H. BOUTER Jr., De roeping van Elisa, 1. Kon. 19:19-21 . HENDRICKX . OLAV E. VAN OUTRYVE .
Bibliografie - eerste
boek Koningen - 1
K 21,1-29 -
- *** HENDRICKX, H., Verwijzing : HENDRICKX . 8.3. Elia op de Horeb: Mystiek en politiek (1 Kon.19,1-18), in: IDEM, Gedenk uw bevrijding. De profetische boeken van DeuteronomiuM tot Koningen. Een werkboek, Leuven, Kristenen voor het Socialisme, 1989, p.139-143
8.3. Elia op de Horeb: Mystiek en politiek (1 Kon.19,1-18)
Het verhaal van Elia op de Horeb wordt terecht gelezen als de mystieke ervaring
van Elia. Maar men maakt deze mystiek tot een wereldvreemde aangelegenheid wanneer
ze beperkt wordt tot een ontmoeting met God in de intimiteit van de menselijke
ziel.
“Op het vuur volgde het suizen van een zachte bries” (vs. 12). Deze
onjuiste vertaling heeft bijna alle uitleggers op een verkeerd spoor gezet.
Het vers wordt dan gelezen als een aansporing om God te vinden in de stilte
van het gebed. Maar daarover gaat het helemaal niet.
Bovendien wordt deze passage dikwijls uit haar verband gelicht. Ook dit leidt
tot eenzijdige interpretaties. Zo worden de laatste verzen (vs.15 vv.) dikwijls
weggelaten. Hun politieke lading en hun revolutionair karakter lijken te zeer
in tegenspraak met de vooraf verhaalde mystieke ervaring.
Veel kommentaren verstaan 1 Kon. 19 louter psychologisch. Een verhaal over de
diepe depressie van Elia. Deze keert pas terug naar zijn taak nadat hij door
God in het gebed is getroost. Maar over de politieke inhoud van die taak wordt
dan zedig heengelezen en bij de maatschappelijke oorzaak van zijn depressie
wordt nauwelijks stilgestaan.
1 Kon. 18,20-46 en 1 Kon.19 zijn verhalen van een heel uiteenlopende strekking: Elia op de Karmel gaat over de juiste keuze van het volk. Elia op de Horeb gaat over de afvalligheid van het volk en de reactie van Elia daarop.
1-2 De strijd die Izebel aankondigt is even absoluut als de strijd die Elia
aankondigde in 17,1. lzebel wil afrekenen met het verzet van Elia. Tegenover
deze overmacht kan Elia alleen maar vluchten en zijn “leven” veilig
stellen. Zijn “ziel” veilig stellen, staat er letterlijk. Dit is
meer dan biologisch leven, het gaat om profetische bezieling.
4-5a Elia gaat om te sterven in de uiterste eenzaamheid van de woestijn in het
zuiden van Juda. Hij wil het lot delen van zijn vaderen - ook van Mozes - die
in de woestijn gestorven zijn. Woestijn betekent sinds de ballingschap doodsgebied.
Gaan zitten onder een eenzame woestijnstruik en slapen zijn symbolen van dood.
Wie dit uitsluitend psychologisch verstaat als ontmoediging van Elia doet de
tekst onrecht aan. Wat Elia doet symboliseert de dood van Israel. Het is een
oordeel over het land. Hier verstomt de profetie.
5b-8 JHWH laat Israë niet los. Hij haalt zijn profeet uit zijn doods-slaap
terug naar de Horeb, de berg van de Tora. Tegenover dc “bode” van
Izebel (vs.2) staat de “bode” van JHWH (vs.5). Deze brengt Elia
ronde broodkoeken en water (vgl. de raven en de weduwe van Sarefat in hst. 17).
Elia was “opgestaan” (vs.3) om te vluchten in eenzaamheid en dood.
Hier krijgt hij het goddelijk bevel om “op te staan” naar het leven
toe (vs.5).
De “veertig dagen en veertig nachten” verwijzen naar de veertigjarige
tocht van het volk door de woestijn, daarbij gesterkt door de kracht van het
manna. En de Horeb verwijst naar de berg, waar Mozes “veertig dagen en
veertig nachten” vertoefde (Ex.24,18). Elia gaat de weg van het volk maar
nu in omgekeerde richting: terug naar de Horeb, terug naar de bron waar het
leven van Israël ontsprong.
9 Niet “een grot” maar “de grot” staat er letterlijk.
Het is de grot waar Mozes ooit gestaan heeft en waar JHWH hem “voorbij
is gegaan” (Ex.33,22). Het woord “voorbijgaan” staat ook hier
in vs.11.
De kritieke situatie van Israël, dat staat voor de keuze tussen leven en
dood, roept de parallellen met Mozes op (zie Ex.32-34). Ook toen had het volk
het verbond met JHWH verbroken door de aanbidding van het gouden kalf. En zoals
Mozes toen, zo staat Elia nu helemaal alleen op de berg Horeb. Dit is de plaats
van de Tora: het standpunt van de profeet (zie vs.l1). Beiden zoeken bij JHWH
uitkomst uit de krisis.
“Wat doet gij hier, Elia?”: op de plaats waar toen het verbond gesloten
was - het verbond dat nu verbroken is - daar staat nu Elia.
10 Het “ijveren” van Elia is geen religieus proselytisme maar een
strijd tegen de dodende machten in de samenleving.
De driedubbele klacht van Elia:
- het verbond is verbroken: onder Achab werd een onrechtvaardige rechtsorde
ingevoerd;
- de altaren van JHWH zijn gesloopt (zie ook al vs. 18,30): omdat de dienst
van dc Baäls onverenigbaar is met de dienst van JHWH;
- zijn profeten zijn gedood: wat eerst van Izebel gezegd werd (18,4), wordt
hier gezegd van heel het volk. Het volk heeft de propaganda van Izebel geslikt
en deelgenomen aan de repressie.
Het volk staat aan de kant van Izebel en Elia staat helemaal alleen. Hij pleit
zelfs niet meer voor het volk zoals Mozes nog deed op de Horeb. Hier valt niet
meer te pleiten. De Tora is verlaten, dit is de definitieve ontrouw.
Vanwege de afval van het volk moet Elia horen dat JHWH niet meer aanwezig is
in de tekens (storm, aardbeving, vuur) die in Exodus zijn bevrijding begeleidden.
“En na het vuur was er een stem van een lichte bries” (septuagint,
oudste Griekse vertaling van de bijbel).
De vertaling van deze zin is sinds lang problematisch. Dc “lichte bries”
is in onze vertalingen blijven voortleven, maar het belangrijke woord “stem”
is weggevallen, terwijl het hier vooruitwijst naar vers 13.
“Een stem tot stilte beukend”, (Waaijman). “Een stem van dun
zwijgen”, (Naastepad).
“Een stem van wegzwevend zwijgen”, (Veerkamp).
Het “zwijgen” of de “stilte” kunnen zowel slaan op het
zwijgen van God als op de stilte van de met stomheid geslagen mens. We kunnen
het misschien houden bij de mooie weergave van Oosterhuis “een stem van
doodse stilte”. Of bij de omschrijving van de kinderbijbel van K.Eykman
en B.Bouman: “Toen kon God niets anders meer dan zwijgen”. Al deze
auteurs zijn het erover eens dat het hier niet gaat om een ervaring van God
in de stilte van het gebed. En ook niet om de openbaring van een nieuw, vergeestelijkt
godsbeeld, nadat met de primitieve godsvoorstellingen van storm, aardbeving
en vuur is afgerekend. Al deze auteurs zijn het er over eens dat het hier gaat
om een ervaring van afwezigheid. JHWH is in de tekens van zijn bevrijding (storm
aardbeving, vuur) niet meer waarneembaar. Na de triomf van Izebel en het verraad
van het volk is er alleen maar een stem van doodse stilte.
Die stilte - dit zwijgen - wordt door Elia “gehoord”. De “stem
van zwijgen” wordt een duidelijk waarneembare profetische stem waardoor
Elia zich laat aanspreken (vs.13 vv). Zo komt hij inzicht.
Aan Elia, staande in de rotsholte, gaat JHWH voorbij zoals eertijds aan Mozes
(Ex.33,22-23). Toen bedekte JHWH met zijn hand het gelaat van Mozes. Hier bedekt
Elia zijn gelaat met de mantel, het symbool van zijn profetische roeping.
In de onmiddellijke nabijheid van JHWH die hem voorbijgaat, geeft Elia hetzelfde
antwoord op dezelfde vraag van JHWH (vgl. vs.9-10).
Elia wordt teruggestuurd naar het politieke terrein met een drie-dubbele opdracht:
- in Damascus moet hij Hazael zalven tot koning over de Arameeen.
JHWH neemt buitenlandse machten in dienst om zijn volk tot inkeer te brengen.
De vertellers (en de lezers) zullen hierbij wel gedacht hebben aan de Assyriërs
en de Babyloniërs waarmee ze in de ballingschap geconfronteerd werden.
- hij moet Jehu tot koning zalven over het Noordrijk.
Hier wordt het doodsvonnis, geveld over het koningshuis van Omri en Izebel.
Dit zal immers uitgeroeid worden in de revolutie van Jehu.
- hij moet Elisa zalven tot zijn opvolger.
Dc profetie zal zich doorzetten in Israël. De verteller weet hoezeer de
profetische kringen hebben bijgedragen tot het overwinnen van de krisis in de
ballingschap.
Deze driedubbele opdracht vormt het kader van het verdere verhaal. De verhalencyclus
over Elia en Elisa loopt in 2 Kon.10. uit op de uitroeiing van de Baälsdienst.
Daar was het Elia in heel zijn leven om te doen geweest.
“Zalven” is het sleutelwoord van de drie opdrachten. Koningen, priesters
en profeten worden in de bijbel gezalfd. Zalven is iemand vervullen met de geest
van JHWH, iemand doordringen van zijn zending.
17 Twee keer is hier sprake van “doden”. De bloedige putch van Jehu,
waar ook Elisa bij betrokken is, wordt hier van JHWH uit verantwoord. JHWH staat
niet boven de partijen. Als de tegenstellingen zo groot geworden zijn als in
het Nazi-Duitsland van de jaren dertig, dan blijft er slechts één
vraag: Aan welke kant sta je?
18 Het volk wordt sterk uitgedund, maar een “rest” van 7.000 zal
blijven, een rest van 7.000 die hun knie voor Baäl niet gebogen hebben
(denk aan het hurkdansen in 1 Kon.18,26). Met dit handjevol mensen kan de beweging
voortgezet worden. “Rest” is een belangrijk woord bij de pmfeten.
Het wijst niet op een maatschappelijke elite of op een restant van ortodokse
gelovigen, maar op de “armen van JHWH”, zoals de profeten hen later
zullen noemen. Het zijn allen die uitzien naar gerechtigheid. Een “verborgen
gemeente”, zegt Oosterhuis. Of een “Belijdende kerk”, zoals
in het Duitsland van de Nazi’s.
Besluit : mystiek en politiek
1 Kon.19 beschrijft dc mystieke nacht waar Elia doorheen moet. Op het moment
waarop heel het volk - op 7.000 na - verraad heeft gepleegd, hoort Elia Gods
stem die oproept om door te gaan met de strijd. Voorbij de ‘doodse stilte’
hoort Elia de stem van de hoop. Hij houdt het uit bij JHWH, die het verlangen
naar bevrijding en de droom van een geheelde schepping in hem levend houdt.
De gangbare interpretatie heeft het “spiritualisme” in de hand gewerkt.
Een nieuwe lezing van 1 Kon.19 kan een voedingsbodem zijn van “spiritualiteit”.
Elia onderneemt de heenreis terug naar de bron, naar het woord van de Tora.
En van daaruit keert hij terug naar het werkterrein van de politiek. Ware spiritualiteit
is een inspiratie die het gedrag van mensen van binnenuit omvormt. Elia op de
Horeb is geen wereldvreemd verhaal, het is van het begin tot het einde betrokken
op de maatschappelijke realiteit. Het is een voorbeeld van “verankerde
spiritualiteit”.
De mystieke nacht van Elia kan gelezen worden als de nacht van een nihilistische samenleving. Voorbij het religieus en maatschappelijk nihilisme van onze beschaving kan dit verhaal oproepen tot hoop, die haar uitdrukking vindt in politiek engagement vanuit het geloof in een God van gerechtigheid.
De perikoop
De perikoop 1 Koningen 19,1-18 is met de voorafgaande Eliaverhalen verbonden
door middel van de inleidende verzen 1-3a. In die inleiding wordt de vlucht
van Elia gemotiveerd. Izebel staat hem naar het leven omdat hij de profeten
van Baâl heeft laten vermoorden (18,40).
Toch beschouwen we 19,1-18 als een zelfstandige overleverings-eenheid. De droogte,
het centrale thema van het l7de en l8de hoofdstuk, komt in het l9de helemaal
niet meer ter sprake.
De bijzonderste tegenspelers van de profeet, het koninklijk echtpaar Achab en
Izebel, spelen nog slechts een rol op de achtergrond, terwijl confrontaties
van de profeet met koningen weer het belangrijkste onderwerp zijn van de perikopen
in 1 Koningen 21 en 2 Koningen 1.
De eerste klacht van Elia (1 K 19,4) komt vreemd over na het succes dat hij
heeft behaald volgens 18,39 en 45. Volgens de tweede klacht (19,14) zou Elia
de enige profeet van JHWH zijn die overblijft, terwijl Obadja volgens 18,13
honderd profeten verborgen heeft gehouden om ze van de dood te redden. Behalve
nog meer kleine ‘tegenspraken’ tussen het l9de hoofdstuk en de andere
Elia-verhalen constateren we ook een grote afstand tussen de thema’s van
de Horeb-perikoop en de verhalen die erop volgen tot in het eerste hoofdstuk
van 2 Koningen. In 19,1-18 ontbreken vooral de interactie en de dialoog met
mensen.
1 Koningen 19,19 leidt duidelijk een nieuwe perikoop in, want hier wordt de
voorafgaande afgesloten: “Elia vertrok vandaar”. Een letterlijke
inclusio vinden we niet in 19,1-18. Eventueel kan men de vermelding van “woestijn”
in de verzen 4 en 15 als opening en sluiting van een binnen-ring beschouwen.
Inhoudelijk staan twee secundaire thema’s aan het begin en aan het einde:
het koningshuis en het voortbestaan van het profetisme in Israël (vv. 1-2
en 16-17).
De perikoop kan ingedeeld worden als volgt.
— verzen 1-4: Omdat Izebel hem naar het leven staat, vlucht Elia via Berseba
de woestijn in en bidt klagend tot JHWH over zijn lot als profeet.
— verzen 5-9a: Een bode van JHWH bezorgt Elia voedsel en drank. Gesterkt
door deze gaven loopt de profeet door tot de Godsberg, de Horeb. Daar overnacht
hij in een grot.
— verzen 11-14: JHWH beveelt hem naar buiten te treden. Drie natuurverschijnselen
— storm, aardbeving en vuur — trekken voorbij, maar JHWH is daarin
niet aanwezig. Bij een daarop volgende zachte bries treedt Elia naar buiten.
Een stem vraagt naar het doel van zijn komst, waarop Elia met een meervoudige
klacht antwoordt.
— verzen 15-18: In het vervolg van de dialoog zendt JHWH Elia terug met
drie opdrachten en met de aankondiging dat God uit het volk, dat met de ondergang
bedreigd wordt, zich zevenduizend getrouwen zal voorbehouden.
De literair- en historisch-kritische exegese
Kritische commentators ontdekken opmerkelijke inconsequenties in de inhoud
van de verschillende onderdelen van deze penkoop. Tegenspraken die vergezeld
gaan van verschillen in schrjfstijl. Zij wijzen er onder andere op dat de prangende
klacht van Elia in vers 4 geen antwoord krijgt. De profeet ziet nergens nog
JHWH-vereerders (v. 14) terwijl God er nog zevenduizend vindt. Enerzijds wordt
Gods optreden op naïeve wijze uitgebeeld door middel van een bode (vv.
5-7), anderzijds wordt een theofanie heel subtiel beschreven in de verzen 11-13.
Op zoek naar de herkomst van de inhoud, naar de geschiedenis van het opstel
en naar het literair genre, veronderstellen sommigen dat een oorspronkelijk
vooraf bestaande pelgrimslegende is aangewend en omgevormd tot verhaal over
de vereerde profeet Elia. Men vindt de legende terug in de gedeelten reisverhaal
(bv. vv. 3b-9a). Aan één of meer deuteronomistische redacteurs
worden de gedeelten over het individu Elia toegeschreven (o.a. de inleiding
in vv. 1-3a en de klachten). Een tweede deuteronomistische redactie zou vooral
de genuanceerde theofanie beschreven en toegevoegd hebben (vv. 11b-13a). Ten
slotte zou — nog steeds in deuteronomistische zin — het antwoord
van JHWH toegevoegd zijn. In de verzen 15-18 is immers sprake van Hazaël,
Jehu en Elisa, die pas in de tijd na koning Achab en na Elia thuishoren. Het
verhaal kan dan ook niet voor het einde van de 9de eeuw voor Christus vervolledigd
en gefixeerd geweest zijn, op enkele kleinere toevoegingen na.
Tot zover een hypothese van literaire kritiek en redactiegeschiedenis. Laten
echter velen doorschemeren dat we op literair gebied hier een drakerige theologische
creatie voor ons hebben, het vijfmaal voorkomende “En zie” wijst
op de literaire soort ‘verhaal’.
Het verhaal
In zijn huidige canonieke vorm gelezen, vertoont het verhaal eenheid, hoe complex ook. Inhoudelijk staan we voor een verhaal met opvallend veel thema’s.
a) De herhaling
Op literair-kritische basis schrappen we in de verzen 9b-11 de vraag en het
antwoord die letterlijk herhaald worden in de verzen 13b-14. Toegegeven dat
de herhaling in menig oudtestamentisch verhaal een rol speelt. En misschien
heeft de verteller met de herhaling van Elia’s drievoudige klacht ons
willen in-prenten hoe armzalig het in Israël gesteld was met het Jahwisme.
Maar in het traject van dit verhaal speelt de herhaling geen rol. Onder andere
omdat de klacht letterlijk wordt herhaald. In de oude vertelkunst wordt nagenoeg
altijd gevarieerd herhaald, zodat het verhaal een verder verloop kent of door
de variant een nuancering of correctie krijgt. Nu kan men van mening verschillen
of de vraag van God en de klacht van Elia na 9a thuishoren of na 13b. In het
eerste geval wordt slechts onrechtstreeks geantwoord op de klacht, in het tweede
geval rechtstreeks. We beschouwen 9b-10 als een foutief vooruitgrijpen naar
de uiteindelijke dialoog tussen God en de profeet, wellicht ontstaan in de loop
van de lange kopieer-geschiedenis.
En als moet worden uitgemaakt welke variant (de enige en onbelangrijke) oorspronkelijk
is — “het woord van JHWH” in vers 9 of “een stem”
in vers 13 — dan vinden we “een stem” beter passen na de natuurverschijnselen
van de verzen 11-12. In het Hebreeuws lezen we qol, wat voor allerlei geluid
in de natuur of van mensen wordt gezegd, terwijl “het woord van JHWH”
als wending veel voorkomt in de deuteronomistische (en andere) boeken.
b) Handeling, held en helper
Volg je de handeling, op zoek naar de ‘held’ of hoofdpersoon van
het verhaal, dan begin je bij de profeet. Elia verneemt de boodschap van Izebels
bode, Elia vertrekt, Elia bereikt Berseba dat buiten het bereik van de koningen
van Israël ligt in het grondgebied van Juda, Elia trekt verder de woestijn
in... Bij nader inzien bemerkt men dat Elia toch niet de persoon is die actief
invloed uitoefent op de gang van zaken. Hij is zelden onderwerp van een overgankelijk
of overgankeljk gebruikt werkwoord. Hij vertrekt, hij komt aan, hij zet zich
neer, gaat liggen, slaapt in, eet en drinkt, staat op... Met de overgankelijke
werkwoorden wordt ook niet veel actiefs of nieuws uitgericht, wordt geen wereldgeschiedenis
gemaakt. Elia laat zijn dienaar achter, verlangt te sterven, ziet voedsel. De
overgankelijke werk-woorden waardoor gewoonlijk in een verhaal iets gebeurt,
vinden we in de teksten die de personages spreken. Zie vooral de verzen 14 en
15-18: Elia over de Israëlieten en God over wat er te doen staat, God over
zijn beleid. Elia is dus al bij al een opmerkelijk passieve ‘held’.
Zoeken we naar het traject dat het verhaal doorloopt, dan staan we andermaal
voor een vreemd verschijnsel. Van Elia die blijkbaar hoofdpersoon is, vernemen
we van meet af aan voor welk probleem hij gesteld is, wat hem ontbreekt. Hij
wordt met bedreigd, hij zoekt veiligheid, hem ontbreekt de moed om zijn opdracht
nog naar behoren te vervullen. Die nood legt hij aan JHWH voor. Maar met al
wat vervolgens gebeurt, wordt rechtstreeks geantwoord op zijn vraag, wordt het
manco niet opgeheven. De plot lijkt afgebroken, of preciezer: de oplossing lijkt
verder te liggen. Want Elia wordt op weg gezet zonder dat hem uitleg wordt verschaft.
Na zijn tocht van veertig dagen en nachten verwoordt hij in de klacht van vers
14 een nieuw probleem. Een nieuw manco vraagt nu naar een oplossing.
Na de bevoorrading met brood en water, na de tocht tot bij de berg van God begint
dus schijnbaar een nieuw verhaal. De twee verhalen waaruit de perikoop schijnt
te bestaan, worden elk op gang getrokken door een klacht van Elia.
Hier moeten we onderscheid maken tussen het niveau van het gebeuren binnen het
verhaal en het niveau van de verteller / schrijver die boven zijn stof staat
en alles ordent naar zijn visie. Door de schijn te wekken dat Elia hoofdpersoon
is, dat Elia’s persoonlijke nood het gemis is waarvoor in het verhaal
een
oplossing wordt gezocht, heeft de verteller ons op het verkeerde been gezet.
Hij heeft ons aanvankelijk geboeid met zijn verhaal over de uitzichtloze situatie
waarin het individu Elia verzeild was geraakt. Het wordt nog enger voor Elia
als hij geen antwoord of niet onmiddellijk antwoord krijgt op zijn klacht. Het
uitstel van antwoord boeit de lezer en doet hem des te scherper uitzien naar
het vervolg van het verhaal. In dat vervolg (het tweede deel van het verhaal)
wordt andermaal een manco in een klacht uiteengezet. Maar het is opvallend hoe
hier de inhoud van de oorspronkelijke klacht wordt verbreed. In vers 14 is nog
wel sprake van Elia’s eigen nood, maar nu op de vierde plaats en zonder
uitdrukkelijke vermelding van de koningin. Op de eerste plaats komen nu de godsdienstige
afval van de Israelieten en hun wandaden ten overstaan van God en van zijn profeten
ter sprake.
Een en ander leidt ons tot het besluit dat het eigenlijke en bijzonderste tekort
waarvoor het verloop van het verhaal tastend een oplossing zoekt, een lijden
van God is. Hém wordt tekortgedaan door de Israëlieten. De verteller
doet het verhaal een tweede keer starten in de verzen 13-14 om ons op het juiste
been te zetten. Hoofdpersoon is God. Elia is (slechts) zijn helper. De profeet
— zoals alle latere profeten — deelt in het standpunt van God. Hij
lijdt een persoonlijk tekort én hij lijdt met God aan het tekort dat
God lijdt. De tegenstanders van de profeet zijn aanvankelijk koningin Izebel
en koning Achab. In het tweede deel vermeldt de profeet de Israëlieten
als tegenstanders. Zij zijn namelijk ook de tegenstanders van God.
Om ons op zijn niveau te verheffen heeft de schrijver op het lagere niveau van
het verhaal de eerste klacht van Elia onbeantwoord gelaten. Hij zegt ons zonder
woorden: het gaat om meer dan de persoonlijke nood van een profeet die gebukt
gaat of bezwijkt onder zijn opdracht. Het schijnbaar onaangepaste antwoord —
de bode, het voedsel — heeft de profeet op weg gezet naar een verruiming
van het perspectief. God heeft de vragende klacht van de profeet overstegen.
God heeft blijk gegeven het initiatief van het gebeuren in handen te hebben,
want Hij zendt zijn engel met voedsel om Elia verder op weg te zetten. Al vertellend
heeft de auteur van zijn Elia-verhaal een JHWH-verhaal gemaakt. Hij vertelt
over Elia om een boodschap over God te verkondigen.
Tussen de twee delen van het verhaal maakt hij handig gebruik van de elementen
tijd en ruimte. De veertig dagen en nachten boeien en scherpen de aandacht van
de lezer die zich onbevredigd voelt omdat Elia’s nood onbeantwoord is
gebleven. De wisseling van plaats is vooral een verandering van kwaliteit. Een
dagreis ver ten zuiden van Berseba bevindt de profeet zich op een plaats zonder
naam in dorheid en droogte, die zijn zware gemoedsstemrning uitbeelden. De berg
van God integendeel, de Horeb, is voor alle lezers van vroeger en van nu herkenbaar.
Het gaat niet zomaar om een berg onder veel andere bergen. De verteller heeft
Elia én ons, lezers, verheven naar dé berg, naar de plaats waar
Israël volk van God is geworden.
Zo is nu eenmaal het bevoorrechte standpunt van de verteller, die ook en vooral
verantwoordelijk is voor de mededeling van de boodschap. Hij is als het ware
alwetend, hij kent de intenties van God. Van meet af aan, bij het begin van
het verhaal, weet hij al — samen met God — dat het om heel wat belangrijkers
gaat dan het happy-gevoelen van een profeet. Pas op de berg van God zal Elia
het ook uitdrukkelijk vernemen. De wakkere lezer kan het al eerder vermoeden,
althans als hij de Mozes-overlevering kent.