) Js 45,18 (ho poièsas) . (5) Js 57,19 . (6) Js 65,17 . (7) Js 65,18 . Lat. creare . Fr. créer . E. to create . D. schaffen . Een vorm van b-r-´ (scheppen) in Tenakh in 17 verzen (21X) .
poieô (doen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
act. part. aor. nom. mann. enk. poièsas 50  30  20         

- act. inf. aor. ποιησαι = poièsai (te doen) van het werkw. van het werkw. ποιεω = poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in de LXX : poieô (doen, maken) . Bijbel (278) . OT (234) . NT (44) . Lc (6) : (1) Lc 1,72 . (2) Lc 2,27 . (3) Lc 5,34 . (4) Lc 11,42 . (5) Lc 12,4 . (6) Lc 17,10 . Een vorm van ποιεω = poieô (doen, maken) in de LXX (3390) , in het NT (565) .
poieô (doen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
act. ind. praes.. 3de pers. enk. + act. imperat. praes. 2de pers. enk. poiei 85 56 29 7 2 3 9   5 3    
ind. pr. 3de p. mv. poiousin 42 30 12 6 1 3     2      
act. ind. imperf. 3de pers. enk. epoiei   33  20  13    2 : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 15,8 .    
act. ind praes. + imp. 2de praes. mv. poieite 51  18  33  12       
act. imperat. praes. 3de pers. enk. poieitô 4 2 2     1     1   1 1
inf. pr. poiein 131  107  24  1 :   10       
part. pr. nom. m. enk. poiôn  91  64  27    14     
part. pr. nom + acc. onz. enk. poioun 42 30 12 6 1 3     2      
part. pr. dat. enk. poiounti                
act. ind. fut. 1ste pers. enk. poièsô   168  143  25  5 : (1) Mc 1,17 . (2) Mc 10,17 . (3) Mc 10,36 . (4) Mc 10,51 . (5) Mc 15,12 . 16  20 
act. ind. fut. 1ste pers. mv. poièsamen 32 24 8   1 : Mc 9,5 . 4   2 1   5 5
act. ind. aor. 3de p. enk. epoièsen 714 641 73 13 9 : (1) Mc 2,25 . (2) Mc 3,14 . (3) Mc 3,16 . (4) Mc 5,20 . (5) Mc 6,21 . (6) Mc 10,6 . (7) Mc 14,8 . (8) Mc 14,9 . (9) Mc 15,14 . 14 18 14 4 1    
act. ind. imp. 3de p. mv. epoièsan 264  249  15  2 : (1) Mc 6,30 . (2) Mc 9,13 .        
act. conj. aor. 2de pers. enk. poièsè(i)s   25  24    1 : Mc 10,35 .          
act. conj. aor. 3de pers. enk. poièsè(i)   51  42  1 : Mc 3,35 .    
act. imperat. aor. 2de p. mv. poièsate  48  38  10          
act. part. aor. nom. mann. enk. poièsas 50  30  20         
part. aor. nom. m. + vr. mv. poièsantes 10       
act. ind. perf. 3de pers. enk. pepoièken   13      2        
                         


- poikilos (gevarieerd, verschillend) . ποικιλος = poikilos (gevarieerd, verschillend) . Taalgebruik in het NT : poikilos (gevarieerd, verschillend) . Taalgebruik in de LXX : poikilos (gevarieerd, verschillend) . Taalgebruik in Lc : poikilos (gevarieerd, verschillend) .

  poikilos  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
                               
  dat. vr. mv. poikilais              
                               

- poimèn (herder) . poimèn (herder) . Taalgebruik in het NT : poimèn (herder) . Taalgebruik in Lc : poimèn (herder) . Taalgebruik : râ`âh (herderen, weiden) , zie Jr 23,1 .

  poimèn (herder) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
1 nom. mann. enk. poimèn 24 18 6 1     5      
2 gen. mann. enk. poimenos 3 3                    
3 dat. mann. enk. poimeni 1 1                    
4 acc. mann. enk. poimena 10 4 6 2 2       2  
5 nom. mann. mv. poimenes 23 20 3     3        
6 gen. mann. mv. poimenôn 13 12 1     1        
7 dat. mann. mv. poimesin 1 1                    
8 acc. mann. mv. poimenas 14 13 1           1      
  Totaal   89 72 17 3 2 4 5   3   14 

- nom. mann. mv. ποιμενες = poimenes (herders) van het zelfst. naamw. ποιμην = poimèn (herder) . Taalgebruik in het NT : poimèn (herder) . Taalgebruik in de LXX : poimèn (herder) . Taalgebruik in Lc : poimèn (herder) . Bijbel (23) . LXX (20) : (1) Gn 26,20 . (2) Gn 47,3 . (3) Ex 2,17 . (4) 1 S 25,7 . (5) Js 13,20 . (6) Jr 2,8 . (7) Jr 6,3 . (8) Jr 10,21 . (9) Jr 12,10 . (10) Jr 23,1 . (11) Jr 25,34 . (12) Jr 50,6 . (13) Ez 34,2 . (14) Ez 34,7 . (15) Ez 34,8 . (16) Ez 34,9 . (17) Ez 34,10 . (18) Mi 5,4 . (19) Nah 3,18 . (20) Zach 11,5 . Lc (3) : (1) Lc 2,8 . (2) Lc 2,15 . (3) Lc 2,20 . Een vorm van ποιμην = poimèn in de LXX (81) , in het NT (18) . In Lc komt in 4 verzen een vorm van ποιμην = poimèn (herder) voor , en dat slechts in het geboorteverhaal (Lc 2,8-20) : (1) Lc 2,8 . (2) Lc 2,15 . (3) Lc 2,18 . (4) Lc 2,20 .


- πολλακις = pollakis (vele malen, dikwijls)

- pollakis (vele malen, dikwijls) . πολλακις = pollakis (vele malen, dikwijls) . Taalgebruik : pollakis (vele malen, dikwijls) . Bijbel (22) . OT (16) . NT (6) . Mc (2) : (1) Mc 5,4 . (2) Mc 9,22 .


- πολυς = polus (veel)

- polus (veel) . πολυς = polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Taalgebruik in de LXX : polus (veel) . Taalgebruik in Mc. : polus (veel) . Taalgebruik in Lc. : polus (veel) . Een vorm van πολυς = polus in de LXX (822) , in het NT (353) .

  polus (veel)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. mann. enk. polus                              
2 nom. + voc. +dat. vr. enk. pollè                             
nom. + voc. + acc. onz. + voc. mann. enk.  polu                            
gen. mann. + onz. en;. pollou                             
gen. vr. enk. pollès                              
dat. mann. + onz. enk. pollô(i)                              
acc. mann. enk. polun                             
acc. vr. enk. pollèn                              
nom. mann. mv. polloi                             
10 nom. vr. mv.  pollai                            
11 nom. onz. mv. polla  193  130  63  21  14  34  42     
12 gen. mv. pollôn                              
13 dat. mann. + onz. mv. pollois                             
14 dat. vr. mv. pollais                              
15  acc. mann. mv. pollous                             
16 acc. vr. mv. pollas                              
  totaal                            
  polus (veel)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 

- poimnè (kudde) . Taalgebruik : poimnè (kudde) .

poimnè (kudde) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
nom. + dat. enk. poimnè 1           1 : Joh 10,16 .         1
gen. enk. poimnès 3 1 : Gn 32,19 . 2 1 : Mt 26,31 .         1 : 1 Kor 9,7 .   1 1
dat. enk. poimnèn 2   2     1 : Lc 2,8 .     1 : 1 Kor 9,7 .   1 1
Totaal   6 1 4 1   1 1   2   2 3

 


poimnion (kudde) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
nom. + acc. enk. poimnion 22 20 2     1     1   1 1
gen. enk. poimniou 8 6 2         1 1      
dat. enk. poimniô(i) 6 5 1         1        
nom. + acc. mv. poimnia 24 24                    
gen. mv. poimniôn 13 13                    
dat. mv. poimniois 1   1 1             1 1
Totaal   74 68 6 1   1   2 2   2 2

- polemos (oorlog) . polemos (oorlog) . Taalgebruik in het NT : polemos (oorlog) . Taalgebruik in Mc : polemos (oorlog) .

  polemos  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  acc. mann. mv. polemous   21  18             
                               
                               

- pôleô (verkopen) . πωλεω = pôleô (verkopen) . Taalgebruik in het NT : pôleô (verkopen) . Taalgebruik in de LXX : pôleô (verkopen) . Taalgebruik in Mc : pôleô (verkopen) . Een vorm van πωλεω = pôleô (verkopen) in de LXX (16) , in het NT (22) , in Mt (5) : (1) Mt 10,29 . (2) Mt 13,44 . (3) Mt 19,21 . (4) Mt 21,12 (2X) . (5) Mt 25,9 . In Mc (2) : (1) Mc 10,21 . (2) Mc 11,15 . In Lc (6) : (1) Lc 12,6 . (2) Lc 12,33 . (3) Lc 17,28 . (4) Lc 18,22 . (5) Lc 19,45 . (6) Lc 22,36 . In Joh (2) : (1) Joh 2,14 . (2) Joh 2,16 . In Hnd (3) : (1) Hnd 4,34 . (2) Hnd 4,37 . (3) Hnd 5,1 . In de LXX kan πωλεω = pôleô de vertaling van 2 Hebreeuwse werkw. zijn . Een synoniem is pipraskô (verkopen) . Taalgebruik in de Bijbel : pipraskô (verkopen) . Een vorm van pipraskô (verkopen) in de LXX (32) , in het NT (9) , in Hnd (3) : (1) Hnd 2,45 . (2) Hnd 4,34 . (3) Hnd 5,4 .
- Hebreeuws mâkhar (verkopen) . Taalgebruik in Tenakh : mâkhar (verkopen) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , kaph = 11 of 20 , resj = 20 of 200 ; totaal : 44 (2² X 11) OF 260 (2² X 5 X 13) . Structuur : 4 - 2 - 2 . OF sjâbhar (verkopen) . OF : sjâbhar (1) (breken, verpletteren) . (2) verkopen . (3) nauwkeurig onderzoeken . Zie : Taalgebruik in Tenakh : sjâbhar (breken, verpletteren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 43 OF 502 (2 X 251) . Structuur : 3 - 2 - 2 .
- D. verkaufen . E. to sell . Lat. vendere . Fr. vendre .
- act. ind. praes. 3de pers. enk. pôlei (hij verkoopt) van het werkw. Bijbel (1) : Mt 13,44 .
- act. ind. aor. 3de pers. enk. epôlèsen (hij verkocht) van het werkw. Bijbel (1) : Hnd 5,1 .
- act. part. aor. nom. mann. enk. polèsas (verkopende) van het werkw. . Bijbel (1) : Hnd 4,37 .
- act. part. praes. nom. mann. mv. pôlountes (verkopende) van het werkw. Bijbel (3) : (1) Zach 11,5 . (2) Neh 13,16 . (3) Hnd 4,34 .

- act. imperat. aor. 2de pers. enk. = polèson (verkoop) van het werkw. πωλεω = pôleô (verkopen) . Taalgebruik in het NT : pôleô (verkopen) . Taalgebruik in de LXX : pôleô (verkopen) . Bijbel (3) : (1) Mt 19,21 . (2) Mc 10,21 . (3) Lc 18,22 .

- act. imperat. aor. 2de pers. mv. πωλησατε = pôlèsate (verkoopt) van het werkw. πωλεω = pôleô (verkopen) . Taalgebruik in het NT : pôleô (verkopen) . Taalgebruik in de LXX : pôleô (verkopen) . Hapax in de bijbel : Lc 12,33 . Een vorm van πωλεω = pôleô (verkopen) in de LXX (16) , in het NT (22) , in Mt (5) : (1) Mt 10,29 . (2) Mt 13,44 . (3) Mt 19,21 . (4) Mt 21,12 (2X) . (5) Mt 25,9 . In Mc (2) : (1) Mc 10,21 . (2) Mc 11,15 . In Lc (6) : (1) Lc 12,6 . (2) Lc 12,33 . (3) Lc 17,28 . (4) Lc 18,22 . (5) Lc 19,45 . (6) Lc 22,36 . In Joh (2) : (1) Joh 2,14 . (2) Joh 2,16 . In Hnd (3) : (1) Hnd 4,34 . (2) Hnd 4,37 . (3) Hnd 5,1 . In de LXX kan πωλεω = pôleô de vertaling van 2 Hebreeuwse werkw. zijn .

  pôleô (verkopen) in Mt bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. praes. 3de pers. enk. pôlei 1   1 1 : Mt 13,44                    
  act. part. praes. gen. mv.  pôlountôn   1 : Mt 21,12 1 : Mc 11,15              
  act. part. praes. acc. mann. mv. pôlountas     2 : (1) Mt 21,12 . (2) Mt 25,9 1 : Mc 11,15 1 : Lc 19,45 1 : Joh 2,14          
  act. ind. aor. 3de pers. enk. epôlèsen 1             1            
  act. imperat. aor. 2de pers. enk.  pôlèson   1 : Mt 19,21 1 : Mc 10,21 1 : Lc 18,22            
  act. part. aor. nom. mann. enk. polèsas 1   1         1            
  pass. ind. aor. 3de pers. enk. pôleitai 1   1 1 : Mt 10,29                    
  pass. ind. aor. 3de pers. mv. pôlountai                            
                               
          5 verzen , 6X                    

- polis (stad) . polis (stad) . Taalgebruik in NT : polis (stad) . Taalgebruik in Mc : polis (stad) . Taalgebruik in Lc : polis (stad) . Taalgebruik in Hnd : polis (stad) .

  polis (stad)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. vr. enk. polis   149  128  21         
gen. vr. enk. poleôs  318  283  35  10  12  16   
dat. vr. enk.  polei 183  162  21       
acc. vr. enk. polin   353  289  64  12  17  14  33  37 
nom. + acc. vr. mv. poleis  296  284  12     
gen. vr. mv. poleôn  80  72           
dat. vr. mv. polesin  98  96                   
  totaal 1477  1314  161  27  38  43 11  26  71  79 

- tèi polei (de stad) . Taalgebruik : polis , zie Hnd 16,12 . In zestien verzen in het NT . Mt (2) . Mc (1) . Lc (5) . Hnd (7) . Apk (1) . In zeven verzen in Hnd : (2) Hnd 8,8 . (3) Hnd 8,9 . (4) Hnd 10,9 . (6) Hnd 16,12 . (7) Hnd 18,10 . (8) Hnd 21,29 . (9) Hnd 22,3 .
-- en tèi polei (in de stad) . In tien verzen in het NT . Mt (1) . Lc (4) . Hnd (5) . In vijf verzen in Hnd : (2) Hnd 8,8 . (3) Hnd 8,9 . ( (7) Hnd 18,10 . (8) Hnd 21,29 . (9) Hnd 22,3 .
--- en tei polei tautèi (in deze stad) . In drie verzen in het NT . Mt (1) . Hnd (2) . (3) Hnd 8,9 . (9) Hnd 22,3 . In (6) Hnd 16,12 lezen we en tautèi tèi polei (in deze stad) . In (2) Hnd 8,8 lezen we en tèi polei ekeinèi (in die stad) .


- πολυς = polus (veel)

- polus (veel) . polus (veel) . πολυς = polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Taalgebruik in de LXX : polus (veel) . Taalgebruik in Mc : polus (veel) . Taalgebruik in Lc : polus (veel) . Taalgebruik in Hnd : polus (veel) . Taalgebruik in de Septuaginta : polus (veel) .

- gen. mv. πολλων = pollôn (van vele(n) van het bijvoegl. naamw. πολυς = polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Taalgebruik in de LXX : polus (veel) . Taalgebruik in Mc : polus (veel) . Bijbel (98) . NT (38) . Mc () : (1)


- poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . πορευομαι = poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . Taalgebruik in het NT : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in de LXX : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Mt : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Mc : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Lc : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord πορος = poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen .

  poreuomai (zich op weg begeven) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk
  ind. pr. 3de p. enk. poreuetai 28 21 7 2   4 1      
  ind. pr. 3de p. mv. poreuontai 7 7                
  imperat. praes. 2de pers. enk. poreuou