- WEBSITEWEGWIJZER - EXODUS 15 - Ex 15 -- Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 15 -
- Ex 15,22-27 -

Overzicht van Exodus : - Ex 1 - Ex 2 - Ex 3 - Ex 4 - Ex 5 - Ex 6 - Ex 7 - Ex 8 - Ex 9 - Ex 10 - Ex 11 - Ex 12 - Ex 13 - Ex 14 - Ex 15 - Ex 16 - Ex 17 - Ex 18 - Ex 19 - Ex 20 - Ex 21 - Ex 22 - Ex 23 - Ex 24 - Ex 25 - Ex 26 - Ex 27 - Ex 28 - Ex 29 - Ex 30 - Ex 31 - Ex 32 - Ex 33 - Ex 34 - Ex 35 - Ex 36 - Ex 37 - Ex 38 - Ex 39 - Ex 40 -
Overzicht vers per vers : - Ex 15,1 - Ex 15,2 - Ex 15,3 - Ex 15,4 - Ex 15,5 - Ex 15,6 - Ex 15,7 - Ex 15,8 - Ex 15,9 - Ex 15,10 - Ex 15,11 - Ex 15,12 - Ex 15,13 - Ex 15,14 - Ex 15,15 - Ex 15,16 - Ex 15,17 - Ex 15,18 - Ex 15,19 - Ex 15,20 - Ex 15,21 - Ex 15,22 - Ex 15,23 - Ex 15,24 - Ex 15,25 - Ex 15,26 - Ex 15,27 -



- Hebreeuwse tekst : http://www.mechon-mamre.org/p/pt/pt0215.htm . http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Hebreeuws OF modern Hebreeuws (NT) .
- Targum Onkelos : http://www.mechon-mamre.org/i/t/u/u0215.htm . Targum Onkelos . Vertaling : http://targum.info/onk/ExOnk13_17.htm . Vertaling Pseudo-Jonathan : http://targum.info/pj/pjex13-17.htm .
- Griekse tekst - Septuaginta : http://www.myriobiblos.gr/bible/ot/chapter.asp?book=2&page=15 . Griekse tekst - Septuaginta .
- Vulgata : http://www.intratext.com/IXT/LAT0001/_P1T.HTM . Vulgata .
- Statenvertaling : http://www.statenvertaling.net/bijbel/exod/15.html . Statenvertaling .
- Willibrordvertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/?p=page&i=1930,1956 . Willibrordvertaling .
- De Nieuwe Vertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/?p=page&i=1930,1956 . De Nieuwe Vertaling .
- De Naardense bijbel : http://naardensebijbel.nl/zoek.php . De Naardense bijbel .
- Bible de Jérusalem : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Bible de Jérusalem .
- King James Bible : http://quod.lib.umich.edu/cgi/k/kjv/kjv-idx?type=DIV1&byte=220736 . King James Bible .
- Luther Bibel : http://www.die-bibel.de/online-bibeln/luther-bibel-1984/bibeltext/bibelstelle/2%20Mose%2015/bibel/text/lesen/ch/9b183cedf080b937d1f399bc615e4229/. Luther Bibel .
- Arabisch :http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Arabisch .

Ex 15,1 - Ex 15,1 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        1] Toen zongen Mozes en de Israëlieten ter ere van de heer dit lied*: Ik wil zingen voor de heer, want Hij is de Hoogste: paard en berijder dreef Hij in zee.      

 

King James Bible .
Luther-Bibel .

אָשִׁ֤ירָה   לַֽיהוָה֙   כִּֽי־גָאֹ֣ה   גָּאָ֔ה
ʾā·šîʹ·rā(h) lǎ·yhwh kî-ḡā·ʾō(h)ʹ gā·ʾā(h)ʹ
שׁיר לְ · יהוה כִּי · גאה גאה
šyr l · yhwh kiyʹ · gʾh gʾh
sing to · Yahweh because · be exalted be exalted
let I|me sing to · Yahweh because · highly1 he is exalted
Moge ik zingen voor JHWH want verheven verheven is Hij
Van der Merwe, C. (2004). The Lexham Hebrew-English Interlinear Bible (Ex 15:1). Bellingham, WA: Lexham Press.

Tekstuitleg van

11. act. ind. imperf. (jiqtol) 1ste pers. enk. cohortatief אָשִׁירָה = ´âsjîrâh (moge ik zingen) van het werkw. שִׁיר = sjîr (zingen) . Taalgebruik in Tenakh : sjîr (zingen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , jod = 10 , resj = 20 of 200 ; totaal : 510 (3 X 10 X 17) . Structuur : 3 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (12) . Pentateuch (1) : Ex 15,1 .

13. act. ind. perf. (qatal) 3de pers. mann. enk. גָאָה = gâ´âh (zich verheffen, verheven zijn , klimmen, groeien) . Taalgebruik in Tenakh : gâ´âh (zich verheffen, verheven zijn , klimmen, groeien) . Getalswaarde : gimel = 3 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 9 . Structuur : 3 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 9 . q´ h : Tenakh (7) . Pentateuch (2) : (1) Ex 15,1 . (2) Ex 15,21 .

Ex 15,2 - Ex 15,2 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [2] De heer is mijn sterkte en kracht, Hij is mijn redding geweest. Hij is mijn God en Hem wil ik loven; de God van mijn vader, Hem zal ik prijzen.      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 15,3 - Ex 15,3 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [3] De heer is een strijder, heer is zijn naam.      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Bibliografie

- http://www.nbseminary.ca/wp-content/uploads/pdf/Perkins_The_Lord_is_a_Warrior.pdf .

Ex 15,4 - Ex 15,4 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [4] De wagens van de farao, zijn machtige legers, Hij wierp ze in zee; de keur van zijn mannen, door de Rietzee verzwolgen. [      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 15,5 - Ex 15,5 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [5] Zij zijn door de vloed overspoeld, als een steen naar de diepte gezakt.      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 15,5 .

Ex 15,5.5. כּמוֹ = këmô (zoals) . Taalgebruik in Tenakh : këmô (zoals) . Getalswaarde : kaph = 12 of 30 , mem , 13 of 40 , waw = 6 ; totaal : 31 OF 76 (4 X 19) . Structuur : 3 - 4 - 6 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (52) . Pentateuch (2) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (33) . Pentateuch (2) : (1) Ex 15,5. (2) Ex 15,8 .
- ὡsei = hôsei (als of , evenals, ongeveer) . Taalgebruik in het NT : hôsei (als of , evenals, ongeveer) . Taalgebruik in de LXX : hôsei (als of , evenals, ongeveer) . Ex (10) .

  hôsei  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
    171  151  20             

- Ned. : zoals . Arabisch : كَما = kamâ (zoals) . Taalgebruik in de Qoran : kamâ (zoals) . D. : wie . E. : as . Fr. : selon .

Ex 15,5.6. nom. + acc. onz. enk. βαθος = bathos (diepte) . Taalgebruik in het NT : bathos (diepte) . Taalgebruik in de LXX : bathos (diepte) . Bijbel (16) . OT (10) : (1) Js 7,11 . (2) Ez 31,14 . (3) Ez 31,18 . (4) Ez 32,18 . (5) Ez 32,24 . (6) Ez 43,13 . (7) Spr 18,3 . (8) Pr 7,24 . (9) Jdt 8,14 . (10) W 4,3 . NT (6) : (1) Mt 13,5 . (2) Mc 4,5 . (3) Lc 5,4 . (4) Rom 8,39 . (5) Rom 11,33 . (6) Ef 3,18 . Dit is de enigste vorm in Lc . Een vorm van βαθος = bathos in de LXX (23) , in het NT (8) : (1) Mt 13,5 . (2) Mc 4,5 . (3) Lc 5,4 . (4) Rom 8,39 . (5) Rom 11,33 . (6) 1 Kor 2,10 . (7) 2 Kor 8,2 . (8) Ef 3,18 . In de LXX is βαθος = bathos de vertaling van 10 Hebreeuwse woorden .
- Hebreeuws o.a. : מְצוּלָה = mëtsûlah (en verschillende schrijfwijzen) (diepte) . Zie : צוּלָה / מְצוּלָה = tsûlah en mëtsûlah (en verschillende schrijfwijzen) (diepte) . Taalgebruik in Tenakh : tsûlah en mëtsûlah (en verschillende schrijfwijzen) (diepte) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 ; waw = 6 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; totaal : 41 OF 131 . Structuur : 9 - 6 - 3 (afdalende lijn) - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (4) : (1) Jon 2,4 . (2) Ps 69,3 . (3) Ps 69,16 . (4) Job 41,23 . Een vorm van in Tenakh (12) : (1) Ex 15,5 . (2) Jon 2,4 . (3) Mi 7,19 . (4) Zach 1,8 . (5) Zach 10,11 . (6) Ps 68,23 . (7) Ps 69,3 . (8) Ps 69,16 . (9) Ps 88,7 . (10) Ps 107,24 . (11) Job 41,23 . (12) Neh 9,11 .

Ex 15,5.10. onz. mv. κυματα= kumata (golven) van het zelfst. naamw. κυμα = kuma (golf) . Taalgebruik in het NT : kuma (golf) . Taalgebruik in de LXX : kuma (golf) . LXX (11) : (1) Ex 15,8 . (2) Ps 41,8 . (3) Ps 107,25 . (4) . (5) . (6) Jon 2,4 . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . NT (2) : (1) Mc 4,37 . (2) Jud 1,13 .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + acc. onz. mv. kumata   12  10    1 : Mc 4,37 .          
gen. onz. mv.  kumatôn 2 : (1) Mt 8,24 . (2) Mt 14,24 .              
  totaal 26  21         

Ex 15,6 - Ex 15,6 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [6] Uw hand, heer, heeft zich machtig getoond; uw hand sloeg de vijand neer.      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 15,7 - Ex 15,7 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        7] Degenen die U weerstonden hebt U gebroken, in al uw grootsheid. Het vuur van uw toorn liet U gaan: het verslond hen als stro.      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 15,8 - Ex 15,8 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [8] Door het razen van uw toorn stegen de wateren, de stromen bleven staan als een dam; de diepte verstijfde, midden in zee.      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 15,8 .

4. מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Getalswaarde : mem = 13 of 40 , jod = 10 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5) . Structuur : 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (254) . Pentateuch (53) . Eerdere Profeten (46) . Latere Profeten (72) . 12 Kleine Profeten (15) . Geschriften (68) . Ex (15) : (1) Ex 7,18 . (2) Ex 7,21 . (3) Ex 7,24 . (4) Ex 15,8 . (5) Ex 15,22 . (6) Ex 15,23 . (7) Ex 15,27 . (8) Ex 17,1 . (9) Ex 17,2 . (10) Ex 17,6 . (11) Ex 23,31 . (12) Ex 30,18 . (13) Ex 30,20 . (14) Ex 40,7 . (15) Ex 40,30 .
- הַמָּיִם = hammajim (de wateren) < bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfstandig naamw. מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Getalswaarde : mem = 13 of 40 , jod = 10 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5) . Structuur : 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (85) . Pentateuch (45) . Eerdere Profeten (23) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (12) . Ex (12) : (1) Ex 2,10 . (2) Ex 4,9 . (3) Ex 7,17 . (4) Ex 7,20 . (5) Ex 14,21 . (6) Ex 14,26 . (7) Ex 14,28 . (8) Ex 15,25 . (9) Ex 15,27 . (10) Ex 32,20 .
- Grieks : zelfst. naamw. nom. onz. enk. ὑδωρ = hudôr (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Taalgebruik in de LXX : hudôr (water) . LXX (313) . Pentateuch (95) . Gn (29) . Ex (26) .

  hudôr (water)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. + acc. onz. enk. hudôr   313  292  21    10  13   
  totaal 666  596  70  19  10  17  18  37 

- Ned. : water . Arabisch : مَأء = mâh (water) . Taalgebruik in de Qoran : mâh (water) . D. : Wasser . E. : water . Fr. : eau . Grieks : ὑδωρ = hudôr (water) . Hebreeuws : מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Lat. : aqua .

Ex 15,8.3. pass. nifal perf. 3de pers. mann. mv. נֶעֶרְמוּ = nè`èrëmû (zij stapelden zich op) van het werkw. עָרַם = `âram (nif.) (zich opstapelen) . Taalgebruik in Tenakh : `âram (nif.) zich opstapelen . Getalswaarde : ajin = 16 of 70 , resj = 20 of 200 , mem = 13 of 40 ; totaal : 49 (7²) OF 310 (2 X 5 X 31) . Structuur : 7 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 4 . Slechts in Ex 15,8 . Een vorm van עָרַם = `âram (nif.) (zich opstapelen) in Tenakh (48X) .
- Grieks . act. ind. aor. 3de pers. enk. διεστη = diestè (hij verwijderde zich - distantie - hij distantieerde zich van hen - hij nam afstand van hen) van het werkw. διιστημι = diistèmi (uiteen plaatsen, afzonderlijk opstellen, afzonderen, scheiden, tussenin (dia) staan) . Bijbel : (1) Ex 15,8 . (2) 2 K 2,14 . (3) Lc 24,51 . In Ex 15,8 wordt het water gesplitst zodat er midden in de zee een weg ontstond waardoor het volk van Israël kon uittrekken uit Egypte . 2 K 2,14 verwijst naar het Exodusverhaal . Elisa heeft de profetenmantel opgenomen nadat Elia hem bij zijn hemelvaart liet vallen . De tekst zegt dat de wateren niet uiteengingen nadat Elisa een eerste maal had geslagen . In Lc 24,51 zou διεστη = diestè kunnen wijzen op de uittocht , pascha . Een vorm van διιστημι = diistèmi in de LXX (11) , in het NT (3) , in Lc (2) : (1) Lc 22,59 . (2) Lc 24,51 , in Hnd (1) .

Ex 15,8.6. כּמוֹ = këmô (zoals) . Taalgebruik in Tenakh : këmô (zoals) . Getalswaarde : kaph = 12 of 30 , mem , 13 of 40 , waw = 6 ; totaal : 31 OF 76 (4 X 19) . Structuur : 3 - 4 - 6 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (52) . Pentateuch (2) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (33) . Pentateuch (2) : (1) Ex 15,5. (2) Ex 15,8 .
- ὡsei = hôsei (als of , evenals, ongeveer) . Taalgebruik in het NT : hôsei (als of , evenals, ongeveer) . Taalgebruik in de LXX : hôsei (als of , evenals, ongeveer) . Ex (10) .

  hôsei  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
    171  151  20             

- Ned. : zoals . Arabisch : كَما = kamâ (zoals) . Taalgebruik in de Qoran : kamâ (zoals) . D. : wie . E. : as . Fr. : selon .

11. - 12. εν μεσῳ της θαλασσης = en mesôi tès thalassès (in het midden van het meer / de zee) . LXX (3) : (1) Ex 14,29 . (2) Ex 15,8 . (3) Ex 15,19 . NT (1) : Mc 6,47 .


Ex 15,9 - Ex 15,9 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [9] ‘Ik ga ze achterna’, zei de vijand, ‘ik haal ze wel in; de buit zal ik delen, ik zal erin zwelgen; mijn zwaard zal ik trekken, mijn hand roeit hen uit.’      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 15,10 - Ex 15,10 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [10] Maar U hebt geblazen, de zee heeft hen bedolven; zij zonken als lood in de machtige vloed.      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 15,11 - Ex 15,11 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
      [11] Wie van de goden is als U, heer? Wie is er als U, schrikwekkend en heilig*, om roemvolle daden geducht, om wonder na wonder? [        

King James Bible .
Luther-Bibel .

מִ֥י   כָּמֹ֖כָה   נֶאְדָּ֣ר   בַּקֹּ֑דֶשׁ      
mîʹ kā·mōʹ·ḵā(h) něʾ·dārʹ bǎq·qōʹ·ḏěš
מִי כְּמוֹ · אַתָּה אדר בְּ · הַ · קֹ֫דֶשׁ
miyʹ kemôʹ · ʾǎt·tāhʹ ʾdr b · hǎʹ · qōʹ·ḏěš
who like · you be gloriousa in · the · holiness
who [is] like · you glorious in · (the) · holiness
wie (wordt) zoals Jij verheerlijkt in het heiligdom

Tekstuitleg van Ex 15,11 . Dit vers Ex 15,11 is inspiratie geweest voor de 2de beracha (zegening) van het Achttiengebed dat 3X daags staande gebeden wordt .

Ex 15,11.1. מִי = mî (wie) . Taalgebruik in Tenakh : mî (wie) . Getalswaarde : mem = 13 of 40 , jod = 10 ; totaal : 23 OF 50 (2 X 5²) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (348) . Pentateuch (59) . Eerdere Profeten (70) . Latere Profeten (82) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (120) . Dt (14) .
- מִי = mî (wie) < een woord met 1 medeklinker . De lange î is î gebleven omdat het een proclitisch woord is . Proclitisch wil zeggen dat een eenlettergrepig onbeklemtoond woord wordt gehecht aan het volgende (Lettinga (6) 13d) .
- Ned. : wie ? Arabisch : مَن = man (wie) . Taalgebruik in de Qoran : man (wie) . Aramees : מַן = man (wie?) . Hebreeuws : מִי = mî (wie) . Taalgebruik in Tenakh : mî (wie) .

Ex 15,11.2. כָמֹכָה = kâmokhâh (als jou) < voorzetsel + bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Zie : כּמוֹ = këmô (zoals) . Taalgebruik in Tenakh : këmô (zoals) . Getalswaarde : kaph = 12 of 30 , mem , 13 of 40 , waw = 6 ; totaal : 31 OF 76 (4 X 19) . Tenakh (1) : Ex 15,11 (2X) .

Ex 15,11.5. מִי = mî (wie) . Taalgebruik in Tenakh : mî (wie) . Getalswaarde : mem = 13 of 40 , jod = 10 ; totaal : 23 OF 50 (2 X 5²) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (348) . Pentateuch (59) . Eerdere Profeten (70) . Latere Profeten (82) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (120) . Dt (14) .
- מִי = mî (wie) < een woord met 1 medeklinker . De lange î is î gebleven omdat het een proclitisch woord is . Proclitisch wil zeggen dat een eenlettergrepig onbeklemtoond woord wordt gehecht aan het volgende (Lettinga(6) 13d) .
- Ned. : wie ? Arabisch : مَن = man (wie) . Taalgebruik in de Qoran : man (wie) . Aramees : מַן = man (wie?) . Hebreeuws : מִי = mî (wie) . Taalgebruik in Tenakh : mî (wie) .

Ex 15,11.6. כָמֹכָה = kâmokhâh (als jou) < voorzetsel + bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Zie : כּמוֹ = këmô (zoals) . Taalgebruik in Tenakh : këmô (zoals) . Getalswaarde : kaph = 12 of 30 , mem , 13 of 40 , waw = 6 ; totaal : 31 OF 76 (4 X 19) . Tenakh (1) : Ex 15,11 (2X) .

Ex 15,11.7. pass. nifal part. mann. enk. נֶאְדָּר = nè'ëdâr (verheerlijkt) van het werkw. אָדַר = ´âdar (nif.: verheerlijkt zijn) . Taalgebruik in Tenakh : ´âdar (nif.: verheerlijkt zijn) . Getalswaarde : aleph = 1 , daleth = 4 , resj = 20 of 200 ; totaal : 25 of 205 (5 X 41) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1) : Ex 15,11 .

Ex 15,11.8. - בַּקֹּדשׁ = baqqodèsj ( in het heiligdom , in de heiligheid) < prefix voorzetsel bë (in, met) + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. קֹדֶשׁ / קוֹדֶשׁ = qodèsj / qôdèsj (heiligheid, heiligdom) , zie קָדוֹשׁ = qâdôsj (heilig) . Stat. constr. קְדוֹשׁ = qëdôsj . Taalgebruik in Tenakh : qâdôsj (heilig) . Getalswaarde : qoph = 19 of 100 , daleth = 4 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 ; totaal : 50 OF 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 1 - 4 - 6 - 3 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (28) .
- Ned. : heilig . Arabisch : qadîsj (heilig) . D. : heilig . E. : holy . Fr. : saint . Gr. : ἁγιος = hagios (heilig) . Taalgebruik in het NT : hagios (heilig) . Hebreeuws : קָדוֹשׁ = qâdôsj (heilig) . Stat. constr. קְדוֹשׁ = qëdôsj . Taalgebruik in Tenakh : qâdôsj (heilig) . Latijn : sanctus .


Ex 15,12 - Ex 15,12 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        12] Uw hand heft U op, de aarde verslindt hen.      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 15,13 - Ex 15,13 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [13] Uw genade leidde het volk, dat U verlost hebt; uw kracht heeft het naar uw heilige plaats geleid.      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

נָחִ֥יתָ   בְחַסְדְּךָ֖   עַם־ז֣וּ   גָּאָ֑לְתָּ
nā·ḥîʹ·ṯā eḥǎs·deḵāʹ ʿǎm-zûʹ gā·ʾālʹ·tā
נחה בְּ · חֶ֫סֶד · אַתָּה עַם · זוּ גאל
nḥh b · ḥěʹ·sěḏ · ʾǎt·tāhʹ ʿǎmʹ · zû gʾl
lead in · loyal love · you people · whoa redeem
you led in · loyal love · your [the] people · whom you redeemed
Jij leidt in jouw liefde het volk dat Jij hebt bevrijd;

 

1. act. ind. perf. 2de pers. mann. enk. נָחִיתָ = nâchîthâ (jij leidde) van het werkw. נָחָה = nâchâh (voeren, leiden) . Taalgebruik in Tenakh : nâchâh (voeren, leiden) . Getalswaarde : nun = 14 of 50 , chet = 8 , he = 5 ; totaal : 27 of 63 (7 X 9) . Structuur : 5 - 8 - 5 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (2) : (1) Ex 15,13 . (2) Ps 77,21 .

2. בְחַסְדְךָ = bëchasëdëkhâ (in jouw barmhartigheid) . Prefix bë , zelfstandig naamwoord en suffix persoonlijk voornaamwoord tweede persoon mann. enkelvoud . חֶסֶד = chèsèd (liefde, barmhartigheid) . Taalgebruik in Tenakh : chèsèd (liefde, barmhartigheid) . Getalswaarde : chet = 8 , samech = 15 of 60 , daleth = 4 ; totaal : 27 (3 X 9) of 72 (8 X 9) . Structuur : 8 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (4) : (1) Ex 15,13 . (2) Ps 13,6 . (3) Ps 31,8 . (4) Ps 31,17 .
- nom. vr. enk. of dat. vr. enk. δικαιοσυνη / δικαιοσυνῃ : dikaiosunè(i) (rechtvaardigheid) . Zie het bijvoegl. naamw. δικαιος = dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in de bijbel : dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in de Septuaginta : dikaios (rechtvaardig) . Bijbel (130) . OT (115) . Pentateuch (4) : (1) Gn 20,5 . (2) Gn 30,33 . (3) Ex 15,13 . (4) Lv 19,15 . NT (25) . W (4) : (1) W 1,15 . (2) W 9,3 . (3) W 14,7 . (4) W 15,3 . Een vorm van δικαιοσυνη = dikaiosunè (rechtvaardigheid) in de LXX (351) , in het NT (91) , in Mt (7) , in Mc (0) , in Lc (1) .

Ex 15,14 - Ex 15,14 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [14] De volken vernamen het, zij beefden van angst; Filistea’s bewoners sidderden. [      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 15,15 - Ex 15,15 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 15,16 - Ex 15,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 15,17 - Ex 15,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 15,18 - Ex 15,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 15,19 - Ex 15,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

19. הַּיָּם = hajjâm (de zee) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. יָם = jam . Taalgebruik in Tenakh : jâm (zee, meer, stroom) . Getalswaarde : jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 23 OF 50 (2 X 5²) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (127) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (36) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (25) . Ex (12) : (1) Ex 14,2 . (2) Ex 14,9 . (3) Ex 14,16 . (4) Ex 14,21 . (5) Ex 14,22 . (6) Ex 14,23 . (7) Ex 14,26 . (8) Ex 14,27 . (9) Ex 14,29 . (10) Ex 14,30 . (11) Ex 15,19 . (12) Ex 20,11 . Ps (12) : (1) Ps 8,9 . (2) Ps 33,7 . (3) Ps 78,53 . (4) Ps 89,10 . (5) Ps 95,5 . (6) Ps 96,11 . (7) Ps 98,7 . (8) Ps 104,25 . (9) Ps 107,23 . (10) Ps 114,3 . (11) Ps 114,5 . (12) Ps 146,6 .
- יָם = jâm (zee, meer, stroom) . Taalgebruik in Tenakh : jâm (zee, meer, stroom) . Getalswaarde : jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 23 OF 50 (2 X 5²) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 .
- gen. vr. enk. θαλασσης = thalassès (van het meer) van het zelfst. naamw. θαλασσα = thalassa (zee, meer) . Taalgebruik in het NT : thalassa (zee meer) . Taalgebruik in de LXX : thalassa (zee meer) .

  thalassa (zee)   bijbel OT Pentateuch Vroege prof. 12 kl. prof. Grote prof. Hagiografen dt. -can. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
2 gen. vr. enk. thalassès  176  148  33  24  13  36  24  18  28  14 
  totaal 446  359  70  69  34  91  67  28  87  15  18  10  24  36  45 

- Ned. : zee . Arabisch : بحر = bahr (zee) . Taalgebruik in de Qoran : bahr (zee) . D. : See . E. : sea . Fr. : mer . Gr. : θαλασσα = thalassa (zee, meer) . Taalgebruik in het NT : thalassa (zee meer) . Hebr. : יָם = jâm (zee, meer, stroom) . Taalgebruik in Tenakh : jâm (zee, meer, stroom) . Lat. : mare .

18. - 19. εν μεσῳ της θαλασσης = en mesôi tès thalassès (in het midden van het meer / de zee) . LXX (3) : (1) Ex 14,29 . (2) Ex 15,8 . (3) Ex 15,19 . NT (1) : Mc 6,47 .
- εις μεσον της θαλασσης = eis meson tès thalassès (temidden van de zee) . Bijbel (4) : (1) Ex 14,16 . (2) Ex 14,22 . (3) Ex 14,23 . (4) Ez 26,12 .
- בְתוֹךְ הַיָּמ = bëthôkh hajjâm (in het midden van de zee) . Tenakh (9) : (1) Ex 14,16 . (2) Ex 14,22 . (3) Ex 14,27 . (4) Ex 14,29 . (5) Ex 15,19 . (6) Nu 33,8 . (7) Ez 26,5 . (8) Ez 27,32 . (9) Neh 9,11 .
- We kunnen er niet naast kijken . In het midden van de zee van Mc 6,47 verwijst naar het uittochtverhaal in Ex 14 - 15 . In dat verhaal gaan de Israëlieten droogvoets in het midden van de zee . Er zijn 2 versies over het droogvoets doorgaan . De 1ste versie : Mozes sloeg met zijn staf op het water en het water splitste zich in twee waardoor ze konden doorgaan . De 2de versie : Er waaide een oostenwind waardoor ze de zee konden oversteken .

Ex 15,20 - Ex 15,20 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 15,21 - Ex 15,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Begin van de woestijntocht . Ex 15,22-27 - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- taalgebruik -- Ex 15 -- Ex 15,22-27 -- Ex 15,22 - Ex 15,23 - Ex 15,24 - Ex 15,25 - Ex 15,26 - Ex 15,27 -

Ex 15,22 - Ex 15,22 : Begin van de woestijntocht - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- taalgebruik -- Ex 15 -- Ex 15,22-27 -- Ex 15,22 - Ex 15,23 - Ex 15,24 - Ex 15,25 - Ex 15,26 - Ex 15,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [22] Toen* liet Mozes de Israëlieten vanaf de Rietzee verder trekken naar de woestijn van Sur*. Drie dagen trokken zij door de woestijn, zonder water te vinden.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 15,23 - Ex 15,23 : Begin van de woestijntocht - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- taalgebruik -- Ex 15 -- Ex 15,22-27 -- Ex 15,22 - Ex 15,23 - Ex 15,24 - Ex 15,25 - Ex 15,26 - Ex 15,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [23] Zij kwamen in Mara, maar het water van Mara was niet te drinken, zo bitter was het. Daarom heet die plaats Mara.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 15,24 - Ex 15,24 : Begin van de woestijntocht - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- taalgebruik -- Ex 15 -- Ex 15,22-27 -- Ex 15,22 - Ex 15,23 - Ex 15,24 - Ex 15,25 - Ex 15,26 - Ex 15,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [24] Het volk begon te morren* tegen Mozes en vroeg: ‘Wat moeten we drinken?’       

1. wajjillînû (en zij morden) . prefix wë (en) + werkwoordvorm hifil imperfect. 3de pers. mann. mv. van het werkw. lwn / ljn (morren tegen) . Taalgebruik in Tenach : lwn / ljn (morren tegen) . Slechts in Ex 16,2 in Tenach . Zie verder : wajjillonû (zij morden tegen) . prefix wë (en) + werkwoordvorm nifal imperfect. 3de pers. mann. mv. . Tenach (4) : (1) Ex 15,24 . (2) Nu 14,2 . (3) Nu 17,6 . (4) Joz 9,18 .
(1) Ex 15,24 (wajjillonû hâ`âm `al ; LXX : kai diegogguzen ho laos epi - en het volk morde tegen) .
(2) Nu 14,2 (wajjillonû `al ; LXX : kai diegogguzon epi : en zij morden tegen) .
(3) Nu 17,6 (wajjillonû kâl `ädath bënê jishërâ´el... `al (en de hele bijeenkomst van de zonen van Israël morde tegen ; LXX : kai egoggusan hoi huoi Israèl ... epi : en de zonen van Israël morden ... tegen) .
() Joz 3,1 (wajjâlinû : en zij kampeerden ; qal imperfectum derde persoon mannelijk meervoud) .
(4) Joz 9,18 (wajjillonû kâl `ädâh `al (en de hele bijeenkomst morde tegen ; LXX : kai egoggusan pasa hè sunagôgè epi : en de hele samenkomst morde tegen) .

1. - 2. Het volk morde tegen Mozes : (1) Ex 15,24 . (2) Ex 17,3 .
- wajjillonû (en zij morden) hâ`âm (het volk) . Slechts in dit vers in de bijbel .

3. מֹשֶׁה = mosjèh (Mozes) . Taalgebruik in Tenakh : Mosjèh (Mozes) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , sjin = 21 of 300 , h = 5 . Totaal : 39 (3 X 13) of 345 (3 X 5 X 23) ; het omgekeerde 543 (3 X 181 : het zesde zeszijdige stergetal) . Structuur : 4 - 3 - 5 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (675) . Pentateuch (569) . Ex (248) .

3. - 4. `al mosjèh (tegen Mozes) . Tenach (10) . Ex (4) . Nu (6) .
- In Tenach in zeven verzen in combinatie met wë`al ´ahäron (en tegen Aäron) . (1) Ex 16,2 . (2) Nu 14,2 . (3) Nu 16,3 . (4) Nu 17,6 . (5) Nu 17,7 . (6) Nu 20,2 . (7) Nu 26,9 . Zonder wë`al ´ahäron (en tegen Aäron) in nog drie verzen in de bijbel : (1) Ex 15,24 . (2) Ex 17,3 . (3) Ex 18,13 .

Ex 15,25 - Ex 15,25 : Begin van de woestijntocht - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- taalgebruik -- Ex 15 -- Ex 15,22-27 -- Ex 15,22 - Ex 15,23 - Ex 15,24 - Ex 15,25 - Ex 15,26 - Ex 15,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [25] Mozes smeekte de heer om hulp, en de heer wees hem een stuk* hout aan. Hij wierp dat in het water, en het water werd zoet. Daar gaf Hij het volk regels en recht, daar stelde Hij hen op de proef.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 15,26 - Ex 15,26 : Begin van de woestijntocht - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- taalgebruik -- Ex 15 -- Ex 15,22-27 -- Ex 15,22 - Ex 15,23 - Ex 15,24 - Ex 15,25 - Ex 15,26 - Ex 15,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [26] Hij* hield hun voor: ‘Als u oprecht gehoorzaamt aan het woord van de heer uw God, en als u doet wat in zijn ogen goed is, als u zijn voorschriften opvolgt en zijn verordeningen onderhoudt, dan zal geen van de ziekten* die Ik over Egypte liet komen, u treffen. Ik ben de heer, uw geneesheer.’       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 15,27 - Ex 15,27 : Begin van de woestijntocht - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- taalgebruik -- Ex 15 -- Ex 15,22-27 -- Ex 15,22 - Ex 15,23 - Ex 15,24 - Ex 15,25 - Ex 15,26 - Ex 15,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [27] Zij kwamen vervolgens in Elim, een plaats met twaalf bronnen en zeventig palmen, en zij legerden zich daar bij het water.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van


- Hebreeuwse tekst

אָז יָשִׁיר־מֹשֶׁה וּבְנֵי יִשְׂרָאֵל אֶת־הַשִּׁירָה הַזֹּאת לַיהוָה וַיֹּאמְרוּ לֵאמֹר אָשִׁירָה לַיהוָה כִּי־גָאֹה גָּאָה סוּס וְרֹכְבֹו רָמָה בַיָּם׃ .1 עָזִּי וְזִמְרָת יָהּ וַיְהִי־לִי לִישׁוּעָה זֶה אֵלִי וְאַנְוֵהוּ אֱלֹהֵי אָבִי וַאֲרֹמְמֶנְהוּ׃ .2 יְהוָה אִישׁ מִלְחָמָה יְהוָה שְׁמֹו׃ .3 מַרְכְּבֹת פַּרְעֹה וְחֵילֹו יָרָה בַיָּם וּמִבְחַר שָׁלִשָׁיו טֻבְּעוּ בְיַם־סוּף׃ .4 תְּהֹמֹת יְכַסְיֻמוּ יָרְדוּ בִמְצֹולֹת כְּמֹו־אָבֶן׃ .5 יְמִינְךָ יְהוָה נֶאְדָּרִי בַּכֹּחַ יְמִינְךָ יְהוָה תִּרְעַץ אֹויֵב׃ .6 וּבְרֹב גְּאֹונְךָ תַּהֲרֹס קָמֶיךָ תְּשַׁלַּח חֲרֹנְךָ יֹאכְלֵמֹו כַּקַּשׁ׃ .7 וּבְרוּחַ אַפֶּיךָ נֶעֶרְמוּ מַיִם נִצְּבוּ כְמֹו־נֵד נֹזְלִים קָפְאוּ תְהֹמֹת בְּלֶב־יָם׃ .8 אָמַר אֹויֵב אֶרְדֹּף אַשִּׂיג אֲחַלֵּק שָׁלָל תִּמְלָאֵמֹו נַפְשִׁי אָרִיק חַרְבִּי תֹּורִישֵׁמֹו יָדִי׃ .9 נָשַׁפְתָּ בְרוּחֲךָ כִּסָּמֹו יָם צָלֲלוּ כַּעֹופֶרֶת בְּמַיִם אַדִּירִים׃ .10 מִי־כָמֹכָה בָּאֵלִם יְהוָה מִי כָּמֹכָה נֶאְדָּר בַּקֹּדֶשׁ נֹורָא תְהִלֹּת עֹשֵׂה פֶלֶא׃ .11 נָטִיתָ יְמִינְךָ תִּבְלָעֵמֹו אָרֶץ׃ .12 נָחִיתָ בְחַסְדְּךָ עַם־זוּ גָּאָלְתָּ נֵהַלְתָּ בְעָזְּךָ אֶל־נְוֵה קָדְשֶׁךָ׃ .13 שָׁמְעוּ עַמִּים יִרְגָּזוּן חִיל אָחַז יֹשְׁבֵי פְּלָשֶׁת׃ .14 אָז נִבְהֲלוּ אַלּוּפֵי אֱדֹום אֵילֵי מֹואָב יֹאחֲזֵמֹו רָעַד נָמֹגוּ כֹּל יֹשְׁבֵי כְנָעַן׃ .15 תִּפֹּל עֲלֵיהֶם אֵימָתָה וָפַחַד בִּגְדֹל זְרֹועֲךָ יִדְּמוּ כָּאָבֶן עַד־יַעֲבֹר עַמְּךָ יְהוָה עַד־יַעֲבֹר עַם־זוּ קָנִיתָ׃ .16 תְּבִאֵמֹו וְתִטָּעֵמֹו בְּהַר נַחֲלָתְךָ מָכֹון לְשִׁבְתְּךָ פָּעַלְתָּ יְהוָה מִקְּדָשׁ אֲדֹנָי כֹּונְנוּ יָדֶיךָ׃ .17 יְהוָה ׀ יִמְלֹךְ לְעֹלָם וָעֶד׃ .18 כִּי בָא סוּס פַּרְעֹה בְּרִכְבֹּו וּבְפָרָשָׁיו בַּיָּם וַיָּשֶׁב יְהוָה עֲלֵהֶם אֶת־מֵי הַיָּם וּבְנֵי יִשְׂרָאֵל הָלְכוּ בַיַּבָּשָׁה בְּתֹוךְ הַיָּם׃ פ .19 וַתִּקַּח מִרְיָם הַנְּבִיאָה אֲחֹות אַהֲרֹן אֶת־הַתֹּף בְּיָדָהּ וַתֵּצֶאןָ כָל־הַנָּשִׁים אַחֲרֶיהָ בְּתֻפִּים וּבִמְחֹלֹת׃ .20 וַתַּעַן לָהֶם מִרְיָם שִׁירוּ לַיהוָה כִּי־גָאֹה גָּאָה סוּס וְרֹכְבֹו רָמָה בַיָּם׃ ס .21 וַיַּסַּע מֹשֶׁה אֶת־יִשְׂרָאֵל מִיַּם־סוּף וַיֵּצְאוּ אֶל־מִדְבַּר־שׁוּר וַיֵּלְכוּ שְׁלֹשֶׁת־יָמִים בַּמִּדְבָּר וְלֹא־מָצְאוּ מָיִם׃ .22 וַיָּבֹאוּ מָרָתָה וְלֹא יָכְלוּ לִשְׁתֹּת מַיִם מִמָּרָה כִּי מָרִים הֵם עַל־כֵּן קָרָא־שְׁמָהּ מָרָה׃ .23 וַיִּלֹּנוּ הָעָם עַל־מֹשֶׁה לֵּאמֹר מַה־נִּשְׁתֶּה׃ .24 וַיִּצְעַק אֶל־יְהוָה וַיֹּורֵהוּ יְהוָה עֵץ וַיַּשְׁלֵךְ אֶל־הַמַּיִם וַיִּמְתְּקוּ הַמָּיִם שָׁם שָׂם לֹו חֹק וּמִשְׁפָּט וְשָׁם נִסָּהוּ׃ .25 וַיֹּאמֶר אִם־שָׁמֹועַ תִּשְׁמַע לְקֹול ׀ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ וְהַיָּשָׁר בְּעֵינָיו תַּעֲשֶׂה וְהַאֲזַנְתָּ לְמִצְוֹתָיו וְשָׁמַרְתָּ כָּל־חֻקָּיו כָּל־הַמַּחֲלָה אֲשֶׁר־שַׂמְתִּי בְמִצְרַיִם לֹא־אָשִׂים עָלֶיךָ כִּי אֲנִי יְהוָה רֹפְאֶךָ׃ ס .26 וַיָּבֹאוּ אֵילִמָה וְשָׁם שְׁתֵּים עֶשְׂרֵה עֵינֹת מַיִם וְשִׁבְעִים תְּמָרִים וַיַּחֲנוּ־שָׁם עַל־הַמָּיִם׃ .27


- Targum Onkelos

טו א בְּכֵין שַׁבַּח מֹשֶׁה וּבְנֵי יִשְׂרָאֵל יָת תֻּשְׁבַּחְתָּא הָדָא, קֳדָם יְיָ, וַאֲמַרוּ, לְמֵימַר: נְשַׁבַּח וְנוֹדֵי קֳדָם יְיָ אֲרֵי אִתְגְּאִי עַל גֵּיוְתָנַיָּא וְגֵיאוּתָא דִּילֵיהּ הִיא, סוּסְיָא וְרָכְבֵיהּ רְמָא בְּיַמָּא. ב תֻּקְפִי וְתֻשְׁבַּחְתִּי דְּחִילָא יְיָ, אֲמַר בְּמֵימְרֵיהּ וַהֲוָה לִי לְפָרִיק; דֵּין אֱלָהִי וְאֶבְנֵי לֵיהּ מַקְדַּשׁ, אֱלָהָא דַּאֲבָהָתִי וְאֶפְלַח קֳדָמוֹהִי. ג יְיָ, מָארֵי נִצְחָן קְרָבַיָּא; יְיָ, שְׁמֵיהּ. ד רְתִכֵּי פַּרְעֹה וּמַשְׁרְיָתֵיהּ, שְׁדִי בְּיַמָּא; וּמִבְחַר גִּבָּרוֹהִי, אִטְּבַעוּ בְּיַמָּא דְּסוּף. ה תְּהוֹמַיָּא, חֲפוֹ עֲלֵיהוֹן; נְחַתוּ לְעֻמְקַיָּא, כְּאַבְנָא. ו יַמִּינָךְ יְיָ, אַדִּירָא בְּחֵילָא; יַמִּינָךְ יְיָ, תְּבַרַת סָנְאָה. ז וּבִסְגֵּי תֻּקְפָךְ, תַּבַּרְתָּנוּן לִדְקָמוּ עַל עַמָּךְ; שַׁלַּחְתְּ, רֻגְזָךְ--שֵׁיצֵינוּן, כְּנוּרָא לְקַשָּׁא. ח וּבְמֵימַר פֻּמָּךְ חֲכִימוּ מַיָּא, קָמוּ כְּשׁוּר אָזְלַיָּא; קְפוֹ תְּהוֹמֵי, בְּלִבָּא דְּיַמָּא. ט דַּהֲוָה אָמַר סָנְאָה אֶרְדּוֹף אַדְבֵּיק, אֲפַלֵּיג בִּזְּתָא; תִּסְבַּע מִנְּהוֹן נַפְשִׁי--אֶשְׁלוֹף חַרְבִּי, תְּשֵׁיצֵינוּן יְדִי. י אֲמַרְתְּ בְּמֵימְרָךְ, חֲפָא עֲלֵיהוֹן יַמָּא; אִשְׁתְּקַעוּ, כַּאֲבָרָא, בְּמַיִין, תַּקִּיפִין. יא לֵית בָּר מִנָּךְ אַתְּ הוּא אֱלָהָא יְיָ, לֵית אֱלָהּ אֵלָא אַתְּ אַדִּיר בְּקֻדְשָׁא; דְּחִיל תֻּשְׁבְּחָן, עָבֵיד פְּרִישָׁן. יב אֲרֵימְתְּ, יַמִּינָךְ--בְּלַעַתְנוּן, אַרְעָא. יג דַּבַּרְהִי בְּטָבְוָתָךְ, לְעַמָּא דְּנָן דִּפְרַקְתָּא; דַּבַּרְהִי בְּתֻקְפָךְ, לְדֵירָא דְּקֻדְשָׁךְ. יד שְׁמַעוּ עַמְמַיָּא, וְזָעוּ; דַּחְלָא אֲחַדַתְנוּן, לְדַהֲווֹ יָתְבִין בִּפְלָשֶׁת. טו בְּכֵין אִתְבְּהִילוּ, רַבְרְבֵי אֱדוֹם--תַּקִּיפֵי מוֹאָב, אֲחַדִנּוּן רְתֵיתָא; אִתְּבַרוּ, כֹּל דַּהֲווֹ יָתְבִין בִּכְנָעַן. טז תִּפּוֹל עֲלֵיהוֹן אֵימְתָא וְדַחְלְתָא, בִּסְגֵּי תֻּקְפָךְ יִשְׁתְּקוּן כְּאַבְנָא: עַד דְּיִעְבַּר עַמָּךְ יְיָ יָת אַרְנוֹנָא, עַד דְּיִעְבַּר עַמָּא דְּנָן דִּפְרַקְתָּא יָת יַרְדְּנָא. יז תַּעֵילִנּוּן, וְתַשְׁרֵינוּן בְּטוּרָא דְּאַחְסָנְתָךְ--אֲתַר לְבֵית שְׁכִינְתָךְ אַתְקֵינְתָּא, יְיָ; מַקְדְּשָׁא, יְיָ אַתְקְנָהִי יְדָךְ. יח יְיָ מַלְכוּתֵיהּ, לְעָלַם וּלְעָלְמֵי עָלְמַיָּא. יט אֲרֵי עָאלוּ סוּסָוָת פַּרְעֹה בִּרְתִכּוֹהִי וּבְפָרָשׁוֹהִי, בְּיַמָּא, וַאֲתֵיב יְיָ עֲלֵיהוֹן, יָת מֵי יַמָּא; וּבְנֵי יִשְׂרָאֵל הַלִּיכוּ בְּיַבֶּשְׁתָּא, בְּגוֹ יַמָּא. {ר} {ש} כ וּנְסֵיבַת מִרְיָם נְבִיאֲתָא אֲחָתֵיהּ דְּאַהֲרוֹן, יָת תֻּפָּא--בִּידַהּ; וּנְפַקָא כָּל נְשַׁיָּא בָּתְרַהָא, בְּתֻפִּין וּבְחִנְגִין. כא וּמְעַנְיָא לְהוֹן, מִרְיָם: שַׁבַּחוּ וְאוֹדוֹ קֳדָם יְיָ אֲרֵי אִתְגְּאִי עַל גֵּיוְתָנַיָּא וְגֵיאוּתָא דִּילֵיהּ הִיא, סוּסְיָא וְרָכְבֵיהּ רְמָא בְּיַמָּא. {ס} כב וְאַטֵּיל מֹשֶׁה יָת יִשְׂרָאֵל מִיַּמָּא דְּסוּף, וּנְפַקוּ לְמַדְבְּרָא דְּחַגְרָא; וַאֲזַלוּ תְּלָתָא יוֹמִין בְּמַדְבְּרָא, וְלָא אַשְׁכַּחוּ מַיָּא. כג וַאֲתוֹ לְמָרָה--וְלָא יְכִילוּ לְמִשְׁתֵּי מַיָּא מִמָּרָה, אֲרֵי מָרִירִין אִנּוּן; עַל כֵּין קְרָא שְׁמַהּ, מָרָה. כד וְאִתְרָעַמוּ עַמָּא עַל מֹשֶׁה לְמֵימַר, מָא נִשְׁתֵּי. כה וְצַלִּי קֳדָם יְיָ, וְאַלְּפֵיהּ יְיָ אָעָא, וּרְמָא לְמַיָּא, וּבְסִימוּ מַיָּא; תַּמָּן גְּזַר לֵיהּ קְיָם וְדִין, וְתַמָּן נַסְּיֵיהּ. כו וַאֲמַר אִם קַבָּלָא תְּקַבֵּיל לְמֵימְרָא דַּייָ אֱלָהָךְ, וּדְכָשַׁר קֳדָמוֹהִי תַּעֲבֵיד, וּתְצִית לְפִקּוֹדוֹהִי, וְתִטַּר כָּל קְיָמוֹהִי--כָּל מַרְעִין דְּשַׁוִּיתִי בְּמִצְרַיִם, לָא אֲשַׁוֵּינוּן עֲלָךְ, אֲרֵי אֲנָא יְיָ, אָסָךְ. {ס} כז וַאֲתוֹ לְאֵילִים--וְתַמָּן תְּרֵי עֲסַר מַבּוּעִין דְּמַיִין, וְשִׁבְעִין דִּקְלִין; וּשְׁרוֹ תַּמָּן, עַל מַיָּא.


- Griekse tekst - Septuaginta

ΤΟΤΕ ᾖσε Μωυσῆς καὶ οἱ υἱοὶ ᾿Ισραὴλ τὴν ᾠδὴν ταύτην τῷ Θεῷ καὶ εἶπαν λέγοντες· ᾄσωμεν τῷ Κυρίῳ, ἐνδόξως γὰρ δεδόξασται· ἵππον καὶ ἀναβάτην ἔρριψεν εἰς θάλασσαν. 2 βοηθὸς καὶ σκεπαστὴς ἐγένετό μοι εἰς σωτηρίαν· οὗτός μου Θεός, καὶ δοξάσω αὐτόν, Θεὸς τοῦ πατρός μου, καὶ ὑψώσω αὐτόν. 3 Κύριος συντρίβων πολέμους, Κύριος ὄνομα αὐτῷ. 4 ἅρματα Φαραὼ καὶ τὴν δύναμιν αὐτοῦ ἔρριψεν εἰς θάλασσαν, ἐπιλέκτους ἀναβάτας τριστάτας κατεπόντισεν ἐν ἐρυθρᾷ θαλάσσῃ, 5 πόντῳ ἐκάλυψεν αὐτούς, κατέδυσαν εἰς βυθὸν ὡσεὶ λίθος. 6 ἡ δεξιά σου, Κύριε, δεδόξασται ἐν ἰσχύϊ· ἡ δεξιά σου χείρ, Κύριε, ἔθραυσεν ἐχθρούς. 7 καὶ τῷ πλήθει τῆς δόξης σου συνέτριψας τοὺς ὑπεναντίους· ἀπέστειλας τὴν ὀργήν σου καὶ κατέφαγεν αὐτοὺς ὡς καλάμην. 8 καὶ διὰ πνεύματος τοῦ θυμοῦ σου διέστη τὸ ὕδωρ· ἐπάγη ὡσεὶ τεῖχος τὰ ὕδατα, ἐπάγη τὰ κύματα ἐν μέσῳ τῆς θαλάσσης. 9 εἶπεν ὁ ἐχθρός, διώξας καταλήψομαι, μεριῶ σκῦλα, ἐμπλήσω ψυχήν μου, ἀνελῶ τῇ μαχαίρᾳ μου, κυριεύσει ἡ χείρ μου. 10 ἀπέστειλας τὸ πνεῦμά σου, ἐκάλυψεν αὐτοὺς θάλασσα· ἔδυσαν ὡσεὶ μόλιβος ἐν ὕδατι σφοδρῷ. 11 τίς ὅμοιός σοι ἐν θεοῖς, Κύριε; τίς ὅμοιός σοι, δεδοξασμένος ἐν ἁγίοις, θαυμαστὸς ἐν δόξαις, ποιῶν τέρατα. 12 ἐξέτεινας τὴν δεξιάν σου, κατέπιεν αὐτοὺς γῆ. 13 ὡδήγησας τῇ δικαιοσύνῃ σου τὸν λαόν σου τοῦτον, ὃν ἐλυτρώσω, παρεκάλεσας τῇ ἰσχύϊ σου εἰς κατάλυμα ἅγιόν σου. 14 ἤκουσαν ἔθνη καὶ ὠργίσθησαν· ὠδῖνες ἔλαβον κατοικοῦντας Φυλιστιείμ. 15 τότε ἔσπευσαν ἡγεμόνες ᾿Εδώμ, καὶ ἄρχοντες Μωαβιτῶν, ἔλαβεν αὐτοὺς τρόμος, ἐτάκησαν πάντες οἱ κατοικοῦντες Χαναάν. 16 ἐπιπέσοι ἐπ᾿ αὐτοὺς τρόμος καὶ φόβος, μεγέθει βραχίονός σου ἀπολιθωθήτωσαν, ἕως ἂν παρέλθῃ ὁ λαός σου, Κύριε, ἕως ἂν παρέλθῃ ὁ λαός σου οὗτος, ὃν ἐκτήσω. 17 εἰσαγαγὼν καταφύτευσον αὐτοὺς εἰς ὄρος κληρονομίας σου, εἰς ἕτοιμον κατοικητήριόν σου, ὃ κατηρτίσω, Κύριε, ἁγίασμα, Κύριε, ὃ ἡτοίμασαν αἱ χεῖρές σου. 18 Κύριος βασιλεύων τὸν αἰῶνα καὶ ἐπ᾿ αἰῶνα καὶ ἔτι. 19 ὅτι εἰσῆλθεν ἵππος Φαραὼ σὺν ἅρμασι καὶ ἀναβάταις εἰς θάλασσαν, καὶ ἐπήγαγεν ἐπ᾿ αὐτοὺς Κύριος τὸ ὕδωρ τῆς θαλάσσης· οἱ δὲ υἱοὶ ᾿Ισραὴλ ἐπορεύθησαν διὰ ξηρᾶς ἐν μέσῳ τῆς θαλάσσης. 20 Λαβοῦσα δὲ Μαριάμ, ἡ προφῆτις, ἡ ἀδελφὴ ᾿Ααρών, τὸ τύμπανον ἐν τῇ χειρὶ αὐτῆς, καὶ ἐξήλθοσαν πᾶσαι αἱ γυναῖκες ὀπίσω αὐτῆς μετὰ τυμπάνων καὶ χορῶν, 21 ἐξῆρχε δὲ αὐτῶν Μαριὰμ λέγουσα· ᾄσωμεν τῷ Κυρίῳ, ἐνδόξως γὰρ δεδόξασται· ἵππον καὶ ἀναβάτην ἔρριψεν εἰς θάλασσαν. 22 ᾿Εξῇρε δὲ Μωυσῆς τοὺς υἱοὺς ᾿Ισραὴλ ἀπὸ θαλάσσης ἐρυθρᾶς καὶ ἤγαγεν αὐτοὺς εἰς τὴν ἔρημον Σούρ· καὶ ἐπορεύοντο τρεῖς ἡμέρας ἐν τῇ ἐρήμῳ καὶ οὐχ ηὕρισκον ὕδωρ ὥστε πιεῖν. 23 ἦλθον δὲ εἰς Μερρᾶ καὶ οὐκ ἠδύναντο πιεῖν ἐκ Μερρᾶς, πικρὸν γὰρ ἦν· διὰ τοῦτο ἐπωνόμασε τὸ ὄνομα τοῦ τόπου ἐκείνου Πικρία. 24 καὶ διεγόγγυζεν ὁ λαὸς ἐπὶ Μωυσῇ λέγοντες· τί πιόμεθα; 25 ἐβόησε δὲ Μωυσῆς πρὸς Κύριον, καὶ ἔδειξεν αὐτῷ Κύριος ξύλον, καὶ ἐνέβαλεν αὐτὸ εἰς τὸ ὕδωρ, καὶ ἐγλυκάνθη τὸ ὕδωρ. ἐκεῖ ἔθετο αὐτῷ δικαιώματα καὶ κρίσεις καὶ ἐκεῖ αὐτὸν ἐπείρασε. 26 καὶ εἶπεν· ἐὰν ἀκοῇ ἀκούσῃς τῆς φωνῆς Κυρίου τοῦ Θεοῦ σου καὶ τὰ ἀρεστὰ ἐναντίον αὐτοῦ ποιήσῃς καὶ ἐνωτίσῃ ταῖς ἐντολαῖς αὐτοῦ καὶ φυλάξῃς πάντα τὰ δικαιώματα αὐτοῦ, πᾶσαν νόσον, ἣν ἐπήγαγον τοῖς Αἰγυπτίοις, οὐκ ἐπάξω ἐπὶ σέ· ἐγὼ γάρ εἰμι Κύριος ὁ Θεός σου ὁ ἰώμενός σε. 27 Καὶ ἤλθοσαν εἰς Αἰλείμ, καὶ ἦσαν ἐκεῖ δώδεκα πηγαὶ ὑδάτων καὶ ἑβδομήκοντα στελέχη φοινίκων· παρενέβαλον δὲ ἐκεῖ παρὰ τὰ ὕδατα.


- Vulgata

15. 1 tunc cecinit Moses et filii Israhel carmen hoc Domino et dixerunt cantemus Domino gloriose enim magnificatus est equum et ascensorem deiecit in mare 2 fortitudo mea et laus mea Dominus et factus est mihi in salutem iste Deus meus et glorificabo eum Deus patris mei et exaltabo eum 3 Dominus quasi vir pugnator Omnipotens nomen eius 4 currus Pharaonis et exercitum eius proiecit in mare electi principes eius submersi sunt in mari Rubro 5 abyssi operuerunt eos descenderunt in profundum quasi lapis 6 dextera tua Domine magnifice in fortitudine dextera tua Domine percussit inimicum 7 et in multitudine gloriae tuae deposuisti adversarios meos misisti iram tuam quae devoravit eos ut stipulam 8 et in spiritu furoris tui congregatae sunt aquae stetit unda fluens congregatae sunt abyssi in medio mari 9 dixit inimicus persequar et conprehendam dividam spolia implebitur anima mea evaginabo gladium meum interficiet eos manus mea 10 flavit spiritus tuus et operuit eos mare submersi sunt quasi plumbum in aquis vehementibus 11 quis similis tui in fortibus Domine quis similis tui magnificus in sanctitate terribilis atque laudabilis et faciens mirabilia 12 extendisti manum tuam et devoravit eos terra 13 dux fuisti in misericordia tua populo quem redemisti et portasti eum in fortitudine tua ad habitaculum sanctum tuum 14 adtenderunt populi et irati sunt dolores obtinuerunt habitatores Philisthim 15 tunc conturbati sunt principes Edom robustos Moab obtinuit tremor obriguerunt omnes habitatores Chanaan 16 inruat super eos formido et pavor in magnitudine brachii tui fiant inmobiles quasi lapis donec pertranseat populus tuus Domine donec pertranseat populus tuus iste quem possedisti 17 introduces eos et plantabis in monte hereditatis tuae firmissimo habitaculo tuo quod operatus es Domine sanctuarium Domine quod firmaverunt manus tuae 18 Dominus regnabit in aeternum et ultra 19 ingressus est enim equus Pharao cum curribus et equitibus eius in mare et reduxit super eos Dominus aquas maris filii autem Israhel ambulaverunt per siccum in medio eius 20 sumpsit ergo Maria prophetis soror Aaron tympanum in manu egressaeque sunt omnes mulieres post eam cum tympanis et choris 21 quibus praecinebat dicens cantemus Domino gloriose enim magnificatus est equum et ascensorem eius deiecit in mare 22 tulit autem Moses Israhel de mari Rubro et egressi sunt in desertum Sur ambulaveruntque tribus diebus per solitudinem et non inveniebant aquam 23 et venerunt in Marath nec poterant bibere aquas de Mara eo quod essent amarae unde et congruum loco nomen inposuit vocans illud Mara id est amaritudinem 24 et murmuravit populus contra Mosen dicens quid bibemus 25 at ille clamavit ad Dominum qui ostendit ei lignum quod cum misisset in aquas in dulcedinem versae sunt ibi constituit ei praecepta atque iudicia et ibi temptavit eum 26 dicens si audieris vocem Domini Dei tui et quod rectum est coram eo feceris et oboedieris mandatis eius custodierisque omnia praecepta illius cunctum languorem quem posui in Aegypto non inducam super te ego enim Dominus sanator tuus 27 venerunt autem in Helim ubi erant duodecim fontes aquarum et septuaginta palmae et castrametati sunt iuxta aquas


- Statenvertaling


- Willibrordvertaling

Hoofdstuk 15 Het lied van Mozes bij de Rietzee [1] Toen zongen Mozes en de Israëlieten ter ere van de heer dit lied*: Ik wil zingen voor de heer, want Hij is de Hoogste: paard en berijder dreef Hij in zee. [2] De heer is mijn sterkte en kracht, Hij is mijn redding geweest. Hij is mijn God en Hem wil ik loven; de God van mijn vader, Hem zal ik prijzen. [3] De heer is een strijder, heer is zijn naam. [4] De wagens van de farao, zijn machtige legers, Hij wierp ze in zee; de keur van zijn mannen, door de Rietzee verzwolgen. [5] Zij zijn door de vloed overspoeld, als een steen naar de diepte gezakt. [6] Uw hand, heer, heeft zich machtig getoond; uw hand sloeg de vijand neer. [7] Degenen die U weerstonden hebt U gebroken, in al uw grootsheid. Het vuur van uw toorn liet U gaan: het verslond hen als stro. [8] Door het razen van uw toorn stegen de wateren, de stromen bleven staan als een dam; de diepte verstijfde, midden in zee. [9] ‘Ik ga ze achterna’, zei de vijand, ‘ik haal ze wel in; de buit zal ik delen, ik zal erin zwelgen; mijn zwaard zal ik trekken, mijn hand roeit hen uit.’ [10] Maar U hebt geblazen, de zee heeft hen bedolven; zij zonken als lood in de machtige vloed. [11] Wie van de goden is als U, heer? Wie is er als U, schrikwekkend en heilig*, om roemvolle daden geducht, om wonder na wonder? [12] Uw hand heft U op, de aarde verslindt hen. [13] Uw genade leidde het volk, dat U verlost hebt; uw kracht heeft het naar uw heilige plaats geleid. [14] De volken vernamen het, zij beefden van angst; Filistea’s bewoners sidderden. [15] De vorsten van Edom waren ontsteld, de heersers van Moab door huiver bevangen. Kanaän wankelde, al zijn bewoners. [16] Ontzetting en schrik kwam op hen neer; zij werden als steen door de macht van uw arm, tot uw volk erdoorheen was, o heer, tot erdoorheen was het volk dat U hebt geschapen. [17] U hebt hen gebracht, U hebt hen geplant op de berg die uw domein is, waar U, o heer, uw verblijf hebt gevestigd, het heiligdom, Heer, dat uw hand heeft gemaakt. [18] De heer is koning, voor altijd en eeuwig! [19] Toen de paarden van de farao, met de wagens en de wagenmenners, in de zee gekomen waren, liet de heer de wateren van de zee over hen terugvloeien. Maar de Israëlieten waren over de droge bedding gegaan, midden door de zee. [20] En Mirjam, de profetes, een zuster van Aäron, pakte haar tamboerijn, en alle vrouwen volgden haar, dansend en spelend op de tamboerijn. [21] Mirjam zong het refrein: ‘Zing voor de heer, want Hij is de Hoogste; paard en berijder dreef Hij in zee.’ Begin van de woestijntocht [22] Toen* liet Mozes de Israëlieten vanaf de Rietzee verder trekken naar de woestijn van Sur*. Drie dagen trokken zij door de woestijn, zonder water te vinden. [23] Zij kwamen in Mara, maar het water van Mara was niet te drinken, zo bitter was het. Daarom heet die plaats Mara. [24] Het volk begon te morren* tegen Mozes en vroeg: ‘Wat moeten we drinken?’ [25] Mozes smeekte de heer om hulp, en de heer wees hem een stuk* hout aan. Hij wierp dat in het water, en het water werd zoet. Daar gaf Hij het volk regels en recht, daar stelde Hij hen op de proef. [26] Hij* hield hun voor: ‘Als u oprecht gehoorzaamt aan het woord van de heer uw God, en als u doet wat in zijn ogen goed is, als u zijn voorschriften opvolgt en zijn verordeningen onderhoudt, dan zal geen van de ziekten* die Ik over Egypte liet komen, u treffen. Ik ben de heer, uw geneesheer.’ [27] Zij kwamen vervolgens in Elim, een plaats met twaalf bronnen en zeventig palmen, en zij legerden zich daar bij het water.


- De Nieuwe Bijbelvertaling

Hoofdstuk 15 [1] Toen zong Mozes, samen met de Israëlieten, dit lied ter ere van de HEER: 'Ik wil zingen voor de HEER, zijn macht en majesteit zijn groot! Paarden en ruiters wierp hij in zee. [2] De HEER is mijn sterkte, hij is mijn beschermer, de HEER kwam mij te hulp. Hij is mijn God, hem wil ik eren, de God van mijn vader, hem loof en prijs ik. [3] Zijn naam is HEER, hij is een krijgsheld. [4] De wagens van de farao slingerde hij in zee. Daar, in de Rietzee, verdronk het leger, zijn beste officieren kwamen om. [5] Wild kolkend water overspoelde hen, ze verdwenen in de diepte, zonken als een steen. [6] Uw hand, HEER, ontzagwekkend in kracht, uw hand, HEER, verplettert de vijand. [7] U toont uw majesteit en breekt uw tegenstanders, uw toorn ontbrandt en verteert hen als stro. [8] De adem van uw neus stuwde het water omhoog, de wilde watermassa's stonden als een wal, het kolkende water stolde in het diepst van de zee. [9] De vijand dacht: Ik achtervolg hen, haal hen in, verdeel de buit. Weldra wordt mijn wraaklust bevredigd, ik trek mijn zwaard, ik onderwerp hen weer. [10] Maar u blies, uw adem waaide en de zee bedekte hen, zij kwamen om in het ontzagwekkende water, ze zonken weg als lood. [11] Wie onder de goden is uw gelijke, HEER? Wie is uw gelijke, zo ontzagwekkend en heilig, wie dwingt zoveel eerbied af met roemrijke daden, wie anders verricht zulke wonderen? [12] U strekte uw hand uit en de aarde verzwolg hen. [13] U bevrijdde dit volk en ging het liefdevol voor, sterk en machtig leidde u het naar uw heilige woning. [14] Alle volken hoorden het, alle volken huiverden, de Filistijnen beefden, ze krompen van angst ineen, [15] ontzetting maakte zich meester van de stamvorsten van Edom, van de machtigen van Moab. Ze waren verlamd van schrik. De Kanaänieten sidderden, allen waren doodsbang. [16] Angst overviel hen, vrees beving hen toen zij hoorden van uw machtige daden, zij werden stom als steen, terwijl uw volk voorbijtrok, HEER, terwijl uw volk voorbijtrok, het volk door u geschapen. [17] U brengt hen naar de berg die uw domein is, HEER, en daar zult u hen planten, in uw eigen woning, het heiligdom door u gebouwd. [18] De HEER is koning voor eeuwig en altijd!' [19] Toen de paarden, wagens en ruiters van de farao de zee in waren getrokken, had de HEER het water over hen heen terug laten stromen, maar de Israëlieten waren dwars door de zee gegaan, over droog land. [20] De profetes Mirjam, Aärons zuster, pakte haar tamboerijn, en alle vrouwen volgden haar, dansend en op de tamboerijn spelend. En Mirjam zong dit refrein: [21] 'Zing voor de HEER, zijn macht en majesteit zijn groot! Paarden en ruiters wierp hij in zee.' Israël in de woestijn op de proef gesteld [22] Van de Rietzee ging Israël in opdracht van Mozes weer verder, de woestijn van Sur in. Drie dagen trokken ze door de woestijn zonder water te vinden. [23] Toen kwamen ze in Mara. Het water van Mara konden ze echter niet drinken, zo bitter was het; vandaar ook dat die plaats Mara heet. [24] Het volk begon zich bij Mozes te beklagen. 'Wat moeten we drinken?' zeiden ze. [25] Mozes riep de HEER aan, en de HEER wees hem op een stuk hout. Toen hij dat in het water gooide, werd het zoet. Daar in de woestijn gaf de HEER hun wetten en regels, en daar stelde hij hen op de proef. [26] Hij zei: 'Als jullie de woorden van de HEER, jullie God, ter harte nemen, als jullie doen wat goed is in zijn ogen en al zijn geboden en wetten gehoorzamen, zal ik jullie met geen van de kwalen treffen waarmee ik Egypte heb gestraft. Ik, de HEER, ben het die jullie geneest.' [27] Hierna kwamen ze in Elim, een plaats met twaalf waterbronnen en zeventig dadelpalmen. Daar sloegen ze bij het water hun tenten op.


- De Naardense bijbel

15:1 Dan zingt Mozes met de zonen Israëls voor de Ene deze zang; ze zeggen veelzeggend: zíngen wil ik voor de Ene, want hij is hoog verheven; het ros en zijn ruiter schoot hij in zee! Exodus 15:2 Mijn zege en mijn muziek is de Ene: hij is het die mij komt bevrijden! Híj is mijn God, ik prijs hem, de God van mijn vader, hem verhef ik! 15:3 De Ene is een man van oorlog; Ene is zijn naam! 15:4 Farao's wagens en zijn legermacht smeet hij in zee; de keur van zijn driekampers, ze werden in de Rietzee gedompeld. 15:5 Oerkolken overdekten hen; ze daalden neer in de diepten zoals een steen! 15:6 Uw rechterhand, Ene, schittert van kracht, uw rechterhand, Ene, verplettert een vijand! 15:7 Met heel uw hoogheid legt gij uw tegenstanders néér; gij laat uw laaiende woede gáán: die verteert hen als kaf! 15:8 De storm uit uw neusgaten stuwt watermassa's op, stromen blijven staan als een dam; verstard zijn oerkolken in het hart van de zee. 15:9 Zei een vijand 'ik jaag na, haal in, deel buit, verzadig aan hen mijn ziel, ontbloot mijn zwaard, mijn hand zal hen onterven'- 15:10 gij hebt geblazen met uw geestesstorm en de zee overdekte hen; ze zonken weg als een stuk lood in watermassa's vol geweld. 15:11 Wíe is als gij bij de godheden, Ene! Wie is als gij?- verheerlijkt in het heiligdom, gevreesd in lofzangen,- die het wonder dóet! 15:12 Gij strekte uw rechterhand uit: de aarde verzwolg hen. 15:13 Gij leidde in uw vriendschap deze gemeente, en hebt die verlost, door uw kracht voortgeleid naar de weide van uw heiligdom! 15:14 Dat hoorden mensengemeenten en sidderden! Kramp beving Filistea's bewoners. 15:15 Dan zijn de vorsten van Edom ontzet, de goden van Moab: hen bevangt een beving; daar wankelen al Kanaäns bewoners! 15:16 Er valt over hen ontzetting en angst, door de grootheid van uw arm worden ze star als steen,- zolang oversteekt: uw gemeente, Ene!, zolang oversteekt de gemeente die gij hebt verworven. 15:17 Gij doet ze komen en plant ze in het bergland, uw erfdeel, standplaats voor uw zetel, gij hebt dat bewerkt, Ene!- een heiligdom, mijn Heer, hebben uw handen gesticht! 15:18 De Ene wordt koning voor eeuwig en immer! 15:19 Want gekomen is Farao's paard -met zijn wagens en ruiters- in de zee: en daar keert de Ene het water van de zee over hen om; maar Israëls zonen konden gaan over het droge, midden in de zee! • 15:20 Dan neemt Mirjam, de profetes, de zuster van Aäron, de trommel in haar hand, en trekken alle vrouwen achter haar aan met trommels en met fluiten. 15:21 Mirjam heft voor hen aan: 'zingt voor de ENE want hij is hoog verheven, het ros en zijn ruiter schoot hij in zee!' •• 15:22 Dan laat Mozes Israël opbreken van de Rietzee, en trekken ze uit naar de woestijn van Sjoer; ze gaan drie dagen de woestijn in maar hebben geen water gevonden. 15:23 Ze komen aan bij Mara maar zijn niet bij machte geweest om de wateren uit Mara te drinken want bitter zijn die! Daarom roept men als haar naam 'Mara',- bittere! 15:24 Ze morren, de gemeente, tegen Mozes, en zeggen: wát moeten we nu drinken? 15:25 Hij schreeuwt tot de Ene; de Ene wijst hem een stuk hout aan,- hij werpt dat in het water en zóet worden de wateren; daar heeft hij hem regel en recht gesteld en daar heeft hij hem beproefd. 15:26 Dan zegt hij: als je horende hóórt naar de stem van de Ene, je God, en wat juist is in zijn ogen dóet, je oor zult neigen naar zijn geboden en al zijn regels zult bewaken,- álle kwaal die ik heb gesteld in Egypte stel ik dan niet over jou, want ik, de Ene, ben je heelmeester! •• 15:27 Ze komen aan bij Eliem; daar zijn twaalf wellen vol water en zeventig palmen; ze legeren zich dáár, bij het water.


- Bible de Jérusalem

1. Alors Moïse et les Israélites chantèrent pour Yahvé le chant que voici : « Je chante pour Yahvé car il s'est couvert de gloire, il a jeté à la mer cheval et cavalier. 2. Yah est ma force et mon chant, à lui je dois mon salut. Il est mon Dieu, je le célèbre, le Dieu de mon père et je l'exalte. 3. Yahvé est un guerrier, son nom est Yahvé. 4. Les chars de Pharaon et son armée, il les a jetés à la mer, l'élite de ses officiers, la mer des Roseaux l'a engloutie. 5. Les abîmes les recouvrent, ils ont coulé au fond du gouffre comme une pierre. 6. Ta droite, Yahvé, s'illustre par sa force, ta droite, Yahvé, taille en pièces l'ennemi. 7. Par l'excès de ta majesté, tu renverses tes adversaires, tu déchaînes ta colère, elle les dévore comme du chaume. 8. Au souffle de tes narines, les eaux s'amoncelèrent, les flots se dressèrent comme une digue, les abîmes se figèrent au cœur de la mer. 9. L'ennemi s'était dit : «Je poursuivrai, j'atteindrai, je partagerai le butin, mon âme s'en gorgera, je dégainerai mon épée, ma main les supprimera. » 10. Tu soufflas de ton haleine, la mer les recouvrit, ils s'enfoncèrent comme du plomb dans les eaux formidables. 11. Qui est comme toi parmi les dieux, Yahvé ?Qui est comme toi illustre en sainteté, redoutable en exploits, artisan de merveilles ? 12. Tu étendis ta droite, la terre les engloutit. 13. Ta grâce a conduit ce peuple que tu as racheté, ta force l'a guidé vers ta sainte demeure. 14. Les peuples ont entendu, ils frémissent, des douleurs poignent les habitants de Philistie. 15. Alors sont bouleversés les chefs d'Édom, les princes de Moab, la terreur s'en empare, ils titubent, tous ceux qui habitent Canaan. 16. Sur eux s'abattent terreur et crainte, la puissance de ton bras les laisse pétrifiés, tant que passe ton peuple, Yahvé, tant que passe ce peuple que tu t'es acheté. 17. Tu les amèneras et tu les planteras sur la montagne de ton héritage, lieu dont tu fis, Yahvé, ta résidence, sanctuaire, Seigneur, qu'ont préparé tes mains. 18. Yahvé régnera pour toujours et à jamais. » 19. Car lorsque la cavalerie de Pharaon avec ses chars et ses cavaliers était entrée dans la mer, Yahvé avait fait refluer sur eux les eaux de la mer, alors que les Israélites avaient marché à pied sec au milieu de la mer. 20. Miryam, la prophétesse, sœur d'Aaron, prit en main un tambourin et toutes les femmes la suivirent avec des tambourins, formant des chœurs de danse. 21. Et Miryam leur entonna :« Chantez pour Yahvé, car il s'est couvert de gloire, il a jeté à la mer cheval et cavalier. 22. Moïse fit partir Israël de la mer des Roseaux. Ils se dirigèrent vers le désert de Shur et marchèrent trois jours dans le désert sans trouver d'eau. 23. Mais quand ils arrivèrent à Mara ils ne purent boire l'eau de Mara, car elle était amère, c'est pourquoi on l'a appelé Mara. 24. Le peuple murmura contre Moïse en disant : « Qu'allons-nous boire ? » 25. Moïse cria vers Yahvé, et Yahvé lui montra un morceau de bois. Moïse le jeta dans l'eau, et l'eau devint douce. C'est là qu'il leur fixa un statut et un droit ;c'est là qu'il les mit à l'épreuve. 26. Puis il dit : « Si tu écoutes bien la voix de Yahvé ton Dieu et fais ce qui est droit à ses yeux, si tu prêtes l'oreille à ses commandements et observes toutes ses lois, tous les maux que j'ai infligés à l'Égypte, je ne te les infligerai pas, car je suis Yahvé, celui qui te guérit. » 27. Ils arrivèrent ensuite à Élim où se trouvent douze sources et soixante-dix palmiers, et ils y campèrent au bord de l'eau.


- King James Bible

Exod.15 [1] Then sang Moses and the children of Israel this song unto the LORD, and spake, saying, I will sing unto the LORD, for he hath triumphed gloriously: the horse and his rider hath he thrown into the sea. [2] The LORD is my strength and song, and he is become my salvation: he is my God, and I will prepare him an habitation; my father's God, and I will exalt him. [3] The LORD is a man of war: the LORD is his name. [4] Pharaoh's chariots and his host hath he cast into the sea: his chosen captains also are drowned in the Red sea. [5] The depths have covered them: they sank into the bottom as a stone. [6] Thy right hand, O LORD, is become glorious in power: thy right hand, O LORD, hath dashed in pieces the enemy. [7] And in the greatness of thine excellency thou hast overthrown them that rose up against thee: thou sentest forth thy wrath, which consumed them as stubble. [8] And with the blast of thy nostrils the waters were gathered together, the floods stood upright as an heap, and the depths were congealed in the heart of the sea. [9] The enemy said, I will pursue, I will overtake, I will divide the spoil; my lust shall be satisfied upon them; I will draw my sword, my hand shall destroy them. [10] Thou didst blow with thy wind, the sea covered them: they sank as lead in the mighty waters. [11] Who is like unto thee, O LORD, among the gods? who is like thee, glorious in holiness, fearful in praises, doing wonders? [12] Thou stretchedst out thy right hand, the earth swallowed them. [13] Thou in thy mercy hast led forth the people which thou hast redeemed: thou hast guided them in thy strength unto thy holy habitation. [14] The people shall hear, and be afraid: sorrow shall take hold on the inhabitants of Palestina. [15] Then the dukes of Edom shall be amazed; the mighty men of Moab, trembling shall take hold upon them; all the inhabitants of Canaan shall melt away. [16] Fear and dread shall fall upon them; by the greatness of thine arm they shall be as still as a stone; till thy people pass over, O LORD, till the people pass over, which thou hast purchased. [17] Thou shalt bring them in, and plant them in the mountain of thine inheritance, in the place, O LORD, which thou hast made for thee to dwell in, in the Sanctuary, O Lord, which thy hands have established. [18] The LORD shall reign for ever and ever. [19] For the horse of Pharaoh went in with his chariots and with his horsemen into the sea, and the LORD brought again the waters of the sea upon them; but the children of Israel went on dry land in the midst of the sea. [20] And Miriam the prophetess, the sister of Aaron, took a timbrel in her hand; and all the women went out after her with timbrels and with dances. [21] And Miriam answered them, Sing ye to the LORD, for he hath triumphed gloriously; the horse and his rider hath he thrown into the sea. [22] So Moses brought Israel from the Red sea, and they went out into the wilderness of Shur; and they went three days in the wilderness, and found no water. [23] And when they came to Marah, they could not drink of the waters of Marah, for they were bitter: therefore the name of it was called Marah. [24] And the people murmured against Moses, saying, What shall we drink? [25] And he cried unto the LORD; and the LORD shewed him a tree, which when he had cast into the waters, the waters were made sweet: there he made for them a statute and an ordinance, and there he proved them, [26] And said, If thou wilt diligently hearken to the voice of the LORD thy God, and wilt do that which is right in his sight, and wilt give ear to his commandments, and keep all his statutes, I will put none of these diseases upon thee, which I have brought upon the Egyptians: for I am the LORD that healeth thee. [27] And they came to Elim, where were twelve wells of water, and threescore and ten palm trees: and they encamped there by the waters.


- Luther Bibel

151Damals sangen Mose und die Israeliten dies Lied dem HERRN und sprachen: Ich will dem HERRN singen, denn er hat eine herrliche Tat getan; Ross und Mann hat er ins Meer gestürzt. 2Der HERR ist meine Stärke und mein Lobgesang und ist mein Heil. Das ist mein Gott, ich will ihn preisen, er ist meines Vaters Gott, ich will ihn erheben. 3Der HERR ist der rechte Kriegsmann, HERR ist sein Name. 4Des Pharao Wagen und seine Macht warf er ins Meer, seine auserwählten Streiter versanken im Schilfmeer. 5Die Tiefe hat sie bedeckt, sie sanken auf den Grund wie die Steine. 6HERR, deine rechte Hand tut große Wunder; HERR, deine rechte Hand hat die Feinde zerschlagen. 7Und mit deiner großen Herrlichkeit hast du deine Widersacher gestürzt; denn als du deinen Grimm ausließest, verzehrte er sie wie Stoppeln. 8Durch dein Schnauben türmten die Wasser sich auf, die Fluten standen wie ein Wall; die Tiefen erstarrten mitten im Meer. 9Der Feind gedachte: Ich will nachjagen und ergreifen und den Raub austeilen und meinen Mut an ihnen kühlen. Ich will mein Schwert ausziehen, und meine Hand soll sie verderben. 10Da ließest du deinen Wind blasen, und das Meer bedeckte sie, und sie sanken unter wie Blei im mächtigen Wasser. 11HERR, wer ist dir gleich unter den Göttern? Wer ist dir gleich, der so mächtig, heilig, schrecklich, löblich und wundertätig ist? 12Als du deine rechte Hand ausrecktest, verschlang sie die Erde. 13Du hast geleitet durch deine Barmherzigkeit dein Volk, das du erlöst hast, und hast sie geführt durch deine Stärke zu deiner heiligen Wohnung. 14Als das die Völker hörten, erbebten sie; Angst kam die Philister an. 15Da erschraken die Fürsten Edoms, Zittern kam die Gewaltigen Moabs an, alle Bewohner Kanaans wurden feig. 16Es fiel auf sie Erschrecken und Furcht; vor deinem mächtigen Arm erstarrten sie wie die Steine, bis dein Volk, HERR, hindurchzog, bis das Volk hindurchzog, das du erworben hast. 17Du brachtest sie hinein und pflanztest sie ein auf dem Berge deines Erbteils, den du, HERR, dir zur Wohnung gemacht hast, zu deinem Heiligtum, Herr, das deine Hand bereitet hat. 18Der HERR wird König sein immer und ewig. 19Denn der Pharao zog hinein ins Meer mit Rossen und Wagen und Männern. Und der HERR ließ das Meer wieder über sie kommen. Aber die Israeliten gingen trocken mitten durchs Meer. 20Da nahm Mirjam, die Prophetin, Aarons Schwester, eine Pauke in ihre Hand und alle Frauen folgten ihr nach mit Pauken im Reigen. 21Und Mirjam sang ihnen vor: Lasst uns dem HERRN singen, denn er hat eine herrliche Tat getan; Ross und Mann hat er ins Meer gestürzt. Israel in Mara und Elim 22Mose ließ Israel ziehen vom Schilfmeer hinaus zu der Wüste Schur. Und sie wanderten drei Tage in der Wüste und fanden kein Wasser. 23Da kamen sie nach Mara; aber sie konnten das Wasser von Mara nicht trinken, denn es war sehr bitter. Daher nannte man den Ort Mara. 24Da murrte das Volk wider Mose und sprach: Was sollen wir trinken? 25Er schrie zu dem HERRN und der HERR zeigte ihm ein Holz; das warf er ins Wasser, da wurde es süß. Dort gab er ihnen Gesetz und Recht und versuchte sie 26und sprach: Wirst du der Stimme des HERRN, deines Gottes, gehorchen und tun, was recht ist vor ihm, und merken auf seine Gebote und halten alle seine Gesetze, so will ich dir keine der Krankheiten auferlegen, die ich den Ägyptern auferlegt habe; denn ich bin der HERR, dein Arzt. 27Und sie kamen nach Elim; da waren zwölf Wasserquellen und siebzig Palmbäume. Und sie lagerten sich dort am Wasser.


- Arabisch

حينئذ رنم موسى وبنو اسرائيل هذه التسبيحة للرب وقالوا. ارنم للرب فانه قد تعظم. الفرس وراكبه طرحهما في البحر. .1 الرب قوّتي ونشيدي. وقد صار خلاصي. هذا الهي فامجّده. اله ابي فارفعه. .2 الرب رجل الحرب. الرب اسمه. .3 مركبات فرعون وجيشه القاهما في البحر. فغرق افضل جنوده المركبيّة في بحر سوف. .4 تغطيهم اللجج. قد هبطوا في الاعماق كحجر. .5 يمينك يا رب معتزّة بالقدرة. يمينك يا رب تحطم العدو. .6 وبكثرة عظمتك تهدم مقاوميك. ترسل سخطك فياكلهم كالقش. .7 وبريح انفك تراكمت المياه. انتصبت المجاري كرابية. تجمّدت اللجج في قلب البحر. .8 قال العدو اتبع ادرك اقسم غنيمة. تمتلئ منهم نفسي. اجردّ سيفي. تفنيهم يدي. .9 نفخت بريحك فغطاهم البحر. غاصوا كالرصاص في مياه غامرة. .10 من مثلك بين الآلهة يا رب. من مثلك معتزّا في القداسة. مخوفا بالتسابيح. صانعا عجائب. .11 تمد يمينك فتبتلعهم الارض. .12 ترشد برأفتك الشعب الذي فديته تهديه بقوتك الى مسكن قدسك. .13 يسمع الشعوب فيرتعدون. تاخذ الرعدة سكان فلسطين. .14 حينئذ يندهش امراء ادوم. اقوياء موآب تأخذهم الرجفة. يذوب جميع سكان كنعان. .15 تقع عليهم الهيبة والرّعب. بعظمة ذراعك يصمتون كالحجر. حتى يعبر شعبك يا رب. حتى يعبر الشعب الذي اقتنيته. .16 تجيء بهم وتغرسهم في جبل ميراثك المكان الذي صنعته يا رب لسكنك. المقدس الذي هيّأته يداك يا رب. .17 الرب يملك الى الدهر والابد. .18 فان خيل فرعون دخلت بمركباته وفرسانه الى البحر. وردّ الرب عليهم ماء البحر. واما بنو اسرائيل فمشوا على اليابسة في وسط البحر. .19 فاخذت مريم النبية اخت هرون الدف بيدها. وخرجت جميع النساء وراءها بدفوف ورقص. .20 واجابتهم مريم رنموا للرب فانه قد تعظم. الفرس وراكبه طرحهما في البحر .21 ثم ارتحل موسى باسرائيل من بحر سوف وخرجوا الى برية شور. فساروا ثلاثة ايام في البرية ولم يجدوا ماء. .22 فجاءوا الى مارّة. ولم يقدروا ان يشربوا ماء من مارّة لانه مرّ. لذلك دعي اسمها مارّة. .23 فتذمر الشعب على موسى قائلين ماذا نشرب. .24 فصرخ الى الرب. فاراه الرب شجرة فطرحها في الماء فصار الماء عذبا. هناك وضع له فريضة وحكما وهناك امتحنه. .25 فقال ان كنت تسمع لصوت الرب الهك وتصنع الحق في عينيه وتصغي الى وصاياه وتحفظ جميع فرائضه فمرضا ما مما وضعته على المصريين لا اضع عليك. فاني انا الرب شافيك .26 ثم جاءوا الى ايليم وهناك اثنتا عشرة عين ماء وسبعون نخلة. فنزلوا هناك عند الماء .27


- Structuur


- Taalgebruik

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- Commentaar