- WEBSITEWEGWIJZER - 2 KONINGEN 4 - 2 K 4 -- Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- 2 K (2 Koningen) -- 2 K 4 -
- 2 K 4,8-37 : Elisa en de Sunnamitische - 2 K 4,42-44 : De broodvermenigvuldiging -

Overzicht van 2 Koningen : - 2 K 1 - 2 K 2 - 2 K 3 - 2 K 4 - 2 K 5 - 2 K 6 - 2 K 7 - 2 K 8 - 2 K 9 - 2 K 10 - 2 K 11 - 2 K 12 - 2 K 13 - 2 K 14 - 2 K 15 - 2 K 16 - 2 K 17 - 2 K 18 - 2 K 19 - 2 K 20 - 2 K 21 - 2 K 22 - 2 K 23 - 2 K 24 - 2 K 25 -
2 K 4,1 - 2 K 4,2 - 2 K 4,3 - 2 K 4,4 - 2 K 4,5 - 2 K 4,6 - 2 K 4,7 - 2 K 4,8 - 2 K 4,9 - 2 K 4,10 - 2 K 4,11 - 2 K 4,12 - 2 K 4,13 - 2 K 4,14 - 2 K 4,15 - 2 K 4,16 - 2 K 4,17 - 2 K 4,18 - 2 K 4,19 - 2 K 4,20 - 2 K 4,21 - 2 K 4,22 - 2 K 4,23 - 2 K 4,24 - 2 K 4,25 - 2 K 4,26 - 2 K 4,27 - 2 K 4,28 - 2 K 4,29 - 2 K 4,30 - 2 K 4,31 - 2 K 4,32 - 2 K 4,33 - 2 K 4,34 - 2 K 4,35 - 2 K 4,36 - 2 K 4,37 - 2 K 4,38 - 2 K 4,39 - 2 K 4,40 - 2 K 4,41 - 2 K 4,42 - 2 K 4,43 - 2 K 4,44 .


ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 

- Hebreeuws OF modern Hebreeuws (NT) : http://www.mechon-mamre.org/p/pt/pt09b04.htm . http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Hebreeuws OF modern Hebreeuws (NT) .
- Targum Onkelos : http://www.mechon-mamre.org/i/t/t09b04.htm . Targum Onkelos .
- Griekse tekst - Septuaginta : http://www.myriobiblos.gr/bible/ot/chapter.asp?book=12&page=4 . Griekse tekst - Septuaginta .
- Vulgata : http://www.intratext.com/IXT/LAT0001/_P8P.HTM . Vulgata .
- Statenvertaling : http://www.statenvertaling.net/bijbel/2kon/4.html . Statenvertaling .
- Willibrordvertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/?p=page&i=12372,12415 . Willibrordvertaling .
- De Nieuwe Vertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/?p=page&i=12372,12415 . De Nieuwe Vertaling .
- De Naardense bijbel : http://naardensebijbel.nl/zoek.php . De Naardense bijbel .
- Bible de Jérusalem : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Bible de Jérusalem .
- King James Bible : http://quod.lib.umich.edu/cgi/k/kjv/kjv-idx?type=DIV1&byte=1531400 . King James Bible .
- Luther Bibel : http://www.die-bibel.de/online-bibeln/luther-bibel-1984/bibeltext/bibelstelle/2%20K%C3%B6nige%204/bibel/text/lesen/ch/f10026a321a20d3193420a42d804b8f2/ . Luther Bibel .
- Arabisch :http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Arabisch .


- 2 K 4,1-7 : De kruik met olie
- 2 K 4,8-37 : Elisa en de Sunnamitische
- 2 K 4,38-41 : De dood in de pot
- 2 K 4,42-44 : De broodvermenigvuldiging


2 K 4,1 - 2 K 4,1 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,1 .

2 K 4,2 - 2 K 4,2 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,2 .

2 K 4,3 - 2 K 4,3 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,3 .

2 K 4,4 - 2 K 4,4 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,4 .

2 K 4,5 - 2 K 4,5 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,5 .

2 K 4,6 - 2 K 4,6 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
heôs eplèsthèsan    wajëhî  kimëlo´th          

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstanalyse van 2 K 4,6

1. 2. wajëhî  kimëlo´th (en het gebeurde tijdens het vullen van de vaten) . LXX : heôs eplèsthèsan (totdat zij waren gevuld) . Passief aorist derde persoon meervoud . De Hebreeuwse tekst van 2 K 4,6 benadert de tekst van Lc 1,23 (kai egeneto hôs eplèsthèsan hai hèmerai tès leitourgias autou = en het gebeurde zodra de dagen van zijn dienst) .

2 K 4,7 - 2 K 4,7 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,7 .

2 K 4,8-37 : Elisa en de Sunnamitische - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- 2 K (2 Koningen) -- 2 K 4,8-37 -- 2 K 4,8 - 2 K 4,9 - 2 K 4,10 - 2 K 4,11 - 2 K 4,12 - 2 K 4,13 - 2 K 4,14 - 2 K 4,15 - 2 K 4,16 - 2 K 4,17 - 2 K 4,18 - 2 K 4,19 - 2 K 4,20 - 2 K 4,21 - 2 K 4,22 - 2 K 4,23 - 2 K 4,24 - 2 K 4,25 - 2 K 4,26 - 2 K 4,27 - 2 K 4,28 - 2 K 4,29 - 2 K 4,30 - 2 K 4,31 - 2 K 4,32 - 2 K 4,33 - 2 K 4,34 - 2 K 4,35 - 2 K 4,36 - 2 K 4,37 -

2 K 4,8 - 2 K 4,8 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,8 .

2 K 4,9 - 2 K 4,9 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,9 .

2 K 4,10 - 2 K 4,10 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,10 .

2 K 4,11 - 2 K 4,11 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,11 .

2 K 4,12 - 2 K 4,12 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,12 .

2 K 4,13 - 2 K 4,13 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,13 .

2 K 4,14 - 2 K 4,14 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,14 .

2 K 4,15 - 2 K 4,15 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,15 .

2 K 4,16 - 2 K 4,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,16 .

2 K 4,17 - 2 K 4,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,17 .

2 K 4,18 - 2 K 4,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,18 .

2 K 4,19 - 2 K 4,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,19 .

2 K 4,20 - 2 K 4,20 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,20 .

2 K 4,21 - 2 K 4,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,21 .

2 K 4,22 - 2 K 4,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,22 .

2 K 4,23 - 2 K 4,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,23 .

2 K 4,24 - 2 K 4,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,24 .

2 K 4,25 - 2 K 4,25 : Elisa en de Sunnamitische - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- 2 K (2 Koningen) -- 2 K 4,8-37 -- 2 K 4,8 - 2 K 4,9 - 2 K 4,10 - 2 K 4,11 - 2 K 4,12 - 2 K 4,13 - 2 K 4,14 - 2 K 4,15 - 2 K 4,16 - 2 K 4,17 - 2 K 4,18 - 2 K 4,19 - 2 K 4,20 - 2 K 4,21 - 2 K 4,22 - 2 K 4,23 - 2 K 4,24 - 2 K 4,25 - 2 K 4,26 - 2 K 4,27 - 2 K 4,28 - 2 K 4,29 - 2 K 4,30 - 2 K 4,31 - 2 K 4,32 - 2 K 4,33 - 2 K 4,34 - 2 K 4,35 - 2 K 4,36 - 2 K 4,37 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,25 .

´èl har (naar de berg van) . Verwijzing : horos (berg) , zie Mt 4,8 . In twintig verzen in de bijbel : (1) Ex 3,1 . (2) Ex 19,23 . (3) Ex 24,13 . (4) Ex 34,2 . (5) Ex 34,4 . (6) Nu 27,12 . (7) Dt 32,49 . (8) Dt 34,1 . (9) Joz 15,10 . (10) 1 K 18,19 . (11) 1 K 18,20 . (12) 2 K 2,25 . (13) 2 K 4,25 . (14) Ps 43,3 . (15) Hl 4,6 . (16) Js 2,3 . (17) Js 16,1 . (18) Js 56,7 . (19) Ez 40,2 . (20) Mi 4,2 .

2 K 4,26 - 2 K 4,26 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,26 .

2 K 4,27 - 2 K 4,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,27 .

2 K 4,28 - 2 K 4,28 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,28 .

2 K 4,29 - 2 K 4,29 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van 2 K 4,29 .

2 K 4,30 - 2 K 4,30 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
30kai eipen è mètèr tou paidariou zè kurios kai zè è psuchè sou ei egkataleipsô se kai anestè elisaie kai eporeuthè opisô autès  30 porro mater pueri ait vivit Dominus et vivit anima tua non dimittam te surrexit ergo et secutus est eam   30 Doch de moeder van den jongen zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Hij stond dan op, en volgde haar na.       30. Mais la mère de l'enfant dit : «Aussi vrai que Yahvé est vivant et que tu vis toi-même, je ne te quitterai pas!» Alors il se leva et la suivit.

King James Bible .
Luther-Bibel . 30Aber die Mutter des Knaben sprach: So wahr der HERR lebt und so wahr du lebst: Ich lasse nicht von dir! Da machte er sich auf und ging ihr nach.

Tekstuitleg van 2 K 4,30 .

2 K 4,31 - 2 K 4,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
31 kai giezi dièlthen emprosthen autès kai epethèken tèn baktèrian epi prosôpon tou paidariou kai ouk èn fônè kai ouk èn akroasis kai epestrepsen eis apantèn autou kai apèggeilen autô legôn ouk ègerthè to paidarion  31 Giezi autem praecesserat eos et posuerat baculum super faciem pueri et non erat vox neque sensus reversusque est in occursum eius et nuntiavit ei dicens non surrexit puer   31 Gehazi nu was voor hun aangezicht doorgegaan; en hij leide den staf op het aangezicht van den jongen; doch er was geen stem, noch opmerking. Zo keerde hij weder hem tegemoet, en bracht hem boodschap, zeggende: De jongen is niet ontwaakt.       31. Géhazi les avait précédés et il avait étendu le bâton au-dessus de l'enfant, mais il n'y eut ni voix ni réaction. Il revint au-devant d'Elisée et lui rapporta ceci : «L'enfant ne s'est pas réveillé.»

King James Bible . [31] And Gehazi passed on before them, and laid the staff upon the face of the child; but there was neither voice, nor hearing. Wherefore he went again to meet him, and told him, saying, The child is not awaked.
Luther-Bibel . 31Gehasi aber ging vor ihnen hin und legte den Stab dem Knaben aufs Antlitz: da war aber keine Stimme und kein Empfinden. Und er ging zurück Elisa entgegen und sagte ihm: Der Knabe ist nicht aufgewacht.

Tekstuitleg van 2 K 4,31 .

2 K 4,32 - 2 K 4,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
32 kai eisèlthen elisaie eis ton oikon kai idou to paidarion tethnèkos kekoimismenon epi tèn klinèn autou  32 ingressus est ergo Heliseus domum et ecce puer mortuus iacebat in lectulo eius   32 En toen Elisa in het huis kwam, ziet, zo was de jongen dood, zijnde gelegd op zijn bed.       32. Elisée arriva à la maison; là était l'enfant, mort et couché sur son propre lit.

King James Bible . [32] And when Elisha was come into the house, behold, the child was dead, and laid upon his bed.
Luther-Bibel . 32Und als Elisa ins Haus kam, siehe, da lag der Knabe tot auf seinem Bett.

Tekstuitleg van 2 K 4,32 .

2 K 4,33 - 2 K 4,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
33 kai eisèlthen elisaie eis ton oikon kai apekleisen tèn thuran kata tôn duo eautôn kai prosèuxato pros kurion  33 ingressusque clusit ostium super se et puerum et oravit ad Dominum   33 Zo ging hij in, en sloot de deur voor hen beiden toe, en bad tot den HEERE.       33. Il entra, ferma la porte sur eux deux et pria Yahvé.

King James Bible . [33] He went in therefore, and shut the door upon them twain, and prayed unto the LORD.
Luther-Bibel . 33Und er ging hinein und schloss die Tür hinter sich zu und betete zu dem HERRN

Tekstuitleg van 2 K 4,33 .

2 K 4,34 - 2 K 4,34 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
34 kai anebè kai ekoimèthè epi to paidarion kai ethèken to stoma autou epi to stoma autou kai tous ofthalmous autou epi tous ofthalmous autou kai tas cheiras autou epi tas cheiras autou kai diekampsen ep' auton kai diethermanthè è sarx tou paidariou  34 et ascendit et incubuit super puerum posuitque os suum super os eius et oculos suos super oculos eius et manus suas super manus eius et incurvavit se super eum et calefacta est caro pueri   34 En hij klom op, en leide zich neder op het kind, en leggende zijn mond op deszelfs mond, en zijn ogen op zijn ogen, en zijn handen op zijn handen, breidde zich over hem uit. En het vlees des kinds werd warm.       34. Puis il monta sur le lit, s'étendit sur l'enfant, mit sa bouche contre sa bouche, ses yeux contre ses yeux, ses mains contre ses mains, il se replia sur lui et la chair de l'enfant se réchauffa.

King James Bible . [34] And he went up, and lay upon the child, and put his mouth upon his mouth, and his eyes upon his eyes, and his hands upon his hands: and he stretched himself upon the child; and the flesh of the child waxed warm.
Luther-Bibel . 34und stieg aufs Bett und legte sich auf das Kind und legte seinen Mund auf des Kindes Mund und seine Augen auf dessen Augen und seine Hände auf dessen Hände und breitete sich so über ihn; da wurde des Kindes Leib warm.

Tekstuitleg van 2 K 4,34 .

2 K 4,35 - 2 K 4,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
35 kai epestrepsen kai eporeuthè en tè oikia enthen kai enthen kai anebè kai sunekampsen epi to paidarion eôs eptakis kai ènoixen to paidarion tous ofthalmous autou 35 at ille reversus deambulavit in domo semel huc et illuc et ascendit et incubuit super eum et oscitavit puer septies aperuitque oculos   35 Daarna kwam hij weder, en wandelde in het huis eens herwaarts, en eens derwaarts, en klom weder op, en breidde zich over hem uit; en de jongen niesde tot zevenmaal toe; daarna deed de jongen zijn ogen open.       35. Il se remit à marcher de long en large dans la maison, puis remonta et se replia sur lui, jusqu'à sept fois : alors l'enfant éternua et ouvrit les yeux.

King James Bible . [35] Then he returned, and walked in the house to and fro; and went up, and stretched himself upon him: and the child sneezed seven times, and the child opened his eyes.
Luther-Bibel . 35Er aber stand wieder auf und ging im Haus einmal hierhin und dahin und stieg wieder aufs Bett und breitete sich über ihn. Da nieste der Knabe sieben Mal; danach tat der Knabe seine Augen auf.

Tekstuitleg van 2 K 4,35 .

2 K 4,36 - 2 K 4,36 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
36 kai exeboèsen elisaie pros giezi kai eipen kaleson tèn sômanitin tautèn kai ekalesen kai eisèlthen pros auton kai eipen elisaie labe ton uion sou  36 et ille vocavit Giezi et dixit ei voca Sunamitin hanc quae vocata ingressa est ad eum qui ait tolle filium tuum   36 En hij riep Gehazi, en zeide: Roep deze Sunamietische. En hij riep ze, en zij kwam tot hem; en hij zeide: Neem uw zoon op.       36. Il appela Géhazi et lui dit : «Fais venir cette bonne Shunamite.» Il l'appela. Lorsqu'elle arriva près de lui, il dit : «Prends ton fils.»

King James Bible . [36] And he called Gehazi, and said, Call this Shunammite. So he called her. And when she was come in unto him, he said, Take up thy son.
Luther-Bibel . 36Und Elisa rief Gehasi und sprach: Ruf die Schunemiterin! Und als er sie rief, kam sie hinein zu ihm. Er sprach: Da, nimm hin deinen Sohn!

Tekstuitleg van 2 K 4,36 .

2 K 4,37 - 2 K 4,37 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
37 kai eisèlthen è gunè kai epesen epi tous podas autou kai prosekunèsen epi tèn gèn kai elaben ton uion autès kai exèlthen  37 venit illa et corruit ad pedes eius et adoravit super terram tulitque filium suum et egressa est   37 Zo kwam zij, en viel voor zijn voeten, en boog zich ter aarde, en zij nam haar zoon op, en ging uit.       37. Elle entra, tomba à ses pieds et se prosterna à terre, puis elle prit son fils et sortit.

King James Bible . [37] Then she went in, and fell at his feet, and bowed herself to the ground, and took up her son, and went out.
Luther-Bibel . 37Da kam sie und fiel nieder zu seinen Füßen und neigte sich zur Erde und nahm ihren Sohn und ging hinaus. Elisa macht schädliche Speise gesund und speist viele mit zwanzig Broten

Tekstuitleg van 2 K 4,37 .

4. acc. mann. mv. ποδας = podas (voeten) van het zelfst. naamw. πους = pous , ποδος = podos (voet) . Taalgebruik in het NT : pous , podos (voet) . Taalgebruik in de LXX : pous , podos (voet) . Bijbel (123) . OT (70) . NT (50) . Een vorm van πους = pous , ποδος = podos (voet) in de LXX (301) , in het NT (93) .
- רַגְלָיו = ragëlâ(j)w (zijn voeten) < stat. constr. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 3e pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. רֶגֶל = règèl (voet, voetstap) . Taalgebruik in Tenakh : règèl (voet, voetstap) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , ghimel = 3 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 35 (5 X 7) OF 233 (priemgetal) . Structuur : 2 - 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (34) . Pentateuch (8) . Gn (4) . Ex (3) . Lv (1) . 2 K (2) : (1) 1 S 25,24 . (2) 2 K 4,37 .
- Ned. : voet , poot . D. : Fuss . E. : foot . Fr. : pied . Grieks : πους = pous , ποδος = podos (voet) . Taalgebruik in het NT : pous , podos (voet) . Hebreeuws : רֶגֶל = règèl (voet, voetstap) . Taalgebruik in Tenakh : règèl (voet, voetstap) . Latijn : pes , -dis . (p - f - v ; d - t) .
- τους ποδας αυτου = tous podas autou (zijn voeten) . LXX (12) : (1) Gn 49,33 . (2) Ex 24,10 . (3) 1 S 14,13 . (4) 1 S 25,24 . (5) 2 S 19,25 . (6) 1 K 15,23 . (7) 2 K 4,37 . (8) 2 K 13,21 . (9) Est 8,3 . (10) Ps 17,10 . (11) Ps 104,18 . (12) Kl 3,34 . NT (15) : (1) Mt 18,29 . (2) Mc 5,22 . (3) Mc 7,25 . (4) Lc 7,38 (3X) . (5) Lc 17,16 . (6) Joh 11,2 . (7) Joh 11,32 . (8) Joh 12,3 . (9) Hnd 5,10 . (10) 1 Kor 15,25 . (11) 1 Kor 15,27 . (12) Ef 1,22 . (13) Apk 1,17 .


2 K 4,38 - 2 K 4,38 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
38 kai elisaie epestrepsen eis galgala kai o limos en tè gè kai oi uioi tôn profètôn ekathènto enôpion autou kai eipen elisaie tô paidariô autou epistèson ton lebèta ton megan kai epse epsema tois uiois tôn profètôn 38 et Heliseus reversus est in Galgala erat autem fames in terra et filii prophetarum habitabant coram eo dixitque uni de pueris suis pone ollam grandem et coque pulmentum filiis prophetarum   38 Als nu Elisa weder te Gilgal kwam, zo was er honger in dat land, en de zonen der profeten zaten voor zijn aangezicht; en hij zeide tot zijn jongen: Zet den groten pot aan, en zied moes voor de zonen der profeten.       38. Elisée revint à Gilgal pendant que la famine était dans le pays. Comme les frères prophètes étaient assis devant lui, il dit à son serviteur : «Mets la grande marmite sur le feu et cuis une soupe pour les frères prophètes.»

King James Bible . [38] And Elisha came again to Gilgal: and there was a dearth in the land; and the sons of the prophets were sitting before him: and he said unto his servant, Set on the great pot, and seethe pottage for the sons of the prophets.
Luther-Bibel . 38Als aber Elisa wieder nach Gilgal kam, war Hungersnot im Lande. Und als die Prophetenjünger vor ihm saßen, sprach er zu seinem Diener: Setze einen großen Topf auf und koche ein Gemüse für die Prophetenjünger!

Tekstuitleg van 2 K 4,38 .

2 K 4,39 - 2 K 4,39 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
39 kai exèlthen eis eis ton agron sullexai ariôth kai euren ampelon en tô agrô kai sunelexen ap' autès tolupèn agrian plères to imation autou kai enebalen eis ton lebèta tou epsematos oti ouk egnôsan  39 et egressus est unus in agrum ut colligeret herbas agrestes invenitque quasi vitem silvestrem et collegit ex ea colocyntidas agri et implevit pallium suum et reversus concidit in ollam pulmenti nesciebat enim quid esset   39 Toen ging er een uit in het veld, om moeskruiden te lezen, en hij vond een wilden wijnstok, en las daarvan, zijn kleed vol wilde kolokwinten, en kwam, en sneed ze in den moespot; want zij kenden ze niet.       39. L'un d'eux sortit dans la campagne pour ramasser des herbes, trouva des sarments sauvages, sur lesquels il cueillit des coloquintes, plein son vêtement. Il revint et les coupa en morceaux dans la marmite de soupe, car on ne savait pas ce que c'était.

King James Bible . [39] And one went out into the field to gather herbs, and found a wild vine, and gathered thereof wild gourds his lap full, and came and shred them into the pot of pottage: for they knew them not.
Luther-Bibel . 39Da ging einer aufs Feld, um Kraut zu sammeln, und fand ein Rankengewächs und pflückte sein Kleid voll mit wilden Gurken. Und als er kam, schnitt er's in den Topf zum Gemüse – sie kannten's aber nicht –

Tekstuitleg van 2 K 4,39 .

2 K 4,40 - 2 K 4,40 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
40 kai enechei tois andrasin fagein kai egeneto en tô esthiein autous ek tou epsèmatos kai idou aneboèsan kai eipon thanatos en tô lebèti anthrôpe tou theou kai ouk èdunanto fagein  40 infuderunt ergo sociis ut comederent cumque gustassent de coctione exclamaverunt dicentes mors in olla vir Dei et non potuerunt comedere   40 Daarna schepten zij voor de mannen op om te eten; en het geschiedde, als zij aten van dat moes, dat zij riepen en zeiden: Man Gods, de dood is in den pot! En zij konden het niet eten.       40. On versa à manger aux hommes. Mais à peine eurent-ils goûté le potage qu'ils poussèrent un cri : «Homme de Dieu! Il y a la mort dans la marmite!» et ils ne purent pas manger.

King James Bible . [40] So they poured out for the men to eat. And it came to pass, as they were eating of the pottage, that they cried out, and said, O thou man of God, there is death in the pot. And they could not eat thereof.
Luther-Bibel . 40und legte es den Männern zum Essen vor. Als sie nun von dem Gemüse aßen, schrien sie und sprachen: O Mann Gottes, der Tod im Topf! Denn sie konnten's nicht essen.

Tekstuitleg van 2 K 4,40 .

2 K 4,41 - 2 K 4,41 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
41 kai eipen labete aleuron kai embalete eis ton lebèta kai eipen elisaie pros giezi to paidarion egchei tô laô kai esthietôsan kai ouk egenèthè eti ekei rèma ponèron en tô lebèti  41 at ille adferte inquit farinam et misit in ollam et ait infunde turbae et comedat et non fuit amplius quicquam amaritudinis in olla   41 Maar hij zeide: Brengt dan meel; en hij wierp het in den pot; en hij zeide: Schep voor het volk op, dat zij eten. Toen was er niets kwaads in den pot.       41. Alors Elisée dit : «Eh bien! apportez de la farine.» Il la jeta dans la marmite et dit : «Verse aux gens et qu'ils mangent»Il n'y avait plus rien de mauvais dans la marmite.

King James Bible . [41] But he said, Then bring meal. And he cast it into the pot; and he said, Pour out for the people, that they may eat. And there was no harm in the pot.
Luther-Bibel . 41Er aber sprach: Bringt Mehl her! Und er tat's in den Topf und sprach: Lege es den Leuten vor, dass sie essen! Da war nichts Böses mehr in dem Topf.

Tekstuitleg van 2 K 4,41 .


2 K 4,42-44 . De broodvermenigvuldiging . 2 K 4,42-44 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- 2 K (2 Koningen) -- 2 K 4 -- ²2 K 4,42 - 2 K 4,43 - 2 K 4,44 .

Liturgische lezing 17de (zeventiende) zondag door het jaar B : 2 K 4,42-44 . Verwijzing : 2 K 4,42-44 .
In die dagen kwam er iemand uit Baäl-Salisa. In zijn tas bracht hij voor de man Gods als eerstelingen twintig gerstebroden en wat vers koren mee. Elisa zei: "Geef dit te eten aan de mannen." Zijn dienaar antwoordde: "Hoe kan ik dat nu voorzetten aan honderd man?" Maar hij herhaalde: "Geef het de mannen te eten. Want zo spreekt de Heer: Zij zullen eten en overhouden." Nu zette hij het de mannen voor. Zij aten en hielden nog over zoals de Heer gezegd had.

2 K 4,42-44 telt 17 + 18 + 6 = 41 (het 13de priemgetal) woorden en 77 + 62 + 30 = 169 (13 X 13) letters .

2 K 4,42 - 2 K 4,42 . De broodvermenigvuldiging - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- 2 K (2 Koningen) -- 2 K 4 -- 2 K 4,42 - 2 K 4,43 - 2 K 4,44 .
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
42 kai anèr dièlthen ek baithsarisa kai ènegken pros ton anthrôpon tou theou prôtogenèmatôn eikosi artous krithinous kai palathas kai eipen dote tô laô kai esthietôsan  42 vir autem quidam venit de Balsalisa deferens viro Dei panes primitiarum et viginti panes hordiacios et frumentum novum in pera sua at ille dixit da populo ut comedat   42 En er kwam een man van Baäl-salisa, en bracht den man Gods broden der eerstelingen, twintig gerstebroden, en groene aren in haar hulzen; en hij zeide: Geef aan het volk, dat zij eten. [42] Op een dag kwam er iemand uit Baäl-Salisa. In zijn tas bracht hij voor de man van God van de eerstelingen van de oogst twintig gerstebroden en wat vers koren mee. Elisa zei: ‘Geef de mannen maar te eten.’  [42] Op een keer kwam iemand uit Baäl-Salisa Elisa opzoeken. Hij bracht twintig gerstebroden voor de godsman mee, gebakken van meel uit de nieuwe oogst, en een zakje vers graan. Elisa droeg zijn bediende op dit als maal aan de profeten voor te zetten.  42 Er is een man gekomen uit Baäl Sjaliesja: hij komt bij de man Gods met brood en eerstelingen, twintig stuks gerstebrood en een karmelkoek in zijn knapzak; hij zegt: geef dit aan de manschap, dan zullen ze eten!   42. Un homme vint de Baal-Shalisha et apporta à l'homme de Dieu du pain de prémices, vingt pains d'orge et du grain frais dans son épi. Celui-ci ordonna : «Offre aux gens et qu'ils mangent»,

King James Bible . [42] And there came a man from Baal-shalisha, and brought the man of God bread of the firstfruits, twenty loaves of barley, and full ears of corn in the husk thereof. And he said, Give unto the people, that they may eat.
Luther-Bibel . 42Es kam aber ein Mann von Baal-Schalischa und brachte dem Mann Gottes Erstlingsbrot, nämlich zwanzig Gerstenbrote, und neues Getreide in seinem Kleid. Er aber sprach: Gib's den Leuten, dass sie essen!

Tekstuitleg van 2 K 4,42 . Het vers 2 K 4,42 telt 17 woorden en 77 (7 X 11) letters . De getalwaarde van 2 K 4,42 is 4716 (2² X 3² X 131) . Elisa geeft de opdracht aan zijn dienaar om de 20 gerstebroden die door een man uit Baäl Salisa naar hem zijn gebracht , aan de mannen te geven . De opdracht is in het Hebreeuws in het enkelvoud , in het Grieks in het meervoud .

1. mann. enk. אִישׁ = ´îsj (man, ieder) . Taalgebruik in Tenakh : ´îsj (man) . Getalwaarde : aleph = 1, jod = 10, sjin = 21 of 300 ; totaal : 32 (2² X 2³) of 311 (priemgetal) . Structuur : 1 - 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (1023) . Pentateuch (251) . Eerdere Profeten (402) . Latere Profeten (135) . 12 Kleine Profeten (37) . Geschriften (198) .
- naamwoord met 2 medeklinkers en 1 oorspronkelijk lange klinker . De lange klinker i is onveranderd gebleven (Lettinga 13d) .

2 K 4,42.10. עֶשְׂרִים = `èshërîm (twintig) , zie 20 . Taalgebruik in Tenakh : `èshërîm (twintig) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 80 (2 X 2³ X 5) OF 620 (2² X 5 X 31 OF 20 X 31) . Structuur : 7 - 3 - 2 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (191) . o.a. 2 K 4,42 .
- Grieks . εικοσι = eikosi (twintig) , zie 20 . Taalgebruik in het NT : eikosi (twintig) . Taalgebruik in de LXX : eikosi (twintig) . Bijbel (232) . OT (222) . NT (10) : (1) Lc 14,31 . (2) Joh 6,19 . (3) Hnd 1,15 . (4) Hnd 27,28 . (5) 1 Kor 10,8 . (6) Apk 4,4 . (7) Apk 4,10 . (8) Apk 5,8 . (9) Apk 11,16 . (10) Apk 19,4 .
- L. viginti . Fr. vingt . N. twintig . E. twenty . D. zwanzig .

2 K 4,42.16. act. imperat. 2de pers. mann. enk. תֵן / תֶן = then / thèn van het werkw. נָתַן = nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenakh : nâthan (geven) . Getalswaarde : nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 50 of 500 . Structuur : 5 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (12) : (1) Gn 14,21 . (2) 2 K 4,42 . (3) 2 K 4,43 . (4) Jr 18,21 . (5) Hos 9,14 . (6) Ps 28,4 . (7) Ps 72,1 . (8) Ps 115,1 . (9) Spr 9,9 . (10) Pr 11,2 . (11) 1 Kr 29,19 . (12) 2 Kr 1,10 .
- act. imperat. perf. 2de pers. mann. mv. תְנוּ = thënû (geeft) van het werkw. נָתַן = nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenakh : nâthan (geven) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 50 of 500 . Structuur : 5 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (23) : (1) Gn 23,4 . (2) Gn 34,8 . (3) Ex 7,9 . (4) Ex 17,2 . (5) Joz 20,2 . (6) Re 8,5 . (7) Re 20,13 . (8) 1 S 11,12 . (9) 1 S 17,10 . (10) 2 S 20,21 . (11) 1 K 3,26 . (12) 1 K 3,27 . (13) Jr 13,16 . (14) Jr 22,3 . (15) Jr 29,6 . (16) Jr 48,9 . (17) Ps 68,35 . (18) Spr 31,6 . (19) Spr 31,31 . (20) Ezr 10,11 . (21) 2 Kr 22,19 . (22) 2 Kr 30,8 . (23) 2 Kr 35,3 .
- Grieks . act. imperat. aor. 2de pers. mv. δοτε = dote (geeft) van het werkw. διδωμι = didômi (geven) . Taalgebruik in het NT : didômi (geven) . Taalgebruik in de Septuaginta : didômi (geven) . NT (14) : (1) Mt 10,8 . (2) Mt 14,16 . (3) Mt 25,8 . (4) Mt 25,28 . (5) Mc 6,37 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 11,41 . (8) Lc 12,33 . (9) Lc 15,22 . (10) Lc 19,24 . (11) Hnd 8,19 . (12) Rom 12,19 . (13) Apk 14,7 . (14) Apk 18,7 . Een vorm van διδωμι = didômi (geven) in Lc in 54 verzen , in Lc 9 (3) : (1) Lc 9,1 . (2) Lc 9,13 . (3) Lc 9,16 . In Lc : X vormen van didômi (geven) in 54 verzen in 20 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van didômi (geven) in 34 verzen in 18 / 28 hoofdstukken .
- act. imperat. aor. 2de pers. enk. δος = dos (geef) van het werkw. διδωμι = didômi (geven) . Taalgebruik in het NT : didômi (geven) . Taalgebruik in de Septuaginta : didômi (geven) . Bijbel (89) . OT (73) . NT (16) . (1) Mt 5,42 . (2) Mt 6,11 . (3) Mt 14,8 . (4) Mt 17,27 . (5) Mt 19,21 . (6) Mc 10,21 . (7) Mc 10,37 . (8) Lc 12,58 . (9) Lc 14,9 . (10) Lc 15,12 . (11) Joh 4,7 . (12) Joh 4,10 . (13) Joh 4,15 . (14) Joh 6,34 . (15) Joh 9,24 . (16) Hnd 4,29 .

  didômi (geven)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. imperat. aor. 2de pers. enk. dos   89  73  16  2     10  15     
  act. imperat. aor. 2de pers. mv. dote  50  36  14    10  10   
  Totaal   2131 416 56 39  60 76 35 72 + 4 58 155 231 76 16

- Ned. : geven . D. : geben . E. : to give . Fr. : donner - don : geven - gave . Grieks : διδωμι = didômi (geven) . Hebreeuws : נָתַן = nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenakh : nâthan (geven) . Lat. dare / donare - donum .
- Een profeet wil attent maken waarop het aankomt , op de goddelijke grondwet , op de thorah waarin de woorden van God neergeschreven staan . Eén wet ervan is de hongerigen spijzen .


2 K 4,43 - 2 K 4,43 . De broodvermenigvuldiging - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- 2 K (2 Koningen) -- 2 K 4 -- 2 K 4,42 - 2 K 4,43 - 2 K 4,44 .
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
43 kai eipen o leitourgos autou ti dô touto enôpion ekaton andrôn kai eipen dos tô laô kai esthietôsan oti tade legei kurios fagontai kai kataleipsousin  43 responditque ei minister eius quantum est hoc ut adponam coram centum viris rursum ille da ait populo ut comedat haec enim dicit Dominus comedent et supererit   43 Doch zijn dienaar zeide: Wat zou ik dat aan honderd mannen voorzetten? En hij zeide: Geef aan het volk, dat zij eten; want alzo zegt de HEERE: Men zal eten en overhouden. [43] Zijn dienaar antwoordde: ‘Hoe kan ik dat nu voorzetten aan honderd man?’ Maar hij herhaalde: ‘Geef het de mannen te eten. Want zo spreekt de heer: “Zij zullen eten en overhouden.” ’  [43] Toen de bediende protesteerde dat het beslist niet genoeg was voor honderd personen, zei Elisa nogmaals: ‘Zet het de profeten voor, ze zullen er een maaltijd aan hebben. Want dit zegt de HEER: Ze zullen ervan eten en nog overhouden ook.’  43 Maar zijn bediende zegt: wat, moet ik dit uitgeven aan het aanschijn van honderd man? Hij zegt: geef het aan de manschap, dan zullen ze eten, want zo heeft gezegd de ENE: eet en er zal overblijven!   43. mais son serviteur répondit : «Comment servirai-je cela à cent personnes?» Il reprit : «Offre aux gens et qu'ils mangent, car ainsi a parlé Yahvé : On mangera et on en aura de reste.»

King James Bible . [43] And his servitor said, What, should I set this before an hundred men? He said again, Give the people, that they may eat: for thus saith the LORD, They shall eat, and shall leave thereof.
Luther-Bibel . 43. Sein Diener sprach: Wie soll ich davon hundert Mann geben? Er sprach: Gib den Leuten, dass sie essen! Denn so spricht der HERR: Man wird essen und es wird noch übrig bleiben.

Tekstuitleg van 2 K 4,43 . Het vers 2 K 4,43 telt 18 (2 X 3²) woorden en 62 (2 X 31) letters . De getalwaarde van 2 K 4,43 is 4148 (2² X 17 X 61) . De dienaar van Elisa maakt bezwaar : Wat is dat twintig broden voor 100 man . Maar Elisa herhaalt zijn opdracht en citeert een woord van de Heer : zij zullen eten en zij zullen nog overhouden . De herhaling van de opdracht is in het Hebreeuws identiek aan de vorige opdracht , in het Grieks wordt de opdracht van het geven in het enkelvoud verwoord .

2 K 4,43.10. act. imperat. 2de pers. mann. enk. תֵן / תֶן = then / thèn van het werkw. נָתַן = nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenakh : nâthan (geven) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 50 of 500 . Structuur : 5 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (12) : (1) Gn 14,21 . (2) 2 K 4,42 . (3) 2 K 4,43 . (4) Jr 18,21 . (5) Hos 9,14 . (6) Ps 28,4 . (7) Ps 72,1 . (8) Ps 115,1 . (9) Spr 9,9 . (10) Pr 11,2 . (11) 1 Kr 29,19 . (12) 2 Kr 1,10 .
- Grieks . act. imperatief aor. 2de pers. enk. δος = dos (geef) van het werkw. διδωμι = didômi (geven) . Taalgebruik in het NT : didômi (geven) . Taalgebruik in de Septuaginta : didômi (geven) . NT (14) : (1) Mt 10,8 . (2) Mt 14,16 . (3) Mt 25,8 . (4) Mt 25,28 . (5) Mc 6,37 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 11,41 . (8) Lc 12,33 . (9) Lc 15,22 . (10) Lc 19,24 . (11) Hnd 8,19 . (12) Rom 12,19 . (13) Apk 14,7 . (14) Apk 18,7 .

  didômi (geven)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. imperat. aor. 2de pers. enk. dos   89  73  16  2     10  15     
  Totaal   2131 416 56 39  60 76 35 72 + 4 58 155 231 76 16

- Lat. dare / donare - donum : geven - gave , gift . Fr. donner - don : geven - gave . D. geben . E. to give .

2 K 4,43.17. act. qal inf. absol. אָכוֹל = ´âkhôl (om te eten) van het werkw. אָכַל = ´âkhal (eten) . Taalgebruik in Tenakh : ´âkhal (eten) . De getalwaarde van אָכַל = ´âkhal (eten) is : aleph = 1 , kaph = 11 of 20 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 24 (2³ X 3) of 51 (3 X 17) . Structuur : 1 - 2 - 3 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (9) : (1) Gn 31,15 . (2) Lv 10,18 . (3) 2 K 19,29 . (4) Js 21,5 . (5) Js 22,13 . (6) Js 37,30 . (7) Jl 2,26 . (8) Hag 1,6 . (9) 2 Kr 31,10 .
- act. qal inf. absol. אָכֹל = ´âkhol (om te eten) van het werkw. אָכַל = ´âkhal (eten) . Taalgebruik in Tenakh : ´âkhal (eten) . De getalwaarde van אָכַל = ´âkhal (eten) is : aleph = 1 , kaph = 11 of 20 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 24 (2³ X 3) of 51 (3 X 17) . Structuur : 1 - 2 - 3 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (5) : (1) Gn 2,16 . (2) 1 S 14,30 . (3) 2 K 4,43 . (4) Js 22,13 . (5) Spr 25,27 . Een vorm van אָכַל = ´âkhal (eten) in Tenakh (683) . In de LXX zijn vele (werk)woorden de vertaling van אָכַל = ´âkhal (eten) .
- ind. fut. 3de pers. mv. φαγονται = fagontai (zij zullen eten) . Zie het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . Taalgebruik in het NT : esthiô (eten) . Taalgebruik in de LXX : esthiô (eten) . Gr. εσθιω = esthiô , fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs EΝ het werkw. φαγω = fagô (eten) . Bijbel (45) . OT (44) . NT (1) . Pentateuch (11) : (1) Gn 43,16 . (2) Ex 12,8 . (3) Lv 8,31 . (4) Lv 22,11 . (5) Lv 24,9 . (6) Nu 9,11 . (7) Nu 11,21 . (8) Dt 14,29 . (9) Dt 18,1 . (10) Dt 26,12 . (11) Dt 31,20 . Vroege Profeten (2) : (1) 1 K 21,24 . (2) 2 K 4,43 .

2 K 4,43.18. וְהוֹתֵר = wëhôther (en om te doen resten, om over te houden) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. hifil inf. constructus van het werkw. יָתַר = jâthar (overblijven , over hebben , overvloed geven) . Taalgebruik in Tenakh : jâthar (overblijven , over hebben , overvloed geven) . Getalwaarde : jod = 10 , thaw = 22 of 400 , resj = 20 of 200 ; totaal : 52 (4 X 13) OF 610 (2 X 5 X 61) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (3) : (1) Ex 36,7 . (2) 2 K 4,43 . (3) 2 Kr 31,10 . Een vorm van יָתַר = jâthar in Tenakh (80) . In de LXX is יָתַר = jâthar de vertaling van 11 Hebreeuwse (werk)woorden .

2 K 4,43.17. - 18. - וְשָׂבוֹעַ אָכוֹל = ´âkhôl wëshâbô`a (om te eten en verzadigd te worden) . Tenakh (2) : (1) Jl 2,26 . (2) 2 Kr 31,10 .
- וְהוֹתֵר (...) אָכוֹל = ´âkhôl (...) wëhôther (om te eten en over te houden) . Tenakh (1) 2 Kr 31,10 .
-וְהוֹתֵר אָכֹל = ´âkhol wëhôther (om te eten en over te houden) . Tenakh (1) : 2 K 4,43 .

2 K 4,44 - 2 K 4,44 . De broodvermenigvuldiging - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- 2 K (2 Koningen) -- 2 K 4 -- 2 K 4,42 - 2 K 4,43 - 2 K 4,44 .
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
44 kai efagon kai katelipon kata to rèma kuriou   44 posuit itaque coram eis qui comederunt et superfuit iuxta verbum Domini   44 Zo zette hij het hun voor, en zij aten, en zij hielden over, naar het woord des HEEREN. [44] Nu zette hij het de mannen voor. Zij aten en hielden nog over, zoals de heer gezegd had.  [44] Toen zette zijn bediende het de profeten voor, en zij aten ervan en hielden nog over, zoals de HEER had gezegd.  44 Hij geeft het aan hun aanschijn en zij eten en houden over, naar het woord van de ENE.   44. Il leur servit, ils mangèrent et en eurent de reste, selon la parole de Yahvé

King James Bible . [44] So he set it before them, and they did eat, and left thereof, according to the word of the LORD.
Luther-Bibel . 44Und er legte es ihnen vor, dass sie aßen; und es blieb noch übrig nach dem Wort des HERRN.

Tekstuitleg van 2 K 4,44 .

2 K 4,44.1. נָתַן = nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenakh : nâthan (geven) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 50 of 500 . Structuur : 5 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . n-th-n . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. = nâthan (hij geeft) . (2) act. qal part. nom. mann. enk. = nothen (gevende) .
- Grieks . διδωμι = didômi (geven) . Taalgebruik in de Septuaginta : didômi (geven) . Taalgebruik in het NT : didômi (geven) .
- Ned. : geven . D. : geben . E. : to give . Fr. : donner - don : geven - gave . Grieks : διδωμι = didômi (geven) . נָתַן = nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenakh : nâthan (geven) . Lat. dare / donare - donum .

2 K 4,44.3. וַיּאֹכְלוּ = wajjo´khëlû (en zij aten) < wa consecutivum + act. ind. imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. אָכַל = ´âkhal (eten) . Taalgebruik in Tenakh : ´âkhal (eten) . De getalswaarde van אָכַל = ´âkhal (eten) is : aleph = 1 , kaph = 11 of 20 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 24 (2³ X 3) of 51 (3 X 17) . Structuur : 1 - 2 - 3 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (25) . 2 K (3) : (1) 2 K 4,44 . (2) 2 K 6,23 . (3) 2 K 7,8 .
- Grieks . act. ind. aor. 1ste pers. enk. en 3de pers. mv. εφαγον = efagon (zij aten) . Zie het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . Taalgebruik in het NT : esthiô (eten) . Taalgebruik in de LXX : esthiô (eten) . Gr. εσθιω = esthiô , fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , EΝ het werkw. φαγω = fagô (eten) . Bijbel (57) . Pentateuch (15) . NT (13) : (1) Mt 12,4 . (2) Mt 14,20 . (3) Mt 15,37 . (4) Mc 6,42 . (5) Mc 8,8 . (6) Lc 9,17 . (7) Joh 6,23 . (8) Joh 6,31 . (9) Joh 6,49 . (10) Joh 6,58 . (11) Hnd 10,14 . (12) 1 Kor 10,3 . (13) Apk 10,10 . Een vorm van esθιω = esthiô in de LXX (686) , in het NT (65) , in Mt (11) , in Mc (11) , in Lc (12) . Een vorm van φαγω = fagô in de LXX (zie εσθιω = esthiô) , in het NT (94) , in Mt (13) , in Mc (17) , in Lc (21) , in Joh (15) .

2 K 4,44.5. כִּדְבַר = kidëbhar (overeenkomstig het woord) . prefix kë + zelfst. naamw. d-b-r (woord) . Zie : Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Taalgebruik in 2 K : dâbhar (spreken) . Tenakh (66) . 2 K (14) : (1) 2 K 1,17 . (2) 2 K 2,22 . (3) 2 K 4,44 . (4) 2 K 5,14 . (5) 2 K 6,18 . (6) 2 K 7,16 . (7) 2 K 7,18 . (8) 2 K 7,19 . (9) 2 K 8,2 . (10) 2 K 9,26 . (11) 2 K 10,17 . (12) 2 K 14,25 . (13) 2 K 23,16 . (14) 2 K 24,2 .

2 K 4,44.5. - 6. kidëbhar JHWH (overeenkomstig het woord van JHWH) . Tenakh (26 / 66) . Joz (2) . 1 K (9) . 2 K (8 / 14) : (1) 2 K 1,17 . (2) 2 K 4,44 . (3) 2 K 7,16 . (4) 2 K 9,26 . (5) 2 K 10,17 . (6) 2 K 14,25 . (7) 2 K 23,16 . (8) 2 K 24,2 . 1 Kr (3) . 2 Kr (1) . Jr (2) . Jon (1) .
- kidëbhar ´ëlîsjâ`(overeenkomstig het woord van JHWH) . Tenakh (2 / 14) : (1) 2 K 2,22 . (2) 2 K 6,18 .
- kidëbhar ´îsj hâ´ëlohîm (overeenkomstig het woord van de man van de God) . Tenakh (2 / 14) : (1) 2 K 5,14 . (2) 2 K 8,2 . Een variante lezing in 2 K 7,17 .


- Hebreeuwse tekst OF modern Hebreeuws NT

וְאִשָּׁה אַחַת מִנְּשֵׁי בְנֵי־הַנְּבִיאִים צָעֲקָה אֶל־אֱלִישָׁע לֵאמֹר עַבְדְּךָ אִישִׁי מֵת וְאַתָּה יָדַעְתָּ כִּי עַבְדְּךָ הָיָה יָרֵא אֶת־יְהוָה וְהַנֹּשֶׁה בָּא לָקַחַת אֶת־שְׁנֵי יְלָדַי לֹו לַעֲבָדִים׃ .1 וַיֹּאמֶר אֵלֶיהָ אֱלִישָׁע מָה אֶעֱשֶׂה־לָּךְ הַגִּידִי לִי מַה־יֶּשׁ־ [לְכִי כ] (לָךְ ק) בַּבָּיִת וַתֹּאמֶר אֵין לְשִׁפְחָתְךָ כֹל בַּבַּיִת כִּי אִם־אָסוּךְ שָׁמֶן׃ .2 וַיֹּאמֶר לְכִי שַׁאֲלִי־לָךְ כֵּלִים מִן־הַחוּץ מֵאֵת כָּל־ [שִׁכְנָכֵי כ] (שְׁכֵנָיִךְ ק) כֵּלִים רֵקִים אַל־תַּמְעִיטִי׃ .3 וּבָאת וְסָגַרְתְּ הַדֶּלֶת בַּעֲדֵךְ וּבְעַד־בָּנַיִךְ וְיָצַקְתְּ עַל כָּל־הַכֵּלִים הָאֵלֶּה וְהַמָּלֵא תַּסִּיעִי׃ .4 וַתֵּלֶךְ מֵאִתֹּו וַתִּסְגֹּר הַדֶּלֶת בַּעֲדָהּ וּבְעַד בָּנֶיהָ הֵם מַגִּשִׁים אֵלֶיהָ וְהִיא [מֵיצָקֶת כ] (מֹוצָקֶת׃ ק) .5 וַיְהִי ׀ כִּמְלֹאת הַכֵּלִים וַתֹּאמֶר אֶל־בְּנָהּ הַגִּישָׁה אֵלַי עֹוד כֶּלִי וַיֹּאמֶר אֵלֶיהָ אֵין עֹוד כֶּלִי וַיַּעֲמֹד הַשָּׁמֶן׃ .6 וַתָּבֹא וַתַּגֵּד לְאִישׁ הָאֱלֹהִים וַיֹּאמֶר לְכִי מִכְרִי אֶת־הַשֶּׁמֶן וְשַׁלְּמִי אֶת־ [נִשְׁיֵכִי כ] (נִשְׁיֵךְ ק) וְאַתְּ [בְּנֵיכִי כ] (וּבָנַיִךְ ק) תִחְיִי בַּנֹּותָר׃ פ .7 וַיְהִי הַיֹּום וַיַּעֲבֹר אֱלִישָׁע אֶל־שׁוּנֵם וְשָׁם אִשָּׁה גְדֹולָה וַתַּחֲזֶק־בֹּו לֶאֱכָל־לָחֶם וַיְהִי מִדֵּי עָבְרֹו יָסֻר שָׁמָּה לֶאֱכָל־לָחֶם׃ .8 וַתֹּאמֶר אֶל־אִישָׁהּ הִנֵּה־נָא יָדַעְתִּי כִּי אִישׁ אֱלֹהִים קָדֹושׁ הוּא עֹבֵר עָלֵינוּ תָּמִיד׃ .9 נַעֲשֶׂה־נָּא עֲלִיַּת־קִיר קְטַנָּה וְנָשִׂים לֹו שָׁם מִטָּה וְשֻׁלְחָן וְכִסֵּא וּמְנֹורָה וְהָיָה בְּבֹאֹו אֵלֵינוּ יָסוּר שָׁמָּה׃ .10 וַיְהִי הַיֹּום וַיָּבֹא שָׁמָּה וַיָּסַר אֶל־הָעֲלִיָּה וַיִּשְׁכַּב־שָׁמָּה׃ .11 וַיֹּאמֶר אֶל־גֵּחֲזִי נַעֲרֹו קְרָא לַשּׁוּנַמִּית הַזֹּאת וַיִּקְרָא־לָהּ וַתַּעֲמֹד לְפָנָיו׃ .12 וַיֹּאמֶר לֹו אֱמָר־נָא אֵלֶיהָ הִנֵּה חָרַדְתְּ ׀ אֵלֵינוּ אֶת־כָּל־הַחֲרָדָה הַזֹּאת מֶה לַעֲשֹׂות לָךְ הֲיֵשׁ לְדַבֶּר־לָךְ אֶל־הַמֶּלֶךְ אֹו אֶל־שַׂר הַצָּבָא וַתֹּאמֶר בְּתֹוךְ עַמִּי אָנֹכִי יֹשָׁבֶת׃ .13 וַיֹּאמֶר וּמֶה לַעֲשֹׂות לָהּ וַיֹּאמֶר גֵּיחֲזִי אֲבָל בֵּן אֵין־לָהּ וְאִישָׁהּ זָקֵן׃ .14 וַיֹּאמֶר קְרָא־לָהּ וַיִּקְרָא־לָהּ וַתַּעֲמֹד בַּפָּתַח׃ .15 וַיֹּאמֶר לַמֹּועֵד הַזֶּה כָּעֵת חַיָּה [אַתִּי כ] (אַתְּ ק) חֹבֶקֶת בֵּן וַתֹּאמֶר אַל־אֲדֹנִי אִישׁ הָאֱלֹהִים אַל־תְּכַזֵּב בְּשִׁפְחָתֶךָ׃ .16 וַתַּהַר הָאִשָּׁה וַתֵּלֶד בֵּן לַמֹּועֵד הַזֶּה כָּעֵת חַיָּה אֲשֶׁר־דִּבֶּר אֵלֶיהָ אֱלִישָׁע׃ .17 וַיִּגְדַּל הַיָּלֶד וַיְהִי הַיֹּום וַיֵּצֵא אֶל־אָבִיו אֶל־הַקֹּצְרִים׃ .18 וַיֹּאמֶר אֶל־אָבִיו רֹאשִׁי ׀ רֹאשִׁי וַיֹּאמֶר אֶל־הַנַּעַר שָׂאֵהוּ אֶל־אִמֹּו׃ .19 וַיִּשָּׂאֵהוּ וַיְבִיאֵהוּ אֶל־אִמֹּו וַיֵּשֶׁב עַל־בִּרְכֶּיהָ עַד־הַצָּהֳרַיִם וַיָּמֹת׃ .20 וַתַּעַל וַתַּשְׁכִּבֵהוּ עַל־מִטַּת אִישׁ הָאֱלֹהִים וַתִּסְגֹּר בַּעֲדֹו וַתֵּצֵא׃ .21 וַתִּקְרָא אֶל־אִישָׁהּ וַתֹּאמֶר שִׁלְחָה נָא לִי אֶחָד מִן־הַנְּעָרִים וְאַחַת הָאֲתֹנֹות וְאָרוּצָה עַד־אִישׁ הָאֱלֹהִים וְאָשׁוּבָה׃ .22 וַיֹּאמֶר מַדּוּעַ [אַתִּי כ] (אַתְּ ק) [הֹלַכְתִּי כ] (הֹלֶכֶת ק) אֵלָיו הַיֹּום לֹא־חֹדֶשׁ וְלֹא שַׁבָּת וַתֹּאמֶר שָׁלֹום׃ .23 וַתַּחֲבֹשׁ הָאָתֹון וַתֹּאמֶר אֶל־נַעֲרָהּ נְהַג וָלֵךְ אַל־תַּעֲצָר־לִי לִרְכֹּב כִּי אִם־אָמַרְתִּי לָךְ׃ .24 וַתֵּלֶךְ וַתָּבֹוא אֶל־אִישׁ הָאֱלֹהִים אֶל־הַר הַכַּרְמֶל וַיְהִי כִּרְאֹות אִישׁ־הָאֱלֹהִים אֹתָהּ מִנֶּגֶד וַיֹּאמֶר אֶל־גֵּיחֲזִי נַעֲרֹו הִנֵּה הַשּׁוּנַמִּית הַלָּז׃ .25 עַתָּה רוּץ־נָא לִקְרָאתָהּ וֶאֱמָר־לָהּ הֲשָׁלֹום לָךְ הֲשָׁלֹום לְאִישֵׁךְ הֲשָׁלֹום לַיָּלֶד וַתֹּאמֶר שָׁלֹום׃ .26 וַתָּבֹא אֶל־אִישׁ הָאֱלֹהִים אֶל־הָהָר וַתַּחֲזֵק בְּרַגְלָיו וַיִּגַּשׁ גֵּיחֲזִי לְהָדְפָהּ וַיֹּאמֶר אִישׁ הָאֱלֹהִים הַרְפֵּה־לָהּ כִּי־נַפְשָׁהּ מָרָה־לָהּ וַיהוָה הֶעְלִים מִמֶּנִּי וְלֹא הִגִּיד לִי׃ .27 וַתֹּאמֶר הֲשָׁאַלְתִּי בֵן מֵאֵת אֲדֹנִי הֲלֹא אָמַרְתִּי לֹא תַשְׁלֶה אֹתִי׃ .28 וַיֹּאמֶר לְגֵיחֲזִי חֲגֹר מָתְנֶיךָ וְקַח מִשְׁעַנְתִּי בְיָדְךָ וָלֵךְ כִּי־תִמְצָא אִישׁ לֹא תְבָרְכֶנּוּ וְכִי־יְבָרֶכְךָ אִישׁ לֹא תַעֲנֶנּוּ וְשַׂמְתָּ מִשְׁעַנְתִּי עַל־פְּנֵי הַנָּעַר׃ .29 וַתֹּאמֶר אֵם הַנַּעַר חַי־יְהוָה וְחֵי־נַפְשְׁךָ אִם־אֶעֶזְבֶךָּ וַיָּקָם וַיֵּלֶךְ אַחֲרֶיהָ׃ .30 וְגֵחֲזִי עָבַר לִפְנֵיהֶם וַיָּשֶׂם אֶת־הַמִּשְׁעֶנֶת עַל־פְּנֵי הַנַּעַר וְאֵין קֹול וְאֵין קָשֶׁב וַיָּשָׁב לִקְרָאתֹו וַיַּגֶּד־לֹו לֵאמֹר לֹא הֵקִיץ הַנָּעַר׃ .31 וַיָּבֹא אֱלִישָׁע הַבָּיְתָה וְהִנֵּה הַנַּעַר מֵת מֻשְׁכָּב עַל־מִטָּתֹו׃ .32 וַיָּבֹא וַיִּסְגֹּר הַדֶּלֶת בְּעַד שְׁנֵיהֶם וַיִּתְפַּלֵּל אֶל־יְהוָה׃ .33 וַיַּעַל וַיִּשְׁכַּב עַל־הַיֶּלֶד וַיָּשֶׂם פִּיו עַל־פִּיו וְעֵינָיו עַל־עֵינָיו וְכַפָּיו עַל־ [כַּפֹּו כ] (כַּפָּיו ק) וַיִּגְהַר עָלָיו וַיָּחָם בְּשַׂר הַיָּלֶד׃ .34 וַיָּשָׁב וַיֵּלֶךְ בַּבַּיִת אַחַת הֵנָּה וְאַחַת הֵנָּה וַיַּעַל וַיִּגְהַר עָלָיו וַיְזֹורֵר הַנַּעַר עַד־שֶׁבַע פְּעָמִים וַיִּפְקַח הַנַּעַר אֶת־עֵינָיו׃ .35 וַיִּקְרָא אֶל־גֵּיחֲזִי וַיֹּאמֶר קְרָא אֶל־הַשֻּׁנַמִּית הַזֹּאת וַיִּקְרָאֶהָ וַתָּבֹוא אֵלָיו וַיֹּאמֶר שְׂאִי בְנֵךְ׃ .36 וַתָּבֹא וַתִּפֹּל עַל־רַגְלָיו וַתִּשְׁתַּחוּ אָרְצָה וַתִּשָּׂא אֶת־בְּנָהּ וַתֵּצֵא׃ פ .37 וֶאֱלִישָׁע שָׁב הַגִּלְגָּלָה וְהָרָעָב בָּאָרֶץ וּבְנֵי הַנְּבִיאִים יֹשְׁבִים לְפָנָיו וַיֹּאמֶר לְנַעֲרֹו שְׁפֹת הַסִּיר הַגְּדֹולָה וּבַשֵּׁל נָזִיד לִבְנֵי הַנְּבִיאִים׃ .38 וַיֵּצֵא אֶחָד אֶל־הַשָּׂדֶה לְלַקֵּט אֹרֹת וַיִּמְצָא גֶּפֶן שָׂדֶה וַיְלַקֵּט מִמֶּנּוּ פַּקֻּעֹת שָׂדֶה מְלֹא בִגְדֹו וַיָּבֹא וַיְפַלַּח אֶל־סִיר הַנָּזִיד כִּי־לֹא יָדָעוּ׃ .39 וַיִּצְקוּ לַאֲנָשִׁים לֶאֱכֹול וַיְהִי כְּאָכְלָם מֵהַנָּזִיד וְהֵמָּה צָעָקוּ וַיֹּאמְרוּ מָוֶת בַּסִּיר אִישׁ הָאֱלֹהִים וְלֹא יָכְלוּ לֶאֱכֹל׃ .40 וַיֹּאמֶר וּקְחוּ־קֶמַח וַיַּשְׁלֵךְ אֶל־הַסִּיר וַיֹּאמֶר צַק לָעָם וְיֹאכֵלוּ וְלֹא הָיָה דָּבָר רָע בַּסִּיר׃ ס .41 וְאִישׁ בָּא מִבַּעַל שָׁלִשָׁה וַיָּבֵא לְאִישׁ הָאֱלֹהִים לֶחֶם בִּכּוּרִים עֶשְׂרִים־לֶחֶם שְׂעֹרִים וְכַרְמֶל בְּצִקְלֹנֹו וַיֹּאמֶר תֵּן לָעָם וְיֹאכֵלוּ׃ .42 וַיֹּאמֶר מְשָׁרְתֹו מָה אֶתֵּן זֶה לִפְנֵי מֵאָה אִישׁ וַיֹּאמֶר תֵּן לָעָם וְיֹאכֵלוּ כִּי כֹה אָמַר יְהוָה אָכֹל וְהֹותֵר׃ .43 וַיִּתֵּן לִפְנֵיהֶם וַיֹּאכְלוּ וַיֹּותִרוּ כִּדְבַר יְהוָה׃ פ .44


- Targum Onkelos

מלכים ב פרק ד א וְאִשָּׁה אַחַת מִנְּשֵׁי בְנֵי-הַנְּבִיאִים צָעֲקָה אֶל-אֱלִישָׁע לֵאמֹר, עַבְדְּךָ אִישִׁי מֵת, וְאַתָּה יָדַעְתָּ, כִּי עַבְדְּךָ הָיָה יָרֵא אֶת-יְהוָה; וְהַנֹּשֶׁה--בָּא לָקַחַת אֶת-שְׁנֵי יְלָדַי לוֹ, לַעֲבָדִים. ב וַיֹּאמֶר אֵלֶיהָ אֱלִישָׁע, מָה אֶעֱשֶׂה-לָּךְ, הַגִּידִי לִי, מַה-יֶּשׁ-לכי (לָךְ) בַּבָּיִת; וַתֹּאמֶר, אֵין לְשִׁפְחָתְךָ כֹל בַּבַּיִת, כִּי, אִם-אָסוּךְ שָׁמֶן. ג וַיֹּאמֶר, לְכִי שַׁאֲלִי-לָךְ כֵּלִים מִן-הַחוּץ, מֵאֵת, כָּל-שכנכי (שְׁכֵנָיִךְ)--כֵּלִים רֵקִים, אַל-תַּמְעִיטִי. ד וּבָאת, וְסָגַרְתְּ הַדֶּלֶת בַּעֲדֵךְ וּבְעַד-בָּנַיִךְ, וְיָצַקְתְּ, עַל כָּל-הַכֵּלִים הָאֵלֶּה; וְהַמָּלֵא, תַּסִּיעִי. ה וַתֵּלֶךְ, מֵאִתּוֹ, וַתִּסְגֹּר הַדֶּלֶת, בַּעֲדָהּ וּבְעַד בָּנֶיהָ; הֵם מַגִּישִׁים אֵלֶיהָ, וְהִיא מיצקת (מוֹצָקֶת). ו וַיְהִי כִּמְלֹאת הַכֵּלִים, וַתֹּאמֶר אֶל-בְּנָהּ הַגִּישָׁה אֵלַי עוֹד כֶּלִי, וַיֹּאמֶר אֵלֶיהָ, אֵין עוֹד כֶּלִי; וַיַּעֲמֹד, הַשָּׁמֶן. ז וַתָּבֹא, וַתַּגֵּד לְאִישׁ הָאֱלֹהִים, וַיֹּאמֶר לְכִי מִכְרִי אֶת-הַשֶּׁמֶן, וְשַׁלְּמִי אֶת-נשיכי (נִשְׁיֵךְ); וְאַתְּ בניכי (וּבָנַיִךְ), תִּחְיִי בַּנּוֹתָר. {פ} ח וַיְהִי הַיּוֹם וַיַּעֲבֹר אֱלִישָׁע אֶל-שׁוּנֵם, וְשָׁם אִשָּׁה גְדוֹלָה, וַתַּחֲזֶק-בּוֹ, לֶאֱכָל-לָחֶם; וַיְהִי מִדֵּי עָבְרוֹ, יָסֻר שָׁמָּה לֶאֱכָל-לָחֶם. ט וַתֹּאמֶר, אֶל-אִישָׁהּ, הִנֵּה-נָא יָדַעְתִּי, כִּי אִישׁ אֱלֹהִים קָדוֹשׁ הוּא--עֹבֵר עָלֵינוּ, תָּמִיד. י נַעֲשֶׂה-נָּא עֲלִיַּת-קִיר קְטַנָּה, וְנָשִׂים לוֹ שָׁם מִטָּה וְשֻׁלְחָן וְכִסֵּא וּמְנוֹרָה; וְהָיָה בְּבֹאוֹ אֵלֵינוּ, יָסוּר שָׁמָּה. יא וַיְהִי הַיּוֹם, וַיָּבֹא שָׁמָּה; וַיָּסַר אֶל-הָעֲלִיָּה, וַיִּשְׁכַּב-שָׁמָּה. יב וַיֹּאמֶר אֶל-גֵּיחֲזִי נַעֲרוֹ, קְרָא לַשּׁוּנַמִּית הַזֹּאת; וַיִּקְרָא-לָהּ--וַתַּעֲמֹד, לְפָנָיו. יג וַיֹּאמֶר לוֹ, אֱמָר-נָא אֵלֶיהָ הִנֵּה חָרַדְתְּ אֵלֵינוּ אֶת-כָּל-הַחֲרָדָה הַזֹּאת, מֶה לַעֲשׂוֹת לָךְ, הֲיֵשׁ לְדַבֶּר-לָךְ אֶל-הַמֶּלֶךְ אוֹ אֶל-שַׂר הַצָּבָא; וַתֹּאמֶר, בְּתוֹךְ עַמִּי אָנֹכִי יֹשָׁבֶת. יד וַיֹּאמֶר, וּמֶה לַעֲשׂוֹת לָהּ; וַיֹּאמֶר גֵּיחֲזִי, אֲבָל בֵּן אֵין-לָהּ--וְאִישָׁהּ זָקֵן. טו וַיֹּאמֶר, קְרָא-לָהּ; וַיִּקְרָא-לָהּ--וַתַּעֲמֹד, בַּפָּתַח. טז וַיֹּאמֶר, לַמּוֹעֵד הַזֶּה כָּעֵת חַיָּה, אתי (אַתְּ), חֹבֶקֶת בֵּן; וַתֹּאמֶר, אַל-אֲדֹנִי אִישׁ הָאֱלֹהִים--אַל-תְּכַזֵּב, בְּשִׁפְחָתֶךָ. יז וַתַּהַר הָאִשָּׁה, וַתֵּלֶד בֵּן, לַמּוֹעֵד הַזֶּה כָּעֵת חַיָּה, אֲשֶׁר-דִּבֶּר אֵלֶיהָ אֱלִישָׁע. יח וַיִּגְדַּל, הַיָּלֶד; וַיְהִי הַיּוֹם, וַיֵּצֵא אֶל-אָבִיו אֶל-הַקֹּצְרִים. יט וַיֹּאמֶר אֶל-אָבִיו, רֹאשִׁי רֹאשִׁי; וַיֹּאמֶר, אֶל-הַנַּעַר, שָׂאֵהוּ, אֶל-אִמּוֹ. כ וַיִּשָּׂאֵהוּ--וַיְבִיאֵהוּ, אֶל-אִמּוֹ; וַיֵּשֶׁב עַל-בִּרְכֶּיהָ עַד-הַצָּהֳרַיִם, וַיָּמֹת. כא וַתַּעַל, וַתַּשְׁכִּבֵהוּ, עַל-מִטַּת, אִישׁ הָאֱלֹהִים; וַתִּסְגֹּר בַּעֲדוֹ, וַתֵּצֵא. כב וַתִּקְרָא, אֶל-אִישָׁהּ, וַתֹּאמֶר שִׁלְחָה נָא לִי אֶחָד מִן-הַנְּעָרִים, וְאַחַת הָאֲתֹנוֹת; וְאָרוּצָה עַד-אִישׁ הָאֱלֹהִים, וְאָשׁוּבָה. כג וַיֹּאמֶר, מַדּוּעַ אתי (אַתְּ) הלכתי (הֹלֶכֶת) אֵלָיו הַיּוֹם--לֹא-חֹדֶשׁ, וְלֹא שַׁבָּת; וַתֹּאמֶר, שָׁלוֹם. כד וַתַּחֲבֹשׁ, הָאָתוֹן, וַתֹּאמֶר אֶל-נַעֲרָהּ, נְהַג וָלֵךְ; אַל-תַּעֲצָר-לִי לִרְכֹּב, כִּי אִם-אָמַרְתִּי לָךְ. כה וַתֵּלֶךְ, וַתָּבֹא אֶל-אִישׁ הָאֱלֹהִים--אֶל-הַר הַכַּרְמֶל; וַיְהִי כִּרְאוֹת אִישׁ-הָאֱלֹהִים אֹתָהּ, מִנֶּגֶד, וַיֹּאמֶר אֶל-גֵּיחֲזִי נַעֲרוֹ, הִנֵּה הַשּׁוּנַמִּית הַלָּז. כו עַתָּה, רוּץ-נָא לִקְרָאתָהּ, וֶאֱמָר-לָהּ הֲשָׁלוֹם לָךְ הֲשָׁלוֹם לְאִישֵׁךְ, הֲשָׁלוֹם לַיָּלֶד; וַתֹּאמֶר, שָׁלוֹם. כז וַתָּבֹא אֶל-אִישׁ הָאֱלֹהִים, אֶל-הָהָר, וַתַּחֲזֵק, בְּרַגְלָיו; וַיִּגַּשׁ גֵּיחֲזִי לְהָדְפָהּ, וַיֹּאמֶר אִישׁ הָאֱלֹהִים הַרְפֵּה-לָהּ כִּי-נַפְשָׁהּ מָרָה-לָהּ, וַיהוָה הֶעְלִים מִמֶּנִּי, וְלֹא הִגִּיד לִי. כח וַתֹּאמֶר, הֲשָׁאַלְתִּי בֵן מֵאֵת אֲדֹנִי; הֲלֹא אָמַרְתִּי, לֹא תַשְׁלֶה אֹתִי. כט וַיֹּאמֶר לְגֵיחֲזִי חֲגֹר מָתְנֶיךָ, וְקַח מִשְׁעַנְתִּי בְיָדְךָ וָלֵךְ, כִּי-תִמְצָא אִישׁ לֹא תְבָרְכֶנּוּ, וְכִי-יְבָרֶכְךָ אִישׁ לֹא תַעֲנֶנּוּ; וְשַׂמְתָּ מִשְׁעַנְתִּי, עַל-פְּנֵי הַנָּעַר. ל וַתֹּאמֶר אֵם הַנַּעַר, חַי-יְהוָה וְחֵי-נַפְשְׁךָ אִם-אֶעֶזְבֶךָּ; וַיָּקָם, וַיֵּלֶךְ אַחֲרֶיהָ. לא וְגֵחֲזִי עָבַר לִפְנֵיהֶם, וַיָּשֶׂם אֶת-הַמִּשְׁעֶנֶת עַל-פְּנֵי הַנַּעַר, וְאֵין קוֹל, וְאֵין קָשֶׁב; וַיָּשָׁב לִקְרָאתוֹ וַיַּגֶּד-לוֹ לֵאמֹר, לֹא הֵקִיץ הַנָּעַר. לב וַיָּבֹא אֱלִישָׁע, הַבָּיְתָה; וְהִנֵּה הַנַּעַר מֵת, מֻשְׁכָּב עַל-מִטָּתוֹ. לג וַיָּבֹא, וַיִּסְגֹּר הַדֶּלֶת בְּעַד שְׁנֵיהֶם; וַיִּתְפַּלֵּל, אֶל-יְהוָה. לד וַיַּעַל וַיִּשְׁכַּב עַל-הַיֶּלֶד, וַיָּשֶׂם פִּיו עַל-פִּיו וְעֵינָיו עַל-עֵינָיו וְכַפָּיו עַל-כַּפָּו, וַיִּגְהַר, עָלָיו; וַיָּחָם, בְּשַׂר הַיָּלֶד. לה וַיָּשָׁב וַיֵּלֶךְ בַּבַּיִת, אַחַת הֵנָּה וְאַחַת הֵנָּה, וַיַּעַל, וַיִּגְהַר עָלָיו; וַיְזוֹרֵר הַנַּעַר עַד-שֶׁבַע פְּעָמִים, וַיִּפְקַח הַנַּעַר אֶת-עֵינָיו. לו וַיִּקְרָא אֶל-גֵּיחֲזִי, וַיֹּאמֶר קְרָא אֶל-הַשֻּׁנַמִּית הַזֹּאת, וַיִּקְרָאֶהָ, וַתָּבֹא אֵלָיו; וַיֹּאמֶר, שְׂאִי בְנֵךְ. לז וַתָּבֹא וַתִּפֹּל עַל-רַגְלָיו, וַתִּשְׁתַּחוּ אָרְצָה; וַתִּשָּׂא אֶת-בְּנָהּ, וַתֵּצֵא. {פ} לח וֶאֱלִישָׁע שָׁב הַגִּלְגָּלָה, וְהָרָעָב בָּאָרֶץ, וּבְנֵי הַנְּבִיאִים, יֹשְׁבִים לְפָנָיו; וַיֹּאמֶר לְנַעֲרוֹ, שְׁפֹת הַסִּיר הַגְּדוֹלָה, וּבַשֵּׁל נָזִיד, לִבְנֵי הַנְּבִיאִים. לט וַיֵּצֵא אֶחָד אֶל-הַשָּׂדֶה, לְלַקֵּט אֹרֹת, וַיִּמְצָא גֶּפֶן שָׂדֶה, וַיְלַקֵּט מִמֶּנּוּ פַּקֻּעֹת שָׂדֶה מְלֹא בִגְדוֹ; וַיָּבֹא, וַיְפַלַּח אֶל-סִיר הַנָּזִיד--כִּי-לֹא יָדָעוּ. מ וַיִּצְקוּ לַאֲנָשִׁים, לֶאֱכוֹל; וַיְהִי כְּאָכְלָם מֵהַנָּזִיד וְהֵמָּה צָעָקוּ, וַיֹּאמְרוּ מָוֶת בַּסִּיר אִישׁ הָאֱלֹהִים, וְלֹא יָכְלוּ, לֶאֱכֹל. מא וַיֹּאמֶר, וּקְחוּ-קֶמַח, וַיַּשְׁלֵךְ, אֶל-הַסִּיר; וַיֹּאמֶר, צַק לָעָם וְיֹאכֵלוּ, וְלֹא הָיָה דָּבָר רָע, בַּסִּיר. {ס} מב וְאִישׁ בָּא מִבַּעַל שָׁלִשָׁה, וַיָּבֵא לְאִישׁ הָאֱלֹהִים לֶחֶם בִּכּוּרִים עֶשְׂרִים-לֶחֶם שְׂעֹרִים, וְכַרְמֶל, בְּצִקְלֹנוֹ; וַיֹּאמֶר, תֵּן לָעָם וְיֹאכֵלוּ. מג וַיֹּאמֶר, מְשָׁרְתוֹ, מָה אֶתֵּן זֶה, לִפְנֵי מֵאָה אִישׁ; וַיֹּאמֶר, תֵּן לָעָם וְיֹאכֵלוּ--כִּי כֹה אָמַר יְהוָה, אָכֹל וְהוֹתֵר. מד וַיִּתֵּן לִפְנֵיהֶם וַיֹּאכְלוּ וַיּוֹתִרוּ, כִּדְבַר יְהוָה. {פ}


- Griekse tekst - Septuaginta

1kai gunè mia apo tôn uiôn tôn profètôn eboa pros elisaie legousa o doulos sou o anèr mou apethanen kai su egnôs oti doulos èn foboumenos ton kurion kai o danistès èlthen labein tous duo uious mou eautô eis doulous2kai eipen elisaie ti poièsô soi anaggeilon moi ti estin soi en tô oikô è de eipen ouk estin tè doulè sou outhen en tô oikô oti all' è o aleipsomai elaion3kai eipen pros autèn deuro aitèson sautè skeuè exôthen para pantôn tôn geitonôn sou skeuè kena mè oligôsès4kai eiseleusè kai apokleiseis tèn thuran kata sou kai kata tôn uiôn sou kai apocheeis eis ta skeuè tauta kai to plèrôthen areis5kai apèlthen par' autou kai epoièsen outôs kai apekleisen tèn thuran kat' autès kai kata tôn uiôn autès autoi prosèggizon pros autèn kai autè epecheen6eôs eplèsthèsan ta skeuè kai eipen pros tous uious autès eggisate eti pros me skeuos kai eipon autè ouk estin eti skeuos kai estè to elaion7kai èlthen kai apèggeilen tô anthrôpô tou theou kai eipen elisaie deuro kai apodou to elaion kai apoteiseis tous tokous sou kai su kai oi uioi sou zèsesthe en tô epiloipô elaiô8kai egeneto èmera kai diebè elisaie eis souman kai ekei gunè megalè kai ekratèsen auton fagein arton kai egeneto af' ikanou tou eisporeuesthai auton exeklinen tou ekei fagein9kai eipen è gunè pros ton andra autès idou dè egnôn oti anthrôpos tou theou agios outos diaporeuetai ef' èmas dia pantos10poièsômen dè autô uperôon topon mikron kai thômen autô ekei klinèn kai trapezan kai difron kai luchnian kai estai en tô eisporeuesthai pros èmas kai ekklinei ekei11kai egeneto èmera kai eisèlthen ekei kai exeklinen eis to uperôon kai ekoimèthè ekei12kai eipen pros giezi to paidarion autou kaleson moi tèn sômanitin tautèn kai ekalesen autèn kai estè enôpion autou13kai eipen autô eipon dè pros autèn idou exestèsas èmin pasan tèn ekstasin tautèn ti dei poièsai soi ei estin logos soi pros ton basilea è pros ton archonta tès dunameôs è de eipen en mesô tou laou mou egô eimi oikô14kai eipen ti dei poièsai autè kai eipen giezi to paidarion autou kai mala uios ouk estin autè kai o anèr autès presbutès15kai ekalesen autèn kai estè para tèn thuran16kai eipen elisaie pros autèn eis ton kairon touton ôs è ôra zôsa su perieilèfuia uion è de eipen mè kurie mou mè diapseusè tèn doulèn sou17kai en gastri elaben è gunè kai eteken uion eis ton kairon touton ôs è ôra zôsa ôs elalèsen pros autèn elisaie18kai èdrunthè to paidarion kai egeneto ènika exèlthen to paidarion pros ton patera autou pros tous therizontas19kai eipen pros ton patera autou tèn kefalèn mou tèn kefalèn mou kai eipen tô paidariô aron auton pros tèn mètera autou20kai èren auton pros tèn mètera autou kai ekoimèthè epi tôn gonatôn autès eôs mesèmbrias kai apethanen21kai anènegken auton kai ekoimisen auton epi tèn klinèn tou anthrôpou tou theou kai apekleisen kat' autou kai exèlthen22kai ekalesen ton andra autès kai eipen aposteilon dè moi en tôn paidariôn kai mian tôn onôn kai dramoumai eôs tou anthrôpou tou theou kai epistrepsô23kai eipen ti oti su poreuè pros auton sèmeron ou neomènia oude sabbaton è de eipen eirènè24kai epesaxen tèn onon kai eipen pros to paidarion autès age poreuou mè epischès moi tou epibènai oti ean eipô soi25deuro kai poreusè kai eleusè pros ton anthrôpon tou theou eis to oros to karmèlion kai egeneto ôs eiden elisaie erchomenèn autèn kai eipen pros giezi to paidarion autou idou dè è sômanitis ekeinè26nun drame eis apantèn autès kai ereis ei eirènè soi ei eirènè tô andri sou ei eirènè tô paidariô è de eipen eirènè27kai èlthen pros elisaie eis to oros kai epelabeto tôn podôn autou kai èggisen giezi apôsasthai autèn kai eipen elisaie afes autèn oti è psuchè autès katôdunos autè kai kurios apekrupsen ap' emou kai ouk anèggeilen moi28è de eipen mè ètèsamèn uion para tou kuriou mou ouk eipa ou planèseis met' emou29kai eipen elisaie tô giezi zôsai tèn osfun sou kai labe tèn baktèrian mou en tè cheiri sou kai deuro oti ean eurès andra ouk eulogèseis auton kai ean eulogèsè se anèr ouk apokrithèsè autô kai epithèseis tèn baktèrian mou epi prosôpon tou paidariou30kai eipen è mètèr tou paidariou zè kurios kai zè è psuchè sou ei egkataleipsô se kai anestè elisaie kai eporeuthè opisô autès31kai giezi dièlthen emprosthen autès kai epethèken tèn baktèrian epi prosôpon tou paidariou kai ouk èn fônè kai ouk èn akroasis kai epestrepsen eis apantèn autou kai apèggeilen autô legôn ouk ègerthè to paidarion32kai eisèlthen elisaie eis ton oikon kai idou to paidarion tethnèkos kekoimismenon epi tèn klinèn autou33kai eisèlthen elisaie eis ton oikon kai apekleisen tèn thuran kata tôn duo eautôn kai prosèuxato pros kurion34kai anebè kai ekoimèthè epi to paidarion kai ethèken to stoma autou epi to stoma autou kai tous ofthalmous autou epi tous ofthalmous autou kai tas cheiras autou epi tas cheiras autou kai diekampsen ep' auton kai diethermanthè è sarx tou paidariou35kai epestrepsen kai eporeuthè en tè oikia enthen kai enthen kai anebè kai sunekampsen epi to paidarion eôs eptakis kai ènoixen to paidarion tous ofthalmous autou36kai exeboèsen elisaie pros giezi kai eipen kaleson tèn sômanitin tautèn kai ekalesen kai eisèlthen pros auton kai eipen elisaie labe ton uion sou37kai eisèlthen è gunè kai epesen epi tous podas autou kai prosekunèsen epi tèn gèn kai elaben ton uion autès kai exèlthen38kai elisaie epestrepsen eis galgala kai o limos en tè gè kai oi uioi tôn profètôn ekathènto enôpion autou kai eipen elisaie tô paidariô autou epistèson ton lebèta ton megan kai epse epsema tois uiois tôn profètôn39kai exèlthen eis eis ton agron sullexai ariôth kai euren ampelon en tô agrô kai sunelexen ap' autès tolupèn agrian plères to imation autou kai enebalen eis ton lebèta tou epsematos oti ouk egnôsan40kai enechei tois andrasin fagein kai egeneto en tô esthiein autous ek tou epsèmatos kai idou aneboèsan kai eipon thanatos en tô lebèti anthrôpe tou theou kai ouk èdunanto fagein41kai eipen labete aleuron kai embalete eis ton lebèta kai eipen elisaie pros giezi to paidarion egchei tô laô kai esthietôsan kai ouk egenèthè eti ekei rèma ponèron en tô lebèti42kai anèr dièlthen ek baithsarisa kai ènegken pros ton anthrôpon tou theou prôtogenèmatôn eikosi artous krithinous kai palathas kai eipen dote tô laô kai esthietôsan43kai eipen o leitourgos autou ti dô touto enôpion ekaton andrôn kai eipen dos tô laô kai esthietôsan oti tade legei kurios fagontai kai kataleipsousin44kai efagon kai katelipon kata to rèma kuriou

ΚΑΙ γυνὴ μία ἀπὸ τῶν υἱῶν τῶν προφητῶν ἐβόα πρὸς τὸν ῾Ελισαιὲ λέγουσα· ὁ δοῦλός σου ἀνήρ μου ἀπέθανε, καὶ σὺ ἔγνως ὅτι δοῦλός σου ἦν φοβούμενος τὸν Κύριον· καὶ ὁ δανειστὴς ἦλθε λαβεῖν τοὺς δύο υἱούς μου ἑαυτῷ εἰς δούλους. 2 καὶ εἶπεν ῾Ελισαιέ· τί ποιήσω σοι; ἀνάγγειλόν μοι τί ἔστι σοι ἐν τῷ οἴκῳ. ἡ δὲ εἶπεν· οὐκ ἔστι τῇ δούλῃ σου οὐδὲν ἐν τῷ οἴκῳ, ὅτι ἀλλ᾿ ἢ ὃ ἀλείψομαι ἔλαιον. 3 καὶ εἶπε πρὸς αὐτήν· δεῦρο αἴτησαι σεαυτῇ σκεύη ἔξωθεν παρὰ πάντων τῶν γειτόνων σκεύη κενά, μὴ ὀλιγώσῃς. 4 καὶ εἰσελεύσῃ καὶ ἀποκλείσεις τὴν θύραν κατὰ σοῦ καὶ κατὰ τῶν υἱῶν σου καὶ ἀποχεεῖς εἰς τὰ σκεύη ταῦτα καὶ τὸ πληρωθὲν ἀρεῖς. 5 καὶ ἀπῆλθε παρ᾿ αὐτοῦ, καὶ ἀπέκλεισε τὴν θύραν καθ᾿ ἑαυτῆς καὶ κατὰ τῶν υἱῶν αὐτῆς· αὐτοὶ προσήγγιζον πρὸς αὐτήν, καὶ αὐτὴ ἐπέχεεν ἕως ἐπλήσθησαν τὰ σκεύη. 6 καὶ εἶπε πρὸς τοὺς υἱοὺς αὐτῆς· ἐγγίσατε ἔτι πρός με τὸ σκεῦος· καὶ εἶπον αὐτῇ· οὐκ ἔστιν ἔτι σκεῦος· καὶ ἔστη τὸ ἔλαιον. 7 καὶ ἦλθε καὶ ἀπήγγειλε τῷ ἀνθρώπῳ τοῦ Θεοῦ, καὶ εἶπεν ῾Ελισαιέ· δεῦρο καὶ ἀπόδου τὸ ἔλαιον καὶ ἀποτίσεις τοὺς τόκους σου, καὶ σὺ καὶ οἱ υἱοί σου ζήσεσθε ἐν τῷ ἐπιλοίπῳ ἐλαίῳ. 8 καὶ ἐγένετο ἡμέρα καὶ διέβη ῾Ελισαιὲ εἰς Σωμάν, καὶ ἐκεῖ γυνὴ μεγάλη καὶ ἐκράτησεν αὐτὸν φαγεῖν ἄρτον. καὶ ἐγένετο ἀφ᾿ ἱκανοῦ τοῦ εἰσπορεύεσθαι αὐτὸν ἐξέκλινε τοῦ ἐκεῖ φαγεῖν. 9 καὶ εἶπεν ἡ γυνὴ πρὸς τὸν ἄνδρα αὐτῆς· ἰδοὺ δὴ ἔγνων ὅτι ἄνθρωπος τοῦ Θεοῦ ἅγιος οὗτος διαπορεύεται ἐφ᾿ ἡμᾶς διὰ παντός. 10 ποιήσωμεν δὴ αὐτῷ ὑπερῷον τόπον μικρὸν καὶ θῶμεν αὐτῷ ἐκεῖ κλίνην καὶ τράπεζαν καὶ δίφρον καὶ λυχνίαν. καὶ ἔσται ἐν τῷ εἰσπορεύεσθαι πρὸς ἡμᾶς καὶ ἐκκλινεῖ ἐκεῖ. 11 καὶ ἐγένετο ἡμέρα καὶ εἰσῆλθεν ἐκεῖ καὶ ἐξέκλινεν εἰς τὸ ὑπερῷον καὶ ἐκοιμήθη ἐκεῖ. 12 καὶ εἶπε πρὸς Γιεζὶ τὸ παιδάριον αὐτοῦ· κάλεσόν μοι τὴν Σωμανῖτιν ταύτην· καὶ ἐκάλεσεν αὐτήν, καὶ ἔστη ἐνώπιον αὐτοῦ. 13 καὶ εἶπεν αὐτῷ· εἰπὸν δὴ πρὸς αὐτήν· ἰδοὺ ἐξέστησας ἡμῖν πᾶσαν τὴν ἔκστασιν ταύτην· τί δεῖ ποιῆσαί σοι; εἰ ἔστι λόγος σοι πρὸς τὸν βασιλέα ἢ πρὸς τὸν ἄρχοντα τῆς δυνάμεως; ἡ δὲ εἶπεν· ἐν μέσῳ τοῦ λαοῦ ἐγώ εἰμι οἰκῶ. 14 καὶ εἶπε πρὸς Γιεζί· τί δεῖ ποιῆσαι αὐτῇ; καὶ εἶπε Γιεζὶ τὸ παιδάριον αὐτοῦ· καὶ μάλα υἱὸς οὐκ ἔστιν αὐτῇ, καὶ ὁ ἀνὴρ αὐτῆς πρεσβύτης. 15 καὶ ἐκάλεσεν αὐτήν, καὶ ἔστη παρὰ τὴν θύραν. 16 καὶ εἶπεν ῾Ελισαιὲ πρὸς αὐτήν· εἰς τὸν καιρὸν τοῦτον, ὡς ἡ ὥρα, ζῶσα σὺ περιειληφυῖα υἱόν. ἡ δὲ εἶπε· μὴ Κύριε, μὴ διαψεύσῃ τὴν δούλην σου. 17 καὶ ἐν γαστρὶ ἔλαβεν ἡ γυνὴ καὶ ἔτεκεν υἱὸν εἰς τὸν καιρὸν τοῦτον, ὡς ἡ ὥρα, ζῶσα, ὡς ἐλάλησε πρὸς αὐτὴν ῾Ελισαιέ. 18 καὶ ἡδρύνθη τὸ παιδάριον· καὶ ἐγένετο ἡνίκα ἐξῆλθε πρὸς τὸν πατέρα αὐτοῦ πρὸς τοὺς θερίζοντας, 19 καὶ εἶπε πρὸς τὸν πατέρα αὐτοῦ· τὴν κεφαλήν μου, τὴν κεφαλήν μου· καὶ εἶπε τῷ παιδαρίῳ· ἆρον αὐτὸν πρὸς τὴν μητέρα αὐτοῦ. 20 καὶ ᾖρεν αὐτὸν πρὸς τὴν μητέρα αὐτοῦ, καὶ ἐκοιμήθη ἐπὶ τῶν γονάτων αὐτῆς ἕως μεσημβρίας καὶ ἀπέθανε. 21 καὶ ἀνήνεγκεν αὐτὸν καὶ ἐκοίμισεν αὐτὸν ἐπὶ τὴν κλίνην τοῦ ἀνθρώπου τοῦ Θεοῦ καὶ ἀπέκλεισε κατ᾿ αὐτοῦ καὶ ἐξῆλθε. 22 καὶ ἐκάλεσε τὸν ἄνδρα αὐτῆς καὶ εἶπεν· ἀπόστειλον δή μοι ἓν τῶν παιδαρίων καὶ μίαν τῶν ὄνων, καὶ δραμοῦμαι ἕως τοῦ ἀνθρώπου τοῦ Θεοῦ καὶ ἐπιστρέψω. 23 καὶ εἶπε· τί ὅτι σὺ πορεύῃ πρὸς αὐτὸν σήμερον; οὐ νεομηνία οὐδὲ σάββατον. ἡ δὲ εἶπεν· εἰρήνη. 24 καὶ ἐπέσαξε τὴν ὄνον καὶ εἶπε πρὸς τὸ παιδάριον αὐτῆς· ἄγε πορεύου, μὴ ἐπίσχῃς μοι τοῦ ἐπιβῆναι, ὅτι ἐὰν εἴπω σοι· δεῦρο καὶ πορεύσῃ καὶ ἐλεύσῃ πρὸς τὸν ἄνθρωπον τοῦ Θεοῦ εἰς ὄρος τὸ Καρμήλιον. 25 καὶ ἐπορεύθη καὶ ἦλθεν ἕως τοῦ ἀνθρώπου τοῦ Θεοῦ εἰς τὸ ὄρος. καὶ ἐγένετο ὡς εἶδεν ῾Ελισαιὲ ἐρχομένην αὐτήν, καὶ εἶπε πρὸς Γιεζὶ τὸ παιδάριον αὐτοῦ· ἰδοὺ δὴ ἡ Σωμανῖτις ἐκείνη· 26 νῦν δράμε εἰς ἀπαντὴν αὐτῆς καὶ ἐρεῖς· εἰ εἰρήνη σοι; εἰ εἰρήνη τῷ ἀνδρί σου; εἰ εἰρήνη τῷ παιδαρίῳ; ἡ δὲ εἶπεν· εἰρήνη. 27 καὶ ἦλθε πρὸς ῾Ελισαιὲ εἰς τὸ ὄρος καὶ ἐπελάβετο τῶν ποδῶν αὐτοῦ. καὶ ἤγγισε Γιεζὶ ἀπώσασθαι αὐτήν, καὶ εἶπεν ῾Ελισαιέ· ἄφες αὐτήν, ὅτι ἡ ψυχὴ αὐτῆς κατώδυνος αὐτῇ, καὶ Κύριος ἀπέκρυψεν ἀπ᾿ ἐμοῦ καὶ οὐκ ἀνήγγειλέ μοι. 28 ἡ δὲ εἶπε· μὴ ᾐτησάμην υἱὸν παρὰ τοῦ Κυρίου μου; ὅτι οὐκ εἶπα· οὐ πλανήσεις μετ᾿ ἐμοῦ; 29 καὶ εἶπεν ῾Ελισαιὲ τῷ Γιεζί· ζῶσαι τὴν ὀσφύν σου καὶ λαβὲ τὴν βακτηρίαν μου ἐν τῇ χειρί σου καὶ δεῦρο· ὅτι ἐὰν εὕρῃς ἄνδρα, οὐκ εὐλογήσεις αὐτόν, καὶ ἐὰν εὐλογήσῃ σε ἀνήρ, οὐκ ἀποκριθήσῃ αὐτῷ· καὶ ἐπιθήσεις τὴν βακτηρίαν μου ἐπὶ πρόσωπον τοῦ παιδαρίου. 30 καὶ εἶπεν ἡ μήτηρ τοῦ παιδαρίου· ζῇ Κύριος καὶ ζῇ ἡ ψυχή σου, εἰ ἐγκαταλείψω σε· καὶ ἀνέστη ῾Ελισαιὲ καὶ ἐπορεύθη ὀπίσω αὐτῆς. 31 καὶ Γιεζὶ διῆλθεν ἔμπροσθεν αὐτῆς καὶ ἐπέθηκε τὴν βακτηρίαν ἐπὶ πρόσωπον τοῦ παιδαρίου, καὶ οὐκ ἦν φωνὴ καὶ οὐκ ἦν ἀκρόασις· καὶ ἐπέστρεψεν εἰς ἀπαντὴν αὐτοῦ καὶ ἀπήγγειλεν αὐτῷ λέγων· οὐκ ἠγέρθη τὸ παιδάριον. 32 καὶ εἰσῆλθεν ῾Ελισαιὲ εἰς τὸν οἶκον καὶ ἰδοὺ τὸ παιδάριον τεθνηκὸς κεκοιμισμένον ἐπὶ τὴν κλίνην αὐτοῦ. 33 καὶ εἰσῆλθεν ῾Ελισαιὲ εἰς τὸν οἶκον καὶ ἀπέκλεισε τὴν θύραν κατὰ τῶν δύο ἑαυτῶν καὶ προσηύξατο πρὸς Κύριον· 34 καὶ ἀνέβη καὶ ἐκοιμήθη ἐπὶ τὸ παιδάριον καὶ ἔθηκε τὸ στόμα αὐτοῦ ἐπὶ τὸ στόμα αὐτοῦ καὶ τοὺς ὀφθαλμοὺς αὐτοῦ ἐπὶ τοὺς ὀφθαλμοὺς αὐτοῦ καὶ τὰς χεῖρας αὐτοῦ ἐπὶ τὰς χεῖρας αὐτοῦ καὶ διέκαμψεν ἐπ᾿ αὐτόν, καὶ διεθερμάνθη ἡ σάρξ τοῦ παιδαρίου. 35 καὶ ἐπέστρεψε καὶ ἐπορεύθη ἐν τῇ οἰκίᾳ ἔνθεν καὶ ἔνθεν καὶ ἀνέβη καὶ συνέκαμψεν ἐπὶ τὸ παιδάριον ἕως ἑπτάκις, καὶ ἤνοιξε τὸ παιδάριον τοὺς ὀφθαλμοὺς αὐτοῦ. 36 καὶ ἐξεβόησε ῾Ελισαιὲ πρὸς Γιεζὶ καὶ εἶπε· κάλεσον τὴν Σωμανῖτιν ταύτην· καὶ ἐκάλεσε, καὶ εἰσῆλθε πρὸς αὐτόν. καὶ εἶπεν ῾Ελισαιέ· λάβε τὸν υἱόν σου. 37 καὶ εἰσῆλθεν ἡ γυνὴ καὶ ἔπεσεν ἐπὶ τοὺς πόδας αὐτοῦ καὶ προσεκύνησεν ἐπὶ τὴν γῆν καὶ ἔλαβε τὸν υἱὸν αὐτῆς καὶ ἐξῆλθε. 38 καὶ ῾Ελισαιὲ ἐπέστρεψεν εἰς Γάλγαλα, καὶ ὁ λιμὸς ἐν τῇ γῇ, καὶ υἱοὶ τῶν προφητῶν ἐκάθηντο ἐνώπιον αὐτοῦ. καὶ εἶπεν ῾Ελισαιὲ τῷ παιδαρίῳ αὐτοῦ· ἐπίστησεν τὸν λέβητα τὸν μέγαν καὶ ἕψε ἕψεμα τοῖς υἱοῖς τῶν προφητῶν. 39 καὶ ἐξῆλθεν εἰς τὸν ἀγρὸν συλλέξαι ἀριὼθ καὶ εὗρεν ἄμπελον ἐν τῷ ἀγρῷ καὶ συνέλεξεν ἀπ᾿ αὐτῆς τολύπην ἀγρίαν πλῆρες τὸ ἱμάτιον αὐτοῦ καὶ ἐνέβαλεν εἰς τὸν λέβητα τοῦ ἑψέματος, ὅτι οὐκ ἔγνωσαν. 40 καὶ ἐνέχει τοῖς ἀνδράσι φαγεῖν, καὶ ἐγένετο ἐν τῷ ἐσθίειν αὐτοὺς ἐκ τοῦ ἑψέματος καὶ ἰδοὺ ἀνεβόησαν καὶ εἶπαν· θάνατος ἐν τῷ λέβητι, ἄνθρωπε τοῦ Θεοῦ· καὶ οὐκ ἠδύναντο φαγεῖν. 41 καὶ εἶπε· λάβετε ἄλευρον καὶ ἐμβάλετε εἰς τὸν λέβητα· καὶ εἶπεν ῾Ελισαιὲ πρὸς Γιεζὶ τὸ παιδάριον· ἔγχει τῷ λαῷ καὶ ἐσθιέτωσαν· καὶ οὐκ ἐγενήθη ἐκεῖ ἔτι ρῆμα πονηρὸν ἐν τῷ λέβητι. 42 καὶ ἀνὴρ διῆλθεν ἐκ Βαιθσαρισὰ καὶ ἤνεγκε πρὸς τὸν ἄνθρωπον τοῦ Θεοῦ πρωτογεννημάτων εἴκοσιν ἄρτους κριθίνους καὶ παλάθας, καὶ εἶπε· δότε τῷ λαῷ καὶ ἐσθιέτωσαν. 43 καὶ εἶπεν ὁ λειτουργὸς αὐτοῦ· τί δῶ τοῦτο ἐνώπιον ἑκατὸν ἀνδρῶν; καὶ εἶπε· δὸς τῷ λαῷ καὶ ἐσθιέτωσαν, ὅτι τάδε λέγει Κύριος· φάγονται καὶ καταλείψουσι. 44 καὶ ἔφαγον καὶ κατέλιπον κατὰ τὸ ρῆμα Κυρίου.


- Vulgata

1 mulier autem quaedam de uxoribus prophetarum clamabat ad Heliseum dicens servus tuus vir meus mortuus est et tu nosti quia servus tuus fuit timens Dominum et ecce creditor venit ut tollat duos filios meos ad serviendum sibi 2 cui dixit Heliseus quid vis ut faciam tibi dic mihi quid habes in domo tua at illa respondit non habeo ancilla tua quicquam in domo mea nisi parum olei quo unguear 3 cui ait vade pete mutuo ab omnibus vicinis tuis vasa vacua non pauca 4 et ingredere et claude ostium cum intrinsecus fueris tu et filii tui et mitte inde in omnia vasa haec et cum plena fuerint tolles 5 ivit itaque mulier et clusit ostium super se et super filios suos illi offerebant vasa et illa infundebat 6 cumque plena fuissent vasa dixit ad filium suum adfer mihi adhuc vas et ille respondit non habeo stetitque oleum 7 venit autem illa et indicavit homini Dei et ille vade inquit vende oleum et redde creditori tuo tu autem et filii tui vivite de reliquo 8 facta est autem quaedam dies et transiebat Heliseus per Sunam erat autem ibi mulier magna quae tenuit eum ut comederet panem cumque frequenter inde transiret devertebat ad eam ut comederet panem 9 quae dixit ad virum suum animadverto quod vir Dei sanctus est iste qui transit per nos frequenter 10 faciamus ergo cenaculum parvum et ponamus ei in eo lectulum et mensam et sellam et candelabrum ut cum venerit ad nos maneat ibi 11 facta est igitur dies quaedam et veniens devertit in cenaculum et requievit ibi 12 dixitque ad Giezi puerum suum voca Sunamitin istam qui cum vocasset eam et illa stetisset coram eo 13 dixit ad puerum loquere ad eam ecce sedule in omnibus ministrasti nobis quid vis ut faciam tibi numquid habes negotium et vis ut loquar regi sive principi militiae quae respondit in medio populi mei habito 14 et ait quid ergo vult ut faciam ei dixitque Giezi ne quaeras filium enim non habet et vir eius senex est 15 praecepit itaque ut vocaret eam quae cum vocata fuisset et stetisset ad ostium 16 dixit ad eam in tempore isto et in hac eadem hora si vita comes fuerit habebis in utero filium at illa respondit noli quaeso domine mi vir Dei noli mentiri ancillae tuae 17 et concepit mulier et peperit filium in tempore et in hora eadem quam dixerat Heliseus 18 crevit autem puer et cum esset quaedam dies et egressus isset ad patrem suum ad messores 19 ait patri suo caput meum caput meum at ille dixit puero tolle et duc eum ad matrem suam 20 qui cum tulisset et adduxisset eum ad matrem suam posuit eum illa super genua sua usque ad meridiem et mortuus est 21 ascendit autem et conlocavit eum super lectulum hominis Dei et clusit ostium et egressa 22 vocavit virum suum et ait mitte mecum obsecro unum de pueris et asinam ut excurram usque ad hominem Dei et revertar 23 qui ait illi quam ob causam vadis ad eum hodie non sunt kalendae neque sabbatum quae respondit vale 24 stravitque asinam et praecepit puero mina et propera ne mihi moram facias in eundo et hoc age quod praecipio tibi 25 profecta est igitur et venit ad virum Dei in montem Carmeli cumque vidisset eam vir Dei de contra ait ad Giezi puerum suum ecce Sunamitis illa 26 vade ergo in occursum eius et dic ei rectene agitur circa te et circa virum tuum et circa filium tuum quae respondit recte 27 cumque venisset ad virum Dei in monte adprehendit pedes eius et accessit Giezi ut amoveret eam et ait homo Dei dimitte illam anima enim eius in amaritudine est et Dominus celavit me et non indicavit mihi 28 quae dixit illi numquid petivi filium a domino meo numquid non dixi tibi ne inludas me 29 et ille ait ad Giezi accinge lumbos tuos et tolle baculum meum in manu tua et vade si occurrerit tibi homo non salutes eum et si salutaverit te quispiam non respondeas illi et pones baculum meum super faciem pueri 30 porro mater pueri ait vivit Dominus et vivit anima tua non dimittam te surrexit ergo et secutus est eam 31 Giezi autem praecesserat eos et posuerat baculum super faciem pueri et non erat vox neque sensus reversusque est in occursum eius et nuntiavit ei dicens non surrexit puer 32 ingressus est ergo Heliseus domum et ecce puer mortuus iacebat in lectulo eius 33 ingressusque clusit ostium super se et puerum et oravit ad Dominum 34 et ascendit et incubuit super puerum posuitque os suum super os eius et oculos suos super oculos eius et manus suas super manus eius et incurvavit se super eum et calefacta est caro pueri 35 at ille reversus deambulavit in domo semel huc et illuc et ascendit et incubuit super eum et oscitavit puer septies aperuitque oculos 36 et ille vocavit Giezi et dixit ei voca Sunamitin hanc quae vocata ingressa est ad eum qui ait tolle filium tuum 37 venit illa et corruit ad pedes eius et adoravit super terram tulitque filium suum et egressa est 38 et Heliseus reversus est in Galgala erat autem fames in terra et filii prophetarum habitabant coram eo dixitque uni de pueris suis pone ollam grandem et coque pulmentum filiis prophetarum 39 et egressus est unus in agrum ut colligeret herbas agrestes invenitque quasi vitem silvestrem et collegit ex ea colocyntidas agri et implevit pallium suum et reversus concidit in ollam pulmenti nesciebat enim quid esset 40 infuderunt ergo sociis ut comederent cumque gustassent de coctione exclamaverunt dicentes mors in olla vir Dei et non potuerunt comedere 41 at ille adferte inquit farinam et misit in ollam et ait infunde turbae et comedat et non fuit amplius quicquam amaritudinis in olla 42 vir autem quidam venit de Balsalisa deferens viro Dei panes primitiarum et viginti panes hordiacios et frumentum novum in pera sua at ille dixit da populo ut comedat 43 responditque ei minister eius quantum est hoc ut adponam coram centum viris rursum ille da ait populo ut comedat haec enim dicit Dominus comedent et supererit 44 posuit itaque coram eis qui comederunt et superfuit iuxta verbum Domini


- Statenvertaling

1 Een vrouw nu uit de vrouwen van de zonen der profeten riep tot Elisa, zeggende: Uw knecht, mijn man, is gestorven, en gij weet, dat uw knecht den HEERE was vrezende; nu is de schuldheer gekomen, om mijn beide kinderen voor zich tot knechten te nemen. 2 En Elisa zeide tot haar: Wat zal ik u doen? Geef mij te kennen, wat gij in het huis hebt. En zij zeide: Uw dienstmaagd heeft niet met al in het huis, dan een kruik met olie. 3 Toen zeide hij: Ga, eis voor u vaten van buiten, van al uw naburen ledige vaten; maak er niet weinig te hebben. 4 Kom dan in, en sluit de deur voor u en voor uw zonen toe; daarna giet in al die vaten, en zet weg, dat vol is. 5 Zo ging zij van hem, en sloot de deur voor zich en voor haar zonen toe; die brachten haar de vaten toe, en zij goot in. 6 En het geschiedde, als die vaten vol waren, dat zij tot haar zoon zeide: Breng mij nog een vat aan; maar hij zeide tot haar: Er is geen vat meer. En de olie stond stil. 7 Toen kwam zij, en gaf het den man Gods te kennen; en hij zeide: Ga heen, verkoop de olie, en betaal uw schuldheer; gij dan met uw zonen, leef bij het overige. 8 Het geschiedde ook op een dag, als Elisa naar Sunem doortrok, dat aldaar een grote vrouw was, dewelke hem aanhield om brood te eten. Voorts geschiedde het, zo dikwijls hij doortrok, week hij daarin, om brood te eten. 9 En zij zeide tot haar man: Zie nu, ik heb gemerkt, dat deze man Gods heilig is, die bij ons altoos doortrekt. 10 Laat ons toch een kleine opperkamer van een wand maken, en laat ons daar voor hem zetten een bed, en tafel, en stoel, en kandelaar; zo zal het geschieden, wanneer hij tot ons komt, dat hij daar inwijke. 11 En het geschiedde op een dag, dat hij daar kwam; en hij week in die opperkamer, en leide zich daar neder. 12 Toen zeide hij tot zijn jongen Gehazi: Roep deze Sunamietische. En als hij ze geroepen had, stond zij voor zijn aangezicht. 13 (Want hij had hem gezegd: Zeg nu tot haar: Zie, gij zijt zorgvuldig voor ons geweest, met al deze zorgvuldigheid; wat is er voor u te doen? Is er iets om voor u te spreken tot den koning, of tot den krijgsoverste? En zij had gezegd: Ik woon in het midden mijns volks. 14 Toen had hij gezegd: Wat is er dan voor haar te doen? En Gehazi had gezegd: Zij heeft toch geen zoon, en haar man is oud. 15 Daarom had hij gezegd: Roep haar. En als hij ze geroepen had, stond zij in de deur.) 16 En hij zeide: Op dezen gezetten tijd, omtrent dezen tijd des levens zult gij een zoon omhelzen. En zij zeide: Neen, mijn heer, gij, man Gods, lieg tegen uw dienstmaagd niet. 17 En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon op dien gezette tijd, omtrent den tijd des levens, dien Elisa tot haar gesproken had. 18 Toen nu het kind groot werd, geschiedde het op een dag, dat het uitging tot zijn vader, tot de maaiers. 19 En het zeide tot zijn vader: Mijn hoofd, mijn hoofd! Hij dan zeide tot een jongen: Draag hem tot zijn moeder. 20 En hij droeg hem, en bracht hem tot zijn moeder. En hij zat op haar knieën tot aan den middag toe; toen stierf hij. 21 En zij ging op, en leide hem op het bed van den man Gods; daarna sloot zij voor hem toe, en ging uit. 22 En zij riep om haar man, en zeide: Zend mij toch een van de jongens, en een van de ezelinnen, dat ik tot den man Gods lope, en wederkome. 23 En hij zeide: Waarom gaat gij heden tot hem? Het is geen nieuwe maan, noch sabbat. En zij zeide: Het zal wel zijn. 24 Toen zadelde zij de ezelin, en zeide tot haar jongen: Drijf, en ga voort; houd mij niet op voort te rijden, tenzij dan dat ik het u zegge. 25 Alzo toog zij heen, en kwam tot den man Gods, tot den berg Karmel. En het geschiedde, als de man Gods haar van tegenover zag, dat hij tot Gehazi, zijn jongen, zeide: Zie, daar is de Sunamietische. 26 Nu loop toch haar tegemoet, en zeg tot haar: Is het wel met u? Is het wel met uw man? Is het wel met uw kind? En zij zeide: Het is wel. 27 Toen zij nu tot den man Gods op den berg kwam, vatte zij zijn voeten. Maar Gehazi trad toe, om haar af te stoten. Doch de man Gods zeide: Laat ze geworden; want haar ziel is in haar bitterlijk bedroefd, en de HEERE heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd. 28 En zij zeide: Heb ik een zoon van mijn heer begeerd? Zeide ik niet: Bedrieg mij niet? 29 En hij zeide tot Gehazi: Gord uw lenden, en neem mijn staf in uw hand, en ga henen; zo gij iemand vindt, groet hem niet; en zo u iemand groet, antwoord hem niet; en leg mijn staf op het aangezicht van den jongen. 30 Doch de moeder van den jongen zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Hij stond dan op, en volgde haar na. 31 Gehazi nu was voor hun aangezicht doorgegaan; en hij leide den staf op het aangezicht van den jongen; doch er was geen stem, noch opmerking. Zo keerde hij weder hem tegemoet, en bracht hem boodschap, zeggende: De jongen is niet ontwaakt. 32 En toen Elisa in het huis kwam, ziet, zo was de jongen dood, zijnde gelegd op zijn bed. 33 Zo ging hij in, en sloot de deur voor hen beiden toe, en bad tot den HEERE. 34 En hij klom op, en leide zich neder op het kind, en leggende zijn mond op deszelfs mond, en zijn ogen op zijn ogen, en zijn handen op zijn handen, breidde zich over hem uit. En het vlees des kinds werd warm. 35 Daarna kwam hij weder, en wandelde in het huis eens herwaarts, en eens derwaarts, en klom weder op, en breidde zich over hem uit; en de jongen niesde tot zevenmaal toe; daarna deed de jongen zijn ogen open. 36 En hij riep Gehazi, en zeide: Roep deze Sunamietische. En hij riep ze, en zij kwam tot hem; en hij zeide: Neem uw zoon op. 37 Zo kwam zij, en viel voor zijn voeten, en boog zich ter aarde, en zij nam haar zoon op, en ging uit. 38 Als nu Elisa weder te Gilgal kwam, zo was er honger in dat land, en de zonen der profeten zaten voor zijn aangezicht; en hij zeide tot zijn jongen: Zet den groten pot aan, en zied moes voor de zonen der profeten. 39 Toen ging er een uit in het veld, om moeskruiden te lezen, en hij vond een wilden wijnstok, en las daarvan, zijn kleed vol wilde kolokwinten, en kwam, en sneed ze in den moespot; want zij kenden ze niet. 40 Daarna schepten zij voor de mannen op om te eten; en het geschiedde, als zij aten van dat moes, dat zij riepen en zeiden: Man Gods, de dood is in den pot! En zij konden het niet eten. 41 Maar hij zeide: Brengt dan meel; en hij wierp het in den pot; en hij zeide: Schep voor het volk op, dat zij eten. Toen was er niets kwaads in den pot. 42 En er kwam een man van Baäl-salisa, en bracht den man Gods broden der eerstelingen, twintig gerstebroden, en groene aren in haar hulzen; en hij zeide: Geef aan het volk, dat zij eten. 43 Doch zijn dienaar zeide: Wat zou ik dat aan honderd mannen voorzetten? En hij zeide: Geef aan het volk, dat zij eten; want alzo zegt de HEERE: Men zal eten en overhouden. 44 Zo zette hij het hun voor, en zij aten, en zij hielden over, naar het woord des HEEREN.


- Willibrordvertaling

Hoofdstuk 4 De kruik met olie [1] Op een keer deed de vrouw van een profeet een beroep op Elisa en zei: 'Uw dienaar, mijn man, is gestorven; u weet dat uw dienaar een godvruchtig man was. Nu is de schuldeiser gekomen om mijn twee kinderen als slaven mee te nemen.' [2] Elisa vroeg haar: 'Wat kan ik voor u doen? Vertel mij eens: wat hebt u in huis?' Zij antwoordde: 'Uw dienares heeft niets anders in huis dan een kruik olie.' [3] Toen zei hij: 'Ga bij uw buren vaten lenen, lege vaten, en vooral niet te weinig. [4] Ga dan naar huis, doe de deur achter u en uw kinderen op slot; giet dan olie in al die vaten en zet de volle opzij.' [5] Zij ging weg en deed de deur achter haarzelf en haar kinderen op slot; die brachten haar de vaten en zij goot er de olie in. [6] Toen alle vaten vol waren, zei ze tegen haar zoon: 'Breng me het volgende vat.' Maar hij antwoordde: 'Er zijn er niet meer.' Toen hield de olie op te vloeien. [7] Zij ging het vertellen aan de man van God en hij zei: 'Ga de olie verkopen en betaal uw schuldeiser; van het overschot kunt u met uw kinderen leven.' Elisa en de Sunammitische [8] Op een dag kwam Elisa langs Sunem. Daar woonde een welgestelde vrouw die hem met aandrang uitnodigde om bij haar te komen eten. En iedere keer als hij daar in de buurt kwam, ging hij daar eten. [9] Daarom zei de vrouw tegen haar man: 'Luister eens, ik heb gemerkt dat de man die altijd bij ons aankomt, een heilige man van God is. [10] Laten we op ons huis een kleine kamer voor hem metselen en er een bed, een tafel, een stoel en een lamp in zetten; als hij dan bij ons aankomt kan hij daar zijn intrek nemen.' [11] Toen Elisa er dus op een dag weer aankwam, kon hij de bovenkamer betrekken en gaan rusten. [12] En hij zei tegen zijn dienaar Gechazi: 'Roep de Sunammitische.' Hij riep haar en zij kwam. [13] Elisa zei tegen Gechazi: 'Zeg tegen de vrouw: "U hebt al die moeite voor ons gedaan, wat kunnen wij nu voor u doen? Kunnen wij voor u een goed woord doen bij de koning of bij de legeroverste?" ' Maar zij antwoordde: 'Ik woon ongestoord tussen mijn volk.' [14] Hierop vroeg Elisa: 'Kunnen we dan werkelijk niets voor haar doen?' Gechazi antwoordde: 'Zij heeft helaas geen zoon en haar man is oud.' [15] Toen riep hij: 'Roep haar.' Hij riep haar en zij bleef in de deuropening staan. [16] En Elisa zei: 'Volgend jaar om deze tijd zult u een zoon aan uw hart drukken.' Zij antwoordde: 'Och nee, mijn heer, man van God, u moet uw dienares niets voorspiegelen.' [17] Maar de vrouw werd zwanger en baarde het jaar daarop rond dezelfde tijd een zoon, zoals Elisa voorspeld had. [18] Toen de jongen groter was geworden, ging hij op een dag naar zijn vader die bij de maaiers was. [19] Opeens riep hij naar zijn vader: 'Mijn hoofd*! Mijn hoofd!' De vader zei tegen een knecht: 'Pak hem op en breng hem naar zijn moeder.' [20] De knecht nam hem op en bracht hem bij zijn moeder. Tot de middag zat zij met hem op haar schoot; toen stierf hij. [21] Zij droeg hem naar boven, legde hem op het bed van de man van God, deed de deur achter zich dicht en ging naar buiten. [22] Ze riep haar man en zei: 'Wees zo goed om me een van de knechten met een van de ezelinnen te sturen; ik wil dadelijk naar de man van God, maar ik kom direct weer terug.' [23] Hij vroeg: 'Waarom wil je vandaag naar hem toe? Het is vandaag toch geen nieuwe maan of sabbat?' Maar zij antwoordde: 'Tot straks.' [24] Zij zadelde de ezelin en zei tegen haar knecht: 'Spoor de ezelin aan en rijd aan een stuk door, totdat ik iets zeg.' [25] Zo kwam zij bij de man van God op de berg Karmel. Toen de man van God haar in de verte zag aankomen, zei hij tegen zijn knecht Gechazi: 'Kijk, daar komt de Sunammitische. [26] Ga haar vlug tegemoet en vraag haar hoe het met haar gaat, hoe het gaat met haar man en met haar kind.' Zij antwoordde: 'Het gaat goed.' [27] Maar toen zij bij de man van God op de berg gekomen was, greep ze zijn voeten vast. Gechazi kwam naderbij om haar weg te duwen, maar de man van God zei: 'Laat haar begaan want een groot verdriet heeft haar getroffen en de heer heeft het mij niet laten weten.' [28] Toen zei ze: 'Mijn heer, heb ik u soms om een zoon gevraagd? Heb ik u niet gezegd: U moet me niets voorspiegelen?' [29] Toen zei Elisa tegen Gechazi: 'Doe je gordel om, neem mijn stok in je hand en ga ernaartoe. Als je iemand tegenkomt, groet* hem dan niet en als iemand jou groet, geef dan geen antwoord. Leg dan mijn stok op de jongen.' [30] Maar de moeder van de jongen zei: 'Zowaar de heer leeft en zowaar u leeft, ik ga niet van u weg.' Toen stond hij op en volgde haar. [31] Gechazi was voor hen uitgelopen en had de stok op de jongen gelegd maar deze had geen teken van leven gegeven. Op de terugweg kwam hij Elisa tegen en zei: 'De jongen is niet wakker geworden.' [32] Elisa trad het huis binnen en vond de jongen dood op zijn bed liggen. [33] Hij ging de kamer in, sloot de deur en bad tot de heer. [34] Toen ging hij op het kind liggen, met de mond op zijn mond, de ogen op zijn ogen en de handen op zijn handen, en bleef zo over hem heen gebogen tot het lichaam van het kind warm werd. [35] Toen kwam hij overeind, liep een paar keer in de kamer op en neer en boog zich weer over het kind. Toen niesde de jongen zeven keer en deed zijn ogen open. [36] Daarop riep Elisa Gechazi en zei: 'Roep de Sunammitische.' Hij riep haar, en toen zij bij hem kwam zei hij tegen haar: 'U kunt uw zoon weer meenemen.' [37] Ze liep op hem af en boog zich op de aarde neer. Daarna nam zij haar zoon op en verliet de kamer. De dood in de pot [38] Toen er hongersnood in het land heerste, was Elisa weer in Gilgal. Terwijl de leden van het profetengilde bij hem te gast waren, zei hij tegen zijn knecht: 'Zet de grote pot op en kook moes voor de profeten.' [39] Daarom ging iemand het veld in om groenten te plukken. Hij vond een wilde slingerplant en plukte daarvan komkommerachtige vruchten, zijn mantel vol. Thuisgekomen sneed hij ze en deed ze in de pot met moes zonder te weten wat het was. [40] Men schepte voor de mannen op maar zodra zij van de moes geproefd hadden riepen zij uit: 'Man van God, de dood zit in de pot!' En zij konden geen hap meer eten. [41] Maar hij zei: 'Haal wat meel.' Hij wierp dit in de pot en zei: 'Schep nu op voor de mannen en laat hen ervan eten.' En werkelijk, wat in de pot zat was niet schadelijk meer. De broodvermenigvuldiging [42] Op een dag kwam er iemand uit Baäl-Salisa. In zijn tas bracht hij voor de man van God van de eerstelingen van de oogst twintig gerstebroden en wat vers koren mee. Elisa zei: 'Geef de mannen maar te eten.' [43] Zijn dienaar antwoordde: 'Hoe kan ik dat nu voorzetten aan honderd man?' Maar hij herhaalde: 'Geef het de mannen te eten. Want zo spreekt de heer: "Zij zullen eten en overhouden." ' [44] Nu zette hij het de mannen voor. Zij aten en hielden nog over, zoals de heer gezegd had.


- De Nieuwe Bijbelvertaling

Hoofdstuk 4 Elisa helpt een arme weduwe [1] Op een keer riep de vrouw van een van de profeten Elisa's hulp in: 'Mijn man, uw dienaar, die zoals u weet altijd groot ontzag had voor de HEER, is gestorven. Nu zal mijn schuldeiser komen en mijn twee kinderen als slaven meenemen.' [2] 'Wat kan ik voor u doen?' vroeg Elisa. 'Vertel me eens, wat hebt u nog in huis?' 'Alleen een kruikje olie, heer,' antwoordde ze, 'verder niets.' [3] Toen zei Elisa: 'Ga bij uw buren kruiken en kannen te leen vragen, lege, zoveel als u er krijgen kunt. [4] Als u weer thuiskomt, doe dan de deur achter u en uw kinderen dicht en giet uw olie in die kruiken en kannen over; telkens als er een vol is, neemt u een volgende.' [5] Thuisgekomen sloot de vrouw de deur achter zich. Terwijl haar kinderen haar de kruiken en kannen een voor een aangaven, goot ze de olie over. [6] Toen ze allemaal vol waren en ze haar zoon vroeg haar de volgende aan te geven, antwoordde hij: 'Er zijn er geen meer.' Toen hield de olie op te vloeien. [7] De weduwe ging terug naar de godsman en vertelde hem wat er gebeurd was. 'Die olie moet u verkopen om uw schuld af te betalen,' zei hij. 'En van wat er overblijft, kunnen u en uw kinderen leven.' Elisa en de vrouw uit Sunem [8] Op zekere dag kwam Elisa door Sunem. Daar woonde een voorname vrouw die hem dringend uitnodigde om te komen eten. Van toen af aan ging hij elke keer als hij langs Sunem kwam bij haar eten. [9] De vrouw zei tegen haar man: 'Die godsman die telkens bij ons op bezoek komt, is beslist heilig. [10] Laten we op het dak van ons huis een kamer voor hem maken en daar een bed, een tafel, een stoel en een lamp neerzetten, dan kan hij zich daar terugtrekken als hij bij ons komt.' [11] Toen Elisa op een dag weer door Sunem kwam, onderbrak hij zijn reis en ging rusten in het voor hem ingerichte vertrek. [12] Hij vroeg zijn knecht Gechazi de gastvrouw te roepen. Toen de vrouw op Gechazi's verzoek naar boven was gekomen [13] zei Elisa tegen Gechazi: 'Vraag haar wat we voor haar kunnen doen in ruil voor alle moeite die zij zich voor ons getroost heeft. Kunnen we voor haar bij de koning pleiten, of bij de bevelhebber van het leger?' Maar de vrouw antwoordde: 'Ik leef te midden van mijn eigen volk.' [14] Weer vroeg Elisa: 'Kan ik echt niets voor haar doen?' en Gechazi antwoordde: 'Jawel, ze heeft geen zoon, en haar man is al oud.' [15] Toen zei Elisa: 'Roep haar binnen.' Gechazi riep haar, de vrouw kwam in de deuropening staan [16] en Elisa zei tegen haar: 'Vandaag over een jaar zult u een zoon in uw armen houden.' 'Nee, waarde godsman,' antwoordde ze, 'spiegelt u me toch niets voor.' [17] Maar de vrouw werd zwanger en precies een jaar later baarde ze een zoon, zoals Elisa had voorzegd. [18] Het kind groeide op. Op zekere dag, toen hij was gaan kijken bij zijn vader, die met de maaiers op het land was, [19] riep hij plotseling uit: 'Mijn hoofd! Mijn hoofd!' De vader beval een knecht de jongen naar zijn moeder te brengen. [20] De knecht nam hem op en droeg hem naar zijn moeder. Zij hield hem op haar schoot, maar tegen het middaguur stierf hij. [21] Toen ging ze naar boven, legde de jongen op het bed van de godsman en sloot de deur van het vertrek. Daarna ging ze naar buiten [22] en riep tegen haar man: 'Stuur me een van de knechten met een ezelin! Ik wil zo snel mogelijk naar de godsman, maar ik kom direct weer terug.' [23] 'Waarom zou je naar de godsman gaan?' vroeg hij. 'Het is toch geen nieuwemaan vandaag, en ook geen sabbat?' 'Laat me nu maar,' zei ze. [24] Ze zadelde de ezelin en zei tegen de knecht: 'Drijf de ezelin zonder ophouden aan, tot ik zeg dat je halt kunt houden.' [25] Zo ging ze op weg naar Elisa, die op de Karmel verbleef. Toen de godsman haar zag aankomen, zei hij tegen zijn knecht Gechazi: 'Kijk, daar heb je de vrouw uit Sunem. [26] Ga haar vlug tegemoet en vraag hoe het met haar gaat, en met haar man en haar zoon.' De vrouw antwoordde dat het goed ging, [27] maar toen ze bij de godsman op de berg aankwam, greep ze zijn voeten vast. Gechazi liep op haar toe om haar weg te jagen, maar de godsman zei: 'Laat haar maar, ze heeft verdriet. En ik wist daar niets van, de HEER heeft het voor mij verborgen gehouden.' [28] Toen zei de vrouw: 'Heb ik u soms om een zoon gevraagd? Heb ik niet gezegd dat u geen valse hoop moest wekken?' [29] Hierop zei Elisa tegen Gechazi: 'Neem mijn staf en ga er zo snel mogelijk naartoe. Als je iemand tegenkomt, groet hem dan niet. Als iemand jou groet, zeg dan niets terug. Je moet mijn staf op de jongen leggen.' [30] Maar de moeder van de jongen zei: 'Zo waar de HEER leeft, en zo waar u leeft, ik ga niet zonder u.' Toen stond Elisa op en ging met haar mee. [31] Gechazi was hun vooruitgegaan en had de staf op de jongen gelegd, maar die had geen teken van leven gegeven. Hij keerde terug en vertelde Elisa dat de jongen niet wakker was geworden. [32] Toen Elisa zelf bij het huis aankwam, zag hij de jongen dood op zijn eigen bed liggen. [33] Hij ging de kamer binnen en sloot de deur achter zich. Toen bad hij tot de HEER. [34] Daarna liep hij naar het bed toe en ging boven op het kind liggen, met zijn mond op zijn mond, zijn ogen op zijn ogen en zijn handpalmen op zijn handpalmen. Zo bleef hij over het kind uitgestrekt liggen tot het lichaam weer warm werd. [35] Toen kwam hij overeind, liep door de kamer heen en weer, en strekte zich nogmaals over het kind uit. Uiteindelijk niesde de jongen wel zeven keer, en opende zijn ogen. [36] 'Roep de moeder,' riep Elisa tegen Gechazi. Gechazi waarschuwde haar, en toen ze boven kwam zei Elisa: 'U kunt uw zoon meenemen.' [37] De vrouw kwam de kamer binnen, viel aan Elisa's voeten neer en boog diep voorover. Toen nam ze haar zoon op en ging de kamer uit. Het bittere gerecht [38] Elisa ging terug naar Gilgal. Er heerste in die tijd weer hongersnood in het land. Toen hij een keer met de leden van de profetengemeenschap bijeen zat, droeg hij zijn knecht op een grote kookpot op het vuur te zetten en een warm gerecht voor hen te bereiden. [39] Een van de profeten ging buiten eetbare planten zoeken. Hij vond een wilde kruipplant, een kolokwint, en plukte daarvan zoveel vruchten als hij in zijn kleed kon meedragen. Toen hij terugkwam sneed hij de vruchten in stukjes en deed ze door het gerecht in de pot; ze wisten namelijk niet wat het was. [40] Het gerecht werd rondgediend, en zodra ze ervan proefden schreeuwden ze uit: 'Godsman, de dood zit in de pot!' Ze konden geen hap door hun keel krijgen. [41] Toen zei Elisa: 'Breng me wat meel.' Hij strooide wat meel in de pot en zei: 'Schep iedereen opnieuw op. Nu kunnen ze ervan eten.' En inderdaad, de bittere smaak was volkomen verdwenen. Een maal voor honderd profeten [42] Op een keer kwam iemand uit Baäl-Salisa Elisa opzoeken. Hij bracht twintig gerstebroden voor de godsman mee, gebakken van meel uit de nieuwe oogst, en een zakje vers graan. Elisa droeg zijn bediende op dit als maal aan de profeten voor te zetten. [43] Toen de bediende protesteerde dat het beslist niet genoeg was voor honderd personen, zei Elisa nogmaals: 'Zet het de profeten voor, ze zullen er een maaltijd aan hebben. Want dit zegt de HEER: Ze zullen ervan eten en nog overhouden ook.' [44] Toen zette zijn bediende het de profeten voor, en zij aten ervan en hielden nog over, zoals de HEER had gezegd.


- De Naardense bijbel

4:1 Een vrouw, één uit de vrouwen van de profetenzonen, heeft Elisja toegeschreeuwd en gezegd: jouw dienaar, mijn man, is dood en jij weet zelf dat je dienaar iemand is geweest met ontzag voor de Ene; maar de geldschieter is gekomen om mijn twee kinderen met zich mee te nemen als knechten! 2 Koningen 4:2 Elisja zegt tot haar: wát kan ik voor je doen!- meld mij eens wat heb je nog in huis? Zij zegt: helemaal niets heeft je slavin in huis behalve een zalfflesje olijfolie! 4:3 Hij zegt: ga heen, vraag buitenshuis vaten van al je buren,- lége vaten, niet te weinig; 4:4 thuisgekomen moet je voor jou en voor je zonen de deur afsluiten, en dan uitgieten, in al deze vaten; wat gevuld is moet je wegzetten! 4:5 Zij gaat bij hem vandaan en sluit de deur voor haarzelf en voor haar zonen; die reiken ze haar aan en zij giet maar door. 4:6 En het geschiedt, als de vaten vol zijn dat zij tot haar zoon zegt: reik mij nóg een vat aan!, en dat hij tot haar moet zeggen: er is niet nóg een vat! Dan blijft de oliestroom stilstaan. 4:7 Als zij aankomt en dit meldt aan de man Gods, zegt die: ga heen, verkoop de olie en vergoed je schulden; en jij en je zonen, leef van wat er over is! • 4:8 En het geschiedt op een dag dat Elisja bij Sjoeneem voorbijtrekt; er is daar een vrouw met groot bezit, en zij dringt sterk bij hem aan om haar brood te eten; en zo vaak hij voorbijtrekt geschiedt het dat hij daarheen uitwijkt om haar brood te eten. 4:9 Dan zegt zij tot haar man: zie toch, ik weet zeker dat die man Gods een heilige is,- die steeds bij ons voorbijtrekt; 4:10 laten we dan toch een kleine bovenkamer maken en daar voor hem tafel en bed neerzetten, met stoel en kandelaar; geschieden kan het dan wanneer hij bij ons komt dat hij daarheen zich terugtrekt! 4:11 En het geschiedt op een dag dat hij daarnaartoe komt,- zich terugtrekt in de bovenkamer en zich dáár neerlegt. 4:12 Dan zegt hij tot Gechazi, zijn hulpjongen: roep deze Sjoenamitische eens! Hij roept haar en zij komt voor zijn aanschijn staan. 4:13 Hij heeft tot hem gezegd: zeg toch tot haar: zie, u hebt met al deze zorg voor ons gezorgd,- wat kunnen wij voor u doen?- hebt u een woord, bestemd voor de koning of voor de overste van de heirschaar? Zij zegt: midden in mijn gemeenschap heb ik mijn zetel! 4:14 Als hij zegt: wat kunnen wij voor haar doen?, zegt Gechazi: treurig genoeg heeft zij geen zoon, en haar man is al oud! 4:15 Hij zegt: roep haar! Hij roept haar en zij komt in de ingang staan. 4:16 Hij zegt: bij deze feestsamenkomst, als we weer in deze tijd leven, zul jij een zoon omhelzen! Zij zegt: welnee mijn heer, man Gods!, misleid uw slavin maar niet! 4:17 Maar de vrouw wordt zwanger en baart een zoon,- bij die feestsamenkomst, als men weer in die tijd leeft, zoals Elisja tot haar heeft gesproken. 4:18 De nieuwgeborene wordt groter; op een dag geschiedt het dat hij uittrekt naar de maaiers, 4:19 en tot zijn vader zegt: m'n hoofd, m'n hóófd! Die zegt tot de hulpjongen: draag hem naar zijn moeder! 4:20 Hij draagt hem en komt zo met hem aan bij zijn moeder; hij zit tot de middag op haar knieën, en sterft dan. 4:21 Zij gaat naar boven en legt hem neer op het bed van de man Gods, dan sluit zij achter hem af en gaat naar buiten. 4:22 Zij roept haar man en zegt: zend mij toch één van de jongens en één van de ezelinnen; ik ren naar de man Gods en keer dan terug! 4:23 Hij zegt: waarom wil je vandaag naar hem toe gaan?- het is geen nieuwemaan en geen sabbat! Zij zegt: vrede en alle goeds! 4:24 Zij zadelt de ezelin en zegt tot haar hulpjongen: drijf aan en ga verder; rem mij niet af in het rijden, behalve als ik het je zeg! 4:25 Zij gaat op weg en komt aan bij de man Gods, bij de berg Karmel; en het geschiedt, zodra de man Gods haar recht voor zich uit ziet, zegt hij tot Gechazi, zijn hulpjongen: zie, de Sjoenamitische daarginds!- 4:26 nu dan, ren haar toch tegemoet en zeg tot haar: is het vrede voor u, vrede voor uw man en vrede voor de nieuwgeborene? Zij zegt: ja, vrede! 4:27 Maar als zij aankomt bij de man Gods, bij de berg, grijpt ze zijn voeten vast. Gechazi treedt aan om haar weg te stoten, maar de man Gods zegt: laat haar begaan, want haar ziel is bitter in haar, al heeft de Ene dat voor mij verborgen en het mij niet gemeld! 4:28 Zij zegt: heb ik een zoon van mijn heer gevraagd?- heb ik niet gezegd: misleid me niet? 4:29 Hij zegt tot Gechazi: gord je lendenen, neem mijn staf in je hand en gá, ja, vind je iemand, zegen hem niet, en als iemand jou zegent, antwoord hem niet!- leggen moet je mijn staf op het aanschijn van de jongen! 4:30 Maar de moeder van de jongen zegt: bij het leven van de Ene en het leven van je ziel: als ik jou loslaat!... Dan staat hij op en volgt haar. 4:31 Gechazi is voor hun aanschijn uit verdergetrokken en legt de staf op het aanschijn van de jongen, maar geen geluid en geen aandacht. Hij keert terug, Elisja tegemoet, en meldt het hem; hij zegt: de jongen is niet wakker geworden! 4:32 Dan komt Elisja het huis binnen: zie, de jongen is dood, neergelegd op zijn bed. 4:33 Hij komt binnen, sluit de deur achter hen tweeën,- en bidt tot de Ene. 4:34 Dan gaat hij bovenop de eniggeborene liggen; hij legt zijn mond op diens mond, zijn ogen op diens ogen, zijn handpalmen op diens handpalm en buigt zich over hem heen; dan wordt het vlees van de eniggeborene warm. 4:35 Hij keert terug en loopt het huis door, één keer hierheen en één keer daarheen, klimt op en buigt zich over hem heen; dan niest de jongen zeven malen en doet de jongen zijn ogen open. 4:36 Hij roept tot Gechazi en zegt: roep tot die Sjoenamitische! Hij roept haar en zij komt bij hem; hij zegt: til je zoon op! 4:37 Zij komt binnen, valt neer voor zijn voeten en buigt zich ter aarde; dan tilt zij haar zoon op en gaat naar buiten. • 4:38 Elisja is teruggekeerd naar de Gilgal, maar er is honger in het land, terwijl de profetenzonen neerzitten voor zijn aanschijn; hij zegt tot zijn hulpjongen: zet de grootste pan op en kook soep voor de profetenzonen! 4:39 Dan trekt er één uit naar het veld om groenten bijeen te lezen; hij vindt veld-wingerd en leest daarvan veldkolokwinten bijeen, zijn gewaad vol. Hij komt thuis en doet ze in stukjes in de soeppan hoewel ze niet weten wat het is. 4:40 Ze gieten het voor de mannen uit om te eten; maar het geschiedt zodra ze van de soep hebben gegeten hebben zij het uitgeschreeuwd en gezegd: de dood in de pot, man van God!, en ze hebben niet verder kunnen eten. 4:41 Hij zegt: haalt meel!, en hij werpt dat in de pan; dan zegt hij: giet uit voor de manschap en laten ze eten!, en er is geen spoor van kwaad meer geweest in die pan. •• 4:42 Er is een man gekomen uit Baäl Sjaliesja: hij komt bij de man Gods met brood en eerstelingen, twintig stuks gerstebrood en een karmelkoek in zijn knapzak; hij zegt: geef dit aan de manschap, dan zullen ze eten! 4:43 Maar zijn bediende zegt: wat, moet ik dit uitgeven aan het aanschijn van honderd man? Hij zegt: geef het aan de manschap, dan zullen ze eten, want zo heeft gezegd de Ene: eet en er zal overblijven! 4:44 Hij geeft het aan hun aanschijn en zij eten en houden over, naar het woord van de Ene. •


- Bible de Jérusalem

1. La femme d'un des frères prophètes implora Elisée en ces termes : «Ton serviteur, mon mari, est mort, et tu sais que ton serviteur craignait Yahvé. Or le prêteur sur gages est venu pour prendre mes deux enfants et en faire ses esclaves.» 2. Elisée lui dit : «Que puis-je faire pour toi? Dis-moi, qu'as-tu à la maison?» Elle répondit : «Ta servante n'a rien du tout à la maison, sauf un flacon d'huile.» 3. Alors, il dit : «Va emprunter dehors des vases à tous tes voisins, des vases vides et pas trop peu! 4. Puis tu rentreras, tu fermeras la porte sur toi et sur tes fils et tu verseras l'huile dans tous ces vases, en les mettant de côté à mesure qu'ils seront pleins.» 5. Elle le quitta et ferma la porte sur elle et sur ses fils; ceux-ci lui tendaient les vases et elle ne cessait de verser. 6. Or, quand les vases furent pleins, elle dit à son fils »Tends-moi encore un vase», mais il répondit : «Il n'y a plus de vase»; alors l'huile cessa de couler. 7. Elle alla rendre compte à l'homme de Dieu, qui dit : «Va vendre cette huile, tu rachèteras ton gage et tu vivras du reste, toi et tes fils!» 8. Un jour qu'Elisée passait à Shunem, une femme de qualité qui y vivait l'invita à table. Depuis, chaque fois qu'il passait, il se rendait là pour manger. 9. Elle dit à son mari : «Vois! Je suis sûre que c'est un saint homme de Dieu qui passe toujours par chez nous. 10. Construisons-lui donc une petite chambre haute avec des murs, et nous y mettrons pour lui un lit, une table, un siège et une lampe : quand il viendra chez nous, il se retirera là.» 11. Un jour qu'il vint là, il se retira dans la chambre haute et s'y coucha. 12. Il dit à Géhazi son serviteur : «Appelle cette bonne Shunamite»Il l'appela et elle se tint devant lui. 13. Elisée reprit : «Dis-lui : Tu t'es donné tout ce souci pour nous. Que peut-on faire pour toi? Y a-t-il un mot à dire pour toi au roi ou au chef de l'armée?» Mais elle répondit : «Je séjourne au milieu des miens.» 14. Il continua : «Alors, que peut-on faire pour elle?» Géhazi répondit : «Eh bien! Elle n'a pas de fils et son mari est âgé.» 15. Elisée dit : «Appelle-la»Le serviteur l'appela et elle se tint à l'entrée. 16. «A cette saison, l'an prochain, dit-il, tu tiendras un fils dans tes bras.» Mais elle dit : «Non, Monseigneur, ne trompe pas ta servante!» 17. Or la femme conçut et elle enfanta un fils à la saison que lui avait dite Elisée. 18. L'enfant grandit. Un jour il alla trouver son père auprès des moissonneurs 19. et il dit à son père : «Oh! ma tête! ma tête!» et le père ordonna à un serviteur de le porter à sa mère. 20. Celui-ci le prit et le conduisit à sa mère; il resta sur ses genoux jusqu'à midi et il mourut. 21. Elle monta l'étendre sur le lit de l'homme de Dieu, ferma la porte et sortit. 22. Elle appela son mari et dit : «Envoie-moi l'un des serviteurs avec une ânesse, je cours chez l'homme de Dieu et je reviens.» 23. Il demanda : «Pourquoi vas-tu chez lui aujourd'hui? Ce n'est pas la néoménie ni le sabbat», mais elle répondit : «Reste en paix.» 24. Elle fit seller l'ânesse et dit à son serviteur : «Mène-moi, va! Ne m'arrête pas en route sans que je te l'ordonne»; 25. elle partit et alla vers l'homme de Dieu, au mont Carmel. Lorsque l'homme de Dieu la vit de loin, il dit à son serviteur Géhazi : «Voici cette bonne Shunamite. 26. Maintenant, cours à sa rencontre et demande-lui : Vas-tu bien? Ton mari va-t-il bien? Ton enfant va-t-il bien?» Elle répondit : «Bien.» 27. Quand elle rejoignit l'homme de Dieu sur la montagne, elle saisit ses pieds. Géhazi s'approcha pour la repousser, mais l'homme de Dieu dit : «Laisse-la, car son âme est dans l'amertume; Yahvé me l'a caché, il ne m'a rien annoncé.» 28. Elle dit : «Avais-je demandé un fils à Monseigneur? Ne t'avais-je pas dit de ne pas me leurrer?» 29. Elisée dit à Géhazi : «Ceins tes reins, prends mon bâton en main et va! Si tu rencontres quelqu'un, tu ne le salueras pas, et si quelqu'un te salue, tu ne lui répondras pas. Tu étendras mon bâton au-dessus de l'enfant.» 30. Mais la mère de l'enfant dit : «Aussi vrai que Yahvé est vivant et que tu vis toi-même, je ne te quitterai pas!» Alors il se leva et la suivit. 31. Géhazi les avait précédés et il avait étendu le bâton au-dessus de l'enfant, mais il n'y eut ni voix ni réaction. Il revint au-devant d'Elisée et lui rapporta ceci : «L'enfant ne s'est pas réveillé.» 32. Elisée arriva à la maison; là était l'enfant, mort et couché sur son propre lit. 33. Il entra, ferma la porte sur eux deux et pria Yahvé. 34. Puis il monta sur le lit, s'étendit sur l'enfant, mit sa bouche contre sa bouche, ses yeux contre ses yeux, ses mains contre ses mains, il se replia sur lui et la chair de l'enfant se réchauffa. 35. Il se remit à marcher de long en large dans la maison, puis remonta et se replia sur lui, jusqu'à sept fois : alors l'enfant éternua et ouvrit les yeux. 36. Il appela Géhazi et lui dit : «Fais venir cette bonne Shunamite.» Il l'appela. Lorsqu'elle arriva près de lui, il dit : «Prends ton fils.» 37. Elle entra, tomba à ses pieds et se prosterna à terre, puis elle prit son fils et sortit. 38. Elisée revint à Gilgal pendant que la famine était dans le pays. Comme les frères prophètes étaient assis devant lui, il dit à son serviteur : «Mets la grande marmite sur le feu et cuis une soupe pour les frères prophètes.» 39. L'un d'eux sortit dans la campagne pour ramasser des herbes, trouva des sarments sauvages, sur lesquels il cueillit des coloquintes, plein son vêtement. Il revint et les coupa en morceaux dans la marmite de soupe, car on ne savait pas ce que c'était. 40. On versa à manger aux hommes. Mais à peine eurent-ils goûté le potage qu'ils poussèrent un cri : «Homme de Dieu! Il y a la mort dans la marmite!» et ils ne purent pas manger. 41. Alors Elisée dit : «Eh bien! apportez de la farine.» Il la jeta dans la marmite et dit : «Verse aux gens et qu'ils mangent»Il n'y avait plus rien de mauvais dans la marmite. 42. Un homme vint de Baal-Shalisha et apporta à l'homme de Dieu du pain de prémices, vingt pains d'orge et du grain frais dans son épi. Celui-ci ordonna : «Offre aux gens et qu'ils mangent», 43. mais son serviteur répondit : «Comment servirai-je cela à cent personnes?» Il reprit : «Offre aux gens et qu'ils mangent, car ainsi a parlé Yahvé : On mangera et on en aura de reste.» 44. Il leur servit, ils mangèrent et en eurent de reste, selon la parole de Yahvé


- King James Bible

2Kgs.4 [1] Now there cried a certain woman of the wives of the sons of the prophets unto Elisha, saying, Thy servant my husband is dead; and thou knowest that thy servant did fear the LORD: and the creditor is come to take unto him my two sons to be bondmen. [2] And Elisha said unto her, What shall I do for thee? tell me, what hast thou in the house? And she said, Thine handmaid hath not any thing in the house, save a pot of oil. [3] Then he said, Go, borrow thee vessels abroad of all thy neighbours, even empty vessels; borrow not a few. [4] And when thou art come in, thou shalt shut the door upon thee and upon thy sons, and shalt pour out into all those vessels, and thou shalt set aside that which is full. [5] So she went from him, and shut the door upon her and upon her sons, who brought the vessels to her; and she poured out. [6] And it came to pass, when the vessels were full, that she said unto her son, Bring me yet a vessel. And he said unto her, There is not a vessel more. And the oil stayed. [7] Then she came and told the man of God. And he said, Go, sell the oil, and pay thy debt, and live thou and thy children of the rest. [8] And it fell on a day, that Elisha passed to Shunem, where was a great woman; and she constrained him to eat bread. And so it was, that as oft as he passed by, he turned in thither to eat bread. [9] And she said unto her husband, Behold now, I perceive that this is an holy man of God, which passeth by us continually. [10] Let us make a little chamber, I pray thee, on the wall; and let us set for him there a bed, and a table, and a stool, and a candlestick: and it shall be, when he cometh to us, that he shall turn in thither. [11] And it fell on a day, that he came thither, and he turned into the chamber, and lay there. [12] And he said to Gehazi his servant, Call this Shunammite. And when he had called her, she stood before him. [13] And he said unto him, Say now unto her, Behold, thou hast been careful for us with all this care; what is to be done for thee? wouldest thou be spoken for to the king, or to the captain of the host? And she answered, I dwell among mine own people. [14] And he said, What then is to be done for her? And Gehazi answered, Verily she hath no child, and her husband is old. [15] And he said, Call her. And when he had called her, she stood in the door. [16] And he said, About this season, according to the time of life, thou shalt embrace a son. And she said, Nay, my lord, thou man of God, do not lie unto thine handmaid. [17] And the woman conceived, and bare a son at that season that Elisha had said unto her, according to the time of life. [18] And when the child was grown, it fell on a day, that he went out to his father to the reapers. [19] And he said unto his father, My head, my head. And he said to a lad, Carry him to his mother. [20] And when he had taken him, and brought him to his mother, he sat on her knees till noon, and then died. [21] And she went up, and laid him on the bed of the man of God, and shut the door upon him, and went out. [22] And she called unto her husband, and said, Send me, I pray thee, one of the young men, and one of the asses, that I may run to the man of God, and come again. [23] And he said, Wherefore wilt thou go to him to day? it is neither new moon, nor sabbath. And she said, It shall be well. [24] Then she saddled an ass, and said to her servant, Drive, and go forward; slack not thy riding for me, except I bid thee. [25] So she went and came unto the man of God to mount Carmel. And it came to pass, when the man of God saw her afar off, that he said to Gehazi his servant, Behold, yonder is that Shunammite: [26] Run now, I pray thee, to meet her, and say unto her, Is it well with thee? is it well with thy husband? is it well with the child? And she answered, It is well. [27] And when she came to the man of God to the hill, she caught him by the feet: but Gehazi came near to thrust her away. And the man of God said, Let her alone; for her soul is vexed within her: and the LORD hath hid it from me, and hath not told me. [28] Then she said, Did I desire a son of my lord? did I not say, Do not deceive me? [29] Then he said to Gehazi, Gird up thy loins, and take my staff in thine hand, and go thy way: if thou meet any man, salute him not; and if any salute thee, answer him not again: and lay my staff upon the face of the child. [30] And the mother of the child said, As the LORD liveth, and as thy soul liveth, I will not leave thee. And he arose, and followed her. [31] And Gehazi passed on before them, and laid the staff upon the face of the child; but there was neither voice, nor hearing. Wherefore he went again to meet him, and told him, saying, The child is not awaked. [32] And when Elisha was come into the house, behold, the child was dead, and laid upon his bed. [33] He went in therefore, and shut the door upon them twain, and prayed unto the LORD. [34] And he went up, and lay upon the child, and put his mouth upon his mouth, and his eyes upon his eyes, and his hands upon his hands: and he stretched himself upon the child; and the flesh of the child waxed warm. [35] Then he returned, and walked in the house to and fro; and went up, and stretched himself upon him: and the child sneezed seven times, and the child opened his eyes. [36] And he called Gehazi, and said, Call this Shunammite. So he called her. And when she was come in unto him, he said, Take up thy son. [37] Then she went in, and fell at his feet, and bowed herself to the ground, and took up her son, and went out. [38] And Elisha came again to Gilgal: and there was a dearth in the land; and the sons of the prophets were sitting before him: and he said unto his servant, Set on the great pot, and seethe pottage for the sons of the prophets. [39] And one went out into the field to gather herbs, and found a wild vine, and gathered thereof wild gourds his lap full, and came and shred them into the pot of pottage: for they knew them not. [40] So they poured out for the men to eat. And it came to pass, as they were eating of the pottage, that they cried out, and said, O thou man of God, there is death in the pot. And they could not eat thereof. [41] But he said, Then bring meal. And he cast it into the pot; and he said, Pour out for the people, that they may eat. And there was no harm in the pot. [42] And there came a man from Baal-shalisha, and brought the man of God bread of the firstfruits, twenty loaves of barley, and full ears of corn in the husk thereof. And he said, Give unto the people, that they may eat. [43] And his servitor said, What, should I set this before an hundred men? He said again, Give the people, that they may eat: for thus saith the LORD, They shall eat, and shall leave thereof. [44] So he set it before them, and they did eat, and left thereof, according to the word of the LORD.


- Luther Bibel

Elisa mehrt das Öl der Witwe 41Und es schrie eine Frau unter den Frauen der Prophetenjünger zu Elisa und sprach: Dein Knecht, mein Mann, ist gestorben; und du weißt ja, dass dein Knecht den HERRN fürchtete. Nun kommt der Schuldherr und will meine beiden Kinder nehmen zu leibeigenen Knechten. 2Elisa sprach zu ihr: Was soll ich dir tun? Sage mir, was hast du im Hause? Sie sprach: Deine Magd hat nichts im Hause als einen Ölkrug. 3Er sprach: Geh hin und erbitte draußen von allen deinen Nachbarinnen leere Gefäße, aber nicht zu wenig, 4und geh ins Haus und schließ die Tür zu hinter dir und deinen Söhnen und gieß in alle Gefäße; und wenn du sie gefüllt hast, so stelle sie beiseite. 5Sie ging hin und tat so und schloss die Tür zu hinter sich und ihren Söhnen; diese brachten ihr die Gefäße herbei und sie goss ein. 6Und als die Gefäße voll waren, sprach sie zu ihrem Sohn: Reiche mir noch ein Gefäß her! Er sprach zu ihr: Es ist kein Gefäß mehr hier. Da stand das Öl. 7Und sie ging hin und sagte es dem Mann Gottes an. Er sprach: Geh hin, verkaufe das Öl und bezahle deinen Schuldherrn; du aber und deine Söhne, nährt euch von dem Übrigen. Elisa verheißt der Schunemiterin einen Sohn und erweckt das tote Kind 8Und es begab sich eines Tages, dass Elisa nach Schunem ging. Dort war eine reiche Frau; die nötigte ihn, dass er bei ihr aß. Und sooft er dort durchkam, kehrte er bei ihr ein und aß bei ihr. 9Und sie sprach zu ihrem Mann: Siehe, ich merke, dass dieser Mann Gottes heilig ist, der immer hier durchkommt. 10Lass uns ihm eine kleine Kammer oben machen und Bett, Tisch, Stuhl und Leuchter hinstellen, damit er dort einkehren kann, wenn er zu uns kommt. 11Und es begab sich eines Tages, dass Elisa dort einkehrte und sich oben in die Kammer legte und darin schlief. 12Danach sprach er zu seinem Diener Gehasi: Ruf die Schunemiterin! Und als Gehasi sie rief, trat sie vor ihn. 13Elisa aber hatte zu Gehasi gesprochen: Sage ihr: Siehe, du hast uns all diesen Dienst getan; was soll ich dir tun? Brauchst du Fürsprache beim König oder beim Feldhauptmann? Sie sprach: Ich wohne sicher unter meinen Leuten. 14Elisa sprach: Was soll ich dir dann tun? Gehasi sprach: Ach, sie hat keinen Sohn und ihr Mann ist alt. 15Er sprach: Ruf sie her! Und als er sie rief, trat sie in die Tür. 16Und er sprach: Um diese Zeit übers Jahr sollst du einen Sohn herzen. Sie sprach: Ach nicht, mein Herr, du Mann Gottes! Täusche deine Magd nicht! 17Und die Frau ward schwanger und gebar einen Sohn um dieselbe Zeit übers Jahr, wie ihr Elisa zugesagt hatte. 18Als aber das Kind groß wurde, begab es sich, dass es hinaus zu seinem Vater zu den Schnittern ging 19und sprach zu seinem Vater: O mein Kopf, mein Kopf! Er sprach zu einem Knecht: Bringe ihn zu seiner Mutter! 20Und der nahm ihn und brachte ihn hinein zu seiner Mutter und sie setzte ihn auf ihren Schoß bis zum Mittag; da starb er. 21Und sie ging hinauf und legte ihn aufs Bett des Mannes Gottes, schloss zu und ging hinaus 22und rief ihren Mann und sprach: Schicke mir einen der Knechte und eine Eselin; ich will eilends zu dem Mann Gottes und bald zurückkommen. 23Er sprach: Warum willst du zu ihm? Ist doch heute weder Neumond noch Sabbat. Sie sprach: Lass es gut sein! 24Und sie sattelte die Eselin und sprach zum Knecht: Treib an und halte mich nicht auf beim Reiten, bis ich dir's sage! 25So zog sie hin und kam zu dem Mann Gottes auf den Berg Karmel. Als aber der Mann Gottes sie kommen sah, sprach er zu seinem Diener Gehasi: Siehe, die Schunemiterin ist da! 26So lauf ihr nun entgegen und frage sie, ob es ihr, ihrem Mann und ihrem Sohn gut gehe. Sie sprach: Gut! 27Als sie aber zu dem Mann Gottes auf den Berg kam, umfing sie seine Füße; Gehasi aber trat herzu, um sie wegzustoßen. Aber der Mann Gottes sprach: Lass sie, denn ihre Seele ist betrübt, und der HERR hat mir's verborgen und nicht kundgetan! 28Sie sprach: Wann hab ich einen Sohn erbeten von meinem Herrn? Sagte ich nicht, du solltest mich nicht täuschen? 29Er sprach zu Gehasi: Gürte deine Lenden und nimm meinen Stab in deine Hand und geh hin, und wenn dir jemand begegnet, so grüße ihn nicht, und grüßt dich jemand, so danke ihm nicht, und lege meinen Stab auf des Knaben Antlitz. 30Aber die Mutter des Knaben sprach: So wahr der HERR lebt und so wahr du lebst: Ich lasse nicht von dir! Da machte er sich auf und ging ihr nach. 31Gehasi aber ging vor ihnen hin und legte den Stab dem Knaben aufs Antlitz: da war aber keine Stimme und kein Empfinden. Und er ging zurück Elisa entgegen und sagte ihm: Der Knabe ist nicht aufgewacht. 32Und als Elisa ins Haus kam, siehe, da lag der Knabe tot auf seinem Bett. 33Und er ging hinein und schloss die Tür hinter sich zu und betete zu dem HERRN 34und stieg aufs Bett und legte sich auf das Kind und legte seinen Mund auf des Kindes Mund und seine Augen auf dessen Augen und seine Hände auf dessen Hände und breitete sich so über ihn; da wurde des Kindes Leib warm. 35Er aber stand wieder auf und ging im Haus einmal hierhin und dahin und stieg wieder aufs Bett und breitete sich über ihn. Da nieste der Knabe sieben Mal; danach tat der Knabe seine Augen auf. 36Und Elisa rief Gehasi und sprach: Ruf die Schunemiterin! Und als er sie rief, kam sie hinein zu ihm. Er sprach: Da, nimm hin deinen Sohn! 37Da kam sie und fiel nieder zu seinen Füßen und neigte sich zur Erde und nahm ihren Sohn und ging hinaus. Elisa macht schädliche Speise gesund und speist viele mit zwanzig Broten 38Als aber Elisa wieder nach Gilgal kam, war Hungersnot im Lande. Und als die Prophetenjünger vor ihm saßen, sprach er zu seinem Diener: Setze einen großen Topf auf und koche ein Gemüse für die Prophetenjünger! 39Da ging einer aufs Feld, um Kraut zu sammeln, und fand ein Rankengewächs und pflückte sein Kleid voll mit wilden Gurken. Und als er kam, schnitt er's in den Topf zum Gemüse – sie kannten's aber nicht – 40und legte es den Männern zum Essen vor. Als sie nun von dem Gemüse aßen, schrien sie und sprachen: O Mann Gottes, der Tod im Topf! Denn sie konnten's nicht essen. 41Er aber sprach: Bringt Mehl her! Und er tat's in den Topf und sprach: Lege es den Leuten vor, dass sie essen! Da war nichts Böses mehr in dem Topf. 42Es kam aber ein Mann von Baal-Schalischa und brachte dem Mann Gottes Erstlingsbrot, nämlich zwanzig Gerstenbrote, und neues Getreide in seinem Kleid. Er aber sprach: Gib's den Leuten, dass sie essen! 43Sein Diener sprach: Wie soll ich davon hundert Mann geben? Er sprach: Gib den Leuten, dass sie essen! Denn so spricht der HERR: Man wird essen und es wird noch übrig bleiben. 44Und er legte es ihnen vor, dass sie aßen; und es blieb noch übrig nach dem Wort des HERRN.


- Arabisch

وصرخت الى اليشع امرأة من نساء بني الانبياء قائلة ان عبدك زوجي قد مات وانت تعلم ان عبدك كان يخاف الرب. فأتى المرابي ليأخذ ولديّ له عبدين. .1 فقال لها اليشع ماذا اصنع لك. اخبريني ماذا لك في البيت فقالت ليس لجاريتك شيء في البيت الا دهنة زيت. .2 فقال اذهبي استعيري لنفسك اوعية من خارج من عند جميع جيرانك اوعية فارغة. لا تقللي. .3 ثم ادخلي واغلقي الباب على نفسك وعلى بنيك وصبّي في جميع هذه الاوعية وما امتلأ انقليه. .4 فذهبت من عنده واغلقت الباب على نفسها وعلى بنيها. فكانوا هم يقدمون لها الاوعية وهي تصب. .5 ولما امتلأت الاوعية قالت لابنها قدم لي ايضا وعاء. فقال لها لا يوجد بعد وعاء. فوقف الزيت. .6 فاتت واخبرت رجل الله فقال اذهبي بيعي الزيت واوفي دينك وعيشي انت وبنوك بما بقي .7 وفي ذات يوم عبر اليشع الى شونم. وكانت هناك امرأة عظيمة فامسكته لياكل خبزا. وكان كلما عبر يميل الى هناك لياكل خبزا. .8 فقالت لرجلها قد علمت انه رجل الله مقدس الذي يمرّ علينا دائما. .9 فلنعمل عليّة على الحائط صغيرة ونضع له هناك سريرا وخوانا وكرسيا ومنارة حتى اذا جاء الينا يميل اليها. .10 وفي ذات يوم جاء الى هناك ومال الى العليّة واضطجع فيها. .11 فقال لجيحزي غلامه ادع هذه الشونمية. فدعاها فوقفت امامه. .12 فقال له قل لها هوذا قد انزعجت بسببنا كل هذا الانزعاج. فماذا يصنع لك. هل لك ما يتكلم به الى الملك او الى رئيس الجيش. فقالت انما انا ساكنة في وسط شعبي. .13 ثم قال فماذا يصنع لها. فقال جيحزي انه ليس لها ابن ورجلها قد شاخ. .14 فقال ادعها. فدعاها فوقفت في الباب. .15 فقال في هذا الميعاد نحو زمان الحياة تحتضنين ابنا. فقالت لا يا سيدي رجل الله لا تكذب على جاريتك. .16 فحبلت المرأة وولدت ابنا في ذلك الميعاد نحو زمان الحياة كما قال لها اليشع. .17 وكبر الولد. وفي ذات يوم خرج الى ابيه الى الحصادين. .18 وقال لابيه راسي راسي. فقال للغلام احمله الى امه. .19 فحمله وأتى به الى امه فجلس على ركبتيها الى الظهر ومات. .20 فصعدت واضجعته على سرير رجل الله واغلقت عليه وخرجت. .21 ونادت رجلها وقالت ارسل لي واحدا من الغلمان واحدى الاتن فاجري الى رجل الله وارجع. .22 فقال لماذا تذهبين اليه اليوم. لا راس شهر ولا سبت. فقالت سلام. .23 وشدّت على الاتان وقالت لغلامها سق وسر ولا تتعوّق لاجلي في الركوب ان لم اقل لك. .24 وانطلقت حتى جاءت الى رجل الله الى جبل الكرمل. فلما رآها رجل الله من بعيد قال لجيحزي غلامه هوذا تلك الشونمية. .25 اركض الآن للقائها وقل لها أسلام لك. أسلام لزوجك. أسلام للولد. فقالت سلام. .26 فلما جاءت الى رجل الله الى الجبل امسكت رجليه. فتقدم جيحزي ليدفعها. فقال رجل الله دعها لان نفسها مرّة فيها والرب كتم الأمر عني ولم يخبرني. .27 فقالت هل طلبت ابنا من سيدي. ألم اقل لا تخدعني. .28 فقال لجيحزي اشدد حقويك وخذ عكّازي بيدك وانطلق واذا صادفت احد فلا تباركه وان باركك احد فلا تجبه. وضع عكّازي على وجه الصبي. .29 فقالت ام الصبي حيّ هو الرب وحية هي نفسك انني لا اتركك. فقام وتبعها. .30 وجاز جيحزي قدامهما ووضع العكاز على وجه الصبي فلم يكن صوت ولا مصغ. فرجع للقائه واخبره قائلا لم ينتبه الصبي. .31 ودخل اليشع البيت واذا بالصبي ميت ومضطجع على سريره. .32 فدخل واغلق الباب على نفسيهما كليهما وصلّى الى الرب. .33 ثم صعد واضطجع فوق الصبي ووضع فمه على فمه وعينيه على عينيه ويديه على يديه وتمدّد عليه فسخن جسد الولد. .34 ثم عاد وتمشى في البيت تارة الى هنا وتارة الى هناك وصعد وتمدّد عليه فعطس الصبي سبع مرّات ثم فتح الصبي عينيه. .35 فدعا جيحزي وقال ادع هذه الشونمية. فدعاها ولما دخلت اليه قال احملي ابنك. .36 فاتت وسقطت على رجليه وسجدت الى الارض ثم حملت ابنها وخرجت .37 ورجع اليشع الى الجلجال. وكان جوع في الارض وكان بنو الانبياء جلوسا امامه. فقال لغلامه ضع القدر الكبيرة واسلق سليقة لبني الانبياء. .38 وخرج واحد الى الحقل ليلتقط بقولا فوجد يقطينا بريا فالتقط منه قثاء بريا ملء ثوبه وأتى وقطعه في قدر السليقة. لانهم لم يعرفوا. .39 وصبوا للقوم ليأكلوا. وفيما هم يأكلون من السليقة صرخوا وقالوا في القدر موت يا رجل الله. ولم يستطيعوا ان ياكلوا. .40 فقال هاتوا دقيقا. فالقاه في القدر وقال صبّ للقوم فيأكلوا. فكانه لم يكن شيء رديء في القدر .41 وجاء رجل من بعل شليشة واحضر لرجل الله خبز باكورة عشرين رغيفا من شعير وسويقا في جرابه. فقال اعط الشعب ليأكلوا. .42 فقال خادمه ماذا. هل اجعل هذا امام مئة رجل. فقال اعط الشعب فياكلوا لانه هكذا قال الرب يأكلون ويفضل عنهم. .43 فجعل امامهم فأكلوا وفضل عنهم حسب قول الرب .44


- Structuur


- Taalgebruik

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- Commentaar