LITERATUUR EXODUS 13 - Ex 13 -

Weinreb F., De bijbel als schepping , Katwijk , Servire , 1991 (6) , pp. 535-540

12. DE VIERDE DIMENSIE

Het tabernakel is de plaats, waar het wonen van God op de aarde tot uitdrukking komt. In die verhoudingen met die structuur wordt de plaats gecreëerd waar God verschijnt. Ik heb over het principiële van deze structuur reeds iets gezegd bij de bespreking van de tempel, welke van het tabernakel in hoofdzaak slechts verschilde, doordat de tempel een vast huis voorstelde, terwijl het tabernakel wordt gekenmerkt door de mogelijkheid om het te kunnen verplaatsen.
Het tabernakel is de plaats van Gods inwoning op aarde gedurende de zevende werelddag, gedurende de tocht van Egypte naar Kanaän, van de ,,twee” naar de ,,een”. Deze zevende dag is de tocht door de woestijn, is dus een voortdurend trekken. Het gaan van de ,,twee” naar de ,,een” houdt in een voortdurend in beweging zijn, een steeds van plaats, van verhouding veranderen. Daarom wordt van het tabernakel ook zo uitgebreid verteld, hoe het in elkaar moet worden gezet en hoe weer uit elkander worden gehaald, hoe het gedragen moet worden van de ene plaats naar de andere, door wie het gedragen moet worden. Want men kan zich niet bewegen van de ,,twee” naar de ,,een” door op één plaats stil te staan. Alles is juist ingesteld op voortbewegen in een bepaalde richting. Wie op weg is naar de ,,een” kan in de zevende dag, in deze wereld-dag, niet blijven stilstaan.
Het leven leert de mens heel veel. Steeds denkt hij, dat hij het nu al weet en hij is in zekere zin tevreden. Maar toch trekt het leven hem dan weer verder, zijn weten blijkt nieuwe aspecten te ontdekken, het loutert hem door de voortdurende verandering. En zo komt de mens steeds dichter bij de ,,een”, bij de ,,komende wereld”, zodat tenslotte alleen nog de grensrivier, zich uitdrukkende in de naam Jordaan en weer de barrière van het water vormende van de niet te overschrijden tijd, de scheiding vormt met de komende wereld.
Wie dus uit Egypte is bevrijd, heeft een trekkend leven. Hij moet verder, het behoort tot de wetmatigbeid van degene die de ,,twee” heeft verlaten. Dit trekken heeft echter een zeer bepaald karakter. Want de aanleiding tot het verder gaan is het feit dat de ,,wolk” op het tabernakel optrekt. Zodra de wolkkolom weer stilstaat is het een teken dat een nieuwe étappe op de weg van de ,,twee” naar de ,,een” is bereikt.
Deze wolk is de uitdrukking in onze vormen van het aanwezig zijn van God. De wolk is alleen zichtbaar op het tabernakel. Zij geeft in beeld weer het net materie worden, het net zichtbaar worden, zij is de grens tussen zichtbaarheid en onzichtbaarheid. Men denke ook aan de damp, de ed, als begin van zichtbaarheid, welke de basis vormde voor het ontstaan in verdere zichtbaarheid van deze wereld. Het is hier geen gewone wolk, doch een wolk welke op aarde is, het tabernakel bedekt en met name in het tabernakel zelve haar wortel heeft in de kern ervan, op de ark tussen de beide cherubs in. Zij wil dus zeggen dat God trad tot aan de grens van zichtbaarwording doch tegelijkertijd met dit begin van zichtbaarwording zich omhulde tot onzichtbaarheid. In beeld is dit de uitdrukkingswijze en men moet uiteraard van dit beeld terugdenken naar het wezenlijke. Het wil daar zeggen, dat God alleen waargenomen kan worden, als men in staat is geweest op de weg van de ,,twee” naar de ,,een” deze mogelijkheid tot inwonen van God op aarde te bouwen, dat men als Betsalel — deze naam betekent ,,in de schaduw van God” — de wijsheid en het inzicht heeft deze verhoudingen in de materie uit te drukken (Ex. 31). Als men deze mogelijkheid heeft gecreëerd dan kan men daar, in de kern ervan, God waarnemen juist aan de grens, aan de overgang van het materiële en niet-materiële. Doch deze waarneming omhult meteen, verbergt het binnenste ervan, maakt het juist weer onzichtbaar.
Wie op de weg is van de ,,twee” naar de ,,een” kan dus in staat zijn deze zichtbaarwording waar te nemen, indien hij tevens in staat was de plaats ervoor te creëren. En dan zal de ,,wolk” aldaar hem zeggen, of hij nog op de plaats van zijn leven kan blijven, of dat hij die plaats moet verlaten, omdat God hem naar een andere plaats wil leiden. Hij zal dan moeten beginnen de verhoudingen van de plaats van Gods inwoning op te heffen, de kern van zijn leven onzichtbaar maken, bedekken en verpakken om ermee weg te trekken naar een andere plaats, waarheen die wolk hem voorgaat. Die andere plaats kan in een bepaalde verschijningsvorm ook een ander leven zijn. Daar zal hij dan deze woning van de kern op dezelfde wijze moeten opzetten. Die woning met haar verhoudingen blijft steeds gelijk, hoe ook de plaatsen en de overige verhoudingen mogen veranderen.
De overlevering vertelt uiteraard veel over deze ,,wolk”. Daaruit ziet men dan ook onmiddellijk, dat hier geen sprake is van een wolk zoals onze waarneming die kent in regen- of rookwolken. Zo spreekt zij over de aanwezigheid van zeven wolken, waarvan één de wolk was welke de weg wees en de zes andere op een zeer speciale wijze om de vier delen waarin het ,,volk” was verdeeld, waren gegroepeerd. De wolk die voorop ging deed de heuvels vlak worden en vulde de dalen op, en alleen de plaats waar het tabernakel in het centrum kwam te staan toonde steeds een verhoging. De zeven wolken hulden alles in, maakten het volk ook onzichtbaar van buiten, lieten het van binnen als een licht stralen op dezelfde wijze als bij God zelf, omdat door de wolk, van binnen het licht was.
Het woord voor wolk, ,,anan”, heeft de structuur 70-50-50. Het is een verbinding dus van de concrete 70 met de 50 van de andere wereld, daarmede ook in het woord de toestand van overgang uitdrukkende tussen twee werelden, de grens. De verbindingen van de 70 met de 4 kenden wij reeds als het alles omvattende in deze wereld van tijd en ruimte. De 70 met de 40 geeft eenzelfde principe weer. Het woord voor ,,volk” heeft b.v. deze 70-40 als structuur, ook het woord ,,met”, inhoudende het insluiten van iets in een groot geheel. Het woord 70-400 is de uitdrukking voor tijd, eveneens dus iets van deze wereld. Zo geeft dan dus de combinatie 70-50 de sprong voorbij - deze wereld van de 4. De 70 van deze wereld blijft, de 40 is echter geworden tot de 50 van de andere, komende wereld.
De mens op de weg van de ,,twee” naar de ,,een” trekt dus door de woestijn. Men kan zich afvragen waarom hij nu juist door een woestijn moet trekken, waarom dus ook in de uitbeelding van deze aarde een woestijn moet liggen tussen Egypte en Kanaan. Het verschijnsel van de woestijn als weg drukt uit, dat de weg zelf niet iets is om er te blijven. De werkelijke mens hecht niet aan een woestijn, hij beschouwt haar als iets dat hij moet passeren, omdat het reisdoel elders ligt.
Volgens de overlevering is de definitie van woestijn met ,,een plaats van zand en rotsen, van hitte en onbewoonbaarheid”. Dat is het gevoel, dat het begrip woestijn voor de mens moet wekken. Volgens de overlevering echter is de woestijn ,,een plaats waar men het vee weidt, bezet met steden en dorpen.” De overlevering wil er dus mee zeggen, dat de woestijn deze wereld is, deze zevende dag, dat men haar, ondanks het bezet zijn met steden en dorpen, ondanks het feit dat zij aan het vee, het lichaam, opbrengst geeft, toch moet aanvoelen als de plaats, welke men passeert, welke niet het einddoel is van de mens, waartoe de mens niet is gemaakt.
In deze woestijn is er dus een voortdurend verder gaan op de weg naar de ,,een”. En degeen die in staat is die ,,wolk” te zien op de plaats van de kern, zal weten dat God het is die bepaalt, wanneer en waarheen verder zal worden gegaan. In Egypte was er de vaste, onveranderlijke plaats, in de woestijn echter trekt men, juist omdat men de ,,wolk” daar al kan zien en omdat men weet wat de zin is van dit voorgaan van de wolk. Men weet dat er een leiding is, die heel precies op het doel afgaat. Alle aandacht in het leven in de woestijn is gericht op het bouwen van de plaats van inwoning van God, op het brengen van het ,,korban” daarheen, op het contact met de leider, die in die wereld Mozes heet.
Het gaan dus door deze wereld van de zevende dag is niet een gaan volgens eigen maatstaven, doch een gaan met de blik op de ,,wolk” op die bijzondere plaats. Het is een zich laten leiden door normen, welke men kan vinden in de Bijbel in de openbaring van deze weg door de wereld. Zo zien wij b.v. ook hoe Noach deze weg vanuit de zesde dag door de zevende gaat: met in een schip, waarin hij de leiding heeft in het besturen, in het richting aangeven, doch in een ,,ark”, welke van menselijk standpunt gezien stuurloos is en die geleid wordt door God. Het is een parallel uiteraard aan deze tocht door de woestijn, geleid door de steeds zichtbare ,,wolk”.
De tocht door de woestijn geschiedt volgens een vaste systematiek. Als er op een bepaalde plaats wordt gelegerd, dan vormt het tabernakel het centrum. Daaromheen groeperen zich dan ,,vier” legers; (Num. 2 en 3). Binnen deze vier legers groeperen zich de Levieten, als in een binnenste ring, eveneens in vier delen. Er is dus duidelijk de 1-4 structuur aanwezig. Van de kern, van die ,,een” uit, komt alle wijsheid en inzicht, komt alle weten en daarheen richt zich alle overgave. De stam Levi bemiddelt het contact met deze ,,een”, geeft leiding aan de benadering ervan en vertelt de zin ervan. De ,,vier” omhult, omringt de ,,een”. Van de ,,een” uit komt het teken om op te trekken en dan wordt naar een andere plaats getrokken. En als van daar het teken komt om zich neer te zetten, dan zet men zich neer. Men ziet de kern en men meent niet meer, dat het komen en gaan een gevolg is van eigen menselijke beslissingen. Men ziet, dat er een geheel andere causaliteit bestaat. Men ziet in alles God als de kracht, welke de verplaatsingen door het leven, hetzij in dit leven, hetzij in het leven in andere werelden, na de dood, bepaalt.
En als er gegaan moet worden dan trekt de kern eveneens in het midden, voorafgegaan door twee en gevolgd door twee van de vier groepen. Steeds blijft de 1-4 structuur gehandhaafd. De minutieuze aanduiding hoe deze kern moet worden opgezet en hoe deze ook weer moet worden uit elkaar genomen om elders opnieuw te worden opgezet, laat zien op welke wijze deze wereld en dit leven ontstaan en op welke wijze zij van hier verdwijnen om elders weer een plaats in te nemen.
De overlevering ziet dan ook in het verhaal over de samenstelling en de opbouw van het tabernakel een tot in details gaande parallel van de wijze, waarop God de wereld maakte. Het is een uitdrukking van de schepping in de maten en gewichten van die wonderlijke kern, die wonderlijke ,,een” tegenover de haar omringende ,,vier”. Op grond hiervan vertaalt de overlevering de handelingen om het tabernakel op te bouwen naar de handelingen, door God voibracht om de wereld te vormen. In het menselijke uiten die handelingen zich in die welke men moest verrichten om het tabernakel gereed te krijgen en op te zetten. Als daarom dus in het menselijke leven van de zevende dag het bewustzijn moet heersen, dat God de wereld in de schepping reeds had voltooid, dat zij zo als zij was goed was en er dus geen handelingen meer nodig zijn om de wereld na die zes dagen in de zevende alsnog te voltooien, dan wordt door de overlevering dit complex van handelingen van God om de wereld te maken eveneens gezien in het complex van handelingen om het tabernakel voltooid te krijgen. En zoals dan voor de gehele zevende werelddag geldt, dat de mens in die wereld een bepaalde houding moet hebben, zo geldt dan voor de overlevering voor iedere zevende dag in de loop van de tijd, dat de mens zich moet onthouden van de scheppingsdaden zoals deze zich dus ook uitdrukken in de handelingen welke nodig waren om het tabernakel te voltooien. De regelingen voor de onthouding van handelingen op de Sabbath in de Joodse levenspractijk zijn dus gebaseerd op deze handelingen om het tabernakel te voltooien, juist omdat dit tabernakel op die plaats identiek is met de gehele schepping.
Deze zevende dag is ,,beweging”, een voorttrekken naar een doel buiten die dag. Daarom is het tabernakel zo samengesteld dat de mogelijkheid voor het opbouwen en afbreken er een voornaam onderdeel van is. Het is, als het gehele leven in de wereld van de woestijn, een tent, een hut. Het is bewust nog geen huis. Dat kan het pas in de achtste dag worden. Zo kan ook David, die in de cyclus na de 26 geslachten het 7e is, nog geen huis bouwen, moet er ook bij hem de ,,tent” blijven en is het pas zijn zoon, de 8e, welke het huis kan maken. Dan is het zich verplaatsen ten einde.
Alleen deze zevende werelddag kent dus het verschijnsel van bewegen, van voortdurend van plaats en situatie veranderen, het daarom ook voortdurend van vorm veranderen. In deze zevende werelddag is dus door het bewegen zich iets aan het voltooien, het groeit naar een bestemming. In de achtstc dag is het reeds op zijn bestemming en is er niet meer dat karakter van groeien naar iets toe. In onze wereld drukt dit zich uit in het verschijnsel tijd, dat alles voortdraagt. De tijd is de dimensie in ontwikkeling, zij is steeds bezig zich te voltooien. Zij is wat men tegenwoordig noemt de vierde dimensie. In de achtste dag zal zij voltooid zijn en daarom is de komende wereld onvoorstelbaar voor ons tijd-ruimtelijk denken. In onze wereld zijn drie dimensies voltooid, de vierde stelt het leven voor in deze wereld. Daarom wordt tijd dan ook steeds gemeten als een weg ter voltooiing van de 40 of van de 400. Juist dat vierde voltooit er zich mee. Deze vierde dimensie draagt ons van de zesde dag naar de achtste.
De overlevering vertelt dat tijdens de tocht door de woestijn de omhulling van de mens meegroeide. Zij maakte het hem, door dit meegroeien, mogelijk in deze wereld te leven. Het verhaal drukt het uit door mee te delen dat de kleding en het schoeisel groeiden met de mens, dat zij steeds goed bleven om de mens de weg mogelijk te maken.
Zo kenmerkt zich dus dit woestijnverhaal door het zich voltooien van een nieuwe dimensie, een dimensie welke de wereld van de woestijn nog niet kende. De overlevering drukt dit weer op de haar bekende wijze uit door te vertellen, dat er in de woestijn slechts ,,drie” winden bestonden, de vierde, de , ,noordelijke”, was er nog niet. Die kwam eerst toen men de woestijn was gepasseerd en Kanaan was binnengetrokken. In het ,,noorden” nu is volgens de overlevering het element ,,roeach”, d.w.z. wind, doch tevens geest, gesitueerd. Datgene dus dat zich in de woestijn aan het voltooien is, is juist dat wat wij hier in het beeld kennen als het bewegende, de wind. Het is echter tevens datgene dat als ,,roeach” staat tussen de twee andere uitdrukkingen voor ziel, tussen ,,nefesh”, de lichamelijke, en ,,neshama”, de goddelijke ziel. De zich voltooiende geest, de ,,roeach”, verbindt bij zijn voltooiing de nefesh met de neshama, lichaam en ziel dus. En dat was immers toch ook de zin van deze zevende dag en de realiteit van de komende, van de achtste dag. De achtste dag is er het huwelijk tussen het mannelijke en het vrouwelijke, een huwelijk voorbereid in de zeven dagen. Dat is dus het levende, het menselijke, in de mathematische vierde dimensie.