BIJBELBOEK EERSTE BOEK SAMUEL 24 -- Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- 1 S (1 Samuël) -- 1 S 24 -

Overzicht van 1 S : - 1 S 1 - 1 S 2 - 1 S 3 - 1 S 4 - 1 S 5 - 1 S 6 - 1 S 7 - 1 S 8 - 1 S 9 - 1 S 10 - 1 S 11 - 1 S 12 - 1 S 13 - 1 S 14 - 1 S 15 - 1 S 16 - 1 S 17 - 1 S 18 - 1 S 19 - 1 S 20 - 1 S 21 - 1 S 22 - 1 S 23 - 1 S 24 - 1 S 25 - 1 S 26 - 1 S 27 - 1 S 28 - 1 S 29 - 1 S 30 - 1 S 31 -
Tekstuitleg per pericope :
Overzicht vers per vers : - 1 S 24,1 - 1 S 24,2 - 1 S 24,3 - 1 S 24,4 - 1 S 24,5 - 1 S 24,6 - 1 S 24,7 - 1 S 24,8 - 1 S 24,9 - 1 S 24,10 - 1 S 24,11 - 1 S 24,12 - 1 S 24,13 - 1 S 24,14 - 1 S 24,15 - 1 S 24,16 - 1 S 24,17 - 1 S 24,18 - 1 S 24,19 - 1 S 24,20 - 1 S 24,21 - 1 S 24,22 - 1 S 24,23 -

ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 

- Hebreeuwse tekst : http://www.mechon-mamre.org/p/pt/pt08a24.htm . http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Hebreeuws OF modern Hebreeuws (NT) .
- Targum Onkelos : http://www.mechon-mamre.org/i/t/t08a24.htm . Targum Onkelos .
- Griekse tekst - Septuaginta : http://www.myriobiblos.gr/bible/ot/chapter.asp?book=9&page=21 . Griekse tekst - Septuaginta .
- Vulgata : http://www.intratext.com/IXT/LAT0001/_P72.HTM . Vulgata .
- Statenvertaling : http://www.statenvertaling.net/bijbel/1sam/22.html . Statenvertaling .
- Willibrordvertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/?p=page&i=7868,7891 . Willibrordvertaling .
- De Nieuwe Vertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/?p=page&i=7868,7891 . De Nieuwe Vertaling .
- De Naardense bijbel : http://naardensebijbel.nl/zoek.php . De Naardense bijbel .
- Bible de Jérusalem : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Bible de Jérusalem .
- King James Bible : http://quod.lib.umich.edu/cgi/k/kjv/kjv-idx?type=DIV1&byte=1134457 . King James Bible .
- Luther Bibel : http://www.die-bibel.de/online-bibeln/luther-bibel-1984/bibeltext/bibelstelle/1%20Samu%C3%ABl%2024/bibel/text/lesen/ch/446f2cb9881064e0f02e59d471640b98/ . Luther Bibel .
- Arabisch : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Arabisch .


- David spaart Sauls leven

1 S 24,1 - 1 S 24,1 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [1] David ging weg van daar en verbleef op moeilijk toegankelijke plaatsen bij Engedi. [1] David trok zich met zijn mannen terug in de rotsholen in de buurt van Engedi.    

King James Bible .
Luther-Bibel . 1Und David zog von dort hinauf und blieb in den Bergfesten bei En-Gedi.

Tekstuitleg van 1 S 24,1 .

1 S 24,1.1. ויעל = wj`l : (1) verbindingsletter wë + act. qal imperfectum derde persoon mann. enkelvoud וַיַּעַל / וַיָּעַל = wajja`al / wajjâ`al (en hij klom op) . (2) verbindingsletter wë + qal jussief 3de pers. mann. enk. וְיַּעַל = wëja`al (en ga op) van het werkw. עָלָה = `âlâh (opgaan, opklimmen) . Taalgebruik in Tenakh : `âlâh (opgaan, opklimmen) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , lamed = 12 of 30 , he = 5 ; totaal : 33 (3 X 11) OF 105 (3 X 5 X 7) . Structuur : 7 - 3 - 5 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (115) . Pentateuch (26) . Eerdere Profeten (63) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (18) . 1 S (9) : (1) 1 S 1,21 . (2) 1 S 2,6 . (3) 1 S 11,1 . (4) 1 S 13,9 . (5) 1 S 13,15 . (6) 1 S 14,13 . (7) 1 S 14,46 . (8) 1 S 24,1 . (9) 1 S 27,8 .

1 S 24,1.5. בִּמְצוֹת = bimëtsôth (in bergvestingen) < prefix voorzetsel bë + vr. mv. van het zelfst. naamw. מְצוּדָה = mëtsûdâh (net, burcht, bergvesting) . Zie het werkw. צוּד = tsûd (jagen, vangen, jacht maken op) . Taalgebruik in Tenakh : tsûd (jagen, vangen, jacht maken op) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , waw = 6 , daled = 4 ; totaal : 28 (2² X 7) OF 100 (2² X 5) . Structuur : 9 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (1) : 1 S 24,1 .

1 S 24,2 - 1 S 24,2 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [2] Toen Saul van zijn veldtocht tegen de Filistijnen terugkwam, werd hem verteld: 'David zit in de woestijn van Engedi.' [2] Toen Saul bij terugkeer van zijn veldtocht tegen de Filistijnen hoorde dat David zich in de woestijn bij Engedi bevond,    

King James Bible . [1] And it came to pass, when Saul was returned from following the Philistines, that it was told him, saying, Behold, David is in the wilderness of En-gedi.
Luther-Bibel . 2Als nun Saul zurückkam von der Verfolgung der Philister, wurde ihm gesagt: Siehe, David ist in der Wüste En-Gedi.

Tekstuitleg van 1 S 24,2 .

1 S 24,2.1. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְהי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalwaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 .

1 S 24,2.2. כַאֲשֶׁר = ka´äsjèr (zoals) < prefix kë + אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) OF persoonsnaam אָשֶׁר = ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (488) . Pentateuch (202) . Eerdere Profeten (68) . Latere Profeten (68) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (56) . 1 S (19) : (1) 1 S 1,24 . (2) 1 S 2,16 . (3) 1 S 2,35 . (4) 1 S 4,9 . (5) 1 S 6,6 . (6) 1 S 8,1 . (7) 1 S 8,6 . (8) 1 S 12,8 . (9) 1 S 15,33 . (10) 1 S 17,20 . (11) 1 S 20,13 . (12) 1 S 23,11 . (13) 1 S 24,2 . (14) 1 S 24,5 . (15) 1 S 24,14 . (16) 1 S 26,20 . (17) 1 S 26,24 . (18) 1 S 28,17 . (19) 1 S 28,18 .

1 S 24,2.1. - 2. וַיְהי כַאֲשֶׁר = wajëhî ka´äsjèr (en het was zoals/zodra) . Tenakh (31) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (11) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (8) . Eerdere Profeten (11) : (1) Joz 4,1 . (2) Joz 4,11 . (3) Joz 5,8 . (4) Re 3,18 . (5) Re 6,27 . (6) Re 8,33 . (7) Re 11,5 . (8) 1 S 8,1 . (9) 1 S 24,2 . (10) 2 S 16,16 . (11) 2 K 14,5 .

1 S 24,2.7. וַיַּגִדוּ = wajjaggidû (en zij vertelden) < waw consecutivum + act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. נָגַד = nâgad (vertellen, verkondigen, bekend maken) . Taalgebruik in Tenakh : nâgad (vertellen, verkondigen, bekend maken) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , ghimel = 3 , daleth = 4 ; totaal : 21 (3 X 7) OF 57 (3 X 19) . Structuur : 5 - 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (21) : (1) Gn 26,32 . (2) Gn 45,26 . (3) Re 4,12 . (4) Re 9,7 . (5) Re 9,42 . (6) 1 S 17,31 . (7) 1 S 18,20 . (8) 1 S 18,24 . (9) 1 S 18,26 . (10) 1 S 19,21 . (11) 1 S 23,1 . (12) 1 S 23,25 . (13) 1 S 24,2 . (14) 1 S 25,12 . (15) 2 S 2,4 . (16) 2 S 3,23 . (17) 2 S 10,5 . (18) 2 S 11,10 . (19) 2 S 17,21 . (20) 2 K 7,15 . (21) 2 K 18,37 .

1 S 24,3 - 1 S 24,3 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [3] Nu koos Saul drieduizend uitgelezen manschappen uit heel Israël en hij ging op zoek naar David en zijn mannen, ten oosten van de Steenbokrotsen. [3] koos hij drieduizend van de beste mannen van Israël uit en ging met hen in het rotsachtige gebied waar de steenbokken leven, op zoek naar David en zijn mannen.    

King James Bible . [2] Then Saul took three thousand chosen men out of all Israel, and went to seek David and his men upon the rocks of the wild goats.
Luther-Bibel . 3Und Saul nahm dreitausend auserlesene Männer aus ganz Israel und zog hin, David samt seinen Männern zu suchen, in Richtung auf die Steinbockfelsen.

Tekstuitleg van 1 S 24,3 .

1 S 24,3.1. וַיּקַּח = wajjiqqach (en hij nam) < prefix nevensch. voegwoord waw + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. לָקַח = lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . Taalgebruik in Tenakh : lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , qoph = 19 of 100 , chet = 8 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 138 (2 X 3 X 23) . Structuur : 3 - 1 - 8 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (199) . Pentateuch (86) . Eerdere Profeten (80) . Latere Profeten (17) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (15) . 1 S (18) : (1) 1 S 7,9 . (2) 1 S 7,12 . (3) 1 S 9,22 . (4) 1 S 10,1 . (5) 1 S 11,7 . (6) 1 S 15,21 . (7) 1 S 16,13 . (8) 1 S 16,20 . (9) 1 S 17,40 . (10) 1 S 17,49 . (11) 1 S 17,51 . (12) 1 S 17,54 . (13) 1 S 17,57 . (14) 1 S 24,3 . (15) 1 S 25,35 . (16) 1 S 26,12 . (17) 1 S 30,20 . (18) 1 S 31,4 .

1 S 24,4 - 1 S 24,4 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [4] Op zijn weg kwam hij bij de schaapskooien. Daar is een spelonk en Saul ging die binnen om zijn behoefte te doen. Maar achter in die spelonk zat David met zijn mannen! [4] Onderweg kwam hij langs een spelonk die door een muurtje was afgeschermd. Daar ging hij naar binnen en hurkte neer om zijn behoefte te doen. En juist achter in die spelonk hadden David en zijn mannen zich verstopt.    

King James Bible . [3] And he came to the sheepcotes by the way, where was a cave; and Saul went in to cover his feet: and David and his men remained in the sides of the cave.
Luther-Bibel . 4Und als er kam zu den Schafhürden am Wege, war dort eine Höhle und Saul ging hinein, um seine Füße zu decken. David aber und seine Männer saßen hinten in der Höhle.

Tekstuitleg van 1 S 24,4 .

1 S 24,4.3. גִּדְרוֹת = gidërôth (schaapskooiën) van het zelfst. naamw. גְּדֵרָה = gëderâh (muur, omheing, schappskooi) . Zie : גָדַר = gâdar (omheinen, insluiten, versperren, metselen) . Taalgebruik in Tenakh : gâdar (omheinen, insluiten, versperren, metselen) . Getalwaarde : ghimel = 3 , daleth = 4 , resj = 20 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 207 (3² X 23) . Structuur : 3 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (1) : 1 S 24,4 .

1 S 24,4.8. מְעָרָה = më`ârâh (grot, hol spelonk) . Taalgebruik in Tenakh : më`ârâh (grot, hol spelonk) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 54 (2 X 3³) OF 315 (3² X 5 X 7) . Structuur : 4 - 7 - 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (1) : 1 S 24,4 .

1 S 24,5 - 1 S 24,5 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [5] De mannen zeiden tegen David: 'Dit is het ogenblik dat de heer bedoelde toen Hij u zei: "Ik lever uw vijand aan u over." Doe met hem wat u wilt.' Toen stond David op en zonder dat Saul iets merkte sneed hij een slip van zijn mantel af. [5] Davids mannen zeiden tegen hem: 'Dit is je kans! Dit is het moment waar de HEER op doelde toen hij zei: "Ik zal je vijand aan je uitleveren; je kunt met hem doen wat je goeddunkt."' David stond op en sneed stilletjes een reep van Sauls mantel af.    

King James Bible . [4] And the men of David said unto him, Behold the day of which the LORD said unto thee, Behold, I will deliver thine enemy into thine hand, that thou mayest do to him as it shall seem good unto thee. Then David arose, and cut off the skirt of Saul's robe privily.
Luther-Bibel . 5Da sprachen die Männer Davids zu ihm: Siehe, das ist der Tag, von dem der HERR zu dir gesagt hat: Siehe, ich will deinen Feind in deine Hände geben, dass du mit ihm tust, was dir gefällt. Und David stand auf und schnitt leise einen Zipfel vom Rock Sauls.

Tekstuitleg van 1 S 24,5 .

1 S 24,5.19. כַאֲשֶׁר = ka´äsjèr (zoals) < prefix kë + אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) OF persoonsnaam אָשֶׁר = ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (488) . Pentateuch (202) . Eerdere Profeten (68) . Latere Profeten (68) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (56) . 1 S (19) : (1) 1 S 1,24 . (2) 1 S 2,16 . (3) 1 S 2,35 . (4) 1 S 4,9 . (5) 1 S 6,6 . (6) 1 S 8,1 . (7) 1 S 8,6 . (8) 1 S 12,8 . (9) 1 S 15,33 . (10) 1 S 17,20 . (11) 1 S 20,13 . (12) 1 S 23,11 . (13) 1 S 24,2 . (14) 1 S 24,5 . (15) 1 S 24,14 . (16) 1 S 26,20 . (17) 1 S 26,24 . (18) 1 S 28,17 . (19) 1 S 28,18 .

1 S 24,5.24. (1) וַיִּכְרֹת = wajjikhëroth (en hij sneed, en hij sloot) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. (2) וַיַּכְרֵת = wajjakhëreth (en hij liet uitroeien) < wë + act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. כָרַת = kârath (snijden, uitroeien) . Taalgebruik in Tenakh : kârath (snijden) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , resj = 20 of 200 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 53 OF 620 . Structuur : 2 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (26) . Pentateuch (0) . Eerdere Profeten (17) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (7) . Eerdere Profeten (17) : (1) Joz 9,15 . (2) Joz 11,21 . (3) Joz 24,25 . (4) Re 9,48 . (5) 1 S 17,51 . (6) 1 S 18,3 . (7) 1 S 20,16 . (8) 1 S 24,5 . (9) 2 S 5,3 . (10) 2 S 10,4 . (11) 1 K 15,13 . (12) 1 K 20,34 . (13) 2 K 11,4 . (14) 2 K 11,17 . (15) 2 K 17,35 . (16) 2 K 23,3 . (17) 2 K 23,14 .

1 S 24,5.26. כָנָף = kânâph (dekkleed, grens, einde, slip-, zoom van een kleed) . Taalgebruik in Tenakh : kânâph (dekkleed, grens, einde, slip-, zoom van een kleed) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , nun = 14 of 50 , pe = 17 of 80 ; totaal : 42 OF 150 ; de som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (85) . 1 S (4) : (1) 1 S 15,27 . (2) 1 S 24,5 . (3) 1 S 24,6 . (4) 1 S 24,12 .

1 S 24,5.27. הַמְּעִיל = hammë`îl (het bovenkleed) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. מְעִיל = më`îl (bovenkleed, mantel) . Taalgebruik in Tenakh : më`îl (bovenkleed, mantel) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 , jod = 10 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 51 (3 X 17) OF 150 (2 X 3 X 5²) . Structuur : 4 - 7 - 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (5) : (1) Ex 28,34 . (2) Ex 39,23 . (3) Lv 8,7 . (4) 1 S 18,4 . (5) 1 S 24,5 .

1 S 24,6 - 1 S 24,6 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [6] Daarna zei David, van wie het hart al bonsde omdat hij de slip van Sauls mantel had afgesneden, [6] Zijn hart bonsde ervan,    

King James Bible . [5] And it came to pass afterward, that David's heart smote him, because he had cut off Saul's skirt.
Luther-Bibel . 6Aber danach schlug ihm sein Herz, dass er den Zipfel vom Rock Sauls abgeschnitten hatte,

Tekstuitleg van 1 S 24,6 .

1 S 24,6.1. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְהי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalwaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 .

1 S 24,6.2. אַחַרֵי = ´achäre(j) (achter, na) . Taalgebruik in Tenakh : ´achäre(j) (achter) . Getalwaarde : aleph = 1 , chet = 8 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 219 (3 X 73) . Structuur : 1 - 8 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (294) . Pentateuch (80) . Eerdere Profeten (134) . Latere Profeten (37) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (38) .

1 S 24,6.1. - 2. וַיְהי אַחַרֵי = wajëhî ´achäre(j) (en het zal zijn na...) . Tenakh (24) : (1) Gn 22,20 . (2) Gn 25,11 . (3) Gn 48,1 . (4) Nu 25,19 . (5) Joz 1,1 . (6) Joz 24,29 . (7) Re 1,1 . (8) Re 16,4 (9) 1 S 5,9 . (10) 1 S 24,6 . (11) 2 S 1,1 . (12) 2 S 2,1 . (13) 2 S 8,1 . (14) 2 S 10,1 . (15) 2 S 13,1 . (16) 2 S 17,21 . (17) 2 S 21,18 . (18) 1 K 13,23 . (19) 1 K 13,31 . (20) 2 K 6,24 . (21) 1 Kr 18,1 . (22) 1 Kr 19,1 . (23) 1 Kr 20,4 . (24) 2 Kr 25,14 . (25) Ez 17,23 .

1 S 24,6.2. - 3. אַחַרֵי כֵן = ´achäre(j) khen (achter zo, zo dan) . Tenakh (23) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (13) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (1) : Jl 3,1 . Geschriften (4) . Tenakh (23) : (1) Gn 6,4 . (2) Gn 41,31 . (3) Ex 11,1 . (4) Joz 10,26 . (5) Re 16,4 . (6) 1 S 9,13 . (7) 1 S 24,6 . (8) 1 S 24,9 . (9) 2 S 2,1 . (10) 2 S 8,1 . (11) 2 S 10,1 . (12) 2 S 13,1 . (13) 2 S 21,14 . (14) 2 S 21,18 . (15) 2 S 24,10 . (16) 2 K 6,24 . (17) 1 Kr 18,1 . (18) 1 Kr 19,1 . (19) 1 Kr 20,4 . (20) Job 3,1 . (21) Js 1,26 . (22) Jr 34,11 . (23) Jl 3,1 .

1 S 24,6.4. act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. וַיַּך= wajjakh (en hij sloeg) van het werkw. נָכַה = nâkhâh (slaan, treffen, verslaan, doden) . Taalgebruik in Tenakh : nâkhâh (slaan, treffen, verslaan, doden) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , kaph = 11 of 20 , he = 5 ; totaal : 30 (2 X 3 X 5) OF 75 (3 X 5²) . Structuur : 5 - 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (14) : (1) 1 S 5,6 . (2) 1 S 5,9 . (3) 1 S 6,19 . (4) 1 S 13,3 . (5) 1 S 14,48 . (6) 1 S 15,7 . (7) 1 S 17,49 . (8) 1 S 17,50 . (9) 1 S 18,27 . (10) 1 S 19,5 . (11) 1 S 19,8 . (12) 1 S 19,10 . (13) 1 S 23,5 . (14) 1 S 24,6 .

1 S 24,6.12. כָנָף = kânâph (dekkleed, grens, einde, slip-, zoom van een kleed) . Taalgebruik in Tenakh : kânâph (dekkleed, grens, einde, slip-, zoom van een kleed) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , nun = 14 of 50 , pe = 17 of 80 ; totaal : 42 OF 150 ; de som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (85) . 1 S (4) : (1) 1 S 15,27 . (2) 1 S 24,5 . (3) 1 S 24,6 . (4) 1 S 24,12 .

1 S 24,7 - 1 S 24,7 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [7] tegen zijn mannen: 'De heer behoede mij ervoor dat ik mij zou vergrijpen aan mijn heer, de gezalfde van de heer, dat ik de hand zou slaan aan hem die de gezalfde van de heer is.' [7] en hij zei tegen zijn mannen: 'De HEER verhoede dat ik mijn koning, Gods gezalfde, iets zou aandoen en mijn hand tegen hem zou opheffen. Hij is immers door de HEER zelf als koning aangewezen.'    

King James Bible . [6] And he said unto his men, The LORD forbid that I should do this thing unto my master, the LORD's anointed, to stretch forth mine hand against him, seeing he is the anointed of the LORD.
Luther-Bibel . 7und er sprach zu seinen Männern: Das lasse der HERR ferne von mir sein, dass ich das tun sollte und meine Hand legen an meinen Herrn, den Gesalbten des HERRN; denn er ist der Gesalbte des HERRN.

Tekstuitleg van 1 S 24,7 .

18. מָשִׁיחַ = mâsjîach (Messias , gezalfde) , in het Grieks χριστος = christos (Christus) . Zie : מָשַׁח = mâsjach (zalven) . Taalgebruik in Tenakh : mâsjach (zalven) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , sjin = 20 of 200 , chet = 8 ; totaal : 41 OF 248 (2³ X 31) . Structuur : 4 - 2 - 8 . DE som van de elementen is telkens 5 . m-sj-j-ch . Tenakh (11) : (1) 1 S 24,7 . (2) 1 S 24,11 . (3) 1 S 26,16 . (4) 2 S 1,14 . (5) 2 S 1,16 . (6) 2 S 1,21 . (7) 2 S 19,22 . (8) 2 S 23,1 . (9) Kl 4,20 . (10) Da 9,25 . (11) Da 9,26 .

1 S 24,8 - 1 S 24,8 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [8] Met deze woorden hield David zijn mannen in bedwang en liet niet toe dat zij zich op Saul wierpen. [8] Intussen was Saul opgestaan; hij verliet de spelonk om zijn weg te vervolgen. [8] Zo maande David zijn mannen tot kalmte en weerhield hij ze ervan om Saul te overvallen. Saul was opgestaan en weer naar buiten gegaan.    

King James Bible . [7] So David stayed his servants with these words, and suffered them not to rise against Saul. But Saul rose up out of the cave, and went on his way.
Luther-Bibel . 8Und David wies seine Männer von sich mit harten Worten und ließ sie sich nicht an Saul vergreifen. Als aber Saul sich aufmachte aus der Höhle und seines Weges ging,

Tekstuitleg van 1 S 24,8 .

1 S 24,9 - 1 S 24,9 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [9] Toen ging ook David de spelonk uit en riep Saul na: 'Mijn heer en koning!' Saul keek om en David boog zich tot op de grond om hem zijn hulde te betuigen. [9] Nu haastte ook David zich naar buiten en riep hem achterna: 'Mijn heer en koning!' Toen Saul omkeek, knielde David neer, boog diep voorover    

King James Bible . [8] David also arose afterward, and went out of the cave, and cried after Saul, saying, My lord the king. And when Saul looked behind him, David stooped with his face to the earth, and bowed himself.
Luther-Bibel . 9machte sich auch David auf ihm nach und ging aus der Höhle und rief Saul nach und sprach: Mein Herr und König! Saul sah sich um. Und David neigte sein Antlitz zur Erde und fiel nieder.

Tekstuitleg van 1 S 24,9 .

6. מִן = min (uit) . Taalgebruik in Tenakh : min (uit) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , nun = 14 of 50 ; totaal : 27 (3³) OF 90 (2 X 3² X 5) . Structuur : 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (645) . Pentateuch (195) . Eerdere Profeten (146) . Latere Profeten (62) . 12 Kleine Profeten (21) . Geschriften (221) . 1 S (14) : (1) 1 S 1,1 . (2) 1 S 2,20 . (3) 1 S 4,16 . (4) 1 S 7,11 . (5) 1 S 9,5 . (6) 1 S 11,5 . (7) 1 S 13,15 . (8) 1 S 14,11 . (9) 1 S 17,40 . (10) 1 S 17,50 . (11) 1 S 24,9 . (12) 1 S 28,9 . (13) 1 S 28,13 . (14) 1 S 30,19 .

1 S 24,10 - 1 S 24,10 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [10] Hij zei tegen Saul: 'Waarom luistert u toch naar de praatjes van de mensen, als zou David uw ongeluk willen? U ziet nu met uw eigen ogen dat de heer u in de spelonk aan mij had uitgeleverd. [10] en zei: 'Waarom schenkt u gehoor aan de mensen die beweren dat ik u kwaad wil doen?    

King James Bible . [9] And David said to Saul, Wherefore hearest thou men's words, saying, Behold, David seeketh thy hurt?
Luther-Bibel . 10Und David sprach zu Saul: Warum hörst du auf das Geschwätz der Menschen, die da sagen: David sucht dein Unglück?

Tekstuitleg van 1 S 24,10 .

1 S 24,11 - 1 S 24,11 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [11] Ze wilden u doden, maar ik heb u gespaard en gezegd: Ik vergrijp mij niet aan mijn heer, want hij is de gezalfde van de heer. [11] Vandaag hebt u aan den lijve kunnen ondervinden dat de HEER u in die spelonk aan mij had overgeleverd. Ze zeiden dat ik u moest vermoorden, maar ik was met u begaan en ik zei bij mezelf dat ik mijn hand niet tegen mijn heer moest opheffen, omdat u immers de gezalfde van de HEER bent.    

King James Bible . [10] Behold, this day thine eyes have seen how that the LORD had delivered thee to day into mine hand in the cave: and some bade me kill thee: but mine eye spared thee; and I said, I will not put forth mine hand against my lord; for he is the LORD's anointed.
Luther-Bibel . 11Siehe, heute haben deine Augen gesehen, dass dich der HERR in meine Hand gegeben hat in der Höhle, und man hat mir gesagt, dass ich dich töten sollte. Aber ich habe dich verschont; denn ich dachte: Ich will meine Hand nicht an meinen Herrn legen; denn er ist der Gesalbte des HERRN.

Tekstuitleg van 1 S 24,11 .

23. מָשִׁיחַ = mâsjîach (Messias , gezalfde) , in het Grieks χριστος = christos (Christus) . Zie : מָשַׁח = mâsjach (zalven) . Taalgebruik in Tenakh : mâsjach (zalven) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , sjin = 20 of 200 , chet = 8 ; totaal : 41 OF 248 (2³ X 31) . Structuur : 4 - 2 - 8 . DE som van de elementen is telkens 5 . m-sj-j-ch . Tenakh (11) : (1) 1 S 24,7 . (2) 1 S 24,11 . (3) 1 S 26,16 . (4) 2 S 1,14 . (5) 2 S 1,16 . (6) 2 S 1,21 . (7) 2 S 19,22 . (8) 2 S 23,1 . (9) Kl 4,20 . (10) Da 9,25 . (11) Da 9,26 .

1 S 24,12 - 1 S 24,12 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [12] Kijk, mijn vader, kijk naar de slip van uw mantel die ik in mijn hand heb. Dat ik de slip van uw mantel heb kunnen afsnijden en u niet heb gedood, moet voor u toch een duidelijk bewijs zijn dat ik geen boze of opstandige bedoelingen heb. Ik heb niets tegen u misdaan en toch hebt u het op mijn leven gemunt. [13] Laat de HEER beslissen wie van ons beiden in zijn recht staat en laat de HEER mij op u wreken; ik zal mijn hand niet tegen u opheffen.    

King James Bible . [11] Moreover, my father, see, yea, see the skirt of thy robe in my hand: for in that I cut off the skirt of thy robe and killed thee not, know thou and see that there is neither evil nor transgression in mine hand, and I have not sinned against thee; yet thou huntest my soul to take it.
Luther-Bibel . 12Mein Vater, sieh doch hier den Zipfel deines Rocks in meiner Hand! Dass ich den Zipfel von deinem Rock schnitt und dich nicht tötete, daran erkenne und sieh, dass meine Hände rein sind von Bosheit und Empörung. Ich habe mich nicht an dir versündigt; aber du jagst mir nach, um mir das Leben zu nehmen.

Tekstuitleg van 1 S 24,12 .

19. עַיִן = ´ajin (er is niet) . Stat. constr. עיֵן = ´e(j)n . Taalgebruik in Tenakh : ´ajin (er is niet) . Getalwaarde : aleph = 1 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 25 (5²) OF 61 (priemgetal) . Structuur : 1 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 7 . De getalwaarde van de letter ajin is 16 of 70 . Tenakh (362) . Pentateuch (74) . Eerdere Profeten (77) . Latere Profeten (63) . 12 Kleine Profeten (25) . Geschriften (123) . 1 S (18) . 1 S (18) : (1) 1 S 1,2 . (2) 1 S 2,2 . (3) 1 S 3,1 . (4) 1 S 9,7 . (5) 1 S 10,14 . (6) 1 S 10,24 . (7) 1 S 11,3 . (8) 1 S 14,6 . (9) 1 S 14,17 . (10) 1 S 17,50 . (11) 1 S 18,25 . (12) 1 S 20,2 . (13) 1 S 21,2 . (14) 1 S 21,5 . (15) 1 S 21,10 . (16) 1 S 24,12 . (17) 1 S 27,1 . (18) 1 S 30,4 .

1 S 24,13 - 1 S 24,13 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [13] De heer mag oordelen wie van ons beiden in zijn recht staat. De heer zal mij op u wreken, maar ik zal de hand niet tegen u opheffen.      

King James Bible . [12] The LORD judge between me and thee, and the LORD avenge me of thee: but mine hand shall not be upon thee.
Luther-Bibel . 13Der HERR wird Richter sein zwischen mir und dir und mich an dir rächen, aber meine Hand soll dich nicht anrühren;

Tekstuitleg van 1 S 24,13 .

1 S 24,14 - 1 S 24,14 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [14] Het oude spreekwoord zegt: "Van slechtheid gaat slechtheid uit." Ik zal de hand niet tegen u opheffen. [14] Zoals het oude spreekwoord luidt: Slechte mensen, slechte daden. Nee, ik zal mijn hand niet tegen u opheffen.    

King James Bible . [13] As saith the proverb of the ancients, Wickedness proceedeth from the wicked: but mine hand shall not be upon thee.
Luther-Bibel . 14wie man sagt nach dem alten Sprichwort: Von Bösen kommt Böses; aber meine Hand soll dich nicht anrühren.

Tekstuitleg van 1 S 24,14 .

1. כַאֲשֶׁר = ka´äsjèr (zoals) < prefix kë + אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) OF persoonsnaam אָשֶׁר = ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (488) . Pentateuch (202) . Eerdere Profeten (68) . Latere Profeten (68) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (56) . 1 S (19) : (1) 1 S 1,24 . (2) 1 S 2,16 . (3) 1 S 2,35 . (4) 1 S 4,9 . (5) 1 S 6,6 . (6) 1 S 8,1 . (7) 1 S 8,6 . (8) 1 S 12,8 . (9) 1 S 15,33 . (10) 1 S 17,20 . (11) 1 S 20,13 . (12) 1 S 23,11 . (13) 1 S 24,2 . (14) 1 S 24,5 . (15) 1 S 24,14 . (16) 1 S 26,20 . (17) 1 S 26,24 . (18) 1 S 28,17 . (19) 1 S 28,18 .

1 S 24,15 - 1 S 24,15 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [15] Tegen wie trekt de koning van Israël eigenlijk uit? Achter wie zit u eigenlijk aan? Het gaat toch maar om een dode hond, om een vlo! De heer zal rechter zijn en oordelen wie van ons beiden in zijn recht staat; [15] Tegen wie is de koning van Israël eigenlijk uitgerukt? Op wie maakt u jacht? Een dode hond, een nietige vlo!    

King James Bible . [14] After whom is the king of Israel come out? after whom dost thou pursue? after a dead dog, after a flea.
Luther-Bibel . 15Wem zieht der König von Israel nach? Wem jagst du nach? Einem toten Hund, einem einzelnen Floh!

Tekstuitleg van 1 S 24,15 .

15. אֶחָד = ´èchâd (één) . Taalgebruik in Tenakh : ´èchâd (één) . Getalwaarde : aleph = 1 , chet = 8 , daleth = 4 . Totaal : 13 . Structuur : 1 - 8 - 4 . De som van de elementen is telkens 4 . God is één of 13 . Tenakh (400) . Pentateuch (150) . Eerdere Profeten (111) . Latere Profeten (68) . 12 Kleine Profeten (12) . Geschriften (59) . 1 S (20) : (1) 1 S 1,1 . (2) 1 S 2,34 . (3) 1 S 6,17 . (4) 1 S 7,9 . (5) 1 S 9,3 . (6) 1 S 9,15 . (7) 1 S 10,3 . (8) 1 S 11,7 . (9) 1 S 13,17 . (10) 1 S 13,18 . (11) 1 S 14,40 . (12) 1 S 16,18 . (13) 1 S 16,20 . (14) 1 S 22,20 . (15) 1 S 24,15 . (16) 1 S 25,14 . (17) 1 S 26,15 . (18) 1 S 26,20 . (19) 1 S 26,22 . (20) 1 S 27,1 .

1 S 24,16 - 1 S 24,16 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [16] Hij zal toezien, mijn zaak verdedigen en mijn recht halen bij u.' [16] De HEER zal uitspraak doen en beslissen wie van ons beiden in zijn recht staat. Hij zal mijn zaak onderzoeken en verdedigen en mij recht verschaffen tegenover u.'    

King James Bible . [15] The LORD therefore be judge, and judge between me and thee, and see, and plead my cause, and deliver me out of thine hand.
Luther-Bibel . 16Der HERR sei Richter und richte zwischen mir und dir und sehe darein und führe meine Sache, dass er mir Recht schaffe wider dich!

Tekstuitleg van 1 S 24,16 .

1. - 2. wëhâjâh JHWH (en JHWH was) . Tenakh (6) : (1) Gn 28,1 . (2) Re 2,18 . (3) 1 S 24,16 . (4) 2 K 18,7 . (5) Jr 17,7 . (6) Zach 14,9 .

1 S 24,17 - 1 S 24,17 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [17] Toen David dit gezegd had, riep Saul: 'Is dat jouw stem, mijn zoon David?' En Saul begon luid te wenen. [17] Nadat David was uitgesproken, vroeg Saul: 'Is het jouw stem die ik daar hoor, David, mijn zoon?' Toen barstte hij in tranen uit    

King James Bible . [16] And it came to pass, when David had made an end of speaking these words unto Saul, that Saul said, Is this thy voice, my son David? And Saul lifted up his voice, and wept.
Luther-Bibel . 17Als nun David diese Worte zu Saul geredet hatte, sprach Saul: Ist das nicht deine Stimme, mein Sohn David? Und Saul erhob seine Stimme und weinte

Tekstuitleg van 1 S 24,17 .

1. - 2. wajëhî këkhallôth (en het was zo te eindigen, zodra hij eindigde) . Tenakh (8) : (1) Dt 31,24 . (2) Joz 8,24 . (3) Joz 10,20 . (4) 1 S 24,17 . (5) 1 K 8,54 . (6) 1 K 9,1 . (7) Jr 26,8 . (8) Jr 43,1 .

1 S 24,18 - 1 S 24,18 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [18] En hij zei tegen David: 'Jij bent rechtschapen, ik niet, want terwijl ik jou kwaad doe, behandel jij mij goed. [18] en zei: 'Jij staat meer in je recht dan ik, want jij hebt kwaad met goed vergolden.    

King James Bible . [17] And he said to David, Thou art more righteous than I: for thou hast rewarded me good, whereas I have rewarded thee evil.
Luther-Bibel . 18und sprach zu David: Du bist gerechter als ich, du hast mir Gutes erwiesen; ich aber habe dir Böses erwiesen.

Tekstuitleg van 1 S 24,18 .

1 S 24,19 - 1 S 24,19 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [19] Vandaag heb je laten zien dat je goede bedoelingen met me hebt. De heer had mij aan jou uitgeleverd en toch heb je me niet gedood. [19] Je hebt zojuist getoond dat je het goed met me voorhebt: de HEER had me aan jou uitgeleverd, en toch heb je me niet gedood.    

King James Bible . [18] And thou hast shewed this day how that thou hast dealt well with me: forasmuch as when the LORD had delivered me into thine hand, thou killedst me not.
Luther-Bibel . 19Und du hast mir heute gezeigt, wie du Gutes an mir getan hast, als mich der HERR in deine Hände gegeben hatte und du mich doch nicht getötet hast.

Tekstuitleg van 1 S 24,19 .

1 S 24,20 - 1 S 24,20 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [20] Wie laat ooit zijn vijand gaan als hij hem in handen krijgt? De heer zal je belonen voor wat je vandaag voor mij gedaan hebt. [20] Wie laat ooit zijn vijand gaan als hij hem op zijn weg vindt? Moge de HEER je belonen voor wat je vandaag voor mij hebt gedaan.    

King James Bible . [19] For if a man find his enemy, will he let him go well away? wherefore the LORD reward thee good for that thou hast done unto me this day.
Luther-Bibel . 20Wo ist jemand, der seinen Feind findet und lässt ihn mit Frieden seinen Weg gehen? Der HERR vergelte dir Gutes für das, was du heute an mir getan hast!

Tekstuitleg van 1 S 24,20 .

1 S 24,21 - 1 S 24,21 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [21] Nu weet ik dat jij koning wordt en dat de koninklijke macht over Israël in jouw handen zal blijven. [21] Nu weet ik zeker dat jij koning zult worden en dat je het koningschap van Israël vast in handen zult houden.    

King James Bible . [20] And now, behold, I know well that thou shalt surely be king, and that the kingdom of Israel shall be established in thine hand.
Luther-Bibel . 21Nun siehe, ich weiß, dass du König werden wirst und das Königtum über Israel durch deine Hand Bestand haben wird.

Tekstuitleg van 1 S 24,21 .

1 S 24,22 - 1 S 24,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [22] Zweer mij nu bij de heer dat je mijn nageslacht niet zult uitroeien en mijn naam niet laat verdwijnen uit het huis van mijn vader.' [22] Maar zweer me bij de HEER dat je mijn nakomelingen niet zult uitroeien, zodat mijn naam binnen de familie behouden blijft.'    

King James Bible . [21] Swear now therefore unto me by the LORD, that thou wilt not cut off my seed after me, and that thou wilt not destroy my name out of my father's house.
Luther-Bibel . 22So schwöre mir nun bei dem HERRN, dass du mein Geschlecht nach mir nicht ausrotten und meinen Namen nicht austilgen wirst aus meines Vaters Hause.

Tekstuitleg van 1 S 24,22 .

1 S 24,23 - 1 S 24,23 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [23] David zwoer de eed die Saul van hem vroeg. Toen ging Saul naar huis; David en zijn mannen trokken zich terug in hun schuilplaats. [23] David zwoer wat Saul van hem vroeg. Toen ging Saul terug naar huis en David en zijn mannen trokken weer de bergen in.    

King James Bible . [22] And David sware unto Saul. And Saul went home; but David and his men gat them up unto the hold.
Luther-Bibel . 23Und David schwor es Saul. Da zog Saul heim. David aber mit seinen Männern zog hinauf auf die Bergfeste.

Tekstuitleg van 1 S 24,23 .


- Hebreeuwse tekst OF modern Hebreeuws NT


- Targum Onkelos


- Griekse tekst - Septuaginta


- Aramees - Peshitta


- Vulgata


- Statenvertaling


- Willibrordvertaling

David spaart Sauls leven [1] David ging weg van daar en verbleef op moeilijk toegankelijke plaatsen bij Engedi. [2] Toen Saul van zijn veldtocht tegen de Filistijnen terugkwam, werd hem verteld: 'David zit in de woestijn van Engedi.' [3] Nu koos Saul drieduizend uitgelezen manschappen uit heel Israël en hij ging op zoek naar David en zijn mannen, ten oosten van de Steenbokrotsen. [4] Op zijn weg kwam hij bij de schaapskooien. Daar is een spelonk en Saul ging die binnen om zijn behoefte te doen. Maar achter in die spelonk zat David met zijn mannen! [5] De mannen zeiden tegen David: 'Dit is het ogenblik dat de heer bedoelde toen Hij u zei: "Ik lever uw vijand aan u over." Doe met hem wat u wilt.' Toen stond David op en zonder dat Saul iets merkte sneed hij een slip van zijn mantel af. [6] Daarna zei David, van wie het hart al bonsde omdat hij de slip van Sauls mantel had afgesneden, [7] tegen zijn mannen: 'De heer behoede mij ervoor dat ik mij zou vergrijpen aan mijn heer, de gezalfde van de heer, dat ik de hand zou slaan aan hem die de gezalfde van de heer is.' [8] Met deze woorden hield David zijn mannen in bedwang en liet niet toe dat zij zich op Saul wierpen. [8] Intussen was Saul opgestaan; hij verliet de spelonk om zijn weg te vervolgen. [9] Toen ging ook David de spelonk uit en riep Saul na: 'Mijn heer en koning!' Saul keek om en David boog zich tot op de grond om hem zijn hulde te betuigen. [10] Hij zei tegen Saul: 'Waarom luistert u toch naar de praatjes van de mensen, als zou David uw ongeluk willen? U ziet nu met uw eigen ogen dat de heer u in de spelonk aan mij had uitgeleverd. [11] Ze wilden u doden, maar ik heb u gespaard en gezegd: Ik vergrijp mij niet aan mijn heer, want hij is de gezalfde van de heer. [12] Kijk, mijn vader, kijk naar de slip van uw mantel die ik in mijn hand heb. Dat ik de slip van uw mantel heb kunnen afsnijden en u niet heb gedood, moet voor u toch een duidelijk bewijs zijn dat ik geen boze of opstandige bedoelingen heb. Ik heb niets tegen u misdaan en toch hebt u het op mijn leven gemunt. [13] De heer mag oordelen wie van ons beiden in zijn recht staat. De heer zal mij op u wreken, maar ik zal de hand niet tegen u opheffen. [14] Het oude spreekwoord zegt: "Van slechtheid gaat slechtheid uit." Ik zal de hand niet tegen u opheffen. [15] Tegen wie trekt de koning van Israël eigenlijk uit? Achter wie zit u eigenlijk aan? Het gaat toch maar om een dode hond, om een vlo! De heer zal rechter zijn en oordelen wie van ons beiden in zijn recht staat; [16] Hij zal toezien, mijn zaak verdedigen en mijn recht halen bij u.' [17] Toen David dit gezegd had, riep Saul: 'Is dat jouw stem, mijn zoon David?' En Saul begon luid te wenen. [18] En hij zei tegen David: 'Jij bent rechtschapen, ik niet, want terwijl ik jou kwaad doe, behandel jij mij goed. [19] Vandaag heb je laten zien dat je goede bedoelingen met me hebt. De heer had mij aan jou uitgeleverd en toch heb je me niet gedood. [20] Wie laat ooit zijn vijand gaan als hij hem in handen krijgt? De heer zal je belonen voor wat je vandaag voor mij gedaan hebt. [21] Nu weet ik dat jij koning wordt en dat de koninklijke macht over Israël in jouw handen zal blijven. [22] Zweer mij nu bij de heer dat je mijn nageslacht niet zult uitroeien en mijn naam niet laat verdwijnen uit het huis van mijn vader.' [23] David zwoer de eed die Saul van hem vroeg. Toen ging Saul naar huis; David en zijn mannen trokken zich terug in hun schuilplaats.


- De Nieuwe Bijbelvertaling

David spaart Sauls leven bij Engedi [1] David trok zich met zijn mannen terug in de rotsholen in de buurt van Engedi. [2] Toen Saul bij terugkeer van zijn veldtocht tegen de Filistijnen hoorde dat David zich in de woestijn bij Engedi bevond, [3] koos hij drieduizend van de beste mannen van Israël uit en ging met hen in het rotsachtige gebied waar de steenbokken leven, op zoek naar David en zijn mannen. [4] Onderweg kwam hij langs een spelonk die door een muurtje was afgeschermd. Daar ging hij naar binnen en hurkte neer om zijn behoefte te doen. En juist achter in die spelonk hadden David en zijn mannen zich verstopt. [5] Davids mannen zeiden tegen hem: 'Dit is je kans! Dit is het moment waar de HEER op doelde toen hij zei: "Ik zal je vijand aan je uitleveren; je kunt met hem doen wat je goeddunkt."' David stond op en sneed stilletjes een reep van Sauls mantel af. [6] Zijn hart bonsde ervan, [7] en hij zei tegen zijn mannen: 'De HEER verhoede dat ik mijn koning, Gods gezalfde, iets zou aandoen en mijn hand tegen hem zou opheffen. Hij is immers door de HEER zelf als koning aangewezen.' [8] Zo maande David zijn mannen tot kalmte en weerhield hij ze ervan om Saul te overvallen. Saul was opgestaan en weer naar buiten gegaan. [9] Nu haastte ook David zich naar buiten en riep hem achterna: 'Mijn heer en koning!' Toen Saul omkeek, knielde David neer, boog diep voorover [10] en zei: 'Waarom schenkt u gehoor aan de mensen die beweren dat ik u kwaad wil doen? [11] Vandaag hebt u aan den lijve kunnen ondervinden dat de HEER u in die spelonk aan mij had overgeleverd. Ze zeiden dat ik u moest vermoorden, maar ik was met u begaan en ik zei bij mezelf dat ik mijn hand niet tegen mijn heer moest opheffen, omdat u immers de gezalfde van de HEER bent. [12] Kijk zelf maar, vader, hier heb ik een stuk van uw mantel; ik heb een reep van uw mantel afgesneden, maar ik heb u niet vermoord. Ziet u wel dat ik niets kwaads of verkeerds tegen u in de zin heb? Ik heb u niets misdaan, maar u jaagt me op en staat me naar het leven. [13] Laat de HEER beslissen wie van ons beiden in zijn recht staat en laat de HEER mij op u wreken; ik zal mijn hand niet tegen u opheffen. [14] Zoals het oude spreekwoord luidt: Slechte mensen, slechte daden. Nee, ik zal mijn hand niet tegen u opheffen. [15] Tegen wie is de koning van Israël eigenlijk uitgerukt? Op wie maakt u jacht? Een dode hond, een nietige vlo! [16] De HEER zal uitspraak doen en beslissen wie van ons beiden in zijn recht staat. Hij zal mijn zaak onderzoeken en verdedigen en mij recht verschaffen tegenover u.' [17] Nadat David was uitgesproken, vroeg Saul: 'Is het jouw stem die ik daar hoor, David, mijn zoon?' Toen barstte hij in tranen uit [18] en zei: 'Jij staat meer in je recht dan ik, want jij hebt kwaad met goed vergolden. [19] Je hebt zojuist getoond dat je het goed met me voorhebt: de HEER had me aan jou uitgeleverd, en toch heb je me niet gedood. [20] Wie laat ooit zijn vijand gaan als hij hem op zijn weg vindt? Moge de HEER je belonen voor wat je vandaag voor mij hebt gedaan. [21] Nu weet ik zeker dat jij koning zult worden en dat je het koningschap van Israël vast in handen zult houden. [22] Maar zweer me bij de HEER dat je mijn nakomelingen niet zult uitroeien, zodat mijn naam binnen de familie behouden blijft.' [23] David zwoer wat Saul van hem vroeg. Toen ging Saul terug naar huis en David en zijn mannen trokken weer de bergen in.


- De Naardense bijbel


- Bible de Jérusalem


- King James Bible

[1] And it came to pass, when Saul was returned from following the Philistines, that it was told him, saying, Behold, David is in the wilderness of En-gedi. [2] Then Saul took three thousand chosen men out of all Israel, and went to seek David and his men upon the rocks of the wild goats. [3] And he came to the sheepcotes by the way, where was a cave; and Saul went in to cover his feet: and David and his men remained in the sides of the cave. [4] And the men of David said unto him, Behold the day of which the LORD said unto thee, Behold, I will deliver thine enemy into thine hand, that thou mayest do to him as it shall seem good unto thee. Then David arose, and cut off the skirt of Saul's robe privily. [5] And it came to pass afterward, that David's heart smote him, because he had cut off Saul's skirt. [6] And he said unto his men, The LORD forbid that I should do this thing unto my master, the LORD's anointed, to stretch forth mine hand against him, seeing he is the anointed of the LORD. [7] So David stayed his servants with these words, and suffered them not to rise against Saul. But Saul rose up out of the cave, and went on his way. [8] David also arose afterward, and went out of the cave, and cried after Saul, saying, My lord the king. And when Saul looked behind him, David stooped with his face to the earth, and bowed himself. [9] And David said to Saul, Wherefore hearest thou men's words, saying, Behold, David seeketh thy hurt? [10] Behold, this day thine eyes have seen how that the LORD had delivered thee to day into mine hand in the cave: and some bade me kill thee: but mine eye spared thee; and I said, I will not put forth mine hand against my lord; for he is the LORD's anointed. [11] Moreover, my father, see, yea, see the skirt of thy robe in my hand: for in that I cut off the skirt of thy robe and killed thee not, know thou and see that there is neither evil nor transgression in mine hand, and I have not sinned against thee; yet thou huntest my soul to take it. [12] The LORD judge between me and thee, and the LORD avenge me of thee: but mine hand shall not be upon thee. [13] As saith the proverb of the ancients, Wickedness proceedeth from the wicked: but mine hand shall not be upon thee. [14] After whom is the king of Israel come out? after whom dost thou pursue? after a dead dog, after a flea. [15] The LORD therefore be judge, and judge between me and thee, and see, and plead my cause, and deliver me out of thine hand. [16] And it came to pass, when David had made an end of speaking these words unto Saul, that Saul said, Is this thy voice, my son David? And Saul lifted up his voice, and wept. [17] And he said to David, Thou art more righteous than I: for thou hast rewarded me good, whereas I have rewarded thee evil. [18] And thou hast shewed this day how that thou hast dealt well with me: forasmuch as when the LORD had delivered me into thine hand, thou killedst me not. [19] For if a man find his enemy, will he let him go well away? wherefore the LORD reward thee good for that thou hast done unto me this day. [20] And now, behold, I know well that thou shalt surely be king, and that the kingdom of Israel shall be established in thine hand. [21] Swear now therefore unto me by the LORD, that thou wilt not cut off my seed after me, and that thou wilt not destroy my name out of my father's house. [22] And David sware unto Saul. And Saul went home; but David and his men gat them up unto the hold.


- Luther Bibel

1Und David zog von dort hinauf und blieb in den Bergfesten bei En-Gedi. 2Als nun Saul zurückkam von der Verfolgung der Philister, wurde ihm gesagt: Siehe, David ist in der Wüste En-Gedi. 3Und Saul nahm dreitausend auserlesene Männer aus ganz Israel und zog hin, David samt seinen Männern zu suchen, in Richtung auf die Steinbockfelsen. 4Und als er kam zu den Schafhürden am Wege, war dort eine Höhle und Saul ging hinein, um seine Füße zu decken. David aber und seine Männer saßen hinten in der Höhle. 5Da sprachen die Männer Davids zu ihm: Siehe, das ist der Tag, von dem der HERR zu dir gesagt hat: Siehe, ich will deinen Feind in deine Hände geben, dass du mit ihm tust, was dir gefällt. Und David stand auf und schnitt leise einen Zipfel vom Rock Sauls. 6Aber danach schlug ihm sein Herz, dass er den Zipfel vom Rock Sauls abgeschnitten hatte, 7und er sprach zu seinen Männern: Das lasse der HERR ferne von mir sein, dass ich das tun sollte und meine Hand legen an meinen Herrn, den Gesalbten des HERRN; denn er ist der Gesalbte des HERRN. 8Und David wies seine Männer von sich mit harten Worten und ließ sie sich nicht an Saul vergreifen. Als aber Saul sich aufmachte aus der Höhle und seines Weges ging, 9machte sich auch David auf ihm nach und ging aus der Höhle und rief Saul nach und sprach: Mein Herr und König! Saul sah sich um. Und David neigte sein Antlitz zur Erde und fiel nieder. 10Und David sprach zu Saul: Warum hörst du auf das Geschwätz der Menschen, die da sagen: David sucht dein Unglück? 11Siehe, heute haben deine Augen gesehen, dass dich der HERR in meine Hand gegeben hat in der Höhle, und man hat mir gesagt, dass ich dich töten sollte. Aber ich habe dich verschont; denn ich dachte: Ich will meine Hand nicht an meinen Herrn legen; denn er ist der Gesalbte des HERRN. 12Mein Vater, sieh doch hier den Zipfel deines Rocks in meiner Hand! Dass ich den Zipfel von deinem Rock schnitt und dich nicht tötete, daran erkenne und sieh, dass meine Hände rein sind von Bosheit und Empörung. Ich habe mich nicht an dir versündigt; aber du jagst mir nach, um mir das Leben zu nehmen. 13Der HERR wird Richter sein zwischen mir und dir und mich an dir rächen, aber meine Hand soll dich nicht anrühren; 14wie man sagt nach dem alten Sprichwort: Von Bösen kommt Böses; aber meine Hand soll dich nicht anrühren. 15Wem zieht der König von Israel nach? Wem jagst du nach? Einem toten Hund, einem einzelnen Floh! 16Der HERR sei Richter und richte zwischen mir und dir und sehe darein und führe meine Sache, dass er mir Recht schaffe wider dich! 17Als nun David diese Worte zu Saul geredet hatte, sprach Saul: Ist das nicht deine Stimme, mein Sohn David? Und Saul erhob seine Stimme und weinte 18und sprach zu David: Du bist gerechter als ich, du hast mir Gutes erwiesen; ich aber habe dir Böses erwiesen. 19Und du hast mir heute gezeigt, wie du Gutes an mir getan hast, als mich der HERR in deine Hände gegeben hatte und du mich doch nicht getötet hast. 20Wo ist jemand, der seinen Feind findet und lässt ihn mit Frieden seinen Weg gehen? Der HERR vergelte dir Gutes für das, was du heute an mir getan hast! 21Nun siehe, ich weiß, dass du König werden wirst und das Königtum über Israel durch deine Hand Bestand haben wird. 22So schwöre mir nun bei dem HERRN, dass du mein Geschlecht nach mir nicht ausrotten und meinen Namen nicht austilgen wirst aus meines Vaters Hause. 23Und David schwor es Saul. Da zog Saul heim. David aber mit seinen Männern zog hinauf auf die Bergfeste.


- Arabisch


- Structuur


- Taalgebruik

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- Commentaar