- WEBSITEWEGWIJZER - DEUTERONOMIUM 15 - Dt 15 -- Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -
- Dt 15,1-18 : De kwijtschelding - Dt 15,19-23 : De eerstelingen van het vee -

Overzicht van Deuteronomium : - Dt 1 - Dt 2 - Dt 3 - Dt 4 - Dt 5 - Dt 6 - Dt 7 - Dt 8 - Dt 9 - Dt 10 - Dt 11 - Dt 12 - Dt 13 - Dt 14 - Dt 15 - Dt 16 - Dt 17 - Dt 18 - Dt 19 - Dt 20 - Dt 21 - Dt 22 - Dt 23 - Dt 24 - Dt 25 - Dt 26 - Dt 27 - Dt 28 - Dt 29 - Dt 30 - Dt 31 - Dt 32 - Dt 33 - Dt 34 -
Uitleg vers per vers : - Dt 15,1 - Dt 15,2 - Dt 15,3 - Dt 15,4 - Dt 15,5 - Dt 15,6 - Dt 15,7 - Dt 15,8 - Dt 15,9 - Dt 15,10 - Dt 15,11 - Dt 15,12 - Dt 15,13 - Dt 15,14 - Dt 15,15 - Dt 15,16 - Dt 15,17 - Dt 15,18 - Dt 15,19 - Dt 15,20 - Dt 15,21 - Dt 15,22 - Dt 15,23 -
- Dt 15,1 . Dt 15,2 . Dt 15,3 . Dt 15,4 . Dt 15,5 . Dt 15,6 . Dt 15,7 . Dt 15,8 . Dt 15,9 . Dt 15,10 . Dt 15,11 . Dt 15,12 . Dt 15,13 . Dt 15,14 . Dt 15,15 . Dt 15,16 . Dt 15,17 . Dt 15,18 . Dt 15,19 . Dt 15,20 . Dt 15,21 . Dt 15,22 .


ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 

- Hebreeuws OF modern Hebreeuws (NT) : http://www.mechon-mamre.org/p/pt/pt0515.htm . http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Hebreeuws OF modern Hebreeuws (NT) .
- Targum Onkelos : http://www.mechon-mamre.org/i/t/u/u0515.htm . Targum Onkelos .
- Griekse tekst - Septuaginta : http://www.myriobiblos.gr/bible/ot/chapter.asp?book=5&page=15 . Griekse tekst - Septuaginta .
- Vulgata : http://www.intratext.com/IXT/LAT0001/_P4K.HTM . Vulgata .
- Statenvertaling : http://www.statenvertaling.net/bijbel/deut/15.html . Statenvertaling .
- Willibrordvertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/index.php?p=page&i=5336,5358 . Willibrordvertaling .
- De Nieuwe Vertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/index.php?p=page&i=5336,5358 . De Nieuwe Vertaling .
- De Naardense bijbel : http://naardensebijbel.nl/zoek.php . De Naardense bijbel .
- Bible de Jérusalem : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Bible de Jérusalem .
- King James Bible : http://quod.lib.umich.edu/cgi/k/kjv/kjv-idx?type=DIV1&byte=741530 . King James Bible .
- Luther Bibel : http://www.die-bibel.de/online-bibeln/luther-bibel-1984/bibeltext/bibel/text/lesen/stelle/5/150001/159999/ch/8de0c5d528de78f35bd1bd4c17cdf062/ . Luther Bibel .
- Arabisch :http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Arabisch .



Woordenschat
Bibliografie
- Carrière Jean-Marie , "Le livre du Deutéronome", collection "La Bible tout simplement", Les éditions de l'atelier, Paris, janvier 2002, 187p., 15 €. Chapitre 4 . Le pauvre , ton frčre (p.75-91) .-
Literatuur
Liturgisch gebruik

Dt 15,1-18 : De kwijtschelding - bijbeloverzicht -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- bijbelverwijzingen -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,1 - Dt 15,2 - Dt 15,3 - Dt 15,4 - Dt 15,5 - Dt 15,6 - Dt 15,7 - Dt 15,8 - Dt 15,9 - Dt 15,10 - Dt 15,11 - Dt 15,12 - Dt 15,13 - Dt 15,14 - Dt 15,15 - Dt 15,16 - Dt 15,17 - Dt 15,18 -
- In Dt 15,4-11 vinden we een prachtig stukje over de houding tegenover de arme . Dat wordt als gerealiseerd voorgesteld in de Hnd

Dt 15,1 - Dt 15,1 : De kwijtschelding - bijbeloverzicht -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- bijbelverwijzingen -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,1 - Dt 15,2 - Dt 15,3 - Dt 15,4 - Dt 15,5 - Dt 15,6 - Dt 15,7 - Dt 15,8 - Dt 15,9 - Dt 15,10 - Dt 15,11 - Dt 15,12 - Dt 15,13 - Dt 15,14 - Dt 15,15 - Dt 15,16 - Dt 15,17 - Dt 15,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
ΔΙ᾿ ἑπτὰ ἐτῶν ποιήσεις ἄφεσιν. 1 septimo anno facies remissionem   1 Ten einde van zeven jaren zult gij een vrijlating maken. [1] Om de zeven jaar moet u een kwijtschelding* houden.   1] Elk zevende jaar moet u algemene kwijtschelding verlenen. 1. Au bout de sept ans tu feras remise. 1. Au bout de sept ans tu feras remise.

King James Bible . Deut.15 [1] At the end of every seven years thou shalt make a release.
Luther-Bibel . Das Erlassjahr 151Alle sieben Jahre sollst du ein Erlassjahr halten.

Tekstuitleg van Dt 15,1 . Het vers Dt 15,1 telt 5 woorden en 18 (2 X 3²) letters . De getalwaarde van Dt 15,1 is 2131 (priemgetal) .

Dt 15,1.2. שֶׁבַע / שֵׁבַע = sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13 = (26 + 13) OF 372 (2 X 3 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (175 OF 7 X 25) . Pentateuch (70 OF 7 X 10) . Eerdere Profeten (61) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Alle prof. boeken (70 OF 7 X 10) . Geschriften (35 OF 7 X 5) . Dt (2) : (1) Dt 15,1 . (2) Dt 32,10 .
- Gr. hepta . Bijbel (334) . OT (272) . NT (62) . Een vorm van hepta (zeven) in de LXX (377) , in het NT (87) .
- Lat. septem . Bijbel (325) . OT (264) . NT (61) . Fr. sept . D. Sieben . E. seven . Ned. zeven . Arabisch : sab`ah (zeven) : سَبْعة. Taalgebruik in de Koran : sab`ah (zeven) .
- De eerste medeklinker : s ; in het Grieks werd het een aangeblazen ha ; in het Nederlands werd de s een z . De tweede medeklinker : b ; in het Arabisch en het Duits ; in het Hebreeuws is het een zachte b , uitgesproken als v ; zo ook in het E. en het Ned. ; in het Gr. , het Lat. en het Fr. werd het een p ; in het Fr. wordt de p niet uitgesproken . De derde medeklinker : de ajin in het Arabisch en het Hebreeuws ; in het Gr. en het Lat. door de letter t . Het Franse sept is afkorting van het Lat. septem ; de -en uitgang in het D. , E. en Ned. komt wellicht uit de Latijnse uitgang -em .

Dt 15,1.3. vr. mv. (met mannelijke uitgang) שָׁנֶים = sjânîm (jaren) van het zelfstandig naamwoord שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . De getalwaarde van שָׁנָה = sjânâh (jaar) is : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (64) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (77) . Gn (46) . Ex (8) : (1) Ex 21,2 . (2) Ex 22,3 . (3) Ex 22,6 . (4) Ex 22,8 . (5) Ex 23,10 . (6) Ex 25,18 . (7) Ex 29,1 . (8) Ex 29,38 . Lv (8) : (1) Lv 19,23 . (2) Lv 23,18 . (3) Lv 25,3 . (4) Lv 25,8 . (5) Lv 25,15 . (6) Lv 25,50 . (7) Lv 27,5 . (8) Lv 27,6 . Dt (4) : (1) Dt 15,12 . (2) Dt 15,18 . (3) Dt 28,63 . (4) Dt 30,9 .
- Grieks . ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) .
- Latijn . annus (jaar) . Fr. an of année . Ned. jaar . E. year . D. Jahr . Aramees : שְׁנָה = sjënâh (jaar) . Arabisch : سَنَة = sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) .

Dt 15,1.2. - 3. שֶׁבַע שָׁנִים = sjèbha` sjânîm (zeven jaren) . Tenakh (32) : (1) Gn 5,7 . (2) Gn 11,21 . (3) Gn 29,18 . (4) Gn 29,20 . (5) Gn 29,27 . (6) Gn 29,30 . (7) Gn 41,26 (2X) . (8) Gn 41,27 . (9) Gn 41,29 . (10) Gn 41,48 . (11) Gn 47,28 . (12) Lv 25,8 . (13) Nu 13,22 . (14) Dt 15,1 . (15) Dt 31,10 . (16) Re 6,1 . (17) Re 6,25 . (18) Re 12,9 . (19) 2 S 2,11 . (20) 2 S 5,5 . (21) 2 S 24,13 . (22) 1 K 2,11 . (23) 1 K 6,38 . (24) 2 K 8,1 . (25) 2 K 8,2 . (26) 2 K 8,3 . (27) 2 K 12,1 . (28) 1 Kr 3,4 . (29) 1 Kr 29,27 . (30) 2 Kr 24,1 . (31) Jr 34,14 . (32) Ez 39,9 .

Dt 15,1.1. -3. מֶקֵּץ שֶׁבַע שָׁנִים = miqqets sjèbha`sjânîm (vanaf het einde van zeven jaren) . Tenakh (3) : (1) Dt 15,1 . (2) Dt 32,10 . (3) Jr 34,14 .

Dt 15,1.5. acc. vr. enk. αφεσιν = afesin van het zelfst. naamw. αφεσις = afesis (vergeving) . Taalgebruik in het NT : afesis (vergeving) . Taalgebruik in de LXX : afesis (vergeving) . Bijbel (25) : (1) Ex 18,2 . (2) Ex 23,11 . (3) Lv 16,26 . (4) Lv 25,10 . (5) Lv 27,18 . (6) Dt 15,1 . (7) Dt 15,3 . (8) Js 61,1 . (9) Jr 34,8 . (10) Jr 34,15 . (11) Jr 34,17 . (12) Est 2,18 . (13) Jdt 11,14 . (14) 1 Mak 13,34 . (15) Mt 26,28 . (16) Mc 1,4 . (17) Mc 3,29 . (18) Lc 3,3 . (19) Lc 24,47 . (20) Hnd 2,38 . (21) Hnd 5,31 . (22) Hnd 10,43 . (23) Hnd 26,18 . (24) Ef 1,7 . (25) Kol 1,14 . Een vorm van αφεσις = afesis in de LXX (50) , in het NT (17) .

Dt 15,2 - Dt 15,2 : De kwijtschelding - bijbeloverzicht -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- bijbelverwijzingen -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,1 - Dt 15,2 - Dt 15,3 - Dt 15,4 - Dt 15,5 - Dt 15,6 - Dt 15,7 - Dt 15,8 - Dt 15,9 - Dt 15,10 - Dt 15,11 - Dt 15,12 - Dt 15,13 - Dt 15,14 - Dt 15,15 - Dt 15,16 - Dt 15,17 - Dt 15,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2 καὶ οὕτω τὸ πρόσταγμα τῆς ἀφέσεως· ἀφήσεις πᾶν χρέος ἴδιον, ὃ ὀφείλει σοι ὁ πλησίον, καὶ τὸν ἀδελφόν σου οὐκ ἀπαιτήσεις, ἐπικέκληται γὰρ ἄφεσις Κυρίῳ τῷ Θεῷ σου. 2 quae hoc ordine celebrabitur cui debetur aliquid ab amico vel proximo ac fratre suo repetere non poterit quia annus remissionis est Domini   2 Dit nu is de zaak der vrijlating, dat ieder schuldheer, die zijn naaste zal geleend hebben, vrijlate; hij zal zijn naaste of zijn broeder niet manen, dewijl men den HEERE een vrijlating heeft uitgeroepen. [2] Bij deze kwijtschelding gaat het als volgt: Ieder die iets aan zijn naaste heeft geleend, moet hem die schuld kwijtschelden. Hij mag zijn naaste of broeder niet tot betaling dwingen, omdat er een kwijtschelding ter ere van de heer is uitgeroepen.   [2] Dat houdt het volgende in: elke schuldeiser moet iedereen die iets van hem heeft geleend zijn schuld kwijtschelden; hij mag zijn volksgenoot, zijn broeder, niet tot afbetaling dwingen, want de kwijtschelding is afgekondigd in de naam van de HEER. 2. Voici en quoi consiste la remise. Tout détenteur d'un gage personnel qu'il aura obtenu de son prochain, lui en fera remise ; il n'exploitera pas son prochain ni son frère, quand celui-ci en aura appelé à Yahvé pour remise. 2. Voici en quoi consiste la remise. Tout détenteur d'un gage personnel qu'il aura obtenu de son prochain, lui en fera remise ; il n'exploitera pas son prochain ni son frère, quand celui-ci en aura appelé à Yahvé pour remise.

King James Bible . [2] And this is the manner of the release: Every creditor that lendeth ought unto his neighbour shall release it;he shall not exact it of his neighbour, or of his brother; because it is called the LORD's release.
Luther-Bibel . 2So aber soll's zugehen mit dem Erlassjahr: Wenn einer seinem Nächsten etwas geborgt hat, der soll's ihm erlassen und soll's nicht eintreiben von seinem Nächsten oder von seinem Bruder; denn man hat ein Erlassjahr ausgerufen dem HERRN.

Tekstuitleg van Dt 15,2 . Het vers Dt 15,2 telt 21 (3 X 7) woorden en 69 (3 X 23) letters . De getalwaarde van 4753 (7² X 97) .

12. לֹא = lo´(niet) . Taalgebruik in Tenakh : lo´(niet) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . De getalwaarde van לֹא = lo´ is de helft van de getalwaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2 . Tenakh (2767) . Pentateuch (801) . Eerdere Profeten (456) . Latere Profeten (611) . 12 Kleine Profeten (150) . Geschriften (749) . Dt (249) . Dt 15 (11) : (1) Dt 15,2 . (2) Dt 15,4 . (3) Dt 15,6 . (4) Dt 15,7 . (5) Dt 15,11 . (6) Dt 15,13 . (7) Dt 15,16 . (8) Dt 15,18 . (9) Dt 15,19 . (10) Dt 15,21 . (11) Dt 15,22 .

20. Grieks . nom. vr. enk. αφεσις = afesis (vergeving) . Taalgebruik in het NT : afesis (vergeving) . Taalgebruik in de LXX : afesis (vergeving) . Bijbel (5) : (1) Nu 36,4 . (2) Dt 15,2 . (3) Hnd 13,38 . (4) Heb 9,2 . (5) Heb 10,18 . Een vorm van αφεσις = afesis in de LXX (50) , in het NT (17) .

Dt 15,3 - Dt 15,3 : De kwijtschelding - bijbeloverzicht -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- bijbelverwijzingen -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,1 - Dt 15,2 - Dt 15,3 - Dt 15,4 - Dt 15,5 - Dt 15,6 - Dt 15,7 - Dt 15,8 - Dt 15,9 - Dt 15,10 - Dt 15,11 - Dt 15,12 - Dt 15,13 - Dt 15,14 - Dt 15,15 - Dt 15,16 - Dt 15,17 - Dt 15,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3 τὸν ἀλλότριον ἀπαιτήσεις ὅσα ἐὰν ᾖ σοι παρ᾿ αὐτῷ, τῷ δὲ ἀδελφῷ σου ἄφεσιν ποιήσεις τοῦ χρέους σου· 3 a peregrino et advena exiges civem et propinquum repetendi non habes potestatem   3 Den vreemde zult gij manen; maar wat gij bij uw broeder hebt, zal uw hand vrijlaten; [3] Een buitenlander mag u tot betaling dwingen, maar wat uw broeder van u heeft, moet u hem kwijtschelden.  [3] Van een buitenlander mag u wel betaling vorderen, maar wat u van een volksgenoot te goed hebt moet u kwijtschelden. 3. Tu pourras exploiter l'étranger, mais tu libéreras ton frère de ton droit sur lui. 3. Tu pourras exploiter l'étranger, mais tu libéreras ton frère de ton droit sur lui.

King James Bible . [3] Of a foreigner thou mayest exact it again: but that which is thine with thy brother thine hand shall release;
Luther-Bibel . 3Von einem Ausländer darfst du es eintreiben; aber dem, der dein Bruder ist, sollst du es erlassen.

Tekstuitleg van Dt 15,3 .

5. qal imperfect. 3de pers. enk. jihëjèh (hij zal zijn) . Tenakh (399) . Pentateuch (194) . Eerdere Profeten (53) . Latere Profeten (95) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (38) . Dt (42) . Dt 15 (5) : (1) Dt 15,3 . (2) Dt 15,4 . (3) Dt 15,7 . (4) Dt 15,9 . (5) Dt 15,21 .

8. mann. enk. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk. ´âchîkhâ (jouw broer) OF mann. mv. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk. ´âchè(j)khâ (jouw broeders) . ´ach (broer) . Taalgebruik in Tenakh : ´ach (broer) . Getalwaarde = aleph = 1 , chet = 8 ; totaal : 9 (3²) . Structuur : 1 - 8 . Tenakh (70) . Pentateuch (52) . Eerdere Profeten (10) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (4) . Dt (12) : (1) Dt 13,7 . (2) Dt 15,3 . (3) Dt 15,7 . (4) Dt 15,12 . (5) Dt 17,15 . (6) Dt 22,1 . (7) Dt 22,2 . (8) Dt 22,3 . (9) Dt 22,4 . (10) Dt 23,8 . (11) Dt 25,3 . (12) Dt 32,50 .
- Latijn . frater . Fr. frère . Ned. broer . E. brother . D. Bruder . Arab. ´ach . Taalgebruik in de Koran : ´ach (broer) .

9. acc. vr. enk. αφεσιν = afesin van het zelfst. naamw. αφεσις = afesis (vergeving) . Taalgebruik in het NT : afesis (vergeving) . Taalgebruik in de LXX : afesis (vergeving) . Bijbel (25) : (1) Ex 18,2 . (2) Ex 23,11 . (3) Lv 16,26 . (4) Lv 25,10 . (5) Lv 27,18 . (6) Dt 15,1 . (7) Dt 15,3 . (8) Js 61,1 . (9) Jr 34,8 . (10) Jr 34,15 . (11) Jr 34,17 . (12) Est 2,18 . (13) Jdt 11,14 . (14) 1 Mak 13,34 . (15) Mt 26,28 . (16) Mc 1,4 . (17) Mc 3,29 . (18) Lc 3,3 . (19) Lc 24,47 . (20) Hnd 2,38 . (21) Hnd 5,31 . (22) Hnd 10,43 . (23) Hnd 26,18 . (24) Ef 1,7 . (25) Kol 1,14 . Een vorm van αφεσις = afesis in de LXX (50) , in het NT (17) .

Dt 15,4 - Dt 15,4 : De kwijtschelding - bijbeloverzicht -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- bijbelverwijzingen -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,1 - Dt 15,2 - Dt 15,3 - Dt 15,4 - Dt 15,5 - Dt 15,6 - Dt 15,7 - Dt 15,8 - Dt 15,9 - Dt 15,10 - Dt 15,11 - Dt 15,12 - Dt 15,13 - Dt 15,14 - Dt 15,15 - Dt 15,16 - Dt 15,17 - Dt 15,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4 ὅτι οὐκ ἔσται ἐν σοὶ ἐνδεής, ὅτι εὐλογῶν εὐλογήσει σε Κύριος ὁ Θεός σου ἐν τῇ γῇ, ᾗ Κύριος ὁ Θεός σου δίδωσί σοι ἐν κλήρῳ κατακληρονομῆσαι αὐτήν. 4 et omnino indigens et mendicus non erit inter vos ut benedicat tibi Dominus in terra quam traditurus est tibi in possessionem   4 Alleenlijk, omdat er geen bedelaar onder u zal zijn; want de HEERE zal u overloediglijk zegenen in het land, dat u de HEERE, uw God, ten erve zal geven, om hetzelve erfelijk te bezitten; [4] Er zullen bij u trouwens geen armen zijn, want de heer uw God zal u overvloedig zegenen in het land dat Hij u in eigendom geeft,   [4] Overigens zal niemand van u in armoede leven, zozeer zal de HEER u zegenen in het land dat hij u in bezit zal geven, 4. Qu'il n'y ait donc pas de pauvre chez toi. Car Yahvé ne t'accordera sa bénédiction dans le pays que Yahvé ton Dieu te donne en héritage pour le posséder, 4. Qu'il n'y ait donc pas de pauvre chez toi. Car Yahvé ne t'accordera sa bénédiction dans le pays que Yahvé ton Dieu te donne en héritage pour le posséder,

King James Bible . [4] Save when there shall be no poor among you; for the LORD shall greatly bless thee in the land which the LORD thy God giveth thee for an inheritance to possess it:
Luther-Bibel . 4Es sollte überhaupt kein Armer unter euch sein; denn der HERR wird dich segnen in dem Lande, das dir der HERR, dein Gott, zum Erbe geben wird,

Tekstuitleg van Dt 15,4 . Het vers Dt 15,4 bestaat uit 18 (2 X 3²) en 62 (2 X 31) letters ; verhouding 1 op 4 . Getalwaarde van Dt 15,4 is 3317 (31 X 107) .
- Dt 15,4 : ὅτι οὐκ ἔσται ἐν σοὶ ἐνδεής = hoti ouk estai en soi endeès (want er zal geen behoeftige onder jou zijn) .
- Dt 15,7 : ᾿Εὰν δὲ γένηται ἐν σοὶ ἐνδεὴς ἐκ τῶν ἀδελφῶν σου (indien er echter onder jou een behoeftige uit jouw broeders zou zijn) .
- Hnd 4,34 : ουδε γαρ ενδεης τις ην εν αυτοις = oude gar endeès tis èn en autois (want er was geen behoeftige onder hen) .
- In Hnd lijkt gerealiseerd wat in Dt werd geprogrammeerd .

Dt 15,4.1. kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Structuur : 2 - 1 . Tenakh (3849) . Pentateuch (884) . Eerdere Profeten (726) . Latere Profeten (841) . 12 Kleine Profeten (241) . Geschriften (1157) . Dt (235) . Dt 15 (11) : (1) Dt 15,2 . (2) Dt 15,4 . (3) Dt 15,6 . (4) Dt 15,7 . (5) Dt 15,8 . (6) Dt 15,10 . (7) Dt 15,11 . (8) Dt 15,12 . (9) Dt 15,15 . (10) Dt 15,16 . (11) Dt 15,18 .
- Het Hebreeuwse kî kan door heel wat verschillende Griekse en Latijnse woorden vertaald worden . Het Griekse gar en hoti . Grieks . hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in de Septuaginta : hoti (dat, omdat) . Bijbel (4396) . NT (1183) . Dt (133) . Dt 15 (7) : (1) Dt 15,2 . (2) Dt 15,4 . (3) Dt 15,6 . (4) Dt 15,10 . (5) Dt 15,15 . (6) Dt 15,16 . (7) Dt 15,18 .

Dt 15,4.2. lo´(niet) . Taalgebruik in Tenakh : lo´(niet) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld). De getalwaarde van lo´ is de helft van de getalwaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2 . Tenakh (2767) . Pentateuch (801) . Eerdere Profeten (456) . Latere Profeten (611) . 12 Kleine Profeten (150) . Geschriften (749) . Dt (249) . Dt 15 (11) : (1) Dt 15,2 . (2) Dt 15,4 . (3) Dt 15,6 . (4) Dt 15,7 . (5) Dt 15,11 . (6) Dt 15,13 . (7) Dt 15,16 . (8) Dt 15,18 . (9) Dt 15,19 . (10) Dt 15,21 . (11) Dt 15,23 .
- Grieks . ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in de LXX : ou - ouk - ouch (niet) . ouk . Dt (176) . Dt 15 (6) : (1) Dt 15,2 . (2) Dt 15,4 . (3) Dt 15,6 . (4) Dt 15,7 . (5) Dt 15,13 . (6) Dt 15,19 .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
ou   3068  2321  747  97  42  84  113  68  313  30  223  336 
ouk  3499  2752  747  93  66  92  137  56  274  29  251  388 
ouch  452  351  101  20  49  20  40 
oude   505  386  119  23  18  14  11  37  50  64 

- Lat. non . Dt (. Fr.non of ne... pas . E. no . D. nicht . Arabisch : la´ (niet) . Taalgebruik in de Koran : la´ (niet) .

Dt 15,4.1. - 2. Hebreeuws . kî lo´ (want niet) . Tenakh (247) . Heel vaak wordt kî lo´ in de LXX vertaald met ou gar (want niet) . Er is ook de Griekse vertaling hoti ou (omdat niet) . Omdat het Griekse redengevende woord gar op de tweede plaats in de zin en hoti op de eerste plaats in de zin staat , hebben we dus ou gar naast hoti ou . In Dt 15,4 lezen we hoti ouk , in Hnd 4,34 oude gar .

Dt 15,4.3. qal imperfect. 3de pers. enk. jihëjèh (hij zal zijn) . Tenakh (399) . Pentateuch (194) . Eerdere Profeten (53) . Latere Profeten (95) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (38) . Dt (42) . Dt 15 (5) : (1) Dt 15,3 . (2) Dt 15,4 . (3) Dt 15,7 . (4) Dt 15,9 . (5) Dt 15,21 .

Dt 15,4.6. ´èbhjôn (behoeftige, arme) . Taalgebruik in Tenakh : ´èbhjôn (behoeftig) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , jod = 10 , waw = 6 , nun = 14 of 50 ; totaal : 33 (3 X 11) OF 69 (3 X 23) . Structuur : 1 - 2 - 1 - 6 - 5 . Tenakh (15) : (1) Dt 15,4 . (2) Dt 15,7 . (3) Dt 15,11 . (4) 2 S 2,8 . (5) Js 32,7 . (6) Jr 20,13 . (7) Am 8,4 . (8) Ps 9,19 . (9) Ps 72,4 . (10) Ps 72,12 . (11) Ps 107,41 . (12) Ps 109,31 . (13) Ps 113,7 . (14) Spr 14,31 . (15) Job 5,15 .
- endeès (behoeftig, arm, gebrekkig) . Bijbel (10) : (1) Dt 15,4 . (2) Dt 15,7 . (3) Dt 15,11 . (4) Spr 9,13 . (5) Spr 11,12 . (6) Spr 16,2 . (7) Spr 21,17 . (8) Spr 24,30 . (9) Spr 28,16 . (10) Hnd 4,34 . Een vorm van endeès in de LXX (24) , in het NT (1) .

Dt 15,4.12. - 13. אֲשֶׁר יהוה = ´äsjèr JHWH (die/dat JHWH) . Tenakh (47) . Dt (40) : (1) Dt 1,20 . (2) Dt 1,25 . (3) Dt 2,29 . (4) Dt 3,20 . (5) Dt 4,1 . (6) Dt 4,21 . (7) Dt 4,40 . (8) Dt 5,16 . (9) Dt 7,16 . (10) Dt 8,20 . (11) Dt 11,12 . (12) Dt 11,17 . (13) Dt 11,31 . (14) Dt 12,9 . (15) Dt 12,10 . (16) Dt 13,13 . (17) Dt 15,4 . (18) Dt 15,7 . (19) Dt 16,5 . (20) Dt 16,18 . (21) Dt 16,20 . (22) Dt 17,2 . (23) Dt 17,14 . (24) Dt 18,9 . (25) Dt 19,1 . (26) Dt 19,2 . (27) Dt 19,10 . (28) Dt 19,14 . (29) Dt 20,16 . (30) Dt 21,1 . (31) Dt 21,23 . (32) Dt 24,4 . (33) Dt 25,15 . (34) Dt 25,19 . (35) Dt 26,1 . (36) Dt 26,2 . (37) Dt 27,2 . (38) Dt 27,3 . (39) Dt 28,8 . (40) Dt 29,11 .

Dt 15,4.14. - 15. ´êlohe(j)khâ nothen (jouw God gevende) . Tenakh (31) : (1) Ex 20,12 . (2) Dt 4,21 . (3) Dt 4,40 . (4) Dt 5,16 . (5) Dt 7,16 . (6) Dt 9,6 . (7) Dt 12,9 . (8) Dt 13,13 . (9) Dt 15,4 . (10) Dt 15,7 . (11) Dt 16,5 . (12) Dt 16,18 . (13) Dt 16,20 . (14) Dt 17,2 . (15) Dt 17,14 . (16) Dt 18,9 . (17) Dt 19,1 . (18) Dt 19,2 . (19) Dt 19,10 . (20) Dt 19,14 . (21) Dt 20,16 . (22) Dt 21,1 . (23) Dt 21,23 . (24) Dt 24,4 . (25) Dt 25,15 . (26) Dt 25,19 . (27) Dt 26,1 . (28) Dt 26,2 . (29) Dt 27,2 . (30) Dt 27,3 . (31) Dt 28,8 .

13. - 16. JHWH ´êlohe(j)khâ nothen lâkh (JHWH je God je gevende) . Tenakh (14) : (1) Ex 20,12 . (2) Dt 5,16 . (3) Dt 7,16 . (4) Dt 12,9 . (5) Dt 15,7 . (6) Dt 16,5 . (7) Dt 16,20 . (8) Dt 17,2 . (9) Dt 17,14 . (10) Dt 18,9 . (11) Dt 25,15 . (12) Dt 26,2 . (13) Dt 27,2 . (14) Dt 28,8 .
- JHWH ´êlohe(j)khâ nothen lëkhâ (JHWH je God je gevende) . Tenakh (17) : (1) Dt 4,21 . (2) Dt 4,40 . (3) Dt 9,6 . (4) Dt 13,13 . (5) Dt 15,4 . (6) Dt 16,18 . (7) Dt 19,1 . (8) Dt 19,2 . (9) Dt 19,10 . (10) Dt 19,14 . (11) Dt 20,16 . (12) Dt 21,1 . (13) Dt 21,23 . (14) Dt 24,4 . (15) Dt 25,19 . (16) Dt 26,1 . (17) Dt 27,3 .

Dt 15,5 - Dt 15,5 : De kwijtschelding - bijbeloverzicht -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- bijbelverwijzingen -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,1 - Dt 15,2 - Dt 15,3 - Dt 15,4 - Dt 15,5 - Dt 15,6 - Dt 15,7 - Dt 15,8 - Dt 15,9 - Dt 15,10 - Dt 15,11 - Dt 15,12 - Dt 15,13 - Dt 15,14 - Dt 15,15 - Dt 15,16 - Dt 15,17 - Dt 15,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5 ἐὰν δὲ ἀκοῇ εἰσακούσητε τῆς φωνῆς Κυρίου τοῦ Θεοῦ ὑμῶν φυλάσσειν καὶ ποιεῖν πάσας τὰς ἐντολὰς ταύτας, ὅσας ἐγὼ ἐντέλλομαί σοι σήμερον, 5 si tamen audieris vocem Domini Dei tui et custodieris universa quae iussit et quae ego hodie praecipio tibi benedicet tibi ut pollicitus est   5 Indien gij slechts de stem des HEEREN, uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen, dat gij waarneemt te doen al deze geboden, die ik u heden gebiede. [5] als u tenminste gehoor geeft aan wat de heer uw God zegt, en al de geboden nauwgezet volbrengt die ik u heden opleg.   [5] tenminste, als u hem gehoorzaamt en de geboden die ik u vandaag voorhoud zorgvuldig naleeft; 5. que si tu écoutes vraiment la voix de Yahvé ton Dieu, en gardant et pratiquant tous ces commandements que je te prescris aujourd'hui. 5. que si tu écoutes vraiment la voix de Yahvé ton Dieu, en gardant et pratiquant tous ces commandements que je te prescris aujourd'hui.

King James Bible . [5] Only if thou carefully hearken unto the voice of the LORD thy God, to observe to do all these commandments which I command thee this day.
Luther-Bibel . 5wenn du nur der Stimme des HERRN, deines Gottes, gehorchst und alle diese Gebote hältst, die ich dir heute gebiete, dass du danach tust!

Tekstuitleg van Dt 15,5 .

5. - 6. bëqôl JHWH (naar de stem van JHWH) . Tenach (12) : (1) Dt 8,20 . (2) Dt 13,19 . (3) Dt 15,5 . (4) Dt 26,14 . (5) Dt 27,10 . (6) Dt 28,1 . (7) Dt 28,2 . (8) Dt 28,15 . (9) Dt 28,45 . (10) Dt 28,62 . (11) Dt 30,8 . (12) Dt 30,10 .

10. - 12. ´èth kâl hammitsëwah (elke opdracht, elk gebod) . Tenach (6) : (1) Dt 6,25 . (2) Dt 11,8 . (3) Dt 11,22 . (4) Dt 15,5 . (5) Dt 19,9 . (6) Dt 27,1 .

12. - 13. hammitsëwah hazzo´th (deze opdracht, dit gebod) . Tenach (7) : (1) Dt 6,25 . (2) Dt 11,22 . (3) Dt 15,5 . (4) Dt 19,9 . (5) Dt 30,11 . (6) Mal 2,1 . (7) Mal 2,4 .

14. - 16. ´asjèr ´ânokhî metsawwëkhâ (wat ik opdragende ben) . Tenach (19) : (1) Ex 34,11 . (2) Dt 4,40 . (3) Dt 6,6 . (4) Dt 7,11 . (5) Dt 8,1 . (6) Dt 8,11 . (7) Dt 10,13 . (8) Dt 11,8 . (9) Dt 13,19 . (10) Dt 15,5 . (11) Dt 19,9 . (12) Dt 27,10 . (13) Dt 28,1 . (14) Dt 28,13 . (15) Dt 28,15 . (16) Dt 30,2 . (17) Dt 30,8 . (18) Dt 30,11 . (19) Dt 30,16 .

Dt 15,6 - Dt 15,6 : De kwijtschelding - bijbeloverzicht -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- bijbelverwijzingen -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,1 - Dt 15,2 - Dt 15,3 - Dt 15,4 - Dt 15,5 - Dt 15,6 - Dt 15,7 - Dt 15,8 - Dt 15,9 - Dt 15,10 - Dt 15,11 - Dt 15,12 - Dt 15,13 - Dt 15,14 - Dt 15,15 - Dt 15,16 - Dt 15,17 - Dt 15,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
6 ὅτι Κύριος ὁ Θεός σου εὐλόγησέ σε, ὃν τρόπον ἐλάλησέ σοι, καὶ δανειεῖς ἔθνεσι πολλοῖς, σὺ δὲ οὐ δανειῇ, καὶ ἄρξεις ἐθνῶν πολλῶν, σοῦ δὲ οὐκ ἄρξουσιν. 6 fenerabis gentibus multis et ipse a nullo accipies mutuum dominaberis nationibus plurimis et tui nemo dominabitur   6 Want de HEERE, uw God, zal u zegenen, gelijk als Hij tot u heeft gesproken, zo zult gij aan vele volken lenen; maar gij zult niet ontlenen; en gij zult over vele volken heersen; maar over u zullen zij niet heersen. [6] De zegen van de heer uw God zal op u rusten, zoals Hij beloofd heeft. U zult aan veel volken leningen verstrekken, maar zelf niets hoeven te lenen. U zult over veel volken heersen, maar zij zullen niet heersen over u.   [6] dan zal de HEER, uw God, u zeker zegenen, zoals hij beloofd heeft. U zult aan veel volken leningen verstrekken, maar zelf hoeft u niet te lenen. U zult over veel volken macht uitoefenen, maar zij niet over u. 6. Si Yahvé ton Dieu te bénit comme il l'a dit, tu prêteras à des nations nombreuses, sans avoir besoin de leur emprunter, et tu domineras des nations nombreuses, sans qu'elles te dominent. 6. Si Yahvé ton Dieu te bénit comme il l'a dit, tu prêteras à des nations nombreuses, sans avoir besoin de leur emprunter, et tu domineras des nations nombreuses, sans qu'elles te dominent.

King James Bible . [6] For the LORD thy God blesseth thee, as he promised thee: and thou shalt lend unto many nations, but thou shalt not borrow; and thou shalt reign over many nations,but they shall not reign over thee.
Luther-Bibel . 6Denn der HERR, dein Gott, wird dich segnen, wie er dir zugesagt hat. Dann wirst du vielen Völkern leihen, doch du wirst von niemand borgen; du wirst über viele Völker herrschen, doch über dich wird niemand herrschen.

Tekstuitleg van Dt 15,6 .

Dt 15,7 - Dt 15,7 : De kwijtschelding - bijbeloverzicht -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- bijbelverwijzingen -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,1 - Dt 15,2 - Dt 15,3 - Dt 15,4 - Dt 15,5 - Dt 15,6 - Dt 15,7 - Dt 15,8 - Dt 15,9 - Dt 15,10 - Dt 15,11 - Dt 15,12 - Dt 15,13 - Dt 15,14 - Dt 15,15 - Dt 15,16 - Dt 15,17 - Dt 15,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7 ᾿Εὰν δὲ γένηται ἐν σοὶ ἐνδεὴς ἐκ τῶν ἀδελφῶν σου ἐν μιᾷ τῶν πόλεών σου ἐν τῇ γῇ, ᾗ Κύριος ὁ Θεός σου δίδωσί σοι, οὐκ ἀποστέρξεις τὴν καρδίαν σου οὐδ᾿ οὐ μὴ συσφίγξῃς τὴν χεῖρά σου ἀπὸ τοῦ ἀδελφοῦ σου τοῦ ἐπιδεομένου· 7 si unus de fratribus tuis qui morantur intra portas civitatis tuae in terra quam Dominus Deus tuus daturus est tibi ad paupertatem venerit non obdurabis cor tuum nec contrahes manum   7 Wanneer er onder u een arme zal zijn, een uit uw broederen, in een uwer poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, zo zult gij uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broeder, die arm is; [7] Is in een of andere stad van het land dat de heer uw God u schenkt, een van uw broeders tot armoede vervallen, dan moet u niet hard zijn voor uw arme broeder en uw beurs niet voor hem dichthouden.  [7] Zou er in een van de steden in het land dat de HEER, uw God, u zal geven toch iemand uit uw eigen volk gebrek lijden, dan mag dat u niet koud laten. U mag uw hand niet op de zak houden, 7. Se trouve-t-il chez toi un pauvre, d'entre tes frères, dans l'une des villes de ton pays que Yahvé ton Dieu t'a donné ? Tu n'endurciras pas ton cœur ni ne fermeras ta main à ton frère pauvre, 7. Se trouve-t-il chez toi un pauvre, d'entre tes frères, dans l'une des villes de ton pays que Yahvé ton Dieu t'a donné ? Tu n'endurciras pas ton cœur ni ne fermeras ta main à ton frère pauvre,

King James Bible . [7] If there be among you a poor man of one of thy brethren within any of thy gates in thy land which the LORD thy God giveth thee, thou shalt not harden thine heart, nor shut thine hand from thy poor brother:
Luther-Bibel . 7Wenn einer deiner Brüder arm ist in irgendeiner Stadt in deinem Lande, das der HERR, dein Gott, dir geben wird, so sollst du dein Herz nicht verhärten und deine Hand nicht zuhalten gegenüber deinem armen Bruder,

Tekstuitleg van Dt 15,7 .

4. ´èbhjôn (behoeftige, arme) . Taalgebruik in Tenakh : ´èbhjôn (behoeftig) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , jod = 10 , waw = 6 , nun = 14 of 50 ; totaal : 33 (3 X 11) OF 69 (3 X 23) . Structuur : 1 - 2 - 1 - 6 - 5 . Tenakh (15) : (1) Dt 15,4 . (2) Dt 15,7 . (3) Dt 15,11 . (4) 2 S 2,8 . (5) Js 32,7 . (6) Jr 20,13 . (7) Am 8,4 . (8) Ps 9,19 . (9) Ps 72,4 . (10) Ps 72,12 . (11) Ps 107,41 . (12) Ps 109,31 . (13) Ps 113,7 . (14) Spr 14,31 . (15) Job 5,15 .
- endeès (behoeftig, arm, gebrekkig) . Bijbel (10) : (1) Dt 15,4 . (2) Dt 15,7 . (3) Dt 15,11 . (4) Spr 9,13 . (5) Spr 11,12 . (6) Spr 16,2 . (7) Spr 21,17 . (8) Spr 24,30 . (9) Spr 28,16 . (10) Hnd 4,34 . Een vorm van endeès in de LXX (24) , in het NT (1) .

Dt 15,7.5. machësorô (zijn gebrek) < zelfst. naamw. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. , van het zelfst. naamw. machësôr (gebrek, armoede, behoefte) . Zie het werkw. châsar (missen, ontbreken, gebrek hebben) . Taalgebruik in Tenakh : châsar (missen, ontbreken, gebrek hebben) . Getalwaarde : chet = 8 , samekh = 15 of 60 , resj = 20 of 200 ; totaal : 43 OF 268 (2² X 67) . Structuur : 8 - 6 - 2 . Tenakh (1) : Dt 15,7 .

Dt 15,7.6. mann. enk. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk. ´âchîkhâ (jouw broer) OF mann. mv. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk. ´âchè(j)khâ (jouw broeders) . ´ach (broer) . Taalgebruik in Tenakh : ´ach (broer) . Getalwaarde = aleph = 1 , chet = 8 ; totaal : 9 (3²) . Structuur : 1 - 8 . Tenakh (70) . Pentateuch (52) . Eerdere Profeten (10) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (4) . Dt (12) : (1) Dt 13,7 . (2) Dt 15,3 . (3) Dt 15,7 . (4) Dt 15,12 . (5) Dt 17,15 . (6) Dt 22,1 . (7) Dt 22,2 . (8) Dt 22,3 . (9) Dt 22,4 . (10) Dt 23,8 . (11) Dt 25,3 . (12) Dt 32,50 .
- Latijn . frater . Fr. frère . Ned. broer . E. brother . D. Bruder . Arab. ´ach . Taalgebruik in de Koran : ´ach (broer) .

Dt 15,7.10. - 11. אֲשֶׁר יהוה = ´äsjèr JHWH (die/dat JHWH) . Tenakh (47) . Dt (40) : (1) Dt 1,20 . (2) Dt 1,25 . (3) Dt 2,29 . (4) Dt 3,20 . (5) Dt 4,1 . (6) Dt 4,21 . (7) Dt 4,40 . (8) Dt 5,16 . (9) Dt 7,16 . (10) Dt 8,20 . (11) Dt 11,12 . (12) Dt 11,17 . (13) Dt 11,31 . (14) Dt 12,9 . (15) Dt 12,10 . (16) Dt 13,13 . (17) Dt 15,4 . (18) Dt 15,7 . (19) Dt 16,5 . (20) Dt 16,18 . (21) Dt 16,20 . (22) Dt 17,2 . (23) Dt 17,14 . (24) Dt 18,9 . (25) Dt 19,1 . (26) Dt 19,2 . (27) Dt 19,10 . (28) Dt 19,14 . (29) Dt 20,16 . (30) Dt 21,1 . (31) Dt 21,23 . (32) Dt 24,4 . (33) Dt 25,15 . (34) Dt 25,19 . (35) Dt 26,1 . (36) Dt 26,2 . (37) Dt 27,2 . (38) Dt 27,3 . (39) Dt 28,8 . (40) Dt 29,11 .

Dt 15,7.11. - 12. אֲשֶׁר יהוה אֱלֹהֶיךָ= ´äsjèr JHWH ´êlohe(j)khâ (die/dat JHWH jouw God) . Tenakh (32) . (1) Ex 20,12 . (2) Dt 4,21 . (3) Dt 4,40 . (4) Dt 5,16 . (5) Dt 7,16 . (6) Dt 11,12 . (7) Dt 12,9 . (8) Dt 13,13 . (9) Dt 15,4 . (10) Dt 15,7 . (11) Dt 16,5 . (12) Dt 16,18 . (13) Dt 16,20 . (14) Dt 17,2 . (15) Dt 17,14 . (16) Dt 18,9 . (17) Dt 19,1 . (18) Dt 19,2 . (19) Dt 19,10 . (20) Dt 19,14 . (21) Dt 20,16 . (22) Dt 21,1 . (23) Dt 21,23 . (24) Dt 24,4 . (25) Dt 25,15 . (26) Dt 25,19 . (27) Dt 26,1 . (28) Dt 26,2 . (29) Dt 27,2 . (30) Dt 27,3 . (31) Dt 28,8 . (32) Dt 29,11 .

Dt 15,7.12. - 13. אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן = ´êlohe(j)khâ nothen (jouw God gevende) . Tenakh (31) :

(1) Ex 20,12 . (2) Dt 4,21 . (3) Dt 4,40 . (4) Dt 5,16 . (5) Dt 7,16 . (6) Dt 9,6 . (7) Dt 12,9 . (8) Dt 13,13 . (9) Dt 15,4 . (10) Dt 15,7 . (11) Dt 16,5 . (12) Dt 16,18 . (13) Dt 16,20 . (14) Dt 17,2 . (15) Dt 17,14 . (16) Dt 18,9 . (17) Dt 19,1 . (18) Dt 19,2 . (19) Dt 19,10 . (20) Dt 19,14 . (21) Dt 20,16 . (22) Dt 21,1 . (23) Dt 21,23 . (24) Dt 24,4 . (25) Dt 25,15 . (26) Dt 25,19 . (27) Dt 26,1 . (28) Dt 26,2 . (29) Dt 27,2 . (30) Dt 27,3 . (31) Dt 28,8 .

Dt 15,7.11. - 13.אֲשֶׁר יהוה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן = ´êlohe(j)khâ nothen (jouw God gevende) . Tenakh (31) : (1) Ex 20,12 . (2) Dt 4,21 . (3) Dt 4,40 . (4) Dt 5,16 . (5) Dt 7,16 . (6) Dt 9,6 . (7) Dt 12,9 . (8) Dt 13,13 . (9) Dt 15,4 . (10) Dt 15,7 . (11) Dt 16,5 . (12) Dt 16,18 . (13) Dt 16,20 . (14) Dt 17,2 . (15) Dt 17,14 . (16) Dt 18,9 . (17) Dt 19,1 . (18) Dt 19,2 . (19) Dt 19,10 . (20) Dt 19,14 . (21) Dt 20,16 . (22) Dt 21,1 . (23) Dt 21,23 . (24) Dt 24,4 . (25) Dt 25,15 . (26) Dt 25,19 . (27) Dt 26,1 . (28) Dt 26,2 . (29) Dt 27,2 . (30) Dt 27,3 . (31) Dt 28,8 .

Dt 15,7.14. - 15. nothen lâkh (je gevende) . Tenakh (14) : (1) Ex 20,12 . (2) Dt 5,16 . (3) Dt 7,16 . (4) Dt 12,9 . (5) Dt 15,7 . (6) Dt 16,5 . (7) Dt 16,20 . (8) Dt 17,2 . (9) Dt 17,14 . (10) Dt 18,9 . (11) Dt 25,15 . (12) Dt 26,2 . (13) Dt 27,2 . (14) Dt 28,8 .

Dt 15,7.11. - 15. JHWH ´êlohe(j)khâ nothen lâkh (JHWH je God je gevende) . Tenakh (14) : (1) Ex 20,12 . (2) Dt 5,16 . (3) Dt 7,16 . (4) Dt 12,9 . (5) Dt 15,7 . (6) Dt 16,5 . (7) Dt 16,20 . (8) Dt 17,2 . (9) Dt 17,14 . (10) Dt 18,9 . (11) Dt 25,15 . (12) Dt 26,2 . (13) Dt 27,2 . (14) Dt 28,8 .
- JHWH ´êlohe(j)khâ nothen lëkhâ (JHWH je God je gevende) . Tenakh (17) : (1) Dt 4,21 . (2) Dt 4,40 . (3) Dt 9,6 . (4) Dt 13,13 . (5) Dt 15,4 . (6) Dt 16,18 . (7) Dt 19,1 . (8) Dt 19,2 . (9) Dt 19,10 . (10) Dt 19,14 . (11) Dt 20,16 . (12) Dt 21,1 . (13) Dt 21,23 . (14) Dt 24,4 . (15) Dt 25,19 . (16) Dt 26,1 . (17) Dt 27,3 .

Dt 15,8 - Dt 15,8 : De kwijtschelding - bijbeloverzicht -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- bijbelverwijzingen -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,1 - Dt 15,2 - Dt 15,3 - Dt 15,4 - Dt 15,5 - Dt 15,6 - Dt 15,7 - Dt 15,8 - Dt 15,9 - Dt 15,10 - Dt 15,11 - Dt 15,12 - Dt 15,13 - Dt 15,14 - Dt 15,15 - Dt 15,16 - Dt 15,17 - Dt 15,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8 ἀνοίγων ἀνοίξεις τὰς χεῖράς σου αὐτῷ καὶ δάνειον δανειεῖς αὐτῷ ὅσον ἐπιδέεται, καθότι ἐνδεεῖται. 8 sed aperies eam pauperi et dabis mutuum quod eum indigere perspexeris   8 Maar gij zult hem uw hand mildelijk opendoen, en zult hem rijkelijk lenen, genoeg voor zijn gebrek, dat hem ontbreekt. [8] U moet die integendeel wijd openen en hem alles lenen wat hij tekort komt.   [8] maar u moet diep in de buidel tasten en hem lenen zo veel als hij nodig heeft. 8. mais tu lui ouvriras ta main et tu lui prêteras ce qui lui manque. 8. mais tu lui ouvriras ta main et tu lui prêteras ce qui lui manque.

King James Bible . [8] But thou shalt open thine hand wide unto him, and shalt surely lend him sufficient for his need, in that which he wanteth.
Luther-Bibel . 8sondern sollst sie ihm auftun und ihm leihen, soviel er Mangel hat.

Tekstuitleg van Dt 15,8 .

1. כִי = kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Structuur : 2 - 1 . Tenakh (3849) . Pentateuch (884) . Eerdere Profeten (726) . Latere Profeten (841) . 12 Kleine Profeten (241) . Geschriften (1157) . Dt (235) . Dt 15 (11) : (1) Dt 15,2 . (2) Dt 15,4 . (3) Dt 15,6 . (4) Dt 15,7 . (5) Dt 15,8 . (6) Dt 15,10 . (7) Dt 15,11 . (8) Dt 15,12 . (9) Dt 15,15 . (10) Dt 15,16 . (11) Dt 15,18 .

10. מַחְסֹרוֹ = machësorô (zijn gebrek) < zelfst. naamw. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. ; het zelfst. naamw. מַחְסוֹר = machësôr (gebrek, armoede, behoefte) . Zie het werkw. חָסַר = châsar (missen, ontbreken, gebrek hebben) . Taalgebruik in Tenakh : châsar (missen, ontbreken, gebrek hebben) . Getalwaarde : chet = 8 , samekh = 15 of 60 , resj = 20 of 200 ; totaal : 43 OF 268 (2² X 67) . Structuur : 8 - 6 - 2 . Tenakh (1) : Dt 15,8 .

12. act. ind. imperf. 3de pers. mann. enk. = יֶחְסַר / יֶחְסָר = jèchësar / jèchësâr (hij gebrek heeft) van het werkw. חָסַר = châsar (missen, ontbreken, gebrek hebben) . Taalgebruik in Tenakh : châsar (missen, ontbreken, gebrek hebben) . Getalwaarde : chet = 8 , samekh = 15 of 60 , resj = 20 of 200 ; totaal : 43 OF 268 (2² X 67) . Structuur : 8 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (5) : (1) Dt 15,8 . (2) Js 51,14 . (3) Spr 31,11 . (4) Hl 7,3 . (5) Pr 9,8 . Een vorm van het werkw. חָסַר = châsar komt in Tenakh in 24 verzen voor . Het werkw. חָסַר = châsar wordt in de LXX in 11 Grieksr (werk)woorden vertaald .
- Grieks . pass. ind. praes. 3de pers. enk. ενδεειται = endeeitai (wat aan hem gemist wordt = wat hij mist) van het werkw. ενδεω = endeô (nodig hebben, missen, ontbreken) . Taalgebruik in het NT : endeomai (nodig hebben, missen, ontbreken) . Taalgebruik in de LXX : endeomai (nodig hebben, missen, ontbreken) . Bijbel (1) : Dt 15,8 . Een vorm van ενδεομαι = endeomai in de LXX (3) : (1) Dt 8,9 . (2) Dt 15,8 . (3) Spr 28,27 , in het NT (?) . Het Griekse werkw. ενδεω = endeô in de betekenis van nodig hebben, missen, ontbreken , is in de LXX de vertaling van het Hebreeuwse werkw. חָסַר = châsar .
- nom. mann. enk. ενδεης = endeès (behoeftig, arm, gebrekkig) . Bijbel (10) : (1) Dt 15,4 . (2) Dt 15,7 . (3) Dt 15,11 . (4) Spr 9,13 . (5) Spr 11,12 . (6) Spr 16,2 . (7) Spr 21,17 . (8) Spr 24,30 . (9) Spr 28,16 . (10) Hnd 4,34 . Een vorm van ενδεης = endeès in de LXX (24) , in het NT (1) . Dus : 3X in Dt , 6X in Spr. en 1X in Hnd . In de LXX is een vorm van ενδεης = endeès de vertaling van 6 verschillende Hebreeuwse woorden . In 3 verzen de vertaling van het Hebreeuwse אֶבְיוֹן = ´èbhjôn : (1) Dt 15,4 . (2) Dt 15,7 . (3) Dt 15,11 .
- Hebreeuws . אֶבְיוֹן = ´èbhjôn (behoeftige, arme) . Taalgebruik in Tenakh : ´èbhjôn (behoeftig) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , jod = 10 , waw = 6 , nun = 14 of 50 ; totaal : 33 (3 X 11) OF 69 (3 X 23) . Structuur : 1 - 2 - 1 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (15) : (1) Dt 15,4 . (2) Dt 15,7 . (3) Dt 15,11 . (4) 2 S 2,8 . (5) Js 32,7 . (6) Jr 20,13 . (7) Am 8,4 . (8) Ps 9,19 . (9) Ps 72,4 . (10) Ps 72,12 . (11) Ps 107,41 . (12) Ps 109,31 . (13) Ps 113,7 . (14) Spr 14,31 . (15) Job 5,15 . Een vorm van אֶבְיוֹן = ´èbhjôn komt in Tenkah in 58 verzen voor . Een vorm van het Hebreeuwse אֶבְיוֹן = ´èbhjôn wordt in de LXX in 11 verschillende Griekse (werk)woorden vertaald .
- Latijn . act. inf. praes. indigere . Bijbel (2) : (1) Dt 15,8 . (2) Sir 40,28 . act. part. praes. nom. mann. enk. egens (ontberende) van het werkw. egere . Bijbel (4) : (1) Ps 40,18 . (2) Sir 11,12 . (3) Sir 36,26 . (4) Hnd 4,34 . Zoals ενδεης = endeès in het NT een hapaxlegomenon woord is , zo ook het Latijnse egens .
- In deze veelheid van woorden is het gebruik in Dt 15 opvallend . In Hnd 4,34 treffen we ενδεης = endeès (behoeftig, arm, gebrekkig) aan dat in het NT slechts 1X wordt gebruikt . Hnd 4,34a (want er was geen arme onder hen) stemt opmerkelijk overeen met Dt 15,4a (want er zal geen arme onder jou zijn) . Het geeft de indruk dat de tekst van Hnd de vervulling is van de tekst in Dt .

Dt 15,9 - Dt 15,9 : De kwijtschelding - bijbeloverzicht -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- bijbelverwijzingen -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,1 - Dt 15,2 - Dt 15,3 - Dt 15,4 - Dt 15,5 - Dt 15,6 - Dt 15,7 - Dt 15,8 - Dt 15,9 - Dt 15,10 - Dt 15,11 - Dt 15,12 - Dt 15,13 - Dt 15,14 - Dt 15,15 - Dt 15,16 - Dt 15,17 - Dt 15,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9 πρόσεχε σεαυτῷ, μὴ γένηται ρῆμα κρυπτὸν ἐν τῇ καρδίᾳ σου ἀνόμημα λέγων· ἐγγίζει τό ἔτος τὸ ἕβδομον, ἔτος τῆς ἀφέσεως, καὶ πονηρεύσηται ὁ ὀφθαλμός σου τῷ ἀδελφῷ σου τῷ ἐπιδεομένῳ, καὶ οὐ δώσεις αὐτῷ, καὶ καταβοήσεται κατὰ σοῦ πρὸς Κύριον, καὶ ἔσται ἐν σοὶ ἁμαρτία μεγάλη. 9 cave ne forte subripiat tibi impia cogitatio et dicas in corde tuo adpropinquat septimus annus remissionis et avertas oculos a paupere fratre tuo nolens ei quod postulat mutuum commodare ne clamet contra te ad Dominum et fiat tibi in peccatum   9 Wacht u, dat in uw hart geen Belialswoord zij, om te zeggen: Het zevende jaar, het jaar der vrijlating, naakt; dat uw oog boos zij tegen uw broeder, die arm is, en dat gij hem niet gevet; en hij over u roepe tot den HEERE, en zonde in u zij. [9] En laat niet de lage gedachte bij u opkomen dat het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, nabij is, zodat u geen medelijden toont met uw arme broeder en hem niets leent. Want als hij zich tegen u op de heer beroept, dan wordt u schuldig bevonden.   [9] Wees niet zo berekenend om bij uzelf te denken: Het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, komt eraan – waardoor u zich afsluit voor de ellende van uw volksgenoot en hem met lege handen laat gaan. Als hij dan de HEER zijn nood klaagt om wat u hem hebt aangedaan, zal het u als zonde worden aangerekend. 9. Ne va pas tenir en ton cœur ces mauvais propos : « Voici bientôt la septième année, l'année de remise », en regardant méchamment ton frère pauvre sans rien lui donner ; il en appellerait à Yahvé contre toi et tu serais chargé d'un péché ! 9. Ne va pas tenir en ton cœur ces mauvais propos : « Voici bientôt la septième année, l'année de remise », en regardant méchamment ton frère pauvre sans rien lui donner ; il en appellerait à Yahvé contre toi et tu serais chargé d'un péché !

King James Bible . [9] Beware that there be not a thought in thy wicked heart, saying, The seventh year, the year of release, is at hand; and thine eye be evil against thy poor brother, and thou givest him nought; and he cry unto the LORD against thee, and it be sin unto thee.
Luther-Bibel . 9Hüte dich, dass nicht in deinem Herzen ein arglistiger Gedanke aufsteige, dass du sprichst: Es naht das siebente Jahr, das Erlassjahr –, und dass du deinen armen Bruder nicht unfreundlich ansiehst und ihm nichts gibst; sonst wird er wider dich zu dem HERRN rufen und bei dir wird Sünde sein.

Tekstuitleg van Dt 15,9 .

4. act. qal imperfect. 3de pers. mann. enk. יִהְיֶה = jihëjèh (hij zal zijn) van het werkw. הָיָה = hâjâh . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (399) . Pentateuch (194) . Eerdere Profeten (53) . Latere Profeten (95) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (38) . Dt (42) . Dt 15 (5) : (1) Dt 15,3 . (2) Dt 15,4 . (3) Dt 15,7 . (4) Dt 15,9 . (5) Dt 15,21 .

8. bëlîja`al (Belial) . Taalgebruik in Tenakh : bëlîja`al (Belial) . Getalwaarde : beth = 2 , lamed = 12 of 30 , jod = 10 , ajin = 16 of 70 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 142 (2 X 71) . Structuur : 2 - 3 - 1 - 7 - 3 . Tenakh (22) : (1) Dt 13,14 . (2) Dt 15,9 . (3) Re 19,22 . (4) Re 20,13 . (5) 1 S 1,16 . (6) 1 S 2,12 . (7) 1 S 10,27 . (8) 1 S 25,17 . (9) 2 S 20,1 . (10) 2 S 22,5 . (11) 1 K 21,10 . (12) 1 K 21,13 . (13) Nah 1,11 . (14) Nah 2,1 . (15) Ps 18,5 . (16) Ps 41,9 . (17) Ps 101,3 . (18) Spr 6,12 . (19) Spr 16,27 . (20) Spr 19,28 . (21) Job 34,18 . (22) 2 Kr 13,7 .

22. `âlè(j)khâ (over jou) < voorzetsel `al + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . `al (op, overeenkomstig, omwille van) . Taalgebruik in Tenakh : `al (op, overeenkomstig) . Taalgebruik in Jesaja : `al (op, overeenkomstig) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70, lamed = 12 of 30 ; totaal : 28 of 100 . Structuur : 7 - 3 . Tenakh (183) . Pentateuch (29) . Eerdere Profeten (29) . Latere Profeten (77) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (40) . Dt (18) : (1) Dt 7,22 . (2) Dt 15,9 . (3) Dt 17,15 . (4) Dt 19,10 . (5) Dt 23,5 . (6) Dt 24,15 . (7) Dt 28,2 . (8) Dt 28,7 . (9) Dt 28,10 . (10) Dt 28,15 . (11) Dt 28,24 . (12) Dt 28,36 . (13) Dt 28,43 . (14) Dt 28,45 . (15) Dt 28,49 . (16) Dt 28,61 . (17) Dt 30,1 . (18) Dt 30,9 .

Dt 15,10 - Dt 15,10 : De kwijtschelding - bijbeloverzicht -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- bijbelverwijzingen -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,1 - Dt 15,2 - Dt 15,3 - Dt 15,4 - Dt 15,5 - Dt 15,6 - Dt 15,7 - Dt 15,8 - Dt 15,9 - Dt 15,10 - Dt 15,11 - Dt 15,12 - Dt 15,13 - Dt 15,14 - Dt 15,15 - Dt 15,16 - Dt 15,17 - Dt 15,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10 διδοὺς δώσεις αὐτῷ καὶ δάνειον δανειεῖς αὐτῷ ὅσον ἐπιδέεται, καὶ οὐ λυπηθήσῃ τῇ καρδίᾳ σου διδόντος σου αὐτῷ, ὅτι διά τὸ ρῆμα τοῦτο εὐλογήσει σε Κύριος ὁ Θεός σου ἐν πᾶσι τοῖς ἔργοις καὶ ἐν πᾶσιν, οὗ ἂν ἐπιβάλῃς τὴν χεῖρά σου· 10 sed dabis ei nec ages quippiam callide in eius necessitatibus sublevandis ut benedicat tibi Dominus Deus tuus in omni tempore et in cunctis ad quae manum miseris   10 Gij zult hem mildelijk geven, en uw hart zal niet boos zijn, als gij hem geeft; want om dezer zake wil zal u de HEERE, uw God, zegenen in al uw werk, en in alles, waaraan gij uw hand slaat. [10] Geef met milde hand en met een blij gemoed. Als u dat doet, zal op al het werk dat u onderneemt de zegen rusten van de heer uw God.   [10] Geef hem dus ruimhartig en zonder spijt, en de HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u doet en onderneemt. 10. Quand tu lui donnes, tu dois lui donner de bon cœur, car pour cela Yahvé ton Dieu te bénira dans toutes tes actions et dans tous tes travaux. 10. Quand tu lui donnes, tu dois lui donner de bon cœur, car pour cela Yahvé ton Dieu te bénira dans toutes tes actions et dans tous tes travaux.

King James Bible . [10] Thou shalt surely give him, and thine heart shall not be grieved when thou givest unto him: because that for this thing the LORD thy God shall bless thee in all thy works, and in all that thou puttest thine hand unto.
Luther-Bibel . 10Sondern du sollst ihm geben und dein Herz soll sich's nicht verdrießen lassen, dass du ihm gibst; denn dafür wird dich der HERR, dein Gott, segnen in allen deinen Werken und in allem, was du unternimmst.

Tekstuitleg van Dt 15,10 .

Dt 15,11 - Dt 15,11 : De kwijtschelding - bijbeloverzicht -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- bijbelverwijzingen -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,1 - Dt 15,2 - Dt 15,3 - Dt 15,4 - Dt 15,5 - Dt 15,6 - Dt 15,7 - Dt 15,8 - Dt 15,9 - Dt 15,10 - Dt 15,11 - Dt 15,12 - Dt 15,13 - Dt 15,14 - Dt 15,15 - Dt 15,16 - Dt 15,17 - Dt 15,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11 οὐ γὰρ μὴ ἐκλίπῃ ἐνδεὴς ἀπὸ τῆς γῆς σου. διὰ τοῦτο ἐγώ σοι ἐντέλλομαι ποιεῖν τὸ ρῆμα τοῦτο λέγων· ἀνοίγων ἀνοίξεις τὰς χεῖράς σου τῷ ἀδελφῷ σου τῷ πένητι καὶ τῷ ἐπιδεομένῳ τῷ ἐπὶ τῆς γῆς σου. 11 non deerunt pauperes in terra habitationis tuae idcirco ego praecipio tibi ut aperias manum fratri tuo egeno et pauperi qui tecum versatur in terra   11 Want de arme zal niet ophouden uit het midden des lands; daarom gebiede ik u, zeggende: Gij zult uw hand mildelijk opendoen aan uw broeder, aan uw bedrukten en aan uw armen in uw land. [11] Armen zullen er altijd blijven in het land; juist daarom gebied ik u: open uw beurs wijd voor uw behoeftige en arme landgenoot.  [11] Armen zullen er altijd zijn bij u. Daarom druk ik u op het hart om vrijgevig te zijn tegenover iedereen in uw land die in armoede leeft of er slecht aan toe is. 15:11 Omdat er wel nooit een arme zal wegblijven uit de schoot van het land, juist dáárom gebied ik het je en zeg ik: open zul je je hand voor je broeder openen, voor de berooide bij jou en de arme bij jou in je land! •• 11. Certes, les pauvres ne disparaîtront point de ce pays ; aussi je te donne ce commandement : Tu dois ouvrir ta main à ton frère, à celui qui est humilié et pauvre dans ton pays.

King James Bible . [11] For the poor shall never cease out of the land: therefore I command thee, saying, Thou shalt open thine hand wide unto thy brother, to thy poor, and to thy needy, in thy land.
Luther-Bibel . 11Es werden allezeit Arme sein im Lande; darum gebiete ich dir und sage, dass du deine Hand auftust deinem Bruder, der bedrängt und arm ist in deinem Lande. Über die Freilassung hebräischer Sklaven

Tekstuitleg van Dt 15,11 . In Dt 15,11 wordt gezegd : "Want een arme zal niet ontbreken uit de nabijheid van het land" ; m.a.w. er zullen altijd in je land armen leven . In Mc 15,7 lezen we : "Er zullen altijd armen onder jullie zijn." .

Dt 15,11.1. kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Structuur : 2 - 1 . Tenakh (3849) . Pentateuch (884) . Eerdere Profeten (726) . Latere Profeten (841) . 12 Kleine Profeten (241) . Geschriften (1157) . Dt (235) . Dt 15 () : (1) Dt 15,2 . (2) Dt 15,4 . (3) Dt 15,6 . (4) Dt 15,7 . (5) Dt 15,8 . (6) Dt 15,10 . (7) Dt 15,11 . (8) Dt 15,12 . (9) Dt 15,15 . (10) Dt 15,16 . (11) Dt 15,18 .

Dt 15,11.2. lo´(niet) . Taalgebruik in Tenakh : lo´(niet) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld). De getalwaarde van lo´ is de helft van de getalwaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2 . Tenakh (2767) . Pentateuch (801) . Eerdere Profeten (456) . Latere Profeten (611) . 12 Kleine Profeten (150) . Geschriften (749) . Dt (249) . Dt 15 (11) : (1) Dt 15,2 . (2) Dt 15,4 . (3) Dt 15,6 . (4) Dt 15,7 . (5) Dt 15,11 . (6) Dt 15,13 . (7) Dt 15,16 . (8) Dt 15,18 . (9) Dt 15,19 . (10) Dt 15,21 . (11) Dt 15,23 .

Dt 15,11.3. act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jèchëdal (het zal ontbreken) van het werkw. châdal (ophouden, nalaten, ontbreken) . Taalgebruik in Tenakh : châdal (ophouden, nalaten, ontbreken) . Getalwaarde : chet = 8 , daled = 4 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 24 (2³ X 3) OF 42 (2 X 3 X 7) . Structuur : 8 - 4 - 3 . Tenakh (5) : (1) Dt 15,11 . (2) 1 S 9,5 . (3) Ez 3,27 . (4) Spr 10,19 . (5) Job 10,20 .

Dt 15,11.4. ´èbhëjôn (behoeftige, arme) . Taalgebruik in Tenakh : ´èbhjôn (behoeftig) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , jod = 10 , waw = 6 , nun = 14 of 50 ; totaal : 33 (3 X 11) OF 69 (3 X 23) . Structuur : 1 - 2 - 1 - 6 - 5 . Tenakh (15) : (1) Dt 15,4 . (2) Dt 15,7 . (3) Dt 15,11 . (4) 2 S 2,8 . (5) Js 32,7 . (6) Jr 20,13 . (7) Am 8,4 . (8) Ps 9,19 . (9) Ps 72,4 . (10) Ps 72,12 . (11) Ps 107,41 . (12) Ps 109,31 . (13) Ps 113,7 . (14) Spr 14,31 . (15) Job 5,15 .
- endeès (behoeftig, arm, gebrekkig) . Bijbel (10) : (1) Dt 15,4 . (2) Dt 15,7 . (3) Dt 15,11 . (4) Spr 9,13 . (5) Spr 11,12 . (6) Spr 16,2 . (7) Spr 21,17 . (8) Spr 24,30 . (9) Spr 28,16 . (10) Hnd 4,34 . Een vorm van endeès in de LXX (24) , in het NT (1) .

Dt 15,11.5. miqqèrèbh (uit het midden van) < min + qèrèbh . Zie qârabh (naderen, nabij zijn) . Taalgebruik in Tenakh : qârabh (naderen, nabij zijn) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , beth = 2 ; totaal : 41 OF 302 . Structuur : 1 - 2 - 2 . Tenakh (23) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (2) . Dt (8) : (1) Dt 2,14 . (2) Dt 2,15 . (3) Dt 2,16 . (4) Dt 4,34 . (5) Dt 15,11 . (6) Dt 17,15 . (7) Dt 18,18 . (8) Dt 32,17 .

Dt 15,12 - Dt 15,12 : De kwijtschelding - bijbeloverzicht -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- bijbelverwijzingen -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,1 - Dt 15,2 - Dt 15,3 - Dt 15,4 - Dt 15,5 - Dt 15,6 - Dt 15,7 - Dt 15,8 - Dt 15,9 - Dt 15,10 - Dt 15,11 - Dt 15,12 - Dt 15,13 - Dt 15,14 - Dt 15,15 - Dt 15,16 - Dt 15,17 - Dt 15,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12 ᾿Εὰν δὲ πραθῇ σοι ὁ ἀδελφός σου ὁ ῾Εβραῖος ἢ ῾Εβραία, δουλεύσει σοι ἓξ ἔτη, καὶ τῷ ἑβδόμῳ ἐξαποστελεῖς αὐτὸν ἐλεύθερον ἀπὸ σοῦ. 12 cum tibi venditus fuerit frater tuus hebraeus aut hebraea et sex annis servierit tibi in septimo anno dimittes eum liberum   12 Wanneer uw broeder, een Hebreër of een Hebreïnne, aan u verkocht zal zijn, zo zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar zult gij hem vrij van u laten gaan. [12] Wanneer uw broeder, een Hebreeuwse man of vrouw, zich als slaaf aan u verkoopt, moet hij u zes jaar dienen, maar het zevende jaar moet u hem vrij laten vertrekken.   [12] Wanneer iemand uit uw volk, een Hebreeuwse man of vrouw, zich als slaaf of slavin aan u verkoopt, moet deze u zes jaar lang dienen; in het zevende jaar moet u hem of haar de vrijheid teruggeven. 15:12 Wanneer aan jou verkocht wordt: je broeder, die een Hebreeër is, of een Hebreeuwse,- dienen mag hij je dan zes jaren; in het zevende jaar zul je hem als vríj man van je heenzenden. 12. Si ton frère hébreu, homme ou femme, se vend à toi, il te servira six ans. La septième année tu le renverras libre

King James Bible . [12] And if thy brother, an Hebrew man, or an Hebrew woman , be sold unto thee, and serve thee six years; then in the seventh year thou shalt let him go free from thee.
Luther-Bibel . 12Wenn sich dein Bruder, ein Hebräer oder eine Hebräerin, dir verkauft, so soll er dir sechs Jahre dienen; im siebenten Jahr sollst du ihn als frei entlassen.

Tekstuitleg van Dt 15,12 .

4. mann. enk. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk. ´âchîkhâ (jouw broer) OF mann. mv. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk. ´âchè(j)khâ (jouw broeders) . ´ach (broer) . Taalgebruik in Tenakh : ´ach (broer) . Getalwaarde = aleph = 1 , chet = 8 ; totaal : 9 (3²) . Structuur : 1 - 8 . Tenakh (70) . Pentateuch (52) . Eerdere Profeten (10) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (4) . Dt (12) : (1) Dt 13,7 . (2) Dt 15,3 . (3) Dt 15,7 . (4) Dt 15,12 . (5) Dt 17,15 . (6) Dt 22,1 . (7) Dt 22,2 . (8) Dt 22,3 . (9) Dt 22,4 . (10) Dt 23,8 . (11) Dt 25,3 . (12) Dt 32,50 .
- Latijn . frater . Fr. frère . Ned. broer . E. brother . D. Bruder . Arab. ´ach . Taalgebruik in de Koran : ´ach (broer) .

Dt 15,12.9. sjesj (zes) . Taalgebruik in Tenakh : sjesj (zes) . Getallenwaarde sjesj = 2 X 21 of 2 X 300 = 42 (2 X 3 X 7) OF 600 (2³ X 3 X 5²) . Tenakh (102) . Pentateuch (34) . Eerdere Profeten (24) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (34) . Dt (4) : (1) Dt 15,12 . (2) Dt 15,18 . (3) Dt 28,63 . (4) Dt 30,9 . Lat. sex . Fr. six . Ned. zes . D. sechs . E. six . Gr. hex (zes) . Een vorm van hex (zes) in de LXX (134) , in het NT (13) . Arabisch : sittah (zes) . Taalgebruik in de Qoran : sittah (zes) .

Dt 15,12.10. mann. mv. sjânîm (jaren) van het zelfstandig naamwoord sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . De getalwaarde van sjânâh (jaar) is : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (64) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (77) . Dt (8) : (1) Dt 1,23 . (2) Dt 14,28 . (3) Dt 15,1 . (4) Dt 15,12 . (5) Dt 15,18 . (6) Dt 17,6 . (7) Dt 21,17 . (8) Dt 31,10 .
- Grieks . nom. + acc. onz. mv. etè (jaren van het zelfst. naamw. etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Bijbel (300) . OT (273) . NT (27) . Een vorm van etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) . Dt (9) : (1) Dt 2,7 . (2) Dt 2,14 . (3) Dt 8,4 . (4) Dt 14,28 . (5) Dt 15,12 . (6) Dt 15,18 . (7) Dt 29,4 . (8) Dt 31,10 . (9) Dt 32,7 .
- Latijn . ablat. mann. mv. annis van het zelfst. naamw. annus (jaar) . Bijbel (205) . OT (186) . NT (19) . Dt (3) : (1) Dt 8,2 . (2) Dt 15,12 . (3) Dt 29,4 . Fr. an of année . Ned. jaar . E. year . D. Jahr . Arabisch : sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) .

Dt 15,12.9. - 10. sjesj sjânîm (zes jaar) . Getalwaarde : sjesj = 2 X 21 of 300 = 42 of 600 ; sjânîm : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 58 (2 X 29) of 400 (2³ X 5²) . In negen verzen in de bijbel : (1) Ex 21,2 // Dt 15,12 (zes jaar dienen) . (2) Lv 25,3 (tweemaal) (sabbatjaar) . (3) Dt 15,12 // Ex 21,2 (zes jaar dienen) . (4) Dt 15,18 (de kwijtschelding) . (5) Re 12,7 (Jefta zes jaar rechter) . (6) 1 K 16,23 (Omri zes jaar koning in Tirsa) . (7) 2 K 11,3 // 2 Kr 22,12 (Joas zes jaar verborgen) . (8) 2 Kr 22,12 // 2 K 11,3 (Joas zes jaar verborgen) . (9) Jr 34,14 (verwijzing naar Ex 21,2 // Dt 15,12 : zes jaar dienen) .

Dt 15,13 - Dt 15,13 : De kwijtschelding - bijbeloverzicht -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- bijbelverwijzingen -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,1 - Dt 15,2 - Dt 15,3 - Dt 15,4 - Dt 15,5 - Dt 15,6 - Dt 15,7 - Dt 15,8 - Dt 15,9 - Dt 15,10 - Dt 15,11 - Dt 15,12 - Dt 15,13 - Dt 15,14 - Dt 15,15 - Dt 15,16 - Dt 15,17 - Dt 15,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13 ὅταν δὲ ἐξαποστέλλῃς αὐτὸν ἐλεύθερον ἀπὸ σοῦ, οὐκ ἐξαποστελεῖς αὐτὸν κενόν· 13 et quem libertate donaveris nequaquam vacuum abire patieris   13 En als gij hem vrij van u gaan laat, zo zult gij hem niet ledig laten gaan: [13] En bij de vrijlating mag u hem niet met lege handen laten weggaan.   [13] Wanneer u dan de betreffende persoon in vrijheid laat vertrekken, mag u hem niet met lege handen laten gaan. 15:13 En wanneer je hem als vrij man van je heenzendt, zend hem dan niet ledig heen! 13. et, le renvoyant libre, tu ne le renverras pas les mains vides.

King James Bible . [13] And when thou sendest him out free from thee, thou shalt not let him go away empty:
Luther-Bibel . 13Und wenn du ihn freigibst, sollst du ihn nicht mit leeren Händen von dir gehen lassen,

Tekstuitleg van Dt 15,13 .

Dt 15,14 - Dt 15,14 : De kwijtschelding - bijbeloverzicht -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- bijbelverwijzingen -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,1 - Dt 15,2 - Dt 15,3 - Dt 15,4 - Dt 15,5 - Dt 15,6 - Dt 15,7 - Dt 15,8 - Dt 15,9 - Dt 15,10 - Dt 15,11 - Dt 15,12 - Dt 15,13 - Dt 15,14 - Dt 15,15 - Dt 15,16 - Dt 15,17 - Dt 15,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14 ἐφόδιον ἐφοδιάσεις αὐτὸν ἀπὸ τῶν προβάτων σου καὶ ἀπὸ τοῦ σίτου σου καὶ ἀπὸ τοῦ οἴνου σου· καθὰ εὐλόγησέ σε Κύριος ὁ Θεός σου, δώσεις αὐτῷ. 14 sed dabis viaticum de gregibus et de area et torculari tuo quibus Dominus Deus tuus benedixerit tibi   14 Gij zult hem rijkelijk opleggen van uw kudde, en van uw dorsvloer, en van uw wijnpers; waarin u de HEERE, uw God, gezegend heeft, daarvan zult gij hem geven. [14] U moet hem geschenken meegeven van uw kudde, uw dorsvloer en uw wijnpers, naargelang de heer uw God u heeft gezegend.  [14] U moet hem met gulle hand een deel geven van uw kudde, van uw graan en uw wijn, of van wat de HEER u ook maar heeft toebedeeld. 15:14 Omhang hem de hals, met een deel van je wolvee, van je dorsvloer en van je wijnpers; waarmee de Ene, je God, je heeft gezegend, dát zul je hem geven. 14. Tu chargeras sur ses épaules, à titre de cadeau, quelque produit de ton petit bétail, de ton aire et de ton pressoir ; selon ce dont t'aura béni Yahvé ton Dieu, tu lui donneras.

King James Bible . [14] Thou shalt furnish him liberally out of thy flock, and out of thy floor, and out of thy winepress: of that wherewith the LORD thy God hath blessed thee thou shalt give unto him.
Luther-Bibel . 14sondern du sollst ihm aufladen von deinen Schafen, von deiner Tenne, von deiner Kelter, sodass du gibst von dem, womit dich der HERR, dein Gott, gesegnet hat,

Tekstuitleg van Dt 15,14 .

Dt 15,15 - Dt 15,15 : De kwijtschelding - bijbeloverzicht -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- bijbelverwijzingen -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,1 - Dt 15,2 - Dt 15,3 - Dt 15,4 - Dt 15,5 - Dt 15,6 - Dt 15,7 - Dt 15,8 - Dt 15,9 - Dt 15,10 - Dt 15,11 - Dt 15,12 - Dt 15,13 - Dt 15,14 - Dt 15,15 - Dt 15,16 - Dt 15,17 - Dt 15,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15 καὶ μνησθήσῃ ὅτι οἰκέτης ἦσθα ἐν γῇ Αἰγύπτου καὶ ἐλυτρώσατό σε Κύριος ὁ Θεός σου ἐκεῖθεν· διὰ τοῦτο ἐγώ σοι ἐντέλλομαι ποιεῖν τὸ ρῆμα τοῦτο. 15 memento quod et ipse servieris in terra Aegypti et liberaverit te Dominus Deus tuus et idcirco ego nunc praecipiam tibi   15 En gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht in Egypteland geweest zijt, en dat u de HEERE, uw God, verlost heeft; daarom gebiede ik u heden deze zake. [15] Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte en dat de heer uw God u verlost heeft. Daarom geef ik u heden dit gebod.   [15] Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte totdat de HEER, uw God, u bevrijdde. Daarom geef ik u vandaag dit gebod. 15:15 Gedenken zul je dat je dienstknecht bent geweest in het land van Egypte en dat de Ene, je God, je heeft losgekocht; dáárom gebied ik je heden dit woord. 15. Tu te souviendras que tu as été en servitude au pays d'Égypte et que Yahvé ton Dieu t'a racheté : voilà pourquoi je te donne aujourd'hui cet ordre.

King James Bible . [15] And thou shalt remember that thou wast a bondman in the land of Egypt, and the LORD thy God redeemed thee: therefore I command thee this thing to day.
Luther-Bibel . 15und sollst daran denken, dass du auch Knecht warst in Ägyptenland und der HERR, dein Gott, dich erlöst hat; darum gebiete ich dir solches heute.

Tekstuitleg van Dt 15,15 .

Dt 15,16 - Dt 15,16 : De kwijtschelding - bijbeloverzicht -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- bijbelverwijzingen -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,1 - Dt 15,2 - Dt 15,3 - Dt 15,4 - Dt 15,5 - Dt 15,6 - Dt 15,7 - Dt 15,8 - Dt 15,9 - Dt 15,10 - Dt 15,11 - Dt 15,12 - Dt 15,13 - Dt 15,14 - Dt 15,15 - Dt 15,16 - Dt 15,17 - Dt 15,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
16 ἐὰν δὲ λέγῃ πρός σε, οὐκ ἐξελεύσομαι ἀπὸ σοῦ, ὅτι ἠγάπηκέ σε καὶ τὴν οἰκίαν σου, ὅτι εὖ ἐστιν αὐτῷ παρὰ σοί, 16 sin autem dixerit nolo egredi eo quod diligat te et domum tuam et bene sibi apud te esse sentiat   16 Maar het zal geschieden, als hij tot u zeggen zal: Ik zal niet van u uitgaan, omdat hij u en uw huis liefheeft, dewijl het hem wel bij u is; [16] Zegt hij echter: “Ik wil niet weg bij u”, omdat hij van u en van uw familie is gaan houden en omdat hij het goed bij u had,  [16] Maar indien hij niet bij u weg wil, omdat hij het goed bij u heeft en aan u en uw familie gehecht is geraakt, 15:16 En zal het geschieden dat hij tot jou zegt: ik ga niet van jou weg,- omdat hij jou en je huis heeft liefgekregen, omdat hij het goed heeft bij jou, 16. Mais s'il te dit : « Je ne veux pas te quitter », s'il t'aime, toi et ta maison, s'il est heureux avec toi,

King James Bible . [16] And it shall be, if he say unto thee, I will not go away from thee; because he loveth thee and thine house, because he is well with thee;
Luther-Bibel . 16Wird er aber zu dir sprechen: Ich will nicht fortgehen von dir, denn ich habe dich und dein Haus lieb – weil ihm wohl bei dir ist –,

Tekstuitleg van Dt 15,16 .

Dt 15,17 - Dt 15,17 : De kwijtschelding - bijbeloverzicht -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- bijbelverwijzingen -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,1 - Dt 15,2 - Dt 15,3 - Dt 15,4 - Dt 15,5 - Dt 15,6 - Dt 15,7 - Dt 15,8 - Dt 15,9 - Dt 15,10 - Dt 15,11 - Dt 15,12 - Dt 15,13 - Dt 15,14 - Dt 15,15 - Dt 15,16 - Dt 15,17 - Dt 15,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
17 καὶ λήψῃ τὸ ὀπήτιον, καὶ τρυπήσεις τὸ ὠτίον αὐτοῦ πρὸς τὴν θύραν, καὶ ἔσται σοι οἰκέτης εἰς τὸν αἰῶνα· καὶ τὴν παιδίσκην σου ὡσαύτως ποιήσεις. 17 adsumes subulam et perforabis aurem eius in ianua domus tuae et serviet tibi usque in aeternum ancillae quoque similiter facies   17 Zo zult gij een priem nemen, en steken in zijn oor en in de deur, en hij zal eeuwiglijk uw dienstknecht zijn; en aan uw dienstmaagd zult gij ook alzo doen. [17] dan moet u zijn oor met een priem aan de deur steken en zal hij voor altijd uw slaaf zijn. Voor uw slavin geldt hetzelfde.  [17] moet u een priem door zijn oor in uw deur steken. Daarmee wordt hij voorgoed uw slaaf. En met een slavin moet u hetzelfde doen. 15:17 neem dan de pin en steek die door zijn oor en door de deur: worden zal hij dan bij jou een dienaar voor eeuwig; ook met je slavin zul je zó doen. 17. tu prendras un poinçon, tu lui en perceras l'oreille contre la porte et il sera ton serviteur pour toujours. Envers ta servante tu feras de même.

King James Bible . [17] Then thou shalt take an aul, and thrust it through his ear unto the door, and he shall be thy servant for ever. And also unto thy maidservant thou shalt do likewise.
Luther-Bibel . 17so nimm einen Pfriemen und durchbohre ihm sein Ohr an dem Pfosten der Tür und lass ihn für immer deinen Knecht sein. Mit deiner Magd sollst du ebenso tun.

Tekstuitleg van Dt 15,17 .

4. wënathaththâh (en jij zult geven) , verbindingsprefix wë + werkwoordvorm actief qal perf. 2de pers. enk. van het werkw. nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenach : nâthan (geven) . Taalgebruik in Dt : nâthan (geven) . Gr. didômi (geven) . Taalgebruik in de Septuaginta : didômi (geven) . Taalgebruik in het N.T. : didômi (geven) . Lat. dare / donare - donum : geven - gave , gift . Fr. donner - don : geven - gave . D. geben . E. to give . Tenach (40) . Pentateuch (26) . Dt (5) : (1) Dt 11,29 . (2) Dt 14,25 . (3) Dt 14,26 . (4) Dt 15,17 . (5) Dt 26,12 .

Dt 15,18 - Dt 15,18 : De kwijtschelding - bijbeloverzicht -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- bijbelverwijzingen -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,1 - Dt 15,2 - Dt 15,3 - Dt 15,4 - Dt 15,5 - Dt 15,6 - Dt 15,7 - Dt 15,8 - Dt 15,9 - Dt 15,10 - Dt 15,11 - Dt 15,12 - Dt 15,13 - Dt 15,14 - Dt 15,15 - Dt 15,16 - Dt 15,17 - Dt 15,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
18 οὐ σκληρὸν ἔσται ἐναντίον σου ἐξαποστελλομένων αὐτῶν ἐλευθέρων ἀπὸ σοῦ, ὅτι ἐπέτειον μισθὸν τοῦ μισθωτοῦ ἐδούλευσέ σοι ἓξ ἔτη· καὶ εὐλογήσει σε Κύριος ὁ Θεός σου ἐν πᾶσιν, οἷς ἐὰν ποιῇς. 18 non avertes ab eis oculos tuos quando dimiseris eos liberos quoniam iuxta mercedem mercennarii per sex annos servivit tibi ut benedicat tibi Dominus Deus tuus in cunctis operibus quae agis   18 Het zal niet hard zijn in uw ogen, als gij hem vrij van u gaan laat; want als een dubbel-loons-dagloner heeft hij u zes jaren gediend; zo zal u de HEERE, uw God, zegenen in alles, wat gij doen zult. [18] Het mag u niet hard vallen hem vrij te laten: zes jaar heeft hij het dubbele loon van een dagloner voor u verdiend en de zegen van de heer uw God zal daardoor rusten op alles wat u doet.  [18] Laat het u niet hard vallen als u hen moet laten gaan, want zij hebben in zes jaar trouwe dienst hetzelfde gedaan als een dagloner, voor de helft van het geld. De HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u doet. 15:18 Laat het niet hard zijn in je ogen als je hem als vrij man van je heenzendt, want: voor een dubbel daglonersloon heeft hij je zes jaren gediend; zegenen zal jou dan de Ene, je God, in alles wat je zult doen! • 18. Qu'il ne te semble pas trop pénible de le renvoyer en liberté : il vaut deux fois le salaire d'un mercenaire, celui qui t'aura servi six ans. Et Yahvé ton Dieu te bénira en tout ce que tu feras.

King James Bible . [18] It shall not seem hard unto thee, when thou sendest him away free from thee; for he hath been worth a double hired servant to thee, in serving thee six years: and the LORD thy God shall bless thee in all that thou doest.
Luther-Bibel . 18Und lass dir's nicht schwer fallen, dass du ihn freilässt, denn er hat dir sechs Jahre wie zwei Tagelöhner gedient; so wird der HERR, dein Gott, dich segnen in allem, was du tust. Heiligung der Erstgeburt

Tekstuitleg van Dt 15,18 .

Dt 15,18.13. sjesj (zes) . Taalgebruik in Tenakh : sjesj (zes) . Getallenwaarde sjesj = 2 X 21 of 2 X 300 = 42 (2 X 3 X 7) OF 600 (2³ X 3 X 5²) . Tenakh (102) . Pentateuch (34) . Eerdere Profeten (24) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (34) . Dt (4) : (1) Dt 15,12 . (2) Dt 15,18 . (3) Dt 28,63 . (4) Dt 30,9 . Lat. sex . Fr. six . Ned. zes . D. sechs . E. six . Gr. hex (zes) . Een vorm van hex (zes) in de LXX (134) , in het NT (13) . Arabisch : sittah (zes) . Taalgebruik in de Qoran : sittah (zes) .

Dt 15,18.14. mann. mv. sjânîm (jaren) van het zelfstandig naamwoord sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . De getalwaarde van sjânâh (jaar) is : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (64) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (77) . Dt (8) : (1) Dt 1,23 . (2) Dt 14,28 . (3) Dt 15,1 . (4) Dt 15,12 . (5) Dt 15,18 . (6) Dt 17,6 . (7) Dt 21,17 . (8) Dt 31,10 . Lat. annus . Fr. an of année . Ned. jaar . E. year . D. Jahr . Gr. etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Bijbel (300) . OT (273) . NT (27) . Een vorm van etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) . Arabisch : sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) .

Dt 15,18.13. - 14. sjesj sjânîm (zes jaar) . Getalwaarde : sjesj = 2 X 21 of 300 = 42 of 600 ; sjânîm : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 58 (2 X 29) of 400 (2³ X 5²) . In negen verzen in de bijbel : (1) Ex 21,2 // Dt 15,12 (zes jaar dienen) . (2) Lv 25,3 (tweemaal) (sabbatjaar) . (3) Dt 15,12 // Ex 21,2 (zes jaar dienen) . (4) Dt 15,18 (de kwijtschelding) . (5) Re 12,7 (Jefta zes jaar rechter) . (6) 1 K 16,23 (Omri zes jaar koning in Tirsa) . (7) 2 K 11,3 // 2 Kr 22,12 (Joas zes jaar verborgen) . (8) 2 Kr 22,12 // 2 K 11,3 (Joas zes jaar verborgen) . (9) Jr 34,14 (verwijzing naar Ex 21,2 // Dt 15,12 : zes jaar dienen) .

Dt 15,19-23 : De eerstelingen van het vee - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,19 - Dt 15,20 - Dt 15,21 - Dt 15,22 - Dt 15,23 -

Dt 15,19 - Dt 15,19 : De eerstelingen van het vee - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,19 - Dt 15,20 - Dt 15,21 - Dt 15,22 - Dt 15,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
19 Πᾶν πρωτότοκον, ὃ ἐὰν τεχθῇ ἐν ταῖς βουσί σου καὶ ἐν τοῖς προβάτοις σου, τὰ ἀρσενικά, ἁγιάσεις Κυρίῳ τῷ Θεῷ σου· οὐκ ἐργᾷ ἐν τῷ πρωτοτόκῳ μόσχῳ σου καὶ οὐ μὴ κείρῃς τὰ πρωτότοκα τῶν προβάτων σου· 19 de primogenitis quae nascuntur in armentis et ovibus tuis quicquid sexus est masculini sanctificabis Domino Deo tuo non operaberis in primogenito bovis et non tondebis primogenita ovium   19 Al het eerstgeborene, dat onder uw runderen en onder uw schapen zal geboren worden, zijnde een manneken, zult gij den HEERE, uw God, heiligen; gij zult niet arbeiden met den eerstgeborene van uw os, noch de eerstgeborene uwer schapen scheren. [19] Iedere mannelijke eerstgeborene van uw runderen en uw schapen moet u wijden aan de heer uw God. U mag met het eerstgeborene van uw runderen geen arbeid verrichten en het eerstgeborene van uw schapen niet scheren. [19] Elk eerstgeboren mannelijk dier dat uw koeien, geiten en schapen werpen, moet u aan de HEER, uw God, wijden. Zo'n eerstgeboren kalf mag u niet voor u laten werken en zo'n lam of bokje mag u niet scheren. 15:19 Elke eersteling die bij je ploegvee en je wolvee zal worden geboren en die van het mannelijk geslacht is, zul je toeheiligen aan de Ene, je God; je zult geen dienstwerk verrichten met de eersteling van je ploegvee, en de eersteling van je wolvee zul je niet scheren! 19. Tout premier-né mâle de ta vache ou de ta brebis, tu le consacreras à Yahvé ton Dieu. Tu ne feras pas travailler le premier-né de ta vache, ni ne tondras le premier-né de ta brebis.

King James Bible . [19] All the firstling males that come of thy herd and of thy flock thou shalt sanctify unto the LORD thy God: thou shalt do no work with the firstling of thy bullock, nor shear the firstling of thy sheep.
Luther-Bibel . 19Alle Erstgeburt, die unter deinen Rindern und Schafen geboren wird, sollst du, wenn sie männlich ist, dem HERRN, deinem Gott, heiligen. Du sollst nicht ackern mit dem Erstling deiner Rinder und nicht scheren die Erstlinge deiner Schafe.

Tekstuitleg van Dt 15,19 .

12. act. ind. imperf. 2de pers. mann. enk. tha`äbhod (jij zult werken, dienen) van het werkw. `âbhad (werken, dienen) . Taalgebruik in Tenakh : `âbhad (werken, dienen) . Getalwaarde : ajin =16 of 70 , beth = 2 , daleth = 4 ; totaal : 22 OF 76 (4 X 19) . Structuur : 7 - 2 - 4 . Tenakh (13) : (1) Gn 4,12 . (2) Gn 27,40 . (3) Gn 29,27 . (4) Ex 20,9 . (5) Ex 23,33 . (6) Ex 34,21 . (7) Lv 25,39 . (8) Dt 5,13 . (9) Dt 6,13 . (10) Dt 7,16 . (11) Dt 10,20 . (12) Dt 15,19 . (13) Ez 36,34 .
- Grieks . latreuô (door (loon) dienen) . Taalgebruik in het NT : latreuô (door (loon) dienen) .

Dt 15,20 - Dt 15,20 : De eerstelingen van het vee - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,19 - Dt 15,20 - Dt 15,21 - Dt 15,22 - Dt 15,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
20 ἔναντι Κυρίου φαγῇ αὐτὸ ἐνιαυτὸν ἐξ ἐνιαυτοῦ ἐν τῷ τόπῳ, ᾧ ἐὰν ἐκλέξηται Κύριος ὁ Θεός σου, σὺ καὶ ὁ οἶκός σου. 20 in conspectu Domini Dei tui comedes ea per annos singulos in loco quem elegerit Dominus tu et domus tua   20 Voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, zult gij ze jaar op jaar eten in de plaats, die de HEERE zal verkiezen, gij en uw huis. [20] U moet deze dieren ieder jaar met uw familie eten voor de heer, op de plaats die hij uitkiest. [20] U moet die eerstgeboren dieren elk jaar samen met uw familie eten ten overstaan van de HEER, uw God, op de plaats die hij uitkiest. 15:20 Voor het aanschijn van de Ene, je God, mag je hem opeten, jaar op jaar, in het oord dat de Ene uitkiest; jij en je huis. 20. Tu le mangeras, toi et ta maison, chaque année, en présence de Yahvé ton Dieu au lieu choisi par Yahvé.

King James Bible . [20] Thou shalt eat it before the LORD thy God year by year in the place which the LORD shall choose, thou and thy household.
Luther-Bibel . 20Vor dem HERRN, deinem Gott, sollst du sie essen jährlich an der Stätte, die der HERR erwählt, du und dein Haus.

Tekstuitleg van Dt 15,20 .

9. act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jibhëchar / jibhëchâr (hij verkoos) . bâchar (kiezen, uitverkiezen) . Taalgebruik in Tenakh : bâchar (kiezen, uitverkiezen) . Taalgebruik in Jesaja : bâchar (kiezen, uitverkiezen) . Getalwaarde : beth = 2 , chet = 8 , resj = 20 of 200 ; totaal : 30 (2 X 3 X 5) OF 210 (2 X 3 X 5 X 7) . Structuur : 2 - 8 - 2 . Gr. eklegô (uit-lezen, uit-kiezen, ver-kiezen, uit-ver-kiezen) . Taalgebruik in het N.T. : eklegô (uit-lezen, uit-kiezen, ver-kiezen, uit-ver-kiezen) . Taalgebruik in de Septuaginta : eklegô (uit-lezen, uit-kiezen, ver-kiezen, uit-ver-kiezen) . Lat. eligere . Fr. elire , choisir . E. to choose , to elect . D. auswählen . Een vorm van eklegô in de LXX (141) , (uit-lezen, uit-kiezen, ver-kiezen, uit-ver-kiezen) in het NT (22) . Het Griekse werkw. eklegô (uit-lezen, uit-kiezen, ver-kiezen, uit-ver-kiezen) is één van de 10 werkw. om een vorm van bâchar (kiezen, uitverkiezen) te vertalen . j-bh-ch-r . Tenach (33) . Pentateuch (25) . Dt (23) . (1) Dt 12,5 . (2) Dt 12,11 . (3) Dt 12,14 . (4) Dt 12,18 . (5) Dt 12,21 . (6) Dt 12,26 . (7) Dt 14,23 . (8) Dt 14,24 . (9) Dt 14,25 . (10) Dt 15,20 . (11) Dt 16,2 . (12) Dt 16,6 . (13) Dt 16,7 . (14) Dt 16,11 . (15) Dt 16,15 . (16) Dt 16,16 . (17) Dt 17,8 . (18) Dt 17,10 . (19) Dt 17,15 . (20) Dt 18,6 . (21) Dt 23,17 . (22) Dt 26,2 . (23) Dt 31,11 .

8. - 10. (´äsjèr) jibhëchar JHWH (die JHWH uitkoos) . Tenakh (20) : (1) Nu 16,7 . (2) Dt 12,5 . (2) Dt 12,11 . (3) Dt 12,14 . (4) Dt 12,18 . (5) Dt 12,21 . (6) Dt 12,26 . (7) Dt 14,24 . (8) Dt 14,25 . (9) Dt 15,20 . (10) Dt 16,2 . (11) Dt 16,6 . (12) Dt 16,7 . (13) Dt 16,11 . (14) Dt 16,15 . (15) Dt 17,8 . (16) Dt 17,10 . (17) Dt 17,15 . (18) Dt 18,6 . (19) Dt 26,2 . (20) Dt 31,11 .

Dt 15,21 - Dt 15,21 : De eerstelingen van het vee - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,19 - Dt 15,20 - Dt 15,21 - Dt 15,22 - Dt 15,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
21 ἐὰν δὲ ᾖ ἐν αὐτῷ μῶμος, χωλὸν ἢ τυφλὸν ἢ καὶ πᾶς μῶμος πονηρός, οὐ θύσεις αὐτὸ Κυρίῳ τῷ Θεῷ σου· 21 sin autem habuerit maculam et vel claudum fuerit vel caecum aut in aliqua parte deforme vel debile non immolabitur Domino Deo tuo   21 Doch als enig gebrek daaraan zal zijn, hetzij mank of blind, of enig kwaad gebrek, zo zult gij het den HEERE, uw God, niet offeren; [21] Als een dier een ernstig gebrek heeft, als het kreupel of blind is of iets van dien aard, mag u het niet als slachtoffer aan de heer uw God opdragen. [21] Maar als zo'n dier een gebrek heeft, als het kreupel of blind is of wat dan ook, dan mag u het niet ter ere van de HEER, uw God, slachten. 15:21 Maar stel er is aan hem een gebrek: hij is lam of blind,- welk boos gebrek ook: dan zul je hem niet slachten voor de Ene, je God. 21. S'il a quelque tare, s'il est boiteux ou aveugle, n'importe quelle tare grave, tu ne l'immoleras pas à Yahvé ton Dieu ;

King James Bible . [21] And if there be any blemish therein, as if it be lame, or blind, or have any ill blemish, thou shalt not sacrifice it unto the LORD thy God.
Luther-Bibel . 21Wenn's aber einen Fehler hat, dass es hinkt oder blind ist oder sonst irgendeinen bösen Fehler hat, so sollst du es nicht opfern dem HERRN, deinem Gott;

Tekstuitleg van Dt 15,21 .

Dt 15,22 - Dt 15,22 : De eerstelingen van het vee - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,19 - Dt 15,20 - Dt 15,21 - Dt 15,22 - Dt 15,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22 ἐν ταῖς πόλεσί σου φαγῇ αὐτό, ὁ ἀκάθαρτος ἐν σοὶ καὶ ὁ καθαρὸς ὡσαύτως ἔδεται ὡς δορκάδα ἢ ἔλαφον· 22 sed intra portas urbis tuae comedes illud tam mundus quam inmundus similiter vescentur eis quasi caprea et cervo   22 In uw poorten zult gij het eten; de onreine en de reine te zamen, als een ree, en als een hert, [22] Dan kunt u er thuis van eten, of u rein bent of niet, net als bij een hert of een gazelle. [22] In dat geval moet u het in uw eigen stad eten, net zoals iedereen, rein of onrein, gazellen of herten mag eten. 15:22 Binnen je poorten eet je hem dan op: de onreine en de reine samen, zoals met de gazelle en het hert. 22. tu le mangeras chez toi, purs et impurs réunis, comme tu mangerais de la gazelle ou du cerf ;

King James Bible . [22] Thou shalt eat it within thy gates: the unclean and the clean person shall eat it alike, as the roebuck, and as the hart.
Luther-Bibel . 22sondern in deiner Stadt sollst du es essen, du seist unrein oder rein, wie man Reh und Hirsch isst,

Tekstuitleg van Dt 15,22 .

Dt 15,23 - Dt 15,23 : De eerstelingen van het vee - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 15 -- Dt 15,1-18 -- Dt 15,19-23 -- Dt 15,19 - Dt 15,20 - Dt 15,21 - Dt 15,22 - Dt 15,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23 πλὴν αἷμα οὐ φάγεσθε, ἐπὶ τὴν γῆν ἐκχεεῖς αὐτὸ ὡς ὕδωρ. 23 hoc solum observabis ut sanguinem eorum non comedas sed effundas in terram quasi aquam   23 Zijn bloed alleen zult gij niet eten; gij zult het op de aarde uitgieten als water. [23] Alleen het bloed mag u niet eten; dat moet u als water laten weglopen. [23] Onthoud u alleen wel van het bloed; laat het als water op de grond weglopen. 15:23 Alleen zijn bloed zul je niet eten; over de aarde zul je dat uitgieten, als water. • 23. seulement, tu n'en mangeras pas le sang, tu le répandras à terre comme de l'eau.

King James Bible . [23] Only thou shalt not eat the blood thereof; thou shalt pour it upon the ground as water.
Luther-Bibel . 23nur dass du sein Blut nicht isst, sondern es auf die Erde gießt wie Wasser!

Tekstuitleg van Dt 15,23 .


- Hebreeuwse tekst

מִקֵּץ שֶׁבַע־שָׁנִים תַּעֲשֶׂה שְׁמִטָּה׃ .1 וְזֶה דְּבַר הַשְּׁמִטָּה שָׁמֹוט כָּל־בַּעַל מַשֵּׁה יָדֹו אֲשֶׁר יַשֶּׁה בְּרֵעֵהוּ לֹא־יִגֹּשׂ אֶת־רֵעֵהוּ וְאֶת־אָחִיו כִּי־קָרָא שְׁמִטָּה לַיהוָה׃ .2 אֶת־הַנָּכְרִי תִּגֹּשׂ וַאֲשֶׁר יִהְיֶה לְךָ אֶת־אָחִיךָ תַּשְׁמֵט יָדֶךָ׃ .3 אֶפֶס כִּי לֹא יִהְיֶה־בְּךָ אֶבְיֹון כִּי־בָרֵךְ יְבָרֶכְךָ יְהוָה בָּאָרֶץ אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן־לְךָ נַחֲלָה לְרִשְׁתָּהּ׃ .4 רַק אִם־שָׁמֹועַ תִּשְׁמַע בְּקֹול יְהוָה אֱלֹהֶיךָ לִשְׁמֹר לַעֲשֹׂות אֶת־כָּל־הַמִּצְוָה הַזֹּאת אֲשֶׁר אָנֹכִי מְצַוְּךָ הַיֹּום׃ .5 כִּי־יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בֵּרַכְךָ כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר־לָךְ וְהַעֲבַטְתָּ גֹּויִם רַבִּים וְאַתָּה לֹא תַעֲבֹט וּמָשַׁלְתָּ בְּגֹויִם רַבִּים וּבְךָ לֹא יִמְשֹׁלוּ׃ ס .6 כִּי־יִהְיֶה בְךָ אֶבְיֹון מֵאַחַד אַחֶיךָ בְּאַחַד שְׁעָרֶיךָ בְּאַרְצְךָ אֲשֶׁר־יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָךְ לֹא תְאַמֵּץ אֶת־לְבָבְךָ וְלֹא תִקְפֹּץ אֶת־יָדְךָ מֵאָחִיךָ הָאֶבְיֹון׃ .7 כִּי־פָתֹחַ תִּפְתַּח אֶת־יָדְךָ לֹו וְהַעֲבֵט תַּעֲבִיטֶנּוּ דֵּי מַחְסֹרֹו אֲשֶׁר יֶחְסַר לֹו׃ .8 הִשָּׁמֶר לְךָ פֶּן־יִהְיֶה דָבָר עִם־לְבָבְךָ בְלִיַּעַל לֵאמֹר קָרְבָה שְׁנַת־הַשֶּׁבַע שְׁנַת הַשְּׁמִטָּה וְרָעָה עֵינְךָ בְּאָחִיךָ הָאֶבְיֹון וְלֹא תִתֵּן לֹו וְקָרָא עָלֶיךָ אֶל־יְהוָה וְהָיָה בְךָ חֵטְא׃ .9 נָתֹון תִּתֵּן לֹו וְלֹא־יֵרַע לְבָבְךָ בְּתִתְּךָ לֹו כִּי בִּגְלַל ׀ הַדָּבָר הַזֶּה יְבָרֶכְךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בְּכָל־מַעֲשֶׂךָ וּבְכֹל מִשְׁלַח יָדֶךָ׃ .10 כִּי לֹא־יֶחְדַּל אֶבְיֹון מִקֶּרֶב הָאָרֶץ עַל־כֵּן אָנֹכִי מְצַוְּךָ לֵאמֹר פָּתֹחַ תִּפְתַּח אֶת־יָדְךָ לְאָחִיךָ לַעֲנִיֶּךָ וּלְאֶבְיֹנְךָ בְּאַרְצֶךָ׃ ס .11 כִּי־יִמָּכֵר לְךָ אָחִיךָ הָעִבְרִי אֹו הָעִבְרִיָּה וַעֲבָדְךָ שֵׁשׁ שָׁנִים וּבַשָּׁנָה הַשְּׁבִיעִת תְּשַׁלְּחֶנּוּ חָפְשִׁי מֵעִמָּךְ׃ .12 וְכִי־תְשַׁלְּחֶנּוּ חָפְשִׁי מֵעִמָּךְ לֹא תְשַׁלְּחֶנּוּ רֵיקָם׃ .13 הַעֲנֵיק תַּעֲנִיק לֹו מִצֹּאנְךָ וּמִגָּרְנְךָ וּמִיִּקְבֶךָ אֲשֶׁר בֵּרַכְךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ תִּתֶּן־לֹו׃ .14 וְזָכַרְתָּ כִּי עֶבֶד הָיִיתָ בְּאֶרֶץ מִצְרַיִם וַיִּפְדְּךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ עַל־כֵּן אָנֹכִי מְצַוְּךָ אֶת־הַדָּבָר הַזֶּה הַיֹּום׃ .15 וְהָיָה כִּי־יֹאמַר אֵלֶיךָ לֹא אֵצֵא מֵעִמָּךְ כִּי אֲהֵבְךָ וְאֶת־בֵּיתֶךָ כִּי־טֹוב לֹו עִמָּךְ׃ .16 וְלָקַחְתָּ אֶת־הַמַּרְצֵעַ וְנָתַתָּה בְאָזְנֹו וּבַדֶּלֶת וְהָיָה לְךָ עֶבֶד עֹולָם וְאַף לַאֲמָתְךָ תַּעֲשֶׂה־כֵּן׃ .17 לֹא־יִקְשֶׁה בְעֵינֶךָ בְּשַׁלֵּחֲךָ אֹתֹו חָפְשִׁי מֵעִמָּךְ כִּי מִשְׁנֶה שְׂכַר שָׂכִיר עֲבָדְךָ שֵׁשׁ שָׁנִים וּבֵרַכְךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בְּכֹל אֲשֶׁר תַּעֲשֶׂה׃ פ .18 כָּל־הַבְּכֹור אֲשֶׁר יִוָּלֵד בִּבְקָרְךָ וּבְצֹאנְךָ הַזָּכָר תַּקְדִּישׁ לַיהוָה אֱלֹהֶיךָ לֹא תַעֲבֹד בִּבְכֹר שֹׁורֶךָ וְלֹא תָגֹז בְּכֹור צֹאנֶךָ׃ .19 לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ תֹאכֲלֶנּוּ שָׁנָה בְשָׁנָה בַּמָּקֹום אֲשֶׁר־יִבְחַר יְהוָה אַתָּה וּבֵיתֶךָ׃ .20 וְכִי־יִהְיֶה בֹו מוּם פִּסֵּחַ אֹו עִוֵּר כֹּל מוּם רָע לֹא תִזְבָּחֶנּוּ לַיהוָה אֱלֹהֶיךָ׃ .21 בִּשְׁעָרֶיךָ תֹּאכֲלֶנּוּ הַטָּמֵא וְהַטָּהֹור יַחְדָּו כַּצְּבִי וְכָאַיָּל׃ .22 רַק אֶת־דָּמֹו לֹא תֹאכֵל עַל־הָאָרֶץ תִּשְׁפְּכֶנּוּ כַּמָּיִם׃ פ .23


- Targum Onkelos

דברים פרק טו א מִסּוֹף שְׁבַע שְׁנִין, תַּעֲבֵיד שְׁמִטְּתָא. ב וְדֵין, פִּתְגָם שְׁמִטְּתָא--דְּיַשְׁמֵיט כָּל גְּבַר מָרֵי רְשׁוּ, דְּיִרְשֵׁי בְּחַבְרֵיהּ: לָא יִתְבַּע מִן חַבְרֵיהּ וּמִן אֲחוּהִי, אֲרֵי קְרָא שְׁמִטְּתָא קֳדָם יְיָ. ג מִן בַּר עַמְמִין, תִּתְבַּע; וְדִיהֵי לָךְ עִם אֲחוּךְ, תַּשְׁמֵיט יְדָךְ. ד לְחוֹד, אֲרֵי לָא יְהֵי בָּךְ מִסְכֵּינָא: אֲרֵי בָּרָכָא יְבָרְכִנָּךְ, יְיָ, בְּאַרְעָא, דַּייָ אֱלָהָךְ יָהֵיב לָךְ אַחְסָנָא לְמֵירְתַהּ. ה לְחוֹד אִם קַבָּלָא תְּקַבֵּיל, לְמֵימְרָא דַּייָ אֱלָהָךְ, לְמִטַּר לְמֶעֱבַד יָת כָּל תַּפְקֵידְתָּא הָדָא, דַּאֲנָא מְפַקֵּיד לָךְ יוֹמָא דֵּין. ו אֲרֵי יְיָ אֱלָהָךְ בָּרְכָךְ, כְּמָא דְּמַלֵּיל לָךְ; וְתוֹזֵיף לְעַמְמִין סַגִּיאִין, וְאַתְּ לָא תְּזִיף, וְתִשְׁלוֹט בְּעַמְמִין סַגִּיאִין, וּבָךְ לָא יִשְׁלְטוּן. {ס} ז אֲרֵי יְהֵי בָּךְ מִסְכֵּינָא חַד מֵאֲחָךְ, בַּחֲדָא מִקִּרְוָךְ, בְּאַרְעָךְ, דַּייָ אֱלָהָךְ יָהֵיב לָךְ--לָא תְּתַקֵּיף יָת לִבָּךְ, וְלָא תִּקְפּוֹץ יָת יְדָךְ, מֵאֲחוּךְ, מִסְכֵּינָא. ח אֲרֵי מִפְתָּח תִּפְתַּח יָת יְדָךְ, לֵיהּ; וְאוֹזָפָא, תּוֹזְפִנֵּיהּ, כְּמִסַּת חֻסְרָנֵיהּ, דְּחַסִּיר לֵיהּ. ט אִסְתְּמַר לָךְ דִּלְמָא יְהֵי פִּתְגָם עִם לִבָּךְ בִּרְשַׁע לְמֵימַר, קְרֵיבַת שַׁתָּא דִּשְׁבִיעֵיתָא שַׁתָּא דִּשְׁמִטְּתָא, וְתִבְאַשׁ עֵינָךְ בַּאֲחוּךְ מִסְכֵּינָא, וְלָא תִּתֵּין לֵיהּ; וְיִקְרֵי עֲלָךְ קֳדָם יְיָ, וִיהֵי בָּךְ חוֹבָא. י מִתָּן תִּתֵּין לֵיהּ, וְלָא יִבְאַשׁ לִבָּךְ בְּמִתְּנָךְ לֵיהּ: אֲרֵי בְּדִיל פִּתְגָמָא הָדֵין, יְבָרְכִנָּךְ יְיָ אֱלָהָךְ, בְּכָל עוּבָדָךְ, וּבְכֹל אוֹשָׁטוּת יְדָךְ. יא אֲרֵי לָא יִפְסוּק מִסְכֵּינָא, מִגּוֹ אַרְעָא; עַל כֵּין אֲנָא מְפַקֵּיד לָךְ, לְמֵימַר, מִפְתָּח תִּפְתַּח יָת יְדָךְ לַאֲחוּךְ לְעַנְיָךְ וּלְמִסְכֵּינָךְ, בְּאַרְעָךְ. {ס} יב אֲרֵי יִזְדַּבַּן לָךְ אֲחוּךְ בַּר יִשְׂרָאֵל, אוֹ בַּת יִשְׂרָאֵל--וְיִפְלְחִנָּךְ, שֵׁית שְׁנִין; וּבְשַׁתָּא, שְׁבִיעֵיתָא, תִּפְטְרִנֵּיהּ בַּר חוֹרִין, מֵעִמָּךְ. יג וַאֲרֵי תִּפְטְרִנֵּיהּ בַּר חוֹרִין, מֵעִמָּךְ--לָא תִּפְטְרִנֵּיהּ, רֵיקָן. יד אַפְרָשָׁא תַּפְרֵישׁ, לֵיהּ, מֵעָנָךְ, וּמֵאִדְּרָךְ וּמִמַּעֲצַרְתָּךְ: דְּבָרְכָךְ יְיָ אֱלָהָךְ, תִּתֵּין לֵיהּ. טו וְתִדְכַר, אֲרֵי עַבְדָּא הֲוֵיתָא בְּאַרְעָא דְּמִצְרַיִם, וּפַרְקָךְ, יְיָ אֱלָהָךְ; עַל כֵּין אֲנָא מְפַקֵּיד לָךְ, יָת פִּתְגָמָא הָדֵין--יוֹמָא דֵּין. טז וִיהֵי אֲרֵי יֵימַר לָךְ, לָא אֶפּוֹק מֵעִמָּךְ: אֲרֵי רִיחֲמָךְ וְלַאֲנָשׁ בֵּיתָךְ, אֲרֵי טָב לֵיהּ עִמָּךְ. יז וְתִסַּב יָת מַרְצְעָא, וְתִתֵּין בְּאֻדְנֵיהּ וּבְדַשָּׁא, וִיהֵי לָךְ, עֶבֶד פָּלַח לְעָלַם; וְאַף לְאַמְתָּךְ, תַּעֲבֵיד כֵּין. יח לָא יִקְשֵׁי בְּעֵינָךְ, בְּמִפְטְרָךְ יָתֵיהּ בַּר חוֹרִין מֵעִמָּךְ--אֲרֵי עַל חַד תְּרֵין כַּאֲגַר אֲגִירָא, פַּלְחָךְ שֵׁית שְׁנִין; וִיבָרְכִנָּךְ יְיָ אֱלָהָךְ, בְּכֹל דְּתַעֲבֵיד. {פ} יט כָּל בֻּכְרָא דְּיִתְיְלֵיד בְּתוֹרָךְ וּבְעָנָךְ, דִּכְרִין--תַּקְדֵּישׁ, קֳדָם יְיָ אֱלָהָךְ: לָא תִּפְלַח בְּבֻכְרָא דְּתוֹרָךְ, וְלָא תִּגּוֹז בֻּכְרָא דְּעָנָךְ. כ קֳדָם יְיָ אֱלָהָךְ תֵּיכְלִנֵּיהּ שְׁנָא בִּשְׁנָא, בְּאַתְרָא דְּיִתְרְעֵי יְיָ--אַתְּ, וַאֲנָשׁ בֵּיתָךְ. כא וַאֲרֵי יְהֵי בֵּיהּ מוּמָא, חֲגִיר אוֹ עֲוִיר, כֹּל, מוּם בִּישׁ--לָא תִּכְּסִנֵּיהּ, קֳדָם יְיָ אֱלָהָךְ. כב בְּקִרְוָךְ, תֵּיכְלִנֵּיהּ--מְסָאֲבָא וְדָכְיָא כַּחְדָּא, כִּבְסַר טַבְיָא וְאַיְלָא. כג לְחוֹד יָת דְּמֵיהּ, לָא תֵּיכוֹל: עַל אַרְעָא תֵּישְׁדִנֵּיהּ, כְּמַיָּא. {פ}


- Griekse tekst - Septuaginta

ΔΙ᾿ ἑπτὰ ἐτῶν ποιήσεις ἄφεσιν. 2 καὶ οὕτω τὸ πρόσταγμα τῆς ἀφέσεως· ἀφήσεις πᾶν χρέος ἴδιον, ὃ ὀφείλει σοι ὁ πλησίον, καὶ τὸν ἀδελφόν σου οὐκ ἀπαιτήσεις, ἐπικέκληται γὰρ ἄφεσις Κυρίῳ τῷ Θεῷ σου. 3 τὸν ἀλλότριον ἀπαιτήσεις ὅσα ἐὰν ᾖ σοι παρ᾿ αὐτῷ, τῷ δὲ ἀδελφῷ σου ἄφεσιν ποιήσεις τοῦ χρέους σου· 4 ὅτι οὐκ ἔσται ἐν σοὶ ἐνδεής, ὅτι εὐλογῶν εὐλογήσει σε Κύριος ὁ Θεός σου ἐν τῇ γῇ, ᾗ Κύριος ὁ Θεός σου δίδωσί σοι ἐν κλήρῳ κατακληρονομῆσαι αὐτήν. 5 ἐὰν δὲ ἀκοῇ εἰσακούσητε τῆς φωνῆς Κυρίου τοῦ Θεοῦ ὑμῶν φυλάσσειν καὶ ποιεῖν πάσας τὰς ἐντολὰς ταύτας, ὅσας ἐγὼ ἐντέλλομαί σοι σήμερον, 6 ὅτι Κύριος ὁ Θεός σου εὐλόγησέ σε, ὃν τρόπον ἐλάλησέ σοι, καὶ δανειεῖς ἔθνεσι πολλοῖς, σὺ δὲ οὐ δανειῇ, καὶ ἄρξεις ἐθνῶν πολλῶν, σοῦ δὲ οὐκ ἄρξουσιν. 7 ᾿Εὰν δὲ γένηται ἐν σοὶ ἐνδεὴς ἐκ τῶν ἀδελφῶν σου ἐν μιᾷ τῶν πόλεών σου ἐν τῇ γῇ, ᾗ Κύριος ὁ Θεός σου δίδωσί σοι, οὐκ ἀποστέρξεις τὴν καρδίαν σου οὐδ᾿ οὐ μὴ συσφίγξῃς τὴν χεῖρά σου ἀπὸ τοῦ ἀδελφοῦ σου τοῦ ἐπιδεομένου· 8 ἀνοίγων ἀνοίξεις τὰς χεῖράς σου αὐτῷ καὶ δάνειον δανειεῖς αὐτῷ ὅσον ἐπιδέεται, καθότι ἐνδεεῖται. 9 πρόσεχε σεαυτῷ, μὴ γένηται ρῆμα κρυπτὸν ἐν τῇ καρδίᾳ σου ἀνόμημα λέγων· ἐγγίζει τό ἔτος τὸ ἕβδομον, ἔτος τῆς ἀφέσεως, καὶ πονηρεύσηται ὁ ὀφθαλμός σου τῷ ἀδελφῷ σου τῷ ἐπιδεομένῳ, καὶ οὐ δώσεις αὐτῷ, καὶ καταβοήσεται κατὰ σοῦ πρὸς Κύριον, καὶ ἔσται ἐν σοὶ ἁμαρτία μεγάλη. 10 διδοὺς δώσεις αὐτῷ καὶ δάνειον δανειεῖς αὐτῷ ὅσον ἐπιδέεται, καὶ οὐ λυπηθήσῃ τῇ καρδίᾳ σου διδόντος σου αὐτῷ, ὅτι διά τὸ ρῆμα τοῦτο εὐλογήσει σε Κύριος ὁ Θεός σου ἐν πᾶσι τοῖς ἔργοις καὶ ἐν πᾶσιν, οὗ ἂν ἐπιβάλῃς τὴν χεῖρά σου· 11 οὐ γὰρ μὴ ἐκλίπῃ ἐνδεὴς ἀπὸ τῆς γῆς σου. διὰ τοῦτο ἐγώ σοι ἐντέλλομαι ποιεῖν τὸ ρῆμα τοῦτο λέγων· ἀνοίγων ἀνοίξεις τὰς χεῖράς σου τῷ ἀδελφῷ σου τῷ πένητι καὶ τῷ ἐπιδεομένῳ τῷ ἐπὶ τῆς γῆς σου. 12 ᾿Εὰν δὲ πραθῇ σοι ὁ ἀδελφός σου ὁ ῾Εβραῖος ἢ ῾Εβραία, δουλεύσει σοι ἓξ ἔτη, καὶ τῷ ἑβδόμῳ ἐξαποστελεῖς αὐτὸν ἐλεύθερον ἀπὸ σοῦ. 13 ὅταν δὲ ἐξαποστέλλῃς αὐτὸν ἐλεύθερον ἀπὸ σοῦ, οὐκ ἐξαποστελεῖς αὐτὸν κενόν· 14 ἐφόδιον ἐφοδιάσεις αὐτὸν ἀπὸ τῶν προβάτων σου καὶ ἀπὸ τοῦ σίτου σου καὶ ἀπὸ τοῦ οἴνου σου· καθὰ εὐλόγησέ σε Κύριος ὁ Θεός σου, δώσεις αὐτῷ. 15 καὶ μνησθήσῃ ὅτι οἰκέτης ἦσθα ἐν γῇ Αἰγύπτου καὶ ἐλυτρώσατό σε Κύριος ὁ Θεός σου ἐκεῖθεν· διὰ τοῦτο ἐγώ σοι ἐντέλλομαι ποιεῖν τὸ ρῆμα τοῦτο. 16 ἐὰν δὲ λέγῃ πρός σε, οὐκ ἐξελεύσομαι ἀπὸ σοῦ, ὅτι ἠγάπηκέ σε καὶ τὴν οἰκίαν σου, ὅτι εὖ ἐστιν αὐτῷ παρὰ σοί, 17 καὶ λήψῃ τὸ ὀπήτιον, καὶ τρυπήσεις τὸ ὠτίον αὐτοῦ πρὸς τὴν θύραν, καὶ ἔσται σοι οἰκέτης εἰς τὸν αἰῶνα· καὶ τὴν παιδίσκην σου ὡσαύτως ποιήσεις. 18 οὐ σκληρὸν ἔσται ἐναντίον σου ἐξαποστελλομένων αὐτῶν ἐλευθέρων ἀπὸ σοῦ, ὅτι ἐπέτειον μισθὸν τοῦ μισθωτοῦ ἐδούλευσέ σοι ἓξ ἔτη· καὶ εὐλογήσει σε Κύριος ὁ Θεός σου ἐν πᾶσιν, οἷς ἐὰν ποιῇς. 19 Πᾶν πρωτότοκον, ὃ ἐὰν τεχθῇ ἐν ταῖς βουσί σου καὶ ἐν τοῖς προβάτοις σου, τὰ ἀρσενικά, ἁγιάσεις Κυρίῳ τῷ Θεῷ σου· οὐκ ἐργᾷ ἐν τῷ πρωτοτόκῳ μόσχῳ σου καὶ οὐ μὴ κείρῃς τὰ πρωτότοκα τῶν προβάτων σου· 20 ἔναντι Κυρίου φαγῇ αὐτὸ ἐνιαυτὸν ἐξ ἐνιαυτοῦ ἐν τῷ τόπῳ, ᾧ ἐὰν ἐκλέξηται Κύριος ὁ Θεός σου, σὺ καὶ ὁ οἶκός σου. 21 ἐὰν δὲ ᾖ ἐν αὐτῷ μῶμος, χωλὸν ἢ τυφλὸν ἢ καὶ πᾶς μῶμος πονηρός, οὐ θύσεις αὐτὸ Κυρίῳ τῷ Θεῷ σου· 22 ἐν ταῖς πόλεσί σου φαγῇ αὐτό, ὁ ἀκάθαρτος ἐν σοὶ καὶ ὁ καθαρὸς ὡσαύτως ἔδεται ὡς δορκάδα ἢ ἔλαφον· 23 πλὴν αἷμα οὐ φάγεσθε, ἐπὶ τὴν γῆν ἐκχεεῖς αὐτὸ ὡς ὕδωρ.


- Vulgata

1 septimo anno facies remissionem 2 quae hoc ordine celebrabitur cui debetur aliquid ab amico vel proximo ac fratre suo repetere non poterit quia annus remissionis est Domini 3 a peregrino et advena exiges civem et propinquum repetendi non habes potestatem 4 et omnino indigens et mendicus non erit inter vos ut benedicat tibi Dominus in terra quam traditurus est tibi in possessionem 5 si tamen audieris vocem Domini Dei tui et custodieris universa quae iussit et quae ego hodie praecipio tibi benedicet tibi ut pollicitus est 6 fenerabis gentibus multis et ipse a nullo accipies mutuum dominaberis nationibus plurimis et tui nemo dominabitur 7 si unus de fratribus tuis qui morantur intra portas civitatis tuae in terra quam Dominus Deus tuus daturus est tibi ad paupertatem venerit non obdurabis cor tuum nec contrahes manum 8 sed aperies eam pauperi et dabis mutuum quod eum indigere perspexeris 9 cave ne forte subripiat tibi impia cogitatio et dicas in corde tuo adpropinquat septimus annus remissionis et avertas oculos a paupere fratre tuo nolens ei quod postulat mutuum commodare ne clamet contra te ad Dominum et fiat tibi in peccatum 10 sed dabis ei nec ages quippiam callide in eius necessitatibus sublevandis ut benedicat tibi Dominus Deus tuus in omni tempore et in cunctis ad quae manum miseris 11 non deerunt pauperes in terra habitationis tuae idcirco ego praecipio tibi ut aperias manum fratri tuo egeno et pauperi qui tecum versatur in terra 12 cum tibi venditus fuerit frater tuus hebraeus aut hebraea et sex annis servierit tibi in septimo anno dimittes eum liberum 13 et quem libertate donaveris nequaquam vacuum abire patieris 14 sed dabis viaticum de gregibus et de area et torculari tuo quibus Dominus Deus tuus benedixerit tibi 15 memento quod et ipse servieris in terra Aegypti et liberaverit te Dominus Deus tuus et idcirco ego nunc praecipiam tibi 16 sin autem dixerit nolo egredi eo quod diligat te et domum tuam et bene sibi apud te esse sentiat 17 adsumes subulam et perforabis aurem eius in ianua domus tuae et serviet tibi usque in aeternum ancillae quoque similiter facies 18 non avertes ab eis oculos tuos quando dimiseris eos liberos quoniam iuxta mercedem mercennarii per sex annos servivit tibi ut benedicat tibi Dominus Deus tuus in cunctis operibus quae agis 19 de primogenitis quae nascuntur in armentis et ovibus tuis quicquid sexus est masculini sanctificabis Domino Deo tuo non operaberis in primogenito bovis et non tondebis primogenita ovium 20 in conspectu Domini Dei tui comedes ea per annos singulos in loco quem elegerit Dominus tu et domus tua 21 sin autem habuerit maculam et vel claudum fuerit vel caecum aut in aliqua parte deforme vel debile non immolabitur Domino Deo tuo 22 sed intra portas urbis tuae comedes illud tam mundus quam inmundus similiter vescentur eis quasi caprea et cervo 23 hoc solum observabis ut sanguinem eorum non comedas sed effundas in terram quasi aquam


- Statenvertaling

1 Ten einde van zeven jaren zult gij een vrijlating maken. 2 Dit nu is de zaak der vrijlating, dat ieder schuldheer, die zijn naaste zal geleend hebben, vrijlate; hij zal zijn naaste of zijn broeder niet manen, dewijl men den HEERE een vrijlating heeft uitgeroepen. 3 Den vreemde zult gij manen; maar wat gij bij uw broeder hebt, zal uw hand vrijlaten; 4 Alleenlijk, omdat er geen bedelaar onder u zal zijn; want de HEERE zal u overloediglijk zegenen in het land, dat u de HEERE, uw God, ten erve zal geven, om hetzelve erfelijk te bezitten; 5 Indien gij slechts de stem des HEEREN, uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen, dat gij waarneemt te doen al deze geboden, die ik u heden gebiede. 6 Want de HEERE, uw God, zal u zegenen, gelijk als Hij tot u heeft gesproken, zo zult gij aan vele volken lenen; maar gij zult niet ontlenen; en gij zult over vele volken heersen; maar over u zullen zij niet heersen. 7 Wanneer er onder u een arme zal zijn, een uit uw broederen, in een uwer poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, zo zult gij uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broeder, die arm is; 8 Maar gij zult hem uw hand mildelijk opendoen, en zult hem rijkelijk lenen, genoeg voor zijn gebrek, dat hem ontbreekt. 9 Wacht u, dat in uw hart geen Belialswoord zij, om te zeggen: Het zevende jaar, het jaar der vrijlating, naakt; dat uw oog boos zij tegen uw broeder, die arm is, en dat gij hem niet gevet; en hij over u roepe tot den HEERE, en zonde in u zij. 10 Gij zult hem mildelijk geven, en uw hart zal niet boos zijn, als gij hem geeft; want om dezer zake wil zal u de HEERE, uw God, zegenen in al uw werk, en in alles, waaraan gij uw hand slaat. 11 Want de arme zal niet ophouden uit het midden des lands; daarom gebiede ik u, zeggende: Gij zult uw hand mildelijk opendoen aan uw broeder, aan uw bedrukten en aan uw armen in uw land. 12 Wanneer uw broeder, een Hebreër of een Hebreïnne, aan u verkocht zal zijn, zo zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar zult gij hem vrij van u laten gaan. 13 En als gij hem vrij van u gaan laat, zo zult gij hem niet ledig laten gaan: 14 Gij zult hem rijkelijk opleggen van uw kudde, en van uw dorsvloer, en van uw wijnpers; waarin u de HEERE, uw God, gezegend heeft, daarvan zult gij hem geven. 15 En gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht in Egypteland geweest zijt, en dat u de HEERE, uw God, verlost heeft; daarom gebiede ik u heden deze zake. 16 Maar het zal geschieden, als hij tot u zeggen zal: Ik zal niet van u uitgaan, omdat hij u en uw huis liefheeft, dewijl het hem wel bij u is; 17 Zo zult gij een priem nemen, en steken in zijn oor en in de deur, en hij zal eeuwiglijk uw dienstknecht zijn; en aan uw dienstmaagd zult gij ook alzo doen. 18 Het zal niet hard zijn in uw ogen, als gij hem vrij van u gaan laat; want als een dubbel-loons-dagloner heeft hij u zes jaren gediend; zo zal u de HEERE, uw God, zegenen in alles, wat gij doen zult. 19 Al het eerstgeborene, dat onder uw runderen en onder uw schapen zal geboren worden, zijnde een manneken, zult gij den HEERE, uw God, heiligen; gij zult niet arbeiden met den eerstgeborene van uw os, noch de eerstgeborene uwer schapen scheren. 20 Voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, zult gij ze jaar op jaar eten in de plaats, die de HEERE zal verkiezen, gij en uw huis. 21 Doch als enig gebrek daaraan zal zijn, hetzij mank of blind, of enig kwaad gebrek, zo zult gij het den HEERE, uw God, niet offeren; 22 In uw poorten zult gij het eten; de onreine en de reine te zamen, als een ree, en als een hert, 23 Zijn bloed alleen zult gij niet eten; gij zult het op de aarde uitgieten als water.


- Willibrordvertaling

Hoofdstuk 15 De kwijtschelding [1] Om de zeven jaar moet u een kwijtschelding* houden. [2] Bij deze kwijtschelding gaat het als volgt: Ieder die iets aan zijn naaste heeft geleend, moet hem die schuld kwijtschelden. Hij mag zijn naaste of broeder niet tot betaling dwingen, omdat er een kwijtschelding ter ere van de heer is uitgeroepen. [3] Een buitenlander mag u tot betaling dwingen, maar wat uw broeder van u heeft, moet u hem kwijtschelden. [4] Er zullen bij u trouwens geen armen zijn, want de heer uw God zal u overvloedig zegenen in het land dat Hij u in eigendom geeft, [5] als u tenminste gehoor geeft aan wat de heer uw God zegt, en al de geboden nauwgezet volbrengt die ik u heden opleg. [6] De zegen van de heer uw God zal op u rusten, zoals Hij beloofd heeft. U zult aan veel volken leningen verstrekken, maar zelf niets hoeven te lenen. U zult over veel volken heersen, maar zij zullen niet heersen over u. [7] Is in een of andere stad van het land dat de heer uw God u schenkt, een van uw broeders tot armoede vervallen, dan moet u niet hard zijn voor uw arme broeder en uw beurs niet voor hem dichthouden. [8] U moet die integendeel wijd openen en hem alles lenen wat hij tekort komt. [9] En laat niet de lage gedachte bij u opkomen dat het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, nabij is, zodat u geen medelijden toont met uw arme broeder en hem niets leent. Want als hij zich tegen u op de heer beroept, dan wordt u schuldig bevonden. [10] Geef met milde hand en met een blij gemoed. Als u dat doet, zal op al het werk dat u onderneemt de zegen rusten van de heer uw God. [11] Armen zullen er altijd blijven in het land; juist daarom gebied ik u: open uw beurs wijd voor uw behoeftige en arme landgenoot. [12] Wanneer uw broeder, een Hebreeuwse man of vrouw, zich als slaaf aan u verkoopt, moet hij u zes jaar dienen, maar het zevende jaar moet u hem vrij laten vertrekken. [13] En bij de vrijlating mag u hem niet met lege handen laten weggaan. [14] U moet hem geschenken meegeven van uw kudde, uw dorsvloer en uw wijnpers, naargelang de heer uw God u heeft gezegend. [15] Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte en dat de heer uw God u verlost heeft. Daarom geef ik u heden dit gebod. [16] Zegt hij echter: "Ik wil niet weg bij u", omdat hij van u en van uw familie is gaan houden en omdat hij het goed bij u had, [17] dan moet u zijn oor met een priem aan de deur steken en zal hij voor altijd uw slaaf zijn. Voor uw slavin geldt hetzelfde. [18] Het mag u niet hard vallen hem vrij te laten: zes jaar heeft hij het dubbele loon van een dagloner voor u verdiend en de zegen van de heer uw God zal daardoor rusten op alles wat u doet. De eerstelingen van het vee [19] Iedere mannelijke eerstgeborene van uw runderen en uw schapen moet u wijden aan de heer uw God. U mag met het eerstgeborene van uw runderen geen arbeid verrichten en het eerstgeborene van uw schapen niet scheren. [20] U moet deze dieren ieder jaar met uw familie eten voor de heer, op de plaats die hij uitkiest. [21] Als een dier een ernstig gebrek heeft, als het kreupel of blind is of iets van dien aard, mag u het niet als slachtoffer aan de heer uw God opdragen. [22] Dan kunt u er thuis van eten, of u rein bent of niet, net als bij een hert of een gazelle. [23] Alleen het bloed mag u niet eten; dat moet u als water laten weglopen.


- De Nieuwe Bijbelvertaling

1] Elk zevende jaar moet u algemene kwijtschelding verlenen. [2] Dat houdt het volgende in: elke schuldeiser moet iedereen die iets van hem heeft geleend zijn schuld kwijtschelden; hij mag zijn volksgenoot, zijn broeder, niet tot afbetaling dwingen, want de kwijtschelding is afgekondigd in de naam van de HEER. [3] Van een buitenlander mag u wel betaling vorderen, maar wat u van een volksgenoot te goed hebt moet u kwijtschelden. [4] Overigens zal niemand van u in armoede leven, zozeer zal de HEER u zegenen in het land dat hij u in bezit zal geven, [5] tenminste, als u hem gehoorzaamt en de geboden die ik u vandaag voorhoud zorgvuldig naleeft; [6] dan zal de HEER, uw God, u zeker zegenen, zoals hij beloofd heeft. U zult aan veel volken leningen verstrekken, maar zelf hoeft u niet te lenen. U zult over veel volken macht uitoefenen, maar zij niet over u. [7] Zou er in een van de steden in het land dat de HEER, uw God, u zal geven toch iemand uit uw eigen volk gebrek lijden, dan mag dat u niet koud laten. U mag uw hand niet op de zak houden, [8] maar u moet diep in de buidel tasten en hem lenen zo veel als hij nodig heeft. [9] Wees niet zo berekenend om bij uzelf te denken: Het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, komt eraan – waardoor u zich afsluit voor de ellende van uw volksgenoot en hem met lege handen laat gaan. Als hij dan de HEER zijn nood klaagt om wat u hem hebt aangedaan, zal het u als zonde worden aangerekend. [10] Geef hem dus ruimhartig en zonder spijt, en de HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u doet en onderneemt. [11] Armen zullen er altijd zijn bij u. Daarom druk ik u op het hart om vrijgevig te zijn tegenover iedereen in uw land die in armoede leeft of er slecht aan toe is. [12] Wanneer iemand uit uw volk, een Hebreeuwse man of vrouw, zich als slaaf of slavin aan u verkoopt, moet deze u zes jaar lang dienen; in het zevende jaar moet u hem of haar de vrijheid teruggeven. [13] Wanneer u dan de betreffende persoon in vrijheid laat vertrekken, mag u hem niet met lege handen laten gaan. [14] U moet hem met gulle hand een deel geven van uw kudde, van uw graan en uw wijn, of van wat de HEER u ook maar heeft toebedeeld. [15] Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte totdat de HEER, uw God, u bevrijdde. Daarom geef ik u vandaag dit gebod. [16] Maar indien hij niet bij u weg wil, omdat hij het goed bij u heeft en aan u en uw familie gehecht is geraakt, [17] moet u een priem door zijn oor in uw deur steken. Daarmee wordt hij voorgoed uw slaaf. En met een slavin moet u hetzelfde doen. [18] Laat het u niet hard vallen als u hen moet laten gaan, want zij hebben in zes jaar trouwe dienst hetzelfde gedaan als een dagloner, voor de helft van het geld. De HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u doet. [19] Elk eerstgeboren mannelijk dier dat uw koeien, geiten en schapen werpen, moet u aan de HEER, uw God, wijden. Zo'n eerstgeboren kalf mag u niet voor u laten werken en zo'n lam of bokje mag u niet scheren. [20] U moet die eerstgeboren dieren elk jaar samen met uw familie eten ten overstaan van de HEER, uw God, op de plaats die hij uitkiest. [21] Maar als zo'n dier een gebrek heeft, als het kreupel of blind is of wat dan ook, dan mag u het niet ter ere van de HEER, uw God, slachten. [22] In dat geval moet u het in uw eigen stad eten, net zoals iedereen, rein of onrein, gazellen of herten mag eten. [23] Onthoud u alleen wel van het bloed; laat het als water op de grond weglopen.


- De Naardense bijbel

15:1 Na verloop van zeven jaren zul je een kwijtschelding houden. Deuteronomium 15:2 En dit is de afspraak voor de kwijtschelding: kwijtschelden zal elke schuldheer de lening van zijn hand waarmee hij leende aan zijn naaste; hij mag zijn naaste, zijn broeder, niet aanmanen, want uitgeroepen is de 'kwijtschelding voor de Ene!' 15:3 De buitenlander mag je aanmanen; maar wat van jou bij je broeder is zal je hand kwijtschelden. 15:4 Overigens zal er geen arme bij jou wezen,- want met zegen zal de Ene je zegenen in het land dat de Ene, je God, jou nu geeft als erfdeel om het te beërven, 15:5 alleen als je maar gehoorzaam hoort naar de stem van de Ene, je God; door waakzaam heel dit gebod te doen dat ik je heden gebied. 15:6 Wanneer de Ene, je God, je gezegend zal hebben zoals hij je heeft toegezegd,- dan zul je pandleningen hebben uitstaan bij vele volkeren, en jij zult niets op onderpand hoeven lenen: je zult heersen over vele volkeren en over jou zullen zij niet heersen. •• 15:7 Wanneer er bij jou een arme zal wezen, een van je broeders binnen één van je poorten, in je land dat de Ene, je God, je geeft,- verstok dan je hart niet en houd je hand niet dicht voor je broeder, de arme. 15:8 Nee, open zul je je hand voor hem openen; met pandleningen zul je hem belenen, genoeg voor zijn gebrek,- dat wat hem ontbreekt. 15:9 Waak over jezelf dat bij jou in het hart niet een nietswaardig woord zal opkomen dat zegt: 'genaderd is dat jaar, het zevende, het jaar van de kwijtschelding...' en je oog zo kwaadwillend zal worden tegen je broeder, de arme, dat je het hem niet geeft; roepen zal hij dan over jou tot de Ene, en zonde zal over jou komen! 15:10 Gul zul je hem geven, en laat je hart er niet kwaad over zijn als je hem geeft,- want vanwege deze afspraak zal de Ene, je God, je zegenen in al wat je doet en in elke strek van je hand. 15:11 Omdat er wel nooit een arme zal wegblijven uit de schoot van het land, juist dáárom gebied ik het je en zeg ik: open zul je je hand voor je broeder openen, voor de berooide bij jou en de arme bij jou in je land! •• 15:12 Wanneer aan jou verkocht wordt: je broeder, die een Hebreeër is, of een Hebreeuwse,- dienen mag hij je dan zes jaren; in het zevende jaar zul je hem als vríj man van je heenzenden. 15:13 En wanneer je hem als vrij man van je heenzendt, zend hem dan niet ledig heen! 15:14 Omhang hem de hals, met een deel van je wolvee, van je dorsvloer en van je wijnpers; waarmee de Ene, je God, je heeft gezegend, dát zul je hem geven. 15:15 Gedenken zul je dat je dienstknecht bent geweest in het land van Egypte en dat de Ene, je God, je heeft losgekocht; dáárom gebied ik je heden dit woord. 15:16 En zal het geschieden dat hij tot jou zegt: ik ga niet van jou weg,- omdat hij jou en je huis heeft liefgekregen, omdat hij het goed heeft bij jou, 15:17 neem dan de pin en steek die door zijn oor en door de deur: worden zal hij dan bij jou een dienaar voor eeuwig; ook met je slavin zul je zó doen. 15:18 Laat het niet hard zijn in je ogen als je hem als vrij man van je heenzendt, want: voor een dubbel daglonersloon heeft hij je zes jaren gediend; zegenen zal jou dan de Ene, je God, in alles wat je zult doen! • 15:19 Elke eersteling die bij je ploegvee en je wolvee zal worden geboren en die van het mannelijk geslacht is, zul je toeheiligen aan de Ene, je God; je zult geen dienstwerk verrichten met de eersteling van je ploegvee, en de eersteling van je wolvee zul je niet scheren! 15:20 Voor het aanschijn van de Ene, je God, mag je hem opeten, jaar op jaar, in het oord dat de Ene uitkiest; jij en je huis. 15:21 Maar stel er is aan hem een gebrek: hij is lam of blind,- welk boos gebrek ook: dan zul je hem niet slachten voor de Ene, je God. 15:22 Binnen je poorten eet je hem dan op: de onreine en de reine samen, zoals met de gazelle en het hert. 15:23 Alleen zijn bloed zul je niet eten; over de aarde zul je dat uitgieten, als water. •


- Bible de Jérusalem

1. Au bout de sept ans tu feras remise. 2. Voici en quoi consiste la remise. Tout détenteur d'un gage personnel qu'il aura obtenu de son prochain, lui en fera remise ; il n'exploitera pas son prochain ni son frère, quand celui-ci en aura appelé à Yahvé pour remise. 3. Tu pourras exploiter l'étranger, mais tu libéreras ton frère de ton droit sur lui. 4. Qu'il n'y ait donc pas de pauvre chez toi. Car Yahvé ne t'accordera sa bénédiction dans le pays que Yahvé ton Dieu te donne en héritage pour le posséder, 5. que si tu écoutes vraiment la voix de Yahvé ton Dieu, en gardant et pratiquant tous ces commandements que je te prescris aujourd'hui. 6. Si Yahvé ton Dieu te bénit comme il l'a dit, tu prêteras à des nations nombreuses, sans avoir besoin de leur emprunter, et tu domineras des nations nombreuses, sans qu'elles te dominent. 7. Se trouve-t-il chez toi un pauvre, d'entre tes frères, dans l'une des villes de ton pays que Yahvé ton Dieu t'a donné ? Tu n'endurciras pas ton cœur ni ne fermeras ta main à ton frère pauvre, 8. mais tu lui ouvriras ta main et tu lui prêteras ce qui lui manque. 9. Ne va pas tenir en ton cœur ces mauvais propos : « Voici bientôt la septième année, l'année de remise », en regardant méchamment ton frère pauvre sans rien lui donner ; il en appellerait à Yahvé contre toi et tu serais chargé d'un péché ! 10. Quand tu lui donnes, tu dois lui donner de bon cœur, car pour cela Yahvé ton Dieu te bénira dans toutes tes actions et dans tous tes travaux. 11. Certes, les pauvres ne disparaîtront point de ce pays ; aussi je te donne ce commandement : Tu dois ouvrir ta main à ton frère, à celui qui est humilié et pauvre dans ton pays. 12. Si ton frère hébreu, homme ou femme, se vend à toi, il te servira six ans. La septième année tu le renverras libre 13. et, le renvoyant libre, tu ne le renverras pas les mains vides. 14. Tu chargeras sur ses épaules, à titre de cadeau, quelque produit de ton petit bétail, de ton aire et de ton pressoir ; selon ce dont t'aura béni Yahvé ton Dieu, tu lui donneras. 15. Tu te souviendras que tu as été en servitude au pays d'Égypte et que Yahvé ton Dieu t'a racheté : voilà pourquoi je te donne aujourd'hui cet ordre. 16. Mais s'il te dit : « Je ne veux pas te quitter », s'il t'aime, toi et ta maison, s'il est heureux avec toi, 17. tu prendras un poinçon, tu lui en perceras l'oreille contre la porte et il sera ton serviteur pour toujours. Envers ta servante tu feras de même. 18. Qu'il ne te semble pas trop pénible de le renvoyer en liberté : il vaut deux fois le salaire d'un mercenaire, celui qui t'aura servi six ans. Et Yahvé ton Dieu te bénira en tout ce que tu feras. 19. Tout premier-né mâle de ta vache ou de ta brebis, tu le consacreras à Yahvé ton Dieu. Tu ne feras pas travailler le premier-né de ta vache, ni ne tondras le premier-né de ta brebis. 20. Tu le mangeras, toi et ta maison, chaque année, en présence de Yahvé ton Dieu au lieu choisi par Yahvé. 21. S'il a quelque tare, s'il est boiteux ou aveugle, n'importe quelle tare grave, tu ne l'immoleras pas à Yahvé ton Dieu ; 22. tu le mangeras chez toi, purs et impurs réunis, comme tu mangerais de la gazelle ou du cerf ; 23. seulement, tu n'en mangeras pas le sang, tu le répandras à terre comme de l'eau.


- King James Bible

Deut.15 [1] At the end of every seven years thou shalt make a release. [2] And this is the manner of the release: Every creditor that lendeth ought unto his neighbour shall release it;he shall not exact it of his neighbour, or of his brother; because it is called the LORD's release. [3] Of a foreigner thou mayest exact it again: but that which is thine with thy brother thine hand shall release; [4] Save when there shall be no poor among you; for the LORD shall greatly bless thee in the land which the LORD thy God giveth thee for an inheritance to possess it: [5] Only if thou carefully hearken unto the voice of the LORD thy God, to observe to do all these commandments which I command thee this day. [6] For the LORD thy God blesseth thee, as he promised thee: and thou shalt lend unto many nations, but thou shalt not borrow; and thou shalt reign over many nations,but they shall not reign over thee. [7] If there be among you a poor man of one of thy brethren within any of thy gates in thy land which the LORD thy God giveth thee, thou shalt not harden thine heart, nor shut thine hand from thy poor brother: [8] But thou shalt open thine hand wide unto him, and shalt surely lend him sufficient for his need, in that which he wanteth. [9] Beware that there be not a thought in thy wicked heart, saying, The seventh year, the year of release, is at hand; and thine eye be evil against thy poor brother, and thou givest him nought; and he cry unto the LORD against thee, and it be sin unto thee. [10] Thou shalt surely give him, and thine heart shall not be grieved when thou givest unto him: because that for this thing the LORD thy God shall bless thee in all thy works, and in all that thou puttest thine hand unto. [11] For the poor shall never cease out of the land: therefore I command thee, saying, Thou shalt open thine hand wide unto thy brother, to thy poor, and to thy needy, in thy land. [12] And if thy brother, an Hebrew man, or an Hebrew woman , be sold unto thee, and serve thee six years; then in the seventh year thou shalt let him go free from thee. [13] And when thou sendest him out free from thee, thou shalt not let him go away empty: [14] Thou shalt furnish him liberally out of thy flock, and out of thy floor, and out of thy winepress: of that wherewith the LORD thy God hath blessed thee thou shalt give unto him. [15] And thou shalt remember that thou wast a bondman in the land of Egypt, and the LORD thy God redeemed thee: therefore I command thee this thing to day. [16] And it shall be, if he say unto thee, I will not go away from thee; because he loveth thee and thine house, because he is well with thee; [17] Then thou shalt take an aul, and thrust it through his ear unto the door, and he shall be thy servant for ever. And also unto thy maidservant thou shalt do likewise. [18] It shall not seem hard unto thee, when thou sendest him away free from thee; for he hath been worth a double hired servant to thee, in serving thee six years: and the LORD thy God shall bless thee in all that thou doest. [19] All the firstling males that come of thy herd and of thy flock thou shalt sanctify unto the LORD thy God: thou shalt do no work with the firstling of thy bullock, nor shear the firstling of thy sheep. [20] Thou shalt eat it before the LORD thy God year by year in the place which the LORD shall choose, thou and thy household. [21] And if there be any blemish therein, as if it be lame, or blind, or have any ill blemish, thou shalt not sacrifice it unto the LORD thy God. [22] Thou shalt eat it within thy gates: the unclean and the clean person shall eat it alike, as the roebuck, and as the hart. [23] Only thou shalt not eat the blood thereof; thou shalt pour it upon the ground as water.


- Luther Bibel

Das Erlassjahr 151Alle sieben Jahre sollst du ein Erlassjahr halten. 2So aber soll's zugehen mit dem Erlassjahr: Wenn einer seinem Nächsten etwas geborgt hat, der soll's ihm erlassen und soll's nicht eintreiben von seinem Nächsten oder von seinem Bruder; denn man hat ein Erlassjahr ausgerufen dem HERRN. 3Von einem Ausländer darfst du es eintreiben; aber dem, der dein Bruder ist, sollst du es erlassen. 4Es sollte überhaupt kein Armer unter euch sein; denn der HERR wird dich segnen in dem Lande, das dir der HERR, dein Gott, zum Erbe geben wird, 5wenn du nur der Stimme des HERRN, deines Gottes, gehorchst und alle diese Gebote hältst, die ich dir heute gebiete, dass du danach tust! 6Denn der HERR, dein Gott, wird dich segnen, wie er dir zugesagt hat. Dann wirst du vielen Völkern leihen, doch du wirst von niemand borgen; du wirst über viele Völker herrschen, doch über dich wird niemand herrschen. 7Wenn einer deiner Brüder arm ist in irgendeiner Stadt in deinem Lande, das der HERR, dein Gott, dir geben wird, so sollst du dein Herz nicht verhärten und deine Hand nicht zuhalten gegenüber deinem armen Bruder, 8sondern sollst sie ihm auftun und ihm leihen, soviel er Mangel hat. 9Hüte dich, dass nicht in deinem Herzen ein arglistiger Gedanke aufsteige, dass du sprichst: Es naht das siebente Jahr, das Erlassjahr –, und dass du deinen armen Bruder nicht unfreundlich ansiehst und ihm nichts gibst; sonst wird er wider dich zu dem HERRN rufen und bei dir wird Sünde sein. 10Sondern du sollst ihm geben und dein Herz soll sich's nicht verdrießen lassen, dass du ihm gibst; denn dafür wird dich der HERR, dein Gott, segnen in allen deinen Werken und in allem, was du unternimmst. 11Es werden allezeit Arme sein im Lande; darum gebiete ich dir und sage, dass du deine Hand auftust deinem Bruder, der bedrängt und arm ist in deinem Lande. Über die Freilassung hebräischer Sklaven 12Wenn sich dein Bruder, ein Hebräer oder eine Hebräerin, dir verkauft, so soll er dir sechs Jahre dienen; im siebenten Jahr sollst du ihn als frei entlassen. 13Und wenn du ihn freigibst, sollst du ihn nicht mit leeren Händen von dir gehen lassen, 14sondern du sollst ihm aufladen von deinen Schafen, von deiner Tenne, von deiner Kelter, sodass du gibst von dem, womit dich der HERR, dein Gott, gesegnet hat, 15und sollst daran denken, dass du auch Knecht warst in Ägyptenland und der HERR, dein Gott, dich erlöst hat; darum gebiete ich dir solches heute. 16Wird er aber zu dir sprechen: Ich will nicht fortgehen von dir, denn ich habe dich und dein Haus lieb – weil ihm wohl bei dir ist –, 17so nimm einen Pfriemen und durchbohre ihm sein Ohr an dem Pfosten der Tür und lass ihn für immer deinen Knecht sein. Mit deiner Magd sollst du ebenso tun. 18Und lass dir's nicht schwer fallen, dass du ihn freilässt, denn er hat dir sechs Jahre wie zwei Tagelöhner gedient; so wird der HERR, dein Gott, dich segnen in allem, was du tust. Heiligung der Erstgeburt 19Alle Erstgeburt, die unter deinen Rindern und Schafen geboren wird, sollst du, wenn sie männlich ist, dem HERRN, deinem Gott, heiligen. Du sollst nicht ackern mit dem Erstling deiner Rinder und nicht scheren die Erstlinge deiner Schafe. 20Vor dem HERRN, deinem Gott, sollst du sie essen jährlich an der Stätte, die der HERR erwählt, du und dein Haus. 21Wenn's aber einen Fehler hat, dass es hinkt oder blind ist oder sonst irgendeinen bösen Fehler hat, so sollst du es nicht opfern dem HERRN, deinem Gott; 22sondern in deiner Stadt sollst du es essen, du seist unrein oder rein, wie man Reh und Hirsch isst, 23nur dass du sein Blut nicht isst, sondern es auf die Erde gießt wie Wasser!


- Arabisch

في آخر سبع سنين تعمل ابراء. .1 وهذا هو حكم الابراء. يبرئ كل صاحب دين يده مما اقرض صاحبه. لا يطالب صاحبه ولا اخاه لانه قد نودي بابراء للرب. .2 الاجنبي تطالب واما ما كان لك عند اخيك فتبرئه يدك منه. .3 الا ان لم يكن فيك فقير. لان الرب انما يباركك في الارض التي يعطيك الرب الهك نصيبا لتمتلكها. .4 اذا سمعت صوت الرب الهك لتحفظ وتعمل كل هذه الوصايا التي انا اوصيك اليوم .5 يباركك الرب الهك كما قال لك. فتقرض امما كثيرة وانت لا تقترض وتتسلط على امم كثيرة وهم عليك لا يتسلطون .6 ان كان فيك فقير احد من اخوتك في احد ابوابك في ارضك التي يعطيك الرب الهك فلا تقسّ قلبك ولا تقبض يدك عن اخيك الفقير .7 بل افتح يدك له واقرضه مقدار ما يحتاج اليه. .8 احترز من ان يكون مع قلبك كلام لئيم قائلا قد قربت السنة السابعة سنة الابراء وتسوء عينك باخيك الفقير ولا تعطيه فيصرخ عليك الى الرب فتكون عليك خطية. .9 اعطه ولا يسؤ قلبك عندما تعطيه لانه بسبب هذا الامر يباركك الرب الهك في كل اعمالك وجميع ما تمتد اليه يدك. .10 لانه لا تفقد الفقراء من الارض. لذلك انا اوصيك قائلا افتح يدك لاخيك المسكين والفقير في ارضك .11 اذا بيع لك اخوك العبراني او اختك العبرانية وخدمك ست سنين ففي السنة السابعة تطلقه حرا من عندك. .12 وحين تطلقه حرا من عندك لا تطلقه فارغا. .13 تزوده من غنمك ومن بيدرك ومن معصرتك. كما باركك الرب الهك تعطيه. .14 واذكر انك كنت عبدا في ارض مصر ففداك الرب الهك. لذلك انا اوصيك بهذا الامر اليوم. .15 ولكن اذا قال لك لا اخرج من عندك لانه قد احبك وبيتك اذ كان له خير عندك .16 فخذ المخرز واجعله في اذنه وفي الباب فيكون لك عبدا مؤبدا. وهكذا تفعل لأمتك ايضا. .17 لا يصعب عليك ان تطلقه حرا من عندك لانه ضعفي اجرة الاجير خدمك ست سنين. فيباركك الرب الهك في كل ما تعمل .18 كل بكر ذكر يولد من بقرك ومن غنمك تقدسه للرب الهك. لا تشتغل على بكر بقرك ولا تجزّ بكر غنمك. .19 امام الرب الهك تأكله سنة بسنة في المكان الذي يختاره الرب انت وبيتك. .20 ولكن اذا كان فيه عيب عرج او عمى عيب ما رديء فلا تذبحه للرب الهك. .21 في ابوابك تاكله. النجس والطاهر سواء كالضبي والايل. .22 واما دمه فلا تأكله. على الارض تسفكه كالماء .23


- Structuur


- Taalgebruik

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K

- כִי = kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Structuur : 2 - 1 . Tenakh (3849) . Pentateuch (884) . Eerdere Profeten (726) . Latere Profeten (841) . 12 Kleine Profeten (241) . Geschriften (1157) . Dt (235) . Dt 15 (11) : (1) Dt 15,2 . (2) Dt 15,4 . (3) Dt 15,6 . (4) Dt 15,7 . (5) Dt 15,8 . (6) Dt 15,10 . (7) Dt 15,11 . (8) Dt 15,12 . (9) Dt 15,15 . (10) Dt 15,16 . (11) Dt 15,18 .
- Het Hebreeuwse kî kan door heel wat verschillende Griekse en Latijnse woorden vertaald worden . Het Griekse gar en hoti . Grieks . hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in de Septuaginta : hoti (dat, omdat) . Bijbel (4396) . NT (1183) . Dt (133) . Dt 15 (7) : (1) Dt 15,2 . (2) Dt 15,4 . (3) Dt 15,6 . (4) Dt 15,10 . (5) Dt 15,15 . (6) Dt 15,16 . (7) Dt 15,18 .

- L

- lo´(niet) . Taalgebruik in Tenakh : lo´(niet) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld). De getalwaarde van lo´ is de helft van de getalwaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2 . Tenakh (2767) . Pentateuch (801) . Eerdere Profeten (456) . Latere Profeten (611) . 12 Kleine Profeten (150) . Geschriften (749) . Dt (249) . Dt 15 (11) : (1) Dt 15,2 . (2) Dt 15,4 . (3) Dt 15,6 . (4) Dt 15,7 . (5) Dt 15,11 . (6) Dt 15,13 . (7) Dt 15,16 . (8) Dt 15,18 . (9) Dt 15,19 . (10) Dt 15,21 . (11) Dt 15,23 .

- M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- Commentaar

Aantal woorden in Dt 15 .

 
 
 
 
 
1. 
2. 
3. 
4. 
5. 
6. 
7. 
8. 
9. 
10. 
11. 
12. 
13. 
14. 
15. 
16. 
17. 
18. 
19. 
20. 
21. 
22. 
23. 
24. 
25. 
26. 
27
28
29
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
1
 
5
 
1. 
2. 
3. 
4. 
5. 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
2
 
21
 
6. 
7. 
8. 
9. 
10. 
11. 
12. 
13. 
14.
15. 
16. 
17. 
18. 
19. 
20. 
21. 
22.
23. 
24. 
25. 
26. 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
3
 
10
 
27. 
28. 
29. 
30. 
31. 
32. 
33. 
34. 
35. 
36.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
4
 
18
 
37.
38.
39.
40.
41.
42.
43.
44.
45.
46.
47.
48.
49.
50.
51.
52.
53.
54.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
5
 
17
 
55.
56.
57.
58.
59.
60.
61.
62.
63.
64.
65.
66.
67.
68.
69.
70.
71.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
6
 
19
 
72.
73.
74.
75.
76.
77.
78.
79.
80.
81.
82.
83.
84.
85.
86.
87.
88.
89.
90.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
7
 
24
 
91.
92.
93.
94.
95.
96.
97.
98.
99.
100.
101.
102.
103.
104.
105.
106.
107.
108.
109.
110.
111.
112.
113.
114.
 
 
 
 
 
 
 
8
 
13
 
115.
116.
117.
118.
119.
120.
121.
122.
123.
124.
125.
126.
127.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
9
 
28
 
128.
129.
130.
131.
132.
133.
134.
135.
136.
137.
138.
139.
140.
141.
142.
143.
144.
145.
146.
147.
148.
149.
150.
151.
152.
153.
154.
155.
 
 
 
10
 
20
 
156.
157 158 159 160
161.
162.
163.
164.
165.
166.
167.
168.
169.
170.
171.
172.
173.
174.
175.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
1. 
2. 
3. 
4. 
5. 
6. 
7. 
8. 
9. 
10. 
11. 
12. 
13. 
14. 
15. 
16. 
17. 
18. 
19. 
20. 
21. 
22. 
23. 
24. 
25. 
26. 
27
28
29
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
11
 
19
 
176.
177.
178.
179.
180.
181.
182.
183.
184.
185.
186.
187.
188.
189.
190.
191.
192.
193.
194.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
12
 
15
 
195.
196.
197.
198.
199.
200.
201.
202.
203.
204.
205.
206.
207.
208.
209.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
13
 
7
 
210.
211.
212.
213.
214.
215.
216.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
14
 
12
 
217.
218.
219.
220.
221.
222.
223.
224.
225.
226.
227.
228.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
15
 
17
 
229.
230.
231.
232.
233.
234.
235.
236.
237.
238.
239.
240.
241.
242.
243.
244.
245.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
16
 
15
 
246.
247.
248.
249.
250.
251.
252.
253.
254.
255.
256.
257.
258.
259.
260.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
17
 
14
 
261.
262.
263.
264.
265.
266.
267.
268.
269.
270.
271.
272.
273.
274.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
18
 
20
 
275.
276.
277.
278.
279.
280.
281.
282.
283.
284.
285.
286.
287.
288.
289.
290.
291.
292.
293.
294.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
19
 
18
 
295.
296.
297.
298.
299.
300.
301.
302.
303.
304.
305.
306.
307.
308.
309.
310.
311.
312.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
20
 
12
 
313.
314.
315.
316.
317.
318.
319..
320.
321.
322.
323.
324.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
1. 
2. 
3. 
4. 
5. 
6. 
7. 
8. 
9. 
10. 
11. 
12. 
13. 
14. 
15. 
16. 
17. 
18. 
19. 
20. 
21. 
22. 
23. 
24. 
25. 
26. 
27
28
29
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
21
 
14
 
325.
326.
327.
328.
329.
330.
331.
332.
333.
334.
335.
336.
337.
338.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
22
 
7
 
339.
340.
341.
342.
343.
344.
345.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
23
 
9
 
346.
347.
348.
349.
350.
351.
352.
353.
354.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

354 = 2 X 3 X 59 OF 6 X (30 + 29) .
- Dt 15,3-11 : 8 verzen , 158 (2 X 79) woorden .