TAALGEBRUIK : HANDELINGEN VAN DE APOSTELEN - Hnd -
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Hnd (Handelingen)

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -

NT (NT overzicht) : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

- Hnd taalgebruik - Hnd taalgebruik A - Hnd taalgebruik B - Hnd taalgebruik C - Hnd taalgebruik D - Hnd taalgebruik E - Hnd taalgebruik F - Hnd taalgebruik G - Hnd taalgebruik H - Hnd taalgebruik I - Hnd taalgebruik J - Hnd taalgebruik K - Hnd taalgebruik L - Hnd taalgebruik M - Hnd taalgebruik N - Hnd taalgebruik O - Hnd taalgebruik P - Hnd taalgebruik Q - Hnd taalgebruik R - Hnd taalgebruik S - Hnd taalgebruik T - Hnd taalgebruik U - Hnd taalgebruik Z -
- Hnd : commentaar

Hnd 1 , Hnd 2 , Hnd 3 , Hnd 4 , Hnd 5 , Hnd 6 , Hnd 7 , Hnd 8 , Hnd 9 , Hnd 10 , Hnd 11 , Hnd 12 , Hnd 13 , Hnd 14 , Hnd 15 , Hnd 16 , Hnd 17 , Hnd 18 , Hnd 19 , Hnd 20 , Hnd 21 , Hnd 22 , Hnd 23 , Hnd 24 , Hnd 25 , Hnd 26 , Hnd 27 , Hnd 28 ,

ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch  
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
             
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts (Vlaams Blok) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat
Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik

Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


  Hnd 1 Hnd 2 Hnd 3 Hnd 4 Hnd 5 Hnd 6 Hnd 7 Hnd 8 Hnd 9 Hnd 10 Hnd 11 Hnd 12 Hnd 13 Hnd 14 Hnd 15 Hnd 16 Hnd 17 Hnd 18 Hnd 19 Hnd 20 Hnd 21 Hnd 22 Hnd 23 Hnd 24 Hnd 25 Hnd 26 Hnd 27  Hnd 28
                                                         
                                                         
                                                       
                                                       
                                                       
                                                       
                                                       
                                                         

A

- achri (tot) , zie Hnd 1,2 . Voorzetsel . In zevenenveertig verzen in de bijbel . O.T. (3) . N.T. (44) . Mt (1) . Lc (4) . Hnd (15) . Brieven (13) . Apk (11) . In drie verzen in het O.T. . In vierenveertig verzen in het N.T. . In vier verzen in Lc . In vijftien verzen in Hnd : (1) Hnd 1,2 . (2)

- afesis (vergeving) . Verwijzing : afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) , zie Mt 6,14 .

afesis  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  
nom : afesis 5 2 3         1 2    
gen : afeseôs 21 21                  
dat : afesei 8 6       2          
acc.: afesin 26 14 12 1 2 3   4 2    
totaal 60 44 14 1 2 4   5 4    

- afesin . Verwijzing : afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) , zie Mt 6,14 . Accusatief enkelvoud . In zesentwintig verzen in de bijbel . In veertien verzen in het O.T. . In twaalf verzen in het N.T. . In zes verzen in de evangelies : (1) Mt 26,28 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 3,29 . (4) Lc 3,3 . (5) Lc 4,18 . (6) Lc 24,47 . In vier verzen in Hnd : (1) Hnd 2,38 . (2) Hnd 5,31 . (3) Hnd 10,43 . (4) Hnd 26,18 . In twee verzen in Brieven : (1) Ef 1,7 . (2) Kol 1,14 .
In negen verzen in combinatie met hamartiôn (van zonden) , vandaar : zondenvergeving : (1) Mt 26,28 . (2) Mc 1,4 . . (4) Lc 3,3 . (6) Lc 24,47 . Niet in (2) Mc 3,29 . (5) Lc 4,18 . (1) Hnd 2,38 . (2) Hnd 5,31 . (3) Hnd 10,43 . (4) Hnd 26,18 . (2) Kol 1,14 . Niet in : (3) Ef 1,7 (vergeving van overtredingen) . In Hnd 13,38 lezen we afesis (nominatief) hamartiôn (zondenvergeving) , in Lc 1,77 afesei (datief) hamartiôn (zondenvergeving) .
- eis afesin tôn hamartiôn (tot vergeving van de zonden) . Verwijzing : afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) , zie Mt 6,14 . In vier verzen in het N.T. : (1) Mt 26,28 . (2) Mc 1,4 . (3) Lc 3,3 . (4) Hnd 2,38 . In Lc 1,77 lezen we afesei (datief) hamartiôn (zondenvergeving) .

- aggelos (engel) . Verwijzing : aggelos (engel) , zie Mt 13,41 . Zelfstandig naamwoord nominatief mannelijk enkelvoud . In 155 verzen in de bijbel . In 108 verzen in het O.T. . In zevenenveertig verzen in het N.T. . In elf verzen in Hnd : (1) Hnd 5,19 . (2) Hnd 7,30 . (3) Hnd 8,26 . (4) Hnd 10,7 . (5) Hnd 12,7 . (6) Hnd 12,8 . (7) Hnd 12,10 . (8) Hnd 12,15 . (9) Hnd 12,23 . (10) Hnd 23,9 . (11) Hnd 27,23 .
-- aggelos kuriou (de engel van de Heer) . In vijf verzen in Hnd :
(1) Hnd 5,19 : aggelos de kuriou = een engel van de Heer echter .
(2) Hnd 7,30 (sommige handschriften geven slechts aggelos = een engel) .
(3) Hnd 8,26 : aggelos de kuriou = een engel van de Heer echter .
(4) Hnd 12,7 : kai idou aggelos kuriou = en zie een engel van de Heer .
(5) Hnd 12,23 .

- ègagon (zij leidden) . Verwijzing : agô (leiden) , zie Lc 23,1 . Actief aorist derde persoon meervoud van het werkwoord agô (leiden , voeren) . In negenendertig verzen in de bijbel . In zesentwintig verzen in het O.T. . In dertien verzen in het N.T. : (1) Mt 21,7 . (2) Lc 4,29 . (3) Lc 4,40 . (4) Lc 19,35 . (5) Lc 22,54 : ègagon eis tèn oikian tou archiereôs = naar het huis van de hogepriester . (6) Lc 23,1 : ègagon auton epi ton Pilaton = zij leidden hem tot bij Pilatus . (7) Joh 18,13 : ègagon pros Annan = zij leidden (hem) naar Annas . In zes verzen in Hnd : (1) Hnd 6,12 : kai ègagon eis to sunedrion = en zij leidden (hem) naar het sanhedrin . (2) Hnd 17,15 . (3) Hnd 17,19 . (4) Hnd 18,12 : kai ègagon auton epi to bèma = en zij leidden hem tot de rechterstoel . (5) Hnd 20,12 . (6) Hnd 23,31 . Vaak in de betekenis van : iemand voor het gerecht brengen , voorleiden .
- agagontes (geleid) . Verwijzing : agô (leiden) , zie Lc 23,1 . Participium aorist nominatief mannelijk meervoud . In één vers in de bijbel : Hnd 5,27 . Deze bepaling verwijst naar Hnd 5,26 : ho stratègos sun tois hupèretais ègen autous = de bevelhebber samen met (zijn) onderhorigen leidde hen . In de evangelies en in Hnd wordt een vorm van agô (leiden) vaak gebruikt om aan te duiden dat iemand voor het gerecht wordt gebracht , wordt voorgeleid , van de ene naar de andere plaats onder politiebegeleiding wordt gebracht / gevoerd / geleid .

- ainounta (prijzend) . Accusatief enkelvoud . Slechts in één vers in de bijbel : Hnd 3,9 .

akatharos (onzuiver) N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
nom. m. enk. akathartos 1           1 : Ef 5,5 .      
nom. + dat vr. enk , nom + acc. onz. mv. .akatharta(i) 6   2 : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 5,13 .     1 : Hnd 8,7 . 1 : 1 Kor 7,14 . 2
nom. + acc. onz. enk. akatharton 9 1: Mt 12,43 . 4 : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 3,30 . (3) Mc 5,8 . (4) Mc 7,25 . 1 : Lc 8,29 .   3     6 : Mc 5,8 // Lc 8,29 .
gen. mann. enk. akathartou 3     1     1 1 1 1
dat. m. + onz. enk. akathartô(i) 5   3 : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 5,2 . (3) Mc 9,25 . 2        
nom. m. mv. akathartoi                    
gen. m. + vr. + onz. mv. akathartôn 4 1: Mt 10,1 . 1 : Mc 6,7 . 1   1    
dat. mv. akathartois 2   1 : Mc 1,27 . 1 : Lc 4,36 .         2 : (1) Mc 1,27 // Lc 4,36 . 2
Totaal   30 2 11 6   5 3 3 19  19 

 

- akousantes (gehoord) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . Participium aorist nominatief mannelijk meervoud . In zevenenzestig verzen in de bijbel . In vijftien verzen in het O.T. . In tweeënvijftig verzen in het N.T. . Mt (13) . Mc (7) . Lc (7) . Joh (5) . Hnd (16) . In zestien verzen in Handelingen : (1) Hnd 2,37 . (2) Hnd 4,24 . (3) Hnd 5,21 . (4) Hnd 5,33 . (5) Hnd 8,14 . (6) Hnd 9,38 . (7) Hnd 11,18 . (8) Hnd 14,14 . (9) Hnd 16,38 . (10) Hnd 17,32 . (11) Hnd 18,26 . (12) Hnd 19,5 . (13) Hnd 19,28 . (14) Hnd 21,20 . (15) Hnd 22,2 . (16) Hnd 28,15 .
-- akousantes de (gehoord echter) . In twaalf verzen in het N.T. . Mt (1) . Lc (1) . Hnd (10) : (1) Hnd 2,37 . (3) Hnd 5,21 . (5) Hnd 8,14 . (7) Hnd 11,18 . (8) Hnd 14,14 . (10) Hnd 17,32 . (11) Hnd 18,26 . (12) Hnd 19,5 . (13) Hnd 19,28 . (15) Hnd 22,2 . In deze tien verzen in Hnd staat dit telkens bij het begin van een zin . In negen verzen in het begin van een vers , niet in Hnd 18,26 .
-- akouontes (de) tauta = dat (echter) horende . In twee verzen in het N.T. : (1) Lc 4,28 : akouontes tauta = dat horende .Op het einde van de zin . (2) Hnd 7,54 : akouontes de tauta = dat echter horende . Bij het begin van de zin .
-- pantes hoi akouantes (al wie hoort) . In twee verzen in het N.T. : (1) Lc 2,47 . (2) Hnd 9,21 .
- akouontas (horende) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . Tegenwoordig deelwoord accusatief mannelijk en vrouwelijk meervoud . In zes verzen in de bijbvel . Hnd (5) : (1) Hnd 5,5 . (2) Hnd 5,11 . (3) Hnd 10,44 . (4) Hnd 17,8 . (5) Hnd 26,29 . Tenslotte : 1 Tim 4,16 .
-- pantas tous akouontas (al wie hoort) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . In vier verzen in het N.T. : (1) Hnd 5,5 . (2) Hnd 5,11 . (3) Hnd 10,44 . (4) Hnd 26,29 .
-- pantas tous akouontas tauta (al wie dat hoort) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . In drie verzen in het N.T. : (1) Hnd 5,5 . (2) Hnd 5,11 . (3) Hnd 17,8 .
- akouein (horen) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . Actief infinitief praesens . In tweeëntwintig verzen in het O.T. . In tweeënveertig verzen in de bijbel . In twintig verzen in het N.T. . Mt (1) . Mc (4) . Lc (7) . Joh (3) . Hnd (3) . In zeven verzen in Lc . : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,15 . (3) Lc 8,8 . (4) Lc 14,35 . (5) Lc 15,1 . (6) Lc 22,38 . (7) Lc 23,8 . In drie verzen in Hnd : (1) Hnd 4,19 . (2) Hnd 8,6 . (3) Hnd 17,21 .
- akousai . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 . Actief infinitief aorist . In eenenzestig verzen in de bijbel . In zeventien verzen in het N.T. . Mt (2) . Lc (3) . Hnd (11) . Jak 1,19 . In elf verzen in Hnd : (1) Hnd 10,22 . (2) Hnd 10,33 . (3) Hnd 13,7 . (4) Hnd 13,44 . (5) Hnd 15,7 . (6) Hnd 19,10 . (7) Hnd 22,14 . (8) Hnd 24,4 . (9) Hnd 25,22 . (10) Hnd 26,3 . (11) Hnd 28,22 .
-- Een vorm van het werkwoord akouô (horen, luisteren) met het lijdend voorwerp ton logon , in Hnd :
(1) Hnd 4,4 : polloi de akousantôn ton logon (velen echter van wie het woord hoorden) .
(2) Hnd 10,44 : pantas tous akouontas ton logon (al wie hoort het woord) .
(3) Hnd 13,7 : akousai ton logon tou theou (te horen het woord van God) .
(4) Hnd 13,44 : akousai ton logon tou theou (het woord van God) .
(5) Hnd 19,10 : akousai ton logon tou kuriou (te horen het woord van de Heer) .

- Amfipolin (Amfipolis) . Verwijzing : Amfipolin (Amfipolis) , zie Hnd 17,1 . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In één vers in het N.T. : Hnd 17,1 . Iets meer van vijftig km ten westen van Filippi . Een kleine vijftig km ten oosten van Tessalonica . Een stad in Macedonië. Onder macedonische en romeinse heerschappij een aanzienlijke handelsstad . Onder de Romeinen de hoofdstad van de provincie Macedonia prima . Deze stad werd door Paulus op zijn tweede zendingsreis bezocht . Het tegenwoordige Neochori .

- anèggellon (zij brachten verslag uit, verkondigden) . Imperfectum derde persoon meervoud . Verwijzing : aggelos (engel) , zie Mt 13,41 . Hapax in deze vorm in de bijbel . Dit ligt in de lijn van Lc 9,10 waarin de teruggekeerde apostelen aan Jezus vertelden hoevele dingen zij deden.

- anagô : naar boven leiden , opvaren
- anachthentes (opgevaren) . Verwijzing : agô (leiden) , zie Lc 23,1 . Passief aorist participium nominatief mannelijk en vrouwelijk meervoud van het werkwoord anagô (naar boven leiden / voeren, opvaren) . In drie verzen in de bijbel . Slechts in Hnd : (1) Hnd 13,13 . (2) Hnd 16,11 . (3) Hnd 27,4 .

- analambanô (opnemen) . Verwijzing : analambanô (opnemen) , zie Hnd 1,2 .
- anelèmfthè (hij werd opgenomen) . Passief aorist derde persoon enkelvoud . In acht verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. : (1) 2 K 2,11 : anelèmfthè ... eis ton ouranon : hij werd opgenomen naar de hemel . (2) 1 Mak 2,58 : Hlias ... anelèmfthè ... eis ton ouranon = Elia ... werd opgenomen naar de hemel . (3) Si 49,14 : anelèmfthè apo tès gès = (Henoch) werd opgenomen van de aarde . In vijf verzen in het N.T. : (1) Mc 16,19 : anelèmfthè eis ton ouranon (werd in de hemel opgenomen) . (2) Hnd 1,2 : achri hès hèmeras ... anelèmfthè = tot de dag waarop hij werd opgenomen . (3) Hnd 1,22 : heôs hèmeras hès anelèmfthè = tot de dag waarop hij werd opgenomen . (4) Hnd 10,16 . In een visioen werd aan Petrus voorgesteld om van zogenaamd onrein voedsel te eten . (4) 1 Tim 3,16 : anelèmfthè en doxèi : hij werd opgenomen in heerlijkheid .

Lc 9,51 Lc 24,50 2 K 2,1 2 K 2,9 2 K 2,11   Mc 16,19 Hnd 1,9 Hnd 1,11 
Egeneto de (het gebeurde echter) kai egeneto (en het gebeurde) kai egeneto (en het gebeurde)   kai egeneto autôn poreuomenôn eporeuonto (en het gebeurde dat zij terwijl zij aan het gaan waren, aan het gaan waren) Ho men oun kurios (Ièsous) (De heer Jezus echter derhalve) kai (en) houtos ho Ièsous (Deze Jezus)
en tôi sumplèrousthai (in het vol worden)

en tôi eulogein auton autous ('terwijl hij hen zegende)

    kai elaloun (en met elkaar praatten)  ... meta to lalèsai autois (na gesproken te hebben met hen) tauta eipôn (dat gezegd hebbende) ...    
  diestè ap'autôn (verwijderde hij zich van hen)       kai diesteilan ana meson amfoterôn (en zij - de strijdkarren en de paarden - plaatste zich tussen hen beiden - Elia en Elisa)        
tas hèmeras tès analèmpseôs autou (de dagen van zijn opneming)   en tôi anagein kurion ton Hliou ... eis ton ouranon (toen de Heer Elia ... in de hemel opnam prin è analèmfthènai me apo sou (vooraleer ik van u wordt opgenomen) kai anelèmfthè ... eis ton ouranon (en hij - Elia - werd in de hemel opgenomen) anelèmfthè eis ton ouranon (werd in de hemel opgenomen) epèrthè (werd hij opgenomen) ho analèmftheis af'humôn eis ton ouranon (die van u werd opgenomen in de hemel)
183. Het ongastvrije samaritanendorp : Lc 9,51-56 356. Afscheid en hemelvaart : Lc 24,50-53 2 K 2 ,1-18 : Elia in de hemel opgenomen 2 K 2 ,1-18 : Elia in de hemel opgenomen 2 K 2 ,1-18 : Elia in de hemel opgenomen 357. Het langere Marcusslot : Mc 16,9-20   Hnd 1  : Jezus'laatste opdracht en hemelvaart Hnd 1   : Jezus'laatste opdracht en hemelvaart

- Anananias (Ananias) , zie Hnd 5,1 . In negentien verzen in de bijbel . O.T. (11) . N.T. (8) en wel in Hnd : (1) Hnd 5,1 . (2) Hnd 5,5 . (3) Hnd 9,10 . (4) Hnd 9,13 . (5) Hnd 9,17 . (6) Hnd 22,12 . (7) Hnd 23,2 . (8) Hnd 24,1 .

- anastasis (opstanding) . Verwijzing : egeirô (ontwaken, opwekken) , zie Mc 1,31 .

anastasis (opstanding) bijbel  N.T.  Lc  Hnd  Lc   Hnd 
nom. enk. anastasis 7 6        
gen. enk. anastaseôs 19 16 2 6 (1) Lc 20,35 . (2) Lc 20,36 .   (1) Hnd 1,22 . (2) Hnd 2,31 . (3) Hnd 4,33 . (4) Hnd 23,6 . (5) Hnd 24,21 . (6) Hnd 26,23
dat. enk. anastasei 7 7 2   (1) Lc 14,14 . (2) Lc 20,33 .    
acc. enk.anastasin 13 11 2 5 (1) Lc 2,34 . (2) Lc 20,27 .   (1) Hnd 4,2 . (2) Hnd 17,18 . (3) Hnd 17,32 . (4) Hnd 23,8 . (5) Hnd 24,15
Totaal   46 40 6 11    

gen. mv. nekrôn opstanding uit doden : (2) Hnd 4,2 . (10) Hnd 17,32 . (11) Hnd 23,6 . (12) Hnd 24,21 . (13) Hnd 26,23 .

- verwijzing naar de opstanding van Jezus :
-- (1) Hnd 1,22 : martura tès anastaseôs autou (getuige van zijn opstanding) .
-- (2) Hnd 2,31 : peri tès anastaseôs tou Christou (over de opstanding van Christus) .
-- (3) Hnd 4,33 : to marturion ... tès anastaseôs tou kuriou Ièsou (het getuigenis van de opstanding van de Heer Jezus) .
-- (1) Hnd 4,2 : kai kataggellein en tôi Ièsou tèn anastasin tèn ek nekrôn (en aan te kondigen de opstanding die uit doden) .
-- (2) Hnd 17,18 : hoti ton Ièsoun kai tèn anastasin euèggelizeto (want hij verkondigde Jezus en de opstanding) .
- anastaseôs nekrôn (van een opstanding van doden) . (4) Hnd 23,6 . (5) Hnd 24,21 . (6) Hnd 26,23 .  of (11) Hnd 23,6 . (12) Hnd 24,21 . (13) Hnd 26,23
-- tèn anastasin tès ek nekrôn (de opstanding die uit doden) : Hnd 4,2 .
-- anastasin nekrôn (een opstanding van doden) : Hnd 17,32 .
In Hnd zijn er elf verzen met een vorm van het zelfstandig naamwoord anastasis (opstanding) . Meestal verwijst opstanding naar opstanding uit (de) doden . In negen verzen is er sprake over (de) opstanding van / uit (de) doden . In vijf verzen verwijst de opstanding naar de opstanding uit de doden . Bij het zelftstandig naawoord 'opstanding' staat dan telkens het bepaald lidwoord .

- anèr (man) . Verwijzing : anèr (man) , zie Lc 5,12 . Het komt in 480 verzen in de bijbel voor . In 432 verzen in het O.T. . In achtenveertig verzen in het N.T. . In negen verzen bij Lucas : In veertien verzen in Hnd :
(1) Hnd 3,2 (kai tis anèr chôlos... = en een man , lam ...) .
(2) Hnd 5,1 (anèr de tis Ananias onomati = een man echter, Ananias met name) .
(3) Hnd 8,9 (anèr de tis onomati Sumeôn = een man echter, met name Simeon) .
(4) Hnd 8,27 (kai idou anèr Aithiops = en zie een Ethiopisch man) .
(5) Hnd 10,1 (anèr de tis en Kaisareiai onomati Kornèlios = een man echter in Caesarea, met name Cornelius) .
(6) Hnd 10,28 (Cornelius - anèr dikaios kai foboumenos ton theon = een rechtvaardig en godvrezend man) .
(7) Hnd 10,30 (kai idou anèr - Paulus - = en zie een man) .
(8) Hnd 11,24 (Barnabas - hoti èn anèr agathos kai plèrès pneumatos hagiou kai pisteôs = want hij was een goed man en vol van heilige geest en van geloof) .
(9) Hnd 14,8 (kai tis anèr = en een man) .
(10) Hnd 16,9 (anèr Makedôn tis = een Macedoniër) .
(11) Hnd 18,24 (Apollo - anèr logios = een welbespraakt man) .
(12) Hnd 22,3 (egô eimi anèr Ioudaios = ik ben een jood) .
(13) Hnd 22,12 (Ananias de tis, anèr eulabès... = Een Ananias, een godsvruchtig man) .
(14) Hnd 25,14 (anèr tis = welke man) .
In vijf van de veertien verzen in Hnd staat anèr (man) vooraan de zin : (2) Hnd 5,1 . (3) Hnd 8,9 . (5) Hnd 10,1 . (10) Hnd 16,9 . (14) Hnd 25,14 . In drie verzen ervan (2) Hnd 5,1 . (3) Hnd 8,9 . (5) Hnd 10,1 .Het woord anèr (man) wordt gevolgd door het partikel de (echter) en het onbepaald voornaamwoord tis (een bepaald iemand) . In deze drie verzen wordt dan de concrete naam gegeven : (2) Hnd 5,1 (anèr de tis Ananias onomati = een man echter, Ananias met name) . (3) Hnd 8,9 (anèr de tis onomati Sumeôn = een man echter, met name Simeon) . (5) Hnd 10,1 (anèr de tis en Kaisareiai onomati Kornèlios = een man echter in Caesarea, met name Cornelius) . Deze constructie vinden we ook in Hnd 18,24 waar Ioudaious (jood) het woord anèr (man) vervangt ; wellicht omdat anèr (man) nog verder in de zin vermeld wordt . Hnd 18,24 (Ioudaios de tis Apollôs onomati = een jood echter , Apollo met name ) .
- De constructie kai tis anèr (en een man) komt tweemaal in Hnd voor : (1) Hnd 3,2 . (2) Hnd 14,8 . In beide teksten staat het aan het begin van een vers en van de beschrijving van de noodlijdende . In deze beide teksten gaat het om de genezing van een lamme : Hnd 3,1-10 en Hnd 14,8-20 . In deze beide teksten draagt de man geen naam of wordt zijn afkomst niet vermeld .
-- anèr de tis onomati (een bepaalde man echter met naam) . In het N.T. slechts in dit vers Hnd 5,1 .
-- De constructie kai tis anèr (en een man) komt tweemaal in Hnd voor : (1) Hnd 3,2 . (2) Hnd 14,8 . In beide teksten staat het aan het begin van een vers en van de beschrijving van de noodlijdende . In deze beide teksten gaat het om de genezing van een lamme : Hnd 3,1-10 en Hnd 14,8-20 . In deze beide teksten draagt de man geen naam of wordt zijn afkomst niet vermeld .
- andres adelfoi . Nominatief mannelijk meervoud . In een vers in het N.T. Vocatief mannelijk meervoud . In dertien verzen in het N.T. : (1) Hnd 1,16 . (2) Hnd 2,29 . (3) . Zie Hnd 1,16 .

- anistèmi (opstaan) .

anistèmi (opstaan) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  Lc Hnd  
ind. fut. pr. 1ste p. enk. anastèsô 19 15 4       4          
ind. fut. 3de p. enk. anastèsei 8 5 3 1       2       (1) Hnd 3,22 . (2) Hnd 7,37 .
ind. aor. 3de p. enk. anestèsen 13 9 4         4       (1) Hnd 2,24 . (2) Hnd 2,32 . (3) Hnd 9,41 . (4) Hnd 13,34 .
inf. aor. anastènai 20 13 7   2 2 1 2 (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,46 .       (1) Hnd 10,41 . (2) Hnd 17,3 .
part. aor. nom. m. enk. anastèsas 3   3         3       (1) Hnd 13,26 . (2) Hnd 13,33 . (3) Hnd 17,31 .
  63 42 21 1 2 2 5 11        

gen. mv. nekrôn God - deed - opstaan uit doden : (1) Hnd 10,41 . (2) Hnd 13,34 . (3) Hnd 17,3 . (4) Hnd 17,31 .

- antiocheia(i) (Antiochië) . Verwijzing : Antiocheia (Antiochië) , zie Hnd 11,19 . Nominatief of datief vrouwelijk enkelvoud . In de bijbel slechts de datief in combinatie met het voorzetsel en (in) . In vijf verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In vier verzen in het N.T. : (1) Hnd 11,26 . (2) Hnd 13,1 . (3) Hnd 15,35 . (4) 2 Tim 3,11 .
Antiocheias (Antiochië) . Antiocheia (Antiochië) . Verwijzing : Antiocheia (Antiochië) , zie Hnd 11,19 . Genitief vrouwelijk enkelvoud . In vijf verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. In drie verzen in het N.T. . In Hnd 11,19 en Hnd 11,22 staat de genitief na het voorzetsel heôs (tot) , in Hnd 14,19 na het voorzetsel apo (van, vanuit) .
antiocheian (Antiochië) . Verwijzing : Antiocheia (Antiochië) , zie Hnd 11,19 . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In tweeëntwintig verzen in de bijbel . In elf verzen in het O.T. (1 Mak en 2 Mak) . In elf verzen in het N.T. . In tien verzen voorafgegaan door eis (naar) . Niet in Hnd 15,23 (kata tèn antiocheian = tot Antiochië behorend) .
Er zijn meerdere steden die Antiochië heten , o.a. Antiochië aan de Orontes en Antiochië van Pisidië . Antiochië aan de Orontes was de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië en een van de grootste steden van het Romeinse Rijk . Antiochië van Pisidië lag zo'n 200 km landinwaarts, ten noorden van het Taurusgebergte, vlak bij of in de landstreek Pisidië, een deel van de Romeinse provincie Galatië . Het huidige Yalvaç of Yalobatch .
Onder verschillende vormen komt Antiochië in zeventien verzen in het N.T. voor : (1) Hnd 11,19 (genitief) . (2) Hnd 11,20 (accusatief) . (3) Hnd 11,22 (genitief) . (4) Hnd 11,26 (accusatief en datief) . (5) Hnd 11,27 (accusatief) . (6) Hnd 13,1 (datief) . (7) Hnd 13,14 (Antiochië van Pisidië ; accusatief) . (8) Hnd 14,19 (Antiochië van Pisidië ; genitief) . (9) Hnd 14,21 (Antiochië van Pisidië ; accusatief) . (10) Hnd 14,26 (accusatief) . (11) Hnd 15,22 (accusatief) . (12) Hnd 15,23 (accusatief) . (13) Hnd 15,30 (accusatief) . (14) Hnd 15,35 (datief) . (15) Hnd 18,22 (accusatief) . (16) Gal 2,11 (accusatief) . (17) 2 Tim 3,11 .
In Hnd 11,19 komt de stad Antiochië aan de Orontes voor het eerst voor .

- Antipatris . Stad in de Sefela tussen Jeruzalem en Caesarea, op de plaats van het oude Afek door Herodes de Grote gebouwd en naar zijn vader Antipater genoemd . Paulus kwam er , toen hij vanuit Jeruzalem naar Caesarea in veiligheid werd gebracht (Hnd 23,31) .

- antistènai (weerstaan, tegenstaan) . Verwijzing : histèmi (doen staan) , zie Lc 24,36 . Infinitief aorist . In twaalf verzen in de bijbel . In acht verzen in het O.T. .In vier verzen in het N.T. :
(1) Mt 5,39 .
(2) Lc 21,15 : egô gar dôsô humin stoma kai sofian hèi ou dunèsontai antistènai ... = want ik zal jullie een mond en wijsheid geven waaraan zij niet zullen kunnen weerstaan) .
(3) Hnd 6,10 : kai ouk ischuon antistènai tèi sofiai kai tôi pneumati hôi elalei = en zij konden niet weerstaan aan de wijsheid en aan de geest waarmee hij sprak )
(4) Ef 6,13 : hina dunèthète antistènai = opdat jullie zouden kunnen weerstaan .

- apaggellô (af-kondigen) . apèggeilen (hij kondigde af) . Verwijzing : aggelos (engel) , zie Mt 13,41 . Actief aorist derde persoon enkelvoud van het werkwoord apaggellô : berichten , afkondigen , rapporteren , vertellen . In zesenzestig verzen in de bijbel . In tien verzen in het N.T. . In zeven verzen in Hnd : (1) Hnd 5,25 . (2) Hnd 11,13 . (3) Hnd 12,14 . (4) Hnd 16,36 . (5) Hnd 22,26 . (6) Hnd 23,16 . (7) Hnd 28,21 .

- apodexamenoi (ont-vangen) . Verwijzing : dechomai (ontvangen) , zie Mt 10,40 . Mediaal participium aorist nominatief mannelijk meervoud . Slechts in één vers in de bijbel : Hnd 2,41 : hoi men oun apodexamenoi ton logon autou (enerzijds zij die derhalve zijn woord ont-vingen) .

- Apollônia (Apollonia) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud Apollônian . In één vers in de bijbel : Hnd 17,1 . Aan Apollo gewijd . Stad in Macedonië , halfweg tussen Amfipolis en Tessalonika (Saloniki) aan het Bolbe - (nu Besjik-) meer . Door Paulus op zijn tweede missiereis bezocht .

- apestalè (hij werd gezonden) . Verwijzing : apostellô (wegsturen, zenden) , zie Joh 1,6 . Passief aorist derde persoon enkelvoud . In twaalf verzen in de bijbel . In tien verzen in het O.T. . In twee verzen in het N.T. : (1) Lc 1,26 . (2) Hnd 28,28 . exapestalè (hij werd uitgezzonden) . Passief tweede aorist derde persoon enkelvoud . In één vers in de bijbel nl. Hnd 13,26 .
- apostolois (aan de apostelen) .Verwijzing : apostoloi (apostelen) , zie Mc 3,14 . Datief mannelijk meervoud . In zes verzen in de bijbel . Hnd (3) . Brieven (3) . In drie verzen in Hnd : (1) Hnd 1,2 . (2) Hnd 14,4 . (3) Hnd 15,22 .

- archomai (beginnen , aan het hoofd staan , heersen) .

archomai (beginnen, aanvangen) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  Lc Hnd  
ind. pr. 3de p. enk. archetai 1 1                    
ind. pr. 3de p. mv. archontai -                      
ind imp. 3de p. enk.                        
ind. imp. 3de p. mv.                        
ind. aor. 3de p. enk. èrxato 76 35 41 7 18 11 1 4     (1) Lc 4,21 .  (2) Lc 7,15 . (3) Lc 7,24 . (4) Lc 7,38 . (5) Lc 9,12 . (6) Lc 11,29 . (7) Lc 12,1 . (8) Lc 14,30 . (9) Lc 15,14 . (10) Lc 19,45 . (11) Lc 20,9 . (1) Hnd 1,1 . (2) Hnd 18,26 . (3) (3) Hnd 24,2 . (4) Hnd 27,35
ind. aor. 3de p. mv. èrxanto 37 18 19 2 8 8   1        
inf. aor. arxasthai 5 3 2         1 1     (1) Hnd 11,15 .
part. aor. nom. m. + vr. enk. arxamenos 11 3 8 2   2   4     (1) Lc 23,5 . (2) Lc 24,27 . (1) Hnd 1,22 . (2) Hnd 8,35 . (3) Hnd 10,37 . (4) Hnd 11,4 .
part. aor. nom. m. + vr. mv. arxamenoi 2   2     1 1       (1) Lc 24,47   
                         


- èrxato (hij begon) , zie Mc 1,45 . Actief aorist derde persoon enkelvoud van het werkwoord archomai (beginnen) . In zesenzeventig verzen in de bijbel . O.T. (35) . N.T. (41) . Mt (7) . Mc (18) . Lc (11) . Joh (1) . Hnd (4) .
In vier verzen in Handelingen : (1) Hnd 1,1 . (2) Hnd 18,26 . (3) Hnd 24,2 . (4) Hnd 27,35 .
(1) Hnd 1,1 : èrksato ho Ièsous poiein te kai didaskein : Jezus begon zowel te handelen als te onderrichten . Het optreden van Jezus wordt samengevat in woord en daad . In Mc 1,45 stelden we vast dat erxato (hij begon) een inclusio vormt met archè (begin) van Mc 1,1 . We staan hier aan het begin van een boek , maar tevens aan het begin van een verhaal over Jezus .
(2) Hnd 18,26 : èrksato parrèsiazesthai : hij begon vrijmoedig te spreken .
(3) Hnd 24,2 : èrksato katègorein = hij begon te beschuldigen .
(4) Hnd 27,35 : èrksato esthiein = hij begon te eten .
- arxamenos (begonnen) . Verwijzing : archomai (beginnen) , zie Mc 1,45 . Aorist participium nominatief mannelijk enkelvoud van het werkwoord archomai (beginnen, heersen) . In elf verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In acht verzen in het N.T. : (1) Mt 14,30 .
(2) Mt 20,8 : arxamenos apo ... heôs ... = begonnen vanaf ... tot .
(3) Lc 23,5 : kai arxamenos apo tès Galilaias heôs hôde = en begonnen vanaf Galilea tot hier .
(4) Lc 24,27 : kai arxamenos apo Moüseôs kai pantôn tôn profètôn = en begonnen vanaf Mozes en al de profeten .
(5) Hnd 1,22 : arxamenos apo tou baptismatos tou Iôannou heôs tès hèmeras hès anelèfthè af' èmôn = begonnen vanaf het doopsel van Johannes tot de dag waarop hij werd opgenomen van ons .
(6) Hnd 8,35 : kai arxamenos apo tès grafès tautès = en begonnen van deze schrifttekst .
(7) Hnd 10,37 : arxamenos apo tès Galilaias meta to baptisma ho ekèruxen Iôannès = begonnen vanaf Galilea na het doopsel dat Johannes verkondigde .
(8) Hnd 11,4 .
-- arxamenos apo (begonnen vanaf) . In zes van de acht verzen in het N.T. . Niet in Mt 14,30 en Hnd 11,4 .

archè (begin) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc Hnd
nom. + dat enk. archè (i) 82 70 12 1 2 1 2 1 2 3 (1) Lc 20,20 . (1) Hnd 11,15 .
gen. enk. archès 97  72  25  3 14    (1) Lc 1,2 . (1) Hnd 26,4 .
dat. enk. zie nom.                        
acc. enk. archèn 35   29               
nom. mv. archai                
gen. mv. archôn zie part. pr. 124  116        (1) Lc 8,41 . (2) Lc 18,18  
dat. mv. archais             (1) Hnd 10,11 . (2) Hnd 11,5 .  
acc. mv. archas 22  18               
Totaal                          

- archiereus (hogepriester) . Verwijzing : archiereis (hogepriesters) , zie Mt 2,4 . De eerste in de rij van priesters .

archiereus (hogepriester) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk     
nom. enk. archiereus 37 9 28 3 3   4 9 9      
gen. enk. archiereôs 29 13 16 3 4 3 4 1 1      
dat. enk. archierei 10 7 3       2 1        
acc. enk. archierea 16 7 9 1 1   1 1 5      
nom. + acc. mv. archiereis 50   50 12 11 10 9 6 2      
gen. mv. archiereôn 10   10 3 2 1 1 3        
dat. mv. archiereusin 6   6 3 1 1   1        
Totaal   158  36  122  25  22  15  21  22  17       

archiereus (hogepriester) Lc  Hnd 
nom. enk. archiereus   9 : (1) Hnd 4,6 . (2) Hnd 5,17 . (3) Hnd 5,21 . (4) Hnd 5,27 . (5) Hnd 7,1 . (6) Hnd 22,5 . (7) Hnd 23,2 . (8) Hnd 23,5 . (9) Hnd 24,1 .
gen. enk. archiereôs 3 : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 22,50 . (3) Lc 22,54 . 1 : Hnd 19,14 .
dat. enk. archierei   1 : Hnd 9,1 .
acc. enk. archierea   1 : Hnd 23,4 .
nom. + acc. mv. archiereis 10 : (1) Lc 19,47 (// Mc 11,18 , zie schema Mc 7,1) . (2) Lc 20,1 . (3) Lc 20,19 (// Mc 12,12 // Mt 21,46) . (4) Lc 22,2 (// Mc 14,1 // Mt 26,3) . (5) Lc 22,52 . (6) Lc 22,66 . (7) Lc 23,4 . (8) Lc 23,10 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 24,20 . 6 : (1) Hnd 4,23 . (2) Hnd 5,24 . (3) Hnd 9,21 . (4) Hnd 22,30 . (5) Hnd 25,2 . (6) Hnd 25,15 .
gen. mv. archiereôn 1 : Lc 9,22 . 3 : (1) Hnd 9,14 . (2) Hnd 26,10 . (3) Hnd 26,12 .
dat. mv. archiereusin 1 : Lc 22,4 . 1 : Hnd 23,10 .
Totaal   15  22 

- èresen (- het woord - behaagde) . Aorist derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord areskô (bevallen , behagen) . In achtentwintig verzen in de bijbel . In vierentwintig verzen in het O.T. . In vier verzen in het N.T. .

- arithmos (getal, aantal) , zie Hnd 4,4 . In Hnd 2,41 is er sprake van 3000 , in Hnd 4,4 van 5000 .

arithmos (getal, aantal) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc Hnd
nom. enk. 59 50 9         4 1 4   (1) Hnd 4,4 . (2) Hnd 5,36 . (3) Hnd 6,7 . (4) Hnd 11,21 .
gen. enk. 5 3 2     1       1 (1) Lc 22,3  
dat. enk. 27 26 1         1       (1) Hnd 16,5 .
acc. enk. 74 69 5       1     4    
Totaal   165  148  17         

- Assos . Stad aan de Egeïsche zee , in de golf van Edremit .
"Als het hele gezelschap in Troas is aangekomen, wil Paulus per se alleen te voet naar Assus. De afstand bedraagt ongeveer 40 km. Met het schip is de afstand groter. Het landschap tussen Troas en Assus vind ik nog altijd een schitterend wandelgebied. Lichtglooiende heuvelruggen afgewisseld met uitgestrekte vruchtbare vlakten zoals in Limburg. Lopend langs de kustlijn zie je telkens de zee rechts beneden je. Paulus zal na die drukke dagen in Troas eens een tijdje alleen willen zijn. Ik denk ook dat hij zich wilde voorbereiden op wat hem in Jeruzalem te wachten stond. Ik loop een gedeelte van de weg die Paulus ook is gegaan. Wat heeft Paulus gezien? Als hij een dag gelopen heeft ziet hij op grote afstand boven op de acropolis van Assus de beroemde tempel van Athene liggen. Deze is van 530 vóór Chr. Wandelend door Assus vond ik enkele zuilen van deze tempel terug in de nieuwbouw. De acropolis lag op een terrasvormige trachietkegel van 234 km. hoogte. Boven op deze acropolis heb je een schitterend uitzicht op de Egeïsche zee. Van hieruit kon Paulus ook het reisgezelschap uit Troas zien aankomen." Website : http://www.bijbelseplaatsen.nl/plaatsen/Assus.htm .

- atenisas (strak aangekeken) . Participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud . atenizô : gespannen / strak aankijken . In zeven verzen in de bijbel . Enkel in Hnd : (1)

- tèi (de = echter / oun = derhalve, bijgevolg) epaurion ('s anderendaags) . Verwijzing : tèi epaurion ('s anderendaags) , zie Joh 1,35 . ep (afkorting van epi : op , bij) - aurion (morgen) . In zeventien verzen in het N.T. . In tien verzen tèi epaurion (a) , in zes verzen tèi de epaurion (b) , in één vers tèi oun epaurion (c) . In tien verzen in Hnd : (1) Hnd 10,9 (b) . (2) Hnd 10,23 (b) . (3) Hnd 10,24 (b) . (4) Hnd 14,20 (a) . (5) Hnd 20,7 (a) . (6) Hnd 21,8 (b) . (7) Hnd 22,30 (b) . (8) Hnd 23,32 (b) . (9) Hnd 25,6 (a) . (10) Hnd 25,23 (c) .

- auto (zelf) . Verwijzing : autos (hij zelf) , zie Lc 24,36 . Nominatief en accusatief onzijdig enkelvoud . In 490 verzen in de bijbel . In 101 verzen in het N.T. . In acht verzen in Hnd : (1) Hnd 1,15 . (2) Hnd 2,1 . (3) Hnd 2,44 . (4) Hnd 2,47 . (5) Hnd 4,26 . (6) Hnd 7,6 . (7) Hnd 14,1 . (8) Hnd 27,6 .
-- epi to auto (op hetzelfde - op dezelfde plaats) . Verwijzing : autos (hij zelf) , zie Lc 24,36 . In tien verzen in het N.T. : (3) Hnd 1,15 . (4) Hnd 2,1 . (5) Hnd 2,44 . (6) Hnd 2,47 . (7) Hnd 4,26 .

- auxanô (doen groeien , toenemen, vermeerderen) . Groeien kan een kind , een groep, een volk enz.

auxanô (vermeerderen) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  Lc Hnd  
ind. pr. 3de p. enk. auxanei 1   1     1         (1) Lc 12,27 .  
ind. pr. 3de p. mv. auxanousin 1   1 1                
imp. pr. 2de p. mv. auxanesthe 5 5                    
ind imp. 3de p. enk. èuxanen 6   6     2   3 1   (1) Lc 1,80 . (2) Lc 2,40 (1) Hnd 6,7 . (2) Hnd 12,24 . (3) Hnd 19,20
ind. imp. 3de p. mv.                        
ind. aor. 3de p. enk. èuxèsen 7 5 2     1   1     (1) Lc 13,19 . (1) Hnd 7,17 .
ind. aor. 3de p. mv.                        
inf. aor.                        
part. aor. nom. m. + vr. enk.                        
part. aor. nom. m. + vr. mv.                        
                         

- èuxanen (groeide op) . Verwijzing : auxanô (doen groeien, vermeerderen) , zie Lc 2,40 . Actief imperfectum derde persoon enkelvoud van het werkwoord auxanô (doen groeien, vermeerderen) . In zes verzen in de bijbel , slechts in het N.T. : (1) Lc 1,80 . (2) Lc 2,40 . (3) Hnd 6,7 . (4) Hnd 12,24 . (5) Hnd 19,20 . (6) 1 Kor 3,6 . Onderwerp van deze groei is to paidion (het kind) : (1) Lc 1,80 . (2) Lc 2,40 , het woord van God : (3) Hnd 6,7 . (4) Hnd 12,24 , het woord van de Heer : (5) Hnd 19,20 , God zelf (6) (1 Kor 3,6) . In vijf van de zes zinnen volgt een nevenschikkende zin , die de eerste zin aanvult : to de paidion èuxanen kai ekrataiouto : (1) Lc 1,80 (Johannes de Doper) . (2) Lc 2,40 (Jezus) .
-- Drie teksten met enkele varianten :
(1) Hnd 6,7 : kai ho logos tou theou (het woord van God) èuxanen (groeide) .
(2) Hnd 12,24 : ho de logos tou theou (het woord van God echter) èuxanen (groeide) .
(3) Hnd 19,20 : tou kuriou ho logos (het woord van de Heer) èuxanen (groeide) .
- auxanesthe §vermeerder je) . In vijf verzen in Gn .

- azumôn (ongedesemde broden) . Genitief onzijdig meervoud . In tweeëntwintig verzen in de bijbel . In zestien verzen in het O.T. : (1) Ex 23,15 . In zes verzen in het N.T. : (1) Mt 26,17 . (2) Mc 14,12 . (3) Lc 22,1 . (4) Lc 22,7 . (5) Hnd 12,3 . (6) Hnd 20,6 .

B

- ebaptisen (hij doopte) . Verwijzing : baptizô (dopen) , zie Mt 3,13 . Zie ook : baptizô (dopen) , zie Mc 1,8 . In vier verzen in de bijbel . Slechts in het N.T. : (1) Hnd 1,5 . (2) Hnd 8,38 . (3) Hnd 11,16 . (4) Hnd 19,4 .
- ebaptizonto (zij werden gedoopt) . Verwijzing : baptizô (dopen) , zie Mt 3,13 . Zie ook : baptizô (dopen) , zie Mc 1,8 . Passief imperfectum derde persoon meervoud . In vijf verzen in de bijbel . Slechts in het N.T. : (1) Mt 3,6 . (2) Mc 1,5 . (3) Joh 3,23 . (4) Hnd 8,12 . (5) Hnd 18,8 .

Mc 1,8 egô (ik)       ebaptisa (doopte) humas (jullie) hudati (met water)  
  autos (hij) de (echter)     baptisei (zal dopen) humas (jullie) pneumati hagiôi (met heilige geest)  
Mt 3,11 egô (ik) men (enerzijds) humas (jullie)   baptizô (doop)   en hudati (met water) eis metanoian (tot bekering)
  autos (hij)   humas (jullie)   baptisei (zal dopen)   en pneumati hagiôi kai puri (met heilige geest en vuur)  
Lc 3,16 egô (ik) men  (enerzijds)   hudati (met water) baptizô (doop) humas (jullie)    
  autos (hij)   humas (jullie)   baptisei (zal dopen)   en pneumati hagiôi kai puri (met heilige geest en vuur)  
Joh 1,26 egô (ik)       baptizô (doop)   en hudati (met water)  
Hnd 1,5 (hoti) Iôannès (want) (Johannes) men (enerzijds)     ebaptisen (doopte)   hudati (met water)  
  humeis (jullie) de (echter)   en pneumati (met geest) baptisthèsesthe (zullen gedoopt worden)   hagiôi (heilige)  
Hnd 8,38 (kai) (en)       ebaptisen (doopte) auton (hem)    
Hnd 11,16 Iôannès (Johannes) men (enerzijds)     ebaptisen(doopte)   hudati (met water)  
  humeis (jullie) de (echter)     baptisthèsesthe (zullen gedoopt worden)   en pneumati hagiôi (met heilige geest)  
Hnd 19,4 Iôannès (Johannes)       ebaptisen baptisma (doopte een doopsel)     metanoias (van bekering)

- baptisthèsesthe (jullie zullen gedoopt worden) . Verwijzing : baptizô (dopen) , zie Mt 3,13 . Passief futurum tweede persoon meervoud . In drie verzen in de bijbel . Slechts in het N.T. : (1) Mc 10,39 . (2) Hnd 1,5 . (3) Hnd 11,16 .
- baptistheis (gedoopt geworden) . Verwijzing : baptizô (dopen) , zie Mt 3,13 . Passief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud . In drie verzen in de bijbel . Slechts in het N.T. (1) Mt 3,16 . (2) Mc 16,16 . (3) Hnd 8,13 .
- baptisthènai (gedoopt te worden) . Verwijzing : baptizô (dopen) , zie Mt 3,13 . Passief aorist infinitief . In tien verzen in de bijbel . Slechts in het N.T. : (1) Mt 3,13 . (2) Mt 3,14 . (3) Mc 10,38 . (4) Lc 3,7 . (5) Lc 3,12 . (6) Lc 3,21 . (7) Lc 12,50 . (8) Hnd 8,36 . (9) Hnd 10,47 . (10) Hnd 10,48 .
- baptisma (doopsel) . Verwijzing : baptizô (dopen) , zie Mt 3,13 . In zeventien verzen in het N.T. : (1) Mt 3,7 . (2) Mt 21,25 . (3) Mc 1,4 . (4) Mc 10,38 . (5) Mc 10,39 . (6) Mc 11,30 . (7) Lc 3,3 . (8) Lc 7,29 . (9) Lc 12,50 . (10) Lc 20,4 . (11) Hnd 10,37 . (12) Hnd 13,24 . (13) Hnd 18,25 . (14) Hnd 19,3 . (15) Hnd 19,4 . (16) Ef 4,5 . (17) 1 Pe 3,21 .

- Barnabas (Barnabas) . Verwijzing : Barnabas (Barnabas) , zie Hnd 4,36 . In allerlei vormen komt het woord achtentwintig maal voor .
Tienmaal als nominatief enkelvoud (Barnabas) : (1) Hnd 4,36 . (2) Hnd 9,27 . (3) Hnd 12,25 . (4) Hnd 13,1 . (5) Hnd 13,46 . (6) Hnd 14,14 . (7) Hnd 15,35 . (8) Hnd 15,37 . (9) 1 Kor 9,6 . (10) Gal 2,13 .
Tweemaal als genitief enkelvoud : (1) Hnd 11,30 . (2) Hnd 15,12 .
Achtmaal als datief enkelvoud : (1) Hnd 13,43 . (2) Hnd 14,20 . (3) Hnd 15,2 . (4) Hnd 15,22 . (5) Hnd 15,25 . (6) Gal 2,1 . (7) Gal 2,9 . (8) Kol 4,10 .
Achtmaal als accusatief enkelvoud Barnaban : (1) Hnd 11,22 . (2) Hnd 13,2 . (3) Hnd 13,7 . (4) Hnd 13,50 . (5) Hnd 14,12 vermelding van Barnabas en Paulus die als goden op aarde worden beschouwd . (6) Hnd 15,2 : Paulon kai Barnaban = Paulus en Barnabas . (7) Hnd 15,36 : eipen pros Barnaban Paulos = zei Paulus tot Barnabas . (8) Hnd 15,39 .
Dit geeft het volgende overzicht :
(1) Hnd 4,36 . (2) Hnd 9,27 . (3) Hnd 11,22 .
(4) Hnd 11,30 : Barnaba kai Saulou = van Barnabas en Saulus . .
(5) Hnd 12,25 : Barnabas de kai Saulos = Barnabas echter en Saulus .
(6) Hnd 13,1 : ho te Barnabas ... kai Saulos : zoals Barnabas ... en Saulus .
(7) Hnd 13,2 : ton Barnaban kai Saulon = zonder mij Barnabas en Saulus af .
(8) Hnd 13,7 : houtos proskalesamenos Barnaban kai Saulon = deze riep Barnabas en Saulus bij zich .
(9) Hnd 13,43 : tôi Paulôi kai tôi Barnabai = Paulus en Barnabas .
(10) Hnd 13,46 : tôi Paulôi kai tôi Barnabai = zij volgden Paulus en Barnabas .
(11) Hnd 13,50 : epègeiron diôgmon epi ton Paulon kai Barnaban = zij ontketenden een vervolging tegen Paulus en Barnabas .
(12) Hnd 14,12 vermelding van Barnabas en Paulus die als goden op aarde worden beschouwd .
(13) Hnd 14,14 : hoi apostoloi Barnabas kai Paulos = de apostelen Barnabas en Paulus .
(14) Hnd 14,20 : sun tôi Barnabai = Paulus ging de stad uit met Barnabas .
(15) Hnd 15,2 (tweemaal) meningsverschil met de Judeeërs : tôi Paulôi kai tôi Barnabai ; Paulon kai Barnaban = Paulus en Barnabas .
(16) Hnd 15,12 : Barnaba kai Paulou = zij luisterden naar Barnabas en Paulus .
(17) Hnd 15,22 : sun tôi Paulôi kai Barnabai = samen met Paulus en Barnabas .
(18) Hnd 15,25 : sun tois agapètois hèmôn Barnabai kai Paulôi = samen met onze geliefden Barnabas en Paulus .
(19) Hnd 15,35 : Paulos de kai Barnabas = Paulus echter en Barnabas .
(20) Hnd 15,36 : eipen pros Barnaban Paulos = zei Paulus tot Barnabas .
(21) Hnd 15,37 . (22) Hnd 15,39 . (23) 1 Kor 9,6 . (24) Gal 2,1 . (25) Gal 2,9 . (26) Gal 2,13 . (27) Kol 4,10 .
Barnabas was een bijnaam die hem door de apostelen werd gegeven . Hij heette echter Jozef . Hij was een leviet en was afkomstig uit Cyprus (Hnd 4,36 - Hnd 4,37) . Barnabas verkocht wat hij bezat (Hnd 4,36 - Hnd 4,37) en sloot zich bij de gemeente van Jeruzalem aan . Barnabas bracht Saulus bij de apostelen (Hnd 9,27) . Hij werd door Jeruzalem naar Antiochië gestuurd om te zien wat daar aan het gebeuren was . Hij was enthousiast en bemoedigde de leerlingen . Hij bracht Saulus naar Antiochië (Hnd 11,25 - Hnd 11,26) . Barnabas en Paulus ontvingen verschillende opdrachten (Hnd 11,30 . Hnd 12,25 . Hnd 13,2 - Hnd 13,3 . Hnd 15,2 . Hnd 15,22 . Hnd 15,25) . Barnabas maakte de eerste zendingsreis van Paulus mee (Hnd 13,4-14,27) . Vanaf Hnd 13,13 nam Paulus de leiding . In Hnd 15,39 gingen Barnabas en Paulus uit elkaar na een meningsverschil over Johannes Marcus .

- basileia (koninkrijk) .

basileia (koninkrijk) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  syn. ev.
nom. + dat enk. basileia(i) 164 93 71 33 7 23 1   3 4 63  64 
gen. enk. + acc. mv. basileias 156 131 25 10 3 5   3 4   18  18 
acc. enk. basileian 132 71 61 11 9 17 2 5 12 5 37  39
nom. mv. basileiai 4 4                    
gen. mv. 8 8                    
dat. mv. 9 9                    
Totaal   473  316  157  54  19  45  19  118  121 

 

basileia (koninkrijk) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc Hnd
nom. + dat enk. basileia(i) 164 93 71 33 7 23 1   3 4    
gen. enk. + acc. mv. basileias 156 131 25 10 3 5   3 4     (1) Hnd 1,3 . (2) Hnd 8,12 . (3) Hnd 19,8 .  
dat. enk. zie nom.                        
acc. enk. basileian 132 71 61 11 9 17 2 5 12 5   (1) Hnd 1,6 . (2) Hnd 14,22 . (3) Hnd 20,25 . (4) Hnd 28,23 . (5) Hnd 28,31 .
nom. mv. basileiai 4 4                    
gen. mv. 8 8                    
dat. mv. 9 9                    
acc. mv.                        
Totaal                          

basileia (koninkrijk) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc Hnd
nom. enk. hè basileia tou theou     21  13         
gen. enk. . tès basileias tou theou     10   3 3   3 1     (1) Hnd 1,3 . (2) Hnd 8,12 . (3) Hnd 19,8 .  
dat. enk.tè(i) basileia(i) tou theou                  
                         
acc. enk. tèn basileian tou theou     30 3 8 12 2 4 1   (1) Lc 4,43 . (2) Lc 8,1 . (3) Lc 9,2 . (4) Lc 9,27 . (5) Lc 9,60 . (6) Lc 9,62 . (7) Lc 12,31 . (8) Lc 13,20 . (9) Lc 18,17 . (10) Lc 18,24 . (11) Lc 18,25 . (12) Lc 23,51 (1) Hnd 14,22 . (2) Hnd 20,25 .(3) Hnd 28,23 . (4) Hnd 28,31 .

- tèn basileian tou theou (- verkondigend - het koninkrijk van God) . Verwijzing : hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) , zie Mt 3,2 . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In dertig verzen in de bijbel .
Uitdrukking in twaalf verzen bij Lucas .
(1) Lc 4,43 : euaggelisasthai me dei tèn basileian tou theou , epi touto apestalèn = ik moet de blijde boodschap brengen van het koninkrijk van God ; daartoe ben ik gezonden .
(2) Lc 8,1 : kèrussôn kai euaggelizomenos tèn basileian tou theou = verkondigend en de blijde boodschap brengend van het koninkrijk van God .
(3) Lc 9,2 : kèrussein tèn basileian tou theou = het koninkrijk van God te verkondigen .
(4) Lc 9,27 . (5) Lc 9,60 . (6) Lc 9,62 . (7) Lc 12,31 . (8) Lc 13,20 . (9) Lc 18,17 . (10) Lc 18,24 . (11) Lc 18,25 . (12Lc 23,51 .
In drie verzen in Hnd : (1) Hnd 14,22 . (2) Hnd 20,25 .(3) Hnd 28,23 .
--- eis tèn basileian tou theou eiselthein (het koninkrijk van God binnengaan) . In vier verzen in het N.T. : (1) Mt 19,24 . (2) Mc 10,24 . (3) Mc 10,25 . (4) Lc 18,25 .
--- eiselthein eis tèn basileian tou theou (binnengaan in het koninkrijk van God) . In drie verzen in het N.T. : (1) Mc 9,47 . (2) Joh 3,5 . (3) Hnd 14,22 .

C

- charis (gratie, genade) .

charis bijbel  O.T.  N.T.  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk 
nom. charis 78 20 58 0 0 4 1 1 50 2
gen. charitos 31 4 27 0 0 1 2 6 18 0
dat. chariti 26 2 24 0 0 1 0 3 20 0
acc. charin 158 108 50 0 0 3 . 1 6 40 0
Totaal   293  134  159 0 0 9 4 16 128 2

charis bijbel  O.T.  bijbel  O.T.  N.T.  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
nom. charis 78 20 78 5 58 0 0 4 : (1) Lc 2,40 . (2) Lc 6,32 . (3) Lc 6,33 . (4) Lc 6,34 . 1 1 : Hnd 4,33 . 50 2
gen. charitos 31 4 31 2 27 0 0 1 : Lc 4,22 . 2 6 : (1) Hnd 6,8 . (2) Hnd 14,3 . (3) Hnd 15,11 . (4) Hnd 18,27 . (5) Hnd 20,24 . (6) Hnd 20,32 . 18 0
dat. chariti 26 2 26 0 24 0 0 1 : Lc 2,52 . 0 3 : (1) Hnd 13,43 . (2) Hnd 14,26 . (3) Hnd 15,40 . 20 0
acc. charin 158 108 158 60 50 0 0 3 : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 7,47 . (3) Lc 17,9 . 1 6 : (1) Hnd 2,47 . (2) Hnd 7,10 . (3) Hnd 7,46 . (4) Hnd 11,23 . (5) Hnd 25,3 . (6) Hnd 25,9 . 40 0
Totaal   293  134      159 0 0 9 4 16 128 2 13 

Een vorm van charis bij Hnd  (1) Hnd 2,47 (acc. enk. charin) . (2) Hnd 4,33 (nom. enk. charis) . (3) Hnd 6,8 (gen. enk. charitos) . (4) Hnd 7,10 (acc. enk. charin) . (5) Hnd 7,46 (acc. enk. charin) . (6) Hnd 11,23 (acc. enk. charin) . (7) Hnd 13,43 (dat. enk. chariti) . (8) Hnd 14,3 (gen. enk. charitos) . (9) Hnd 14,26 (dat. enk. chariti) . (10) Hnd 15,11 (gen. enk. charitos) . (11) Hnd 15,40 (dat. enk. chariti) . (12) Hnd 18,27 (gen. enk. charitos) . (13) Hnd 20,24 (gen. enk. charitos) . (14) Hnd 20,32 (gen. enk. charitos) . (15) Hnd 25,3 (acc. enk. charin) . (16) Hnd 25,9 (acc. enk. charin) .  

- cheir (hand) . Handen opleggen . Naar iemand een hand uitsteken (om iemand te bemachtigen) . De hand op iemand leggen (overweldigen) . In iemands handen overleveren . In iemands handen neerleggen . Zijn handen en voeten tonen . Zijn handen omhoogheffen om te zegenen .

cheir (hand) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk Lc Hnd
nom. enk. cheir 142 129 13 2 2 4   4 1   (1) Lc 6,10 . (2) Lc 22,21 .   (1) Hnd 4,28 . (2) Hnd 7,50 . (3) Hnd 11,21 . (4) Hnd 13,11 .
gen. enk. cheiros 292 266 26 2 4 3 3 9 1 4   (1) Lc 1,71 . (2) Lc 1,74 . (3) Lc 8,54 .   (1) Hnd 2,23 . (2) Hnd 3,7 . (3) Hnd 7,25 . (4) Hnd 11,30 . (5) Hnd 12,11 . (6) Hnd 15,23 . (7) Hnd 23,19 . (8) Hnd 28,3 .
dat. enk. cheiri 347 327 20 1   1 1 4 7 (1) Lc 3,17 (1) Hnd 7,35 . (2) Hnd 12,17 . (3) Hnd 13,16 . (4) Hnd 21,40 .
acc. enk. cheira 295 265 30 8 5 5 3 4 1 (1) Lc 5,13 . (2) Lc 6,8 . (3) Lc 6,10 . (4) Lc 9,62 . (5) Lc 15,22 .   (1) Hnd 4,30 . (2) Hnd 9,41 . (3) Hnd 19,33 . (4) Hnd 26,1 .  
nom. mv. cheires 68 66 2         1 1     Hnd 20,34 
gen. mv. cheirôn 151 133 18 2 1 1   8 5 (1) Lc 4,11 .   (1) Hnd 5,12 . (2) Hnd 7,41 . (3) Hnd 8,18 . (4) Hnd 12,7 . (5) Hnd 14,3 . (6) Hnd 17,25 . (7) Hnd 19,11 . (8) Hnd 19,26
dat. mv.chersin 128 118 10 1 3 1 1   3 (1) Lc 6,1 .    
acc. mv. cheiras 392 333 59 9 11 11 7 14 7   (1) Lc 4,40 . (2) Lc 9,44 . (3) Lc 13,13 . (4) Lc 13,13 . (5) Lc 21,12 . (6) Lc 23,53 . (8) Lc 24,7 . (9) Lc 24,39 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,50 (1) Hnd 4,3 . (2) Hnd 5,18 . (3) Hnd 6,6 . (4) Hnd 8,17 . (5) Hnd 8,19 . (6) Hnd 9,12 . (7) Hnd 9,17 . (8) Hnd 12,1 . (9) Hnd 13,3 . (10) Hnd 19,6 . (11) Hnd 21,11 . (12) Hnd 21,27 . (13) Hnd 28,8 . (14) Hnd 28,17
Totaal   1815 1637 178 25 26 26 15 44 26 16     

- cheirotonèsantes (de handen gestrekt) . Met handoplegging kreeg iemand een taak toegewezen . Nederlandse vertalingen : aanstellen , aanwijzen . Zie Hnd 14,23 .

- Chios is een Grieks eiland en departement (nomos) in de oostelijke Egeïsche Zee en onderdeel van de regio Noord-Egeïsche Eilanden. De hoofdstad is de stad Chios en Chios heeft 53.408 inwoners (2001). Het eiland ligt acht kilometer van de Turkse kust en zo'n vijf kilometer van de tot Turkije behorende Paspargos eilanden. Het eiland zelf heeft een omtrek van 213 km en werd door Homerus "klippenrijk" genoemd.

- Christos (Christus) .

christos (Christus)   bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
nom. christos 118 8 110 8 5 5 15 4 73 0 18 33
voc. christe 1   1 1 0 0 0 0 1 0 1 1
gen. christou 251 11 240 5 2 0 1 11 214 7 7 8
dat. christô(i) 107 5 102 0 0 0 0 0 102 0    
acc. christon 78 14 64 2 0 7 2 10 43 0 9 11
Totaal   554 38 517 16 7 12 18 25 432 7 35 53

christos (Christus)   N.T.  Lc  Hnd  ev.
nom. christos 110 5 : (1) Lc 2,11 (-) . (2) Lc 3,15 (+) . (3) Lc 22,67 (+) . (4) Lc 23,35 (+) . (5) Lc 23,39 (+) . 4 : (1) Hnd 9,22 . (2) Hnd 9,34 . (3) Hnd 17,3 . (4) Hnd 26,23 . 33
voc. christe 1 0 0 1
gen. christou 240 0 11: 8
dat. christô(i) 102 0 0  
acc. christon 64 7 : (1) Lc 2,26 (+) . (2) Lc 4,41 (+) . (3) Lc 9,20 (+) . (4) Lc 20,41 (+) . (5) Lc 23,2 (-) . (6) Lc 24,26 (+) . (7) Lc 24,46 (+) . 10 : (1) Hnd 2,36 . (2) Hnd 3,18 . (3) Hnd 3,20 . (4) Hnd 5,42 . (5) Hnd 8,5 . (6) Hnd 11,17 . (7) Hnd 17,3 . (8) Hnd 18,5 . (9) Hnd 18,28 . (10) Hnd 24,24 11
Totaal   517 12 25 53

- pathein ton Christon (dat Christus - moest - lijden) . Verwijzing : deô (moeten) , zie Mt 16,21 . In vier verzen in het N.T. : (1) Lc 24,26 : edei pathein ton Christon = dat Christus moest lijden . {(2) Lc 24,46 : ' edei ' pathein ton Christon = dat Christus moest lijden.} (3) Hnd 3,18 : pathein ton Christon = dat Christus (moest) lijden .(4) Hnd 17,3 (hoti ton Christon. edei pathein = dat Christus moest lijden) .

D

6. Damaskos (Damascus) . Verwijzing : Damaskos (Damascus) , zie Hnd 9,2 . Damascus is een naam van een stad , een plaatsaanduiding .

Damaskos (Damascus) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc Hnd
nom. enk. Damaskos 6 6                    
gen. enk. Damaskou 23 23                    
dat. enk. Damaskôi 15 7 8         7 1     (1) Hnd 9,3 . (2) Hnd 9,10 . (3) Hnd 9,19 . (4) Hnd 9,22 . (5) Hnd 9,27 . (6) Hnd 22,6 . (7) Hnd 26,20 .
acc. enk. Damaskon 18  11              (1) Hnd 9,2 .  (2) Hnd 9,8 . (3) Hnd 22,5 . (4) Hnd 22,10 . (5) Hnd 22,11 . (6) Hnd 26,12 .
Totaal   62  47  15          13       

- datief mannelijk enkelvoud (wat vorm betreft) ; de stadsnaam is in het Grieks vrouwelijk : Damaskôi (b.v. in Damacus) . Verwijzing : Damaskos (Damascus) , zie Hnd 9,2 . In vijftien verzen in de bijbel . In zeven verzen in het O.T. . In acht verzen in het N.T. :
(1) Hnd 9,3 : egeneto auton eggizein tèi Damaskôi = het gebeurde dat hij Damascus naderde .
(2) Hnd 9,10 : en Damaskôi = in Damascus .
(3) Hnd 9,19 : en Damaskôi = in Damascus .
(4) Hnd 9,22 : en Damaskôi = in Damascus .
(5) Hnd 9,27 : en Damaskôi = in Damascus .
(6) Hnd 22,6 : egeneto de moi poreuomenôi kai eggizonti tèi Damakôi = het overkwam mij echter , terwijl ik op weg was en Damascus naderde .
(7) Hnd 26,20 : en Damaskôi = in Damascus .
(8) 2 Kor 11,32 (en Damaskôi = in Damascus) .
-- en Damaskôi (in Damascus) . Verwijzing : Damaskos (Damascus) , zie Hnd 9,2 . In zes van de acht verzen in het N.T. . Niet in Hnd 9,3 en in Hnd 22,6 .
- accusatief enkelvoud Damaskon . Verwijzing : Damaskos (Damascus) , zie Hnd 9,2 . In elf verzen in het O.T. . In zeven verzen in het N.T. :
(1) Hnd 9,2 : eis Damaskon = naar Damascus .
(2) Hnd 9,8 : eis Damaskon = naar Damascus .
(3) Hnd 22,5 : eis Damaskon = naar Damascus .
(4) Hnd 22,10 : eis Damaskon = naar Damascus .
(5) Hnd 22,11 : : eis Damaskon = naar Damascus .
(6) Hnd 26,12 : eis tèn Damaskon = naar Damascus .
(7) Gal 1,17 : eis Damaskon = naar Damascus .

- de (echter) . Partikel . In 6210 verzen in de bijbel . In 3022 verzen in het O.T. . In 2456 verzen in het N.T. . In 478 verzen bij Lucas .In 490 verzen in Hnd .

de (echter)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk    
  6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7    

 

de (echter) Hnd 1 Hnd 2 Hnd 3 Hnd 4 Hnd 5 Hnd 6 Hnd 7 Hnd 8 Hnd 9 Hnd 10 Hnd 11 Hnd 12 Hnd 13 Hnd 14
  14  13  12  24  23  26  30 17  19  22  23  11 

de (echter) Hnd 15 Hnd 16 Hnd 17 Hnd 18 Hnd 19 Hnd 20 Hnd 21 Hnd 22 Hnd 23 Hnd 24 Hnd 25 Hnd 26 Hnd 27  Hnd 28
  15  23  16  16  25  18  25  17  20  11  13  26  16 


en (in, tijdens) Hnd 1 Hnd 2 Hnd 3 Hnd 4 Hnd 5 Hnd 6 Hnd 7 Hnd 8 Hnd 9 Hnd 10 Hnd 11 Hnd 12 Hnd 13 Hnd 14
                  30       23   

en (in, tijdens) Hnd 15 Hnd 16 Hnd 17 Hnd 18 Hnd 19 Hnd 20 Hnd 21 Hnd 22 Hnd 23 Hnd 24 Hnd 25 Hnd 26 Hnd 27  Hnd 28
                             

In vier verzen in Hnd 13,4-12 : (1) Hnd 13,5 . (2) Hnd 13,6 . (3) Hnd 13,8 . (4) Hnd 13,9 .

- dechomai (ontvangen) .

Hnd 2,41   hoi men oun apodexamenoi ton logon autou (enerzijds zij die derhalve zijn woord ont-vingen)
Hnd 8,14 akousantes de oi en ierosolumois apostoloi (gehoord echter de apostelen in Jeruzalem) hoti dedektai hè Samareia ton logon tou theou (dat Samaria het woord van God heeft ontvangen)
Hnd 11,1 èkousan de oi apostoloi kai oi adelfoi oi ontes kata tèn ioudaian (de apostelen en de broeders die -verspreid - waren over Judea echter hoorden hoti kai ta ethnè edexanto ton logon tou theou (dat ook de heidenen het woord van God ontvingen)
Hnd 17,11   edexanto ton logon (zij ontvingen het woord) .

- dedektai (heeft ontvangen) . Verwijzing : dechomai (ontvangen) , zie Mt 10,40 . Mediaal perfectum derde persoon enkelvoud . Slechts in één vers in de bijbel : Hnd 8,14 .
- Een vorm van het werkwoord (apo) dechomai (ontvangen) met het lijdend voorwerp ton logon (het woord) :
(1) Hnd 2,41 : hoi men oun apodexamenoi ton logon autou (enerzijds zij die derhalve zijn woord ont-vingen) .
(2) Hnd 8,14 : hoti dedektai ... ton logon tou theou (dat Samaria het woord van God heeft ontvangen) .
(3) Hnd 11,1 : hoti kai ta ethnè edexanto ton logon tou theou (dat ook de heidenen het woord van God ontvingen) .
(4) Hnd 17,11 : edexanto ton logon (zij ontvingen het woord) .
Er is een gradatie in het gebruik van het werkwoord (apo)dechomai (ontvangen) . In Hnd 2,41 zijn het de aanwezigen bij het pinksterwonder in Jeruzalem . In Hnd 8,14 betreft het Samaria en in Hnd 11,1 de heidenen . In Hnd 17,11 slaat het op de inwoners van Berea .

- dei (moet) . Verwijzing : deô (moeten) , zie Mt 16,21 . Actief praesens derde persoon enkelvoud van het werkwoord deô (moeten) . In vierennegentig verzen in de bijbel . In achttien verzen in het O.T. . In zesenzeventig verzen in het N.T. . In vijftien verzen in Handelingen : (1) Hnd 1,21 . (2) Hnd 3,21 . (3) Hnd 4,12 . (4) Hnd 5,29 . (5) Hnd 9,6 . (6) Hnd 9,16 . (7) Hnd 14,22 . (8) Hnd 15,5 . (9) Hnd 16,30 . (10) Hnd 19,21 . (11) Hnd 20,35 . (12) Hnd 23,11 . (13) Hnd 25,10 . (14) Hnd 27,24 . (15) Hnd 27,26 .
- In twee van de zes verzen staat : dei poiein (men moet doen) : (1) (3) Hnd 9,6 . (2) (5) Hnd 16,30 . In het bekeringsverhaal van Paulus zegt de stem wat Paulus moet doen .
- edei (het moest) . Verwijzing : deô (moeten) , zie Mt 16,21 . In tweeëntwintig verzen in de bijbel . In zes verzen in het O.T. . In zestien verzen in het N.T. . In vier verzen in Hnd : (10) Hnd 1,16 . (11) Hnd 17,3 . (12) Hnd 24,19 . (13) Hnd 27,21 .

- Derbèn (Derbe) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In drie verzen in het N.T. nl . in Hnd : (1) Hnd 14,6 . (2) Hnd 14,20 . (3) Hnd 16,1 . Men vermoedt dat Derbe op de plaats van het huidige Kerti Hüyük ligt . Het ligt 96 km ten zuidoosten van Lystra . Evenals Ikonium en Lystra ligt Derbe in de landstreek Lykaonië , het gebied ten oosten van Pisidië, in de Romeinse provincie Galatië . Derbè (Derbe) . Verwijzing : Derbè (Derbe) , zie Hnd 14,6 . Paulus en Barnabas zijn slechts zeer korte tijd in Derbe geweest (Hnd 14,20 - Hnd 14,21) . Na een breuk met Barnabas (Hnd 15,39) bezocht Paulus samen met Silas opnieuw de stad Derbe (Hnd 16,1 - Hnd 16,2 - Hnd 16,3) , waar hij Timoteüs ontmoette (Hnd 16,2 - Hnd 16,3) .

- desmôtèrion (gevangenis) .

desmôtèrion (gevangenis)  bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc Hnd
nom. + acc. onz. enk. desmôtèrion 5 3 2         2       (1) Hnd 5,21 . (2) Hnd 5,23 .
gen. enk. desmôtèriou 2 1 1         1       (1) Hnd 16,26 .
dat. enk. desmôtèriôi 3 2 1 1                
acc.  enk. zie nom.                        
Totaal   10 6 4 1       3        

- diamarturomenos (getuigend) . Verwijzing : martureô (getuigen) , zie Joh 1,7 . (martus - mart-elaar) . Passief participium nominatief mannelijk enkelvoud van het werkwoord diamarturomai (getuigen) . In vijf verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In vier verzen in het N.T. : (1) Hnd 18,5 . (2) Hnd 20,21 . (3) Hnd 28,23 . (4) 2 Tim 2,14 .

- di-an-oigô (openen) .
- Hnd 16,14 : hès ho kurios diènoixen tèn kardian = wiens hart de Heer opende .
- Lc 24,32 : ouchi è kardia hèmôn kaiomenè en humin = was ons hart niet brandende in ons ; hôs dènoigen hèmin tas grafas = hoe hij ons de schriften opende . Lc 24,31 : autôn de diènoichthèsan oi ofthalmoi = hun ogen echter werden geopend .

- diesparèsan (zij werden verstrooid) . Verwijzing : diaspeirô (verspreiden, verstrooien) , zie Hnd 8,1 . Passief aorist derde persoon meervoud van het werkwoord diaspeirô (uiteenzaaien, verstrooien) . In tien verzen in de bijbel . In negen verzen in het O.T. . In één vers in het N.T. : Hnd 8,1 .
- diasparentes (de verstrooiden) . Verwijzing : diaspeirô (verspreiden, verstrooien) , zie Hnd 8,1 . Passief participium aorist nominatief mannelijk en vrouwelijk meervoud . In twee verzen in de bijbel : (1) Hnd 8,4 . (2) Hnd 11,19 .

diatribô (de tijd doorbrengen) . Verwijzing : diatribô (stuk wrijven, opslijten, tijd doorbrengen) , zie Hnd 14,28 .

diatribô (de tijd doorbengen)   Joh Hnd  
part. pr. nom. mann. mv. diatribontes     1 : Hnd 16,12 .  
ind imperf.. 3de p. enk. dietriben 1 : Joh 3,22 . 1 : Hnd 12,19 .  
ind. imperf. . 3de p. mv. dietribon   3 : (1)   Hnd 14,28 . (2) Hnd 15,35 . (3) Hnd 25,14 .  
ind. aor. 3de p. enk. dietripsen   1 : Hnd 14,3 .  
ind. aor. 1ste p. mv. dietripsamen   1 : Hnd 20,6 .    
part. aor. nom. m. + vr. enk. diatripsas   1 : Hnd 25,6 .    
  1    

Een vorm van  diatribô (de tijd doorbengen) in Hnd 1:  (1) Hnd 12,19 . (2) Hnd 14,3 . (3) Hnd 14,28 . (4) Hnd 15,35 . (5) Hnd 16,12 . (6) Hnd 20,6 . (7) Hnd 25,6 . (8) Hnd 25,14 .  

- diatribô (stuk wrijven, opslijten, tijd doorbrengen) . Verwijzing : diatribô (stuk wrijven, opslijten, tijd doorbrengen) , zie Hnd 14,28 .
- dietriben (hij verbleef) . Verwijzing : diatribô (stuk wrijven, opslijten, tijd doorbrengen) , zie Hnd 14,28 . Actief imperfectum derde persoon enkelvoud . In vier verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. . In twee verzen in het N.T. . Joh (1) . Hnd (1) . Hnd 12,19 . Na de vervolging van de gemeente van Jeruzalem reisde Herodes terug naar Caesarea om er te verblijven .
- dietribon (zij verbleven) . Actief imperfectum derde persoon meervoud . In drie verzen in de bijbel , enkel in Hnd : (1) Hnd 14,28 . (2) Hnd 15,35 . (3) Hnd 25,14 .
(1) Hnd 14,28 : dietribon  de chronon ouk oligon = zij echter brachten een niet weinige tijd door . Na de eerste zendingsreis brachten Paulus en Barnabas een niet weinige tijd door in Antiochië aan de Orontes .
(2) Hnd 15,35 : paulos de kai barnabas dietribon en antiocheia = Paulus echter en Barnabas brachten in Antiochië door .
(3) Hnd 25,14
- Vermelding van een verblijf van enkele dagen , met een vorm van het werkwoord diatribô = doorbrengen ) .
Hnd 16,12 : èmen de en tautè tè polei diatribontes èmeras tinas (terwijl wij echter in die stad enkele dagen aan het doorbrengen waren) . (vervolg , zie Hnd 16,13) .
Hnd 20,6 : opou dietripsamen èmeras epta (waar wij enkele dagen doorbrachten) . (vervolg , zie Hnd 20,7) .
- Tijdsaanduiding met een liturgische draagwijdte
Hnd 16,13 : tè te èmera tôn sabbatôn exèlthomen exô tès pulès para potamon ou enomizomen proseuchèn einai, (op de dag evenwel van de week gingen we uit de stadspoort bij de rivier waar wij dachten dat het gebed zou plaats hebben) .
Hnd 20,7 : en de tè mia tôn sabbatôn sunègmenôn èmôn klasai arton (toen wij echter op de eerste dag van de week waren samengekomen voor het breken van het brood) .

- didaskein (onderwijzen, leren) . Verwijzing : didaskô (onderrichten - onderwijzen) , zie Mc 1,45 . Infinitief praesens . In vijftien verzen in de bijbel . O.T. (2) . Ezr (1) . 2 Kr (1) . N.T. (13) . Mt (1) . Mc (4) . Lc (1) . Joh (1) . Hnd (4) . Brieven (2) . In dertien verzen in het N.T. . In één vers bij Lucas : (6) Lc 6,6 (eiselthein ... kai didaskein = binnengaan en onderrichten) .
In vier verzen in Hnd :
(8) Hnd 1,1 (poiein te kai didaskein = doen evenals onderrichten) .
(9) Hnd 4,2 : dia to didaskein autous ton laon = omdat zij het volk onderrichtten in de tempel .
(10) Hnd 4,18 : mède didaskein epi tôi onomati tou Ièsou = noch te onderrichten in de naam van Jezus (een duidelijke verwijzing naar Hnd 4,2) . Het sanhedrin verbood Petrus en Johannes om te spreken met een beroep op de naam van Jezus .
(11) Hnd 5,28 : mè didaskein epi tôi onomati toutôi = noch te onderrichten in deze naam . In Hnd 5,28 herinnerde het sanhedrin Petrus en Johannes aan het verbod , waaraan zij zich niet hielden . Daarom waren de apostelen opnieuw gearresteerd en ondervraagd .

- dielthontes (doorgetrokken) . Actief aorist participium nominatief mannelijk meervoud . In zes verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. . In vier verzen in het N.T. . In drie verzen tijdens de eerste zendingsreis van Paulus en Barnabas : (1) Hnd 13,6 : dielthontes de holèn tèn nèson = nadat zij echter het hele eiland (nl. Cyprus) hadden doorgetrokken) . (2) Hnd 13,14 : autoi de dielthontes apo tès Pergès paregenonto eis Antiocheian tèn Pisidian = nadat zijzelf echter vanuit Perge (Pamfylië) waren doorgetrokken , bereikten zij Antiochië van Pisidië . (3) Hnd 14,14 (kai dielthontes tèn Pisidian èlthon eis tèn Pamfulian = en nadat zij Pisidië hadden doortrokken, kwamen zij in Pamfylië) . De terugkeer van de eerste zendingsreis ging in omgekeerde volgorde . Ook literair is dat goed waarneembaar . Nederlandse vertalingen : zij reisden door , na een tocht door , na hun reis door , ze trekken door .

- diodeusantes (doorgetrokken) . Werkwoord di-odeuô (doortrekken) . Actief aorist nominatief mannelijk meervoud : Hnd 17,1 .

- Dioscuren = dios kouroi (zonen van Zeus) = Castor en Pollux .

- edoxazon (zij verheerlijkten) . Verwijzing : doxazô (verheerlijken) , zie Lc 5,26 . In zes verzen in de bijbel , enkel in het N.T. : (1) Lc 5,26 . (2) Lc 7,16 . (3) Hnd 4,21 . (4) Hnd 13,48 . (5) Hnd 21,20 . (6) Gal 1,24 . Telkens in samenhang met het lijdend voorwerp ton theon (God) : zij verheerlijkten God .
-- pantes edoxazon ton theon (zij verheerlijkten God) . Slechts éénmaal in het N.T. : Hnd 4,21 .
edoxazon ton theon (zij verheerlijkten God) in samenhang met allen : (1) Lc 5,26 . (2) Lc 7,16 .
Lc 5,26  Lc 7,16  
kai ekstasis elaben hapantas (en ontzetting benam allen)   elaben de fobos pantas (vrees echter benam allen)
kai edoxazon ton theon (en zij verheerlijkten God)  kai edoxazon ton theon (en zij verheerlijkten God)
67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 - 110. De zoon van de weduwe van Naïn : Lc 7,11-17 -

- dunamin (kracht) . Verwijzing : dunamis (kracht, macht) , zie Lc 4,1 . Zelfstandig naamwoord accusatief enkelvoud .
Hier komt de combinatie van de woorden pneuma (geest) en dunamis (kracht, macht) voor .
Het ontvangen van de gave van de geest ligt in de lijn van Johannes de Doper (Lc 1,17) , Maria (Lc 1,35) , Jezus (Lc 4,14) en van Stefanus (Hnd 6,5 . Hnd 6,8) .

E

- egeirô (opwekken, doen ontwaken). Verwijzing : egeirô (ontwaken, opwekken) , zie Mc 1,31 .

egeirô (opwekken) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  
ind. pr. 3de p. enk. egeirei            
ind. pr. 3de p. mv. egeirousin                
imp. 2de p. enk. egeire 14   14 1 5 4 1 1 1 1  
imp. 2de p. mv. egeirete                
inf. pr. egeirein                
ind imp. 3de p. enk. ègeiren 27  20    10     
ind. imp. 3de p. mv. ègeiran              
inf. aor. egeirai             
pas. ind. pr. 3de p. enk. egeiretai 5   5       2   3    
pas. ind. pr. 3de p. mv. egeirontai 10 1 9 1 1 2     5    
pas. fut. 3de p. enk. egerthèsetai            
pas. fut. 3de p. mv.  egerthèsontai 5          
pas. ind. aor. 3de p. enk. ègerthè 23  18                 
pas. ind. aor. 3de p. mv. ègerthèsan 2                
pas. conj. 3de p. enk. egerthè(i)               
pas. imp. 2de p. mv. egerthète                

pas. inf. aor. egerthènai 

         
pas. part. aor. nom. m. + vr. enk. egertheis 13   13         
Nog andere vormen...                        
                       

egeirô (opwekken) Lc Hnd  
ind. pr. 3de p. enk. egeirei   1 : Hnd 26,8 .  
imp. 2de p. enk. egeire 4 : (1) Lc 5,23 (// Mt 9,5 (// Mc 2,9 ) . (2) Lc 5,24 (// Mc 2,11 // Joh 5,8 ) . (3) Lc 6,8 (// Mc 3,3 ) . (4) Lc 8,54 (// Mc 5,41 ) . 1 : Hnd 3,6  
ind imp. 3de p. enk. ègeiren 1 : Lc 1,69 . 10 : (1) Hnd 3,7 . (2) Hnd 3,15 . (3) Hnd 4,10 . (4) Hnd 5,30 . (5) Hnd 10,26 . (6) Hnd 10,40 . (7) Hnd 12,7 . (8) Hnd 13,22 . (9) Hnd 13,30 . (10) Hnd 13,37 .    
inf. aor. egeirai  1 : Lc 3,8.    
pas. ind. pr. 3de p. mv. egeirontai 2 : (1) Lc 7,22 . (2) Lc 20,37 .    
pas. fut. 3de p. enk. egerthèsetai   2 : (1) Lc 11,31 . (2) Lc 21,10 .    
pas. conj. 3de p. enk. egerthè(i)  1 : Lc 13,25 .    

pas. inf. aor. egerthènai 

1 : Lc 9,22 .    
pas. part. aor. nom. m. + vr. enk. egertheis 1 : Lc 11,8 .    
part. aor. nom. m. + vr. mv.      
Nog andere vormen...        
       

 

 


ind imp. 3de p. enk. ègeiren 27  20    10      God wekte op : (2) Hnd 3,15 . (3) Hnd 4,10 . (4) Hnd 5,30 . (6) Hnd 10,40 . (9) Hnd 13,30 . (10) Hnd 13,37 .  

gen. mv. nekrôn God wekte 'Jezus' op uit doden :(1) Hnd 3,15 . (3) Hnd 4,10 . (6) Hnd 13,30 .

gen. mv. nekrôn 82 8 74 7 6 7 6 13 32 3   (4) Hnd 10,41 . (5) Hnd 10,42 .(7) Hnd 13,34 . (8) Hnd 17,3 . (9) Hnd 17,31 .

- eggizein . Verwijzing : eggizô (naderen) , zie Mt 21,1 . Infinitief praesens . In twee verzen in het N.T. :
(1) Lc 18,35 : egeneto de en tôi eggizein auton eis Ierichô (terwijl hij echter Jericho naderde) .
(2) Hnd 9,3 : egeneto auton eggizein tèi Damaskôi (het gebeurde dat hij Damaskus naderde) .
In Lucas was de man langs de weg blind en zal hij zien . In Hnd is Saulus op weg naar Damaskus ; hij ziet maar hij zal blind worden .

- eiselthein eis tèn basileian tou theou (binnengaan in het koninkrijk van God) . In drie verzen in het N.T. : (1) Mc 9,47 . (2) Joh 3,5 . (3) Hnd 14,22 . eis tèn basileian tou theou eiselthein (het koninkrijk van God binnengaan) . In vier verzen in het N.T. : (1) Mt 19,24 . (2) Mc 10,24 . (3) Mc 10,25 . (4) Lc 18,25 . tèn basileian tou theou (verkondigend het koninkrijk van God) . Verwijzing : hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) , zie Mt 3,2 . In twaalf verzen bij Lucas . (12) Lc 4,43 . (13) Lc 8,1 .(14) Lc 9,2 . (15) Lc 9,27 . (16) Lc 9,60 . (17) Lc 9,62 . (18) Lc 12,31 . (19) Lc 13,20 . (20) Lc 18,17 . (21) Lc 18,24 . (22) Lc 18,25 . (23) Lc 23,51 . In drie verzen in Hnd : (26) Hnd 14,22 . (27) Hnd 20,25 .(28) Hnd 28,23 . Deze drie verzen staan in afscheidsteksten van Paulus . Hnd 14,22 : bij het afscheid van Lystra , Ikonium en Antiochië van Pisidië . Hnd 20,25 : Paulus nam in Milete afscheiden van de christenen van Efeze die bij hem waren gekomen . Hnd 28,23 : bij de laatste ontmoeting met de gemeente van Rome .

- ekklèsia (kerk, gemeente, gemeenschap) . Verwijzing : kaleô (roepen) , zie Gal 5,13 . In vierentachtig verzen in de bijbel . In eenenvijftig verzen in het O.T. . In drieëndertig verzen in het N.T. . Mt (1) . Hond (6) : (1) Hnd 7,38 . (2) Hnd 9,31 . (3) Hnd 11,26 . (4) Hnd 15,22 . (5) Hnd 19,32 . (6) Hnd 19,39 . Brieven (26) .

- ektheta . Accusatief onzijdig meervoud . ekthetos (in veiligheid gebracht, te vondeling gelegd) . ek - thetos : uit- gelegd (tithèmi = leggen) . Hapax . Dit is een duidelijke verwijzing naar Ex 2,3 , waar de moeder van Mozes haar kind in de Nijl te vondeling legt .

- emfobos (bevreesd) : Verwijzing : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) , zie Mc 1,27 ; zie eveneens jâr´â (vrezen, eerbied hebben) , zie Ps 111,10 . Bijvoeglijk naamwoord nominatief mannelijk enkelvoud . In drie verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In twee verzen in Hnd : (2) Hnd 10,4 (emfobos genomenos = bevreesd geworden). (3) Hnd 24,25 (idem als Hnd 10,4) .

- emmenein (blijven in) . Infinitief praesens . Hapax in de bijbel . emmenein tèi pistei : in het geloof blijven , trouw blijven . Zie Hnd 14,22 .

- en (in) . Verwijzing : en (in) , zie Mt 1,22 . In 11097 verzen in de bijbel . In 2154 verzen in het N.T. In 226 verzen in Hnd . In zestien verzen in Hnd 9 .
-- en (hôi) de) . Verwijzing : Hnd 9,3 . In vierentwintig verzen in het N.T. . Mt (3) . Lc (3) . Joh (4) . Hnd (6) : (1) Hnd 6,1 . (2) Hnd 9,3 . (3) Hnd 11,15 . (4) Hnd 17,16 . (5) Hnd 20,7 . (6) Hnd 28,7 . 1 Kor (2) . 2 Kor (1) . Fil (1) . 2 Pe (vier verzen ; zevenmaal) .
-- en de tôi + infinitief . Voorzetsel + partikel + bepaald lidwoord datief mannelijk of onzijdig enkelvoud + infinitief . In vier verzen in het N.T. : (1) Mt 13,25 . (2) Lc 8,42 . (3) Lc 11,37 . (4) Hnd 9,3 . (5) Hnd 11,15 .

- enteilamenos (opgedragen) . Participium aorist passief nominatief mannelijk enkelvoud : Hnd 1,2 . Hapax . Verwijzing : entellô (bevelen, opdragen, vragen) , zie Mt 28,20 . Volgens Mt 28,20 geeft Jezus aan zijn leerlingen de woorden : leert (didaskontes) hen te onderhouden alles wat ik jullie heb opgedragen . (eneteilamèn) .
- entetaltai (hij heeft opgedragen) . Verwijzing : entellô (bevelen, opdragen, vragen) , zie Mt 28,20 . Perfectum derde persoon enkelvoud . In 8 verzen in de bijbel . In 7 verzen in het O.T. : (4) 1 K 13,17 : hoti houtôs entetaltai moi en logôi kurios = want zo heeft de Heer met een woord mij opgedragen . De profeet laat zich toch door iemand verleiden om aan het woord van God te verzaken met een noodlottig gevolg . In één vers in het N.T. : Hnd 13,47 : houtôs gar entetaltai hèmin kurios = want zo heeft de Heer ons opgedragen . Men moet zich houden aan de opdracht die iemand van God heeft ontvangen .

- epaggelian (belofte , bij-engelschap , engelbewaarderschap) . Verwijzing : aggelos (engel) , zie Mt 13,41 . Accusatief vrouwelijk enkelvoud van het zelfstandig naamwoord epaggelia . In achttien verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. . In zestien verzen in het N.T. : (1) Lc 24,49 . (2) Hnd 1,4 . (3) Hnd 2,33 . (4) Hnd 13,23 . (5) Hnd 13,32 . (6) Hnd 23,21 .

- epelthontos . Prefix epi (over) en de werkwoordvorm : indicatief aorist participium genitief enkelvoud . Slechts in Hnd 1,8 . Verwijzing : erchomai (komen, gaan) , zie Lc 1,35 .
In heel wat teksten wordt de komst van de geest en van zijn kracht beschreven als komende van hoger . Mensen ervaren het als iets dat hen overkomt , dat ze ontvangen vanuit de hoge , van God . Zie schema onder Lc 1,35 .

Lc 1,35 a Lc 1,35 b Hnd 1,8 Lc 24,49 Lc 1,17 Lc 3,22 Lc 4,14a Lc 4,18
   kai (en) kai lèmpsethe (en gij zult ontvangen) heôs hou endusèsthe (totdat jullie   kai (en) katabènai (neerdalen)     
pneuma hagion (heilige geest) dunamis hupsistou (de kracht van de Allerhoogste)  dunamin (kracht) eks hupsous dunamin (vanuit de hoge kracht) en pneumati kai dunamei èliou (in de geest en de kracht van Elia)   to pneuma to hagion (de heilige geest) ... en tèi dunamei tou pneutos (in de kracht van de geest) pneuma kuriou (de geest van de Heer)
epeleusetai (zal komen) episkiasei (zal overschaduwen)   epelthontos tou hagiou pneumatos (van de komende heilige geest)          
epi se (over u) soi (u)   ef'humas (over u)     ep'auton (over hem)   ep'eme (op mij)
3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38  Hnd 1,1-14 : Jezus'laatste opdracht en hemelvaart 355. Verschijning aan de leerlingen in Jeruzalem : Lc 24,36-49 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25   18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 22. Prediking te Nazaret en verwerping : Lc 4,16-30 - Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58

- epebalon (zij legden op) . Actief aorist derde persoon meervoud . Verwijzing: ballô (werpen, gooien) , zie Mt 8,14 . Zie eveneens : jad (hand) , zie Ps 31,6 - cheir (hand) , zie Lc 23,46 . De vertaling arresteren heeft de betekenis van : iemand aan-houden , bij iemand blijven (ad-restare) . In acht verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. :
(1) Mt 26,50 : tote proselthontes epebalon tas cheiras epi ton Ièsoun (en naderbijgekomen sloegen zij de handen op op Jezus) .
(2) Mc 14,46 : oi de epebalon tas cheiras autôi (zij echter sloegen de handen op hem) . In dit vers is de eenvoudige datief opvallend zoals ook in Hnd 4,3 .
(3) Hnd 4,3 : kai epebalon autois tas cheiras (en zij sloegen op hen de handen) . In dit vers is de eenvoudige datief opvallend zoals ook in Mc 14,46 .
(4) Hnd 5,18 : kai epebalon tas cheiras epi tous apostolous (en zij sloegen de handen op op de apostelen) .
(5) Hnd 21,27 : kai epebalon ep'auton tas cheiras (en zij sloegen op op hem de handen) .
In de apokalyptische rede schrijft Lucas in Lc 21,12 : epibalousin ef'humas tas cheiras autôn = zij zullen op jullie hun handen opleggen . Daarin zegt Jezus dat men de hand aan hen zal slaan . Het is Jezus overkomen . Het overkomt ook de apostelen (Petrus en Johannes) en Paulus . De leerling gaat dezelfde weg op als zijn leraar.
- epibalousin (zij zullen slaan aan) . Actief toekomende tijd derde persoon meervoud . In zes verzen in de bijbel . In één vers in het N.T. : Lc 21,12 : epibalousin ef'humas tas cheiras autôn = zij zullen aan jullie de hand slaan . De zinsconstructie van Lc 21,12 komt het meest overeen met Hnd 21,27 .
- epibalôn (geslagen op) . Actief aorist nominatief mannelijk enkelvoud . In vier verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. . In twee verzen in het N.T. : (2) de hand aan de ploeg slaan . Lc 9,62 : oudeis epibalôn tèn cheira ep'arotron = niemand die de hand aan de ploeg heeft geslagen .
- epibalein . Actief infinitief aorist . In zeven verzen in de bijbel . In één vers in het N.T. : Lc 20,19 : kai ezètèsan ... epibalein ep'auton tas cheiras = zij zochten de hand aan hem te slaan . In zinsconstructie komt Lc 20,19 het meest overeen met Hnd 21,27 .

epiballô ('op-werpen') bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Brieven Apk  Lc Hnd  
ind. pr. 3de p. enk. epiballei           (1) Lc 5,36 .    
ind. pr. 3de p. mv. epiballousin                  
ind. fut. 1ste p. enk. epibalô                 
ind. fut. 3de p. mv. epibalousin             (1) Lc 21,12 .    
ind imp. 3de p. enk. epeballen                  
ind. imp. 3de p. mv. epeballon                       (1) Hnd 4,3 . (2)  Hnd 5,18 . (3) Hnd 21,27 .
part. pr. nom. onz. enk. epiballon                 (1) Lc 15,12 .    
ind. aor. 3de p. enk. epebalen 13  10              (1) Lc 12,1 .  
ind. aor. 3de p. mv. epebalon           (1) Hnd 4,3 . (2)  Hnd 5,18 . (3) Hnd 21,27 .  
inf. aor. epibalein             (1) Lc 20,19  
part. aor. nom. m. + vr. enk. epibalôn           (1) Lc 9,62 .    
  49  31  18       

- epistèrizontes (ondersteunend, versterkend, bevestigend, bemoedigend) . Grieks werkwoord epistèrizô .

- epistèmi (staan bij) .
- Voor het eerst geeft Jezus onderricht in de tempel . De tempelverantwoordelijken komen bij hem met de vraag naar zijn bevoegdheid of zijn vergunning (Lc 20,1 - Lc 20,2) . Zo gebeurt ook met de apostelen Petrus en Johannes . Bij het gaan naar de tempel genezen ze een lamme (Hnd 3,1-10) . Daarna houdt Petrus een redevoering in de tempel (Hnd 3,11-26) . Terwijl hij nog aan het woord is , staan de tempelverantwoordelijken bij hen (Hnd 4,1) eveneens met de vraag naar hun bevoegdheid of hun vergunning .
- Lc 20,1 : didaskontos autou ton laon en tô ierô kai euaggelizomenou epestèsan = terwijl hij het volk onderrichtte in de tempel en de goede boodschap bracht , stonden bij hem
- Hnd 4,1 : lalountôn de autôn pros ton laon epestèsan autois = terwijl echter zij spraken tot het volk , stonden bij hen .
- epestèsan (zij stonden bij) . Verwijzing : histèmi (doen staan) , zie Lc 24,36 . Aorist derde persoon meervoud van het werkwoord epistèmi (staan bij) . In negen verzen in de bijbel . In vier verzen in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. : (1) Lc 20,1 . (2) Lc 24,4 . (3) Hnd 4,1 . (4) Hnd 10,17 . (5) Hnd 11,11 .

- epitithèmi (opleggen) . Verwijzing : epitithèmi (opleggen) , zie Hnd 6,6 . Zoals we hierboven zagen , gaat het aanstellen voor een opdracht vaak met een handoplegging gepaard .
- epitithei (leg op) . Imperatief tweede persoon enkelvoud . 1 Tim 5,22 : cheiras tacheôs mèdeni epitithei : leg niemand overijld de handen op (wellicht tot vergeving van zonden) .
- epetithesan (zij legden op) . Indicatief imperfectum derde persoon enkelvoud . Hapax in de bijbel : Hnd 8,17 : tote epetithesan tas cheiras ep'autous = toen legden zij de handen op hen . Handoplegging op de gelovige Samaritanen door de apostelen Petrus en Johannes . Aan de handoplegging ging gebed vooraf .
- epethèken (hij legde op) . Aorist derde persoon . In vierenvijftig verzen in de bijbel . In vijf verzen in het N.T. .
- epethèkan (zij legden op) . Aorist derde persoon meervoud . In zevenentwintig verzen in de bijbel . In eenentwintig verzen in het O.T. . In zes verzen in het N.T. . Hnd 6,6 : epethèkan autois tas chieras = legden zij - de apostelen - hen de handen op (bij de aanstelling van de zeven) . In deze vorm hapax in Hnd .
- epithô . Conjuctief aorist eerste persoon enkelvoud . Hapax in Hnd . Hnd 8,19 : ean epithô tas cheiras = indien ik de handen opleg . In Samaria probeert een zekere Simon de macht van de handoplegging van de apostelen af te kopen .
- epitheis (opgelegd) . Participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud . In zes verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. . In twee verzen in Hnd : (1) Hnd 9,17 . (2) Hnd 28,8 .
- epithenta (opgelegd) . Participium aorist accusatief mannelijk enkelvoud . Hapax in de bijbel . Hnd 9,12 : kai epithenta autôi tas cheiras = en opgelegd hem de handen . Ananias legde Saulus de handen op opdat hij zou zien .
- epithentes (opgelegd) . In vijf verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. . In drie verzen in het N.T. In de etekenis van handen opleggen slechts in Hnd 13,3 : epithentes tas cheiras autois = hun handen op hen gelegd (bij het uitsturen van missionarissen vanuit Antiochië) .

- erchomai (gaan , komen) . Zie ook : katerchomai : naar beneden gaan , afdalen .
- èlthon (zij gingen) . Verwijzing : eiselthôn (binnengegaan) , zie Mc 2,1 . In elf verzen in Hnd .
- èlthon eis ... (zij gingen naar) . In zeven verzen in Hnd : (1) Hnd 13,13 . (2) Hnd 13,51 . (3) Hnd 14,24 . (4) Hnd 15,30 . (5) Hnd 17,1 . (6) Hnd 21,8 . (7) Hnd 22,11 .
- elthontes (gegaan, gekomen) . Verwijzing : elthontes (gegaan, gekomen) , zie Mt 8,14 . Participium aorist nominatief mannelijk en vrouwelijk meervoud van het werkwoord erchomai (gaan, komen) . Het komt in zesendertig verzen in de bijbel voor . In vijftien verzen in het O.T. . In eenentwintig verzen in het N.T. : Mt (12) . Mc (3) . Lc (0) . Joh (2) . Hnd (4) en in 2 Kor 11,9 . In vier verzen In Hnd : (1) Hnd 11,20 . (2) Hnd 16,7 . (3) Hnd 16,37 . (4) Hnd 16,39 .
- elthein (gaan , komen) . Aorist infinitief . In 127 verzen in de bijbel . O.T. (87) . N.T. (40) . Mt (7) . Mc (1) . Lc (4) . Joh (8) . Hnd (3) . Brieven (17) . In drie verzen in Hnd : (1) Hnd 2,20 . (2) Hnd 8,40 . (3) Hnd 19,27 .

 

- eschatos (laatste) .
- genitief mannelijk of onzijdig enkelvoud eschatou . In vijfendertig verzen in de bijbel . In dertig verzen in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. : (1) Hnd 1,8 . (2) Hnd 13,47 (dat Js 49,6 citeert) . In drie brieven .

ethnos (volk) bijbel  O.T.  N.T.  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc Hnd
nom. + acc. enk. ethnos 128  113  15     
gen. enk. ethnous 45  38          2      
dat. enk. ethnei 49  43        1        
acc. enk.                        
nom. + acc mv. ethnè 339 289 50 4 1 3   8 15    
gen. mv. ethnôn 255 213 42 4 1 3   11 17    
dat. mv. ethnesin 173 141 32 4 2 1   8 15   (1) Hnd 4,27 . (2) Hnd 11,18 . (3) Hnd 14,27 . (4) Hnd 15,12 . (5) Hnd 21,19 . (6) Hnd 26,20 . (7) Hnd 26,23 . (8) Hnd 28,28 .
acc. mv.                        
Totaal                          

- eusebès (vroom) . eu - : voorzetsel : goed . De Griekse stam seb- : eren , vereren , eerwaardig zijn . Zo werd keizer Augustus Sebastos genoemd . Er is de beroemde bisschop Eusebius van Cesarea (ongeveer 275 - 30 mei 339) die een kerkgeschiedenis schreef . Sebastos vinden we in de naam Sebasatianus , een Romeins soldaat die onder het bewind van keizer Diocletianus (284-305) omwille van zijn christen-zijn aan een paal werd gebonden , met pijlen doorboord , gegeseld en gedood .
Als een verantwoordelijke in het Romeinse leger zal Cornelius wellicht eerbied voor de keizer hebben gehad . Maar zijn grootste eerbied ging wellicht uit naar God . Hij zal genoeg hebben gezien dat een Romeins keizer geen god was en niet als een god moest worden vereerd .
De nominatief enkelvoud komt in drie verzen in de bijbel voor . In twee verzen in het O.T. . In één vers in het N.T. nl. Hnd 10,2 . Accusatief enkelvoud eusebè in Hnd 10,7 . Nog in één vers in het O.T. . Accusatief meervoud in 2 Pe 2,9 : oiden kurios eusebeis = novit Dominus pios = de Heer kent de vromen . Verder nog in twee verzen in het O.T. .
- eusebeia . Zelfstandig naamwoord . Nominatief en datief enkelvoud in acht verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. : (1) Hnd 3,12 . In drie verzen in 1 Tim . In één vers in 2 Pe . Genitief enkelvoud . In vijf verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In twee verzen in het N.T. . Accusatief enkelvoud . In negen verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. . In zeven verzen in het N.T. .
- Het bijwoord eusebôs komt in twee verzen in het N.T. voor .
- De infinitief eusebein vinden we in 1 Tim 5,4 .

- exègagen (hij leidde uit) . Actief aorist derde persoon enkelvoud .
- exagô (uitleiden) . Verwijzing : exagô (uitleiden) , zie Lc 24,50 .
-- exègagen (hij leidde uit) . In eenenzestig verzen in de bijbel . In zesenvijftig verzen in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. . In Lc 24,50 en in vier verzen in Hnd : (1) Hnd 7,36 . (2) Hnd 7,40 . (3) Hnd 12,17 . (4) Hnd 13,17 . In drie van de vier verzen verwijst exègagen (hij leidde uit) naar de uittocht uit Egypte door Mozes . In Hnd 12,17 wijst het op de bevrijding van Petrus uit de gevangenis .
In de Nederlandse taal zeggen we ook wel : iemand uitgeleide doen , in de betekenis van : met iemand meegaan tot op een plaats waar afscheid van iemand genomen wordt . Hier is wel iets merkwaardigs . Niet de leerlingen , maar Jezus doet de leerlingen uitgeleide . Niet de leerlingen , maar Jezus neemt afscheid van zijn leerlingen . Dit herinnert aan het verhaal van de Emmaüsgangers waarin duidelijk werd dat Jezus tegelijkertijd af- en aanwezig is .

- exapestalè (hij werd uitgezonden) . Verwijzing : apostellô (wegsturen, zenden) , zie Joh 1,6 . Passief tweede aorist derde persoon enkelvoud . In één vers in de bijbel nl. Hnd 13,26 . apestalè (hij werd gezonden) . Passief aorist derde persoon enkelvoud . In twaalf verzen in de bijbel . In tien verzen in het O.T. : (1) Js 6,6 . (2) Js 20,1 . (3) Da 4,11 . (4) Da 4,21 . (5) . In twee verzen in het N.T. : (1) Lc 1,26 . (2) Hnd 28,28 .

- exiontôn (terwijl zij naar buiten gaan) . Actief particpium praesens genitief mannelijk meervoud van het werkwoord ex-eimi (uitgaan, ten einde lopen) . In deze vorm is het een hapax . Zie Hnd 13,42 .
- exon = exestin (het is toegelaten) . In vier verzen in de bijbel : (1) Est 4,2 . (2) Mt 12,4 . (3) Hnd 2,29 . (4) 2 Kor 12,4 .

- exèlthen (hij ging uit) . Actief aorist derde persoon enkelvoud . Deze werkwoordsvorm van Hnd 14,20b staat tegenover de werkwoordsvorm eisèlthen (hij ging naar binnen ; Hnd 14,20b) , aangevuld met de bepaling eis tèn polin (naar de stad) . Na zijn steniging, die hij overleefde, en zijn overnachting in de stad vertrok Paulus uit de stad Lystra en ging hij samen met Barnabas naar de stad Derbe , ongeveer 96 km ten zuidoosten van Lystra .

- existanto (zij waren buiten zichzelf) . Verwijzing : existamai (buiten zichzelf zijn , ontsteld / ontzet zijn) , zie Mc 16,8 . Imperfectum derde persoon meervoud . In zeven verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. , in zes verzen in het N.T. : (1) Gn 43,33 . (2) Mt 12,23 . (3) Mc 6,51 . (4) Lc 2,47 . (5) Hnd 2,7 . (6) Hnd 2,12 . (7) Hnd 9,21 . In alle zinnen staat het vervoegd werkwoord bij het begin van de zin . Het werkwoord existèmai wordt vertaald door : buiten zichzelf zijn , versteld staan , verstomd staan , buiten zichzelf raken , van zijn stuk brengen , van zijn stuk gebracht worden . Het werkwoord existèmai roept de gedachte op dat men uit zijn evenwicht geraakt , dat het gebeurde niet overeenkomt met wat men over een persoon (personen) of situatie dacht en bijgevolg vragen oproept . Bij existèmai wordt het voor-oordeel aan het wankelen gebracht . Zie ook Hnd 2,12 . Het is een reactie op wat ze in Hnd 2,6 horen praten . Deze reactie komt na het eerste optreden van hen die door de geest vervuld zijn .

In het schema onder Mc 16,8 kunnen we zien hoe de zinnen met existanto (zij waren buiten zichzelf) op gelijkaardige wijze zijn opgebouwd .

1. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
2. Gn 43,33 Mt 12,23 Mc 6,51 Lc 2,47 Hnd 2,7 Hnd 2,12 Hnd 9,21
3. existanto de (zij waren echter buiten zichzelf) kai existanto (en zij waren buiten zichzelf) existanto (zij waren buiten zichzelf) existanto de (zij waren echter buiten zichzelf) existanto de (zij waren echter buiten zichzelf) existanto de (zij waren echter buiten zichzelf) existanto de (zij waren echter buiten zichzelf)
4. hoi anthrôpoi (de mensen)  ekastos pros ton adelfou autou (ieder tot zijn broer) pantes oi ochloi (alle menigten) (en heautois = onder elkaar)  pantes oi akouontes (alle toehoorders) "pantes" (allen)   pantes (allen)   pantes oi akouontes (alle toehoorders) 
5.   kai elegon (en ze zeiden)       kai ethaumazon legontes (en zij waren verwonderd zeggend)   kai dièporoun allos pros allon legontes (en zij waren in verlegenheid, de ene tot de ander zeggend)   kai elegon (en ze zeiden)   
6.   mèti outos estin ho (is deze niet de ...)       ouch idou hapantes houtoi eisin  (zie zijn niet al dezen)   ti thelei touto einai ;  ouch houtos estin ho (is deze niet)  
7.   117. Genezing van een blinde en een stomme bezetene : Mt 12,22-23 - Mt 9,32-34 - Lc 11,14   152. Jezus wandelt op het meer : Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 8. De twaalfjarige Jezus in de tempel : Lc 2,41-52  Hnd 2,1-13 : Pinksteren  Hnd 2,1-13 : Pinksteren  Saulus in Damascus : Hnd 9,1-22 .  

In de zeven verzen begint slechts één vers met kai (en) : Mt 12,23 . In de zes andere verzen staan het vervoegd werkwoord existanto (zij waren buiten zichzelf) vooraan de zin , gevolgd door het partikel de (echter) . Op het vervoegd werkwoord volgt in vijf verzen het onderwerp . In vier verzen is het pantes (allen) , al dan niet zelfstandig gebruikt . In vier verzen volgt een nevenschikkende zin . In deze vier zinnen is een vorm van het werkwoord legô (zeggen) te vinden . Hierop volgt dan een vraag , die de verrassing verwoordt .
-- existanto (zij waren buiten zichzelf) de (echter) pantes (allen) . In vier verzen in het N.T. : (1) Lc 2,47 . (2) Hnd 2,7 . (3) Hnd 2,12 . (4) Hnd 9,21 .

F

4. Pharisaioi (Farizeeën) . Verwijzing : Farisaioi (Farizeeën) , zie Mt 9,11 .

farisaios Farizeeër) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc Hnd
nom. enk. farizaios              
gen. enk. farisaiou                  
nom. mv. farizaioi 49   49 21 8 10 9 1        
gen. mv. farisaiôn 28    28         
dat. mv. farisaiois                  
acc. mv. farisaious                
Totaal   95    95  28  12  27  19       

farisaios (Farizeeër) Mt , zie Mt 9,11 Mc , zie Mc 2,18 Lc  Joh  Hnd  Brieven 
nom. enk. farizaios     5 : (1) Lc 7,39 . (2) Lc 11,37 . (3) Lc 11,38 . (4) Lc 18,10 . (5) Lc 18,11 .   3 : (1) Hnd 5,34 . (2) Hnd 23,6 . (3) Hnd 26,5 . 1 : Fil 3,5 .
gen. enk. farisaiou     2 : (1) Lc 7,36 . (2) Lc 7,37 .      
nom. mv. farisaioi 21 : (1) Mt 9,11 . (2) Mt 9,14 . (3) Mt 9,34 . (4) Mt 12,2 . (5) Mt 12,14 . (6) Mt 12,24 . (7) Mt 15,1 . (8) Mt 15,12 . (9) Mt 16,1 . (10) Mt 19,3 . (11) Mt 21,45 . (12) Mt 22,15 . (13) Mt 22,34 . (14) Mt 23,2 . (15) Mt 23,13 . (16) Mt 23,15 . (17) Mt 23,23 . (18) Mt 23,25 . (19) Mt 23,27 . (20) Mt 23,29 . (21) Mt 27,62 . 8 : (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,24 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 7,1 . (5) Mc 7,3 . (6) Mc 7,5 . (7) Mc 8,11 . (8) Mc 10,2 . 10 : (1) Lc 5,17 . (2) Lc 5,21 . (3) Lc 5,30 . (4) Lc 6,7 . (5) Lc 7,30 . (6) Lc 11,39 . (7) Lc 11,53 . (8) Lc 13,31 . (9) Lc 15,2 . (10) Lc 16,14 . 9 : (1) Joh 4,1 . (2) Joh 7,32 . (3) Joh 7,47 . (4) Joh 8,3 . (5) Joh 8,13 . (6) Joh 9,15 . (7) Joh 11,47 . (8) Joh 11,57 . (9) Joh 12,19 . 1 : Hnd 23,8 .  
gen. mv. farisaiôn 7 : (1) Mt 3,7 . (2) Mt 5,20 . (3) Mt 12,38 . (4) Mt 16,6 . (5) Mt 16,11 . (6) Mt 16,12 . (7) Mt 22,41 . 4 : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 8,15 . (4) Mc 12,13 . 7 : (1) Lc 5,33 . (2) Lc 6,2 . (3) Lc 7,36 . (4) Lc 12,1 . (5) Lc 14,1 . (6) Lc 17,20 . (7) Lc 19,39 . 6 : (1) Joh 1,24 . (2) Joh 3,1 . (3) Joh 7,48 . (4) Joh 9,16 . (5) Joh 9,40 . (6) Joh 18,3 . 4  : (1) Hnd 15,5 . (2) Hnd 23,6 . (3) Hnd 23,7 . (4) Hnd 23,9 .  
dat. mv. farisaiois     2 : (1) Lc 11,42 . (2) Lc 11,43 .      
acc. mv. farisaious     1 : Lc 14,3 . 4  : (1) Joh 7,45 . (2) Joh 9,13 . (3) Joh 11,46 . (4) Joh 12,42 .    

In negenenveertig verzen in de bijbel . Slechts in het N.T. . Mt (21) . Mc (8) . Lc (10) . Joh (9) . Hnd (1) . In eenentwintig verzen bij Matteüs : (1) Mt 9,11 . (2) Mt 9,14 . (3) Mt 9,34 . (4) Mt 12,2 . (5) Mt 12,14 . (6) Mt 12,24 . (7) Mt 15,1 . (8) Mt 15,12 . (9) Mt 16,1 . (10) Mt 19,3 . (11) Mt 21,45 . (12) Mt 22,15 . (13) Mt 22,34 . (14) Mt 23,2 . (15) Mt 23,13 . (16) Mt 23,15 . (17) Mt 23,23 . (18) Mt 23,25 . (19) Mt 23,27 . (20) Mt 23,29 . (21) Mt 27,62 . Zesmaal in : wee u schriftgeleerden en Farizeeën in Mt 23 : (15) Mt 23,13 . (16) Mt 23,15 . (17) Mt 23,23 . (18) Mt 23,25 . (19) Mt 23,27 . (20) Mt 23,29 .

3. - 4. hoi (...) Pharisaioi (de Farizeeën) . In negenendertig verzen in het N.T. . Mt (13) . Mc (8) . Lc (8) . Joh (9) . In elf verzen bij Mt : (1) Mt 9,11 . (2) Mt 9,14 . (3) Mt 9,34 . (4) Mt 12,2 . (5) Mt 12,14 . (6) Mt 12,24 . (8) Mt 15,12 . (9) Mt 16,1 . (11) Mt 21,45 . (12) Mt 22,15 . (13) Mt 22,34 . (14) Mt 23,2 . (21) Mt 27,62 .
- hoi Pharisaioi (de Farizeeën) . In drieëndertig verzen in het N.T. . Mt (9) . Mc (8) . Lc (7) . Joh (9) . In acht verzen (1) Mt 9,11 . (2) Mt 9,14 . (5) Mt 12,14 . (8) Mt 15,12 . (9) Mt 16,1 . (11) Mt 21,45 . (12) Mt 22,15 . (14) Mt 23,2 . (21) Mt 27,62 .
- kai hoi Pharisaioi (en de Farizeeën) . In vijftien verzen in het N.T. . Mt (4) . Mc (2) . Lc (5) . Joh (4) . In vier verzen bij Mt : (2) Mt 9,14 . (11) Mt 21,45 . (14) Mt 23,2 . (21) Mt 27,62 .
- hoi de Pharisaioi (de Farizeeën echter) . In vijf verzen in het N.T. . Mt (4) . Lc (1) . In vier verzen bij Matteüs . (3) Mt 9,34 . (4) Mt 12,2 . (6) Mt 12,24 . (13) Mt 22,34 .

- farisaios (farizeeër) . Verwijzing : Farisaioi (Farizeeën) , zie Mc 2,18 . Nominatief mannelijk enkelvoud . In negen verzen in de bijbel . In vijf verzen bij Lucas : (1) Lc 7,39 . (2) Lc 11,37 . (3) Lc 11,38 . (4) Lc 18,10 . (5) Lc 18,11 . In drie verzen in Hnd : (1) Hnd 5,34 . (2) Hnd 23,6 . (3) Hnd 26,5 . In Fil 3,5 .

- Felix , landvoogd van Judea (52-59) . In deze functie liet hij de hogepriester Jonatan vermoorden en onderdrukte hij verschillende opstanden . De vleiende rede van Tertullus (Hnd 24,2-8) geeft een gunstig getuigenis over zijn bestuur . Voor zijn rechterstoel moest Paulus verschijnen . Later sprak Paulus met hem en met zijn joodse vrouw Drusilla , dochter van Herodes Agrippa I .

- fobos (vrees, fobie) . Verwijzing : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) , zie Mc 1,27 ; zie eveneens jâr´â (vrezen, eerbied hebben) , zie Ps 111,10 . Zelfstandig naamwoord nominatief mannelijk enkelvoud . In achtentachtig verzen in de bijbel . In elf verzen in het N.T. . Niet bij Matteüs. Niet bij Marcus. In drie verzen bij Lucas : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 1,65 . (3) Lc 7,16 . Niet in Johannes . In vier verzen in Hnd : (1) Hnd 2,43 . (2) Hnd 5,5 . (3) Hnd 5,11 . (4) Hnd 19,17 . Brieven (4) .
- foboumenos (vrezend) . Verwijzing : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) , zie Mc 1,27 ; zie eveneens jâr´â (vrezen, eerbied hebben) , zie Ps 111,10 . Participium praesens nominatief mannelijk enkelvoud . In achtentwintig verzen in de bijbel . In tweeëntwintig verzen in het O.T. . In zes verzen in het N.T. : (1) Lc 18,2 . (2) Hnd 10,2 . (3) Petrus vertelde aan de gemeente van Jeruzalem wat hem in Joppe en Cesarea is overkomen . Hnd 10,22 . (4) De verdedigingstoespraak van Petrus : Hnd 10,35 . (5) Gal 2,12 . (6) 1 Joh 4,18 .

- Frugian (Frygië) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In drie verzen in Hnd : (1) Hnd 2,10 . (2) Hnd 16,6 . Paulus en Silas trokken tijdens een tweede zendingsreis door Frygië en Galatië . (3) Hnd 18,23 . Tijdens een derde zendingsreis kwam Paulus langs Frygië en Galatië . Verwijzing : Frugian (Frygië) , zie Hnd 2,10 . Landstreek in het westelijk hoogland van Klein-Azië (tot 2500 m hoog), tussen Bytinië en Pisidië, Galatië en Lydië .

- fôs (licht) . Verwijzing : fôs (licht) , zie Mt 5,14 . Zelfstandig naamwoord onzijdig enkelvoud . In 143 verzen in de bijbel . In 102 verzen in het O.T. . In eenenveertig verzen in het N.T. . In acht verzen in Hnd : (1) Hnd 9,3 . (2) Hnd 12,7 . (3) Hnd 13,47 . (4) Hnd 22,6 . (5) Hnd 22,9 . (6) Hnd 26,13 . (7) Hnd 26,18 . (8) Hnd 26,23 .

- fulakè (bewaking , bewaring , gevangenis) .

fulakè (bewaring)  bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc Hnd
nom. + dat. vr. enk. fulakè(i) 41 23 18 8 2 3   3 1 1 (1) Lc 3,20 . (2) Lc 12,38 . (3) Lc 23,19 . (1) Hnd 5,22 . (2) Hnd 5,28 . (3) Hnd 12,5 .
gen. enk. fulakès 36 30 6         4 1   (1) Hnd 5,19 . (2) Hnd 12,17 . (3) Hnd 16,27 . (4) Hnd 16,40 .
dat. zie nom.                        
acc. vr. enk. 38 23 15 2 1 3 1 7     (1) Hnd 8,3 . (2) Hnd 12,4 . (3) Hnd 12,6 . (4) Hnd 12,10 . (5) Hnd 16,23 . (6) Hnd 16,24 . (7) Hnd 16,37 .
Totaal   115 76 39 10 3 6 1 14 2    

G

- Galatikèn chôran (Galatië) . Tweemaal wordt in combinatie met Frygië Galatië (galatikèn chôran = de streek van Galatië) genoemd . (1) Hnd 16,6 . Paulus en Silas trokken tijdens een tweede zendingsreis door Frygië en Galatië . (2) Hnd 18,23 . Tijdens een derde zendingsreis kwam Paulus langs Frygië en Galatië . Verwijzing : Galatikèn chôran (Galatië) , zie Hnd 2,10 .
- Galatias (van Galatië) . Genitief vrouwelijk enkelvoud . In drie verzen in het N.T. : (1) 1 Kor 16,1 (in verband met een inzameling voor Jeruzalem) . (2) Gal 1,2 . (3) 1 Pe 1,1 .
- Galatian (naar Galatië) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In één vers : 2 Tim 4,10 .

- Galilaias (van Galilea) . Verwijzing : Galilea , zie Mc 1,14 . Genitief vrouwelijk enkelvoud . In veertig verzen in de bijbel . In zesendertig verzen in het N.T. . In acht verzen bij Mt . In zeven verzen bij Mc . In tien verzen bij Lc . In acht verzen bij Joh . In drie verzen in Hnd : (1) Hnd 9,31 (kath' holès ... Galilaias = over geheel ... Galilea) . (2) Hnd 10,37 (apo tès Galilaias = vanaf Galilea) . (3) Hnd 13,31 (apo tès Galilaias = vanaf Galilea) .

- . gnôston . Verwijzing : gignôskô (kennen) , zie Mt 12,15 . In zeventien verzen in de bijbel . In zeven verzen in het O.T. . In tien verzen in het N.T. .

- (tèn) grafèn (de schrift) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In één vers in Hnd : Hnd 1,16 . hè grafè (de schrift) . Nominatief vrouwelijk enkelvoud . Niet in Hnd . panta ta gegrammena (al het geschrevene) . Nominatief of accusatief onzijdig meervoud . Niet in Hnd . Verwijzing : grafô (schrijven) , zie Mc 1,2 .

H

- hamartiôn (van zonden) . Verwijzing: hamartia (zonde) , zie Lc 11,4 . Genitief meervoud van het zelfstandig naamwoord hamartia (zonde) . In vijfentachtig verzen in de bijbel . In tweeënvijftig verzen in het O.T. . In tweeëndertig verzen in het N.T. (1) Mt 1,21 . (2) Mt 26,28 . (3) Mc 1,4 . (4) Lc 1,77 . (5) Lc 3,3 . (6) Lc 24,47 . (7) Hnd 2,38 . (8) Hnd 5,31 . (9) Hnd 10,43 . (10) Hnd 13,38 . (11) Hnd 26,18 . In eenentwintig verzen in de andere boeken van het N.T. .
- eis afesin tôn hamartiôn (tot vergeving van de zonden) . Verwijzing : afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) , zie Mt 6,14 . In vier verzen in het N.T. : (1) Mt 26,28 . (2) Mc 1,4 . (3) Lc 3,3 . (4) Hnd 2,38 .

- hapantes (allen) . Verwijzing : pas (ieder, elk) , zie Mc 2,13 . In zes verzen in Hnd : (Hnd 2,1) . (1) Hnd 2,7 . (2) Hnd 4,31 . (3) Hnd 5,12 . (4) Hnd 5,16 . (5) Hnd 16,3 . (6) Hnd 16,28 . Zie pantes (allen) .

- hèmeras tinas (bepaalde / enkele dagen) . Verwijzing : hèmera (dag) , zie Mc 1,13 . In vier verzen in het N.T. , enkel in Hnd : (1) Hnd 9,19 . (2) Hnd 10,48 . (3) Hnd 16,12 . (4) Hnd 24,24 .

- hieron (tempel) . Verwijzing : hieron (tempel) , zie Lc 24,53 . Nominatief of accusatief onzijdig enkelvoud. In veertig verzen in de bijbel . In twintig verzen in het O.T. . In twintig (2 + 2 + 3 + 2 + 11) verzen in het N.T. : Mt (2) , Mc (2) , Lc (3) , Joh (2) . In elf verzen in Hnd komt de accusatief onzijdig enkelvoud voor . In acht verzen is dat in de uitdrukking eis to hieron (naar de tempel) met een werkwoordvorm van een werkwoord 'gaan' . In zeven van die verzen staat een werkwoord met een voorvoegsel eis... , in één ervan met het voorvoegsel ana... (op...) .
(1) Hnd 3,1 : anebainon eis to hieron = zij klommen op naar de tempel .
(2) Hnd 3,2 : para tôn eisporeuomenôn eis to hieron = vanwege hen die zich naar de tempel begeven .
(3) Hnd 3,3 : eisienai eis to hieron = binnen te gaan naar de tempel .
(4) Hnd 3,8 : kai eisèlthen sun autois eis to hieron = en hij ging met hen naar binnen naar de tempel .
(5) Hnd 5,21 : eisèlthon ... eis to hieron = gingen zij naar de tempel .
(6) Hnd 19,27 : de tempel van de grote godin Artemis .
(7) Hnd 21,26 : eisèei eis to hieron : hij ging binnen naar de tempel ..
(8) Hnd 21,28 : eisègagen eis to hieron = hij leidde hen naar de tempel ..
(9) Hnd 21,29 : eis to hieron eisègagen ho Paulos = naar de tempel leidde Paulus .
(10) Hnd 24,6 : die de tempel trachtte te bezoedelen .
(11) Hnd 25,8 : noch tegen de tempel heb ik iets misdaan .
-- en tôi hierôi (in de tempel) . Voorzetsel van plaats + lidwoord datief onzijdig enkelvoud + zelfstandig naamwoord (hieron = tempel) datief onzijdig enkelvoud . In drieëndertig verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In tweeëndertig (5 + 4 + 7 + 7 + 9) verzen in het N.T. : Mt (5) , Mc (4) . In zeven verzen bij Lucas : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 19,47 . (3) Lc 20,1 . (4) Lc 21,37 . (5) Lc 21,38 . (6) Lc 22,53 . (7) Lc 24,53 . In zeven verzen bij Johannes . In negen verzen in Hnd. : (1) Hnd 2,46 . (2) Hnd 5,20 . (3) Hnd 5,25 . (4) Hnd 5,42 . (5) Hnd 21,27 . (6) Hnd 22,17 . (7) Hnd 24,12 . (8) Hnd 24,18 . (9) Hnd 26,21 .

- estèsan (zij plaatsten) . Verwijzing : histèmi (doen staan), zie Lc 24,36 . Actief aorist derde persoon meervoud van histèmi (plaatsen, stellen) . In negen verzen in het N.T. . In vier verzen in Hnd : (1) Hnd 1,23 . (2) Hnd 5,27 . (3) Hnd 6,6 . (4) Hnd 6,13 .

- hodègos (weg-leider , aanvoerder) .
- Lc 22,47 . Tegenover Jezus , die zijn slapende leerlingen wakker maakte en hen vroeg opdat zij niet op de beproeving zouden ingaan , kwam Judas met een menigte achter zich . proèrcheto (hij ging voorop , hij ging op kop) . Het is een hapax vorm in de bijbel . In Hnd 1,16 wordt hij hodègos ( hodos = weg , en agô = voeren , leiden ; vandaar : weg-leider , aanvoerder) . Judas kende de weg , want hij had die weg zovele malen met Jezus en met zijn collega's afgelegd 's avonds en 's morgens . Hij ging op kop , kuste Jezus om hem over te leveren . Vanaf dat moment is Judas' rol uitgespeeld . Zijn rol bestond juist in het overleveren van Jezus .

- homothumadon (eensgezind , gelijkgezind) . Verwijzing : homothumadon (eensgezind , gelijkgezind) , zie Hnd 1,14 . homoios : gelijkend . thumos : opwelling , hardstocht . Bijwoord . In veertig verzen in de bijbel . In negenentwintig verzen in het O.T. . In elf verzen in het N.T. . In tien verzen in Hnd . In één vers in Rom . (1) Hnd 1,14 . (2) Hnd 2,46 . (3) Hnd 4,24 . (4) Hnd 5,12 . (5) Hnd 7,57 . (6) Hnd 8,6 . (7) Hnd 12,20 . (8) Hnd 15,25 . (9) Hnd 18,12 . (10) Hnd 19,29 .
-- proskarterountes homothumadon (gelijkgezind volhardend) . In twee verzen in de bijbel : Hnd 1,14 en Hnd 2,46 .

- homou (op dezelfde plaats) of op gelijke plaats . homoios : gelijk , gelijksoortig . hou : betrekkelijk voornaamwoord van plaats waar op de vraag pou (waar) ; bijeen , samen , tegelijkertijd . In twaalf verzen in de bijbel . In acht verzen in het O.T. . In vier verzen in het N.T. . In drie verzen in Joh . In Hnd 2,1 .

- houtoi (deze) , zie Hnd 1,14 . Aanwijzend voornaamwoord nominatief mannelijk meervoud . In 382 verzen in de bijbel . In veertien verzen in Hnd : (1) Hnd 1,14 . (2) Hnd 2,7 . (3) Hnd 2,15 . (4) Hnd 11,12 . (5) Hnd 16,17 . (6) Hnd 16,20 . (7) Hnd 17,6 . (8) Hnd 17,7 . (9) Hnd 17,11 . (10) Hnd 20,5 . (11) Hnd 24,15 . (12) Hnd 24,20 . (13) Hnd 25,11 . (14) Hnd 27,31 .
-- houtoi pantes : letterlijk : deze allen ; al dezen . In vier verzen in het N.T. : (1) Hnd 1,14 . (2) Hnd 17,7 . (3) Heb 11,13 . (4) Heb 11,39 .

- houtôs (zo) . Verwijzing : houtôs (zo, op deze wijze) , zie Mt 21,6 . In 907 verzen in de bijbel . In 708 verzen in het O.T. . In 199 verzen in het N.T. . In eenentwintig verzen bij Lucas . In zesentwintig verzen in Handelingen : (1) Hnd 1,11 . (2) Hnd 3,18 . (3) Hnd 7,1 . (4) Hnd 7,6 . (5) Hnd 7,8 . (6) Hnd 8,32 . (7) Hnd 12,8 . (8) Hnd 12,15 . (9) Hnd 13,8 . (10) Hnd 13,34 . (11) Hnd 13,47 . (12) Hnd 14,1 . (13) Hnd 17,11 . (14) Hnd 17,33 . (15) Hnd 19,20 . (16) Hnd 20,11 . (17) Hnd 20,13 . (18) Hnd 20,35 . (19) Hnd 21,11 . (20) Hnd 22,24 . (21) Hnd 24,9 . (22) Hnd 24,14 . (23) Hnd 27,17 . (24) Hnd 27,25 . (25) Hnd 27,44 . (26) Hnd 28,14 .

- hupestrepsan (zij keerden terug). Verwijzing : hupostrefô (omkeren, terugkeren) , zie Lc 4,1 . Actief aorist derde persoon meervoud . In elf verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In tien verzen in het N.T. . Niet bij Matteüs en Marcus .In vijf verzen bij Lucas : (1) Lc 2,20 (de herders) . (2) Lc 2,45 (de ouders - eis Hierousalèm) . (3) Lc 10,17 (de tweeënzeventig) . (4) Lc 24,33 (de Emmaüsgangers - eis Hierousalèm) . (5) Lc 24,52 (de leerlingen - eis Hierousalèm) . In vijf verzen in Hnd : (1) Hnd 1,12 (de leerlingen - eis Hierousalèm) . (2) Hnd 12,25 (Barnabas en Saulus) . (3) Hnd 14,21 (Paulus en Barnabas keerden in omgekeerde volgorde naar Lystra , Ikonium en Antiochië van Pisidië terug) . (4) Hnd 21,6 . (5) Hnd 23,32 .
Tussen Hnd 13,4 en Hnd 14,27 ligt de eerste zendingsreis van Barnabas en Paulus besloten . Ze werden gezonden door de gemeente van Antiochië . Het is voor het eerste maal dat voor een systematische aanpak van missionering wordt gekozen . Barnabas en Paulus vertrokken vanuit Antiochië en keerden terug naar Antiochië . Derbe was de laatste standplaats . Vandaar keerden zij terug .

I

- idou (zie) . Verwijzing : idou (zie) , zie Mt 1,20 . Verwijzing : hinneh (zie) , zie Gn 29,2 . Het komt in de bijbel in 1229 verzen voor en is dikwijls de vertaling van het Hebreeuwse hen of hinneh (zie) . In het O.T. in 1037 verzen . In het N.T. in 192 verzen .

- Ièsous (Jezus) .
-- Ièsous (Jezus) . Verwijzing : Ièsous (Jezus) , zie Mt 1,1 . Nnominatief mannelijk enkelvoud . In 604 verzen in de bijbel . In 151 verzen in het O.T. . In 455 verzen in het N.T. . Het kan met (+) of zonder lidwoord (-) voorkomen . Mt (110) . Lc (57) . Lc (55) . Joh (194) . Hnd (10) . Brieven (28) . Apk (1) In tien verzen in Hnd : (1) Hnd 1,1 .
-- Ièsou . Genitief of datief mannelijk enkelvoud . Bijbel (348) . O.T. (34) . N. T. (313) . Mt (25) . Mc (13) . Lc (18) . Joh (18) Hnd (32) . Brieven (196) . Apk (11) . In tweeëndertig verzen in Hnd .
-- accusatief mannelijk enkelvoud Ièsoun . In zevenentwintig verzen in Hnd .

- Ikonion (Ikonium) = het huidige Konya . Ikonium was de centrale stad in Lykaonië , het gebied ten oosten van Pisidië , in de Romeinse provincie Galatië . In zes verzen in Hnd : (1) Hnd 13,51 (èlthon eis Ikonion = zij gingen naar Ikonium) . (2) Hnd 14,1 (en Ikoniôi = in Ikonium) . (3) Hnd 14,19 . (4) Hnd 14,21 (hupestrepsan eis ... Ikonion = zij keerden terug naar Ikonium) . (5) Hnd 16,2 . (6) 2 Tim 3,11 . Tijdens een eerste zendingsreis bezochten Paulus en Barnabas tweemaal Ikonium (Hnd 14,1-7 en Hnd 14,21) . Toen er een vervolging uitbrak , moesten zij vluchtten . Bewoners uit Antiochië en Ikonium wisten in Lystra de bevolking op te hitsen en Paulus te stenigen .

- Iouda .Er is Juda , de zoon van Jakob . Er is Judas , die Jezus overleverde . Er is Judas die Silas vergezelde van Jeruzalem . Zie Hnd 1,16 .

J

- Jasôn (Jason) . Verwijzing : Jasôn (Jason) , zie Hnd 17,7 . Tijdens hun tweede zendingsreis logeerden Paulus en Silas bij Jason . Een opgehitste menigte wilde Paulus en Silas voor het stadsbestuur brengen , maar ze werden niet gevonden . Daarop werd Jason en enkele medebroeders voor het stadbestuur gebracht . Ze werden echter op borgtocht vrijgelaten (Hnd 17,1-9) .

K

Kaisareia (Caesarea / Cesarea) . Verwijzing : Kaisareia (Cesarea) , zie Hnd 10,1 . '"Keizersstad" . Naam van een aantal steden die naar de Kaisar / Caesar genoemd zijn . In twee verzen in de bijbel (Mt en Mc) is Caesarea van Filippus bedoeld . In Hnd is Caesarea de stad aan zee in Palestina bedoeld . Zij is een havenstad aan de Middellandse Zee , tussen Jafo en Dor en ligt ongeveer 30 km ten zuiden van het huidige Haifa . Hij werd tussen 12 en 9 v. Chr. gebouwd door Herodes de Grote bij de oude Stratonstoren . In de bijbel slechts in Hnd . In vijftien verzen . Nom (0) . Gen (4) . (Dat (1) . Acc (10) .
K-s-r (Kaisar) en K-r-s (Kurios) hebben dezelfde medeklinkers , in een verschillende volgorde . Met Kaisar (Caesar / keizer) werd de opperste macht van het Romeinse Rijk aangeduid , met Kurios (zie Kyrie) de Heer Jezus Christus .
In Hnd 10 bekeerde de Romeinse centurio Cornelius zich tot het joods-christelijk geloof .
- Kaisareiai (Caesarea) . Datief vrouwelijk enkelvoud . Slechts in Hnd 10,1 : en Kaisareiai (in Caesarea) . Een zekere centurio Cornelius is in Caesarea .
- Kaisareias (Caesarea) . Genitief vrouwelijk enkelvoud . In zes verzen in de bijbel , slechts in het N.T. . Mt (1) . Mc (1) . Hnd (4) : (1) Hnd 11,11 : apo Caesareias (vanuit Caesarea) . Drie mannen werden door centurio Cornelius naar Petrus gezonden . (2) Hnd 21,16 : apo Caesareias (afkomstig uit Caesarea) . Enkele leerlingen uit Caesarea vergezelden Paulus naar Jeruzalem . (3) Hnd 23,23 : heôs Kaisareias (tot Caesarea) . De tribunus gaf bevel een gewapende begeleiding voor de gevangen Paulus klaar te maken . (4) Hnd 25,1 : apo Caesareias (vanuit Caesarea) . Gouverneur Festus ging van Caesarea naar Jeruzalem .
- Kaisareian (Caesarea) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In tien verzen in de bijbel , slechts in Hnd .
(1) Hnd 8,40 : eis Kaisareian = naar / in Caesarea . Filippus predikte in Samaria tot Caesarea toe .
(2) Hnd 9,30 : eis Kaisareian = naar / in Caesarea . Leden van de gemeente van Jeruzalem brachtten de bekeerde Saulus eerst naar Caesarea en zonden hem vervolgens naar Tarsus .
(3) Hnd 10,24 : eis tèn Kaisareian = naar / in Caesarea . Petrus ging in op de uitnodiging van de centurio Cornelius en hij kwam met zijn gezondenen in Caesarea aan .
(4) Hnd 12,19 : eis Kaisareian = naar / in Caesarea . In Jeruzalem vervolgde koning Herodes de christelijke gemeente van Jeruzalem . De gevangen genomen Petrus werd op wonderlijke wijze bevrijd . Herodes keerde naar Caesarea terug .
(5) Hnd 18,22 : eis Kaisareian = naar / in Caesarea . Na een tweede zendingsreis verbleef Paulus voor enige tijd in Antiochië .
(6) Hnd 21,8 : eis Kaisareian = naar / in Caesarea . Tijdens zijn derde zendingsreis verbleef Paulus op weg naar Jeruzalem enige tijd in Caesarea .
(7) Hnd 23,33 : eis tèn Kaisareian = naar / in Caesarea . De gevangen Paulus werd vanuit Jeruzalem naar Caesarea in veiligheid gebracht .
(8) Hnd 25,4 : eis Kaisareian = naar / in Caesarea . Festus was in Jeruzalem . De joden deden Festus een verzoek om de gevangen Paulus naar Jeruzalem over te brengen om hem te verhoren . Festus antwoordde hem dat Paulus in Caesarea nu eenmaal gevangen zat en dat zij naar Caesarea konden komen .
(9) Hnd 25,6 : eis Kaisareian = naar / in Caesarea . Festus was naar Caesarea teruggekeerd . Daar werd Paulus verhoord .
(10) Hnd 25,13 : eis Kaisareian = naar / in Caesarea . Bij een bezoek van koning Agrippa en Bernice aan Festus in Caesarea legde Festus de zaak van Paulus voor .

- kakeithen (en vanhier of en vandaar) . Verwijzing : ekeithen (vanhier, vandaar) , zie Mt 4,21 . In tien verzen in de bijbel , slechts in het N.T. Mc (1) . Lc (1) . Hnd (8) : (1) Hnd 7,4 . (2) Hnd 13,21 . (3) Hnd 14,26 . (4) Hnd 16,12 . (5) Hnd 20,15 . (6) Hnd 21,1 . (7) Hnd 27,4. (8) Hnd 28,15 .

- ekakôsen (hij behandelde slecht) . In zeven verzen in de bijbel . Actief aorist derde persoon enkelvoud van het werkwoord kakoô (kwaad doen) . In zes verzen in het O.T. : (1) Gn 16,6 . (2) Ex 5,23 . (3) Dt 8,3 . In één vers in het N.T. nl. Hnd 7,19 .

- katerchomai : naar beneden gaan , afdalen .
katelthôn (naar beneden gegaan) . Verwijzing : eiselthôn (binnengegaan) , zie Mc 2,1 . Aorist actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud van het werkwoord katerchômai (naar beneden gaan , afdalen) . Slechts in drie verzen in de bijbel : (1) Hnd 8,5 . (2) Hnd 12,19 . (3) Hnd 18,22 .
Er zijn een drietal teksten die sterk op elkaar gelijken :
1. Hnd 8,5 : Filippos de katelthôn eis tèn polin tès Samareias = nadat echter Filippus naar de stad van Samaria was afgedaald . Na de steniging van Stefanus brak er in Jeruzalem een grote vervolging uit waardoor vele gelovigen uitweken naar andere plaatsen .
2. Hnd 12,19 : kai katelthôn apo tès Ioudaias eis Kaisareian dietriben = en nadat hij (Herodes) was afgedaald van Judea naar Caesarea , verbleef hij er . Na de vervolging van de gelovigen in Jeruzalem , keerde Herodes naar Caesarea terug .
3. Hnd 18,22 : kai katelthôn eis Kaisareian = en nadat hij (Paulus) naar Caesarea was afgedaald . Op het einde van zijn tweede zendingsreis ging Paulus een groet brengen aan Caesarea om vervolgens naar Antiochië aan de Orontes te gaan .

- kathôs (zoals, volgens zo'n wijze) . Verwijzing : kathôs (zoals) , zie Mc 1,2 . Het komt in 405 verzen in de bijbel voor . In 326 verzen in het O.T. , in 179 verzen in het N.T. . In elf verzen in Hnd : (1) Hnd 2,4 . (2) Hnd 2,22 . (3) Hnd 7,17 . (4) Hnd 7,42 . (5) Hnd 7,44 . (6) Hnd 7,48 . (7) Hnd 11,29 . (8) Hnd 15,8 . (9) Hnd 15,14 . (10) Hnd 15,15 . (11) Hnd 22,3 .

- katistèmi (tegenstellen) .

Ex 2,14 = Hnd 7,27.35 - Ex 2,11-22 - - Hnd 7,1-53 - Lc 12,14 - Lc 12,13-15 -
  anthrôpe (mens)
Tís (Wie) Tís (Wie)
se (u) me (mij)
katestèsen (heeft aangesteld) katestèsen (heeft aangesteld)
archonta (tot leider) kritèn (tot beoordeelaar)
kai (en) kai (en)
dikastèn (rechter) meristèn (verdeler)
ef'èmôn (over ons) ef'humôn (over u)
 Ex 2,11-22 : Mozesvlucht naar Midjan  210. Vermaning tegen hebzucht : Lc 12,13-15

.katestèsen : aorist van kathistèmi : aanstellen
De reactie van Jezus (Lc 12,14 - Lc 12,13-15 - ) gaat terug op Ex 2,14. In het verhaal van Ex 2,11-15 doodt Mozes een Egyptenaar nadat deze een Hebreeër had neergeslagen. 's Anderendaags wil Mozes tussenkomen tussen twee twistende Hebreeën. Degene die ongelijk heeft, roept Mozes ter verantwoording en zegt: "Wie heeft jou als heer en rechter over ons aangesteld?" Het gevolg ervan is dat Mozes de zaak onbeslecht laat. De situaties van het verhaal van Mozes en van het verhaal van het lucasevangelie zijn zeer verschillend. De gelijkenis bestaat erin dat er een dispuut bestaat tussen twee broers over de verdeling van de erfenis. Degene die zich onrechtvaardig behandeld weet, roept de hulp in van Jezus. Jezus echter citeert uit het Exodusverhaal om bij de erfeniszaak van de de twee twistende broers niet tussenbeide te komen.
Hnd 7,35 interpreteert de vraag van de Hebreeër naar de verantwoording van Mozes'gedrag als een weigering van de Hebreeër om de bemiddeling van Mozes te aanvaarden. Tegenover deze weigering plaatst de schrijver van Handelingen de aanstelling van Mozes tot leider en verlosser door God.
Hnd 7,54-8,3 : Stefanus vermoord en de Jeruzalemse gemeente vervolgd .

- kèrussôn (verkondigend) . Verwijzing : kèrussô (verkondigen) , Mc 1,45 . In dertien verzen in de bijbel . Slechts in het N.T. . In vier verzen bij Lucas : (7) Lc 3,3 : baptisma metanoias (een doopsel van bekering) . (8) Lc 4,44 . (9) Lc 8,1 . (10) Lc 8,39 . In twee verzen in Hnd : (11) Hnd 20,25 (Paulus' afscheid in Milete) . (12) Hnd 28,31 . In deze twee verzen staat de formulering kèrussôn tèn basileian tou theou (verkondigend het koninkrijk van God) . In sommige handschriften zonder tou theou (van God) .

- koilias (van de moederschoot) . Genitief vrouwelijk enkelvoud . In achtenvijftig verzen in de bijbel . In zeven verzen in het N.T. : (1) Mt 19,12 . (2) Lc 1,15 . (3) Lc 1,42 . (4) Joh 7,38 . (5) Hnd 3,2 . (6) Hnd 14,8 . (7) Gal 1,15 . Verwijzing : bhâtèn (moederschoot) , zie Jr 1,5 .

L

- lalô (praten) .
Er is een grote overeenkomst tussen Hnd 2,6 , Hnd 2,11 en Hnd 10,45 :
- Hnd 2,6 : èkouon heis hekastos tèi idiai dialektôi lalountôn autôn = eenieder hoorde hen spreken in de eigen taal .
- Hnd 2,11 : akouomen lalountôn autôn tais hèmeterais glôssais ta megaleia tou theou = wij horen hen spreken in onze talen over de grote daden van God . Hnd 2,12 : existanto de ... zij echter waren buiten zichzelf ...
- Hnd 10,45 : kai exestèsan oi ek peritomès pistoi = en de gelovigen uit de besnijdenis waren buiten zichzelf ... Hnd 10,46 : èkouon gar autôn lalountôn glôssais = zij hoorden hen spreken in talen . Het Pinksterenwonder voltrekt zich niet alleen in Jeruzalem over de apostelen en de aanwezige joden maar ook over de volken (heidenen) in Caesarea .
- Hnd 19,6 : elaloun te glôssais = en zij spraken in talen . Na de handoplegging door Paulus ontvingen de gelovigen van Efeze en spraken ze in talen .
- lalountôn (terwijl zij aan het praten waren) . Actief participium praesens genitief meervoud . Verwijzing : laleô (lallen, spreken, praten) , zie Mt 4,6 .
Het werkwoord laleô staat zeer dicht bij het werkwoord existamai in Hnd 2,7 . Deze reactie komt na het eerste optreden van hen die door de geest vervuld zijn . Hier zijn de werkwoorden akouô (horen) , laleô (spreken) en existamai (verrast worden) in een netwerk bij elkaar .
-- autôn lalountôn (terwijl zij aan het praten waren , naar hen die aan het praten waren) . Verwijzing : laleô (lallen, spreken, praten) , zie Mt 4,6 . Losse genitief of nadere bepaling bij het werkwoord akouô ( luisteren naar hen sprekende = hen horen spreken) . Aanwijzend voornaamwoord genitief mannelijk meervoud + participium praesens genitief mannelijk meervoud . In veertien verzen in de bijbel ; in negen verzen in het O.T. . In één vers bij Lucas nl. Lc 24,36 en in vier verzen in Hnd : (1) Hnd 2,6 (laountôn autôn) . (2) Hnd 2,11 (laountôn autôn) . (3) Hnd 4,1 (laountôn de autôn - losse genitief) . (4) Hnd 10,46 (autôn lalountôn)
- elaloun (zij spraken) . Verwijzing : laleô (lallen, spreken, praten) , zie Mt 4,6 . Actief imperfectum derde persoon meervoud . In zestien verzen in de bijbel . In tien verzen in het O.T. . In zes verzen in het N.T. . Lc (1) . Hnd (4) . 1 Kor (1) . In vier verzen in Hnd : (1) Hnd 4,31 . (2) Hnd 11,20 . (3) Hnd 19,6 . (4) Hnd 26,31 .
- elalèsen (hij sprak) . Verwijzing : legô (zeggen) , zie Mt 4,6 . Actief aorist derde persoon enkelvoud . In 431 verzen in de bijbel . In 400 verzen in het O.T. . In eenendertig verzen in het N.T. .
In vijf verzen bij Lucas : (1) Lc 1,55 (kathôs ... = zoals ...) . (2) Lc 1,70 (kathôs ... = zoals ...) . (3) Lc 2,50 . (4) Lc 11,14 . (5) Lc 24,6 (hôs ... = zoals ...) .
In acht verzen in Hnd : (1) Hnd 2,31 . (2) Hnd 3,21 . (3) Hnd 7,6 . (4) Hnd 8,26 . (5) Hnd 9,27 . (6) Hnd 23,9 . (7) Hnd 28,21 . (8) Hnd 28,25 .
- lalein (spreken) . Verwijzing : laleô (lallen, spreken, praten) , zie Mt 4,6 . In zevenendertig verzen in de bijbel . In zestien verzen in het O.T. . In eenentwintig verzen in het N.T. . Mt (2) . Mc (3) . Lc (2) Joh (1) . Hnd (6) . Brieven (7) . In zes verzen in Hnd : (1) Hnd 2,4 . (2) Hnd 4,17 . (3) Hnd 4,20 . (4) Hnd 4,29 . (5) Hnd 5,40 . (6) Hnd 11,15 .
-- lalein ton logon (het woord spreken) komt slechts in Hnd 4,29 in het N.T. voor .
- Hnd 9,6 : kai lalèthèsetai soi ho ti se dei poiein = en er zal je gezegd worden wat je moet doen .
- Hnd 22,10 : kakei soi lalèthèsetai peri pantôn hôn tetaktai soi poièsai = en daar zal je gezegd worden over alles wat er bevolen is dat je doet .

- elampsen (hij straalde) . Verwijzing : anatellô (oprijzen, opgaan) , zie Mt 5,14 . Actief aorist derde persoon enkelvoud . lampô : stralen , schijnen ; zie het Ned. lamp . In drie verzen in de bijbel :
(1) Mt 17,2 . (elampsen to prosôpon autou hôs hèlios = zijn aangezicht straalde als de zon) .
(2) Hnd 12,7 (kai fôs elampsen en tèi oikèmati = en licht straalde in de cel) .
(3) 1 Cor 4,6 (hos elampsen en tais kardiais hèmôn = dat straalde in onze harten) .

- eipôn (gezegd) . Verwijzing : legô (zeggen) , zie Mt 4,6 . In tweeëndertig verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In negenentwintig verzen in het N.T. . Lc (5) . Joh (11) . Hnd (9) . Hnd (9) . In elf verzen bij Johannes . In negen verzen in Hnd : (1) Hnd 1,9 (kai tauta eipôn = en dit gezegd) . (2) Hnd 4,25 (hierop volgt een citaat) . (3) Hnd 7,26 (hierop volgt een citaat) . (4) Hnd 7,27 (hierop volgt een citaat) . (5) Hnd 7,60 . (6) Hnd 18,21 (hierop volgt een citaat) . (7) Hnd 19,21 . (8) Hnd 19,40 (kai tauta eipôn = en dit gezegd) . (9) Hnd 20,36 (kai tauta eipôn = en dit gezegd) .
-- tauta eipon (dat gezegd) . In negen verzen in het N.T. : (1) Lc 23,46 . (7) (1) Hnd 1,9 . (8) (8) Hnd 19,40 . (9) (9) Hnd 20,36 . In het vers van Lc en in de drie verzen van Hnd wordt tauta eipôn (dit gezegd) voorafgegaan door het koppelwoord kai (en) .

- lidwoord (bepaald)
- tôi . Verwijzing : lidwoord , zie Mt 28,18 . Bepaald lidwoord . Datief mannelijk of onzijdig enkelvoud . In 5507 verzen in de bijbel . In 163 verzen in Hnd , zie Hnd 9,3 . In vijf verzen in Hnd 9 : (1) Hnd 9,3 . (2) Hnd 9,24 . (3) Hnd 9,27 . (4) Hnd 9,28 . (5) Hnd 9,31 .

- logos (woord) . Verwijzing : logos (woord) , zie Mt 7,24 .

logos (woord) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk 
nom. enk. logos 296 231 65 2 1 5 15 9 65 - 33 = 32 1
gen. enk. logou 65 38 27 1 0 2 2 8 27 - 13 = 14 0
dat. enk. logôi 92 47 45 3 2 3 3 8 45 - 19 = 26 0
acc. enk. logon 347 220 127 17 18 10 14 31 127 - 97 = 30 7
nom. mv. logoi 86 76 10 1 1 3 0 1 10 - 10 = 0 4
gen. mv. logôn 133 124 9 1 0 3 2 1 9 - 8 = 1 1
dat. mv. logois 88 71 17 0 1 3 0 3 17 - 7 = 10 0
acc. mv. logous 286 264 22 6 1 3 2 4 22 - 21 = 1 5
Totaal   1393  1071  322 31 24 32 38 65 322 - 208 = 114 18

logos (woord) Hnd 1 Hnd 2 Hnd 3 Hnd 4 Hnd 5 Hnd 6 Hnd 7 Hnd 8 Hnd 9 Hnd 10 Hnd 11 Hnd 12 Hnd 13 Hnd 14
nom. enk. logos           (1) Hnd 6,5 . (2) Hnd 6,7 .         Hnd 11,22 . Hnd 12,24 . (1) Hnd 13,15 . (2) Hnd 13,26 . (3) Hnd 13,49 .  
gen. enk. logou           Hnd 6,4                 Hnd 14,12  
dat. enk. logôi             Hnd 7,29   Hnd 8,21     Hnd 10,29         Hnd 14,3  
acc. enk. logon Hnd 1,1 . Hnd 2,41 .   (1) Hnd 4,4 . (2) Hnd 4,29 . (3) Hnd 4,31 .   Hnd 6,2 .   (1) Hnd 8,4 . (2) Hnd 8,14 . (3) Hnd 8,25 .   (1) Hnd 10,36 . (2) Hnd 10,44 . (1) Hnd 11,1 . (2) Hnd 11,19   (1) Hnd 13,5 . (2) Hnd 13,7 . (3) Hnd 13,44 . (4) Hnd 13,46 . (5) Hnd 13,48 . Hnd 14,25 .
nom. mv. logoi                            
gen. mv. logôn                            
dat. mv. logois   Hnd 2,40          Hnd 7,22               
acc. mv. logous   Hnd 2,22       (1) Hnd 5,5 . (2) Hnd 5,24 .                    
Totaal      

logos (woord) Hnd 15 Hnd 16 Hnd 17 Hnd 18 Hnd 19 Hnd 20 Hnd 21 Hnd 22 Hnd 23 Hnd 24 Hnd 25 Hnd 26 Hnd 27  Hnd 28
nom. enk. logos     Hnd 17,13 .   Hnd 19,20 .                  
gen. enk. logou (1) Hnd 15,6  . (2) Hnd 15,27 . (3) Hnd 15,32 .     Hnd 18,15     Hnd 20,24     Hnd 22,22             
dat. enk. logôi       Hnd 18,5     (1) Hnd 20,2 . (2) Hnd 21,32 . (3) Hnd 21,38 .                  
acc. enk. logon (1) Hnd 15,7 . (2) Hnd 15,35 . (3) Hnd 15,36 . (1) Hnd 16,6 . (2) Hnd 16,32 . Hnd 17,11 . (1) Hnd 18,11 . (2) Hnd 18,14 . (1) Hnd 19,10 . (2) Hnd 19,38 . (3) Hnd 19,40 . Hnd 20,7 .                
nom. mv. logoi Hnd 15,15                            
gen. mv. logôn           Hnd 20,35                 
dat. mv. logois Hnd 15,24                            
acc. mv. logous   Hnd 16,36                          
Totaal                

-- ho logos (het woord) . Verwijzing : logos (woord) , zie Mt 7,24 . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Bepaald lidwoord nominatief mannelijk enkelvoud ho (de) en zelfstandig naamwoord nominatief mannelijk enkelvoud logos (woord) . In tweeënzestig verzen in het N.T. . In acht van de negen verzen van hierboven ; niet in Hnd 13,15 .
-- ho logos tou theou (het woord van God) . Verwijzing : logos (woord) , zie Mt 7,24 . In twaalf verzen in het N.T. : Lc (1) . Joh (1) . In drie verzen in Hnd : (3) Hnd 6,7 . (4) Hnd 12,24 . (5) Hnd 17,13 . Andere boeken van het N.T. (7) .
- logon (woord , ver-woord-ing) . Verwijzing : logos (woord) , zie Mt 7,24 .
(1) Hnd 1,1 : ton men prôton logon (het eerste boek enerzijds) .
(2) Hnd 2,41 : hoi men oun apodexamenoi ton logon autou (enerzijds zij die derhalve zijn woord ont-vingen) .
(3) Hnd 4,4 : polloi de akousantôn ton logon (velen echter van wie het woord hoorden) .
(4) Hnd 4,29 : lalein ton logon sou (uw woord te spreken) .
(5) Hnd 4,31 : elaloun ton logon tou theou (zij spraken het woord van God) .
(6) Hnd 6,2 : ton logon tou theou (het woord van God) .
(7) Hnd 8,4 : euaggelizomenoi ton logon (het woord verkondigend) .
(8) Hnd 8,14 : hoti dedektai ... ton logon tou theou (dat Samaria het woord van God heeft ontvangen) .
(9) Hnd 8,25 : lalèsantes ton logon tou kuriou (sprekend het woord van de Heer) .
(10) Hnd 10,36 : ton logon (het woord) .
(11) Hnd 10,44 : pantas tous akouontas ton logon (al wie hoort het woord) .
(12) Hnd 11,1 : hoti kai ta ethnè edexanto ton logon tou theou (dat ook de heidenen het woord van God ontvingen) .
(13) Hnd 11,19 : lalountes ton logon (sprekend het woord) .
(14) Hnd 13,5 : katèggellon ton logon tou theou (zij verkondigden het woord van God) .
(15) Hnd 13,7 : akousai ton logon tou theou (te horen het woord van God) .
(16) Hnd 13,44 : akousai ton logon tou theou (het woord van God) .
(17) Hnd 13,46 : lalèthènai ton logon tou theou (gesproken te worden het woord van God) .
(18) Hnd 13,48 : edoxazon ton logon tou kuriou (zij verheerlijkten het woord van de Heer) .
(19) Hnd 14,25 : lalèsantes ... ton logon (sprekend ... het woord) .
(20) Hnd 15,7 : akousai ta ethnè ton logon tou euaggeliou (dat de heidenvolkeren het woord van het evangelie horen) .
(21) Hnd 15,35 : euaggelizomenoi ... ton logon tou kuriou (verkondigend het woord van de Heer) .
(22) Hnd 15,36 : katèggeilamen ton logon tou kuriou (wij verkondigden het woord van de Heer) .
(23) Hnd 16,6 : lalèsai ton logon (om het woord te spreken) .
(24) Hnd 16,32 : kai elalèsan autôi ton logon tou kuriou (en zij spraken het woord van de Heer) .
(25) Hnd 17,11 : edexanto ton logon (zij ontvingen het woord) .
(26) Hnd 18,11 : didaskôn ... ton logon tou theou (lerend het woord van God) .
(27) Hnd 18,14 : kata logon (tegenwoord, aanklacht) .
(28) Hnd 19,10 : akousai ton logon tou kuriou (te horen het woord van de Heer) .
(29) Hnd 19,38 : logon (een woord, zaak) .
(30) Hnd 19,40 : logon (woord, verantwoording) .
(31) Hnd 20,7 : ton logon (het woord) .
Voor logon (woord) staat het bepaald lidwoord ton wanneer de boodschap bedoeld is , in het andere geval staat er geen lidwoord : (1) Hnd 18,14 . (2) Hnd 19,38) . (3) Hnd 19,40 . Ton logon (het woord) in achtentwintig verzen . Zonder nadere bepaling (in absolute zin) : (1) Hnd 4,4 . (2) Hnd 8,4 . (3) Hnd 10,36 . (4) Hnd 10,44 . (5) Hnd 11,19 . (6) Hnd 14,25 . (7) Hnd 16,6 . (8) Hnd 17,11 . (9) Hnd 20,7 .
Met een persoonlijk voornaamwoord : (1) Hnd 2,41 . (2) Hnd 4,29 . ton logon met de nadere bepaling tou euaggeliou (van de goede boodschap) : Hnd 15,7 .
-- ton logon tou theou (het woord van God) . Verwijzing : logos (woord) , zie Mt 7,24 . In eenentwintig verzen in het N.T. . Mc (1) . Lc (3) . Hnd (9) . Brieven (4) . Opb (4) . In negen verzen in Hnd : (5) Hnd 4,31 . (6) Hnd 6,2 . (8) Hnd 8,14 . (12) Hnd 11,1 . (14) Hnd 13,5 . (15) Hnd 13,7 . (16) Hnd 13,44 . (17) Hnd 13,46 . (26) Hnd 18,11 .
-- ton logon tou kuriou (het woord van de Heer) . Verwijzing : logos (woord) , zie Mt 7,24 . In het N.T. enkel in Hnd : (1) Hnd 8,25 . (2) Hnd 13,48 . (3) Hnd 15,35 . (4) Hnd 15,36 . (5) Hnd 16,32 . (6) Hnd 19,10 .
-- Met een persoonlijk voornaamwoord : (1) Hnd 2,41 . (2) Hnd 4,29 .
-- ton logon met de nadere bepaling tou euaggeliou (van de goede boodschap) : Hnd 15,7 .
-- Een vorm van het werkwoord akouô (horen, luisteren) met het lijdend voorwerp ton logon , in Hnd :
(1) Hnd 4,4 : polloi de akousantôn ton logon (velen echter van wie het woord hoorden) .
(2) Hnd 10,44 : pantas tous akouontas ton logon (al wie hoort het woord) .
(3) Hnd 13,7 : akousai ton logon tou theou (te horen het woord van God) .
(4) Hnd 13,44 : akousai ton logon tou theou (het woord van God) .
(5) Hnd 19,10 : akousai ton logon tou kuriou (te horen het woord van de Heer) .
Een vorm van het werkwoord laleô (spreken) met het lijdend voorwerp ton logon (het woord) komt in Hnd in acht verzen voor .
Er is progressie in de werkwoorden : het woord spreken - naar het woord luisteren - het woord ontvangen .

- Lustran (Lystra) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In drie verzen in het N.T. . In deze drie verzen wordt de plaatsnaam Lystra voorafgegaan door het voorzetsel van richting eis (naar) .
(1) Hnd 14,6 : katefugon eis ... Lustran = zij vluchtten naar Lystra . Barnabas en Paulus vluchtten naar de steden van Lycaonië , o.a. de stad Lystra .
(2) Hnd 14,21 : hupestrepsan eis tèn Lustran = zij keerden naar Lystra terug . Tijdens een eerste zendingsreis keerden Paulus en Barnabas in omgekeerde volgorde vanuit Derbe naar Lystra , Ikonium en Antiochië van Pisidië terug .
(3) Hnd 16,1 : katèntèsen ... eis Lustran = hij kwam aan ... in Lystra . Paulus en Silas begonnen een twee zendingsreis . Ze kwamen vanuit het oosten en bereikten eerst Derbe en daarna Lystra .
Lystra ligt evenals Ikonium en Derbe in de landstreek Lykanonië , het gebied ten oosten van Pisidië, in de Romeinse provincie Galatië . In de omgeving van het huidige Hatunsaray . Ongeveer 35 km van Ikonium . Verwijzing : Lustra (Lystra) , zie Hnd 14,6 .
- lustrois (Lystra) . Datief mannelijk meervoud . In drie verzen in het N.T. : (1) Hnd 14,8 . Onder de inwoners van Lystra is een lamme ( Hnd 14,8-20) . Paulus genas de lamme . De inwoners van Lystra waren van mening dat de goden Zeus en Hermes hen in mensengedaante bezochten en ze wilden hen als goden eren.. (2) Hnd 16,2 . (3) 2 Tim 3,11 .
In Lystra ( Hnd 14,8-20) genas Paulus een lamme . De inwoners van Lystra waren van mening dat de goden Zeus en Hermes hen in mensengedaante bezochten en ze wilden hen als goden eren. Tijdens de eerste zendingsreis kregen Paulus en Barnabas heel wat tegenstand . Uit Antiochië van Pisidië werden ze verjaagd (Hnd 13,50) . In Ikonium werden ze met steniging bedreigd en vluchtten ze (Hnd 14,6) . In Lystra werd Paulus gestenigd , maar bracht het er nog levend vanaf (Hnd 14,19 - Hnd 14,20) . In 2 Tim 3,11 vermeldt de schrijver van de brief de vervolgingen in de drie plaatsen . Bij een tweede zendingsreis ontmoette Paulus en Silas er Timoteüs , een leerling (Hnd 16,1 - Hnd 16,2 - Hnd 16,3) .

M

- makedonia (Macedonië) .

makedonia (Macedonië) Hnd 16 Hnd 18 Hnd 19 Hnd 20 Rom 1 Cor 2 Cor Fil 1 Tes 1 Tim    
nom. + dat. enk. makedonia(i)         1 : Rom 15,26 .       3 : (1) 1 Tes 1,7 . (2) 1 Tes 1,8 . (3) 1 Tes 4,10 .    
gen. enk. makedonias 1 : Hnd 16,12 . 1 : Hnd 18,5 .   1 : Hnd 20,3 .     3 : (1) 2 Kor 1,16 . (2) 2 Kor 8,1 . (3) 2 Kor 11,9 . 1 : Fil 4,15 .      
dat. enk.                         
acc. enk. makedonian 2 : (1) Hnd 16,9 . (2) Hnd 16,10 .   2 : (1) Hnd 19,21 . (2) Hnd 19,22 . 1 : Hnd 20,1 .   1 : 1 Kor 16,5 . 3 : (1) 2 Kor 1,16 . (2) 2 Kor 2,13 . (3) 2 Kor 7,5 .     1 : 1 Tim 1,3 . 10   
  21   

- makedôn (Macedoniër) .

makedôn (Macedoniër) O.T. Hnd 16 Hnd 19 Hnd 27  2 Kor  N.T. 
nom. enk. makedôn 2 1 : Hnd 16,9 .      
gen. enk. makedonos       1 : Hnd 27,2 .  
nom. mv. makedones         1 : 2 Kor 9,4 .
dat. mv. makedosin        1 :