BIJBELBOEK AMOS 9, Am 9 -- Am 9,1-15 -

Uitleg hoofdstuk per hoofdstuk : Am 1 - Am 2 - Am 3 - Am 4 - Am 5 - Am 6 - Am 7 - Am 8 - Am 9 -
Uitleg vers per vers : Am 9,1 - Am 9,2 - Am 9,3 - Am 9,4 - Am 9,5 - Am 9,6 - Am 9,7 - Am 9,8 - Am 9,9 - Am 9,10 - Am 9,11 - Am 9,12 - Am 9,13 - Am 9,14 - Am 9,15 -
Am 9,1 . Am 9,2 . Am 9,3 . Am 9,4 . Am 9,5 . Am 9,6 . Am 9,7 . Am 9,8 . Am 9,9 . Am 9,10 . Am 9,11 . Am 9,12 . Am 9,13 . Am 9,14 . Am 9,15 .

Overzicht van Tenach : Tenach : overzicht , Tenach : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenach : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,

Amos Taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -



- Am 9,1-15 . Vijfde visioen . Am 9,1-15 - Am 9,1 - Am 9,2 - Am 9,3 - Am 9,4 - Am 9,5 - Am 9,6 - Am 9,7 - Am 9,8 - Am 9,9 - Am 9,10 - Am 9,11 - Am 9,12 - Am 9,13 - Am 9,14 - Am 9,15 -

Am 9,1 - Am 9,1 . Vijfde visioen . Am 9,1-15 - Am 9,1 - Am 9,2 - Am 9,3 - Am 9,4 - Am 9,5 - Am 9,6 - Am 9,7 - Am 9,8 - Am 9,9 - Am 9,10 - Am 9,11 - Am 9,12 - Am 9,13 - Am 9,14 - Am 9,15 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9 1eidon ton kurion efestôta epi tou thusiastèriou kai eipen pataxon epi to ilastèrion kai seisthèsetai ta propula kai diakopson eis kefalas pantôn kai tous kataloipous autôn en romfaia apoktenô ou mè diafugè ex autôn feugôn kai ou mè diasôthè ex autôn anasôzomenos  1 vidi Dominum stantem super altare et dixit percute cardinem et commoveantur superliminaria avaritia enim in capite omnium et novissimum eorum in gladio interficiam non erit fuga eis fugiet et non salvabitur ex eis qui fugerit     1 Ik zag den Heere staan op het altaar, en Hij zeide: Sla dien knoop, dat de posten beven, en doorkloof ze allen in het hoofd; en Ik zal hun achterste met het zwaard doden; en vliedende zal onder hen niet ontvlieden, noch de ontkomende onder hen behouden worden.   [1] Ik zag de Heer bij het altaar staan. Hij zei: ‘Sla* tegen de kapitelen zodat de balken beven, en breek ze aan stukken op de hoofden van allen. Wie dan nog overblijft, dood Ik met het zwaard. Geen vluchteling ontsnapt, geen ontsnapte wordt gered.   [1] Ik zag de Heer bij het altaar staan, en hij zei: ‘Sla op het kapiteel, laat de drempels dreunen! Sla de stenen stuk op de hoofden; wie er dan nog overblijven, zal ik zelf doden met het zwaard. Niemand die vlucht zal ontsnappen; niemand die ontsnapt zal ontkomen.  1 ¶ Ik heb mijn Heer gezien, geposteerd bij het altaar; hij zei: sla zo op de knop dat de drempels beven, en splijt die op het hoofd van hen allen, en wie daarna nog leven breng ik om met het zwaard; van hen zal geen vluchteling kunnen vluchten en geen ontsnapte ontkomen;   1. Je vis le Seigneur debout près de l'autel, et il dit : « Frappe le chapiteau et que les seuils s'ébranlent; brise-les sur leur tête à tous, et ce qui restera d'eux, je les tuerai par l'épée; ils ne s'enfuira point parmi eux de fuyard, il ne se sauvera point parmi eux de rescapé.  

King James Bible . [1] I saw the LORD standing upon the altar: and he said, Smite the lintel of the door, that the posts may shake: and cut them in the head, all of them; and I will slay the last of them with the sword: he that fleeth of them shall not flee away, and he that escapeth of them shall not be delivered.
Luther-Bibel . 9 1 Ich sah den Herrn über dem Altar stehen und er sprach: Schlage an den Knauf, dass die Pfosten beben und die Trümmer ihnen allen auf den Kopf fallen; und was noch übrig bleibt von ihnen, will ich mit dem Schwert töten, dass keiner von ihnen entfliehen noch irgendeiner entkommen soll!

Tekstuitleg van Am 9,1 .

7. wajj´omèr (en hij zei) : prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk., van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenach : ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Amos : ´âmar (zeggen) . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) .. Tenach (1879) . Pentateuch (594) . Am (7) : (1) Am 1,2 . (2) Am 7,8 . (3) Am 7,12 . (4) Am 7,14 . (5) Am 7,15 . (6) Am 8,2 . (7) Am 9,1 .

Am 9,2 - Am 9,2 . Vijfde visioen . Am 9,1-15 - Am 9,1 - Am 9,2 - Am 9,3 - Am 9,4 - Am 9,5 - Am 9,6 - Am 9,7 - Am 9,8 - Am 9,9 - Am 9,10 - Am 9,11 - Am 9,12 - Am 9,13 - Am 9,14 - Am 9,15 -
Griekse tekst Vulgaat MTStatenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2ean katorugôsin eis adou ekeithen è cheir mou anaspasei autous kai ean anabôsin eis ton ouranon ekeithen kataxô autous  2 si descenderint usque ad infernum inde manus mea educet eos et si ascenderint usque ad caelum inde detraham eos    2 Al groeven zij tot in de hel, zo zal Mijn hand ze van daar halen, en al klommen zij in den hemel, zo zal Ik ze van daar doen nederdalen.  [2] Al dringen zij het dodenrijk binnen, mijn hand haalt hen daar weg. Al klimmen ze naar de hemel, Ik breng ze weer naar beneden.   [2] Al kruipen ze de onderwereld in, ik breng ze naar boven; al klimmen ze de hemel in, ik haal ze naar beneden.   2 al zullen ze inbreken in de hel, daaruit neemt mijn hand hen mee; al klimmen ze op ten hemel, daaruit laat ik hen neerdalen!–  2. S'ils forcent l'entrée du Shéol, de là ma main les prendra; et s'ils montent aux cieux, de là je les ferai descendre;  

King James Bible . [2] Though they dig into hell, thence shall mine hand take them; though they climb up to heaven, thence will I bring them down:
Luther-Bibel . 2 Und wenn sie sich auch unten bei den Toten vergrüben, soll sie doch meine Hand von dort holen, und wenn sie zum Himmel hinaufstiegen, will ich sie doch herunterstoßen.

Tekstuitleg van Am 9,2 .

1. ´im (indien, of, als) . Tenach (760) . Am (12) : (1) Am 3,3 . (2) Am 3,4 . (3) Am 3,6 . (4) Am 3,7 . (5) Am 5,22 . (6) Am 6,2 . (7) Am 6,9 . (8) Am 6,12 . (9) Am 7,2 . (10) Am 8,7 . (11) Am 8,11 . (12) Am 9,2 .

Am 9,3 - Am 9,3 . Vijfde visioen . Am 9,1-15 - Am 9,1 - Am 9,2 - Am 9,3 - Am 9,4 - Am 9,5 - Am 9,6 - Am 9,7 - Am 9,8 - Am 9,9 - Am 9,10 - Am 9,11 - Am 9,12 - Am 9,13 - Am 9,14 - Am 9,15 -
Griekse tekst Vulgaat MTStatenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3ean egkrubôsin eis tèn korufèn tou karmèlou ekeithen exereunèsô kai lèmpsomai autous kai ean katadusôsin ex ofthalmôn mou eis ta bathè tès thalassès ekei enteloumai tô drakonti kai dèxetai autous  3 et si absconditi fuerint in vertice Carmeli inde scrutans auferam eos et si celaverint se ab oculis meis in fundo maris ibi mandabo serpenti et mordebit eos     3 En al verstaken zij zich op de hoogte van Karmel, zo zal Ik ze naspeuren en van daar halen; en al verborgen zij zich van voor Mijn ogen in den grond van de zee, zo zal Ik van daar een slang gebieden, die zal ze bijten.  [3] Al verbergen ze zich op de top van de Karmel*, Ik spoor ze op en Ik haal ze daar weg. Al onttrekken zij zich aan mijn blik op de bodem van de zee, Ik beveel de slang* om hen te bijten.   [3] Al verschuilen ze zich op de top van de Karmel, ik zal ze weten te vinden en ze daar weghalen; al proberen ze zich voor mij te verbergen op de bodem van de zee, ik zal de slang daar bevelen om hen te bijten.   3 al zullen ze zich verstoppen op de top van de Karmel, ik spoor ze op en neem ze vandaar mee; al verbergen ze zich voor het tegenover van mijn ogen op de bodem van de zee, ik gebied daar de slang en die zal ze bijten;   3. s'ils se cachent au sommet du Carmel, là j'irai les chercher et les prendre; s'ils se dérobent à mes yeux au fond de la mer, là je commanderai au Serpent de les mordre; 

King James Bible . [3] And though they hide themselves in the top of Carmel, I will search and take them out thence; and though they be hid from my sight in the bottom of the sea, thence will I command the serpent, and he shall bite them:
Luther-Bibel . 3 Und wenn sie sich auch versteckten oben auf dem Berge Karmel, will ich sie doch suchen und von dort herabholen; und wenn sie sich vor meinen Augen verbärgen im Grunde des Meeres, so will ich doch der Schlange befehlen, sie dort zu beißen.

Tekstuitleg van Am 9,3 .

Am 9,4 - Am 9,4 . Vijfde visioen . Am 9,1-15 - Am 9,1 - Am 9,2 - Am 9,3 - Am 9,4 - Am 9,5 - Am 9,6 - Am 9,7 - Am 9,8 - Am 9,9 - Am 9,10 - Am 9,11 - Am 9,12 - Am 9,13 - Am 9,14 - Am 9,15 -
Griekse tekst Vulgaat MTStatenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4kai ean poreuthôsin en aichmalôsia pro prosôpou tôn echthrôn autôn ekei enteloumai tè romfaia kai apoktenei autous kai stèriô tous ofthalmous mou ep' autous eis kaka kai ouk eis agatha  4 et si abierint in captivitatem coram inimicis suis ibi mandabo gladio et occidet eos et ponam oculos meos super eos in malum et non in bonum    4 En al gingen zij in gevangenis voor het aangezicht hunner vijanden, zo zal Ik van daar het zwaard gebieden, dat het hen dode; en Ik zal Mijn oog tegen hen zetten ten kwade, en niet ten goede.  [4] Al lopen zij als krijgsgevangenen voor hun vijanden uit, Ik beveel het zwaard, hen daar te doden. Ik houd mijn blik op hen gericht, ten kwade, niet ten goede.’   [4] Al worden ze door hun vijanden gevangengenomen en weggevoerd, dan nog geef ik het zwaard bevel om hen te doden. Ik richt mijn ogen op hen ten kwade, niet ten goede.’   4 al gaan ze de kerker in voor het aanschijn van hun vijanden, ik gebied daar het zwaard en dat zal ze ombrengen; ik heb mijn oog op hen gezet ten kwade en niet ten goede!   4. s'ils s'en vont captifs devant leurs ennemis, là je commanderai à l'épée de les tuer, je fixerai les yeux sur eux, pour leur malheur et non pour leur bonheur.  

King James Bible . [4] And though they go into captivity before their enemies, thence will I command the sword, and it shall slay them: and I will set mine eyes upon them for evil, and not for good.
Luther-Bibel . 4 Und wenn sie vor ihren Feinden gefangen einhergingen, so will ich doch dem Schwert befehlen, sie dort zu töten. Denn ich will meine Augen auf sie richten zum Bösen und nicht zum Guten

Tekstuitleg van Am 9,4 .

Am 9,5 - Am 9,5 . Vijfde visioen . Am 9,1-15 - Am 9,1 - Am 9,2 - Am 9,3 - Am 9,4 - Am 9,5 - Am 9,6 - Am 9,7 - Am 9,8 - Am 9,9 - Am 9,10 - Am 9,11 - Am 9,12 - Am 9,13 - Am 9,14 - Am 9,15 -
Griekse tekst Vulgaat MTStatenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5kai kurios kurios o theos o pantokratôr o efaptomenos tès gès kai saleuôn autèn kai penthèsousin pantes oi katoikountes autèn kai anabèsetai ôs potamos sunteleia autès kai katabèsetai ôs potamos aiguptou 5 et Dominus Deus exercituum qui tangit terram et tabescet et lugebunt omnes habitantes in ea et ascendet sicut rivus omnis et defluet sicut fluvius Aegypti     5 Want de Heere HEERE der heirscharen is het, Die het land aanroert, dat het versmelte, en allen, die daarin wonen, treuren; en dat het geheel oprijze als een rivier, en verdronken worde als door de rivier van Egypte.  [5] De Heer, de god van de machten, Hij* die de aarde aanraakt, zodat zij wegsmelt en al haar bewoners rouwen; en heel de aarde rijst als de Rivier, en zakt weer, als de rivier van Egypte.   [5] De HEER, de God van de hemelse machten, raakt de aarde aan en ze beeft, al haar bewoners gaan in rouw gehuld. Ze komt omhoog als de Nijl, zinkt weg als de rivier van Egypte.   5 Mijn Heer, de ENE, de Omschaarde, is het die het aardland aanraakt en het wankelt, en allen die daarop gezeten zijn rouwen,– in zijn geheel zal het oprijzen als de Stroom en weer inzinken als de Stroom van Egypte;   5. Et le Seigneur Yahvé Sabaot... Il touche la terre et elle se dissout, et tous ses habitants sont en deuil; elle monte comme le Nil, tout entière, et puis retombe comme le Nil d'Égypte.  

King James Bible . [5] And the Lord GOD of hosts is he that toucheth the land, and it shall melt, and all that dwell therein shall mourn: and it shall rise up wholly like a flood; and shall be drowned, as by the flood of Egypt.
Luther-Bibel . .5 Denn Gott, der HERR Zebaoth, ist es, der die Erde anrührt, dass sie bebt und alle ihre Bewohner trauern müssen und dass sie sich hebt wie die Wasser des Nils und sich senkt wie der Strom Ägyptens;

Tekstuitleg van Am 9,5 .

Am 9,6 - Am 9,6 . Vijfde visioen . Am 9,1-15 - Am 9,1 - Am 9,2 - Am 9,3 - Am 9,4 - Am 9,5 - Am 9,6 - Am 9,7 - Am 9,8 - Am 9,9 - Am 9,10 - Am 9,11 - Am 9,12 - Am 9,13 - Am 9,14 - Am 9,15 -
Griekse tekst Vulgaat MTStatenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
6o oikodomôn eis ton ouranon anabasin autou kai tèn epaggelian autou epi tès gès themeliôn o proskaloumenos to udôr tès thalassès kai ekcheôn auto epi prosôpon tès gès kurios o theos o pantokratôr onoma autô  6 qui aedificat in caelo ascensionem suam et fasciculum suum super terram fundavit qui vocat aquas maris et effundit eas super faciem terrae Dominus nomen eius    6 Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; HEERE is Zijn Naam.  [6] Hij die in de hemel zijn verheven troon bouwt en op de aarde zijn gewelf laat rusten, Hij die het water van de zee roept en over de aarde uitstort: de heer is zijn naam.   [6] Hij die in de hemel zijn verheven verblijf heeft gebouwd, hij die het hemelgewelf op de aarde laat rusten, hij die het water van de zee bijeenroept en het uitstort over de aarde – zijn naam is HEER.   6 hij bouwt zijn bovenzalen in de hemelen en heeft zijn bundelpijler op de aarde gegrondvest; die de wateren der zee oproept en ze uitgiet over het aanschijn van het land, ENE is zijn naam!  6. Il bâtit dans le ciel ses chambres hautes, il a fondé sa voûte sur la terre; il appelle les eaux de la mer et les répand sur la face de la terre; Yahvé est son nom. Tous les pécheurs périront.  

King James Bible . [6] It is he that buildeth his stories in the heaven, and hath founded his troop in the earth; he that calleth for the waters of the sea, and poureth them out upon the face of the earth: The LORD is his name.
Luther-Bibel . 6 er ist es, der seinen Saal in den Himmel baut und seinen Palast über der Erde gründet, der das Wasser im Meer herbeiruft und schüttet es auf das Erdreich. Er heißt HERR!

Tekstuitleg van Am 9,6 .

6. ´èrèts (aarde) . Tenach (453) . Am (7) : (1) Am 2,7 . (2) Am 2,10 . (3) Am 4,13 . (4) Am 7,12 . (5) Am 8,4 . (6) Am 9,6 . (7) Am 9,9 . lä´ârèts (naar de aarde , ter aarde) . Tenach (54) . 12 kl. Prof. (3) : (1) Am 3,14 . (2) Am 5,7 . (3) Am 8,9 . me´èrèts (uit het land) . Am (3) : (1) Am 2,10 . (2) Am 3,1 . (3) Am 9,7 .

5. - 6.

Am 9,7 - Am 9,7 . Vijfde visioen . Am 9,1-15 - Am 9,1 - Am 9,2 - Am 9,3 - Am 9,4 - Am 9,5 - Am 9,6 - Am 9,7 - Am 9,8 - Am 9,9 - Am 9,10 - Am 9,11 - Am 9,12 - Am 9,13 - Am 9,14 - Am 9,15 -
Griekse tekst Vulgaat MTStatenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7ouch ôs uioi aithiopôn umeis este emoi uioi israèl legei kurios ou ton israèl anègagon ek gès aiguptou kai tous allofulous ek kappadokias kai tous surous ek bothrou  7 numquid non ut filii Aethiopum vos estis mihi filii Israhel ait Dominus numquid non Israhel ascendere feci de terra Aegypti et Palestinos de Cappadocia et Syros de Cyrene    7 Zijt gijlieden Mij niet als de kinderen der Moren, o kinderen Israëls? spreekt de HEERE. Heb Ik Israël niet opgevoerd uit Egypteland, en de Filistijnen uit Kafthor, en de Syriërs uit Kir?  [7] ‘Bent u Mij niet evenveel* waard als de zonen van de Kusieten*, u, zonen van Israël?’ – godsspraak van de heer. ‘Heb Ik niet Israël uit Egypte geleid, de Filistijnen* uit Kaftor*, Aram uit Kir*?   [7] Zijn jullie voor mij soms meer dan de Nubiërs, Israël? – spreekt de HEER. Ik heb jullie uit Egypte weggeleid, maar ook de Filistijnen uit Kreta en de Arameeërs uit Kir.   7 Zijt ge voor mij niet als de kinderen der Koesjieten, kinderen Israëls?, is de tijding van de ENE; heb ik niet Israël doen opklimmen uit het land Egypte, de Filistijnen uit Kaftor en Aram uit Kier?–   7. N'êtes-vous pas pour moi comme des Kushites, enfants d'Israël ? - oracle de Yahvé - N'ai-je pas fait monter Israël du pays d'Égypte, et les Philistins de Kaphtor et les Araméens de Qir ? 

King James Bible . [7] Are ye not as children of the Ethiopians unto me, O children of Israel? saith the LORD. Have not I brought up Israel out of the land of Egypt? and the Philistines from Caphtor, and the Syrians from Kir?
Luther-Bibel . 7 Seid ihr Israeliten mir nicht gleichwie die Mohren?, spricht der HERR. Habe ich nicht Israel aus Ägyptenland geführt und die Philister aus Kaftor und die Aramäer aus Kir?

Tekstuitleg van Am 9,7 .

Am 9,7.7. jishërâ´el (Israël) . Taalgebruik in Tenach : jishërâ´el (Israël) . Taalgebruik in Amos : jishërâ´el (Israël) . Getalwaarde : jod = 10 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 , lameth = 12 of 30 ; totaal : 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Gr. israèl (Israël) . Taalgebruik in de LXX : Israèl (Israël) . Taalgebruik in het N.T. : Israèl (Israël) . Tenach (2044) . Am (24) : (1) Am 1,1 . (2) Am 2,6 . (3) Am 2,11 . (4) Am 3,1 . (5) Am 3,12 . (6) Am 3,14 . (7) Am 4,5 . (8) Am 4,12 . (9) Am 5,1 . (10) Am 5,2 . (11) Am 5,3 . (12) Am 5,4 . (13) Am 5,25 . (14) Am 6,1 . (15) Am 6,14 . (16) Am 7,8 . (17) Am 7,9 . (18) Am 7,10 . (19) Am 7,15 . (20) Am 7,16 . (21) Am 8,2 . (22) Am 9,7 . (23) Am 9,9 . (24) Am 9,14 .
-- bënê jishërâ´el (zonen van Israël, Israëlieten) . Tenach (419) . Am (5) : (1) Am 2,11 . (2) Am 3,1 . (3) Am 3,12 . (4) Am 4,5 . (5) Am 9,7 .

Am 9,7.8. - 9. nëûm ´ädonâj JHWH (godsspraak van mijn Heer JHWH) . Tenach (92) . Am (5) : (1) Am 3,13 . (2) Am 4,5 . (3) Am 8,3 . (4) Am 8,9 . (5) Am 8,11 . nëûm JHWH (godsspraak van JHWH) . Tenach (267) . Am (16) : (1) Am 2,11 . (2) Am 2,16 . (3) Am 3,10 . (4) Am 3,15 . (5) Am 4,3 . (6) Am 4,6 . (7) Am 4,8 . (8) Am 4,9 . (9) Am 4,10 . (10) Am 4,11 . (11) Am 6,8 . (12) Am 6,14 . (13) Am 9,7 . (14) Am 9,8 . (15) Am 9,12 . (16) Am 9,13 .

Am 9,7.12. jishërâ´el (Israël) . Taalgebruik in Tenach : jishërâ´el (Israël) . Taalgebruik in Amos : jishërâ´el (Israël) . Getalwaarde : jod = 10 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 , lameth = 12 of 30 ; totaal : 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Gr. israèl (Israël) . Taalgebruik in de LXX : Israèl (Israël) . Taalgebruik in het N.T. : Israèl (Israël) . Tenach (2044) . Am (24) : (1) Am 1,1 . (2) Am 2,6 . (3) Am 2,11 . (4) Am 3,1 . (5) Am 3,12 . (6) Am 3,14 . (7) Am 4,5 . (8) Am 4,12 . (9) Am 5,1 . (10) Am 5,2 . (11) Am 5,3 . (12) Am 5,4 . (13) Am 5,25 . (14) Am 6,1 . (15) Am 6,14 . (16) Am 7,8 . (17) Am 7,9 . (18) Am 7,10 . (19) Am 7,15 . (20) Am 7,16 . (21) Am 8,2 . (22) Am 9,7 . (23) Am 9,9 . (24) Am 9,14 .
-- bënê jishërâ´el (zonen van Israël, Israëlieten) . Tenach (419) . Am (5) : (1) Am 2,11 . (2) Am 3,1 . (3) Am 3,12 . (4) Am 4,5 . (5) Am 9,7 .

Am 9,7.14. me´èrèts (uit het land) < min + ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (157) . Pentateuch (56) . Eerdere Profeten (24) . Latere Profeten (46) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (18) . ´èrèts (aarde) . Tenakh (453) . Am (7) : (1) Am 2,7 . (2) Am 2,10 . (3) Am 4,13 . (4) Am 7,12 . (5) Am 8,4 . (6) Am 9,6 . (7) Am 9,9 . lä´ârèts (naar de aarde , ter aarde) . Tenakh (54) . 12 kl. Prof. (3) : (1) Am 3,14 . (2) Am 5,7 . (3) Am 8,9 . me´èrèts (uit het land) . Am (3) : (1) Am 2,10 . (2) Am 3,1 . (3) Am 9,7 .

Am 9,7.14. - 15. me´èrèts mitsërajim (uit het land van Egypte) . Tenakh (45) . 12 kl. Prof. (9) : (1) Hos 2,17 . (2) Hos 12,10 . (3) Hos 13,4 . (4) Am 2,10 . (5) Am 3,1 . (6) Am 9,7 . (7) Mi 6,4 . (8) Mi 7,15 . (9) Zach 10,10 .

Am 9,7.18. ´ärâm (Aram) . Taalgebruik in Tenach : ´ärâm (Aram) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 241 . Tenach (118) . 12 kl. Prof. (2) : (1) Hos 2,13 . (2) Am 1,5 . wa´ärâm (en Aram) . Tenach (9) : (1) Gn 10,22 . (2) 2 S 10,8 . (3) 1 K 20,27 . (4) 2 K 5,2 . (5) Js 7,4 . (6) Am 9,7 . (7) 1 Kr 1,17 . (8) 1 Kr 2,23 . (9) 1 Kr 7,34 . Hij is de vijfde zoon van Sem . la´ärâm (naar Aram) . Tenach (2) : (1) 2 K 5,1 . (2) 2 K 16,6 . ba´ärâm (in Aram) . Tenach (8) : (1) 2 S 8,5 . (2) 2 S 8,6 . (3) 2 S 10,13 . (4) 2 S 15,8 . (5) 1 K 20,21 . (6) 2 K 13,17 . (7) 1 Kr 18,5 . (8) 1 Kr 18,6

Am 9,8 - Am 9,8 . Vijfde visioen . Am 9,1-15 - Am 9,1 - Am 9,2 - Am 9,3 - Am 9,4 - Am 9,5 - Am 9,6 - Am 9,7 - Am 9,8 - Am 9,9 - Am 9,10 - Am 9,11 - Am 9,12 - Am 9,13 - Am 9,14 - Am 9,15 -
Griekse tekst Vulgaat MTStatenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8idou oi ofthalmoi kuriou tou theou epi tèn basileian tôn amartôlôn kai exarô autèn apo prosôpou tès gès plèn oti ouk eis telos exarô ton oikon iakôb legei kurios  8 ecce oculi Domini Dei super regnum peccans et conteram illud a facie terrae verumtamen conterens non conteram domum Iacob dicit Dominus    8 Ziet, de ogen des Heeren HEEREN zijn tegen dit zondig koninkrijk, dat Ik het van den aardbodem verdelge; behalve dat Ik het huis Jakobs niet ganselijk zal verdelgen, spreekt de HEERE.  [8] Zie, de ogen van de Heer god zijn op dit zondig koninkrijk gericht. Ik laat het van de aardbodem verdwijnen. Maar zal Ik het huis Jakob niet* geheel en al vernietigen’, – godsspraak van de heer.   [8] De ogen van God, de HEER, zijn gericht op dit zondige koninkrijk. Ik zal het van de aardbodem wegvagen, maar ik zal niet het hele volk van Jakob vernietigen – spreekt de HEER.   8 zie, de ogen van mijn Heer, de ENE, zijn tegen het koninkrijk der zonde; ik zal het verdelgen, weg van het aanschijn van de bloedronde grond; alleen zal ik Jakobs huis niet met totale verdelging verdelgen, is de tijding van de ENE   8. Voici, les yeux du Seigneur Yahvé sont sur le royaume pécheur. Je vais l'exterminer de la surface du sol, toutefois je n'exterminerai pas complètement la maison de Jacob - oracle de Yahvé.  

King James Bible . [8] Behold, the eyes of the Lord GOD are upon the sinful kingdom, and I will destroy it from off the face of the earth; saving that I will not utterly destroy the house of Jacob, saith the LORD.
Luther-Bibel . 8 Siehe, die Augen Gottes des HERRN sehen auf das sündige Königreich, dass ich's vom Erdboden vertilge, wiewohl ich das Haus Jakob nicht ganz vertilgen will, spricht der HERR.

Tekstuitleg van Am 9,8 . Het vers Am 9,8 telt 21 (3 X 7) woorden en 80 letters . De getalwaarde van Am 9,8 is 3990 (2 X 3 X 5 X 7 X 19) .

1. hinneh (zie) . Am (8) : (1) Am 2,13 . (2) Am 4,2 . (3) Am 4,13 . (4) Am 6,11 . (5) Am 8,11 . (6) Am 9,8 . (7) Am 9,9 . (8) Am 9,13 . wëhinneh (en zie) . Am (4) : (1) Am 7,1 . (2) Am 7,4 . (3) Am 7,7 . (4) Am 8,1 . hinëni (zie ik) . Am (2) : (1) Am 6,14 . (2) Am 7,8 .

13. kî (want) . Am (25) : (1) Am 3,7 . (2) Am 3,14 . (3) Am 4,2 . (4) Am 4,5 . (5) Am 4,12 . (6) Am 4,13 . (7) Am 5,3 . (8) Am 5,4 . (9) Am 5,5 . (10) Am 5,12 . (11) Am 5,13 . (12) Am 5,17 . (13) Am 5,22 . (14) Am 6,10 . (15) Am 6,11 . (16) Am 6,12 . (17) Am 6,14 . (18) Am 7,2 . (19) Am 7,5 . (20) Am 7,11 . (21) Am 7,13 . (22) Am 7,14 . (23) Am 8,11 . (24) Am 9,8 . (25) Am 9,9 .

13. - 14. kî l´o (want niet) . Tenach (247) . 12 kl. Prof. (10) : (1) Hos 1,6 . (2) Hos 9,17 . (3) Hos 10,3 . (4) Hos 13,13 . (5) Am 3,7 . (6) Am 6,10 . (7) Am 9,8 . (8) Mi 2,10 . (9) Nah 2,1 . (10) Zach 11,6 .

19. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenach : Ja`äqobh (Jakob) . Tenach (252) . Am (6) : (1) Am 3,13 . (2) Am 6,8 . (3) Am 7,2 . (4) Am 7,5 . (5) Am 8,7 . (6) Am 9,8 . Bij de aartsvaders Abraham , Isaak en Jakob spelen de getallen van hun leeftijden een symbolische betekenis .
- Abraham werd 175 jaar oud . 175 = 5² X 7 . (Gn 25,7) . Merkwaardig is de plaats van dit vers in de bijbel : het 25ste hoofdstuk en het 7de vers .
- Isaak werd 180 jaar oud . 180 = 6² X 5 . (Gn 35,28) .
- Jakob werd 147 jaar oud . 147 = 7² X 3 . (Gn 49,33) . Ook hier is de plaats van dit vers in de bijbel merkwaardig : het 49ste hoofdstuk en het 33ste vers .
Het product van drie opeenvolgende getallen ( 5 - 6 - 7) in het kwadraat , opklimmend , met drie opeenvolgende onpare getallen afdalend .
- Jozef leefde 110 jaar . 110 = 5² + 6² + 7² . De som van drie opeenvolgende getallen in het kwadraat . (Gn 50,22) . Deze plaats in de bijbel is wellicht ook merkwaardig . 5 (50ste hoofdstuk) X 22 (22ste vers) = 110 .
Ook de getalwaarde van de namen kan een symbolische waarde hebben .
- Isaak (Gn 21,3) . jitsëchâq (Isaak) . Getalwaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 90 , chet = 8 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 49 (7 X 7) OF 208 (8 X 26) .
- Jakob (Gn 25,26) . ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 OF 182 (7 X 26) .
- Jozef (Gn 30,24) . Jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samek = 15 of 60 , qoph = 17 of 80 ; totaal : 48 OF 156 (6 X 26) .
Het product van drie opeenvolgende getallen (8 - 7 - 6) in het kwadraat , afdalend , met de getalwaarde van de godsnaam JHWH = 26 .

18. - 19. be(j)th Ja`äqobh (huis van Jakob) . In veertien verzen in de bijbel : (1) Ps 114,1 . (2) Js 2,5 . (3) Js 2,6 . (4) Js 10,20 . (5) Js 14,1 . (6) Js 29,22 . (7) Js 46,3 . (8) Js 48,1 . (9) Jr 2,4 . (10) Ez 20,5 . (11) Am 9,8 . (12) Ob 17 . (13) Mi 2,7 . (14) Mi 3,9 .

20. - 21. nëûm ´ädonâj JHWH (godsspraak van mijn Heer JHWH) . Tenach (92) . Am (5) : (1) Am 3,13 . (2) Am 4,5 . (3) Am 8,3 . (4) Am 8,9 . (5) Am 8,11 . nëûm JHWH (godsspraak van JHWH) . Tenach (267) . Am (16) : (1) Am 2,11 . (2) Am 2,16 . (3) Am 3,10 . (4) Am 3,15 . (5) Am 4,3 . (6) Am 4,6 . (7) Am 4,8 . (8) Am 4,9 . (9) Am 4,10 . (10) Am 4,11 . (11) Am 6,8 . (12) Am 6,14 . (13) Am 9,7 . (14) Am 9,8 . (15) Am 9,12 . (16) Am 9,13 .

Am 9,9 - Am 9,9 . Vijfde visioen . Am 9,1-15 - Am 9,1 - Am 9,2 - Am 9,3 - Am 9,4 - Am 9,5 - Am 9,6 - Am 9,7 - Am 9,8 - Am 9,9 - Am 9,10 - Am 9,11 - Am 9,12 - Am 9,13 - Am 9,14 - Am 9,15 -
Griekse tekst Vulgaat MTStatenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9dioti idou egô entellomai kai likmiô en pasi tois ethnesin ton oikon tou israèl on tropon likmatai en tô likmô kai ou mè pesè suntrimma epi tèn gèn  9 ecce enim ego mandabo et concutiam in omnibus gentibus domum Israhel sicut concutitur in cribro et non cadet lapillus super terram     9 Want ziet, Ik geef bevel, en Ik zal het huis Israëls onder al de heidenen schudden, gelijk als zaad geschud wordt in een zeef; en niet een steentje zal er ter aarde vallen.   [9] ‘Want zie, mèt alle volken wordt op mijn bevel het huis Israël geschud als in een zeef*, maar geen steentje valt op de grond.   [9] Op mijn bevel zullen de Israëlieten door alle volken heen worden geschud, als in een zeef waar niet één steentje doorheen valt!   9 Want zie, ik gebied het en zal onder alle volkeren het huis van Israël schudden,– zoals in een zaadzeef wordt geschud, en er zal geen steentje ter aarde vallen!–   9. Car voici que je vais commander et je secouerai la maison d'Israël parmi toutes les nations, comme on secoue avec le crible, et pas un grain ne tombe à terre.  

King James Bible . [9] For, lo, I will command, and I will sift the house of Israel among all nations, like as corn is sifted in a sieve, yet shall not the least grain fall upon the earth.
Luther-Bibel . 9 Denn siehe, ich will befehlen und das Haus Israel unter allen Heiden schütteln lassen, gleichwie man mit einem Sieb schüttelt und kein Stein zur Erde fällt.

Tekstuitleg van Am 9,9 .

1. kî (want) . Am (25) : (1) Am 3,7 . (2) Am 3,14 . (3) Am 4,2 . (4) Am 4,5 . (5) Am 4,12 . (6) Am 4,13 . (7) Am 5,3 . (8) Am 5,4 . (9) Am 5,5 . (10) Am 5,12 . (11) Am 5,13 . (12) Am 5,17 . (13) Am 5,22 . (14) Am 6,10 . (15) Am 6,11 . (16) Am 6,12 . (17) Am 6,14 . (18) Am 7,2 . (19) Am 7,5 . (20) Am 7,11 . (21) Am 7,13 . (22) Am 7,14 . (23) Am 8,11 . (24) Am 9,8 . (25) Am 9,9 .

2. hinneh (zie) . Am (8) : (1) Am 2,13 . (2) Am 4,2 . (3) Am 4,13 . (4) Am 6,11 . (5) Am 8,11 . (6) Am 9,8 . (7) Am 9,9 . (8) Am 9,13 . wëhinneh (en zie) . Am (4) : (1) Am 7,1 . (2) Am 7,4 . (3) Am 7,7 . (4) Am 8,1 . hinëni (zie ik) . Am (2) : (1) Am 6,14 . (2) Am 7,8 .

1. - 2. kî hinneh (want zie) . Tenach (26) . 12 kl. Prof. (9) : (1) Hos 9,6 . (2) Jl 4,1 . (3) Am 4,2 . (4) Am 4,13 . (5) Am 6,11 . + Am 9,9 . (6) Mi 1,3 . (7) Zach 3,9 . (8) Zach 11,16 . (9) Mal 3,19 .

10. jishërâ´el (Israël) . Taalgebruik in Tenach : jishërâ´el (Israël) . Taalgebruik in Amos : jishërâ´el (Israël) . Getalwaarde : jod = 10 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 , lameth = 12 of 30 ; totaal : 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Gr. israèl (Israël) . Taalgebruik in de LXX : Israèl (Israël) . Taalgebruik in het N.T. : Israèl (Israël) . Tenach (2044) . Am (24) : (1) Am 1,1 . (2) Am 2,6 . (3) Am 2,11 . (4) Am 3,1 . (5) Am 3,12 . (6) Am 3,14 . (7) Am 4,5 . (8) Am 4,12 . (9) Am 5,1 . (10) Am 5,2 . (11) Am 5,3 . (12) Am 5,4 . (13) Am 5,25 . (14) Am 6,1 . (15) Am 6,14 . (16) Am 7,8 . (17) Am 7,9 . (18) Am 7,10 . (19) Am 7,15 . (20) Am 7,16 . (21) Am 8,2 . (22) Am 9,7 . (23) Am 9,9 . (24) Am 9,14 .
-- bënê jishërâ´el (zonen van Israël, Israëlieten) . Tenach (419) . Am (5) : (1) Am 2,11 . (2) Am 3,1 . (3) Am 3,12 . (4) Am 4,5 . (5) Am 9,7 .

17. ´èrèts (aarde) . Tenach (453) . Am (7) : (1) Am 2,7 . (2) Am 2,10 . (3) Am 4,13 . (4) Am 7,12 . (5) Am 8,4 . (6) Am 9,6 . (7) Am 9,9 . lä´ârèts (naar de aarde , ter aarde) . Tenach (54) . 12 kl. Prof. (3) : (1) Am 3,14 . (2) Am 5,7 . (3) Am 8,9 . me´èrèts (uit het land) . Am (3) : (1) Am 2,10 . (2) Am 3,1 . (3) Am 9,7 .

Am 9,10 - Am 9,10 . Vijfde visioen . Am 9,1-15 - Am 9,1 - Am 9,2 - Am 9,3 - Am 9,4 - Am 9,5 - Am 9,6 - Am 9,7 - Am 9,8 - Am 9,9 - Am 9,10 - Am 9,11 - Am 9,12 - Am 9,13 - Am 9,14 - Am 9,15 -
Griekse tekst Vulgaat MTStatenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10en romfaia teleutèsousi pantes amartôloi laou mou oi legontes ou mè eggisè oud' ou mè genètai ef' èmas ta kaka  10 in gladio morientur omnes peccatores populi mei qui dicunt non adpropinquabit et non veniet super nos malum    10 Alle zondaars Mijns volks zullen door het zwaard sterven; die daar zeggen: Het kwaad zal tot ons niet genaken, noch ons voorkomen.   [10] Al de zondaars van mijn volk zullen omkomen door het zwaard, zij die zeggen: “Het onheil zal niet dichterbij komen, het zal ons niet overvallen.”   [10] Alle zondaars in mijn volk zullen sterven door het zwaard, ook al zeggen ze: ‘U zorgt er wel voor dat het kwaad ons niet treft, dat het ver van ons blijft.’  10 door het zwaard vinden zij de dood, al die zondaars van mijn gemeente,– die zeggen: je kunt ons dat kwaad niet dichterbij brengen of vóór ons neerzetten!  10. Tous les pécheurs de mon peuple périront par l'épée, eux qui disent : « Le malheur n'avancera pas, il ne nous atteindra pas. »  

King James Bible . [10] All the sinners of my people shall die by the sword, which say, The evil shall not overtake nor prevent us.
Luther-Bibel . 10 Alle Sünder in meinem Volk sollen durchs Schwert sterben, die da sagen: Es wird das Unglück nicht so nahe sein noch uns begegnen. Das künftige Heil des Gottesvolkes

Tekstuitleg van Am 9,10 .

Am 9,11 - Am 9,11 . Vijfde visioen . Am 9,1-15 - Am 9,1 - Am 9,2 - Am 9,3 - Am 9,4 - Am 9,5 - Am 9,6 - Am 9,7 - Am 9,8 - Am 9,9 - Am 9,10 - Am 9,11 - Am 9,12 - Am 9,13 - Am 9,14 - Am 9,15 -
Griekse tekst Vulgaat MTStatenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11en tè èmera ekeinè anastèsô tèn skènèn dauid tèn peptôkuian kai anoikodomèsô ta peptôkota autès kai ta kateskammena autès anastèsô kai anoikodomèsô autèn kathôs ai èmerai tou aiônos  11 in die illo suscitabo tabernaculum David quod cecidit et reaedificabo aperturas murorum eius et ea quae corruerant instaurabo et reaedificabo eum sicut diebus antiquis     11 Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, en Ik zal haar reten vertuinen, en wat aan haar is afgebroken, weder oprichten, en zal ze bouwen, als in de dagen van ouds;  [11] Op die dag herstel* Ik de bouwvallige hut van David, dicht Ik haar scheuren, en zet Ik weer overeind wat is neergehaald en bouw Ik haar op als voorheen.   [11] Dan zal ik het vervallen huis van David herbouwen, ik zal de muren herstellen en opbouwen wat is neergehaald, ik zal het in zijn vroegere luister herstellen.   11 ¶ Te dien dage zal ik de vervallen hut van David doen opstaan; hun bressen zal ik dichtmetselen, al wat er van haar afgebroken is zal ik doen opstaan en ik zal haar herbouwen als in de dagen van eeuwig,–   11. En ces jours-là, je relèverai la hutte branlante de David, je réparerai ses brèches, je relèverai ses ruines, je la rebâtirai comme aux jours d'autrefois,  

King James Bible . [11] In that day will I raise up the tabernacle of David that is fallen, and close up the breaches thereof; and I will raise up his ruins, and I will build it as in the days of old:
Luther-Bibel . 11 Zur selben Zeit will ich die zerfallene Hütte Davids wieder aufrichten und ihre Risse vermauern und, was abgebrochen ist, wieder aufrichten und will sie bauen, wie sie vorzeiten gewesen ist,

Tekstuitleg van Am 9,11 .

1. bëjôm (op een dag) / bajjôm (op de dag) . Voorzetsel bë (op) / ba (bë + bepaald lidw. ha) en het zelfst. naamw. jôm (dag) . Taalgebruik in Tenach : jôm (dag) . Taalgebruik in Am : jôm (dag) . Gr. hèmera (dag) . Getalwaarde van jôm (dag) : jod = 10 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 OF 56 (2³ X 7) . Taalgebruik in de Septuaginta : hèmera (dag) . Taalgebruik in het N.T. : hèmera (dag) . Lat. dies . Ned. dag . D. Tag . E. day . F. jour < Lat. diurnum . Cfr journaal . Tenach (491) . Pentateuch (130) . 12 kl. Prof. (62 = 2 X 31) . Am (7) : (1) Am 1,14 . (2) Am 2,16 . (3) Am 3,14 . (4) Am 8,3 . (5) Am 8,9 . (6) Am 8,13 . (7) Am 9,11 . Een vorm van hèmera (dag) in de LXX (2567) , in Amos (16) , in het N.T. (388) . Am (16) : (1) Am 1,1 . (2) Am 1,14 . (3) Am 2,16 . (4) Am 3,14 . (5) Am 4,2 . (6) Am 5,8 . (7) Am 5,18 (2X) . (8) Am 5,20 . (9) Am 6,3 . (10) Am 8,3 . (11) Am 8,9 . (12) Am 8,10 . (13) Am 8,11 . (14) Am 8,13 . (15) Am 9,11 (2X) . (16) Am 9,13 .

1. - 2. bajjôm hahû´ (op die dag) . Tenach (188) . Am (5) : (1) Am 2,16 . (2) Am 8,3 . (3) Am 8,9 . (4) Am 8,13 . (5) Am 9,11 .

1. - 3. bajjôm hahû´ ´âqîm (op die dag zal ik opstaan) . Tenach (2) : (1) 1 S 3,12 . (2) Am 9,11 .

Am 9,12 - Am 9,12 . Vijfde visioen . Am 9,1-15 - Am 9,1 - Am 9,2 - Am 9,3 - Am 9,4 - Am 9,5 - Am 9,6 - Am 9,7 - Am 9,8 - Am 9,9 - Am 9,10 - Am 9,11 - Am 9,12 - Am 9,13 - Am 9,14 - Am 9,15 -
Griekse tekst Vulgaat MTStatenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12opôs ekzètèsôsin oi kataloipoi tôn anthrôpôn kai panta ta ethnè ef' ous epikeklètai to onoma mou ep' autous legei kurios o theos o poiôn tauta  12 ut possideant reliquias Idumeae et omnes nationes eo quod invocatum sit nomen meum super eos dicit Dominus faciens haec     12 Opdat zij erfelijk bezitten het overblijfsel van Edom, en al de heidenen, die naar Mijn Naam genoemd worden, spreekt de HEERE, Die dit doet.   [12] Wat is overgebleven van Edom en van al de volken waarover mijn naam is uitgeroepen, nemen zij in bezit’ – godsspraak van de heer, die dit voltrekt.   [12] Dan zal Israël in bezit nemen wat er nog rest van Edom en van alle volken die mij eens toebehoorden – spreekt de HEER, die dit alles doen zal.   12 opdat zij zullen beërven de rest van Edom en van alle volkeren waarover mijn naam is uitgeroepen,– is de tijding van de ENE die dit doet! •   12. afin qu'ils possèdent le reste d'Édom et toutes les nations qui furent appelées de mon nom, oracle de Yahvé qui a fait cela.  

King James Bible . [12] That they may possess the remnant of Edom, and of all the heathen, which are called by my name, saith the LORD that doeth this.
Luther-Bibel . 12 damit sie in Besitz nehmen, was übrig ist von Edom, und alle Heiden, über die mein Name genannt ist, spricht der HERR, der solches tut.

Tekstuitleg van Am 9,12 .

12. - 13. nëûm ´ädonâj JHWH (godsspraak van mijn Heer JHWH) . Tenach (92) . Am (5) : (1) Am 3,13 . (2) Am 4,5 . (3) Am 8,3 . (4) Am 8,9 . (5) Am 8,11 . nëûm JHWH (godsspraak van JHWH) . Tenach (267) . Am (16) : (1) Am 2,11 . (2) Am 2,16 . (3) Am 3,10 . (4) Am 3,15 . (5) Am 4,3 . (6) Am 4,6 . (7) Am 4,8 . (8) Am 4,9 . (9) Am 4,10 . (10) Am 4,11 . (11) Am 6,8 . (12) Am 6,14 . (13) Am 9,7 . (14) Am 9,8 . (15) Am 9,12 . (16) Am 9,13 .

14. - 15. 14. - 15. `oshèh zo´th (dit doende) . In Tenach slechts in Am 9,12 .

Am 9,13 - Am 9,13 . Vijfde visioen . Am 9,1-15 - Am 9,1 - Am 9,2 - Am 9,3 - Am 9,4 - Am 9,5 - Am 9,6 - Am 9,7 - Am 9,8 - Am 9,9 - Am 9,10 - Am 9,11 - Am 9,12 - Am 9,13 - Am 9,14 - Am 9,15 -
Griekse tekst Vulgaat MTStatenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13idou èmerai erchontai legei kurios kai katalèmpsetai o aloètos ton trugèton kai perkasei è stafulè en tô sporô kai apostalaxei ta orè glukasmon kai pantes oi bounoi sumfutoi esontai  13 ecce dies veniunt dicit Dominus et conprehendet arator messorem et calcator uvae mittentem semen et stillabunt montes dulcedinem et omnes colles culti erunt     13 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat de ploeger den maaier, en de druiventreder den zaadzaaier genaken zal; en de bergen zullen van zoeten wijn druipen, en al de heuvelen zullen smelten.   [13] ‘Zie de dagen komen,’ – godsspraak van de heer – ‘dat de ploeger de maaier op de voet volgt en de druivenperser de zaaier. En de bergen zullen stromen van de most en alle heuvels zullen ervan druipen.   [13] Dan komen de dagen – spreekt de HEER – dat de ploeger de maaier ontmoet en de druiventreder de zaaier, dat de bergen druipen van de wijn en alle heuvels golven van het koren.   13 Zie, er zijn dagen op komst, is de tijding van de ENE, dat de ploeger gelijk na de maaier aantreedt en de druiventreder gelijk na hem die het zaad in lange voren legt; de bergen zullen druipen van zoete wijn en alle heuvels ervan wankelen; 13. Voici venir des jours - oracle de Yahvé - où se suivront de près laboureur et moissonneur, celui qui foule les raisins et celui qui répand la semence. Les montagnes suinteront de jus de raisin, toutes les collines deviendront liquides.  

King James Bible . [13] Behold, the days come, saith the LORD, that the plowman shall overtake the reaper, and the treader of grapes him that soweth seed; and the mountains shall drop sweet wine, and all the hills shall melt.
Luther-Bibel . 13 Siehe, es kommt die Zeit, spricht der HERR, dass man zugleich ackern und ernten, zugleich keltern und säen wird. Und die Berge werden von süßem Wein triefen, und alle Hügel werden fruchtbar sein.

Tekstuitleg van Am 9,13 .

1. hinneh (zie) . Am (8) : (1) Am 2,13 . (2) Am 4,2 . (3) Am 4,13 . (4) Am 6,11 . (5) Am 8,11 . (6) Am 9,8 . (7) Am 9,9 . (8) Am 9,13 . wëhinneh (en zie) . Am (4) : (1) Am 7,1 . (2) Am 7,4 . (3) Am 7,7 . (4) Am 8,1 . hinëni (zie ik) . Am (2) : (1) Am 6,14 . (2) Am 7,8 .

1. - 3. hinneh jâmîm bâ´îm (zie komende dagen) . Tenach (20) : (1) 1 S 2,31 . (2) 2 K 20,17 . (3) Js 39,6 . (4) Jr 7,32 . (5) Jr 9,24. (6) Jr 16,14. (7) Jr 19,6 . (8) Jr 23,5 . (9) Jr 23,7 . (10) Jr 30,3 . (11) Jr 31,27 . (12) Jr 31,31 . (13) Jr 33,14 . (14) Jr 48,12 . (15) Jr 49,2 . (16) Jr 51,47 . (17) Jr 51,52 . (18) Am 4,2 . (19) Am 8,11 . (20) Am 9,13 .

4. - 5. nëûm ´ädonâj JHWH (godsspraak van mijn Heer JHWH) . Tenach (92) . Am (5) : (1) Am 3,13 . (2) Am 4,5 . (3) Am 8,3 . (4) Am 8,9 . (5) Am 8,11 . nëûm JHWH (godsspraak van JHWH) . Tenach (267) . Am (16) : (1) Am 2,11 . (2) Am 2,16 . (3) Am 3,10 . (4) Am 3,15 . (5) Am 4,3 . (6) Am 4,6 . (7) Am 4,8 . (8) Am 4,9 . (9) Am 4,10 . (10) Am 4,11 . (11) Am 6,8 . (12) Am 6,14 . (13) Am 9,7 . (14) Am 9,8 . (15) Am 9,12 . (16) Am 9,13 ..

1. - 5. hinneh jâmîm bâ´îm (zie komende dagen) nëûm ´ädonâj JHWH (godsspraak van de Heer JHWH) . Tenach (1) Am 8,11 . hinneh jâmîm bâ´îm (zie komende dagen) nëûm JHWH (godsspraak van JHWH) . Tenach (14 / 20) . Niet in : (1) 1 S 2,31 . (2) 2 K 20,17 . (3) Js 39,6 . (4) Jr 51,47 . (5) Am 4,2 . (6) Am 8,11 .

Am 9,14 - Am 9,14 . Vijfde visioen . Am 9,1-15 - Am 9,1 - Am 9,2 - Am 9,3 - Am 9,4 - Am 9,5 - Am 9,6 - Am 9,7 - Am 9,8 - Am 9,9 - Am 9,10 - Am 9,11 - Am 9,12 - Am 9,13 - Am 9,14 - Am 9,15 -
Griekse tekst Vulgaat MTStatenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14kai epistrepsô tèn aichmalôsian laou mou israèl kai oikodomèsousin poleis tas èfanismenas kai katoikèsousin kai katafuteusousin ampelônas kai piontai ton oinon autôn kai futeusousin kèpous kai fagontai ton karpon autôn  14 et convertam captivitatem populi mei Israhel et aedificabunt civitates desertas et habitabunt et plantabunt vineas et bibent vinum earum et facient hortos et comedent fructus eorum     14 En Ik zal de gevangenis van Mijn volk Israël wenden, en zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen, en wijngaarden planten, en derzelver wijn drinken; en zij zullen hoven maken, en derzelver vrucht eten.   [14] Dan herstel Ik mijn volk Israël in zijn vroegere staat; dan herbouwen zij de verwoeste steden en bewonen die weer, dan planten zij wijngaarden en drinken hun wijn; dan leggen zij boomgaarden aan en eten hun vruchten.   [14] Ik zal het lot van mijn volk Israël ten goede keren. Zij zullen hun verwoeste steden herbouwen en erin wonen, ze zullen wijngaarden planten en de wijn ervan drinken, ze zullen tuinen aanleggen en de vruchten ervan eten.   14 een kéér zal ik brengen in de kerkering van mijn gemeente Israël; herbouwen zullen zij steden die verwoest zijn en er ook zetelen, wijngaarden zullen zij planten en hun wijn drinken; tuinen zullen zij aanleggen en de vrucht daarvan eten;   14. Je rétablirai mon peuple Israël; ils rebâtiront les villes dévastées et les habiteront, ils planteront des vignes et en boiront le vin, ils cultiveront des jardins et en mangeront les fruits.  

King James Bible . [14] And I will bring again the captivity of my people of Israel, and they shall build the waste cities, and inhabit them; and they shall plant vineyards, and drink the wine thereof; they shall also make gardens, and eat the fruit of them.
Luther-Bibel . 14 Denn ich will die Gefangenschaft meines Volks Israel wenden, dass sie die verwüsteten Städte wieder aufbauen und bewohnen sollen, dass sie Weinberge pflanzen und Wein davon trinken, Gärten anlegen und Früchte daraus essen.

Tekstuitleg van Am 9,14 .

5. jishërâ´el (Israël) . Taalgebruik in Tenach : jishërâ´el (Israël) . Taalgebruik in Amos : jishërâ´el (Israël) . Getalwaarde : jod = 10 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 , lameth = 12 of 30 ; totaal : 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Gr. israèl (Israël) . Taalgebruik in de LXX : Israèl (Israël) . Taalgebruik in het N.T. : Israèl (Israël) . Tenach (2044) . Am (24) : (1) Am 1,1 . (2) Am 2,6 . (3) Am 2,11 . (4) Am 3,1 . (5) Am 3,12 . (6) Am 3,14 . (7) Am 4,5 . (8) Am 4,12 . (9) Am 5,1 . (10) Am 5,2 . (11) Am 5,3 . (12) Am 5,4 . (13) Am 5,25 . (14) Am 6,1 . (15) Am 6,14 . (16) Am 7,8 . (17) Am 7,9 . (18) Am 7,10 . (19) Am 7,15 . (20) Am 7,16 . (21) Am 8,2 . (22) Am 9,7 . (23) Am 9,9 . (24) Am 9,14 .
-- bënê jishërâ´el (zonen van Israël, Israëlieten) . Tenach (419) . Am (5) : (1) Am 2,11 . (2) Am 3,1 . (3) Am 3,12 . (4) Am 4,5 . (5) Am 9,7 .

 

Am 9,15 - Am 9,15 . Vijfde visioen . Am 9,1-15 - Am 9,1 - Am 9,2 - Am 9,3 - Am 9,4 - Am 9,5 - Am 9,6 - Am 9,7 - Am 9,8 - Am 9,9 - Am 9,10 - Am 9,11 - Am 9,12 - Am 9,13 - Am 9,14 - Am 9,15 -
Griekse tekst Vulgaat MTStatenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15kai katafuteusô autous epi tès gès autôn kai ou mè ekspasthôsin ouketi apo tès gès autôn ès edôka autois legei kurios o theos o pantokratôr . 15 et plantabo eos super humum suam et non evellam eos ultra de terra sua quam dedi eis dicit Dominus Deus tuus     15 En Ik zal ze in hun land planten; en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit hun land, dat Ik hunlieden gegeven heb, zegt de HEERE, uw God.  [15] Ik zal hen planten in hun eigen grond en zij worden niet meer weggerukt uit de grond die Ik hun heb gegeven. Spreekt de heer uw God.’   [15] Ik zal hen terugplanten in hun grond, en zij zullen niet meer worden weggerukt uit het land dat ik hun heb gegeven – zegt de HEER, jullie God. 15 planten zal ik hen in hun rode grond,– en nooit meer worden ze weggerukt van op hun rode grond die ik hun gegeven heb, heeft gezegd de ENE, je God!   15. Je les planterai sur leur terre et ils ne seront plus arrachés de dessus la terre que je leur ai donnée, dit Yahvé ton Dieu. 

King James Bible . [15] And I will plant them upon their land, and they shall no more be pulled up out of their land which I have given them, saith the LORD thy God.
Luther-Bibel . 15 Denn ich will sie in ihr Land pflanzen, dass sie nicht mehr aus ihrem Land ausgerottet werden, das ich ihnen gegeben habe, spricht der HERR, dein Gott.

Tekstuitleg van Am 9,15 .

7. - 8. me`al ´adëmâthâm (weg vanop hun aardbodem) . Tenakh (3) : (1) Dt 29,27 . (2) Jr 12,14 . (3) Am 9,15 . In deze 3 verzen is deze uitdrukking gerelateerd aan een vorm van het werkw. nâthasj (uitroeien, verwoesten, verdrijven) . Taalgebruik in Tenakh : nâthasj (uitroeien, verwoesten, verdrijven) .


SEPTUAGINTA

9 1eidon ton kurion efestôta epi tou thusiastèriou kai eipen pataxon epi to ilastèrion kai seisthèsetai ta propula kai diakopson eis kefalas pantôn kai tous kataloipous autôn en romfaia apoktenô ou mè diafugè ex autôn feugôn kai ou mè diasôthè ex autôn anasôzomenos2ean katorugôsin eis adou ekeithen è cheir mou anaspasei autous kai ean anabôsin eis ton ouranon ekeithen kataxô autous3ean egkrubôsin eis tèn korufèn tou karmèlou ekeithen exereunèsô kai lèmpsomai autous kai ean katadusôsin ex ofthalmôn mou eis ta bathè tès thalassès ekei enteloumai tô drakonti kai dèxetai autous4kai ean poreuthôsin en aichmalôsia pro prosôpou tôn echthrôn autôn ekei enteloumai tè romfaia kai apoktenei autous kai stèriô tous ofthalmous mou ep' autous eis kaka kai ouk eis agatha5kai kurios kurios o theos o pantokratôr o efaptomenos tès gès kai saleuôn autèn kai penthèsousin pantes oi katoikountes autèn kai anabèsetai ôs potamos sunteleia autès kai katabèsetai ôs potamos aiguptou6o oikodomôn eis ton ouranon anabasin autou kai tèn epaggelian autou epi tès gès themeliôn o proskaloumenos to udôr tès thalassès kai ekcheôn auto epi prosôpon tès gès kurios o theos o pantokratôr onoma autô7ouch ôs uioi aithiopôn umeis este emoi uioi israèl legei kurios ou ton israèl anègagon ek gès aiguptou kai tous allofulous ek kappadokias kai tous surous ek bothrou8idou oi ofthalmoi kuriou tou theou epi tèn basileian tôn amartôlôn kai exarô autèn apo prosôpou tès gès plèn oti ouk eis telos exarô ton oikon iakôb legei kurios9dioti idou egô entellomai kai likmiô en pasi tois ethnesin ton oikon tou israèl on tropon likmatai en tô likmô kai ou mè pesè suntrimma epi tèn gèn10en romfaia teleutèsousi pantes amartôloi laou mou oi legontes ou mè eggisè oud' ou mè genètai ef' èmas ta kaka11en tè èmera ekeinè anastèsô tèn skènèn dauid tèn peptôkuian kai anoikodomèsô ta peptôkota autès kai ta kateskammena autès anastèsô kai anoikodomèsô autèn kathôs ai èmerai tou aiônos12opôs ekzètèsôsin oi kataloipoi tôn anthrôpôn kai panta ta ethnè ef' ous epikeklètai to onoma mou ep' autous legei kurios o theos o poiôn tauta13idou èmerai erchontai legei kurios kai katalèmpsetai o aloètos ton trugèton kai perkasei è stafulè en tô sporô kai apostalaxei ta orè glukasmon kai pantes oi bounoi sumfutoi esontai14kai epistrepsô tèn aichmalôsian laou mou israèl kai oikodomèsousin poleis tas èfanismenas kai katoikèsousin kai katafuteusousin ampelônas kai piontai ton oinon autôn kai futeusousin kèpous kai fagontai ton karpon autôn15kai katafuteusô autous epi tès gès autôn kai ou mè ekspasthôsin ouketi apo tès gès autôn ès edôka autois legei kurios o theos o pantokratôr


VULGAAT

1 vidi Dominum stantem super altare et dixit percute cardinem et commoveantur superliminaria avaritia enim in capite omnium et novissimum eorum in gladio interficiam non erit fuga eis fugiet et non salvabitur ex eis qui fugerit 2 si descenderint usque ad infernum inde manus mea educet eos et si ascenderint usque ad caelum inde detraham eos 3 et si absconditi fuerint in vertice Carmeli inde scrutans auferam eos et si celaverint se ab oculis meis in fundo maris ibi mandabo serpenti et mordebit eos 4 et si abierint in captivitatem coram inimicis suis ibi mandabo gladio et occidet eos et ponam oculos meos super eos in malum et non in bonum 5 et Dominus Deus exercituum qui tangit terram et tabescet et lugebunt omnes habitantes in ea et ascendet sicut rivus omnis et defluet sicut fluvius Aegypti 6 qui aedificat in caelo ascensionem suam et fasciculum suum super terram fundavit qui vocat aquas maris et effundit eas super faciem terrae Dominus nomen eius 7 numquid non ut filii Aethiopum vos estis mihi filii Israhel ait Dominus numquid non Israhel ascendere feci de terra Aegypti et Palestinos de Cappadocia et Syros de Cyrene 8 ecce oculi Domini Dei super regnum peccans et conteram illud a facie terrae verumtamen conterens non conteram domum Iacob dicit Dominus 9 ecce enim ego mandabo et concutiam in omnibus gentibus domum Israhel sicut concutitur in cribro et non cadet lapillus super terram 10 in gladio morientur omnes peccatores populi mei qui dicunt non adpropinquabit et non veniet super nos malum 11 in die illo suscitabo tabernaculum David quod cecidit et reaedificabo aperturas murorum eius et ea quae corruerant instaurabo et reaedificabo eum sicut diebus antiquis 12 ut possideant reliquias Idumeae et omnes nationes eo quod invocatum sit nomen meum super eos dicit Dominus faciens haec 13 ecce dies veniunt dicit Dominus et conprehendet arator messorem et calcator uvae mittentem semen et stillabunt montes dulcedinem et omnes colles culti erunt 14 et convertam captivitatem populi mei Israhel et aedificabunt civitates desertas et habitabunt et plantabunt vineas et bibent vinum earum et facient hortos et comedent fructus eorum 15 et plantabo eos super humum suam et non evellam eos ultra de terra sua quam dedi eis dicit Dominus Deus tuus