DEUTERONOMIUM 18 - Dt 18 - - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -
- Dt 18,1-8 -- Dt 18,9-22 -- Dt 18,15-20 -
Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.html -

Overzicht van Tenach : Tenach : overzicht , Tenach : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenach : commentaar ,

Overzicht van Deuteronomium : - Dt 1 - Dt 2 - Dt 3 - Dt 4 - Dt 5 - Dt 6 - Dt 7 - Dt 8 - Dt 9 - Dt 10 - Dt 11 - Dt 12 - Dt 13 - Dt 14 - Dt 15 - Dt 16 - Dt 17 - Dt 18 - Dt 19 - Dt 20 - Dt 21 - Dt 22 - Dt 23 - Dt 24 - Dt 25 - Dt 26 - Dt 27 - Dt 28 - Dt 29 - Dt 30 - Dt 31 - Dt 32 - Dt 33 - Dt 34 -
Overzicht vers per vers : - Dt 18,1 - Dt 18,2 - Dt 18,3 - Dt 18,4 - Dt 18,5 - Dt 18,6 - Dt 18,7 - Dt 18,8 - Dt 18,9 - Dt 18,10 - Dt 18,11 - Dt 18,12 - Dt 18,13 - Dt 18,14 - Dt 18,15 - Dt 18,16 - Dt 18,17 - Dt 18,18 - Dt 18,19 - Dt 18,20 - Dt 18,21 - Dt 18,22 -

Dt 18,1-8. De Levieten - Dt 18,1-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,1 - Dt 18,2 - Dt 18,3 - Dt 18,4 - Dt 18,5 - Dt 18,6 - Dt 18,7 - Dt 18,8 -

Dt 18,1 - Dt 18,1 : De Levieten - Dt 18,1-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,1 - Dt 18,2 - Dt 18,3 - Dt 18,4 - Dt 18,5 - Dt 18,6 - Dt 18,7 - Dt 18,8 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1ouk estai tois iereusin tois leuitais olè fulè leui meris oude klèros meta israèl karpômata kuriou o klèros autôn fagontai auta  1 non habebunt sacerdotes et Levitae et omnes qui de eadem tribu sunt partem et hereditatem cum reliquo Israhel quia sacrificia Domini et oblationes eius comedent    1 De Levietische priesteren, de ganse stam van Levi, zullen geen deel noch erve hebben met Israël; de vuuroffers des HEEREN en zijn erfdeel zullen zij eten.  
[1] De Levitische priesters, alle leden van de stam Levi, zullen geen bezit en eigendom mogen hebben zoals de overige Israëlieten: zij moeten leven van de gaven die men aan de heer offert en van zijn bezit. 
[1] De Levitische priesters, ofwel de hele stam Levi, zullen geen eigen grond bezitten zoals de andere Israëlieten. Zij mogen de offergaven eten die de HEER toekomen,  1 ¶ Er zal voor de levitische priesters,heel de stam van Levi, géén aandeel of erfdeel bij Israël zijn; van de vuurgaven voor de ENE en zíjn erfgoed zullen ze eten.  1. Les prêtres lévites, toute la tribu de Lévi, n'auront point de part ni d'héritage avec Israël : ils vivront des mets offerts à Yahvé et de son patrimoine. 

King James Bible. [1] The priests the Levites, and all the tribe of Levi, shall have no part nor inheritance with Israel: they shall eat the offerings of the LORD made by fire, and his inheritance.
Luther-Bibel. 1 Die levitischen Priester, der ganze Stamm Levi, sollen weder Anteil noch Erbe haben mit Israel. Von den Feueropfern des HERRN und dem, was ihm gebührt, sollen sie essen.

Tekstuitleg van Dt 18,1.

Dt 18,2 - Dt 18,2 : De Levieten - Dt 18,1-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,1 - Dt 18,2 - Dt 18,3 - Dt 18,4 - Dt 18,5 - Dt 18,6 - Dt 18,7 - Dt 18,8 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2klèros de ouk estai autois en tois adelfois autôn kurios autos klèros autou kathoti eipen autô  2 et nihil aliud accipient de possessione fratrum suorum Dominus enim ipse est hereditas eorum sicut locutus est illis    2 Daarom zal hij geen erfdeel hebben in het midden zijner broederen; de HEERE is zijn Erfdeel, gelijk als Hij tot hem gesproken heeft.   [2] Levi zal geen grond bezitten zoals zijn broeders: de heer zal zijn bezit zijn, zoals Hij beloofd heeft.  [2] maar eigen grond zoals de anderen hebben ze niet; zij mogen immers bestaan van de dienst aan de HEER, zoals hij hun heeft beloofd.   2 Maar een erfdeel zal er voor hem niet bij zijn in de kring van zijn broeders; de ENE, díe is zijn erfdeel, zoals hij hem heeft toegezegd. ••   2. Cette tribu n'aura pas d'héritage au milieu de ses frères ; c'est Yahvé qui sera son héritage, ainsi qu'il le lui a dit.  

King James Bible. [2] Therefore shall they have no inheritance among their brethren: the LORD is their inheritance, as he hath said unto them.
Luther-Bibel. 2 Darum sollen sie kein Erbe unter ihren Brüdern haben; der HERR ist ihr Erbteil, wie er ihnen zugesagt hat.

Tekstuitleg van Dt 18,2.

Dt 18,3 - Dt 18,3 : De Levieten - Dt 18,1-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,1 - Dt 18,2 - Dt 18,3 - Dt 18,4 - Dt 18,5 - Dt 18,6 - Dt 18,7 - Dt 18,8 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3kai autè è krisis tôn iereôn ta para tou laou para tôn thuontôn ta thumata ean te moschon ean te probaton kai dôsei tô ierei ton brachiona kai ta siagonia kai to enustron  3 hoc erit iudicium sacerdotum a populo et ab his qui offerunt victimas sive bovem sive ovem immolaverint dabunt sacerdoti armum ac ventriculum    3 Dit nu zal het recht der priesters zijn van het volk, van hen, die een offerande offeren, hetzij een os, of klein vee: dat hij den priester zal geven den schouder, en beide kinnebakken, en de pens.   [3] Van de gaven van het volk komt de priester rechtens het volgende toe: van een rund of een schaap dat men als slachtoffer opdraagt moeten het schouderstuk, de beide kaken en de maag aan de priester gegeven worden.  [3] Van de gaven van het volk komt de priesters het volgende deel toe: van het offerdier – of het nu om een rund, een schaap of een geit gaat – moeten de schouder, de wangen en de lebmaag aan de priester worden afgestaan.   3 Dít dan zal het recht der priesters zijn ten opzichte van de gemeente, ten opzichte van wie een offerdier offeren, als het een rund is of een schaap: geven zal men aan de priester de voorpoot, de wangen en de pens.  3. Voici les droits des prêtres sur le peuple, sur ceux qui offrent un sacrifice de gros ou de petit bétail : on donnera au prêtre l'épaule, les mâchoires et l'estomac.  

King James Bible. [3] And this shall be the priest's due from the people, from them that offer a sacrifice, whether it be ox or sheep; and they shall give unto the priest the shoulder, and the two cheeks, and the maw.
Luther-Bibel. 3 Das soll aber das Recht der Priester sein an das Volk, an die, die ein Schlachtopfer darbringen, es sei Rind oder Schaf, dass man dem Priester gebe die Vorderkeule und beide Kinnbacken und den Magen

Tekstuitleg van Dt 18,3.

Dt 18,4 - Dt 18,4 : De Levieten - Dt 18,1-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,1 - Dt 18,2 - Dt 18,3 - Dt 18,4 - Dt 18,5 - Dt 18,6 - Dt 18,7 - Dt 18,8 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4kai tas aparchas tou sitou sou kai tou oinou sou kai tou elaiou sou kai tèn aparchèn tôn kourôn tôn probatôn sou dôseis autô  4 primitias frumenti vini et olei et lanarum partem ex ovium tonsione  ד רֵאשִׁית דְּגָנְךָ תִּירֹשְׁךָ וְיִצְהָרֶךָ, וְרֵאשִׁית גֵּז צֹאנְךָ--תִּתֶּן-לוֹ. 4 De eerstelingen van uw koren, van uw most en van uw olie, en de eerstelingen van de beschering uwer schapen zult gij hem geven;   [4] Ook de eerstelingen van uw koren, most en olie, en de eerste wol van uw schapen moet u hem geven.  [4] Ook het eerste en beste deel van uw koren, wijn en olie en van de wol van uw schapen en geiten moet u hem geven.   4 Het eerste van je koren, je most en je boomolie en het eerste scheersel van je wolvee geef je aan hém.   4. Tu lui donneras les prémices de ton froment, de ton vin nouveau et de ton huile, ainsi que les prémices de la tonte de ton petit bétail. 

King James Bible. [4] The firstfruit also of thy corn, of thy wine, and of thine oil, and the first of the fleece of thy sheep, shalt thou give him.
Luther-Bibel. 4 und die Erstlinge deines Korns, deines Weins und deines Öls und die Erstlinge von der Schur deiner Schafe.

ד רֵאשִׁית דְּגָנְךָ תִּירֹשְׁךָ וְיִצְהָרֶךָ, וְרֵאשִׁית גֵּז צֹאנְךָ--תִּתֶּן-לוֹ.

Tekstuitleg van Dt 18,4.

1. רֵאשִׁית (= re´sjîth: begin). Taalgebruik in Tenakh: re´sjîth (begin). Getalswaarde re´sjîth: resj = 20 of 200, aleph = 1, sjin = 21 of 300, jod = 10, taw = 22 of 400. Totaal: 74 (2 X 37, zie 37) OF 911 (priemgetal). Structuur: 2 - 1 - 3 - 1 - 4. Som van de elementen is telkens 11 -> 2. Ps (3): (1) Ps 78,51. (2) Ps 105,36. (3) Ps 111,10.

re´sjîth (begin) bijbel   Gn   Ex   Lv   Nu   Dt   1 S  2 Kr  Neh  Job  Ps  Spr  Jr  Ez  Am  Mi 
re´sjîth 28 
bëre´sjîth                           

Dt 18,5 - Dt 18,5 : De Levieten - Dt 18,1-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,1 - Dt 18,2 - Dt 18,3 - Dt 18,4 - Dt 18,5 - Dt 18,6 - Dt 18,7 - Dt 18,8 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5oti auton exelexato kurios o theos sou ek pasôn tôn fulôn sou parestanai enanti kuriou tou theou sou leitourgein kai eulogein epi tô onomati autou autos kai oi uioi autou en tois uiois israèl 5 ipsum enim elegit Dominus Deus tuus de cunctis tribubus tuis ut stet et ministret nomini Domini ipse et filii eius in sempiternum    5 Want de HEERE, uw God, heeft hem uit al uw stammen verkoren, dat hij sta, om te dienen in den Naam des HEEREN, hij en zijn zonen, te allen dage.  [5] Want de heer uw God heeft hem en zijn zonen uit al uw stammen uitverkoren om voor altijd de dienst in de naam van de heer te verrichten.   [5] Want uit uw midden heeft de HEER, uw God, de Levieten gekozen om hem voor altijd als priester te dienen.   5 Want hem heeft de ENE, je God, uit al je stammen gekozen,– om te staan, om eredienst te doen bij de naam van de ENE, hij en zijn zonen, al de dagen. ••  5. Car c'est lui que Yahvé ton Dieu a choisi entre toutes tes tribus pour se tenir devant Yahvé ton Dieu, pour faire le service divin et donner la bénédiction au nom de Yahvé, lui et ses fils pour toujours.  

King James Bible. [5] For the LORD thy God hath chosen him out of all thy tribes, to stand to minister in the name of the LORD, him and his sons for ever.
Luther-Bibel. 5 Denn der HERR, dein Gott, hat ihn erwählt aus allen deinen Stämmen, dass er stehe im Dienst im Namen des HERRN, er und seine Söhne für alle Zeit.

Tekstuitleg van Dt 18,5.

3. - 4. bâchar JHWH (JHWH koos). Tenach (10) : (1) Dt 7,6. (2) Dt 14,2. (3) Dt 18,5. (4) Dt 21,5. (5) 2 S 16,18. (6) 1 K 14,21. (7) 1 Kr 15,2. (8) 2 Kr 12,13. (9) 2 Kr 29,11. (10) Jr 33,24.

Dt 18,6 - Dt 18,6 : De Levieten - Dt 18,1-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,1 - Dt 18,2 - Dt 18,3 - Dt 18,4 - Dt 18,5 - Dt 18,6 - Dt 18,7 - Dt 18,8 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
6ean de paragenètai o leuitès ek mias tôn poleôn umôn ek pantôn tôn uiôn israèl ou autos paroikei kathoti epithumei è psuchè autou eis ton topon on an eklexètai kurios  6 si exierit Levites de una urbium tuarum ex omni Israhel in qua habitat et voluerit venire desiderans locum quem elegerit Dominus     6 Voorts wanneer een Leviet zal komen uit een uwer poorten, uit gans Israël, alwaar hij woont, en hij komt naar alle begeerte zijner ziel, tot de plaats, die de HEERE zal hebben verkoren;  [6] En* wanneer een Leviet uit een van de Israëlitische steden waar hij als gast verbleef, naar de plaats wenst te komen die de heer uitkiest,  [6] Als iemand die als Leviet ergens in het land van Israël woont zich aandient in de plaats die de HEER zal uitkiezen, dan is hij welkom. Hij mag zich wanneer het maar bij hem opkomt naar die plaats begeven   6 Wanneer de Leviet aankomt uit één van je poorten uit heel Israël daar waar hij zwerver–te–gast is,– komen mag hij met alle gulzigheid van zijn ziel in het oord dat de ENE zal verkiezen.   6. Si le lévite séjournant en l'une de tes villes, où que ce soit en Israël, vient, selon son désir, au lieu choisi par Yahvé,  

King James Bible. [6] And if a Levite come from any of thy gates out of all Israel, where he sojourned, and come with all the desire of his mind unto the place which the LORD shall choose;
Luther-Bibel. 6 Wenn ein Levit kommt aus einer deiner Städte aus ganz Israel, wo er ein Gast ist, und kommt ganz nach seines Herzens Wunsch an die Stätte, die der HERR erwählen wird,

Tekstuitleg van Dt 18,6.

Dt 18,7 - Dt 18,7 : De Levieten - Dt 18,1-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,1 - Dt 18,2 - Dt 18,3 - Dt 18,4 - Dt 18,5 - Dt 18,6 - Dt 18,7 - Dt 18,8 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7kai leitourgèsei tô onomati kuriou tou theou autou ôsper pantes oi adelfoi autou oi leuitai oi parestèkotes ekei enanti kuriou  7 ministrabit in nomine Dei sui sicut omnes fratres eius Levitae qui stabunt eo tempore coram Domino    7 En hij dienen zal in den Naam des HEEREN, zijns Gods, als al zijn broederen, de Levieten, die aldaar voor het aangezicht des HEEREN staan;   [7] dan mag hij de dienst in de naam van de heer zijn God verrichten, zoals zijn broeders, de Levieten, die daar voor de heer staan.  [7] en daar deelnemen aan de dienst voor de HEER, zijn God, net als zijn Levitische broeders die er al dienst doen.   7 Eredienst doen zal hij dan bij de naam van de ENE, zijn God,– zoals al zijn broeders, de Levieten die daar staan voor het aanschijn van de ENE   7. il y officiera au nom de Yahvé son Dieu comme tous ses frères lévites qui se tiennent là en présence de Yahvé, 

King James Bible. [7] Then he shall minister in the name of the LORD his God, as all his brethren the Levites do, which stand there before the LORD.
Luther-Bibel. 7 so soll er dienen im Namen des HERRN, seines Gottes, wie alle seine Brüder, die Leviten, die dort vor dem HERRN stehen.

Tekstuitleg van Dt 18,7.

Dt 18,8 - Dt 18,8 : De Levieten - Dt 18,1-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,1 - Dt 18,2 - Dt 18,3 - Dt 18,4 - Dt 18,5 - Dt 18,6 - Dt 18,7 - Dt 18,8 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8merida memerismenèn fagetai plèn tès praseôs tès kata patrian  8 partem ciborum eandem accipiet quam et ceteri excepto eo quod in urbe sua ex paterna ei successione debetur    8 Zo zullen zij een gelijk deel eten, boven zijn verkoping bij de vaderen.   [8] Hij zal evenveel van de spijzen krijgen als zij, wat zijn familiebezit ook opbrengt.  [8] Hij moet dan eenzelfde aandeel als zij ontvangen, ongeacht de waarde van de bezittingen die hij geërfd heeft.*  8 Deel–en–zelfde–deel zullen ze eten,– ongeacht wat hij verkocht heeft bij de vaderen. ••  8. mangeant une part égale à la leur - sans compter ce qui lui vient par la vente de son patrimoine. 

King James Bible. [8] They shall have like portions to eat, beside that which cometh of the sale of his patrimony.
Luther-Bibel. 8 Sie sollen gleichen Anteil zu essen haben außer dem, was einer hat von dem verkauften Gut seiner Väter.

Tekstuitleg van Dt 18,8.

Dt 18,9-22. Waarzeggers en profeten - Dt 18,9-22 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,9 - Dt 18,10 - Dt 18,11 - Dt 18,12 - Dt 18,13 - Dt 18,14 - Dt 18,15 - Dt 18,16 - Dt 18,17 - Dt 18,18 - Dt 18,19 - Dt 18,20 - Dt 18,21 - Dt 18,22 -

Dt 18,9 - Dt 18,9 : Waarzeggers en profeten - Dt 18,9-22 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,9 - Dt 18,10 - Dt 18,11 - Dt 18,12 - Dt 18,13 - Dt 18,14 - Dt 18,15 - Dt 18,16 - Dt 18,17 - Dt 18,18 - Dt 18,19 - Dt 18,20 - Dt 18,21 - Dt 18,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9ean de eiselthès eis tèn gèn èn kurios o theos sou didôsin soi ou mathèsè poiein kata ta bdelugmata tôn ethnôn ekeinôn  9 quando ingressus fueris terram quam Dominus Deus tuus dabit tibi cave ne imitari velis abominationes illarum gentium     9 Wanneer gij komt in het land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, zo zult gij niet leren te doen naar de gruwelen van dezelve volken.  
[9] Wanneer u het land bent binnengegaan dat de heer uw God u schenkt, moet u niet gaan meedoen aan de gruweldaden van die volken. 
[9] Wanneer u in het land komt dat de HEER, uw God, u geven zal, mag u de verfoeilijke praktijken van de volken daar niet navolgen.   9 ¶ Wanneer jíj aankomt in het land dat de ENE, je God, je geeft,– leer jezelf dan niet om de gruwelen van die volkeren na te doen!   9. Lorsque tu seras entré dans le pays que Yahvé ton Dieu te donne, tu n'apprendras pas à commettre les mêmes abominations que ces nations-là.  

King James Bible. [9] When thou art come into the land which the LORD thy God giveth thee, thou shalt not learn to do after the abominations of those nations.
Luther-Bibel. 9 Wenn du in das Land kommst, das dir der HERR, dein Gott, geben wird, so sollst du nicht lernen, die Gräuel dieser Völker zu tun,

Tekstuitleg van Dt 18,9. Het vers Dt 18,9 telt 16 (2² X 2²) woorden en 55 (5 X 11) letters. De getalwaarde van Dt 18,9 is 4232 (2³ X 23²). Het verbod om de gruweldaden van de volkeren te doen in Dt 18,9 (la`äshôth këthô`äbhoth haggôjim = om te doen zoals de gruweldaden van de volkeren) wordt overtreden door 2 koningen : Achaz , koning van Juda (2 K 16,3) en Manasse, koning van Juda (2 K 21,2 : wajja`ash... këthô`äbhoth haggôjim = hij deed... zoals de gruweldaden van de volkeren). Achaz riep de hulp van de koning van Assyrië in tegen o.a. de koning van Samaria. Dat leidde tot de val van Samaria en het einde van het Noordrijk. Manasse wordt beschouwd als de oorzaak van de val van Jeruzalem en de Babylonische ballingschap. Ondanks de ijver van Josia , koning van Juda, die deze gruwel profaneerde(2 K 23,13) kon de val en de ballingschap niet afgewend worden.

Dt 18,9.5. הָאָרֶץ = hâ´ârèts (de aarde) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw ´èrèts (land, aarde). Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land). Getalswaarde : aleph = 1 , resj = 22 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97). Structuur : 1 - 3 - 9. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (851). Pentateuch (316). Eerdere Profeten (132). Latere Profeten (215). 12 Kleine Profeten (53). Geschriften (135).
- וְהָאָרֶץ = wëhâ´ârèts (en de aarde) < prefix voegwoord wë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֶרֶץ =´èrèts (land, aarde). Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land). Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97). Structuur : 1 - 3 - 9. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (38). Pentateuch (10). Eerdere Profeten (7). Latere Profeten (13). 12 Kleine Profeten (4). Geschriften (4).
- Grieks : acc. mann. enk. γην = gèn van het zelfst. naamw. gè (aarde, land). Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde). Taalgebruik in het NT : gè (aarde). Lv (10).

  gè  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
3 acc. vr. enk.  gèn 961  884  77  13  12  10  25  30  36 

- Ned. aarde. Arabisch : أَرْض = ´arD (aarde). Taalgebruik in de Qoran : ´arD (aarde). D. : Welt. E. : earth. Fr. : terre. Grieks : γη = gè (aarde, land). Taalgebruik in het NT : gè (aarde). Hebreeuws : אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde). Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land). Lat. : terra.

Dt 18,9.4. - 5. אֶל הָאָרֶץ = ´èl hâ´ârèts (naar het land). Tenakh (53). Pentateuch (38). Gn (3). Ex (3). Lv (3). Nu (12). Dt (17). Eerdere Profeten (3). Latere Profeten (11). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (1). Gn (3) : (1) Gn 12,1. (2) Gn 24,5. (3) Gn 50,24. Ex (3) : (1) Ex 6,8. (2) Ex 12,25. (3) Ex 33,1. Lv (3) : (1) Lv 19,23. (2) Lv 23,10. (3) Lv 25,2. Nu (12) : (1) Nu 13,27. (2) Nu 14,3. (3) Nu 14,8. (4) Nu 14,16. (5) Nu 14,24. (6) Nu 14,30. (7) Nu 15,18. (8) Nu 20,12. (9) Nu 20,24. (10) Nu 32,7. (11) Nu 32,9. (12) Nu 34,2. Dt (17) : (1) Dt 2,29. (2) Dt 4,21. (3) Dt 6,10. (4) Dt 7,1. (5) Dt 9,28. (6) Dt 11,29. (7) Dt 17,14. (8) Dt 18,9. (9) Dt 26,1. (10) Dt 26,3. (11) Dt 27,2. (12) Dt 27,3. (13) Dt 30,5. (14) Dt 31,7. (15) Dt 31,21. (16) Dt 31,23. (17) Dt 32,52. Buiten de Pentateuch (15). Eerdere Profeten (3) : (1) Joz 1,2. (2) Re 2,1. (3) 2 K 8,1.

Dt 18,9.4. - 6. אֶל הָאָרֶץ אֲשֶׁר = ´èl hâ´ârèts ´äsjèr (naar het land dat). Tenakh (40). Pentateuch (33). Gn (3/3). Ex (3/3) :. Lv (2/3). Nu (9/12). Dt (16/17). Eerdere Profeten (2/3). Latere Profeten (4/11). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (1/1). Gn (3) : (1) Gn 12,1. (2) Gn 24,5 (2X). (3) Gn 50,24. Ex (3) : (1) Ex 6,8. (2) Ex 12,25. (3) Ex 33,1. Lv (2) : (1) Lv 23,10. (2) Lv 25,2. Nu (9) : (1) Nu 13,27. (2) Nu 14,16. (3) Nu 14,24. (4) Nu 14,30. (5) Nu 15,18. (6) Nu 20,12. (7) Nu 20,24. (8) Nu 32,7. (9) Nu 32,9. Dt (16) : (1) Dt 2,29. (2) Dt 6,10. (3) Dt 7,1. (4) Dt 9,28. (5) Dt 11,29. (6) Dt 17,14. (7) Dt 18,9. (8) Dt 26,1. (9) Dt 26,3. (10) Dt 27,2. (11) Dt 27,3. (12) Dt 30,5. (13) Dt 31,7. (14) Dt 31,21. (15) Dt 31,23. (16) Dt 32,52. Buiten de Pentateuch (7). Eerdere Profeten (2) : (1) Joz 1,2. (2) Re 2,1.
- In Gn 24,1-67 zendt Abraham dienaars naar zijn geboorteplaats om een vrouw voor zijn zoon Isaak te zoeken. De dienaars werpen op : als het ons niet lukt , dat een vrouw uit je geboorteplaats naar hier meekomt , zullen we dan Isaak naar jouw geboorteplaats terugbrengen. Gn 24,5 verwijst naar Gn 12,1 waar JHWH aan Abram de opdracht geeft om te gaan naar het land dat Hij hem zal tonen.

7. JHWH. Eigennaam van God. Taalgebruik in Tenakh : JHWH. Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6. Totaal : 26. Structuur : 1 - 5 - 6 - 5. Tenakh (5193). Pentateuch (1326). Eerdere Profeten (1013). Latere Profeten (1357). 12 Kleine Profeten (387). Geschriften (1110). Dt (413). Dt

4. - 7. אֶל הָאָרֶץ אֲשֶׁר יהוה = ´èl hâ´ârèts ´äsjèr JHWH. Tenakh (3 + 1 = 7) : (1) Dt 2,29. (2) Dt 17,14. (3) Dt 18,9. (4) Dt 26,1. (5) Dt 27,2. (6) Dt 27,3. Zie ook : Dt 4,21 (´èl hâ´ârèts hattôbâh ´äsjèr = naar het goede land dat).
- אֵת הָאָרֶץ אֱשֶׁר יהוה = ´èth hâ´ârèts ´äsjèr JHWH (het land dat JHWH). Tenakh (7) : (1) Dt 3,20. (2) Dt 4,1. (3) Dt 11,31. (4) Dt 16,20. (5) Dt 24,4. (6) Joz 1,11. (7) Joz 1,15.

Dt 18,9.6. - 7. ´äsjèr JHWH (die/dat JHWH). Tenakh (47). Dt (40) : (1) Dt 1,20. (2) Dt 1,25. (3) Dt 2,29. (4) Dt 3,20. (5) Dt 4,1. (6) Dt 4,21. (7) Dt 4,40. (8) Dt 5,16. (9) Dt 7,16. (10) Dt 8,20. (11) Dt 11,12. (12) Dt 11,17. (13) Dt 11,31. (14) Dt 12,9. (15) Dt 12,10. (16) Dt 13,13. (17) Dt 15,4. (18) Dt 15,7. (19) Dt 16,5. (20) Dt 16,18. (21) Dt 16,20. (22) Dt 17,2. (23) Dt 17,14. (24) Dt 18,9. (25) Dt 19,1. (26) Dt 19,2. (27) Dt 19,10. (28) Dt 19,14. (29) Dt 20,16. (30) Dt 21,1. (31) Dt 21,23. (32) Dt 24,4. (33) Dt 25,15. (34) Dt 25,19. (35) Dt 26,1. (36) Dt 26,2. (37) Dt 27,2. (38) Dt 27,3. (39) Dt 28,8. (40) Dt 29,11.

8. ´êlohe(j)khâ (je God) < stat. constr. mann. mv. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk. ´èlohîm (God). Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God). Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43). Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4. De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl. Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld). Structuur : 1 - 3. Tenakh (299). Pentateuch (216). Eerdere Profeten (28). Latere Profeten (25). 12 Kleine Profeten (14). Geschriften (16). Dt (199). Dt

7. - 8. JHWH ´êlohe(j)khâ. Tenakh (262). Dt

9. nâthan (geven). Taalgebruik in Tenakh : nâthan (geven). Getalwaarde : nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 50 of 500. Structuur : 5 - 4 - 5. act. qal perf. 3de pers. mann. enk. nâthan (hij geeft) OF act. qal part; nom. mann. enk. nothen (gevende). Tenakh (319). Pentateuch (107). Eerdere Profeten (92). Latere Profeten (30). 12 Kleine Profeten (4). Geschriften (86). Gr. didômi (geven). Taalgebruik in de Septuaginta : didômi (geven). Taalgebruik in het NT : didômi (geven). Lat. dare / donare - donum : geven - gave , gift. Fr. donner - don : geven - gave. D. geben. E. to give. Dt (59). Dt

8. - 9. ´êlohe(j)khâ nothen (jouw God gevende). Tenakh (31) : (1) Ex 20,12. (2) Dt 4,21. (3) Dt 4,40. (4) Dt 5,16. (5) Dt 7,16. (6) Dt 9,6. (7) Dt 12,9. (8) Dt 13,13. (9) Dt 15,4. (10) Dt 15,7. (11) Dt 16,5. (12) Dt 16,18. (13) Dt 16,20. (14) Dt 17,2. (15) Dt 17,14. (16) Dt 18,9. (17) Dt 19,1. (18) Dt 19,2. (19) Dt 19,10. (20) Dt 19,14. (21) Dt 20,16. (22) Dt 21,1. (23) Dt 21,23. (24) Dt 24,4. (25) Dt 25,15. (26) Dt 25,19. (27) Dt 26,1. (28) Dt 26,2. (29) Dt 27,2. (30) Dt 27,3. (31) Dt 28,8.

10. l-kh (lâkh of lëhkâ = aan jou) < voorzetsel lë = suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. OF act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. lekh (ga). Zie hâlakh (gaan). Taalgebruik in Tenach : hâlakh (gaan). Getalwaarde : he = 5 1S lamed = 12 of 30 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 28 (2 X 2 X 7) of 55 (5 X 11). Structuur : 5 - 3 - 2. Tenakh (827. Pentateuch (276). Eerdere Profeten (188). Latere Profeten (147). 12 Kleine Profeten (30). Geschriften (186). Dt (121). Dt

9. - 10. nothen lâkh (je gevende). Tenakh (14) : (1) Ex 20,12. (2) Dt 5,16. (3) Dt 7,16. (4) Dt 12,9. (5) Dt 15,7. (6) Dt 16,5. (7) Dt 16,20. (8) Dt 17,2. (9) Dt 17,14. (10) Dt 18,9. (11) Dt 25,15. (12) Dt 26,2. (13) Dt 27,2. (14) Dt 28,8.

7. - 10. JHWH ´êlohe(j)khâ nothen lâkh (JHWH je God je gevende). Tenakh (14) : (1) Ex 20,12. (2) Dt 5,16. (3) Dt 7,16. (4) Dt 12,9. (5) Dt 15,7. (6) Dt 16,5. (7) Dt 16,20. (8) Dt 17,2. (9) Dt 17,14. (10) Dt 18,9. (11) Dt 25,15. (12) Dt 26,2. (13) Dt 27,2. (14) Dt 28,8.
- JHWH ´êlohe(j)khâ nothen lëkhâ (JHWH je God je gevende). Tenakh (17) : (1) Dt 4,21. (2) Dt 4,40. (3) Dt 9,6. (4) Dt 13,13. (5) Dt 15,4. (6) Dt 16,18. (7) Dt 19,1. (8) Dt 19,2. (9) Dt 19,10. (10) Dt 19,14. (11) Dt 20,16. (12) Dt 21,1. (13) Dt 21,23. (14) Dt 24,4. (15) Dt 25,19. (16) Dt 26,1. (17) Dt 27,3.

4. - 10. ´èl hâ´ârèts ´äsjèr JHWH ´êlohe(j)khâ nothen lëkhâ (naar het land dat JHWH je God aan je gevende). Tenakh (3) : (1) Dt 4,21 (´èl hâ´ârèts hattôbâh ´äsjèr = naar het goede land dat). (2) Dt 26,1. (3) Dt 27,3.
- ´èl hâ´ârèts ´äsjèr JHWH ´êlohe(j)khâ nothen lâkh (naar het land dat JHWH je God aan je gevende). Tenakh (2) : (1) Dt 17,14. (2) Dt 18,9.

Dt 18,9.14. këthô`äbhoth (als de gruweldaden) < kë + vr. mv. van het zelfst. naamw. thô`äbhâh (gruweldaad). Taalgebruik in Tenakh : thô`äbhâh (gruweldaad). Tenakh (2) : (1) Dt 18,9. (2) 2 K 21,2. këtho`äbhôth. Tenakh (2) : (1) 2 K 16,3. (2) 2 Kr 28,3. thô`äbhâh (gruweldaad). Taalgebruik in Tenakh : thô`äbhâh (gruweldaad).

Dt 18,9.15. haggôîm (de volkeren) < bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfst. naamw. gôj (volk). Taalgebruik in Tenakh : gôj (volk). Gr. ethnos (volk). Getalwaarde : gimel = 3 , waw = 6 , jod = 10 ; totaal : 19. Structuur : 3 - 6 - 1. Taalgebruik in de Septuaginta. : ethnos (volk). Taalgebruik in het N.T. : ethnos (volk). Lat. populus. Fr. peuple. E. people. Ned. volk. D. Volk. Tenakh (174). Pentateuch (27). Eerdere Profeten (27). Latere Profeten (74). 12 Kleine Profeten (25). Geschriften (19). Dt (19) : (1) Dt 7,17. (2) Dt 7,22. (3) Dt 9,4. (4) Dt 9,5. (5) Dt 11,23. (6) Dt 11,23. (7) Dt 12,29. (8) Dt 12,30. (9) Dt 17,14. (10) Dt 18,9. (11) Dt 18,14. (12) Dt 19,1. (13) Dt 20,15. (14) Dt 26,19. (15) Dt 29,15. (16) Dt 29,17. (17) Dt 29,23. (18) Dt 30,1. (19) Dt 30,1.

Dt 18,9.14. - 15. këthô`äbhoth / këtho`äbhôth wordt telkens gevolgd door haggôîm (de volkeren). këthô`äbhoth haggôîm. Tenakh (2) : (1) Dt 18,9. (2) 2 K 21,2. këtho`äbhôth haggôîm. Tenakh (2) : (1) 2 K 16,3. (2) 2 Kr 28,3.

Dt 18,10 - Dt 18,10 : Waarzeggers en profeten - Dt 18,9-22 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,9 - Dt 18,10 - Dt 18,11 - Dt 18,12 - Dt 18,13 - Dt 18,14 - Dt 18,15 - Dt 18,16 - Dt 18,17 - Dt 18,18 - Dt 18,19 - Dt 18,20 - Dt 18,21 - Dt 18,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10ouch eurethèsetai en soi perikathairôn ton uion autou è tèn thugatera autou en puri manteuomenos manteian klèdonizomenos kai oiônizomenos farmakos  10 nec inveniatur in te qui lustret filium suum aut filiam ducens per ignem aut qui ariolos sciscitetur et observet somnia atque auguria ne sit maleficus    10 Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar.   [10] Het mag bij u niet voorkomen dat iemand zijn zoon of zijn dochter door* het vuur laat gaan, zich inlaat met waarzeggerij, met geestenbezwering, voorspellingen of toverij,   [10] Er mag bij u geen plaats zijn voor mensen die hun zoon of dochter als offer verbranden, en evenmin voor waarzeggers, wolkenschouwers, wichelaars, tovenaars,   10 Laat er bij jou niemand worden gevonden die zijn zoon of dochter door het vuur laat gaan; die waarzeggingen zegt, die wolken wichelt, slangen kijkt of magie bedrijft;   10. On ne trouvera chez toi personne qui fasse passer au feu son fils ou sa fille, qui pratique divination, incantation, mantique ou magie,  

King James Bible. [10] There shall not be found among you any one that maketh his son or his daughter to pass through the fire, or that useth divination, or an observer of times, or an enchanter, or a witch,
Luther-Bibel. 10 dass nicht jemand unter dir gefunden werde, der seinen Sohn oder seine Tochter durchs Feuer gehen lässt oder Wahrsagerei, Hellseherei, geheime Künste oder Zauberei treibt

Tekstuitleg van Dt 18,10.

Dt 18,11 - Dt 18,11 : Waarzeggers en profeten - Dt 18,9-22 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,9 - Dt 18,10 - Dt 18,11 - Dt 18,12 - Dt 18,13 - Dt 18,14 - Dt 18,15 - Dt 18,16 - Dt 18,17 - Dt 18,18 - Dt 18,19 - Dt 18,20 - Dt 18,21 - Dt 18,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11epaeidôn epaoidèn eggastrimuthos kai teratoskopos eperôtôn tous nekrous  11 ne incantator ne pythones consulat ne divinos et quaerat a mortuis veritatem     11 Of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggenden geest vraagt, of een duivelskunstenaar, of die de doden vraagt.   [11] zich met bezweringen inlaat, geesten en orakels ondervraagt of de doden oproept.   [11] bezweerders, en voor hen die geesten raadplegen of doden oproepen.   11 die met banspreuken bant,– die een schim uitvraagt, een ‘allesweter’, of iemand die het zoekt bij de gestorvenen.   11. personne qui use de charmes, qui interroge les spectres et devins, qui invoque les morts.  

King James Bible. [11] Or a charmer, or a consulter with familiar spirits, or a wizard, or a necromancer.
Luther-Bibel. 11 oder Bannungen oder Geisterbeschwörungen oder Zeichendeuterei vornimmt oder die Toten befragt.

Tekstuitleg van Dt 18,11.

Dt 18,12 - Dt 18,12 : Waarzeggers en profeten - Dt 18,9-22 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,9 - Dt 18,10 - Dt 18,11 - Dt 18,12 - Dt 18,13 - Dt 18,14 - Dt 18,15 - Dt 18,16 - Dt 18,17 - Dt 18,18 - Dt 18,19 - Dt 18,20 - Dt 18,21 - Dt 18,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12estin gar bdelugma kuriô tô theô sou pas poiôn tauta eneken gar tôn bdelugmatôn toutôn kurios exolethreusei autous apo sou  12 omnia enim haec abominatur Dominus et propter istiusmodi scelera delebit eos in introitu tuo    12 Want al wie zulks doet, is den HEERE een gruwel; en om dezer gruwelen wil verdrijft hen de HEERE, uw God, voor uw aangezicht, uit de bezitting.   [12] Want van iedereen die dergelijke dingen doet heeft de heer uw God een afschuw; en om dergelijke gruweldaden drijft Hij die volken voor u weg.  [12] Want de HEER verafschuwt mensen die zulke dingen doen, en om die verfoeilijke praktijken verdrijft hij deze volken voor u.   12 Want een gruwel voor de ENE is ieder die deze dingen doet; en vanwege deze gruwelen gaat de ENE, je God, hen nu onterven voor jouw aanschijn.  12. Car quiconque fait ces choses est en abomination à Yahvé ton Dieu, et c'est à cause de ces abominations que Yahvé ton Dieu chasse ces nations devant toi.  

King James Bible. [12] For all that do these things are an abomination unto the LORD: and because of these abominations the LORD thy God doth drive them out from before thee.
Luther-Bibel. 12 Denn wer das tut, der ist dem HERRN ein Gräuel, und um solcher Gräuel willen vertreibt der HERR, dein Gott, die Völker vor dir.

Tekstuitleg van Dt 18,12.

Dt 18,13 - Dt 18,13 : Waarzeggers en profeten - Dt 18,9-22 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,9 - Dt 18,10 - Dt 18,11 - Dt 18,12 - Dt 18,13 - Dt 18,14 - Dt 18,15 - Dt 18,16 - Dt 18,17 - Dt 18,18 - Dt 18,19 - Dt 18,20 - Dt 18,21 - Dt 18,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13teleios esè enantion kuriou tou theou sou  13 perfectus eris et absque macula cum Domino Deo tuo    13 Oprecht zult gij zijn met den HEERE, uw God.  
[13] U moet de heer uw God onvoorwaardelijk trouw zijn.  
[13] U moet volledig op de HEER, uw God, gericht zijn.   13 Een gaaf geheel zul je wezen met de ENE, je God! ••  13. Tu seras sans tache vis-à-vis de Yahvé ton Dieu.  

King James Bible. [13] Thou shalt be perfect with the LORD thy God.
Luther-Bibel. 13 Du aber sollst untadelig sein vor dem HERRN, deinem Gott.

Tekstuitleg van Dt 18,13.

Dt 18,14 - Dt 18,14 : Waarzeggers en profeten - Dt 18,9-22 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,9 - Dt 18,10 - Dt 18,11 - Dt 18,12 - Dt 18,13 - Dt 18,14 - Dt 18,15 - Dt 18,16 - Dt 18,17 - Dt 18,18 - Dt 18,19 - Dt 18,20 - Dt 18,21 - Dt 18,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14ta gar ethnè tauta ous su kataklèronomeis autous outoi klèdonôn kai manteiôn akousontai soi de ouch outôs edôken kurios o theos sou  14 gentes istae quarum possidebis terram augures et divinos audiunt tu autem a Domino Deo tuo aliter institutus es     14 Want deze volken, die gij zult erven, horen naar guichelaars en waarzeggers; maar u aangaande, de HEERE, uw God, heeft u zulks niet toegelaten.   [14] De volken die u verdrijft mogen naar geestenbezweerders en waarzeggers geluisterd hebben, u staat de heer dat niet toe. [14] Ook al luisteren de volken in het land dat u in bezit zult nemen wel naar wolkenschouwers en waarzeggers, ú heeft de HEER, uw God, dat verboden.   14 Want deze volkeren die jij nu gaat onterven,– aan wolkenwichelaars en waarzeggers geven zij gehoor; maar jij: zulke zaken heeft de ENE, je God, jou niet gegeven!   14. Car ces nations que tu dépossèdes écoutaient enchanteurs et devins, mais tel n'a pas été pour toi le don de Yahvé ton Dieu.  

King James Bible. [14] For these nations, which thou shalt possess, hearkened unto observers of times, and unto diviners: but as for thee, the LORD thy God hath not suffered thee so to do.
Luther-Bibel. 14 Denn diese Völker, deren Land du einnehmen wirst, hören auf Zeichendeuter und Wahrsager; dir aber hat der HERR, dein Gott, so etwas verwehrt.

Tekstuitleg van Dt 18,14.

Eerste lezing op de 4de (vierde) zondag door het b-jaar : Dt 18,15-20. Verwijzing : Dt 18,15-20 .

Mozes sprak tot het volk en zei: "Uit uw eigen broeders zal de Heer uw God een profeet doen opstaan zoals ik dat ben, naar wie gij moet luisteren. Gij hebt dat immers bij de Horeb op de dag van de samenkomst aan de Heer uw God gevraagd. Toen hebt gij gezegd: Laat mij de stem van de Heer mijn God niet meer horen en dat grote vuur niet meer zien, anders sterf ik. De Heer heeft mij toen gezegd: Zij hebben gelijk. Ik zal uit hun broeders een profeet doen opstaan zoals gij dat zijt. Ik zal hem mijn woorden in de mond leggen en hij zal hun alles zeggen wat Ik hem opdraag. En van hem die geen gehoor geeft aan de woorden die hij in mijn naam spreekt, zal Ik zelf rekenschap vragen. Is er een profeet die zich vermeet in mijn naam te spreken zonder dat Ik hem opdracht heb gegeven, of die spreekt in de naam van andere goden, dan moet hij sterven, die profeet."

Dt 18,15 - Dt 18,15 : Waarzeggers en profeten - Dt 18,9-22 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,9 - Dt 18,10 - Dt 18,11 - Dt 18,12 - Dt 18,13 - Dt 18,14 - Dt 18,15 - Dt 18,16 - Dt 18,17 - Dt 18,18 - Dt 18,19 - Dt 18,20 - Dt 18,21 - Dt 18,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15 profètèn ek tôn adelfôn sou ôs eme anastèsei soi kurios o theos sou autou akousesthe 15 prophetam de gente tua et de fratribus tuis sicut me suscitabit tibi Dominus Deus tuus ipsum audies    15 Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broederen, als mij, zal u de HEERE, uw God, verwekken; naar Hem zult gij horen;   [15] Uit uw eigen broeders zal de heer uw God een profeet laten opstaan zoals* ik, naar wie u moet luisteren.   [15] Hij zal in uw midden profeten laten opstaan, profeten zoals ik. Naar hen moet u luisteren.   15 ¶ Een profeet uit je kring, uit je broeders, zoals ik, zal de ENE, je God, voor jou doen opstaan; naar hem zult ge horen!–   15. Yahvé ton Dieu suscitera pour toi, du milieu de toi, parmi tes frères, un prophète comme moi, que vous écouterez.  

King James Bible. [15] The LORD thy God will raise up unto thee a Prophet from the midst of thee, of thy brethren, like unto me; unto him ye shall hearken;
Luther-Bibel. 15 Einen Propheten wie mich wird dir der HERR, dein Gott, erwecken aus dir und aus deinen Brüdern; dem sollt ihr gehorchen.
- 4de (vierde) zondag door het b-jaar. Mozes sprak tot het volk en zei: "Uit uw eigen broeders zal de Heer uw God een profeet doen opstaan zoals ik dat ben, naar wie gij moet luisteren.

Tekstuitleg van Dt 18,15. Het vers Dt 18,15 telt 10 (2 X 5) woorden en 43 (priemgetal) letters. De getalwaarde van Dt 18,15 is 1839 (3 X 613).

Dt 18,15.1. nâbhî´ (profeet). Taalgebruik in Tenakh : nâbhî´(profeet). Getalwaarde : nun = 14 of 50 , beth = 2 , jod = 10 , aleph = 1 ; totaal : 27 (3³) OF 63 (3² X 7). Structuur : 5 - 2 - 1 - 1. Tenakh (28). Pentateuch (5). Eerdere Profeten (8). Latere Profeten (5). 12 Kleine Profeten (4). Geschriften (6). Dt (4) : (1) Dt 13,2. (2) Dt 18,15. (3) Dt 18,18. (4) Dt 34,10.
- Grieks. acc. mann. enk. profètèn van het zelfst. naamw. profètès < pro - fè - tès (fèmi : spreken). Taalgebruik in het NT : profètès (profeet). Dt (2) : (1) Dt 18,15. (2) Dt 18,18.

  profètès (profeet) bijbel  OT  NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.  P. A. b.
4 acc. enk. profètèn 47 35 12 5   3   4     8 8    

- Latijn. acc. mann. enk. profetam van propheta. Bijbel (69). Dt (2) : (1) Dt 18,15. (2) Dt 18,18.

Dt 18,15.2. miqqirëbèkhâ / miqqirëbëkhâ (uit je midden) < min + qèrèbh + pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. qèrèbh (lichaam, binnenste, ingewanden). Zie het werkw. qârabh (naderen, nabij zijn). Taalgebruik in Tenakh : qârabh (naderen, nabij zijn). Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , beth = 2 ; totaal : 41 OF 302. Structuur : 1 - 2 - 2. Tenakh (16). Pentateuch (12). Eerdere Profeten (0). Latere Profeten (0). 12 Kleine Profeten (4). Geschriften (0). Pentateuch (12) : (1) Ex 23,25. (2) Dt 4,3. (3) Dt 13,6. (4) Dt 13,14. (5) Dt 17,7. (6) Dt 18,15. (7) Dt 19,19. (8) Dt 21,9. (9) Dt 21,21. (10) Dt 22,21. (11) Dt 22,24. (12) Dt 24,7.

Dt 18,15.3. me´âchè(j)khâ (uit jouw broeders)< prefix voorzetsel min + mann. mv. stat. construct. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. ´ach (broer). Taalgebruik in Tenakh : ´ach (broer). Getalwaarde = aleph = 1 , chet = 8 ; totaal : 9 (3²). Structuur : 1 - 8. Tenakh (2) : (1) Dt 18,15. (2) Dt 24,14.

5. act. ind. imperf. 3de pers. enk. jâqîm (hij zal opwekken) van het werkw. q-m (opstaan). Taalgebruik in Tenakh : qûm (opstaan). Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 146 (2 X 73). Structuur : 100 - 6 - 40 OF 1 - 6 - 4. Tenakh (7) : (1) Dt 18,15. (2) Dt 27,26. (3) 1 K 2,4. (4) Pr 4,10. (5) Da 2,44. (6) Da 4,14. (7) Neh 5,13.

10. act. qal imperf. 2de pers. mann. mv. thisjëmë`ûn van het werkw. sjâmâ` (horen, luisteren). Taalgebruik in Tenach : sjâm`â (horen, luisteren). Taalgebruik in Dt : sjâm`â (horen, luisteren). Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 50 of 410. Gr. akouô (horen). Taalgebruik in de Septuaginta : akouô (horen). Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen). Beide zijn verwant met elkaar. oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis. auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter. Lat. audire. Ned. horen. E. to hear. D. höhren. Een vorm van akouô (horen) in het N.T. (427) , in de LXX (1069).Horen veronderstelt een lijdend voorwerp. Horen kan verwijzen naar iets dat voorafging of het kan gevolgd worden door een object of een objectzin. Tenach (8). Dt (4) : (1) Dt 1,17. (2) Dt 7,12. (3) Dt 8,20. (4) Dt 18,15.

Dt 18,16 - Dt 18,16 : Waarzeggers en profeten - Dt 18,9-22 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,9 - Dt 18,10 - Dt 18,11 - Dt 18,12 - Dt 18,13 - Dt 18,14 - Dt 18,15 - Dt 18,16 - Dt 18,17 - Dt 18,18 - Dt 18,19 - Dt 18,20 - Dt 18,21 - Dt 18,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
16kata panta osa ètèsô para kuriou tou theou sou en chôrèb tè èmera tès ekklèsias legontes ou prosthèsomen akousai tèn fônèn kuriou tou theou èmôn kai to pur to mega touto ouk opsometha eti oude mè apothanômen  16 ut petisti a Domino Deo tuo in Horeb quando contio congregata est atque dixisti ultra non audiam vocem Domini Dei mei et ignem hunc maximum amplius non videbo ne moriar    16 Naar alles, wat gij van den HEERE, uw God, aan Horeb, ten dage der verzameling, geëist hebt, zeggende: Ik zal niet voortvaren te horen de stem des HEEREN, mijns Gods, en ditzelve grote vuur zal ik niet meer zien, dat ik niet sterve.   [16] U hebt dat immers bij de Horeb, op de dag van samenkomst, aan de heer uw God gevraagd. Toen hebt u gezegd: “Laat mij de stem van de heer mijn God niet meer horen, en dat grote vuur niet meer zien, anders sterf ik.”  [16] U hebt de HEER daar immers zelf om gevraagd, toen u bij de Horeb bijeen was? U zei: ‘Wij kunnen het stemgeluid van de HEER, onze God, en de aanblik van dit enorme vuur niet langer verdragen; dat overleven we niet.’   16 geheel naar wat je gevraagd hebt van de ENE, je God, bij Horeb, op de dag van de vergadering, toen je zei: ik kan niet langer horen de stem van de ENE, mijn God, en dit grote vuur moet ik niet nóg eens zien, wil ik niet sterven!   16. C'est cela même que tu as demandé à Yahvé ton Dieu, à l'Horeb, au jour de l'Assemblée : « Pour ne pas mourir, je n'écouterai plus la voix de Yahvé mon Dieu et je ne regarderai plus ce grand feu », 

King James Bible. [16] According to all that thou desiredst of the LORD thy God in Horeb in the day of the assembly, saying, Let me not hear again the voice of the LORD my God, neither let me see this great fire any more, that I die not.
Luther-Bibel. 16 Ganz so wie du es von dem HERRN, deinem Gott, erbeten hast am Horeb am Tage der Versammlung und sprachst: Ich will hinfort nicht mehr hören die Stimme des HERRN, meines Gottes, und dies große Feuer nicht mehr sehen, damit ich nicht sterbe.
- 4de (vierde) zondag door het b-jaar. Gij hebt dat immers bij de Horeb op de dag van de samenkomst aan de Heer uw God gevraagd. Toen hebt gij gezegd: Laat mij de stem van de Heer mijn God niet meer horen en dat grote vuur niet meer zien, anders sterf ik.

Tekstuitleg van Dt 18,16.

Dt 18,17 - Dt 18,17 : Waarzeggers en profeten - Dt 18,9-22 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,9 - Dt 18,10 - Dt 18,11 - Dt 18,12 - Dt 18,13 - Dt 18,14 - Dt 18,15 - Dt 18,16 - Dt 18,17 - Dt 18,18 - Dt 18,19 - Dt 18,20 - Dt 18,21 - Dt 18,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
17kai eipen kurios pros me orthôs panta osa elalèsan  17 et ait Dominus mihi bene omnia sunt locuti     17 Toen zeide de HEERE tot mij: Het is goed, wat zij gesproken hebben.   [17] De heer heeft mij toen gezegd: “Zij hebben gelijk.   [17] De HEER heeft toen tegen mij gezegd: ‘Zij hebben goed gesproken.  17 Toen zei de ENE tot mij: ze doen góed met wat ze gesproken hebben:   17. et Yahvé me dit : « Ils ont bien parlé.  

King James Bible. [17] And the LORD said unto me, They have well spoken that which they have spoken.
Luther-Bibel. 17 Und der HERR sprach zu mir: Sie haben recht geredet.
- 4de (vierde) zondag door het b-jaar. De Heer heeft mij toen gezegd: Zij hebben gelijk.

Tekstuitleg van Dt 18,17.

Dt 18,18 - Dt 18,18 : Waarzeggers en profeten - Dt 18,9-22 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,9 - Dt 18,10 - Dt 18,11 - Dt 18,12 - Dt 18,13 - Dt 18,14 - Dt 18,15 - Dt 18,16 - Dt 18,17 - Dt 18,18 - Dt 18,19 - Dt 18,20 - Dt 18,21 - Dt 18,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
18profètèn anastèsô autois ek tôn adelfôn autôn ôsper se kai dôsô to rèma mou en tô stomati autou kai lalèsei autois kathoti an enteilômai autô  18 prophetam suscitabo eis de medio fratrum suorum similem tui et ponam verba mea in ore eius loqueturque ad eos omnia quae praecepero illi     18 Een Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden hunner broederen, als u; en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hem gebieden zal.   [18] Ik zal uit hun eigen broeders een profeet laten opstaan zoals u. Ik zal hem mijn woorden in de mond leggen en hij zal hun alles zeggen wat Ik hem opdraag.  [18] Ik zal in hun midden profeten laten opstaan zoals jij. Ik zal hun mijn woorden ingeven, en zij zullen het volk alles overbrengen wat ik hun opdraag.   18 een profeet zal ik voor hen doen opstaan uit de kring van hun broeders, zoals jij; geven zal ik mijn uitspraken in zíjn mond, spreken zal hij dan tot hen al wat ik hem zal gebieden. 18. Je leur susciterai, du milieu de leurs frères, un prophète semblable à toi, je mettrai mes paroles dans sa bouche et il leur dira tout ce que je lui ordonnerai.  

King James Bible. [18] I will raise them up a Prophet from among their brethren, like unto thee, and will put my words in his mouth; and he shall speak unto them all that I shall command him.
Luther-Bibel. 18 Ich will ihnen einen Propheten, wie du bist, erwecken aus ihren Brüdern und meine Worte in seinen Mund geben; der soll zu ihnen reden alles, was ich ihm gebieten werde.
- 4de (vierde) zondag door het b-jaar. Ik zal uit hun broeders een profeet doen opstaan zoals gij dat zijt. Ik zal hem mijn woorden in de mond leggen en hij zal hun alles zeggen wat Ik hem opdraag.

Tekstuitleg van Dt 18,18. Het vers Dt 18,18 telt 15 (3 X 5) woorden en 58 (2 X 29) letters. De getalwaarde van Dt 18,18 is 3364 (2² X 29²).

Dé profeet is Mozes. Geen enkele profeet kan met hem vergeleken worden. Deze uniciteit wordt hem toegeschreven omdat hij God van aangezicht tot aangezicht heeft gezien (Dt 34,10). In Nu 11, 25 ontvangen de zeventig oudsten een deel van de geest van Mozes , maar zij profeteerden slechts kortstondig en tijdelijk. In Nu 12 worden Mirjam en Aäron gestraft omdat ze de uniciteit van Mozes in twijfel hebben getrokken. Zo is Jezus uniek omdat hij is 'in de schoot van de Vader'. Hiertegenover staat Dt 18,9-22 : "de Heer God zal voor u uit uw broeders een profeet doen opstaan gelijk aan mij , luister naar hem." In Hnd 3,22 en Hnd 7,37 wordt Dt 18,18 geciteerd.

Dt 18,18.1. nâbhî´ (profeet). Taalgebruik in Tenakh : nâbhî´(profeet). Getalwaarde : nun = 14 of 50 , beth = 2 , jod = 10 , aleph = 1 ; totaal : 27 (3³) OF 63 (3² X 7). Structuur : 5 - 2 - 1 - 1. Tenakh (28). Pentateuch (5). Eerdere Profeten (8). Latere Profeten (5). 12 Kleine Profeten (4). Geschriften (6). Dt (4) : (1) Dt 13,2. (2) Dt 18,15. (3) Dt 18,18. (4) Dt 34,10.
- Grieks. acc. mann. enk. profètèn van het zelfst. naamw. profètès < pro - fè - tès (fèmi : spreken). Taalgebruik in het NT : profètès (profeet). Dt (2) : (1) Dt 18,15. (2) Dt 18,18.

  profètès (profeet) bijbel  OT  NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.  P. A. b.
4 acc. enk. profètèn 47 35 12 5   3   4     8 8    

- Latijn. acc. mann. enk. profetam van propheta. Bijbel (69). Dt (2) : (1) Dt 18,15. (2) Dt 18,18.

Dt 18,18.2. ´âqîm (ik zal doen opstaan). Actief hifil imperfectum eerste persoon enkelvoud van het werkw. qûm (opstaan). (1) act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. (2) act. qal inf. constr. (3) passief qal part. Taalgebruik in Tenakh : qûm (opstaan). Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 146 (2 X 73). Structuur : 100 - 6 - 40 OF 1 - 6 - 4. Tenakh (5) : (1) Gn 17,21. (2) Dt 18,18. (3) 1 S 3,12. (4) Jr 30,9. (5) Am 9,11 (tweemaal).
- Grieks. act. ind. fut. 1ste pers. enk. anastèsô (ik zal doen opstaan) van het werkw. anistèmi (opstaan). Taalgebruik in het NT : anistèmi (opstaan). Bijbel (19) : (1) Dt 18,18 (´âqîm). (2) 1 S 2,35 (wahäqîmothî). (3) 2 S 7,12 (wahäqîmothî). (4) 1 K 9,5 (wahäqimothî). (5) Jr 23,4 (wahäqimothî). (6) Jr 23,5 (wahäqimothî). (7) Jr 30,9 (´âqîm). (8) Ez 16,60 (wahäqimôthî). (9) Ez 16,62 (wahäqîmôthî). (10) Ez 34,23. (11) Ez 34,29. (12) Am 9,11. (13) 1 Kr 17,11. (14) 2 Kr 7,18. (15) 2 Mak 14,32. (16) Joh 6,39. (17) Joh 6,40. (18) Joh 6,44. (19) Joh 6,54.

anistèmi (opstaan) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk  Lc Hnd  
act. ind. fut. 1ste p. enk. anastèsô 19 15 4       4          

- Latijn. act. ind. fut. 1ste pers. enk. scuscibo van het werkw.suscitare (opwekken). Bijbel (enkel OT) (28) : (1) Dt 18,18. (2) 1 S 2,35. (3) 1 S 3,12. (4) 1 S 28,11. (5) 2 S 7,12. (6) 2 S 12,11. (7) Js 13,17. (8) Js 44,26. (9) Jr 23,4. (10) Jr 23,5. (11) Jr 29,10. (12) Jr 30,9. (13) Jr 33,14. (14) Jr 51,1. (15) Ez 16,60. (16) Ez 16,62. (17) Ez 23,22. (18) Ez 34,23. (19) Ez 34,29. (20) Jl 4,7. (21) Am 6,14. (22) Am 9,11. (23) Hab 1,6. (24) Zach 9,13. (25) Zach 11,16. (26) Job 41,2. (27) 1 Kr 17,11. (28) 2 Kr 7,18.

Dt 18,18.2. - 3. ´âqîm lâhèm (ik zal doen opstaan voor jullie). Tenakh (2) : (1) Dt 18,18. (2) Jr 30,9.

Dt 18,18.4. miqqèrèbh (uit het midden van) < min + qèrèbh. Zie qârabh (naderen, nabij zijn). Taalgebruik in Tenach : qârabh (naderen, nabij zijn). Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , beth = 2 ; totaal : 41 OF 302. Structuur : 1 - 2 - 2. Tenakh (23). Pentateuch (19). Eerdere Profeten (0). Latere Profeten (2). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (2). Dt (8) : (1) Dt 2,14. (2) Dt 2,15. (3) Dt 2,16. (4) Dt 4,34. (5) Dt 15,11. (6) Dt 17,15. (7) Dt 18,18. (8) Dt 32,17.

Dt 18,18.7. wënâthaththî (en ik zal geven). Verbindend voegwoord waw + werkwoordvorm act. qal perfectum eerste persoon enkelvoud van het werkw. nâthan (geven). Taalgebruik in Tenakh : nâthan (geven). Getalwaarde : nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 50 of 500. Structuur : 5 - 4 - 5. Tenach (102). Pentateuch (21). Eerdere Profeten (15). Latere Profeten (61). 12 Kleine Profeten (3). Geschriften (2). Dt (3) : (1) Dt 11,14. (2) Dt 11,15. (3) Dt 18,18.
- Gr. didômi (geven). Taalgebruik in de Septuaginta : didômi (geven). Taalgebruik in het N.T. : didômi (geven).
- Lat. dare / donare - donum : geven - gave , gift. Fr. donner - don : geven - gave. D. geben. E. to give. Tenach (102). Pentateuch (21). Dt (3) : (1) Dt 11,14. (2) Dt 11,15. (3) Dt 18,18.

Dt 18,19 - Dt 18,19 : Waarzeggers en profeten - Dt 18,9-22 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,9 - Dt 18,10 - Dt 18,11 - Dt 18,12 - Dt 18,13 - Dt 18,14 - Dt 18,15 - Dt 18,16 - Dt 18,17 - Dt 18,18 - Dt 18,19 - Dt 18,20 - Dt 18,21 - Dt 18,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
19kai o anthrôpos os ean mè akousè osa ean lalèsè o profètès epi tô onomati mou egô ekdikèsô ex autou  19 qui autem verba eius quae loquetur in nomine meo audire noluerit ego ultor existam     19 En het zal geschieden, de man, die niet zal horen naar Mijn woorden, die Hij in Mijn Naam zal spreken, van dien zal Ik het zoeken.   [19] En van degene die geen gehoor geeft aan de woorden die hij in mijn naam spreekt, zal Ik rekenschap vragen.  [19] Wie niet wil luisteren naar de woorden die zij in mijn naam spreken, zal ik ter verantwoording roepen.   19 En het zal geschieden: de man die niet hoort naar mijn uitspraken welke hij zal spreken in mijn naam,– zelf zal ik het van hem terugvragen!   19. Si un homme n'écoute pas mes paroles, que ce prophète aura prononcées en mon nom, alors c'est moi-même qui en demanderai compte à cet homme. 

King James Bible. [19] And it shall come to pass, that whosoever will not hearken unto my words which he shall speak in my name, I will require it of him.
Luther-Bibel. 19 Doch wer meine Worte nicht hören wird, die er in meinem Namen redet, von dem will ich's fordern.
- 4de (vierde) zondag door het b-jaar. En van hem die geen gehoor geeft aan de woorden die hij in mijn naam spreekt, zal Ik zelf rekenschap vragen.

Tekstuitleg van Dt 18,19.

Dt 18,20 - Dt 18,20 : Waarzeggers en profeten - Dt 18,9-22 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,9 - Dt 18,10 - Dt 18,11 - Dt 18,12 - Dt 18,13 - Dt 18,14 - Dt 18,15 - Dt 18,16 - Dt 18,17 - Dt 18,18 - Dt 18,19 - Dt 18,20 - Dt 18,21 - Dt 18,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
20plèn o profètès os an asebèsè lalèsai epi tô onomati mou rèma o ou prosetaxa lalèsai kai os an lalèsè ep? onomati theôn eterôn apothaneitai o profètès ekeinos  20 propheta autem qui arrogantia depravatus voluerit loqui in nomine meo quae ego non praecepi illi ut diceret aut ex nomine alienorum deorum interficietur     20 Maar de profeet, die hoogmoediglijk zal handelen, sprekende een woord in Mijn Naam, hetwelk Ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in den naam van andere goden, dezelve profeet zal sterven.  [20] Is er een profeet die zegt in mijn naam te spreken zonder dat Ik hem opdracht heb gegeven, of die spreekt in de naam van andere goden, dan moet hij sterven, die profeet.”  [20] Maar als een profeet de euvele moed heeft om in mijn naam iets te zeggen dat ik hem niet heb opgedragen, of om in de naam van andere goden te spreken, dan moet hij ter dood gebracht worden.’   20 Echter, de profeet die zo onbekookt is om een woord te spreken in mijn naam dat ik hem niet geboden heb te spreken, of die zal spreken in de naam van andere goden,– stérven zal hij, die profeet! 20. Mais si un prophète a l'audace de dire en mon nom une parole que je n'ai pas ordonné de dire, et s'il parle au nom d'autres dieux, ce prophète mourra. » 

King James Bible. [20] But the prophet, which shall presume to speak a word in my name, which I have not commanded him to speak, or that shall speak in the name of other gods, even that prophet shall die.
Luther-Bibel. 20 Doch wenn ein Prophet so vermessen ist, dass er redet in meinem Namen, was ich ihm nicht geboten habe, und wenn einer redet in dem Namen anderer Götter, dieser Prophet soll sterben.
- 4de (vierde) zondag door het b-jaar. Is er een profeet die zich vermeet in mijn naam te spreken zonder dat Ik hem opdracht heb gegeven, of die spreekt in de naam van andere goden, dan moet hij sterven, die profeet."

Tekstuitleg van Dt 18,20.

16. ´èlohîm (God). Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God). Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43). Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4. De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl. Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld). Structuur : 1 - 3. Tenakh (635). Pentateuch (207). Eerdere Profeten (118). Latere Profeten (39). 12 Kleine Profeten (17). Geschriften (253). Dt (29) : (1) Dt 4,7. (2) Dt 4,28. (3) Dt 4,32. (4) Dt 4,33. (5) Dt 4,34. (6) Dt 5,7. (7) Dt 5,24. (8) Dt 5,26. (9) Dt 6,14. (10) Dt 7,4. (11) Dt 8,19. (12) Dt 9,10. (13) Dt 11,16. (14) Dt 11,28. (15) Dt 13,3. (16) Dt 13,7. (17) Dt 13,14. (18) Dt 17,3. (19) Dt 18,20. (20) Dt 21,23. (21) Dt 25,18. (22) Dt 28,14. (23) Dt 28,36. (24) Dt 28,64. (25) Dt 29,25. (26) Dt 31,18. (27) Dt 31,20. (28) Dt 32,17. (29) Dt 32,39.

17. mann. mv. ´ächarîm / ´ächerîm van het bijvoegl. naamw. Tenakh (76). Pentateuch (23). Eerdere Profeten (22). Latere Profeten (20). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (10). Dt (18) : (1) Dt 5,7. (2) Dt 6,14. (3) Dt 7,4. (4) Dt 8,19. (5) Dt 11,16. (6) Dt 11,28. (7) Dt 13,3. (8) Dt 13,7. (9) Dt 13,14. (10) Dt 17,3. (11) Dt 18,20. (12) Dt 28,14. (13) Dt 28,36. (14) Dt 28,64. (15) Dt 29,25. (16) Dt 30,17. (17) Dt 31,18. (18) Dt 31,20.

Dt 18,21 - Dt 18,21 : Waarzeggers en profeten - Dt 18,9-22 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,9 - Dt 18,10 - Dt 18,11 - Dt 18,12 - Dt 18,13 - Dt 18,14 - Dt 18,15 - Dt 18,16 - Dt 18,17 - Dt 18,18 - Dt 18,19 - Dt 18,20 - Dt 18,21 - Dt 18,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
21ean de eipès en tè kardia sou pôs gnôsometha to rèma o ouk elalèsen kurios  21 quod si tacita cogitatione responderis quomodo possum intellegere verbum quod non est locutus Dominus    21 Zo gij dan in uw hart zoudt mogen zeggen: Hoe zullen wij het woord kennen, dat de HEERE niet gesproken heeft?  [21] Misschien denkt u bij uzelf: “Hoe* kunnen wij weten dat een woord niet van de heer afkomstig is?”  [21] Misschien vraagt u zich af: Is er een manier om te bepalen of een profetie al dan niet van de HEER komt?  21 Stel, je zegt in je hart: hoe kunnen we het spreken onderkennen dat niet door de ENE is gesproken?– 21. Peut-être vas-tu dire en ton cœur : « Comment saurons-nous que cette parole, Yahvé ne l'a pas dite ? »  

King James Bible. [21] And if thou say in thine heart, How shall we know the word which the LORD hath not spoken?
Luther-Bibel. 21 Wenn du aber in deinem Herzen sagen würdest: Wie kann ich merken, welches Wort der HERR nicht geredet hat? -

Tekstuitleg van Dt 18,21.

Dt 18,22 - Dt 18,22 : Waarzeggers en profeten - Dt 18,9-22 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 18 -- Dt 18,9 - Dt 18,10 - Dt 18,11 - Dt 18,12 - Dt 18,13 - Dt 18,14 - Dt 18,15 - Dt 18,16 - Dt 18,17 - Dt 18,18 - Dt 18,19 - Dt 18,20 - Dt 18,21 - Dt 18,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22osa ean lalèsè o profètès epi tô onomati kuriou kai mè genètai to rèma kai mè sumbè touto to rèma o ouk elalèsen kurios en asebeia elalèsen o profètès ekeinos ouk afexesthe autou 22 hoc habebis signum quod in nomine Domini propheta ille praedixerit et non evenerit hoc Dominus non locutus est sed per tumorem animi sui propheta confinxit et idcirco non timebis eum     22 Wanneer die profeet in den Naam des HEEREN zal hebben gesproken, en dat woord geschiedt niet, en komt niet; dat is het woord, dat de HEERE niet gesproken heeft; door trotsheid heeft die profeet dat gesproken; gij zult voor hem niet vrezen.   [22] Wel, als een profeet beweert in de naam van de heer te spreken, maar wat hij gezegd heeft gebeurt niet en komt niet uit, dan is dat woord geen woord van de heer, maar van die onbeschaamde profeet. Voor zo iemand moet u geen ontzag hebben.  [22] Die is er inderdaad: als een profeet zegt te spreken in de naam van de HEER, maar zijn woorden komen niet uit en er gebeurt niets, dan is dat geen profetie van de HEER geweest. Heb geen ontzag voor een profeet die zich dat aanmatigt.  22 wanneer de profeet wel spreekt in de naam van de ENE maar het gesprokene geschiedt niet en komt niet uit, dan is dát de sprake die níet door de ENE is gesproken; in onbekooktheid heeft de profeet gesproken,– wees er niet beducht voor. 22. Si ce prophète a parlé au nom de Yahvé, et que sa parole reste sans effet et ne s'accomplit pas, alors Yahvé n'a pas dit cette parole-là. Le prophète a parlé avec présomption. Tu n'as pas à le craindre. 

King James Bible. [22] When a prophet speaketh in the name of the LORD, if the thing follow not, nor come to pass, that is the thing which the LORD hath not spoken, but the prophet hath spoken it presumptuously: thou shalt not be afraid of him.
Luther-Bibel. 22 wenn der Prophet redet in dem Namen des HERRN und es wird nichts daraus und es tritt nicht ein, dann ist das ein Wort, das der HERR nicht geredet hat. Der Prophet hat's aus Vermessenheit geredet; darum scheue dich nicht vor ihm.

Tekstuitleg van Dt 18,22.


HEBREEUWSE TEKST - MT

א לֹא-יִהְיֶה לַכֹּהֲנִים הַלְוִיִּם כָּל-שֵׁבֶט לֵוִי, חֵלֶק וְנַחֲלָה--עִם-יִשְׂרָאֵל; אִשֵּׁי יְהוָה וְנַחֲלָתוֹ, יֹאכֵלוּן. ב וְנַחֲלָה לֹא-יִהְיֶה-לּוֹ, בְּקֶרֶב אֶחָיו: יְהוָה הוּא נַחֲלָתוֹ, כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר-לוֹ. {ס} ג וְזֶה יִהְיֶה מִשְׁפַּט הַכֹּהֲנִים מֵאֵת הָעָם, מֵאֵת זֹבְחֵי הַזֶּבַח--אִם-שׁוֹר אִם-שֶׂה: וְנָתַן, לַכֹּהֵן, הַזְּרֹעַ וְהַלְּחָיַיִם, וְהַקֵּבָה. ד רֵאשִׁית דְּגָנְךָ תִּירֹשְׁךָ וְיִצְהָרֶךָ, וְרֵאשִׁית גֵּז צֹאנְךָ--תִּתֶּן-לוֹ. ה כִּי בוֹ, בָּחַר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ--מִכָּל-שְׁבָטֶיךָ: לַעֲמֹד לְשָׁרֵת בְּשֵׁם-יְהוָה הוּא וּבָנָיו, כָּל-הַיָּמִים. {ס} ו וְכִי-יָבֹא הַלֵּוִי מֵאַחַד שְׁעָרֶיךָ, מִכָּל-יִשְׂרָאֵל, אֲשֶׁר-הוּא, גָּר שָׁם; וּבָא בְּכָל-אַוַּת נַפְשׁוֹ, אֶל-הַמָּקוֹם אֲשֶׁר-יִבְחַר יְהוָה. ז וְשֵׁרֵת, בְּשֵׁם יְהוָה אֱלֹהָיו--כְּכָל-אֶחָיו, הַלְוִיִּם, הָעֹמְדִים שָׁם, לִפְנֵי יְהוָה. ח חֵלֶק כְּחֵלֶק, יֹאכֵלוּ, לְבַד מִמְכָּרָיו, עַל-הָאָבוֹת. {ס} ט כִּי אַתָּה בָּא אֶל-הָאָרֶץ, אֲשֶׁר-יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָךְ--לֹא-תִלְמַד לַעֲשׂוֹת, כְּתוֹעֲבֹת הַגּוֹיִם הָהֵם. י לֹא-יִמָּצֵא בְךָ, מַעֲבִיר בְּנוֹ-וּבִתּוֹ בָּאֵשׁ, קֹסֵם קְסָמִים, מְעוֹנֵן וּמְנַחֵשׁ וּמְכַשֵּׁף. יא וְחֹבֵר, חָבֶר; וְשֹׁאֵל אוֹב וְיִדְּעֹנִי, וְדֹרֵשׁ אֶל-הַמֵּתִים. יב כִּי-תוֹעֲבַת יְהוָה, כָּל-עֹשֵׂה אֵלֶּה; וּבִגְלַל, הַתּוֹעֵבֹת הָאֵלֶּה, יְהוָה אֱלֹהֶיךָ, מוֹרִישׁ אוֹתָם מִפָּנֶיךָ. יג תָּמִים תִּהְיֶה, עִם יְהוָה אֱלֹהֶיךָ. יד כִּי הַגּוֹיִם הָאֵלֶּה, אֲשֶׁר אַתָּה יוֹרֵשׁ אוֹתָם--אֶל-מְעֹנְנִים וְאֶל-קֹסְמִים, יִשְׁמָעוּ; וְאַתָּה--לֹא כֵן, נָתַן לְךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ. טו נָבִיא מִקִּרְבְּךָ מֵאַחֶיךָ כָּמֹנִי, יָקִים לְךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ: אֵלָיו, תִּשְׁמָעוּן. טז כְּכֹל אֲשֶׁר-שָׁאַלְתָּ מֵעִם יְהוָה אֱלֹהֶיךָ, בְּחֹרֵב, בְּיוֹם הַקָּהָל, לֵאמֹר: לֹא אֹסֵף, לִשְׁמֹעַ אֶת-קוֹל יְהוָה אֱלֹהָי, וְאֶת-הָאֵשׁ הַגְּדֹלָה הַזֹּאת לֹא-אֶרְאֶה עוֹד, וְלֹא אָמוּת. יז וַיֹּאמֶר יְהוָה, אֵלָי: הֵיטִיבוּ, אֲשֶׁר דִּבֵּרוּ. יח נָבִיא אָקִים לָהֶם מִקֶּרֶב אֲחֵיהֶם, כָּמוֹךָ; וְנָתַתִּי דְבָרַי, בְּפִיו, וְדִבֶּר אֲלֵיהֶם, אֵת כָּל-אֲשֶׁר אֲצַוֶּנּוּ. יט וְהָיָה, הָאִישׁ אֲשֶׁר לֹא-יִשְׁמַע אֶל-דְּבָרַי, אֲשֶׁר יְדַבֵּר, בִּשְׁמִי--אָנֹכִי, אֶדְרֹשׁ מֵעִמּוֹ. כ אַךְ הַנָּבִיא אֲשֶׁר יָזִיד לְדַבֵּר דָּבָר בִּשְׁמִי, אֵת אֲשֶׁר לֹא-צִוִּיתִיו לְדַבֵּר, וַאֲשֶׁר יְדַבֵּר, בְּשֵׁם אֱלֹהִים אֲחֵרִים--וּמֵת, הַנָּבִיא הַהוּא. כא וְכִי תֹאמַר, בִּלְבָבֶךָ: אֵיכָה נֵדַע אֶת-הַדָּבָר, אֲשֶׁר לֹא-דִבְּרוֹ יְהוָה. כב אֲשֶׁר יְדַבֵּר הַנָּבִיא בְּשֵׁם יְהוָה, וְלֹא-יִהְיֶה הַדָּבָר וְלֹא יָבֹא--הוּא הַדָּבָר, אֲשֶׁר לֹא-דִבְּרוֹ יְהוָה: בְּזָדוֹן דִּבְּרוֹ הַנָּבִיא, לֹא תָגוּר מִמֶּנּוּ. {ס}


VULGAAT

1 non habebunt sacerdotes et Levitae et omnes qui de eadem tribu sunt partem et hereditatem cum reliquo Israhel quia sacrificia Domini et oblationes eius comedent 2 et nihil aliud accipient de possessione fratrum suorum Dominus enim ipse est hereditas eorum sicut locutus est illis 3 hoc erit iudicium sacerdotum a populo et ab his qui offerunt victimas sive bovem sive ovem immolaverint dabunt sacerdoti armum ac ventriculum 4 primitias frumenti vini et olei et lanarum partem ex ovium tonsione 5 ipsum enim elegit Dominus Deus tuus de cunctis tribubus tuis ut stet et ministret nomini Domini ipse et filii eius in sempiternum 6 si exierit Levites de una urbium tuarum ex omni Israhel in qua habitat et voluerit venire desiderans locum quem elegerit Dominus 7 ministrabit in nomine Dei sui sicut omnes fratres eius Levitae qui stabunt eo tempore coram Domino 8 partem ciborum eandem accipiet quam et ceteri excepto eo quod in urbe sua ex paterna ei successione debetur 9 quando ingressus fueris terram quam Dominus Deus tuus dabit tibi cave ne imitari velis abominationes illarum gentium 10 nec inveniatur in te qui lustret filium suum aut filiam ducens per ignem aut qui ariolos sciscitetur et observet somnia atque auguria ne sit maleficus 11 ne incantator ne pythones consulat ne divinos et quaerat a mortuis veritatem 12 omnia enim haec abominatur Dominus et propter istiusmodi scelera delebit eos in introitu tuo 13 perfectus eris et absque macula cum Domino Deo tuo 14 gentes istae quarum possidebis terram augures et divinos audiunt tu autem a Domino Deo tuo aliter institutus es 15 prophetam de gente tua et de fratribus tuis sicut me suscitabit tibi Dominus Deus tuus ipsum audies 16 ut petisti a Domino Deo tuo in Horeb quando contio congregata est atque dixisti ultra non audiam vocem Domini Dei mei et ignem hunc maximum amplius non videbo ne moriar 17 et ait Dominus mihi bene omnia sunt locuti 18 prophetam suscitabo eis de medio fratrum suorum similem tui et ponam verba mea in ore eius loqueturque ad eos omnia quae praecepero illi 19 qui autem verba eius quae loquetur in nomine meo audire noluerit ego ultor existam 20 propheta autem qui arrogantia depravatus voluerit loqui in nomine meo quae ego non praecepi illi ut diceret aut ex nomine alienorum deorum interficietur 21 quod si tacita cogitatione responderis quomodo possum intellegere verbum quod non est locutus Dominus 22 hoc habebis signum quod in nomine Domini propheta ille praedixerit et non evenerit hoc Dominus non locutus est sed per tumorem animi sui propheta confinxit et idcirco non timebis eum


- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -