LITERATUUR BIJBELBOEK EERSTE BOEK KONINGEN HOOFDSTUK 19 - 1K 19 LITERATUUR - 1 K 19,4-8 -

H. BOUTER Jr., De roeping van Elisa, 1. Kon. 19:19-21 . HENDRICKX . OLAV E. VAN OUTRYVE .

Overzicht van 1 Koningen : - 1 K 1 - 1 K 2 - 1 K 3 - 1 K 4 - 1 K 5 - 1 K 6 - 1 K 7 - 1 K 8 - 1 K 9 - 1 K 10 - 1 K 11 - 1 K 12 - 1 K 13 - 1 K 14 - 1 K 15 - 1 K 16 - 1 K 17 - 1 K 18 - 1 K 19 - 1 K 20 - 1 K 21 - 1 K 22 - 1 K 23 - 1 K 24 - 1 K 25
Bijbeluitleg per pericope - 1 K 17,8-24 -
Uitleg vers per vers : - 1 K 19,1 - 1 K 19,2 - 1 K 19,3 - 1 K 19,4 - 1 K 19,5 - 1 K 19,6 - 1 K 19,7 - 1 K 19,8 - 1 K 19,9 - 1 K 19,10 - 1 K 19,11 - 1 K 19,12 - 1 K 19,13 - 1 K 19,14 - 1 K 19,15 - 1 K 19,16 - 1 K 19,17 - 1 K 19,18 - 1 K 19,19 - 1 K 19,20 - 1 K 19,21 -

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenaam : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ . http://levensbeschouwing.info/ . http://www.levensbeschouwing.info/ .
http://www.bijbelleerhuis.be (zie bijbel)
Nieuwe website : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'íbijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen ,
- Eigen-zinnige beschouwingen - Het kleine of grote ongenoegen -

Bibliografie - eerste boek Koningen - 1 K 21,1-29 -

OT : Gn , Ex , Lv , Nu , Dt , Joz , Re , Rt , 1 S , 2 S , 1 K , 2 K , 1 Kr , 2 Kr , Ezr , Neh , Tob , Jdt , Est , 1 Mak , 2 Mak , Job , Ps , Spr , Pr , Hl , W , Sir , Js , Jr , Kl , Bar , Ez , Da , Hos , Jl , Am , Ob , Jon , Mi , Nah , Hab , Sef , Hag , Zach , Mal .
- NT : Mt - Mc - Lc - Joh -   Hnd , Rom , 1 Kor , 2 Kor , Gal , Ef , Fil , Kol , 1 Tes , 2 Tes , 1 Tim , 2 Tim , Tit , Film , Heb , Jak , 1 Pe , 2 Pe , 1 Joh , 2 Joh , 2 Joh , Jud , Apk
bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

H. BOUTER Jr., De roeping van Elisa, 1. Kon. 19:19-21

Toen de profeet Elia aan het einde van zijn indrukwekkende loopbaan was gekomen en een persoonlijke ontmoeting met God had gehad bij de berg Horeb, kreeg hij nog een drievoudige opdracht te vervullen (zie 1 Kon. 19:15v.):

1.Hazaël moest hij zalven tot koning over Aram.
2.Jehu moest hij zalven tot koning over Israël.
3.Elisa moest hij zalven tot profeet in zijn plaats.

Het is merkwaardig dat Elia de eerste twee opdrachten niet heeft vervuld en dat het verhaal onmiddellijk verdergaat met de roeping van Elisa - het derde en laatste onderdeel van het Goddelijke bevel. Het is niet zo dat dit het einde betekende van Elia's eigen dienstwerk. Wij lezen weer over hem in 1 Kon. 21, waar hij Achab het oordeel aanzegt in de wijngaard van Naboth, en ook in 2 Kon. 1, waar hij Ahazia's dood voorzegt. Voor Elisa zijn deze jaren, waarin hij in de nabijheid van de profeet leefde en hem diende, ongetwijfeld een goede voorbereidingstijd geweest voor zijn eigen taak.

De beste verklaring voor het uitstel van de aanstelling van Hazaël en Jehu, is dat God traag is tot toorn en rekening heeft gehouden met het latere berouw van Achab (1 Kon. 21:29). God heeft het oordeel over zijn volk, waarom Elia bij de berg Horeb impliciet had gevraagd door Israël bij God aan te klagen, zolang mogelijk uitgesteld: 'Wie dan aan het zwaard van Hazaël ontkomt, hem zal Jehu doden; en wie aan het zwaard van Jehu ontkomt, hem zal Elisa doden' (1 Kon. 19:17). Het heeft nog lang geduurd voordat deze personen daadwerkelijk werden aangesteld en hun oordeelswerk hebben uitgevoerd. Hazaël en Jehu werden pas veel later geroepen tot het koningschap (zie 2 Kon. 8 en 9).

Van een zalving bij de aanvang van hun taak is alleen sprake in het geval van Jehu - wij lezen niets over een dergelijke handeling bij Hazaël en evenmin bij de roeping van Elisa. Het woord 'zalven' moeten wij hier in de eerste plaats verstaan in de figuurlijke zin van 'aanstellen' of 'toewijden' (vgl. Ps. 2:6; Spr. 8:23 Statenvert.; Ps. 105:15; Jes. 61:1). Van een letterlijke zalving van profeten wordt in de Schrift trouwens nergens melding gemaakt, wel van priesters en koningen.

De enige symbolische handeling die Elia verricht bij de roeping (misschien moeten we zeggen: de voorlopige aanstelling) van zijn opvolger, is dat hij hem zijn mantel toewerpt (vs. 19). Het gebaar is veelzeggend genoeg: Elisa ontvangt de profetenmantel uit Elia's hand en zal zich in de toekomst hierin mogen hullen (2 Kon. 2:12, 13). Deze mantel speelt later trouwens nog een interessante rol bij Elia's tenhemelopneming: het water van de Jordaan verdeelt zich herwaarts en derwaarts zodra Elia resp. Elisa met de mantel op het water slaan (2 Kon. 2:8,14). De Jordaan, die eindigt in de Dode Zee, kunnen wij betitelen als de doodsrivier. De macht van de dood moet echter wijken voor de macht van God, die verder reikt dan de grenzen van de dood. Uiteraard moeten wij geen magische kracht aan deze mantel zelf toekennen. Hij is slechts het teken van de macht van God, waarmee Hij zijn dienstknechten bekleedt.

God roept wie Hij wil

Terwijl Elia (= God is Jahweh) wel omschreven wordt als de profeet van het gericht, is Elisa (= God is redding) bij uitstek de profeet van de genade. Telkens zien wij hem helend en reddend bezig. Waar hij op het toneel verschijnt daagt er leven en hoop. Helemaal in strijd hiermee lijkt de aankondiging dat Elisa de ontkomenen aan Jehu's zwaard zou doden (vs. 17). Met het zwaard heeft hij in ieder geval niemand gedood. Zoals gezegd houdt dit vermoedelijk verband met Gods lankmoedigheid, die om zo te zeggen talmt om het oordeel over zijn volk te brengen. Toch heeft Elisa's optreden met het 'zwaard' van Gods woord wel geleid tot de dood van tweeënveertig spottende knapen uit Betel (2 Kon. 2).

Elisa's roeping ging dus niet gepaard met een zalving, althans niet in de letterlijke zin van het woord. Inhoudelijk gezien kreeg hij echter wel deel daaraan. De zalving spreekt immers van de gave van de Geest en de toerusting door de Geest voor een bepaald dienstwerk (vgl. 1 Sam. 16:13; 2 Kor. 1:21,22; 1 Joh. 2:20,27). Hij kreeg deel aan de geest van Elia toen hij hem ten hemel zag varen - evenals wij deelhebben aan de Geest van Christus na Diens verheerlijking in de hemel. In de kracht van die Geest kunnen wij onze roeping en taak vervullen.

Elisa was volop bezig toen hij werd geroepen: hij was aan het ploegen met twaalf span runderen (vs. 19). Zijn woonplaats Abel-Mechola lag niet ver van de Jordaan, ongeveer halverwege het Meer van Galilea en de Dode Zee. Zijn vader moet een rijke boer zijn geweest met behoorlijk wat personeel. Elisa zelf was bij het twaalfde span runderen, en dat betekent dat er nog elf anderen aan het ploegen waren met de overige runderen. Uiteraard was dit een geschikte plek om het hele werk op de akker te overzien. Maar hoewel hij een positie op de achtergrond innam bij het twaalfde span runderen kon hij Gods roeping niet ontwijken. God riep hem daar waar hij was: bij het twaalfde span runderen. En Elia wist hem daar te vinden en wierp hem zijn mantel toe: voortaan zou hij niet als akkerbouwer maar als profeet door het leven moeten gaan. God roept wie Hij wil, en Hij roept ons waar Hij maar wil. Hij roept aanzienlijken en Hij roept geringen. Akkerbouwers roept Hij om te ploegen op de akker van deze wereld en dan het zaad van het Woord van God te zaaien. Vissers roept Hij om hen te maken tot vissers van mensen. God is soeverein en zijn roeping is levend en krachtig.

Niet vrijblijvend

Elisa op deze plaats, bij het twaalfde juk runderen, doet mij denken aan Paulus, die geroepen werd als de geringste en de laatste van de apostelen en die stamde uit de laatste - de twaalfde - stam van Israël (1 Kor. 15:9; Fil. 3:5). Toch heeft God juist door middel van hem een geweldig werk verricht hier op aarde.God wist ook hem te vinden op de plaats waar hij was, zelfs toen hij weigerde in het goede spoor te gaan en als een onverstandig rund hard tegen de prikkels achteruit sloeg (Hand. 26:14). God had hem op het oog, want Hij had hem vanaf de schoot van zijn moeder afgezonderd en hem door genade geroepen (Gal.1:15). Paulus mocht de boodschap van het leven en van Gods rijke genade prediken aan dode zondaars, precies zoals Elisa - de man Gods - overal waar hij kwam het leven bracht in de dood en de rijke hulpbronnen van Gods genade opende.

Gods roeping grijpt echter diep in onze situatie en onze verhoudingen in. Ze is niet vrijblijvend en leidt vaak tot een breuk met oude vrienden en
familiebetrekkingen. Wij zien dat hier ook in het leven van Elisa: hij moet afscheid nemen van zijn familie, van zijn vader en zijn moeder (vs. 20). Hij volgt weliswaar gewillig en hij verlaat zijn runderen - zoals later de discipelen alles wat ze bezaten in de steek zouden laten om Jezus te kunnen volgen. Maar hoewel hij Elia achterna snelt, zit hij met het probleem van zijn familiebetrekkingen: 'Laat mij toch mijn vader en mijn moeder kussen, dan wil ik u volgen'. Het antwoord van de profeet is toestemmend, maar het herinnert hem wel duidelijk aan Gods roeping die niet meer ongedaan gemaakt kon worden: 'Ga heen, keer terug, want wat heb ik u gedaan?'. De bewoordingen van dit antwoord zijn een beetje vaag, maar worden door de meeste uitleggers toch opgevat als een toestemming aan Elisa om afscheid te gaan nemen en dan terug te keren om voortaan de profeet te volgen

Een voornemen van het hart

Het antwoord van de Here Jezus in een soortgelijke situatie is veel radicaler. Aan het slot van Lukas 9 lezen wij over iemand die de Heer wil volgen, maar daaraan de volgende voorwaarde verbindt: 'Ik zal u volgen, Heer, maar sta mij toe eerst afscheid te nemen van hen die in mijn huis zijn'. Vermoedelijk wilde hij dit gebruiken als een excuus om het volgen van de Heer nog maar even uit te stellen. Maar de Heer, die de harten kent en doorgrondt, antwoordt hem dan als volgt:'Niemand die zijn hand aan de ploeg slaat en achterom kijkt, is geschikt voor het koninkrijk van God' (vs. 61,62). Gods roeping kan geen uitstel lijden. Ze vereist een voornemen van het hart om de Heer te dienen en het stellen van bepaalde prioriteiten. Het koninkrijk van God moet op de éérste plaats komen in ons leven. Bij Elisa is er gelukkig geen aarzeling om te volgen. Hij is bereid om zijn hand aan de ploeg te slaan, nu niet meer op de akker van zijn vader maar op de 'akker' van God: het arbeidsveld van de twaalf stammen van Israël. Hoewel hij vanuit menselijk oogpunt bezien een onzekere toekomst tegemoet ging, gaf God hem een veel groter arbeidsterrein terug.

Op het afscheid van zijn ouders volgt een afscheidsmaaltijd met het personeel van zijn vader: 'Toen keerde hij van achter hem terug, nam het span runderen, slachtte het en kookte ze op het ploeghout van de runderen; het vlees gaf hij aan het volk, en zij aten' (vs. 21). Soortgelijke inderhaast georganiseerde offermaaltijden, waarbij het materiaal van aanwezige voertuigen of werktuigen tot brandhout diende, worden vermeld bij de terugkeer van de ark van het verbond uit het gebied der Filistijnen en bij het einde van de plaag over Israël bij de dorsvloer van de Jebusiet Arauna (1 Sam. 6:14,15; 2 Sam. 24:22-25). De maaltijd die Elisa hier houdt (in eerste instantie een afscheidsmaal, waaraan vanwege de in Israël geldende offerwetten - zie Lev. 7 en 17 - het offerkarakter niet zal hebben ontbroken), behelst twee belangrijke lessen voor ons:

1. Wij zijn toegewijd aan de dienst van God op grond van het offer van Christus, die ons heeft gekocht met de prijs van zijn eigen bloed. Hij heeft het eigendomsrecht op ons verworven, en Hij is tevens de grote Profeet die wij voortaan mogen volgen.

2. Onze onderlinge verbondenheid als gelovigen en de wederzijdse erkenning van de dienst die onze Heer en Meester aan een ieder van ons heeft toevertrouwd, is eveneens gegrond op Christus' offer. Wij weten ons immers met elkaar en met Hem verbonden door het werk dat Hij voor ons heeft volbracht. Christus is het ware slachtoffer of vredeoffer, aan Wie wij door het geloof mogen deelhebben. Deze offermaaltijd geeft uitdrukking aan de harmonie onder de leden van Gods volk en aan de vrede met God die zij - ook in praktische zin - mogen genieten.

De nabijheid van de Meester

Zo begon Elisa aan zijn nieuwe taak: 'Daarna maakte hij zich gereed, volgde Elia en diende hem'. Wij kunnen ons afvragen wat zijn dienstwerk zoal inhield. Hij is beslist niet begonnen met het verrichten van tekenen en wonderen onder Israël. Hij moest luisteren naar de woorden van de profeet Elia en onder meer zorgen voor diens persoonlijke behoeften. In 2 Kon. 3:11 vinden wij een uitspraak die licht hierop werpt: 'Elisa, de zoon van Safat, die water op Elia's handen goot'. Hij begon dus met heel simpel werk: het gieten van water over Elia's handen (bijv. na de maaltijd). Maar het leven in de nabijheid van de profeet maakte hem langzamerhand rijp voor andere taken. Dit principe geldt ook voor ons. Het leven in de tegenwoordigheid van onze Heer en Meester en het luisteren naar zijn woord is de basis die nodig is om ons ten volle toe te rusten 'tot alle goed werk' (2 Tim. 3:16,17). Laten wij gehoor geven aan de roepstem van onze hemelse Heer en Hem in getrouwheid dienen.

Terug naar het begin van de pagina

- *** HENDRICKX, H., Verwijzing : HENDRICKX . 8.3.  Elia  op de Horeb:  Mystiek en  politiek  (1 Kon.19,1-18), in:  IDEM, Gedenk uw bevrijding.  De  profetische boeken  van  DeuteronomiuM tot Koningen.  Een  werkboek, Leuven, Kristenen voor het Socialisme, 1989, p.139-143

8.3. Elia op de Horeb: Mystiek en politiek (1 Kon.19,1-18)

Het verhaal van Elia op de Horeb wordt terecht gelezen als de mystieke ervaring van Elia. Maar men maakt deze mystiek tot een wereldvreemde aangelegenheid wanneer ze beperkt wordt tot een ontmoeting met God in de intimiteit van de menselijke ziel.
“Op het vuur volgde het suizen van een zachte bries” (vs. 12). Deze onjuiste vertaling heeft bijna alle uitleggers op een verkeerd spoor gezet. Het vers wordt dan gelezen als een aansporing om God te vinden in de stilte van het gebed. Maar daarover gaat het helemaal niet.
Bovendien wordt deze passage dikwijls uit haar verband gelicht. Ook dit leidt tot eenzijdige interpretaties. Zo worden de laatste verzen (vs.15 vv.) dikwijls weggelaten. Hun politieke lading en hun revolutionair karakter lijken te zeer in tegenspraak met de vooraf verhaalde mystieke ervaring.
Veel kommentaren verstaan 1 Kon. 19 louter psychologisch. Een verhaal over de diepe depressie van Elia. Deze keert pas terug naar zijn taak nadat hij door God in het gebed is getroost. Maar over de politieke inhoud van die taak wordt dan zedig heengelezen en bij de maatschappelijke oorzaak van zijn depressie wordt nauwelijks stilgestaan.

1 Kon. 18,20-46 en 1 Kon.19 zijn verhalen van een heel uiteenlopende strekking: Elia op de Karmel gaat over de juiste keuze van het volk. Elia op de Horeb gaat over de afvalligheid van het volk en de reactie van Elia daarop.

1-2 De strijd die Izebel aankondigt is even absoluut als de strijd die Elia aankondigde in 17,1. lzebel wil afrekenen met het verzet van Elia. Tegenover deze overmacht kan Elia alleen maar vluchten en zijn “leven” veilig stellen. Zijn “ziel” veilig stellen, staat er letterlijk. Dit is meer dan biologisch leven, het gaat om profetische bezieling.
4-5a Elia gaat om te sterven in de uiterste eenzaamheid van de woestijn in het zuiden van Juda. Hij wil het lot delen van zijn vaderen - ook van Mozes - die in de woestijn gestorven zijn. Woestijn betekent sinds de ballingschap doodsgebied. Gaan zitten onder een eenzame woestijnstruik en slapen zijn symbolen van dood. Wie dit uitsluitend psychologisch verstaat als ontmoediging van Elia doet de tekst onrecht aan. Wat Elia doet symboliseert de dood van Israel. Het is een oordeel over het land. Hier verstomt de profetie.
5b-8 JHWH laat Israë niet los. Hij haalt zijn profeet uit zijn doods-slaap terug naar de Horeb, de berg van de Tora. Tegenover dc “bode” van Izebel (vs.2) staat de “bode” van JHWH (vs.5). Deze brengt Elia ronde broodkoeken en water (vgl. de raven en de weduwe van Sarefat in hst. 17). Elia was “opgestaan” (vs.3) om te vluchten in eenzaamheid en dood. Hier krijgt hij het goddelijk bevel om “op te staan” naar het leven toe (vs.5).
De “veertig dagen en veertig nachten” verwijzen naar de veertigjarige tocht van het volk door de woestijn, daarbij gesterkt door de kracht van het manna. En de Horeb verwijst naar de berg, waar Mozes “veertig dagen en veertig nachten” vertoefde (Ex.24,18). Elia gaat de weg van het volk maar nu in omgekeerde richting: terug naar de Horeb, terug naar de bron waar het leven van Israël ontsprong.
9 Niet “een grot” maar “de grot” staat er letterlijk. Het is de grot waar Mozes ooit gestaan heeft en waar JHWH hem “voorbij is gegaan” (Ex.33,22). Het woord “voorbijgaan” staat ook hier in vs.11.
De kritieke situatie van Israël, dat staat voor de keuze tussen leven en dood, roept de parallellen met Mozes op (zie Ex.32-34). Ook toen had het volk het verbond met JHWH verbroken door de aanbidding van het gouden kalf. En zoals Mozes toen, zo staat Elia nu helemaal alleen op de berg Horeb. Dit is de plaats van de Tora: het standpunt van de profeet (zie vs.l1). Beiden zoeken bij JHWH uitkomst uit de krisis.
“Wat doet gij hier, Elia?”: op de plaats waar toen het verbond gesloten was - het verbond dat nu verbroken is - daar staat nu Elia.
10 Het “ijveren” van Elia is geen religieus proselytisme maar een strijd tegen de dodende machten in de samenleving.
De driedubbele klacht van Elia:
- het verbond is verbroken: onder Achab werd een onrechtvaardige rechtsorde ingevoerd;
- de altaren van JHWH zijn gesloopt (zie ook al vs. 18,30): omdat de dienst van dc Baäls onverenigbaar is met de dienst van JHWH;
- zijn profeten zijn gedood: wat eerst van Izebel gezegd werd (18,4), wordt hier gezegd van heel het volk. Het volk heeft de propaganda van Izebel geslikt en deelgenomen aan de repressie.
Het volk staat aan de kant van Izebel en Elia staat helemaal alleen. Hij pleit zelfs niet meer voor het volk zoals Mozes nog deed op de Horeb. Hier valt niet meer te pleiten. De Tora is verlaten, dit is de definitieve ontrouw.
Vanwege de afval van het volk moet Elia horen dat JHWH niet meer aanwezig is in de tekens (storm, aardbeving, vuur) die in Exodus zijn bevrijding begeleidden.
“En na het vuur was er een stem van een lichte bries” (septuagint, oudste Griekse vertaling van de bijbel).
De vertaling van deze zin is sinds lang problematisch. Dc “lichte bries” is in onze vertalingen blijven voortleven, maar het belangrijke woord “stem” is weggevallen, terwijl het hier vooruitwijst naar vers 13.
“Een stem tot stilte beukend”, (Waaijman). “Een stem van dun zwijgen”, (Naastepad).
“Een stem van wegzwevend zwijgen”, (Veerkamp).
Het “zwijgen” of de “stilte” kunnen zowel slaan op het zwijgen van God als op de stilte van de met stomheid geslagen mens. We kunnen het misschien houden bij de mooie weergave van Oosterhuis “een stem van doodse stilte”. Of bij de omschrijving van de kinderbijbel van K.Eykman en B.Bouman: “Toen kon God niets anders meer dan zwijgen”. Al deze auteurs zijn het erover eens dat het hier niet gaat om een ervaring van God in de stilte van het gebed. En ook niet om de openbaring van een nieuw, vergeestelijkt godsbeeld, nadat met de primitieve godsvoorstellingen van storm, aardbeving en vuur is afgerekend. Al deze auteurs zijn het er over eens dat het hier gaat om een ervaring van afwezigheid. JHWH is in de tekens van zijn bevrijding (storm aardbeving, vuur) niet meer waarneembaar. Na de triomf van Izebel en het verraad van het volk is er alleen maar een stem van doodse stilte.
Die stilte - dit zwijgen - wordt door Elia “gehoord”. De “stem van zwijgen” wordt een duidelijk waarneembare profetische stem waardoor Elia zich laat aanspreken (vs.13 vv). Zo komt hij inzicht.
Aan Elia, staande in de rotsholte, gaat JHWH voorbij zoals eertijds aan Mozes (Ex.33,22-23). Toen bedekte JHWH met zijn hand het gelaat van Mozes. Hier bedekt Elia zijn gelaat met de mantel, het symbool van zijn profetische roeping.
In de onmiddellijke nabijheid van JHWH die hem voorbijgaat, geeft Elia hetzelfde antwoord op dezelfde vraag van JHWH (vgl. vs.9-10).
Elia wordt teruggestuurd naar het politieke terrein met een drie-dubbele opdracht:
- in Damascus moet hij Hazael zalven tot koning over de Arameeen.
JHWH neemt buitenlandse machten in dienst om zijn volk tot inkeer te brengen. De vertellers (en de lezers) zullen hierbij wel gedacht hebben aan de Assyriërs en de Babyloniërs waarmee ze in de ballingschap geconfronteerd werden.
- hij moet Jehu tot koning zalven over het Noordrijk.
Hier wordt het doodsvonnis, geveld over het koningshuis van Omri en Izebel. Dit zal immers uitgeroeid worden in de revolutie van Jehu.
- hij moet Elisa zalven tot zijn opvolger.
Dc profetie zal zich doorzetten in Israël. De verteller weet hoezeer de profetische kringen hebben bijgedragen tot het overwinnen van de krisis in de ballingschap.
Deze driedubbele opdracht vormt het kader van het verdere verhaal. De verhalencyclus over Elia en Elisa loopt in 2 Kon.10. uit op de uitroeiing van de Baälsdienst. Daar was het Elia in heel zijn leven om te doen geweest.
“Zalven” is het sleutelwoord van de drie opdrachten. Koningen, priesters en profeten worden in de bijbel gezalfd. Zalven is iemand vervullen met de geest van JHWH, iemand doordringen van zijn zending.
17 Twee keer is hier sprake van “doden”. De bloedige putch van Jehu, waar ook Elisa bij betrokken is, wordt hier van JHWH uit verantwoord. JHWH staat niet boven de partijen. Als de tegenstellingen zo groot geworden zijn als in het Nazi-Duitsland van de jaren dertig, dan blijft er slechts één vraag: Aan welke kant sta je?
18 Het volk wordt sterk uitgedund, maar een “rest” van 7.000 zal blijven, een rest van 7.000 die hun knie voor Baäl niet gebogen hebben (denk aan het hurkdansen in 1 Kon.18,26). Met dit handjevol mensen kan de beweging voortgezet worden. “Rest” is een belangrijk woord bij de pmfeten. Het wijst niet op een maatschappelijke elite of op een restant van ortodokse gelovigen, maar op de “armen van JHWH”, zoals de profeten hen later zullen noemen. Het zijn allen die uitzien naar gerechtigheid. Een “verborgen gemeente”, zegt Oosterhuis. Of een “Belijdende kerk”, zoals in het Duitsland van de Nazi’s.

Besluit : mystiek en politiek

1 Kon.19 beschrijft dc mystieke nacht waar Elia doorheen moet. Op het moment waarop heel het volk - op 7.000 na - verraad heeft gepleegd, hoort Elia Gods stem die oproept om door te gaan met de strijd. Voorbij de ‘doodse stilte’ hoort Elia de stem van de hoop. Hij houdt het uit bij JHWH, die het verlangen naar bevrijding en de droom van een geheelde schepping in hem levend houdt.
De gangbare interpretatie heeft het “spiritualisme” in de hand gewerkt. Een nieuwe lezing van 1 Kon.19 kan een voedingsbodem zijn van “spiritualiteit”.
Elia onderneemt de heenreis terug naar de bron, naar het woord van de Tora. En van daaruit keert hij terug naar het werkterrein van de politiek. Ware spiritualiteit is een inspiratie die het gedrag van mensen van binnenuit omvormt. Elia op de Horeb is geen wereldvreemd verhaal, het is van het begin tot het einde betrokken op de maatschappelijke realiteit. Het is een voorbeeld van “verankerde spiritualiteit”.

De mystieke nacht van Elia kan gelezen worden als de nacht van een nihilistische samenleving. Voorbij het religieus en maatschappelijk nihilisme van onze beschaving kan dit verhaal oproepen tot hoop, die haar uitdrukking vindt in politiek engagement vanuit het geloof in een God van gerechtigheid.


OLAV E. VAN OUTRYVE (Verwijzing : OLAV E. VAN OUTRYVE), ELIA, EEN NIEUWE MOZES ALS MIDDELAAR VAN HET VERBOND (1 K 19,1-18), in : Kevers Paul (red.), Elia, profeet van vuur. Mens als wij, Leuven / Amersfoort, VBS / Acco, 1997, p.83-98

De perikoop

De perikoop 1 Koningen 19,1-18 is met de voorafgaande Eliaverhalen verbonden door middel van de inleidende verzen 1-3a. In die inleiding wordt de vlucht van Elia gemotiveerd. Izebel staat hem naar het leven omdat hij de profeten van Baâl heeft laten vermoorden (18,40).
Toch beschouwen we 19,1-18 als een zelfstandige overleverings-eenheid. De droogte, het centrale thema van het l7de en l8de hoofdstuk, komt in het l9de helemaal niet meer ter sprake.
De bijzonderste tegenspelers van de profeet, het koninklijk echtpaar Achab en Izebel, spelen nog slechts een rol op de achtergrond, terwijl confrontaties van de profeet met koningen weer het belangrijkste onderwerp zijn van de perikopen in 1 Koningen 21 en 2 Koningen 1.
De eerste klacht van Elia (1 K 19,4) komt vreemd over na het succes dat hij heeft behaald volgens 18,39 en 45. Volgens de tweede klacht (19,14) zou Elia de enige profeet van JHWH zijn die overblijft, terwijl Obadja volgens 18,13 honderd profeten verborgen heeft gehouden om ze van de dood te redden. Behalve nog meer kleine ‘tegenspraken’ tussen het l9de hoofdstuk en de andere Elia-verhalen constateren we ook een grote afstand tussen de thema’s van de Horeb-perikoop en de verhalen die erop volgen tot in het eerste hoofdstuk van 2 Koningen. In 19,1-18 ontbreken vooral de interactie en de dialoog met mensen.
1 Koningen 19,19 leidt duidelijk een nieuwe perikoop in, want hier wordt de voorafgaande afgesloten: “Elia vertrok vandaar”. Een letterlijke inclusio vinden we niet in 19,1-18. Eventueel kan men de vermelding van “woestijn” in de verzen 4 en 15 als opening en sluiting van een binnen-ring beschouwen. Inhoudelijk staan twee secundaire thema’s aan het begin en aan het einde: het koningshuis en het voortbestaan van het profetisme in Israël (vv. 1-2 en 16-17).
De perikoop kan ingedeeld worden als volgt.
— verzen 1-4: Omdat Izebel hem naar het leven staat, vlucht Elia via Berseba de woestijn in en bidt klagend tot JHWH over zijn lot als profeet.
— verzen 5-9a: Een bode van JHWH bezorgt Elia voedsel en drank. Gesterkt door deze gaven loopt de profeet door tot de Godsberg, de Horeb. Daar overnacht hij in een grot.
— verzen 11-14: JHWH beveelt hem naar buiten te treden. Drie natuurverschijnselen — storm, aardbeving en vuur — trekken voorbij, maar JHWH is daarin niet aanwezig. Bij een daarop volgende zachte bries treedt Elia naar buiten. Een stem vraagt naar het doel van zijn komst, waarop Elia met een meervoudige klacht antwoordt.
— verzen 15-18: In het vervolg van de dialoog zendt JHWH Elia terug met drie opdrachten en met de aankondiging dat God uit het volk, dat met de ondergang bedreigd wordt, zich zevenduizend getrouwen zal voorbehouden.

De literair- en historisch-kritische exegese

Kritische commentators ontdekken opmerkelijke inconsequenties in de inhoud van de verschillende onderdelen van deze penkoop. Tegenspraken die vergezeld gaan van verschillen in schrjfstijl. Zij wijzen er onder andere op dat de prangende klacht van Elia in vers 4 geen antwoord krijgt. De profeet ziet nergens nog JHWH-vereerders (v. 14) terwijl God er nog zevenduizend vindt. Enerzijds wordt Gods optreden op naïeve wijze uitgebeeld door middel van een bode (vv. 5-7), anderzijds wordt een theofanie heel subtiel beschreven in de verzen 11-13.
Op zoek naar de herkomst van de inhoud, naar de geschiedenis van het opstel en naar het literair genre, veronderstellen sommigen dat een oorspronkelijk vooraf bestaande pelgrimslegende is aangewend en omgevormd tot verhaal over de vereerde profeet Elia. Men vindt de legende terug in de gedeelten reisverhaal (bv. vv. 3b-9a). Aan één of meer deuteronomistische redacteurs worden de gedeelten over het individu Elia toegeschreven (o.a. de inleiding in vv. 1-3a en de klachten). Een tweede deuteronomistische redactie zou vooral de genuanceerde theofanie beschreven en toegevoegd hebben (vv. 11b-13a). Ten slotte zou — nog steeds in deuteronomistische zin — het antwoord van JHWH toegevoegd zijn. In de verzen 15-18 is immers sprake van Hazaël, Jehu en Elisa, die pas in de tijd na koning Achab en na Elia thuishoren. Het verhaal kan dan ook niet voor het einde van de 9de eeuw voor Christus vervolledigd en gefixeerd geweest zijn, op enkele kleinere toevoegingen na.
Tot zover een hypothese van literaire kritiek en redactiegeschiedenis. Laten echter velen doorschemeren dat we op literair gebied hier een drakerige theologische creatie voor ons hebben, het vijfmaal voorkomende “En zie” wijst op de literaire soort ‘verhaal’.

Het verhaal

In zijn huidige canonieke vorm gelezen, vertoont het verhaal eenheid, hoe complex ook. Inhoudelijk staan we voor een verhaal met opvallend veel thema’s.

a) De herhaling

Op literair-kritische basis schrappen we in de verzen 9b-11 de vraag en het antwoord die letterlijk herhaald worden in de verzen 13b-14. Toegegeven dat de herhaling in menig oudtestamentisch verhaal een rol speelt. En misschien heeft de verteller met de herhaling van Elia’s drievoudige klacht ons willen in-prenten hoe armzalig het in Israël gesteld was met het Jahwisme. Maar in het traject van dit verhaal speelt de herhaling geen rol. Onder andere omdat de klacht letterlijk wordt herhaald. In de oude vertelkunst wordt nagenoeg altijd gevarieerd herhaald, zodat het verhaal een verder verloop kent of door de variant een nuancering of correctie krijgt. Nu kan men van mening verschillen of de vraag van God en de klacht van Elia na 9a thuishoren of na 13b. In het eerste geval wordt slechts onrechtstreeks geantwoord op de klacht, in het tweede geval rechtstreeks. We beschouwen 9b-10 als een foutief vooruitgrijpen naar de uiteindelijke dialoog tussen God en de profeet, wellicht ontstaan in de loop van de lange kopieer-geschiedenis.
En als moet worden uitgemaakt welke variant (de enige en onbelangrijke) oorspronkelijk is — “het woord van JHWH” in vers 9 of “een stem” in vers 13 — dan vinden we “een stem” beter passen na de natuurverschijnselen van de verzen 11-12. In het Hebreeuws lezen we qol, wat voor allerlei geluid in de natuur of van mensen wordt gezegd, terwijl “het woord van JHWH” als wending veel voorkomt in de deuteronomistische (en andere) boeken.

b) Handeling, held en helper

Volg je de handeling, op zoek naar de ‘held’ of hoofdpersoon van het verhaal, dan begin je bij de profeet. Elia verneemt de boodschap van Izebels bode, Elia vertrekt, Elia bereikt Berseba dat buiten het bereik van de koningen van Israël ligt in het grondgebied van Juda, Elia trekt verder de woestijn in... Bij nader inzien bemerkt men dat Elia toch niet de persoon is die actief invloed uitoefent op de gang van zaken. Hij is zelden onderwerp van een overgankelijk of overgankeljk gebruikt werkwoord. Hij vertrekt, hij komt aan, hij zet zich neer, gaat liggen, slaapt in, eet en drinkt, staat op... Met de overgankelijke werkwoorden wordt ook niet veel actiefs of nieuws uitgericht, wordt geen wereldgeschiedenis gemaakt. Elia laat zijn dienaar achter, verlangt te sterven, ziet voedsel. De overgankelijke werk-woorden waardoor gewoonlijk in een verhaal iets gebeurt, vinden we in de teksten die de personages spreken. Zie vooral de verzen 14 en 15-18: Elia over de Israëlieten en God over wat er te doen staat, God over zijn beleid. Elia is dus al bij al een opmerkelijk passieve ‘held’.
Zoeken we naar het traject dat het verhaal doorloopt, dan staan we andermaal voor een vreemd verschijnsel. Van Elia die blijkbaar hoofdpersoon is, vernemen we van meet af aan voor welk probleem hij gesteld is, wat hem ontbreekt. Hij wordt met bedreigd, hij zoekt veiligheid, hem ontbreekt de moed om zijn opdracht nog naar behoren te vervullen. Die nood legt hij aan JHWH voor. Maar met al wat vervolgens gebeurt, wordt rechtstreeks geantwoord op zijn vraag, wordt het manco niet opgeheven. De plot lijkt afgebroken, of preciezer: de oplossing lijkt verder te liggen. Want Elia wordt op weg gezet zonder dat hem uitleg wordt verschaft. Na zijn tocht van veertig dagen en nachten verwoordt hij in de klacht van vers 14 een nieuw probleem. Een nieuw manco vraagt nu naar een oplossing.
Na de bevoorrading met brood en water, na de tocht tot bij de berg van God begint dus schijnbaar een nieuw verhaal. De twee verhalen waaruit de perikoop schijnt te bestaan, worden elk op gang getrokken door een klacht van Elia.
Hier moeten we onderscheid maken tussen het niveau van het gebeuren binnen het verhaal en het niveau van de verteller / schrijver die boven zijn stof staat en alles ordent naar zijn visie. Door de schijn te wekken dat Elia hoofdpersoon is, dat Elia’s persoonlijke nood het gemis is waarvoor in het verhaal een
oplossing wordt gezocht, heeft de verteller ons op het verkeerde been gezet. Hij heeft ons aanvankelijk geboeid met zijn verhaal over de uitzichtloze situatie waarin het individu Elia verzeild was geraakt. Het wordt nog enger voor Elia als hij geen antwoord of niet onmiddellijk antwoord krijgt op zijn klacht. Het uitstel van antwoord boeit de lezer en doet hem des te scherper uitzien naar het vervolg van het verhaal. In dat vervolg (het tweede deel van het verhaal) wordt andermaal een manco in een klacht uiteengezet. Maar het is opvallend hoe hier de inhoud van de oorspronkelijke klacht wordt verbreed. In vers 14 is nog wel sprake van Elia’s eigen nood, maar nu op de vierde plaats en zonder uitdrukkelijke vermelding van de koningin. Op de eerste plaats komen nu de godsdienstige afval van de Israelieten en hun wandaden ten overstaan van God en van zijn profeten ter sprake.
Een en ander leidt ons tot het besluit dat het eigenlijke en bijzonderste tekort waarvoor het verloop van het verhaal tastend een oplossing zoekt, een lijden van God is. Hém wordt tekortgedaan door de Israëlieten. De verteller doet het verhaal een tweede keer starten in de verzen 13-14 om ons op het juiste been te zetten. Hoofdpersoon is God. Elia is (slechts) zijn helper. De profeet — zoals alle latere profeten — deelt in het standpunt van God. Hij lijdt een persoonlijk tekort én hij lijdt met God aan het tekort dat God lijdt. De tegenstanders van de profeet zijn aanvankelijk koningin Izebel en koning Achab. In het tweede deel vermeldt de profeet de Israëlieten als tegenstanders. Zij zijn namelijk ook de tegenstanders van God.
Om ons op zijn niveau te verheffen heeft de schrijver op het lagere niveau van het verhaal de eerste klacht van Elia onbeantwoord gelaten. Hij zegt ons zonder woorden: het gaat om meer dan de persoonlijke nood van een profeet die gebukt gaat of bezwijkt onder zijn opdracht. Het schijnbaar onaangepaste antwoord — de bode, het voedsel — heeft de profeet op weg gezet naar een verruiming van het perspectief. God heeft de vragende klacht van de profeet overstegen. God heeft blijk gegeven het initiatief van het gebeuren in handen te hebben, want Hij zendt zijn engel met voedsel om Elia verder op weg te zetten. Al vertellend heeft de auteur van zijn Elia-verhaal een JHWH-verhaal gemaakt. Hij vertelt over Elia om een boodschap over God te verkondigen.
Tussen de twee delen van het verhaal maakt hij handig gebruik van de elementen tijd en ruimte. De veertig dagen en nachten boeien en scherpen de aandacht van de lezer die zich onbevredigd voelt omdat Elia’s nood onbeantwoord is gebleven. De wisseling van plaats is vooral een verandering van kwaliteit. Een dagreis ver ten zuiden van Berseba bevindt de profeet zich op een plaats zonder naam in dorheid en droogte, die zijn zware gemoedsstemrning uitbeelden. De berg van God integendeel, de Horeb, is voor alle lezers van vroeger en van nu herkenbaar. Het gaat niet zomaar om een berg onder veel andere bergen. De verteller heeft Elia én ons, lezers, verheven naar dé berg, naar de plaats waar Israël volk van God is geworden.
Zo is nu eenmaal het bevoorrechte standpunt van de verteller, die ook en vooral verantwoordelijk is voor de mededeling van de boodschap. Hij is als het ware alwetend, hij kent de intenties van God. Van meet af aan, bij het begin van het verhaal, weet hij al — samen met God — dat het om heel wat belangrijkers gaat dan het happy-gevoelen van een profeet. Pas op de berg van God zal Elia het ook uitdrukkelijk vernemen. De wakkere lezer kan het al eerder vermoeden, althans als hij de Mozes-overlevering kent.