TAALGEBRUIK : HANDELINGEN VAN DE APOSTELEN - Hnd -
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Hnd (Handelingen)

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -

NT (NT overzicht) : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

- Hnd taalgebruik - Hnd taalgebruik A - Hnd taalgebruik B - Hnd taalgebruik C - Hnd taalgebruik D - Hnd taalgebruik E - Hnd taalgebruik F - Hnd taalgebruik G - Hnd taalgebruik H - Hnd taalgebruik I - Hnd taalgebruik J - Hnd taalgebruik K - Hnd taalgebruik L - Hnd taalgebruik M - Hnd taalgebruik N - Hnd taalgebruik O - Hnd taalgebruik P - Hnd taalgebruik Q - Hnd taalgebruik R - Hnd taalgebruik S - Hnd taalgebruik T - Hnd taalgebruik U - Hnd taalgebruik Z -
- Hnd : commentaar

Hnd 1 , Hnd 2 , Hnd 3 , Hnd 4 , Hnd 5 , Hnd 6 , Hnd 7 , Hnd 8 , Hnd 9 , Hnd 10 , Hnd 11 , Hnd 12 , Hnd 13 , Hnd 14 , Hnd 15 , Hnd 16 , Hnd 17 , Hnd 18 , Hnd 19 , Hnd 20 , Hnd 21 , Hnd 22 , Hnd 23 , Hnd 24 , Hnd 25 , Hnd 26 , Hnd 27 , Hnd 28 ,

ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch  
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
             
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts (Vlaams Blok) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat
Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik

Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


  Hnd 1 Hnd 2 Hnd 3 Hnd 4 Hnd 5 Hnd 6 Hnd 7 Hnd 8 Hnd 9 Hnd 10 Hnd 11 Hnd 12 Hnd 13 Hnd 14 Hnd 15 Hnd 16 Hnd 17 Hnd 18 Hnd 19 Hnd 20 Hnd 21 Hnd 22 Hnd 23 Hnd 24 Hnd 25 Hnd 26 Hnd 27  Hnd 28
                                                         
                                                         
                                                       
                                                       
                                                       
                                                       
                                                       
                                                         

A

- achri (tot) , zie Hnd 1,2 . Voorzetsel . In zevenenveertig verzen in de bijbel . O.T. (3) . N.T. (44) . Mt (1) . Lc (4) . Hnd (15) . Brieven (13) . Apk (11) . In drie verzen in het O.T. . In vierenveertig verzen in het N.T. . In vier verzen in Lc . In vijftien verzen in Hnd : (1) Hnd 1,2 . (2)

- afesis (vergeving) . Verwijzing : afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) , zie Mt 6,14 .

afesis  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  
nom : afesis 5 2 3         1 2    
gen : afeseôs 21 21                  
dat : afesei 8 6       2          
acc.: afesin 26 14 12 1 2 3   4 2    
totaal 60 44 14 1 2 4   5 4    

- afesin . Verwijzing : afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) , zie Mt 6,14 . Accusatief enkelvoud . In zesentwintig verzen in de bijbel . In veertien verzen in het O.T. . In twaalf verzen in het N.T. . In zes verzen in de evangelies : (1) Mt 26,28 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 3,29 . (4) Lc 3,3 . (5) Lc 4,18 . (6) Lc 24,47 . In vier verzen in Hnd : (1) Hnd 2,38 . (2) Hnd 5,31 . (3) Hnd 10,43 . (4) Hnd 26,18 . In twee verzen in Brieven : (1) Ef 1,7 . (2) Kol 1,14 .
In negen verzen in combinatie met hamartiôn (van zonden) , vandaar : zondenvergeving : (1) Mt 26,28 . (2) Mc 1,4 . . (4) Lc 3,3 . (6) Lc 24,47 . Niet in (2) Mc 3,29 . (5) Lc 4,18 . (1) Hnd 2,38 . (2) Hnd 5,31 . (3) Hnd 10,43 . (4) Hnd 26,18 . (2) Kol 1,14 . Niet in : (3) Ef 1,7 (vergeving van overtredingen) . In Hnd 13,38 lezen we afesis (nominatief) hamartiôn (zondenvergeving) , in Lc 1,77 afesei (datief) hamartiôn (zondenvergeving) .
- eis afesin tôn hamartiôn (tot vergeving van de zonden) . Verwijzing : afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) , zie Mt 6,14 . In vier verzen in het N.T. : (1) Mt 26,28 . (2) Mc 1,4 . (3) Lc 3,3 . (4) Hnd 2,38 . In Lc 1,77 lezen we afesei (datief) hamartiôn (zondenvergeving) .

- aggelos (engel) . Verwijzing : aggelos (engel) , zie Mt 13,41 . Zelfstandig naamwoord nominatief mannelijk enkelvoud . In 155 verzen in de bijbel . In 108 verzen in het O.T. . In zevenenveertig verzen in het N.T. . In elf verzen in Hnd : (1) Hnd 5,19 . (2) Hnd 7,30 . (3) Hnd 8,26 . (4) Hnd 10,7 . (5) Hnd 12,7 . (6) Hnd 12,8 . (7) Hnd 12,10 . (8) Hnd 12,15 . (9) Hnd 12,23 . (10) Hnd 23,9 . (11) Hnd 27,23 .
-- aggelos kuriou (de engel van de Heer) . In vijf verzen in Hnd :
(1) Hnd 5,19 : aggelos de kuriou = een engel van de Heer echter .
(2) Hnd 7,30 (sommige handschriften geven slechts aggelos = een engel) .
(3) Hnd 8,26 : aggelos de kuriou = een engel van de Heer echter .
(4) Hnd 12,7 : kai idou aggelos kuriou = en zie een engel van de Heer .
(5) Hnd 12,23 .

- ègagon (zij leidden) . Verwijzing : agô (leiden) , zie Lc 23,1 . Actief aorist derde persoon meervoud van het werkwoord agô (leiden , voeren) . In negenendertig verzen in de bijbel . In zesentwintig verzen in het O.T. . In dertien verzen in het N.T. : (1) Mt 21,7 . (2) Lc 4,29 . (3) Lc 4,40 . (4) Lc 19,35 . (5) Lc 22,54 : ègagon eis tèn oikian tou archiereôs = naar het huis van de hogepriester . (6) Lc 23,1 : ègagon auton epi ton Pilaton = zij leidden hem tot bij Pilatus . (7) Joh 18,13 : ègagon pros Annan = zij leidden (hem) naar Annas . In zes verzen in Hnd : (1) Hnd 6,12 : kai ègagon eis to sunedrion = en zij leidden (hem) naar het sanhedrin . (2) Hnd 17,15 . (3) Hnd 17,19 . (4) Hnd 18,12 : kai ègagon auton epi to bèma = en zij leidden hem tot de rechterstoel . (5) Hnd 20,12 . (6) Hnd 23,31 . Vaak in de betekenis van : iemand voor het gerecht brengen , voorleiden .
- agagontes (geleid) . Verwijzing : agô (leiden) , zie Lc 23,1 . Participium aorist nominatief mannelijk meervoud . In één vers in de bijbel : Hnd 5,27 . Deze bepaling verwijst naar Hnd 5,26 : ho stratègos sun tois hupèretais ègen autous = de bevelhebber samen met (zijn) onderhorigen leidde hen . In de evangelies en in Hnd wordt een vorm van agô (leiden) vaak gebruikt om aan te duiden dat iemand voor het gerecht wordt gebracht , wordt voorgeleid , van de ene naar de andere plaats onder politiebegeleiding wordt gebracht / gevoerd / geleid .

- ainounta (prijzend) . Accusatief enkelvoud . Slechts in één vers in de bijbel : Hnd 3,9 .

akatharos (onzuiver) N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
nom. m. enk. akathartos 1           1 : Ef 5,5 .      
nom. + dat vr. enk , nom + acc. onz. mv. .akatharta(i) 6   2 : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 5,13 .     1 : Hnd 8,7 . 1 : 1 Kor 7,14 . 2
nom. + acc. onz. enk. akatharton 9 1: Mt 12,43 . 4 : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 3,30 . (3) Mc 5,8 . (4) Mc 7,25 . 1 : Lc 8,29 .   3     6 : Mc 5,8 // Lc 8,29 .
gen. mann. enk. akathartou 3     1     1 1 1 1
dat. m. + onz. enk. akathartô(i) 5   3 : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 5,2 . (3) Mc 9,25 . 2        
nom. m. mv. akathartoi                    
gen. m. + vr. + onz. mv. akathartôn 4 1: Mt 10,1 . 1 : Mc 6,7 . 1   1    
dat. mv. akathartois 2   1 : Mc 1,27 . 1 : Lc 4,36 .         2 : (1) Mc 1,27 // Lc 4,36 . 2
Totaal   30 2 11 6   5 3 3 19  19 

 

- akousantes (gehoord) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . Participium aorist nominatief mannelijk meervoud . In zevenenzestig verzen in de bijbel . In vijftien verzen in het O.T. . In tweeënvijftig verzen in het N.T. . Mt (13) . Mc (7) . Lc (7) . Joh (5) . Hnd (16) . In zestien verzen in Handelingen : (1) Hnd 2,37 . (2) Hnd 4,24 . (3) Hnd 5,21 . (4) Hnd 5,33 . (5) Hnd 8,14 . (6) Hnd 9,38 . (7) Hnd 11,18 . (8) Hnd 14,14 . (9) Hnd 16,38 . (10) Hnd 17,32 . (11) Hnd 18,26 . (12) Hnd 19,5 . (13) Hnd 19,28 . (14) Hnd 21,20 . (15) Hnd 22,2 . (16) Hnd 28,15 .
-- akousantes de (gehoord echter) . In twaalf verzen in het N.T. . Mt (1) . Lc (1) . Hnd (10) : (1) Hnd 2,37 . (3) Hnd 5,21 . (5) Hnd 8,14 . (7) Hnd 11,18 . (8) Hnd 14,14 . (10) Hnd 17,32 . (11) Hnd 18,26 . (12) Hnd 19,5 . (13) Hnd 19,28 . (15) Hnd 22,2 . In deze tien verzen in Hnd staat dit telkens bij het begin van een zin . In negen verzen in het begin van een vers , niet in Hnd 18,26 .
-- akouontes (de) tauta = dat (echter) horende . In twee verzen in het N.T. : (1) Lc 4,28 : akouontes tauta = dat horende .Op het einde van de zin . (2) Hnd 7,54 : akouontes de tauta = dat echter horende . Bij het begin van de zin .
-- pantes hoi akouantes (al wie hoort) . In twee verzen in het N.T. : (1) Lc 2,47 . (2) Hnd 9,21 .
- akouontas (horende) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . Tegenwoordig deelwoord accusatief mannelijk en vrouwelijk meervoud . In zes verzen in de bijbvel . Hnd (5) : (1) Hnd 5,5 . (2) Hnd 5,11 . (3) Hnd 10,44 . (4) Hnd 17,8 . (5) Hnd 26,29 . Tenslotte : 1 Tim 4,16 .
-- pantas tous akouontas (al wie hoort) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . In vier verzen in het N.T. : (1) Hnd 5,5 . (2) Hnd 5,11 . (3) Hnd 10,44 . (4) Hnd 26,29 .
-- pantas tous akouontas tauta (al wie dat hoort) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . In drie verzen in het N.T. : (1) Hnd 5,5 . (2) Hnd 5,11 . (3) Hnd 17,8 .
- akouein (horen) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . Actief infinitief praesens . In tweeëntwintig verzen in het O.T. . In tweeënveertig verzen in de bijbel . In twintig verzen in het N.T. . Mt (1) . Mc (4) . Lc (7) . Joh (3) . Hnd (3) . In zeven verzen in Lc . : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,15 . (3) Lc 8,8 . (4) Lc 14,35 . (5) Lc 15,1 . (6) Lc 22,38 . (7) Lc 23,8 . In drie verzen in Hnd : (1) Hnd 4,19 . (2) Hnd 8,6 . (3) Hnd 17,21 .
- akousai . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . Actief infinitief aorist . In eenenzestig verzen in de bijbel . In zeventien verzen in het N.T. . Mt (2) . Lc (3) . Hnd (11) . Jak 1,19 . In elf verzen in Hnd : (1) Hnd 10,22 . (2) Hnd 10,33 . (3) Hnd 13,7 . (4) Hnd 13,44 . (5) Hnd 15,7 . (6) Hnd 19,10 . (7) Hnd 22,14 . (8) Hnd 24,4 . (9) Hnd 25,22 . (10) Hnd 26,3 . (11) Hnd 28,22 .
-- Een vorm van het werkwoord akouô (horen, luisteren) met het lijdend voorwerp ton logon , in Hnd :
(1) Hnd 4,4 : polloi de akousantôn ton logon (velen echter van wie het woord hoorden) .
(2) Hnd 10,44 : pantas tous akouontas ton logon (al wie hoort het woord) .
(3) Hnd 13,7 : akousai ton logon tou theou (te horen het woord van God) .
(4) Hnd 13,44 : akousai ton logon tou theou (het woord van God) .
(5) Hnd 19,10 : akousai ton logon tou kuriou (te horen het woord van de Heer) .

- Amfipolin (Amfipolis) . Verwijzing : Amfipolin (Amfipolis) , zie Hnd 17,1 . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In één vers in het N.T. : Hnd 17,1 . Iets meer van vijftig km ten westen van Filippi . Een kleine vijftig km ten oosten van Tessalonica . Een stad in Macedonië. Onder macedonische en romeinse heerschappij een aanzienlijke handelsstad . Onder de Romeinen de hoofdstad van de provincie Macedonia prima . Deze stad werd door Paulus op zijn tweede zendingsreis bezocht . Het tegenwoordige Neochori .

- anèggellon (zij brachten verslag uit, verkondigden) . Imperfectum derde persoon meervoud . Verwijzing : aggelos (engel) , zie Mt 13,41 . Hapax in deze vorm in de bijbel . Dit ligt in de lijn van Lc 9,10 waarin de teruggekeerde apostelen aan Jezus vertelden hoevele dingen zij deden.

- anagô : naar boven leiden , opvaren
- anachthentes (opgevaren) . Verwijzing : agô (leiden) , zie Lc 23,1 . Passief aorist participium nominatief mannelijk en vrouwelijk meervoud van het werkwoord anagô (naar boven leiden / voeren, opvaren) . In drie verzen in de bijbel . Slechts in Hnd : (1) Hnd 13,13 . (2) Hnd 16,11 . (3) Hnd 27,4 .

- analambanô (opnemen) . Verwijzing : analambanô (opnemen) , zie Hnd 1,2 .
- anelèmfthè (hij werd opgenomen) . Passief aorist derde persoon enkelvoud . In acht verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. : (1) 2 K 2,11 : anelèmfthè ... eis ton ouranon : hij werd opgenomen naar de hemel . (2) 1 Mak 2,58 : Hlias ... anelèmfthè ... eis ton ouranon = Elia ... werd opgenomen naar de hemel . (3) Si 49,14 : anelèmfthè apo tès gès = (Henoch) werd opgenomen van de aarde . In vijf verzen in het N.T. : (1) Mc 16,19 : anelèmfthè eis ton ouranon (werd in de hemel opgenomen) . (2) Hnd 1,2 : achri hès hèmeras ... anelèmfthè = tot de dag waarop hij werd opgenomen . (3) Hnd 1,22 : heôs hèmeras hès anelèmfthè = tot de dag waarop hij werd opgenomen . (4) Hnd 10,16 . In een visioen werd aan Petrus voorgesteld om van zogenaamd onrein voedsel te eten . (4) 1 Tim 3,16 : anelèmfthè en doxèi : hij werd opgenomen in heerlijkheid .

Lc 9,51 Lc 24,50 2 K 2,1 2 K 2,9 2 K 2,11   Mc 16,19 Hnd 1,9 Hnd 1,11 
Egeneto de (het gebeurde echter) kai egeneto (en het gebeurde) kai egeneto (en het gebeurde)   kai egeneto autôn poreuomenôn eporeuonto (en het gebeurde dat zij terwijl zij aan het gaan waren, aan het gaan waren) Ho men oun kurios (Ièsous) (De heer Jezus echter derhalve) kai (en) houtos ho Ièsous (Deze Jezus)
en tôi sumplèrousthai (in het vol worden)

en tôi eulogein auton autous ('terwijl hij hen zegende)

    kai elaloun (en met elkaar praatten)  ... meta to lalèsai autois (na gesproken te hebben met hen) tauta eipôn (dat gezegd hebbende) ...    
  diestè ap'autôn (verwijderde hij zich van hen)       kai diesteilan ana meson amfoterôn (en zij - de strijdkarren en de paarden - plaatste zich tussen hen beiden - Elia en Elisa)        
tas hèmeras tès analèmpseôs autou (de dagen van zijn opneming)   en tôi anagein kurion ton Hliou ... eis ton ouranon (toen de Heer Elia ... in de hemel opnam prin è analèmfthènai me apo sou (vooraleer ik van u wordt opgenomen) kai anelèmfthè ... eis ton ouranon (en hij - Elia - werd in de hemel opgenomen) anelèmfthè eis ton ouranon (werd in de hemel opgenomen) epèrthè (werd hij opgenomen) ho analèmftheis af'humôn eis ton ouranon (die van u werd opgenomen in de hemel)
183. Het ongastvrije samaritanendorp : Lc 9,51-56 356. Afscheid en hemelvaart : Lc 24,50-53 2 K 2 ,1-18 : Elia in de hemel opgenomen 2 K 2 ,1-18 : Elia in de hemel opgenomen 2 K 2 ,1-18 : Elia in de hemel opgenomen 357. Het langere Marcusslot : Mc 16,9-20   Hnd 1  : Jezus'laatste opdracht en hemelvaart Hnd 1   : Jezus'laatste opdracht en hemelvaart

- Anananias (Ananias) , zie Hnd 5,1 . In negentien verzen in de bijbel . O.T. (11) . N.T. (8) en wel in Hnd : (1) Hnd 5,1 . (2) Hnd 5,5 . (3) Hnd 9,10 . (4) Hnd 9,13 . (5) Hnd 9,17 . (6) Hnd 22,12 . (7) Hnd 23,2 . (8) Hnd 24,1 .

- anastasis (opstanding) . Verwijzing : egeirô (ontwaken, opwekken) , zie Mc 1,31 .

anastasis (opstanding) bijbel  N.T.  Lc  Hnd  Lc   Hnd 
nom. enk. anastasis 7 6        
gen. enk. anastaseôs 19 16 2 6 (1) Lc 20,35 . (2) Lc 20,36 .   (1) Hnd 1,22 . (2) Hnd 2,31 . (3) Hnd 4,33 . (4) Hnd 23,6 . (5) Hnd 24,21 . (6) Hnd 26,23
dat. enk. anastasei 7 7 2   (1) Lc 14,14 . (2) Lc 20,33 .    
acc. enk.anastasin 13 11 2 5 (1) Lc 2,34 . (2) Lc 20,27 .   (1) Hnd 4,2 . (2) Hnd 17,18 . (3) Hnd 17,32 . (4) Hnd 23,8 . (5) Hnd 24,15
Totaal   46 40 6 11    

gen. mv. nekrôn opstanding uit doden : (2) Hnd 4,2 . (10) Hnd 17,32 . (11) Hnd 23,6 . (12) Hnd 24,21 . (13) Hnd 26,23 .

- verwijzing naar de opstanding van Jezus :
-- (1) Hnd 1,22 : martura tès anastaseôs autou (getuige van zijn opstanding) .
-- (2) Hnd 2,31 : peri tès anastaseôs tou Christou (over de opstanding van Christus) .
-- (3) Hnd 4,33 : to marturion ... tès anastaseôs tou kuriou Ièsou (het getuigenis van de opstanding van de Heer Jezus) .
-- (1) Hnd 4,2 : kai kataggellein en tôi Ièsou tèn anastasin tèn ek nekrôn (en aan te kondigen de opstanding die uit doden) .
-- (2) Hnd 17,18 : hoti ton Ièsoun kai tèn anastasin euèggelizeto (want hij verkondigde Jezus en de opstanding) .
- anastaseôs nekrôn (van een opstanding van doden) . (4) Hnd 23,6 . (5) Hnd 24,21 . (6) Hnd 26,23 .  of (11) Hnd 23,6 . (12) Hnd 24,21 . (13) Hnd 26,23
-- tèn anastasin tès ek nekrôn (de opstanding die uit doden) : Hnd 4,2 .
-- anastasin nekrôn (een opstanding van doden) : Hnd 17,32 .
In Hnd zijn er elf verzen met een vorm van het zelfstandig naamwoord anastasis (opstanding) . Meestal verwijst opstanding naar opstanding uit (de) doden . In negen verzen is er sprake over (de) opstanding van / uit (de) doden . In vijf verzen verwijst de opstanding naar de opstanding uit de doden . Bij het zelftstandig naawoord 'opstanding' staat dan telkens het bepaald lidwoord .

- anèr (man) . Verwijzing : anèr (man) , zie Lc 5,12 . Het komt in 480 verzen in de bijbel voor . In 432 verzen in het O.T. . In achtenveertig verzen in het N.T. . In negen verzen bij Lucas : In veertien verzen in Hnd :
(1) Hnd 3,2 (kai tis anèr chôlos... = en een man , lam ...) .
(2) Hnd 5,1 (anèr de tis Ananias onomati = een man echter, Ananias met name) .
(3) Hnd 8,9 (anèr de tis onomati Sumeôn = een man echter, met name Simeon) .
(4) Hnd 8,27 (kai idou anèr Aithiops = en zie een Ethiopisch man) .
(5) Hnd 10,1 (anèr de tis en Kaisareiai onomati Kornèlios = een man echter in Caesarea, met name Cornelius) .
(6) Hnd 10,28 (Cornelius - anèr dikaios kai foboumenos ton theon = een rechtvaardig en godvrezend man) .
(7) Hnd 10,30 (kai idou anèr - Paulus - = en zie een man) .
(8) Hnd 11,24 (Barnabas - hoti èn anèr agathos kai plèrès pneumatos hagiou kai pisteôs = want hij was een goed man en vol van heilige geest en van geloof) .
(9) Hnd 14,8 (kai tis anèr = en een man) .
(10) Hnd 16,9 (anèr Makedôn tis = een Macedoniër) .
(11) Hnd 18,24 (Apollo - anèr logios = een welbespraakt man) .
(12) Hnd 22,3 (egô eimi anèr Ioudaios = ik ben een jood) .
(13) Hnd 22,12 (Ananias de tis, anèr eulabès... = Een Ananias, een godsvruchtig man) .
(14) Hnd 25,14 (anèr tis = welke man) .
In vijf van de veertien verzen in Hnd staat anèr (man) vooraan de zin : (2) Hnd 5,1 . (3) Hnd 8,9 . (5) Hnd 10,1 . (10) Hnd 16,9 . (14) Hnd 25,14 . In drie verzen ervan (2) Hnd 5,1 . (3) Hnd 8,9 . (5) Hnd 10,1 .Het woord anèr (man) wordt gevolgd door het partikel de (echter) en het onbepaald voornaamwoord tis (een bepaald iemand) . In deze drie verzen wordt dan de concrete naam gegeven : (2) Hnd 5,1 (anèr de tis Ananias onomati = een man echter, Ananias met name) . (3) Hnd 8,9 (anèr de tis onomati Sumeôn = een man echter, met name Simeon) . (5) Hnd 10,1 (anèr de tis en Kaisareiai onomati Kornèlios = een man echter in Caesarea, met name Cornelius) . Deze constructie vinden we ook in Hnd 18,24 waar Ioudaious (jood) het woord anèr (man) vervangt ; wellicht omdat anèr (man) nog verder in de zin vermeld wordt . Hnd 18,24 (Ioudaios de tis Apollôs onomati = een jood echter , Apollo met name ) .
- De constructie kai tis anèr (en een man) komt tweemaal in Hnd voor : (1) Hnd 3,2 . (2) Hnd 14,8 . In beide teksten staat het aan het begin van een vers en van de beschrijving van de noodlijdende . In deze beide teksten gaat het om de genezing van een lamme : Hnd 3,1-10 en Hnd 14,8-20 . In deze beide teksten draagt de man geen naam of wordt zijn afkomst niet vermeld .
-- anèr de tis onomati (een bepaalde man echter met naam) . In het N.T. slechts in dit vers Hnd 5,1 .
-- De constructie kai tis anèr (en een man) komt tweemaal in Hnd voor : (1) Hnd 3,2 . (2) Hnd 14,8 . In beide teksten staat het aan het begin van een vers en van de beschrijving van de noodlijdende . In deze beide teksten gaat het om de genezing van een lamme : Hnd 3,1-10 en Hnd 14,8-20 . In deze beide teksten draagt de man geen naam of wordt zijn afkomst niet vermeld .
- andres adelfoi . Nominatief mannelijk meervoud . In een vers in het N.T. Vocatief mannelijk meervoud . In dertien verzen in het N.T. : (1) Hnd 1,16 . (2) Hnd 2,29 . (3) . Zie Hnd 1,16 .

- anistèmi (opstaan) .

anistèmi (opstaan) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  Lc Hnd  
ind. fut. pr. 1ste p. enk. anastèsô 19 15 4       4          
ind. fut. 3de p. enk. anastèsei 8 5 3 1       2       (1) Hnd 3,22 . (2) Hnd 7,37 .
ind. aor. 3de p. enk. anestèsen 13 9 4         4       (1) Hnd 2,24 . (2) Hnd 2,32 . (3) Hnd 9,41 . (4) Hnd 13,34 .
inf. aor. anastènai 20 13 7   2 2 1 2 (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,46 .       (1) Hnd 10,41 . (2) Hnd 17,3 .
part. aor. nom. m. enk. anastèsas 3   3         3       (1) Hnd 13,26 . (2) Hnd 13,33 . (3) Hnd 17,31 .
  63 42 21 1 2 2 5 11        

gen. mv. nekrôn God - deed - opstaan uit doden : (1) Hnd 10,41 . (2) Hnd 13,34 . (3) Hnd 17,3 . (4) Hnd 17,31 .

- antiocheia(i) (Antiochië) . Verwijzing : Antiocheia (Antiochië) , zie Hnd 11,19 . Nominatief of datief vrouwelijk enkelvoud . In de bijbel slechts de datief in combinatie met het voorzetsel en (in) . In vijf verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In vier verzen in het N.T. : (1) Hnd 11,26 . (2) Hnd 13,1 . (3) Hnd 15,35 . (4) 2 Tim 3,11 .
Antiocheias (Antiochië) . Antiocheia (Antiochië) . Verwijzing : Antiocheia (Antiochië) , zie Hnd 11,19 . Genitief vrouwelijk enkelvoud . In vijf verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. In drie verzen in het N.T. . In Hnd 11,19 en Hnd 11,22 staat de genitief na het voorzetsel heôs (tot) , in Hnd 14,19 na het voorzetsel apo (van, vanuit) .
antiocheian (Antiochië) . Verwijzing : Antiocheia (Antiochië) , zie Hnd 11,19 . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In tweeëntwintig verzen in de bijbel . In elf verzen in het O.T. (1 Mak en 2 Mak) . In elf verzen in het N.T. . In tien verzen voorafgegaan door eis (naar) . Niet in Hnd 15,23 (kata tèn antiocheian = tot Antiochië behorend) .
Er zijn meerdere steden die Antiochië heten , o.a. Antiochië aan de Orontes en Antiochië van Pisidië . Antiochië aan de Orontes was de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië en een van de grootste steden van het Romeinse Rijk . Antiochië van Pisidië lag zo'n 200 km landinwaarts, ten noorden van het Taurusgebergte, vlak bij of in de landstreek Pisidië, een deel van de Romeinse provincie Galatië . Het huidige Yalvaç of Yalobatch .
Onder verschillende vormen komt Antiochië in zeventien verzen in het N.T. voor : (1) Hnd 11,19 (genitief) . (2) Hnd 11,20 (accusatief) . (3) Hnd 11,22 (genitief) . (4) Hnd 11,26 (accusatief en datief) . (5) Hnd 11,27 (accusatief) . (6) Hnd 13,1 (datief) . (7) Hnd 13,14 (Antiochië van Pisidië ; accusatief) . (8) Hnd 14,19 (Antiochië van Pisidië ; genitief) . (9) Hnd 14,21 (Antiochië van Pisidië ; accusatief) . (10) Hnd 14,26 (accusatief) . (11) Hnd 15,22 (accusatief) . (12) Hnd 15,23 (accusatief) . (13) Hnd 15,30 (accusatief) . (14) Hnd 15,35 (datief) . (15) Hnd 18,22 (accusatief) . (16) Gal 2,11 (accusatief) . (17) 2 Tim 3,11 .
In Hnd 11,19 komt de stad Antiochië aan de Orontes voor het eerst voor .

- Antipatris . Stad in de Sefela tussen Jeruzalem en Caesarea, op de plaats van het oude Afek door Herodes de Grote gebouwd en naar zijn vader Antipater genoemd . Paulus kwam er , toen hij vanuit Jeruzalem naar Caesarea in veiligheid werd gebracht (Hnd 23,31) .

- antistènai (weerstaan, tegenstaan) . Verwijzing : histèmi (doen staan) , zie Lc 24,36 . Infinitief aorist . In twaalf verzen in de bijbel . In acht verzen in het O.T. .In vier verzen in het N.T. :
(1) Mt 5,39 .
(2) Lc 21,15 : egô gar dôsô humin stoma kai sofian hèi ou dunèsontai antistènai ... = want ik zal jullie een mond en wijsheid geven waaraan zij niet zullen kunnen weerstaan) .
(3) Hnd 6,10 : kai ouk ischuon antistènai tèi sofiai kai tôi pneumati hôi elalei = en zij konden niet weerstaan aan de wijsheid en aan de geest waarmee hij sprak )
(4) Ef 6,13 : hina dunèthète antistènai = opdat jullie zouden kunnen weerstaan .

- apaggellô (af-kondigen) . apèggeilen (hij kondigde af) . Verwijzing : aggelos (engel) , zie Mt 13,41 . Actief aorist derde persoon enkelvoud van het werkwoord apaggellô : berichten , afkondigen , rapporteren , vertellen . In zesenzestig verzen in de bijbel . In tien verzen in het N.T. . In zeven verzen in Hnd : (1) Hnd 5,25 . (2) Hnd 11,13 . (3) Hnd 12,14 . (4) Hnd 16,36 . (5) Hnd 22,26 . (6) Hnd 23,16 . (7) Hnd 28,21 .

- apodexamenoi (ont-vangen) . Verwijzing : dechomai (ontvangen) , zie Mt 10,40 . Mediaal participium aorist nominatief mannelijk meervoud . Slechts in één vers in de bijbel : Hnd 2,41 : hoi men oun apodexamenoi ton logon autou (enerzijds zij die derhalve zijn woord ont-vingen) .

- Apollônia (Apollonia) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud Apollônian . In één vers in de bijbel : Hnd 17,1 . Aan Apollo gewijd . Stad in Macedonië , halfweg tussen Amfipolis en Tessalonika (Saloniki) aan het Bolbe - (nu Besjik-) meer . Door Paulus op zijn tweede missiereis bezocht .

- apestalè (hij werd gezonden) . Verwijzing : apostellô (wegsturen, zenden) , zie Joh 1,6 . Passief aorist derde persoon enkelvoud . In twaalf verzen in de bijbel . In tien verzen in het O.T. . In twee verzen in het N.T. : (1) Lc 1,26 . (2) Hnd 28,28 . exapestalè (hij werd uitgezzonden) . Passief tweede aorist derde persoon enkelvoud . In één vers in de bijbel nl. Hnd 13,26 .
- apostolois (aan de apostelen) .Verwijzing : apostoloi (apostelen) , zie Mc 3,14 . Datief mannelijk meervoud . In zes verzen in de bijbel . Hnd (3) . Brieven (3) . In drie verzen in Hnd : (1) Hnd 1,2 . (2) Hnd 14,4 . (3) Hnd 15,22 .

- archomai (beginnen , aan het hoofd staan , heersen) .

archomai (beginnen, aanvangen) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  Lc Hnd  
ind. pr. 3de p. enk. archetai 1 1                    
ind. pr. 3de p. mv. archontai -                      
ind imp. 3de p. enk.                        
ind. imp. 3de p. mv.                        
ind. aor. 3de p. enk. èrxato 76 35 41 7 18 11 1 4     (1) Lc 4,21 .  (2) Lc 7,15 . (3) Lc 7,24 . (4) Lc 7,38 . (5) Lc 9,12 . (6) Lc 11,29 . (7) Lc 12,1 . (8) Lc 14,30 . (9) Lc 15,14 . (10) Lc 19,45 . (11) Lc 20,9 . (1) Hnd 1,1 . (2) Hnd 18,26 . (3) (3) Hnd 24,2 . (4) Hnd 27,35
ind. aor. 3de p. mv. èrxanto 37 18 19 2 8 8   1        
inf. aor. arxasthai 5 3 2         1 1     (1) Hnd 11,15 .
part. aor. nom. m. + vr. enk. arxamenos 11 3 8 2   2   4     (1) Lc 23,5 . (2) Lc 24,27 . (1) Hnd 1,22 . (2) Hnd 8,35 . (3) Hnd 10,37 . (4) Hnd 11,4 .
part. aor. nom. m. + vr. mv. arxamenoi 2   2     1 1       (1) Lc 24,47   
                         


- èrxato (hij begon) , zie Mc 1,45 . Actief aorist derde persoon enkelvoud van het werkwoord archomai (beginnen) . In zesenzeventig verzen in de bijbel . O.T. (35) . N.T. (41) . Mt (7) . Mc (18) . Lc (11) . Joh (1) . Hnd (4) .
In vier verzen in Handelingen : (1) Hnd 1,1 . (2) Hnd 18,26 . (3) Hnd 24,2 . (4) Hnd 27,35 .
(1) Hnd 1,1 : èrksato ho Ièsous poiein te kai didaskein : Jezus begon zowel te handelen als te onderrichten . Het optreden van Jezus wordt samengevat in woord en daad . In Mc 1,45 stelden we vast dat erxato (hij begon) een inclusio vormt met archè (begin) van Mc 1,1 . We staan hier aan het begin van een boek , maar tevens aan het begin van een verhaal over Jezus .
(2) Hnd 18,26 : èrksato parrèsiazesthai : hij begon vrijmoedig te spreken .
(3) Hnd 24,2 : èrksato katègorein = hij begon te beschuldigen .
(4) Hnd 27,35 : èrksato esthiein = hij begon te eten .
- arxamenos (begonnen) . Verwijzing : archomai (beginnen) , zie Mc 1,45 . Aorist participium nominatief mannelijk enkelvoud van het werkwoord archomai (beginnen, heersen) . In elf verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In acht verzen in het N.T. : (1) Mt 14,30 .
(2) Mt 20,8 : arxamenos apo ... heôs ... = begonnen vanaf ... tot .
(3) Lc 23,5 : kai arxamenos apo tès Galilaias heôs hôde = en begonnen vanaf Galilea tot hier .
(4) Lc 24,27 : kai arxamenos apo Moüseôs kai pantôn tôn profètôn = en begonnen vanaf Mozes en al de profeten .
(5) Hnd 1,22 : arxamenos apo tou baptismatos tou Iôannou heôs tès hèmeras hès anelèfthè af' èmôn = begonnen vanaf het doopsel van Johannes tot de dag waarop hij werd opgenomen van ons .
(6) Hnd 8,35 : kai arxamenos apo tès grafès tautès = en begonnen van deze schrifttekst .
(7) Hnd 10,37 : arxamenos apo tès Galilaias meta to baptisma ho ekèruxen Iôannès = begonnen vanaf Galilea na het doopsel dat Johannes verkondigde .
(8) Hnd 11,4 .
-- arxamenos apo (begonnen vanaf) . In zes van de acht verzen in het N.T. . Niet in Mt 14,30 en Hnd 11,4 .

archè (begin) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc Hnd
nom. + dat enk. archè (i) 82 70 12 1 2 1 2 1 2 3 (1) Lc 20,20 . (1) Hnd 11,15 .
gen. enk. archès 97  72  25  3 14    (1) Lc 1,2 . (1) Hnd 26,4 .
dat. enk. zie nom.                        
acc. enk. archèn 35   29               
nom. mv. archai                
gen. mv. archôn zie part. pr. 124  116        (1) Lc 8,41 . (2) Lc 18,18  
dat. mv. archais             (1) Hnd 10,11 . (2) Hnd 11,5 .  
acc. mv. archas 22  18               
Totaal                          

- archiereus (hogepriester) . Verwijzing : archiereis (hogepriesters) , zie Mt 2,4 . De eerste in de rij van priesters .

archiereus (hogepriester) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk     
nom. enk. archiereus 37 9 28 3 3   4 9 9      
gen. enk. archiereôs 29 13 16 3 4 3 4 1 1      
dat. enk. archierei 10 7 3       2 1        
acc. enk. archierea 16 7 9 1 1   1 1 5      
nom. + acc. mv. archiereis 50   50 12 11 10 9 6 2      
gen. mv. archiereôn 10   10 3 2 1 1 3        
dat. mv. archiereusin 6   6 3 1 1   1        
Totaal   158  36  122  25  22  15  21  22  17       

archiereus (hogepriester) Lc  Hnd 
nom. enk. archiereus   9 : (1) Hnd 4,6 . (2) Hnd 5,17 . (3) Hnd 5,21 . (4) Hnd 5,27 . (5) Hnd 7,1 . (6) Hnd 22,5 . (7) Hnd 23,2 . (8) Hnd 23,5 . (9) Hnd 24,1 .
gen. enk. archiereôs 3 : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 22,50 . (3) Lc 22,54 . 1 : Hnd 19,14 .
dat. enk. archierei   1 : Hnd 9,1 .
acc. enk. archierea   1 : Hnd 23,4 .
nom. + acc. mv. archiereis 10 : (1) Lc 19,47 (// Mc 11,18 , zie schema Mc 7,1) . (2) Lc 20,1 . (3) Lc 20,19 (// Mc 12,12 // Mt 21,46) . (4) Lc 22,2 (// Mc 14,1 // Mt 26,3) . (5) Lc 22,52 . (6) Lc 22,66 . (7) Lc 23,4 . (8) Lc 23,10 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 24,20 . 6 : (1) Hnd 4,23 . (2) Hnd 5,24 . (3) Hnd 9,21 . (4) Hnd 22,30 . (5) Hnd 25,2 . (6) Hnd 25,15 .
gen. mv. archiereôn 1 : Lc 9,22 . 3 : (1) Hnd 9,14 . (2) Hnd 26,10 . (3) Hnd 26,12 .
dat. mv. archiereusin 1 : Lc 22,4 . 1 : Hnd 23,10 .
Totaal   15  22 

- èresen (- het woord - behaagde) . Aorist derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord areskô (bevallen , behagen) . In achtentwintig verzen in de bijbel . In vierentwintig verzen in het O.T. . In vier verzen in het N.T. .

- arithmos (getal, aantal) , zie Hnd 4,4 . In Hnd 2,41 is er sprake van 3000 , in Hnd 4,4 van 5000 .

arithmos (getal, aantal) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc Hnd
nom. enk. 59 50 9         4 1 4   (1) Hnd 4,4 . (2) Hnd 5,36 . (3) Hnd 6,7 . (4) Hnd 11,21 .
gen. enk. 5 3 2     1       1 (1) Lc 22,3  
dat. enk. 27 26 1         1       (1) Hnd 16,5 .
acc. enk. 74 69 5       1     4    
Totaal   165  148  17         

- Assos . Stad aan de Egeïsche zee , in de golf van Edremit .
"Als het hele gezelschap in Troas is aangekomen, wil Paulus per se alleen te voet naar Assus. De afstand bedraagt ongeveer 40 km. Met het schip is de afstand groter. Het landschap tussen Troas en Assus vind ik nog altijd een schitterend wandelgebied. Lichtglooiende heuvelruggen afgewisseld met uitgestrekte vruchtbare vlakten zoals in Limburg. Lopend langs de kustlijn zie je telkens de zee rechts beneden je. Paulus zal na die drukke dagen in Troas eens een tijdje alleen willen zijn. Ik denk ook dat hij zich wilde voorbereiden op wat hem in Jeruzalem te wachten stond. Ik loop een gedeelte van de weg die Paulus ook is gegaan. Wat heeft Paulus gezien? Als hij een dag gelopen heeft ziet hij op grote afstand boven op de acropolis van Assus de beroemde tempel van Athene liggen. Deze is van 530 vóór Chr. Wandelend door Assus vond ik enkele zuilen van deze tempel terug in de nieuwbouw. De acropolis lag op een terrasvormige trachietkegel van 234 km. hoogte. Boven op deze acropolis heb je een schitterend uitzicht op de Egeïsche zee. Van hieruit kon Paulus ook het reisgezelschap uit Troas zien aankomen." Website : http://www.bijbelseplaatsen.nl/plaatsen/Assus.htm .

- atenisas (strak aangekeken) . Participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud . atenizô : gespannen / strak aankijken . In zeven verzen in de bijbel . Enkel in Hnd : (1)

- tèi (de = echter / oun = derhalve, bijgevolg) epaurion ('s anderendaags) . Verwijzing : tèi epaurion ('s anderendaags) , zie Joh 1,35 . ep (afkorting van epi : op , bij) - aurion (morgen) . In zeventien verzen in het N.T. . In tien verzen tèi epaurion (a) , in zes verzen tèi de epaurion (b) , in één vers tèi oun epaurion (c) . In tien verzen in Hnd : (1) Hnd 10,9 (b) . (2) Hnd 10,23 (b) . (3) Hnd 10,24 (b) . (4) Hnd 14,20 (a) . (5) Hnd 20,7 (a) . (6) Hnd 21,8 (b) . (7) Hnd 22,30 (b) . (8) Hnd 23,32 (b) . (9) Hnd 25,6 (a) . (10) Hnd 25,23 (c) .

- auto (zelf) . Verwijzing : autos (hij zelf) , zie Lc 24,36 . Nominatief en accusatief onzijdig enkelvoud . In 490 verzen in de bijbel . In 101 verzen in het N.T. . In acht verzen in Hnd : (1) Hnd 1,15 . (2) Hnd 2,1 . (3) Hnd 2,44 . (4) Hnd 2,47 . (5) Hnd 4,26 . (6) Hnd 7,6 . (7) Hnd 14,1 . (8) Hnd 27,6 .
-- epi to auto (op hetzelfde - op dezelfde plaats) . Verwijzing : autos (hij zelf) , zie Lc 24,36 . In tien verzen in het N.T. : (3) Hnd 1,15 . (4) Hnd 2,1 . (5) Hnd 2,44 . (6) Hnd 2,47 . (7) Hnd 4,26 .

- auxanô (doen groeien , toenemen, vermeerderen) . Groeien kan een kind , een groep, een volk enz.

auxanô (vermeerderen) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  Lc Hnd  
ind. pr. 3de p. enk. auxanei 1   1     1         (1) Lc 12,27 .  
ind. pr. 3de p. mv. auxanousin 1   1 1                
imp. pr. 2de p. mv. auxanesthe 5 5                    
ind imp. 3de p. enk. èuxanen 6   6     2   3 1   (1) Lc 1,80 . (2) Lc 2,40 (1) Hnd 6,7 . (2) Hnd 12,24 . (3) Hnd 19,20
ind. imp. 3de p. mv.                        
ind. aor. 3de p. enk. èuxèsen 7 5 2     1   1     (1) Lc 13,19 . (1) Hnd 7,17 .
ind. aor. 3de p. mv.                        
inf. aor.                        
part. aor. nom. m. + vr. enk.                        
part. aor. nom. m. + vr. mv.                        
                         

- èuxanen (groeide op) . Verwijzing : auxanô (doen groeien, vermeerderen) , zie Lc 2,40 . Actief imperfectum derde persoon enkelvoud van het werkwoord auxanô (doen groeien, vermeerderen) . In zes verzen in de bijbel , slechts in het N.T. : (1) Lc 1,80 . (2) Lc 2,40 . (3) Hnd 6,7 . (4) Hnd 12,24 . (5) Hnd 19,20 . (6) 1 Kor 3,6 . Onderwerp van deze groei is to paidion (het kind) : (1) Lc 1,80 . (2) Lc 2,40 , het woord van God : (3) Hnd 6,7 . (4) Hnd 12,24 , het woord van de Heer : (5) Hnd 19,20 , God zelf (6) (1 Kor 3,6) . In vijf van de zes zinnen volgt een nevenschikkende zin , die de eerste zin aanvult : to de paidion èuxanen kai ekrataiouto : (1) Lc 1,80 (Johannes de Doper) . (2) Lc 2,40 (Jezus) .
-- Drie teksten met enkele varianten :
(1) Hnd 6,7 : kai ho logos tou theou (het woord van God) èuxanen (groeide) .
(2) Hnd 12,24 : ho de logos tou theou (het woord van God echter) èuxanen (groeide) .
(3) Hnd 19,20 : tou kuriou ho logos (het woord van de Heer) èuxanen (groeide) .
- auxanesthe §vermeerder je) . In vijf verzen in Gn .

- azumôn (ongedesemde broden) . Genitief onzijdig meervoud . In tweeëntwintig verzen in de bijbel . In zestien verzen in het O.T. : (1) Ex 23,15 . In zes verzen in het N.T. : (1) Mt 26,17 . (2) Mc 14,12 . (3) Lc 22,1 . (4) Lc 22,7 . (5) Hnd 12,3 . (6) Hnd 20,6 .

B

- ebaptisen (hij doopte) . Verwijzing : baptizô (dopen) , zie Mt 3,13 . Zie ook : baptizô (dopen) , zie Mc 1,8 . In vier verzen in de bijbel . Slechts in het N.T. : (1) Hnd 1,5 . (2) Hnd 8,38 . (3) Hnd 11,16 . (4) Hnd 19,4 .
- ebaptizonto (zij werden gedoopt) . Verwijzing : baptizô (dopen) , zie Mt 3,13 . Zie ook : baptizô (dopen) , zie Mc 1,8 . Passief imperfectum derde persoon meervoud . In vijf verzen in de bijbel . Slechts in het N.T. : (1) Mt 3,6 . (2) Mc 1,5 . (3) Joh 3,23 . (4) Hnd 8,12 . (5) Hnd 18,8 .

Mc 1,8 egô (ik)       ebaptisa (doopte) humas (jullie) hudati (met water)  
  autos (hij) de (echter)     baptisei (zal dopen) humas (jullie) pneumati hagiôi (met heilige geest)  
Mt 3,11 egô (ik) men (enerzijds) humas (jullie)   baptizô (doop)   en hudati (met water) eis metanoian (tot bekering)
  autos (hij)   humas (jullie)   baptisei (zal dopen)   en pneumati hagiôi kai puri (met heilige geest en vuur)  
Lc 3,16 egô (ik) men  (enerzijds)   hudati (met water) baptizô (doop) humas (jullie)    
  autos (hij)   humas (jullie)   baptisei (zal dopen)   en pneumati hagiôi kai puri (met heilige geest en vuur)  
Joh 1,26 egô (ik)       baptizô (doop)   en hudati (met water)  
Hnd 1,5 (hoti) Iôannès (want) (Johannes) men (enerzijds)     ebaptisen (doopte)   hudati (met water)  
  humeis (jullie) de (echter)   en pneumati (met geest) baptisthèsesthe (zullen gedoopt worden)   hagiôi (heilige)  
Hnd 8,38 (kai) (en)       ebaptisen (doopte) auton (hem)    
Hnd 11,16 Iôannès (Johannes) men (enerzijds)     ebaptisen(doopte)   hudati (met water)  
  humeis (jullie) de (echter)     baptisthèsesthe (zullen gedoopt worden)   en pneumati hagiôi (met heilige geest)  
Hnd 19,4 Iôannès (Johannes)       ebaptisen baptisma (doopte een doopsel)     metanoias (van bekering)

- baptisthèsesthe (jullie zullen gedoopt worden) . Verwijzing : baptizô (dopen) , zie Mt 3,13 . Passief futurum tweede persoon meervoud . In drie verzen in de bijbel . Slechts in het N.T. : (1) Mc 10,39 . (2) Hnd 1,5 . (3) Hnd 11,16 .
- baptistheis (gedoopt geworden) . Verwijzing : baptizô (dopen) , zie Mt 3,13 . Passief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud . In drie verzen in de bijbel . Slechts in het N.T. (1) Mt 3,16 . (2) Mc 16,16 . (3) Hnd 8,13 .
- baptisthènai (gedoopt te worden) . Verwijzing : baptizô (dopen) , zie Mt 3,13 . Passief aorist infinitief . In tien verzen in de bijbel . Slechts in het N.T. : (1) Mt 3,13 . (2) Mt 3,14 . (3) Mc 10,38 . (4) Lc 3,7 . (5) Lc 3,12 . (6) Lc 3,21 . (7) Lc 12,50 . (8) Hnd 8,36 . (9) Hnd 10,47 . (10) Hnd 10,48 .
- baptisma (doopsel) . Verwijzing : baptizô (dopen) , zie Mt 3,13 . In zeventien verzen in het N.T. : (1) Mt 3,7 . (2) Mt 21,25 . (3) Mc 1,4 . (4) Mc 10,38 . (5) Mc 10,39 . (6) Mc 11,30 . (7) Lc 3,3 . (8) Lc 7,29 . (9) Lc 12,50 . (10) Lc 20,4 . (11) Hnd 10,37 . (12) Hnd 13,24 . (13) Hnd 18,25 . (14) Hnd 19,3 . (15) Hnd 19,4 . (16) Ef 4,5 . (17) 1 Pe 3,21 .

- Barnabas (Barnabas) . Verwijzing : Barnabas (Barnabas) , zie Hnd 4,36 . In allerlei vormen komt het woord achtentwintig maal voor .
Tienmaal als nominatief enkelvoud (Barnabas) : (1) Hnd 4,36 . (2) Hnd 9,27 . (3) Hnd 12,25 . (4) Hnd 13,1 . (5) Hnd 13,46 . (6) Hnd 14,14 . (7) Hnd 15,35 . (8) Hnd 15,37 . (9) 1 Kor 9,6 . (10) Gal 2,13 .
Tweemaal als genitief enkelvoud : (1) Hnd 11,30 . (2) Hnd 15,12 .
Achtmaal als datief enkelvoud : (1) Hnd 13,43 . (2) Hnd 14,20 . (3) Hnd 15,2 . (4) Hnd 15,22 . (5) Hnd 15,25 . (6) Gal 2,1 . (7) Gal 2,9 . (8) Kol 4,10 .
Achtmaal als accusatief enkelvoud Barnaban : (1) Hnd 11,22 . (2) Hnd 13,2 . (3) Hnd 13,7 . (4) Hnd 13,50 . (5) Hnd 14,12 vermelding van Barnabas en Paulus die als goden op aarde worden beschouwd . (6) Hnd 15,2 : Paulon kai Barnaban = Paulus en Barnabas . (7) Hnd 15,36 : eipen pros Barnaban Paulos = zei Paulus tot Barnabas . (8) Hnd 15,39 .
Dit geeft het volgende overzicht :
(1) Hnd 4,36 . (2) Hnd 9,27 . (3) Hnd 11,22 .
(4) Hnd 11,30 : Barnaba kai Saulou = van Barnabas en Saulus . .
(5) Hnd 12,25 : Barnabas de kai Saulos = Barnabas echter en Saulus .
(6) Hnd 13,1 : ho te Barnabas ... kai Saulos : zoals Barnabas ... en Saulus .
(7) Hnd 13,2 : ton Barnaban kai Saulon = zonder mij Barnabas en Saulus af .
(8) Hnd 13,7 : houtos proskalesamenos Barnaban kai Saulon = deze riep Barnabas en Saulus bij zich .
(9) Hnd 13,43 : tôi Paulôi kai tôi Barnabai = Paulus en Barnabas .
(10) Hnd 13,46 : tôi Paulôi kai tôi Barnabai = zij volgden Paulus en Barnabas .
(11) Hnd 13,50 : epègeiron diôgmon epi ton Paulon kai Barnaban = zij ontketenden een vervolging tegen Paulus en Barnabas .
(12) Hnd 14,12 vermelding van Barnabas en Paulus die als goden op aarde worden beschouwd .
(13) Hnd 14,14 : hoi apostoloi Barnabas kai Paulos = de apostelen Barnabas en Paulus .
(14) Hnd 14,20 : sun tôi Barnabai = Paulus ging de stad uit met Barnabas .
(15) Hnd 15,2 (tweemaal) meningsverschil met de Judeeërs : tôi Paulôi kai tôi Barnabai ; Paulon kai Barnaban = Paulus en Barnabas .
(16) Hnd 15,12 : Barnaba kai Paulou = zij luisterden naar Barnabas en Paulus .
(17) Hnd 15,22 : sun tôi Paulôi kai Barnabai = samen met Paulus en Barnabas .
(18) Hnd 15,25 : sun tois agapètois hèmôn Barnabai kai Paulôi = samen met onze geliefden Barnabas en Paulus .
(19) Hnd 15,35 : Paulos de kai Barnabas = Paulus echter en Barnabas .
(20) Hnd 15,36 : eipen pros Barnaban Paulos = zei Paulus tot Barnabas .
(21) Hnd 15,37 . (22) Hnd 15,39 . (23) 1 Kor 9,6 . (24) Gal 2,1 . (25) Gal 2,9 . (26) Gal 2,13 . (27) Kol 4,10 .
Barnabas was een bijnaam die hem door de apostelen werd gegeven . Hij heette echter Jozef . Hij was een leviet en was afkomstig uit Cyprus (Hnd 4,36 - Hnd 4,37) . Barnabas verkocht wat hij bezat (Hnd 4,36 - Hnd 4,37) en sloot zich bij de gemeente van Jeruzalem aan . Barnabas bracht Saulus bij de apostelen (Hnd 9,27) . Hij werd door Jeruzalem naar Antiochië gestuurd om te zien wat daar aan het gebeuren was . Hij was enthousiast en bemoedigde de leerlingen . Hij bracht Saulus naar Antiochië (Hnd 11,25 - Hnd 11,26) . Barnabas en Paulus ontvingen verschillende opdrachten (Hnd 11,30 . Hnd 12,25 . Hnd 13,2 - Hnd 13,3 . Hnd 15,2 . Hnd 15,22 . Hnd 15,25) . Barnabas maakte de eerste zendingsreis van Paulus mee (Hnd 13,4-14,27) . Vanaf Hnd 13,13 nam Paulus de leiding . In Hnd 15,39 gingen Barnabas en Paulus uit elkaar na een meningsverschil over Johannes Marcus .

- basileia (koninkrijk) .

basileia (koninkrijk) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  syn. ev.
nom. + dat enk. basileia(i) 164 93 71 33 7 23 1   3 4 63  64 
gen. enk. + acc. mv. basileias 156 131 25 10 3 5   3 4   18  18 
acc. enk. basileian 132 71 61 11 9 17 2 5 12 5 37  39
nom. mv. basileiai 4 4                    
gen. mv. 8 8                    
dat. mv. 9 9                    
Totaal   473  316  157  54  19  45  19  118  121 

 

basileia (koninkrijk) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc Hnd
nom. + dat enk. basileia(i) 164 93 71 33 7 23 1   3 4    
gen. enk. + acc. mv. basileias 156 131 25 10 3 5   3 4     (1) Hnd 1,3 . (2) Hnd 8,12 . (3) Hnd 19,8 .  
dat. enk. zie nom.                        
acc. enk. basileian 132 71 61 11 9 17 2 5 12 5   (1) Hnd 1,6 . (2) Hnd 14,22 . (3) Hnd 20,25 . (4) Hnd 28,23 . (5) Hnd 28,31 .
nom. mv. basileiai 4 4                    
gen. mv. 8 8                    
dat. mv. 9 9                    
acc. mv.                        
Totaal                          

basileia (koninkrijk) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc Hnd
nom. enk. hè basileia tou theou     21  13         
gen. enk. . tès basileias tou theou     10   3 3   3 1     (1) Hnd 1,3 . (2) Hnd 8,12 . (3) Hnd 19,8 .  
dat. enk.tè(i) basileia(i) tou theou                  
                         
acc. enk. tèn basileian tou theou     30 3 8 12 2 4 1   (1) Lc 4,43 . (2) Lc 8,1 . (3) Lc 9,2 . (4) Lc 9,27 . (5) Lc 9,60 . (6) Lc 9,62 . (7) Lc 12,31 . (8) Lc 13,20 . (9) Lc 18,17 . (10) Lc 18,24 . (11) Lc 18,25 . (12) Lc 23,51 (1) Hnd 14,22 . (2) Hnd 20,25 .(3) Hnd 28,23 . (4) Hnd 28,31 .

- tèn basileian tou theou (- verkondigend - het koninkrijk van God) . Verwijzing : hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) , zie Mt 3,2 . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In dertig verzen in de bijbel .
Uitdrukking in twaalf verzen bij Lucas .
(1) Lc 4,43 : euaggelisasthai me dei tèn basileian tou theou , epi touto apestalèn = ik moet de blijde boodschap brengen van het koninkrijk van God ; daartoe ben ik gezonden .
(2) Lc 8,1 : kèrussôn kai euaggelizomenos tèn basileian tou theou = verkondigend en de blijde boodschap brengend van het koninkrijk van God .
(3) Lc 9,2 : kèrussein tèn basileian tou theou = het koninkrijk van God te verkondigen .
(4) Lc 9,27 . (5) Lc 9,60 . (6) Lc 9,62 . (7) Lc 12,31 . (8) Lc 13,20 . (9) Lc 18,17 . (10) Lc 18,24 . (11) Lc 18,25 . (12Lc 23,51 .
In drie verzen in Hnd : (1) Hnd 14,22 . (2) Hnd 20,25 .(3) Hnd 28,23 .
--- eis tèn basileian tou theou eiselthein (het koninkrijk van God binnengaan) . In vier verzen in het N.T. : (1) Mt 19,24 . (2) Mc 10,24 . (3) Mc 10,25 . (4) Lc 18,25 .
--- eiselthein eis tèn basileian tou theou (binnengaan in het koninkrijk van God) . In drie verzen in het N.T. : (1) Mc 9,47 . (2) Joh 3,5 . (3) Hnd 14,22 .

C

- charis (gratie, genade) .

charis bijbel  O.T.  N.T.  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk 
nom. charis 78 20 58 0 0 4 1 1 50 2
gen. charitos 31 4 27 0 0 1 2 6 18 0
dat. chariti 26 2 24 0 0 1 0 3 20 0
acc. charin 158 108 50 0 0 3 . 1 6 40 0
Totaal   293  134  159 0 0 9 4 16 128 2

charis bijbel  O.T.  bijbel  O.T.  N.T.  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
nom. charis 78 20 78 5 58 0 0 4 : (1) Lc 2,40 . (2) Lc 6,32 . (3) Lc 6,33 . (4) Lc 6,34 . 1 1 : Hnd 4,33 . 50 2
gen. charitos 31 4 31 2 27 0 0 1 : Lc 4,22 . 2 6 : (1) Hnd 6,8 . (2) Hnd 14,3 . (3) Hnd 15,11 . (4) Hnd 18,27 . (5) Hnd 20,24 . (6) Hnd 20,32 . 18 0
dat. chariti 26 2 26 0 24 0 0 1 : Lc 2,52 . 0 3 : (1) Hnd 13,43 . (2) Hnd 14,26 . (3) Hnd 15,40 . 20 0
acc. charin 158 108 158 60 50 0 0 3 : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 7,47 . (3) Lc 17,9 . 1 6 : (1) Hnd 2,47 . (2) Hnd 7,10 . (3) Hnd 7,46 . (4) Hnd 11,23 . (5) Hnd 25,3 . (6) Hnd 25,9 . 40 0
Totaal   293  134      159 0 0 9 4 16 128 2 13 

Een vorm van charis bij Hnd  (1) Hnd 2,47 (acc. enk. charin) . (2) Hnd 4,33 (nom. enk. charis) . (3) Hnd 6,8 (gen. enk. charitos) . (4) Hnd 7,10 (acc. enk. charin) . (5) Hnd 7,46 (acc. enk. charin) . (6) Hnd 11,23 (acc. enk. charin) . (7) Hnd 13,43 (dat. enk. chariti) . (8) Hnd 14,3 (gen. enk. charitos) . (9) Hnd 14,26 (dat. enk. chariti) . (10) Hnd 15,11 (gen. enk. charitos) . (11) Hnd 15,40 (dat. enk. chariti) . (12) Hnd 18,27 (gen. enk. charitos) . (13) Hnd 20,24 (gen. enk. charitos) . (14) Hnd 20,32 (gen. enk. charitos) . (15) Hnd 25,3 (acc. enk. charin) . (16) Hnd 25,9 (acc. enk. charin) .  

- cheir (hand) . Handen opleggen . Naar iemand een hand uitsteken (om iemand te bemachtigen) . De hand op iemand leggen (overweldigen) . In iemands handen overleveren . In iemands handen neerleggen . Zijn handen en voeten tonen . Zijn handen omhoogheffen om te zegenen .

cheir (hand) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk Lc Hnd
nom. enk. cheir 142 129 13 2 2 4   4 1   (1) Lc 6,10 . (2) Lc 22,21 .   (1) Hnd 4,28 . (2) Hnd 7,50 . (3) Hnd 11,21 . (4) Hnd 13,11 .
gen. enk. cheiros 292 266 26 2 4 3 3 9 1 4   (1) Lc 1,71 . (2) Lc 1,74 . (3) Lc 8,54 .   (1) Hnd 2,23 . (2) Hnd 3,7 . (3) Hnd 7,25 . (4) Hnd 11,30 . (5) Hnd 12,11 . (6) Hnd 15,23 . (7) Hnd 23,19 . (8) Hnd 28,3 .
dat. enk. cheiri 347 327 20 1   1 1 4 7 (1) Lc 3,17 (1) Hnd 7,35 . (2) Hnd 12,17 . (3) Hnd 13,16 . (4) Hnd 21,40 .
acc. enk. cheira 295 265 30 8 5 5 3 4 1 (1) Lc 5,13 . (2) Lc 6,8 . (3) Lc 6,10 . (4) Lc 9,62 . (5) Lc 15,22 .   (1) Hnd 4,30 . (2) Hnd 9,41 . (3) Hnd 19,33 . (4) Hnd 26,1 .  
nom. mv. cheires 68 66 2         1 1     Hnd 20,34 
gen. mv. cheirôn 151 133 18 2 1 1   8 5 (1) Lc 4,11 .   (1) Hnd 5,12 . (2) Hnd 7,41 . (3) Hnd 8,18 . (4) Hnd 12,7 . (5) Hnd 14,3 . (6) Hnd 17,25 . (7) Hnd 19,11 . (8) Hnd 19,26
dat. mv.chersin 128 118 10 1 3 1 1   3 (1) Lc 6,1 .    
acc. mv. cheiras 392 333 59 9 11 11 7 14 7   (1) Lc 4,40 . (2) Lc 9,44 . (3) Lc 13,13 . (4) Lc 13,13 . (5) Lc 21,12 . (6) Lc 23,53 . (8) Lc 24,7 . (9) Lc 24,39 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,50 (1) Hnd 4,3 . (2) Hnd 5,18 . (3) Hnd 6,6 . (4) Hnd 8,17 . (5) Hnd 8,19 . (6) Hnd 9,12 . (7) Hnd 9,17 . (8) Hnd 12,1 . (9) Hnd 13,3 . (10) Hnd 19,6 . (11) Hnd 21,11 . (12) Hnd 21,27 . (13) Hnd 28,8 . (14) Hnd 28,17
Totaal   1815 1637 178 25 26 26 15 44 26 16     

- cheirotonèsantes (de handen gestrekt) . Met handoplegging kreeg iemand een taak toegewezen . Nederlandse vertalingen : aanstellen , aanwijzen . Zie Hnd 14,23 .

- Chios is een Grieks eiland en departement (nomos) in de oostelijke Egeïsche Zee en onderdeel van de regio Noord-Egeïsche Eilanden. De hoofdstad is de stad Chios en Chios heeft 53.408 inwoners (2001). Het eiland ligt acht kilometer van de Turkse kust en zo'n vijf kilometer van de tot Turkije behorende Paspargos eilanden. Het eiland zelf heeft een omtrek van 213 km en werd door Homerus "klippenrijk" genoemd.

- Christos (Christus) .

christos (Christus)   bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
nom. christos 118 8 110 8 5 5 15 4 73 0 18 33
voc. christe 1   1 1 0 0 0 0 1 0 1 1
gen. christou 251 11 240 5 2 0 1 11 214 7 7 8
dat. christô(i) 107 5 102 0 0 0 0 0 102 0    
acc. christon 78 14 64 2 0 7 2 10 43 0 9 11
Totaal   554 38 517 16 7 12 18 25 432 7 35 53

christos (Christus)   N.T.  Lc  Hnd  ev.
nom. christos 110 5 : (1) Lc 2,11 (-) . (2) Lc 3,15 (+) . (3) Lc 22,67 (+) . (4) Lc 23,35 (+) . (5) Lc 23,39 (+) . 4 : (1) Hnd 9,22 . (2) Hnd 9,34 . (3) Hnd 17,3 . (4) Hnd 26,23 . 33
voc. christe 1 0 0 1
gen. christou 240 0 11: 8
dat. christô(i) 102 0 0  
acc. christon 64 7 : (1) Lc 2,26 (+) . (2) Lc 4,41 (+) . (3) Lc 9,20 (+) . (4) Lc 20,41 (+) . (5) Lc 23,2 (-) . (6) Lc 24,26 (+) . (7) Lc 24,46 (+) . 10 : (1) Hnd 2,36 . (2) Hnd 3,18 . (3) Hnd 3,20 . (4) Hnd 5,42 . (5) Hnd 8,5 . (6) Hnd 11,17 . (7) Hnd 17,3 . (8) Hnd 18,5 . (9) Hnd 18,28 . (10) Hnd 24,24 11
Totaal   517 12 25 53

- pathein ton Christon (dat Christus - moest - lijden) . Verwijzing : deô (moeten) , zie Mt 16,21 . In vier verzen in het N.T. : (1) Lc 24,26 : edei pathein ton Christon = dat Christus moest lijden . {(2) Lc 24,46 : ' edei ' pathein ton Christon = dat Christus moest lijden.} (3) Hnd 3,18 : pathein ton Christon = dat Christus (moest) lijden .(4) Hnd 17,3 (hoti ton Christon. edei pathein = dat Christus moest lijden) .

D

6. Damaskos (Damascus) . Verwijzing : Damaskos (Damascus) , zie Hnd 9,2 . Damascus is een naam van een stad , een plaatsaanduiding .

Damaskos (Damascus) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc Hnd
nom. enk. Damaskos 6 6                    
gen. enk. Damaskou 23 23                    
dat. enk. Damaskôi 15 7 8         7 1     (1) Hnd 9,3 . (2) Hnd 9,10 . (3) Hnd 9,19 . (4) Hnd 9,22 . (5) Hnd 9,27 . (6) Hnd 22,6 . (7) Hnd 26,20 .
acc. enk. Damaskon 18  11              (1) Hnd 9,2 .  (2) Hnd 9,8 . (3) Hnd 22,5 . (4) Hnd 22,10 . (5) Hnd 22,11 . (6) Hnd 26,12 .
Totaal   62  47  15          13       

- datief mannelijk enkelvoud (wat vorm betreft) ; de stadsnaam is in het Grieks vrouwelijk : Damaskôi (b.v. in Damacus) . Verwijzing : Damaskos (Damascus) , zie Hnd 9,2 . In vijftien verzen in de bijbel . In zeven verzen in het O.T. . In acht verzen in het N.T. :
(1) Hnd 9,3 : egeneto auton eggizein tèi Damaskôi = het gebeurde dat hij Damascus naderde .
(2) Hnd 9,10 : en Damaskôi = in Damascus .
(3) Hnd 9,19 : en Damaskôi = in Damascus .
(4) Hnd 9,22 : en Damaskôi = in Damascus .
(5) Hnd 9,27 : en Damaskôi = in Damascus .
(6) Hnd 22,6 : egeneto de moi poreuomenôi kai eggizonti tèi Damakôi = het overkwam mij echter , terwijl ik op weg was en Damascus naderde .
(7) Hnd 26,20 : en Damaskôi = in Damascus .
(8) 2 Kor 11,32 (en Damaskôi = in Damascus) .
-- en Damaskôi (in Damascus) . Verwijzing : Damaskos (Damascus) , zie Hnd 9,2 . In zes van de acht verzen in het N.T. . Niet in Hnd 9,3 en in Hnd 22,6 .
- accusatief enkelvoud Damaskon . Verwijzing : Damaskos (Damascus) , zie Hnd 9,2 . In elf verzen in het O.T. . In zeven verzen in het N.T. :
(1) Hnd 9,2 : eis Damaskon = naar Damascus .
(2) Hnd 9,8 : eis Damaskon = naar Damascus .
(3) Hnd 22,5 : eis Damaskon = naar Damascus .
(4) Hnd 22,10 : eis Damaskon = naar Damascus .
(5) Hnd 22,11 : : eis Damaskon = naar Damascus .
(6) Hnd 26,12 : eis tèn Damaskon = naar Damascus .
(7) Gal 1,17 : eis Damaskon = naar Damascus .

- de (echter) . Partikel . In 6210 verzen in de bijbel . In 3022 verzen in het O.T. . In 2456 verzen in het N.T. . In 478 verzen bij Lucas .In 490 verzen in Hnd .

de (echter)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk    
  6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7    

 

de (echter) Hnd 1 Hnd 2 Hnd 3 Hnd 4 Hnd 5 Hnd 6 Hnd 7 Hnd 8 Hnd 9 Hnd 10 Hnd 11 Hnd 12 Hnd 13 Hnd 14
  14  13  12  24  23  26  30 17  19  22  23  11 

de (echter) Hnd 15 Hnd 16 Hnd 17 Hnd 18 Hnd 19 Hnd 20 Hnd 21 Hnd 22 Hnd 23 Hnd 24 Hnd 25 Hnd 26 Hnd 27  Hnd 28
  15  23  16  16  25  18  25  17  20  11  13  26  16 


en (in, tijdens) Hnd 1 Hnd 2 Hnd 3 Hnd 4 Hnd 5 Hnd 6 Hnd 7 Hnd 8 Hnd 9 Hnd 10 Hnd 11 Hnd 12 Hnd 13 Hnd 14
                  30       23   

en (in, tijdens) Hnd 15 Hnd 16 Hnd 17 Hnd 18 Hnd 19 Hnd 20 Hnd 21 Hnd 22 Hnd 23 Hnd 24 Hnd 25 Hnd 26 Hnd 27  Hnd 28
                             

In vier verzen in Hnd 13,4-12 : (1) Hnd 13,5 . (2) Hnd 13,6 . (3) Hnd 13,8 . (4) Hnd 13,9 .

- dechomai (ontvangen) .

Hnd 2,41   hoi men oun apodexamenoi ton logon autou (enerzijds zij die derhalve zijn woord ont-vingen)
Hnd 8,14 akousantes de oi en ierosolumois apostoloi (gehoord echter de apostelen in Jeruzalem) hoti dedektai hè Samareia ton logon tou theou (dat Samaria het woord van God heeft ontvangen)
Hnd 11,1 èkousan de oi apostoloi kai oi adelfoi oi ontes kata tèn ioudaian (de apostelen en de broeders die -verspreid - waren over Judea echter hoorden hoti kai ta ethnè edexanto ton logon tou theou (dat ook de heidenen het woord van God ontvingen)
Hnd 17,11   edexanto ton logon (zij ontvingen het woord) .

- dedektai (heeft ontvangen) . Verwijzing : dechomai (ontvangen) , zie Mt 10,40 . Mediaal perfectum derde persoon enkelvoud . Slechts in één vers in de bijbel : Hnd 8,14 .
- Een vorm van het werkwoord (apo) dechomai (ontvangen) met het lijdend voorwerp ton logon (het woord) :
(1) Hnd 2,41 : hoi men oun apodexamenoi ton logon autou (enerzijds zij die derhalve zijn woord ont-vingen) .
(2) Hnd 8,14 : hoti dedektai ... ton logon tou theou (dat Samaria het woord van God heeft ontvangen) .
(3) Hnd 11,1 : hoti kai ta ethnè edexanto ton logon tou theou (dat ook de heidenen het woord van God ontvingen) .
(4) Hnd 17,11 : edexanto ton logon (zij ontvingen het woord) .
Er is een gradatie in het gebruik van het werkwoord (apo)dechomai (ontvangen) . In Hnd 2,41 zijn het de aanwezigen bij het pinksterwonder in Jeruzalem . In Hnd 8,14 betreft het Samaria en in Hnd 11,1 de heidenen . In Hnd 17,11 slaat het op de inwoners van Berea .

- dei (moet) . Verwijzing : deô (moeten) , zie Mt 16,21 . Actief praesens derde persoon enkelvoud van het werkwoord deô (moeten) . In vierennegentig verzen in de bijbel . In achttien verzen in het O.T. . In zesenzeventig verzen in het N.T. . In vijftien verzen in Handelingen : (1) Hnd 1,21 . (2) Hnd 3,21 . (3) Hnd 4,12 . (4) Hnd 5,29 . (5) Hnd 9,6 . (6) Hnd 9,16 . (7) Hnd 14,22 . (8) Hnd 15,5 . (9) Hnd 16,30 . (10) Hnd 19,21 . (11) Hnd 20,35 . (12) Hnd 23,11 . (13) Hnd 25,10 . (14) Hnd 27,24 . (15) Hnd 27,26 .
- In twee van de zes verzen staat : dei poiein (men moet doen) : (1) (3) Hnd 9,6 . (2) (5) Hnd 16,30 . In het bekeringsverhaal van Paulus zegt de stem wat Paulus moet doen .
- edei (het moest) . Verwijzing : deô (moeten) , zie Mt 16,21 . In tweeëntwintig verzen in de bijbel . In zes verzen in het O.T. . In zestien verzen in het N.T. . In vier verzen in Hnd : (10) Hnd 1,16 . (11) Hnd 17,3 . (12) Hnd 24,19 . (13) Hnd 27,21 .

- Derbèn (Derbe) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In drie verzen in het N.T. nl . in Hnd : (1) Hnd 14,6 . (2) Hnd 14,20 . (3) Hnd 16,1 . Men vermoedt dat Derbe op de plaats van het huidige Kerti Hüyük ligt . Het ligt 96 km ten zuidoosten van Lystra . Evenals Ikonium en Lystra ligt Derbe in de landstreek Lykaonië , het gebied ten oosten van Pisidië, in de Romeinse provincie Galatië . Derbè (Derbe) . Verwijzing : Derbè (Derbe) , zie Hnd 14,6 . Paulus en Barnabas zijn slechts zeer korte tijd in Derbe geweest (Hnd 14,20 - Hnd 14,21) . Na een breuk met Barnabas (Hnd 15,39) bezocht Paulus samen met Silas opnieuw de stad Derbe (Hnd 16,1 - Hnd 16,2 - Hnd 16,3) , waar hij Timoteüs ontmoette (Hnd 16,2 - Hnd 16,3) .

- desmôtèrion (gevangenis) .

desmôtèrion (gevangenis)  bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc Hnd
nom. + acc. onz. enk. desmôtèrion 5 3 2         2       (1) Hnd 5,21 . (2) Hnd 5,23 .
gen. enk. desmôtèriou 2 1 1         1       (1) Hnd 16,26 .
dat. enk. desmôtèriôi 3 2 1 1                
acc.  enk. zie nom.                        
Totaal   10 6 4 1       3        

- diamarturomenos (getuigend) . Verwijzing : martureô (getuigen) , zie Joh 1,7 . (martus - mart-elaar) . Passief participium nominatief mannelijk enkelvoud van het werkwoord diamarturomai (getuigen) . In vijf verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In vier verzen in het N.T. : (1) Hnd 18,5 . (2) Hnd 20,21 . (3) Hnd 28,23 . (4) 2 Tim 2,14 .

- di-an-oigô (openen) .
- Hnd 16,14 : hès ho kurios diènoixen tèn kardian = wiens hart de Heer opende .
- Lc 24,32 : ouchi è kardia hèmôn kaiomenè en humin = was ons hart niet brandende in ons ; hôs dènoigen hèmin tas grafas = hoe hij ons de schriften opende . Lc 24,31 : autôn de diènoichthèsan oi ofthalmoi = hun ogen echter werden geopend .

- diesparèsan (zij werden verstrooid) . Verwijzing : diaspeirô (verspreiden, verstrooien) , zie Hnd 8,1 . Passief aorist derde persoon meervoud van het werkwoord diaspeirô (uiteenzaaien, verstrooien) . In tien verzen in de bijbel . In negen verzen in het O.T. . In één vers in het N.T. : Hnd 8,1 .
- diasparentes (de verstrooiden) . Verwijzing : diaspeirô (verspreiden, verstrooien) , zie Hnd 8,1 . Passief participium aorist nominatief mannelijk en vrouwelijk meervoud . In twee verzen in de bijbel : (1) Hnd 8,4 . (2) Hnd 11,19 .

diatribô (de tijd doorbrengen) . Verwijzing : diatribô (stuk wrijven, opslijten, tijd doorbrengen) , zie Hnd 14,28 .

diatribô (de tijd doorbengen)   Joh Hnd  
part. pr. nom. mann. mv. diatribontes     1 : Hnd 16,12 .  
ind imperf.. 3de p. enk. dietriben 1 : Joh 3,22 . 1 : Hnd 12,19 .  
ind. imperf. . 3de p. mv. dietribon   3 : (1)   Hnd 14,28 . (2) Hnd 15,35 . (3) Hnd 25,14 .  
ind. aor. 3de p. enk. dietripsen   1 : Hnd 14,3 .  
ind. aor. 1ste p. mv. dietripsamen   1 : Hnd 20,6 .    
part. aor. nom. m. + vr. enk. diatripsas   1 : Hnd 25,6 .    
  1    

Een vorm van  diatribô (de tijd doorbengen) in Hnd 1:  (1) Hnd 12,19 . (2) Hnd 14,3 . (3) Hnd 14,28 . (4) Hnd 15,35 . (5) Hnd 16,12 . (6) Hnd 20,6 . (7) Hnd 25,6 . (8) Hnd 25,14 .  

- diatribô (stuk wrijven, opslijten, tijd doorbrengen) . Verwijzing : diatribô (stuk wrijven, opslijten, tijd doorbrengen) , zie Hnd 14,28 .
- dietriben (hij verbleef) . Verwijzing : diatribô (stuk wrijven, opslijten, tijd doorbrengen) , zie Hnd 14,28 . Actief imperfectum derde persoon enkelvoud . In vier verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. . In twee verzen in het N.T. . Joh (1) . Hnd (1) . Hnd 12,19 . Na de vervolging van de gemeente van Jeruzalem reisde Herodes terug naar Caesarea om er te verblijven .
- dietribon (zij verbleven) . Actief imperfectum derde persoon meervoud . In drie verzen in de bijbel , enkel in Hnd : (1) Hnd 14,28 . (2) Hnd 15,35 . (3) Hnd 25,14 .
(1) Hnd 14,28 : dietribon  de chronon ouk oligon = zij echter brachten een niet weinige tijd door . Na de eerste zendingsreis brachten Paulus en Barnabas een niet weinige tijd door in Antiochië aan de Orontes .
(2) Hnd 15,35 : paulos de kai barnabas dietribon en antiocheia = Paulus echter en Barnabas brachten in Antiochië door .
(3) Hnd 25,14
- Vermelding van een verblijf van enkele dagen , met een vorm van het werkwoord diatribô = doorbrengen ) .
Hnd 16,12 : èmen de en tautè tè polei diatribontes èmeras tinas (terwijl wij echter in die stad enkele dagen aan het doorbrengen waren) . (vervolg , zie Hnd 16,13) .
Hnd 20,6 : opou dietripsamen èmeras epta (waar wij enkele dagen doorbrachten) . (vervolg , zie Hnd 20,7) .
- Tijdsaanduiding met een liturgische draagwijdte
Hnd 16,13 : tè te èmera tôn sabbatôn exèlthomen exô tès pulès para potamon ou enomizomen proseuchèn einai, (op de dag evenwel van de week gingen we uit de stadspoort bij de rivier waar wij dachten dat het gebed zou plaats hebben) .
Hnd 20,7 : en de tè mia tôn sabbatôn sunègmenôn èmôn klasai arton (toen wij echter op de eerste dag van de week waren samengekomen voor het breken van het brood) .

- didaskein (onderwijzen, leren) . Verwijzing : didaskô (onderrichten - onderwijzen) , zie Mc 1,45 . Infinitief praesens . In vijftien verzen in de bijbel . O.T. (2) . Ezr (1) . 2 Kr (1) . N.T. (13) . Mt (1) . Mc (4) . Lc (1) . Joh (1) . Hnd (4) . Brieven (2) . In dertien verzen in het N.T. . In één vers bij Lucas : (6) Lc 6,6 (eiselthein ... kai didaskein = binnengaan en onderrichten) .
In vier verzen in Hnd :
(8) Hnd 1,1 (poiein te kai didaskein = doen evenals onderrichten) .
(9) Hnd 4,2 : dia to didaskein autous ton laon = omdat zij het volk onderrichtten in de tempel .
(10) Hnd 4,18 : mède didaskein epi tôi onomati tou Ièsou = noch te onderrichten in de naam van Jezus (een duidelijke verwijzing naar Hnd 4,2) . Het sanhedrin verbood Petrus en Johannes om te spreken met een beroep op de naam van Jezus .
(11) Hnd 5,28 : mè didaskein epi tôi onomati toutôi = noch te onderrichten in deze naam . In Hnd 5,28 herinnerde het sanhedrin Petrus en Johannes aan het verbod , waaraan zij zich niet hielden . Daarom waren de apostelen opnieuw gearresteerd en ondervraagd .

- dielthontes (doorgetrokken) . Actief aorist participium nominatief mannelijk meervoud . In zes verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. . In vier verzen in het N.T. . In drie verzen tijdens de eerste zendingsreis van Paulus en Barnabas : (1) Hnd 13,6 : dielthontes de holèn tèn nèson = nadat zij echter het hele eiland (nl. Cyprus) hadden doorgetrokken) . (2) Hnd 13,14 : autoi de dielthontes apo tès Pergès paregenonto eis Antiocheian tèn Pisidian = nadat zijzelf echter vanuit Perge (Pamfylië) waren doorgetrokken , bereikten zij Antiochië van Pisidië . (3) Hnd 14,14 (kai dielthontes tèn Pisidian èlthon eis tèn Pamfulian = en nadat zij Pisidië hadden doortrokken, kwamen zij in Pamfylië) . De terugkeer van de eerste zendingsreis ging in omgekeerde volgorde . Ook literair is dat goed waarneembaar . Nederlandse vertalingen : zij reisden door , na een tocht door , na hun reis door , ze trekken door .

- diodeusantes (doorgetrokken) . Werkwoord di-odeuô (doortrekken) . Actief aorist nominatief mannelijk meervoud : Hnd 17,1 .

- Dioscuren = dios kouroi (zonen van Zeus) = Castor en Pollux .

- edoxazon (zij verheerlijkten) . Verwijzing : doxazô (verheerlijken) , zie Lc 5,26 . In zes verzen in de bijbel , enkel in het N.T. : (1) Lc 5,26 . (2) Lc 7,16 . (3) Hnd 4,21 . (4) Hnd 13,48 . (5) Hnd 21,20 . (6) Gal 1,24 . Telkens in samenhang met het lijdend voorwerp ton theon (God) : zij verheerlijkten God .
-- pantes edoxazon ton theon (zij verheerlijkten God) . Slechts éénmaal in het N.T. : Hnd 4,21 .
edoxazon ton theon (zij verheerlijkten God) in samenhang met allen : (1) Lc 5,26 . (2) Lc 7,16 .
Lc 5,26  Lc 7,16  
kai ekstasis elaben hapantas (en ontzetting benam allen)   elaben de fobos pantas (vrees echter benam allen)
kai edoxazon ton theon (en zij verheerlijkten God)  kai edoxazon ton theon (en zij verheerlijkten God)
67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 - 110. De zoon van de weduwe van Naïn : Lc 7,11-17 -

- dunamin (kracht) . Verwijzing : dunamis (kracht, macht) , zie Lc 4,1 . Zelfstandig naamwoord accusatief enkelvoud .
Hier komt de combinatie van de woorden pneuma (geest) en dunamis (kracht, macht) voor .
Het ontvangen van de gave van de geest ligt in de lijn van Johannes de Doper (Lc 1,17) , Maria (Lc 1,35) , Jezus (Lc 4,14) en van Stefanus (Hnd 6,5 . Hnd 6,8) .

E

- egeirô (opwekken, doen ontwaken). Verwijzing : egeirô (ontwaken, opwekken) , zie Mc 1,31 .

egeirô (opwekken) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  
ind. pr. 3de p. enk. egeirei            
ind. pr. 3de p. mv. egeirousin                
imp. 2de p. enk. egeire 14   14 1 5 4 1 1 1 1  
imp. 2de p. mv. egeirete                
inf. pr. egeirein                
ind imp. 3de p. enk. ègeiren 27  20    10     
ind. imp. 3de p. mv. ègeiran              
inf. aor. egeirai             
pas. ind. pr. 3de p. enk. egeiretai 5   5       2   3    
pas. ind. pr. 3de p. mv. egeirontai 10 1 9 1 1 2     5    
pas. fut. 3de p. enk. egerthèsetai            
pas. fut. 3de p. mv.  egerthèsontai 5          
pas. ind. aor. 3de p. enk. ègerthè 23  18                 
pas. ind. aor. 3de p. mv. ègerthèsan 2                
pas. conj. 3de p. enk. egerthè(i)               
pas. imp. 2de p. mv. egerthète                

pas. inf. aor. egerthènai 

         
pas. part. aor. nom. m. + vr. enk. egertheis 13   13         
Nog andere vormen...                        
                       

egeirô (opwekken) Lc Hnd  
ind. pr. 3de p. enk. egeirei   1 : Hnd 26,8 .  
imp. 2de p. enk. egeire 4 : (1) Lc 5,23 (// Mt 9,5 (// Mc 2,9 ) . (2) Lc 5,24 (// Mc 2,11 // Joh 5,8 ) . (3) Lc 6,8 (// Mc 3,3 ) . (4) Lc 8,54 (// Mc 5,41 ) . 1 : Hnd 3,6  
ind imp. 3de p. enk. ègeiren 1 : Lc 1,69 . 10 : (1) Hnd 3,7 . (2) Hnd 3,15 . (3) Hnd 4,10 . (4) Hnd 5,30 . (5) Hnd 10,26 . (6) Hnd 10,40 . (7) Hnd 12,7 . (8) Hnd 13,22 . (9) Hnd 13,30 . (10) Hnd 13,37 .    
inf. aor. egeirai  1 : Lc 3,8.    
pas. ind. pr. 3de p. mv. egeirontai 2 : (1) Lc 7,22 . (2) Lc 20,37 .    
pas. fut. 3de p. enk. egerthèsetai   2 : (1) Lc 11,31 . (2) Lc 21,10 .    
pas. conj. 3de p. enk. egerthè(i)  1 : Lc 13,25 .    

pas. inf. aor. egerthènai 

1 : Lc 9,22 .    
pas. part. aor. nom. m. + vr. enk. egertheis 1 : Lc 11,8 .    
part. aor. nom. m. + vr. mv.      
Nog andere vormen...        
       

 

 


ind imp. 3de p. enk. ègeiren 27  20    10      God wekte op : (2) Hnd 3,15 . (3) Hnd 4,10 . (4) Hnd 5,30 . (6) Hnd 10,40 . (9) Hnd 13,30 . (10) Hnd 13,37 .  

gen. mv. nekrôn God wekte 'Jezus' op uit doden :(1) Hnd 3,15 . (3) Hnd 4,10 . (6) Hnd 13,30 .

gen. mv. nekrôn 82 8 74 7 6 7 6 13 32 3   (4) Hnd 10,41 . (5) Hnd 10,42 .(7) Hnd 13,34 . (8) Hnd 17,3 . (9) Hnd 17,31 .

- eggizein . Verwijzing : eggizô (naderen) , zie Mt 21,1 . Infinitief praesens . In twee verzen in het N.T. :
(1) Lc 18,35 : egeneto de en tôi eggizein auton eis Ierichô (terwijl hij echter Jericho naderde) .
(2) Hnd 9,3 : egeneto auton eggizein tèi Damaskôi (het gebeurde dat hij Damaskus naderde) .
In Lucas was de man langs de weg blind en zal hij zien . In Hnd is Saulus op weg naar Damaskus ; hij ziet maar hij zal blind worden .

- eiselthein eis tèn basileian tou theou (binnengaan in het koninkrijk van God) . In drie verzen in het N.T. : (1) Mc 9,47 . (2) Joh 3,5 . (3) Hnd 14,22 . eis tèn basileian tou theou eiselthein (het koninkrijk van God binnengaan) . In vier verzen in het N.T. : (1) Mt 19,24 . (2) Mc 10,24 . (3) Mc 10,25 . (4) Lc 18,25 . tèn basileian tou theou (verkondigend het koninkrijk van God) . Verwijzing : hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) , zie Mt 3,2 . In twaalf verzen bij Lucas . (12) Lc 4,43 . (13) Lc 8,1 .(14) Lc 9,2 . (15) Lc 9,27 . (16) Lc 9,60 . (17) Lc 9,62 . (18) Lc 12,31 . (19) Lc 13,20 . (20) Lc 18,17 . (21) Lc 18,24 . (22) Lc 18,25 . (23) Lc 23,51 . In drie verzen in Hnd : (26) Hnd 14,22 . (27) Hnd 20,25 .(28) Hnd 28,23 . Deze drie verzen staan in afscheidsteksten van Paulus . Hnd 14,22 : bij het afscheid van Lystra , Ikonium en Antiochië van Pisidië . Hnd 20,25 : Paulus nam in Milete afscheiden van de christenen van Efeze die bij hem waren gekomen . Hnd 28,23 : bij de laatste ontmoeting met de gemeente van Rome .

- ekklèsia (kerk, gemeente, gemeenschap) . Verwijzing : kaleô (roepen) , zie Gal 5,13 . In vierentachtig verzen in de bijbel . In eenenvijftig verzen in het O.T. . In drieëndertig verzen in het N.T. . Mt (1) . Hond (6) : (1) Hnd 7,38 . (2) Hnd 9,31 . (3) Hnd 11,26 . (4) Hnd 15,22 . (5) Hnd 19,32 . (6) Hnd 19,39 . Brieven (26) .

- ektheta . Accusatief onzijdig meervoud . ekthetos (in veiligheid gebracht, te vondeling gelegd) . ek - thetos : uit- gelegd (tithèmi = leggen) . Hapax . Dit is een duidelijke verwijzing naar Ex 2,3 , waar de moeder van Mozes haar kind in de Nijl te vondeling legt .

- emfobos (bevreesd) : Verwijzing : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) , zie Mc 1,27 ; zie eveneens jâr´â (vrezen, eerbied hebben) , zie Ps 111,10 . Bijvoeglijk naamwoord nominatief mannelijk enkelvoud . In drie verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In twee verzen in Hnd : (2) Hnd 10,4 (emfobos genomenos = bevreesd geworden). (3) Hnd 24,25 (idem als Hnd 10,4) .

- emmenein (blijven in) . Infinitief praesens . Hapax in de bijbel . emmenein tèi pistei : in het geloof blijven , trouw blijven . Zie Hnd 14,22 .

- en (in) . Verwijzing : en (in) , zie Mt 1,22 . In 11097 verzen in de bijbel . In 2154 verzen in het N.T. In 226 verzen in Hnd . In zestien verzen in Hnd 9 .
-- en (hôi) de) . Verwijzing : Hnd 9,3 . In vierentwintig verzen in het N.T. . Mt (3) . Lc (3) . Joh (4) . Hnd (6) : (1) Hnd 6,1 . (2) Hnd 9,3 . (3) Hnd 11,15 . (4) Hnd 17,16 . (5) Hnd 20,7 . (6) Hnd 28,7 . 1 Kor (2) . 2 Kor (1) . Fil (1) . 2 Pe (vier verzen ; zevenmaal) .
-- en de tôi + infinitief . Voorzetsel + partikel + bepaald lidwoord datief mannelijk of onzijdig enkelvoud + infinitief . In vier verzen in het N.T. : (1) Mt 13,25 . (2) Lc 8,42 . (3) Lc 11,37 . (4) Hnd 9,3 . (5) Hnd 11,15 .

- enteilamenos (opgedragen) . Participium aorist passief nominatief mannelijk enkelvoud : Hnd 1,2 . Hapax . Verwijzing : entellô (bevelen, opdragen, vragen) , zie Mt 28,20 . Volgens Mt 28,20 geeft Jezus aan zijn leerlingen de woorden : leert (didaskontes) hen te onderhouden alles wat ik jullie heb opgedragen . (eneteilamèn) .
- entetaltai (hij heeft opgedragen) . Verwijzing : entellô (bevelen, opdragen, vragen) , zie Mt 28,20 . Perfectum derde persoon enkelvoud . In 8 verzen in de bijbel . In 7 verzen in het O.T. : (4) 1 K 13,17 : hoti houtôs entetaltai moi en logôi kurios = want zo heeft de Heer met een woord mij opgedragen . De profeet laat zich toch door iemand verleiden om aan het woord van God te verzaken met een noodlottig gevolg . In één vers in het N.T. : Hnd 13,47 : houtôs gar entetaltai hèmin kurios = want zo heeft de Heer ons opgedragen . Men moet zich houden aan de opdracht die iemand van God heeft ontvangen .

- epaggelian (belofte , bij-engelschap , engelbewaarderschap) . Verwijzing : aggelos (engel) , zie Mt 13,41 . Accusatief vrouwelijk enkelvoud van het zelfstandig naamwoord epaggelia . In achttien verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. . In zestien verzen in het N.T. : (1) Lc 24,49 . (2) Hnd 1,4 . (3) Hnd 2,33 . (4) Hnd 13,23 . (5) Hnd 13,32 . (6) Hnd 23,21 .

- epelthontos . Prefix epi (over) en de werkwoordvorm : indicatief aorist participium genitief enkelvoud . Slechts in Hnd 1,8 . Verwijzing : erchomai (komen, gaan) , zie Lc 1,35 .
In heel wat teksten wordt de komst van de geest en van zijn kracht beschreven als komende van hoger . Mensen ervaren het als iets dat hen overkomt , dat ze ontvangen vanuit de hoge , van God . Zie schema onder Lc 1,35 .

Lc 1,35 a Lc 1,35 b Hnd 1,8 Lc 24,49 Lc 1,17 Lc 3,22 Lc 4,14a Lc 4,18
   kai (en) kai lèmpsethe (en gij zult ontvangen) heôs hou endusèsthe (totdat jullie   kai (en) katabènai (neerdalen)     
pneuma hagion (heilige geest) dunamis hupsistou (de kracht van de Allerhoogste)  dunamin (kracht) eks hupsous dunamin (vanuit de hoge kracht) en pneumati kai dunamei èliou (in de geest en de kracht van Elia)   to pneuma to hagion (de heilige geest) ... en tèi dunamei tou pneutos (in de kracht van de geest) pneuma kuriou (de geest van de Heer)
epeleusetai (zal komen) episkiasei (zal overschaduwen)   epelthontos tou hagiou pneumatos (van de komende heilige geest)          
epi se (over u) soi (u)   ef'humas (over u)     ep'auton (over hem)   ep'eme (op mij)
3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38  Hnd 1,1-14 : Jezus'laatste opdracht en hemelvaart 355. Verschijning aan de leerlingen in Jeruzalem : Lc 24,36-49 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25   18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 22. Prediking te Nazaret en verwerping : Lc 4,16-30 - Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58

- epebalon (zij legden op) . Actief aorist derde persoon meervoud . Verwijzing: ballô (werpen, gooien) , zie Mt 8,14 . Zie eveneens : jad (hand) , zie Ps 31,6 - cheir (hand) , zie Lc 23,46 . De vertaling arresteren heeft de betekenis van : iemand aan-houden , bij iemand blijven (ad-restare) . In acht verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. :
(1) Mt 26,50 : tote proselthontes epebalon tas cheiras epi ton Ièsoun (en naderbijgekomen sloegen zij de handen op op Jezus) .
(2) Mc 14,46 : oi de epebalon tas cheiras autôi (zij echter sloegen de handen op hem) . In dit vers is de eenvoudige datief opvallend zoals ook in Hnd 4,3 .
(3) Hnd 4,3 : kai epebalon autois tas cheiras (en zij sloegen op hen de handen) . In dit vers is de eenvoudige datief opvallend zoals ook in Mc 14,46 .
(4) Hnd 5,18 : kai epebalon tas cheiras epi tous apostolous (en zij sloegen de handen op op de apostelen) .
(5) Hnd 21,27 : kai epebalon ep'auton tas cheiras (en zij sloegen op op hem de handen) .
In de apokalyptische rede schrijft Lucas in Lc 21,12 : epibalousin ef'humas tas cheiras autôn = zij zullen op jullie hun handen opleggen . Daarin zegt Jezus dat men de hand aan hen zal slaan . Het is Jezus overkomen . Het overkomt ook de apostelen (Petrus en Johannes) en Paulus . De leerling gaat dezelfde weg op als zijn leraar.
- epibalousin (zij zullen slaan aan) . Actief toekomende tijd derde persoon meervoud . In zes verzen in de bijbel . In één vers in het N.T. : Lc 21,12 : epibalousin ef'humas tas cheiras autôn = zij zullen aan jullie de hand slaan . De zinsconstructie van Lc 21,12 komt het meest overeen met Hnd 21,27 .
- epibalôn (geslagen op) . Actief aorist nominatief mannelijk enkelvoud . In vier verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. . In twee verzen in het N.T. : (2) de hand aan de ploeg slaan . Lc 9,62 : oudeis epibalôn tèn cheira ep'arotron = niemand die de hand aan de ploeg heeft geslagen .
- epibalein . Actief infinitief aorist . In zeven verzen in de bijbel . In één vers in het N.T. : Lc 20,19 : kai ezètèsan ... epibalein ep'auton tas cheiras = zij zochten de hand aan hem te slaan . In zinsconstructie komt Lc 20,19 het meest overeen met Hnd 21,27 .

epiballô ('op-werpen') bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  Lc Hnd  
ind. pr. 3de p. enk. epiballei           (1) Lc 5,36 .    
ind. pr. 3de p. mv. epiballousin                  
ind. fut. 1ste p. enk. epibalô                 
ind. fut. 3de p. mv. epibalousin             (1) Lc 21,12 .    
ind imp. 3de p. enk. epeballen                  
ind. imp. 3de p. mv. epeballon                       (1) Hnd 4,3 . (2)  Hnd 5,18 . (3) Hnd 21,27 .
part. pr. nom. onz. enk. epiballon                 (1) Lc 15,12 .    
ind. aor. 3de p. enk. epebalen 13  10              (1) Lc 12,1 .  
ind. aor. 3de p. mv. epebalon           (1) Hnd 4,3 . (2)  Hnd 5,18 . (3) Hnd 21,27 .  
inf. aor. epibalein             (1) Lc 20,19  
part. aor. nom. m. + vr. enk. epibalôn           (1) Lc 9,62 .    
  49  31  18       

- epistèrizontes (ondersteunend, versterkend, bevestigend, bemoedigend) . Grieks werkwoord epistèrizô .

- epistèmi (staan bij) .
- Voor het eerst geeft Jezus onderricht in de tempel . De tempelverantwoordelijken komen bij hem met de vraag naar zijn bevoegdheid of zijn vergunning (Lc 20,1 - Lc 20,2) . Zo gebeurt ook met de apostelen Petrus en Johannes . Bij het gaan naar de tempel genezen ze een lamme (Hnd 3,1-10) . Daarna houdt Petrus een redevoering in de tempel (Hnd 3,11-26) . Terwijl hij nog aan het woord is , staan de tempelverantwoordelijken bij hen (Hnd 4,1) eveneens met de vraag naar hun bevoegdheid of hun vergunning .
- Lc 20,1 : didaskontos autou ton laon en tô ierô kai euaggelizomenou epestèsan = terwijl hij het volk onderrichtte in de tempel en de goede boodschap bracht , stonden bij hem
- Hnd 4,1 : lalountôn de autôn pros ton laon epestèsan autois = terwijl echter zij spraken tot het volk , stonden bij hen .
- epestèsan (zij stonden bij) . Verwijzing : histèmi (doen staan) , zie Lc 24,36 . Aorist derde persoon meervoud van het werkwoord epistèmi (staan bij) . In negen verzen in de bijbel . In vier verzen in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. : (1) Lc 20,1 . (2) Lc 24,4 . (3) Hnd 4,1 . (4) Hnd 10,17 . (5) Hnd 11,11 .

- epitithèmi (opleggen) . Verwijzing : epitithèmi (opleggen) , zie Hnd 6,6 . Zoals we hierboven zagen , gaat het aanstellen voor een opdracht vaak met een handoplegging gepaard .
- epitithei (leg op) . Imperatief tweede persoon enkelvoud . 1 Tim 5,22 : cheiras tacheôs mèdeni epitithei : leg niemand overijld de handen op (wellicht tot vergeving van zonden) .
- epetithesan (zij legden op) . Indicatief imperfectum derde persoon enkelvoud . Hapax in de bijbel : Hnd 8,17 : tote epetithesan tas cheiras ep'autous = toen legden zij de handen op hen . Handoplegging op de gelovige Samaritanen door de apostelen Petrus en Johannes . Aan de handoplegging ging gebed vooraf .
- epethèken (hij legde op) . Aorist derde persoon . In vierenvijftig verzen in de bijbel . In vijf verzen in het N.T. .
- epethèkan (zij legden op) . Aorist derde persoon meervoud . In zevenentwintig verzen in de bijbel . In eenentwintig verzen in het O.T. . In zes verzen in het N.T. . Hnd 6,6 : epethèkan autois tas chieras = legden zij - de apostelen - hen de handen op (bij de aanstelling van de zeven) . In deze vorm hapax in Hnd .
- epithô . Conjuctief aorist eerste persoon enkelvoud . Hapax in Hnd . Hnd 8,19 : ean epithô tas cheiras = indien ik de handen opleg . In Samaria probeert een zekere Simon de macht van de handoplegging van de apostelen af te kopen .
- epitheis (opgelegd) . Participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud . In zes verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. . In twee verzen in Hnd : (1) Hnd 9,17 . (2) Hnd 28,8 .
- epithenta (opgelegd) . Participium aorist accusatief mannelijk enkelvoud . Hapax in de bijbel . Hnd 9,12 : kai epithenta autôi tas cheiras = en opgelegd hem de handen . Ananias legde Saulus de handen op opdat hij zou zien .
- epithentes (opgelegd) . In vijf verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. . In drie verzen in het N.T. In de etekenis van handen opleggen slechts in Hnd 13,3 : epithentes tas cheiras autois = hun handen op hen gelegd (bij het uitsturen van missionarissen vanuit Antiochië) .

- erchomai (gaan , komen) . Zie ook : katerchomai : naar beneden gaan , afdalen .
- èlthon (zij gingen) . Verwijzing : eiselthôn (binnengegaan) , zie Mc 2,1 . In elf verzen in Hnd .
- èlthon eis ... (zij gingen naar) . In zeven verzen in Hnd : (1) Hnd 13,13 . (2) Hnd 13,51 . (3) Hnd 14,24 . (4) Hnd 15,30 . (5) Hnd 17,1 . (6) Hnd 21,8 . (7) Hnd 22,11 .
- elthontes (gegaan, gekomen) . Verwijzing : elthontes (gegaan, gekomen) , zie Mt 8,14 . Participium aorist nominatief mannelijk en vrouwelijk meervoud van het werkwoord erchomai (gaan, komen) . Het komt in zesendertig verzen in de bijbel voor . In vijftien verzen in het O.T. . In eenentwintig verzen in het N.T. : Mt (12) . Mc (3) . Lc (0) . Joh (2) . Hnd (4) en in 2 Kor 11,9 . In vier verzen In Hnd : (1) Hnd 11,20 . (2) Hnd 16,7 . (3) Hnd 16,37 . (4) Hnd 16,39 .
- elthein (gaan , komen) . Aorist infinitief . In 127 verzen in de bijbel . O.T. (87) . N.T. (40) . Mt (7) . Mc (1) . Lc (4) . Joh (8) . Hnd (3) . Brieven (17) . In drie verzen in Hnd : (1) Hnd 2,20 . (2) Hnd 8,40 . (3) Hnd 19,27 .

 

- eschatos (laatste) .
- genitief mannelijk of onzijdig enkelvoud eschatou . In vijfendertig verzen in de bijbel . In dertig verzen in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. : (1) Hnd 1,8 . (2) Hnd 13,47 (dat Js 49,6 citeert) . In drie brieven .

ethnos (volk) bijbel  O.T.  N.T.  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc Hnd
nom. + acc. enk. ethnos 128  113  15     
gen. enk. ethnous 45  38          2      
dat. enk. ethnei 49  43        1        
acc. enk.                        
nom. + acc mv. ethnè 339 289 50 4 1 3   8 15    
gen. mv. ethnôn 255 213 42 4 1 3   11 17    
dat. mv. ethnesin 173 141 32 4 2 1   8 15   (1) Hnd 4,27 . (2) Hnd 11,18 . (3) Hnd 14,27 . (4) Hnd 15,12 . (5) Hnd 21,19 . (6) Hnd 26,20 . (7) Hnd 26,23 . (8) Hnd 28,28 .
acc. mv.                        
Totaal                          

- eusebès (vroom) . eu - : voorzetsel : goed . De Griekse stam seb- : eren , vereren , eerwaardig zijn . Zo werd keizer Augustus Sebastos genoemd . Er is de beroemde bisschop Eusebius van Cesarea (ongeveer 275 - 30 mei 339) die een kerkgeschiedenis schreef . Sebastos vinden we in de naam Sebasatianus , een Romeins soldaat die onder het bewind van keizer Diocletianus (284-305) omwille van zijn christen-zijn aan een paal werd gebonden , met pijlen doorboord , gegeseld en gedood .
Als een verantwoordelijke in het Romeinse leger zal Cornelius wellicht eerbied voor de keizer hebben gehad . Maar zijn grootste eerbied ging wellicht uit naar God . Hij zal genoeg hebben gezien dat een Romeins keizer geen god was en niet als een god moest worden vereerd .
De nominatief enkelvoud komt in drie verzen in de bijbel voor . In twee verzen in het O.T. . In één vers in het N.T. nl. Hnd 10,2 . Accusatief enkelvoud eusebè in Hnd 10,7 . Nog in één vers in het O.T. . Accusatief meervoud in 2 Pe 2,9 : oiden kurios eusebeis = novit Dominus pios = de Heer kent de vromen . Verder nog in twee verzen in het O.T. .
- eusebeia . Zelfstandig naamwoord . Nominatief en datief enkelvoud in acht verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. : (1) Hnd 3,12 . In drie verzen in 1 Tim . In één vers in 2 Pe . Genitief enkelvoud . In vijf verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In twee verzen in het N.T. . Accusatief enkelvoud . In negen verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. . In zeven verzen in het N.T. .
- Het bijwoord eusebôs komt in twee verzen in het N.T. voor .
- De infinitief eusebein vinden we in 1 Tim 5,4 .

- exègagen (hij leidde uit) . Actief aorist derde persoon enkelvoud .
- exagô (uitleiden) . Verwijzing : exagô (uitleiden) , zie Lc 24,50 .
-- exègagen (hij leidde uit) . In eenenzestig verzen in de bijbel . In zesenvijftig verzen in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. . In Lc 24,50 en in vier verzen in Hnd : (1) Hnd 7,36 . (2) Hnd 7,40 . (3) Hnd 12,17 . (4) Hnd 13,17 . In drie van de vier verzen verwijst exègagen (hij leidde uit) naar de uittocht uit Egypte door Mozes . In Hnd 12,17 wijst het op de bevrijding van Petrus uit de gevangenis .
In de Nederlandse taal zeggen we ook wel : iemand uitgeleide doen , in de betekenis van : met iemand meegaan tot op een plaats waar afscheid van iemand genomen wordt . Hier is wel iets merkwaardigs . Niet de leerlingen , maar Jezus doet de leerlingen uitgeleide . Niet de leerlingen , maar Jezus neemt afscheid van zijn leerlingen . Dit herinnert aan het verhaal van de Emmaüsgangers waarin duidelijk werd dat Jezus tegelijkertijd af- en aanwezig is .

- exapestalè (hij werd uitgezonden) . Verwijzing : apostellô (wegsturen, zenden) , zie Joh 1,6 . Passief tweede aorist derde persoon enkelvoud . In één vers in de bijbel nl. Hnd 13,26 . apestalè (hij werd gezonden) . Passief aorist derde persoon enkelvoud . In twaalf verzen in de bijbel . In tien verzen in het O.T. : (1) Js 6,6 . (2) Js 20,1 . (3) Da 4,11 . (4) Da 4,21 . (5) . In twee verzen in het N.T. : (1) Lc 1,26 . (2) Hnd 28,28 .

- exiontôn (terwijl zij naar buiten gaan) . Actief particpium praesens genitief mannelijk meervoud van het werkwoord ex-eimi (uitgaan, ten einde lopen) . In deze vorm is het een hapax . Zie Hnd 13,42 .
- exon = exestin (het is toegelaten) . In vier verzen in de bijbel : (1) Est 4,2 . (2) Mt 12,4 . (3) Hnd 2,29 . (4) 2 Kor 12,4 .

- exèlthen (hij ging uit) . Actief aorist derde persoon enkelvoud . Deze werkwoordsvorm van Hnd 14,20b staat tegenover de werkwoordsvorm eisèlthen (hij ging naar binnen ; Hnd 14,20b) , aangevuld met de bepaling eis tèn polin (naar de stad) . Na zijn steniging, die hij overleefde, en zijn overnachting in de stad vertrok Paulus uit de stad Lystra en ging hij samen met Barnabas naar de stad Derbe , ongeveer 96 km ten zuidoosten van Lystra .

- existanto (zij waren buiten zichzelf) . Verwijzing : existamai (buiten zichzelf zijn , ontsteld / ontzet zijn) , zie Mc 16,8 . Imperfectum derde persoon meervoud . In zeven verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. , in zes verzen in het N.T. : (1) Gn 43,33 . (2) Mt 12,23 . (3) Mc 6,51 . (4) Lc 2,47 . (5) Hnd 2,7 . (6) Hnd 2,12 . (7) Hnd 9,21 . In alle zinnen staat het vervoegd werkwoord bij het begin van de zin . Het werkwoord existèmai wordt vertaald door : buiten zichzelf zijn , versteld staan , verstomd staan , buiten zichzelf raken , van zijn stuk brengen , van zijn stuk gebracht worden . Het werkwoord existèmai roept de gedachte op dat men uit zijn evenwicht geraakt , dat het gebeurde niet overeenkomt met wat men over een persoon (personen) of situatie dacht en bijgevolg vragen oproept . Bij existèmai wordt het voor-oordeel aan het wankelen gebracht . Zie ook Hnd 2,12 . Het is een reactie op wat ze in Hnd 2,6 horen praten . Deze reactie komt na het eerste optreden van hen die door de geest vervuld zijn .

In het schema onder Mc 16,8 kunnen we zien hoe de zinnen met existanto (zij waren buiten zichzelf) op gelijkaardige wijze zijn opgebouwd .

1. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
2. Gn 43,33 Mt 12,23 Mc 6,51 Lc 2,47 Hnd 2,7 Hnd 2,12 Hnd 9,21
3. existanto de (zij waren echter buiten zichzelf) kai existanto (en zij waren buiten zichzelf) existanto (zij waren buiten zichzelf) existanto de (zij waren echter buiten zichzelf) existanto de (zij waren echter buiten zichzelf) existanto de (zij waren echter buiten zichzelf) existanto de (zij waren echter buiten zichzelf)
4. hoi anthrôpoi (de mensen)  ekastos pros ton adelfou autou (ieder tot zijn broer) pantes oi ochloi (alle menigten) (en heautois = onder elkaar)  pantes oi akouontes (alle toehoorders) "pantes" (allen)   pantes (allen)   pantes oi akouontes (alle toehoorders) 
5.   kai elegon (en ze zeiden)       kai ethaumazon legontes (en zij waren verwonderd zeggend)   kai dièporoun allos pros allon legontes (en zij waren in verlegenheid, de ene tot de ander zeggend)   kai elegon (en ze zeiden)   
6.   mèti outos estin ho (is deze niet de ...)       ouch idou hapantes houtoi eisin  (zie zijn niet al dezen)   ti thelei touto einai ;  ouch houtos estin ho (is deze niet)  
7.   117. Genezing van een blinde en een stomme bezetene : Mt 12,22-23 - Mt 9,32-34 - Lc 11,14   152. Jezus wandelt op het meer : Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 8. De twaalfjarige Jezus in de tempel : Lc 2,41-52  Hnd 2,1-13 : Pinksteren  Hnd 2,1-13 : Pinksteren  Saulus in Damascus : Hnd 9,1-22 .  

In de zeven verzen begint slechts één vers met kai (en) : Mt 12,23 . In de zes andere verzen staan het vervoegd werkwoord existanto (zij waren buiten zichzelf) vooraan de zin , gevolgd door het partikel de (echter) . Op het vervoegd werkwoord volgt in vijf verzen het onderwerp . In vier verzen is het pantes (allen) , al dan niet zelfstandig gebruikt . In vier verzen volgt een nevenschikkende zin . In deze vier zinnen is een vorm van het werkwoord legô (zeggen) te vinden . Hierop volgt dan een vraag , die de verrassing verwoordt .
-- existanto (zij waren buiten zichzelf) de (echter) pantes (allen) . In vier verzen in het N.T. : (1) Lc 2,47 . (2) Hnd 2,7 . (3) Hnd 2,12 . (4) Hnd 9,21 .

F

4. Pharisaioi (Farizeeën) . Verwijzing : Farisaioi (Farizeeën) , zie Mt 9,11 .

farisaios Farizeeër) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc Hnd
nom. enk. farizaios              
gen. enk. farisaiou                  
nom. mv. farizaioi 49   49 21 8 10 9 1        
gen. mv. farisaiôn 28    28         
dat. mv. farisaiois                  
acc. mv. farisaious                
Totaal   95    95  28  12  27  19       

farisaios (Farizeeër) Mt , zie Mt 9,11 Mc , zie Mc 2,18 Lc  Joh  Hnd  Brieven 
nom. enk. farizaios     5 : (1) Lc 7,39 . (2) Lc 11,37 . (3) Lc 11,38 . (4) Lc 18,10 . (5) Lc 18,11 .   3 : (1) Hnd 5,34 . (2) Hnd 23,6 . (3) Hnd 26,5 . 1 : Fil 3,5 .
gen. enk. farisaiou     2 : (1) Lc 7,36 . (2) Lc 7,37 .      
nom. mv. farisaioi 21 : (1) Mt 9,11 . (2) Mt 9,14 . (3) Mt 9,34 . (4) Mt 12,2 . (5) Mt 12,14 . (6) Mt 12,24 . (7) Mt 15,1 . (8) Mt 15,12 . (9) Mt 16,1 . (10) Mt 19,3 . (11) Mt 21,45 . (12) Mt 22,15 . (13) Mt 22,34 . (14) Mt 23,2 . (15) Mt 23,13 . (16) Mt 23,15 . (17) Mt 23,23 . (18) Mt 23,25 . (19) Mt 23,27 . (20) Mt 23,29 . (21) Mt 27,62 . 8 : (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,24 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 7,1 . (5) Mc 7,3 . (6) Mc 7,5 . (7) Mc 8,11 . (8) Mc 10,2 . 10 : (1) Lc 5,17 . (2) Lc 5,21 . (3) Lc 5,30 . (4) Lc 6,7 . (5) Lc 7,30 . (6) Lc 11,39 . (7) Lc 11,53 . (8) Lc 13,31 . (9) Lc 15,2 . (10) Lc 16,14 . 9 : (1) Joh 4,1 . (2) Joh 7,32 . (3) Joh 7,47 . (4) Joh 8,3 . (5) Joh 8,13 . (6) Joh 9,15 . (7) Joh 11,47 . (8) Joh 11,57 . (9) Joh 12,19 . 1 : Hnd 23,8 .  
gen. mv. farisaiôn 7 : (1) Mt 3,7 . (2) Mt 5,20 . (3) Mt 12,38 . (4) Mt 16,6 . (5) Mt 16,11 . (6) Mt 16,12 . (7) Mt 22,41 . 4 : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 8,15 . (4) Mc 12,13 . 7 : (1) Lc 5,33 . (2) Lc 6,2 . (3) Lc 7,36 . (4) Lc 12,1 . (5) Lc 14,1 . (6) Lc 17,20 . (7) Lc 19,39 . 6 : (1) Joh 1,24 . (2) Joh 3,1 . (3) Joh 7,48 . (4) Joh 9,16 . (5) Joh 9,40 . (6) Joh 18,3 . 4  : (1) Hnd 15,5 . (2) Hnd 23,6 . (3) Hnd 23,7 . (4) Hnd 23,9 .  
dat. mv. farisaiois     2 : (1) Lc 11,42 . (2) Lc 11,43 .      
acc. mv. farisaious     1 : Lc 14,3 . 4  : (1) Joh 7,45 . (2) Joh 9,13 . (3) Joh 11,46 . (4) Joh 12,42 .    

In negenenveertig verzen in de bijbel . Slechts in het N.T. . Mt (21) . Mc (8) . Lc (10) . Joh (9) . Hnd (1) . In eenentwintig verzen bij Matteüs : (1) Mt 9,11 . (2) Mt 9,14 . (3) Mt 9,34 . (4) Mt 12,2 . (5) Mt 12,14 . (6) Mt 12,24 . (7) Mt 15,1 . (8) Mt 15,12 . (9) Mt 16,1 . (10) Mt 19,3 . (11) Mt 21,45 . (12) Mt 22,15 . (13) Mt 22,34 . (14) Mt 23,2 . (15) Mt 23,13 . (16) Mt 23,15 . (17) Mt 23,23 . (18) Mt 23,25 . (19) Mt 23,27 . (20) Mt 23,29 . (21) Mt 27,62 . Zesmaal in : wee u schriftgeleerden en Farizeeën in Mt 23 : (15) Mt 23,13 . (16) Mt 23,15 . (17) Mt 23,23 . (18) Mt 23,25 . (19) Mt 23,27 . (20) Mt 23,29 .

3. - 4. hoi (...) Pharisaioi (de Farizeeën) . In negenendertig verzen in het N.T. . Mt (13) . Mc (8) . Lc (8) . Joh (9) . In elf verzen bij Mt : (1) Mt 9,11 . (2) Mt 9,14 . (3) Mt 9,34 . (4) Mt 12,2 . (5) Mt 12,14 . (6) Mt 12,24 . (8) Mt 15,12 . (9) Mt 16,1 . (11) Mt 21,45 . (12) Mt 22,15 . (13) Mt 22,34 . (14) Mt 23,2 . (21) Mt 27,62 .
- hoi Pharisaioi (de Farizeeën) . In drieëndertig verzen in het N.T. . Mt (9) . Mc (8) . Lc (7) . Joh (9) . In acht verzen (1) Mt 9,11 . (2) Mt 9,14 . (5) Mt 12,14 . (8) Mt 15,12 . (9) Mt 16,1 . (11) Mt 21,45 . (12) Mt 22,15 . (14) Mt 23,2 . (21) Mt 27,62 .
- kai hoi Pharisaioi (en de Farizeeën) . In vijftien verzen in het N.T. . Mt (4) . Mc (2) . Lc (5) . Joh (4) . In vier verzen bij Mt : (2) Mt 9,14 . (11) Mt 21,45 . (14) Mt 23,2 . (21) Mt 27,62 .
- hoi de Pharisaioi (de Farizeeën echter) . In vijf verzen in het N.T. . Mt (4) . Lc (1) . In vier verzen bij Matteüs . (3) Mt 9,34 . (4) Mt 12,2 . (6) Mt 12,24 . (13) Mt 22,34 .

- farisaios (farizeeër) . Verwijzing : Farisaioi (Farizeeën) , zie Mc 2,18 . Nominatief mannelijk enkelvoud . In negen verzen in de bijbel . In vijf verzen bij Lucas : (1) Lc 7,39 . (2) Lc 11,37 . (3) Lc 11,38 . (4) Lc 18,10 . (5) Lc 18,11 . In drie verzen in Hnd : (1) Hnd 5,34 . (2) Hnd 23,6 . (3) Hnd 26,5 . In Fil 3,5 .

- Felix , landvoogd van Judea (52-59) . In deze functie liet hij de hogepriester Jonatan vermoorden en onderdrukte hij verschillende opstanden . De vleiende rede van Tertullus (Hnd 24,2-8) geeft een gunstig getuigenis over zijn bestuur . Voor zijn rechterstoel moest Paulus verschijnen . Later sprak Paulus met hem en met zijn joodse vrouw Drusilla , dochter van Herodes Agrippa I .

- fobos (vrees, fobie) . Verwijzing : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) , zie Mc 1,27 ; zie eveneens jâr´â (vrezen, eerbied hebben) , zie Ps 111,10 . Zelfstandig naamwoord nominatief mannelijk enkelvoud . In achtentachtig verzen in de bijbel . In elf verzen in het N.T. . Niet bij Matteüs. Niet bij Marcus. In drie verzen bij Lucas : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 1,65 . (3) Lc 7,16 . Niet in Johannes . In vier verzen in Hnd : (1) Hnd 2,43 . (2) Hnd 5,5 . (3) Hnd 5,11 . (4) Hnd 19,17 . Brieven (4) .
- foboumenos (vrezend) . Verwijzing : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) , zie Mc 1,27 ; zie eveneens jâr´â (vrezen, eerbied hebben) , zie Ps 111,10 . Participium praesens nominatief mannelijk enkelvoud . In achtentwintig verzen in de bijbel . In tweeëntwintig verzen in het O.T. . In zes verzen in het N.T. : (1) Lc 18,2 . (2) Hnd 10,2 . (3) Petrus vertelde aan de gemeente van Jeruzalem wat hem in Joppe en Cesarea is overkomen . Hnd 10,22 . (4) De verdedigingstoespraak van Petrus : Hnd 10,35 . (5) Gal 2,12 . (6) 1 Joh 4,18 .

- Frugian (Frygië) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In drie verzen in Hnd : (1) Hnd 2,10 . (2) Hnd 16,6 . Paulus en Silas trokken tijdens een tweede zendingsreis door Frygië en Galatië . (3) Hnd 18,23 . Tijdens een derde zendingsreis kwam Paulus langs Frygië en Galatië . Verwijzing : Frugian (Frygië) , zie Hnd 2,10 . Landstreek in het westelijk hoogland van Klein-Azië (tot 2500 m hoog), tussen Bytinië en Pisidië, Galatië en Lydië .

- fôs (licht) . Verwijzing : fôs (licht) , zie Mt 5,14 . Zelfstandig naamwoord onzijdig enkelvoud . In 143 verzen in de bijbel . In 102 verzen in het O.T. . In eenenveertig verzen in het N.T. . In acht verzen in Hnd : (1) Hnd 9,3 . (2) Hnd 12,7 . (3) Hnd 13,47 . (4) Hnd 22,6 . (5) Hnd 22,9 . (6) Hnd 26,13 . (7) Hnd 26,18 . (8) Hnd 26,23 .

- fulakè (bewaking , bewaring , gevangenis) .

fulakè (bewaring)  bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc Hnd
nom. + dat. vr. enk. fulakè(i) 41 23 18 8 2 3   3 1 1 (1) Lc 3,20 . (2) Lc 12,38 . (3) Lc 23,19 . (1) Hnd 5,22 . (2) Hnd 5,28 . (3) Hnd 12,5 .
gen. enk. fulakès 36 30 6         4 1   (1) Hnd 5,19 . (2) Hnd 12,17 . (3) Hnd 16,27 . (4) Hnd 16,40 .
dat. zie nom.                        
acc. vr. enk. 38 23 15 2 1 3 1 7     (1) Hnd 8,3 . (2) Hnd 12,4 . (3) Hnd 12,6 . (4) Hnd 12,10 . (5) Hnd 16,23 . (6) Hnd 16,24 . (7) Hnd 16,37 .
Totaal   115 76 39 10 3 6 1 14 2    

G

- Galatikèn chôran (Galatië) . Tweemaal wordt in combinatie met Frygië Galatië (galatikèn chôran = de streek van Galatië) genoemd . (1) Hnd 16,6 . Paulus en Silas trokken tijdens een tweede zendingsreis door Frygië en Galatië . (2) Hnd 18,23 . Tijdens een derde zendingsreis kwam Paulus langs Frygië en Galatië . Verwijzing : Galatikèn chôran (Galatië) , zie Hnd 2,10 .
- Galatias (van Galatië) . Genitief vrouwelijk enkelvoud . In drie verzen in het N.T. : (1) 1 Kor 16,1 (in verband met een inzameling voor Jeruzalem) . (2) Gal 1,2 . (3) 1 Pe 1,1 .
- Galatian (naar Galatië) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In één vers : 2 Tim 4,10 .

- Galilaias (van Galilea) . Verwijzing : Galilea , zie Mc 1,14 . Genitief vrouwelijk enkelvoud . In veertig verzen in de bijbel . In zesendertig verzen in het N.T. . In acht verzen bij Mt . In zeven verzen bij Mc . In tien verzen bij Lc . In acht verzen bij Joh . In drie verzen in Hnd : (1) Hnd 9,31 (kath' holès ... Galilaias = over geheel ... Galilea) . (2) Hnd 10,37 (apo tès Galilaias = vanaf Galilea) . (3) Hnd 13,31 (apo tès Galilaias = vanaf Galilea) .

- . gnôston . Verwijzing : gignôskô (kennen) , zie Mt 12,15 . In zeventien verzen in de bijbel . In zeven verzen in het O.T. . In tien verzen in het N.T. .

- (tèn) grafèn (de schrift) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In één vers in Hnd : Hnd 1,16 . hè grafè (de schrift) . Nominatief vrouwelijk enkelvoud . Niet in Hnd . panta ta gegrammena (al het geschrevene) . Nominatief of accusatief onzijdig meervoud . Niet in Hnd . Verwijzing : grafô (schrijven) , zie Mc 1,2 .

H

- hamartiôn (van zonden) . Verwijzing: hamartia (zonde) , zie Lc 11,4 . Genitief meervoud van het zelfstandig naamwoord hamartia (zonde) . In vijfentachtig verzen in de bijbel . In tweeënvijftig verzen in het O.T. . In tweeëndertig verzen in het N.T. (1) Mt 1,21 . (2) Mt 26,28 . (3) Mc 1,4 . (4) Lc 1,77 . (5) Lc 3,3 . (6) Lc 24,47 . (7) Hnd 2,38 . (8) Hnd 5,31 . (9) Hnd 10,43 . (10) Hnd 13,38 . (11) Hnd 26,18 . In eenentwintig verzen in de andere boeken van het N.T. .
- eis afesin tôn hamartiôn (tot vergeving van de zonden) . Verwijzing : afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) , zie Mt 6,14 . In vier verzen in het N.T. : (1) Mt 26,28 . (2) Mc 1,4 . (3) Lc 3,3 . (4) Hnd 2,38 .

- hapantes (allen) . Verwijzing : pas (ieder, elk) , zie Mc 2,13 . In zes verzen in Hnd : (Hnd 2,1) . (1) Hnd 2,7 . (2) Hnd 4,31 . (3) Hnd 5,12 . (4) Hnd 5,16 . (5) Hnd 16,3 . (6) Hnd 16,28 . Zie pantes (allen) .

- hèmeras tinas (bepaalde / enkele dagen) . Verwijzing : hèmera (dag) , zie Mc 1,13 . In vier verzen in het N.T. , enkel in Hnd : (1) Hnd 9,19 . (2) Hnd 10,48 . (3) Hnd 16,12 . (4) Hnd 24,24 .

- hieron (tempel) . Verwijzing : hieron (tempel) , zie Lc 24,53 . Nominatief of accusatief onzijdig enkelvoud. In veertig verzen in de bijbel . In twintig verzen in het O.T. . In twintig (2 + 2 + 3 + 2 + 11) verzen in het N.T. : Mt (2) , Mc (2) , Lc (3) , Joh (2) . In elf verzen in Hnd komt de accusatief onzijdig enkelvoud voor . In acht verzen is dat in de uitdrukking eis to hieron (naar de tempel) met een werkwoordvorm van een werkwoord 'gaan' . In zeven van die verzen staat een werkwoord met een voorvoegsel eis... , in één ervan met het voorvoegsel ana... (op...) .
(1) Hnd 3,1 : anebainon eis to hieron = zij klommen op naar de tempel .
(2) Hnd 3,2 : para tôn eisporeuomenôn eis to hieron = vanwege hen die zich naar de tempel begeven .
(3) Hnd 3,3 : eisienai eis to hieron = binnen te gaan naar de tempel .
(4) Hnd 3,8 : kai eisèlthen sun autois eis to hieron = en hij ging met hen naar binnen naar de tempel .
(5) Hnd 5,21 : eisèlthon ... eis to hieron = gingen zij naar de tempel .
(6) Hnd 19,27 : de tempel van de grote godin Artemis .
(7) Hnd 21,26 : eisèei eis to hieron : hij ging binnen naar de tempel ..
(8) Hnd 21,28 : eisègagen eis to hieron = hij leidde hen naar de tempel ..
(9) Hnd 21,29 : eis to hieron eisègagen ho Paulos = naar de tempel leidde Paulus .
(10) Hnd 24,6 : die de tempel trachtte te bezoedelen .
(11) Hnd 25,8 : noch tegen de tempel heb ik iets misdaan .
-- en tôi hierôi (in de tempel) . Voorzetsel van plaats + lidwoord datief onzijdig enkelvoud + zelfstandig naamwoord (hieron = tempel) datief onzijdig enkelvoud . In drieëndertig verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In tweeëndertig (5 + 4 + 7 + 7 + 9) verzen in het N.T. : Mt (5) , Mc (4) . In zeven verzen bij Lucas : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 19,47 . (3) Lc 20,1 . (4) Lc 21,37 . (5) Lc 21,38 . (6) Lc 22,53 . (7) Lc 24,53 . In zeven verzen bij Johannes . In negen verzen in Hnd. : (1) Hnd 2,46 . (2) Hnd 5,20 . (3) Hnd 5,25 . (4) Hnd 5,42 . (5) Hnd 21,27 . (6) Hnd 22,17 . (7) Hnd 24,12 . (8) Hnd 24,18 . (9) Hnd 26,21 .

- estèsan (zij plaatsten) . Verwijzing : histèmi (doen staan), zie Lc 24,36 . Actief aorist derde persoon meervoud van histèmi (plaatsen, stellen) . In negen verzen in het N.T. . In vier verzen in Hnd : (1) Hnd 1,23 . (2) Hnd 5,27 . (3) Hnd 6,6 . (4) Hnd 6,13 .

- hodègos (weg-leider , aanvoerder) .
- Lc 22,47 . Tegenover Jezus , die zijn slapende leerlingen wakker maakte en hen vroeg opdat zij niet op de beproeving zouden ingaan , kwam Judas met een menigte achter zich . proèrcheto (hij ging voorop , hij ging op kop) . Het is een hapax vorm in de bijbel . In Hnd 1,16 wordt hij hodègos ( hodos = weg , en agô = voeren , leiden ; vandaar : weg-leider , aanvoerder) . Judas kende de weg , want hij had die weg zovele malen met Jezus en met zijn collega's afgelegd 's avonds en 's morgens . Hij ging op kop , kuste Jezus om hem over te leveren . Vanaf dat moment is Judas' rol uitgespeeld . Zijn rol bestond juist in het overleveren van Jezus .

- homothumadon (eensgezind , gelijkgezind) . Verwijzing : homothumadon (eensgezind , gelijkgezind) , zie Hnd 1,14 . homoios : gelijkend . thumos : opwelling , hardstocht . Bijwoord . In veertig verzen in de bijbel . In negenentwintig verzen in het O.T. . In elf verzen in het N.T. . In tien verzen in Hnd . In één vers in Rom . (1) Hnd 1,14 . (2) Hnd 2,46 . (3) Hnd 4,24 . (4) Hnd 5,12 . (5) Hnd 7,57 . (6) Hnd 8,6 . (7) Hnd 12,20 . (8) Hnd 15,25 . (9) Hnd 18,12 . (10) Hnd 19,29 .
-- proskarterountes homothumadon (gelijkgezind volhardend) . In twee verzen in de bijbel : Hnd 1,14 en Hnd 2,46 .

- homou (op dezelfde plaats) of op gelijke plaats . homoios : gelijk , gelijksoortig . hou : betrekkelijk voornaamwoord van plaats waar op de vraag pou (waar) ; bijeen , samen , tegelijkertijd . In twaalf verzen in de bijbel . In acht verzen in het O.T. . In vier verzen in het N.T. . In drie verzen in Joh . In Hnd 2,1 .

- houtoi (deze) , zie Hnd 1,14 . Aanwijzend voornaamwoord nominatief mannelijk meervoud . In 382 verzen in de bijbel . In veertien verzen in Hnd : (1) Hnd 1,14 . (2) Hnd 2,7 . (3) Hnd 2,15 . (4) Hnd 11,12 . (5) Hnd 16,17 . (6) Hnd 16,20 . (7) Hnd 17,6 . (8) Hnd 17,7 . (9) Hnd 17,11 . (10) Hnd 20,5 . (11) Hnd 24,15 . (12) Hnd 24,20 . (13) Hnd 25,11 . (14) Hnd 27,31 .
-- houtoi pantes : letterlijk : deze allen ; al dezen . In vier verzen in het N.T. : (1) Hnd 1,14 . (2) Hnd 17,7 . (3) Heb 11,13 . (4) Heb 11,39 .

- houtôs (zo) . Verwijzing : houtôs (zo, op deze wijze) , zie Mt 21,6 . In 907 verzen in de bijbel . In 708 verzen in het O.T. . In 199 verzen in het N.T. . In eenentwintig verzen bij Lucas . In zesentwintig verzen in Handelingen : (1) Hnd 1,11 . (2) Hnd 3,18 . (3) Hnd 7,1 . (4) Hnd 7,6 . (5) Hnd 7,8 . (6) Hnd 8,32 . (7) Hnd 12,8 . (8) Hnd 12,15 . (9) Hnd 13,8 . (10) Hnd 13,34 . (11) Hnd 13,47 . (12) Hnd 14,1 . (13) Hnd 17,11 . (14) Hnd 17,33 . (15) Hnd 19,20 . (16) Hnd 20,11 . (17) Hnd 20,13 . (18) Hnd 20,35 . (19) Hnd 21,11 . (20) Hnd 22,24 . (21) Hnd 24,9 . (22) Hnd 24,14 . (23) Hnd 27,17 . (24) Hnd 27,25 . (25) Hnd 27,44 . (26) Hnd 28,14 .

- hupestrepsan (zij keerden terug). Verwijzing : hupostrefô (omkeren, terugkeren) , zie Lc 4,1 . Actief aorist derde persoon meervoud . In elf verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In tien verzen in het N.T. . Niet bij Matteüs en Marcus .In vijf verzen bij Lucas : (1) Lc 2,20 (de herders) . (2) Lc 2,45 (de ouders - eis Hierousalèm) . (3) Lc 10,17 (de tweeënzeventig) . (4) Lc 24,33 (de Emmaüsgangers - eis Hierousalèm) . (5) Lc 24,52 (de leerlingen - eis Hierousalèm) . In vijf verzen in Hnd : (1) Hnd 1,12 (de leerlingen - eis Hierousalèm) . (2) Hnd 12,25 (Barnabas en Saulus) . (3) Hnd 14,21 (Paulus en Barnabas keerden in omgekeerde volgorde naar Lystra , Ikonium en Antiochië van Pisidië terug) . (4) Hnd 21,6 . (5) Hnd 23,32 .
Tussen Hnd 13,4 en Hnd 14,27 ligt de eerste zendingsreis van Barnabas en Paulus besloten . Ze werden gezonden door de gemeente van Antiochië . Het is voor het eerste maal dat voor een systematische aanpak van missionering wordt gekozen . Barnabas en Paulus vertrokken vanuit Antiochië en keerden terug naar Antiochië . Derbe was de laatste standplaats . Vandaar keerden zij terug .

I

- idou (zie) . Verwijzing : idou (zie) , zie Mt 1,20 . Verwijzing : hinneh (zie) , zie Gn 29,2 . Het komt in de bijbel in 1229 verzen voor en is dikwijls de vertaling van het Hebreeuwse hen of hinneh (zie) . In het O.T. in 1037 verzen . In het N.T. in 192 verzen .

- Ièsous (Jezus) .
-- Ièsous (Jezus) . Verwijzing : Ièsous (Jezus) , zie Mt 1,1 . Nnominatief mannelijk enkelvoud . In 604 verzen in de bijbel . In 151 verzen in het O.T. . In 455 verzen in het N.T. . Het kan met (+) of zonder lidwoord (-) voorkomen . Mt (110) . Lc (57) . Lc (55) . Joh (194) . Hnd (10) . Brieven (28) . Apk (1) In tien verzen in Hnd : (1) Hnd 1,1 .
-- Ièsou . Genitief of datief mannelijk enkelvoud . Bijbel (348) . O.T. (34) . N. T. (313) . Mt (25) . Mc (13) . Lc (18) . Joh (18) Hnd (32) . Brieven (196) . Apk (11) . In tweeëndertig verzen in Hnd .
-- accusatief mannelijk enkelvoud Ièsoun . In zevenentwintig verzen in Hnd .

- Ikonion (Ikonium) = het huidige Konya . Ikonium was de centrale stad in Lykaonië , het gebied ten oosten van Pisidië , in de Romeinse provincie Galatië . In zes verzen in Hnd : (1) Hnd 13,51 (èlthon eis Ikonion = zij gingen naar Ikonium) . (2) Hnd 14,1 (en Ikoniôi = in Ikonium) . (3) Hnd 14,19 . (4) Hnd 14,21 (hupestrepsan eis ... Ikonion = zij keerden terug naar Ikonium) . (5) Hnd 16,2 . (6) 2 Tim 3,11 . Tijdens een eerste zendingsreis bezochten Paulus en Barnabas tweemaal Ikonium (Hnd 14,1-7 en Hnd 14,21) . Toen er een vervolging uitbrak , moesten zij vluchtten . Bewoners uit Antiochië en Ikonium wisten in Lystra de bevolking op te hitsen en Paulus te stenigen .

- Iouda .Er is Juda , de zoon van Jakob . Er is Judas , die Jezus overleverde . Er is Judas die Silas vergezelde van Jeruzalem . Zie Hnd 1,16 .

J

- Jasôn (Jason) . Verwijzing : Jasôn (Jason) , zie Hnd 17,7 . Tijdens hun tweede zendingsreis logeerden Paulus en Silas bij Jason . Een opgehitste menigte wilde Paulus en Silas voor het stadsbestuur brengen , maar ze werden niet gevonden . Daarop werd Jason en enkele medebroeders voor het stadbestuur gebracht . Ze werden echter op borgtocht vrijgelaten (Hnd 17,1-9) .

K

Kaisareia (Caesarea / Cesarea) . Verwijzing : Kaisareia (Cesarea) , zie Hnd 10,1 . '"Keizersstad" . Naam van een aantal steden die naar de Kaisar / Caesar genoemd zijn . In twee verzen in de bijbel (Mt en Mc) is Caesarea van Filippus bedoeld . In Hnd is Caesarea de stad aan zee in Palestina bedoeld . Zij is een havenstad aan de Middellandse Zee , tussen Jafo en Dor en ligt ongeveer 30 km ten zuiden van het huidige Haifa . Hij werd tussen 12 en 9 v. Chr. gebouwd door Herodes de Grote bij de oude Stratonstoren . In de bijbel slechts in Hnd . In vijftien verzen . Nom (0) . Gen (4) . (Dat (1) . Acc (10) .
K-s-r (Kaisar) en K-r-s (Kurios) hebben dezelfde medeklinkers , in een verschillende volgorde . Met Kaisar (Caesar / keizer) werd de opperste macht van het Romeinse Rijk aangeduid , met Kurios (zie Kyrie) de Heer Jezus Christus .
In Hnd 10 bekeerde de Romeinse centurio Cornelius zich tot het joods-christelijk geloof .
- Kaisareiai (Caesarea) . Datief vrouwelijk enkelvoud . Slechts in Hnd 10,1 : en Kaisareiai (in Caesarea) . Een zekere centurio Cornelius is in Caesarea .
- Kaisareias (Caesarea) . Genitief vrouwelijk enkelvoud . In zes verzen in de bijbel , slechts in het N.T. . Mt (1) . Mc (1) . Hnd (4) : (1) Hnd 11,11 : apo Caesareias (vanuit Caesarea) . Drie mannen werden door centurio Cornelius naar Petrus gezonden . (2) Hnd 21,16 : apo Caesareias (afkomstig uit Caesarea) . Enkele leerlingen uit Caesarea vergezelden Paulus naar Jeruzalem . (3) Hnd 23,23 : heôs Kaisareias (tot Caesarea) . De tribunus gaf bevel een gewapende begeleiding voor de gevangen Paulus klaar te maken . (4) Hnd 25,1 : apo Caesareias (vanuit Caesarea) . Gouverneur Festus ging van Caesarea naar Jeruzalem .
- Kaisareian (Caesarea) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In tien verzen in de bijbel , slechts in Hnd .
(1) Hnd 8,40 : eis Kaisareian = naar / in Caesarea . Filippus predikte in Samaria tot Caesarea toe .
(2) Hnd 9,30 : eis Kaisareian = naar / in Caesarea . Leden van de gemeente van Jeruzalem brachtten de bekeerde Saulus eerst naar Caesarea en zonden hem vervolgens naar Tarsus .
(3) Hnd 10,24 : eis tèn Kaisareian = naar / in Caesarea . Petrus ging in op de uitnodiging van de centurio Cornelius en hij kwam met zijn gezondenen in Caesarea aan .
(4) Hnd 12,19 : eis Kaisareian = naar / in Caesarea . In Jeruzalem vervolgde koning Herodes de christelijke gemeente van Jeruzalem . De gevangen genomen Petrus werd op wonderlijke wijze bevrijd . Herodes keerde naar Caesarea terug .
(5) Hnd 18,22 : eis Kaisareian = naar / in Caesarea . Na een tweede zendingsreis verbleef Paulus voor enige tijd in Antiochië .
(6) Hnd 21,8 : eis Kaisareian = naar / in Caesarea . Tijdens zijn derde zendingsreis verbleef Paulus op weg naar Jeruzalem enige tijd in Caesarea .
(7) Hnd 23,33 : eis tèn Kaisareian = naar / in Caesarea . De gevangen Paulus werd vanuit Jeruzalem naar Caesarea in veiligheid gebracht .
(8) Hnd 25,4 : eis Kaisareian = naar / in Caesarea . Festus was in Jeruzalem . De joden deden Festus een verzoek om de gevangen Paulus naar Jeruzalem over te brengen om hem te verhoren . Festus antwoordde hem dat Paulus in Caesarea nu eenmaal gevangen zat en dat zij naar Caesarea konden komen .
(9) Hnd 25,6 : eis Kaisareian = naar / in Caesarea . Festus was naar Caesarea teruggekeerd . Daar werd Paulus verhoord .
(10) Hnd 25,13 : eis Kaisareian = naar / in Caesarea . Bij een bezoek van koning Agrippa en Bernice aan Festus in Caesarea legde Festus de zaak van Paulus voor .

- kakeithen (en vanhier of en vandaar) . Verwijzing : ekeithen (vanhier, vandaar) , zie Mt 4,21 . In tien verzen in de bijbel , slechts in het N.T. Mc (1) . Lc (1) . Hnd (8) : (1) Hnd 7,4 . (2) Hnd 13,21 . (3) Hnd 14,26 . (4) Hnd 16,12 . (5) Hnd 20,15 . (6) Hnd 21,1 . (7) Hnd 27,4. (8) Hnd 28,15 .

- ekakôsen (hij behandelde slecht) . In zeven verzen in de bijbel . Actief aorist derde persoon enkelvoud van het werkwoord kakoô (kwaad doen) . In zes verzen in het O.T. : (1) Gn 16,6 . (2) Ex 5,23 . (3) Dt 8,3 . In één vers in het N.T. nl. Hnd 7,19 .

- katerchomai : naar beneden gaan , afdalen .
katelthôn (naar beneden gegaan) . Verwijzing : eiselthôn (binnengegaan) , zie Mc 2,1 . Aorist actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud van het werkwoord katerchômai (naar beneden gaan , afdalen) . Slechts in drie verzen in de bijbel : (1) Hnd 8,5 . (2) Hnd 12,19 . (3) Hnd 18,22 .
Er zijn een drietal teksten die sterk op elkaar gelijken :
1. Hnd 8,5 : Filippos de katelthôn eis tèn polin tès Samareias = nadat echter Filippus naar de stad van Samaria was afgedaald . Na de steniging van Stefanus brak er in Jeruzalem een grote vervolging uit waardoor vele gelovigen uitweken naar andere plaatsen .
2. Hnd 12,19 : kai katelthôn apo tès Ioudaias eis Kaisareian dietriben = en nadat hij (Herodes) was afgedaald van Judea naar Caesarea , verbleef hij er . Na de vervolging van de gelovigen in Jeruzalem , keerde Herodes naar Caesarea terug .
3. Hnd 18,22 : kai katelthôn eis Kaisareian = en nadat hij (Paulus) naar Caesarea was afgedaald . Op het einde van zijn tweede zendingsreis ging Paulus een groet brengen aan Caesarea om vervolgens naar Antiochië aan de Orontes te gaan .

- kathôs (zoals, volgens zo'n wijze) . Verwijzing : kathôs (zoals) , zie Mc 1,2 . Het komt in 405 verzen in de bijbel voor . In 326 verzen in het O.T. , in 179 verzen in het N.T. . In elf verzen in Hnd : (1) Hnd 2,4 . (2) Hnd 2,22 . (3) Hnd 7,17 . (4) Hnd 7,42 . (5) Hnd 7,44 . (6) Hnd 7,48 . (7) Hnd 11,29 . (8) Hnd 15,8 . (9) Hnd 15,14 . (10) Hnd 15,15 . (11) Hnd 22,3 .

- katistèmi (tegenstellen) .

Ex 2,14 = Hnd 7,27.35 - Ex 2,11-22 - - Hnd 7,1-53 - Lc 12,14 - Lc 12,13-15 -
  anthrôpe (mens)
Tís (Wie) Tís (Wie)
se (u) me (mij)
katestèsen (heeft aangesteld) katestèsen (heeft aangesteld)
archonta (tot leider) kritèn (tot beoordeelaar)
kai (en) kai (en)
dikastèn (rechter) meristèn (verdeler)
ef'èmôn (over ons) ef'humôn (over u)
 Ex 2,11-22 : Mozesvlucht naar Midjan  210. Vermaning tegen hebzucht : Lc 12,13-15

.katestèsen : aorist van kathistèmi : aanstellen
De reactie van Jezus (Lc 12,14 - Lc 12,13-15 - ) gaat terug op Ex 2,14. In het verhaal van Ex 2,11-15 doodt Mozes een Egyptenaar nadat deze een Hebreeër had neergeslagen. 's Anderendaags wil Mozes tussenkomen tussen twee twistende Hebreeën. Degene die ongelijk heeft, roept Mozes ter verantwoording en zegt: "Wie heeft jou als heer en rechter over ons aangesteld?" Het gevolg ervan is dat Mozes de zaak onbeslecht laat. De situaties van het verhaal van Mozes en van het verhaal van het lucasevangelie zijn zeer verschillend. De gelijkenis bestaat erin dat er een dispuut bestaat tussen twee broers over de verdeling van de erfenis. Degene die zich onrechtvaardig behandeld weet, roept de hulp in van Jezus. Jezus echter citeert uit het Exodusverhaal om bij de erfeniszaak van de de twee twistende broers niet tussenbeide te komen.
Hnd 7,35 interpreteert de vraag van de Hebreeër naar de verantwoording van Mozes'gedrag als een weigering van de Hebreeër om de bemiddeling van Mozes te aanvaarden. Tegenover deze weigering plaatst de schrijver van Handelingen de aanstelling van Mozes tot leider en verlosser door God.
Hnd 7,54-8,3 : Stefanus vermoord en de Jeruzalemse gemeente vervolgd .

- kèrussôn (verkondigend) . Verwijzing : kèrussô (verkondigen) , Mc 1,45 . In dertien verzen in de bijbel . Slechts in het N.T. . In vier verzen bij Lucas : (7) Lc 3,3 : baptisma metanoias (een doopsel van bekering) . (8) Lc 4,44 . (9) Lc 8,1 . (10) Lc 8,39 . In twee verzen in Hnd : (11) Hnd 20,25 (Paulus' afscheid in Milete) . (12) Hnd 28,31 . In deze twee verzen staat de formulering kèrussôn tèn basileian tou theou (verkondigend het koninkrijk van God) . In sommige handschriften zonder tou theou (van God) .

- koilias (van de moederschoot) . Genitief vrouwelijk enkelvoud . In achtenvijftig verzen in de bijbel . In zeven verzen in het N.T. : (1) Mt 19,12 . (2) Lc 1,15 . (3) Lc 1,42 . (4) Joh 7,38 . (5) Hnd 3,2 . (6) Hnd 14,8 . (7) Gal 1,15 . Verwijzing : bhâtèn (moederschoot) , zie Jr 1,5 .

L

- lalô (praten) .
Er is een grote overeenkomst tussen Hnd 2,6 , Hnd 2,11 en Hnd 10,45 :
- Hnd 2,6 : èkouon heis hekastos tèi idiai dialektôi lalountôn autôn = eenieder hoorde hen spreken in de eigen taal .
- Hnd 2,11 : akouomen lalountôn autôn tais hèmeterais glôssais ta megaleia tou theou = wij horen hen spreken in onze talen over de grote daden van God . Hnd 2,12 : existanto de ... zij echter waren buiten zichzelf ...
- Hnd 10,45 : kai exestèsan oi ek peritomès pistoi = en de gelovigen uit de besnijdenis waren buiten zichzelf ... Hnd 10,46 : èkouon gar autôn lalountôn glôssais = zij hoorden hen spreken in talen . Het Pinksterenwonder voltrekt zich niet alleen in Jeruzalem over de apostelen en de aanwezige joden maar ook over de volken (heidenen) in Caesarea .
- Hnd 19,6 : elaloun te glôssais = en zij spraken in talen . Na de handoplegging door Paulus ontvingen de gelovigen van Efeze en spraken ze in talen .
- lalountôn (terwijl zij aan het praten waren) . Actief participium praesens genitief meervoud . Verwijzing : laleô (lallen, spreken, praten) , zie Mt 4,6 .
Het werkwoord laleô staat zeer dicht bij het werkwoord existamai in Hnd 2,7 . Deze reactie komt na het eerste optreden van hen die door de geest vervuld zijn . Hier zijn de werkwoorden akouô (horen) , laleô (spreken) en existamai (verrast worden) in een netwerk bij elkaar .
-- autôn lalountôn (terwijl zij aan het praten waren , naar hen die aan het praten waren) . Verwijzing : laleô (lallen, spreken, praten) , zie Mt 4,6 . Losse genitief of nadere bepaling bij het werkwoord akouô ( luisteren naar hen sprekende = hen horen spreken) . Aanwijzend voornaamwoord genitief mannelijk meervoud + participium praesens genitief mannelijk meervoud . In veertien verzen in de bijbel ; in negen verzen in het O.T. . In één vers bij Lucas nl. Lc 24,36 en in vier verzen in Hnd : (1) Hnd 2,6 (laountôn autôn) . (2) Hnd 2,11 (laountôn autôn) . (3) Hnd 4,1 (laountôn de autôn - losse genitief) . (4) Hnd 10,46 (autôn lalountôn)
- elaloun (zij spraken) . Verwijzing : laleô (lallen, spreken, praten) , zie Mt 4,6 . Actief imperfectum derde persoon meervoud . In zestien verzen in de bijbel . In tien verzen in het O.T. . In zes verzen in het N.T. . Lc (1) . Hnd (4) . 1 Kor (1) . In vier verzen in Hnd : (1) Hnd 4,31 . (2) Hnd 11,20 . (3) Hnd 19,6 . (4) Hnd 26,31 .
- elalèsen (hij sprak) . Verwijzing : legô (zeggen) , zie Mt 4,6 . Actief aorist derde persoon enkelvoud . In 431 verzen in de bijbel . In 400 verzen in het O.T. . In eenendertig verzen in het N.T. .
In vijf verzen bij Lucas : (1) Lc 1,55 (kathôs ... = zoals ...) . (2) Lc 1,70 (kathôs ... = zoals ...) . (3) Lc 2,50 . (4) Lc 11,14 . (5) Lc 24,6 (hôs ... = zoals ...) .
In acht verzen in Hnd : (1) Hnd 2,31 . (2) Hnd 3,21 . (3) Hnd 7,6 . (4) Hnd 8,26 . (5) Hnd 9,27 . (6) Hnd 23,9 . (7) Hnd 28,21 . (8) Hnd 28,25 .
- lalein (spreken) . Verwijzing : laleô (lallen, spreken, praten) , zie Mt 4,6 . In zevenendertig verzen in de bijbel . In zestien verzen in het O.T. . In eenentwintig verzen in het N.T. . Mt (2) . Mc (3) . Lc (2) Joh (1) . Hnd (6) . Brieven (7) . In zes verzen in Hnd : (1) Hnd 2,4 . (2) Hnd 4,17 . (3) Hnd 4,20 . (4) Hnd 4,29 . (5) Hnd 5,40 . (6) Hnd 11,15 .
-- lalein ton logon (het woord spreken) komt slechts in Hnd 4,29 in het N.T. voor .
- Hnd 9,6 : kai lalèthèsetai soi ho ti se dei poiein = en er zal je gezegd worden wat je moet doen .
- Hnd 22,10 : kakei soi lalèthèsetai peri pantôn hôn tetaktai soi poièsai = en daar zal je gezegd worden over alles wat er bevolen is dat je doet .

- elampsen (hij straalde) . Verwijzing : anatellô (oprijzen, opgaan) , zie Mt 5,14 . Actief aorist derde persoon enkelvoud . lampô : stralen , schijnen ; zie het Ned. lamp . In drie verzen in de bijbel :
(1) Mt 17,2 . (elampsen to prosôpon autou hôs hèlios = zijn aangezicht straalde als de zon) .
(2) Hnd 12,7 (kai fôs elampsen en tèi oikèmati = en licht straalde in de cel) .
(3) 1 Cor 4,6 (hos elampsen en tais kardiais hèmôn = dat straalde in onze harten) .

- eipôn (gezegd) . Verwijzing : legô (zeggen) , zie Mt 4,6 . In tweeëndertig verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In negenentwintig verzen in het N.T. . Lc (5) . Joh (11) . Hnd (9) . Hnd (9) . In elf verzen bij Johannes . In negen verzen in Hnd : (1) Hnd 1,9 (kai tauta eipôn = en dit gezegd) . (2) Hnd 4,25 (hierop volgt een citaat) . (3) Hnd 7,26 (hierop volgt een citaat) . (4) Hnd 7,27 (hierop volgt een citaat) . (5) Hnd 7,60 . (6) Hnd 18,21 (hierop volgt een citaat) . (7) Hnd 19,21 . (8) Hnd 19,40 (kai tauta eipôn = en dit gezegd) . (9) Hnd 20,36 (kai tauta eipôn = en dit gezegd) .
-- tauta eipon (dat gezegd) . In negen verzen in het N.T. : (1) Lc 23,46 . (7) (1) Hnd 1,9 . (8) (8) Hnd 19,40 . (9) (9) Hnd 20,36 . In het vers van Lc en in de drie verzen van Hnd wordt tauta eipôn (dit gezegd) voorafgegaan door het koppelwoord kai (en) .

- lidwoord (bepaald)
- tôi . Verwijzing : lidwoord , zie Mt 28,18 . Bepaald lidwoord . Datief mannelijk of onzijdig enkelvoud . In 5507 verzen in de bijbel . In 163 verzen in Hnd , zie Hnd 9,3 . In vijf verzen in Hnd 9 : (1) Hnd 9,3 . (2) Hnd 9,24 . (3) Hnd 9,27 . (4) Hnd 9,28 . (5) Hnd 9,31 .

- logos (woord) . Verwijzing : logos (woord) , zie Mt 7,24 .

logos (woord) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk 
nom. enk. logos 296 231 65 2 1 5 15 9 65 - 33 = 32 1
gen. enk. logou 65 38 27 1 0 2 2 8 27 - 13 = 14 0
dat. enk. logôi 92 47 45 3 2 3 3 8 45 - 19 = 26 0
acc. enk. logon 347 220 127 17 18 10 14 31 127 - 97 = 30 7
nom. mv. logoi 86 76 10 1 1 3 0 1 10 - 10 = 0 4
gen. mv. logôn 133 124 9 1 0 3 2 1 9 - 8 = 1 1
dat. mv. logois 88 71 17 0 1 3 0 3 17 - 7 = 10 0
acc. mv. logous 286 264 22 6 1 3 2 4 22 - 21 = 1 5
Totaal   1393  1071  322 31 24 32 38 65 322 - 208 = 114 18

logos (woord) Hnd 1 Hnd 2 Hnd 3 Hnd 4 Hnd 5 Hnd 6 Hnd 7 Hnd 8 Hnd 9 Hnd 10 Hnd 11 Hnd 12 Hnd 13 Hnd 14
nom. enk. logos           (1) Hnd 6,5 . (2) Hnd 6,7 .         Hnd 11,22 . Hnd 12,24 . (1) Hnd 13,15 . (2) Hnd 13,26 . (3) Hnd 13,49 .  
gen. enk. logou           Hnd 6,4                 Hnd 14,12  
dat. enk. logôi             Hnd 7,29   Hnd 8,21     Hnd 10,29         Hnd 14,3  
acc. enk. logon Hnd 1,1 . Hnd 2,41 .   (1) Hnd 4,4 . (2) Hnd 4,29 . (3) Hnd 4,31 .   Hnd 6,2 .   (1) Hnd 8,4 . (2) Hnd 8,14 . (3) Hnd 8,25 .   (1) Hnd 10,36 . (2) Hnd 10,44 . (1) Hnd 11,1 . (2) Hnd 11,19   (1) Hnd 13,5 . (2) Hnd 13,7 . (3) Hnd 13,44 . (4) Hnd 13,46 . (5) Hnd 13,48 . Hnd 14,25 .
nom. mv. logoi                            
gen. mv. logôn                            
dat. mv. logois   Hnd 2,40          Hnd 7,22               
acc. mv. logous   Hnd 2,22       (1) Hnd 5,5 . (2) Hnd 5,24 .                    
Totaal      

logos (woord) Hnd 15 Hnd 16 Hnd 17 Hnd 18 Hnd 19 Hnd 20 Hnd 21 Hnd 22 Hnd 23 Hnd 24 Hnd 25 Hnd 26 Hnd 27  Hnd 28
nom. enk. logos     Hnd 17,13 .   Hnd 19,20 .                  
gen. enk. logou (1) Hnd 15,6  . (2) Hnd 15,27 . (3) Hnd 15,32 .     Hnd 18,15     Hnd 20,24     Hnd 22,22             
dat. enk. logôi       Hnd 18,5     (1) Hnd 20,2 . (2) Hnd 21,32 . (3) Hnd 21,38 .                  
acc. enk. logon (1) Hnd 15,7 . (2) Hnd 15,35 . (3) Hnd 15,36 . (1) Hnd 16,6 . (2) Hnd 16,32 . Hnd 17,11 . (1) Hnd 18,11 . (2) Hnd 18,14 . (1) Hnd 19,10 . (2) Hnd 19,38 . (3) Hnd 19,40 . Hnd 20,7 .                
nom. mv. logoi Hnd 15,15                            
gen. mv. logôn           Hnd 20,35                 
dat. mv. logois Hnd 15,24                            
acc. mv. logous   Hnd 16,36                          
Totaal                

-- ho logos (het woord) . Verwijzing : logos (woord) , zie Mt 7,24 . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Bepaald lidwoord nominatief mannelijk enkelvoud ho (de) en zelfstandig naamwoord nominatief mannelijk enkelvoud logos (woord) . In tweeënzestig verzen in het N.T. . In acht van de negen verzen van hierboven ; niet in Hnd 13,15 .
-- ho logos tou theou (het woord van God) . Verwijzing : logos (woord) , zie Mt 7,24 . In twaalf verzen in het N.T. : Lc (1) . Joh (1) . In drie verzen in Hnd : (3) Hnd 6,7 . (4) Hnd 12,24 . (5) Hnd 17,13 . Andere boeken van het N.T. (7) .
- logon (woord , ver-woord-ing) . Verwijzing : logos (woord) , zie Mt 7,24 .
(1) Hnd 1,1 : ton men prôton logon (het eerste boek enerzijds) .
(2) Hnd 2,41 : hoi men oun apodexamenoi ton logon autou (enerzijds zij die derhalve zijn woord ont-vingen) .
(3) Hnd 4,4 : polloi de akousantôn ton logon (velen echter van wie het woord hoorden) .
(4) Hnd 4,29 : lalein ton logon sou (uw woord te spreken) .
(5) Hnd 4,31 : elaloun ton logon tou theou (zij spraken het woord van God) .
(6) Hnd 6,2 : ton logon tou theou (het woord van God) .
(7) Hnd 8,4 : euaggelizomenoi ton logon (het woord verkondigend) .
(8) Hnd 8,14 : hoti dedektai ... ton logon tou theou (dat Samaria het woord van God heeft ontvangen) .
(9) Hnd 8,25 : lalèsantes ton logon tou kuriou (sprekend het woord van de Heer) .
(10) Hnd 10,36 : ton logon (het woord) .
(11) Hnd 10,44 : pantas tous akouontas ton logon (al wie hoort het woord) .
(12) Hnd 11,1 : hoti kai ta ethnè edexanto ton logon tou theou (dat ook de heidenen het woord van God ontvingen) .
(13) Hnd 11,19 : lalountes ton logon (sprekend het woord) .
(14) Hnd 13,5 : katèggellon ton logon tou theou (zij verkondigden het woord van God) .
(15) Hnd 13,7 : akousai ton logon tou theou (te horen het woord van God) .
(16) Hnd 13,44 : akousai ton logon tou theou (het woord van God) .
(17) Hnd 13,46 : lalèthènai ton logon tou theou (gesproken te worden het woord van God) .
(18) Hnd 13,48 : edoxazon ton logon tou kuriou (zij verheerlijkten het woord van de Heer) .
(19) Hnd 14,25 : lalèsantes ... ton logon (sprekend ... het woord) .
(20) Hnd 15,7 : akousai ta ethnè ton logon tou euaggeliou (dat de heidenvolkeren het woord van het evangelie horen) .
(21) Hnd 15,35 : euaggelizomenoi ... ton logon tou kuriou (verkondigend het woord van de Heer) .
(22) Hnd 15,36 : katèggeilamen ton logon tou kuriou (wij verkondigden het woord van de Heer) .
(23) Hnd 16,6 : lalèsai ton logon (om het woord te spreken) .
(24) Hnd 16,32 : kai elalèsan autôi ton logon tou kuriou (en zij spraken het woord van de Heer) .
(25) Hnd 17,11 : edexanto ton logon (zij ontvingen het woord) .
(26) Hnd 18,11 : didaskôn ... ton logon tou theou (lerend het woord van God) .
(27) Hnd 18,14 : kata logon (tegenwoord, aanklacht) .
(28) Hnd 19,10 : akousai ton logon tou kuriou (te horen het woord van de Heer) .
(29) Hnd 19,38 : logon (een woord, zaak) .
(30) Hnd 19,40 : logon (woord, verantwoording) .
(31) Hnd 20,7 : ton logon (het woord) .
Voor logon (woord) staat het bepaald lidwoord ton wanneer de boodschap bedoeld is , in het andere geval staat er geen lidwoord : (1) Hnd 18,14 . (2) Hnd 19,38) . (3) Hnd 19,40 . Ton logon (het woord) in achtentwintig verzen . Zonder nadere bepaling (in absolute zin) : (1) Hnd 4,4 . (2) Hnd 8,4 . (3) Hnd 10,36 . (4) Hnd 10,44 . (5) Hnd 11,19 . (6) Hnd 14,25 . (7) Hnd 16,6 . (8) Hnd 17,11 . (9) Hnd 20,7 .
Met een persoonlijk voornaamwoord : (1) Hnd 2,41 . (2) Hnd 4,29 . ton logon met de nadere bepaling tou euaggeliou (van de goede boodschap) : Hnd 15,7 .
-- ton logon tou theou (het woord van God) . Verwijzing : logos (woord) , zie Mt 7,24 . In eenentwintig verzen in het N.T. . Mc (1) . Lc (3) . Hnd (9) . Brieven (4) . Opb (4) . In negen verzen in Hnd : (5) Hnd 4,31 . (6) Hnd 6,2 . (8) Hnd 8,14 . (12) Hnd 11,1 . (14) Hnd 13,5 . (15) Hnd 13,7 . (16) Hnd 13,44 . (17) Hnd 13,46 . (26) Hnd 18,11 .
-- ton logon tou kuriou (het woord van de Heer) . Verwijzing : logos (woord) , zie Mt 7,24 . In het N.T. enkel in Hnd : (1) Hnd 8,25 . (2) Hnd 13,48 . (3) Hnd 15,35 . (4) Hnd 15,36 . (5) Hnd 16,32 . (6) Hnd 19,10 .
-- Met een persoonlijk voornaamwoord : (1) Hnd 2,41 . (2) Hnd 4,29 .
-- ton logon met de nadere bepaling tou euaggeliou (van de goede boodschap) : Hnd 15,7 .
-- Een vorm van het werkwoord akouô (horen, luisteren) met het lijdend voorwerp ton logon , in Hnd :
(1) Hnd 4,4 : polloi de akousantôn ton logon (velen echter van wie het woord hoorden) .
(2) Hnd 10,44 : pantas tous akouontas ton logon (al wie hoort het woord) .
(3) Hnd 13,7 : akousai ton logon tou theou (te horen het woord van God) .
(4) Hnd 13,44 : akousai ton logon tou theou (het woord van God) .
(5) Hnd 19,10 : akousai ton logon tou kuriou (te horen het woord van de Heer) .
Een vorm van het werkwoord laleô (spreken) met het lijdend voorwerp ton logon (het woord) komt in Hnd in acht verzen voor .
Er is progressie in de werkwoorden : het woord spreken - naar het woord luisteren - het woord ontvangen .

- Lustran (Lystra) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In drie verzen in het N.T. . In deze drie verzen wordt de plaatsnaam Lystra voorafgegaan door het voorzetsel van richting eis (naar) .
(1) Hnd 14,6 : katefugon eis ... Lustran = zij vluchtten naar Lystra . Barnabas en Paulus vluchtten naar de steden van Lycaonië , o.a. de stad Lystra .
(2) Hnd 14,21 : hupestrepsan eis tèn Lustran = zij keerden naar Lystra terug . Tijdens een eerste zendingsreis keerden Paulus en Barnabas in omgekeerde volgorde vanuit Derbe naar Lystra , Ikonium en Antiochië van Pisidië terug .
(3) Hnd 16,1 : katèntèsen ... eis Lustran = hij kwam aan ... in Lystra . Paulus en Silas begonnen een twee zendingsreis . Ze kwamen vanuit het oosten en bereikten eerst Derbe en daarna Lystra .
Lystra ligt evenals Ikonium en Derbe in de landstreek Lykanonië , het gebied ten oosten van Pisidië, in de Romeinse provincie Galatië . In de omgeving van het huidige Hatunsaray . Ongeveer 35 km van Ikonium . Verwijzing : Lustra (Lystra) , zie Hnd 14,6 .
- lustrois (Lystra) . Datief mannelijk meervoud . In drie verzen in het N.T. : (1) Hnd 14,8 . Onder de inwoners van Lystra is een lamme ( Hnd 14,8-20) . Paulus genas de lamme . De inwoners van Lystra waren van mening dat de goden Zeus en Hermes hen in mensengedaante bezochten en ze wilden hen als goden eren.. (2) Hnd 16,2 . (3) 2 Tim 3,11 .
In Lystra ( Hnd 14,8-20) genas Paulus een lamme . De inwoners van Lystra waren van mening dat de goden Zeus en Hermes hen in mensengedaante bezochten en ze wilden hen als goden eren. Tijdens de eerste zendingsreis kregen Paulus en Barnabas heel wat tegenstand . Uit Antiochië van Pisidië werden ze verjaagd (Hnd 13,50) . In Ikonium werden ze met steniging bedreigd en vluchtten ze (Hnd 14,6) . In Lystra werd Paulus gestenigd , maar bracht het er nog levend vanaf (Hnd 14,19 - Hnd 14,20) . In 2 Tim 3,11 vermeldt de schrijver van de brief de vervolgingen in de drie plaatsen . Bij een tweede zendingsreis ontmoette Paulus en Silas er Timoteüs , een leerling (Hnd 16,1 - Hnd 16,2 - Hnd 16,3) .

M

- makedonia (Macedonië) .

makedonia (Macedonië) Hnd 16 Hnd 18 Hnd 19 Hnd 20 Rom 1 Cor 2 Cor Fil 1 Tes 1 Tim    
nom. + dat. enk. makedonia(i)         1 : Rom 15,26 .       3 : (1) 1 Tes 1,7 . (2) 1 Tes 1,8 . (3) 1 Tes 4,10 .    
gen. enk. makedonias 1 : Hnd 16,12 . 1 : Hnd 18,5 .   1 : Hnd 20,3 .     3 : (1) 2 Kor 1,16 . (2) 2 Kor 8,1 . (3) 2 Kor 11,9 . 1 : Fil 4,15 .      
dat. enk.                         
acc. enk. makedonian 2 : (1) Hnd 16,9 . (2) Hnd 16,10 .   2 : (1) Hnd 19,21 . (2) Hnd 19,22 . 1 : Hnd 20,1 .   1 : 1 Kor 16,5 . 3 : (1) 2 Kor 1,16 . (2) 2 Kor 2,13 . (3) 2 Kor 7,5 .     1 : 1 Tim 1,3 . 10   
  21   

- makedôn (Macedoniër) .

makedôn (Macedoniër) O.T. Hnd 16 Hnd 19 Hnd 27  2 Kor  N.T. 
nom. enk. makedôn 2 1 : Hnd 16,9 .      
gen. enk. makedonos       1 : Hnd 27,2 .  
nom. mv. makedones         1 : 2 Kor 9,4 .
dat. mv. makedosin        1 : 2 Kor 9,2 .
acc. mv.  makedonas     1 : Hnd 19,29 .    
 

- martus (getuige) . Getuigen zijn wijst op opvolging maar ook op de aard van de opvolging . Na het heengaan van Elia werd de leerling Elisa leraar . Op deze wijze gebeurt het niet met de leerlingen van Jezus . Zij blijven leerlingen . Ze zijn en blijven getuigen . In de meeste teksten van Hnd kan dat getuigenis onder verschillende aspecten bekeken worden : tijd , plaats en inhoud . Naar tijd : vanaf het doopsel van Johannes tot ... Naar plaats : te beginnen vanaf Jeruzalem ... Naar inhoud : het leven van Jezus , zijn lijden , dood , opstanding , geestesgave enz....

martus (getuige) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc   Hnd 
nom. enk. martus 39 31 8         1 4   (1) Hnd 22,15 .
gen. enk. marturos 1   1         1       (1) Hnd 22,20 .
dat. enk. marturi 2 2                    
acc. enk. martura 4 1 3         2 1     (1) Hnd 1,22 . (2) Hnd 26,16 .
nom. mv. martures 20 10 10     2   7 1   (1) Lc 11,48 . (2) Lc 24,48 . (1) Hnd 1,8 . (2) Hnd 2,32 . (3) Hnd 3,15 . (4) Hnd 5,32 . (5) Hnd 7,58 . (6) Hnd 10,39 . (7) Hnd 13,31 .
gen. mv. marturôn 16 3 13 2 1   3   5 2    
dat. mv. martusin 4 1 3         1 1   (1) Hnd 10,41 .
acc. mv. marturas 6 5 1         1       (1) Hnd 6,13 .
Totaal   92 53 39 2 1 2 3 13 12    

- Lc 24,48 : humeis martures toutôn = jullie zijn getuigen van deze 'dingen' , te beginnen in Jeruzalem .
- Hnd 1,8 : esesthe mou martures = jullie zullen mijn getuigen zijn , in Jeruzalem , in heel Judea en Samaria , en tot het uiteinde van de aarde .
- Hnd 2,32 : touton ton Ièsoun anestèsen ho theos , hou pantes hèmeis esmen martures = die Jezus heeft God doen opstaan , van wie wij allen getuigen zijn .
- Hnd 3,15 : hon ho theos ègeiren ek nekrôn , hou hèmeis martures esmen = die God heeft opgewekt uit de doden , van wie wij getuigen zijn .
- Hnd 5,32 : kai èmeis esmen martures tôn rèmatôn toutôn (en wij zijn getuigen van deze 'woorden') .
- Hnd 10,39 : kai èmeis martures pantôn ôn epoièsen (en wij zijn getuigen van alles wat Hij deed) .
- Hnd 13,31 : hoitines eisin martures autou (die getuigen van hem zijn) .
Zie ook Hnd 1,22 : "vanaf het begin , vanaf de doop van Johannes , tot de dag waarop Hij van ons is weggenomen , van hen dus moet er één samen met ons getuige worden van zijn opstanding ."

 

- meta (+ x +) tauta (letterlijk : na dat ; daarna : eerst aanwijzend voornaamwoord daar < dat en dan het 'voor'zetsel) . Verwijzing : tauta (die 'dingen') , zie Mt 1,20 . In dertig verzen in het N.T. . Mc (1) . Lc (5) . Joh (8) . Hnd (4) . ... Opb (9) . In vier verzen in Hnd : (1) Hnd 7,7 . (2) Hnd 13,20 . (3) Hnd 15,16 . (4) Hnd 18,1 .

- Milete (Grieks ????t??, Miletos of Milatos, Latijn Miletus, in de Middeleeuwen Palatia en tot voor kort Balat genoemd) was een stad aan de westkust van Klein-Azië die zou zijn gesticht door de mythologische figuur Miletus. Tot de zware aardbeving van 1955 bevond in het Miletische gebied nog een dorp genaamd Balat. Hierna werd de nederzetting naar het zuiden verplaatst en is de plaats waar het oude Milete lag onbewoond.
Milete, bij Söke, behoorde tot de Ionische Confederatie van 12 steden en ligt bij de Büyük Menderes. Dank zij haar vier havens was het een bloeiende handelsstad, die gekend was voor wollen kledij en textiel. Milete werd gesticht voor of in de 11de eeuw voor onze tijdrekening De bloeitijd viel in de 7de tot 6de eeuw. Toen was het cultureel de meest vooraanstaande stad in de gehele Griekse wereld. Hier ontstonden de Griekse filosofie en de eerste wetenschapsbeoefening (Hecataeus). De invloed en rijkdom worden weerspiegeld door een enorme kolonisatiepolitiek. Ook Naucratis in Egypte was een kolonie van Milete.
In het totaal zou Milete negentig kolonies hebben geteld.
De bevolking richtte ook noordelijke kolonies op bij de Dardanellen, de Zee van Marmara en de Zwarte Zee. De koopvaardijvloten van Milete gingen zelfs tot aan de Atlantische Oceaan.
Milete kreeg veel aanvallen te verduren van de Lydiërs, maar zij hielden onder leiding van tiran Thrasybulus stand tot in de 6de eeuw voor Christus. Toen wist Cresus deze Ioniërs eindelijk te onderwerpen. Nadat Cyrus de Grote Lydia overwon, werd Milete Perzisch.
De stad kwam echter tussen 500 en 494 met de overige Ioniërs in opstand en werd met de grond gelijk gemaakt door Darius I.
Na 479 werd de stad herbouwd. Milete was lid van de Delisch-Attische Zeebond, maar haar oude glorie heeft de stad nooit meer teruggewonnen. De nieuwe stad had een regelmatig grondplan met een functionele indeling, zoals door Hippodamos van Milete ook elders zou worden toegepast.
Tussen 300 en 600 begonnen de havens bovendien te verzanden. Milete ligt nu acht kilometer van de zee.

N

- nekros (dode) .

nekros (dode) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc   Hnd 
nom. enk. nekros 12 3 9   1 3   1   4 (1) Lc 7,15 . (2) Lc 15,24 . (3) Lc 15,32 .   (1) Hnd 20,9
gen. enk. nekrou 8 7 1             1    
dat. enk. nekrôi 7 7                    
acc. enk. nekron 19 16 3         1 2     (1) Hnd 28,6 .  
nom. mv. nekroi 25 11 14 2   2 1   7 2 (1) Lc 7,22 . (2) Lc 10,37 .    
gen. mv. nekrôn 82 8 74 7 6 7 6 13 32 3 (1) Lc 9,7 . (2) Lc 16,30 . (3) Lc 16,31 . (4) Lc 20,35 . (5) Lc 20,38 . (6) Lc 24,5 . (7) Lc 24,46.   (1) Hnd 3,15 . (2) Hnd 4,2 . (3) Hnd 4,10 . (4) Hnd 10,41 . (5) Hnd 10,42 . (6) Hnd 13,30 . (7) Hnd 13,34 . (8) Hnd 17,3 . (9) Hnd 17,31 . (10) Hnd 17,32 . (11) Hnd 23,6 . (12) Hnd 24,21 . (13) Hnd 26,23 .
dat. mv. nekrois 9 7 2           2      
acc. mv. nekrous 29 13 16 2   1 1 1 9 2 (1) Lc 9,60  (1) Hnd 26,8 .  
Totaal   191 72 119 11 7 13 8 16 52 12    

gen. mv. nekrôn in Hnd

opstanding uit doden : (2) Hnd 4,2 . (10) Hnd 17,32 . (11) Hnd 23,6 . (12) Hnd 24,21 . (13) Hnd 26,23 .
God - deed - opstaan uit doden : (4) Hnd 10,41 . (7) Hnd 13,34 . (8) Hnd 17,3 . (9) Hnd 17,31 .
God wekte 'Jezus' op uit doden :(1) Hnd 3,15 . (3) Hnd 4,10 . (6) Hnd 13,30 .

O

- oikos (huis)
- Hnd 10,2 : sun panti tôi oikôi autou = (Cornelius) vroom en godvrezend met heel zijn huis .
- Hnd 11,14 : Petrus vertelde aan de gemeente van Jeruzalem wat hem in Joppe en Cesarea is overkomen ; en hois sôthèsèi su kai pas ho oikos sou = waardoor jij en heel je huis zal gered worden .
- Paulus in Filippi waar Lydia en haar huisgenoten worden gedoopt ; Hnd 16,15 : hôs de ebaptisthè kai ho oikos autès = toen echter zij en haar huis werd gedoopt .
- In Filippi kwamen Paulus en Silas in de gevangenis terecht . 's Nachts werden ze eruit bevrijd dank zij een aardbeving . De gevangenisbewaker wilde zelfmoord plegen , maar Paulus zei hoe hij kon worden gered . Hnd 16,31 : kai sôthèsèi su kai ho oikos sou = en jij en heel je huis zal gered worden . Hnd 16,33 : kai ebaptisthè autos kai hoi autou pantes = en hij zelf en al de zijnen werd (en) gedoopt .
- Na Filippi, Tessalonica , Berea en Athene is Paulus in Korinte . Hnd 18,8 : Krispos de ho archisunagôgos episteusen tôi kuriôi sun holôi tôi oikôi autou = Krispus echter de overste van de synagoge geloofde in de Heer met heel zijn huis .

- onomati (met naam) . Verwijzing : onoma (naam) , zie Lc 23,50 . Datief onzijdig enkelvoud van het zelfstandig naamwoord onoma (naam) . In 260 verzen in de bijbel . In 168 verzen in het O.T. . In tweeënnegentig verzen in het N.T. . In zestien verzen in Lc . In vijfendertig verzen in Hnd : (1) Hnd 2,38 . (2) Hnd 3,6 . (3) Hnd 4,7 . (4) Hnd 4,10 . (5) Hnd 4,17 . (6) Hnd 4,18 . (7) Hnd 5,1 . (8) Hnd 5,28 . (9) Hnd 5,34 . (10) Hnd 5,40 . (11) Hnd 8,9 . (12) Hnd 9,10 . (13) Hnd 9,11 . (14) Hnd 9,12 . (15) Hnd 9,27 . (16) Hnd 9,28 . (17) Hnd 9,33 . (18) Hnd 9,36 . (19) Hnd 10,1 . (20) Hnd 10,48 . (21) Hnd 11,28 . (22) Hnd 12,13 . (23) Hnd 15,14 . (24) Hnd 16,1 . (25) Hnd 16,14 . (26) Hnd 16,18 . (27) Hnd 17,34 . (28) Hnd 18,2 . (29) Hnd 18,7 . (30) Hnd 18,24 . (31) Hnd 19,24 . (32) Hnd 20,9 . (33) Hnd 21,10 . (34) Hnd 27,1 . (35) Hnd 28,7 .
-- en tôi onomati (in de naam) . In zesentwintig verzen in het N.T. . Mt (1) . Mc (2) . Lc (1) . Joh (12) . In zes verzen in Hnd : (1) (2) Hnd 3,6 . (2) (4) Hnd 4,10 . (3) (15) Hnd 9,27 . (4) (16) Hnd 9,28 . (5) (20) Hnd 10,48 . (6) (26) Hnd 16,18 . Andere boeken (4) .
--- en tôi onomati Ièsou Christou (in de naam van Jezus Christus) . In drie verzen in het N.T. : (1) Hnd 3,6 . (2) Hnd 4,10 . (3) Hnd 16,18 .
--- en tôi onomati Ièsou Christou tou Nazôraiou (in de naam van Jezus Christus de Nazarener) . In twee verzen in het N.T. : (1) Hnd 3,6 . (2) Hnd 4,10 .
--- en tôi onomati tou Ièsou (in de naam van Jezus) . Slechts in Hnd 9,27 in de bijbel .
--- en tôi onomati tou kuriou (in de naam van de Heer) . In vijf verzen in de bijbel : (1) Hnd 9,28 . (2) Hnd 10,48 . (3) 1 Kor 5,4 . (4) 1 Kor 6,11 . (5) Jak 5,14 .
-- epi tôi onomati (bij de naam van) . In zestien verzen in het N.T. . Mt (2) . Mc (3) . Lc (5) . In zes verzen in Hnd : (1) (1) Hnd 2,38 . (2) (5) Hnd 4,17 . (3) (6) Hnd 4,18 . (4) (8) Hnd 5,28 . (5) (10) Hnd 5,40 . (6) (23) Hnd 15,14 .
--- epi tôi onomati (bij de naam van) Ièsou Christou (Jezus Christus) . Slechts in Hnd 2,38 in het N.T. .
--- epi tôi onomati tou Ièsou (bij de naam van Jezus) . In twee verzen in het N.T. : (1) Hnd 4,18 . (2) Hnd 5,40 .
--- epi tôi onomati toutôi (bij deze naam) . In twee verzen in het N.T. :
(1) Hnd 4,17 : mèketi lalein epi tôi onomati toutôi = niet meer te praten bij deze naam .
(2) Hnd 5,28 : mè didaskein epi tôi onomati toutôi = niet te leraren bij deze naam .

Hnd 4,17     mèketi lalein (niet meer te praten) epi tôi onomati toutôi (bij deze naam)
Hnd 4,18 kai kalesantes autous paraggeilan to katholou mè ftheggesthai mède didaskein epi tôi onomati tou Ièsou
Hnd 5,28   paraggeliai parèggeilamen humin mè didaskein epi tôi onomati toutôi (bij deze naam)
Hnd 5,40 kai proskalesamenoi tous apostolous deirantes paraggeilan mè lalein epi tôi onomati tou Ièsou

- horizô (begrenzen, bepalen, vaststellen) , zie horizon .
- hôrismenè(i) . Passief participium aorist datief vrouwelijk enkelvoud . Slechts in één vers in de bijbel : Hnd 2,23 .

P

- Pafou (van Pafos) . Genitief vrouwelijk enkelvoud . In twee verzen in Hnd : (1) Hnd 13,6 . (2) Hnd 13,13 . In deze beide verzen gaat een participiumzin vooraf aan het hoofdwerkwoord en omsluiten het verblijf in Pafos : Hnd 13,6-13 . :
- Hnd 13,6 : dielthontes de holèn tèn nèson achri Pafou = doorgetrokken echter het hele eiland tot Pafos .
- Hnd 13,13 : anachthentes de apo tès Pafou = opgevaren echter van Pafos .
Tijdens de eerste zendingsreis trokken Barnabas en Paulus en Johannes Marcus van de stad Salamis in het zuidoosten van het eiland Cyprus naar het zuidwestelijk Pafos .In ¨Pafos resideerde de proconsul Sergius Paulus . Daar werd de magiër Elymas met blindheid geslagen . Pafos (Pafos) . Verwijzing : Pafos (Pafos) , zie Hnd 13,13 .
Bij de zinsconstructie van Hnd 13,13a : anachthentes de apo tès Pafou = opgevaren echter van Pafos , sluit aan :
- Hnd 16,11 = anachthentes de apo Trôadas : opgevaren echter van Troas . Evenals in Hnd 13,6-13 , omsluiten Hnd 16,8 - Hnd 16,11 elkaar . Hnd 16,8 : parelthontes de tèn Musian katebèsan eis Trôada = nadat zij echter Mysië waren langsgegaan , daalden zij af naar Troas .
- Aansluitend bij Hnd 13,6a : dielthontes de holèn tèn nèson achri Pafou = doorgetrokken echter het hele eiland tot Pafos , is Hnd 17,1 : diodeuxantes de tèn Amfipolin kai tèn Apollônian = nadat zij door Pamfipolis en Apollonia waren getrokken ; bij Hnd 16,8 : katebèsan eis Trôada , is : èlthon eis Thessalonikèn = gingen zij naar Thessalonika .
- Hnd 18,21b - Hnd 18,22 : anèchthè apo tès Efesou kai katelthôn eis Kaisareien ... katebè eis Antiocheian = hij vaarde op van Efese en neergegaan naar Caesarea daalde hij af naar Antiochië .

- David wordt paidos (genitief van pais : kind , dienaar) genoemd zoals in Lc 1,69 .

- Pamfulian (Pamfilië) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In vier verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In drie verzen in Hnd : (1) Hnd 2,10 . (2) Hnd 14,14 (kai dielthontes tèn Pisidian èlthon eis tèn Pamfulian = en nadat zij Pisidië hadden doortrokken, kwamen zij in Pamfylië) . (3) Hnd 27,5 . Pamfulias : genitief vrouwelijk enkelvoud . In twee verzen in Hnd : (1) Hnd 13,13 : èlthon eis Pergèn tès Pämfulias = zij kwamen aan in Pamfylië . (2) Hnd 15,38 . Pamfulia (Pamfylië) . Verwijzing : Pamfulia (Pamfylië) , zie Hnd 2,10 . Op hun eerste zendingsreis trokken Paulus en Barnabas na Cyprus naar Pamfylië , naar de stad Perge . Tot nu toe had Johannes Marcus hen vergezeld (Hnd 13,5) . Maar in Perge hield hij het voor bekeken en ging naar Jeruzalem terug (Hnd 13,13) . Bij de start van een tweede zendingsreis wou Barnabas Johannes Marcus meenemen . Daar ging Paulus niet mee akkoord . Het kwam tot een hoogoplopende ruzie waardoor Paulus en Barnabas uit elkaar gingen (Hnd 15,37 - Hnd 15,38 - Hnd 15,39) . Pamfylië is een landstreek aan de zuidkust van Klein-Azië tussen Lydië en Cilicië . In dit gebied ligt de stad Perge .
Pamphylië was in klassieke oudheid een gebied in zuidelijk Klein-Azië tussen Lycië and Cilicië, zich uitstrekkend tussen de Middellandse Zee en het Taurusgebergte. Aan de noordzijde grensde het aan Pisidië en het was derhalve niet erg groot (ca. 110 bij 45 km). Onder Romeins bestuur werd de naam Pamphylië gebruikt voor het gebied dat naast Pisidië ook een heel gebied tot aan de grenzen van Phrygië en Lycaonië omvatte, en in deze bredere betekenis wordt de streek aangeduid door Ptolemeus. Website : http://nl.wikipedia.org/wiki/Pamphyli%C3%AB . Perge, 24 km ten oosten van Antalya . Perge, one of the chief cities of Pamphylia, was situated between the Rivers Catarrhactes (Duden sou) and Cestrus (Ak sou), 60 stadia from the mouth of the latter; now the village of Murtana on the Suridjik sou, a tributary of the Cestrus, in the vilayet of Koniah.

- pantes (allen) . Verwijzing : pas (ieder, elk) , zie Mc 2,13 . Nominatief mannelijk en vrouwelijk meervoud . In 724 verzen in de bijbel . In 166 verzen in het N.T. In drieëndertig verzen in Hnd , zie Hnd 1,14 : (1) Hnd 1,14 . (2) Hnd 2,1 . (3) Hnd 2,4 . (4) Hnd 2,12 . (5) Hnd 2,14 . (6) Hnd 2,32 . (7) Hnd 2,44 . (8) Hnd 3,24 . (9) Hnd 4,21 . (10) Hnd 5,17 . (11) Hnd 5,36 . (12) Hnd 5,37 . (13) Hnd 6,15 . (14) Hnd 8,1 . (15) Hnd 8,10 . (16) Hnd 9,21 . (17) Hnd 9,26 . (18) Hnd 9,35 . (19) Hnd 10,33 . (20) Hnd 10,43 . (21) Hnd 16,33 . (22) Hnd 17,7 . (23) Hnd 17,21 . (24) Hnd 18,17 . (25) Hnd 19,7 . (26) Hnd 20,25 . (27) Hnd 21,18 . (28) Hnd 21,20 . (29) Hnd 21,24 . (30) Hnd 22,3 . (31) Hnd 25,24 . (32) Hnd 26,4 . (33) Hnd 27,36 .
-- houtoi pantes : letterlijk : deze allen ; al dezen . In vier verzen in het N.T. : (1) Hnd 1,14 . (2) Hnd 17,7 . (3) Heb 11,13 . (4) Heb 11,39 .
-- pantes hoi akouantes (al wie hoort) . In twee verzen in het N.T. : (1) Lc 2,47 . (2) Hnd 9,21 .
- pantôn (van allen of van alles) . Verwijzing : pas (ieder, elk) , zie Mc 2,13 . Genitief meervoud . In 443 verzen in de bijbel . In 126 verzen in het N.T. . In zeventien verzen in Lc . In tweeëntwintig verzen in Hnd .
-- peri pantôn (over alles) . Verwijzing : peri (over) in Hnd , zie Hnd 1,1 . Verwijzing : pas (ieder, elk) , zie Mc 2,13 . In vijftien verzen in het N.T. . In vier verzen in Hnd : (1) Hnd 1,1 : over alles wat Jezus begon te doen ... . (2) Hnd 22,10 : en daar zal je gezegd worden over alles wat ... . (3) Hnd 24,8 : over alles waarvan wij hem beschuldigen . (4) Hnd 26,2 : Over alles waarvan ik word aangeklaagd ... . In deze vier verzen is pantôn zelfstandig gebruikt . De bepaling peri pantôn (over alles) wordt gevolgd door een betrekkelijke zin , die ingeleid wordt door het betrekkelijk voornaamwoord genitief onzijdig meervoud hôn .
-- pantas tous akouontas (al wie hoort) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . In vier verzen in het N.T. : (1) Hnd 5,5 . (2) Hnd 5,11 . (3) Hnd 10,44 . (4) Hnd 26,29 .
-- pantas tous akouontas tauta (al wie dat hoort) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . In drie verzen in het N.T. : (1) Hnd 5,5 . (2) Hnd 5,11 . (3) Hnd 17,8 .

- parabiazomai (dwingen, dringen) , zie Hnd 16,15 .
- parebiasanto .Aorist derde persoon meervoud . In één vers in het O.T. . In één vers in het N.T. nl. Lc 24,29 .
- parebiasato .Aorist derde persoon enkelvoud . In één vers in het O.T. . In één vers in het N.T. nl. Hnd 16,15 .
Er zijn enkele overeenkomsten tussen het Emmaüsverhaal en het verhaal over Lydia :
- Lc 24,29 : kai parebiasanto auton legontes meinon meth èmôn ... kai eisèlthen tou meinai sun autois = en zij drongen bij hem aan zeggende : blijf bij ons ... en hij ging binnen om met hen te blijven .
- Hnd 16,15 : eiselthontes eis ton oikon mou menete: kai parebiasato èmas = binnengegaan in het huis blijf bij mij en zij drong bij ons aan .
De zin beantwoordt aan een aanbeveling van Jezus tijdens de zendingsrede . Lc 9,4 : kai eis hèn an oikian eiselthète , ekei menete = en in het huis waarin je binnengaat , blijf daar .

- paraggellô (afkondigen, bevelen) . Verwijzing : paraggellô (afkondigen, bevelen) , zie Hnd 5,28 .
- parèggeilamen (wij bevolen) . Aorist eerste persoon meervoud . In twee verzen in de bijbel : (1) Hnd 5,28 . (2) 1 Tes 4,11. Dit verwijst naar het parèggeilan (zij bevolen) van Hnd 4,18 .
- parèggeilen (hij beval) . Actief aorist derde persoon enkelvoud . In eenentwintig verzen in de bijbel . In veertien verzen in het O.T. . In zeven verzen in het N.T. : (6) Hnd 1,4 . (7) Hnd 10,42 .

- paragenomenoi (aangekomen) . Aorist participium nominatief mannelijk meervoud . In tien verzen in de bijbel . In vier verzen in het O.T. . In zes verzen in het N.T. : (1) (3) Hnd 5,22 . (4) Hnd 14,27 . (5) Hnd 15,4 . (6) Hnd 17,10 .
- paragenomenos (aangekomen) . Aorist participium nominatief mannelijk enkelvoud . In eenentwintig verzen in de bijbel . In tien verzen in het O.T. . In elf verzen in het N.T. : (1) (2) Hnd 5,21 . (3) Hnd 5,25 . (4) Hnd 9,26 . (5) Hnd 10,33 . (6) Hnd 11,23 . (7) Hnd 18,27 . (8) Hnd 23,16 . (9) Hnd 24,24 . (10) Hnd 28,21 . (11) Heb 9,11 .
- paregenonto (zij kwamen aan) . Aorist derde persoon meervoud . In zesendertig verzen in de bijbel . In tweeëndertig verzen in het O.T. . In vier verzen in het N.T. : (1) (2) Hnd 13,14 . (3) Hnd 20,18 . (4) Hnd 21,18 .

- parekalei (hij riep naast zich, hij drong aan) . Actief imperfectum derde persoon enkelvoud . Verwijzing : parakalôn (te hulp roepend) , zie Mc 1,40 . In acht verzen in het N.T. : (1) Mt 18,29 . (2) Mc 5,10 . (3) Mc 5,18 . (4) Lc 8,41 . (5) Lc 15,28 . (6) Hnd 2,40 . (7) Hnd 11,23 . (8) Hnd 27,33 . Vertalingen : Latijn : (ex)hortare ; Nederlands : aansporen , oproepen .
- parakalountes . Verwijzing : parakalôn (te hulp roepend) , zie Mt 5,4 . Actief participium praesens nominatief mannelijk meervoud van het werkwoord parakaleô - ad-vocare (bij-roepen, ter hulp roepen, troosten, bijstaan, aanbevelen) . In zes verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. . In vier verzen in het N.T. : (1) Hnd 9,38 . (2) Hnd 14,22 . (3) 1 Th 2,12 . (4) Heb 10,25 .
Vaak wordt parakaleô gebruikt in het kader van een oproep om standvastig en trouw te blijven :
- Hnd 11,23 : parekalei pantas ... prosmenein tôi kuriôi = hij riep allen op om bij de Heer te blijven (trouw te blijven aan de Heer) . Barnabas werd vanuit Jeruzalem naar Antiochië gezonden om te kijken wat er aan de hand was .
- Hnd 13,42 : epeithon autous prosmenein tèi chariti tou theou = en zij overtuigden hen te blijven bij de genade van God . Paulus en Barnabas werden uitgenodigd om de volgende sabbat nog eens te spreken .
- Hnd 14,22 : parakalountes emmenein tôi pistei = oproepend te blijven in de trouw . Bij hun terugkeer uit Lystra , Ikonium en Antiochïe deden Paulus en Barnabas deze oproep .

- parrèsias . Genitief vrouwelijk enkelvoud . In acht verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. : (1) Hnd 2,29 (meta parrèsias = met vrijmoedigheid) . (2) Hnd 4,29 (meta parrèsias pasès = met alle / totale vrijmoedigheid) . (3) Hnd 4,31 (meta parrèsias = met vrijmoedigheid) . (4) Hnd 28,31 (meta pasès parrèsias = met alle vrijmoedigheid) .
- parrèsia (vrijmoedigheid) . Verwijzing : parrèsia (vrijmoedigheid) , zie Hnd 28,31 . par - rèsia : rè - ma : woord ; rè-sis : rede , gesprek ; rè-tôr : redenaar , spreker . Kan rè-sia : bespraaktheid , spreekvaardigheid betekenen ?
Nominatief enkelvoud , parrèsiai : datief enkelvoud . In zeventien verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In zestien verzen in het N.T. . Niet bij Lc en in Hnd .
- parrèsiazomai (vrijmoedig handelen of spreken) . parrèsiazesthai . Infinitief praesens . Hapax : Hnd 18,26 .
- meta parrèsias . Verwijzing : parrèsia (vrijmoedigheid) , zie Hnd 28,31 . para - rèsia : (1) voorzetsel para : langs , ernaast , ter zijde , bij . (2) rè - ma : woord ; rè-sis : rede , gesprek ; rè-tôr : redenaar , spreker . Kan rè-sia : bespraaktheid , spreekvaardigheid betekenen ? Duidt het voorzetsel para dan aan wat bij die spreekvaardigheid hoort : vrijheid van spreken , overtuigingskracht , vrijmoedigheid , zonder terughoudendheid .
- meta parrèsias komt in Hnd viermaal voor . Het geeft aan waarop gesproken of geleerd wordt .
(1) Hnd 2,29 (meta parrèsias = met vrijmoedigheid) .
(2) Hnd 4,29 (meta parrèsias pasès = met alle / totale vrijmoedigheid) .
(3) Hnd 4,31 (meta parrèsias = met vrijmoedigheid) .
(4) Hnd 28,31 (meta pasès parrèsias = met alle vrijmoedigheid) .
In Hnd 2,29 staat meta parrèsias bij de infintief aorist eipein van het werkwoord legô (zeggen) . Wil. vertaalt met 'ronduit' , Naard. geeft 'vrijelijk' .
In zijn eerste toespraak (tot het volk) maakte Petrus duidelijk dat wat met Jezus is gebeurd , reeds door David was voorzegd . meta parrèsias wordt hier in een contekst gebruikt waarbij iedereen het eens zal zijn met wat Petrus zei nl. dat David gestorven en begraven is en dat zijn graf zich nog altijd in hun midden bevindt .

- . parethento (zij bevolen aan) . Aorist derde persoon meervoud . paratithèmi (neerzetten voor , bij) ; bij iemand neerleggen , toevertrouwen , aanbevelen . Verwijzing : paratithèmi (neerzetten voor , bij) , zie Ps 31,6 . Het grootste toevertrouwen van Jezus vinden we in zijn woorden op het kruis : Vader , in uw handen vertrouw ik mijn geest toe (Lc 23,46) .
- paratithemai (ik beveel aan) . In vier verzen in de bijbel : (1) Tob 10,13 . (2) Lc 23,46 . (3) Hnd 20,32 . (4) 1 Tim 1,18 .
Er is nogal wat overeenkomst tussen Hnd 14,23 en Hnd 20,32 : Het zijn twee afscheidsteksten .
- Hnd 14,23 : parethento autôis tôi kuriôi (zij bevolen hen aan aan de Heer) .
- Hnd 20,32 : paratithemai humas tôi theôi ... (ik beveel jullie aan aan God) .
Eenzelfde gedachte vinden we in Hnd 15,40 waar de gemeente van Antiochië Paulus en Silas aan God toevertrouwen bij hun vertrek op een tweede zendingsreis (paradotheis tèi chariti tou kuriou = overgeleverd (toevertrouwd) aan de genade van de Heer) . Bij het vertrek van Barnabas en Paulus op een eerste zendingsreis werden zij eveneens door de gemeente van Antiochië aan God toevertrouwd , maar dat wordt slechts in Hnd 14,26 verwoord : paradedomenoi tèi chariti tou theou = overgeleverd (toevertrouwd) aan de genade van God .

- pathein (lijden) . Verwijzing : paschô (lijden) , zie Mt 16,21 . Actief infinitief aorist van het werkwoord paschô (lijden) . In negen verzen bij Lucas en in Hnd : (4) Lc 9,22 ( // Mc 8,31 // Mt 16,21) (eerste lijdensvoorspelling) . (5) Lc 17,25 . (6) Lc 22,15 (het laatste avondmaal) . (7) Lc 24,26 (verschijning van Jezus aan de Emmaüsgangers) . (8) Lc 24,46 (verschijning van Jezus aan de elf en hun metgezellen) . In vier verzen in Hnd : (9) Hnd 1,3 (inleiding van Hnd) . (10) Hnd 3,18 (toespraak van Petrus) . (11) Hnd 9,16 (Saulus in Damascus) . (12) Hnd 17,3 (Paulus in Tessalonica) .
De teksten van Lc 22,15 (het laatste avondmaal) : pro tou me pathein (voor mijn lijden) en van Hnd 1,3 (inleiding van Hnd) : meta to pathein auton (na zijn lijden) omsluiten het lijden . Het lijden omvat de doorgang door de dood ; het is de overgang : leven - dood - leven . In Lc 22,15 wordt de relatie gelegd tussen paschô (pasen) en pathein (lijden) . Pasen of Pesach is de viering van de uittocht uit Egypte , de doortocht door de Rietzee en het komen in de woestijn . De overgang heeft drie elementen die over drie dagen worden gespreid .
-- pathein ton Christon (dat Christus - moest - lijden) . Verwijzing : deô (moeten) , zie Mt 16,21 . In vier verzen in het N.T. : (1) Lc 24,26 : edei pathein ton Christon = dat Christus moest lijden . {(2) Lc 24,46 : ' edei ' pathein ton Christon = dat Christus moest lijden.} (3) Hnd 3,18 : pathein ton Christon = dat Christus (moest) lijden .(4) Hnd 17,3 (hoti ton Christon. edei pathein = dat Christus moest lijden) .

- paulos (Paulus) .

  N.T. Hnd 13 Hnd 14 Hnd 15 Hnd 16 Hnd 17 Hnd 18 Hnd 19 Hnd 20 Hnd 21 Hnd 22 Hnd 23 Hnd 24 Hnd 25 Hnd 26 Hnd 27  Hnd 28 Hnd
nom.paulos 79  55 
voc. paule 2                           1 1   2
gen. paulou 30      24 
dat paulô(i) 17              17 
acc paulon 30      30 
totaal  158  11  10  11  15  10  128 

paulos  Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud   
nom. enk. paulos   24  1 1                
gen. enk. paulou                                       
totaal  30                 

- en Pergèi (in Perge) . Datief vrouwelijk enkelvoud . In één vers in de bijbel , nl . in Hnd 14,25 . Pergè (Perge) . Verwijzing : Pergè (Perge) , zie Hnd 14,25 . Perge ligt in Pamfylië . Het is een handelsstad ongeveer 10 km van de kust bij de rivier de Cestrus . Dicht bij het huidige Aksu en Antalaya .
- Pergèn (Perge) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In Hnd 13,13 : èlthon eis Pergèn tès Pämfulias = zij kwamen aan in Pamfylië .
- Pergès (Perge) . Genitief vrouwelijk enkelvoud . Hnd 13,14 : autoi de dielthontes apo tès Pergès = nadat zijzelf echter vanuit Perge (Pamfylië) waren doorgetrokken .

- peri (over) in Hnd , zie Hnd 1,1 . In drieënzestig verzen in Hnd . Twaalf verzen met ta peri (dat over) , zie Hnd 28,31 . In drie verzen in Hnd 1 : (1) Hnd 1,1 . (2) Hnd 1,3 : ta peri (over wat) . (3) Hnd 1,16 .
- ta peri (dat over) . In eenentwintig verzen in het N.T. : (1) Lc 24,19 : ta peri Ièsou tou Nazaraiou = dat over Jezus de Nazarener (Emmaüsverhaal) . (2) Lc 24,27 . (3) Hnd 1,3 . (4) Hnd 8,12 . (5) Hnd 13,29 . (6) Hnd 18,25 . (7) Hnd 19,8 . (8) Hnd 23,11 . (9) Hnd 23,15 . (10) Hnd 24,10 . (11) 24,22 . (12) Hnd 28,15 . (13) Hnd 28,23 . (14) Hnd 28,31 : didaskôn ta peri tou kuriou Ièsou Christou = onderrichtend dat over de Heer Jezus Christus .
- ta peri tès basileias tou theou (dat over het koninkrijk van God) . In drie verzen in het N.T. : (3) Hnd 1,3 . (4) Hnd 8,12 . (7) Hnd 19,8 .
Uit de formuleringen van Lc 4,43 , Lc 24,19 , Hnd 1,3 en Hnd 28,31 blijkt dat het eerste optreden van Jezus in Nazaret en Kafarnaüm (Lc 4,14-44) , het einde van het Lucasevangelie , het begin en het einde van de Hnd met elkaar te maken hebben .

- perièstrapsen . Verwijzing : astraptô (bliksemen, stralen) , zie Lc 24,4 . Indicatief aorist derde persoon onzijdig enkelvoud .
- astraptousa . Participium praesens nominatief vrouwelijk enkelvoud . Slechts in Lc 17,24 . In dit vers vergelijkt Lucas de komst van de mensenzoon met een bliksem die flitst en de hemel van de ene naar de andere kant verlicht . In Hnd 9,3 wordt gezegd dat een licht uit de hemel hem omstraalde . Hier wordt het werkwoord peri-astraptô (rondom - stralen / bliksemen . Paulus wordt 'neer'gebliksemd .

- Petros (Petrus) . Verwijzing : Petros (Petrus) , zie Hnd 1,13 .

Nominatief mannelijk enkelvoud . In zevenendertig verzen in Hnd : (1) Hnd 1,13 . (2) Hnd 1,15 . (3) Hnd 2,14 . (4) Hnd 2,38 . (5) Hnd 3,1 . (6) Hnd 3,4 . (7) Hnd 3,6 . (8) Hnd 3,12 . (9) Hnd 4,8 . (10) Hnd 4,19 . (11) Hnd 5,3 . (12) Hnd 5,8 . (13) Hnd 5,9 . (14) Hnd 5,29 . (15) Hnd 8,20 . (16) Hnd 9,34 . (17) Hnd 9,38 . (18) Hnd 9,39 . (19) Hnd 9,40 . (20) Hnd 10,5 . (21) Hnd 10,9 . (22) Hnd 10,14 . (23) Hnd 10,17 . (24) Hnd 10,18 . (25) Hnd 10,21 . (26) Hnd 10,26 . (27) Hnd 10,32 . (28) Hnd 10,34 . (29) Hnd 10,46 . (30) Hnd 11,2 . (31) Hnd 11,4 . (32) Hnd 12,5 . (33) Hnd 12,6 . (34) Hnd 12,11 . (35) Hnd 12,16 . (36) Hnd 12,18 . (37) Hnd 15,7 .
- Genitief mannelijk enkelvoud Petrou (van Petrus) . In zes verzen in Hnd : (1) Hnd 4,13 . (2) Hnd 5,15 . (3) Hnd 10,19 . (4) Hnd 10,44 . (5) Hnd 12,7 . (6) Hnd 12,14 .
- Datief mannelijk enkelvoud Petrôi (aan Petrus) . In één vers in Hnd : Hnd 10,45 .
- Accusatief mannelijk enkelvoud Petron . In tien verzen in Hnd : (1) Hnd 2,37 . (2) Hnd 3,3 . (3) Hnd 3,11 . (4) Hnd 8,14 . (5) Hnd 9,32 . (6) Hnd 9,40 . (7) Hnd 10,25 . (8) Hnd 11,13 . (9) Hnd 12,3 . (10) Hnd 12,14 .

- eplèsthèsan (zij werden vervuld) . Verwijzing : pimplèmi (vervullen, vol maken) , zie Lc 4,1 . Passief aorist derde persoon meervoud . In twaalf verzen in het N.T. : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 2,21 . (4) Lc 2,22 . (5) Lc 4,28 . (6) Lc 5,26 . (7) Lc 6,11 . (8) Hnd 2,4 (eplèsthèsan pantes pneumatos hagiou = allen werden vervuld van heilige geest) . (9) Hnd 3,10 . (10) Hnd 4,31 (eplèsthèsan hapantes tou hagiou pneumatos = allen werden vervuld van de heilige geest) . (11) Hnd 5,17 . (12) Hnd 13,45 .
-- kai (hote) eplèsthèsan = en (toen) zij vervuld werden . In zeven verzen in het N.T. .
- In twee verzen : kai hote eplèsthèsan = en toen zij vervuld werden ; in (1) Lc 2,21 . (2) Lc 2,22 .
- In vijf verzen : kai eplèsthèsan = en zij werden vervuld . In : (1) Lc 4,28 . (2) Lc 5,26 . (3) Hnd 2,4 . (4) Hnd 3,10 . (5) Hnd 4,31 .
- Er resten nog vijf verzen in het N.T. : (1) Lc 1,23 : kai egeneto hôs eplèsthèsan hai hèmerai = en het gebeurde zodra de dagen vol waren . (2) Lc 2,6 : egeneto de ... eplèsthèsan hai hèmerai = het gebeurde echter ... de dagen waren vol . (3) Lc 6,11 : autoi de eplèsthèsan = zijzelf echter werden vervuld . (4) Hnd 5,17 . (5) Hnd 13,45 : eplèsthèsan = zij werden vervuld , wordt voorafgegaan door een participiumzin .
-- kai eplèsthèsan (zij werden vervuld) pantes (allen) / hapantes (allen) . In drie verzen in het N.T. :
- (1) Lc 4,28 : kai eplèsthèsan pantes = en allen werden vervuld
- (1) Hnd 2,4 : kai eplèsthèsan pantes pneumatos hagiou = en allen werden vervuld van heilige geest .
- (2) Hnd 4,31 : kai eplèsthèsan hapantes tou hagiou pneumatos = en allen werden vervuld van de heilige geest .
- plèstheis (vervuld) . Verwijzing : pimplèmi (vervullen, vol maken) , zie Lc 4,1 . Passief participium aorist . In twee verzen in Hnd : (1) Hnd 4,8 (Petrus - plèstheis pneumatos hagiou = vervuld van heilige geest) . (2) Hnd 13,9 (Paulus - plèstheis pneumatos hagiou = vervuld van heilige geest) .
- plèthos (menigte, veelheid) , zie Hnd 2,6 . Op Pinksterdag stroomt de menigte samen ; ieder hoort hen spreken in zijn eigen taal (Hnd 2,6) . Volgens Hnd 4,32 is de menigte gelovigen één van hart en één van geest . De invloed van de apostelen en van Petrus wordt in Jeruzalem zo groot dat een menigte uit de omliggende steden hun zieken en gekwelden door onreine geesten naar hen brengen opdat zij zouden genezen worden (Hnd 5,16) . De groep leerlingen wordt door de apostelen bijeengeroepen (Hnd 6,2) om zeven medewerkers te kiezen . De groep stemt in met het voorstel van de apostelen (Hnd 6,5) . Bij de eerste missiereis van Paulus en Barnabas gelooft een grote menigte in Iconium na hen te horen (Hnd 14,1) . Bij het eerste concilie te Jeruzalem luistert de hele menigte naar Paulus en Barnabas over hun werk bij de heidenen (Hnd 15,12) . Na het afscheid van Jeruzalem en de aankomst in Antiochië riepen Paulus en Barnabas de menigte (gemeente) samen (Hnd 15,30) . In Tessalonica sluit een grote groep en een niet gering aantal aanzienlijke vrouwen zich bij Paulus en Silas aan (Hnd 17,4) .

plèthos (menigte) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. Apk     
nom. + acc. enk. plèthos 172 147 25   2 8 1 12 2 (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,13 . (3) Lc 5,6 . (4) Lc 6,17 . (5) Lc 8,37 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 23,1 . (8) Lc 23,27   (1) Hnd 2,6 . (2) Hnd 5,16 . (3) Hnd 6,2 . (4) Hnd 14,1 . (5) Hnd 14,4 . (6) Hnd 15,12 . (7) Hnd 15,30 . (8) Hnd 17,4 . (9) Hnd 21,36 . (10) Hnd 23,7 . (11) Hnd 25,24 . (12) Hnd 28,3
gen. enk. plèthous 44  40              (1) Hnd 4,32 . (2) Hnd 6,5 . (3) Hnd 19,9 .  
dat. enk. plèthô(i) 45  44            1        
Totaal   261  231  30    15  1        

- plèthunô (vol maken, vermeerderen, in getal toenemen, gedijen) .

plèthunô (vermeerderen) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  Lc Hnd  
ind. pr. 3de p. enk. plèthunei 14 13           1      
ind. pr. 3de p. mv. plèthunousin 1 1                    
part. pr. nom. m. enk. plèthunôn 7 6 1           1      
part. pr. gen. mv. plèthunontôn 1   1         1       (1) Hnd 6,1 .
pas. ind imp . 3de p. enk. eplèthuneto 4 1 3         3       (1) Hnd 6,7 . (2) Hnd 9,31 . (3) Hnd 12,24
pas. inf. aor. plèthunthènai.                
pas. conj. aor. 3de p. enk. plèthuntheiè                  
inf. pas. aor. plèthunthènai 2 1 1 1                

-- eplèthuneto (en nam toe) . In vier verzen in de bijbel . O.T. (1) . N.T. (3) : (1) Hnd 6,7 . (2) Hnd 9,31 . (3) Hnd 12,24 .
-- plèthunontôn (terwijl zij in aantal toenamen) . Verwijzing : pimplèmi (vervullen, vol maken) , zie Lc 4,1 . Actief participium praesens genitief meervoud . Slechts in één vers in de bijbel : Hnd 6,1 . Inclusio met Hnd 6,7 : kai eplèthuneto o arithmos tôn mathètôn en ierousalèm (en het aantal leerlingen in Jeruzalem nam toe) .

- pesôn (gevallen) . Verwijzing : piptô (vallen) , zie Mc 1,40 . Participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud van het werkwoord piptô = vallen . In tweeëntwintig verzen in de bijbel . In negen verzen in het O.T. . In dertien verzen in het N.T. . Mt (4) . Mc (1) . Lc (3) . Joh (1) . Hnd (3) : (1) Hnd 5,5 . (2) Hnd 9,4 . (3) Hnd 10,25 . 1 Kor (1) .
-- pesôn (gevallen) epi tèn gèn (op de grond) .

- pisidian (Pisidië) is een ongewoon bijvoeglijk naamwoord . Hiermee wil Lucas dit Antiochië onderscheiden van dat aan de Orontes . Pisidië is een streek ten noorden van Pamfylië . Het is nog steeds een ruig en onherbergzaam gebied . Pisidië behoorde tot de Romeinse provincie Galatië . In twee verzen in Hnd : (1) Hnd 13,14 . (2) Hnd 14,24 . Pisidia (Pisidië) . Verwijzing : Pisidia (Pisidië) , Hnd 13,14 .
- Pisidië wordt genoemd in Hand. 13:14 en 14:24. Daar lag de stad Antiochië waar Paulus een lange preek heeft gehouden (Hand. 13:14)- zie daar - maar ook lag daar de stad Salagassos die de laatste jaren stilaan gaat lijken op een Turks Pompeï. De recente opgravingen geven ons een indruk van de hoge cultuur van die regio. In de tijd van Paulus behoorde Pisidië tot de Romeinse provincie Galatië. Aan de bewoners van Galatië schreef Paulus de bekende brief aan de Galaten. Salagassos is nu het grootste opgravingstraject van Turkije.Het is een archeologisch lusthof. Hier werken 124 onderzoekers van verschillende wetenschappelijke disciplines. Door de metersdikke laag sediment en de geisoleerde ligging van de streek zijn plunderingen voorkomen. De Pisidiërs waren een bergvolk met een eigen taal en eigen cultuur . De stad werd met veel moeite door Alexander de Grote veroverd en daardoor was er ook in de tijd van Paulus een grote invloed van het Hellenisme. Op een hoog punt in de stad is het beeld van een heroon (een held die vereerd werd) gevonden. De doelgroep van Paulus was allereerst de Joodse gemeenschap wat ook blijkt uit zijn brief aan de Galaten. Website : http://www.bijbelseplaatsen.nl/algemeen/Opgravingen.htm . Pisidië is de streek ten noorden van Pamfylië. Om in Antiochië te komen moesten Paulus en Barnabas door het Taurusgebergte trekken. Het is nog steeds een ruig en onherbergzaam gebied. In de tijd van Paulus behoorde Pisidië tot de Romeinse provincie Galatië.

- pisteôs (- vol - geloof) . In het zinsdeel dat uit vijf woorden bestaat , beginnen drie woorden met de letter p . Alfabetisch bekeken gaat pisteôs (- vol - geloof) aan pneumatos (- vol - heilige geest) vooraf .

- plèroô (vervullen) .

plèroô (vervullen) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk Lc Hnd
ind. pr. 3de p. enk.                        
ind. pr. 3de p. mv.                        
imp. 2de p. mv.                        
inf. pr.                        
ind imp. 3de p. enk.                        
ind. imp. 3de p. mv. eplèrounto 2   2         2       1) Hnd 9,23 . (2) Hnd 13,52 .
ind. aor. 3de p. enk. eplèrôsen 11 7 4     1   3        
ind. aor. 3de p. mv.                        
part. aor. nom. m. + vr. enk.                        
part. aor. nom. m. + vr. mv.                        
                         

In zijn verwijzing naar de schrift in Lc 4,21 wijst Jezus op de vervulling ervan . peplèrôtai : (is vervuld geworden, is in vervulling gegaan) . Passief perfectum derde persoon enkelvoud van het werkwoord plèroô (vervullen) . Op twee andere opmerkelijke plaatsen wordt de passief infinitief perfectum gebruikt : (1) Lc 24,44 . (2) Hnd 1,16 . (In zes verzen in de bijbel . In vier verzen in het O.T. . In twee verzen in het N.T. .) In deze beide gevallen is er eveneens verwijzing naar vervulling van de schrift(en) . In Lc 24,44 geeft Lucas de voorlaatste woorden van Jezus bij zijn verschijnen aan de elf en hun metgezellen . In Hnd 1,16 spreekt Petrus voor het eerst de verzamelde gemeenschap toe . Verwijzing : pimplèmi (vervullen, vol maken) , zie Lc 4,1 .

Lc 4,21   peplèrôtai hè grafè autè
Lc 24,44 dei plèrôthènai panta ta gegrammena
Hnd 1,16 edei plèrôthènai tèn grafèn

eplèrounto (zij vervulden) . Imperfectum derde persoon meervoud . Verwijzing : pimplèmi (vervullen, vol maken) , zie Lc 4,1 . In twee verzen in de bijbel : (1) Hnd 9,23 . (2) Hnd 13,52 (eplèrounto charas kai pneumatis hagiou = zij werden vervuld van genade en heilige geest) .
- plèrès (vol) . Verwijzing : pimplèmi (vervullen, vol maken) , zie Lc 4,1 . Bijvoeglijk naamwoord mannelijk enkelvoud .
In vierenvijftig verzen in de bijbel . In vijfenveertig verzen in het O.T. . In negen verzen in het N.T. . Niet bij Matteüs en Marcus .
In twee verzen bij Lucas :
(1) Lc 4,1 (Jezus : plèrès pneumatos hagiou = vol van heilige geest) .
(2) Lc 5,12 (kai idou anèr plèrès lepras = en zie een man vol van melaatsheid) .
In één vers in Joh . In Joh 1,14 (Jezus : plèrès charitos kai alètheias = vol van genade en waarheid) .
In zes verzen in Hnd , waaronder drie verzen die op de diaken Stefanus betrekking hebben :
(1) Hnd 6,5 (Stefanus - plèrès pisteôs kai pneumatos hagiou = vol van geloof en heilige geest) .
(2) Hnd 6,8 (Stefanos de plèrès charitos kai dunameôs = Stefanus echter vol van genade en kracht) .
(3) Hnd 7,55 (Stefanus : plèrès pneumatos hagiou = vol van heilige geest) .
(4) Hnd 9,36 (Dorkas : hautè èn plèrès ergôn agathôn kai eleèmosunôn = Dorkas, zij was vol van goede werken en aalmoezen) .
(5) Hnd 11,24 (Barnabas - plèrès pneumatos hagiou kai pisteôs = vol van heilige geest en van geloof) .
(6) Hnd 13,10 .
- plèreis (vol) . Verwijzing : pimplèmi (vervullen, vol maken) , zie Lc 4,1 . Nominatief meervoud . In vijfentwintig verzen in de bijbel . In twintig verzen in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. : (1) Mt 14,20 . (2) Mt 15,37 . (3) Mc 8,19 . (4) Hnd 6,3 (zeven getuigen - plèreis pneumatos kai sofias = vol van geest en wijsheid) . (5) Hnd 19,28 .
-- plèreis (vol) met genitief , die de 'volheid' nader bepaalt .

- pneumatos (- vol - geest) . Verwijzing : pneuma (adem, wind, geest) , zie Lc 4,1 . Genitief onzijdig enkelvoud . In 138 verzen in de bijbel . In tweeënveertig verzen in het O.T. . In zesennegentig verzen in het N.T. .
- In drieëntwintig verzen in Hnd.:
(1) Hnd 1,2 (dia pneumatos hagiou = via heilige geest) .
(2) Hnd 1,8 (dunamin epelthontos tou pneumatos hagiou ef'humas = kracht van de over jullie komende heilige geest) .
(3) Hnd 2,4 (eplèsthèsan pantes pneumatos hagiou = allen werden vervuld van heilige geest) .
(4) Hnd 2,17 .
(5) Hnd 2,18 .
(6) Hnd 2,33 .
(7) Hnd 2,38 (tèn dôrean tou hagiou pneumatos = de gave van de heilige geest) .
(8) Hnd 4,8 (Petrus - plèstheis pneumatos hagiou = vervuld van heilige geest) .
(9) Hnd 4,25 .
(10) Hnd 4,31 (eplèsthèsan hapantes tou hagiou pneumatos = allen werden vervuld van de heilige geest) .
(11) Hnd 6,3 (7 getuigen - plèreis pneumatos kai sofias = vol van geest en wijsheid) .
(12) Hnd 6,5 (Stefanus - plèrès pisteôs kai pneumatos hagiou = vol van geloof en heilige geest) .
(13) Hnd 7,17 XXX
(14) Hnd 7,55 (plèrès pneumatos hagiou = vol van heilige geest) .
(15) Hnd 9,31 XXX .
(16) Hnd 10,45 (hè dôrea tou hagiou pneumatos ekkechutai = de gave van de heilige geest wordt uitgestort) .
(17) Hnd 11,24 (plèrès pneumatos hagiou kai pisteôs = vol van heilige geest en van geloof) .
(18) Hnd 11,28 .
(19) Hnd 13,4 .
(20) Hnd 13,9 (Paulus - plèstheis pneumatos hagiou = vervuld van heilige geest) .
(21) Hnd 13,52 .
(22) Hnd 16,6 .
(23) Hnd 21,4 .
- pneumati (met geest) . Verwijzing : pneuma (adem, wind, geest) , zie Lc 4,1 . Zelfstandig naamwoord datief enkelvoud . In Hnd 1,5 zullen de leerlingen gedoopt worden met heilige geest. In Lc 24,49 zullen de leerlingen bekleed worden met kracht . Zoals in Hnd 1,8 nog sterker blijkt , komen de woordcombinatie pneuma (geest) en dunamis (kracht, macht) vaak voor .

- poiein (doen, handelen) . Verwijzing : poiein (doen, handelen) , zie Hnd 1,1 . Infinitief praesens .

poieô (doen) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk    
ind. pr. 3de p. enk. poiei 85 56 29 7 2 3 9   5 3    
ind. pr. 3de p. mv. poiousin 42 30 12 6 1 3     2      
ind p. + imp. 2de p. mv. poieite 51  18  33  12       
inf. pr. poiein 131  107  24    10       
part. pr. nom. m. enk. poiôn  91  64  27    14     
part. pr. nom + acc. onz. enk. poioun 42 30 12 6 1 3     2      
part. pr. dat. enk. poiounti                
ind imp. 3de p. enk. epoièsen 714 641 73 13 9 14 18 14 4 1    
ind. imp. 3de p. mv. epoièsan 264  249  15         
impera. aor. 2de p. mv. poièsate  48  38  10          
part. aor. nom. m. + vr. enk. poièsas 50  30  20         
part. aor. nom. m. + vr. mv. poièsantes 10       
                         

(1) Hnd 2,22 . (2) Hnd 2,36 . (3) Hnd 7,24 . (4) Hnd 7,50 . (5) Hnd 9,13 .  (6) Hnd 10,39 . (7) Hnd 12,8 . (8) Hnd 14,11 . (9) Hnd 14,15 . (10) Hnd 14,27 . (11) Hnd 15,4 . (12) Hnd 15,12 . (13) Hnd 17,26 . (14) Hnd 21,19 .

In 151 verzen in de bijbel . In vierentwintig verzen in het N.T. . Niet bij Lucas . In zes verzen in Hnd : (1) Hnd 1,1 . (2) Hnd 7,19 . (3) Hnd 9,6 . (4) Hnd 16,21 . (5) Hnd 16,30 . (6) Hnd 22,26 .
Paulus en Silas waren op hun tweede zendingsreis in Filippi (Macedonië) . Daar dreef Paulus uit een winstgevende slavin de helderziende geest uit . Dit zette kwaad bloed bij de eigenaars en de stedelingen . Ze werden gevangen genomen en beschuldigd dat ze zeden en gewoonten verkondigden die de Romeinen niet mogen doen (Hnd 16,21) . Paulus en Silas werden in de gevangenis geworpen . Door een aardbeving raakten de deuren van de gevangenis open . In paniek vroeg de gevangenisbewaarder aan Paulus en Silas : "wat moet ik doen om gered te worden?" (Hnd 16,30) .
-- In twee van de zes verzen staat : dei poiein (men moet doen) : (1) (3) Hnd 9,6 . (2) (5) Hnd 16,30 . In het bekeringsverhaal van Paulus zegt de stem wat Paulus moet doen .
- epoièsen ho theos (God deed) . In vier verzen in het N.T. : (1) Lc 8,39 .
(2) Hnd 14,27 (Paulus en Barnabas brengen in Antiochië verslag uit over hun eerste zendingsreis) hosa epoisen ho theos met'autôn kai hoti ènoiksen tois ethnesin thuran pisteôs = hoevele dingen God met hen deed en dat Hij voor de heidenen de deur van het geloof opende .
(3) Hnd 15,12 (Paulus en Barnabas brengen in Jeruzalem verslag uit over hun eerste zendingsreis) : hosa epoisen ho theos .... en tois ethnesin di'autôn = hoevele dingen God deed onder de heidenen via hen .
(4) Hnd 21,19 .(Paulus brengt verslag uit in Jeruzalem) : hôn epoièsen ho theos en tois ethnesin dia tès diakonias autou = van wat God deed onder de heidenen via zijn dienstwerk .
Deze teksten maken deel uit van het verhaal van het Lucasevangelie en de Handelingen : hoe langzamerhand de boodschap van Jezus meer en meer door de heidenen werd aanvaard .

- polis (stad) . Verwijzing : polis , zie Hnd 16,12 .
- polei (stad) . Verwijzing : polis , zie Hnd 16,12 . Datief vrouwelijk enkelvoud . Bijbel (183) . O.T. (140) . N.T. (21) . Mt (2) . Lc (7) . Hnd (9) . Brieven (2) . Apk (1) . In negen verzen in Hnd : (1) Hnd 4,27 . (2) Hnd 8,8 . (3) Hnd 8,9 . (4) Hnd 10,9 . (5) Hnd 11,5 . (6) Hnd 16,12 . (7) Hnd 18,10 . (8) Hnd 21,29 . (9) Hnd 22,3 .
-- tèi polei (de stad) . Verwijzing : polis , zie Hnd 16,12 . In zestien verzen in het N.T. . Mt (2) . Mc (1) . Lc (5) . Hnd (7) . Apk (1) . In zeven verzen in Hnd : (2) Hnd 8,8 . (3) Hnd 8,9 . (4) Hnd 10,9 . (6) Hnd 16,12 . (7) Hnd 18,10 . (8) Hnd 21,29 . (9) Hnd 22,3 .
--- en tèi polei (in de stad) . In tien verzen in het N.T. . Mt (1) . Lc (4) . Hnd (5) . In vijf verzen in Hnd : (2) Hnd 8,8 . (3) Hnd 8,9 . ( (7) Hnd 18,10 . (8) Hnd 21,29 . (9) Hnd 22,3 .
---- en tei polei tautèi (in deze stad) . In drie verzen in het N.T. . Mt (1) . Hnd (2) . (3) Hnd 8,9 . (9) Hnd 22,3 . In (6) Hnd 16,12 lezen we en tautèi tèi polei (in deze stad) . In (2) Hnd 8,8 lezen we en tèi polei ekeinèi (in die stad) .

- poreuesthai . Verwijzing : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) , zie Mt 2,9 . Zie ook poreuomai = zich op weg begeven (bij Marcus) , zie Mc 10,1

poreuomai (zich op weg begeven) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk Lc Hnd
ind. pr. 3de p. enk. poreuetai 28 21 7 2   4 1       (1) Lc 7,8 . (2) Lc 11,26 . (3) Lc 15,4 . (4) Lc 22,22 .  
ind. pr. 3de p. mv. poreuontai 7 7                    
imp. 2de p. mv. poreuesthe 39 32 7 5       2       (1) Hnd 5,20 . (2) Hnd 16,36 .
inf. pr. poreuesthai 74 58 16     7 1 6 2   (1) Lc 4,42 . (2) Lc 9,51 . (3) Lc 10,38 . (4) Lc 13,33 . (5) Lc 17,11 . (6) Lc 22,33 . (7) Lc 24,28 . (1) Hnd 9,3 . (2) Hnd 14,16 . (3) Hnd 17,14 . (4) Hnd 19,21 . (5) Hnd 20,1 . (6) Hnd 25,20 .
ind imp. 3de p. enk. eporeueto 44 38 6 1   3 1 1     (1) Lc 4,30 . (2) Lc 7,6 . (3) Lc 19,28 . (1) Hnd 8,39 .
ind. imp. 3de p. mv. eporeuonto 33 28 5     3   2     (1) Lc 2,3 . (2) Lc 2,41 . (3) Lc 24,28 . (1) Hnd 5,41 . (2) Hnd 8,36 .
ind. aor. 3de p. enk. eporeuthè 220 194 11 2   5 1 2 1   (1) Lc 1,39 . (2) Lc 4,42 . (3) Lc 7,11 . (4) Lc 19,12 . (5) Lc 22,39 . . (1) Hnd 12,17 . (2) Hnd 12,17 .
ind. aor. 3de p. mv. eporeuthèsan 104 99 5 2   1 1   1   (1) Lc 9,56 .  
part. aor. nom. m. + vr. enk. poreutheis 24 16 8 4   2     2   (1) Lc 14,10 . (2) Lc 15,15 .  
part. aor. nom. m. + vr. mv. poreuthentes 26 11 15 7 1 7            
                         

 

poreuomai (zich op weg begeven) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk Lc Hnd
part. pr. nom. m. enk. poreuomenos 27 24 3         1 1     (1) Hnd 26,12 .
part. pr. dat . m. enk. poreuomenôi 4 3 1         1       (1) Hnd 22,6 .
part. pr. acc. m. enk. poreuomenon 11 9 2     1   1     (1) Lc 9,53 . (1) Hnd 1,11 .
part. pr. gen. mv. poreuomenôn 6 2 4     1   1     (1) Lc 9,57 . (1) Hnd 16,16 .
part. pr. acc. m. mv. poreuomenous              (1) Hnd 26,13 .  
                         

 

. Infintief praesens . In vierenzeventig verzen in de bijbel . In zestien verzen in het N.T. . Mt (0) . Mc (0) . Lc (7) . Joh (1) . Hnd (6) . 2 Kor (2) . In zeven verzen bij Lucas : (1) Lc 4,42 . (2) Lc 9,51 . (3) Lc 10,38 . (4) Lc 13,33 . (5) Lc 17,11 . (6) Lc 22,33 . (7) Lc 24,28 . In zes verzen in Hnd : (1) Hnd 9,3 . (2) Hnd 14,16 . (3) Hnd 17,14 . (4) Hnd 19,21 . (5) Hnd 20,1 . (6) Hnd 25,20 .
- en (de) tôi poreuesthai (terwijl ... onderweg was / waren) : (1) Lc 10,38 : egeneto de en tôi poreuesthai autous (terwijl zij echter onderweg waren) . (2) Lc 17,11 : kai egeneto en tôi poreuesthai auton eis Ierousalèm (en terwijl hij onderweg was naar Jeruzalem) . (3) Hnd 9,3 : en de tôi poreusesthai (onderweg echter) . Verwijzing : Hnd 9,3 .

Lc 9,51 Lc 9,52 Lc 9,53 Lc 9,56  Lc 9,57 Lc 10,38 Lc 17,11
kai (en) kai (en) hoti (omdat)  kai (en)  kai (en)   kai egeneto (en het gebeurde)
autos (hij)            
to prosôpon (het aangezicht)   to prosôpon autou (zijn aangezicht)        
estèrisen (was vast van plan) apesteilen... pro prosôpou autou (hij zond... voor zijn aangezicht)          
tou poreuesthai (om te gaan) kai poreuthentes (en gaande) eisèlthon (gingen zij) èn poreuomenon (was gaande) eporeuthèsan (zij gingen) poreuomenôn autôn en tôi hodôi (terwijl zij onderweg gingen)n en de tôi poreuesthai autous autos eisèlthen (terwijl zij aan het gaan waren, ging hij zelf binnen) en tôi poreuesthai (in het gaan)
eis (naar) eis (naar) eis (naar)  eis heteran kômèn (naar een ander dorp)   eis  (naar) eis (naar) 
Ierousalèm (naar Jeruzalem) kômèn Samaritôn (van de Samaritanen) Ierousalèm (Jeruzalem)      kômèn tina (een bepaald dorp) Ierousalèm (Jeruzalem) 
 183. Het ongastvrije samaritanendorp : Lc 9,51-56 -  183. Het ongastvrije samaritanendorp :Lc 9,51-56 -  183. Het ongastvrije samaritanendorp : Lc 9,51-56 -  183. Het ongastvrije samaritanendorp : Lc 9,51-56 - 184. Voorwaarden van het volgen : Lc 9,57-62 - Mt 8,18-22   193. Maria en Marta : Lc 10,38-42 253. Genezing van de tien melaatsen : Lc 17,11-19  

- presbuterous (oudsten) , zie Hnd 14,23 . Accusatief mannelijk meervoud . In negenenveertig verzen in de bijbel . In twaalf verzen in het N.T. : (3) Hnd 4,5 . (4) Hnd 6,12 . (5) Hnd 11,30 . (6) Hnd 14,23 . (7) Hnd 15,2 . (8) Hnd 20,17 . (9) Tit 1,5 : kai katastèsèis kata polin presbuterous = en dat je per stad oudsten zoudt aanstellen . In een brief aan Titus herinnert Paulus Titus eraan om op Kreta per stad oudsten aan te stellen . Hnd 14,23 : chierotonèsantes de autois kat'ekklèsian presbuterous , proseuxamenoi meta nèsteiôn = (nadat zij echter over hen per kerk oudsten hadden aangesteld, nadat zij gebeden hadden met vasten ... (bij de aanstelling van oudsten per kerk in Lystra, Ikonium en Antiochië van Pisidië) .
In de gemeente van Jeruzalem worden de presbuteroi (oudsten) telkens vermeld naast de apostoloi (apostelen) : (1) Hnd 15,2 . (2) Hnd 15,4 . (3) Hnd 15,6 . (4) Hnd 15,22 . (5) Hnd 15,23 . Verder : Hnd 20,17 . Hnd 21,18 . Zie ook 1 Tim 5,1 : presbuterôi = aan de oudere man (oudere man) , 1 Tim 5,2 : presbuteras = oudere vrouwen (oudere vrouw) . 1 Tim 5,17 . 1 Tim 5,19 . Tit 1,5 .
- nominatief mannelijk meervoud presbuteroi . In zevenenzestig verzen in de bijbel . In eenentwintig verzen in het N.T. . (8) Hnd 2,17 . (9) Hnd 4,8 . (10) Hnd 4,23 . (11) Hnd 15,6 . (12) Hnd 15,23 . (13) Hnd 21,18 . (14) Hnd 25,15 . (15) 1 Tim 5,17 .
- genitief mannelijk meervoud presbuterôn . In eenenzestig verzen in de bijbel . In tweeëntwintig verzen in het N.T. : (14) Hnd 15,4 .(15) Hnd 16,4 . (16) Hnd 24,1 . (17)
- datief mannelijk meervoud presbuterois . In twintig verzen in de bijbel . In vijf verzen in het N.T. : (3) Hnd 15,22 . (4) Hnd 23,14 . (5) 1 Pe 5,5 .

- profètès (profeet) .
- Dé profeet is Mozes . Geen enkel profeet kan met hem vergeleken worden . Deze uniciteit wordt hem toegeschreven omdat hij God van aangezicht tot aangezicht heeft gezien (Dt 34,10) . In Nu 11, 25 ontvangen de zeventig oudsten een deel van de geest van Mozes , maar zij profeteerden slechts kortstondig en tijdelijk . In Nu 12 worden Mirjam en Aäron gestraft omdat ze de uniciteit van Mozes in twijfel hebben getrokken . Zo is Jezus uniek omdat hij is 'in de schoot van de Vader' . Hiertegenover staat Dt 18,9-23 : "de Heer God zal voor u uit uw broeders een profeet doen opstaan gelijk aan mij, luister naar hem." In Hnd 3,22 en Hnd 7,37 wordt Dt 18,18 geciteerd .

- pro - orizô : begrenzen , bepalen , definiëren . pro-orizô : vooraf bepalen , bestemmen , zie horizon .
- hôrismenè(i) . Passief participium aorist datief vrouwelijk enkelvoud . Slechts in één vers in de bijbel : Hnd 2,23 . Zie de overeenkomsten tussen :
-- Hnd 2,23 : tè ôrismenè boulè (volgens de vastgestelde wil) .
-- Hnd 4,28 : kai è boulè sou proôrisen (en uw wil vooraf bepaalde) .
- proôrisen . Actief aorist derde persoon enkelvoud . In vier verzen in de bijbel . Enkel in het N.T. : (1) Hnd 4,28 . (2) Rom 8,29 . (3) Rom 8,30 . (4) 1 Kor 2,7 .
- proorisas . Actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud . In één vers in de bijbel : Ef 1,5 .
- prooristhentes . Passief aorist nomeniatief mannelijk meervoud . In één vers in de bijbel : Ef 1,11 .
Zie proidôn . Actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud . In één vers in de bijbel : Hnd 2,31 .

- proseuchomai (bidden) . Een vorm ervan . In vijftien verzen in Mt . In tien verzen in Mc . In negentien verzen in Lc . In zestien verzen in Hnd .
proseuxamenoi (gebeden) . Participium aorist nominatief mannelijk meervoud . Enkel in Hnd . In vijf verzen :
(1) Hnd 1,24 : kai proseuxamenoi (gebeden) . (bij de aanstelling van Mattatias) .
(2) Hnd 6,6 : kai proseuxamenoi epethèkan autois tas chieras = en gebeden legden zij - de apostelen - hen de handen op (bij de aanstelling van de zeven) .
(3) Hnd 13,3 : kai nèsteusantes kai proseuxamenoi kai epithentes tas cheiras utois = en nadat zij hadden gevast en gebeden en hun handen op hen gelegd (bij het uitsturen van missionarissen vanuit Antiochië) .
(4) Hnd 14,23 : chierotonèsantes de autois kat'ekklèsian presbuterous , proseuxamenoi meta nèsteiôn = (nadat zij echter over hen per kerk oudsten hadden aangesteld, nadat zij gebeden hadden met vasten ... (bij de aanstelling van oudsten per kerk in Lystra, Ikonium en Antiochië van Pisidië) .
(5) Hnd 21,5 .
In vier teksten handelt het over een aanstelling . Twee teksten sluiten nauw bij elkaar aan : Hnd 13,3 en Hnd 14,23 : bidden , vasten , aanstelling .
- prosèuxanto (zij baden) . Aorist derde persoon meervoud . Hapax in de bijbel . Hnd 8,15 .
- proseuchais (gebeden) . Verwijzing : proseuchomai (bidden) , zie Hnd 6,6 . Datief vrouwelijk meervoud van het zelfstandig naamwoord proseuchè (gebed, aanroeping) . In negen verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In zes verzen in het N.T. . Niet in de evangelies . In Hnd 2,42 .
- proseuchè(i) . Zelfstandig naamwoord nominatief of datief vrouwelijk enkelvoud . Werkwoordvorm conjunctief tweede persoon enkelvoud . In zevenenveertig verzen in de bijbel .

- proskartereô (volharden, aan iets volhouden) . Verwijzing : proskartereô (volharden, aan iets volhouden) , zie Hnd 1,14 .
- proskarterountes (volhardend) . Verwijzing : proskartereô (volharden, aan iets volhouden) , zie Hnd 1,14 . Actief participium praesens nominatief mannelijk meervoud van het werkwoord proskartereô (volharden, aan iets volhouden) . Het werkwoord kartereô = sterk zijn of zich sterk houden, zichzelf in bedwang houden, standvastig zijn, geduldig dragen . In vijf verzen in de bijbel . Slechts in het N.T. : (1) Hnd 1,14 . (2) Hnd 2,42 . (3) Hnd 2,46 . (4) Rom 12,12 . (5) Rom 13,6 .
- Hnd 6,4 : hèmeis de tèi proseuchèi kai tèi diakoniai tou logou proskartèsomen = wij echter zullen volhouden in het gebed en in de bediening van het woord . Actief futurum eerste persoon enkelvoud . De gemeenschap zal zeven diakens kiezen en de apostelen zullen hen aanstellen om de tafeldienst te verzorgen .
--- omschrijvende constructie + gebed :
(1) Hnd 1,14 : houtoi pantes èsan proskarterountes homothumadon ... tèi proseuchèi = al dezen waren volhardend gelijkgezind in het gebed - of - zij bleven gelijkgezind volharden in het gebed . Nadat Jezus in de hemel was opgenomen , keerden de 'ooggetuigen' naar Jeruzalem terug . In een bovenzaal bleven zij gelijkgezind volharden in het gebed . Ze baden opdat ze zouden gedoopt worden met heilige geest .
(2) Hnd 2,42 : èsan de proskarterountes ... tais proseuchais = zij echter waren volhardend in de gebeden .
(3) Hnd 2,46 : proskarterountes homothumadon en tôi hierôi ... Hnd 2,47 : ainontes ton theon = gelijkgezind volhardend in de tempel ... God lovend . Wat in Hnd 2,42 kernachtig werd weergegeven , wordt in de volgende verzen uitvoeriger beschreven .
Voegen we hieraan nog enkele teksten toe :
- Lc 24,53 : kai èsan dia pantos en tôi hierôi eulogountes ton theon = en zij waren voortdurend in de tempel God zegenend = zij bleven God voortdurend zegenen in de tempel . Hiermee sluit Lucas zijn evangelie af .  
- Hnd 2,1 : èsan pantes homou epi to auto = waren allen tegelijkertijd op dezelfde plaats . Dit vers grijpt terug op Hnd 1,13 - Hnd 1,14 . De leerlingen van Jezus zijn bijeen om Gods geest te ontvangen .
In Hnd 6,6 tref je teksten aan waarin de band tussen bidden en handoplegging aanwezig is .
-- èsan de proskarterountes (zij echter waren volhardend) : Hnd 2,42 ; èsan proskarterountes (zij waren volhardend) : Hnd 1,14 . Slechts in deze twee verzen in de bijbel .
-- proskarterountes homothumadon (gelijkgezind volhardend) . In twee verzen in de bijbel : Hnd 1,14 en Hnd 2,46 .

Q

R

- Règion (Regium) . Stad in Zuid-Italië , waar Paulus zich op zijn reis naar Rome een dag lang ophield . Het tegenwoordige Reggio di Calabria , tegenover Messina .

rômaios (Romein) . Verwijzing : rômaios (Romein) , zie Hnd 28,17 . In vier verzen in Hnd : (1) Hnd 22,26 . (2) Hnd 22,27 . (3) Hnd 22,29 . (4) Hnd 23,27
--- accusatief enkelvoud rômaion : Hnd 22,25 .
--- nominatief meervoud rômaioi . In zeven verzen in de bijbel . In vier verzen in het O.T. . In drie verzen in het N.T. . In twee verzen in Hnd : (1) Hnd 2,10 . (2) Hnd 16,38 .
--- genitief meervoud rômaiôn . In vijf verzen in de bijbel . In vier verzen in het O.T. . In Hnd 28,17 .
--- datief meervoud rômaiois . In vijf verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In twee verzen in Hnd : (1) Hnd 16,21 . (2) Hnd 25,16 .
--- accusatief meervoud rômaious . In vier verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. . In één vers in Hnd : (1) Hnd 16,37 .
- nominatief vrouwelijk enkelvoud rômè (Rome) en datief vrouwelijk enkelvoud rômèi . In negen verzen in de bijbel . In zes verzen in het O.T. . In drie verzen in het N.T. Tweemaal en Rômèi (in Rome) .
--- genitief vrouwelijk enkelvoud rômès . In drie verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. . In Hnd 18,2 .
--- accusatief vrouwelijk enkelvoud rômèn . In negen verzen in de bijbel . In vijf verzen in het O.T. . In vier verzen in het N.T. : (1) Hnd 19,21 . (2) Hnd 23,11 . (3) Hnd 28,14 . (4) Hnd 28,16 .

S

- en (op) . Aanduiding van tijdsbepaling .
- miai tôn sabbatôn (op de eerste van de week / wekenfeest) . In vier verzen in het N.T. : (1) Lc 24,1 . (2) Joh 20,1 . (3) Joh 20,19 . (4) Hnd 20,7 . In de vier teksten staat tèi miai tôn sabbatôn . In drie verzen (1) Lc 24,1 . (2) Joh 20,1 . (4) Hnd 20,7 . staat de uitdrukking aan het begin van de zin . In (4) Hnd 20,7 wordt de uitdrukking voorafgegaan door het voorzetsel en (op) . In de drie verzen staat het partikel de (echter) op de tweede plaats in de zin .

- esaleuthè (hij werd heen en weer geschud) . In dertien verzen in de bijbel . In twaalf verzen in het O.T. . In één vers in het N.T. : Hnd 4,31 .
- saleuô (heen en weer schudden, heftig bewegen) . Verwijzing : saleuô (heen en weer schudden, heftig bewegen) , zie Hnd 4,31 .

- Samos is na Lesbos en Chios het grootste van de Noord Egeïsche eilanden. Het heeft een oppervlakte van 475 vierkante kilometers en het ligt in het oosten van de Egeïsche Zee, vlak voor de kust van Klein-Azië. Vathy (of Samos stad) is de hoofdstad van het eiland. Het is een havenstad in het noordoosten van het eiland. Het eiland heeft hoge bergen, zoals de Kerketefs berg in het westen die met 1.437 meter een van de hoogste bergen van de Egeïsche Zee is, en de Ampelos berg in het midden van het eiland die 1.150 meter hoog is.

- Silas (Silas) . Verwijzing : Silas (Silas) , zie Hnd 15,32 .

silas - silouanos (Br.) bijbel N.T. Hnd 15 Hnd 16 Hnd 17 Hnd 18 Hnd Br. 2 Kor  1 Tes  2 Tes  1 Pe  
nom 4 4 1 : (1) Hnd 15,32 . 1 : Hnd 16,25 . 1 : Hnd 17,14 . 1 : Hnd 18,5 . 4 : 2   1 : 1 Tes 1,1 . 1 : 2 Tes 1,1 .  
gen               2 1 : 2 Kor 1,19 .     1 : 1 Pe 5,12 .
dat  2 2   1 : Hnd 16,29 1 : Hnd 17,4 .   2          
acc  6 6 3 : (1) Hnd 15,22 . (2) Hnd 15,27 . (3) Hnd 15,40 . 1 : Hnd 16,19 . 2 : (1) Hnd 17,10 . (2) Hnd 17,15 .   6          
  12 12 3 4 1 12 4 1 1 1 1 16 

Judas en Silas werden mede-afgezanten van de kerk van Jeruzalem naar Antiochië na het eerste oecumenische concilie te Jerualem en zij bemoedigden de gemeente van Antiochië . Judas en Silas moesten in de gemeente van Antiochië mondelinge toelichting geven bij de brief met de besluiten van het concilie van Jeruzalem . Na de breuk met Barnabas werd Paulus en Silas voor een twee zendingsreis gezonden . In Filippi werd Paulus en Silas gevangen gezet . Paulus en Silas zaten in de gevangenis van Filippi . Ze werden er op een wonderlijke wijze uit bevrijd . Paulus en Silas vertrokken uit Tessalonica naar Berea . Silas en Timoteüs die in Berea waren gebleven , kregen het verzoek van Paulus uit Athene om hem te vervoegen . Silas en Timoteüs voegden zich in Korinte terug bij Paulus .

- Nominatief enkelvoud . In vier verzen in de bijbel :
(1) Hnd 15,32 . Judas en Silas werden mede-afgezanten van de kerk van Jeruzalem naar Antiochië na het eerste oecumenische concilie te Jerualem en zij bemoedigden de gemeente van Antiochië .
(2) Hnd 16,25 . Paulus en Silas zaten in de gevangenis van Filippi .
(3) Hnd 17,14 . Silas en Timoteüs bleven in Berea terwijl Paulus de wijk neemt naar Athene .
(4) Hnd 18,5 . Silas en Timoteüs voegden zich in Korinte terug bij Paulus .
- Accusatief enkelvoud . In zes verzen in de bijbel :
(1) Hnd 15,22 . Judas en Silas werden mede-afgezanten van de kerk van Jeruzalem naar Antiochië na het eerste oecumenische concilie te Jerualem .
(2) Hnd 15,27 . Judas en Silas moesten in de gemeente van Antiochië mondelinge toelichting geven bij de brief met de besluiten van het concilie van Jeruzalem .
(3) Hnd 15,40 . Na de breuk met Barnabas werd Paulus en Silas voor een twee zendingsreis gezonden .
(4) Hnd 16,19 . In Filippi werd Paulus en Silas gevangen gezet .
(5) Hnd 17,10 . Paulus en Silas vertrokken uit Tessalonica naar Berea .
(6) Hnd 17,15 . Silas en Timoteüs die in Berea waren gebleven , kregen het verzoek van Paulus uit Athene om hem te vervoegen .
- Datief enkelvoud . In twee verzen in de bijbel .(1)

 

- sofias (van wijsheid) . Genitief enkelvoud . Dit vers bereidt voor op Hnd 6,10 , waar Stefanus zich verdedigt tegen enkele leden van de synagoge . In beide verzen Hnd 6,3 en Hnd 6,10 is sprake van pneuma (geest) en sofia (wijsheid) . Vanuit Hnd 6,10 : kai ouk ischuon antistènai tèi sofiai kai tôi pneumati hôi elalei = en zij konden niet weerstaan aan de wijsheid en aan de geest waarmee hij sprak ) en Lc 21,15 : egô gar dôsô humin stoma kai sofian hèi ou dunèsontai antistènai ... = want ik zal jullie een mond en wijsheid geven waaraan zij niet zullen kunnen weerstaan) . stoma (mond) van Lc 21,15 en elalei (hij sprak) van Hnd 6,10 roepen elkaar op . Geest en wijsheid worden gezien als gaven . Zo hebben we hier een verwijzing naar het pinksterverhaal van Hnd 2,1-13 .
De vermelding van de kwaliteiten van geest en wijsheid is bedoeld om op overtuigende wijze het woord te kunnen nemen en zijn tegenstanders te kunnen weerstaan . Deze kwaliteiten hebben niet de tafeldienst op het oog .

- sullambanô (meenemen) .
- Lc 22,54 . In het verhaal van Lucas wordt Jezus meegenomen . sullanontes . Participium aorist nominatief mannelijk meervoud . In twee verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In één vers in het N.T. : Lc 22,54 . In Hnd 1,16 spreekt Petrus over Judas die aanvoerder werd voor hen die Jezus hebben meegenomen . sullabousin : participium aorist nominatief mannelijk meervoud . Slechts in één vers in de bijbel , nl. Hnd 1,16 .

- sunèchthèsan (zij lieten zich samendrijven) . Verwijzing : sunagô (bijeendrijven, verzamelen) , zie Mc 2,2 . Passief aorist derde persoon meervoud . In zevenenvijftig verzen in de bijbel . In achtenveertig verzen in het O.T. : Ps 2,2 . In negen verzen in het N.T. . (1) Mt 13,2 . (2) Mt 22,34 . (3) Mt 26,3 . (4) Mt 26,57 . (5) Mt 27,62 . (6) Mc 2,2 . (7) Hnd 4,26 . (8) Hnd 4,27 . (9) Hnd 15,6 .
- jâsad (zetten; beraadslagen) . Verwijzing : jâsad (zetten; beraadslagen) , zie Ps 2,2 .
In Hnd 4,26 wordt Ps 2,2 geciteerd , onmiddellijk na Ps 2,1 in Hnd 4,25 . Het is een reactie van de gelovigen na de arrestatie , de gevangenneming , de ondervraging en de vrijlating van Petrus en Johannes . In Hnd 4,27 wordt deze Psalm toegepast op Jezus : sunèchthèsan (zij verzamelden zich) (toevoeging : gar ep'alètheias = immers waarlijk ; en tèi polei tautèi = in deze stad) epi (in Ps 2,2 to auto = tot hetzelfde, + kata = tegen , wordt in Hnd 4,27 weggelaten) ; dan volgt een omschrijving van wat in Ps 2,2 is gegeven : tou kuriou kai kata tou christou autou = tegen de Heer en zijn gezalfde ; het wordt : ton hagion paida sou Ièsoun , hon echrisas = tegen uw heilige dienaar Jezus , die U hebt gezalfd . Op het einde van de zin komt het onderwerp ; Hèrôdès te kai Pontios Pilatos = Herodes evenals Pontius Pilatus , is de concretisatie van basileis tès gès = koningen van de aarde , en archontes (leiders) ; sun ethnesin kai laois Israèl = met de heidenvolkeren en de volkeren van Israël verwijst naar ethnè (heidenvolkeren) en laoi (volkeren) van Ps 2,1 .

- eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) . Verwijzing : sunagô (bijeendrijven, verzamelen) , zie Mc 2,2 . In elf verzen in het N.T. : (1) Mt 12,9 . (2) Mc 1,21 . (3) Mc 3,1 . (4) Lc 4,16 : kai eisèlthen ... eis tèn sunagôgèn = en hij ging naar de synagoge . (5) Lc 6,6 : eiselthein auton eis tèn synagôgèn kai didaskein = hij zelf ging naar de synagoge en onderrichtte . (6) Hnd 13,14 : (eis) elthontes eis tèn synagôgèn = gegaan naar de synagoge (Antiochië van Pisidië) . (7) Hnd 14,1 : eiselthein autous eis tèn synagôgèn tôn Ioudaiôn = zij gingen naar de synagoge van de joden . (8) Hnd 17,10 : eis tèn sunagôgèn tôn Ioudaiôn = naar de synagoge van de joden (Bera) . . (9) Hnd 18,19 : eiselthôn eis tèn sunagôgèn : gegaan naar de synagoge (Efese) . (10) Hnd 19,8 : eiselthôn de eis tèn sunagôgèn : gegaan echter naar de synagoge (Efese) . (11) Jak 2,2 . In negen van de elf verzen staat een vorm van het werkwoord eiserchomai (gaan naar, binnengaan) bij de bepaling eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) .

- sunalizomenos . sunalizô (bijeenbrengen, verzamelen) . alizô : 1. verzamelen . 2. inzouten , zout doen eten . Zie Hnd 1,4 .

- sunedrion (sanhedrin) . Verwijzing : sunedrion (sanhedrin) , zie Mc 14,55 . Nominatief of accusatief onzijdig enkelvoud . In elf verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In tien verzen in het N.T. : (1) Mt 26,59 // Mc 14,55 . (2) Mc 14,55 // Mt 26,59 . (3) Mc 15,1 . (4) Lc 22,66 : apègagon auton eis to sunedrion autôn = en zij leidden hem weg naar hun sanhedrin . (5) Joh 11,47 . (6) Hnd 5,21 . (7) Hnd 6,12 : kai ègagon eis to sunedrion = en zij leidden (hem) naar het sanhedrin . (8) Hnd 22,30 . (9) Hnd 23,20 : hopôs aurion ton Paulon katagagèis eis to sunedrion = opdat gij morgen Paulus naar het sanhedrin zoudt leiden . (10) Hnd 23,28 : katègagon eis to sunedrion autôn = zij leidden (hem) naar hun sanhedrin .
-- sunedriôi (sanhedrin) . Verwijzing : sunedrion (sanhedrin) , zie Mc 14,55 . In zeven verzen in het N.T. In één vers bij Matteüs : Mt 5,22 . In zes verzen in Hnd : (1) Hnd 5,27 . (2) Hnd 5,34 . (3) Hnd 6,15 . (4) Hnd 23,1 : tôi sunedriôi = aan het sanhedrin . (5) Hnd 23,6 . (6) Hnd 23,15 : sun tôi sunedriôi = samen met het sanhedrin . In vier verzen en tôi sunedriôi = in het sanhedrin : (1) Hnd 5,27 . (2) Hnd 5,34 . (3) Hnd 6,15 . (5) Hnd 23,6 .
De verschillende vormen van sunedrion (sanhedrin) op een rijtje gezet . In veertien verzen in Hnd : :(1) Hnd 4,15 . (2) Hnd 5,21 . (3) Hnd 5,27 . (4) Hnd 5,34 . (5) Hnd 5,41 . (6) Hnd 6,12 .(7) Hnd 6,15 . (8) Hnd 22,30 . (9) Hnd 23,1 . (10) Hnd 23,6 . (11) Hnd 23,15 . (12) Hnd 23,20 . (13) Hnd 23,28 . (14) Hnd 24,20 .

- Surakousa (Syracuse) . Stad aan de zuidoostkust van Sicilië . Paulus verbleef er drie dagen op zijn reis naar Rome .

- sôtèrias (van de redding) . Genitief vrouwelijk enkelvoud van het zelfstandig naamwoord sôtèria (redding) . Verwijzing : jâsj`a (redden, bevrijden, verlossen) , zie Ps 38,22 . De genitief komt in eenenvijftig verzen in de bijbel voor . In drieëndertig verzen in het O.T. . In achttien verzen in het N.T. : (1) Lc 1,69 . (2) Lc 1,77 . (3) Hnd 13,26 . (4) Hnd 16,17 . (5) Hnd 27,34 .
- sôtèrion (redding) . Verwijzing : jâsj`a (redden, bevrijden, verlossen) , zie Ps 38,22 . In drie verzen in het N.T. : (1) Lc 2,30 . (2) Lc 3,6 . (3) Hnd 28,28 . In deze drie verzen is de redding gericht tot alle mensen . Meestal wordt sôtèrion door redding vertaald ; ook door heil .
Lc 2,30 : hoti (omdat) eidon (gezien hebben) hoi ofthalmoi mou (mijn ogen) to sôtèrion sou (uw redding) .
Lc 3,6 ( = Js 40,5) : kai (en) opsetai (zal zien) pasa sarx (alle vlees) to sôtèrion tou theou (de redding van God) .
Hnd 28,28 : hoti tois ethnesin apestalè touto to sôtèrion tou theou = want aan de volkeren werd deze redding van God gezonden .
Lc 2,30 is geconstrueerd naar Lc 3,6 ( = Js 40,5) .
Hnd 28,28 en Lc 3,6 ( = Js 40,5) hebben to sôtèrion tou theou . Sommige vertalers houden het neutraal en vertalen tou theou door van God of Gods . Andere vertalers beschouwen de genitief tou theou als een subjectsgenitief en willen tot uitdrukking brengen dat God de redding bewerkt . De vertalingen zijn zeer gevarieerd : de redding van God (Synopsis Lc 3,6) , Gods redding (liturgische lezing Lc 3,6) , deze redding door God (Willibrord en Naardense Hnd 28,28) , de redding die van God komt (Willibrord Hnd 28,28) , hoe God redding brengt (NV Lc 3,6) , dat God deze boodschap van redding (NV Hnd 28,28) , het heil van onze God (Naardense Lc 3,6) .
In Hnd 13,47 dat Js 49,6 citeert wordt licht voor de volkeren gecombineerd met tot redding zijn tot het uiteinde van de aarde . Hnd 13,47 = Js 49,6 : eis fôs ethnôn tou einai se eis sôtèrion heôs eschatou tès gès = zie ik heb u gesteld tot licht voor de volkeren opdat je tot redding zoudt zijn tot het uiteinde van de aarde . Zie Hnd 13,47 .
Wat werd aangekondigd in Hnd 1,8 : "om mijn getuigen te zijn in Jeruzalem, in geheel Judea en Samaria en tot het einde der aarde" wordt in Hnd 28,28 gerealiseerd . Paulus is gekomen tot het uiteinde van de aarde . Daarenboven staan we voor een inclusio . In Hnd 13,47 = Js 49,6 klonk de tekst nog als een programmarede , hier staan we voor de realisatie ervan .

T

- Tarsos (Tarsus) . In 46 v. Chr. maakte Pompejus Tarsos tot hoofdstad van Cilicië . Een stad aan de vroegere bevaarvare stroom Kydnos .
- Nominatief enkelvoud . Een inwoner van Tarsus heet Tarseus : Hnd 21,39 : egô anthrôpos men eimi Ioudaios , Tarseus tès Kilikias , ouk asèmou poleôs politès = ik ben enerzijds een jood , een inwoner van Tarsus van Cilicië , een burger van een niet onaanzienlijke stad . In ditzelfde vers wordt Tarsus een niet onaanzienlijke stad (genitief asèmou poleôs) genoemd .
- Accusatief enkelvoud Tarson . Hnd 22,3 : egô eimi anèr Ioudaios , gegennèmenos en Tarsôi tès Kilikias = ik ben een jood , geboren in Tarsus van Cilicië .
- Tarson (Tarsus) . Accusatief enkelvoud . In twee verzen in de bijbel :
(1) Hnd 9,30 : eis Tarson = naar Tarsus . Na zijn bekering wordt Saulus voor een tijdje naar Tarsus gestuurd . Hnd 11,25 : eis Tarson = naar Tarsus . (Barnabas ging Saulus in Tarsus opzoeken om hem mee naar Antiochië aan de Orontes te brengen) . Gal 1,21 : Na het bezoek aan Jeruzalem is Saulus een tijdje naar het gebied van Syrië en Cilicië gegaan .

- terata (wondertekenen) . Zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud . In achtendertig verzen in de bijbel . In elf verzen in het N.T. . In acht verzen in Hnd .
- teras (wonderteken, voorteken) .

- tèrèsis (bewaring) . Verwijzing : tèreô (behouden, bewaren) , zie Mt 28,20 .
- nominatief enkelvoud tèrèsis . In drie verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. In 1 Kor 7,19 : tèrèsis entolôn theou : het (onder)houden van de geboden van God .
- datief enkelvoud tèrèsei . In vijf verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In twee verzen in het N.T. . Hnd 5,18 : kai ethento autous en tèrèsei dèmosiai = en zij zetten hen in een openbare bewaring .
- accusatief enkelvoud tèrèsin . In drie verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. . In Hnd 4,3 : kai ethento eis tèrèsin = en zij zetten hen in bewaring

- theofile (Theofilus) . Vocatief mannelijk enkelvoud . In twee verzen in de bijbel : (1) Lc 1,3 . (2) Hnd 1,1 . Het evangelie (volgens Lucas) en het boek Handelingen zijn gericht tot Teofilus . Wellicht was hij een christen van Antiochië .

-

theos (God)  bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk 
nom. enk. theos 1686  1311  287  15  17  58  287 - 124 = 163  20 
gen. enk.  theou 1517  770  641  28  31  70 43  56  641 - 281 = 360   53 
dat.  enk. theô(i) 433  249  154  13  154 - 44 = 110  13 
acc.  enk. theon 496  300  142  23  12  30  142 - 80 = 62 
Totaal   4132  2630  1224  44  44  117  76  157   1224 - 529 = 695 91 

theos Hnd  Hnd 1 Hnd 2 Hnd 3 Hnd 4 Hnd 5 Hnd 6 Hnd 7 Hnd 8 Hnd 9 Hnd 10 Hnd 11 Hnd 12 Hnd 13 Hnd 14 Hnd 15 Hnd 16 Hnd 17 Hnd 18 Hnd 19 Hnd 20 Hnd 21 Hnd 22 Hnd 23 Hnd 24 Hnd 25 Hnd 26 Hnd 27  Hnd 28
nom 58    7 7. 1 3   11     5 3   6 1 5 1 2   1   1 1 1     1  
gen 56    2 :        
dat  13                                   
acc  30                   
  157  12  16  15  13   

theos Hnd 1 Hnd 2 Hnd 3 Hnd 4 Hnd 5 Hnd 6 Hnd 7 Hnd 8 Hnd 9 Hnd 10
nom   7 : (1) Hnd 2,17 . (2) Hnd 2,22 . (3) Hnd 2,24 . (4) Hnd 2,30 . (5) Hnd 2,32 . (6) Hnd 2,36 . (7) Hnd 2,39 . 7 : (1) Hnd 3,13 . (2) Hnd 3,15 . (3) Hnd 3,18 . (4) Hnd 3,21 . (5) Hnd 3,22 . (6) Hnd 3,25 . (7) Hnd 3,26 . 1 : Hnd 4,10 . 3 : (1) Hnd 5,30 . (2) Hnd 5,31 . (3) Hnd 5,32 .   11 : (1) Hnd 7,2 . (2) Hnd 7,6 . (3) Hnd 7,7 . (4) Hnd 7,9 . (5) Hnd 7,17 . (6) Hnd 7,25 . (7) Hnd 7,32 . (8) Hnd 7,35 . (9) Hnd 7,37 . (10) Hnd 7,42 . (11) Hnd 7,45 .     5 : (1) Hnd 10,15 . (2) Hnd 10,28 . (3) Hnd 10,34 . (4) Hnd 10,38 . (5) Hnd 10,40 .
gen 1 : Hnd 1,3 . 4 : (1) Hnd 2,11 . (2) Hnd 2,22 . (3) Hnd 2,23 . (4) Hnd 2,33 .   2 : (1) Hnd 4,19 . (2) Hnd 4,31 . 1 : Hnd 5,39 . 2 : (1)Hnd 6,2 . (2) Hnd 6,7 . 4 : (1) Hnd 7,43 . (2) Hnd 7,46 . (3) Hnd 7,55 . (4) Hnd 7,56 .
dat                 
acc           
  12  16  15 

theos Hnd 11 Hnd 12 Hnd 13 Hnd 14 Hnd 15 Hnd 16 Hnd 17 Hnd 18 Hnd 19
nom 3 :   6 1 5 1 2   1
gen  
dat             
acc 
  13 

theos Hnd 20 Hnd 21 Hnd 22 Hnd 23 Hnd 24 Hnd 25 Hnd 26 Hnd 27  Hnd 28
nom   1 1 1     1  
gen      
dat       
acc         
   

ton theon (God) . Accusatief enkelvoud . Lijdend voorwerp . Verwijzing : theos (God) , zie Lc 24,53 . In combinatie met het werkwoord aineô (loven, prijzen)
- epoièsen ho theos (God deed) . In vier verzen in het N.T. : (1) Lc 8,39 .
(2) Hnd 14,27 (Paulus en Barnabas brengen in Antiochië verslag uit over hun eerste zendingsreis) hosa epoisen ho theos met'autôn kai hoti ènoiksen tois ethnesin thuran pisteôs = hoevele dingen God met hen deed en dat Hij voor de heidenen de deur van het geloof opende .
(3) Hnd 15,12 (Paulus en Barnabas brengen in Jeruzalem verslag uit over hun eerste zendingsreis) : hosa epoisen ho theos .... en tois ethnesin di'autôn = hoevele dingen God deed onder de heidenen via hen .
(4) Hnd 21,19 .(Paulus brengt verslag uit in Jeruzalem) : hôn epoièsen ho theos en tois ethnesin dia tès diakonias autou = van wat God deed onder de heidenen via zijn dienstwerk .
Deze teksten maken deel uit van het verhaal van het Lucasevangelie en de Handelingen : hoe langzamerhand de boodschap van Jezus meer en meer door de heidenen werd aanvaard .
- apo tou theou door God , vanuit God) . In negen verzen in het N.T. . Hnd (1) . Brieven (3) . Apk (5) .

- Thessalonikè (Thessalonika) .
- datief vrouwelijk enkelvoud en theassalonikèi (in Thessalonika) . In twee verzen in de bijbel : (1) Hnd 17,11 . (2) Fil 4,16 .
- accusatief vrouwelijk enkelvoud eis thessalonikèn (naat Thessalonika) . In twee verzen in de bijbel : (1) Hnd 17,1 . (2) 2 Tim 4,10 .
Macedonische handelsstad, gunstig gelegen aan de golf van Thermae en de Via Egnatia . Eigenlijk de door koning Kassander van Macedonië tegen het einde van de vierde eeuw gestichte griekse kolonie Thermae , maar ter ere van zijn vrouw Thessalonikè , een zuster van Alexander de Grote, omgedoopt . Hij bezocht de stad ern de synagoge tijdens zijn tweede zendingsreis

- Timotheos (Timoteüs) .

timotheos bijbel O.T. N.T. Hnd 16 Hnd 17 Hnd 18 Hnd 19 Hnd 20 Hnd Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Film Heb  
nom 20  12  1 : Hnd 16,1 . 1 : Hnd 17,14 . 1 : Hnd 18,5 .   1 : Hnd 20,4 .        
  2   2                                  
gen                                
dat                                   
acc  14                       
  42  18  24  18  2  

- Timotheos (Timoteüs) . In vier verzen in Hnd : (1) Hnd 16,1 . (2) Hnd 17,14 . (3) Hnd 18,5 . (4) Hnd 20,4 . Timoteüs was een leerling in Lystra . Hij was de zoon van een gelovige Joodse moeder en een Griekse vader . Hij stond goed aangeschreven bij de gelovigen in Lystra en Ikonium . Paulus , vergezeld van Silas , ontmoette Timoteüs bij zijn tweede zendingsreis (Hnd 16,1) . Hij liet hem besnijden . Hij werd een zendingsgenoot van Paulus . Tijdens die tweede zendingsreis van Paulus stuurden de gelovigen van Berea Paulus naar Athene terwijl Silas en Timoteüs in Berea bleven (Hnd 17,14) . Silas en Timoteüs kwamen Paulus vervoegen in Korinte (na zijn vertrek uit Athene) (Hnd 18,5) . Timoteüs was één van de zeven begeleiders van Paulus naar Griekenland via Macedonië (Hnd 20,4) . In twee brieven wordt Timoteüs door Paulus aangehaald . In zes brieven is Timoteüs medeauteur .

- theis . Participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud . In zeven verzen in de bijbel .
- tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . Verwijzing : tithèmi (zetten, plaatsen, maken) , zie Hnd 7,60 .
- tetheika (ik heb gesteld) . Verwijzing : nathan (geven) , zie Ps 111,6 . Actief perfectum eerste persoon enkelvoud van het werkwoord tithèmi (stellen) . In acht verzen in de bijbel .
In zes verzen in het O.T. : (1) Gn 17,5 . (2) Js 49,6 . (3) Jr 1,5 . (4) Jr 1,18 . (5) Ez 4,6 . (6) Ez 5,5 . (7) Hnd 13,47 . (8) Rom 4,17 .
(1) Gn 17,5 : hoti patera pollôn ethnôn tetheika se = want tot vader van vele volkeren heb ik u gesteld . Zie Rom 4,17 (citeert Gn 17,5) : patera pollôn ethnôn tetheika se = tot vader van vele volkeren heb ik u gesteld .
(2) Js 49,6 : idou tetheika se ... eis fôs ethnôn tou einai se eis sôtèrion heôs eschatou tès gès = zie ik heb u gesteld tot licht voor de volkeren opdat je tot redding zoudt zijn tot het uiteinde van de aarde . Zie Hnd 13,47 citeert Js 49,6 : idou tetheika se eis fôs ethnôn = zie ik heb u gesteld tot licht voor de volkeren .
(3) Jr 1,5 : profètèn eis ethnè tetheika se : tot profeet voor de volkeren heb ik u gesteld .
(7) Hnd 13,47 citeert Js 49,6 : eis fôs ethnôn tou einai se eis sôtèrion heôs eschatou tès gès = zie ik heb u gesteld tot licht voor de volkeren opdat je tot redding zoudt zijn tot het uiteinde van de aarde .
In Hnd 13,47 dat Js 49,6 citeert wordt licht voor de volkeren gecombineerd met tot redding zijn tot het uiteinde van de aarde . Hnd 13,47 = Js 49,6 : eis fôs ethnôn tou einai se eis sôtèrion heôs eschatou tès gès = zie ik heb u gesteld tot licht voor de volkeren opdat je tot redding zoudt zijn tot het uiteinde van de aarde . Zie Hnd 13,47 .

- dia pollôn thlipseôn (via vele conflicten) . Tijdens de eerste zendingsreis kregen Paulus en Barnabas heel wat tegenstand . Uit Antiochië van Pisidië werden ze verjaagd (Hnd 13,50) . In Ikonium werden ze met steniging bedreigd en vluchtten ze (Hnd 14,6) . In Lystra werd Paulus gestenigd , maar bracht het er nog levend vanaf (Hnd 14,19 - Hnd 14,20) . In Hnd 14,22 duidt Paulus de zin ervan aan .
Jezus zelf wees erop dat hij veel zou moeten lijden : polla pathein (veel lijden) . In vier verzen in het N.T. : (2) Mt 16,21 (// Mc 8,31 // Lc 9,22) (eerste lijdensvoorspelling) . (3) Mc 8,31 (// Mt 16,21 // Lc 9,22) (eerste lijdensvoorspelling) . (4) Lc 9,22 ( // Mc 8,31 // Mt 16,21) (eerste lijdensvoorspelling) . (5) Lc 17,25 . Verwijzing : paschô (lijden) , zie Mt 16,21 .

- Dt 1,31 : kai en tè erèmô tautè ... etrofoforèsen se kurios o theos sou = en in deze woestijn ... voedde u de Heer uw God .
- Hnd 13,18 : kai ... etropoforèsen autous en tè erèmô = en ... Hij  voedde hen in de woestijn .

- Trôiada (Troje) . Verwijzing : Trôiada (Troje) , zie Hnd 16,8 . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In drie verzen (slechts in het N.T. ) : (1) Hnd 16,8 . (2) Hnd 20,6 . (3) 2 Kor 2,12 .
- Troiados (Troje) . Verwijzing : Trôiada (Troje) , zie Hnd 16,8 . Genitief vrouwelijk enkelvoud . In één vers (slechts in het N.T. ) : Hnd 16,11 .
- Trôiadi (Troje) . Verwijzing : Trôiada (Troje) , zie Hnd 16,8 . Datief vrouwelijk enkelvoud . In twee verzen (slechts in het N.T. ) : (1) Hnd 20,5 . (2) 2 Tim 4,13 .
De stad Troje (Grieks: Troía ( Latijn: Troia / Ilium; Turks: Truva; Hettitisch: Taruisa / Wilusha) was lange tijd alleen bekend uit verhalen in de mythologie, zoals de oude Griekse heldendichten Ilias en Odyssee van Homerus en het Latijnse heldendicht Aeneïs van Vergilius. Troje (het huidige Hissarlik) lag bijzonder strategisch in het noordwesten van het huidige Turkije aan de Dardanellen. De Dardanellen verbinden de Egeïsche Zee met de Zee van Marmara. Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Troje . Bij zijn tweede missiereis komt Paulus in Troas , waar hij 's nachts droomt dat hij moet oversteken naar Macedonië . Volgens Hnd 20,6 verbleef Paulus er zeven dagen . Bij een preek viel een jongeman uit het raam . Paulus wekte hem tot leven .

- U - V - W - X - Y -

Z

- zèlos (ijverzucht, afgunst) . Verwijzing : zèlos (ijverzucht, afgunst) , zie Hnd 5,17 .
- zèlou (van ijver) . Genitief mannelijk enkelvoud . In zeven verzen in de bijbel . In vijf verzen in het O.T. . In twee verzen in het N.T. : (1) Hnd 5,17 . (2) Hnd 13,45 .
- zèlôtès (ijveraar, strijder - strijdvaardig, ijverzuchtig) . In negen verzen in de bijbel . In zes verzen in het O.T. , telkens theos zèlôtès : een strijdvaardige God . In drie verzen in het N.T. : (1) Hnd 1,13 . (2) Hnd 22,3 . (3) Gal 1,14 .
- zèlos - Latijn : zelus - (ijver) . In achtentwintig verzen in de bijbel . In twintig verzen in het O.T. . In acht verzen in het N.T.


Er is een grote overeenkomst tussen Hnd 2,6 , Hnd 2,11 en Hnd 10,45 :
- Hnd 2,6 : èkouon heis hekastos tèi idiai dialektôi lalountôn autôn = eenieder hoorde hen spreken in de eigen taal .
- Hnd 2,11 : akouomen lalountôn autôn tais hèmeterais glôssais ta megaleia tou theou = wij horen hen spreken in onze talen over de grote daden van God . Hnd 2,12 : existanto de ... zij echter waren buiten zichzelf ...
- Hnd 10,45 : kai exestèsan oi ek peritomès pistoi = en de gelovigen uit de besnijdenis waren buiten zichzelf ... Hnd 10,46 : èkouon gar autôn lalountôn glôssais = zij hoorden hen spreken in talen . Het Pinksterenwonder voltrekt zich niet alleen in Jeruzalem over de apostelen en de aanwezige joden maar ook over de volken (heidenen) in Caesarea .
- Hnd 19,6 : elaloun te glôssais = en zij spraken in talen . Na de handoplegging door Paulus ontvingen de gelovigen van Efeze en spraken ze in talen .

In Hnd 4,31 vindt opnieuw het Pinksterwonder (Hnd 2,1-13) plaats . Dat weerspiegelt zich ook in de terminologie . Hnd 2,2 en Hnd 4,31 komen sterk met elkaar overeen :
- Hnd 2,2 : kai eplèrôsen holon ton oikon hou èsan kathèmenoi = en hij vulde de plaats waar zij waren gezeten .
- Hnd 4,31 : esaleuthè ho topos en hôi èsan sunègmenoi = de plaats werd geschud waarin zij waren samengestroomd .

Lc 23,46 kai fônèsas fônè megalè o Ièsous eipen pater eis cheiras sou paratithemai to pneuma mou touto de eipôn exepneusen
Mc 15,34 kai tèi enatèi hôrai eboèsen ho Ièsous fônèi megalèi      
Mc 15,37   ho de Ièsous afeis fônèn megalèn     exepneusen
Mt 27,46 peri de tèn enatèn hôran aneboèsen ho Ièsous fônèi megalèi legôn      
Mt 27,50   ho de Ièsous palin kraksas fônèi megalèi afèken to pneuma     afèken to pneuma
Hnd 7,59   legonta (en zeggend) Kurie Ièsou , dexai to pneuma mou    
Hnd 7,60 theis de ta gonata ekraksen fônèi megalèi Kurie mè stèsèis autois  tautèn tèn hamartian kai touto eipôn ekoimèthè

 

Mc 1,10 Gn 13,1 Hnd 8,39
kai euthus (en onmiddellijk) wajja´al Abram (En Abram klom op) anebè de Abram hote de (wanneer echter)
anabainôn (opklimmend) mimmidszraim (uit Egypte) Ex tou Aiguptou anebèsan (zij opstegen)
ek tou hudatos (uit het water) ...   ek tou hudatos (uit het water)
Mc 1,12 to pneuma auton ekballei (de geest werpt hem uit)   pneuma kuriou èrpasen ton Filippon (de geest van de Heer roofde Filippus)
Mc 1,12 eis tèn erèmon (naar de woestijn) hannègbah (naar de woestijn) eis tèn erèmon  
 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -  Gn 13,1-18 : Abram en Lot - Gn 13,1-18 -  Hnd 8,26-40 : Filippus en de Ethiopische eunuch - Hnd 8,26-40 -

 

>
Lc 18,35 egeneto de en tôi eggizein auton eis Ierichô  
Hnd 11,15 en de tô arxasthai me lalein   epepesen to pneuma to agion ep autous
Hnd 9,3 en de tô poreuesthai egeneto (in het op weg gaan echter gebeurde het) auton eggizein tè damaskô, exaifnès te auton perièstrapsen fôs ek tou ouranou,
Hnd 22,6 egeneto de moi poreuomenô kai eggizonti tè damaskô peri mesèmbrian exaifnès ek tou ouranou periastrapsai fôs ikanon peri eme
Hnd 26,12 poreuomenos eis tèn damaskon    

Twee verzen komen sterk met elkaar overeen :
(1) Lc 2,9 : kai (volgens sommige handschriften : idou = zie) aggelos kuriou epestè autois kai doxa kuriou perielampsen autous (en een engel van de Heer stond bij hen en de heerlijkheid van de Heer omstraalde hen) .
(2) Hnd 12,7 : kai idou aggelos kuriou epestè kai fôs elampsen en ... (en zie een engel van de Heer stond er en een licht straalde in ...) .

- Hnd 13,22 : euron dauid ton tou iessai, andra = ik vond David , de zoon van Jesse , een man
- Ps 89,21 : euron dauid ton doulon mou = ik vond David , mijn dienaar .

- Hnd 13,22 : euron dauid ton tou iessai, andra kata tèn kardian mou, = ik vond David , de zoon van Jesse , een man naar mijn hart .
- 1 S 13,14 : kai zètèsei kurios heautô anthrôpon kata tèn kardian autou = en de Heer zal voor zichzelf zoeken een mens naar mijn hart .

- Hnd 13,26 : hèmin o logos tès sôtèrias tautès exapestalè = aan ons werd het woord van deze redding gezonden .
- Hnd 28,28 : tois ethnesin apestalè touto to sôtèrion tou theou = aan de heidenen werd deze redding van God gezonden .
De eerste zin is uitgesproken tijdens de eerste redevoering van Paulus in Antiochië van Pisidië bij de aanvang van zijn zendingswerk . De laatste zin is gericht tot de joden in Jeruzalem en maakt deel uit van de laatste verzen van Hnd .

- Hnd 13,38 : gnôston oun estô humin, andres adelfoi, oti = mannen broeders , derhalve weze het bekend aan jullie dat
- Hnd 28,28 : gnôston oun estô humin oti = derhalve weze het bekend aan jullie dat

- Js 49,6 : idou tetheika se ... eis fôs ethnôn tou einai se eis sôtèrion heôs eschatou tès gès = zie ik heb u gesteld tot licht voor de volkeren opdat je tot redding zoudt zijn tot het uiteinde van de aarde .
- Hnd 13,47 citeert Js 49,6 : idou tetheika se eis fôs ethnôn tou einai se eis sôtèrion heôs eschatou tès gès = zie ik heb u gesteld tot licht voor de volkeren opdat je tot redding zoudt zijn tot het uiteinde van de aarde .

Hnd 16,11 = anachthentes de apo Trôados : opgevaren echter van Troas . Evenals in Hnd 13,6-13 , omsluiten Hnd 16,8 - Hnd 16,11 elkaar .
Hnd 16,8 : parelthontes de tèn Musian katebèsan eis Trôada = nadat zij echter Mysië waren langsgegaan , daalden zij af naar Troas .

Aansluitend bij Hnd 13,6a : dielthontes de holèn tèn nèson achri Pafou = doorgetrokken echter het hele eiland tot Pafos , is Hnd 17,1 : diodeusantes de tèn Amfipolin kai tèn Apollônian = nadat zij door Pamfipolis en Apollonia waren getrokken ; bij Hnd 16,8 : katebèsan eis Trôada , is : èlthon eis Thessalonikèn = gingen zij naar Thessalonika .