DEUTERONOMIUM 31 - Dt 31 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 31 -- Dt 31,9-15 -
BIJBEL: Taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.html.
Overzicht van Deuteronomium : - Dt 1 - Dt 2 - Dt 3 - Dt 4 - Dt 5 - Dt 6 - Dt 7 - Dt 8 - Dt 9 - Dt 10 - Dt 11 - Dt 12 - Dt 13 - Dt 14 - Dt 15 - Dt 16 - Dt 17 - Dt 18 - Dt 19 - Dt 20 - Dt 21 - Dt 22 - Dt 23 - Dt 24 - Dt 25 - Dt 26 - Dt 27 - Dt 28 - Dt 29 - Dt 30 - Dt 31 - Dt 32 - Dt 33 - Dt 34 -
Uitleg vers per vers : - Dt 31,1 - Dt 31,2 - Dt 31,3 - Dt 31,4 - Dt 31,5 - Dt 31,6 - Dt 31,7 - Dt 31,8 - Dt 31,9 - Dt 31,10 - Dt 31,11 - Dt 31,12 - Dt 31,13 - Dt 31,14 - Dt 31,15 - Dt 31,16 - Dt 31,17 - Dt 31,18 - Dt 31,19 - Dt 31,20 - Dt 31,21 - Dt 31,22 - Dt 31,23 - Dt 31,24 - Dt 31,25 - Dt 31,26 - Dt 31,27 - Dt 31,28 - Dt 31,29 - Dt 31,30 -

Overzicht van Dt : Dt : overzicht , Dt : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Dt : commentaar .

Overzicht van Tenach : Tenach : overzicht , Tenach : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenach : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,

ALGEMEEN OVERZICHT

-
bijbeloverzicht , bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven van Paulus , Apostolische brieven .

Overzicht van het N.T. : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar


King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Dt 31,1

Dt 31,2 - Dt 31,2 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [2] zei Mozes tegen hen: ‘Ik ben nu honderdtwintig jaar en nauwelijks meer tot iets in staat. Bovendien heeft de heer mij gezegd: “U komt de Jordaan niet over.”       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

4. - 5. מֵאָה וְעֶשְׂרִים = me´âh wë`èshërîm (honderd en twintig = en honderdtwintig = en 120) . Tenakh (14) : (1) Gn 6,3 . (2) Dt 31,2 . (3) Dt 34,7 . (4) Re 8,10 . (5) 1 K 8,63 . (6) 1 K 9,14 . (7) 1 K 10,10 . (8) 1 Kr 12,38 . (9) 1 Kr 15,5 . (10) 2 Kr 3,4 . (11) 2 Kr 7,5 . (12) 2 Kr 9,9 . (13) 2 Kr 28,6 . (14) Neh 7,31 .

Dt 31,3 - Dt 31,3 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [3] Maar de heer uw God zal bij de overtocht voor u uit gaan; Hij zal die volken voor u vernietigen, zodat u hun land in bezit kunt nemen. Jozua zal bij de overtocht voor u uit gaan, zoals de heer gezegd heeft.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Dt 31,4 - Dt 31,4 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [4] De heer zal hen vernietigen, zoals Hij Sichon en Og, de koningen van de Amorieten, en hun land heeft vernietigd.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Dt 31,5 - Dt 31,5 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [5] En als de heer hen aan u overlevert, moet u met hen precies zo handelen als ik u heb voorgeschreven.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Dt 31,6 - Dt 31,6 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [6] Wees sterk en moedig, wees niet bang en heb geen schrik voor hen, want de heer uw God trekt zelf met u mee: Hij laat u nooit alleen, Hij laat u niet in de steek.’       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Dt 31,7 - Dt 31,7 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
       
[7] Toen riep Mozes Jozua en in tegenwoordigheid van heel Israël zei hij tegen hem: ‘Wees sterk en vol moed! U zult dit volk in het land brengen dat de heer aan hun vaderen onder ede beloofd heeft: u zult hun dat land in bezit geven.  
     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

20. - 21. נִשְׁבַּע יהוה = nisjëba` JHWH ( JHWH zwoer) . Tenakh (21/45 en 21/5193) . Dt (11/22 en 11/413) : (1) Dt 1,8 . (2) Dt 2,14 . (3) Dt 6,18 . (4) Dt 8,1 . (5) Dt 9,5 . (6) Dt 11,9 . (7) Dt 11,21 . (8) Dt 26,3 . (9) Dt 28,11 . (10) Dt 30,20 . (11) Dt 31,7 .

19. - 22. אֲשֶׁר נִשְׁבַּע יהוה לאֲבוֹתֵיכֶם = ´äsjèr nisjëba` JHWH la´äbhothe(j)khèm (dat JHWH zwoer aan jullie vaders) . Tenakh (4) : (1) Dt 1,8 . (2) Dt 8,1 . (3) Dt 11,9 . (4) Dt 11,21 .
- ´äsjèr nisjëba` JHWH la´äbhothè(j)khâ (dat JHWH zwoer aan je vaders) .Tenakh (4) : (1) Dt 6,18 . (2) Dt 9,5 . (3) Dt 28,11 . (4) Dt 30,20 .
- אֲשֶׁר נִשְׁבַּע יהוה לַאֲבוֹתָם = ´äsjèr nisjëba` JHWH la´äbhothâm (die JHWH heeft gezworen aan hun vaders) : Dt 31,7 .
- אֲשֶׁר נִשְׁבַּע יהוה לַאֲבֹתֵינוּ = ´äsjèr nisjëba` JHWH la´äbhothè(j)nû (dat JHWH zwoer aan onze vaders) : Dt 26,3 .
- ka´äsjèr nisjëba` JHWH lâhèm (zoals JHWH heeft gezworen aan hen) : Dt 2,14 .

- אֲשֶׁר נִשְׁבַּע לאֲבוֹתֵיכֶם = ´äsjèr nisjëba` la´äbhothe(j)khèm (dat Hij zwoer aan jullie vaders) . Tenakh (1) Dt 7,8 .

Dt 31,8 - Dt 31,8 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [8] De heer gaat voor u uit, Hij zal met u zijn: Hij laat u niet aan uw lot over en laat u niet in de steek. Wees dus niet bang of bevreesd.’       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van



Het voorlezen van de Wet . Dt 31,9-15 - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 31 -- Dt 31,9-15 -- Dt 31,9 - Dt 31,10 - Dt 31,11 - Dt 31,12 - Dt 31,13 - Dt 31,14 - Dt 31,15 -

Dt 31,9 - Dt 31,10 - Dt 31,11 - Dt 31,12 - Dt 31,13 telt 98 (2 X 7 X 7) woorden ; Dt 31,14 - Dt 31,15 telt 32 (2 X 2 X 2 X 2 X 2) woorden ; totaal : 130 (5 X 26) woorden . 32 is een element van de tetraktys 55 (32 - 23) . Dt 31,9 - Dt 31,10 - Dt 31,11 telt 50 woorden .

Dt 31,9 - Dt 31,9 : Het voorlezen van de Wet - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 31 -- Dt 31,9-15 -- Dt 31,9 - Dt 31,10 - Dt 31,11 - Dt 31,12 - Dt 31,13 - Dt 31,14 - Dt 31,15 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [9] Daarna stelde Mozes deze Wet op schrift en overhandigde die aan de Levitische priesters die de ark van het verbond van de heer dragen, en aan alle oudsten van Israël.       

King James Bible .
Luther-Bible .

Tekstuitleg van Dt 31,9 .

1. וַיִּכְתֹּב = wajjikhŰthobh (en hij schreef) < prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. kâthabh (schrijven) . Taalgebruik in Tenakh : kâthabh (schrijven) . Getalwaarde : kaph = 12 of 30 , thaw = 22 of 400 , beth = 2 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 342 (2 X 3² X 19) . Structuur : 3 - 4 - 2 . Tenakh (25) . Pentateuch (6) : (1) Ex 24,4 . (2) Ex 34,28 . (3) Nu 33,2 . (4) Dt 10,4 . (5) Dt 31,9 . (6) Dt 31,22 .

1. - 2. וַיִּכְתֹּב מֹשֶׁה = wajjikhëthobh mosjèh (en Mozes schreef) . In vier verzen in de bijbel : (1) Ex 24,4 . (2) Nu 33,2 . (3) Dt 31,9 . (4) Dt 31,22 .

Dt 31,10 - Dt 31,10 : Het voorlezen van de Wet - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 31 -- Dt 31,9-15 -- Dt 31,9 - Dt 31,10 - Dt 31,11 - Dt 31,12 - Dt 31,13 - Dt 31,14 - Dt 31,15 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [10] En Mozes beval hun: ‘Op het Loofhuttenfeest van ieder zevende jaar, het jaar dat voor de kwijtschelding is aangewezen,        

King James Bible .
Luther-Bible .

Tekstuitleg van

Dt 31,11 - Dt 31,11 : Het voorlezen van de Wet - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 31 -- Dt 31,9-15 -- Dt 31,9 - Dt 31,10 - Dt 31,11 - Dt 31,12 - Dt 31,13 - Dt 31,14 - Dt 31,15 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [11] wanneer Israël voor de heer verschijnt op de plaats die Hij uitkiest, moet u deze Wet in het bijzijn van heel Israël voorlezen.        

King James Bible .
Luther-Bible .

Tekstuitleg van

Dt 31,12 - Dt 31,12 : Het voorlezen van de Wet - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 31 -- Dt 31,9-15 -- Dt 31,9 - Dt 31,10 - Dt 31,11 - Dt 31,12 - Dt 31,13 - Dt 31,14 - Dt 31,15 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [12] Roep dan het volk bijeen, mannen, vrouwen, kinderen en vreemdelingen in uw steden. Zij moeten ernaar luisteren, en de heer uw God leren vrezen, zodat zij al de bepalingen van deze Wet nauwgezet volbrengen.        

King James Bible .
Luther-Bible .

Tekstuitleg van

Dt 31,13 - Dt 31,13 : Het voorlezen van de Wet - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 31 -- Dt 31,9-15 -- Dt 31,9 - Dt 31,10 - Dt 31,11 - Dt 31,12 - Dt 31,13 - Dt 31,14 - Dt 31,15 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [13] Ook hun kinderen, die er nog geen weet van hebben, moeten ernaar luisteren en de heer uw God leren vrezen, zo lang u leeft op de grond die u na de overtocht van de Jordaan in bezit gaat nemen.’       

King James Bible .
Luther-Bible .

Tekstuitleg van

Dt 31,14 - Dt 31,14 : Het voorlezen van de Wet - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 31 -- Dt 31,9-15 -- Dt 31,9 - Dt 31,10 - Dt 31,11 - Dt 31,12 - Dt 31,13 - Dt 31,14 - Dt 31,15 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [14] De heer sprak tot Mozes: ‘Het ogenblik van uw dood is gekomen. Roep Jozua en ga met hem naar de tent van samenkomst; dan zal Ik hem aanstellen.’ Toen Mozes en Jozua in de tent van samenkomst gekomen waren,       

King James Bible .
Luther-Bible .

Tekstuitleg van Dt 31,14 . Er is eerst een inleidingsformule . Dan volgt een citaat . In dat citaat wordt eerst een toekomstig gebeuren gegeven . Op basis daarvan volgt een bevel . Na het citaat volgt dan de uitvoering van het bevel .

1. - 4. וַיּאֹמֶר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajjo´mèr JHWH ´èl mosjèh (en JHWH zei tot Mozes) . Tenakh (66 = 2 X 3 X 11) . Ex (42 = 6 X7) . Ex 4 (3) : (1) Ex 4,4 . (2) Ex 4,19 . (3) Ex 4,21 . Ex 6 (1) : Ex 6,1 . Ex 7 - 12 (20) : (1) Ex 7,1 . (2) Ex 7,8 . (3) Ex 7,14 . (4) Ex 7,19 . (5) Ex 7,26 . (6) Ex 8,1 . (7) Ex 8,12 . (8) Ex 8,16 . (9) Ex 9,1 . (10) Ex 9,8 . (11) Ex 9,12 . (12) Ex 9,13 . (13) Ex 9,22 . (14) Ex 10,1 . (15) Ex 10,12 . (16) Ex 10,21 . (17) Ex 11,1 . (18) Ex 11,9 . (19) Ex 12,1 . (20) Ex 12,43 . Ex 14 (2) : (1) Ex 14,15 . (2) Ex 14,26 . Ex 16 (2) : (1) Ex 16,4 . (2) Ex 16,28 . Ex 17 (2) : (1) Ex 17,5 . (2) Ex 17,14 . Ex 19-24 (5) : (1) Ex 19,9 . (2) Ex 19,10 . (3) Ex 19,21 . (4) Ex 20,22 . (5) Ex 24,12 . Ex 25-31 (2) . Ex 30 (1) : Ex 30,34 . Ex 31 (1) : Ex 31,12 . Ex 32 (2) : : (1) Ex 32,9 .(2) Ex 32,33 . Ex 33 (2) : Ex 33,5 . (2) Ex 33,17 . Ex 34 (1) : Ex 34,1 . Lv (2) : (1) Lv 16,2 . (2) Lv 21,1 . Nu (19) : (1) Nu 3,40 . (2) Nu 7,4 . (3) Nu 7,11 . (4) Nu 11,16 . (5) Nu 11,23 . (6) Nu 12,14 . (7) Nu 14,11 . (8) Nu 15,35 . (9) Nu 15,37 . (10) Nu 17,25 . (11) Nu 20,12 . (12) Nu 20,23 . (13) Nu 21,8 . (14) Nu 21,34 . (15) Nu 25,4 . (16) Nu 26,1 . (17) Nu 27,6 . (18) Nu 27,12 . (19) Nu 27,18 . (20) Nu 31,25 . Dt (2) : (1) Dt 31,14 . (2) Dt 31,16 .
- וַיְדַבֵּר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber JHWH èl mosjèh (en JHWH sprak tot Mozes) . Tenakh (91 = 7 X 13) . Pentateuch (91 = 7 X 13) . Ex (14 = 2 X 7) . (1) Ex 6,10 . (2) Ex 6,13 . (3) Ex 6,29 . (4) Ex 13,1 . (5) Ex 14,1 . (6) Ex 16,11 . (7) Ex 25,1 . (8) Ex 30,11 . (9) Ex 30,17 . (10) Ex 30,22 . (11) Ex 31,1 . (12) Ex 32,7 . (13) Ex 33,1 . (14) Ex 40,1 .
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajjo´mèr ´èlohîm 'èl mosjèh (en God zei tot Mozes) . Tenakh (1) . Ex 3,14 .
- וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber ´èlohîm ´èl mosjèh (en God sprak tot Mozes) . Tenakh (1) : (1) Ex 6,2 .

5. הֵן = hen (zie) . Taalgebruik in Tenakh : hen / hinneh (zie) . Getalswaarde : he = 5 , nun = 14 of 50 ; totaal : 19 OF 55 (5 X 11) . Structuur : 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (106) . Pentateuch (27) . Vroege Prof. (0) . Latere Profeten (28) . 12 kleine Prof. (1) . Geschriften (50) . Dt (4) : (1) Dt 5,24 . (2) Dt 10,14 . (3) Dt 31,14 . (4) Dt 31,27 .
- Grieks : ιδου = idou (zie) . Taalgebruik in het NT : idou (zie) . Taalgebruik in LXX : idou (zie) . Dt (21) .

idou (zie)   bijbel OT Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  1229  1037  179 302 293 58 163 192  59  55 23  19  25  121  125 

- Ned. : zie . D. : Siehe . E. : behold. Fr. : voici < vois ici . Grieks : ιδου = idou (zie) . Taalgebruik in het NT : idou (zie) . Hebreeuws : הֵן / הֶנֵּה = hen / hinneh (zie) . Taalgebruik in Tenakh : hen / hinneh (zie) . Lat. : e

11. יְהוֹשֻׁעַ = jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 5 - 6 - 3 - 7 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (177) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (152) . Joz (142) . Re (6) . 1 S (2) . 1 K (1) . 2 K (1) . Ex (6) : (1) Ex 17,9 . (2) Ex 17,10 . (3) Ex 17,13 . (4) Ex 17,14 . (5) Ex 32,17 . (6) Ex 33,11 . Dt (5) : (1) Dt 1,38 . (2) Dt 3,28 . (3) Dt 31,3 . (4) Dt 31,14 . (5) Dt 31,23 .

18. יְהוֹשֻׁעַ = jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 5 - 6 - 3 - 7 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (177) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (152) . Joz (142) . Re (6) . 1 S (2) . 1 K (1) . 2 K (1) . Ex (6) : (1) Ex 17,9 . (2) Ex 17,10 . (3) Ex 17,13 . (4) Ex 17,14 . (5) Ex 32,17 . (6) Ex 33,11 . Dt (5) : (1) Dt 1,38 . (2) Dt 3,28 . (3) Dt 31,3 . (4) Dt 31,14 . (5) Dt 31,23 .


Dt 31,15 - Dt 31,15 : Het voorlezen van de Wet - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Dt (Deuteronomium) -- Dt 31 -- Dt 31,9-15 -- Dt 31,9 - Dt 31,10 - Dt 31,11 - Dt 31,12 - Dt 31,13 - Dt 31,14 - Dt 31,15 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [15] verscheen de heer in een wolkkolom die bij de ingang van de tent bleef staan.      

King James Bible .
Luther-Bible .

Tekstuitleg van Dt 31,15

1. - 2. wajjerâ´ JHWH (en JHWH verscheen) . Tenach (5) : (1) Gn 12,7 (bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän) . (2) Gn 17,1 (bij de verbondssluiting met Abraham) . (3) Dt 31,15 (bij de aanstelling van Jozua) . (4) 1 K 9,2 (aan Salomo) . (5) 2 Kr 7,12 (aan Salomo) .
- wajjerâ´ ´elâjw JHWH (en JHWH verscheen aan hem) . Tenach (3) : (1) Gn 18,1 (JHWH aan Abraham) . (2) Gn 26,2 (JHWH aan Isaak) . (3) Gn 26,24 (JHWH aan Isaak) .
- wajjerâ´ khëbhôd JHWH (en de heerlijkheid van JHWH verscheen) . Tenach (4) : (1) Lv 9,23 . (2) Nu 16,19 . (3) Nu 17,7 . (4) Nu 20,6 .
- wajjerâ´ malë´akh JHWH (en de engel van JHWH verscheen) . Tenach (2) : (1) Ex 3,2 (aan Mozes in de doornstruik) . (2) Re 13,3 (aan de moeder van Simson) .
- wajjerâ´ ´èlohîm (en God verscheen) . Enkel in Gn 35,9 (aan Jakob) .
- wajjerâ´ (en Hij verscheen aan Abraham... ) . Tenach (1) : Ex 6,3 (aan Mozes) .
Volgens deze gegevens zou JHWH driemaal aan Abram / Abraham verschenen zijn : (1) Gn 12,7 . (2) Gn 17,1 . (3) Gn 18,1 .
Tweemaal wordt uitdrukkelijk vermeld dat JHWH verscheen aan Abram (wajjerâ´ JHWH ´èl ´abhërâm : (1) Gn 12,7 . (2) Gn 17,1) . In Gn 18,1 wordt de naam van Abraham niet vermeld . Het kan betekenen dat het vers in het verlengde ligt van het vorige hoofdstuk waar de belofte van Isaak werd aangekondigd . Dit is een belangrijk verschijnen van JHWH , want in Gn 18 wordt de geboorte van Isaak aangekondigd .

5. עָנָן = `ânân (wolk) . Taalgebruik in Tenach : `ânân (wolk) . Zelfstandig naamwoord mannelijk enkelvoud . MT (26) (dit is de getalwaarde van de naam JHWH) . Getalwaarde van `ânân (wolk) : ajin = 16 of 70 , nun = 14 of 50 ; totaal 44 (2 X 2 X 11) of 170 (10 X 17) ; 17 is de getalwaarde van kabhod (heerlijkheid . Gr. nefelè (nevel, wolk) . Taalgebruik in de Septuaginta : nefelè (nevel, wolk) . Taalgebruik in het N.T. : nefelè (nevel, wolk) . Lat. nubis . Fr. la nuée . E. cloud . D. Wolke . In acht verzen in de Pentateuch : (1) Gn 9,14 . In twee verzen in Ex (Exodus) : (1) Ex 13,21 . (2) Ex 40,38 (`ânân JHWH = de wolk van JHWH) . Verder : (4) Lv 16,13 . (5) Nu 12,5 . (6) Nu 14,14 . (7) Dt 4,11 . (8) Dt 31,15 .

8. hè`ânân (de wolk) . Bepalend lidwoord en zelfstandig naamwoord mannelijk enkelvoud . `ânân (wolk) . Taalgebruik in Tenach : `ânân (wolk) . Zelfstandig naamwoord mannelijk enkelvoud . MT (26) (dit is de getalwaarde van de naam JHWH) . Getalwaarde van `ânân (wolk) : ajin = 16 of 70 , nun = 14 of 50 ; totaal 44 (2 X 2 X 11) of 170 (10 X 17) ; 17 is de getalwaarde van kabhod (heerlijkheid . Gr. nefelè (nevel, wolk) . Taalgebruik in de Septuaginta : nefelè (nevel, wolk) . Taalgebruik in het N.T. : nefelè (nevel, wolk) . Lat. nubis . Fr. la nuée . E. cloud . D. Wolke . In dertig verzen in de bijbel . In zesentwintig (26 is de getalwaarde van de naam JHWH) verzen in de Pentateuch : Gn (-) . Ex (13) . Nu (11) . Dt (2) . Niet in Gn . In dertien verzen in Ex . In Ex 13 komt het woord voor het eerst voor . In de vier (bovengenoemde) verzen van Ex : (1) Ex 13,22 . (2) Ex 14,19 . (3) Ex 33,9 . (4) Ex 33,10 . Verder : (1) Ex 14,20 . (2) Ex 19,9 . (3) Ex 24,15 : wajëkhas hè`ânân (en de wolk bedekte) . (4) Ex 24,16 . (5) Ex 24,18 . (6) Ex 40,34 : wajëkhas hè`ânân (en de wolk bedekte) . (7) Ex 40,35 . (8) Ex 40,36 . (9) Ex 40,37 . In elf verzen in Nu : (1) Nu 9,15 . (2) Nu 9,16 . (3) Nu 9,17 . (4) Nu 9,18 . (5) Nu 9,19 . (6) Nu 9,20 . (7) Nu 9,21 . (8) Nu 9,22 . (9) Nu 10,11 . (10) Nu 10,12 . (11) Nu 17,7 . In twee verzen in Dt : (1) Dt 5,22 . (2) Dt 31,15 .

Dt 31,16 - Dt 31,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        Inleiding op het lied van Mozes
[16] De heer sprak tot Mozes: ‘U gaat nu bij uw vaderen rusten. Maar dit volk zal ontuchtig achter vreemde goden aanlopen van het land waar het komt. Het zal Mij verlaten en het verbond verbreken dat Ik met hen gesloten heb. 
     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

1. - 4. וַיּאֹמֶר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajjo´mèr JHWH ´èl mosjèh (en JHWH zei tot Mozes) . Tenakh (66 = 2 X 3 X 11) . Ex (42 = 6 X7) . Ex 4 (3) : (1) Ex 4,4 . (2) Ex 4,19 . (3) Ex 4,21 . Ex 6 (1) : Ex 6,1 . Ex 7 - 12 (20) : (1) Ex 7,1 . (2) Ex 7,8 . (3) Ex 7,14 . (4) Ex 7,19 . (5) Ex 7,26 . (6) Ex 8,1 . (7) Ex 8,12 . (8) Ex 8,16 . (9) Ex 9,1 . (10) Ex 9,8 . (11) Ex 9,12 . (12) Ex 9,13 . (13) Ex 9,22 . (14) Ex 10,1 . (15) Ex 10,12 . (16) Ex 10,21 . (17) Ex 11,1 . (18) Ex 11,9 . (19) Ex 12,1 . (20) Ex 12,43 . Ex 14 (2) : (1) Ex 14,15 . (2) Ex 14,26 . Ex 16 (2) : (1) Ex 16,4 . (2) Ex 16,28 . Ex 17 (2) : (1) Ex 17,5 . (2) Ex 17,14 . Ex 19-24 (5) : (1) Ex 19,9 . (2) Ex 19,10 . (3) Ex 19,21 . (4) Ex 20,22 . (5) Ex 24,12 . Ex 25-31 (2) . Ex 30 (1) : Ex 30,34 . Ex 31 (1) : Ex 31,12 . Ex 32 (2) : : (1) Ex 32,9 .(2) Ex 32,33 . Ex 33 (2) : Ex 33,5 . (2) Ex 33,17 . Ex 34 (1) : Ex 34,1 . Lv (2) : (1) Lv 16,2 . (2) Lv 21,1 . Nu (19) : (1) Nu 3,40 . (2) Nu 7,4 . (3) Nu 7,11 . (4) Nu 11,16 . (5) Nu 11,23 . (6) Nu 12,14 . (7) Nu 14,11 . (8) Nu 15,35 . (9) Nu 15,37 . (10) Nu 17,25 . (11) Nu 20,12 . (12) Nu 20,23 . (13) Nu 21,8 . (14) Nu 21,34 . (15) Nu 25,4 . (16) Nu 26,1 . (17) Nu 27,6 . (18) Nu 27,12 . (19) Nu 27,18 . (20) Nu 31,25 . Dt (2) : (1) Dt 31,14 . (2) Dt 31,16 .
- וַיְדַבֵּר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber JHWH èl mosjèh (en JHWH sprak tot Mozes) . Tenakh (91 = 7 X 13) . Pentateuch (91 = 7 X 13) . Ex (14 = 2 X 7) . (1) Ex 6,10 . (2) Ex 6,13 . (3) Ex 6,29 . (4) Ex 13,1 . (5) Ex 14,1 . (6) Ex 16,11 . (7) Ex 25,1 . (8) Ex 30,11 . (9) Ex 30,17 . (10) Ex 30,22 . (11) Ex 31,1 . (12) Ex 32,7 . (13) Ex 33,1 . (14) Ex 40,1 .
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajjo´mèr ´èlohîm 'èl mosjèh (en God zei tot Mozes) . Tenakh (1) . Ex 3,14 .
- וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber ´èlohîm ´èl mosjèh (en God sprak tot Mozes) . Tenakh (1) : (1) Ex 6,2 .

Dt 31,17 - Dt 31,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [17] Op die dag zal mijn toorn tegen hen ontbranden, Ik zal hen aan hun lot overlaten en mijn gelaat voor hen verbergen, zodat iedereen hen kan verslinden en veel rampen en tegenslagen hen treffen. Op die dag zal het zeggen: “Deze rampen hebben mij getroffen omdat mijn God niet met mij is.”        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Dt 31,18 - Dt 31,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [18] Maar Ik zal op die dag mijn gelaat blijven verbergen vanwege al het kwaad dat zij hebben gedaan door zich tot andere goden te wenden.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Dt 31,19 - Dt 31,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
    wë`aththâh     [19] Schrijf daarom het volgende lied op en leer het de Israëlieten; leg hun dit lied in de mond, zodat Ik een getuigenis tegen hen heb.      

King James Bible .
Luther-Bibel .

יט  וְעַתָּה, כִּתְבוּ לָכֶם אֶת-הַשִּׁירָה הַזֹּאת, וְלַמְּדָהּ אֶת-בְּנֵי-יִשְׂרָאֵל, שִׂימָהּ בְּפִיהֶם:  לְמַעַן תִּהְיֶה-לִּי הַשִּׁירָה הַזֹּאת, לְעֵד--בִּבְנֵי יִשְׂרָאֵל.

Tekstuitleg van Dt 31,19.

Dt 31,19.1. וְעַתָּה = wë`aththâh (en nu) < wë + `aththâh (nu) . Zie : Taalgebruik in Tenakh : `aththâh (nu) . Dt (6) : (1) Dt 4,1 . (2) Dt 5,25 (wë`aththâh ... ´im) . (3) Dt 10,12 (wë`aththâh ... ´im) . (4) Dt 10,22 . (5) Dt 26,10 . (6) Dt 31,19 .
- עַתָּה = `aththâh (nu, welaan) . Tenakh (147) . Penbtateuch (30) . Dt (3) : (1) Dt 2,13 . (2) Dt 12,9 . (3) Dt 32,39 .

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt
  266 54 114 28 13 57 26 14   8 6

In Dt 4,1 (bij het begin van een toespraak) en Dt 31,19 wordt het gevolgd door een imperatief ; Dt 4,1 : luister , Dt 31,19 : schrijven jullie op . 1,19 . In Dt 4,1 staat het woord aan het begin van de grote redevoering Dt 4-11 .
In Dt 5,25 en in Dt 10,12 leidt het een vraag in .
In Dt 10,22 maakt het deel uit van een chronologische opsomming .
In Dt 26,10 volgt het op het 'historisch Credo' .

Dt 31,19.4. אֶת ('èth: om de accusatief aan te duiden).

Dt 31,19.5. הַשִּׁירָה (hasjsjîrâh: de zang, het gezang, het lied; bep lidw ה = ha: de, het + zn vr enk שִּׁירָה = sjîrâh: zang, gezang, lied). Tenakh (10): (1) Ex 15,1. (2) Nu 21,17. (3) Dt 31,19. (2X) (5) Dt 31,21. (6) Dt 31,22. (7) Dt 31,24. (8) Dt 32,44. (9) 2 S 22,1. (10). Ps 18,1.

Dt 31,19.4. - 5. אֶת הַשִּׁירָה ('èth hasjsjîrâh: de zang, het gezang, het lied). Tenakh (4). (1) Ex 15,1. (2) Nu 21,17. (3) Dt 31,19. (4) Dt 31,22.

Dt 31,19.6. הַזֹּאת (= hazoth: de deze; bep. lidw. ה = ha + aanwijz. vnw vr enk זֹּאת = zoth: deze).

Dt 31,19.4. - 6. אֶת הַשִּׁירָה הַזֹּאת ('èth hasjsjîrâh hazoth: deze zang, dit gezang, het lied). Tenakh (4). (1) Ex 15,1. (2) Nu 21,17. (3) Dt 31,19. (4). Dt 31,22.



Dt 31,20 - Dt 31,20 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [20] Want Ik ga deze mensen naar de grond brengen die Ik hun vaderen onder ede beloofd heb, naar een land dat overvloeit van melk en honing. Daar zullen zij zich volop dik eten, zich tot andere goden wenden en die vereren; en Mij zullen zij versmaden en mijn verbond verbreken.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

18. prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal perf. 3de pers. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. וַעֲבָדוּם = wa`äbhâdûm (en zij zullen dienen) van het werkw. עָבַד = `âbhad (werken, dienen) . Taalgebruik in Tenakh : `âbhad (werken, dienen) . Getalwaarde : ajin =16 of 70 , beth = 2 , daleth = 4 ; totaal : 22 OF 76 (4 X 19) . Structuur : 7 - 2 - 4 . De som van de elementen is 4 . Tenakh (2) : (1) Gn 15,13 . (2) Dt 31,20 .
- In Gn 15,13 voorspelt JHWH dat het volk 400 jaar in slavendienst zal zijn . In Dt 31,20 roept andere goden dienen de gedachte van slavendienst (zoals in Egypte) op .

Dt 31,21 - Dt 31,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [21] En als hen dan een menigte rampen en tegenslagen treft, zal dit lied tegen hen blijven getuigen, omdat het voortleeft bij hun nakomelingen. Maar al te goed ken Ik de plannen die zij vandaag al hebben, nog voordat Ik hen in het land heb gebracht dat Ik hun onder ede beloofd heb.’       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Dt 31,21 .

26. bëtèrèm (vooraleer) . Verwijzing : bëtèrèm (vooraleer) , zie Jr 1,5 . In tweeëndertig verzen in de bijbel . ûbëtèrem (en vooraleer) : (1) Gn 27,4 . (2) Gn 27,33 . (3) Gn 41,50 . (4) Gn 45,28 = Gn 27,33 . (5) Ex 1,19 . (6) Lv 14,36 . (7) Dt 31,21 . (13) Js 7,16 . (20) Jr 1,5 . (26) Ps 39,14 . (27) Ps 58,10 . (28) Ps 90,2 . = (29) Spr 8,25 . (30) Spr 18,13 . (31) Spr 30,7 . (32) Job 10,21 .
Jeremia wordt gesitueerd in de periode rond de Babylonische ballingschap (- 586) . Het is nog niet de periode van de wijsheidsliteratuur , waarin de visie van de voorafbestaande Wijsheid (Spr 8) wordt ontwikkeld . Jeremia stamt uit een priesterfamilie . Het priesterschap wordt van geslacht tot geslacht doorgegeven . Reeds vóór de geboorte van Jeremia staat vast dat hij priester zal zijn . In die zin zouden de woorden van Jr 1,5 kunnen begrepen worden .

Dt 31,21.29. הָאָרֶץ = hâ´ârèts (de aarde) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalswaarde : aleph = 1 , resj = 22 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 3 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) .
- וְהָאָרֶץ = wëhâ´ârèts (en de aarde) < prefix voegwoord wë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֶרֶץ =´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 3 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (38) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (4) .
- Grieks : acc. mann. enk. γην = gèn van het zelfst. naamw. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lv (10) .

  gè  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
3 acc. vr. enk.  gèn 961  884  77  13  12  10  25  30  36 

- Ned. aarde . Arabisch : أَرْض = ´arD (aarde) . Taalgebruik in de Qoran : ´arD (aarde) . D. : Welt . E. : earth . Fr. : terre . Grieks : γη = gè (aarde, land) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Hebreeuws : אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Lat. : terra .

Dt 31,21.28. - 29. אֶל הָאָרֶץ = ´èl hâ´ârèts (naar het land) . Tenakh (53) . Pentateuch (38) . Gn (3) . Ex (3) . Lv (3) . Nu (12) . Dt (17) . Eerdere Profeten (3) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (1) . Gn (3) : (1) Gn 12,1 . (2) Gn 24,5 . (3) Gn 50,24 . Ex (3) : (1) Ex 6,8 . (2) Ex 12,25 . (3) Ex 33,1 . Lv (3) : (1) Lv 19,23 . (2) Lv 23,10 . (3) Lv 25,2 . Nu (12) : (1) Nu 13,27 . (2) Nu 14,3 . (3) Nu 14,8 . (4) Nu 14,16 . (5) Nu 14,24 . (6) Nu 14,30 . (7) Nu 15,18 . (8) Nu 20,12 . (9) Nu 20,24 . (10) Nu 32,7 . (11) Nu 32,9 . (12) Nu 34,2 . Dt (17) : (1) Dt 2,29 . (2) Dt 4,21 . (3) Dt 6,10 . (4) Dt 7,1 . (5) Dt 9,28 . (6) Dt 11,29 . (7) Dt 17,14 . (8) Dt 18,9 . (9) Dt 26,1 . (10) Dt 26,3 . (11) Dt 27,2 . (12) Dt 27,3 . (13) Dt 30,5 . (14) Dt 31,7 . (15) Dt 31,21 . (16) Dt 31,23 . (17) Dt 32,52 . Buiten de Pentateuch (15) . Eerdere Profeten (3) : (1) Joz 1,2 . (2) Re 2,1 . (3) 2 K 8,1 .

Dt 31,21.28. - 30. אֶל הָאָרֶץ אֲשֶׁר = ´èl hâ´ârèts ´äsjèr (naar het land dat) . Tenakh (40) . Pentateuch (33) . Gn (3/3) . Ex (3/3) : . Lv (2/3) . Nu (9/12) . Dt (16/17) . Eerdere Profeten (2/3) . Latere Profeten (4/11) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (1/1) . Gn (3) : (1) Gn 12,1 . (2) Gn 24,5 (2X) . (3) Gn 50,24 . Ex (3) : (1) Ex 6,8 . (2) Ex 12,25 . (3) Ex 33,1 . Lv (2) : (1) Lv 23,10 . (2) Lv 25,2 . Nu (9) : (1) Nu 13,27 . (2) Nu 14,16 . (3) Nu 14,24 . (4) Nu 14,30 . (5) Nu 15,18 . (6) Nu 20,12 . (7) Nu 20,24 . (8) Nu 32,7 . (9) Nu 32,9 . Dt (16) : (1) Dt 2,29 . (2) Dt 6,10 . (3) Dt 7,1 . (4) Dt 9,28 . (5) Dt 11,29 . (6) Dt 17,14 . (7) Dt 18,9 . (8) Dt 26,1 . (9) Dt 26,3 . (10) Dt 27,2 . (11) Dt 27,3 . (12) Dt 30,5 . (13) Dt 31,7 . (14) Dt 31,21 . (15) Dt 31,23 . (16) Dt 32,52 . Buiten de Pentateuch (7) . Eerdere Profeten (2) : (1) Joz 1,2 . (2) Re 2,1 .


Dt 31,22 - Dt 31,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [22] Op die dag schreef Mozes dit lied en leerde het de Israëlieten.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

כב  וַיִּכְתֹּב מֹשֶׁה אֶת-הַשִּׁירָה הַזֹּאת, בַּיּוֹם הַהוּא; וַיְלַמְּדָהּ, אֶת-בְּנֵי יִשְׂרָאֵל.

Tekstuitleg van

Dt 31,22.1. וַיִּכְתֹּב = wajjikhëthobh (en hij schreef) < prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. kâthabh (schrijven) . Taalgebruik in Tenakh : kâthabh (schrijven) . Getalwaarde : kaph = 12 of 30 , thaw = 22 of 400 , beth = 2 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 342 (2 X 3² X 19) . Structuur : 3 - 4 - 2 . Tenakh (25) . Pentateuch (6) : (1) Ex 24,4 . (2) Ex 34,28 . (3) Nu 33,2 . (4) Dt 10,4 . (5) Dt 31,9 . (6) Dt 31,22 .

Dt 31,22.1. - 2. וַיִּכְתֹּב מֹשֶׁה = wajjikhëthobh mosjèh (en Mozes schreef) . In vier verzen in de bijbel : (1) Ex 24,4 . (2) Nu 33,2 . (3) Dt 31,9 . (4) Dt 31,22 .

Dt 31,22.3. אֶת ('èth: om de accusatief aan te duiden).

Dt 31,22.4. הַשִּׁירָה (hasjsjîrâh: de zang, het gezang, het lied; bep lidw ה = ha: de, het + zn vr enk שִּׁירָה = sjîrâh: zang, gezang, lied).

Dt 31,22.3. - 4. אֶת הַשִּׁירָה ('èth hasjsjîrâh: de zang, het gezang, het lied). Tenakh (4). (1) Ex 15,1. (2) Nu 21,17. (3) Dt 31,19. (4) Dt 31,22.

Dt 31,22.5. הַזֹּאת (= hazoth: de deze; bep. lidw. ה = ha + aanwijz. vnw vr enk זֹּאת = zoth: deze).

Dt 31,22.3. - 5. אֶת הַשִּׁירָה הַזֹּאת ('èth hasjsjîrâh hazoth: deze zang, dit gezang, het lied). Tenakh (4). (1) Ex 15,1. (2) Nu 21,17. (3) Dt 31,19. (4) Dt 31,22.


Dt 31,23 - Dt 31,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [23] De heer stelde Jozua, de zoon van Nun aan en zei: ‘Wees sterk en vol moed, want u zult de Israëlieten in het land brengen dat Ik hun onder ede beloofd heb. Ik zal met u zijn.’       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Dt 31,24 - Dt 31,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
       
[24] Toen Mozes al de bepalingen van deze Wet op schrift had gesteld,  
     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Dt 31,25 - Dt 31,25 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [25] beval hij de Levieten die de ark van het verbond van de heer dragen:      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Dt 31,26 - Dt 31,26 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [26] ‘Neem dit wetboek en leg het naast de ark van het verbond van de heer uw God. Daar zal het als getuige tegen u dienen.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

 

Dt 31,27 - Dt 31,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [27] Ik weet maar al te goed hoe opstandig en hardnekkig u bent. Nu reeds, terwijl ik nog in leven ben, bent u al in opstand gekomen tegen de heer. Wat zal het dan worden als ik dood ben?        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Dt 31,28 - Dt 31,28 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [28] Roep alle stamoudsten en schrijvers bijeen. In hun bijzijn zal ik deze woorden uitspreken en de hemel en de aarde tegen hen tot getuigen nemen.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Dt 31,29 - Dt 31,29 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [29] Want ik weet dat u na mijn dood tot zware zonde zult vervallen, en dat u zult afwijken van de weg die ik u heb voorgeschreven. Dan zal het onheil u treffen, omdat u kwaad doet in de ogen van de heer en Hem tart door de maaksels van uw handen.’      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

17. - 18. בְּאַחֱרִית הַיָּמִים = bë´achärîth hajjâmîm (in de laatste dagen) . Tenakh (14) : (1) Gn 49,1 . (2) Nu 24,14 . (3) Dt 4,30 . (4) Dt 31,29 . (5) Js 2,2 . (6) Jr 23,20 . (7) Jr 30,24 . (8) Jr 48,47 . (9) Jr 49,39 . (10) Ez 38,16 . (11) Da 10,14 . (12) Hos 3,5 . (13) Mi 4,1 .

21. - 24. אֶת הָרַע בְּעֵינֵי יהוה = ´èth hâra` bë`e(j)ne(j) JHWH (het slechte in de ogen van JHWH) . Tenakh (5) : (1) Dt 17,2 . (2) Dt 31,29 . (3) Re 2,11 . (4) Re 3,7 . (5) Re 3,12 .

Dt 31,30 - Dt 31,30 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
30 καὶ ἐλάλησε Μωυσῆς εἰς τὰ ὦτα πάσης ἐκκλησίας τὰ ρήματα τῆς ᾠδῆς ταύτης ἕως εἰς τέλος.       [30] Toen sprak Mozes ten aanhoren van de hele gemeente van Israël de woorden van dit lied:       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van


MT

א  וַיֵּלֶךְ, מֹשֶׁה; וַיְדַבֵּר אֶת-הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה, אֶל-כָּל-יִשְׂרָאֵל. 1 And Moses went and spoke these words unto all Israel.
ב  וַיֹּאמֶר אֲלֵהֶם, בֶּן-מֵאָה וְעֶשְׂרִים שָׁנָה אָנֹכִי הַיּוֹם--לֹא-אוּכַל עוֹד, לָצֵאת וְלָבוֹא; וַיהוָה אָמַר אֵלַי, לֹא תַעֲבֹר אֶת-הַיַּרְדֵּן הַזֶּה. 2 And he said unto them: 'I am a hundred and twenty years old this day; I can no more go out and come in; and the LORD hath said unto me: Thou shalt not go over this Jordan.
ג  יְהוָה אֱלֹהֶיךָ הוּא עֹבֵר לְפָנֶיךָ, הוּא-יַשְׁמִיד אֶת-הַגּוֹיִם הָאֵלֶּה מִלְּפָנֶיךָ--וִירִשְׁתָּם; יְהוֹשֻׁעַ, הוּא עֹבֵר לְפָנֶיךָ, כַּאֲשֶׁר, דִּבֶּר יְהוָה. 3 The LORD thy God, He will go over before thee; He will destroy these nations from before thee, and thou shalt dispossess them; and Joshua, he shall go over before thee, as the LORD hath spoken.
ד  וְעָשָׂה יְהוָה, לָהֶם, כַּאֲשֶׁר עָשָׂה לְסִיחוֹן וּלְעוֹג מַלְכֵי הָאֱמֹרִי, וּלְאַרְצָם--אֲשֶׁר הִשְׁמִיד, אֹתָם. 4 And the LORD will do unto them as He did to Sihon and to Og, the kings of the Amorites, and unto their land; whom He destroyed.
ה  וּנְתָנָם יְהוָה, לִפְנֵיכֶם; וַעֲשִׂיתֶם לָהֶם--כְּכָל-הַמִּצְוָה, אֲשֶׁר צִוִּיתִי אֶתְכֶם. 5 And the LORD will deliver them up before you, and ye shall do unto them according unto all the commandment which I have commanded you.
ו  חִזְקוּ וְאִמְצוּ, אַל-תִּירְאוּ וְאַל-תַּעַרְצוּ מִפְּנֵיהֶם:  כִּי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ, הוּא הַהֹלֵךְ עִמָּךְ--לֹא יַרְפְּךָ, וְלֹא יַעַזְבֶךָּ.  {ס} 6 Be strong and of good courage, fear not, nor be affrighted at them; for the LORD thy God, He it is that doth go with thee; He will not fail thee, nor forsake thee.' {S}
ז  וַיִּקְרָא מֹשֶׁה לִיהוֹשֻׁעַ, וַיֹּאמֶר אֵלָיו לְעֵינֵי כָל-יִשְׂרָאֵל חֲזַק וֶאֱמָץ--כִּי אַתָּה תָּבוֹא אֶת-הָעָם הַזֶּה, אֶל-הָאָרֶץ אֲשֶׁר נִשְׁבַּע יְהוָה לַאֲבֹתָם לָתֵת לָהֶם; וְאַתָּה, תַּנְחִילֶנָּה אוֹתָם. 7 And Moses called unto Joshua, and said unto him in the sight of all Israel: 'Be strong and of good courage; for thou shalt go with this people into the land which the LORD hath sworn unto their fathers to give them; and thou shalt cause them to inherit it.
ח  וַיהוָה הוּא הַהֹלֵךְ לְפָנֶיךָ, הוּא יִהְיֶה עִמָּךְ--לֹא יַרְפְּךָ, וְלֹא יַעַזְבֶךָּ; לֹא תִירָא, וְלֹא תֵחָת. 8 And the LORD, He it is that doth go before thee; He will be with thee, He will not fail thee, neither forsake thee; fear not, neither be dismayed.'
ט  וַיִּכְתֹּב מֹשֶׁה, אֶת-הַתּוֹרָה הַזֹּאת, וַיִּתְּנָהּ אֶל-הַכֹּהֲנִים בְּנֵי לֵוִי, הַנֹּשְׂאִים אֶת-אֲרוֹן בְּרִית יְהוָה; וְאֶל-כָּל-זִקְנֵי, יִשְׂרָאֵל. 9 And Moses wrote this law, and delivered it unto the priests the sons of Levi, that bore the ark of the covenant of the LORD, and unto all the elders of Israel.
י  וַיְצַו מֹשֶׁה, אוֹתָם לֵאמֹר:  מִקֵּץ שֶׁבַע שָׁנִים, בְּמֹעֵד שְׁנַת הַשְּׁמִטָּה--בְּחַג הַסֻּכּוֹת. 10 And Moses commanded them, saying: 'At the end of every seven years, in the set time of the year of release, in the feast of tabernacles,
יא  בְּבוֹא כָל-יִשְׂרָאֵל, לֵרָאוֹת אֶת-פְּנֵי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ, בַּמָּקוֹם, אֲשֶׁר יִבְחָר:  תִּקְרָא אֶת-הַתּוֹרָה הַזֹּאת, נֶגֶד כָּל-יִשְׂרָאֵל--בְּאָזְנֵיהֶם. 11 when all Israel is come to appear before the LORD thy God in the place which He shall choose, thou shalt read this law before all Israel in their hearing.
יב  הַקְהֵל אֶת-הָעָם, הָאֲנָשִׁים וְהַנָּשִׁים וְהַטַּף, וְגֵרְךָ, אֲשֶׁר בִּשְׁעָרֶיךָ--לְמַעַן יִשְׁמְעוּ וּלְמַעַן יִלְמְדוּ, וְיָרְאוּ אֶת-יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם, וְשָׁמְרוּ לַעֲשׂוֹת, אֶת-כָּל-דִּבְרֵי הַתּוֹרָה הַזֹּאת. 12 Assemble the people, the men and the women and the little ones, and thy stranger that is within thy gates, that they may hear, and that they may learn, and fear the LORD your God, and observe to do all the words of this law;
יג  וּבְנֵיהֶם אֲשֶׁר לֹא-יָדְעוּ, יִשְׁמְעוּ וְלָמְדוּ--לְיִרְאָה, אֶת-יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם:  כָּל-הַיָּמִים, אֲשֶׁר אַתֶּם חַיִּים עַל-הָאֲדָמָה, אֲשֶׁר אַתֶּם עֹבְרִים אֶת-הַיַּרְדֵּן שָׁמָּה, לְרִשְׁתָּהּ.  {פ} 13 and that their children, who have not known, may hear, and learn to fear the LORD your God, as long as ye live in the land whither ye go over the Jordan to possess it.' {P}
יד  וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל-מֹשֶׁה, הֵן קָרְבוּ יָמֶיךָ לָמוּת--קְרָא אֶת-יְהוֹשֻׁעַ וְהִתְיַצְּבוּ בְּאֹהֶל מוֹעֵד, וַאֲצַוֶּנּוּ; וַיֵּלֶךְ מֹשֶׁה וִיהוֹשֻׁעַ, וַיִּתְיַצְּבוּ בְּאֹהֶל מוֹעֵד. 14 And the LORD said unto Moses: 'Behold, thy days approach that thou must die; call Joshua, and present yourselves in the tent of meeting, that I may give him a charge.' And Moses and Joshua went, and presented themselves in the tent of meeting.
טו  וַיֵּרָא יְהוָה בָּאֹהֶל, בְּעַמּוּד עָנָן; וַיַּעֲמֹד עַמּוּד הֶעָנָן, עַל-פֶּתַח הָאֹהֶל. 15 And the LORD appeared in the Tent in a pillar of cloud; and the pillar of cloud stood over the door of the Tent.
טז  וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל-מֹשֶׁה, הִנְּךָ שֹׁכֵב עִם-אֲבֹתֶיךָ; וְקָם הָעָם הַזֶּה וְזָנָה אַחֲרֵי אֱלֹהֵי נֵכַר-הָאָרֶץ, אֲשֶׁר הוּא בָא-שָׁמָּה בְּקִרְבּוֹ, וַעֲזָבַנִי, וְהֵפֵר אֶת-בְּרִיתִי אֲשֶׁר כָּרַתִּי אִתּוֹ. 16 And the LORD said unto Moses: 'Behold, thou art about to sleep with thy fathers; and this people will rise up, and go astray after the foreign gods of the land, whither they go to be among them, and will forsake Me, and break My covenant which I have made with them.
יז  וְחָרָה אַפִּי בוֹ בַיּוֹם-הַהוּא וַעֲזַבְתִּים וְהִסְתַּרְתִּי פָנַי מֵהֶם, וְהָיָה לֶאֱכֹל, וּמְצָאֻהוּ רָעוֹת רַבּוֹת, וְצָרוֹת; וְאָמַר, בַּיּוֹם הַהוּא, הֲלֹא עַל כִּי-אֵין אֱלֹהַי בְּקִרְבִּי, מְצָאוּנִי הָרָעוֹת הָאֵלֶּה. 17 Then My anger shall be kindled against them in that day, and I will forsake them, and I will hide My face from them, and they shall be devoured, and many evils and troubles shall come upon them; so that they will say in that day: Are not these evils come upon us because our God is not among us?
יח  וְאָנֹכִי, הַסְתֵּר אַסְתִּיר פָּנַי בַּיּוֹם הַהוּא, עַל כָּל-הָרָעָה, אֲשֶׁר עָשָׂה:  כִּי פָנָה, אֶל-אֱלֹהִים אֲחֵרִים. 18 And I will surely hide My face in that day for all the evil which they shall have wrought, in that they are turned unto other gods.
יט  וְעַתָּה, כִּתְבוּ לָכֶם אֶת-הַשִּׁירָה הַזֹּאת, וְלַמְּדָהּ אֶת-בְּנֵי-יִשְׂרָאֵל, שִׂימָהּ בְּפִיהֶם:  לְמַעַן תִּהְיֶה-לִּי הַשִּׁירָה הַזֹּאת, לְעֵד--בִּבְנֵי יִשְׂרָאֵל. 19 Now therefore write ye this song for you, and teach thou it the children of Israel; put it in their mouths, that this song may be a witness for Me against the children of Israel.
כ  כִּי-אֲבִיאֶנּוּ אֶל-הָאֲדָמָה אֲשֶׁר-נִשְׁבַּעְתִּי לַאֲבֹתָיו, זָבַת חָלָב וּדְבַשׁ, וְאָכַל וְשָׂבַע, וְדָשֵׁן; וּפָנָה אֶל-אֱלֹהִים אֲחֵרִים, וַעֲבָדוּם, וְנִאֲצוּנִי, וְהֵפֵר אֶת-בְּרִיתִי. 20 For when I shall have brought them into the land which I swore unto their fathers, flowing with milk and honey; and they shall have eaten their fill, and waxen fat; and turned unto other gods, and served them, and despised Me, and broken My covenant;
כא  וְהָיָה כִּי-תִמְצֶאןָ אֹתוֹ רָעוֹת רַבּוֹת, וְצָרוֹת, וְעָנְתָה הַשִּׁירָה הַזֹּאת לְפָנָיו לְעֵד, כִּי לֹא תִשָּׁכַח מִפִּי זַרְעוֹ:  כִּי יָדַעְתִּי אֶת-יִצְרוֹ, אֲשֶׁר הוּא עֹשֶׂה הַיּוֹם, בְּטֶרֶם אֲבִיאֶנּוּ, אֶל-הָאָרֶץ אֲשֶׁר נִשְׁבַּעְתִּי. 21 then it shall come to pass, when many evils and troubles are come upon them, that this song shall testify before them as a witness; for it shall not be forgotten out of the mouths of their seed; for I know their imagination how they do even now, before I have brought them into the land which I swore.'
כב  וַיִּכְתֹּב מֹשֶׁה אֶת-הַשִּׁירָה הַזֹּאת, בַּיּוֹם הַהוּא; וַיְלַמְּדָהּ, אֶת-בְּנֵי יִשְׂרָאֵל. 22 So Moses wrote this song the same day, and taught it the children of Israel.
כג  וַיְצַו אֶת-יְהוֹשֻׁעַ בִּן-נוּן, וַיֹּאמֶר חֲזַק וֶאֱמָץ--כִּי אַתָּה תָּבִיא אֶת-בְּנֵי יִשְׂרָאֵל, אֶל-הָאָרֶץ אֲשֶׁר-נִשְׁבַּעְתִּי לָהֶם; וְאָנֹכִי, אֶהְיֶה עִמָּךְ. 23 And he gave Joshua the son of Nun a charge, and said: 'Be strong and of good courage; for thou shalt bring the children of Israel into the land which I swore unto them; and I will be with thee.'
כד  וַיְהִי כְּכַלּוֹת מֹשֶׁה, לִכְתֹּב אֶת-דִּבְרֵי הַתּוֹרָה-הַזֹּאת--עַל-סֵפֶר:  עַד, תֻּמָּם. 24 And it came to pass, when Moses had made an end of writing the words of this law in a book, until they were finished,
כה  וַיְצַו מֹשֶׁה אֶת-הַלְוִיִּם, נֹשְׂאֵי אֲרוֹן בְּרִית-יְהוָה לֵאמֹר. 25 that Moses commanded the Levites, that bore the ark of the covenant of the LORD, saying:
כו  לָקֹחַ, אֵת סֵפֶר הַתּוֹרָה הַזֶּה, וְשַׂמְתֶּם אֹתוֹ, מִצַּד אֲרוֹן בְּרִית-יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם; וְהָיָה-שָׁם בְּךָ, לְעֵד. 26 'Take this book of the law, and put it by the side of the ark of the covenant of the LORD your God, that it may be there for a witness against thee.
כז  כִּי אָנֹכִי יָדַעְתִּי אֶת-מֶרְיְךָ, וְאֶת-עָרְפְּךָ הַקָּשֶׁה; הֵן בְּעוֹדֶנִּי חַי עִמָּכֶם הַיּוֹם, מַמְרִים הֱיִתֶם עִם-יְהוָה, וְאַף, כִּי-אַחֲרֵי מוֹתִי. 27 For I know thy rebellion, and thy stiff neck; behold, while I am yet alive with you this day, ye have been rebellious against the LORD; and how much more after my death?
כח  הַקְהִילוּ אֵלַי אֶת-כָּל-זִקְנֵי שִׁבְטֵיכֶם, וְשֹׁטְרֵיכֶם; וַאֲדַבְּרָה בְאָזְנֵיהֶם, אֵת הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה, וְאָעִידָה בָּם, אֶת-הַשָּׁמַיִם וְאֶת-הָאָרֶץ. 28 Assemble unto me all the elders of your tribes, and your officers, that I may speak these words in their ears, and call heaven and earth to witness against them.
כט  כִּי יָדַעְתִּי, אַחֲרֵי מוֹתִי כִּי-הַשְׁחֵת תַּשְׁחִתוּן, וְסַרְתֶּם מִן-הַדֶּרֶךְ, אֲשֶׁר צִוִּיתִי אֶתְכֶם; וְקָרָאת אֶתְכֶם הָרָעָה, בְּאַחֲרִית הַיָּמִים--כִּי-תַעֲשׂוּ אֶת-הָרַע בְּעֵינֵי יְהוָה, לְהַכְעִיסוֹ בְּמַעֲשֵׂה יְדֵיכֶם. 29 For I know that after my death ye will in any wise deal corruptly, and turn aside from the way which I have commanded you; and evil will befall you in the end of days; because ye will do that which is evil in the sight of the LORD, to provoke Him through the work of your hands.'
ל  וַיְדַבֵּר מֹשֶׁה, בְּאָזְנֵי כָּל-קְהַל יִשְׂרָאֵל, אֶת-דִּבְרֵי הַשִּׁירָה, הַזֹּאת--עַד, תֻּמָּם.  {ש} 30 And Moses spoke in the ears of all the assembly of Israel the words of this song, until they were finished: {P}

LXX

ΚΑΙ συνετέλεσε Μωυσῆς λαλῶν πάντας τοὺς λόγους τούτους πρὸς πάντας υἱοὺς ᾿Ισραήλ, 2 καὶ εἶπε πρὸς αὐτούς· ἑκατὸν καὶ εἴκοσιν ἐτῶν ἐγώ εἰμι σήμερον· οὐ δυνήσομαι ἔτι εἰσπορεύεσθαι καὶ ἐκπορεύεσθαι, Κύριος δὲ εἶπε πρός με· οὐ διαβήσῃ τὸν ᾿Ιορδάνην τοῦτον. 3 Κύριος ὁ Θεός σου ὁ προπορευόμενος πρὸ προσώπου σου, αὐτὸς ἐξολοθρεύσει τὰ ἔθνη ταῦτα ἀπὸ προσώπου σου, καὶ κατακληρονομήσεις αὐτούς· καὶ ᾿Ιησοῦς ὁ προπορευόμενος πρὸ προσώπου σου, καθὰ ἐλάλησε Κύριος. 4 καὶ ποιήσει Κύριος ὁ Θεός σου αὐτοῖς καθὼς ἐποίησε Σηὼν καὶ ῎Ωγ, τοῖς δυσὶ βασιλεῦσι τῶν ᾿Αμορραίων, οἳ ἦσανπέραν τοῦ ᾿Ιορδάνου, καὶ τῇ γῇ αὐτῶν, καθότι ἐξωλόθρευσεν αὐτούς· 5 καὶ παρέδωκεν αὐτοὺς Κύριος ὑμῖν, καὶ ποιήσετε αὐτοῖς, καθότι ἐνετειλάμην ὑμῖν. 6 ἀνδρίζου καὶ ἴσχυε, μὴ φοβοῦ μηδὲ δειλιάσης μηδὲ πτοηθῇς ἀπὸ προσώπου αὐτῶν, ὅτι Κύριος ὁ Θεός σου ὁ προπορευόμενος μεθ᾿ ὑμῶν ἐν ὑμῖν, οὔτε μή σε ἀνῇ, οὔτε μή σε ἐγκαταλίπῃ. 7 καὶ ἐκάλεσε Μωυσῆς ᾿Ιησοῦν καὶ εἶπεν αὐτῷ ἔναντι παντὸς ᾿Ισραήλ· ἀνδρίζου καὶ ἴσχυε, σὺ γὰρ εἰσελεύσῃ πρὸ προσώπου τοῦ λαοῦ τούτου εἰς τὴν γῆν, ἣν ὤμοσε Κύριος τοῖς πατράσιν ὑμῶν δοῦναι αὐτοῖς, καὶ σὺ κατακληρονομήσεις αὐτὴν αὐτοῖς· 8 καὶ Κύριος ὁ συμπορευόμενος μετὰ σοῦ οὐκ ἀνήσει σε, οὐδὲ μή σε ἐγκαταλίπῃ· μὴ φοβοῦ μηδὲ δειλία. 9 Καὶ ἔγραψε Μωυσῆς τὰ ρήματα τοῦ νόμου τούτου εἰς βιβλίον καὶ ἔδωκε τοῖς ἱερεῦσι τοῖς υἱοῖς Λευὶ τοῖς αἴρουσι τὴν κιβωτὸν τῆς διαθήκης Κυρίου, καὶ τοῖς προσβυτέροις τῶν υἱῶν ᾿Ισραήλ. 10 καὶ ἐνετείλατο Μωυσῆς αὐτοῖς ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ λέγων· μετὰ ἑπτὰ ἔτη ἐν καιρῷ ἐνιαυτοῦ ἀφέσεως ἐν ἑορτῇ σκηνοπηγίας, 11 ἐν τῷ συμπορεύεσθαι πάντα ᾿Ισραὴλ ὀφθῆναι ἐνώπιον Κυρίου τοῦ Θεοῦ ὑμῶν, ἐν τῷ τόπῳ ᾧ ἂν ἐκλέξηται Κύριος, ἀναγνώσεσθε τὸν νόμον τοῦτον ἐναντίον παντὸς ᾿Ισραὴλ εἰς τὰ ὦτα αὐτῶν· 12 ἐκκλησιάσας τὸν λαόν, τοὺς ἄνδρας καὶ τὰς γυναῖκας καὶ τὰ ἔκγονα καὶ τὸν προσήλυτον τὸν ἐν ταῖς πόλεσιν ὑμῶν, ἵνα ἀκούσωσι καὶ ἵνα μάθωσι φοβεῖσθαι Κύριον τὸν Θεὸν ὑμῶν, καὶ ἀκούσονται ποιεῖν πάντας τούς λόγους τοῦ νόμου τούτου· 13 καὶ οἱ υἱοὶ αὐτῶν, οἳ οὐκ οἴδασιν, ἀκούσονται καὶ μαθήσονται φοβεῖσθαι Κύριον τὸν Θεόν σου πάσας τὰς ἡμέρας, ὅσας αὐτοὶ ζῶσιν ἐπὶ τῆς γῆς, εἰς ἣν ὑμεῖς διαβαίνετε τὸν ᾿Ιορδάνην ἐκεῖ κληρονομῆσαι αὐτήν. 14 Καὶ εἶπε Κύριος πρὸς Μωυσῆν· ἰδοὺ ἐγγίκασιν αἱ ἡμέραι τοῦ θανάτου σου· κάλεσον ᾿Ιησοῦν καὶ στῆτε παρὰ τὰς θύρας τῆς σκηνῆς τοῦ μαρτυρίου, καὶ ἐντελοῦμαι αὐτῷ. καὶ ἐπορεύθη Μωυσῆς καὶ ᾿Ιησοῦς εἰς τὴν σκηνὴν τοῦ μαρτυρίου, καὶ ἔστησαν παρὰ τὰς θύρας τῆς σκηνῆς τοῦ μαρτυρίου. 15 καὶ κατέβη Κύριος ἐν νεφέλῃ καὶ ἔστη παρὰ τὰς θύρας τῆς σκηνῆς τοῦ μαρτυρίου, καὶ ἔστη ὁ στύλος τῆς νεφέλης παρὰ τὰς θύρας τῆς σκηνῆς τοῦ μαρτυρίου. 16 καὶ εἶπε Κύριος πρὸς Μωυσῆν· ἰδοὺ σὺ κοιμᾷ μετὰ τῶν πατέρων σου, καὶ ἀναστὰς οὗτος ὁ λαὸς ἐκπορνεύσει ὀπίσω θεῶν ἀλλοτρίων τῆς γῆς, εἰς ἣν οὗτος εἰσπορεύεται, καὶ καταλείψουσί με καὶ διασκεδάσουσι τὴν διαθήκην μου, ἣν διεθέμην αὐτοῖς. 17 καὶ ὀργισθήσομαι θυμῷ εἰς αὐτοὺς ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ καὶ καταλείψω αὐτοὺς καὶ ἀποστρέψω τὸ πρόσωπόν μου ἀπ᾿ αὐτῶν, καὶ ἔσται κατάβρωμα, καὶ εὑρήσουσιν αὐτὸν κακὰ πολλὰ καὶ θλίψεις, καὶ ἐρεῖ ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ· διότι οὐκ ἔστι Κύριος ὁ Θεός μου ἐν ἐμοί, εὕροσάν με τὰ κακὰ ταῦτα. 18 ἐγὼ δὲ ἀποστροφῇ ἀποστρέψω τὸ πρόσωπόν μου ἀπ᾿ αὐτῶν ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ διὰ πάσας τὰς κακίας, ἃς ἐποίησαν, ὅτι ἀπέστρεψαν ἐπὶ θεοὺς ἀλλοτρίους. 19 καὶ νῦν γράψατε τὰ ρήματα τῆς ᾠδῆς ταύτης καὶ διδάξατε αὐτὴν τοὺς υἱοὺς ᾿Ισραὴλ καὶ ἐμβαλεῖτε αὐτὴν εἰς τὸ στόμα αὐτῶν, ἵνα γένηταί μοι ἡ ᾠδὴ αὕτη κατὰ πρόσωπον μαρτυροῦσα ἐν υἱοῖς ᾿Ισραήλ. 20 εἰσάξω γὰρ αὐτοὺς εἰς τὴν γῆν τὴν ἀγαθήν, ἣν ὤμοσα τοῖς πατράσιν αὐτῶν δοῦναι αὐτοῖς, γῆν ρέουσαν γάλα καὶ μέλι, καὶ φάγονται καὶ ἐμπλησθέντες κορήσουσι· καί ἐπιστραφήσονται ἐπὶ θεοὺς ἀλλοτρίους καὶ λατρεύσουσιν αὐτοῖς καὶ παροξυνοῦσί με καὶ διασκεδάσουσι τὴν διαθήκην μου. 21 καὶ ἀντικαταστήσεται ἡ ᾠδὴ αὕτη κατὰ πρόσωπον μαρτυροῦσα, οὐ γὰρ μὴ ἐπιλησθῇ ἀπὸ στόματος αὐτῶν καὶ ἀπὸ στόματος τοῦ σπέρματος αὐτῶν· ἐγὼ γὰρ οἶδα τὴν πονηρίαν αὐτῶν, ὅσα ποιοῦσιν ὧδε σήμερον πρὸ τοῦ εἰσαγαγεῖν με αὐτοὺς εἰς τὴν γῆν τὴν ἀγαθήν, ἣν ὤμοσα τοῖς πατράσιν αὐτῶν. 22 καὶ ἔγραψε Μωυσῆς τὴν ᾠδὴν ταύτην ἐν ἐκείνῃ τῇ ἡμέρᾳ καὶ ἐδίδαξεν αὐτὴν τοὺς υἱοὺς ᾿Ισραήλ. 23 καὶ ἐνετείλατο Μωυσῆς ᾿Ιησοῖ καὶ εἶπεν· ἀνδρίζου καὶ ἴσχυε, σὺ γὰρ εἰσάξεις τοὺς υἱοὺς ᾿Ισραὴλ εἰς τὴν γῆν, ἣν ὤμοσεν αὐτοῖς Κύριος, καὶ αὐτὸς ἔσται μετὰ σοῦ. 24 ῾Ηνίκα δὲ συνετέλεσε Μωυσῆς γράφων πάντας τοὺς λόγους τοῦ νόμου τούτου εἰς βιβλίον ἕως εἰς τέλος, 25 καὶ ἐνετείλατο τοῖς Λευίταις τοῖς αἴρουσι τὴν κιβωτὸν τῆς διαθήκης Κυρίου λέγων· 26 λαβόντες τὸ βιβλίον τοῦ νόμου τούτου θήσετε αὐτὸ ἐκ πλαγίων τῆς κιβωτοῦ τῆς διαθήκης Κυρίου τοῦ Θεοῦ ὑμῶν, καὶ ἔσται ἐκεῖ ἐν σοὶ εἰς μαρτύριον. 27 ὅτι ἐγὼ ἐπίσταμαι τὸν ἐρεθισμόν σου καὶ τὸν τράχηλόν σου τὸν σκληρόν· ἔτι γὰρ ἐμοῦ ζῶντος μεθ᾿ ὑμῶν σήμερον, παραπικραίνοντες ἦτε τὰ πρὸς τὸν Θεόν, πῶς οὐχὶ καὶ ἔσχατον τοῦ θανάτου μου; 28 ἐκκλησιάσατε πρός με τοὺς φυλάρχους ὑμῶν καὶ τοὺς πρεσβυτέρους ὑμῶν καὶ τοὺς κριτὰς ὑμῶν καὶ τοὺς γραμματοεισαγωγεῖς ὑμῶν, ἵνα λαλήσω εἰς τὰ ὦτα αὐτῶν πάντας τοὺς λόγους τούτους, καὶ διαμαρτύρωμαι αὐτοῖς τόν τε οὐρανὸν καὶ τὴν γῆν· 29 οἶδα γὰρ ὅτι ἔσχατον τῆς τελευτῆς μου ἀνομίᾳ ἀνομήσετε καὶ ἐκκλινεῖτε ἐκ τῆς ὁδοῦ, ἧς ἐνετειλάμην ὑμῖν, καὶ συναντήσεται ὑμῖν τὰ κακὰ ἔσχατον τῶν ἡμερῶν, ὅτι ποιήσετε τὰ πονηρὰ ἐναντίον Κυρίου παροργίσαι αὐτὸν ἐν τοῖς ἔργοις τῶν χειρῶν ὑμῶν. 30 καὶ ἐλάλησε Μωυσῆς εἰς τὰ ὦτα πάσης ἐκκλησίας τὰ ρήματα τῆς ᾠδῆς ταύτης ἕως εἰς τέλος.