NIEUWE TESTAMENT : TAALGEBRUIK T

-- voornaamwoord tis --

Overzicht van het NT taalgebruik : NT : overzicht , NT : taalgebruik - NT A - NT B - NT C - NT D - NT E - NT F - NT G - NT H - NT I - NT J - NT K - NT L - NT M - NT N - NT O - NT P - NT Q - NT R - NT S - NT T - NT U - NT V - NT W - NT X - NT Y - NT Z - NT : commentaar .


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
 
1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm . WEBLOG : BIJBELLEERHUIS
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts (Vlaams Blok) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen -

Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

-
OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


OPGELET : De getallen verwijzen steeds naar het aantal verzen waarin een 'woord' voorkomt . Eenzelfde 'woord' kan echter meerdere malen in hetzelfde vers voorkomen .

  NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
boeknr.  27 40 41 42 43 44 45 - 65 66    
hoofdst.  260 28 16 24 21 28 121 22 68  89 
verzen  7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 

  NT Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul. Ap. br.
boeknr.  27 (aantal)   45  46  47  48  49  50  51  52  53  54  55  56  57  58  59  60  61  62  63  64  65     
hoofdst.  260 121 16  16  13  13  100 21
verzen  7957 2767 433  437  257  149  155  104  95  89  47  113  83  46  25  303  108  105  61  105  13  14  25  2336  431 

T


- tâbhal (dopen, onderdompelen) . Verwijzing : Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el , do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me .
- Joz 3,15 : nitëbëlû : zij werden ondergedompeld of zij lieten zich onderdompelen . Nifal perfectum 3de pers. mv.
- Job 9,31 : thitëbëlenî : gij hebt mij ondergedompeld . Actief perfectum 2de pers. enk. + suffix 1ste pers. enk.
- wajjittâbhëlû : en zij werden gedoopt / en zij lieten zich dopen . Nifal imperfectum 3de pers. mv. : Mc 1,5 .
- wajjittâbel : en hij werd gedoopt , hij liet zich dopen . nifal imperfectum 3de pers. enk. : Mc 1,9 .
- matëbîl : dopende . Hifil participium nom. mann. enk. : Mc 1,8 .
- jatëbîl : hij zal dopen . Hifil imperfectum 3de pers. enk. : Mc 1,8 .

- tafŔ (begrafenis, graf) . ταφη = tafè (begrafenis, graf) . Taalgebruik in de Bijbel : tafŔ (begrafenis, graf) . Een vorm van ταφη = tafè in de LXX (14) , in het NT (1) .

- taksis (orde, ordening, volgorde) . taksis (orde, ordening, volgorde) . Taalgebruik in het NT : taksis (orde, ordening, volgorde) . Taalgebruik in Lc : taksis (orde, ordening, volgorde) .

  taksis  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  dat. vr. enk. taksei                  
                               
                               

- θαλασσα = thalassa (zee, meer)

- thalassa (zee, meer) . θαλασσα = thalassa (zee, meer) . Taalgebruik in het NT : thalassa (zee meer) . Taalgebruik in de LXX : thalassa (zee meer) . Taalgebruik in Lc : thalassa (zee meer)

  thalassa (zee)   bijbel OT Pentateuch Vroege prof. 12 kl. prof. Grote prof. Hagiografen dt. -can. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. vr. enk. thalassa 49  43  11  15             
2 gen. vr. enk. thalassès  176  148  33  24  13  36  24  18  28  14 
3 dat. vr. enk. thalassè(i)   36  23  13     
4 acc. vr. enk. thalassan  185  145  31  33  12  39  23  40  10  19  21   
  totaal 446  359  70  69  34  91  67  28  87  15  18  10  24  36  45 

jâm (zee)   Tenach Pentateuch Vroege prof. 12 kl. prof. grote prof. hagiografen
  81  22  16  14  24 

  thalassa (zee)  bijbel Pentateuch Vroege prof. 12 kl. prof. grote prof. hagiografen dt. -can.
1 nom. vr. enk. thalassa 43  11  15   
2 gen. vr. enk. thalassès  148  33  24  13  36  24  18 
3 dat. vr. enk. thalassè(i)   23 
4 acc. vr. enk. thalassan  145  31  33  12  39  23 
  totaal 359  70  69  34  91  67  28 

  thalassa (zee)   Mt Mc Lc Joh  //
1 nom. vr. enk. thalassa  1 : Mt 8,27 . 1 : Mc 4,41 .   1 : Joh 6,18 . 1 : Mt 8,27 // Mc 4,41 .  
2 gen. vr. enk. thalassès  3 : (1) Mt 4,15 . (2) Mt 14,26 . (3) Mt 18,6 . 4 : (1) Mc 5,1 . (2) Mc 6,47 . (3) Mc 6,48 . (4) Mc 6,49 . 1 : Lc 21,25 . 6  : (1) Joh 6,1 . (2) Joh 6,17 . (3) Joh 6,19 . (4) Joh 6,22 . (5) Joh 6,25 . (6) Joh 21,1 . 2 : (1)  Mt 14,26 // Mc 6,49 . (2) Mt 18,6 // Mc 9,42 // Lc 17,2 .
3 dat. vr. enk. thalassè(i)   2 : (1) Mt 8,24 . (2) Mt 8,26 . 4 : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 4,39 . (4) Mc 5,13 . 1 : Lc 17,6 .   (1) Mt 8,26 //  Mc 4,39 .
4 acc. vr. enk. thalassan  9 : (1) Mt 4,18 . (2) Mt 8,32 . (3) Mt 13,1 . (4) Mt 13,47 . (5) Mt 14,25 . (6) Mt 15,29 . (7) Mt 17,27 . (8) Mt 21,21 . (9) Mt 23,15 . 9 : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,13 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 11,23 . 1 : Lc 17,2 . 2 : (1) Joh 6,16 . (2) Joh 21,7 .   (1)  Mt 4,18 // Mc 1,16 . (2) Mt 8,32 // Mc 5,13 . (3) Mt 13,1 // Mc 4,1 . (4) Mt 14,25 // Mc 6,48 . (5) Mt 15,29 // Mc 7,31 . (5) Mt 21,21 // Mc 11,23 .
  totaal 15  18   

  thalassa (zee)   Joh Hnd Br. Apk
1 nom. vr. enk. thalassa 1 : Joh 6,18 .     3 : (1) Apk 4,6 . (2) Apk 20,13 . (3) Apk 21,1 .
2 gen. vr. enk. thalassès  6  : (1) Joh 6,1 . (2) Joh 6,17 . (3) Joh 6,19 . (4) Joh 6,22 . (5) Joh 6,25 . (6) Joh 21,1 . 5  : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . 8 : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) .
3 dat. vr. enk. thalassè(i)     2 : (1) . (2) .   3 : (1) . (2) . (3) .
4 acc. vr. enk. thalassan  2 : (1) Joh 6,16 . (2) Joh 21,7 .   8 : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . 10 : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) .
  totaal 10  24 

- acc. vr. enk. θαλασσαν = thalassan van het zelfst. naamw. θαλασσα = thalassa (zee, meer) . Taalgebruik in het NT : thalassa (zee meer) . Taalgebruik in de LXX : thalassa (zee meer) . Taalgebruik in Mc : thalassa (zee) . Mc (9) (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,13 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 11,23 . Een vorm van θαλασσα = thalassa (zee, meer) in Mc in 16 verzen (18X) : (1) Mc 1,16 (2 vormen) . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 4,2 . (6) Mc 4,39 . (7) Mc 4,41 . (8) Mc 5,1 . (9) Mc 5,13 (2 vormen) . (10) Mc 5,21 . (11) Mc 6,47 . (12) Mc 6,48 . (13) Mc 6,49 . (14) Mc 7,31 . (15) Mc 9,42 . (16) Mc 11,23 .

  thalassa (zee)   bijbel OT Pentateuch Vroege prof. 12 kl. prof. Grote prof. Hagiografen dt. -can. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
4 acc. vr. enk. thalassan  185  145  31  33  12  39  23  40  10  19  21   
  totaal 446  359  70  69  34  91  67  28  87  15  18  10  24  36  45 

- την θαλασσαν = tèn thalassan (de zee, het meer) . LXX (73) . NT (37/40) . Mt (9) . Mc (9) (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,13 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 11,23 . Lc (1) . Joh (2) . Hnd (6) . Apk (10) . Niet in drie verzen : (1) Hnd 10,6 . (2) Hnd 10,32 . (3) Heb 11,29 .

- eis tèn thalassan (naar de zee / het meer) . NT (16) . Mt (5) . Mc (3) . Lc (1) . Joh (1) . Hnd (3) . Apk (3) . Paralellen : (1)  Mt 4,18 // Mc 1,16 . (2) Mt 8,32 // Mc 5,13 . (3) Mt 21,21 // Mc 11,23 .
- en tè(i) thalassè(i) (in de zee) . In negen verzen in het NT : (1) Mt 8,24 . (2) Mc 1,16 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,13 . (5) Lc 17,6 . (6) 1 Kor 10,2 . (7) Apk 8,9 . (8) Apk 16,3 . (9) Apk 18,19 .
- para tèn thalassan (langs de zee) . NT (7) . Mt (3) : (1) Mt 4,18 . (2) Mt 13,1 . (3) Mt 15,29 . Mc (4) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,21 . Parallellen : (1)  Mt 4,18 // Mc 1,16 . (2) Mt 13,1 // Mc 4,1 .
- peran tès thalassès (overzijde van de zee / meer of over de zee / meer) . NT (5) . Mc (1) . Joh (4) .


- θαμβεομαι = thambeomai (verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden)

- thambeomai (verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden) . θαμβεομαι = thambeomai (verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden) . Taalgebruik in het NT : thambeomai (verbaasd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen zijn) . Taalgebruik in de LXX : thambeomai (verbaasd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen zijn) . (1) Mc 1,27 (ethambèthèsan (zij waren verbaasd) . (2) Mc 9,15 (exethambèthèsan (zij waren met ontzetting geslagen) . (3) Mc 10,24 (ethambounto (zij waren verbaasd)) . (4) Mc 10,32 (ethambounto (zij waren verbaasd) . (5) Mc 14,33 (ekthambeisthai (met ontzetting geslagen zijn) . (6) Mc 16,5 (exethambèthèsan (zij waren met ontzetting geslagen) . (7) Mc 16,6 (Ekthambeisthe (wees met ontzetting geslagen) . Dit werkwoord en vormen ervan komen blijkbaar enkel in het Marcusevangelie voor. Met ont- probeer ik het Griekse voorzetsel ek- weer te geven: ont-steld, ont-zetting. Het is een reactie op wat mensen meemaken . Men is uit zijn lood geslagen . Een vorm van θαμβεω = thambeô in de LXX (5) : (1) Re 9,4 (A) . (2) 1 S 14,15 . (3) 2 S 22,5 . (4) 2 K 7,15 . (5) Da 8,17 (Th) , in het NT (3) = Mc : (1) Mc 1,27 . (2) Mc 10,24 . (3) Mc 10,32 . Een vorm van het Griekse werkw. θαμβεω = thambeô kan de vertaling van 5 verschillende Hebreeuwse werkwoorden zijn .

- pass. ind. aor. 3de pers. mv. εξεθαμβηθησαν = exethambèthèsan (zij waren met ontzetting / verbijstering geslagen) van het werkw. εκθαμβεομαι = ekthambeomai (verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden) . Bijbel = Mc (2) : (1) Mc 9,15 . (2) Mc 16,5 . Een vorm van εκθαμβεομαι = ekthambeomai in de LXX (1) : Sir 30,9 , in het NT (4) : (1) Mc 9,15 . (2) Mc 14,33 . (3) Mc 16,5 . (4) Mc 16,6 .
- Zie ook het werkw. θαμβεομαι = thambeomai (verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden) . Taalgebruik in het NT : thambeomai (verbaasd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen zijn) . Taalgebruik in de LXX : thambeomai (verbaasd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen zijn) . Een vorm van θαμβεω = thambeô in de LXX (5) : (1) Re 9,4 (A) . (2) 1 S 14,15 . (3) 2 S 22,5 . (4) 2 K 7,15 . (5) Da 8,17 (Th) , in het NT (3) = Mc : (1) Mc 1,27 . (2) Mc 10,24 . (3) Mc 10,32 . Een vorm van het Griekse werkw. θαμβεω = thambeô kan de vertaling van 5 verschillende Hebreeuwse werkwoorden zijn .

--- ekthambeisthai (met ontzetting geslagen zijn) . Passief infinitief praesens. Slechts in Mc 14,33 .
--- Ekthambeisthe (wees met ontzetting geslagen) . Imperatief praesens tweede persoon meervoud . Slechts in Mc 16,6 .
--- ethambèthèsan (zij waren verbaasd) . Passief aorist derde persoon meervoud . In de bijbel komt het slechts in Mc 1,27 .
--- ethambounto (zij waren verbaasd) . Passief imperfectum derde persoon meervoud. In de bijbel slechts in Mc 10,24 en Mc 10,32 .
- thambos : verstomming, verbazing, ontzetting, vrees ( Lc 4,36) . In zes verzen in de bijbel . In vier verzen in het OT . In twee verzen in het NT .


- θαμβος = thambos (ontzetting, verbazing)

- thambos (ontzetting, verbazing) . θαμβος = thambos (ontzetting, verbazing) . Taalgebruik in het NT : thambos (ontzetting, verbazing) . Taalgebruik in de LXX : thambos (ontzetting, verbazing) . Taalgebruik in Lc : thambos (ontzetting, verbazing) . Bijbel (6) : (1) 1 S 26,12 . (2) Ez 7,18 . (3) Hl 6,4 . (4) Hl 6,10 . (5) Lc 4,36 . (6) Lc 5,9 . Een vorm van θαμβος = thambos in de LXX (6) : (1) 1 S 26,12 . (2) Ez 7,18 . (3) Hl 3,8 . (4) Hl 6,4 . (5) Hl 6,10 . (6) Pr 12,5 . in het NT (3) : Lc 4,36 . (2) Lc 5,9 . (3) Hnd 3,10 . In de LXX is θαμβος = thambos de vertaling van 5 verschillende Hebreeuwse woorden .


- thanatoô (doden , ter dood veroordelen, terechtstellen) . thanatoô (doden , ter dood veroordelen, terechtstellen) . Taalgebruik in de LXX : thanatoô (doden , ter dood veroordelen, terechtstellen) . Taalgebruik in het NT : thanatoô (doden , ter dood veroordelen, terechtstellen) . Taalgebruik in Mc : thanatoô (doden , ter dood veroordelen, terechtstellen) . Taalgebruik in Lc : thanatoô (doden , ter dood veroordelen, terechtstellen) . Een vorm van thanatoô (doden , ter dood veroordelen, terechtstellen) in de LXX (161) , in het NT (11) .

  thanatoô   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. fut. 3de pers. mv. thanatôsousin                
  act. inf. aor.thanatôsai   28  26               
                               
                               
                               

 

- thanatos (dood) . thanatos (dood) . Taalgebruik in het NT : thanatos (dood) . Taalgebruik in Mc : thanatos (dood) . Taalgebruik in Lc : thanatos (dood) . Taalgebruik in Hnd : thanatos (dood) .

thanatos (dood)  bijbel  OT NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn.. ev.
nom. enk. thanatos 62 40 22           14 8    
voc. enk. thanate                  
gen. mann. enk.  thanatou 149 100 49 3 3 5 3 8 21 6 11 14
dat.  enk. thanatôi 102 87 15 2 2   3   6 2 4 7
acc.  enk. thanaton 91 68 23 1 1 2 2   15 2 4 6
Totaal   408 298 110 6 6 7 8 8 57 18 19 27

. tapeinôthèsetai (hij zal verlaagd worden) . Passief futurum derde persoon enkelvoud .
- tapeinoô (lager maken, met de grond gelijk maken) . ταπεινοω = tapeinoô (lager maken, met de grond gelijk maken, vernederen) . Taalgebruik in het NT : tapeinoô (lager maken, met de grond gelijk maken) . Taalgebruik in de LXX : tapeinoô (lager maken, met de grond gelijk maken)
--- tapeinôthèsetai (hij zal verlaagd worden) . Passief futurum derde persoon enkelvoud . In dertien verzen in de bijbel . In negen verzen in het OT . In vier verzen in het NT : (1) Mt 23,12 // Lc 14,11 // Lc 18,14 . (2) Lc 3,5 (citeert Js 40,4) . (3) Lc 14,11 . (4) Lc 18,14 .
--- tapeinousthai . Passief infinitief . Slechts in Bar 5,7 .

- tapeinôsis (vernedering, nederigheid) . ταπεινωσις = tapeinôsis (vernedering, nederigheid) . Taalgebruik in het NT : tapeinôsis (vernedering, nederigheid) . Taalgebruik in de LXX : tapeinôsis (vernedering, nederigheid) .
- (1) dat. vr. enk. ταπεινωσει = tapeinôsei van het zelfst. naamw. ταπεινωσις = tapeinôsis (vernedering, nederigheid) . Taalgebruik in het NT : tapeinôsis (vernedering, nederigheid) . Taalgebruik in de LXX : tapeinôsis (vernedering, nederigheid) . (2) act. qal fut. 3de pers. enk. ταπεινωσει = tapeinôsei van het werkw. ταπεινοω = tapeinoô (lager maken, met de grond gelijk maken, vernederen) . Taalgebruik in het NT : tapeinôsis (vernedering, nederigheid) . Taalgebruik in de LXX : tapeinôsis (vernedering, nederigheid) . Bijbel (21) : (1) Gn 16,11 . (2) 2 S 16,12 . (3) Js 3,17 . (4) Js 25,11 . (5) Js 25,12 . (6) Js 53,8 . (7) Jr 2,24 . (8) Ps 10,10 . (9) Ps 55,20 . (10) Ps 72,4 . (11) Ps 119,50 . (12) Ps 119,92 . (13) Ps 136,23 . (14) Da 7,24 . (15) Jdt 7,32 . (16) 1 Mak 3,51 . (17) Sir 29,5 . (18) Mt 18,4 . (19) Mt 23,12 . (20) Hnd 8,33 . (21) Jak 1,10 .
- acc. vr. enk. ταπεινωσιν = tapeinôsin van het zelfst. naamw. ταπεινωσις = tapeinôsis (vernedering, nederigheid) . Taalgebruik in het NT : tapeinôsis (vernedering, nederigheid) . Bijbel (17) . LXX (16) : (1) Gn 29,32 . (2) Gn 31,42 . (3) Dt 26,7 . (4) 1 S 1,11 . (5) 1 S 9,16 . (6) 2 K 14,26 . (7) Ps 9,14 . (8) Ps 22,22 . (9) Ps 25,18 . (10) Ps 31,8 . (11) Ps 90,3 . (12) Ps 119,153 . (13) Kl 1,9 . (14) Neh 9,9 . (15) Jdt 6,19 . (16) Jdt 13,20 . NT (1) Lc 1,48 . Een vorm van ταπεινωσις = tapeinôsis (vernedering, nederigheid) in de LXX (42) , in de Pentateuch (5) : (1) Gn 16,11 . (2) Gn 29,32 . (3) Gn 31,42 . (4) Gn 41,52 . (5) Dt 26,7 , in het NT (4) : (1) Lc 1,48 . (2) Hnd 8,33 . (3) Fil 3,21 . (4) Jak 1,10 . Een vorm van ταπεινωσις = tapeinôsis (vernedering, nederigheid) is in de LXX de vertaling van 5 Hebreeuwse woorden .

- ταπεινος = tapeinos (laag, klein, deemoedig) .
- acc. mann. mv. ταπεινους = tapeinous (kleinen) van het bijvoegl. naamw. ταπεινος = tapeinos (laag, klein, deemoedig) . Zie het zelfst. naamw. ταπεινωσις = tapeinôsis (vernedering, nederigheid) . Taalgebruik in het NT : tapeinôsis (vernedering, nederigheid) . Taalgebruik in de LXX : tapeinôsis (vernedering, nederigheid) . Bijbel (11) : (1) Js 11,4 . (2) Js 32,7 . (3) Js 49,13 . (4) Ps 34,19 . (5) Spr 30,14 . (6) Job 5,11 . (7) Job 12,21 . (8) 1 Mak 14,14 . (9) Sir 10,15 . (10) Lc 1,52 . (11) 2 Kor 7,6 . Een vorm van in de LXX (70) , in het NT (8) : (1) Mt 11,29 . (2) Lc 1,52 . (3) Rom 12,16 . (4) 2 Kor 7,6 . (5) 2 Kor 10,1 . (6) Jak 1,9 . (7) Jak 4,6 . (8) 1 Pe 5,5 .


- thapt˘ (begraven) . θαπτω = thaptô (begraven) . Taalgebruik in het NT : thapt˘ (begraven) . Taalgebruik in de LXX : thaptô (begraven) . Een vorm van θαπτω = thaptô (begraven) in de LXX (177) , in het NT (11) : (1) Mt 8,21 . (2) Mt 8,22 . (3) Mt 14,12 . (4) Lc 9,59 . (5) Lc 9,60 . (6) Lc 16,22 . (7) Hnd 2,29 . (8) Hnd 5,6 . (9) Hnd 5,9 . (10) Hnd 5,10 . (11) 1 Kor 15,4 .

- act. ind. aor. 3de pers. mv. εθαψαν = ethapsan (zij begroeven) van het werkw. θαπτω = thaptô (begraven) . Taalgebruik in het NT : thaptô (begraven) . Taalgebruik in de LXX : thaptô (begraven) . Bijbel (43) . OT (40) . Gn (7) : (1) Gn 25,9 . (2) Gn 25,10 . (3) Gn 35,29 . (4) Gn 49,31 . (5) Gn 50,12 . (6) Gn 50,13 . (7) Gn 50,26 . NT (3) : (1) Mt 14,12 . (2) Hnd 5,6 . (3) Hnd 5,10 . Een vorm van θαπτω = thaptô (begraven) in de LXX (177) , in het NT (11) : (1) Mt 8,21 . (2) Mt 8,22 . (3) Mt 14,12 . (4) Lc 9,59 . (5) Lc 9,60 . (6) Lc 16,22 . (7) Hnd 2,29 . (8) Hnd 5,6 . (9) Hnd 5,9 . (10) Hnd 5,10 . (11) 1 Kor 15,4 .

- act. inf. aor. θαψαι = thapsai (om te begraven) van het werkw. θαπτω = thaptô (begraven) . Taalgebruik in het NT : thaptô (begraven) . Taalgebruik in de LXX : thaptô (begraven) . Bijbel (13) : (1) Gn 23,6 . (2) Gn 23,8 . (3) Gn 47,29 . (4) Gn 50,7 . (5) Gn 50,14 . (6) 1 K 13,29 . (7) 2 K 9,35 . (8) Ez 39,14 . (9) W 18,12 . (10) Mt 8,21 . (11) Mt 8,22 . (12) Lc 9,59 . (13) Lc 9,60 .

- pass. ind. aor. 3de pers. enk. εταφη = etafè (hij werd begraven) van het werkw. θαπτω = thaptô (begraven) . Taalgebruik in het NT : thaptô (begraven) . Taalgebruik in de LXX : thaptô (begraven) . Bijbel (33) . OT (30) . Re (7) : (1) Re 8,32 . (2) Re 10,2 . (3) Re 10,5 . (4) Re 12,7 . (5) Re 12,10 . (6) Re 12,12 . (7) Re 12,15 . Nt (3) : (1) Lc 16,22 . (2) Hnd 2,29 . (3) 1 Kor 15,4 . Een vorm van θαπτω = thaptô (begraven) in de LXX (177) , in het NT (11) : (1) Mt 8,21 . (2) Mt 8,22 . (3) Mt 14,12 . (4) Lc 9,59 . (5) Lc 9,60 . (6) Lc 16,22 . (7) Hnd 2,29 . (8) Hnd 5,6 . (9) Hnd 5,9 . (10) Hnd 5,10 . (11) 1 Kor 15,4 .
- Hebreeuws . קָבַר = qâbhar (begraven) . Taalgebruik in Tenakh : qâbhar (begraven) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 OF 302 (2 X 151) . Structuur : 1 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 .
- L. sepelire (-> sepulchrum) . Fr. enterrer . E. to bury . D. begraben .
- ταφος = tafos (graf) . Een vorm van tafos (graf) in de LXX (64) , in het NT (7) .


- tarassô (in verwarring brengen, verwarren) . ταρασσω = tarassô (in verwarring brengen, verwarren) . Taalgebruik in het NT : tarassô (in verwarring brengen, verwarren) . Taalgebruik in de LXX : tarassô (in verwarring brengen, verwarren) . Taalgebruik in Lc : tarassô (in verwarring brengen, verwarren) .

  tarassô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  pass. ind. aor. 3de pers. enk. etarachthè   27  24             
                               

- pass. ind. aor. 3de pers. enk. εταραχθη = etarachthè (hij werd in verwarring gebracht) van het werkw. ταρασσω = tarassô (in verwarring brengen, verwarren) . Taalgebruik in het NT : tarassô (in verwarring brengen, verwarren) . Taalgebruik in de LXX : tarassô (in verwarring brengen, verwarren) . Taalgebruik in Lc : tarassô (in verwarring brengen, verwarren) . LXX (24) . NT (3) : (1) Mt 2,3 . (2) Lc 1,12 . (3) Joh 13,21 . Een vorm van ταρασσω = tarassô in de LXX (121) , in het NT (17) : (1) Mt 2,3 . (2) Mt 14,26 . (3) Lc 1,12 . (4) Lc 24,38 . (5) Joh 5,4 . (6) Joh 5,7 . (7) Joh 11,33 . (8) Joh 12,27 . (9) Joh 13,21 . (10) Joh 14,1 . (11) Joh 14,27 . (12) Hnd 15,24 . (13) Hnd 17,8 . (14) Hnd 17,13 . (15) Gal 1,7 . (16) Gal 5,10 . (17) 1 Pe 3,14 .
Zacharia werd in verwarring gebracht ( εταραχθη = etarachthè) door het visioen van de engel (Lc 1,12) , Maria werd in verwarring gebracht (dietarachthè) door het woord van de engel (Lc 1,29) . Overeenkomst en verschil .

- pass. parf. part. nom. mann. mv. τεταραγμενοι = tetaragmenoi (in verwarring gebracht) van het werkw. ταρασσω = tarassô (in verwarring brengen, verwarren) . Taalgebruik in het NT : tarassô (in verwarring brengen, verwarren) . Taalgebruik in de LXX : tarassô (in verwarring brengen, verwarren) . Taalgebruik in Lc : tarassô (in verwarring brengen, verwarren) . Slechts in Gn 40,6 en Lc 24,38 . Een vorm van ταρασσω = tarassô in de LXX (121) , in het NT (17) : (1) Mt 2,3 . (2) Mt 14,26 . (3) Lc 1,12 . (4) Lc 24,38 . (5) Joh 5,4 . (6) Joh 5,7 . (7) Joh 11,33 . (8) Joh 12,27 . (9) Joh 13,21 . (10) Joh 14,1 . (11) Joh 14,27 . (12) Hnd 15,24 . (13) Hnd 17,8 . (14) Hnd 17,13 . (15) Gal 1,7 . (16) Gal 5,10 . (17) 1 Pe 3,14 .


- tharseô (vol goede moed zijn, moed hebben) . θαρσεω = tharseô (vol goede moed zijn, moed hebben) . Taalgebruik in het NT : tharseô (vol goede moed zijn, moed hebben) . Taalgebruik in Mc : tharseô (vol goede moed zijn, moed hebben) . Bijbel (12) . LXX (9) . NT (3) :


- thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) . θαυμαζω = thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) . Taalgebruik in het NT : thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) . Taalgebruik in de LXX : thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) . Taalgebruik in Lc : thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) .

- act. ind. imperf. 3de pers. mv. εθαυμαζον = ethaumazon (zij verbaasden zich) van het werkw. θαυμαζω = thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) . Taalgebruik in het NT : thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) . Taalgebruik in de LXX : thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) . Taalgebruik in Lc : thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) . Lc (9) : (1) Tob 11,16 . (2) Jdt 10,19 . (3) Mc 5,20 . (4) Lc 1,21 . (5) Lc 4,22 . (6) Joh 4,27 . (7) Joh 7,15 . (8) Hnd 2,7 . (9) Hnd 4,13 . Een vorm van θαυμαζω = thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) in de LXX (57) , in het NT (42) , in Lc (13) : (1) Lc 1,21 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 2,18 . (4) Lc 2,33 . (5) Lc 4,22 . (6) Lc 7,9 . (7) Lc 8,25 . (8) Lc 9,43 . (9) Lc 11,14 . (10) Lc 11,38 . (11) Lc 20,26 . (12) Lc 24,12 . (13) Lc 24,41 .

- act. part. praes. nom. mann. mv. θαυμαζοντες = thaumazontes (verwonderende) van het werkw. θαυμαζω = thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) . Taalgebruik in het NT : thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) . Taalgebruik in de LXX : thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) . Taalgebruik in Lc : thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) . Bijbel (2) : (1) Lc 2,33 . (2) Jud 1,16 . Een vorm van θαυμαζω = thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) in de LXX (57) , in het NT (42) , in Lc (13) : (1) Lc 1,21 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 2,18 . (4) Lc 2,33 . (5) Lc 4,22 . (6) Lc 7,9 . (7) Lc 8,25 . (8) Lc 9,43 . (9) Lc 11,14 . (10) Lc 11,38 . (11) Lc 20,26 . (12) Lc 24,12 . (13) Lc 24,41 .

- act. ind. aor. 3de pers. mv. εθαυμασαν = ethaumasan (zij waren verbaasd) van het werkw. θαυμαζω = thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) . Taalgebruik in het NT : thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) . Taalgebruik in de LXX : thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) . Taalgebruik in Lc : thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) . Bijbel (14) : (1) Ps 48,6 . (2) Job 42,11 . (3) Jdt 10,7 . (4) Jdt 10,23 . (5) Jdt 11,20 . (6) W 11,14 . (7) Mt 8,27 . (8) Mt 9,33 . (9) Mt 21,20 . (10) Mt 22,22 . (11) Lc 1,63 . (12) Lc 2,18 . (13) Lc 8,25 . (14) Lc 11,14 . Een vorm van θαυμαζω = thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) in de LXX (57) , in het NT (42) , in Lc (13) : (1) Lc 1,21 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 2,18 . (4) Lc 2,33 . (5) Lc 4,22 . (6) Lc 7,9 . (7) Lc 8,25 . (8) Lc 9,43 . (9) Lc 11,14 . (10) Lc 11,38 . (11) Lc 20,26 . (12) Lc 24,12 . (13) Lc 24,41 .

- Een vorm van het werkw. θαυμαζω = thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) + het voorzetsel επι = epi (op, bij) : (1) Lc 2,33 . (2) Lc 4,22 .

  thaumazô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. imperf. 3de pers. mv. ethaumazon            
                               

- te (ook, bovendien) . te (ook, bovendien) . Taalgebruik in het NT : te (ook, bovendien) . Bijbel (355) . OT (160) . NT (195) . Hnd (138) . Hnd 1 (4) : (1) Hnd 1,1 . (2) Hnd 1,8 . (3) Hnd 1,13 . (4) Hnd 1,15 .


- τεκνον = teknon (kind)

- teknon (kind) . τεκνον = teknon (kind) . Taalgebruik in het NT : teknon (kind) . Taalgebruik in de LXX : teknon (kind) . Taalgebruik in Mc : teknon (kind) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + voc. + acc. onz. enk. teknon   65  50  15  2 : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 13,12 .      
  nom. + acc. onz. mv. tekna   190  130  60  33  22  25  24 
                               
                               

- nom. + acc. onz. mv. τεκνα = tekna (kinderen) van het zelfst. naamw. τεκνον = teknon (kind) . Taalgebruik in het NT : teknon (kind) . Taalgebruik in de LXX : teknon (kind) . Mc (5) : (1) Mc 7,27 . (2) Mc 10,24 . (3) Mc 10,29 . (4) Mc 10,30 . (5) Mc 13,12 . Lc (8) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 13,34 . (4) Lc 14,26. (5) Lc 18,29 . (6) Lc 19,44 . (7) Lc 20,31 . (8) Lc 23,28 . Een vorm van τεκνον = teknon (kind) in de LXX (314) , in het NT (99) , in Lc (14) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 2,48 . (4) Lc 3,8 . (5) Lc 7,35 . (6) Lc 11,13 . (7) Lc 13,34 . (8) Lc 14,26. (9) Lc 15,31 . (10) Lc 16,25 . (11) Lc 18,29 . (12) Lc 19,44 . (13) Lc 20,31 . (14) Lc 23,28 .


- teleiôsis (voltooiing, het in vervulling gaan) . teleiôsis (voltooiing, het in vervulling gaan) . Taalgebruik in het NT : teleiôsis (voltooiing, het in vervulling gaan) . Taalgebruik in Lc : teleiôsis (voltooiing, het in vervulling gaan) .

  teleiôsis  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. vr. enk. teleiôsis               

- θελημα = thelèma (wil)

- thelèma (wil) . Taalgebruik in het NT : thelèma (wil) . Taalgebruik in Mc : thelèma (wil) . Verwijzing in Brieven : thelèma (wil) . Vergelijk : L. volun-tas . F. : volonté . Gr. thel˘ (willen, vouloir) . L. velle .

- nom. en acc. onz. enk. θελημα = thelèma (wil) . Taalgebruik in het NT : thelèma (wil) . Taalgebruik in de LXX : thelèma (wil) .

  thelèma (wil)  bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn.. ev.
1 nom. + acc. enk. thelèma 60 23 37 6 1 2 7 2 18 1 9 16
2 gen. enk.  thelèmatos 16 3 13       1   12     1
3 dat.  enk. thelèmati 10 4 6     1     5   1 1
  Totaal   86 30 56 6 1 3 8 2 35 1 10 18

  thelèma (wil)  bijbel  OT  NT  ev. Br.  Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  P.  A.b 
1 nom. + acc. enk. thelèma 60 23 37 16 18                         13 
2 gen. enk.  thelèmatos 16 3 13 1 12                               12   
3 dat.  enk. thelèmati 10 4 6 1 5                                
  Totaal   86 30 56 18 35                   28 

  thelèma (wil)  bijbel  OT  NT  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  ev. Br.  Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Kol  1 Tes  2 Tim Heb P.  A.b 
1 nom. + acc. enk. thelèma 60 23 37 6 1 2 7 2 16 18 2 : (1) Rom 2,18 . (2) Rom 12,2 . 1 : 1 Kor 16,12 .   1 : Gal 1,4 . 2 : (1) Ef 5,17 . (2) Ef 6,6 .   2 : (1) 1 Tes 4,3 . (2) 1 Tes 5,18 . 1 : 2 Tim 2,26 . 4 : (1) Heb 10,7 . (2) Heb 10,9 . (3) Heb 10,36 . (4) Heb 13,21 . 13 
2 gen. enk.  thelèmatos 16 3 13       1   1 12 1 : Rom 15,32 . 2 : (1) 1 Kor 1,1 . (2) 1 Kor 7,37 . 2 : (1) 2 Kor 1,1 . (2) 2 Kor 8,5 .   4 : (1) Ef 1,1 . (2) Ef 1,5 . (3) Ef 1,9 . (4) Ef 1,11 . 2 : (1) Kol 1,1 . (2) Kol 1,9 .   1 : 2 Tim 1,1 .   12   
3 dat.  enk. thelèmati 10 4 6     1     1 5 1 : Rom 1,10 .         1 : Kol 4,12 .     1 : Heb 10,10 .
  Totaal   86 30 56 6 1 3 8 2 18 35 28 

thelèma (wil)  bijbel  OT  NT  ev. Mt  Mc  Br.  Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  P.  A.b 
thelèma (tou) theou     11 1   10 1     1 1     2           1   3   1       6 4
thelèma tou patros     3 3                                                  
thelèmatos (tou) theou     7       7 1 1 2   1   1       1                     7  
thelèmati tou theou     2       2 1           1                             2  
Totaal       23 4 19 3 1 2 1 2   2 2     1     1   3   1       15 4

thelèma (wil)  NT  ev. Mt  Mc  Br.  Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Kol  1 Tes  2 Tim Heb 1 Pe 1 Joh P.  A.b 
thelèma (tou) theou 11 1   1 : Mc 3,35 . 10 1 : Rom 12,2 .     1 : Gal 1,4 . 1 : Ef 6,6 .   2  : (1) 1 Tes 4,3 . (2) 1 Tes 5,18 .   1 : Heb 10,36 . 3 1 6 4
thelèma tou patros 3 3 3 : (1) Mt 7,21 . (2) Mt 12,50 . (3) Mt 21,31 .                              
thelèmatos (tou) theou 7       7 1 : Rom 15,32 . 1 : 1 Kor 1,1 . 2 : (1) 2 Kor 1,1 . (2) 2 Kor 8,5 .   1 : Ef 1,1 . 1 : Kol 1,1 .   1 : 2 Tim 1,1 .       7  
thelèmati tou theou 2       2 1  : Rom 1,10 .         1  : Kol 4,12           2  
Totaal   23 4 19 3 1 2 1 2 2 2 1 1 3 1 15 4

thelèma (wil)  NT  ev. Br.  Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Kol  1 Tes  2 Tim Heb 1 Pe 1 Joh P.  A.b 
thelèmatos (tou) theou 7   7 1 : Rom 15,32 . 1 : 1 Kor 1,1 . 2 : (1) 2 Kor 1,1 . (2) 2 Kor 8,5   1 : Ef 1,1 . 1 : Kol 1,1 .   1 : 2 Tim 1,1       7  
Totaal   23 4 19 3 1 2 1 2 2 2 1 1 3 1 15 4

De zeven verzen waarin thelèmatos theou (van de wil van God) in het NT voorkomt , staat telkens na het voorzetsel dia (door) en slechts in deze zeven verzen in de brieven van Paulus .

 

thelèma (wil) . In het onzevader (Mt 6,10 - Mt 6,7-13 -) : genèthèto to thelèma sou (uw wil geschiede). Evenzo bij de tweede smeekbede van Jezus in de hof van Olijven (Mt 26,42 - Mt 26,36-46 -). In 3 van de 4 overblijvende verzen wordt thelèma gebruikt in combinatie met het werkwoord poieô (doen, handelen) en met de genitief patros (van de Vader) :
(1) Mt 7,21 - Mt 7,21-23 - : all' ho poiôn to thelèma tou patros mou tou en tois ouranois (maar wie doet de wil van mijn vader in de hemel)
(2) Mt 12,50 - Mt 12,46-50 - : hostis gar poièsèi to thelèma tou patros mou tou en tois ouranois (wie immers doet de wil van mijn vader in de hemel)
(3) Mt 21,31 - Mt 21,28-32 - : tis ek tôn duo epoièsen to thelèma tou patros (wie van de twee deed de wil van de vader?)
Rest nog Mt 18,14 - Mt 18,10-14 - : houtôs ouk estin thelèma emprosthen tou patros humôn tou en tois ouranois : is de wil in het aanschijn van de vader in de hemel niet zo dat... In twee verzen bij lucas : (1) Lc 12,47 . (2) Lc 22,42


- teleô (voleindigen, voltooien, vervullen) . τελεω = teleô (1. voleindigen, voltooien, vervullen. 3. betalen) . Taalgebruik in het NT : teleô (voleindigen, voltooien, vervullen) . Taalgebruik in de LXX : teleô (voleindigen, voltooien, vervullen) . Taalgebruik in Lc : teleô (voleindigen, voltooien, vervullen) . Taalgebruik in Hnd : teleô (voleindigen, voltooien, vervullen) . kâlal (volkomen maken, voltrekken) . Taalgebruik in Tenach : kâlal (volkomen maken, voltrekken) .

      bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                                 
  pass. ind. fut. 3de pers. enk. telesthèsetai                    
  pass. inf. aor. telesthènai     1                  
                                 

- teleuta˘ (beŰindigen, voltooien) . τελευταω = teleutaô (beëindigen, voltooien, sterven) . Taalgebruik in de Bijbel : teleute˘ (beŰindigen, voltooien) . Een vorm van τελευταω = teleuteô in de LXX (93) , in het NT (11) .
- act. aor. 3de pers. enk. ετελευτησεν = eteleuthèsen (hij stierf) van het werkw. τελευταω = teleuteô (beëindigen, voltooien, sterven) . Taalgebruik in de Bijbel : teleuteô (beëindigen, voltooien) . Bijbel (23) : (1) Gn 50,26 . (2) Ex 1,6 . (3) Ex 2,23 . (4) Ex 4,19 . (5) Ex 9,6 . (6) Ex 9,7 . (7) Nu 3,4 . (8) Nu 20,1 . (9) Dt 34,5 . (10) Joz 24,33 . (11) Re 2,8 . (12) Job 42,17 . (13) 1 Kr 29,28 . (14) 2 Kr 13,20 . (15) 2 Kr 16,13 . (16) 2 Kr 24,15 . (17) Jdt 8,3 . (18) 2 Mak 7,41 . (19) Sir 30,4 . (20) Mt 9,18 . (21) Mt 22,25 . (22) Hnd 2,29 . (23) Hnd 7,15 . Een vorm van τελευταω = teleuteô in de LXX (93) , in het NT (11) : (1) Mt 2,19 . (2) Mt 9,18 . (3) Mt 15,4 . (4) Mt 22,25 . (5) Mc 7,10 . (6) Mc 9,48 . (7) Lc 7,2 . (8) Joh 11,39 . (9) Hnd 2,29 . (10) Hnd 7,15 . (11) Heb 11,22 .


- thelô (willen) . θελω = thelô (willen) . Taalgebruik in het NT : thelô (willen) . Taalgebruik in de LXX : thelô (willen) . Taalgebruik in Mc : thelô (willen) . Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen . D. willen . E. will .

  thelô (willen)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. praes. 3de pers. enk. thelei  27  18  11   
  act. ind. praes. 1ste pers. enk.  thelô 43  37    20    14  17  19 
  act. ind. praes. 1ste pers. mv.  thelomen         
  act. ind. + imperat. praes. 2de pers. mv. thelete   18  17      13   
  act. part. praes. gen. mann. mv. thelontôn           1    
  act. ind.  imperf. 3de pers. enk. èthelen 19  14      10  11     
  act. ind.  imperf. 3de pers. mv. èthelon  16         
  act. conj. praes. 3de pers. enk. thelè(i)   11           
  act. conj. praes. 2de pers. enk. thelè(i)s  12                 
  act. optat. praes. 3de pers. enk. theloi                            
  act. ind. aor. 3de pers. enk. èthelèsen   49  41       
                               
                               
  totaal                            

- telônès (tollenaar) . τελωνης = telônès (tollenaar) . Taalgebruik in het NT : telônès (tollenaar) . Taalgebruik in Mc : telônès (tollenaar) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. mann. enk. telônès 5   5 2 : (1) Mt 10,3 . (2) Mt 18,17 .   3 : (1) Lc 18,10 . (2) Lc 18,11 . (3) Lc 18,13 .                
  acc. mann. enk. telônèn 1   1     1 : Lc 5,27 .                
  nom. mann. mv. telônai 8   8 4 : (1) Mt 5,46 . (2) Mt 9,10 . (3) Mt 21,31 . (4) Mt 21,32 . 1 : Mc 2,15 . 3 : (6) Lc 3,12 . (7) Lc 7,29 . (8) Lc 15,1 .         (1) : Mt 9,10 // Mc 2,15 // (Lc 5,29) .      
  gen. mann. mv. telônôn     2 : (1) Mt 9,11 . (2) Mt 11,19 . 1 : Mc 2,16 . 3 : (1) Lc 5,29 . (2) Lc 5,30 . (3) Lc 7,34 .         (1) : Mt 9,11 // Mc 2,16 // Lc 5,30 .    
    20   20 8 2 10                

- nom. mann. mv. τελωναι = telônai (tollenaars) van het zelfst. naamw. τελωνης = telônès (tollenaar) . Taalgebruik in het NT : telônès (tollenaar) . Bijbel = NT (8) : (1) Mt 5,46 . (2) Mt 9,10 . (3) Mt 21,31 . (4) Mt 21,32 . (5) Mc 2,15 . (6) Lc 3,12 . (7) Lc 7,29 . (8) Lc 15,1 . Een vorm van τελωνης = telônès (tollenaar) in het OT (-) , in het NT (21) , in Lc (10) : (1) Lc 3,12 . (2) Lc 5,27 . (3) Lc 5,29 . (4) Lc 5,30 . (5) Lc 7,29 . (6) Lc 7,34 . (7) Lc 15,1 . (8) Lc 18,10 . (9) Lc 18,11 . (10) Lc 18,13 .


 

- telônion (tolhuis) . telônion (tolhuis) . Taalgebruik in het NT : telônion (tolhuis) . Taalgebruik in Mc : telônion (tolhuis) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk. telônion                
                               
                               
                               
                               
                               
                               
                               
  totaal                            

- telwoorden . telwoorden . Taalgebruik in het NT : telwoorden . Taalgebruik in de LXX : telwoorden . Taalgebruik in Lc : telwoorden .

  telwoorden  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + dat. vr. mia(i)  192 159 33 4 4 7 3 3 7 5 15 18 6 1
  duo  624  509  115  33  14  25  13              
  treis (drie) 213  176  37  11  15  16 
  tria                            
  dat. vr. enk. ogdoè(i)   21  19                   
  oktô                             
  tesserakonta  (40) 21    21   
                               

 

- dat.. mv. = trisin (drie) . Bijbel (29) . OT (23) . Pentateuch (1) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (7) . NT (6) .

- τεσσαρακοντα = tessarakonta (40) . Zie : Tenakh (115) . Pentateuch (44) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (29) .

- πεντηκοστα = pentèkosta (vijftig) . Zie telwoorden . Taalgebruik in het NT : telwoorden . Taalgebruik in de LXX : telwoorden . Bijbel (146) . OT (139) . NT (7) : (1) Mc 6,40 . (2) Lc 7,41 . (3) Lc 9,14 . (4) Lc 16,6 . (5) Joh 8,57 . (6) Joh 21,11 . (7) Hnd 13,20 .
- Latijn : quinquaginta . Fr. cinquante .

      bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + dat. vr. enk. pentèkostè(i)                            
  gen. vr. enk. pentèkostès                          
  dat. mann. enk. pentèkostô(i)                            
  acc. mann. enk. pentèkoston                            
                                 
                                 

- θεος = theos (God)

- theos (God) . θεος = theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in Lc : theos (God) . Taalgebruik in Brieven : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . De vloek dju . D. Gott . E. God . In vier verzen in Mc 1 , en wel telkens een genitief : zoon van God : Mc 1,1 , de goede boodschap van God : Mc 1,14 , het koninkrijk van God : Mc 1,15 . voc. mann. enk. thee van het zelfst. naamw. theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Bijbel : (1) 2 S 7,25 . (2) 1 K 14,28 . (3) Ez 4,14 . (4) Ez 40,7 . (5) Ez 40,8 . (6) Ez 40,10 . (7) Ez 40,12 . (8) Ez 40,13 . (9) Ez 40,21 . (10) Ez 40,24 . (11) Ez 40,29 . (12) Ez 40,33 . (13) Ez 40,36 . (14) W 9,1 . (15) Sir 23,4 . (16) Mt 27,46 .

- voc. mann. enk. thee van het zelfst. naamw. theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Bijbel : (1) 2 S 7,25 . (2) 1 K 14,28 . (3) Ez 4,14 . (4) Ez 40,7 . (5) Ez 40,8 . (6) Ez 40,10 . (7) Ez 40,12 . (8) Ez 40,13 . (9) Ez 40,21 . (10) Ez 40,24 . (11) Ez 40,29 . (12) Ez 40,33 . (13) Ez 40,36 . (14) W 9,1 . (15) Sir 23,4 . (16) Mt 27,46 . Een vorm van theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) , in Mt (51) .

theos bijbel  OT NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn.. ev. P. Ap.
nom. mann. enk. theos 1686  1399  287  15  17  58  163  20  29 46 143 20
gen. mann. enk.  theou 1517  876 641  28  31  70 43  56  360   53  129 172 293 67
dat.  mann. enk. theô(i) 433  279  154  13  110  13  14 18 97  13 
acc.  mann. enk. theon 496  354  142  23  12  30  62  33 45 43 19
Totaal   4132  2908  1224  44  44  117  76  157  695 91  205 281 576  119 

In het NT komt een vorm van het woord God in 1224 verzen voor . In Mt slechts in 44 verzen (3,67 %) . Van de achtentwintig hoofdstukken komt een vorm van het woord God in 17 hoofdstukken voor , in elf evenwel niet . Meest opvallend is Mt 28 waarin een vorm van het woord God niet voorkomt .

theos (God)  Mt 1 Mt 2 Mt 3 Mt 4 Mt 5 Mt 6 Mt 7 Mt 8 Mt 9 Mt 10 Mt 11 Mt 12 Mt 13 Mt 14 Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22 Mt 23 Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28  
nom. enk. theos                                            
voc. enk. thee                                                     1   1
gen. enk.  theou                           28 
dat.  enk. theô(i)                                                  
acc.  enk. theon                                            1  
Totaal                   2       45 

theos (God)  Mt 1 Mt 3 Mt 4 Mt 5 Mt 6 Mt 8 Mt 9 Mt 12 Mt 14 Mt 15  
nom. enk. theos 1 : Mt 1,23 . 1 : Mt 3,9 .     1 : Mt 6,30         1 : Mt 15,4 .
voc. enk. thee                     1
gen. enk.  theou   1 : Mt 3,16 . 3 : (1) Mt 4,3 . (2) Mt 4,4 . (3) Mt 4,6. 2 : (1) Mt 5,9 . (2) Mt 5,34 . 1 : Mt 6,33 . 1 : Mt 8,29 .   2 : (1) Mt 12,4 . (2) Mt 12,28 . 1 : Mt 14,33 . 2 : (1) Mt 15,3 . (2) Mt 15,6 . 28 
dat.  enk. theô(i)         1 : Mt 6,24 .          
acc.  enk. theon     2 : (1) Mt 4,7 . (2) Mt 4,10 . 1 : Mt 5,8 .     1 : Mt 9,8 .     1 : Mt 15,31 .
Totaal   45 

theos (God)  Mt 16 Mt 19 Mt 21 Mt 22 Mt 23 Mt 26 Mt 27  
nom. enk. theos   1 : Mt 19,6   1 : Mt 22,32      
voc. enk. thee             1 : Mt 27,46 . 1
gen. enk.  theou 2 : (1) Mt 15,16 . (2) Mt 16,23 . 1 : Mt 19,24 . 2 : (1) Mt 21,31 . (2) Mt 21,43 . 4 : (1) Mt 22,16 . (2) Mt 22,21 . (3) Mt 22,29 . (4) Mt 22,31 . 1 : Mt 23,22 . 2 : (1) Mt 26,61 . (2) Mt 26,63 . 3 : (1) Mt 27,40 . (2) Mt 27,43 . (3) Mt 27,54 . 28 
dat.  enk. theô(i)   1 : Mt 19,26 .   1 : Mt 22,21 .        
acc.  enk. theon       1 : Mt 22,37 .     1 : Mt 27,43 .
Totaal   45 

 

 

theos (God) in Lc Lc  syn.. ev.
nom. enk. theos ( God) 15 : 29 46
gen. enk.  theou (van God) 70 : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,35 . (6) Lc 1,37 . (7) Lc 1,78 . 129 172
dat.  enk. theô(i) (aan God) 14 18
acc.  enk. theon (God) 23 : (2) Lc 1,64 . (3) Lc 2,13 . (4) Lc 2,20 . (5) Lc 2,28 . (8) Lc 5,25 . (9) Lc 5,26 . (10) Lc 7,16 . (14) Lc 13,13 . (15) Lc 17,15 . (18) Lc 18,43 . (19) Lc 19,37 . (22) Lc 23,47 . (23) Lc 24,53 33 45
Totaal   117  205 281

- ton theon (God) . Accusatief mannelijk enkelvoud . In drieëntwintig verzen bij Lucas . In drie verzen lijdend voorwerp bij een vorm van het werkwoord eulogeô (lofprijzen) : (1) Lc 1,64 . (2) Lc 2,28 . (3) Lc 24,53 . In drie verzen met aineô (loven) : (1) Lc 2,13 . (2) Lc 2,20 . (3) Lc 19,37 . In zeven verzen met het werkwoord dokazô (verheerlijken).
(1) (2) Lc 1,64 : eulogôn ton theon (lofprijzend - Zacharias).
(2) (3) Lc 2,13 : ainountôn ton theon (van hen die God prijzen - de engelen).
(3) (4) Lc 2,20 : ainountes ton theon = God lofprijzend (herders) .
(4) (5) Lc 2,28 : eulogèsen ton theon (hij - Simeon - lofprijsde God).
(5) (8) Lc 5,25 : doxazôn ton theon (God verheerlijkend - de lamme) .
(6) (9) Lc 5,26 : edoxazon ton theon (zij verheerlijkten God - omstaanders van de lamme) .
(7) (10) Lc 7,16 (idem als Lc 5,26) - omstaanders bij de opwekking van de jongeling van Na´n .
(8) (14) Lc 13,13 : edoxazen ton theon (en zij verheerlijkte God - genezen vrouw) .
(9) (15) Lc 17,15 : doxazôn ton theon (God verheerlijkend - één van de tien melaatsen) .
(10) (18) Lc 18,43 : doxazôn ton theon (God verheerlijkend - de blinde) .
(11) (19) Lc 19,37 : ainein ton theon (God lof te prijzen - menigte bij de intrede van Jezus in Jeruzalem) .
(12) (22) Lc 23,47 : edoxazen ton theon (en hij verheerlijkte God - de honderdman) .
(13) (23) Lc 24,53 : eulogountes ton theon (God lofprijzend - de leerlingen na een verschijning van Jezus).

theos (God)  bijbel  OT  NT  syn.. ev. Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul. Ap. br.
nom. enk. theos 1686  1399  287  29 46 163  32  30  18    22  11        143 20
gen. enk.  theou 1517  876  641  129 172 360   71  46  33  15  20  10  14  15  15  29  20  29  293 67
dat.  enk. theô(i) 433  279  154  14 18 110  27  14  12        97  13 
acc.  enk. theon 496  354  142  33 45 62  14              43 19
Totaal   4132  2908  1224  205 281 695 144  93  70   30  31  23  20  35  17  21  13  12  65  15  36  52  4 576  119 

1 Tes . De 89 verzen van 1 Tes is 3,98 % van het aantal verzen van de brieven van Paulus (2336) . Een vorm van de naam Theos (God) komt 35 (keer of in 35 verzen) voor , d. i. 5,03 % (van de 695 in de brieven van Paulus) . De datief enkelvoud komt in 1 Tes in 9 verzen voor of 9,27 % , de genitief enkelvoud in 15 verzen of 5,11 % (15 op 293) .

Een vorm van theos (God) in 1 Tes  (1) 1 Tes 1,1 (dat. enk. theôi) . (2) 1 Tes 1,2 (dat. enk. theôi) . (3) 1 Tes 1,3 (gen. enk. theou) . (4) 1 Tes 1,4 (gen. enk. theou) . (5) 1 Tes 1,8 (acc. enk. theon) . (6) 1 Tes 1,9 (acc. enk. theon) . (7) 1 Tes 1,9 (dat. enk. theôi) . (8) 1 Tes 2,2 (dat. enk. theôi) . (9) 1 Tes 2,2 (gen. enk. theou) . (10) 1 Tes 2,4 (gen. enk. theou) . (11) 1 Tes 2,4 (dat. enk. theôi) . (12)1 Tes 2,5 (nom. enk. theos) . (13) 1 Tes 2,8 (gen. enk. theou) . (14) 1 Tes 2,9 (gen. enk. theou) . (15) 1 Tes 2,10 (nom. enk. theos) . (16) 1 Tes 2,12 (gen. enk. theou) . (17) 1 Tes 2,13 (dat. enk. theôi) . (18) 1 Tes 2,13 (gen. enk. theou) . (19) 1 Tes 2,14 (gen. enk. theou) . (20) 1 Tes 2,15 (dat. enk. theôi) . (21) 1 Tes 3,2 (gen. enk. theou) . (22) 1 Tes 3,9 (dat. enk. theôi) . (23) 1 Tes 3,9 (gen. enk. theou) . (24) 1 Tes 3,11 (nom. enk. theos) . (25) 1 Tes 3,13 (gen. enk. theou) . (26) 1 Tes 4,1 (dat. enk. theôi) . (27) 1 Tes 4,3 (gen. enk. theou) . (28) 1 Tes 4,5 (acc. enk. theon) . (29) 1 Tes 4,7 (nom. enk. theos) . (30) 1 Tes 4,8 (acc. enk. theon) . (31) 1 Tes 4,16 (gen. enk. theou) . (32) 1 Tes 4,14 (nom. enk. theos) . (33) 1 Tes 5,9 (nom. enk. theos) . (34) 1 Tes 5,18 (gen. enk. theou) . (35) 1 Tes 5,23 (nom. enk. theos) .  

 

theos (God) 1 Kor bijbel  OT  NT  ev. Br. 1 Kor  1 Kor 1 1 Kor 2 1 Kor 3 1 Kor 4 1 Kor 5 1 Kor 6 1 Kor 7 1 Kor 8 1 Kor 9 1 Kor 10 1 Kor 11 1 Kor 12 1 Kor 13 1 Kor 14 1 Kor 15 1 Kor 16 Paul. Ap. br.
nom. enk. theos 1686  1399  287  46 163  30        143 20
gen. enk.  theou 1517  876  641  172 360   46  10          293 67
dat.  enk. theô(i) 433  279  154  18 110  14                97  13 
acc.  enk. theon 496  354  142  45 62                            43 19
Totaal   4132  2908  1224  281 695 93  18  10      576  119 

 

theos (God) 1 Kor 1 Kor  1 Kor 1 Paul.
nom. enk. theos 30  5 : (1) 1 Kor 1,9 . (2) 1 Kor 1,20 . (3) 1 Kor 1,21 . (4) 1 Kor 1,27 . (5) 1 Kor 1,28 . 143
gen. enk.  theou 46  10 : (1) 1 Kor 1,1 . (2) 1 Kor 1,2 . (3) 1 Kor 1,3 . (4) 1 Kor 1,4 . (5) 1 Kor 1,18 . (6) 1 Kor 1,21 . (7) 1 Kor 1,24 . (8) 1 Kor 1,25 . (9) 1 Kor 1,29 . (10) 1 Kor 1,30 . 293
dat.  enk. theô(i) 14  2 : (1) 1 Kor 1,4 . (2) 1 Kor 1,14 . 97 
acc.  enk. theon 1 : 1 Kor 1,21 43
Totaal   93  18  576 

Gen. mann. enk. Fil (10) : (1) Fil 1,2 . (2) Fil 1,11 . (3) Fil 1,28 . (4) Fil 2,6 . (5) Fil 2,11 . (6) Fil 2,15 . (7) Fil 3,3 . (8) Fil 3,9 . (9) Fil 3,14 . (10) Fil 4,7 .

 

  NT   Joh Hnd Apk  Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul.  Ap. br. 
apo theou   22  3                     19   
apo tou theou    1 5                                      
                                                         
                                                         
                                                         
                                                         
                                                         
                                                         

en theô(i) = in God .

  NT   Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul.  Ap. br. 
en tôi theôi  7                               5
en theôi                                   
totaal  12  11          1                  

De relatie tussen ekklèsia (kerk) en de uitdrukking en theôi (in God) komt slechts in 1 Tes en 2 Tes voor .

theô(i) patri (aan God vader) . In drie verzen in het NT :

theos (kai) patèr   NT Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  P.   A. B 
theôi (kai) patri (3 + 7) 10 9   1     1 1 2 1 1           1           1 2
theou (kai) patros = God (en) Vader  23 23 1 1 1 3 2 2 2 3 1 1 1 1 1     1 1   1     20  3
                                                   
                                                   
theou (kai) patros = God (en) Vader  21   Rom 1,7  1 Kor 1,3  2 Kor 1,2  3: (1) Gal 1,1 . (2) Gal 1,3 . (3) Gal 1,4 . 2 : (1) Ef 1,2  . (2) Ef 6,23 . 2: (1) Fil 1,2 . (2) Fil 2,11 . 2: (1) Kol 1,2 . (2) Kol 2,2 . 1 Tes 1,1  2 Tes 1,2  1 Tim 1,2   2 Tim 1,2  Tit 1,4  Film 1,3      1 Pe 1,2   2 Pe 1,17    2 Joh 1,3         

- theôreô (kijken)

- theôreô (zien, kijken) . θεωρεω = theôreô (kijken) . Taalgebruik in het NT : theôreô (kijken) . Taalgebruik in de LXX : theôreô (kijken) .

3. act. ind. praes. 3de pers. mv. θεωρουσιν = theôrousin (zij zien) van het werkw. θεωρεω = theôreô (kijken) . Taalgebruik in het NT : theôreô (kijken) . Taalgebruik in de LXX : theôreô (kijken) . Bijbel (5) : (1) Pr 7,11 . (2) 2 Mak 3,17 . (3) Mc 5,15 . (4) Mc 16,4 . (5) Joh 6,19 . Een vorm van θεωρεω = theôreô in de LXX (75) , in het NT (58) .
- Tussen Mc 5,15-20 en Mc 16,1-8 zijn er heel wat overeenkomsten . Na erchontai (zij gaan) in Mc 16,2 is θεωρουσιν = theôrousin (zij zien) in Mc 16,4 het tweede hoofdwerkwoord in de tegenwoordige tijd . In Mc 5,15 volgen erchontai (zij gaan) en θεωρουσιν = theôrousin (zij zien) elkaar op in twee nevenschikkende zinnen .

- act. ind. praes. + imperat. praes. 2de pers. mv. θεωρειτε = theôreite (jullie kijken of kijkt) van het werkw. θεωρεω = theôreô (kijken) . Taalgebruik in het NT : theôreô (kijken) . Taalgebruik in de LXX : theôreô (kijken) . Bijbel = NT (12) : (1) Lc 21,6 . (2) Lc 24,39 . (3) Joh 12,19 . (4) Joh 14,19 . (5) Joh 16,10 . (6) Joh 16,16 . (7) Joh 16,17 . (8) Joh 16,19 . (9) Hnd 3,16 . (10) Hnd 19,26 . (11) Hnd 25,24 . (12) Heb 7,4 . Een vorm van θεωρεω = theôreô in de LXX (75) , in het NT (58) .

--- theôrôn (kijkend) . In 7 verzen in de bijbel. In 3 verzen in het OT. In 4 verzen in het NT : (1) Lc 23,35 . (2)
--- theôrountes (kijkend) komt in de bijbel in 9 verzen voor; in 4 verzen in het OT, in 5 verzen in het NT Niet bij Matteüs en Marcus.
--- theôrousai (kijkend) . Participium nominatief vrouwelijk meervoud. In slechts 2 verzen in de bijbel : (1) Mt 27,55 . (2) Mc 15,40 .
--- εθεωρουν = etheôroun van het werkw. θεωρεω = theôreô (kijken) . Taalgebruik in het NT : theôreô (kijken) . Taalgebruik in de LXX : theôreô (kijken) . Bijbel (19) . LXX (15) (in 9 verzen in Da) . NT (4) . Mc (2) : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 15,47 (bij de graflegging). Lc (1) . Joh (1) . Een vorm van θεωρεω = theôreô in de LXX (75) , in het NT (58) .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                             
act. ind. pr. 3de pers. mv. theôtousin                
act. part. pr. nom. mann. enk. theôrôn              
act. part. pr.  nom. mann. mv. theôrountes            
act. part. pr. nom. vr. mv. theourousai                    
                             

- therapeuô (genezen, verzorgen) . θεραπευω = therapeuô (genezen, verzorgen) . Taalgebruik in het NT : therapeuô (genezen, verzorgen) . Taalgebruik in de LXX : therapeuô (genezen, verzorgen) . Taalgebruik in Lc : therapeuô (genezen, verzorgen) .

  therapeuô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
                               
  act. ind. imperf. 3de pers. enk. etherapeuen               1    
                               
                               
                               
                               

- τηρεω = tèreô (behouden, bewaren)

tèreô (behouden, bewaren) . τηρεω = tèreô (behouden, bewaren) . Taalgebruik in het NT : tŔre˘ (behouden, bewaren) . Taalgebruik in de LXX : tèreô (behouden, bewaren) . Een vorm van τηρεω = tèreô (behouden, bewaren) in de LXX (37) , in het NT (75) . Jud (4) : (1) Jud 1,1 . (2) Jud 1,6 (2 vormen) . (3) Jud 1,13 . (4) Jud 1,21 .

Jud 1,1 . Jud 1,2 . Jud 1,3 . Jud 1,4 . Jud 1,5 . Jud 1,6 . Jud 1,7 . Jud 1,8 . Jud 1,9 . Jud 1,10 . Jud 1,11 . Jud 1,12 . Jud 1,13 . Jud 1,14 . Jud 1,15 . Jud 1,16 . Jud 1,17 . Jud 1,18 . Jud 1,19 . Jud 1,20 . Jud 1,21 . Jud 1,22 . Jud 1,23 . Jud 1,24 . Jud 1,25 .

tèrein (te bewaren, te behouden) . Infinitief .
Verwijzing : tèreô (behouden, bewaren) , zie Mt 28,20 . Zie ook Hnd 4,3 .
--- tèrein. Infinitief . In negen verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. (alleen in de Griekse tekst) . In zeven verzen in het N.T. . Slechts in Mt 28,20 wat de evangelies betreft .
- Het werkwoord sjâmar (bewaren) wordt meestal door het werkwoord fulattô (bewaken, bewaren) vertaald .


- θησαυρος = thèsauros (schat) .

- thèsauros (schat) . nom. mann. enk. θησαυρος = thèsauros (schat) . Taalgebruik in het NT : thèsauros (schat) . Taalgebruik in de LXX : thèsauros (schat) . Taalgebruik in Mc : thèsauros (schat) . Bijbel (6) : (1) Spr 21,20 . (2) W 7,14 . (3) Sir 20,30 . (4) Sir 41,14 . (5) Mt 6,21 . (6) Lc 12,34 . Een vorm van θησαυρος = thèsauros (schat) in de LXX (93) , in het NT (17) , in Mt (8) : (1) Mt 2,11 . (2) Mt 6,19 . (3) Mt 6,20 . (4) Mt 6,21 . (5) Mt 12,35 (2X) . (6) Mt 13,44 . (7) Mt 13,52 . (8) Mt 19,21 . Het Griekse θησαυρος = thèsauros in de LXX is de vertaling van 11 verschillende Hebreeuwse woorden .

- acc. mann. mv. θησαυρους = thèsaurous (schatten) van het zelfst. naamw. θησαυρος = thèsauros (schat) . Taalgebruik in het NT : thèsauros (schat) . Taalgebruik in de LXX : thèsauros (schat) . Bijbel (30) . OT (27) . Pentateuch (1) : Gn 43,23 . Eerdere Profeten (3) : (1) 1 K 7,37 . (2) 1 K 14,26 . (3) 2 K 24,13 . Latere Profeten (6) : (1) Js 45,3 . (2) Jr 15,13 . (3) Jr 20,5 . (4) Jr 50,37 . (5) Ez 27,24 . (6) Ez 28,13 . 12 Kleine Profeten (3) : (1) Am 8,5 . (2) Mi 6,10 . (3) Mal 3,10 . Geschriften (12) : (1) Spr 2,4 . (2) Spr 3,14 . (3) Spr 8,21 . (4) Job 3,21 . (5) Job 39,22 . (6) Neh 10,40 . (7) Neh 13,12 . (8) 2 Kr 8,15 . (9) 2 Kr 12,9 . (10) 2 Kr 25,24 . (11) 2 Kr 32,27 . (12) 2 Kr 36,18 . Deutero-Canonisch (2) . NT (3) : (1) Mt 2,11 . (2) Mt 6,19 . (3) Mt 6,20 .
- Hebreeuws . vr. enk. אוֹצָר = ´ôtsâr (voorraad, schat, schatkamer, arsenaal) . Zie het werkw. אָצַר = ´âtsar (verzamelen, ophopen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âtsar (verzamelen, ophopen) . Getalwaarde : aleph = 1 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 291 (3 X 97) . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (5) : (1) Joz 6,19 . (2) Joz 6,24 . (3) Hos 13,15 . (4) Spr 21,20 . (5) Da 1,2 . Een vorm van אוֹצָר = ´ôtsâr (voorraad, schat, schatkamer, arsenaal) in Spr (5) : (1) Spr 8,21 . (2) Spr 10,2 . (3) Spr 15,16 . (4) Spr 21,6 . (5) Spr 21,20 .
- Hebreeuws . vr. mv. אוֹצְרוֹת = ´ôtsërôth van het zelfst. naamw. אוֹצָר = ´ôtsâr (voorraad, schat, schatkamer, arsenaal) . Zie het werkw. אָצַר = ´âtsar (verzamelen, ophopen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âtsar (verzamelen, ophopen) . Getalwaarde : aleph = 1 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 291 (3 X 97) . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (9) : (1) 1 K 14,26 . (2) 1 K 15,18 . (3) 2 K 24,13 . (4) Js 45,3 . (5) Jr 20,5 . (6) Spr 10,2 . (7) Spr 21,6 . (8) Neh 13,13 . (9) 1 Kr 26,20 .
- vr. mv. אֹצְרוֹת = ´otsërôth van het zelfst. naamw. אוֹצָר = ´´ôtsâr (voorraad, schat, schatkamer, arsenaal) . Zie het werkw. אָצַר = ´âtsar (verzamelen, ophopen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âtsar (verzamelen, ophopen) . Getalwaarde : aleph = 1 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 291 (3 X 97) . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (10) : (1) 1 K 14,26 . (2) Jl 1,17 . (3) Mi 6,10 . (4) Job 38,22 . (5) 1 Kr 26,22 . (6) 1 Kr 26,26 . (7) 1 Kr 27,25 . (8) 1 Kr 27,28 . (9) 2 Kr 12,9 . (10) 2 Kr 25,24 .
- Lat. thesaurus . Fr. trésor (Quant à l'r dans le français, elle est épenthétique, comme dans fronde, du lat. funda) .
Read more at http://www.dicocitations.com/definition_littre/29186/Tresor.php#ctXFUjJ5AtyIrv8H.99 . E. treasure . Ned. schat . D. Schatz . (Dray B. (2007) , p. 66 : Hebr. ´ôtsâr -> It. + Spaans tesoro) .
- Nederlands : schat . Zie website : http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/schat . M. Philippa e.a. (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands . schat zelfstandig naamwoord (substantief) . zn.‘waardevol bezit’
Onl. skat ‘waardevol bezit’ in de plaatsnaam Scatacer ‘Schatakker (Oost-Vlaanderen)’ [ca. 1185; Gysseling 1960]; mnl. sc(h)at ‘belasting, som geld, schat’ [1240; Bern.].
Os. skat (mnd. schat); ohd. scaz (nhd. Schatz); oe. sceatt; ofri. sket, skat; on. skattr (nzw. skatt); got. skatts; alle ‘waardevol bezit, geld, vermogen, vee, rijkdom e.d.’, < pgm. *skatta-. Oudfrans escat ‘schat’ [eind 12e eeuw; FEW] is ontleend aan het Oudnederlands. De oorspr. Germaanse betekenis is wrsch. ‘vee’. Deze is ontleend door de Slavische talen: Oudkerkslavisch skotŭ ‘vee’ (Russisch skot).
Verdere herkomst onbekend. Er bestaan geen verwante woorden in andere talen. Mogelijk is het woord ontleend aan een onbekende voor-Indo-Europese taal.
Voor een vergelijkbare betekenisuitbreiding van ‘vee’ naar ‘waardevol bezit, rijkdom’ bij andere woorden, zie → pecuniair en → vee.

- acc. mann. enk. θησαυρον = thèsauron van het zelfst. naamw. θησαυρος = thèsauros (schat) . Taalgebruik in het NT : thèsauros (schat) . Taalgebruik in de LXX : thèsauros (schat) . Tenakh (16) : (1) Dt 28,12 . (2) Joz 6,19 . (3) Joz 6,24 . (4) Jr 50,25 . (5) Ezr 2,69 . (6) Neh 7,70 . (7) Neh 7,71 . (8) 2 Kr 5,1 . (9) Sir 6,14 . (10) Sir 29,11 . (11) Sir 40,18 . (12) Mt 19,21 . (13) Mc 10,21 . (14) Lc 12,33 . (15) Lc 18,22 . (16) 2 Kor 4,7 . Een vorm van θησαυρος = thèsauros (schat) in de LXX (93) , in het NT (17) . Het Griekse θησαυρος = thèsauros in de LXX is de vertaling van 11 verschillende Hebreeuwse woorden .

  thèsauros in Mt bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. mann. enk. thèsauros 6 4 2 1 : Mt 6,21 .   1 : Lc 12,34 .                
3 gen. mann. enk. thèsaurou 4 1 3 2 : (1) Mt 12,35 (2X) . (2) Mt 13,52 .   1 : Lc 6,45 .                
4 dat. mann. enk. thèsaurô(i) 1   1 1 : Mt 13,44 .                    
5 acc. mann. enk. thèsauron   16  11  1 : Mt 19,21 . 1 : Mc 10,21 . 2 : (1) Lc 12,33 . (2) Lc 18,22 .     1 : 2 Kor 4,7 .    
10 acc. mann. mv. thèsaurous 30 27 3 3 : (1) Mt 2,11 . (2) Mt 6,19 . (3) Mt 6,20 .                    
          8 verzen (9X) 1 4         13 13    

Met schatten worden de schatten van de tempel , de koninklijke schatten , maar ook de voorraadkamers van koren en olie bedoeld . Sommigen dreven handel op een onrechtvaardige wijze en verrijkten zich op de kap van de behoeftige en de arme . Dat klagen vooral de profeten aan . Schat en schatten kan ook metaforisch en figuurlijk gebruikt worden .
- Tijden zijn veranderd . Schatten worden nu verzameld door directeuren van grote bedrijven met astronomische bonussen , door beursspeculanten , door geldwolven .

- act. ind. praes. 3de pers. enk. θησαυριζει = thesaurizei (hij verzamelt schatten) van het werkw. θησαυριζω = thèsaurizô (schatten verzamelen) . Zie : θησαυρος = thèsauros (schat, voorraad, bewaarplaats, schatkamer) . Taalgebruik in het NT : thèsauros (schat) . Taalgebruik in de LXX : thèsauros (schat) . Bijbel (3) : (1) Ps 39,7 . (2) Spr 2,7 . (3) Spr 16,27 .

- act. ind. praes. 3de pers. mv. θησαυριζουσιν = thesaurizοusin (zij verzamelen schatten) van het werkw. θησαυριζω = thèsaurizô (schatten verzamelen) . Zie : θησαυρος = thèsauros (schat, voorraad, bewaarplaats, schatkamer) . Taalgebruik in het NT : thèsauros (schat) . Taalgebruik in de LXX : thèsauros (schat) . Bijbel (1) : Spr 1,18 .

- act. imperatief praesens 2de pers. mv. θησαυριζετε = thèsaurizete (verzamelt schatten) van het werkw. θησαυριζω = thèsaurizô (schatten verzamelen) . Zie : θησαυρος = thèsauros (schat, voorraad, bewaarplaats, schatkamer) . Taalgebruik in het NT : thèsauros (schat) . Taalgebruik in de LXX : thèsauros (schat) . Bijbel (2) : (2) Mt 6,19 . (3) Mt 6,20 . Een vorm van θησαυριζω = thèsaurizô (schatten verzamelen) in de LXX (15) : : (1) 2 K 20,17 (LXX : ethèsaurisan = zij verzamelden) . (2) Ps 39,7 . (3) Spr 1,18 . (4) Spr 2,7 . (5) Spr 13,22 . (6) Spr 16,27 . (7) Am 3,10 (LXX : hoi thèsaurizontes = degenen die schatten verzamelen) . (8) , in het NT (8) , in Mt (2) , in Lc (1) : Lc 12,21 . In de 2 verzen van Matteüs staat het werkw. met een inwendige acc. : θησαυριζω θησαυρους = thèsaurizô thèsaurous . In de LXX kan θησαυριζω = thèsaurizô (schatten verzamelen) de vertaling van 3 Hebreeuwse werkwoorden zijn .
- Hebreeuws NBG en UBS . act. qal imperf. 2de pers. mann. mv. תַאַצְרוּ = tha´atsërû (verzamelt) van het werkw. אָצַר = ´âtsar (verzamelen, ophopen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âtsar (verzamelen, ophopen) . Getalwaarde : aleph = 1 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 291 (3 X 97) . De som van de elementen is telkens 3 . Niet in Tenakh . Een vorm van אָצַר = ´âtsar in Tenakh (5) : (1) 2 K 20,17 (LXX : ethèsaurisan = zij verzamelden) . (2) Js 23,18 (LXX : sunachthèsetai = het zal bijeengebracht worden) . (3) Js 39,6 (LXX : sunègagon = zij brachten samen) . (4) Am 3,10 (LXX : hoi thèsaurizontes = degenen die schatten verzamelen) . (5) Neh 13,13 (LXX : -) . Van de 5 vormen van het Hebreeuwse אָצַר = ´âtsar komen in de Griekse vertaling 2 vormen van het Griekse werkw. θησαυριζω = thèsaurizô (schatten verzamelen) voor : (1) 2 K 20,17 . (2) Am 3,10 .
De vorm act. qal perf. 3de pers. mann. mv. אָצְרוּ = ´âtsërû (zij verzamelden) van het werkw. אָצַר = ´âtsar (verzamelen, ophopen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âtsar (verzamelen, ophopen) . Getalwaarde : aleph = 1 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 291 (3 X 97) . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (2) : (1) 2 K 20,17 (LXX : ethèsaurisan = zij verzamelden - deze vorm slechts 1X in de LXX) . (2) Js 39,6 (sunègagon = zij brachten samen) . Het zijn 2 teksten die heel sterk op elkaar gelijken . Alle schatten die in het paleis van de koning en in de tempel werden verzameld , zullen naar Babylonië worden meegenomen .
- Zou het Griekse θησαυρος = thèsauros (th-s-r) verband houden met het Hebreeuwse ´-ts-r / t s r ?
- Latijn . act. ind. praes. 2de pers. mv. thesaurizate (verzamelt schatten) . Bijbel (1) : Mt 6,20 . In Mt 6,19 lezen we : nolite thesaurisare (wilt niet schatten verzamelen) . thesaurizare in de Bijbel (3) : (1) Mt 6,19 . (2) 2 Kor 12,14 (Grieks : thèzaurizein) . (3) 1 Tim 6,19 (Grieks : apothèsaurizontas) . Frans : amasser (opstapelen, opeenhopen) = entasser . In een Oost-Vlaams dialect betekent "optassen" het opeenstapelen van korenschoven op de "tas" < Fr. le tas : hoop, stapel . Ook accumuler des richesses .

- act. part. praes. nom. mann. enk. θησαυριζων = thèsaurizôn (verzamelende) van het werkw. θησαυριζω = thèsaurizô (schatten verzamelen) . Zie : θησαυρος = thèsauros (schat, voorraad, bewaarplaats, schatkamer) . Taalgebruik in het NT : thèsauros (schat) . Taalgebruik in de LXX : thèsauros (schat) . Bijbel (3) : (1) Mi 6,10 . (2) Lc 12,21 . (3) 1 Kor 16,2 . In Lc 12,21 staat het in het slotvers van de gelijkenis van de hebzuchtige boer (Lc12,13-21) .
- act. partic. praes. nom. mann. mv. thèsaurizontes (degenen die schatten verzamelen, verzamelaars) . Bijbel (2) : (1) Am 3,10 (Hebr. hâ´ôtsërîm) . (2) Bar 3,17 (Hebr. -) .
εθησαυρισαν= ethèsaurisan (zij verzamelden) van het werkw. θησαυριζω = thèsaurizô (schatten verzamelen) . Bijbel (1) : 2 K 20,17 . Een vorm van θησαυριζω = thèsaurizô (schatten verzamelen) in de LXX (15) , in het NT (8) .

- pass. ind. praes. 3de pers. enk. θησαυριζεται = thèsaurizetai (het wordt bewaard) van het werkw. θησαυριζω = thèsaurizô (schatten verzamelen) . Zie : θησαυρος = thèsauros (schat, voorraad, bewaarplaats, schatkamer) . Taalgebruik in het NT : thèsauros (schat) . Taalgebruik in de LXX : thèsauros (schat) . Bijbel (1) : Spr 13,22 .


- tiktô (baren) . τικτω = tiktô (baren, bevallen) . Taalgebruik in het NT : tiktô (baren) . Taalgebruik in de LXX : tiktô (baren) . Taalgebruik in Lc : tiktô (baren) .

  tiktô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. fut. 2de pers. enk. texè(i)                  
  act. ind. aor. 3de pers. enk.  eteken 101  97               
  act. inf. aor. tekein   11               
  pass. ind. aor. 3de pers enk. etechthè                  
                               

Een vorm van tiktô (baren) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 1,31 . (2) Lc 1,57 . (3) Lc 2,6 . (4) Lc 2,7 . (5) Lc 2,11 .

- act. ind. fut. 2de pers. enk. τεξῃ = texè(i) (jij zult baren) van het werkw. τικτω = tiktô (baren, bevallen) . Taalgebruik in het NT : tiktô (baren) . Taalgebruik in de LXX : tiktô (baren) . Taalgebruik in Lc : tiktô (baren) . Bijbel : (1) Gn 3,16 . (2) Gn 16,11 . (3) Re 13,3 . (4) Re 13,5 . (5) Re 13,7 . (6) Lc 1,31 . Een vorm van τικτω = tiktô (baren) , in de LXX (244) , in het NT (18) , in Lc (5) : (1) Lc 1,31 . (2) Lc 1,57 . (3) Lc 2,6 . (4) Lc 2,7 . (5) Lc 2,11 .


- τιμαω = timaô (schappen, taxeren, hoogschatten, eren)

- tima˘ (schatten, taxeren, hoogschatten, eren) . τιμαω = timaô (schatten, taxeren, hoogschatten, eren) . Taalgebruik in het NT : tima˘ (schatten, taxeren, hoogschatten, eren) . Taalgebruik in de LXX : timaô (schatten, taxeren, hoogschatten, eren) .


- timè (prijs, waarde)

- timŔ (prijs, waarde) . τιμη = timè (prijs, waarde) . Taalgebruik in de Bijbel : timŔ (prijs, waarde) . Een vorm van timè (prijs, waarde) in de LXX (77) , in het NT (61) , in Hnd (6) : (1) Hnd 4,34 . (2) Hnd 5,2 . (3) Hnd 5,3 . (4) Hnd 7,16 . (5) Hnd 19,19 . (6) Hnd 28,10 .
- gen. vr. enk. timès van het zelfst. naamw. Bijbel (20) : (1) Lv 5,15 . (2) Lv 5,18 . (3) Lv 5,25 . (4) Lv 27,15 . (5) Lv 27,23 . (6) Js 55,1 . (7) Ps 44,13 . (8) Job 31,39 . (9) 1 Mak 10,29 . (10) 1 Mak 14,21 . (11) Sir 3,11 . (12) Sir 45,12 . (13) Bar 6,24 . (14) Hnd 5,2 . (15) Hnd 5,3 . (16) Hnd 7,16 . (17) 1 Kor 6,20 . (18) 1 Kor 7,23 . (19) 1 Tim 5,17 . (20) 1 Tim 6,1 .
- acc. vr. mv. timas (waarde) van het zelfst. naamw. Bijbel (4) . OT (2) . NT (2) : (1) Hnd 4,34 . (2) Hnd 19,19 .


- Timotheos (Timoteüs) . τιμοθεος = Timotheos (Timoteüs) . Taalgebruik in het NT : Timotheos (Timoteüs) . Hnd (4) : (1) Hnd 16,1 . (2) Hnd 17,14 . (3) Hnd 18,5 . (4) Hnd 20,4 . Timoteüs was een leerling in Lystra . Hij was de zoon van een gelovige Joodse moeder en een Griekse vader . Hij stond goed aangeschreven bij de gelovigen in Lystra en Ikonium . Paulus , vergezeld van Silas , ontmoette Timoteüs bij zijn tweede zendingsreis (Hnd 16,1) . Hij liet hem besnijden . Hij werd een zendingsgenoot van Paulus . Tijdens die tweede zendingsreis van Paulus stuurden de gelovigen van Berea Paulus naar Athene terwijl Silas en Timoteüs in Berea bleven (Hnd 17,14) . Silas en Timoteüs kwamen Paulus vervoegen in Korinte (na zijn vertrek uit Athene) (Hnd 18,5) . Timoteüs was één van de zeven begeleiders van Paulus naar Griekenland via Macedonië (Hnd 20,4) . In twee brieven wordt Timoteüs door Paulus aangehaald . In zes brieven is Timoteüs medeauteur : (1) 2 Kor 1,1 . (2) Fil 1,1 . (3) Kol 1,1 . (4) 1 Tes 1,1 . (5) 2 Tes 1,1 . (6) Film  .


- τινασσω = tinassô (heftig bewegen, zwaaien, schudden, schokken)

- tinass˘ (heftig bewegen, zwaaien, schudden, schokken) . τινασσω = tinassô (heftig bewegen, zwaaien, schudden, schokken) . Taalgebruik in het NT : tinass˘ (heftig bewegen, zwaaien, schudden, schokken) . Taalgebruik in de LXX : tinassô (heftig bewegen, zwaaien, schudden, schokken) .

- act. imperat. aor. 2de pers. mv. εκτιναξατε = ektinaksate (schudt af) van het werkw. εκτινασσω = ektinassô (afschudden, uitschudden) . Zie het werkw. τινασσω = tinassô (heftig bewegen, zwaaien, schudden, schokken) . Taalgebruik in het NT : tinassô (heftig bewegen, zwaaien, schudden, schokken) . Taalgebruik in de LXX : tinassô (heftig bewegen, zwaaien, schudden, schokken) . Bijbel (2) : (1) Mt 10,14 . (2) Mc 6,11 . Een vorm van εκτινασσω = ektinassô (afschudden, uitschudden) in de LXX (25) , in het NT (4) : (1) Mt 10,14 . (2) Mc 6,11 . (3) Hnd 13,51 . (4) Hnd 18,6 . Een vorm van εκτινασσω = ektinassô (afschudden, uitschudden) is de vertaling van 7 verschillende Hebreeuwse werk(woorden) .
- Latijn : succutire , cussi , cussum (omhoog schudden, doen opspringen) . Italiaans : scuotere . Spaans : sacudir . Frans : secouer . Engels : shake . Nederlands : schudden . Duits : schütteln .
- Latijn : ex-c-u-t-ire (uitschudden, afschudden) . act. imperat. praes. 2de pers. mv. excutite (schudt af) . Bijbel (3) : (1) Da 4,11 . (2) Mt 10,14 . (3) Mc 6,11 .


- τις = tis

- voornaamwoord tis . voornaamwoord τις = tis . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord tis . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Mc : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een , iets .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
mann. + vr. nom. enk. tis   824 467  357  24  24  72  50  40  156  15  120  170     
nom. + acc. onz. enk. ti  1132  617  415  62  60  66  57  60  102  188  245     
nom. mann. mv. tines                              
                             
totaal                            

- nom. en acc. onz. enk. ti van het voornaamw. voornaamwoord tis . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord tis . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord tis .Hebr. ´èchâd (één) . Taalgebruik in Tenakh : ´èchâd (één) . Ned. wie , wat ? een , iets . Fr. certain . E. certain . Hnd (60) . Hnd (5) : (1) Hnd 5,2 . (2) Hnd 5,3 . (3) Hnd 5,4 . (4) Hnd 5,9 . (5) Hnd 5,24 . (6) Hnd 5,35 .

- ει τις = ei tis (indien iemand) . NT (73) . Lc (3) : (1) Lc 8,23 . (2) Lc 14,26 . (3) Lc 19,8 .

- ει τις ερχεται προς = ei tis erchetai pros (indien iemand komt naar) . NT (2) : (1) Lc 14,26 . (2) 2 Joh 1,10 .


- θλιψις = thlipsis (verdrukking) 

- thlipsis (verdrukking) . nom. vr. enk. zelfst. naamw. θλιψις = thlipsis (verdrukking)  . Taalgebruik in het NT : thlipsis (verdrukking) . Taalgebruik in de LXX : thlipsis (verdrukking) . Bijbel (20) . OT (23) . NT (7) . Br. (4) : (1) Rom 2,9 . (2) Rom 5,3 . (3) Rom 8,35 . (4) 2 Kor 8,13 .

  thlipsis (verdrukking)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. vr. enk. thlipsis   20  13         
2 gen. vr. enk. thlipseôs  65  56     
3 dat. vr. enk. thlipsei   35  27               
4 acc. vr. enk. thlipsin  21  11  10       
5 nom. + acc. vr. mv. thlipseis                     
6 gen. vr. mv. thlipseôn                 
7 dat. vr. mv. thlipsesin                   
  totaal 164  120  44    25  5 24 

  thlipsis (verdrukking)  Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. 
1 nom. vr. enk. thlipsis   1 : Mt 24,21 . 1 : Mc 13,19 .     1 : Hnd 14,22 . 4 : (1) Rom 2,9 . (2) Rom 5,3 . (3) Rom 8,35 . (4) 2 Kor 8,13 .   2 : Mt 24,21 // Mc 13,19 .
2 gen. vr. enk. thlipseôs  1 : Mt 13,21 . 1 : Mc 4,17 .   1 : Joh 16,21 . 1 : Hnd 11,19 . 4 : (1) 2 Kor 1,8 . (2) 2 Kor 2,4 . (3) 2 Kor 4,17 . (4) 2 Kor 8,2 . 1 : Apk 7,14 .
3 dat. vr. enk. thlipsei             7 : (1) Rom 12,12 . (2) 2 Kor 1,4 . (3) 2 Kor 7,4 . (4) Fil 4,14 . (5) 1 Tes 1,6 . (6) 2 Tes 3,7 . (7) Jak 1,27 . 1 : Apk 1,9 .  
4 acc. vr. enk. thlipsin  2 : (1) Mt 24,9 . (2) Mt 24,29 . 1 : Mc 13,24 .   1 : Joh 16,33 .   3 : (1) 1 Kor 7,28 . (2) Fil 1,17 . (3) 2 Tes 1,6 . 3 : (1) Apk 2,9 . (2) Apk 2,10 . (3) Apk 2,22 . 3 : Mt 24,29 // Mc 13,24 .
5 nom. + acc. vr. mv. thlipseis          1 : Hnd 20,23 .      
6 gen. vr. mv. thlipseôn          2 : (1) Hnd 7,10 . (2) Hnd 14,22 . 1 : Kol 1,24 .    
7 dat. vr. mv. thlipsesin            6 : (1) Rom 5,3 . (2) 2 Kor 6,4 . (3) Ef 3,13 . (4) 1 Tes 3,3 . (5) 2 Tes 1,4 . (6) Heb 10,33 .    
  totaal   25  5

- gen. vr. enk. = thlipseôs (van de verdrukking) van het zelfst. naamw. θλιψις = thlipsis (verdrukking)  . Taalgebruik in het NT : thlipsis (verdrukking) . Taalgebruik in de LXX : thlipsis (verdrukking) .


- tote (dan) . tote (dan) . (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in de LXX : tote (dan) . Taalgebruik in het NT : tote (dan) . Taalgebruik in Mt : tote (dan) . Taalgebruik in Mc : tote (dan) . Bijwoord van tijd . Hebr. ´âz (dan) . Taalgebruik in Tenach : ´âz (dan) . Lat. : tunc . Fr. : alors . E. : then . D. : dann . tote / tot' (dan) in de LXX (293) , in het NT (159) .

- Ned. : dan . D. : dann . E. : then . Fr. : alors . Grieks : τοτε = tote (dan) . (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het NT : tote (dan) . Lat. : tunc .

tote (< to - de : dat echter ; dan , daarop)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. syn.  ev. 
tote   353 195 158 89 6 15 10 21 17 110  120 
tot'                        

- τρεχω = trechô (snellopen, hollen)

- trechô (snellopen, hollen) . τρεχω = trechô (snellopen, hollen) . Taalgebruik in het NT : trechô (snellopen, hollen) . Taalgebruik in de LXX : trechô (snellopen, hollen) . Taalgebruik in Mc : trechô .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers enk. edramen   13  11               
  act. part. aor. nom. mann. enk. dramôn             
                               

- act. ind. aor. εδραμεν = edramen (hij liep snel) . Zie het werkw. τρεχω = trechô (snellopen, hollen) . Taalgebruik in het NT : trechô (snellopen, hollen) . Taalgebruik in de LXX : trechô (snellopen, hollen) . Taalgebruik in Mc : trechô . LXX (11) . NT (2) : (1) Mc 5,4 . (2) Lc 24,12 .


 

- trefô (voeden, opvoeden) . trefô (voeden, opvoeden) . Taaalgebruik in het NT : trefô (voeden, opvoeden) . Taaalgebruik in Lc : trefô .

  trefô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  pass. part. perf. nom. mann. enk. tethrammenos                              
                               

- thronos (troon) . θρονος = thronos (troon) . Taalgebruik in het NT : thronos (troon) . Taalgebruik in de LXX : thronos (troon) . Taalgebruik in Lc : thronos (troon) .

  thronos  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  acc. mann. enk. thronon   48  41             
                               

acc. mann. enk. thronon van het zelfst. naamw. thronos (troon) . Taalgebruik in het NT : thronos (troon) . Taalgebruik in Lc : thronos (troon) .
Lc (1) Lc 1,32 . Een vorm van thronos (troon) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 1,32 . (2) Lc 1,52 . (3) Lc 22,30 .

- gen. mann. mv. θρονων = thronôn (van de tronen) van het zelfst. naamw. θρονος = thronos (troon) . Taalgebruik in het NT : thronos (troon) . Taalgebruik in de LXX : thronos (troon) . Bijbel (10) . LXX (10) . NT (2) : (1) Lc 1,52 . (2) Lc 22,30 .


- thrŔne˘ (weeklagen, jammeren, lamenteren) . θρηνεω = thrèneô (weeklagen, jammeren, lamenteren) . Taalgebruik in het NT : thrŔne˘ (weeklagen, jammeren, lamenteren) . Taalgebruik in de LXX : thrèneô (weeklagen, jammeren, lamenteren) .

- trumalia (gat, oog) . trumalia (gat, oog) . Taalgebruik in het NT : trumalia (gat, oog) . Taalgebruik in Mc : trumalia .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  gen. vr. enk. trumalias                  
                               
                               

 

- thura (deur) . Verwijzing in NT : thura (deur) . Verwijzing in Mc : thura (deur) . Lat. ianua (de god Janus had twee gezichten : vooraan , achteraan , zie de maand januari) . Fr. porte < Lat. pota cfr. fores ( buiten ) . thuran . Mc (4) : (1) Mc 1,33 . (2) Mc 2,2 . (3) Mc 11,4 . (4) Mc 15,46 .

  thura ( deur )  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. + dat. vr. enk. thura(i)  26  17     
2 gen. vr. enk. + acc. vr. mv. thuras  98  90       
3 acc. vr. enk. thuran   72  60  12    6    
4 nom. vr. mv. thurai   10                     
5 gen. vr. mv. thurôn   14  10             
6 dat. vr. mv. thurais  11               
  totaal 241  204  37  10  13  20 

- Timotheos (Timoteüs) . Verwijzing in NT : Timotheos (Timoteüs) . Verwijzing in Brieven : Timotheos (Timoteüs) .

  timotheos bijbel OT NT Hnd 16 Hnd 17 Hnd 18 Hnd 19 Hnd 20 Hnd Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Film Heb
1 nom. mann. enk. timotheos 20  12  1 : Hnd 16,1 . 1 : Hnd 17,14 . 1 : Hnd 18,5 .   1 : Hnd 20,4 . 1 : Rom 16,21 1 : 1 Kor 16,10 1 : 2 Kor 1,1 1 : Fil 1,1 1 : Kol 1,1 1 : 1 Tes 1,1 1 : 2 Tes 1,1     1 : Film 1,1   
2 voc.  mann. enk. timothee 2   2                                
3 gen. mann. enk. timotheou                              
4 dat. mann. enk. timotheô(i)                                 
5 acc. mann. enk. timotheon  14    1 : Hnd 17,15     1 : Hnd 19,22     1 : 1 Kor 4,17   1 : Fil 2,19   1 : 1 Tes 3,2         1 : Heb 13,23
  totaal   42  18  24  18  2

- Timotheos (Timoteüs) . In vier verzen in Hnd : (1) Hnd 16,1 . (2) Hnd 17,14 . (3) Hnd 18,5 . (4) Hnd 20,4 . Timoteüs was een leerling in Lystra . Hij was de zoon van een gelovige Joodse moeder en een Griekse vader . Hij stond goed aangeschreven bij de gelovigen in Lystra en Ikonium . Paulus , vergezeld van Silas , ontmoette Timoteüs bij zijn tweede zendingsreis (Hnd 16,1) . Hij liet hem besnijden . Hij werd een zendingsgenoot van Paulus . Tijdens die tweede zendingsreis van Paulus stuurden de gelovigen van Berea Paulus naar Athene terwijl Silas en Timoteüs in Berea bleven (Hnd 17,14) . Silas en Timoteüs kwamen Paulus vervoegen in Korinte (na zijn vertrek uit Athene) (Hnd 18,5) . Timoteüs was één van de zeven begeleiders van Paulus naar Griekenland via Macedonië (Hnd 20,4) . In twee brieven wordt Timoteüs door Paulus aangehaald . In zes brieven is Timoteüs medeauteur : (1) 2 Kor 1,1 . (2) Fil 1,1 . (3) Kol 1,1 . (4) 1 Tes 1,1 . (5) 2 Tes 1,1 . (6) Film 1,1 .


- tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . τιθημι = tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . Taalgebruik in het NT : tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . Taalgebruik in de LXX : tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . L. ponere . Fr. déposer . E. to ly down . D. legen . Hebr. sjîth . Taalgebruik in Mc : tithèmi (zetten, plaatsen, maken) .

- act. ind. aor. 3de pers. enk. εθηκεν = ethèken (hij legde) van het werkw. τιθημι = tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . Taalgebruik in het NT : tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . Taalgebruik in de LXX : tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . Bijbel (67) . OT (50) . NT (11) : (1) Mt 27,60 . (2) Mc 15,46 . (3) Lc 6,48 . (4) Lc 23,53 . (5) Joh 19,19 . (6) Hnd 4,37 . (7) Hnd 5,2 . (8) Heb 1,2 . (9) 1 Joh 3,16 . (10) Apk 1,17 . (11) Apk 10,2 . Een vorm van τιθημι = tithèmi (zetten, plaatsen, maken) in de LXX (558) , in het NT (101) , in Hnd (23) .

- act. ind. aor. 3de pers. mv. εθηκαν = ethèkan (zij legden) van het werkw. τιθημι = tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . Taalgebruik in het NT : tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . Taalgebruik in de LXX : tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . Bijbel (24) . Pentateuch (1) : Gn 50,26 . NT (7) : (1) Mc 6,29 . (2) Mc 16,6 . (3) Joh 19,42 . (4) Joh 20,2 . (5) Joh 20,13 . (6) Hnd 9,37 . (7) Hnd 13,29 .

  tithèmi (zetten, plaatsen, maken)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. part. praes. nom. mann. enk. titheis     1 :              
                               
  act. ind. aor. 3de pers. mv. ethèkan (zij legden) 24 17     2   3 2     2 5    
                               

- tolma˘ (doorstaan, de moed hebben om, wagen, durven) . τολμαω = tolmaô (doorstaan, de moed hebben om, wagen, durven) . Taalgebruik in de Bijbel : tolma˘ (doorstaan, de moed hebben om, wagen, durven) .
- act. part. aor. nom. mann. enk. = tolmèsas (durvende) van het werkw. τολμαω = tolmaô (doorstaan, de moed hebben om, wagen, durven) . Taalgebruik in de Bijbel : tolmaô (doorstaan, de moed hebben om, wagen, durven) . Bijbel (1) : Mc 15,43 . Een vorm van in de LXX (7) , in het NT (15) : (1) Mt 22,46 . (2) Mc 12,34 . (3) Mc 15,43 . (4) Lc 20,40 . (5) Joh 21,12 . (6) Hnd 5,13 . (7) Hnd 7,32 . (8) Rom 5,7 . (9) Rom 15,18 . (10) 1 Kor 6,1 . (11) 2 Kor 10,2 . (12) 2 Kor 10,12 . (13) 2 Kor 11,21 . (14) Fil 1,14 . (15) 1 Jud 1,9 .

- topos (plaats) . topos (plaats) . Taalgebruik in het NT : topos (plaats) . Taalgebruik in de LXX : topos (plaats) . Taalgebruik in Mc : topos (plaats) . Een vorm van in de LXX (613) , in het NT (95) . L. locus . F. place . N. plaats . E. place . D. Stätte .

  topos (plaats)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. topos  76  60  16  10   
gen. mann. enk. topou  99  92         
dat. mann. enk. topô(i)   129  114  15     
acc. mann. enk. topon   251  207  44  10  18  26   
nom. mann. mv. topoi                          
gen. mann. mv. topôn   23  20             
dat. mann. mv. topois   11               
acc. mann. mv. topous  14           
  totaal 604  512  92  11  18  16  17  13  38  54  12 

- tote (dan) (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het NT : tote (dan) . Taalgebruik in Mc : tote (dan) .

tote  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  
  353 195 158 89 6 : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . 15 10 21 17   110  120 

tote (dan)  Mt 1 Mt 2 Mt 3 Mt 4 Mt 5 Mt 6 Mt 7 Mt 8 Mt 9 Mt 10 Mt 11 Mt 12 Mt 13 Mt 14 Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22 Mt 23 Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28
89          13 

tote (dan)  Mt 2 Mt 3 Mt 4 Mt 5 Mt 7 Mt 8
  (1) . (2) . (3) . (1) . (2) . (3) . (1) Mt 4,1 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 4,10 . (4) Mt 4,11 . (5) Mt 4,17 . (1) . (1) . (2) . (1) .

tote (dan)  Mt 9 Mt 11 Mt 12 Mt 13 Mt 14
  (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (1) . (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (1) . (2) . (3) .  

tote (dan)  Mt 15 Mt 16 Mt 17 Mt 18 Mt 19 Mt 20 Mt 21 Mt 22 Mt 23
  (1) . (2) . (3) . (1) Mt 16,12 . (2) Mt 16,20 . (3) Mt 16,21 . (4) Mt 16,24 . (5) Mt 16,27 . (1) . (2) . (1) . (2) . (1) . (2) . (1) . (1) . (1) Mt 22,8 . (2) Mt 22,13 . (3) Mt 22,15,. (4) Mt 22,21 . (1) Mt 23,1 .

tote (dan)  Mt 24 Mt 25 Mt 26 Mt 27 Mt 28
  (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . (12) . (13) . (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (1) .

Het is duidelijk dat dit een woord is dat Matteüs zeer graag gebruikt .
Het gebruik van tote (dan, daarop) duidt op een opeenvolging . Het staat meestal als eerste woord in de zin of na een voorzetsel . Het doet denken aan ho de (hij echter), hè de (zij echter) en to de (het echter) dat evenwel niet bestaat . Het zou een samentrekking kunnen zijn van to de (het echter) . Het verklaart waarom er geen de (echter) na tote (dan) staat .
- apo tote (apo : voorzetsel + bijwoord van tijd) . Verwijzing : apo (van, vanaf) , zie Mt 1,17 . In vier verzen in het NT : (1) Mt 4,17 . (2) Mt 16,21 . (3) Mt 26,16 . (4) Lc 16,16 .


thrix  (haar) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. vr. enk. thrix   14  12               
gen. vr. enk. trichos                         
acc. vr. enk. tricha                  
gen. vr. enk. trichôn               
acc. vr. mv. trichas  12  10               
totaal                            

 

thura (deur). Thura of thurai kan nominatief of datief enkelvoud zijn. Getalwaarde (th = 9, u = 400, r = 100, a = 1. Totaal : 510). Hebreeuws daleth. Getalwaarde (d = 4, l = 30, t (taf) = 400; totaal : 434) . In 26 verzen in de bijbel. In 17 verzen in het OT, in 9 verzen in het NT In 2 verzen bij Matteüs, in 1 vers bij Lucas, in 3 verzen Johannes, enz.
- thuran (deur) . Accusatief enkelvoud. In 72 verzen in de bijbel. In 60 verzen in het OT, in 12 verzen in het NT In 1 vers bij Matteüs, in 4 verzen bij Marcus, in 1 vers bij Lucas, niet bij Johannes enz. thura (deur). In 4 verzen bij Marcus (thura (deur) , zie Mc 1,33 : (1) Mc 1,33 (episunègmenè pros tèn thuran = zich bijeenverzameld bij de deur) . (2) Mc 2,2 (pros tèn thuran = zelfs niet bij de deur konden komen). (3) Mc 11,4 (gebonden bij de deur) . (4) Mc 15,46 (prosekulisen ton lithon epi tèn thuran tou mneimeiou (hij rolde de steun naartoe naar de deur van het gedenkteken). Het is toch merkwaardig dat de opening (de ingang) van het graf deur wordt genoemd. Een deur heeft de functie om in- en uit te gaan. Dat kan toch niet het geval zijn bij een graf. Normalerwijze dient de steen toch om af te sluiten.
- thuras (deur) . Het kan genitief enkelvoud en accusatief meervoud zijn. Het komt in 98 verzen in de bijbel voor. In 90 verzen in het OT, in 8 verzen in het NT
Er zijn plotseling verbanden die voorheen niet werden gezien. Om water te putten moet Jakob de steen wegrollen. Om water te putten, moet hij een 'emmer' naar beneden laten om water te putten. In Mt 28,2 is de gelijkenis met Gn 29,10 overduidelijk. Als we de twee verhalen naast elkaar leggen, dan zou het kunnen dat de dezur van het gedenkteken niet aan de zijkant, maar bovenaan is en dat de steen boven het graf wordt bij- en weggerold. Dan gaat men ook niet langszij het graf binnen, maar van boven via b.v. trapjes naar beneden. In het verhaal van de lamme laten vier mannen de draagberrie met de man naar beneden zakken voor de voeten van Jezus. Het roept het beeld op van een begrafenis, waarbij vier mannen de doodskist in de kuil van de aarde (uitgegraven) neerlaten. In het verhaal van de schoonmoeder van Petrus lag de schoonmoeder met koorts te bed. Het geeft een beeld van een dode die ligt. Jezus wekt haar op. Het huis waarin eerst ziekte en dood was, wordt een huis van leven. De mensen brengen al hun zieken naar het huis van de levende. Het is zoals het lied verwoordt : Midden in de dood
zijn wij in het leven,.


- τυφλος = tuflos (blind)

- tuflos (blind) . τυφλος = tuflos (blind) . Taalgebruik in het NT : tuflos (blind) . Taalgebruik in Tenach : tuflos (blind) . Taalgebruik in Mc : tuflos (blind) .

  tuflos (blind)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. tuflos   18  15   12   
voc. mann. enk. tufle                    
gen. mann. enk. tuflou                
dat. mann. enk. tuflô(i)                      
acc. mann. enk. tuflon   13           
nom. + voc. mann. mv. tufloi  20  14  10          11  14     
gen. mann. mv. tuflôn            
dat. mann. mv. tuflois                  
acc. mann. mv. tuflous               
  totaal 75  25  50  18  16  30  46 

- θυγατηρ = = thugatèr (dochter)

- thugatèr (dochter) . θυγατηρ = thugatèr (dochter) . Taalgebruik in het NT : thugatèr (dochter) . Taalgebruik in Lc : thugatèr (dochter) .

  thugatèr (dochter) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  voc. vr. enk. thugater 32 31 1 1                    
  gen. vr. mv. thugaterôn   59  58      1              
                               
                               
                               

Een vorm van thugatèr (dochter) in Lc in 8 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 2,36 . (3) Lc 8,42 . (4) Lc 8,48 . (5) Lc 8,49 . (6) Lc 12,53 . (7) Lc 13,16 . (8) Lc 23,28 .


- thumiama (reukoffer) . thumiama (reukoffer) . Taalgebruik van het NT : thumiama (reukoffer) . Taalgebruik van Lc : thumiama (reukoffer) .

  thumiama  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  gen. onz. enk. thumiamatos   28  26                 
                               
                               
                               

- thumiaô (in rook doen opgaan, een reukoffer brengen) . thumiaô (in rook doen opgaan, een reukoffer brengen) . Taalgebruik in het NT : thumiaô (in rook doen opgaan, een reukoffer brengen) . Taalgebruik in Lc . : thumiaô (in rook doen opgaan, een reukoffer brengen) .

  thumiaô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1.   act. inf. aor. thumiasai                  

- thumos (opwelling, toorn) . thumos (opwelling, toorn) . Taalgebruik in het NT : thumos (opwelling, toorn) . Taalgebruik in Lc : thumos (opwelling, toorn) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  gen. mann. enk. thumou   86  76  10             
                               
                               

 

- turos (Tyrus) . τυρος = turos (Tyrus) . Taalgebruik in het NT : turos (Tyrus) . Taalgebruik in de LXX : turos (Tyrus) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1. nom. mann. enk.  turos                         
2.  gen. mann. enk. turou  28  23           
3.   dat. mann. enk. turô(i)               
4.  acc. mann. enk. turon               
  totaal 50  39  11           

- thusia (offer) . thusia (offer) . Taalgebruik in het NT : thusia (offer) . Taalgebruik in Lc : thusia (offer) .

  thusia  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  gen. vr. v. thusiôn                              
                               

 

- thusiastèrion (brandofferaltaar) . thusiastèrion (brandofferaltaar) . Taalgebruik in het NT : thusiastèrion (brandofferaltaar) . Taalgebruik in Lc : thusiastèrion (brandofferaltaar) .

  thusiastèrion  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  gen. ons. enk. thusiastèriou   125  114  11