NIEUWE TESTAMENT : TAALGEBRUIK S

-- suggeneia (verwantschap, familiebanden) -- suggenès (op hetzelfde ogenblik geboren, verwant) -- sugkaleô (samenroepen) -- sukè (vijgeboom) -- sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) -- sumboulion (raadsbesluit) -- sunplèroô (samen vol maken, vervullen) -- sumporeuomai (samengaan, meetrekken, samenkomen) -- sun (met) -- sunagôgè (synagoge) -- sunagô (samendrijven, verzamelen) -- sunagôgè (synagoge) -- sunchairô (blij zijn met) -- sunplèroô (samen vol maken, vervullen) -- sunedrion -- sunerchomai (samenkomen) -- sunièmi (samenvatten, begrijpen, verstaan) -- sunlaleô (samenspreken) -- sunochè (beklemming, angst) -- sunteleô (voltooien) -- suntribô (stuk slaan, tegen elkaar wrijven) -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -

Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

- sabbaton (sabbat) -- satanas (satan) - Simôn (Simon) -- sindôn (linnen weefsel) -- sôzô (redden) -- speirô (spreiden, zaaien) -- stauroô (kruisigen) -- stolè -


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
 
1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm . WEBLOG : BIJBELLEERHUIS
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts (Vlaams Blok) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen -

Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , bijbelTaalgebruiken - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

-
OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


OPGELET : De getallen verwijzen steeds naar het aantal verzen waarin een 'woord' voorkomt . Eenzelfde 'woord' kan echter meerdere malen in hetzelfde vers voorkomen .

  NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
boeknr.  27 40 41 42 43 44 45 - 65 66    
hoofdst.  260 28 16 24 21 28 121 22 68  89 
verzen  7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 

  NT Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul. Ap. br.
boeknr.  27 (aantal)   45  46  47  48  49  50  51  52  53  54  55  56  57  58  59  60  61  62  63  64  65     
hoofdst.  260 121 16  16  13  13  100 21
verzen  7957 2767 433  437  257  149  155  104  95  89  47  113  83  46  25  303  108  105  61  105  13  14  25  2336  431 

- σαββατον = sabbaton (sabbat)

- sabbaton (sabbat) . σαββατον = sabbaton (sabbat) . Taalgebruik in het NT : sabbaton (sabbat) . Taalgebruik in de LXX : sabbaton (sabbat) . Taalgebruik in Mc : sabbaton (sabbat) . Taalgebruik in Lc : sabbaton (sabbat) .

  sabbaton (sabbat)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. + acc. onz. enk. sabbaton  27  14  13         
2 gen. onz.  enk. sabbatou 26  13  13    10  11   
3 dat. onz. enk. sabbatô(i)  19  15        10  14     
4 nom. + acc. onz. mv. sabbata   44  43                     
5 gen. onz. mv. sabbatôn  44  34  10     
6a. dat. onz. mv. sabbatois 7 7 0                      
6b dat. onz. mv. sabbasin  14  13          13  13     
  totaal 181 116 65  10  11  20  12  10    41  53   

    Mt Mc Lc Joh syn.  ev. 
1 nom. + acc. onz. enk. sabbaton  1 : Mt 12,5 . 1 : Mc 2,27 . 2 : (1) Lc 23,54 . (2) Lc 23,56 5 : (1) Joh 5,9 . (2) Joh 5,10 . (3) Joh 5,18 . (4) Joh 9,14 . (5) Joh 9,16 .
2 gen. onz.  enk. sabbatou 1 : Mt 12,8 . 4 : (1) Mc 2,28 . (2) Mc 6,2 . (3) Mc 16,1 . (4) Mc 16,9 . 5 : (1) Lc 6,5 . (2) Lc 13,14 . (3) Lc 13,16 . (4) Lc 14,5 . (5) Lc 18,12 1 : Joh 19,31 . 10 : (1) Mt 12,8 // Mc 2,28 // Lc 6,5 . (2) Mc 6,2 // Lc 4,16 . 11 
3 dat. onz. enk. sabbatô(i)  2 : (1) Mt 12,2 . (2) Mt 24,20 .   8 : (1) Lc 6,1 . (2) Lc 6,6 . (3) Lc 6,7 . (4) Lc 6,9 . (5) Lc 13,14 . (6) Lc 13,15 . (7) Lc 14,1 . (8) Lc 14,3 . 4 : (1) Joh 5,16 . (2) Joh 7,22 . (3) Joh 7,23 . (4) Joh 19,31 . 10 : (1) Mt 12,2 // Mc 2,24 // Lc 6,2 . 14 
5 gen. onz. mv. sabbatôn  1 : Mt 28,1 . 1 : Mc 16,2 . 2 : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 24,1 2 : (1) Joh 20,19 . (2) Joh 20,19 4 : 6 : (1) Mt 24,20 // Mc 16,2 (// Lc 24,1 // Joh 20,1
6 dat. onz. mv. sabbasin  5 : (1) Mt 12,1 . (2) Mt 12,5 . (3) Mt 12,10 . (4) Mt 12,11 . (5) Mt 12,12 5 : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,23 . (3) Mc 2,24 . (4) Mc 3,2 . (5) Mc 3,4 . 3 : (1) Lc 4,31 . (2) Lc 6,2 . (3) Lc 13,10 .   13 : (1) Mt 12,1 // Mc 2,23 // Lc 6,1 . (2) Mt 12,10 // Mc 3,2 // Lc 6,7 . (3) Mt 12,12 // Mc 3,4 // Lc 6,9 . (4) Mc 1,21 // Lc 4,31 . 13 
  totaal 10  11  20  12  41  53 

Datief meervoud . In vijf verzen in Mc . In de vijf verzen gaat telkens het bepaald lidwoord datief onzijdig meervoud vooraf en in vier van de vijf verzen gaat daaraan geen voorzetsel van tijd (en = in, op) vooraf , behalve in Mc 2,23 .
In elf verzen komt in Mc een vorm van sabbaton (sabbat) voor . In negen verzen gaat een bepaald lidwoord aan een vorm van sabbaton (sabbat) vooraf ; niet in Mc 6,2 . en Mc 16,9 . In tien verzen gaat hieraan (lidwoord + zelfstandig naarwoord) geen voorzetsel van tijd (en = in, op) vooraf , behalve in Mc 2,23 .

--- sabbata : nominatief meervoud. in 1 vers in het NT nl. Hnd 17,2.
--- sabbatou . In vijf verzen bij Lucas : (1) Lc 6,5 . (2) Lc 13,14 : tèi hèmerai tou sabbatou = op de dag van de sabbat . (3) Lc 13,16 : tèi hèmerai tou sabbatou = op de dag van de sabbat . (4) Lc 14,5 : en hèmerai tou sabbatou = op een dag van de sabbat . (5) Lc 18,12 : tou sabbatou = van de week .
--- sabbatôn : genitief meervoud . In vierenveertig verzen in de bijbel . In drieëndertig verzen in het OT In tien verzen in het NT . In Mt 28,1 . In Mc 16,2 (// Lc 24,1 // Joh 20,1 ) . In twee verzen in Lucas: (1) Lc 4,16 : en tèi hèmerai tôn sabbatôn = op de eerste dag van de sabbat / het wekenfeest . (2) Lc 24,1 (// Mc 16,2 // Joh 20,1 ) . In twee verzen bij Johannes : (1) Joh 20,1 (// Mc 16,2 // Lc 24,1 ) . (2) Joh 20,19 . In drie verzen in Hnd. : (1) Hnd 13,14 : tèi hèmerai tôn sabbatôn = op de dag van de sabbat / het wekenfeest . (2) Hnd 16,13 : tèi te hèmerai tôn sabbatôn = eveneens op de dag van de sabbat / het wekenfeest . (3) Hnd 20,7 . In Col 2,16 .
--- sabbasin : In 5 verzen in Mt 12,1-12.

Datief meervoud . In de dertien verzen (dat. onz. mv.) gaat het bepaald lidwoord dat. onz. mv. tois (de) vooraf . In vier van de dertien verzen gaat daaraan het voorzetsel van tijd (en = in, op) vooraf : (1) Mc 2,23 . (2) Lc 4,31 . (3) Lc 6,2 . (4) Lc 13,10 . In de dertien verzen (dat. onz. mv.) gaat het bepaald lidwoord dat. onz. mv. tois (de) vooraf . In vier van de dertien verzen gaat daaraan het voorzetsel van tijd (en = in, op) vooraf : (1) Mc 2,23 . (2) Lc 4,31 . (3) Lc 6,2 . (4) Lc 13,10 .

sabbatôn : genitief meervoud . Verwijzing : sabbaton (sabbat), zie Mc 16,1 . In tien verzen in het NT . In Mt 28,1 . In Mc 16,2 (// Lc 24,1 // Joh 20,1 ) . In twee verzen in Lucas: (1) Lc 4,16 : en tèi hèmerai tôn sabbatôn = op de eerste dag van de sabbat / het wekenfeest . (2) Lc 24,1 (// Mc 16,2 // Joh 20,1 ) . In twee verzen bij Johannes : (1) Joh 20,1 (// Mc 16,2 // Lc 24,1 ) . (2) Joh 20,19 . In drie verzen in Hnd. : (1) Hnd 13,14 : tèi hèmerai tôn sabbatôn = op de dag van de sabbat / het wekenfeest . (2) Hnd 16,13 : tèi te hèmerai tôn sabbatôn = eveneens op de dag van de sabbat / het wekenfeest . (3) Hnd 20,7 . In Col 2,16 sabbatôn (sabbat , week, wekenfeest) . Verwijzing : sabbaton (sabbat) , zie Mc 16,1 . Genitief onzijdig meervoud van het enkelvoud sabbaton (sabbat) , sabbata (week) . In twee verzen in Lucas: (1) Lc 4,16 . (2) Lc 24,1 (// Mc 16,2 // Joh 20,1 ) .

- τῃ μιᾳ των σαββατων = tè(i) mia(i) tôn sabbatôn (op de eerste van de week / het wekenfeest) . NT (4) : (1) Lc 24,1 . (2) Joh 20,1 . (3) Joh 20,19 . (4) Hnd 20,7 . Duidt de tijdsaanduiding bij het begin van het vers de eerste dag van de week of de eerste dag van het Wekenfeest aan ? Ze duidt in ieder geval een nieuw begin aan . Dat is de ervaring van de eerste volgelingen van Jezus . Ze hebben met Jezus iets nieuws ervaren en hij staat aan het begin van een nieuwe beweging . We zijn ook in de week van de ongedesemde broden , uitdrukking van een nieuw begin . Met het krieken van de ochtend is de overgang - pathein (lijden, ondergaan) - voorbij .

en tèi hèmerai tôn sabbatôn (op dé dag van de week , nl. op sabbatdag ; op dé dag van het wekenfeest , nl. op Pinksteren) . miai tôn sabbatôn (op de eerste van de week / wekenfeest) . In vier verzen in het NT : (1) Lc 24,1 . (2) Joh 20,1 . (3) Joh 20,19 . (4) Hnd 20,7 . In de vier teksten staat tèi miai tôn sabbatôn . In drie verzen (1) Lc 24,1 . (2) Joh 20,1 . (4) Hnd 20,7 . staat de uitdrukking aan het begin van de zin . In (4) Hnd 20,7 wordt de uitdrukking voorafgegaan door het voorzetsel en (op) . In de drie verzen staat het partikel de (echter) op de tweede plaats in de zin .


- saddoukaios (Sadduceeër) .

saddoukaios (Sadduceeër) bijbel  NT  Mt  Mc   Lc  Hnd   
nom. mv. saddoukaioi 5 5 2 : (1) Mt 16,1 . (2) Mt 22,23 . 1 : Mc 12,18 .   2 : (1) Hnd 4,1 . (2) Hnd 23,8 . Mt 22,23 // Mc 12,18 // Lc 20,27 .
gen. mv. saddoukaiôn 8 8 4 : (1) Mt 3,7 . (2) Mt 16,6 . (3) Mt 16,11 . (4) Mt 16,12 .   1 : Lc 20,27 . 3 : (1) Hnd 5,17 . (2) Hnd 23,6 . (3) Hnd 23,7 .  
acc. mv. saddoukaious 1 1 1 : Mt 22,34 .        
Totaal   14 14 7 1 1 5  

saddoukaios (Sadduceeër)   14 : (1) Mt 3,7 (gen. mv.) . (2) Mt 16,1 (nom. mv.) . (3) Mt 16,6 (gen. mv.) . (4) Mt 16,11 (gen. mv.) . (5) Mt 16,12 (gen. mv.) . (6) Mt 22,23 . (7) Mt 22,34 (dat. mv.) . (8) Mc 12,18 (nom. mv.) . (9) Lc 20,27 (gen. mv.) . (10) Hnd 4,1 (nom. mv.) . (11) Hnd 5,17 (gen. mv.) . (12) Hnd 23,6 (gen. mv.) . (13) Hnd 23,7 (gen. mv.) . (14) Hnd 23,8 (nom. mv.) . (Mt 22,23 // Mc 12,18 // Lc 20,27) . 14 7 1 1 5  

In Mt treden de Farizeeën en de Sadduceeën samen op , vooreerst bij Johannes de Doper : Mt 3,7 , vervolgens bij Jezus : Mt 16,1 . Jezus waarschuwt zijn leerlingen voor het zuurdeeg van de Farizeeën en de Sadduceeën . In Mt 22 zijn Farizeeën en Sadducxeeën wisselend bij Jezus aanwezig (Mt 22,16 : leerlingen van Jezus ; Mt 22,23 : Sadduceeën ; Mt 22,34 en Mt 22,41 : Farizeeën) .

- saleuô (heen en weer bewegen, schudden) . saleuô (heen en weer bewegen, schudden) . Taalgebruik in het NT : saleuô (heen en weer bewegen, schudden) . Taalgebruik in Mc : saleuô (heen en weer bewegen, schudden) . Taalgebruik in Lc : saleuô (heen en weer bewegen, schudden) .

  saleuô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  pass. ind. aor. 3de pers. mv. saleuthèsontai              
                               
                               
                               

- σαμαρεια = samareia (Samaria)

- samareia (Samaria) . σαμαρεια = samareia (Samaria) . Taalgebruik in het NT : samareia (Samaria) . Taalgebruik in de LXX : samareia (Samaria) .

- gen. vr. enk. σαμαρειας = samareias (van Samaria) van het zelfst. naamw. σαμαρεια = samareia (Samaria) . Taalgebruik in het NT : samareia (Samaria) . Taalgebruik in de LXX : samareia (Samaria) . NT (8) : (1) Lc 17,11 . (2) Joh 4,4 . (3) Joh 4,5 . (4) Joh 4,7 . (5) Hnd 8,1 . (6) Hnd 8,5 . (7) Hnd 8,9 . (8) Hnd 9,31 .


- satanas (satan) . nom. mann. enk. σατανας = satanas (satan) . Taalgebruik in het NT : satanas (satan) . Taalgebruik in de LXX : satanas (satan) . Taalgebruik in Mc : satanas (satan) . Bijbel (17) : (1) Mt 12,26 . (2) Mc 3,23 . (3) Mc 3,26 . (4) Mc 4,15 . (5) Lc 11,18 . (6) Lc 13,16 . (7) Lc 22,3 . (8) Lc 22,31 . (9) Joh 13,27 . (10) Hnd 5,3 . (11) 1 Kor 7,5 . (12) 2 . (13) 1 Tes 2,18 . (14) Apk 2,13 . (15) Apk 12,9 . (16) Apk 20,2 . (17) Apk 20,7 .

satanas bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk syn. ev.
nom. enk. satanas 17   17 1 3 4 1 1 3 4 8 9
voc. + gen. + dat. enk. 15   15 2 2     1 6 4 4 4
acc. enk. satanan 5 1 4 1 1 1     1   3 3
Totaal   37 1 36 4 6 5 1 2 10 8 15 16

- voc. mann. enk. σατανα = satana (satan) + dat. mann. enk. σατανᾳ = satana(j) (aan de satan) van het zelfst. naamw. σατανας = satanas (satan) . Taalgebruik in het NT : satanas (satan) . Taalgebruik in de LXX : satanas (satan) . Taalgebruik in Mc : satanas (satan) . Bijbel (15) : (1) Mt 4,10 . (2) Mt 16,23 . (3) Mc 1,13 . (4) Mc 8,33 . (5) Hnd 26,18 . (6) 1 Kor 5,5 . (7) 2 Kor 2,11 . (8) 2 Kor 12,7 . (9) 2 Tes 2,9 . (10) 1 Tim 1,20 . (11) 1 Tim 5,15 . (12) Apk 2,9 . (13) Apk 2,13 . (14) Apk 2,24 . (15) Apk 3,9 .

- acc. mann. enk. σαταναν = satanan (satan) van het zelfst. naamw. σατανας = satanas (satan) . Taalgebruik in het NT : satanas (satan) . Taalgebruik in de LXX : satanas (satan) . Bijbel (5) : (1) Sir 21,27 . (2) Mt 12,26 . (3) Mc 3,23 . (4) Lc 10,18 . (5) Rom 16,20 .


- σχιζω = schizô (scheuren)

- schizô (scheuren) . σχιζω = schizô (scheuren) . Taalgebruik in het NT : schizô (scheuren) . Taalgebruik in de LXX : schizô (scheuren) .

  schizô (scheuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
pass. part. praes. acc. mann. mv. schizomenous                   
pass. ind. aor. 3de pers. enk. eschisthè  2        
  Totaal         

- selènè (maan) . selènè (maan) . Taalgebruik in het NT : selènè (maan) . Taalgebruik in Lc : selènè (maan) .

  selènè  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + dat. vr. enk. selènè(i)   31  25         
                               
                               

- sèmeion (teken) . sèmeion (teken) . Taalgebruik in het NT : sèmeion (teken) . Taalgebruik in de LXX : sèmeion (teken) . Taalgebruik in Lc : sèmeion (teken) . Lat. signum . Fr. signe . E. sign . N. teken . D. Zeichen .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk. sèmeion   87  56  31  17  23   
  nom. + acc. onz. mv. sèmeia   66  34  32  10  10  16   
                               
                               

- sŔs (mot) . nom. mann. enk. σης = sès (mot) . Taalgebruik in de Bijbel : sès (mot) . Bijbel (8) . OT (5) : (1) Js 33,1 . (2) ) Js 50,9 . (3) Mi 7,4 . (4) Spr 14,30 . (5) Sir 42,13 . NT (3) : (1) Mt 6,19 . (2) Mt 6,20 . (3) Lc 12,33 . Een vorm van σης = sès (mot) in de Bijbel (10) , in het NT (3) : (1) Mt 6,19 . (2) Mt 6,20 . (3) Lc 12,33 . Een Hebreeuws woord dat sterk op het Griekse gelijkt is : סָס = sâs (mot, worm, houtworm) . Taalgebruik in Tenakh : sâs (mot) . Getalwaarde : samekh = 15 of 60 ; totaal : 30 (2 X 3 X 5) OF 120 (2³ X 3 X 5) . Structuur : 6 - 6 . De som van de elementen is telkens 3 . Hapax ( Js 51,8) . Aramees : סָס OF סָסָא (sâs of sâsâ´) . In het vers Js 51,8 lopen עָשׁ = `âsj (mot) en סָס = sâs (mot, worm, houtworm) parallel . Tegenover de aardse vergankelijkheid staat de eeuwige gerechtigheid en redding .
- Hebreeuws . עָשׁ = `âsj (mot) . Taalgebruik in Tenakh : `âsj (mot) . De getalwaarde van `âsj (mot) : ajin = 16 of 70 ; sjin = 21 of 300 ; totaal : 37 OF 370 (10 X 37) . Structuur : 7 - 3 . De som van de elementen is telkens 1 . Een vorm van עָשׁ = `âsj (mot) in Tenakh (7) : (1) Js 50,9 . (2) Js 51,8 . (3) Hos 5,12 . (4) Ps 39,12 . (5) Job 4,19 . (6) Job 13,28 . (7) Job 27,18 .
- Een vorm van σης = sès (mot) is eveneens een vertaling van het Hebreeuwse
- Latijn . tinea (mot) . Bijbel (12) : + (1) Js 14,11 . (2) Sir 42,13 . (3) Bar 6,11 . Fr. la teigne of mite . E. moth . D. Mot . In dit vers zou het om kleren en gewaden gaan . Ze zijn niet tegen de eeuwigheid bestand .

- sèmeron (vandaag, heden) . σημερον = sèmeron (vandaag, heden) . Taalgebruik in het NT : sèmeron (vandaag, heden) . Taalgebruik in de LXX : sèmeron (vandaag, heden) . Taalgebruik in Lc : sèmeron (vandaag, heden) .

  sèmeron  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
    295  255  40  11    11    20  20  10 

- sfodra (geweldig, buitengewoon, zeer) . σφοδρα = sfodra (geweldig, buitengewoon, zeer) . Taalgebruik in het NT : sfodra (geweldig, buitengewoon, zeer) . Bijbel (370) . LXX (359) . Pentateuch (69) . NT (11) .

- Silas (Silas) . Taalgebruik : Silas (Silas) , zie Hnd 15,32 .

silas - silouanos (Br.) bijbel NT Hnd 15 Hnd 16 Hnd 17 Hnd 18 Hnd Br. 2 Kor  1 Tes  2 Tes  1 Pe  
nom 4 4 1 : (1) Hnd 15,32 . 1 : Hnd 16,25 . 1 : Hnd 17,14 . 1 : Hnd 18,5 . 4 : 2   1 : 1 Tes 1,1 . 1 : 2 Tes 1,1 .  
gen               2 1 : 2 Kor 1,19 .     1 : 1 Pe 5,12 .
dat  2 2   1 : Hnd 16,29 1 : Hnd 17,4 .   2          
acc  6 6 3 : (1) Hnd 15,22 . (2) Hnd 15,27 . (3) Hnd 15,40 . 1 : Hnd 16,19 . 2 : (1) Hnd 17,10 . (2) Hnd 17,15 .   6          
  12 12 3 4 1 12 4 1 1 1 1 16 

Judas en Silas werden mede-afgezanten van de kerk van Jeruzalem naar Antiochië na het eerste oecumenische concilie te Jerualem en zij bemoedigden de gemeente van Antiochië . Judas en Silas moesten in de gemeente van Antiochië mondelinge toelichting geven bij de brief met de besluiten van het concilie van Jeruzalem . Na de breuk met Barnabas werd Paulus en Silas voor een twee zendingsreis gezonden . In Filippi werd Paulus en Silas gevangen gezet . Paulus en Silas zaten in de gevangenis van Filippi . Ze werden er op een wonderlijke wijze uit bevrijd . Paulus en Silas vertrokken uit Tessalonica naar Berea . Silas en Timoteüs die in Berea waren gebleven , kregen het verzoek van Paulus uit Athene om hem te vervoegen . Silas en Timoteüs voegden zich in Korinte terug bij Paulus .

- Nominatief enkelvoud . In vier verzen in de bijbel :
(1) Hnd 15,32 . Judas en Silas werden mede-afgezanten van de kerk van Jeruzalem naar Antiochië na het eerste oecumenische concilie te Jerualem en zij bemoedigden de gemeente van Antiochië .
(2) Hnd 16,25 . Paulus en Silas zaten in de gevangenis van Filippi .
(3) Hnd 17,14 . Silas en Timoteüs bleven in Berea terwijl Paulus de wijk neemt naar Athene .
(4) Hnd 18,5 . Silas en Timoteüs voegden zich in Korinte terug bij Paulus .
- Accusatief enkelvoud . In zes verzen in de bijbel :
(1) Hnd 15,22 . Judas en Silas werden mede-afgezanten van de kerk van Jeruzalem naar Antiochië na het eerste oecumenische concilie te Jerualem .
(2) Hnd 15,27 . Judas en Silas moesten in de gemeente van Antiochië mondelinge toelichting geven bij de brief met de besluiten van het concilie van Jeruzalem .
(3) Hnd 15,40 . Na de breuk met Barnabas werd Paulus en Silas voor een twee zendingsreis gezonden .
(4) Hnd 16,19 . In Filippi werd Paulus en Silas gevangen gezet .
(5) Hnd 17,10 . Paulus en Silas vertrokken uit Tessalonica naar Berea .
(6) Hnd 17,15 . Silas en Timoteüs die in Berea waren gebleven , kregen het verzoek van Paulus uit Athene om hem te vervoegen .
- Datief enkelvoud . In twee verzen in de bijbel .(1)

- sigaô (zwijgen) . sigaô (zwijgen) . Taalgebruik in het NT : sigaô (zwijgen) . Taalgebruik in Lc : sigaô (zwijgen) .

  sigaô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. aor. 3de pers. mv. esigèsan                            
                               

 


- Simôn (Simon)  . σιμων = Simôn (Simon) . Taalgebruik in het NT : Simôn (Simon) . Taalgebruik in Mc : Simôn (Simon) . 1. Simon = Petrus . 2. Simon , de Kananeeër of Simon , de zeloot : Mt 10,4 // Mc 3,18 // Lc 6,15 . 3. Simon , de melaatse : Mt 26,6 // Mc 14,3 .  4. Simon van Cyrene : Mt 27,32 // Mc 15,21 // Lc 23,26

Simôn (Simon)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. Simôn  74  39  35  16      13  29     
gen. mann. enk. simônos  27  12  15      13     
dat. mann. enk. Simôni  21  14           
acc. mann. enk. Simôna  26  10  16      10  13     
totaal 148  75  73  11  15  25  13      35  60     

Simôn (Simon)   syn.  Mt Mc Lc syn. 
nom. + voc. mann. enk. simôn  13  6 : (1) Mt 10,2 . (2) Mt 10,4 . (3) Mt 13,55 . (4) Mt 16,16 . (5) Mt 16,17 . (6) Mt 17,25 . 2 : (1) Mc 1,36 . (2) Mc 14,37 .   5 : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 7,40 . (4) Lc 7,43 . (5) Lc 22,31 . 3 : (1) Mt 10,2 // Mc 3,16 // Lc 6,14 . (2) Mt 10,4 // Mc 3,18 // Lc 6,15 . (3) Mt 13,55 // Mc 6,3 .
gen. mann. enk. Simônos  1 : Mt 26,6 . 5 : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 1,29 . (3) Mc 1,30 . (4) Mc 6,3 . (5) Mc 14,3 2 : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 .   3 : (1) Mc 1,29 // Lc 4,38 . (2) Mt 26,6 // Mc 14,3 . (3) Mc 1,30 // Lc 4,38 .
dat. mann. enk. simôni    1 : Mc 3,16 .   3 : (1) Lc 5,10 . (2) Lc 7,44 . (3) Lc 24,34 .    
acc. mann. enk. simôna  10  2 : (1) Mt 4,18 . (2) Mt 27,32 .   3 : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 3,18 . (3) Mc 15,21 .   5 : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 6,14 . (4) Lc 6,15 . (5) Lc 23,26 2 : (1) Mt 4,18 // Mc 1,16 . (2) Mt 27,32 // Mc 15,21 // Lc 23,26
totaal 35  9 (6 - 1 - 1 - 1) 11 (8 - 1 - 1 - 1) 15 (12 - 1 - 1 - 1) 8 (19)

Een vorm van Simon (Petrus) in 9 verzen in Lc : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,4 . (4) Lc 5,5 . (5) Lc 5,8 . (6) Lc 5,10 . (7) Lc 6,14 . (8) Lc 22,31 . (9) Lc 24,34 .  

acc. mann. enk. σιμωνα = simôna van de eigennaam σιμων = Simôn (Simon) . Taalgebruik in het NT : Simôn (Simon) .
1. Simon = Petrus . Lc (5) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 6,14 . (4) Lc 6,15 . (5) Lc 23,26
2. Simon , de Kananeeër of Simon , de zeloot : Mt 10,4 // Mc 3,18 // Lc 6,15 .
3. Simon , de melaatse : Mt 26,6 // Mc 14,3
4. Simon van Cyrene : Mt 27,32 // Mc 15,21 // Lc 23,26 .  Lc (5) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 6,14 . (4) Lc 6,15 . (5) Lc 23,26
- Een vorm van Simon (Petrus) in 9 verzen in Lc : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,4 . (4) Lc 5,5 . (5) Lc 5,8 . (6) Lc 5,10 . (7) Lc 6,14 . (8) Lc 22,31 (2X) . (9) Lc 24,34 . In  Lc 4,38 (2X) staat simônos (van Simon) de eerste maal zonder lidwoord - hij wordt voor het eerst vermeld) - en de tweede maal met lidwoord . In Lc 5,3 wordt hij zonder lidwoord vermeld - het is de eerste maal in deze pericope - . In Lc 5,4 en Lc 5,10 sprak Jezus tot Simon ; hier wordt telkens het bepaald lidw. gebruikt bij simôna (tot Simon) . In Lc 22,31 wordt 2X de vocatief gebruikt (2 / 11) . In de andere gevallen geen bepaald lidw. (6 / 11) : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,5 . (4) Lc 5,8 . (5) Lc 6,14 . (6) Lc 24,34 . Simon Petrus wordt vermeld bij de genezing van zijn schoonmoeder (Lc 4,38-39) , zijn roeping bij de wonderbare visvangst (Lc 5,1-11) , de aanstelling van de twaalf (Lc 6,14) , de aankondiging van de verloochening (Lc 22,31-34) , en de terugkomst van de twee leerlingen van Emmaüs bij de gemeenschap in Jeruzalem (Lc 24,34) .


- σιναπι = sinapi (mosterd)

- sinapi (mosterd) . σιναπι = sinapi (mosterd) . Taalgebruik in het NT : sinapi (mosterd) . Taalgebruik in de LXX : sinapi (mosterd) . Een vorm van σιναπι = sinapi (mosterd) in de LXX (0) , in het NT (5) , zie hierboven .
- Ned. : mosterd . D. : Senf (zie sinapi) . E. : moustard . Fr. : sénevé . Grieks : σιναπι = sinapi (mosterd) . Taalgebruik in het NT : sinapi (mosterd) . Latijn : sinapi . Waarschijnlijk van Egyptische oorsprong .

- nom. + acc. onz. enk. σιναπι = sinapi (mosterd) . Taalgebruik in het NT : sinapi (mosterd) . Taalgebruik in de LXX : sinapi (mosterd) .

- gen. onz. enk. σιναπεως = sinapeôs (van de mosterd) van het zelfst. naamw. σιναπι = sinapi (mosterd) . Taalgebruik in het NT : sinapi (mosterd) . Taalgebruik in de LXX : sinapi (mosterd) . Bijbel (5) : (1) Mt 13,31 . (2) Mt 17,20 .(3) Mc 4,31 . (4) Lc 13,19 . (5) Lc 17,6 .


- sindôn (linnen weefsel) . σινδων = sindôn (linnen weefsel) . Taalgebruik in de Bijbel : sindôn (linnen weefsel) . Een vorm van σινδων = sindôn in de LXX (3) : (1) Re 14,12 . (2) Re 14,13 . (3) Spr 31,24 , in het NT (6) . dat. mann. enk. σινδονι = sindoni van het zelfst. naamw. σινδων = sindôn (linnen weefsel) . Taalgebruik in de Bijbel : sindôn (linnen weefsel) . Een vorm van σινδων = sindôn in de LXX (3) : (1) Re 14,12 . (2) Re 14,13 . (3) Spr 31,24 , in het NT (6) .
- acc. mann. mv. σινδονα = sindona (onderkleed) van het zelfst. naamw. σινδων = sindôn (linnen weefsel) . Taalgebruik in de Bijbel : sindôn (linnen weefsel) . Bijbel (3) : (1) Mc 14,51 . (2) Mc 14,52 . (3) Mc 15,46 . Een vorm van σινδων = sindôn in de LXX (3) : (1) Re 14,12 . (2) Re 14,13 . (3) Spr 31,24 , in het NT (6) .
- acc. mann. mv. σινδονας = sindonas (onderkleren) van het zelfst. naamw. σινδων = sindôn (linnen weefsel) . Taalgebruik in de Bijbel : sindôn (linnen weefsel) . Bijbel (3) : Een vorm van σινδων = sindôn in de LXX (3) : (1) Re 14,12 . (2) Re 14,13 . (3) Spr 31,24 , in het NT (6) .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
dat. vr. enk. sindoni     1 : Mt 27,59 . 1 : Mc 15,46 . 1 : Lc 23,53 .         3 : (1) Mt 27,59 // Mc 15,46 // Lc 23,53 .    
acc. vr. enk. sindona      3 : (1) Mc 14,51 . (2) Mc 14,52 . (3) Mc 15,46 .              
acc. vr. mv. sindonas  3 : (1) Re 14,12 . (2) Re 14,13 . (3) Spr 31,24 .                        
totaal         6      

- Latijn . acc. mann. enk. sindonem van het zelfst. naamw. sindon , -onis . Bijbel (2) : (1) Spr 31,24 . (2) Mc 15,46 .
- Latijn . acc. mann. mv. sindones van het zelfst. naamw. sindon , -onis . Bijbel (3) : (1) Re 14,12 . (2) Re 14,13 . (3) Js 3,23 .
- Ned. satijn , zijde . Fr. toile = weefsel van linnen , hennep of katoen , afkomstig uit : Lat. tela (tex-la) , texere = weven (Fr. tiser) . E. linen . D. Leinentuch .


- siôpaô (zwijgen) . σιωπαω = siôpaô (zwijgen) . Taalgebruik in het NT : siôpaô (zwijgen) . Taalgebruik in de LXX : siôpaô (zwijgen) .Taalgebruik in Mc : siôpaô (zwijgen) .

  siôpaô (zwijgen)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. imperf. 3de pers. enk. esiôpa     1 : Mt 26,63 . 1 : Mc 14,61 .                
  act. ind. imperf. 3de pers. mv. esiôpôn       2 : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 9,34 .                
  act. imperat. praes. 2de pers. enk. siôpa   1 : Dt 27,9 .   1 : Mc 4,39 .              
  act. conj. aor. 3de pers. enk. siôpèsè(i)       1 : Mc 10,48 .              
                               
                               

- act. ind. imperf. 3de pers. mv. εσιωπων = esiôpôn (zij zwegen) van het werkw. σιωπαω = siôpaô (zwijgen) . Taalgebruik in het NT : siôpaô (zwijgen) . Taalgebruik in de LXX : siôpaô (zwijgen) .Taalgebruik in Mc : siôpaô (zwijgen) . Bijbel = NT (2) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 9,34 . Een vorm van σιωπαω = siôpaô (zwijgen) in de LXX (36) , in het NT (10) , in Mc (5) .

- siteutos (vetgemest) . siteutos (vetgemest) . Taalgebruik in het NT : siteutos (vetgemest) . Taalgebruik in Lc : siteutos (vetgemest) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  nom. mann. enk. siteuton                  
                               
                               

- skandalon (hindernis, struikelblok, valstrik, verlokking, ergernis, aanstoot) . σκανδαλον = skandalon (hindernis, struikelblok, valstrik, verlokking, ergernis, aanstoot) . Taalgebruik in het NT : skandalon (hindernis, struikelblok, valstrik, verlokking, ergernis, aanstoot) . Taalgebruik in de LXX : skandalon (hindernis, struikelblok, valstrik, verlokking, ergernis, aanstoot) .

- nom. + acc. onz. mv. σκανδαλα = skandala van het zelfst. naamw. σκανδαλον = skandalon (hindernis, struikelblok, valstrik, verlokking, ergernis, aanstoot) . Taalgebruik in het NT : skandalon (hindernis, struikelblok, valstrik, verlokking, ergernis, aanstoot) . Taalgebruik in de LXX : skandalon (hindernis, struikelblok, valstrik, verlokking, ergernis, aanstoot) . Bijbel (8) : (1) Joz 23,13 . (2) Hos 4,17 . (3) Jdt 5,1 . (4) W 14,11 . (5) Mt 13,41 . (6) Mt 18,7 . (7) Lc 17,1 . (8) Rom 16,17 . Een vorm van σκανδαλον = skandalon in de LXX (23) , in het NT (15) , in Lc (1) .

- skandalizô (ten val brengen) . σκανδαλιζω = skandalizô (ten val brengen) , doen struikelen , aanstoot geven , ergeren . Taalgebruik in het NT : skandalizô (ten val brengen) . Taalgebruik in de LXX : skandalizô (ten val brengen) . Taalgebruik in Mc : skandalizô (ten val brengen) .

  skandalizô (ten val brengen)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. conj. praes. 3de pers. enk. skandalizè(i)     1 1 1            
  act. conj. aor. 3de pers. enk. skandalisè(i)                
  pass. ind. praes. 3de pers. mv. skandalizontai                    
  pass. ind. imperf. 3de pers.  mv. eskandalizonto                
  pass. ind. fut. 3de pers. mv. skandalisthèsontai                
  pass. ind. fut. 2de pers. mv. skandalisthèsesthe                  
                               
  totaal                            

- act. conj. aor. 3de pers. enk. σκανδαλισῃ = skandalisè(i) (hij zou ten val brengen) van het werkw. σκανδαλιζω = skandalizô (ten val brengen) , doen struikelen , aanstoot geven , ergeren . Taalgebruik in het NT : skandalizô (ten val brengen) . Taalgebruik in de LXX : skandalizô (ten val brengen) . Bijbel = NT (3) : (1) Mt 18,6 . (2) Mc 9,42 . (3) Lc 17,2 . Een vorm van σκανδαλιζω = skandalizô in de LXX (4) , in het NT (29) , in Mt (14) , in Mc (8) , in Lc (2) : (1) Lc 7,23 . (2) Lc 17,2 .


- skia (schaduw) . σκια = skia (schaduw) . Taalgebruik in het NT : skia (schaduw) . Taalgebruik in de LXX : skia (schaduw) . Bijbel (34) . Js (2) : (1) Js 9,1 . (2) Js 38,8 . Nt () : (1) Mt 4,16 . (2) Lc 1,79 . (3) Hnd 5,15 . (4) Kol 2,17 . (5) Heb 8,5 . σκια = skia (schaduw) . Taalgebruik in het NT : skia (schaduw) . Taalgebruik in de LXX : skia (schaduw) . Bijbel (34) . Js (2) : (1) Js 9,1 . (2) Js 38,8 . Nt (5) : (1) Mt 4,16 . (2) Lc 1,79 . (3) Hnd 5,15 . (4) Kol 2,17 . (5) Heb 8,5 . Een vorm van σκια = skia in de LXX (54) , in het NT (7) .

- nom. vr. enk. σκια = skia + dat. vr. enk. skiᾳ = skia(i) . Zelfst. naamw. σκια = skia (schaduw) . Taalgebruik in het NT : skia (schaduw) . Taalgebruik in de LXX : skia (schaduw) . Bijbel (34) . Js (2) : (1) Js 9,1 . (2) Js 38,8 . Nt () : (1) Mt 4,16 . (2) Lc 1,79 . (3) Hnd 5,15 . (4) Kol 2,17 . (5) Heb 8,5 . σκια = skia (schaduw) . Taalgebruik in het NT : skia (schaduw) . Taalgebruik in de LXX : skia (schaduw) . Bijbel (34) . Js (2) : (1) Js 9,1 . (2) Js 38,8 . Nt (5) : (1) Mt 4,16 . (2) Lc 1,79 . (3) Hnd 5,15 . (4) Kol 2,17 . (5) Heb 8,5 . Een vorm van σκια = skia in de LXX (54) , in het NT (7) .


- skirtaô (huppelen, springen, dansen) . σκιρταω = skirtaô (huppelen, springen, dansen) . Taalgebruik in het NT : skirtaô (huppelen, springen, dansen) . Taalgebruik in Tenakh : skirtaô (huppelen, springen, dansen) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. eskirtèsen                    
  act. imperat. aor. 2de pers. mv. skirtèsate                    
                               

--- eskirtôn (zij sprongen op) . Actief imperfectum derde persoon meervoud . In één vers in de bijbel , nl. Gn 25,22 (Jakob en Esau in de schoot van Rebekka).
- Hebreews râtsats (knakken, verbreken, verdrukken) . Verwijzing : râtsats (knakken, verbreken, verdrukken) , zie Lc 1,41 .
--- wajjithërotsätsû (en zij bewogen heftig) . Hithpoël imperfectum derde persoon meervoud . Hapax in deze vorm : Gn 25,22 .
Er is een sterke literaire overeenkomst tussen Gn 25,22 en Lc 1,41 . Gn 25,22 : skirmôn de ta paidia en autèi (sprongen de kinderen op in haar) en Lc 1,41 : eskirtèsen to brefos en tèi koiliai autès (sprong het kind op in haar schoot) .


- . skotizô (verduisteren) . skotizô (verduisteren) . Taalgebruik in het NT : skotizô (verduisteren) . Taalgebruik in Mc : skotizô (verduisteren) .

  skotizô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  pass. ind. fut. 3de pers. enk. skotisthèsetai                
                               

- skotos (duisternis) . σκοτος = skotos (duisternis) . Taalgebruik in het NT : skotos (duisternis) . Taalgebruik in de Septuaginta : skotos (duisternis) . Een vorm van σκοτος = skotos (duisternis) in de Septuaginta (120) , in het NT (30) , in Lc (4) : (1) Lc 1,79 . (2) Lc 11,35 . (3) Lc 22,53 . (4) Lc 23,44 , in 1 Tes (2) : (1) 1 Tes 5,4 . (2) 1 Tes 5,5 .
- Lat. tenebrae . Fr. ténèbres . E. darkness . D. Finsternis .
- Tegenover duisternis staat licht . Hebr. ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) .

- dat. onz. enk. σκοτει = skotei van het zelfst. naamw. σκοτος = skotos (duisternis) . Taalgebruik in het NT : skotos (duisternis) . Taalgebruik in de Septuaginta : skotos (duisternis) . Bijbel (33) . OT (29) . NT (5) : (1) Mt 4,16 . (2) Lc 1,79 . (3) Rom 2,19 . (4) 1 Tes 5,4 . (5) 1 Joh 1,6 . Een vorm van σκοτος = skotos (duisternis) in de Septuaginta (120) , in het NT (30) , in Lc (4) : (1) Lc 1,79 . (2) Lc 11,35 . (3) Lc 22,53 . (4) Lc 23,44 , in 1 Tes (2) : (1) 1 Tes 5,4 . (2) 1 Tes 5,5 .

- εν σκοτει = en skotei (in duisternis) . NT (4) : (1) Mt 4,16 . (2) Lc 1,79 . (3) Rom 2,19 . (4) 1 Tes 5,4 .
- εν τῳ σκοτει = en tô(i) skotei (in de duisternis) . NT (1) : 1 Joh 1,6 .


- σωμα = sôma (lichaam)

- sôma (lichaam) . nom. + acc. onz. enk. σωμα = sôma (lichaam) . Taalgebruik in het NT : sôma (lichaam) . Taalgebruik in de Septuaginta : sôma (lichaam) . Taalgebruik in Lc : sôma (lichaam) . Taalgebruik in Hnd : sôma (lichaam) . Bijbel (118) . OT (55) . NT (63) . Lc (10) : (1) Lc 11,34 . (2) Lc 11,36 . (3) Lc 12,4 . (4) Lc 12,23 . (5) Lc 17,37 . (6) Lc 22,19 . (7) Lc 23,52 . (8) Lc 23,55 . (9) Lc 24,3 . (10) Lc 24,23 . Een vorm van σωμα = sôma (lichaam) in de LXX (136) , in het NT (142) , in Lc (11) : (1) Lc 11,34 . (2) Lc 11,36 . (3) Lc 12,4 . (4) Lc 12,22 . (5) Lc 12,23 . (6) Lc 17,37 . (7) Lc 22,19 . (8) Lc 23,52 . (9) Lc 23,55 . (10) Lc 24,3 . (11) Lc 24,23 . In Lc : 3 vormen in 6 hoofdstukken en 11 verzen . In Lc : 3 vormen in 6 / 24 hoofdstukken en 11 verzen . In Hnd : 1 vorm in 1 vers in 1 / 28 hoofdstukken .
- Hebr. bâshâr (vlees, lichaam) . Taalgebruik in Tenach : bâshâr (vlees, lichaam) . Lat. corpus . Fr. corps . N. lichaam . D. Leib . E. body .

σωμα = sôma (lichaam) . Taalgebruik in de Septuaginta : sôma (lichaam) . Taalgebruik in het NT : sôma (lichaam) . Taalgebruik in Lc : sôma (lichaam) . Taalgebruik in Hnd : sôma (lichaam) . Hebr. bâshâr (vlees, lichaam) . Taalgebruik in Tenach : bâshâr (vlees, lichaam) . Tenakh (108) . Pentateuch (50) . Eerdere Profeten (3) . Latere Profeten (35) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (15) . Lat. corpus . Fr. corps . N. lichaam . D. Leib . E. body . Bijbel (115) . OT (39) . NT (63) . Deut.can. (16) . Ef (3) : (1) Ef 1,23 . (2) Ef 4,4 . (3) Ef 4,16 . Een vorm van sôma (lichaam) in de LXX (136) , in het NT (142) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk. sôma             10                 
  gen. onz. enk. sômatos                            
  dat. onz. enk. sômati                            
                               
                               
                               
                               
                               
  totaal                            

- dat. vr. enk. sè(i) van het bezitt. voornaamw. . Bijbel (25) . OT (21) . NT (4) : (1) . (2) . (3) . (4) .


- sῳζω = sôzô (redden)

- sôzô (redden) . sῳζω = sôzô (redden) . Taalgebruik in het NT : sôzô (redden) . Taalgebruik in de LXX : sôzô (redden) . Taalgebruik in Mc : sôzô (redden) . Hebr. jâsj`â (redden) .

  sôzô (redden)  actief bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 ind. pr. 3de p. enk. sôzei                   
2 ind. imperf. 3de p. enk. esôzeto                         
3 ind. imperf. 3de p. mv. esôzonto                   
4 ind . fut. 3de pers. enk. sôsei  31  25       
5 ind. fut. 2de p. enk. sôseis   13  11                   
6 ind. fut. 1ste p. enk. sôsô  18  15               
8 inf. pr. sôzein  13  11                   
7 ind. aor. 3de p. enk. esôsen   32  28         
9 imperat. aor. 3de p. enk. sôson   38  31           
10 inf. aor. sôsai  39  26  13       
11 ind. perf. 3de p. enk. sesôken                
  Totaal   197  151  46  11    16    28  30  10 

sôzô (redden)  passief bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
pass. pr. 3de p. enk. sôzetai  8 7 1           1         1
ind . fut. 3de p. enk. sôthèsetai 30 17 13 2 2 1 2 1 5   5 7 5  
ind. fut. 1ste p. enk. sôthèsomai 9 7 2 1 1           2 2    
ind. aor. 3de p. enk. esôthè  9 5 4 2 1 1         4 4    
inf. aor. sôthènai  18 8 10 1 1 1   5 2   3 3 2  
Totaal   74 44 30 6 5 3 2 6 8   14 16 7 1

- sôtèr (redder) . nom. mann. enk. sôtèr (redder) . Taalgebruik in het NT : sôtèr (redder) . Taalgebruik in Lc : sôtèr (redder) . Taalgebruik in de LXX : sôtèr (redder) . Hebr. môsjî`a (de reddende) : act. part. hifil nom. mann. enk. van het werkw. jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) . Taalgebruik in Tenach : jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) . Getalwaarde : jod = 10 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 47 OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 1 - 3 - 7 . In al deze gevallen is de getalwaarde van de elementen 11 . Jakob (Gn 25,26) . ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 OF 182 (7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . In al deze gevallen is de getalwaarde van de elementen 11 . L. salvator (salvare - salus) . Fr. sauver - saveur . Ned. b.v. salie (een heilbrengend kruid) . E. saviour . N. heiland . D. Heiland . Arabisch : najada (redden, helpen) . Taalgebruik in de Koran : najada (redden, helpen) . Hebr. môsjî`a (de reddende) is heel nauw verwant wat letters betreft : mâsjach (zalven) . (mâsjîach = gezalfde, messias, G. christos = Christus) . Tenakh (17) : (1) Dt 22,27 . (2) Dt 28,29 . (3) Dt 28,31 . (4) Re 3,9 . (5) Re 3,15 . (6) Re 6,36 . (7) Re 12,3 . (8) 1 S 10,19 . (9) 1 S 11,3 . (10) 2 K 13,5 . (11) Js 19,20 . (12) Js 43,11 . (13) Js 45,15 . (14) Zach 8,7 . (15) Ps 7,11 . (16) Ps 17,7 . (17) Ps 18,42 . Gr. sôtèr (redder) . Bijbel (18) : (1) 1 S 10,19 . (2) Js 12,2 . (3) Js 45,15 . (4) Js 45,21 . (5) Js 62,11 . (6) Ps 25,5 . (7) Ps 27,1 . (8) Ps 27,9 . (9) Ps 62,3 . (10) Ps 62,7 . (11) Ps 65,6 . (12) Ps 79,9 . (13) Jdt 9,11 . (14) 1 Mak 4,30 . (15) Lc 2,11 . (16) Joh 4,42 . (17) Ef 5,23 . (18) 1 Tim 4,10 .
- Een vorm van sôtèria (redding) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 1,69 . (2) Lc 1,71 . (3) Lc 1,77 . (4) Lc 19,9 , in de LXX (160) , in het N.T. (45) .
- Een vorm van sôzô (redden, verlossen) in Lc (17) , in de LXX (363) , in het N.T. (106) .
- Een vorm van sôtèr in Lc (2) : (1) Lc 1,47 . (2) Lc 2,11 , in de LXX (41) , in het N.T. (24) .

  sôtèr (redder)  (enk.) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. mann. enk. sôtèr  18  14           
2 gen. mann. enk. sôtèros  17  14            14       
3 dat. mann. enk. sôtèri                 
4 acc. mann. enk. sôtèra  10               
  totaal 50  26  24      19    12 

sôtèrion (redding)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + acc. onz. enk.  sôtèrion 43  40               
gen. onz. enk.  sôtèriou 75  74                   
totaal 118  114           

- nom. en acc. onz. enk. σωτηριον = sôtèrion (redding) . Zie het zelfst. naamw. σωτηρια = sôtèria (redding) . Taalgebruik in het NT : sôtèria (redding) . Taalgebruik in de LXX : sôtèria (redding) . Taalgebruik in Lc : sôtèria (redding) . Bijbel (43) . Pentateuch (4) : (1) Gn 41,16 . (2) Lv 17,4 . (3) Nu 6,14 . (4) Nu 15,8 . Js (11) : (1) Js 26,1 . (2) Js 33,20 . (3) Js 38,11 . (4) Js 40,5 . (5) Js 51,5 . (6) Js 51,6 . (7) Js 51,8 . (8) Js 56,1 . (9) Js 60,6 . (10) Js 60,18 . (11) Js 62,1 . NT (3) : (1) Lc 2,30 . (2) Lc 3,6 . (3) Hnd 28,28 .

- sôtèria (redding) . sôtèria (redding) . Taalgebruik in het NT : sôtèria (redding) . Taalgebruik in de LXX : sôtèria (redding) . Taalgebruik in Lc . : sôtèria (redding) .

  sôtèria (redding)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. + dat. vr. enk. sôtèria(i)   52  44           
2 gen. vr. enk. sôtèrias  51  33  18        13    11 
3 acc. vr. enk. sôtèrian  63  45  18      1   15    11 
  totaal 166  122  44      28  22 

- samenvatting (redden) .

redden   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
sôzô (redden)  actief  197  151  46  11    16    28  30  10 
sôzô (redden)  passief   74 44 30 6 5 3 2 6 8   14 16 7 1
sôtèr (redder)  (enk.)  50  26  24      19    3 12 
sôtèrion (redding)   118  114           
sôtèria (redding)  166  122  44      28  22 
totaal 605  457  148  14  14  2 17  72  50  56  52  20 

- acc. vr. enk. sôtèrian van het zelfst. sôtèria (redding) . Taalgebruik in het NT : sôtèria (redding) . Taalgebruik in Lc : sôtèria (redding) . Taalgebruik in de LXX : sôtèria (redding) . Hebr. jesja` / jèsja` / jësju`âh (hulp, heil, redding -> Jezus) . Taalgebruik in Tenakh : jesja` / jèsja` (hulp, heil, redding) . Getalwaarde : jod = 10 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 47 OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 1 - 3 - 7 . In al deze gevallen is de getalwaarde van de elementen 11 . Jakob (Gn 25,26) . ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 OF 182 (7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . In al deze gevallen is de getalwaarde van de elementen 11 . L. salvator (salvare - salus) . Fr. sauver - saveur . Ned. b.v. salie (een heilbrengend kruid) . E. saviour . N. heiland . D. Heiland . môsjî`a (de reddende) act. part. hifil nom. mann. enk. van het werkw. jâsj`a (redden, bevrijden, verlossen) , is heel nauw verwant wat letters betreft : mâsjach (zalven) . (mâsjîach = gezalfde, messias, G. christos = Christus) . Arabisch : najdah (redding, hulp) , zie : najada (redden, helpen) . Taalgebruik in de Koran : najada (redden, helpen) . Bijbel (63) . OT (45) . NT (18) . Lc (1) Lc 1,71 .

 - jâsj`a (redden, bevrijden, verlossen) . jâsj`a (redden, bevrijden, verlossen) . Taalgebruik in Tenach : jâsj`a (redden, bevrijden, verlossen) .
--- jôsjî`a (hij zal redden). Hifil imperfectum 3de persoon enkelvoud. In 6 verzen in de bijbel. In 4 verzen in de Psalmen: (1) Ps 34,19 . (2) Ps 69,36 . (3) Ps 72,4 . (4) Ps 72,13 .
--- hôsj`a (red, bevrijd). Hifil imperatief, 2de persoon enkelvoud : (1) Jr 31,7 . (2) Ps 86,2 . hôsje`a (Hosea). Persoonsnaam; in 8 verzen
- Hifil imperatief + suffix 1ste persoon enkelvoud hatstsîlenî (ontruk mij, verlos mij) - libera ma . In 15 verzen in de bijbel: (1) Gn 32,12 . (2) Js 44,17 . In 13 verzen in de Psalmen : (1) Ps 31,3 . (2) Ps 31,16 . (3) Ps 34,5 . (4) Ps 39,9 . (5) Ps 51,16 . (6) Ps 54,9 . (7) Ps 59,2 . (8) Ps 59,3 . (9) Ps 69,15 . (10) Ps 109,21 . (11) Ps 119,170 . (12) Ps 142,7 . (13) Ps 143,9 .
--- thësjû`âthî (mijn redding, verlossing) . Zelfstandig naamwoord met suffix van het persoonlijk voornaamwoord eerste persoon enkelvoud. In deze vorm slechts in twee verzen in de bijbel : (1) Ps 38,23 . (2) Ps 51,16 .
--- zelfstandig naamwoord : tesjû`âh (redding, verlossing, heil) . In 2 verzen in de bijbel : Ps 38,23 en Ps 51,16 .

- תְשוּעָה = thësjû`âh (verlossing, redding) .
--- : sôtèria (redding) komt in tweeënvijftig verzen in de bijbel voor . In drieënveertig verzen in het OT . In acht verzen in het NT : (1) Lc 19,9 . (2) Joh 4,22 . (3) Hnd 4,12 . (4)
--- -- sôtèrias : genitief van sôtèria . De genitief komt in eenenvijftig verzen in de bijbel voor . In drieëndertig verzen in het OT . In achttien verzen in het NT : (1) Lc 1,69 . (2) Lc 1,77 . (3) Hnd 13,26 . (4) Hnd 16,17 . (5) Hnd 27,34 .
--- sôtèrion (redding) . In drieënveertig verzen in de bijbel . In negenendertig verzen in het OT . In drieëntwintig verzen in de Ps . In elf verzen in Js . In drie verzen in het NT : (1) Lc 2,30 . (2) Lc 3,6 . (3) Hnd 28,28 . In deze drie verzen is de redding gericht tot alle mensen .
--- sôzô (redden, verlossen) .
--- -- sôsai . Infinitief . In 39 verzen in de bijbel; in 26 verzen in het OT, in 13 verzen in het NT : (1) Mt 16,25 (// Mc 8,35 // Lc 9,24) . (2) Mt 27,42 (// Mc 15,31) . (3) Mc 3,4 (// Lc 6,9) .. (4) Mc 8,35 (//Mt 16,25 // Lc 9,24) . (5) Mc 15,31 (// Mt 27,42) . (6) Lc 6,9 (// Mc 3,4) . (7) Lc 9,24 (// Mc 8,35 // Mt 16,25) . (8) Lc 19,10 . (9)
--- -- sesôken (hij heeft gered / verlost) . In 7 verzen in de bijbel, enkel in het NT : (1) Mt 9,22 (// Mc 5,34 // Lc 8,48) . (2) Mc 5,34 (// Mt 9,2 // Lc 8,48) . (3) Mc 10,52 (// Lc 18,42) . (4) Lc 7,50 . (5) Lc 8,48 (Mc 5,34 // Mt 9,2) . (6) Lc 17,19 . (7) Lc 18,42 (// Mc 10,52) .

- sesôken (hij heeft gered / verlost) . In zeven verzen in de bijbel, enkel in het NT : (1) Mt 9,22 (// Mc 5,34 // Lc 8,48) . (2) Mc 5,34 (// Mt 9,2 // Lc 8,48) . (3) Mc 10,52 (// Lc 18,42) . (4) Lc 7,50 . (5) Lc 8,48 (Mc 5,34 // Mt 9,2) . (6) Lc 17,19 . (7) Lc 18,42 (// Mc 10,52) . In deze zeven verzen komt de uitdrukking hè pistis sou sesôken se = je geloof heeft je gered - je geloof is je redding) . Vier lettergrepen beginnen met s- . Vijf woorden . Acht lettergrepen . Het gaat om drie wonderverhalen en een verhaal van zondenvergeving van een vrouw die haar zonden berouwt . Bij de wonderverhaal gaat het om de genezing van een bloedvloeiende vrouw , van een blinde man en van een melaatse man . De 'genezings'formule is dus gericht tot twee vrouwen en twee mannen


- σπαρασσω = sparassô (door elkaar schudden, stuiptrekken)

- sparass˘ (door elkaar schudden, stuiptrekken) . σπαρασσω = sparassô (door elkaar schudden, stuiptrekken) . Taalgebruik in het NT : sparass˘ (door elkaar schudden, stuiptrekken) . Taalgebruik in de LXX : sparassô (door elkaar schudden, stuiptrekken) . Stam : sparasJ (halfklinker) -> sparassô .

- act. part. aor. nom + acc. onz. enk. σπαραξαν = sparaxan (stuiptrekkend) van het werkw. σπαρασσω = sparassô (door elkaar schudden, stuiptrekken) . Taalgebruik in het NT : sparassô (door elkaar schudden, stuiptrekken) . Taalgebruik in de LXX : sparassô (door elkaar schudden, stuiptrekken) . Stam : sparasJ (halfklinker) -> sparassô .
- verbuiging van het part. . Voor het mann. en het onz. wordt de 3de verbuiging gevolgd .

--- sparassei . Indicatief praesens derde persoon nominatief onzijdig enkelvoud .
--- eparaxen (hij schudde dooreen) . Indicatief aorist derde persoon enkelvoud . Da 8,7 .


- sparganoô (inwikkelen, bakeren) . σπαργανοω = sparganoô (inwikkelen, bakeren) . Taalgebruik in het NT : sparganoô (inwikkelen, bakeren) . Taalgebruik in de LXX : sparganoô (inwikkelen, bakeren) . Taalgebruik in Lc : sparganoô (inwikkelen, bakeren) . Ned. inwikkelen , Fr. envelloper (avec des langes) , langer , emmailloter - maillot = luier) , Lat. involvere .

  sparganoô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. aor. 3de pers. enk. esparganôsen                   
  pass. part. perf. acc. onz. enk. esparganomenon                    
                               


- esparganôsen (hij wikkelde in). Hapax in de bijbel , nl. Lc 2,7 .
- esparganomenon (ingewikkeld) . Hapax in de bijbel , nl. Lc 2,12 . Dit vers verwijst naar Lc 2,7 .


- σπειρω = speirô (spreiden, zaaien)

- speirô (spreiden, zaaien) . σπειρω = speirô (spreiden, zaaien) . Taalgebruik in het NT : speirô (spreiden, zaaien) . Taalgebruik in de LXX : speirô (spreiden, zaaien) . Taalgebruik in Mc : speirô (spreiden, zaaien) . Hebr. zâr`â . Lat. seminare . Zie N. sper-ma .

speirô (spreiden, zaaien)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. pr. 3de pers. enk. speirei                   
                             
act. part. pr. nom. mann. enk. speirôn   14       
act.  inf. pr. speirein              
pass. ind. pr. 3de pers. enk. speiretai           
                             
pass. part. aor. acc. mann. enk. esparmenon                
                             
totaal                            

- pass. ind. praes. 3de pers. enk. σπειρεται = speiretai van het werkw. σπειρω = speirô (spreiden, zaaien) . Taalgebruik in het NT : speirô (spreiden, zaaien) . Taalgebruik in de LXX : speirô (spreiden, zaaien) . LXX (2) : (1) Nu 20,5 . (2) Dt 21,4 . Mc (1) : Mc 4,15 . Br (4) : (1) 1 Kor 15,42 . (2) 1 Kor 15,43 (2X) . (3) 1 Kor 15,44 . (4) Jak 3,18 . Een vorm van σπειρω = speirô (spreiden, zaaien) in de LXX (62) , in het NT (52) .

speirô (spreiden, zaaien)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
pass. ind. pr. 3de pers. enk. speiretai           

- act. inf. aor. σπειραι = speirai (om te zaaien) van het werkw. σπειρω = speirô (spreiden, zaaien) . Taalgebruik in het NT : speirô (spreiden, zaaien) . Taalgebruik in de LXX : speirô (spreiden, zaaien) . Bijbel (2) : (1) Mc 4,3 . (2) Lc 8,5 . Een vorm van σπειρω = speirô (spreiden, zaaien) in de LXX (62) , in het NT (52) .

- naamw. σποριμος = sporimos (bezaaid, graanveld) . Zie het werkw. σπειρω = speirô (spreiden, zaaien) .

- gen. mann. mv. σποριμων = sporimôn van het naamw. σποριμος = sporimos (bezaaid, graanveld) . Zie het werkw. σπειρω = speirô (spreiden, zaaien) . Bijbel (3) : (1) Mt 12,1 . (2) Mc 2,23 . (3) Lc 6,1 . Een vorm van in de LXX () : (1) Gn 1,29 (2X) . (2) Lv 11,37 , in het NT (3) : (1) Mt 12,1 . (2) Mc 2,23 . (3) Lc 6,1 .


- sperma (zaad, nakomeling) . σπερμα = sperma (zaad, nakomeling) . Taalgebruik in het NT : sperma (zaad, nakomeling) . Taalgebruik in de LXX : sperma (zaad, nakomeling) . Hebr. zèra` (zaad, nageslacht, nakomeling) . Taalgebruik in Tenakh : zèra` (zaad, nageslacht, nakomeling) .

- dat. onz. enk. σπερματι = spermati van het zelfst. naamw. σπερμα = sperma (zaad, nakomeling) . Taalgebruik in het NT : sperma (zaad, nakomeling) . Taalgebruik in de LXX : sperma (zaad, nakomeling) .Bijbel (46) . OT (35) . NT (6) : (1) Lc 1,55 . (2) Hnd 3,25 . (3) Hnd 7,5 . (4) Rom 4,13 . (5) Rom 4,16 . (6) Gal 3,16 .
- tô(i) spermati (aan het zaad / nageslacht) . NT (6) : (1) Lc 1,55 . (2) Hnd 3,25 . (3) Hnd 7,5 . (4) Rom 4,13 . (5) Rom 4,16 . (6) Gal 3,16 (2X) .
- Hebr. lëzèra` (aan het zaad / nageslacht) . Tenakh : (1) Gn 47,24 . (2) Lv 18,20 . (3) Js 45,19 . (4) Ez 20,5 . (5) 2 Kr 20,7 .
- tô(i) spermati autou (aan zijn zaad ./ nageslacht) . NT (4) : (1) Lc 1,55 . (2) Hnd 7,5 . (3) Rom 4,13 . (4) Gal 3,16 . Hebr. lëzarë`ô (aan zijn zaad / nageslacht) . Tenakh (3) : (1) Gn 17,19 . (2) Neh 9,8 .
- kai tô(i) spermati autou (en aan zijn zaad ./ nageslacht) . NT (3) : (1) Lc 1,55 . (2) Hnd 7,5 . (3) Gal 3,16 . Hebr. ûlëzarë`ô (en aan zijn zaad / nageslacht) . Tenakh (6) : (1) Ex 28,43 . (2) Ex 30,21 . (3) Nu 24,13 (ûlëzara`ô) . (4) 2 S 22,51 . (5) 1 K 2,33 . (6) Ps 18,51 .

- gen. onz. enk. σπερματος = spermatos (van het zaad) van het zelfst. naamw. σπερμα = sperma (zaad, nakomeling) . Taalgebruik in het NT : sperma (zaad, nakomeling) . Taalgebruik in de LXX : sperma (zaad, nakomeling) . Bijbel (60) . LXX (52) . NT (8) . (1) Joh 7,42 . (2) Hnd 13,23 . (3)


- speudô of spoudazô (spoed maken, spoeden) . σπευδω of σπουδαζω = speudô of spoudazô (spoed maken, spoeden) . Taalgebruik in het NT : speudô of spoudazô (spoed maken, spoeden) . Taalgebruik in de LXX : speudô of spoudazô (spoed maken, spoeden) . Taalgebruik in Lc : speudô of spoudazô (spoed maken, spoeden) .

  speudô of spoudazô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. part. aor. nom. mann. mv. speusantes                  
                               

- act. part. aor. nom. mann. mv. σπευσαντες = speusantes (gehaast) van het werkw. σπευδω of σπουδαζω = speudô of spoudazô (spoed maken, spoeden) . Taalgebruik in het NT : speudô of spoudazô (spoed maken, spoeden) . Taalgebruik in de LXX : speudô of spoudazô (spoed maken, spoeden) . Taalgebruik in Lc : speudô of spoudazô (spoed maken, spoeden) . Bijbel (3) . OT (2) : (1) Gn 45,9 . (2) Joz 8,19 . NT = Lc (1) : Lc 2,16 . Een vorm van σπευδω = speudô in de LXX (66) , in het NT (6) : (1) Lc 2,16 . (2) Lc 19,5 . (3) Lc 19,6 . (4) Hnd 20,16 . (5) Hnd 22,18 . (6) 2 Pe 3,12 .

- spoudè (spoed, haast) . spoudè (spoed, haast) . Taalgebruik in het NT : spoudè (spoed, haast) . Taalgebruik in Lc : spoudè (spoed, haast) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  gen. vr. enk. spoudès              
                               

 


 

- splagchnizomai (zich ontfermen, medelijden hebben) . σπλαγχνιζω = splagchnizomai (zich ontfermen, medelijden hebben) . Taalgebruik in het NT : splagchnizomai (zich ontfermen, medelijden hebben) . Taalgebruik in Mc : splagchnizomai (zich ontfermen, medelijden hebben) .

- pass. part. aor. nom. mann. enk. σπλαγχνισθεις = splagchnistheis (door medelijden bewogen) van het werkw. σπλαγχνιζω = splagchnizomai (zich ontfermen, medelijden hebben) . Taalgebruik in het NT : splagchnizomai (zich ontfermen, medelijden hebben) . Taalgebruik in Mc : splagchnizomai (zich ontfermen, medelijden hebben) . Bijbel (4) :

  splagchnizomai  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  ind. praes. 1ste pers. enk. splagchnizomai                  
  ind. aor. 3de pers. enk. esplagchnisthè                
  ind. aor. nom. mann. enk. splagchnistheis                  
                               
                               

- spoudè (spoed, haast) . spoudè (spoed, haast) . Taalgebruik in het NT : spoudè (spoed, haast) . Taalgebruik in Lc : spoudè (spoed, haast) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  gen. vr. enk. spoudès              
                               
                               

- stachus (aar, halm) . σταχυς = stachus (aar, halm) . Taalgebruik in het NT : stachus (aar, halm) . Taalgebruik in de LXX : stachus (aar, halm) .

- acc. vr. mv. σταχυας = stachuas (aren) van het zelfst. naamw. σταχυς = stachus (aar, halm) . Taalgebruik in het NT : stachus (aar, halm) . Taalgebruik in de LXX : stachus (aar, halm) . Bijbel (6) . LXX (3) : (1) Gn 41,7 . (2) Gn 41,24 . (3) Re 15,5 . NT (3) : (1) Mt 12,1 . (2) Mc 2,23 . (3) Lc 6,1 . In het NT komt het voor in de parallelteksten .


stafulè (druif) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk     
nom. + dat. enk. stafulè 3 3                    
gen. enk. stafulès 10 10                    
dat. enk. stafulè(i)                        
acc. enk. stafulèn 10 9 1     1            
nom. mv. stafulai 1   1             1    
gen. mv. stafulôn                        
dat. mv. stafulais                        
acc. mv. stafulas 1   1 1                
Totaal   25 22 3 1   1       1    

stauroô (kruisigen) . stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in het NT : stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in Lc : stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in Hnd : stauroô (kruisigen) . Lat. crucifigere (crux - kruis ) . Fr. crucifier . Ned. kruisigen (k-r-) .

- staurousin (zij kruisigen) . Actief ind. pr. 3de pers . mv. . In 2 verzen : (1) Mc 15,24 (staurousin = zij kruisigen) // Mt 27,35 (staurôsantes = gekruidigd) // Lc 23,33 (estaurôsan (zij kruisigden) . (2) Mc 15,27 (staurousin = zij kruisigen) // Mt 27,38 (staurountai = zij worden gekruisigd) .

- staurôthènai (gekruisigd worden) . Passief inf. aor. In drie verzen : (1) Mt 26,2 . (2) Lc 23,23 // Mt 27,23 (staurôthètô = dat hij gekruisigd worde) // Mc 15,14 (staurôson = kruisig) . (3) Lc 24,7 (hoti dei ... staurôthènai = dat hij moet ... gekruisigd worden) .

stauroô (kruisigen)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. pr. 3de pers. enk. starousin                     
act. ind. aor. 3de pers. mv. estaurôsan            
act. part. aor. nom. mann. mv. staurôsantes                     
act. imperat. aor. 2de pers. enk. staurôson                
pass. ind. pr. 3de pers. enk. staurountai                    
pass. imperat. aor. 2de pers. enk. staurôthètô  3                  
pass. inf. aor. staurôthènai                 
pass. part. aor. acc. mann. enk.              
                             
totaal                            

- stauros (kruis) . stauros (kruis) . Taalgebruik in het NT : stauros (kruis) . Taalgebruik in Mc : stauros (kruis) .

  stauros (kruis)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. mann. enk. stauros                     
2 gen. mann. enk. staurou   13    13       
3 dat. mann. enk. staurô(i)                 
4 acc. mann. enk. stauron  10    10       
  totaal 28    28    11    13  17  11   

2. gen. mann. enk. σταυρου = staurou van het zelfstandig naamw. σταυρος = stauros (kruis) . Taalgebruik : stauroô (kruisigen) . Lat. crucifigere (crux - kruis ) . Fr. crucifier . Ned. kruisigen (k-r-) . Br. (6) : (1) 1 Kor 1,18 . (2) Gal 5,11 . (3) Ef 2,16 . (4) Fil 2,8 . (5) Fil 3,18 . (6) Kol 1,20 . Een vorm van σταυρος = stauros in het NT (27) .


- στεγαζω = stegadzô (bedekken, bedakken)

- stegadz˘ (bedekken, bedakken) . στεγαζω = stegadzô (bedekken, bedakken) . Taalgebruik in het NT : stegadz˘ (bedekken, bedakken) . Taalgebruik in de LXX : stegadzô (bedekken, bedakken) . Een vorm van het werkw. στεγαζω = stegadzô (bedekken, bedakken) in de LXX (5) : (1) 2 Kr 34,11 . (2) Ps 104,3 . (3) Neh 2,8 . (4) Neh 3,3 . (5) Neh 3,6 . In het NT (0) .


- στεγη = stegè (dak, deksel)

- stegŔ (dak, deksel) . στεγη = stegè (dak, deksel) . Taalgebruik in het NT : stegŔ (dak, deksel) . Taalgebruik in de LXX : stegè (dak, deksel) . Een vorm van στεγη = stegè (dak, deksel) in de LXX (2) : (1) Gn 8,13 . (2) Ez 40,43 . In het NT (3) : (1) Mt 8,8 . (2) Mc 2,4 . (3) Lc 7,6 .

- acc. vr. enk. στεγην = stegèn (dak) van het zelfst. naamw. στεγη = stegè (dak, deksel) . Taalgebruik in het NT : stegè (dak, deksel) . Taalgebruik in de LXX : stegè (dak, deksel) . Bijbel (4) . OT (1) : Gn 8,13 . NT (3) : (1) Mt 8,8 . (2) Mc 2,4 . (3) Lc 7,6 . Een vorm van στεγη = stegè (dak, deksel) in de LXX (2) : (1) Gn 8,13 . (2) Ez 40,43 . In het NT (3) : (1) Mt 8,8 . (2) Mc 2,4 . (3) Lc 7,6 .


- στεγω = stegô (dekken, bedekken, bedakken)

steg˘ (dekken, bedekken, bedakken) . στεγω = stegô (dekken, bedekken, bedakken) . Taalgebruik in het NT : steg˘ (dekken, bedekken, bedakken) . Taalgebruik in de LXX : stegô (dekken, bedekken, bedakken) . Een vorm van στεγω = stegô (dekken, bedekken, bedakken) in de LXX (1) : Sir 8,17 . In het NT (4) : (1) 1 Kor 9,12 . (2) 1 Kor 13,7 . (3) 1 Tes 3,1 . (4) 1 Tes 3,5 .


- steiros (onvruchtbaar) .

- nom. vr. enk. στειρα = steira van het bijvoegl. naamw. στειρος = steiros (onvruchtbaar) . Taalgebruik in het NT : steiros (onvruchtbaar) . Taalgebruik in de LXX : steiros (onvruchtbaar) . Een vorm van στειρος = steiros in de LXX (17) , in het NT (4) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,36 . (3) Lc 23,29 . (4) Gal 4,27 .
- Hebreeuws . עֲקָרָה = `äqârâh (onvruchtbaar) . Taalgebruik in Tenakh : `äqârâh (onvruchtbaar) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 60 (2² X 3 X 5) OF 375 (3 X 5³) . Structuur : 7 - 1 - 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (8) : (1) Gn 11,30 (Sara) . (2) Gn 25,21 (Rebekka) . (3) Gn 29,31 (Rachel) . (4) Re 13,2 (de moeder van Simson) . (5) Re 13,3 . (6) 1 S 2,5 (Hanna , de moeder van Samuël) . (7) Js 54,1 . (8) Job 24,21 . וְעֲקָרָה = wë`äqârâh (en onvruchtbaar) . Tenakh (2) : (1) Ex 23,26 . (2) Dt 7,14 . In deze 10 verzen heeft de LXX steira als vertaling .
- Lat. sterilis . Fr. stérile . Ned. onvruchtbaar . D. unfruchtbar . E. barren . Qoran : soera 3,40 .

  steiros  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. vr. enk. steira   14  10             
                               

- stenazô (zuchten) . Taalgebruik in het NT : stenazô (zuchten) . Taalgebruik in Mc : stenazô (zuchten) .

  stenazô (zuchten)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. estenaxen                  
                               
                               
                               
                               
                               
                               
                               
  totaal                            

- stere˘ma (sterkte, kracht, uitspansel) . στερεωμα = stereôma (sterkte, kracht, uitspansel) . Taalgebruik in het NT : stere˘ma (sterkte, kracht, uitspansel) . Taalgebruik in de LXX : stereôma (sterkte, kracht, uitspansel) . LXX (13) . Gn (4) : (1) Gn 1,6 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,8 . (4) Gn 1,20 .


- stigmè (punt, ogenblik) . stigmè (punt, ogenblik) . Taalgebruik in het NT : stigmè (punt, ogenblik) . Taalgebruik in Lc : stigmè (punt, ogenblik) .

  stigmè  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + dat. vr. enk. stigmè(i)                  
                               
                               

 

- stolè (kleed) . stolè (kleed) . Taalgebruik in het NT : stolè (kleed) . Taalgebruik in Mc : stolè (kleed) .

  stolè (kleed)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. + dat. vr. enk. stolè(i)                      
2 gen. vr. enk. stolès                         
3 acc. vr. enk. stolèn   40  38               
4 nom. vr. mv. stolai                          
5 dat. vr. mv. stolais               
6 acc. vr. mv. stolas  33  29                     
  totaal 87  78                 

- στομα = stoma (mond)

- stoma (mond) . στομα = stoma (mond) . Taalgebruik in het NT : stoma (mond) . Taalgebruik in de LXX : stoma (mond) . Taalgebruik in Lc : stoma (mond) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  gen. onz. enk. stomatos   154  122  32      10  10 
                               

- στρατιοτης = stratiôtès (strijder, soldaat)

- strati˘tŔs (strijder, soldaat) . στρατιοτης = stratiôtès (strijder, soldaat) . Taalgebruik in het NT : strati˘tŔs (strijder, soldaat) . Taalgebruik in de LXX : stratiôtès (strijder, soldaat) .

- nom. mann. mv. στρατιωται = stratiôtai (strijders, soldaten) van het zelfst. naamw. στρατιωτης = stratiôtès (strijder, soldaat) . Taalgebruik in het NT : stratiôtès (strijder, soldaat) . Taalgebruik in de LXX : stratiôtès (strijder, soldaat) . Bijbel (9) : (1) Mt 27,27 . (2) Mc 15,16 . (3) Lc 23,36 . (4) Joh 19,2 . (5) Joh 19,23 . (6) Joh 19,24 . (7) Joh 19,32 . (8) Hnd 23,31 . (9) Hnd 27,32 .


- stref˘ (draaien, wenden, (om)keren) . στρεφω = strefô (draaien, wenden, (om)keren) . Taalgebruik in het NT : stref˘ (draaien, wenden, (om)keren) . Taalgebruik in de LXX : strefô (draaien, wenden, (om)keren) .

- pass. part. aor. nom. mann. enk. στραφεις = strafeis (omgekeerd) van het werkw. στρεφω = strefô (draaien, wenden, (om)keren) . Taalgebruik in het NT : strefô (draaien, wenden, (om)keren) . Taalgebruik in de LXX : strefô (draaien, wenden, (om)keren) . Bijbel = NT (10) : (1) Mt 9,22 . (2) Mt 16,23 . (3) Lc 7,9 . (4) Lc 7,44 . (5) Lc 9,55 . (6) Lc 10,23 . (7) Lc 14,25 . (8) Lc 22,61 . (9) Lc 23,28 . (10) Joh 1,38 . Een vorm van στρεφω = strefô in de LXX (43) , in het NT (21) , in Lc (7) .

--

- stugnazô (treurig, somber zijn) . stugnazô (treurig, somber zijn) . Taalgebruik in het NT : stugnazô (treurig, somber zijn) . Taalgebruik in Mc : stugnazô (treurig, somber zijn) .

  stugnazô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. part. aor. nom. mann. enk. stugnasas                     
                               


-- suggeneia (verwantschap, familiebanden) -- suggenès (op hetzelfde ogenblik geboren, verwant) -- sugkaleô (samenroepen) -- sukè (vijgeboom) -- sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) -- sumboulion (raadsbesluit) -- sunplèroô (samen vol maken, vervullen) -- sumporeuomai (samengaan, meetrekken, samenkomen) -- sun (met) -- sunagôgè (synagoge) -- sunagô (samendrijven, verzamelen) -- sunagôgè (synagoge) -- sunchairô (blij zijn met) -- sunplèroô (samen vol maken, vervullen) -- sunedrion -- sunerchomai (samenkomen) -- sunièmi (samenvatten, begrijpen, verstaan) -- sunlaleô (samenspreken) -- sunochè (beklemming, angst) -- sunteleô (voltooien) -- suntribô (stuk slaan, tegen elkaar wrijven) -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -



- suggeneia (verwantschap, familiebanden) . suggeneia (verwantschap, familiebanden) . Taalgebruik in het NT : suggeneia (verwantschap, familiebanden) . Taalgebruik in Lc : suggeneia (verwantschap, familiebanden) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  gen. vr. enk. suggeneias   29  27               
                               

- suggenès (op hetzelfde ogenblik geboren, verwant) . suggenès (op hetzelfde ogenblik geboren, verwant) . Taalgebruik in het NT : suggenès (op hetzelfde ogenblik geboren, verwant) . Taalgebruik in Lc : suggenès (op hetzelfde ogenblik geboren, verwant) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  nom. mann. mv. suggeneis             2                  
                               

- συγκαλεω = sugkaleô (samenroepen)

- sugkale˘ (samenroepen) . συγκαλεω = sugkaleô (samenroepen) . Taalgebruik in het NT : sugkale˘ (samenroepen) . Taalgebruik in de LXX : sugkaleô (samenroepen) .

- act. ind. praes. 3de pers. enk. συγκαλει = sugkalei (hij / zij roept samen) van het werkw. συγκαλεω = sugkaleô (samenroepen) . Taalgebruik in het NT : sugkaleô (samenroepen) . Taalgebruik in de LXX : sugkaleô (samenroepen) . Bijbel (2) : (1) Lc 15,6 . (2) Lc 15,9 .


- sukè (vijgeboom) . sukè (vijgeboom) . Taalgebruik in het NT : sukè (vijgeboom) . Taalgebruik in Mc : sukè (vijgeboom) . Taalgebruik in Lc : sukè (vijgeboom) .

  sukè   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. vr. enk. sukè + dat. vr. enk. sukè(i) 13  1      
gen. vr. enk. sukès              
acc. vr. enk. sukèn            
4 nom. vr. mv. sukai                          
5 gen. vr. mv. sukôn                  
6 dat. vr. mv. sukais                          
7 acc. vr. mv. sukas                          
  Totaal                             

- συλλαμβανω = sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden)

- sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . συλλαμβανω = sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Taalgebruik in het NT : sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Taalgebruik in de LXX : sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Taalgebruik in Lc : sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) .

  sullambanô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. fut. 2de pers. enk. sullèmpsè(i)                    
  act. part. aor. nom. mann. mv. sullabontes                  
                               

- act. ind. fut. 2de pers. enk. συλλημψῃ = sullèmpsè(i) (jij zult zwanger worden) van het werkw. συλλαμβανω = sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Taalgebruik in het NT : sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Taalgebruik in de LXX : sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Taalgebruik in Lc : sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Lc (1) Lc 1,31 . Een vorm van συλλαμβανω = sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) in de LXX (118) , in het NT (16) , in Lc (7) : (1) Lc 1,24 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 2,21 . (5) Lc 5,7 . (6) Lc 5,9 . (7) Lc 22,54 .

- De werkwoordvorm act. ind. aor. 3de pers. enk. συνελαβεν = sunelaben (zij werd zwanger) van het werkw. συλλαμβανω = sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Taalgebruik in het NT : sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Taalgebruik in de LXX : sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Taalgebruik in Lc : sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Bijbel (29) . LXX (28) . Pentateuch (9) : (1) Gn 16,4 . (2) Gn 29,32 . (3) Gn 29,33 . (4) Gn 29,34 . (5) Gn 30,5 . (6) Gn 30,7 . (7) Gn 30,10 . (8) Gn 30,12 . (9) Gn 30,19 . NT (1) : Lc 1,24 .


- συλλυπεομαι = sullupeomai (med. refl.: zich mee bedroeven, zich diep bedroeven, medelijden hebben)

- sullupeomai (med. refl.: zich mee bedroeven, zich diep bedroeven, medelijden hebben) . συλλυπεομαι = sullupeomai (med. refl.: zich mee bedroeven, zich diep bedroeven, medelijden hebben) . Taalgebruik in het NT : sullupeomai (med. refl.: zich mee bedroeven, zich diep bedroeven, medelijden hebben) . Taalgebruik in de LXX : sullupeomai (med. refl.: zich mee bedroeven, zich diep bedroeven, medelijden hebben) .

- med. part. praes. nom. mann. enk. συλλυπουμενος = sullupoumenos (diep bedroefd) van het werkw. συλλυπεομαι = sullupeomai (med. refl.: zich mee bedroeven, zich diep bedroeven, medelijden hebben) . Taalgebruik in het NT : sullupeomai (med. refl.: zich mee bedroeven, zich diep bedroeven, medelijden hebben) . Taalgebruik in de LXX : sullupeomai (med. refl.: zich mee bedroeven, zich diep bedroeven, medelijden hebben) . Bijbel (1) : Mc 3,5 .

sumboulion (raadsbesluit) . συμβουλιον = sumboulion (raadsbesluit) . Taalgebruik in het NT : sumboulion (raadsbesluit) . Taalgebruik in de LXX : sumboulion (raadsbesluit) . Taalgebruik in Mc. : sumboulion (raadsbesluit) . Bijbel = NT : (1) Mt 12,14 // Mc 3,6 . (2) Mt 22,15 . (3) Mt 27,1 // Mc 15,1 . (4) Mt 27,7 . (5) Mt 28,12 . (6) Mc 3,6 // Mt 12,14 . (7) Mc 15,1 // Mt 27,1 .

  sumboulion (raadsbesluit)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                   

           
Mc 3,2 Mc 3,6 Mc 12,12 - Mc 12,13 Mc 15,1 Mc 15,3 Mc 15,4
kai ekselthontes (naar buiten gegaan)  kai afentes auton apèlthon (en hem achtergelaten gingen weg) kai euthus (en terstond) prôi ('s morgens)    
  hoi Farisaioi euthus meta tôn Hèrôdianôn (de Farizeeën terstond met de Herodianen)   kai apostellousin pros auton tinas tôn Farisaiôn kai tôn Hèrodianôn (en zij zenden naar hem sommige Farizeeën en Herodianen) sumboulion hetoimasantes (een besluit genomen)    
paretèroun auton... (zij hielden hem in het oog) sumboulion edidoun (namen het besluit) kat'autou (tegen hem)   hoi archiereis meta tôn presbuterôn kai grammateôn kai holon to sunedrion (de hogepriesters samen met de priesters en schriftgeleerden en heel het sanhedrin)    
hina (opdat) hopôs (opdat)   hina (opdat)      
  auton (hem)  auton (hem)       
katègorèsôsin autou (zij hem zouden beschuldigen) apolesôsin  (zij zouden ombrengen) agreusôsin logôi (zij met het woord zouden vangen)     kai katègoroun autou hoi archiereis polla (en de hogepriesters beschuldigden hem van vele dingen) ide posa sou katègorousin (zie van zovele dingen beschuldigen zij u)
 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 -   95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 -  290. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer : Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 - 336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 -
 338. Jezus vóór Pilatus : Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 -
  338. Jezus vóór Pilatus : Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 -

- sunplèroô (samen vol maken, vervullen) . συμπληροω = sumplèroô (samen vol maken, vervullen) . Taalgebruik in het NT : sunplèroô (samen vol maken, vervullen) . Taalgebruik in de LXX : sunplèroô (samen vol maken, vervullen) . Taalgebruik in Lc : sunplèroô (samen vol maken, vervullen) . Taalgebruik in Hnd : sunplèroô (samen vol maken, vervullen) .

- med. + pass. ind. imperf. 3de pers. mv. συνεπληρουντο = suneplèrounto (en zij werden volgemaakt / zij werden overspoeld) van het werkw. συμπληροω = sumplèroô (samen vol maken, vervullen) . Taalgebruik in het NT : sunplèroô (samen vol maken, vervullen) . Taalgebruik in de LXX : sunplèroô (samen vol maken, vervullen) . Taalgebruik in Lc : sunplèroô (samen vol maken, vervullen) . Taalgebruik in Hnd : sunplèroô (samen vol maken, vervullen) . Bijbel = Lc (1) : Lc 8,23 . Een vorm van συμπληροω = sumplèroô in de LXX (-) , in het NT (3) , in Lc (2) : (1) Lc 8,23 . (2) Lc 9,51 , in Hnd : Hnd 2,1 .


- συμπορευομαι = sumporeuomai (samengaan, meetrekken, samenkomen)

- sumporeuomai (samengaan, meetrekken, samenkomen) . συμπορευομαι = sumporeuomai (samengaan, meetrekken, samenkomen) . Taalgebruik in het NT : sumporeuomai (samengaan, meetrekken, samenkomen) . Taalgebruik in de LXX : sumporeuomai (samengaan, meetrekken, samenkomen) . Een vorm van συμπορευομαι = sumporeuomai in de LXX (26) , in het NT (3) : (1) Mc 10,1 . (2) Lc 7,11 . (3) Lc 14,25 . (4) Lc 24,15 .

- ind. imperf. 3de pers. mv. συνεπορευοντο = suneporeuonto (zij gingen mee op weg) van het werkw. συμπορευομαι = sumporeuomai (samengaan, meetrekken, samenkomen) . Taalgebruik in het NT : sumporeuomai (samengaan, meetrekken, samenkomen) . Taalgebruik in de LXX : sumporeuomai (samengaan, meetrekken, samenkomen) . NT (3) : (1) Re 11,40 . (2) Lc 7,11 . (3) Lc 14,25 . Een vorm van συμπορευομαι = sumporeuomai in de LXX (26) , in het NT (3) : (1) Mc 10,1 . (2) Lc 7,11 . (3) Lc 14,25 . (4) Lc 24,15 .

- και συνεπορευοντο αυτῳ (en zij trokken met hem mee) . NT (1) : Lc 7,11 .
- συνεπορευοντο δε αυτῳ (zij echter trokken met hem mee) . NT (1) : Lc 14,25 .


- sun (met) . συν = sun (met) . Taalgebruik in het NT : sun (met) . Taalgebruik in de LXX : sun (met) . Taalgebruik in Mc : sun (met) . Taalgebruik in Lc : sun (met) . Taalgebruik in Hnd : sun (met) .

Hebr. bë (in, met) . Taalgebruik in Tenakh : bë (in, met) . Lat. cum . Ned. met . D. mit . E. with . Fr. avec < apud - hoc .

  sun (met)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
    298  174  124  23  49  39    33  36     

- συναγω = sunagô (samendrijven, verzamelen)

- sunagô (samendrijven, verzamelen) . συναγω = sunagô (samendrijven, verzamelen) . Taalgebruik in NT : sunagô (samendrijven, verzamelen) . Taalgebruik in de LXX : sunagô (samendrijven, verzamelen) . Een vorm van συναγω = sunagô (samendrijven, verzamelen) in de LXX (377) , in het NT (59) .

Een vorm van συναγω = sunagô is 127 X vertaling van ´âsaph , 73 X van qâbhatz , 8 X van qâhal . Nog 47 andere Hebreeuwse woorden worden met συναγω = sunagô weergegeven .

sunagô (verzamelen)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
pr. 3de pers. enk. sunagetai    1 : Mc 4,1 .              
pr. 3de pers. mv. sunagontai    2 : (1) Mc 6,30 . (2) Mc 7,1 .              
fut. 3de pers. enk. sunaxei  14  13  1 : Mt 3,12 .                
fut. 1ste pers. enk. sunaxô
24
22
2
   
2 :
       
2
2
   
ind. aor. 3de pers. mv. sunègagon 21 17 4 2     2              
pass. aor. 3de pers. enk. sunèchthè  12    1 : Mc 5,21 . 1 : Lc 22,66 . 1 : Joh 18,2 . 1 : Hnd 13,44 .        
pass. aor. 3de pers. mv.  sunèchtèsan 57  48  5 : (1) Mt 13,2 . (2) Mt 22,34 . (3) Mt 26,3 . (4) Mt 26,57 . (5) Mt 27,62 . 1 : Mc 2,2 .     3 : (7) Hnd 4,26 . (8) Hnd 4,27 . (9) Hnd 15,6 .        
pass. fut. 3de pers. mv. sunachtèsontai   10  2 : (1) Mt 24,28 . (2) Mt 25,32 .                
pass. inf. aor. sunachtènai           2 : (1) Hnd 4,5 . (2) Hnd 11,26 .            
                             
                             

- Een vorm van συναγω = sunagô (verzamelen) in Mc in 5 verzen :
(1) Mc 2,2 (med. ind. aor. 3de pers. mv. sunèchthèsan = zij verzamelden zich) .
(2) Mc 4,1 (med. ind. praes. 3de pers. enk. sunagetai = 'het volk' verzamelt zich) .
(3) Mc 5,21 (mediaal. aor. 3de pers. enk. mv.  sunèchthè = het verzamelde zich) .
(4) Mc 6,30 (med. ind. praes. 3de pers. mv. sunagontai = zij verzamelen zich) .
(5) Mc 7,1 (med. ind. praes. 3de pers. mv. sunagontai = zij verzamelen zich) .
Telkens wordt er rond Jezus verzameld .

sunèchthèsan (zij lieten zich samendrijven, zij verzamelden zich) . Passief aorist derde persoon meervoud . In zevenenvijftig verzen in de bijbel . In achtenveertig verzen in het OT : Ps 2,2 .
- sunachthènai . In twee verzen in het NT : (1) Hnd 4,5 : egeneto de epi tèn aurion sunachthènai = het gebeurde echter bij de morgen dat zich verzamelden . (2) Hnd 11,26 .
--- In Mc 1,33 lezen we : kai èn holè hè polis episunègmenè pros tèn thuran (en de hele stad was verzameld bij de deur) . Slechts in Mc 1,33 .
In al deze vormen vinden we het werkwoord sunagomai. Van dit werkwoord is het zelfstandig naamwoord sunagôgè (synagoge, bijeenkomst) afgeleid . In Mc 1,21-28 is er synagogebijeenkomst op sabbat . 's Avonds , op de eerste dag van de week , verzamelde de hele stad bij de deur van het huis waar Jezus was . Het is een verzameling rond Jezus . Wil de bijeenkomst van het volk of andere personen waarin het werkwoord sunagomai (bijeenkomen) wordt gebruikt , suggeren dat het gaat om een bijeenkomst op de eerste dag van de week ?

- sunagôgè (synagoge) . Nominatief vrouwelijk enkelvoud of sunagôgèi : datief vrouwelijk enkelvoud . Nominatief vrouwelijk enkelvoud : (1) Hnd 17,1 : hopou èn sunagogè tôn Ioudaiôn = waar een synagoge van de joden was (Thessalonica) . (2) Apk 2,9 .
--- eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) . Taalgebruik : sunagô (bijeendrijven, verzamelen) , zie Mc 2,2 . In elf verzen in het NT : (1) Mt 12,9 . (2) Mc 1,21 . (3) Mc 3,1 . (4) Lc 4,16 : kai eisèlthen ... eis tèn sunagôgèn = en hij ging naar de synagoge . (5) Lc 6,6 : eiselthein auton eis tèn synagôgèn kai didaskein = hij zelf ging naar de synagoge en onderrichtte . (6) Hnd 13,14 : (eis) elthontes eis tèn synagôgèn = gegaan naar de synagoge (Antiochië van Pisidië) . (7) Hnd 14,1 : eiselthein autous eis tèn synagôgèn tôn Ioudaiôn = zij gingen naar de synagoge van de joden . (8) Hnd 17,10 : eis tèn sunagôgèn tôn Ioudaiôn = naar de synagoge van de joden (Bera) . . (9) Hnd 18,19 : eiselthôn eis tèn sunagôgèn : gegaan naar de synagoge (Efese) . (10) Hnd 19,8 : eiselthôn de eis tèn sunagôgèn : gegaan echter naar de synagoge (Efese) . (11) Jak 2,2 . In negen van de elf verzen staat een vorm van het werkwoord eiserchomai (gaan naar, binnengaan) bij de bepaling eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) .
--- en tèi sunagôgèi (in de synagoge) : (1) Mt 13,54 . (2) Mc 1,23 . (3) Mc 6,2 . (4) Lc 4,20 . (5) Lc 4,28 . (6) Lc 4,33 : kai en tèi sunagôgèi èn = en in de synagoge was er . (7) Joh 18,20 . (8) Hnd 17,17 (Athene) . (9) Hnd 18,4 (Korinte) . (10) Hnd 18,26 . en sunagôgèi (in een synagoge) : (1) Joh 6,59 . (2) Joh 18,20 . tèi sunagôgèi : Hnd 18,7 .
--- sunagogeis . Nominatief vrouwelijk meervoud .

--- sunagôgôn . Genitief meervoud . In Lc 13,10 : èn de didaskôn en miai tôn sunagôgôn = hij echter was onderrichtend in één van de synagogen .
--- sunagôgais . Datief vrouwelijk meervoud . In dertien verzen in de bijbel . In twee verzen in het OT . In vijftien verzen in het NT : (9) Lc 4,15 : kai autos edidasken en tais sunagôgais autôn = en hij zelf onderrichtte in hun synagogen . . (10) Lc 11,43 . (11) Lc 20,46 . (12) Hnd 9,20 : kai eutheôs ekèrussen en tais sunagôgais = en terstond verkondigde hij in de synagogen (Damaskus) . (13) : Hnd 13,5 ... katèggeilon ... en tais sunagôgais tôn Ioudaiôn = zij verkondigden in de synagogen van de joden (Salamis op Cyprus) . (14) Hnd 15,21 . (15) Hnd 24,12 .
--- sunagôgas . Accusatief meervoud . In veertien verzen in de bijbel . In zes verzen in het OT . In acht verzen in het NT : (3) Lc 4,44 : kai èn kèrussôn eis tas sunagôgas tès Ioudaias = en hij was verkondigend in de synagogen van Judea . (4) Lc 12,11 . (5) Lc 12,11 . (6) Hnd 9,2 . (7) Hnd 22,19 . (8) Hnd 26,11 .

sunèchthèsan (zij lieten zich samendrijven, zij verzamelden zich) . Passief aorist derde persoon meervoud . In zevenenvijftig verzen in de bijbel . In achtenveertig verzen in het OT : Ps 2,2 . In negen verzen in het NT . (1) Mt 13,2 . (2) Mt 22,34 . (3) Mt 26,3 . (4) Mt 26,57 . (5) Mt 27,62 . (6) Mc 2,2 . (7) Hnd 4,26 . (8) Hnd 4,27 . (9) Hnd 15,6 .

--- sunachthènai . Passief infinitief aorist . In zes verzen in de bijbel . In vier verzen in het OT . In twee verzen in het NT : (1) Hnd 4,5 : egeneto de epi tèn aurion sunachthènai = het gebeurde echter bij de morgen dat zich verzamelden . (2) Hnd 11,26 .
--- sunèchthèsontai (zij lieten zich samendrijven) . Passief aorist derde persoon meervoud . In zevenenvijftig verzen in de bijbel . In achtenveertig verzen in het OT . In negen verzen in het NT . In vijf verzen bij Matteüs . In het Marcusevangelie enkel in Mc 2,2 in deze vorm . In drie verzen in Hnd .
--- sunèchthè (hij liet zich samendrijven, hij verzamelde) . In twaalf verzen in de bijbel . In acht verzen in het OT . In vier verzen in het NT . In het Marcusevangelie vinden we het enkel in Mc 5,21 .
--- sunagontai (zij laten zich samendrijven , zij komen bijeen , zij verzamelen zich) . In vijf verzen in de bijbel . In drie verzen in het OT . We vinden het in Mc 6,30 en Mc 7,1 .
--- sunagetai (laat zich samendrijven) . In één vers in het OT en in Mc 4,1 .
--- sunaxei (hij zal verzamelen) .
--- In Mc 1,33 lezen we : kai èn holè hè polis episunègmenè pros tèn thuran (en de hele stad was verzameld bij de deur) . Slechts in Mc 1,33 .
In al deze vormen vinden we het werkwoord sunagomai. Van dit werkwoord is het zelfstandig naamwoord sunagôgè (synagoge, bijeenkomst) afgeleid . In Mc 1,21-28 is er synagogebijeenkomst op sabbat . 's Avonds , op de eerste dag van de week , verzamelde de hele stad bij de deur van het huis waar Jezus was . Het is een verzameling rond Jezus . Wil de bijeenkomst van het volk of andere personen waarin het werkwoord sunagomai (bijeenkomen) wordt gebruikt , suggeren dat het gaat om een bijeenkomst op de eerste dag van de week ?


- συναγωγη = sunagôgè (synagoge)

- sunagôgè (synagoge) . συναγωγη = sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in het NT : sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in de LXX : sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in Mc : sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in Lc : sunagôgè (synagoge) .

sunagôgè (synagoge)    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat. vr. enk. sunagôgè(i)     102  88  14       
gen. vr. enk. sunagôgès     64  58           
acc. vr. enk. sunagôgèn     62  50  12       
nom. vr. mv. sunagôgai                           
gen. vr. mv. sunagôgôn                     
dat. vr. mv. sunagôgais    17  15        11  11     
acc. vr. mv.  sunagôgas   14             
totaal   261  205  56  15  19  32  34     

In de LXX is sunagôgè voor het merendeel de vertaling van `edâh , in mindere mate van qâhal , en in drie verzen van ´âsaph : (1) Ex 23,16 (bë´âsëpëkhâ = en tè sunagôgèi) . (2) Ex 34,22 (wechag hâ´âsîph = heortèn sunagôgès) . (3) ? .

sunagôgè (synagoge)  NT Mt Mc Lc Joh syn.  ev.  Hnd Br. Apk
nom. + dat. vr. enk. sunagôgè(i) 14  1 : Mt 13,54 . 2 : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 6,2 . 3 : (1) Lc 4,20 . (2) Lc 4,28 . (3) Lc 4,33 . 2 : (1) Joh 6,59 . (2) Joh 18,20 . 6 : (1) Mt 13,54 // Mc 6,2 // Lc 4,16 . (2) Mc 1,23 // Lc 4,33 . 5 : (1) Hnd 17,1 . (2) Hnd 17,17 . (3) Hnd 18,4 . (4) Hnd 18,7 . (5) Hnd 18,26 .   1 : Apk 2,9 .
gen. vr. enk. sunagôgès     1 : Mc 1,29 . 2 : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 8,41 .   3 : (1) Mc 1,29 // Lc 4,38 . 2 : (1) Hnd 6,9 . (2) Hnd 13,43 .   1 : Apk 3,9 .
acc. vr. enk. sunagôgèn   12  1 : Mt 12,9 . 2 : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 3,1 . 3 : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 6,6 . (3) Lc 7,5 .   6 : (1) Mt 12,9 // Mc 3,1 // Lc 6,6 . (2) Mc 1,21 // Lc 4,16 . 5 : (1) Hnd 13,14 . (2) Hnd 14,1 . (3) Hnd 17,10 . (4) Hnd 18,19 . (5) Hnd 19,8 . 1 : Jak 2,2 .  
gen. vr. mv. sunagôgôn      1 : Lc 13,10 .        
dat. vr. mv. sunagôgais  15  7 : (1) Mt 4,23 . (2) Mt 6,2 . (3) Mt 6,5 . (4) Mt 9,35 . (5) Mt 10,17 . (6) Mt 23,6 . (7)Mt 23,34 . 1 : Mc 12,39 . 3 : (1) Lc 4,15 . (2) Lc 11,43 . (3) Lc 20,46 .   11 : (1) Mt 4,23 // Mc 1,39 // Lc 4,44 . (2) Mt 10,17 // Mc 13,9 // Lc 21,12 . (3) Mt 23,6 // Mc 12,39 // Lc 20,46 . 11  4 : (1) Hnd 9,20 . (2) : Hnd 13,5 . (3) Hnd 15,21 . (4) Hnd 24,12 .    
acc. vr. mv.  sunagôgas   2 : (1) Mc 1,39 . (2) Mc 13,9 . 3 : (1) Lc 4,44 . (2) Lc 12,11 . (3) Lc 21,12 .   3 : (1) Hnd 9,2 . (2) Hnd 22,19 . (3) Hnd 26,11 .    
totaal 56  15  32  34  19 
en tè(i) sunagôgè(i)  11 (-3)              niet in : (1) Hnd 17,1 (nom) . (2) Hnd 18,7 (dat) .   niet in Apk 2,9 (nom) .  
ek tès sunagôgès 5 (- 1)      

niet in Lc 8,41 .  

           
eis (tèn) sunagôgèn 11 (- 1) 2 (niet in  Lc 7,5 )        
en tais sunagôgais 17 (+ 2)   +  Mc 13,9 . + Lc 4,44 .              

dat. vr. mv. συναγωγαις = sunagôgais van het zelfst. naamw. συναγωγη = sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in het NT : sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in de LXX : sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in Lc : sunagôgè (synagoge) . Lc (3) : (1) Lc 4,15 . (2) Lc 11,43 . (3) Lc 20,46 . Een vorm van συναγωγη = sunagôgè (synagoge) in Lc (15) : (1) Lc 4,15 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,20 . (4) Lc 4,28 . (5) Lc 4,33 . (6) Lc 4,38 . (7) Lc 4,44 . (8) Lc 6,6 . (9) Lc 7,5 . (10) Lc 8,41 . (11) Lc 11,43 . (12) Lc 12,11 . (13) Lc 13,10 . (14) Lc 20,46 . (15) Lc 21,12 .

- Nominatief vrouwelijk enkelvoud of sunagôgèi : datief vrouwelijk enkelvoud . In veertien verzen in het NT . Nominatief vrouwelijk enkelvoud : (1) Hnd 17,1 : hopou èn sunagogè tôn Ioudaiôn = waar een synagoge van de joden was (Thessalonica) . (2) Apk 2,9 .
--- eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) . NT (11) : (1) Mt 12,9 . (2) Mc 1,21 . (3) Mc 3,1 . (4) Lc 4,16 : kai eisèlthen ... eis tèn sunagôgèn = en hij ging naar de synagoge . (5) Lc 6,6 : eiselthein auton eis tèn synagôgèn kai didaskein = hij zelf ging naar de synagoge en onderrichtte . (6) Hnd 13,14 : (eis) elthontes eis tèn synagôgèn = gegaan naar de synagoge (Antiochië van Pisidië) . (7) Hnd 14,1 : eiselthein autous eis tèn synagôgèn tôn Ioudaiôn = zij gingen naar de synagoge van de joden . (8) Hnd 17,10 : eis tèn sunagôgèn tôn Ioudaiôn = naar de synagoge van de joden (Bera) . . (9) Hnd 18,19 : eiselthôn eis tèn sunagôgèn : gegaan naar de synagoge (Efese) . (10) Hnd 19,8 : eiselthôn de eis tèn sunagôgèn : gegaan echter naar de synagoge (Efese) . (11) Jak 2,2 . In negen van de elf verzen staat een vorm van het werkwoord eiserchomai (gaan naar, binnengaan) bij de bepaling eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) .
--- en tèi sunagôgèi (in de synagoge) : (1) Mt 13,54 . (2) Mc 1,23 . (3) Mc 6,2 . (4) Lc 4,20 . (5) Lc 4,28 . (6) Lc 4,33 : kai en tèi sunagôgèi èn = en in de synagoge was er . (7) Joh 18,20 . (8) Hnd 17,17 (Athene) . (9) Hnd 18,4 (Korinte) . (10) Hnd 18,26 . en sunagôgèi (in een synagoge) : (1) Joh 6,59 . (2) Joh 18,20 . tèi sunagôgèi : Hnd 18,7 .
--- sunagogeis . Nominatief vrouwelijk meervoud .

In de LXX is sunagôgè voor het merendeel de vertaling van `edâh , in mindere mate van qâhal , en in drie verzen van ´âsaph : (1) Ex 23,16 (bë´âsëpëkhâ = en tè sunagôgèi) . (2) Ex 34,22 (wechag hâ´âsîph = heortèn sunagôgès) . (3) ? .
--- sunagôgôn . Genitief meervoud . In Lc 13,10 : èn de didaskôn en miai tôn sunagôgôn = hij echter was onderrichtend in één van de synagogen .
--- sunagôgais . Datief vrouwelijk meervoud . In dertien verzen in de bijbel . In twee verzen in het OT . In vijftien verzen in het NT : (9) Lc 4,15 : kai autos edidasken en tais sunagôgais autôn = en hij zelf onderrichtte in hun synagogen . . (10) Lc 11,43 . (11) Lc 20,46 . (12) Hnd 9,20 : kai eutheôs ekèrussen en tais sunagôgais = en terstond verkondigde hij in de synagogen (Damaskus) . (13) : Hnd 13,5 ... katèggeilon ... en tais sunagôgais tôn Ioudaiôn = zij verkondigden in de synagogen van de joden (Salamis op Cyprus) . (14) Hnd 15,21 . (15) Hnd 24,12 .
--- sunagôgas . Accusatief meervoud . In veertien verzen in de bijbel . In zes verzen in het OT . In acht verzen in het NT : (3) Lc 4,44 : kai èn kèrussôn eis tas sunagôgas tès Ioudaias = en hij was verkondigend in de synagogen van Judea . (4) Lc 12,11 . (5) Lc 12,11 . (6) Hnd 9,2 . (7) Hnd 22,19 . (8) Hnd 26,11 .


- sunanakeimai (samen aanliggen) . συνανακειμαι = sunanakeimai (samen aanliggen) . Taalgebruik in het NT : sunanakeimai (samen aanliggen) . Taalgebruik in de LXX : sunanakeimai (samen aanliggen) . Een vorm van συνανακειμαι = sunanakeimai (samen aanliggen) in de LXX (1) , in het NT (7) .

- ind. imperf. 3de pers. mv. συνανεκειντο = sunanekeinto (zij lagen samen aan) van het werkw. συνανακειμαι = sunanakeimai (samen aanliggen) . Taalgebruik in het NT : sunanakeimai (samen aanliggen) . Taalgebruik in de LXX : sunanakeimai (samen aanliggen) . Bijbel (2) : (1) Mt 9,10 . (2) Mc 2,15 . Een vorm van συνανακειμαι = sunanakeimai (samen aanliggen) in de LXX (1) , in het NT (7) .


- sunchairô (blij zijn met) . sunchairô (blij zijn met) . Taalgebruik in het NT : sunchairô (blij zijn met) . Taalgebruik in Lc : sunchairô (blij zijn met) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. imperf. 3de pers. mv. sunechairon                           
                               
                               

- sunedrion (Sanhedrin) . In het Nederlands telt

Sanhedrin : http://bijbelaantekeningen.blogspot.com/2006/02/sanhedrin.html .

Het Sanhedrin was het hoogste gerechtshof van de Joden, ook wel genoemd de Grote of Hoge Raad van het Jodendom . Het telde 70 leden , bestaande uit de hogepriester (als voorzitter) , overpriesters (of gewezen hogepriesters) en de schriftgeleerden (als vakmensen) . De naam is afgeleid van het Griekse woord synedrion : vergadering of raadsvergadering . Ook in het oude Griekenland bestonden synedrions (plaatselijke rechtbanken) . Het Joodse Sanhedrin was al in de Perzische tijd actief , maar pas in de Romeinse tijd wordt er , mede door de Bijbel , meer over bekend . Als een Jood ter door veroordeeld werd sprak het Sanhedrin de vorm van steniging uit . Na de bezetting van Israel door de Romeinen mochten zij niet meer de doodstraf uitspreken en moesten zij de verdachte overdragen aan de Romeinse bestuurders , welke indien ook zij de verdachte schuldig bevonden de persoon kruisigden . In de Talmud wordt beschreven , dat wanneer het Sanhedrin eens in de zeventig jaar een ter doodveroordeling uitsprak , dit genoeg was om de rechters moordenaars te noemen . De zittingszaal van het Sanhedrin was gelegen aan de Zuid-West-zijde van het tempelplein te Jeruzalem , half op gewijde, half op ongewijde grond . Twee deuren gaven toegang , ÚÚn van het tempelplein en ÚÚ'n van de stad uit . Na de verwoesting van de tempel verplaatst men de vergaderingen naar Jamne en Tiberias . In 425 n. Chr. wordt het Sanhedrin opgeheven . In oktober 2004 ziet in Tiberias een nieuw Sanhedrin het licht . Welke grotendeels bestaat uit ultraorthodoxe joden .

sunedrion (Sanhedrin)   bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn.. ev.
nom. + acc. enk. sunedrion 11 1 10 1 2 1 1 5     4 5
gen. enk.  sunedriou 6 3 3         3        
dat.  enk. sunedriôi 11 4 7 1       6     1 1
nom. + acc. onz. mv. sunedria                        
                         
Totaal   28 8 20 2 2 1 1 14     5 6

sunedrion (Sanhedrin)   bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn.. ev.
nom. + acc. enk. sunedrion 11 1 10 1 : Mt 26,59 . 2 : (1) Mc 14,55 . (2) Mc 15,1 . 1 : Lc 22,66 . 1 : Joh 11,47 . 5 : (1) Hnd 5,21 . (2) Hnd 6,12 . (3) Hnd 22,30 . (4) Hnd 23,20 . (5) Hnd 23,28 .     4 : (1) Mt 26,59 // Mc 14,55 5
gen. enk.  sunedriou 6 3 3         3 : (1) Hnd 4,15 . (2) Hnd 5,41 . (3) Hnd 24,20 .        
dat.  enk. sunedriôi 11 4 7 1 : Mt 5,22 .       6 : (1) Hnd 5,27 . (2) Hnd 5,34 . (3) Hnd 6,15 . (4) Hnd 23,1 . (5) Hnd 23,6 . (6) Hnd 23,15 .     1 1
Totaal   28 8 20 2 2 1 1 14     5 6

In vier verzen komt eis to sunedrion (naar het sanhedrin) voor : (4) Lc 22,66 . (7) Hnd 6,12 . (9) Hnd 23,20 . (10) Hnd 23,28 .
- (4) Lc 22,66 : apègagon auton eis to sunedrion autôn = en zij leidden hem weg naar hun sanhedrin .
- (7) Hnd 6,12 : kai ègagon eis to sunedrion = en zij leidden (hem) naar het sanhedrin .
- (9) Hnd 23,20 : hopôs aurion ton Paulon katagagèis eis to sunedrion = opdat gij morgen Paulus naar het sanhedrin zoudt leiden .
- (10) Hnd 23,28 : katègagon eis to sunedrion autôn = zij leidden (hem) naar hun sanhedrin .
holon to sunedrion (het hele sanhedrin) . In drie verzen in de bijbel : (1) Mc 14,55 (nominatief) . (2) Mc 15,1 (nominatief) . (3) Hnd 22,30 (accusatief) . Telkens komt holon to sunedrion (het hele sanhedrin) voor in combinatie met en voorafgegaan door de hogepriesters :
(1) Mc 14,55 (hoi de archiereis kai holon to sunedrion = de hogepriesters echter en het hele sanhedrin) .
(2) Mc 15,1 (hoi archiereis ... kai holon to sunedrion = de hogepriesters ... en het hele sanhedrin) .
(3) Hnd 22,30 (tous archiereis kai holon to sunedrion = de hogepriesters en het hele sanhedrin) .
to sunedrion holon (het hele sanhedrin) : Mt 26,59 . In dit vers komen dezelfde kenmerken voor als hierboven . Mt 26,59 // Mc 14,55 .
Datief : (4) Hnd 23,1 : tôi sunedriôi = aan het sanhedrin . (6) Hnd 23,15 : sun tôi sunedriôi = samen met het sanhedrin . In vier verzen en tôi sunedriôi = in het sanhedrin : (1) Hnd 5,27 . (2) Hnd 5,34 . (3) Hnd 6,15 . (5) Hnd 23,6 .
De verschillende vormen van sunedrion (sanhedrin) op een rijtje gezet . In veertien verzen in Hnd : :(1) Hnd 4,15 . (2) Hnd 5,21 . (3) Hnd 5,27 . (4) Hnd 5,34 . (5) Hnd 5,41 . (6) Hnd 6,12 .(7) Hnd 6,15 . (8) Hnd 22,30 . (9) Hnd 23,1 . (10) Hnd 23,6 . (11) Hnd 23,15 . (12) Hnd 23,20 . (13) Hnd 23,28 . (14) Hnd 24,20 .


- sunerchomai (samenkomen) . συνερχομαι = sunerchomai (samenkomen) . Taalgebruik in het NT : sunerchomai (samenkomen) . Taalgebruik in Mc : sunerchomai (samenkomen) . Taalgebruik in Lc : sunerchomai (samenkomen) . Taalgebruik in Hnd : sunerchomai (samenkomen) .

  sunerchomai (samenkomen)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
ind. praes.  3de pers. enk. sunerchetai                  
ind. praes. 3de pers. mv. sunerchontai                  
  totaal                

- ind. imperf. 3de pers. enk. sunèrcheto van het werkw. sunerchomai (samenkomen) . Taalgebruik in het NT : sunerchomai (samenkomen) . Taalgebruik in Lc : sunerchomai (samenkomen) . Taalgebruik in Hnd : sunerchomai (samenkomen) . Hnd (1) Hnd 5,16 .  Een vorm van sunerchomai (samenkomen) in Hnd (17) : (1) Hnd 1,6 . (2) Hnd 1,21 . (3) Hnd 2,6 . (4) Hnd 5,16 . (5) Hnd 9,39 . (6) Hnd 10,23 . (7) Hnd 10,27 . (8) Hnd 10,45 .  (9) Hnd 11,12 . (10) Hnd 15,38 .  (11) Hnd 16,13 . (12) Hnd 19,32 .  (13) Hnd 21,16 . (14) Hnd 21,22 . (15) Hnd 22,30 . (16) Hnd 25,17 . (17) Hnd 28,17 . Een vorm van sunerchomai (samenkomen) in LXX (23) , in het NT (30) . In Hnd : 10 vormen van sunerchomai (samenkomen) in 13 hoofdstukken en in 17 verzen .


- sunièmi (samenvatten, begrijpen, verstaan) . sunièmi (samenvatten, begrijpen, verstaan) . Taalgebruik in het NT : sunièmi (samenvatten, begrijpen, verstaan) . Taalgebruik in Mc : sunièmi (samenvatten, begrijpen, verstaan) . Hebr. bîn (begrijpen, bemerken) . Taalgebruik in Tenach : bîn (begrijpen, bemerken) . Lat. intelligere . Fr. intelligence . Ned. begrip , verstand (verstaan) . D. Verständnis . E. understanding (understand) .

  sunièmi  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
                               
  act. imperat. aor.  2de pers. mv. sunete                
                               
                               
                               

- sunlaleô (samenspreken) . sunlaleô (samenspreken) . Taalgebruik in het NT : sunlaleô (samenspreken) . Taalgebruik in Mc : sunlaleô (samenspreken) . Taalgebruik in Lc : sunlaleô (samenspreken) .

  sunlaleô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. imperf. 3de pers. mv. sunelaloun                              
  act. part. praes. nom. mann. mv. sullalountes                  
                               
                               

- sunochè (beklemming, angst) . sunochè (beklemming, angst) . Taalgebruik in het NT : sunochè (beklemming, angst) . Taalgebruik in Lc : sunochè (beklemming, angst) .

  sunochè  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. vr. enk. sunochè                    

- sunteleô (voltooien) . συντελεω = sunteleô (voltooien) . Taalgebruik in het NT : sunteleô (voltooien) . Taalgebruik in de LXX : sunteleô (voltooien) . Taalgebruik in Lc : sunteleô (voltooien) .

  sunteleô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  pass. part. aor. gen. mv. suntelestheisôn                              
                               

- act. ind. aor. 3de pers. enk. = sunetelesen (hij beëindigde / voltooide) van het werkw. συντελεω = sunteleô (voltooien) . Taalgebruik in het NT : sunteleô (voltooien) . Taalgebruik in de LXX : sunteleô (voltooien) . Bijbel (42) . LXX (42) , NT (0) .


- συντριβω = suntribô (stuk slaan, tegen elkaar wrijven)

- suntrib˘ (stuk slaan, tegen elkaar wrijven) . συντριβω = suntribô (stuk slaan, tegen elkaar wrijven) . Taalgebruik in het NT : suntrib˘ (stuk slaan, tegen elkaar wrijven) . Een vorm van συντριβω = suntribô in het OT (236) , in het NT (7) .

- act. ind. fut. 2de pers. mv. = suntripsete (jullie zullen stukslaan) van het werkw. . συντριβω = suntribô (stuk slaan, tegen elkaar wrijven) . Taalgebruik in Tenakh : suntribô (stuk slaan, tegen elkaar wrijven) . Bijbel (6) : (1) Ex 12,10 . (2) Ex 12,46 . (3) Ex 34,13 . (4) Dt 7,5 . (5) Dt 12,3 . (6) Re 2,2 .
- Latijn . act. ind. fut. 2de pers. mv. confringetis (jullie zullen breken) van het werkw. confringere (breken, verbrijzelen) .

- passief inf. perf. συντετριφθαι = suntetrifthai (om stuk te slaan) van het werkw. συντριβω = suntribô (stuk slaan, tegen elkaar wrijven) . Taalgebruik in het NT : suntribô (stuk slaan, tegen elkaar wrijven) . Bijbel (1) : Mc 5,4 en vorm van συντριβω = suntribô in het OT (236) , in het NT (7) .