- WEBSITEWEGWIJZER - EXODUS 20 - Ex 20 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 -
- Ex 20,1-17: De tien geboden -- Ex 20,18-21: De angst van het volk -- Ex 20,22-26: Voorschriften voor de eredienst -
Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.html -

http://scripturetext.com/exodus/1-1.htm Exodus bibliografie (1 The book of Jasher (1) (2) (3) (4) (5) (6) Commentaar: (11) (12) http://www.sacrednamebible.com/kjvstrongs/index2.htm    

- Hebreeuwse tekst: http://www.mechon-mamre.org/p/pt/pt0220.htm.
- Griekse tekst - Septuaginta: http://www.myriobiblos.gr/bible/ot/chapter.asp?book=2&page=20. Griekse tekst - Septuaginta.
- Vulgata: http://www.intratext.com/IXT/LAT0001/_P1Y.HTM. Vulgata .
- Statenvertaling: http://www.statenvertaling.net/bijbel/exod/20.html. Statenvertaling.
- Willibrordvertaling: http://www.willibrordbijbel.nl/index.php?p=page&i=2061,2086. Willibrordvertaling.
- De Nieuwe Vertaling: http://www.willibrordbijbel.nl/index.php?p=page&i=2061,2086. De Nieuwe Vertaling.
- De Naardense bijbel: http://naardensebijbel.nl/zoek.php. De Naardense bijbel.
- Bible de Jérusalem: http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm. Bible de Jérusalem.
- King James Bible: http://quod.lib.umich.edu/cgi/k/kjv/kjv-idx?type=DIV1&byte=220736. King James Bible.
- Luther Bibel: http://www.die-bibel.de/online-bibeln/luther-bibel-1984/bibeltext/bibelstelle/2%20Mose%2020/bibel/text/lesen/ch/d05f92eebd152bfd93861110a70cd736/. Luther Bibel.

- http://theol.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Labuschagne/Zinenonzin/Bijbelsegeboden/z_26ozbijbel5.pdf.

Overzicht van Exodus: - Ex 1 - Ex 2 - Ex 3 - Ex 4 - Ex 5 - Ex 6 - Ex 7 - Ex 8 - Ex 9 - Ex 10 - Ex 11 - Ex 12 - Ex 13 - Ex 14 - Ex 15 - Ex 16 - Ex 17 - Ex 18 - Ex 19 - Ex 20 - Ex 21 - Ex 22 - Ex 23 - Ex 24 - Ex 25 - Ex 26 - Ex 27 - Ex 28 - Ex 29 - Ex 30 - Ex 31 - Ex 32 - Ex 33 - Ex 34 - Ex 35 - Ex 36 - Ex 37 - Ex 38 - Ex 39 - Ex 40 -
Overzicht vers per vers: - Ex 20,1 - Ex 20,2 - Ex 20,3 - Ex 20,4 - Ex 20,5 - Ex 20,6 - Ex 20,7 - Ex 20,8 - Ex 20,9 - Ex 20,10 - Ex 20,11 - Ex 20,12 - Ex 20,13 - Ex 20,14 - Ex 20,15 - Ex 20,16 - Ex 20,17 - Ex 20,18 - Ex 20,19 - Ex 20,20 - Ex 20,21 - Ex 20,22 - Ex 20,23 - Ex 20,24 - Ex 20,25 - Ex 20,26 -

Ex 20 telt 26 verzen ; 26 is de getalswaarde van JHWH ; jod = 10, he = 5 (2X), waw = 6.
- Ex 20,1-17 (de dekaloog) heeft 17 verzen.
- Het vers Ex 20,7 telt 17 woorden en 51 (3 X 17) letters. Verhouding: 1 op 3. Ex 20,7 verbiedt het vals gebruik van de naam God.
- Het vers Ex 20,11 telt 26 (2 X 13) woorden en 86 (2 X 43) letters ; 43 = 17 + 26. In het vers Ex 20,11 fundeert de auteur het sabbatsgebod op de schepping door JHWH.


- Ex 20,1-17: de tien geboden -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,1 - Ex 20,2 - Ex 20,3 - Ex 20,4 - Ex 20,5 - Ex 20,6 - Ex 20,7 - Ex 20,8 - Ex 20,9 - Ex 20,10 - Ex 20,11 - Ex 20,12 - Ex 20,13 - Ex 20,14 - Ex 20,15 - Ex 20,16 - Ex 20,17 -

Ex 20   1.    2.  3.  4.  5.  6.  7.    2-6   8.  9.  10.  11.    8-11   12.  13.  14.  15.  16.  17.    12-17   1-17  
1. woorden   7   9 7 16 21 6 17   76   5 6 18 26   55   15 2 2 2 5 15   41   179  

2. letters

  28   41 23 59 74 29 51 (3 X 17)   277   18 24 75 86   203   53 6 6 6 15 54   140   648  

- 648 = 2 X 2 X 2 X 3 X 3 X 3 X 3 (vermenigvuldiging van 7 factoren). Ex 20,8-10 telt 29 woorden en 117 (3² X 13) letters.
- 1ste gebod: Ex 20,2-3: 16 woorden en 64 letters.
- 2de gebod: Ex 20,4-6: 43 woorden en 162 (2 X 3² X 3²).
- 3de gebod: Ex 20,7: 17 woorden en 51 letters.
- 4de gebod (sjabbatgebod): Ex 20,8-11: 55 woorden en 203 letters.
- 5de gebod: Ex 20,12: 15 woorden en 53 letters.
- 6de gebod: Ex 20,13: 2 woorden en 6 letters.
- 7de gebod: Ex 20,14: 2 woorden en 6 letters.
- 8ste gebod: Ex 20,15: 2 woorden en 6 letters.
- 9de gebod: Ex 20,16: 5 woorden en 15 letters.
- 10de gebod: Ex 20,17: 15 woorden en 54 letters.

- Ex 20,2-9 (8 verzen) telt 319 (11 X 29) letters.

Ex 20,1 - Ex 20,1: de tien geboden -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,1 - Ex 20,2 - Ex 20,3 - Ex 20,4 - Ex 20,5 - Ex 20,6 - Ex 20,7 - Ex 20,8 - Ex 20,9 - Ex 20,10 - Ex 20,11 - Ex 20,12 - Ex 20,13 - Ex 20,14 - Ex 20,15 - Ex 20,16 - Ex 20,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1kai elalèsen kurios pantas tous logous toutous legôn  1 locutus quoque est Dominus cunctos sermones hos   וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים אֵת כל הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה 1 Toen sprak God al deze woorden, zeggende: [1] Toen sprak God al* de woorden die hier volgen. [1] Toen sprak God deze woorden: 20:1 God spreekt al déze woorden en zegt: •• 1. Dieu prononça toutes ces paroles, et dit:

King James Bible. [1] And God spake all these words, saying,
Luther-Bibel. 201Und Gott redete alle diese Worte:

Tekstuitleg van Ex 20,1. Het vers Ex 20,1 telt 7 woorden en 28 (2² X 7) letters ; verhouding: 1 op 4. De getalswaarde van Ex 20,1 is 1332 (2² X 3² X 37). Dit vers Ex 20,1 leidt de 10 woorden (dekaloog) in. 7 is een menora-getal. כל = kl (al) staat in het midden van het vers. Het heeft dezelfde getalswaarde (23) als het woord אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief).

Ex 20,1.1. prefix voegwoord wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) van het werkw. דָבַר = dâbhar (spreken). Taalgebruik in Tenakh: dâbhar (spreken). getalswaarde: daleth = 4, beth = 2, resj = 20 of 200 ; totaal: 26 (2 X 13) OF 206 = (2 X 103). Structuur: 4 - 2 - 2. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (192 = 26 X 7). Pentateuch (140 = 20 X 7). Eerdere Profeten (34). Latere Profeten (9). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (8). Gn (16). Ex (20). Lv (40). Nu (57 = 3 X 19). Dt (7). Gn (16): (1) Gn 8,15. (2) Gn 17,3. (3) Gn 19,14. (4) Gn 20,8. (5) Gn 23,3. (6) Gn 23,8. (7) Gn 23,13. (8) Gn 34,3. (9) Gn 34,8. (10) Gn 41,9. (11) Gn 41,17. (12) Gn 42,7. (13) Gn 42,24. (14) Gn 44,6. (15) Gn 50,4. (16) Gn 50,21. Ex (20): (1) Ex 4,30. (2) Ex 6,2. (3) Ex 6,9. (4) Ex 6,10. (5) Ex 6,12. (6) Ex 6,13. (7) Ex 6,29. (8) Ex 13,1. (9) Ex 14,1. (10) Ex 16,11. (11) Ex 20,1. (12) Ex 25,1. (13) Ex 30,11. (14) Ex 30,17. (15) Ex 30,22. (16) Ex 31,1. (17) Ex 32,7. (18) Ex 33,1. (19) Ex 34,31. (20) Ex 40,1. Lv (40): (1) Lv 1,1. (2) Lv 4,1. (3) Lv 5,14. (4) Lv 5,20. (5) Lv 6,1. (6) Lv 6,12. (7) Lv 6,17. (8) Lv 7,22. (9) Lv 7,28. (10) Lv 8,1. (11) Lv 10,8. (12) Lv 10,12. (13) Lv 10,19. (14) Lv 11,1. (15) Lv 12,1. (16) Lv 13,1. (17) Lv 14,1. (18) Lv 14,33. (19) Lv 15,1. (20) Lv 16,1. (21) Lv 17,1. (22) Lv 18,1. (23) Lv 19,1. (24) Lv 20,1. (25) Lv 21,16. (26) Lv 21,24. (27) Lv 22,1. (28) Lv 22,17. (29) Lv 22,26. (30) Lv 23,1. (31) Lv 23,9. (32) Lv 23,23. (33) Lv 23,26. (34) Lv 23,33. (35) Lv 23,44. (36) Lv 24,1. (37) Lv 24,13. (38) Lv 24,23. (39) Lv 25,1. (40) Lv 27,1. Nu (59 = 3 X 19). Nu 6 (2): (1) Nu 6,1. (2) Nu 6,22. Dt (7): (1) Dt 2,17. (2) Dt 4,12. (3) Dt 27,9. (4) Dt 31,1. (5) Dt 31,30. (6) Dt 32,44. (7) Dt 32,48.
- De getalswaarde van וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) is: waw = 6, jod = 10 ; samen: 15 ; algemeen totaal: 26 + 16 = 42 (2 X 3 X 7) OF 206 + 16 = 222 (6 X 37 OF (10 X 17) + (2 X 26).
- In Ex 20,1 is het vervoegd werkw. vergezeld van het lijdend voorwerp met dezelfde stam als het werkw.. Bovendien is in Ex 20,1 nog een werkw. van 'zeggen' toegevoegd.
- Grieks: act. ind. aor. 3de pers. enk. ελαλησεν = elalèsen (hij sprak) van het werkw. λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten). Taalgebruik in het NT: laleô (lallen, spreken, praten). Taalgebruik in de LXX: laleô (lallen, spreken, praten). Gn (25). Ex (30). Lv (38). Nu (68). Dt (28). Ex (30): (1) Ex 4,30. (2) Ex 6,2. (3) Ex 6,9. (4) Ex 6,10. (5) Ex 6,12. (6) Ex 6,28. (7) Ex 6,29. (8) Ex 7,7. (9) Ex 7,13. (10) Ex 8,11. (11) Ex 8,15. (12) Ex 9,35. (13) Ex 12,25. (14) Ex 14,1. (15) Ex 16,11. (16) Ex 16,23. (17) Ex 20,1. (18) Ex 24,3. (19) Ex 24,7. (20) Ex 25,1. (21) Ex 30,11. (22) Ex 30,17. (23) Ex 30,22. (24) Ex 31,1. (25) Ex 32,7. (26) Ex 32,28. (27) Ex 33,1. (28) Ex 34,31. (29) Ex 34,32. (30) Ex 40,1.
-- και ελαλησεν = kai elalèsen (en hij sprak). LXX (187). NT (4).
-- ελαλησεν δε = elalèsen de (hij sprak echter). LXX (4). NT (1).
- De werkwoordvorm ειπεν = eipen (hij zei) komt veelvuldiger voor. Zie: act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in de LXX: legô (zeggen). Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610), in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608), in het NT (925). Gn (378). Ex (149). Lv (15). Nu (98). Dt (44).

  laleô  bijbel OT Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt   NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. elalèsen   431  400  189 106 39 11 38 25 30 38 68 28   31  13  19   
  act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen 3024  2426  684 985 234 63 309 378 149 15 98 44   598  118  56  223  114  75  397       

- Vulgaat. perf. deelw. locutus (gesproken) van het werkw. loqui (spreken). Bijbel (559). OT (503). NT (56). Ex (23).
-- locutusque (en gesproken). Bijbel (66).
- Ned.: spreken. Arabisch: تَكَلَمَ = takallama (spreken). Taalgebruik in de Qoran: takallama (spreken). D.: sprechen. E.: to speek. Fr.: parler. Grieks: λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten). Taalgebruik in het NT: laleô (lallen, spreken, praten). Hebreeuws: דָבַר = dâbhar (spreken). Taalgebruik in Tenakh: dâbhar (spreken). Lat.: loqui.
- De werkwoordvorm וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. אמר = ´-m-r (zeggen). Taalgebruik in Tenakh: ´âmar (zeggen). getalswaarde: aleph = 1, mem = 13 of 40, resj = 20 of 200 ; totaal: 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal). Structuur: 1 - 4 - 2. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (1879). Pentateuch (594). Eerdere Profeten (868). Latere Profeten (120). 12 Kleine Profeten (56). Geschriften (241). Gn (315). Ex (150). Lv (10). Nu (95). Dt (24). Gn 19 - 24 (11). Ex 19 (7): (1) Ex 19,9 (JHWH tot Mozes). (2) Ex 19,10 (JHWH tot Mozes). (3) Ex 19,15 (Mozes tot het volk). (4) Ex 19,21 (JHWH tot Mozes). (5) Ex 19,23 (Mozes tot JHWH). (6) Ex 19,24 (JHWH - tot Mozes - ). (7) Ex 19,25 (Mozes - tot het volk - ). Ex 20 (2): (1) Ex 20,20. (2) Ex 20,22. Ex 24 (2): (1) Ex 24,8. (2) Ex 24,12. Deze werkwoordvorm komt meer voor dan וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) behalve in Lv.

Ex 20,1.2. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God). Taalgebruik in Tenakh: ´èlohîm (God). getalswaarde: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal: 41 of 86 (2 X 43). Structuur: 1 - 3 -5 -1 - 4. De som van de elementen is telkens 5. De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl. getalswaarde is: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld). Structuur: 1 - 3. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (299). Pentateuch (216). Eerdere Profeten (28). Latere Profeten (25). 12 Kleine Profeten (14). Geschriften (16). Gn (140). Ex (31). Lv (0). Nu (7). Dt (29). Ex (31). (1) Ex 1,20. (2) Ex 2,24. (3) Ex 2,25. (4) Ex 3,4. (5) Ex 3,14. (6) Ex 3,15. (7) Ex 6,2. (8) Ex 7,1. (9) Ex 8,15. (10) Ex 9,28. (11) Ex 9,30. (12) Ex 13,17. (13) Ex 13,18. (14) Ex 13,19. (15) Ex 18,1. (16) Ex 18,15. (17) Ex 18,19. (18) Ex 18,21. (19) Ex 18,23. (20) Ex 20,1. (21) Ex 20,3. (22) Ex 20,19. (23) Ex 22,8. (24) Ex 22,27. (25) Ex 23,13. (26) Ex 31,3. (27) Ex 31,18. (28) Ex 32,1. (29) Ex 32,16. (30) Ex 32,23. (31) Ex 35,31. Dt (29): (1) Dt 4,7. (2) Dt 4,28. (3) Dt 4,32. (4) Dt 4,33. (5) Dt 4,34. (6) Dt 5,7. (7) Dt 5,24. (8) Dt 5,26. (9) Dt 6,14. (10) Dt 7,4. (11) Dt 8,19. (12) Dt 9,10. (13) Dt 11,16. (14) Dt 11,28. (15) Dt 13,3. (16) Dt 13,7. (17) Dt 13,14. (18) Dt 17,3. (19) Dt 18,20. (20) Dt 21,23. (21) Dt 25,18. (22) Dt 28,14. (23) Dt 28,36. (24) Dt 28,64. (25) Dt 29,25. (26) Dt 31,18. (27) Dt 31,20. (28) Dt 32,17. (29) Dt 32,39.
- Grieks. θεος = theos (God) . Taalgebruik in het NT: theos (God). Taalgebruik in de LXX: theos (God). Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984), in het NT (1314).
- Ned.: God. Arabisch: اَللە = ´allah (Allah). Taalgebruik in de Qoran: ´allah (Allah). In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven). D.: Gott. E.: God. Fr.: dieu. De vloek dju. Grieks: θεος = theos (God) . Taalgebruik in het NT: theos (God). Hebreeuws: אֱלֹהִים = ´èlohîm (God). Taalgebruik in Tenakh: ´èlohîm (God).
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen: goden. Als collectief zouden we kunnen vertalen: god. Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden. Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn.
- De Godsnaam JHWH wordt veelvuldiger dan de naam ´èlohîm (god) gebruikt. Vergelijk maar: יהוה = JHWH. Eigennaam van God. Taalgebruik in Tenakh: JHWH. getalswaarde: jod = 10, he = 5, waw = 6. Totaal: 26. Structuur: 1 - 5 - 6 - 5. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (5193). Pentateuch (1326). Eerdere Profeten (1013). Latere Profeten (1357). 12 Kleine Profeten (387). Geschriften (1110). Gn (128). Ex (299). Lv (199). Nu (287). Dt (413). In Gn: ´èlohîm (god) (140), de Godsnaam JHWH (128), vooral in Gn 1-25. Ex 20 (6): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,5. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,22.

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Dt Nu Ex 20 Dt 5
´èlohîm (God) 635 207 118 39 17 25 140 31 0 29 7 3 3
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 413 287 6 17

- Het pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv., voorafgegaan door het prefix ´èl: אֲלֵיהֶם = ´äle(j)hèm (tot hen) heeft dezelfde medeklinkers (in een andere volgorde) en dezelfde getalswaarde als אֱלֹהִים = ´èlohîm (God).

Ex 20,1.1. - 2. De getalswaarde van וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים = wajëdabber ´èlohîm (en God sprak) is: 42 + 41 = 83 OF 222 + 86 = 308 (2 X 154 = 4 X 77 = 4 X 11 X 7 = 44 X 7 = 28 X 11).
- וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים = wajëdabber ´èlohîm (en God sprak). Tenakh (3): (1) Gn 8,15. (2) Ex 6,2. (3) Ex 20,1.
- וַיְדַבֵּר יהוה = wajëdabber JHWH (en JHWH sprak). Tenach (100 = 2² X 5²). Pentateuch (96 = 2³ X 2² X 3). Gn (0). Ex (14 = 2 X 7): (1) Ex 6,10. (2) Ex 6,13. (3) Ex 6,29. (4) Ex 13,1. (5) Ex 14,1. (6) Ex 16,11. (7) Ex 25,1. (8) Ex 30,11. (9) Ex 30,17. (10) Ex 30,22. (11) Ex 31,1. (12) Ex 32,7. (13) Ex 33,1. (14) Ex 40,1. Lv (35 = 5 X 7): (1) Lv 1,1. (2) Lv 4,1. (3) Lv 5,14. (4) Lv 5,20. (5) Lv 6,1. (6) Lv 6,12. (7) Lv 6,17. (8) Lv 7,22. (9) Lv 7,28. (10) Lv 8,1. (11) Lv 10,8. (12) Lv 11,1. (13) Lv 12,1. (14) Lv 13,1. (15) Lv 14,1. (16) Lv 14,33. (17) Lv 15,1. (18) Lv 16,1. (19) Lv 17,1. (20) Lv 18,1. (21) Lv 19,1. (22) Lv 20,1. (23) Lv 21,16. (24) Lv 22,1. (25) Lv 22,17. (26) Lv 22,26. (27) Lv 23,1. (28) Lv 23,9. (29) Lv 23,23. (30) Lv 23,26. (31) Lv 23,33. (32) Lv 24,1. (33) Lv 24,13. (34) Lv 25,1. (35) Lv 27,1. Van Lv 1-10 beginnen 3 hoofdstukken alzo. Van Lv 11-27 zijn het 15/17 hoofdstukken, niet in Lv 21,1 en Lv 26,1. Nu (44). Dt (3). Andere boeken (4).
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים = wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei). Tenakh (27). Gn (21).Gn 1 (9). Gn 6-11 (4). Slechts in twee verzen in Ex - Dt: (1) Ex 3,14. (2) Nu 22,12. Rest (4).
- וַיּאֹמֶר יהוה = wajjo´mèr JHWH (en JHWH zei). Tenakh (204).
- וַיּאֹמֶר אֲלֵיהֶם = wajjo´mèr ´äle(j)hèm (tot hen). Tenakh (51).
- וַיְדַבֵּר אֲלֵיהֶם = waJêdabbèr ´ale(j)hèm (en hij sprak tot hen). Tenakh (5): (1) Gn 42,24. (2) Gn 44,6. (3) 1 K 13,12. (4) 2 K 1,7. (5) 2 Kr 10,14.

Ex 20,1.3. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief). Taalgebruik in Tenakh: ´eth (accusatief). getalswaarde: aleph = 1, thaw = 22 of 400 ; totaal: 23 OF 401 (priemgetal). Structuur: 1 - 4. Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet. Tenakh (5699). Pentateuch (2002). Eerdere Profeten (1661). Latere Profeten (860). 12 Kleine Profeten (207). Geschriften (967). Joz (231). Gn (525). Ex (473). Ex 20 (7): (1) Ex 20,1. (2) Ex 20,7. (3) Ex 20,8. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,18. (7).Ex 20,24.

Ex 20,1.4. כל = kl (al). Taalgebruik in Tenakh: kl (al). getalswaarde: kaph = 11 of 20, lamed = 12 of 30 ; totaal: 23 OF 50 (2 X 5²). Structuur: 2 - 3. Tenakh (2709). Pentateuch (824). Eerdere Profeten (584). Latere Profeten (505). 12 Kleine Profeten (104). Geschriften (692). Ex (159). Ex 20 (4): (1) Ex 20,1. (2) Ex 20,9. (3) Ex 20,10. (4) Ex 20,11.

Ex 20,1.5. הַדְּבָרִים = haddëbhârîm (de woorden) < bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfst. naamw. דָבָר = dâbhâr (woord, daad). Zie het werkw. דָבַר = dâbhar (spreken). Taalgebruik in Tenakh: dâbhar (spreken). getalswaarde: daleth = 4, beth = 2, resj = 20 of 200 ; totaal: 26 (2 X 13) OF 206 = 2 X 103. Structuur: 4 - 2 - 2. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (132). Pentateuch (44). Eerdere Profeten (34). Latere Profeten (35). 12 Kleine Profeten (4). Geschriften (15). Gn (11): (1) Gn 15,1. (2) Gn 20,8. (3) Gn 22,1. (4) Gn 22,20. (5) Gn 24,66. (6) Gn 29,13. (7) Gn 39,7. (8) Gn 40,1. (9) Gn 43,7. (10) Gn 44,6. (11) Gn 48,1. Ex (12): (1) Ex 4,15. (2) Ex 4,30. (3) Ex 18,19. (4) Ex 19,6. (5) Ex 19,7. (6) Ex 20,1. (7) Ex 24,3. (8) Ex 24,8. (9) Ex 34,1. (10) Ex 34,27. (11) Ex 34,28. (12) Ex 35,1.
- Het gaat in deze verzen om de 'tien woorden': עֲשֶׂרֶת הַדְּבָרִים = ´äshèrèth haddëbhärîm (tien woorden). Tenakh (3): (1) Ex 34,28. (2) Dt 4,13. (3) Dt 10,4.

Ex 20,1.4. - 5. כל הַדְּבָרִים = kâl haddëbharîm (alle woorden / gebeurtenissen). Tenakh (43). Gn (3): (1) Gn 20,8. (2) Gn 24,66. (3) Gn 29,13. Ex (4): (1) Ex 4,30. (2) Ex 19,7. (3) Ex 20,1. (4) Ex 24,3. (5) Ex 24,8.

Ex 20,1.3. - 5. אֵת כל הַדְּבָרִים = `eth kâl haddëbharîm (alle woorden / gebeurtenissen). Tenakh (38). Gn (3). Ex (4). Nu (2). Dt (8). Gn (3): (1) Gn 20,8. (2) Gn 24,66. (3) Gn 29,13. Ex (3): (1) Ex 4,30. (2) Ex 19,7. (3) Ex 20,1.

Ex 20,1.6. הָאֵלֶּה = hâ´ellèh (deze) < bepaald lidw. ha + aanwijz. voornaamw. אֵלֶּה = ´ellèh (deze /dit). Taalgebruik in Tenakh: ´lh. getalswaarde: aleph = 1, lamed = 12 of 30, he = 5 ; totaal: 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²). Structuur: 1 - 3 - 5. De som van de elementen is telkens 9.Tenakh (282). Pentateuch (84). Eerdere Profeten (91). Latere Profeten (65). 12 Kleine Profeten (7). Geschriften (35). Gn (20): (1) Gn 15,1. (2) Gn 15,17. (3) Gn 20,8. (4) Gn 21,29. (5) Gn 22,1. (6) Gn 22,20. (7) Gn 24,28. (8) Gn 29,13. (9) Gn 34,21. (10) Gn 35,4. (11) Gn 38,25. (12) Gn 39,7. (13) Gn 39,17. (14) Gn 39,19. (15) Gn 40,1. (16) Gn 41,35. (17) Gn 43,7. (18) Gn 44,6. (19) Gn 44,7. (20) Gn 48,1. Ex (7): (1) Ex 4,9. (2) Ex 11,10. (3) Ex 19,7. (4) Ex 20,1. (5) Ex 24,8. (6) Ex 25,39. (7) Ex 34,27. Joz (34). Joz 24 (3): (1) Joz 24,17. (2) Joz 24,26. (3) Joz 24,29.

Ex 20,1.5. - 6. הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = haddëbharîm hâ´ellèh (deze woorden/gebeurtenissen) (2 woorden, 10 letters - de 2 stenen tafels met de 10 geboden). Tenakh (81 = 3 X 3 X 3 X 3). Pentateuch (24 = (2+2) + (10 + 10). Gn (10). Ex (4). Nu (2). Dt (8). Gn (10): (1) Gn 15,1. (2) Gn 20,8. (3) Gn 22,1. (4) Gn 22,20. (5) Gn 29,13. (6) Gn 39,7. (7) Gn 40,1. (8) Gn 43,7. (9) Gn 44,6. (10) Gn 48,1. Ex (4): (1) Ex 19,7. (2) Ex 20,1. (3) Ex 24,8. (4) Ex 34,27. Joz (2): (1) Joz 24,26. (2) Joz 24,29.

Ex 20,1.4. - 6. כל הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = kâl haddëbharîm hâ´ellèh (al deze woorden / gebeurtenissen). Tenakh (28). Pentateuch (12). Gn (3): (1) Gn 20,8. (2) Gn 29,13. Ex (4): (1) Ex 20,1. (2) Ex 24,8. Lv (0). Nu (1): Nu 16,31. Dt (4): (1) Dt 4,30. (2) Dt 12,28. (3) Dt 30,1. (4) Dt 32,45. Jr (11).
- παντας τους λογους τουτους = pantas tous logous toutous (al deze woorden). LXX (25). Pentateuch (7): Gn (1): Gn 29,13. Ex (2): (1) Ex 19,7. (2) Ex 20,1. Lv (0). Nu (1): Nu 16,31. Dt (3): (1) Dt 31,1. (2) Dt 31,28. (3) Dt 32,46. Jr (11). NT (1): Mt 26,1.

Ex 20,1.3. - 6. אֵת כל הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = `eth kâl haddëbharîm hâ ellèh (al deze woorden / gebeurtenissen). Tenakh (25). Gn (2): (1) Gn 20,8. (2) Gn 29,13. Ex (2): (1) Ex 19,7. (2) Ex 20,1.
- אֵת הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = eth haddëbharîm hâ´ellèh (deze woorden / gebeurtenissen). Tenakh (30). Ex (1): Ex 34,27.

Ex 20,1.1. - 6. - וַיְדַבֵּר אֵת כל הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = wajëdabbèr `eth kâl haddëbharîm hâ ellèh (en hij sprak al deze woorden / gebeurtenissen). Tenakh (1): Gn 20,8.
- וַיְדַבֵּראֱלֹהִיםאֵתכלהַדְּבָרִיםהָאֵלֶּה = wajëdabbèr ´èlohîm `eth kâl haddëbharîm hâ ellèh (al deze woorden / gebeurtenissen). Tenakh (1): Ex 20,1.
- וַיְדַבֵּר אֵת הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = wajëdabbèr `eth haddëbharîm hâ ellèh (en hij sprak deze woorden / gebeurtenissen). Tenakh ().
- וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים אֵת הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = wajëdabber ´èlohîm `eth haddëbharîm hâ ellèh (en God sprak deze woorden). Tenakh ().
- וַיְדַבֵּר אֲלֵיהֶם אֵת הַדְּבָרִים הָאה = wajêdabbèr ´ale(j)hèm `eth haddëbharîm hâ ellèh (en hij sprak tot hen deze woorden). Tenakh (1): Gn 44,6. (2) Ex 1,8. (3) 2 K 1,7.

Ex 20,1.7. לֵאמֹר = le´mor (om te zeggen) < prefix voorzetsel lë + act. qal inf. van het werkw. אמר = ´-m-r (zeggen). Taalgebruik in Tenakh: ´âmar (zeggen). getalswaarde: aleph = 1, mem = 13 of 40, resj = 20 of 200 ; totaal: 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal). Structuur: 1 - 4 - 2. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (897). Pentateuch (298). Eerdere Profeten (281). Latere Profeten (197). 12 Kleine Profeten (43). Geschriften (78). Gn (74).

In de mond van God worden volgende woorden gelegd. Woorden kunnen ook gebeurtenissen zijn. In de gebeurtenissen openbaart zich God aan de mens, hoe die mens zich moet verhouden tot zijn God, tot de schepping, tot zijn medemens. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat God zich in de schepping openbaart en die schepping weergeeft hoe God is. Zo is God naijverig, boos, barmhartig, goedgezind enz.... Wat er over God gezegd wordt, zegt men over de schepping en dan nog over de schepping zoals de mens haar ervaart. Zo wordt aan de schepping eigenschappen toegeschreven die in feite ervaringen zijn hoe de mens die schepping ervaart. Vervolgens worden dan de eigenschappen van de schepping gezien als openbaringen van God. Zo krijgt God menselijke eigenschappen toegemeten. De geboden en verboden zijn richtlijnen opdat de mens goed zou mogen leven: in verstandhouding met het 'Al' en met de medemens. 'Al' en 'medemens' vormen één geheel.

Ex 20,2 - Ex 20,2: de tien geboden -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,1 - Ex 20,2 - Ex 20,3 - Ex 20,4 - Ex 20,5 - Ex 20,6 - Ex 20,7 - Ex 20,8 - Ex 20,9 - Ex 20,10 - Ex 20,11 - Ex 20,12 - Ex 20,13 - Ex 20,14 - Ex 20,15 - Ex 20,16 - Ex 20,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2egô eimi kurios o theos sou ostis exègagon se ek gès aiguptou ex oikou douleias  2 ego sum Dominus Deus tuus qui eduxi te de terra Aegypti de domo servitutis    ב  אָנֹכִי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ, אֲשֶׁר הוֹצֵאתִיךָ מֵאֶרֶץ מִצְרַיִם מִבֵּית עֲבָדִים:  לֹא-יִהְיֶה לְךָ אֱלֹהִים אֲחֵרִים, עַל-פָּנָי.  2 Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. [2] 'Ik ben de heer uw God die u heeft weggeleid uit Egypte, het slavenhuis*. [2] 'Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd. Exodus 20:2 ik ben de Ene, God-over-jou, die jou heb uitgeleid uit het land van Egypte, uit het diensthuis. 2. « Je suis Yahvé, ton Dieu, qui t'ai fait sortir du pays d'Égypte, de la maison de servitude.

King James Bible. [2] I am the LORD thy God, which have brought thee out of the land of Egypt, out of the house of bondage.
Luther-Bibel. 2 Ich bin der HERR, dein Gott, der ich dich aus Ägyptenland, aus der Knechtschaft, geführt habe.

 ב  אָנֹכִי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ, אֲשֶׁר הוֹצֵאתִיךָ מֵאֶרֶץ מִצְרַיִם מִבֵּית עֲבָדִים:  לֹא-יִהְיֶה לְךָ אֱלֹהִים אֲחֵרִים, עַל-פָּנָי. 

Tekstuitleg van Ex 20,2. Het vers Ex 20,2 telt 9 (3²) woorden en 41 letters. Lettergrepen: 10 - 6 - 6 - 5. De getalswaarde van Ex 20,2 is 2495 (5 X 499). Het vers Ex 20,2 begint met een aleph, evenals de betrekkelijke zin. 2X komt een suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. enk. voor. Woorden 6, 7 en 8 beginnen met een mem (13 of 40). Woorden 7 en 9 eindigen op -îm.
- Ex 20,2 geeft het eerste 'woord' weer na de inleiding. Dit vers geeft aan van wie de woorden komen. Ex 20,2 = Dt 5,6. Misschien geeft dit vers wel aan dat de 10 woorden hun oorsprong vinden in Egypte. De God van Mozes is de God die Mozes leerde kennen in Egypte.

Ex 20,2.1. אָנֹכִי = ´ânokhî (ik). Zie: אֲנִי = ´änî (ik). Taalgebruik in Tenakh: ´änî (ik). getalswaarde: aleph = 1, nun = 14 of 50, kaph = 11 of 20, jod = 10 ; totaal: 36 (2² X 3²) OF = 81 (3² X 3²). Structuur: 1 - 5 - 2 - 1. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (276). Pentateuch (123). Eerdere Profeten (66). Latere Profeten (40). 12 Kleine Profeten (18). Geschriften (29). Gn (47). Ex (19): (1) Ex 3,6. (2) Ex 3,11. (3) Ex 3,12. (4) Ex 3,13. (5) Ex 4,10. (6) Ex 4,11. (7) Ex 4,23. (8) Ex 7,17. (9) Ex 7,27. (10) Ex 8,24. (11) Ex 8,25. (12) Ex 17,9. (13) Ex 19,9. (14) Ex 20,2. (15) Ex 20,5. (16) Ex 23,20. (17) Ex 32,18. (18) Ex 34,10. (19) Ex 34,11. Lv (0). Nu (5). Dt (52). Dt 5 (5): (1) Dt 5,1. (2) Dt 5,5. (3) Dt 5,6. (4) Dt 5,9. (5) Dt 5,31. Dt 6 (2): (1) Dt 6,2. (2) Dt 6,6.

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Ex 20 Dt 5
´ânokhî (ik) 276 123 66 40 18 29 47 19 0 5 52 2 5
´änî (ik) 653 25 82 247 31 152              
´ânokhî JHWH (ik ben JHWH). 9             3     2    
´anî JHWH (ik ben JHWH) 135           2 15 52 8 1    

- Grieks: εγω ειμι = egô eimi (ik ben). Taalgebruik in het NT: egô (ik). Taalgebruik in de LXX: egô (ik). De LXX gebruikt hier een hulpwerkwoord wat de Hebreeuwse tekst niet doet.
- Ned.: ik (Grieks e-g). Arabisch: أنا. ´anâ (ik) ; Taalgebruik in de Qoran: ´anâ (ik). Aramees: אנה = ´änâh (ik). Fr.: je. D.: Ich. E.: I. Fr.: je. Grieks: εγω ειμι = egô eimi (ik ben). Taalgebruik in het NT: egô (ik). Hebreeuws: אָנֹכִי = ´ânokhî (ik). Zie: אֲנִי = ´änî (ik). Taalgebruik in Tenakh: ´änî (ik). Lat.: ego sum (ik ben). In navolging van de LXX gebruikt de Vulgaat het hulpwerkwoord. Eerste letter: Hebr. + Ar.: a ; Gr. + Lat.: e ; Ned. + D. + E.: i. Tweede letter. Hebr. 3de letter: kh ; Gr. + Lat.: g ; Ned.: k ; D. ch. ). Lat.: ego sum (ik ben). In navolging van de LXX gebruikt de Vulgaat het hulpwerkwoord.
- Jacob ben Isaac achkenazi de Janow, Le commentaire sur la Torah. Tseenah ureenah, Verdier, 1987. Collection "Les Dix Paroles", blz. 37. De aleph zei tot de Heilige: "Begin toch de Torah met mij, want ik ben de eerste letter van het alfabet. God antwoordde: Ik zal de tien geboden op de berg Sinaï geven en dan zal ik beginnen met: Ik ben de Heer, jouw God."
- Bibliografie:
-- Grad A. D., Le vériatble Cantique des cantiques, Rocher, 2004, p. 25-26 waar de betekenis van ´ânokhî in Zohar 2,91a wordt geciteerd.
-- Sabbah Messod & Roger, Les secrets de l'Exode, Jean-Cyrille Godefroy, 2000, p.93-96. Op deze blz. wordt een verband tussen anokhi Adonai (ik de Heer) en farao Achnaton gelegd. In ´ânokhî lezen we ankh, het levenssymbool.

Ex 20,2.2. יהוה = JHWH. Eigennaam van God. Taalgebruik in Tenach: JHWH. Taalgebruik in Exodus: JHWH. getalswaarde: jod = 10, he = 5, waw = 6. Totaal: 26. Structuur: 1 - 5 - 6 - 5. Tenach (5193). Pentateuch (1326). Eerdere Profeten (1013). Latere Profeten (1357). 12 Kleine Profeten (387). Geschriften (1110). Ex (299). Ex 20 (6): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,5. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,22. Dt 5 (17): (1) Dt 5,2. (2) Dt 5,3. (3) Dt 5,4. (4) Dt 5,5. (5) Dt 5,6. (6) Dt 5,9. (7) Dt 5,11. (8) Dt 5,12. (9) Dt 5,15. (10) Dt 5,16. (11) Dt 5,22. (12) Dt 5,24. (13) Dt 5,25. (14) Dt 5,27. (15) Dt 5,28. (16) Dt 5,32. (17) Dt 5,33.

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Ex 20 Dt 5
´èlohîm (God) 635 207 118 39 17 25 140 31 0 7 29 3 3
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 287 413 6 17
´èlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (je God) 299 216 28 25 12 16 2 11 4 0 199 5 7
´èlohekhèm (jullie God) 154 82 32 15 10 15 1 7 26 3 45 0 2
JHWH ´êlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (JHWH, je God) 267           1 8     116 4 7

- Grieks. κυριος = kurios (heer). Taalgebruik in het NT: kurios (heer). Taalgebruik in de LXX: kurios (heer). Een vorm van κυριος = kurios (heer) in de LXX (8591), in het NT (718).
- Ned.: Heer. Arabisch: رَب = rabb (God, Heer). Taalgebruik in de Qoran: rabb (God, Heer). Aramees: יוי = JWJ. D.: Herr. E.: Lord. Fr.: seigneur. Grieks: κυριος = kurios (heer). Taalgebruik in het NT: kurios (heer). Hebreeuws: יהוה = JHWH. Taalgebruik in Tenakh: JHWH. Latijn: Dominus. (Eerste medeklinker Gr. k, Ned. + D. h ; tweede medeklinker: Gr. + Ned. + D.: r ).
- Sabbah Messod & Roger, Les secrets de l'Exode, Jean-Cyrille Godefroy, 2000, p.93-96. Op deze blz. wordt een verband tussen anokhi Adonai (ik de Heer) en farao Achnaton gelegd. De uitspraak van JHWH is Adonai, waarin we het Egyptische Aton, de zonneschijf, zien.

Ex 20,2.1. - 2. אָנֹכִי יְהוָה = ´ânokhî JHWH (ik ben JHWH). Tenakh (9): (1) Ex 4,11. (2) Ex 20,2. (3) Ex 20,5. (4) Dt 5,6. (5) Dt 5,9. (6) Rt 3,13. (7) Ps 81,11. (8) Js 43,11. (9) Js 44,24
- אֱנִי יהוה = ´anî JHWH (ik ben JHWH). Tenakh(135). Gn (2): (1) Gn 15,7. (2) Gn 25,13. Ex (15): (1) Ex 6,2. (2) Ex 6,6. (4) Ex 6,7. (5) Ex 7,5. (6) Ex 7,17. (7) Ex 8,18. (8) Ex 10,2. (9) Ex 12,12. (10) Ex 14,4. (11) Ex 14,18. (12) Ex 15,26. (13) Ex 16,12. (14) Ex 29,46 (2X). (15) Ex 31,13. Lv (52). Nu (8). Dt (1): Dt 29,5.

Ex 20,2.3. אֱלֹהֶיךָ = ´êlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (je God) < stat. constr. mann. mv. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk.. Zie: אֱלֹהִים = ´èlohîm (God). Taalgebruik in Tenakh: ´èlohîm (God). getalswaarde: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal: 41 of 86 (2 X 43). Structuur: 1 - 3 -5 -1 - 4. De som van de elementen is telkens 5. De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl. getalswaarde is: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld). Structuur: 1 - 3. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (299). Pentateuch (216). Eerdere Profeten (28). Latere Profeten (25). 12 Kleine Profeten (14). Geschriften (16). (231). Gn (2): (1) Gn 27,20. (2) Gn 31,32. Ex (11): (1) Ex 15,26. (2) Ex 20,2. (3) Ex 20,5. (4) Ex 20,7. (5) Ex 20,10. (6) Ex 20,12. (7) Ex 23,19. (8) Ex 32,4. (9) Ex 32,8. (10) Ex 34,24. (11) Ex 34,26. Dt (199). Dt 5 (7): (1) Dt 5,6. (2) Dt 5,9. (3) Dt 5,11. (4) Dt 5,12. (5) Dt 5,14. (6) Dt 5,15. (7) Dt 5,16.
- Grieks. θεος = theos (God) . Taalgebruik in het NT: theos (God). Taalgebruik in de LXX: theos (God). Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984), in het NT (1314).
- Ned.: God. Arabisch: اَللە = ´allah (Allah). Taalgebruik in de Qoran: ´allah (Allah). In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven). D.: Gott. E.: God. Fr.: dieu. De vloek dju. Grieks: θεος = theos (God) . Taalgebruik in het NT: theos (God). Hebreeuws: אֱלֹהִים = ´èlohîm (God). Taalgebruik in Tenakh: ´èlohîm (God).
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen: goden. Als collectief zouden we kunnen vertalen: god. Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden. Onder goden kan / kunnen zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn.
- De Godsnaam JHWH wordt veelvuldiger dan de naam ´èlohîm (god) gebruikt. Vergelijk maar: יהוה = JHWH. Eigennaam van God. Taalgebruik in Tenakh: JHWH. getalswaarde: jod = 10, he = 5, waw = 6. Totaal: 26. Structuur: 1 - 5 - 6 - 5. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (5193). Pentateuch (1326). Eerdere Profeten (1013). Latere Profeten (1357). 12 Kleine Profeten (387). Geschriften (1110). Gn (128). Ex (299). Lv (199). Nu (287). Dt (413). In Gn: ´èlohîm (god) (140), de Godsnaam JHWH (128), vooral in Gn 1-25. Ex 20 (6): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,5. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,22.

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Ex 20 Dt 5
´èlohîm (God) 635 207 118 39 17 25 140 31 0 7 29 3 3
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 287 413 6 17
´èlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (je God) 299 216 28 25 12 16 2 11 4 0 199 5 7
´èlohekhèm (jullie God) 154 82 32 15 10 15 1 7 26 3 45 0 2
JHWH ´êlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (JHWH, je God) 267           1 8     116 4 7
JHWH ´êlohè(j)khèm (JHWH, jullie God) 123 74         0 4 26 4 40 0 2

Ex 20,2.2. - 3. יְהוָה אֱלֹהֶיךָ = JHWH ´êlohè(j)khâ (JHWH, je God). Tenakh (231). Gn (1): Gn 27,20. Ex (8): (1) Ex 15,26. (2) Ex 20,2. (3) Ex 20,5. (4) Ex 20,7. (5) Ex 20,12. (6) Ex 23,19. (7) Ex 34,24. (8) Ex 34,26. Dt (116). Dt 5 (7): (1) Dt 5,6. (2) Dt 5,9. (3) Dt 5,11. (4) Dt 5,12. (5) Dt 5,15 (2X). (6) Dt 5,16 (2X). Dt 10 (4): (1) Dt 10,9. (2) Dt 10,12 (3X). (3) Dt 10,20. (4) Dt 10,22.
- יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם = JHWH ´êlohè(j)khèm (JHWH, jullie God). Tenakh (123). Pentateuch (74). Gn (0). Ex (4). Lv (26). Nu (4). Dt (40).

Ex 20,2.1.- 3. אָנֹכִי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ = ´ânokhî JHWH ´êlohè(j)khâ (ik ben JHWH, jouw God). Tenakh (5/9): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,5. (3) Dt 5,6. (4) Dt 5,9. (5) Ps 81,11.

Ex 20,2.4. אֲשֶׁר = ´äsjèr (die). Taalgebruik in Tenakh: ´äsjèr (die). getalswaarde: aleph = 1, sjin = 21 of 300, resj = 20 of 200 ; totaal: 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167). Structuur: 1 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (4012). Pentateuch (1378). Eerdere Profeten (1114). Latere Profeten (717). 12 Kleine Profeten (106). Geschriften (697). Ex (217). Ex 20 (10): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,4. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,10. (5) Ex 20,11. (6) Ex 20,12. (7) Ex 20,17. (8) Ex 20,21. (9) Ex 20,24. (10) Ex 20,26.

Ex 20,2.3. - 4. אֱלֹהֶיךָ אֲשֶׁר = ´êlohè(j)khâ ´äsjèr (jouw God, die). Tenakh (13): (1) Ex 20,2. (2) Dt 5,6. (3) Dt 10,21. (4) Dt 12,15. (5) Dt 16,17. (6) Dt 16,21. (7) Dt 28,13. (8) 1 S 13,13. (9) 2 S 18,28. (10) 2 K 19,10. (11) Js 37,10. (12) Jr 2,28. (13) Neh 9,18.

Ex 20,2.2. - 4. יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אֲשֶׁר = JHWH ´êlohè(j)khâ ´äsjèr (JHWH, jouw God, die). Tenakh (8): (1) Ex 20,2. (2) Dt 5,6. (3) Dt 12,15. (4) Dt 16,17. (5) Dt 16,21. (6) Dt 28,13. (7) 1 S 13,13. (8) 2 S 18,28.

Ex 20,2.1. - 4. אָנֹכִי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אֲשֶׁר = ´ânokhî JHWH ´êlohè(j)khâ ´äsjèr (ik ben JHWH, jouw God, die). Tenakh (8): (1) Ex 20,2. (2) Dt 5,6.

Ex 20,2.5. הוֹצֵאתִיךָ = hôtse´thîkhâ (ik leidde je uit) < werkwoordvorm act. hifil perf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk.. Zie het werkw. יָצַא = jâtsa´ (uitgaan, uittrekken). Taalgebruik in Tenakh: jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken). getalswaarde: jod = 10, tsade = 18 of 90, aleph = 1 ; totaal: 29 OF 101 (3³ X 3²). Structuur: 1 - 9 - 1. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (3): (1) Gn 15,7. (2) Ex 20,2. (3) Dt 5,6.
- De Griekse vertaling van יָצַא = jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) is vaak een vorm van het werkw. εξαγω = exagô (uitleiden, naar buiten leiden). Taalgebruik in de LXX: exagô (uitleiden, naar buiten leiden). Taalgebruik in het NT: exagô (uitleiden, naar buiten leiden). Een vorm van εξαγω = exagô (uitleiden, naar buiten leiden) in de LXX (221), in het NT (12). Tenakh (1): Ex 20,2.

Ex 20,2.4. - 5. אֲשֶׁר הוֹצֵאתִיךָ = ´äsjèr hôtse´thîkhâ (die deed uitgaan). Tenakh (3): (1) Gn 15,7. (2) Ex 20,2. (3) Dt 5,6.

Ex 20,2.6. מֵאֶרֶץ = me´èrèts (uit het land) < prefix voorzetsel min + het zelfst. naamw. אֶרֶץ =´èrèts (land, aarde). Taalgebruik in Tenakh: ´èrètz (land). Taalgebruik in Ex: ´èrètz (land). getalswaarde: aleph = 1, resj = 20 of 200, tsade = 18 of 90 ; 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97). Structuur: 1 - 2 - 9. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (157). Pentateuch (56). Eerdere Profeten (24). Latere Profeten (46). 12 Kleine Profeten (13). Geschriften (18). Ex (21): (1) Ex 6,13. (2) Ex 6,26. (3) Ex 7,4. (4) Ex 12,17. (5) Ex 12,41. (6) Ex 12,42. (7) Ex 12,51. (8) Ex 13,18. (9) Ex 16,1. (10) Ex 16,6. (11) Ex 16,32. (12) Ex 19,1. (13) Ex 20,2. (14) Ex 29,46. (15) Ex 32,1. (16) Ex 32,4. (17) Ex 32,7. (18) Ex 32,8. (19) Ex 32,11. (20) Ex 32,23. (21) Ex 33,1. Dt (12): (1) Dt 1,27. (2) Dt 2,19. (3) Dt 5,6. (4) Dt 6,12. (5) Dt 8,14. (6) Dt 9,7. (7) Dt 13,6. (8) Dt 13,11. (9) Dt 16,3. (10) Dt 20,1. (11) Dt 29,21. (12) Dt 29,24.
- Grieks: gen. vr. enk. γης = gès van het zelfst. naamw. γη = gè (aarde, land). Taalgebruik in de Septuaginta: gè (aarde). Taalgebruik in het NT: gè (aarde). Een vorm van γη = gè (aarde, land) in de LXX (3154), in het NT (248).

  gè  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
2 gen. vr. enk. gès   1203  1082  121  17  11  10  15  21  42  38  43     
  totaal 2935  2702  233  40  18  25  11  32  34  73  83  94     

- Ned.: aarde. Aramees: אַרְעָא = ´arë`â´ (aarde, land, grond, veld). Arabisch: أرض =´arD (aarde). D.: Welt. E.: earth. Fr.: terre. Grieks: γη = gè (aarde, land). Taalgebruik in het NT: gè (aarde). Hebreeuws: אֶרֶץ =´èrèts (land, aarde). Taalgebruik in Tenakh: ´èrètz (land). Lat.: terra.

Ex 20,2.7. מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte). Taalgebruik in Tenakh: mitsërajim (Egypte). Taalgebruik in Ex: mitsërajim (Egypte). getalswaarde: mem = 13 of 40, tsade = 18 of 90, resj = 20 of 200, jod = 10 ; totaal: 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19). Structuur: 4 - 9 - 2 - 1 - 4. Tenakh (434). Pentateuch (219). Eerdere Profeten (42). Latere Profeten (123). 12 Kleine Profeten (23). Geschriften (27). Ex (119). Ex 20 (1): Ex 20,2. Dt (26).

Ex 20,2.6. - 7. מֵאֶרֶץ מִצְרָיִם = me´èrèts mitsërâjim (uit het land Egypte). Tenakh (45). Pentateuch (26). Eerdere Profeten (7). Latere Profeten (5). 12 Kleine Profeten (4). Geschriften (3). Gn (2). Ex (8). Lv (5). Nu (5). Dt (7). Joz (1). Re (2). 1 K (2). 2 K (2). Gn (2): (1) Gn 45,19. (2) Gn 47,15. Ex (8): (1) Ex 6,26. (2) Ex 7,4. (3) Ex 12,51. (4) Ex 20,2. (5) Ex 29,46. (6) Ex 32,1. (7) Ex 32,11. (8) Ex 32,23.

Ex 20,2.8. מִבֵּית = mibbe(j)th (uit het huis van) < voorzetsel min + stat. constr. van het zelfs. naamw. בַּיִּת = bajith (huis). Taalgebruik in Tenakh: bajith (huis). getalswaarde: beth = 2, jod = 10, thaw = 22 of 400 ; totaal: 34 (2 X 17) OF 412 (2² X 103). Structuur: 2 - 1 - 4. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (102). Pentateuch (29). Eerdere Profeten (36). Latere Profeten (12). 12 Kleine Profeten (8). Geschriften (17). Ex (8): (1) Ex 2,1. (2) Ex 13,3. (3) Ex 13,14. (4) Ex 20,2. (5) Ex 22,6. (6) Ex 25,11. (7) Ex 26,33. (8) Ex 37,2.

Ex 20,2.9. mann. mv. עֲבָדִים = `äbhâdîm (dienaars, slaven) van het zelfst. naamw. עֶבֶד = `èbhèd (dienaar, knecht). Taalgebruik in Tenakh: `èbhèd (dienaar). getalswaarde: ayin = 16 of 70, beth = 2, daleth = 4. Totaal: 22 (2 X 11) of 76 (4 X 19). Structuur: 7 - 2 - 4. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (40). Pentateuch (17). Eerdere Profeten (11). Latere Profeten (1). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (10). Ex (3): (1) Ex 13,3. (2) Ex 13,14. (3) Ex 20,2.
- Grieks. παις = pais (kind). Taalgebruik in het NT: pais (kind). Taalgebruik in de Septuaginta: pais (kind). OF: δουλος = doulos (dienaar). Taalgebruik in het NT: doulos (dienaar). Een vorm van δουλος = doulos (dienaar) in de Septuaginta (383), in het NT (124). Een vorm van παις = pais (kind) in de Septuaginta (470), in het NT (24). Tenakh (40). Pentateuch (17). Eerdere Profeten (11). Latere Profeten (1). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (10). Ex (3): (1) Ex 13,3. (2) Ex 13,14. (3) Ex 20,2.

Ex 20,2.8. - 9. מִבֵּית עֲבָדִים = mibbe(j)th `äbhâdîm (uit het huis van dienaren, slaven). Tenakh (12): (1) Ex 13,3. (2) Ex 13,14. (3) Ex 20,2. (4) Dt 5,6. (5) Dt 6,12. (6) Dt 7,8. (7) Dt 8,14. (8) Dt 13,6. (9) Dt 13,11. (10) Joz 24,17. (11) Re 6,8. (12) Jr 34,13.

Ex 20,2.6. - 9. מֵאֶרֶץ מִצְרָיִם מִבֵּית עֲבָדִים = me´èrèts mitsërâjim mibbe(j)th `äbhâdîm (uit het land Egypte, uit het huis van de dienaren ). Tenakh (7): (1) Ex 20,2. (2) Dt 5,6. (3) Dt 6,12. (4) Dt 8,14. (5) Dt 13,11. (6) Joz 24,17. (7) Jr 34,13.


Ex 20,3 - Ex 20,3: de tien geboden -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,1 - Ex 20,2 - Ex 20,3 - Ex 20,4 - Ex 20,5 - Ex 20,6 - Ex 20,7 - Ex 20,8 - Ex 20,9 - Ex 20,10 - Ex 20,11 - Ex 20,12 - Ex 20,13 - Ex 20,14 - Ex 20,15 - Ex 20,16 - Ex 20,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3ouk esontai soi theoi eteroi plèn emou  3 non habebis deos alienos coram me     3 Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. [3] U zult geen andere goden hebben ten koste van Mij. [3] Vereer naast mij geen andere goden. 20:3 Niet zal dít er voor jou wezen: ándere goden, bij mijn aanschijn! 3. Tu n'auras pas d'autres dieux devant moi.

King James Bible. [3] Thou shalt have no other gods before me.
Luther-Bibel. 3 Du sollst keine anderen Götter haben neben mir.

Tekstuitleg van Ex 20,3. Het vers Ex 20,3 telt 7 woorden en 23 letters. De getalswaarde van Ex 20,3 is 696 (2³ X 3 X 29). Dit vers handelt over het niet dienen van andere goden. Ex 20,3 =

Ex 20,3.1. לֹא = lo´(niet). Taalgebruik in Tenakh: lo´(niet). getalswaarde: lamed = 12 of 30, aleph = 1 ; totaal: 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld). De getalswaarde van לֹא = lo´ is de helft van de getalswaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2. Tenakh (2767). Pentateuch (801). Eerdere Profeten (456). Latere Profeten (611). 12 Kleine Profeten (150). Geschriften (749). Structuur: 3 - 1. De som van de elementen is telkens 4. Ex (145). Ex 20 (13): (1) Ex 20,3. (2) Ex 20,4. (3) Ex 20,5. (4) Ex 20,7. (5) Ex 20,10. (6) Ex 20,13. (7) Ex 20,14. (8) Ex 20,15. (9) Ex 20,16. (10) Ex 20,17. (11) Ex 20,23. (12) Ex 20,25. (13) Ex 20,26.

Ex 20,3.2. act. qal imperfect. 3de pers. mann. enk. יִהְיֶה = jihëjèh (hij zal zijn) van het werkw. הָיָה = hâjâh. Taalgebruik in Tenakh: hâjâh (zijn). getalswaarde: he = 5, jod = 10 ; totaal: 20 (2² X 5). Structuur: 5 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (399). Pentateuch (194). Eerdere Profeten (53). Latere Profeten (95). 12 Kleine Profeten (19). Geschriften (38). Ex (37). Ex 20 (1): Ex 20,3.

Ex 20,3.3. l-kh ( לָךְ = lâkh of לְךָ = lëhkâ = aan jou) < voorzetsel lë = suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. OF act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. לֵךְ = lekh (ga).

Ex 20,3.1. - 3. לֹא יִהְיֶה לְךָ = lo´ ihëjèh lëkhâ (er is niet aan jou = jij hebt niet). Tenakh (8): (1) Ex 20,3. (2) Nu 18,20. (3) Dt 5,7. (4) Dt 25,13. (5) Dt 25,14. (6) Joz 17,17. (7) Js 60,19. (8) Mi 2,5.

Ex 20,3.4. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God). Taalgebruik in Tenakh: ´èlohîm (God). getalswaarde: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal: 41 of 86 (2 X 43). Structuur: 1 - 3 -5 -1 - 4. De som van de elementen is telkens 5. De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl. getalswaarde is: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld). Structuur: 1 - 3. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (299). Pentateuch (216). Eerdere Profeten (28). Latere Profeten (25). 12 Kleine Profeten (14). Geschriften (16). Gn (140). Ex (31). Lv (0). Nu (7). Dt (29). Ex (31). (1) Ex 1,20. (2) Ex 2,24. (3) Ex 2,25. (4) Ex 3,4. (5) Ex 3,14. (6) Ex 3,15. (7) Ex 6,2. (8) Ex 7,1. (9) Ex 8,15. (10) Ex 9,28. (11) Ex 9,30. (12) Ex 13,17. (13) Ex 13,18. (14) Ex 13,19. (15) Ex 18,1. (16) Ex 18,15. (17) Ex 18,19. (18) Ex 18,21. (19) Ex 18,23. (20) Ex 20,1. (21) Ex 20,3. (22) Ex 20,19. (23) Ex 22,8. (24) Ex 22,27. (25) Ex 23,13. (26) Ex 31,3. (27) Ex 31,18. (28) Ex 32,1. (29) Ex 32,16. (30) Ex 32,23. (31) Ex 35,31. Dt (29): (1) Dt 4,7. (2) Dt 4,28. (3) Dt 4,32. (4) Dt 4,33. (5) Dt 4,34. (6) Dt 5,7. (7) Dt 5,24. (8) Dt 5,26. (9) Dt 6,14. (10) Dt 7,4. (11) Dt 8,19. (12) Dt 9,10. (13) Dt 11,16. (14) Dt 11,28. (15) Dt 13,3. (16) Dt 13,7. (17) Dt 13,14. (18) Dt 17,3. (19) Dt 18,20. (20) Dt 21,23. (21) Dt 25,18. (22) Dt 28,14. (23) Dt 28,36. (24) Dt 28,64. (25) Dt 29,25. (26) Dt 31,18. (27) Dt 31,20. (28) Dt 32,17. (29) Dt 32,39.
- Grieks. θεος = theos (God) . Taalgebruik in het NT: theos (God). Taalgebruik in de LXX: theos (God). Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984), in het NT (1314).
- Ned.: God. Arabisch: اَللە = ´allah (Allah). Taalgebruik in de Qoran: ´allah (Allah). In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven). D.: Gott. E.: God. Fr.: dieu. De vloek dju. Grieks: θεος = theos (God) . Taalgebruik in het NT: theos (God). Hebreeuws: אֱלֹהִים = ´èlohîm (God). Taalgebruik in Tenakh: ´èlohîm (God).
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen: goden. Als collectief zouden we kunnen vertalen: god. Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden. Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn.
- De Godsnaam JHWH wordt veelvuldiger dan de naam ´èlohîm (god) gebruikt. Vergelijk maar: יהוה = JHWH. Eigennaam van God. Taalgebruik in Tenakh: JHWH. getalswaarde: jod = 10, he = 5, waw = 6. Totaal: 26. Structuur: 1 - 5 - 6 - 5. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (5193). Pentateuch (1326). Eerdere Profeten (1013). Latere Profeten (1357). 12 Kleine Profeten (387). Geschriften (1110). Gn (128). Ex (299). Lv (199). Nu (287). Dt (413). In Gn: ´èlohîm (god) (140), de Godsnaam JHWH (128), vooral in Gn 1-25. Ex 20 (6): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,5. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,22.

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt
´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 31 0 7 29
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 287 413

Ex 20,3.5. mann. mv. אֲחֵרִים = ´ächarîm / ´ächerîm van het bijvoegl. naamw. אַחֵר = ´acher (ander, andere). Taalgebruik in Tenakh: ´acher (ander, andere). getalswaarde: aleph = 1, chet = 8, resj = 20 of 200 ; totaal: 29 OF 209 (11 X 19). Structuur: 1 - 8 - 2. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (76). Pentateuch (23). Eerdere Profeten (22). Latere Profeten (20). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (10). Gn (2). (1) Gn 8,10. (2) Gn 8,12. Ex (2): (1) Ex 20,3. (2) Ex 23,13. Lv (1): Lv 6,4. Nu (0). Dt (18): (1) Dt 5,7. (2) Dt 6,14. (3) Dt 7,4. (4) Dt 8,19. (5) Dt 11,16. (6) Dt 11,28. (7) Dt 13,3. (8) Dt 13,7. (9) Dt 13,14. (10) Dt 17,3. (11) Dt 18,20. (12) Dt 28,14. (13) Dt 28,36. (14) Dt 28,64. (15) Dt 29,25. (16) Dt 30,17. (17) Dt 31,18. (18) Dt 31,20.

Ex 20,3.4. - 5. אֱלֹהִים אֲחֵרִים = ´èlohîm ´ächerîm (andere goden). Tenakh (46). Pentateuch (19). Eerdere Profeten (17). Latere Profeten (8). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (1). Gn (0). Ex (2): (1) Ex 20,3. (2) Ex 23,13. Lv (0). Nu (0). Dt (17): (1) Dt 5,7. (2) Dt 6,14. (3) Dt 7,4. (4) Dt 8,19. (5) Dt 11,16. (6) Dt 11,28. (7) Dt 13,3. (8) Dt 13,7. (9) Dt 13,14. (10) Dt 17,3. (11) Dt 18,20. (12) Dt 28,14. (13) Dt 28,36. (14) Dt 28,64. (15) Dt 29,25. (16) Dt 31,18. (17) Dt 31,20. Joz (3): (1) Joz 23,16. (2) Joz 24,2. (3) Joz 24,16. Re (4): (1) Re 2,12. (2) Re 2,17. (3) Re 2,19. (4) Re 10,13. 1 S (2): (1) 1 S 8,8. (2) 1 S 26,19. 1 K (4): (1) 1 K 9,6. (2) 1 K 11,4. (3) 1 K 11,10. (4) 1 K 14,9. 2 K (4): (1) 2 K 17,7. (2) 2 K 17,35. (3) 2 K 17,37. (4) 2 K 17,38.

Ex 20,3.1. - 5. לֹא יִהְיֶה לְךָ אֱלֹהִים אֲחֵרִים = lo´ ihëjèh lëkhâ ´èlohîm ´ächerîm (er zijn geen andere goden aan jou = jij hebt niet geen andere goden). Tenakh (2): (1) Ex 20,3. (2) Dt 5,7.

6. עַל = `al (op, overeenkomstig, omwille van, tot). Taalgebruik in Tenakh: `al (op, overeenkomstig). getalswaarde: ajin = 16 of 70, lamed = 12 of 30 ; totaal: 28 (2² X 7) of 100 (2² X 5²). Structuur: 7 - 3. De som van de elementen is telkens 1. Tenakh (3075). Pentateuch (828). Eerdere Profeten (616). Latere Profeten (585). 12 Kleine Profeten (186). Geschriften (860). Gn (189). Ex (217). Ex 20 (6): (1). (2). (3). (4). (5). (6).


Ex 20,4 - Ex 20,4: de tien geboden -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,1 - Ex 20,2 - Ex 20,3 - Ex 20,4 - Ex 20,5 - Ex 20,6 - Ex 20,7 - Ex 20,8 - Ex 20,9 - Ex 20,10 - Ex 20,11 - Ex 20,12 - Ex 20,13 - Ex 20,14 - Ex 20,15 - Ex 20,16 - Ex 20,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4ou poièseis seautô eidôlon oude pantos omoiôma osa en tô ouranô anô kai osa en tè gè katô kai osa en tois udasin upokatô tès gès  4 non facies tibi sculptile neque omnem similitudinem quae est in caelo desuper et quae in terra deorsum nec eorum quae sunt in aquis sub terra     4 Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. [4] U zult geen beelden maken, geen* afbeelding van enig wezen boven in de hemel, beneden op de aarde of in de wateren onder de aarde. [4] Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. 20:4 Niet zul je voor jezelf maken een snijbeeld of welke gestalte ook die is in de hemelen boven, die is op de aarde beneden of die is in de wateren onder de aarde! 4. Tu ne te feras aucune image sculptée, rien qui ressemble à ce qui est dans les cieux, là-haut, ou sur la terre, ici-bas, ou dans les eaux, au-dessous de la terre.

King James Bible. [4] Thou shalt not make unto thee any graven image, or any likeness of any thing that is in heaven above, or that is in the earth beneath, or that is in the water under the earth:
Luther-Bibel. 4 Du sollst dir kein Bildnis noch irgendein Gleichnis A machen, weder von dem, was oben im Himmel, noch von dem, was unten auf Erden, noch von dem, was im Wasser unter der Erde ist:

Tekstuitleg van Ex 20,4. Het vers Ex 20,4 telt 16 (2² X 2²) woorden en 59 letters. getalswaarde van Ex 20,4 is 6072 (2³ X 3 X 11 X 23).

1. לֹא = lo´(niet). Taalgebruik in Tenakh: lo´(niet). getalswaarde: lamed = 12 of 30, aleph = 1 ; totaal: 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld). De getalswaarde van לֹא = lo´ is de helft van de getalswaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2. Tenakh (2767). Pentateuch (801). Eerdere Profeten (456). Latere Profeten (611). 12 Kleine Profeten (150). Geschriften (749). Structuur: 3 - 1. De som van de elementen is telkens 4. Ex (145). Ex 20 (13): (1) Ex 20,3. (2) Ex 20,4. (3) Ex 20,5. (4) Ex 20,7. (5) Ex 20,10. (6) Ex 20,13. (7) Ex 20,14. (8) Ex 20,15. (9) Ex 20,16. (10) Ex 20,17. (11) Ex 20,23. (12) Ex 20,25. (13) Ex 20,26.

2.
- Grieks. act. ind. futurum 2de pers. enk. ποιησεις = poièseis (jij zult maken) van het werkw. ποιεω = poieô (doen, maken). Taalgebruik in het NT: poieô (doen, maken). Taalgebruik in de LXX: poieô (doen, maken). Bijbel (190). OT (187). NT (3). Ex (84). Ex 20 (3): (1) Ex 20,4. (2) Ex 20,9. (3) Ex 20,10. Een vorm van ποιεω = poieô (doen, maken) in de LXX (3390), in het NT (565).
- Ned.. doen. Arabisch: عَمَلَ = `amala (werken). Taalgebruik in de Qoran: `amala (werken . D.. tun. E.. do. Fr.. faire. Grieks. ποιεω = poieô (doen, maken). Taalgebruik in het NT: poieô (doen, maken). Hebreeuws: עָשָׂה = `âshâh (maken, doen). Taalgebruik in Tenakh: `âshâh (maken). Lat.. facere.

7. אֲשֶׁר = ´äsjèr (die). Taalgebruik in Tenakh: ´äsjèr (die). getalswaarde: aleph = 1, sjin = 21 of 300, resj = 20 of 200 ; totaal: 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167). Structuur: 1 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (4012). Pentateuch (1378). Eerdere Profeten (1114). Latere Profeten (717). 12 Kleine Profeten (106). Geschriften (697). Ex (217). Ex 20 (10): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,4. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,10. (5) Ex 20,11. (6) Ex 20,12. (7) Ex 20,17. (8) Ex 20,21. (9) Ex 20,24. (10) Ex 20,26.

8. בַּשָּׁמַיִם = basjsjâmajim (in de hemelen) < voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. mann. mv. שָׁמַיִם / שָׁמָיִם = sjâmajim / sjâmâjim (hemelen). Taalgebruik in Tenakh: sjâmajim (hemelen). Taalgebruik in Jesaja: sjamaîm (hemelen). getalswaarde: sjin = 21 of 300, mem = 13 of 40, jod = 10, mem = 13 of 40 ; totaal: 57 (3 X 19) OF 390 (2 X 3 X 5 X 13 = 15 X 26). Structuur: 3 - 4 - 1 - 4. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (24). Ex (1): Ex 20,4. Dt (3): (1) Dt 3,24. (2) Dt 4,39. (3) Dt 5,8.

7. - 8. אֲשֶׁר בַּשָּׁמַיִם = ´äsjèr basjsjämajim (die in de hemelen). Tenakh (2): (1) Ex 20,4. (2) Dt 5,8.

15. בְּאֶרֶץ / בָּאָרֶץ = bâ´èrèts / bâ´ârèts (in het land) < voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde). Taalgebruik in Tenakh: ´èrètz (land). getalswaarde: aleph = 1, resj = 20 of 200, tsade = 18 of 90 ; totaal: 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97). Structuur: 1 - 2 - 9. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (398). Pentateuch (150). Eerdere Profeten (58). Latere Profeten (100). 12 Kleine Profeten (15). Geschriften (75). Gn (77). Gn 12 (2): (1) Gn 12,6. (2) Gn 12,10. Ex (23).

Ex 20,5 - Ex 20,5: de tien geboden -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,1 - Ex 20,2 - Ex 20,3 - Ex 20,4 - Ex 20,5 - Ex 20,6 - Ex 20,7 - Ex 20,8 - Ex 20,9 - Ex 20,10 - Ex 20,11 - Ex 20,12 - Ex 20,13 - Ex 20,14 - Ex 20,15 - Ex 20,16 - Ex 20,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5ou proskunèseis autois oude mè latreusès autois egô gar eimi kurios o theos sou theos zèlôtès apodidous amartias paterôn epi tekna eôs tritès kai tetartès geneas tois misousin me 5 non adorabis ea neque coles ego sum Dominus Deus tuus fortis zelotes visitans iniquitatem patrum in filiis in tertiam et quartam generationem eorum qui oderunt me    5 Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; [5] Buig u niet voor hen neer en bewijs hun geen goddelijke eer, want Ik, de heer uw God, Ik ben voor hen die Mij haten een jaloerse* God die de schuld van de vaders* wreekt op hun kinderen, tot* de derde en vierde generatie. [5] Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; 20:5 Níet zul je je voor hen buigen en níet zul je hen dienen; want ik, de Ene, God-over-jou, ben een naijverig God die onrecht van vaders aan zónen bezoekt, aan drie en vier generaties van hen die mij haten; 5. Tu ne te prosterneras pas devant ces dieux et tu ne les serviras pas, car moi Yahvé, ton Dieu, je suis un Dieu jaloux qui punis la faute des pères sur les enfants, les petits-enfants et les arrière-petits-enfants pour ceux qui me haïssent,

King James Bible. [5] Thou shalt not bow down thyself to them, nor serve them: for I the LORD thy God am a jealous God, visiting the iniquity of the fathers upon the children unto the third and fourth generation of them that hate me;
Luther-Bibel. 5 Bete sie nicht an und diene ihnen nicht! Denn ich, der HERR, dein Gott, bin ein eifernder Gott, der die Missetat der Väter heimsucht bis ins dritte und vierte Glied an den Kindern derer, die mich hassen,

Tekstuitleg van Ex 20,5. Het vers Ex 20,5 telt 21 (3 X 7) woorden en 74 (2 X 37) letters. De getalswaarde van Ex 20,5 is 4677 (3 X 1559).

Ex 20,5.1. לֹא = lo´(niet). Taalgebruik in Tenakh: lo´(niet). getalswaarde: lamed = 12 of 30, aleph = 1 ; totaal: 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld). De getalswaarde van לֹא = lo´ is de helft van de getalswaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2. Tenakh (2767). Pentateuch (801). Eerdere Profeten (456). Latere Profeten (611). 12 Kleine Profeten (150). Geschriften (749). Structuur: 3 - 1. De som van de elementen is telkens 4. Ex (145). Ex 20 (13): (1) Ex 20,3. (2) Ex 20,4. (3) Ex 20,5. (4) Ex 20,7. (5) Ex 20,10. (6) Ex 20,13. (7) Ex 20,14. (8) Ex 20,15. (9) Ex 20,16. (10) Ex 20,17. (11) Ex 20,23. (12) Ex 20,25. (13) Ex 20,26.

Ex 20,5.2.
- Grieks. act. ind. fut. 2de pers. enk. προσκυνησεις = proskunèseis (jij zult op de knieën vallen, jij zult aanbidden / vereren) van het werkw. προσκυνεω = proskuneô (op de knieën vallen bij, aanbidden). Taalgebruik in het NT: proskuneô (op de knieën vallen bij, aanbidden). Taalgebruik in de Septuaginta: proskuneô (op de knieën vallen bij, aanbidden). Taalgebruik in Lc: proskuneô (op de knieën vallen bij, aanbidden). Bijbel (7): (1) Ex 20,5. (2) Ex 23,24. (3) Dt 5,9. (4) Dt 26,10. (5) Ps 81,10. (6) Mt 4,10. (7) Lc 4,8. Een vorm van προσκυνεω = proskuneô (op de knieën vallen bij, aanbidden) in de LXX (229), in het NT (59), in Lc (3): (1) Lc 4,7. (2) Lc 4,8. (3) Lc 24,52.

Ex 20,5.5. pass. hofal imperf. 2de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. תָעָבְדֵם = thâ`âbhëdem (jij zult hen dienst doen) van het werkw. עָבַד = `âbhad (werken, dienen). Taalgebruik in Tenakh: `âbhad (werken, dienen). getalswaarde: ajin =16 of 70, beth = 2, daleth = 4 ; totaal: 22 OF 76 (4 X 19). Structuur: 7 - 2 - 4. De som van de elementen is 4. Tenakh (3): (1) Ex 20,5. (2) Ex 23,24. (3) Dt 5,9.
- Grieks. act. ind. aor. 2de pers. enk. λατρευσῃς = latreusè(i)s (jij zoudt dienen) van het werkw. λατρευω = latreuô (door (loon) dienen, verdienen, dienen). Taalgebruik in het NT: latreuô (door (loon) dienen). Taalgebruik in de LXX: latreuô (door (loon) dienen). Taalgebruik in Lc: latreuô (door (loon) dienen). Bijbel (8): (1) Ex 20,5. (2) Ex 23,24. (3) Dt 4,19. (4) Dt 5,9. (5) Dt 8,19. (6) Dt 30,17. In de LXX kan een vorm van λατρευω = latreuô de vertaling van 4 verschillende Hebreeuwse woorden zijn.
- act. ind. fut. 2de pers. enk. λατρευσεις = latreuseis (jij zult dienen) van het werkw. λατρευω = latreuô (door (loon) dienen). Taalgebruik in het NT: latreuô (door (loon) dienen). Taalgebruik in de LXX: latreuô (door (loon) dienen). Taalgebruik in Lc: latreuô (door (loon) dienen). Bijbel (8): (1) Ex 23,25. (2) Dt 6,13. (3) Dt 7,16. (4) Dt 10,20. (5) Dt 28,36. (6) Dt 28,48. (7) Mt 4,10. (8). Lc 4,8. Een vorm van λατρευω = latreuô (door (loon) dienen) in de LXX (109), in het NT (21), in Lc (3): (1) Lc 1,74. (2) Lc 2,37. (3) Lc 4,8. In de LXX kan een vorm van λατρευω = latreuô de vertaling van 4 verschillende Hebreeuwse woorden zijn.
- Latijn. act. ind. fut. 2de pers. enk. servies (jij zult dienen) van het werkw. servire (dienen).

Ex 20,5.6. כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik in Tenakh: kî (want, omdat). getalswaarde: kaph = 11 of 20, jod = 10 ; totaal: 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5). Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (3849). Pentateuch (884). Eerdere Profeten (726). Latere Profeten (841). 12 Kleine Profeten (241). Geschriften (1157). Gn (251). Ex (167). Ex 20 (6): (1) Ex 20,5. (2) Ex 20,7. (3) Ex 20,11. (4) Ex 20,20. (5) Ex 20,22. (6) Ex 20,25.
- כִּי = kî (want, omdat) < een woord met 1 medeklinker. De lange î is î gebleven omdat het een proclitisch woord is. Proclitisch wil zeggen dat een eenlettergrepig onbeklemtoond woord wordt gehecht aan het volgende (Lettinga(6) 13d).
- Grieks: γαρ = gar (want). Taalgebruik in het NT: gar (want). Taalgebruik in de LXX: gar (want).
- Ned.: want. D.: denn. Fr.: car. Grieks: γαρ = gar (want). Taalgebruik in het NT: gar (want). Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik in Tenakh: kî (want, omdat) . Lat.: enim.

Ex 20,5.7. אָנֹכִי = ´ânokhî (ik). Zie: אֲנִי = ´änî (ik). Taalgebruik in Tenakh: ´änî (ik). getalswaarde: aleph = 1, nun = 14 of 50, kaph = 11 of 20, jod = 10 ; totaal: 36 (2² X 3²) OF = 81 (3² X 3²). Structuur: 1 - 5 - 2 - 1. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (276). Pentateuch (123). Eerdere Profeten (66). Latere Profeten (40). 12 Kleine Profeten (18). Geschriften (29). Gn (47). Ex (19): (1) Ex 3,6. (2) Ex 3,11. (3) Ex 3,12. (4) Ex 3,13. (5) Ex 4,10. (6) Ex 4,11. (7) Ex 4,23. (8) Ex 7,17. (9) Ex 7,27. (10) Ex 8,24. (11) Ex 8,25. (12) Ex 17,9. (13) Ex 19,9. (14) Ex 20,2. (15) Ex 20,5. (16) Ex 23,20. (17) Ex 32,18. (18) Ex 34,10. (19) Ex 34,11. Lv (0). Nu (5). Dt (52). Dt 5 (5): (1) Dt 5,1. (2) Dt 5,5. (3) Dt 5,6. (4) Dt 5,9. (5) Dt 5,31. Dt 6 (2): (1) Dt 6,2. (2) Dt 6,6.
- Grieks: εγω ειμι = egô eimi (ik ben). Taalgebruik in het NT: egô (ik). Taalgebruik in de LXX: egô (ik). De LXX gebruikt hier een hulpwerkwoord wat de Hebreeuwse tekst niet doet.
- Ned.: ik (Grieks e-g). Arabisch: أنا. ´anâ (ik) ; Taalgebruik in de Qoran: ´anâ (ik). Aramees: אנה = ´änâh (ik). Fr.: je. D.: Ich. E.: I. Fr.: je. Grieks: εγω ειμι = egô eimi (ik ben). Taalgebruik in het NT: egô (ik). Hebreeuws: אָנֹכִי = ´ânokhî (ik). Zie: אֲנִי = ´änî (ik). Taalgebruik in Tenakh: ´änî (ik). Lat.: ego sum (ik ben). In navolging van de LXX gebruikt de Vulgaat het hulpwerkwoord. Eerste letter: Hebr. + Ar.: a ; Gr. + Lat.: e ; Ned. + D. + E.: i. Tweede letter. Hebr. 3de letter: kh ; Gr. + Lat.: g ; Ned.: k ; D. ch. ). Lat.: ego sum (ik ben). In navolging van de LXX gebruikt de Vulgaat het hulpwerkwoord.
- Bibliografie:
-- Grad A. D., Le vériatble Cantique des cantiques, Rocher, 2004, p. 25-26 waar de betekenis van ´ânokhî in Zohar 2,91a wordt geciteerd.
-- Sabbah Messod & Roger, Les secrets de l'Exode, Jean-Cyrille Godefroy, 2000, p.93-96. Op deze blz. wordt een verband tussen anokhi Adonai (ik de Heer) en farao Achnaton gelegd. In ´ânokhî lezen we ankh, het levenssymbool.

Ex 20,5.8. יהוה = JHWH. Eigennaam van God. Taalgebruik in Tenach: JHWH. Taalgebruik in Exodus: JHWH. getalswaarde: jod = 10, he = 5, waw = 6. Totaal: 26. Structuur: 1 - 5 - 6 - 5. Tenach (5193). Pentateuch (1326). Eerdere Profeten (1013). Latere Profeten (1357). 12 Kleine Profeten (387). Geschriften (1110). Ex (299). Ex 20 (6): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,5. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,22. Dt 5 (17): (1) Dt 5,2. (2) Dt 5,3. (3) Dt 5,4. (4) Dt 5,5. (5) Dt 5,6. (6) Dt 5,9. (7) Dt 5,11. (8) Dt 5,12. (9) Dt 5,15. (10) Dt 5,16. (11) Dt 5,22. (12) Dt 5,24. (13) Dt 5,25. (14) Dt 5,27. (15) Dt 5,28. (16) Dt 5,32. (17) Dt 5,33.

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Ex 20 Dt 5
´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 31 0 7 29 3 3
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 287 413 6 17

- Grieks. κυριος = kurios (heer). Taalgebruik in het NT: kurios (heer). Taalgebruik in de LXX: kurios (heer). Een vorm van κυριος = kurios (heer) in de LXX (8591), in het NT (718).
- Ned.: Heer. Arabisch: رَب = rabb (God, Heer). Taalgebruik in de Qoran: rabb (God, Heer). Aramees: יוי = JWJ. D.: Herr. E.: Lord. Fr.: seigneur. Grieks: κυριος = kurios (heer). Taalgebruik in het NT: kurios (heer). Hebreeuws: יהוה = JHWH. Taalgebruik in Tenakh: JHWH. Latijn: Dominus. (Eerste medeklinker Gr. k, Ned. + D. h ; tweede medeklinker: Gr. + Ned. + D.: r ).
- Sabbah Messod & Roger, Les secrets de l'Exode, Jean-Cyrille Godefroy, 2000, p.93-96. Op deze blz. wordt een verband tussen anokhi Adonai (ik de Heer) en farao Achnaton gelegd. De uitspraak van JHWH is Adonai, waarin we het Egyptische Aton, de zonneschijf, zien.

Ex 20,5.7. - 8. אָנֹכִי יְהוָה = ´ânokhî JHWH (ik ben JHWH). Tenakh (9): (1) Ex 4,11. (2) Ex 20,2. (3) Ex 20,5. (4) Dt 5,6. (5) Dt 5,9. (6) Rt 3,13. (7) Ps 81,11. (8) Js 43,11. (9) Js 44,24
- אֱנִי יהוה = ´anî JHWH (ik ben JHWH). Tenakh(135). Ex (12): (1) Ex 6,7. (2) Ex 7,5. (3) Ex 7,17. (4) Ex 8,18. (5) Ex 10,1. (6) Ex 10,2. (7) Ex 14,4. (8) Ex 14,18. (9) Ex 15,26. (10) Ex 16,12. (11) Ex 29,46. (12) Ex 31,13. Dt (1): Dt 29,5.

Ex 20,5.6. - 8. כִּי אָנֹכִי יְהוָה = kî ´ânokhî JHWH (want ik ben JHWH). Tenakh (2): (1) Ex 20,5. (2) Dt 5,9.
- כִּי אֱנִי יהוה = kî ´anî JHWH (want ik ben JHWH). Tenakh (107). Ex (11): (1) Ex 6,7. (2) Ex 7,5. (3) Ex 7,17. (4) Ex 8,18. (5) Ex 10,2. (6) Ex 14,4. (7) Ex 14,18. (8) Ex 15,26. (9) Ex 16,12. (10) Ex 29,46. (11) Ex 31,13. Lv (10): (1) Lv 11,44. (2) Lv 11,45. (3) Lv 20,7. (4) Lv 21,15. (5) Lv 21,23. (6) Lv 22,16. (7) Lv 24,22. (8) Lv 25,17. (9) Lv 26,1. (10) Lv 26,44.

Ex 20,5.9. אֱלֹהֶיךָ = ´êlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (je God) < stat. constr. mann. mv. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk.. Zie: אֱלֹהִים = ´èlohîm (God). Taalgebruik in Tenakh: ´èlohîm (God). getalswaarde: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal: 41 of 86 (2 X 43). Structuur: 1 - 3 -5 -1 - 4. De som van de elementen is telkens 5. De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl. getalswaarde is: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld). Structuur: 1 - 3. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (299). Pentateuch (216). Eerdere Profeten (28). Latere Profeten (25). 12 Kleine Profeten (14). Geschriften (16). Ex (11): (1) Ex 15,26. (2) Ex 20,2. (3) Ex 20,5. (4) Ex 20,7. (5) Ex 20,10. (6) Ex 20,12. (7) Ex 23,19. (8) Ex 32,4. (9) Ex 32,8. (10) Ex 34,24. (11) Ex 34,26. Dt (199).
- Grieks. θεος = theos (God) . Taalgebruik in het NT: theos (God). Taalgebruik in de LXX: theos (God). Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984), in het NT (1314).
- Ned.: God. Arabisch: اَللە = ´allah (Allah). Taalgebruik in de Qoran: ´allah (Allah). In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven). D.: Gott. E.: God. Fr.: dieu. De vloek dju. Grieks: θεος = theos (God) . Taalgebruik in het NT: theos (God). Hebreeuws: אֱלֹהִים = ´èlohîm (God). Taalgebruik in Tenakh: ´èlohîm (God).
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen: goden. Als collectief zouden we kunnen vertalen: god. Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden. Onder goden kan / kunnen zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn.
- De Godsnaam JHWH wordt veelvuldiger dan de naam ´èlohîm (god) gebruikt. Vergelijk maar: יהוה = JHWH. Eigennaam van God. Taalgebruik in Tenakh: JHWH. getalswaarde: jod = 10, he = 5, waw = 6. Totaal: 26. Structuur: 1 - 5 - 6 - 5. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (5193). Pentateuch (1326). Eerdere Profeten (1013). Latere Profeten (1357). 12 Kleine Profeten (387). Geschriften (1110). Gn (128). Ex (299). Lv (199). Nu (287). Dt (413). In Gn: ´èlohîm (god) (140), de Godsnaam JHWH (128), vooral in Gn 1-25. Ex 20 (6): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,5. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,22.

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt
´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 31 0 7 29
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 287 413

Ex 20,5.8. - 9. יְהוָה אֱלֹהֶיךָ = JHWH ´êlohè(j)khâ (JHWH, je God). Tenakh (231). Gn (1): Gn 27,20. Ex (8): (1) Ex 15,26. (2) Ex 20,2. (3) Ex 20,5. (4) Ex 20,7. (5) Ex 20,12. (6) Ex 23,19. (7) Ex 34,24. (8) Ex 34,26.

Ex 20,5.7. - 9. אָנֹכִי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ = ´ânokhî JHWH ´êlohè(j)khâ (ik ben JHWH, jouw God). Tenakh (5/9): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,5. (3) Dt 5,6. (4) Dt 5,9. (5) Ps 81,11.

Ex 20,6 - Ex 20,6: de tien geboden -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,1 - Ex 20,2 - Ex 20,3 - Ex 20,4 - Ex 20,5 - Ex 20,6 - Ex 20,7 - Ex 20,8 - Ex 20,9 - Ex 20,10 - Ex 20,11 - Ex 20,12 - Ex 20,13 - Ex 20,14 - Ex 20,15 - Ex 20,16 - Ex 20,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
6kai poiôn eleos eis chiliadas tois agapôsin me kai tois fulassousin ta prostagmata mou  6 et faciens misericordiam in milia his qui diligunt me et custodiunt praecepta mea    6 En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden. [6] Maar voor hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden ben Ik een God die goedheid bewijst tot aan de duizendste generatie. [6] maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht. 20:6 en die vriendschap bewijst aan dúizenden: aan hen die mij liefhebben en mijn geboden bewaken! •• 6. mais qui fais grâce à des milliers pour ceux qui m'aiment et gardent mes commandements.

King James Bible. [6] And shewing mercy unto thousands of them that love me, and keep my commandments.
Luther-Bibel. 6 aber Barmherzigkeit erweist an vielen tausenden, die mich lieben und meine Gebote halten.

Tekstuitleg van Ex 20,6. Het vers Ex 20,6 telt 6 (2 X 3) woorden en 29 letters. De getalswaarde van Ex 20,6 is 1824 (2² X 2³ X 3 X 19).

1. וְעֹשֶׂה = wë`oshèh (en doende) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm (2) act. qal part. mann. enk. עֹשֶׂה = `oshèh (makende). Zie: עָשָׂה = `âshâh (maken, doen). Taalgebruik in Tenakh: `âshâh (maken). getalswaarde: ajin = 16 of 70, shin = 21 of 300, he = 5 ; totaal: 42 (2 X 3 X 7) OF 375 (3 X 5³). Structuur: 7 - 3 - 5. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (5): (1) Ex 20,6. (2) Dt 5,10. (3) 2 S 22,51. (4) Jr 33,18. (5) Ps 18,51.

2. חֶסֶד = chèsèd (liefde, barmhartigheid). Taalgebruik in Tenakh: chèsèd (liefde, barmhartigheid). getalswaarde: chet = 8, samech = 15 of 60, daleth = 4 ; totaal: 27 (3 X 9) of 72 (8 X 9). Structuur: 8 - 6 - 4. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (76). Pentateuch (12). Eerdere Profeten (19). Latere Profeten (5). 12 Kleine Profeten (9). Geschriften (31). Pentateuch (12): (1) Gn 24,12. (2) Gn 24,14. (3) Gn 24,49. (4) Gn 39,21. (5) Gn 40,14. (6) Gn 47,29. (7) Ex 20,6. (8) Ex 34,6. (9) Ex 34,7. (10) Lv 20,17. (11) Nu 14,18. (12) Dt 5,10. Ps (19): (1) Ps 18,51. (2) Ps 25,10. (3) Ps 32,10. (4) Ps 33,5. (5) Ps 52,3. (6) Ps 61,8. (7) Ps 62,13. (8) Ps 85,11. (9) Ps 86,5. (10) Ps 86,15. (11) Ps 89,3. (12) Ps 89,15. (13) Ps 100,1. (14) Ps 103,4. (15) Ps 103,8. (16) Ps 109,12. (17) Ps 109,16. (18) Ps 141,5. (19) Ps 145,8. Een vorm van חֶסֶד = chèsèd (liefde, barmhartigheid) in Tenakh (236). חֶסֶד = chèsèd van Tenakh wordt in de LXX door 17 verschillende Griekse woorden weergegeven.
- Grieks. nom. + acc. onz. enk. ελεος = eleos (barmhartigheid). Taalgebruik in het NT: eleos (barmhartigheid). Taalgebruik in de Septuaginta: eleos (barmhartigheid). Ex (2): (1) Ex 20,6. (2) Ex 34,7. ελεος = eleos kan de vertaling zijn van 7 verschillende Hebreeuwse woorden.

  eleos  Lc Lc 1 Lc 10 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + acc. onz. enk. eleos (1) Lc 1,50. (2)  Lc 1,58. (3) Lc 1,72. (4) Lc 10,37 226  207  19  3 : (1) Mt 9,13. (2) Mt 12,7. (3) Mt 23,23.       12   
gen. onz. enk. eleous   (1) Lc 1,54.  (2) Lc 1,78.   33  28           
                                 

- Lat. misericordia. Fr. misericorde. E. mercy. N. barmhartigheid. D. Barmherzigkeit.

1. - 2. וְעֹשֶׂה חֶסֶד = wë`oshèh chèsèd (en doende barmhartigheid). Tenakh (4): (1) Ex 20,6. (2) Dt 5,10. (3) 2 S 22,51. (4) Ps 18,51.
- Een vorm van ποιεω = poieô (doen, maken) en een vorm van ελεος = eleos (barmhartigheid) in Lc in 2 verzen: (1) Lc 1,72 (ποιησαι ελεος = poièsai eleos = barmhartigheid doen). (2) Lc 10,37 (ὁ ποιησας το ελεος = ho poièsas to eleos = die de barmhartigheid deed).

Ex 20,7 - Ex 20,7: de tien geboden -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,1 - Ex 20,2 - Ex 20,3 - Ex 20,4 - Ex 20,5 - Ex 20,6 - Ex 20,7 - Ex 20,8 - Ex 20,9 - Ex 20,10 - Ex 20,11 - Ex 20,12 - Ex 20,13 - Ex 20,14 - Ex 20,15 - Ex 20,16 - Ex 20,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7ou lèmpsè to onoma kuriou tou theou sou epi mataiô ou gar mè katharisè kurios ton lambanonta to onoma autou epi mataiô  7 non adsumes nomen Domini Dei tui in vanum nec enim habebit insontem Dominus eum qui adsumpserit nomen Domini Dei sui frustra     7 Gij zult den naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn naam ijdellijk gebruikt. [7] U zult de naam van de heer uw God niet lichtvaardig gebruiken, want de heer laat degenen die zijn naam lichtvaardig gebruiken niet ongestraft. [7] Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan. 20:7 Níet aanheffen zul je de naam van de Ene, God-over-jou, voor valse zaken; want niet ongestraft laat de Ene wie zijn naam aanheft voor valse zaken! • 7. Tu ne prononceras pas le nom de Yahvé ton Dieu à faux, car Yahvé ne laisse pas impuni celui qui prononce son nom à faux.

King James Bible. [7] Thou shalt not take the name of the LORD thy God in vain; for the LORD will not hold him guiltless that taketh his name in vain.
Luther-Bibel. 7 Du sollst den Namen des HERRN, deines Gottes, nicht missbrauchen; denn der HERR wird den nicht ungestraft lassen, der seinen Namen missbraucht.

Tekstuitleg van Ex 20,7. Het vers Ex 20,7 telt 17 woorden en 51 (3 X 17) letters. Verhouding: 1 op 3. De getalswaarde van Ex 20,7 is 4451 (priemgetal).

1. לֹא = lo´(niet). Taalgebruik in Tenakh: lo´(niet). getalswaarde: lamed = 12 of 30, aleph = 1 ; totaal: 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld). De getalswaarde van לֹא = lo´ is de helft van de getalswaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2. Tenakh (2767). Pentateuch (801). Eerdere Profeten (456). Latere Profeten (611). 12 Kleine Profeten (150). Geschriften (749). Structuur: 3 - 1. De som van de elementen is telkens 4. Ex (145). Ex 20 (13): (1) Ex 20,3. (2) Ex 20,4. (3) Ex 20,5. (4) Ex 20,7. (5) Ex 20,10. (6) Ex 20,13. (7) Ex 20,14. (8) Ex 20,15. (9) Ex 20,16. (10) Ex 20,17. (11) Ex 20,23. (12) Ex 20,25. (13) Ex 20,26.

5. יהוה = JHWH. Eigennaam van God. Taalgebruik in Tenach: JHWH. Taalgebruik in Exodus: JHWH. getalswaarde: jod = 10, he = 5, waw = 6. Totaal: 26. Structuur: 1 - 5 - 6 - 5. Tenach (5193). Pentateuch (1326). Eerdere Profeten (1013). Latere Profeten (1357). 12 Kleine Profeten (387). Geschriften (1110). Ex (299). Ex 20 (6): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,5. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,22. Dt 5 (17): (1) Dt 5,2. (2) Dt 5,3. (3) Dt 5,4. (4) Dt 5,5. (5) Dt 5,6. (6) Dt 5,9. (7) Dt 5,11. (8) Dt 5,12. (9) Dt 5,15. (10) Dt 5,16. (11) Dt 5,22. (12) Dt 5,24. (13) Dt 5,25. (14) Dt 5,27. (15) Dt 5,28. (16) Dt 5,32. (17) Dt 5,33.

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Ex 20 Dt 5
´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 31 0 7 29 3 3
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 287 413 6 17

- Grieks. κυριος = kurios (heer). Taalgebruik in het NT: kurios (heer). Taalgebruik in de LXX: kurios (heer). Een vorm van κυριος = kurios (heer) in de LXX (8591), in het NT (718).
- Ned.: Heer. Arabisch: رَب = rabb (God, Heer). Taalgebruik in de Qoran: rabb (God, Heer). Aramees: יוי = JWJ. D.: Herr. E.: Lord. Fr.: seigneur. Grieks: κυριος = kurios (heer). Taalgebruik in het NT: kurios (heer). Hebreeuws: יהוה = JHWH. Taalgebruik in Tenakh: JHWH. Latijn: Dominus. (Eerste medeklinker Gr. k, Ned. + D. h ; tweede medeklinker: Gr. + Ned. + D.: r ).
- Sabbah Messod & Roger, Les secrets de l'Exode, Jean-Cyrille Godefroy, 2000, p.93-96. Op deze blz. wordt een verband tussen anokhi Adonai (ik de Heer) en farao Achnaton gelegd. De uitspraak van JHWH is Adonai, waarin we het Egyptische Aton, de zonneschijf, zien.

6. אֱלֹהֶיךָ = ´êlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (je God) < stat. constr. mann. mv. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk.. Zie: אֱלֹהִים = ´èlohîm (God). Taalgebruik in Tenakh: ´èlohîm (God). getalswaarde: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal: 41 of 86 (2 X 43). Structuur: 1 - 3 -5 -1 - 4. De som van de elementen is telkens 5. De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl. getalswaarde is: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld). Structuur: 1 - 3. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (299). Pentateuch (216). Eerdere Profeten (28). Latere Profeten (25). 12 Kleine Profeten (14). Geschriften (16). Ex (11): (1) Ex 15,26. (2) Ex 20,2. (3) Ex 20,5. (4) Ex 20,7. (5) Ex 20,10. (6) Ex 20,12. (7) Ex 23,19. (8) Ex 32,4. (9) Ex 32,8. (10) Ex 34,24. (11) Ex 34,26. Dt (199).
- Grieks. θεος = theos (God) . Taalgebruik in het NT: theos (God). Taalgebruik in de LXX: theos (God). Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984), in het NT (1314).
- Ned.: God. Arabisch: اَللە = ´allah (Allah). Taalgebruik in de Qoran: ´allah (Allah). In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven). D.: Gott. E.: God. Fr.: dieu. De vloek dju. Grieks: θεος = theos (God) . Taalgebruik in het NT: theos (God). Hebreeuws: אֱלֹהִים = ´èlohîm (God). Taalgebruik in Tenakh: ´èlohîm (God).
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen: goden. Als collectief zouden we kunnen vertalen: god. Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden. Onder goden kan / kunnen zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn.
- De Godsnaam JHWH wordt veelvuldiger dan de naam ´èlohîm (god) gebruikt. Vergelijk maar: יהוה = JHWH. Eigennaam van God. Taalgebruik in Tenakh: JHWH. getalswaarde: jod = 10, he = 5, waw = 6. Totaal: 26. Structuur: 1 - 5 - 6 - 5. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (5193). Pentateuch (1326). Eerdere Profeten (1013). Latere Profeten (1357). 12 Kleine Profeten (387). Geschriften (1110). Gn (128). Ex (299). Lv (199). Nu (287). Dt (413). In Gn: ´èlohîm (god) (140), de Godsnaam JHWH (128), vooral in Gn 1-25. Ex 20 (6): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,5. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,22.

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt
´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 31 0 7 29
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 287 413

5. - 6. יְהוָה אֱלֹהֶיךָ = JHWH ´êlohè(j)khâ (JHWH, je God). Tenakh (231). Gn (1): Gn 27,20. Ex (8): (1) Ex 15,26. (2) Ex 20,2. (3) Ex 20,5. (4) Ex 20,7. (5) Ex 20,12. (6) Ex 23,19. (7) Ex 34,24. (8) Ex 34,26.

8. כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik in Tenakh: kî (want, omdat). getalswaarde: kaph = 11 of 20, jod = 10 ; totaal: 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5). Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (3849). Pentateuch (884). Eerdere Profeten (726). Latere Profeten (841). 12 Kleine Profeten (241). Geschriften (1157). Gn (251). Ex (167). Ex 20 (6): (1) Ex 20,5. (2) Ex 20,7. (3) Ex 20,11. (4) Ex 20,20. (5) Ex 20,22. (6) Ex 20,25.
- כִּי = kî (want, omdat) < een woord met 1 medeklinker. De lange î is î gebleven omdat het een proclitisch woord is. Proclitisch wil zeggen dat een eenlettergrepig onbeklemtoond woord wordt gehecht aan het volgende (Lettinga(6) 13d).
- Grieks: γαρ = gar (want). Taalgebruik in het NT: gar (want). Taalgebruik in de LXX: gar (want).
- Ned.: want. D.: denn. Fr.: car. Grieks: γαρ = gar (want). Taalgebruik in het NT: gar (want). Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik in Tenakh: kî (want, omdat) . Lat.: enim.

11. יהוה = JHWH. Eigennaam van God. Taalgebruik in Tenach: JHWH. Taalgebruik in Exodus: JHWH. getalswaarde: jod = 10, he = 5, waw = 6. Totaal: 26. Structuur: 1 - 5 - 6 - 5. Tenach (5193). Pentateuch (1326). Eerdere Profeten (1013). Latere Profeten (1357). 12 Kleine Profeten (387). Geschriften (1110). Ex (299). Ex 20 (6): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,5. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,22.
- Grieks. κυριοσ = kurios (heer). Taalgebruik in het NT: kurios (heer). Taalgebruik in de LXX: kurios (heer). Een vorm van kurios (heer) in de Septuaginta (8591), in het NT (718).
- Latijn. Dominus. Ned. Heer. D. Herr. E. Lord. Aramees: יוי = JWJ. Arabisch: رَب = rabb (God, Heer). Taalgebruik in de Qoran: rabb (God, Heer).

12. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief). Taalgebruik in Tenakh: ´eth (accusatief). getalswaarde: aleph = 1, thaw = 22 of 400 ; totaal: 23 OF 401 (priemgetal). Structuur: 1 - 4. Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet. Tenakh (5699). Pentateuch (2002). Eerdere Profeten (1661). Latere Profeten (860). 12 Kleine Profeten (207). Geschriften (967). Joz (231). Gn (525). Ex (473). Ex 20 (7): (1) Ex 20,1. (2) Ex 20,7. (3) Ex 20,8. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,18. (7).Ex 20,24.

13. אֲשֶׁר = ´äsjèr (die). Taalgebruik in Tenakh: ´äsjèr (die). getalswaarde: aleph = 1, sjin = 21 of 300, resj = 20 of 200 ; totaal: 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167). Structuur: 1 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (4012). Pentateuch (1378). Eerdere Profeten (1114). Latere Profeten (717). 12 Kleine Profeten (106). Geschriften (697). Ex (217). Ex 20 (10): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,4. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,10. (5) Ex 20,11. (6) Ex 20,12. (7) Ex 20,17. (8) Ex 20,21. (9) Ex 20,24. (10) Ex 20,26.


Ex 20,8-11 telt 4 verzen en 5 + 6 + 18 + 26 = 55 (5 X 11) woorden. Ex 20,8-11 betreft het sjabbatgebod.
- In de 10 woorden / geboden (Ex 20,1-17; 16 (1 - 6 - 4 - 6 verzen) staat het sjabbatgebod centraal. Ex 20,1 geeft de inleiding. Ex 20,2-7 (6 verzen) geeft de geboden met betrekking tot JHWH. Ex 20,12-17 (6 verzen) geeft de geboden met betrekking tot de naaste.
- Ex 20,8-11 is concentrisch opgebouwd. Ex 20,8 en Ex 20,11b. Ex 20,9 en Ex 20,11a. Ex 20,8-10 telt 29 woorden ; de centrale woorden (woorden 14 en 15) zijn: לַיהוה שַׁבָּת = sjabbâth lJHWH (voor JHWH). 29 = (2 X 14) + 1. Ex 20,11 telt 26 woorden, de getalswaarde van JHWH.
- In Ex 20,9 worden de 6 dagen als totaliteit genomen. Een nieuw vers begint in Ex 20,10 met: en de 7de dag. Na de centrale woorden van Ex 20,8-10 in Ex 20,10 volgt een verbod, het omgekeerde van het gebod in Ex 20,9. Er is een opsomming van 7 categorieën die op sjabbat geen arbeid mogen verrichten.
- Er wordt een grens gesteld aan het werken van de mens..

Ex 20,8 - Ex 20,8: de tien geboden -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,1 - Ex 20,2 - Ex 20,3 - Ex 20,4 - Ex 20,5 - Ex 20,6 - Ex 20,7 - Ex 20,8 - Ex 20,9 - Ex 20,10 - Ex 20,11 - Ex 20,12 - Ex 20,13 - Ex 20,14 - Ex 20,15 - Ex 20,16 - Ex 20,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8mnèsthèti tèn èmeran tôn sabbatôn agiazein autèn  8 memento ut diem sabbati sanctifices     8 Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt. [8] Denk aan de sabbat; die moet voor u heilig zijn. [8] Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag. 20:8 Gedenk de dag van de sabbat,- het rusten, door die te heiligen; 8. Tu te souviendras du jour du sabbat pour le sanctifier.

King James Bible. [8] Remember the sabbath day, to keep it holy.
Luther-Bibel. 8 Gedenke des Sabbattages, dass du ihn heiligest.

Tekstuitleg van Ex 20,8. Het vers Ex 20,8 telt 5 woorden en 18 (2 X 3²) letters. De getalswaarde van Ex 20,8 is 1837 (11 X 167). Ex 20,8-11 betreft het sjabbatgebod. De tekst is concentrisch opgebouwd. Ex 20,8 en Ex 20,11b vormt de buitenste kring. Deze kring legt een link met het scheppingsverhaal in Gn 2,1-4a.

Ex 20,8.1. זכור = z-k-w-r. Tenakh (16): (1) Ex 13,3. (2) Ex 20,8. (3) Nu 13,4. (4) Dt 24,9. (5) Dt 25,17. (6) Joz 1,13. (7) Ps 103,14. (8) Ps 132,1. (9) Kl 3,20. (10) Neh 3,2. (11) Neh 10,13. (12) Neh 12,35. (13) Neh 13,13. (14) 1 Kr 4,26. (15) 1 Kr 25,2. (16) 1 Kr 25,10. act. qal infin. absol. זָכוֹר = zâkhôr (gedenken). Tenakh (6): (1) Ex 13,3. (2) Ex 20,8. (3) Dt 24,9. (4) Dt 25,17. (5) Joz 1,13. (6) Kl 3,20. Zie het werkw. זָכַר = zâkhar (gedenken, zich herinneren). Taalgebruik in Tenakh: zâkhar (gedenken). Een vorm van זָכַר = zâkhar (gedenken, zich herinneren) in Tenakh (222). De stam van זָכַר = zâkhar (gedenken, zich herinneren) in Tenakh (344).
- imperat. aor. 2de pers. mv. μνησθητε = mnèsthète (herinner je / gedenk). Imperatief aorist tweede persoon meervoud van het werkw. μι-μνη-σκομαι = mimnèskomai (gedenken, zich herinneren). Taalgebruik in het NT: mimnèskomai (zich herinneren, gedenken). Taalgebruik in de LXX: mimnèskomai (zich herinneren, gedenken). Bijbel (17). LXX (15). NT (2).
- Vulgaat: memento (47).
- Het ritme van 6 dagen en de 7de dag is gebaseerd op het ritme van de maan. Op de 7de dag werd wellicht stilgestaan bij de maanevolutie en had er wellicht een eredienst plaats. Dat natuurgegeven heeft de bijbelse schrijver wellicht geïnspireerd om het scheppingsverhaal te schrijven. Het ritme ontstond van 6 dagen werken en van een aparte dag, de 7de dag, gewijd aan de godheid. Dat is natuurlijk menselijke interpretatie van een natuurgegeven. Dat natuurgegeven wordt aan een godheid toegeschreven. Dat wordt dan als een goddelijk gegeven geïnterpreteerd, waarnaar de mens zich moet schikken. Gedenken is het herbeleven van de menselijke interpretatie van het zogenaamde goddelijke gegeven van de schepping en het scheppingsverhaal. Literair verwijst Ex 20,8 naar Gn 2,1-4a.

Ex 20,8.2. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief). Taalgebruik in Tenakh: ´eth (accusatief). getalswaarde: aleph = 1, thaw = 22 of 400 ; totaal: 23 OF 401 (priemgetal). Structuur: 1 - 4. Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet. Tenakh (5699). Pentateuch (2002). Eerdere Profeten (1661). Latere Profeten (860). 12 Kleine Profeten (207). Geschriften (967). Joz (231). Gn (525). Ex (473). Ex 20 (7): (1) Ex 20,1. (2) Ex 20,7. (3) Ex 20,8. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,18. (7).Ex 20,24.

Ex 20,8.3. יוֹם = jôm (dag). Taalgebruik in Tenakh: jôm (dag). Taalgebruik in Js: jôm (dag). Taalgebruik in Am: jôm (dag). Taalgebruik in Mi: jôm (dag). getalswaarde: jod = 10, waw = 6, mem = 13 of 40 ; totaal: 29 OF 56 (2³ X 7). Structuur: 1 - 6 - 4. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (209). Pentateuch (76). Eerdere Profeten (23). Latere Profeten (33). 12 Kleine Profeten (24). Geschriften (53). Pentateuch (76). Gn (23). Ex (14). Lv (11). Nu (17). Dt (11).
- Grieks: ἡμερα = hèmera (dag). Taalgebruik in de Septuaginta: hèmera (dag). Taalgebruik in het NT: hèmera (dag).
- Ned.: dag. Arabisch: يَوم = jaum (dag). Taalgebruik in de Qoran: dag (jaum). D.: Tag. E.: day. F.: jour < Lat. diurnum. Cfr journaal. Grieks: ἡμερα = hèmera (dag). Taalgebruik in het NT: hèmera (dag). Lat.: dies. Hebreeuws: יוֹם = jôm (dag). Taalgebruik in Tenakh: jôm (dag).

Ex 20,8.2. - 3. אֶת יוֹם = ´èth jôm (dag). Tenakh (16). Pentateuch (6): (1) Gn 2,3. (2) Ex 20,8. (3) Ex 20,11. (4) Dt 5,12. (5) Dt 5,15. (6) Dt 16,3.
- אֶת יוֹם = ´èth jôm (dag) komt in Ex 20,8 op de 2de plaats voor na Gn 2,3. Hiermee is direct een link gelegd tussen Ex 20,8 en Gn 2,3.

Ex 20,8.4. הַשַּׁבָּת = sjâbbath (sabbat) < prefix bepaald lidw. + zelfst. naamw.. Taalgebruik in Tenakh: sj-b-th. getalswaarde: sjin = 21 of 300, beth = 2, thaw = 22 of 400 ; totaal: 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13). Structuur: 3 - 2 - 4. De som van de elementen is telkens 9.Taalgebruik in Tenakh: sj-b-th. getalswaarde: sjin = 21 of 300, beth = 2, thaw = 22 of 400 ; totaal: 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13). Structuur: 3 - 2 - 4. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (39). Pentateuch (15): (1) Ex 16,29. (2) Ex 20,8. (3) Ex 20,11. (4) Ex 31,14. (5) Ex 31,15. (6) Ex 31,16. (7) Ex 35,3. (8) Lv 23,11. (9) Lv 23,15. (10) Lv 23,16. (11) Lv 24,8. (12) Nu 15,32. (13) Nu 28,9. (14) Dt 5,12. (15) Dt 5,15.
- zelfst. naamw. שַׁבָּת = sjâbbath (sabbat). Zie: sj-b-th. Taalgebruik in Tenakh: sj-b-th. getalswaarde: sjin = 21 of 300, beth = 2, thaw = 22 of 400 ; totaal: 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13). Structuur: 3 - 2 - 4. De som van de elementen is telkens 9. Stat. constructus. Tenakh (11): (1) Ex 16,23. (2) Ex 31,15. (3) Ex 35,2. (4) Lv 16,31. (5) Lv 23,3. (6) Lv 23,32. (7) Lv 25,4. (8) Lv 25,6. (9) Nu 28,10. (10) Neh 9,14. (11) 1 Kr 9,32.
- In Gn 2,1-4a wordt het werkw. שָׁבַת = sjâbath (ophouden, rusten, vieren) gebruikt. Hier wordt nog niet het woord sjabbât gebruikt.

Ex 20,8.2. - 4. אֶת יוֹם הַשַּׁבָּת = ´èth jôm hasjabbâth (de sabbatdagdag). Tenakh (9): (1) Ex 20,8. (2) Ex 20,11. (3) Dt 5,12. (4) Dt 5,15. (5) Jr 17,22. (6) Jr 17,24. (7) Jr 17,27. (8) Neh 13,17. (9) Neh 13,22. In Tenakh eveneens 9X zonder אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief).
- בְּיוֹם הַשַּׁבָּת = bëjôm sjâbbath (op sabbatdag). Tenakh (13): (1) Ex 31,15. (2) Ex 35,3. (3) Lv 24,8 (2X). (4) Nu 15,32. (5) Jr 17,21. (6) Jr 17,22. (7) Jr 17,24. (8) Jr 17,27. (9) Ez 46,4. (10) Ez 45,12. (11) Neh 10,32. (12) Neh 13,15. (13) Neh 13,19.
- אֶת יוֹם הַשְּׁבִיעִי = ´èth jôm hasjsjëbhî`î (de zevende dag). Tenakh (1): Gn 2,3.

Ex 20,8.5. לְקַדְּשׁוֹ = leqaddësjô (om hem te heiligen) < prefix voorzetsel lë + werkw. piël inf. constr. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk.. Zie het werkw. קָדַשׁ = qâdasj (heiligen). Taalgebruik in Tenakh: qâdasj (heiligen). getalswaarde: qoph = 19 of 100, daleth = 4, sjin = 21 of 300 ; totaal: 44 (2² X 11) OF 404 (2² X 101). Structuur: 1 - 4 - 3. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (5): (1) Ex 20,8. (2) Ex 28,3. (3) Ex 29,36. (4) Lv 8,12. (5) Dt 5,12.
- וַיְקַדּשִׁהוּ = wajëqaddësjehû (en hij heiligde hem) < prefix voegwoord wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk.. Tenakh (2): (1) Ex 20,11. (2) Lv 8,15.
- וַיְקַדֵּשׁ אֹתוֹ = wajëqaddesj 'othô (en hij heiligde hem). Tenakh (2): (1) Gn 2,3. (2) Nu 7,1.
- In Gn 2,3 heiligde God de 7de dag. Volgens Ex 20,8 is dit het fundament waarom de mens de 7de dag moet heiligen.
- Ex 20,8-11 is concentrisch opgebouwd. Ex 20,8a en Ex 20,11b vormt de buitenste kring. In Ex 20,11b zegent JHWH de sjabbatdag en heiligde hem. In Gn 2,3 lazen we: en God zegende de 7de dag en heiligde hem.


Ex 20,9 - Ex 20,9: de tien geboden -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,1 - Ex 20,2 - Ex 20,3 - Ex 20,4 - Ex 20,5 - Ex 20,6 - Ex 20,7 - Ex 20,8 - Ex 20,9 - Ex 20,10 - Ex 20,11 - Ex 20,12 - Ex 20,13 - Ex 20,14 - Ex 20,15 - Ex 20,16 - Ex 20,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9 hex hèmeras erga kai poièseis panta ta erga sou  9 sex diebus operaberis et facies omnia opera tua   sjesjèth jâmîm the`âshèh wë`âshîthâ kâl mëla´khëthèkhâ 9 Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; [9] Zes dagen kunt u werken en alle arbeid verrichten. [9] Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, 20:9 een zestal dagen mag je dienen en al je werk doen, 9. Pendant six jours tu travailleras et tu feras tout ton ouvrage ;

King James Bible. [9] Six days shalt thou labour, and do all thy work:
Luther-Bibel. 9 Sechs Tage sollst du arbeiten und alle deine Werke tun.

Tekstuitleg van Ex 20,9. Het vers Ex 20,9 telt 6 (2 X 3) woorden en 24 (4 X 6 of 2³ X 3) letters ; verhouding 1 op 4. Opvallend voor dit vers is het getal 6. De getalswaarde van Ex 20,9 is 2923 (37 X 79). Ex 20,9 = Dt 5,13.
- Ex 20,8-11 betreft het sjabbatgebod. Ex 20,8-11 is concentrisch opgebouwd (ABab D B'baA'). Concentrisch staan we voor BaBb' (Ex 20,9 en Ex 20,11a). Het gaat om de 6 dagen waarop alle werk verricht wordt.
- Hier wordt paal en perk gesteld aan het werken van de mens. Dat betekent dat aan de mens een grens aan zijn handelen, werken, bezig zijn wordt gesteld. De mens moet zich bewust zijn dat hij een eindig en beperkt wezen is en dat al zijn verrichtingen beperkt en eindig zijn.

Ex 20,9.1. vr. enk. שֵׁשֶׁת = sjesjèth (zes). Zie שֵׁשׁ = sjesj (zes). Taalgebruik in Tenakh: sjesj (zes). Getallenwaarde sjesj = 2 X 21 of 2 X 300 = 42 (2 X 3 X 7) OF 600 (2³ X 3 X 5²). Structuur: 3 - 3. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (21): (1) Ex 16,26. (2) Ex 20,9. (3) Ex 20,11. (4) Ex 23,12. (5) Ex 24,16. (6) Ex 31,15. (7) Ex 31,17. (8) Ex 34,21. (9) Ex 35,2. (10) Lv 23,3. (11) Nu 3,34. (12) Dt 5,13. (13) Dt 16,8. (14) Joz 6,3. (15) Joz 6,14. (16) 1 K 11,16. (17) Ez 46,1. (18) Ezr 2,67. (19) Neh 7,68. (20) 1 Kr 12,25. (21) 1 Kr 23,4.
- Grieks. ἑξ = hex. Zie: Taalgebruik in het NT: ek (uit). Taalgebruik in de Septuaginta: ek (uit). Ex 20 (2): (1) Ex 20,9. (2) Ex 20,11. Een vorm van ἑξ = hex (zes) in de LXX (134), in het NT (13): (1) Mt 17,1. (2) Mc 9,2. (3) Lc 4,25. (4) Lc 13,14. (5) Joh 2,6. (6) Joh 2,20. (7) Joh 12,1. (8) Hnd 11,12. (9) Hnd 18,11. (10) Hnd 27,37. (11) Jak 5,17. (12) Apk 4,8. (13) Apk 13,18.
- Lat.: sex. Ex (22): (1) Ex 16,26. (2) Ex 20,9. (3) Ex 20,11. (4) Ex 21,2. (5) Ex 23,10. (6) Ex 23,12. (7) Ex 24,16. (8) Ex 25,32. (9) Ex 25,33. (10) Ex 25,35. (11) Ex 26,9. (12) Ex 26,22. (13) Ex 28,10. (14) Ex 31,15. (15) Ex 31,17. (16) Ex 34,21. (17) Ex 35,2. (18) Ex 36,16. (19) Ex 36,27. (20) Ex 37,18. (21) Ex 37,19. (22) Ex 37,21. Bijbel (120). OT (109). NT (11).
- Ned.: zes. Arabisch: سِتة = sittah (zes). Taalgebruik in de Qoran: sittah (zes). D.: sechs. E.: six. Fr.: six. Grieks: ἑξ = hex. Zie: Taalgebruik in het NT: ek (uit). Hebreeuws: שֵׁשׁ = sjesj (zes). Taalgebruik in Tenakh: sjesj (zes). Lat.: sex.

Ex 20,9.2. mann. mv. יָמִים = jâmîm (dagen) van het zelfst. naamw. יוֹם = jôm (dag). Taalgebruik in Tenakh: jôm (dag). getalswaarde: jod = 10, waw = 6, mem = 13 of 40 ; totaal: 29 OF 56 (2³ X 7). Structuur: 1 - 6 - 4. De som van de elementen is telkens 2. j-m-m. Tenakh (289). Pentateuch (117). Eerdere Profeten (45). Latere Profeten (45). 12 Kleine Profeten (10). Geschriften (66). Ex (26): (1) Ex 3,18. (2) Ex 5,3. (3) Ex 7,25. (4) Ex 8,23. (5) Ex 10,22. (6) Ex 10,23. (7) Ex 12,15. (8) Ex 12,19. (9) Ex 13,6. (10) Ex 15,22. (11) Ex 16,26. (12) Ex 19,15. (13) Ex 20,9. (14) Ex 20,11. (15) Ex 22,29. (16) Ex 23,12. (17) Ex 23,15. (18) Ex 24,16. (19) Ex 29,30. (20) Ex 29,35. (21) Ex 29,37. (22) Ex 31,15. (23) Ex 31,17. (24) Ex 34,18. (25) Ex 34,21. (26) Ex 35,2. Lv (31): (1) Lv 8,33. (2) Lv 8,35. (3) Lv 12,2. (4) Lv 12,4. (5) Lv 12,5. (6) Lv 13,4. (7) Lv 13,5. (8) Lv 13,21. (9) Lv 13,26. (10) Lv 13,31. (11) Lv 13,33. (12) Lv 13,50. (13) Lv 13,54. (14) Lv 14,8. (15) Lv 14,38. (16) Lv 15,13. (17) Lv 15,19. (18) Lv 15,24. (19) Lv 15,25. (20) Lv 15,28. (21) Lv 22,27. (22) Lv 23,3. (23) Lv 23,6. (24) Lv 23,8. (25) Lv 23,34. (26) Lv 23,36. (27) Lv 23,39. (28) Lv 23,40. (29) Lv 23,41. (30) Lv 23,42. (31) Lv 25,29.
- Grieks. gen. vr. enk. + acc. vr. mv. ἡμερας = hèmeras (dagen) van het zelfst. naamw. ἡμερα = hèmera (dag). Taalgebruik in de Septuaginta: hèmera (dag). Taalgebruik in het NT: hèmera (dag). Ex (36). Ex 20 (1) Ex 20,9.

  hèmera (dag)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
2 gen. vr. enk. + acc. vr. mv hèmeras  799  575  224  13  11  14  40  126  12  38  46     

- Latijn. dat. + abl. vr. mv. diebus van het zelfst. naamw. dies (dag). Bijbel (509). OT (437). NT (72). Ex (24): (1) Ex 2,11. (2) Ex 10,22. (3) Ex 12,15. (4) Ex 12,19. (5) Ex 13,6. (6) Ex 13,7. (7) Ex 13,10. (8) Ex 15,22. (9) Ex 16,26. (10) Ex 20,9. (11) Ex 20,11. (12) Ex 22,29. (13) Ex 23,12. (14) Ex 23,15. (15) Ex 24,16. (16) Ex 24,18. (17) Ex 29,30. (18) Ex 29,35. (19) Ex 29,37. (20) Ex 31,15. (21) Ex 31,17. (22) Ex 34,18. (23) Ex 34,21. (24) Ex 35,2.
- Ned.: dag. Arabisch: يَوم = jaum (dag). Taalgebruik in de Qoran: dag (jaum). D.: Tag. E.: day. F.: jour < Lat. diurnum. Cfr journaal. Grieks: ἡμερα = hèmera (dag). Taalgebruik in het NT: hèmera (dag). Hebreeuws: יוֹם = jôm (dag). Taalgebruik in Tenakh: jôm (dag). Lat.: dies.

Ex 20,9.1. - 2. שֵׁשֶׁת יָמִים = sjesjèth jâmîm (zes dagen). Tenakh (14): (1) Ex 16,26. (2) Ex 20,9. (3) Ex 20,11. (4) Ex 23,12. (5) Ex 24,16. (6) Ex 31,15. (7) Ex 31,17. (8) Ex 34,21. (9) Ex 35,2. (10) Lv 23,3. (11) Dt 5,13. (12) Dt 16,8. (13) Joz 6,3. (14) Joz 6,14.

Ex 20,9.3. act. ind. imperf. 2de pers. mann. enk. תַעֲבֹד = tha`äbhod (jij zult werken, dienen) van het werkw. עָבַד = `âbhad (werken, dienen). Taalgebruik in Tenakh: `âbhad (werken, dienen). getalswaarde: ajin =16 of 70, beth = 2, daleth = 4 ; totaal: 22 OF 76 (4 X 19). Structuur: 7 - 2 - 4. De som van de elementen is 4. Tenakh (13): (1) Gn 4,12. (2) Gn 27,40. (3) Gn 29,27. (4) Ex 20,9. (5) Ex 23,33. (6) Ex 34,21. (7) Lv 25,39. (8) Dt 5,13. (9) Dt 6,13. (10) Dt 7,16. (11) Dt 10,20. (12) Dt 15,19. (13) Ez 36,34.
- Grieks. ind. futurum 2de pers. enk. εργᾳ = erga(i) (jij zult werken) van het werkw. εργαζομαι = ergazomai (werken). Bijbel (?). In geval van תַעֲבֹד =tha`äbhod (jij zult werken, dienen): (1) Gn 4,12. (2) Gn 29,27. (3) Ex 20,9. (4) Ex 34,21. (5) Dt 5,13. (6) Dt 15,19.
- Latijn. futurum 2de pers. enk. operaberis (jij zult werken) van het werkw. operari (werken). Bijbel (5): (1) Ex 20,9. (2) Ex 23,12. (3) Ex 34,21. (4) Dt 5,13. (5) Dt 15,19.

Ex 20,9.1. - 3. שֵׁשֶׁת יָמִים תַעֲבֹד = sjesjèth jâmîm tha`äbhod (zes dagen zal je werken). Tenakh (3): (1) Ex 20,9. (2) Ex 34,21. (3) Dt 5,13. In Ex 20,9 en Dt 5,13 gaat het om het sjabbatgebod binnen de 10 woorden. In Ex 34,21 gaat het om het sjabbatgebod op de twee nieuwe stenen tafelen.
- שֵׁשֶׁת יָמִים תַּעֱשֶׂה = sjesjèth jâmîm tha`äshèh (zes dagen zal je je werk doen). Tenakh (1): Ex 23,12. De 'feestdagen' van het jaar.
- שֵׁשֶׁת יָמִים תֵּעָשֶׂה = sjesjèth jâmîm the`âshèh (zes dagen wordt het werk gedaan). Tenakh (2): (1) Ex 35,2. (2) Lv 23,3.

Ex 20,9.4. prefix verbindingswoord wë + act. ind. perf. 2de pers. mann. enk. וְעָשִׂיתָ = wë`âshîthâ (en jij zult maken) van het werkw. `עָשָׂה = âshâh (maken, doen). Taalgebruik in Tenakh: `âshâh (maken). getalswaarde: ajin = 16 of 70, shin = 21 of 300, he = 5 ; totaal: 42 (2 X 3 X 7) OF 375 (3 X 5³). Structuur: 7 - 3 - 5. Tenakh (90). Pentateuch (68). Eerdere Profeten (12). Latere Profeten (4). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (5). Ex (51). Ex 20 (1): Ex 20,9.
- = 'âshîthâ (jij deed). Tenakh (). Pentateuch (). Eerdere Profeten (). Latere Profeten (). 12 Kleine Profeten (). Geschriften ().
- Grieks. act. ind. futurum 2de pers. enk. ποιησεις = poièseis (jij zult maken) van het werkw. ποιεω = poieô (doen, maken). Taalgebruik in het NT: poieô (doen, maken). Taalgebruik in de LXX: poieô (doen, maken). Bijbel (190). OT (187). NT (3). Ex (84). Ex 20 (3): (1) Ex 20,4. (2) Ex 20,9. (3) Ex 20,10. Een vorm van ποιεω = poieô (doen, maken) in de LXX (3390), in het NT (565).
- Ned.. doen. Arabisch: عَمَلَ = `amala (werken). Taalgebruik in de Qoran: `amala (werken . D.. tun. E.. do. Fr.. faire. Grieks. ποιεω = poieô (doen, maken). Taalgebruik in het NT: poieô (doen, maken). Hebreeuws: עָשָׂה = `âshâh (maken, doen). Taalgebruik in Tenakh: `âshâh (maken). Lat.. facere.

Ex 20,9.5. כל = kl (al). Taalgebruik in Tenakh: kl (al). getalswaarde: kaph = 11 of 20, lamed = 12 of 30 ; totaal: 23 OF 50 (2 X 5²). Structuur: 2 - 3. Tenakh (2709). Pentateuch (824). Eerdere Profeten (584). Latere Profeten (505). 12 Kleine Profeten (104). Geschriften (692). Ex (159). Ex 20 (4): (1) Ex 20,1. (2) Ex 20,9. (3) Ex 20,10. (4) Ex 20,11.

Ex 20,9.6. מְלָאכְתֶּךָ (jouw werk) < zelfst. naamw. vr. enk. stat. construct. + persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. מְלָאכָה = mëlâ´kâh (werk, arbeid, vermogen, have, voorraad). Taalgebruik in Tenakh: mëlâ ´kâh (werk, arbeid, vermogen, have, voorraad). Tenakh (37).. Tenakh (4): (1) Ex 20,9. (2) Dt 5,13. (3) Jon 1,8. (4) Spr 24,27.

Ex 20,9.5. - 6. מְלָאכְתֶּךָ כָּל (jouw werk) < zelfst. naamw. vr. enk. stat. construct. + persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk.. Tenakh (2): (1) Ex 20,9. (2) Dt 5,13.
- מְלָאכָה כָּל (al het werk). Tenakh (8): (1) Ex 12,16. (2) Ex 35,35. (3) Lv 23,3. (4) Lv 23,30. (5) Lv 23,31. (6) Nu 29,7. (7) 1 K 7,14. (8) Jr 17,24.

Ex 20,10 - Ex 20,10: de tien geboden -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,1 - Ex 20,2 - Ex 20,3 - Ex 20,4 - Ex 20,5 - Ex 20,6 - Ex 20,7 - Ex 20,8 - Ex 20,9 - Ex 20,10 - Ex 20,11 - Ex 20,12 - Ex 20,13 - Ex 20,14 - Ex 20,15 - Ex 20,16 - Ex 20,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10tè de èmera tè ebdomè sabbata kuriô tô theô sou ou poièseis en autè pan ergon su kai o uios sou kai è thugatèr sou o pais sou kai è paidiskè sou o bous sou kai to upozugion sou kai pan ktènos sou kai o prosèlutos o paroikôn en soi  10 septimo autem die sabbati Domini Dei tui non facies omne opus tu et filius tuus et filia tua servus tuus et ancilla tua iumentum tuum et advena qui est intra portas tuas    10 Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is; [10] Maar de zevende dag is de sabbat voor de heer uw God. Dan zult u geen enkele arbeid verrichten: uzelf niet, uw zoon niet, uw dochter niet, uw slaaf niet, uw slavin niet, uw dieren niet, evenmin als de vreemdeling die bij u woont. [10] maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw vee, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen. 20:10 maar de zevende dag is een sabbat voor de Ene, God-over-jou; níet doen zul je welk werk ook: jij, je zoon, je dochter, je dienaar, je slavin, je vee noch de zwerver-te-gast die in je poorten is. 10. mais le septième jour est un sabbat pour Yahvé ton Dieu. Tu ne feras aucun ouvrage, toi, ni ton fils, ni ta fille, ni ton serviteur, ni ta servante, ni tes bêtes, ni l'étranger qui est dans tes portes.

King James Bible. [10] But the seventh day is the sabbath of the LORD thy God: in it thou shalt not do any work, thou, nor thy son, nor thy daughter, thy manservant, nor thy maidservant, nor thy cattle, nor thy stranger that is within thy gates:
Luther-Bibel. 10 Aber am siebenten Tage ist der Sabbat des HERRN, deines Gottes. Da sollst du keine Arbeit tun, auch nicht dein Sohn, deine Tochter, dein Knecht, deine Magd, dein Vieh, auch nicht dein Fremdling, der in deiner Stadt lebt.

Tekstuitleg van Ex 20,10. Het vers Ex 20,10 telt 18 (2 X 3²) en 75 (5³) letters. De getalswaarde van Ex 20,10 is 5515 (5 X1103).

Ex 20,10.1. וְיוֹם = wëjôm (en op de dag) < prefix voegwoord wë + zelfst. naamw. יוֹם = jôm (dag). Taalgebruik in Tenakh: jôm (dag). Taalgebruik in Js: jôm (dag). Taalgebruik in Am: jôm (dag). Taalgebruik in Mi: jôm (dag). getalswaarde: jod = 10, waw = 6, mem = 13 of 40 ; totaal: 29 OF 56 (2³ X 7). Structuur: 1 - 6 - 4. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (15). Pentateuch (3): (1) Gn 8,22. (2) Ex 20,10. (2) Dt 5,14.

Ex 20,10.2. הַשְּׁבִיעִי = hasjsjëbhî`î (de zevende). Zie: שֶׁבַע / שֵׁבַע = sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7). Taalgebruik in Tenakh: sjèbha` / sjëbha` (zeven). getalswaarde: sjin = 21 of 300, beth = 2, ajin = 16 of 70 ; totaal: 39 (3 X 13 = (26 + 13) OF 372 (2 X 3 X 31). Structuur: 3 - 2 - 7. De som van de elementen is telkens 12 -> 3. Tenakh (69). Pentateuch (45). Gn (3). Ex (13). Lv (16). Nu (11). Dt (2). Rest (24). Gn (3): (1) Gn 2,2. (2) Gn 2,3. (3) Gn 8,4. Ex (13): (1) Ex 12,16. (2) Ex 13,6. (3) Ex 16,26. (4) Ex 16,27. (5) Ex 16,29. (6) Ex 20,10. (7) Ex 20,11. (8) Ex 23,12. (9) Ex 24,16. (10) Ex 31,15. (11) Ex 31,17. (12) Ex 34,21. (13) Ex 35,2. Lv (16): (1) Lv 13,5. (2) Lv 13,6. (3) Lv 13,27. (4) Lv 13,32. (5) Lv 13,34. (6) Lv 13,51. (7) Lv 14,9. (8) Lv 14,39. (9) Lv 16,29. (10) Lv 23,3. (11) Lv 23,8. (12) Lv 23,24. (13) Lv 23,27. (14) Lv 23,34. (15) Lv 23,39. (16) Lv 23,41. Nu (11): (1) Nu 6,9. (2) Nu 7,48. (3) Nu 19,12. (4) Nu 19,19. (5) Nu 28,25. (6) Nu 29,1. (7) Nu 29,7. (8) Nu 29,12. (9) Nu 29,32. (10) Nu 31,19. (11) Nu 31,24. Dt (2): (1) Dt 5,14. (2) Dt 16,8.
- הַשְּׁבִעִי = hasjsjëbhî`î (de zevende). Tenakh (8): (1) Ex 12,15. (2) Ex 16,30. (3) Lv 25,9. (4) 1 Kr 2,15. (5) 1 Kr12,12. (6) 1 Kr 24,10. (7) 1 Kr 25,14. (8) 2 Kr 5,3.
- Samen 77 ; 48X in de Pentateuch, 29X in de rest ; 15X in Ex, 17X in Lv.
- Grieks: ἑπτα = hepta. Bijbel (334). OT (272). NT (62). Een vorm van ἑπτα = hepta (zeven) in de LXX (377), in het NT (87).
- Lat. septem. Bijbel (325). OT (264). NT (61).
- Ned.: zeven. Arabisch: sab`ah (zeven): سَبْعة. Taalgebruik in de Qoran: sab`ah (zeven). D.: Sieben. E. seven. Fr.: sept. Grieks: ἑπτα = hepta. Hebreeuws: de). Zie: שֶׁבַע / שֵׁבַע = sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7). Taalgebruik in Tenakh: sjèbha` / sjëbha` (zeven). Lat.: septem.
- De eerste medeklinker: s ; in het Grieks werd het een aangeblazen ha ; in het Nederlands werd de s een z. De tweede medeklinker: b: in het Arabisch en het Duits ; in het Hebreeuws is het een zachte b, uitgesproken als v ; zo ook in het E. en het Ned. ; in het Gr., het Lat. en het Fr. werd het een p ; in het Fr. wordt de p niet uitgesproken. De derde medeklinker: de ajin in het Arabisch en het Hebreeuws ; in het Gr. en het Lat. door de letter t. Het Franse sept is afkorting van het Lat. septem ; de -en uitgang in het D., E. en Ned. komt wellicht uit de Latijnse uitgang -em.

Ex 20,10.1. - 2. וְיוֹם הַשְּׁבִיעִי = wëjôm hasjsjëbhî`î (en 'op' de zevende dag). Tenakh (2): (1) Ex 20,10. (2) Dt 5,14.
- יוֹם הַשְּׁבִיעִי = ´jôm hasjsjëbhî`î (de zevende dag). Tenakh (1): Gn 2,3.
- הַשְּׁביעִי בַּיּוֹם = bajjôm hasjsjëbhî`î (op de zevende dag). Tenakh (24). Pentateuch (18): (1) Gn 2,2. (2) Ex 16,27. (3) Ex 16,29. (4) Ex 20,11. (5) Ex 24,16. (6) Lv 13,5. (7) Lv 13,6. (8) Lv 13,27. (9) Lv 13,32. (10) Lv 13,34. (11) Lv 13,51. (12) Lv 14,9. (13) Lv 14,39. (14) Lv 23,8. (15) Nu 6,9. (16) Nu 7,48. (17) Nu 19,19. (18) Nu 31,24.
- הַשְּׁבִיעִי וּבַיּוֹם = ûbhajjôm hasjsjëbhî`î (en op de zevende dag). Tenakh (16): (1) Ex 12,16. (2) Ex 13,6. (3) Ex 16,26. (4) Ex 23,12. (5) Ex 31,15. (6) Ex 31,17. (7) Ex 34,21. (8) Ex 35,2. (9) Lv 23,3. (10) Nu 19,12. (11) Nu 19,19. (12) Nu 28,25. (13) Nu 29,32. (14) Nu 31,19. (15) Dt 16,8. (16) Joz 6,4.
- Op de 7de dag komt in 40 verzen voor ; 33X in de Pentateuch, 1X in Gn, 12X in Ex, 10X in Lv, 9X in Nu, 1X in Dt. Buiten de Pentateuch slechts 7X.

Ex 20,10.3. הַשַּׁבָּת = sjâbbath (sabbat) < prefix bepaald lidw. + zelfst. naamw.. Taalgebruik in Tenakh: sj-b-th. getalswaarde: sjin = 21 of 300, beth = 2, thaw = 22 of 400 ; totaal: 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13). Structuur: 3 - 2 - 4. De som van de elementen is telkens 9.Taalgebruik in Tenakh: sj-b-th. getalswaarde: sjin = 21 of 300, beth = 2, thaw = 22 of 400 ; totaal: 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13). Structuur: 3 - 2 - 4. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (39). Pentateuch (15): (1) Ex 16,29. (2) Ex 20,8. (3) Ex 20,11. (4) Ex 31,14. (5) Ex 31,15. (6) Ex 31,16. (7) Ex 35,3. (8) Lv 23,11. (9) Lv 23,15. (10) Lv 23,16. (11) Lv 24,8. (12) Nu 15,32. (13) Nu 28,9. (14) Dt 5,12. (15) Dt 5,15.
- zelfst. naamw. שַׁבָּת = sjâbbath (sabbat). Zie: sj-b-th. Taalgebruik in Tenakh: sj-b-th. getalswaarde: sjin = 21 of 300, beth = 2, thaw = 22 of 400 ; totaal: 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13). Structuur: 3 - 2 - 4. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (36). Pentateuch (17). Gn (1): Gn 2,3. Ex (7): (1) Ex 16,23. (2) Ex 16,25. (3) Ex 16,26. (4) Ex 20,10. (5) Ex 31,15. (6) Ex 31,17. (7) Ex 35,2. Lv (6): (1) Lv 16,31. (2) Lv 23,3. (3) Lv 23,32. (4) Lv 25,2. (5) Lv 25,4. (6) Lv 25,6. Nu (1): Nu 27,10. Dt (2): (1) Dt 1,6. (2) Dt 5,14.

Ex 20,10.4. לַיהוה = lJHWH (voor JHWH) < prefix voorzetsel lë + יהוה = JHWH. Eigennaam van God. Taalgebruik in Tenakh: JHWH. Tenakh (538). Pentateuch (240). Eerdere Profeten (77). Latere Profeten (50). 12 Kleine Profeten (19). Geschriften (152). Ex (47). Ex 20 (1): Ex 20,10. Lv (31). Lv 23 (): (1) Lv 23,3. (2) Lv 23,5. (3) Lv 23,8. (4) Lv 23,12. (5) Lv 23,13. (6) Lv 23,16. (7) Lv 23,17. (8) Lv 23,18. (9) Lv 23,20. (10) Lv 23,25. (11) Lv 23,27. (12) Lv 23,34. (13) Lv 23,36. (14) Lv 23,37. (15) Lv 23,38. (16) Lv 23,41. Lv 25 (2): (1) Lv 25,2. (2) Lv 25,4. Dt (31). Dt 5 (1): Dt 5,14.

Ex 20,10.3. - 4. שַׁבָּת לַיהוה = sjabbâth lJHWH (voor JHWH). Tenakh (4): (1) Ex 20,10. (2) Lv 25,2. (3) Lv 25,4. (4) Dt 5,14.

Ex 20,10.5. אֱלֹהֶיךָ = ´êlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (je God) < stat. constr. mann. mv. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk.. Zie: אֱלֹהִים = ´èlohîm (God). Taalgebruik in Tenakh: ´èlohîm (God). getalswaarde: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal: 41 of 86 (2 X 43). Structuur: 1 - 3 -5 -1 - 4. De som van de elementen is telkens 5. De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl. getalswaarde is: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld). Structuur: 1 - 3. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (299). Pentateuch (216). Eerdere Profeten (28). Latere Profeten (25). 12 Kleine Profeten (14). Geschriften (16). Ex (11): (1) Ex 15,26. (2) Ex 20,2. (3) Ex 20,5. (4) Ex 20,7. (5) Ex 20,10. (6) Ex 20,12. (7) Ex 23,19. (8) Ex 32,4. (9) Ex 32,8. (10) Ex 34,24. (11) Ex 34,26. Dt (199).
- Grieks. θεος = theos (God) . Taalgebruik in het NT: theos (God). Taalgebruik in de LXX: theos (God). Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984), in het NT (1314).
- Ned.: God. Arabisch: اَللە = ´allah (Allah). Taalgebruik in de Qoran: ´allah (Allah). In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven). D.: Gott. E.: God. Fr.: dieu. De vloek dju. Grieks: θεος = theos (God) . Taalgebruik in het NT: theos (God). Hebreeuws: אֱלֹהִים = ´èlohîm (God). Taalgebruik in Tenakh: ´èlohîm (God).
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen: goden. Als collectief zouden we kunnen vertalen: god. Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden. Onder goden kan / kunnen zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn.
- De Godsnaam JHWH wordt veelvuldiger dan de naam ´èlohîm (god) gebruikt. Vergelijk maar: יהוה = JHWH. Eigennaam van God. Taalgebruik in Tenakh: JHWH. getalswaarde: jod = 10, he = 5, waw = 6. Totaal: 26. Structuur: 1 - 5 - 6 - 5. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (5193). Pentateuch (1326). Eerdere Profeten (1013). Latere Profeten (1357). 12 Kleine Profeten (387). Geschriften (1110). Gn (128). Ex (299). Lv (199). Nu (287). Dt (413). In Gn: ´èlohîm (god) (140), de Godsnaam JHWH (128), vooral in Gn 1-25. Ex 20 (6): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,5. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,22.

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt
´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 31 0 7 29
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 287 413

Ex 20,10.3. - 5. שַׁבָּת לַיהוה אֱלֹהֶיךָ = sjabbâth lJHWH ´êlohè(j)khâ (voor JHWH, je God). Tenakh (4): (1) Ex 20,10. (2) Dt 5,14.

6. לֹא = lo´(niet). Taalgebruik in Tenakh: lo´(niet). getalswaarde: lamed = 12 of 30, aleph = 1 ; totaal: 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld). De getalswaarde van לֹא = lo´ is de helft van de getalswaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2. Tenakh (2767). Pentateuch (801). Eerdere Profeten (456). Latere Profeten (611). 12 Kleine Profeten (150). Geschriften (749). Structuur: 3 - 1. De som van de elementen is telkens 4. Ex (145). Ex 20 (13): (1) Ex 20,3. (2) Ex 20,4. (3) Ex 20,5. (4) Ex 20,7. (5) Ex 20,10. (6) Ex 20,13. (7) Ex 20,14. (8) Ex 20,15. (9) Ex 20,16. (10) Ex 20,17. (11) Ex 20,23. (12) Ex 20,25. (13) Ex 20,26.

Ex 20,10.7.
- Grieks. act. ind. futurum 2de pers. enk. ποιησεις = poièseis (jij zult maken) van het werkw. ποιεω = poieô (doen, maken). Taalgebruik in het NT: poieô (doen, maken). Taalgebruik in de LXX: poieô (doen, maken). Bijbel (190). OT (187). NT (3). Ex (84). Ex 20 (3): (1) Ex 20,4. (2) Ex 20,9. (3) Ex 20,10. Een vorm van ποιεω = poieô (doen, maken) in de LXX (3390), in het NT (565).
- Ned.. doen. Arabisch: عَمَلَ = `amala (werken). Taalgebruik in de Qoran: `amala (werken . D.. tun. E.. do. Fr.. faire. Grieks. ποιεω = poieô (doen, maken). Taalgebruik in het NT: poieô (doen, maken). Hebreeuws: עָשָׂה = `âshâh (maken, doen). Taalgebruik in Tenakh: `âshâh (maken). Lat.. facere.

Ex 20,10.8. כל = kl (al). Taalgebruik in Tenakh: kl (al). getalswaarde: kaph = 11 of 20, lamed = 12 of 30 ; totaal: 23 OF 50 (2 X 5²). Structuur: 2 - 3. Tenakh (2709). Pentateuch (824). Eerdere Profeten (584). Latere Profeten (505). 12 Kleine Profeten (104). Geschriften (692). Ex (159). Ex 20 (4): (1) Ex 20,1. (2) Ex 20,9. (3) Ex 20,10. (4) Ex 20,11.

Ex 20,10.17. אֲשֶׁר = ´äsjèr (die). Taalgebruik in Tenakh: ´äsjèr (die). getalswaarde: aleph = 1, sjin = 21 of 300, resj = 20 of 200 ; totaal: 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167). Structuur: 1 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (4012). Pentateuch (1378). Eerdere Profeten (1114). Latere Profeten (717). 12 Kleine Profeten (106). Geschriften (697). Ex (217). Ex 20 (10): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,4. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,10. (5) Ex 20,11. (6) Ex 20,12. (7) Ex 20,17. (8) Ex 20,21. (9) Ex 20,24. (10) Ex 20,26.

Ex 20,11: de tien geboden -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,1 - Ex 20,2 - Ex 20,3 - Ex 20,4 - Ex 20,5 - Ex 20,6 - Ex 20,7 - Ex 20,8 - Ex 20,9 - Ex 20,10 - Ex 20,11 - Ex 20,12 - Ex 20,13 - Ex 20,14 - Ex 20,15 - Ex 20,16 - Ex 20,17 -

Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11en gar ex èmerais epoièsen kurios ton ouranon kai tèn gèn kai tèn thalassan kai panta ta en autois kai katepausen tè èmera tè ebdomè dia touto eulogèsen kurios tèn èmeran tèn ebdomèn kai ègiasen autèn 11 sex enim diebus fecit Dominus caelum et terram et mare et omnia quae in eis sunt et requievit in die septimo idcirco benedixit Dominus diei sabbati et sanctificavit eum   11 Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den sabbatdag, en heiligde denzelven. [11] Want in zes dagen heeft de heer de hemel, de aarde en de zee en al wat ze bevatten gemaakt. Maar de zevende dag heeft Hij gerust en zo de sabbat gezegend en tot een heilige dag gemaakt. [11] Want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat er leeft, en op de zevende dag rustte hij. Daarom heeft de HEER de sabbat gezegend en heilig verklaard. 20:11 Want in zes dagen heeft de Ene de hemelen en de aarde gemaakt, de zee en al wat er in hen is, en hij hield rust op de zevende dag; daarom heeft de Ene de sabbatdag gezegend en hem geheiligd! •• 11. Car en six jours Yahvé a fait le ciel, la terre, la mer et tout ce qu'ils contiennent, mais il s'est reposé le septième jour, c'est pourquoi Yahvé a béni le jour du sabbat et l'a consacré.

King James Bible. [11] For in six days the LORD made heaven and earth, the sea, and all that in them is, and rested the seventh day: wherefore the LORD blessed the sabbath day, and hallowed it.
Luther-Bibel. 11 Denn in sechs Tagen hat der HERR Himmel und Erde gemacht und das Meer und alles, was darinnen ist, und ruhte am siebenten Tage. Darum segnete der HERR den Sabbattag und heiligte ihn.

Tekstuitleg van Ex 20,11. Het vers Ex 20,11 telt 26 (2 X 13) woorden en 86 (2 X 43) letters. De getalswaarde van Ex 20,11 is 7028 (2² X 7 X 251). In het vers Ex 20,11 fundeert de auteur het sabbatgebod op de schepping door JHWH.

Ex 20,11.1. כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik in Tenakh: kî (want, omdat). getalswaarde: kaph = 11 of 20, jod = 10 ; totaal: 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5). Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (3849). Pentateuch (884). Eerdere Profeten (726). Latere Profeten (841). 12 Kleine Profeten (241). Geschriften (1157). Gn (251). Ex (167). Ex 20 (6): (1) Ex 20,5. (2) Ex 20,7. (3) Ex 20,11. (4) Ex 20,20. (5) Ex 20,22. (6) Ex 20,25.
- כִּי = kî (want, omdat) < een woord met 1 medeklinker. De lange î is î gebleven omdat het een proclitisch woord is. Proclitisch wil zeggen dat een eenlettergrepig onbeklemtoond woord wordt gehecht aan het volgende (Lettinga(6) 13d).
- Grieks: γαρ = gar (want). Taalgebruik in het NT: gar (want). Taalgebruik in de LXX: gar (want).
- Ned.: want. D.: denn. Fr.: car. Grieks: γαρ = gar (want). Taalgebruik in het NT: gar (want). Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik in Tenakh: kî (want, omdat) . Lat.: enim.

Ex 20,11.2. vr. enk. שֵׁשֶׁת = sjesjèth (zes). Zie שֵׁשׁ = sjesj (zes). Taalgebruik in Tenakh: sjesj (zes). Getallenwaarde sjesj = 2 X 21 of 2 X 300 = 42 (2 X 3 X 7) OF 600 (2³ X 3 X 5²). Structuur: 3 - 3. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (21): (1) Ex 16,26. (2) Ex 20,9. (3) Ex 20,11. (4) Ex 23,12. (5) Ex 24,16. (6) Ex 31,15. (7) Ex 31,17. (8) Ex 34,21. (9) Ex 35,2. (10) Lv 23,3. (11) Nu 3,34. (12) Dt 5,13. (13) Dt 16,8. (14) Joz 6,3. (15) Joz 6,14. (16) 1 K 11,16. (17) Ez 46,1. (18) Ezr 2,67. (19) Neh 7,68. (20) 1 Kr 12,25. (21) 1 Kr 23,4.
- Grieks. ἑξ = hex. Zie: Taalgebruik in het NT: ek (uit). Taalgebruik in de Septuaginta: ek (uit). Ex 20 (2): (1) Ex 20,9. (2) Ex 20,11. Een vorm van ἑξ = hex (zes) in de LXX (134), in het NT (13): (1) Mt 17,1. (2) Mc 9,2. (3) Lc 4,25. (4) Lc 13,14. (5) Joh 2,6. (6) Joh 2,20. (7) Joh 12,1. (8) Hnd 11,12. (9) Hnd 18,11. (10) Hnd 27,37. (11) Jak 5,17. (12) Apk 4,8. (13) Apk 13,18.
- Lat.: sex. Ex (22): (1) Ex 16,26. (2) Ex 20,9. (3) Ex 20,11. (4) Ex 21,2. (5) Ex 23,10. (6) Ex 23,12. (7) Ex 24,16. (8) Ex 25,32. (9) Ex 25,33. (10) Ex 25,35. (11) Ex 26,9. (12) Ex 26,22. (13) Ex 28,10. (14) Ex 31,15. (15) Ex 31,17. (16) Ex 34,21. (17) Ex 35,2. (18) Ex 36,16. (19) Ex 36,27. (20) Ex 37,18. (21) Ex 37,19. (22) Ex 37,21. Bijbel (120). OT (109). NT (11).
- Ned.: zes. Arabisch: سِتة = sittah (zes). Taalgebruik in de Qoran: sittah (zes). D.: sechs. E.: six. Fr.: six. Grieks: ἑξ = hex. Zie: Taalgebruik in het NT: ek (uit). Hebreeuws: שֵׁשׁ = sjesj (zes). Taalgebruik in Tenakh: sjesj (zes). Lat.: sex.

Ex 20,11.3. mann. mv. יָמִים = jâmîm (dagen) van het zelfst. naamw. יוֹם = jôm (dag). Taalgebruik in Tenakh: jôm (dag). getalswaarde: jod = 10, waw = 6, mem = 13 of 40 ; totaal: 29 OF 56 (2³ X 7). Structuur: 1 - 6 - 4. De som van de elementen is telkens 2. j-m-m. Tenakh (289). Pentateuch (117). Eerdere Profeten (45). Latere Profeten (45). 12 Kleine Profeten (10). Geschriften (66). Ex (26): (1) Ex 3,18. (2) Ex 5,3. (3) Ex 7,25. (4) Ex 8,23. (5) Ex 10,22. (6) Ex 10,23. (7) Ex 12,15. (8) Ex 12,19. (9) Ex 13,6. (10) Ex 15,22. (11) Ex 16,26. (12) Ex 19,15. (13) Ex 20,9. (14) Ex 20,11. (15) Ex 22,29. (16) Ex 23,12. (17) Ex 23,15. (18) Ex 24,16. (19) Ex 29,30. (20) Ex 29,35. (21) Ex 29,37. (22) Ex 31,15. (23) Ex 31,17. (24) Ex 34,18. (25) Ex 34,21. (26) Ex 35,2. Lv (31): (1) Lv 8,33. (2) Lv 8,35. (3) Lv 12,2. (4) Lv 12,4. (5) Lv 12,5. (6) Lv 13,4. (7) Lv 13,5. (8) Lv 13,21. (9) Lv 13,26. (10) Lv 13,31. (11) Lv 13,33. (12) Lv 13,50. (13) Lv 13,54. (14) Lv 14,8. (15) Lv 14,38. (16) Lv 15,13. (17) Lv 15,19. (18) Lv 15,24. (19) Lv 15,25. (20) Lv 15,28. (21) Lv 22,27. (22) Lv 23,3. (23) Lv 23,6. (24) Lv 23,8. (25) Lv 23,34. (26) Lv 23,36. (27) Lv 23,39. (28) Lv 23,40. (29) Lv 23,41. (30) Lv 23,42. (31) Lv 25,29.
- Grieks. gen. vr. enk. + acc. vr. mv. ἡμερας = hèmeras (dagen) van het zelfst. naamw. ἡμερα = hèmera (dag). Taalgebruik in de Septuaginta: hèmera (dag). Taalgebruik in het NT: hèmera (dag). Ex (36). Ex 20 (1) Ex 20,9.

  hèmera (dag)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
2 gen. vr. enk. + acc. vr. mv hèmeras  799  575  224  13  11  14  40  126  12  38  46     

- Latijn. dat. + abl. vr. mv. diebus van het zelfst. naamw. dies (dag). Bijbel (509). OT (437). NT (72). Ex (24): (1) Ex 2,11. (2) Ex 10,22. (3) Ex 12,15. (4) Ex 12,19. (5) Ex 13,6. (6) Ex 13,7. (7) Ex 13,10. (8) Ex 15,22. (9) Ex 16,26. (10) Ex 20,9. (11) Ex 20,11. (12) Ex 22,29. (13) Ex 23,12. (14) Ex 23,15. (15) Ex 24,16. (16) Ex 24,18. (17) Ex 29,30. (18) Ex 29,35. (19) Ex 29,37. (20) Ex 31,15. (21) Ex 31,17. (22) Ex 34,18. (23) Ex 34,21. (24) Ex 35,2.
- Ned.: dag. Arabisch: يَوم = jaum (dag). Taalgebruik in de Qoran: dag (jaum). D.: Tag. E.: day. F.: jour < Lat. diurnum. Cfr journaal. Grieks: ἡμερα = hèmera (dag). Taalgebruik in het NT: hèmera (dag). Lat.: dies. Hebreeuws: יוֹם = jôm (dag). Taalgebruik in Tenakh: jôm (dag).

Ex 20,11.2. - 3. שֵׁשֶׁת יָמִים = sjesjèth jâmîm (zes dagen). Tenakh (14): (1) Ex 16,26. (2) Ex 20,9. (3) Ex 20,11. (4) Ex 23,12. (5) Ex 24,16. (6) Ex 31,15. (7) Ex 31,17. (8) Ex 34,21. (9) Gn 35,2. (10) Lv 23,3. (11) Dt 5,13. (12) Dt 16,8. (13) Joz 6,3. (14) Joz 6,14.

Ex 20,11.1. - 3. כִּי שֵׁשֶׁת יָמִים = kî sjesjèth jâmîm (want gedurende zes dagen). Tenakh (2): (1) Ex 20,11. (2) Ex 31,17. Zo ook met het vervolg: עָשָֹה יהוה = `âshâh JHWH (maakte JHWH).

Ex 20,11.4. act. qal perf. 3de pers. mann. enk. עָשָׂה = `âshâh (hij maakte). Zie: עָשָׂה = `âshâh (maken, doen). Taalgebruik in Tenakh: `âshâh (maken). getalswaarde: ajin = 16 of 70, shin = 21 of 300, he = 5 ; totaal: 42 (2 X 3 X 7) OF 375 (3 X 5³). Structuur: 7 - 3 - 5. De som van de elementen is telkens 6. Ex (38). Ex 20 (1): Ex 20,11.
- Grieks: act. ind. aor. 3de pers. enk. εποιησεν = epoièsen (hij deed) van het werkw. ποιεω = poieô (doen, maken). Taalgebruik in het NT: poieô (doen, maken). Taalgebruik in de LXX: poieô (doen, maken). Bijbel (714). OT (641). NT (73). Een vorm van ποιεω = poieô (doen, maken) in de LXX (3390), in het NT (565).
- Ned.. doen. Arabisch: عَمَلَ = `amala (werken). Taalgebruik in de Qoran: `amala (werken . D.. tun. E.. do. Fr.. faire. Grieks. ποιεω = poieô (doen, maken). Taalgebruik in het NT: poieô (doen, maken). Hebreeuws: עָשָׂה = `âshâh (maken, doen). Taalgebruik in Tenakh: `âshâh (maken). Lat.. facere.

Ex 20,11.5. יהוה = JHWH. Eigennaam van God. Taalgebruik in Tenach: JHWH. Taalgebruik in Exodus: JHWH. getalswaarde: jod = 10, he = 5, waw = 6. Totaal: 26. Structuur: 1 - 5 - 6 - 5. Tenach (5193). Pentateuch (1326). Eerdere Profeten (1013). Latere Profeten (1357). 12 Kleine Profeten (387). Geschriften (1110). Ex (299). Ex 20 (6): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,5. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,22. Dt 5 (17): (1) Dt 5,2. (2) Dt 5,3. (3) Dt 5,4. (4) Dt 5,5. (5) Dt 5,6. (6) Dt 5,9. (7) Dt 5,11. (8) Dt 5,12. (9) Dt 5,15. (10) Dt 5,16. (11) Dt 5,22. (12) Dt 5,24. (13) Dt 5,25. (14) Dt 5,27. (15) Dt 5,28. (16) Dt 5,32. (17) Dt 5,33.

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Ex 20 Dt 5
´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 31 0 7 29 3 3
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 287 413 6 17

- Grieks. κυριος = kurios (heer). Taalgebruik in het NT: kurios (heer). Taalgebruik in de LXX: kurios (heer). Een vorm van κυριος = kurios (heer) in de LXX (8591), in het NT (718).
- Ned.: Heer. Arabisch: رَب = rabb (God, Heer). Taalgebruik in de Qoran: rabb (God, Heer). Aramees: יוי = JWJ. D.: Herr. E.: Lord. Fr.: seigneur. Grieks: κυριος = kurios (heer). Taalgebruik in het NT: kurios (heer). Hebreeuws: יהוה = JHWH. Taalgebruik in Tenakh: JHWH. Latijn: Dominus. (Eerste medeklinker Gr. k, Ned. + D. h ; tweede medeklinker: Gr. + Ned. + D.: r ).
- Sabbah Messod & Roger, Les secrets de l'Exode, Jean-Cyrille Godefroy, 2000, p.93-96. Op deze blz. wordt een verband tussen anokhi Adonai (ik de Heer) en farao Achnaton gelegd. De uitspraak van JHWH is Adonai, waarin we het Egyptische Aton, de zonneschijf, zien.

Ex 20,11.4. - 5. עָשָׂה יהוה = `âshâh JHWH (JHWH maakte). Tenakh (27). Pentateuch (14): (1) Gn 3,1. (2) Ex 13,8. (3) Ex 14,31. (4) Ex 18,8. (5) Ex 18,9. (6) Ex 20,11. (7) Ex 31,17. (8) Nu 33,4. (9) Dt 3,21. (10) Dt 4,3. (11) Dt 7,18. (12) Dt 24,9. (13) Dt 29,1. (14) Dt 29,23. Js (1) Js 44,23.

- (1) בָרָא אֱלֹהִים = bârâ ´èlohîm (God schiep). Tenakh ( 3): (1) Gn 1,1. (2) Gn 2,3. (3) Dt 4,32.
- וַיִּבְרָא אֱלֹהִים = wajjibhërâ´ ´èlohîm (en God schiep). Tenakh (2): (1) Gn 1,21. (2) Gn 1,27.
- (2) וַיַּעַשׂ אֱלֹהִים = wajja`ash ´èlohîm (en God maakte). Tenakh (4): (1) Gn 1,7. (2) Gn 1,16. (3) Gn 1,25. (4) Re 6,40.
- וַיַּעַשׂ יהוה = wajja`ash JHWH (en JHWH maakte). Tenakh (11): (1) Gn 3,21. (2) Gn 21,1. (3) Ex 8,9. (4) Ex 8,20. (5) Ex 8,27. (6) Ex 9,6. (7) 1 S 19,5. (8) 1 S 28,17. (9) 2 S 23,10. (10) 2 S 23,12. (11) Jr 40,3.

Ex 20,11.1. - 5. שֵׁשֶׁת יָמִים תֵּעָשֶׂה = sjesjèth jâmîm the`âshèh (gedurende zes dagen zal het gemaakt/gedaan worden). Tenakh (2): (1) Ex 35,2. (2) Lv 23,3.
- כִּי שֵׁשֶׁת יָמִים עָשָֹה יהוה = kî sjesjèth jâmîm `âshâh JHWH (want gedurende zes dagen maakte JHWH). Tenakh (2): (1) Ex 20,11. (2) Ex 31,17.

Ex 20,11.6. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief). Taalgebruik in Tenakh: ´eth (accusatief). getalswaarde: aleph = 1, thaw = 22 of 400 ; totaal: 23 OF 401 (priemgetal). Structuur: 1 - 4. Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet. Tenakh (5699). Pentateuch (2002). Eerdere Profeten (1661). Latere Profeten (860). 12 Kleine Profeten (207). Geschriften (967). Joz (231). Gn (525). Ex (473). Ex 20 (7): (1) Ex 20,1. (2) Ex 20,7. (3) Ex 20,8. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,18. (7).Ex 20,24.

Ex 20,11.7. הַּשָׁמַיִם / הַּשָׁמָיִם = hasjsjâmajim / hasjsjâmâjim (de hemelen) < bepaald lidw. ha + שָׁמַיִם / שָׁמָיִם = sjâmajim / sjâmâjim (hemelen). Taalgebruik in Tenakh: sjâmajim (hemelen).. Tenakh (223). Pentateuch (69). Eerdere Profeten (35). Latere Profeten (41). 12 Kleine Profeten (15). Geschriften (63). Gn (32). Ex (11).
- Grieks: acc. mann. enk. ουρανον = ouranon van het zelfst. naamw. ουρανος = ouranos (hemel). Taalgebruik in de Septuaginta: ouranos (hemel). Taalgebruik in het NT: ouranos (hemel). Een vorm van ουρανος = ouranos (hemel) in de LXX (682), in het NT (272).

  ouranos (hemel)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
acc. mann. enk. ouranon  182  142  40  11  13  16 
  Totaal 954 682 272 82 18 34 18 26 21 52 134 152    

- Ned.: hemel. Arabisch: سَمَاة = samâ´ (hemel). Taalgebruik in de Qoran: samâ´ (hemel). D.: Himmel. E.: heaven. Fr.: ciel. Grieks: ουρανος = ouranos (hemel). Taalgebruik in het NT: ouranos (hemel). Hebreeuws: שָׁמַיִם / שָׁמָיִם = sjâmajim / sjâmâjim (hemelen). Taalgebruik in Tenakh: sjâmajim (hemelen).

Ex 20,11.6. - 7. אֶת הַּשָׁמַיִם = ´èth hasjsjâmajim (de hemelen). Tenakh (15): (1) Ex 20,11. (2) Ex 31,17. (3) Dt 4,26. (4) Dt 11,17. (5) Dt 28,12. (6) Dt 30,19. (7) Dt 31,28. (8) 2 K 19,15. (9) 2 Kr 2,11. (10) Neh 9,6. (11) Js 37,16. (12) Jr 23,24. (13) Jr 32,17. (14) Hag 2,6. (15) Hag 2,21.

Ex 20,11.8. וְאֶת / וְאִת = wë´èth / wë´eth < wë + ´eth / ´èth (accusatief). Taalgebruik in Tenakh: ´eth (accusatief). getalswaarde: aleph = 1, thaw = 22 of 400 ; totaal: 23 OF 401 (priemgetal). Structuur: 1 - 4. Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet. Tenakh (1417). Pentateuch (519). Eerdere Profeten (393). Latere Profeten (235). 12 Kleine Profeten (29). Geschriften (241). Gn (138). Ex (126). Ex 20 (4): (1) Ex 20,11. (2) Ex 20,12. (3) Ex 20,18. (4) Ex 20,24.

Ex 20,11.9. הָאָרֶץ = hâ´ârèts (en de aarde) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde). Taalgebruik in Tenakh: ´èrètz (land). getalswaarde: aleph = 1, resj = 20 of 200, tsade = 18 of 90 ; totaal: 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97). Structuur: 1 - 2 - 9. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (851). Pentateuch (316). Eerdere Profeten (132). Latere Profeten (215). 12 Kleine Profeten (53). Geschriften (135). Gn (113).
- Grieks. acc. mann. enk. γην = gèn van het zelfst. naamw. γη = gè (aarde, land).

  gè  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
3 acc. vr. enk.  gèn 961  884  77  13  12  10  25  30  36 

- Ned. aarde. Arabisch: أَرْض = ´arD (aarde). Taalgebruik in de Qoran: ´arD (aarde). D.: Welt. E.: earth. Fr.: terre. Grieks: γη = gè (aarde, land). Taalgebruik in het NT: gè (aarde). Hebreeuws: אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde). Taalgebruik in Tenakh: ´èrètz (land). Lat.: terra.

Ex 20,11.8. - 9.
- וְאֶת הָאָרֶץ = ´èth hâ´ârèts (het land). Tenakh (136). Gn (12): (1) Gn 1,28. (2) Gn 6,12. (3) Gn 6,13. (4) Gn 9,1. (5) Gn 12,7. (6) Gn 15,7. (7) Gn 15,18. (8) Gn 24,7. (9) Gn 35,12. (10) Gn 41,30. (11) Gn 42,30. (12) Gn 48,4.

Ex 20,11.6. - 9. אֶת הַּשָׁמַיִם וְאֶת הָאָרֶץ = ´èth hasjsjâmajim wë´èth hâ´ârèts (de hemelen en de aarde). Tenakh (12 / 15): (1) Ex 20,11. (2) Ex 31,17. (3) Dt 4,26. (4) Dt 30,19. (5) Dt 31,28. (6) 2 K 19,15. (7) 2 Kr 2,11. (8) Js 37,16. (9) Jr 23,24. (10) Jr 32,17. (11) Hag 2,6. (12) Hag 2,21.
- אִת הַּשָׁמַיִם וְאִת הָאָרֶץ = ´eth hasjsjâmajim wë´eth hâ´ârèts (de hemel en de aarde) is een hapax in Gn 1,1.
- שָׁמַיִם וְאָרֶץ = sjâmajim wë´èrèts / wä´ârèts (hemel en aarde). Tenach (11): (1) Gn 14,19. (2) Gn 14,22. (3) Ps 69,35. (4) Ps 115,15. (5) Ps 121,2. (6) Ps 124,8. (7) Ps 134,3. (8) Ps 146,6. (9) Jr 33,25. (10) Jr 51,48. (11) Jl 4,16.
- הַּשָׁמַיִם וְהָאָרֶץ = hasjsjâmajim wë´hâ´ârèts (de hemel en de aarde). Tenakh (1): Gn 1,4.

Ex 20,11.10. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief). Taalgebruik in Tenakh: ´eth (accusatief). getalswaarde: aleph = 1, thaw = 22 of 400 ; totaal: 23 OF 401 (priemgetal). Structuur: 1 - 4. Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet. Tenakh (5699). Pentateuch (2002). Eerdere Profeten (1661). Latere Profeten (860). 12 Kleine Profeten (207). Geschriften (967). Joz (231). Gn (525). Ex (473). Ex 20 (7): (1) Ex 20,1. (2) Ex 20,7. (3) Ex 20,8. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,18. (7).Ex 20,24.

Ex 20,11.11. הַּיָּם = hajjâm (de zee) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. יָם = jam. Tenakh (127). Pentateuch (28). Eerdere Profeten (19). Latere Profeten (36). 12 Kleine Profeten (19). Geschriften (25). Ex (12): (1) Ex 14,2. (2) Ex 14,9. (3) Ex 14,16. (4) Ex 14,21. (5) Ex 14,22. (6) Ex 14,23. (7) Ex 14,26. (8) Ex 14,27. (9) Ex 14,29. (10) Ex 14,30. (11) Ex 15,19. (12) Ex 20,11.

Ex 20,11.10. - 11. אֵת הַּיָּם = ´èth hajjâm (de zee).

Ex 20,11.12. וְאֶת / וְאִת = wë´èth / wë´eth < wë + ´eth / ´èth (accusatief). Taalgebruik in Tenakh: ´eth (accusatief). getalswaarde: aleph = 1, thaw = 22 of 400 ; totaal: 23 OF 401 (priemgetal). Structuur: 1 - 4. Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet. Tenakh (1417). Pentateuch (519). Eerdere Profeten (393). Latere Profeten (235). 12 Kleine Profeten (29). Geschriften (241). Gn (138). Ex (126). Ex 20 (4): (1) Ex 20,11. (2) Ex 20,12. (3) Ex 20,18. (4) Ex 20,24.

Ex 20,11.13. כל = kl (al). Taalgebruik in Tenakh: kl (al). getalswaarde: kaph = 11 of 20, lamed = 12 of 30 ; totaal: 23 OF 50 (2 X 5²). Structuur: 2 - 3. Tenakh (2709). Pentateuch (824). Eerdere Profeten (584). Latere Profeten (505). 12 Kleine Profeten (104). Geschriften (692). Ex (159). Ex 20 (4): (1) Ex 20,1. (2) Ex 20,9. (3) Ex 20,10. (4) Ex 20,11.

Ex 20,11.12. - 15. = wë'èth kâl 'äsjèr bâm (en al wat erin). Tenakh (2): (1) Ex 20,11. (2) Ps 146,6.

Ex 20,11.1. - 15. Dit versdeel verwijst naar Gn 1: de schepping. In Gn 1 wordt aangegeven wat op elke dag geschapen wordt, tot en met de 6de dag. De schepping gebeurde dus gedurende 6 dagen. Het volgende versdeel verwijst naar Gn 2,1-4a: het ophouden van het scheppen op de 7de dag.

Ex 20,11.16. וַיָּנַח = wajjânach (en hij rustte) < prefix voegwoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk.. Zie: נוח = nwh (rusten, achter-, verlaten). Taalgebruik in Tenakh: nwh (achter-, verlaten). getalswaarde: nun = 14 of 50, waw = 6, chet = 8 ; totaal: 28 (2³ X 7) OF 64 (2³ X 2³). Structuur: 5 - 6 - 8. De som van de elementen is telkens 1.

Ex 20,11.17. - 18. - הַשְּׁביעִי בַּיּוֹם = bajjôm hasjsjëbhî`î (op de zevende dag). Tenakh (24): (1) Gn 2,2. (2) Ex 16,27. (3) Ex 16,29. (4) Ex 20,11. (5) Ex 24,16. (6) Lv 13,5. (7) Lv 13,6. (8) Lv 13,27. (9) Lv 13,32. (10) Lv 13,34. (11) Lv 13,51. (12) Lv 14,9. (13) Lv 14,39. (14) Lv 23,8.
- הַשְּׁבִיעִי וּבַיּוֹם = ûbhajjôm hasjsjëbhî`î (en op de zevende dag). Tenakh (16): (1) Ex 12,16. (2) Ex 13,6. (3) Ex 16,26. (4) Ex 23,12. (5) Ex 31,15. (6) Ex 31,17. (7) Ex 34,21. (8) Ex 35,2. (9) Lv 23,3. (10) Nu 19,12. (11) Nu 19,19. (12) Nu 28,25. (13) Nu 29,32. (14) Nu 31,19. (15) Dt 16,8. (16) Joz 6,4.

Ex 20,11.21. - 26. Ex 20,11b vormt met Ex 20,8 de buitenste kring van de concentrisch opgebouwde pericope Ex 20,8-11. Literair verwijst Ex 20,11b nog sterker naar Gn 2,3. In Ex 20,11b zegent JHWH de sjabbatdag en heiligde hem. In Gn 2,3 lazen we: en God zegende de 7de dag en heiligde hem. b

Ex 20,11.21. act. piël perf. 3de pers. mann. enk. בֵּרַךְ = berakh (hij zegende). Zie het werkw. בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen). Taalgebruik in Tenakh: bârakh (zegenen, loven, prijzen). Getalswaarde: beth = 2, resj = 20 of 200, kaf = 11 of 20. Totaal: 33 (3 X 11) OF 222 (6 X 37) of (2 X 111) of (10 X 17) + (2 X 26). Structuur: 2 - 2 - 2. De som van de elementen is telkens 6. 222 is de som van twee produkten met de getalswaarde van JHWH.
- Grieks. ευλογεω = eulogeô (goed spreken, loven, prijzen). Taalgebruik in het NT: eulogeô (goed spreken, loven, prijzen). Taalgebruik in de Septuaginta: eulogeô (goed spreken, loven, prijzen). Taalgebruik in Mc: eulogeô (goed spreken, loven, prijzen). Taalgebruik in Lc: eulogeô (goed spreken, loven, prijzen). Taalgebruik in Hnd: eulogeô (goed spreken, loven, prijzen). Een vorm van ευλογεω = eulogeô in de LXX (516), in het NT (42).
- Ned.: zegenen < signare (tekenen), het signum (teken) van het kruis slaan. Arabisch: بَارَكَ = bâraka (zegenen). Taalgebruik in de Qoran: bâraka (zegenen). D.: segnen. E.: to bless. Fr.: bénir. Gr.: ευλογεω = eulogeô (goed spreken, loven, prijzen). Taalgebruik in het NT: eulogeô (goed spreken, loven, prijzen). Hebreeuws: בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen). Taalgebruik in Tenakh: bârakh (zegenen, loven, prijzen). Lat.: benedicere.

Ex 20,11.22. יהוה = JHWH. Eigennaam van God. Taalgebruik in Tenach: JHWH. Taalgebruik in Exodus: JHWH. getalswaarde: jod = 10, he = 5, waw = 6. Totaal: 26. Structuur: 1 - 5 - 6 - 5. Tenach (5193). Pentateuch (1326). Eerdere Profeten (1013). Latere Profeten (1357). 12 Kleine Profeten (387). Geschriften (1110). Ex (299). Ex 20 (6): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,5. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,22. Dt 5 (17): (1) Dt 5,2. (2) Dt 5,3. (3) Dt 5,4. (4) Dt 5,5. (5) Dt 5,6. (6) Dt 5,9. (7) Dt 5,11. (8) Dt 5,12. (9) Dt 5,15. (10) Dt 5,16. (11) Dt 5,22. (12) Dt 5,24. (13) Dt 5,25. (14) Dt 5,27. (15) Dt 5,28. (16) Dt 5,32. (17) Dt 5,33.

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Ex 20 Dt 5
´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 31 0 7 29 3 3
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 287 413 6 17

- Grieks. κυριος = kurios (heer). Taalgebruik in het NT: kurios (heer). Taalgebruik in de LXX: kurios (heer). Een vorm van κυριος = kurios (heer) in de LXX (8591), in het NT (718).
- Ned.: Heer. Arabisch: رَب = rabb (God, Heer). Taalgebruik in de Qoran: rabb (God, Heer). Aramees: יוי = JWJ. D.: Herr. E.: Lord. Fr.: seigneur. Grieks: κυριος = kurios (heer). Taalgebruik in het NT: kurios (heer). Hebreeuws: יהוה = JHWH. Taalgebruik in Tenakh: JHWH. Latijn: Dominus. (Eerste medeklinker Gr. k, Ned. + D. h ; tweede medeklinker: Gr. + Ned. + D.: r ).
- Sabbah Messod & Roger, Les secrets de l'Exode, Jean-Cyrille Godefroy, 2000, p.93-96. Op deze blz. wordt een verband tussen anokhi Adonai (ik de Heer) en farao Achnaton gelegd. De uitspraak van JHWH is Adonai, waarin we het Egyptische Aton, de zonneschijf, zien.

Ex 20,11.21. - 22. בֵּרַךְ יהוה = berakh JHWH (JHWH (JHWH zegende). Tenakh (3): (1) Ex 20,11. (2) 2 S 6,12. (3) Js 61,9.

Ex 20,11.23. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief). Taalgebruik in Tenakh: ´eth (accusatief). getalswaarde: aleph = 1, thaw = 22 of 400 ; totaal: 23 OF 401 (priemgetal). Structuur: 1 - 4. Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet. Tenakh (5699). Pentateuch (2002). Eerdere Profeten (1661). Latere Profeten (860). 12 Kleine Profeten (207). Geschriften (967). Joz (231). Gn (525). Ex (473). Ex 20 (7): (1) Ex 20,1. (2) Ex 20,7. (3) Ex 20,8. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,18. (7).Ex 20,24.

Ex 20,11.24. יוֹם = jôm (dag). Taalgebruik in Tenakh: jôm (dag). Taalgebruik in Js: jôm (dag). Taalgebruik in Am: jôm (dag). Taalgebruik in Mi: jôm (dag). getalswaarde: jod = 10, waw = 6, mem = 13 of 40 ; totaal: 29 OF 56 (2³ X 7). Structuur: 1 - 6 - 4. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (209). Pentateuch (76). Eerdere Profeten (23). Latere Profeten (33). 12 Kleine Profeten (24). Geschriften (53). Pentateuch (76). Gn (23). Ex (14). Lv (11). Nu (17). Dt (11).
- Grieks: ἡμερα = hèmera (dag). Taalgebruik in de Septuaginta: hèmera (dag). Taalgebruik in het NT: hèmera (dag).
- Ned.: dag. Arabisch: يَوم = jaum (dag). Taalgebruik in de Qoran: dag (jaum). D.: Tag. E.: day. F.: jour < Lat. diurnum. Cfr journaal. Grieks: ἡμερα = hèmera (dag). Taalgebruik in het NT: hèmera (dag). Lat.: dies. Hebreeuws: יוֹם = jôm (dag). Taalgebruik in Tenakh: jôm (dag).

Ex 20,11.23. - 24. אֶת יוֹם = ´èth jôm (dag). Tenakh (16). Pentateuch (6): (1) Gn 2,3. (2) Ex 20,8. (3) Ex 20,11. (4) Dt 5,12. (5) Dt 5,15. (6) Dt 16,3.
- אֶת יוֹם = ´èth jôm (dag) komt in Ex 20,8 op de 2de plaats voor na Gn 2,3. Hiermee is direct een link gelegd tussen Ex 20,8 en Gn 2,3.

Ex 20,11.25. הַשַּׁבָּת = sjâbbath (sabbat) < prefix bepaald lidw. + zelfst. naamw.. Taalgebruik in Tenakh: sj-b-th. getalswaarde: sjin = 21 of 300, beth = 2, thaw = 22 of 400 ; totaal: 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13). Structuur: 3 - 2 - 4. De som van de elementen is telkens 9.Taalgebruik in Tenakh: sj-b-th. getalswaarde: sjin = 21 of 300, beth = 2, thaw = 22 of 400 ; totaal: 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13). Structuur: 3 - 2 - 4. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (39). Pentateuch (15): (1) Ex 16,29. (2) Ex 20,8. (3) Ex 20,11. (4) Ex 31,14. (5) Ex 31,15. (6) Ex 31,16. (7) Ex 35,3. (8) Lv 23,11. (9) Lv 23,15. (10) Lv 23,16. (11) Lv 24,8. (12) Nu 15,32. (13) Nu 28,9. (14) Dt 5,12. (15) Dt 5,15.
- zelfst. naamw. שַׁבָּת = sjâbbath (sabbat). Zie: sj-b-th. Taalgebruik in Tenakh: sj-b-th. getalswaarde: sjin = 21 of 300, beth = 2, thaw = 22 of 400 ; totaal: 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13). Structuur: 3 - 2 - 4. De som van de elementen is telkens 9. Stat. constructus. Tenakh (11): (1) Ex 16,23. (2) Ex 31,15. (3) Ex 35,2. (4) Lv 16,31. (5) Lv 23,3. (6) Lv 23,32. (7) Lv 25,4. (8) Lv 25,6. (9) Nu 28,10. (10) Neh 9,14. (11) 1 Kr 9,32.
- In Gn 2,1-4a wordt het werkw. שָׁבַת = sjâbath (ophouden, stoppen, rusten, vieren) gebruikt. Hier wordt nog niet het woord sjabbât gebruikt.

Ex 20,11.23. - 25. אֶת יוֹם הַשַּׁבָּת = ´èth jôm hasjabbâth (de sabbatdagdag). Tenakh (9): (1) Ex 20,8. (2) Ex 20,11. (3) Dt 5,12. (4) Dt 5,15. (5) Jr 17,22. (6) Jr 17,24. (7) Jr 17,27. (8) Neh 13,17. (9) Neh 13,22. In Tenakh eveneens 9X zonder אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief).
- בְּיוֹם הַשַּׁבָּת = bëjôm sjâbbath (op sabbatdag). Tenakh (13): (1) Ex 31,15. (2) Ex 35,3. (3) Lv 24,8 (2X). (4) Nu 15,32. (5) Jr 17,21. (6) Jr 17,22. (7) Jr 17,24. (8) Jr 17,27. (9) Ez 46,4. (10) Ez 45,12. (11) Neh 10,32. (12) Neh 13,15. (13) Neh 13,19.
- אֶת יוֹם הַשְּׁבִיעִי = ´èth jôm hasjsjëbhî`î (de zevende dag). Tenakh (1): Gn 2,3.

Ex 20,11.26. וַיְקַדּשִׁהוּ = wajëqaddësjehû (en hij heiligde hem) < prefix voegwoord wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk.. Tenakh (2): (1) Ex 20,11. (2) Lv 8,15.
- לְקַדְּשׁוֹ = leqaddësjô (om hem te heiligen) < prefix voorzetsel lë + werkw. piël inf. constr. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk.. Zie het werkw. קָדַשׁ = qâdasj (heiligen). Taalgebruik in Tenakh: qâdasj (heiligen). getalswaarde: qoph = 19 of 100, daleth = 4, sjin = 21 of 300 ; totaal: 44 (2² X 11) OF 404 (2² X 101). Structuur: 1 - 4 - 3. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (5): (1) Ex 20,8. (2) Ex 28,3. (3) Ex 29,36. (4) Lv 8,12. (5) Dt 5,12.
- וַיְקַדֵּשׁ אֹתוֹ = wajëqaddesj 'othô (en hij heiligde hem). Tenakh (2): (1) Gn 2,3. (2) Nu 7,1.
- In Gn 2,3 heiligde God de 7de dag. Volgens Ex 20,8 is dit het fundament waarom de mens de 7de dag moet heiligen.
- Ex 20,8-11 is concentrisch opgebouwd. Ex 20,8a en Ex 20,11b vormt de buitenste kring. In Ex 20,11b zegent JHWH de sjabbatdag en heiligde hem. In Gn 2,3 lazen we: en God zegende de 7de dag en heiligde hem.


Ex 20,12 - Ex 20,12: de tien geboden -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,1 - Ex 20,2 - Ex 20,3 - Ex 20,4 - Ex 20,5 - Ex 20,6 - Ex 20,7 - Ex 20,8 - Ex 20,9 - Ex 20,10 - Ex 20,11 - Ex 20,12 - Ex 20,13 - Ex 20,14 - Ex 20,15 - Ex 20,16 - Ex 20,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12tima ton patera sou kai tèn mètera ina eu soi genètai kai ina makrochronios genè epi tès gès tès agathès ès kurios o theos sou didôsin soi  12 honora patrem tuum et matrem tuam ut sis longevus super terram quam Dominus Deus tuus dabit tibi     12 Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft. [12] Eer* uw vader en uw moeder. Dan zult u lang leven op de grond die de heer uw God u schenkt. [12] Toon eerbied voor uw vader en uw moeder. Dan wordt u gezegend met een lang leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal. 20:12 Eer je vader en je moeder; opdat je dagen lang mogen worden op de bloedrode grond die de Ene, God-over-jou, aan jou geeft! •• 12. Honore ton père et ta mère, afin que se prolongent tes jours sur la terre que te donne Yahvé ton Dieu.

King James Bible. [12] Honour thy father and thy mother: that thy days may be long upon the land which the LORD thy God giveth thee.
Luther-Bibel. 12 Du sollst deinen Vater und deine Mutter ehren, auf dass du lange lebest in dem Lande, das dir der HERR, dein Gott, geben wird.

Tekstuitleg van Ex 20,12. Het vers Ex 20,12 telt 15 (3 X 5) woorden en 53 letters. De getalswaarde van Ex 20,12 is 2783 (11² X 23).

1. act. piël imperatief 2de pers. mann. enk. כַּבּד = kabbed (eer) van het werkw. כָּבַד = kâbhad (zwaar zijn). nifal: verheerlijkt worden. Taalgebruik in Tenakh: kâbhad (zwaar zijn). getalswaarde: kaph = 11 of 20, beth = 2, daleth = 4 ; totaal: 17 OF 26. Structuur: 2 - 2 - 4. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (4): (1) Ex 20,12. (2) Nu 24,11. (3) Dt 5,16. (4) Spr 3,9.

3. אָבִיךָ = ´âbhîkhâ (jouw vader) < stat. constr. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk.. Zie אַב = ´abh (vader). Taalgebruik in Tenakh: ´abh (vader). getalswaarde: alèph = 1, beth = 2 ; totaal 3. Structuur: 1 - 2. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (96). Ex (2): (1) Ex 3,6. (2) Ex 20,12.

2. - 3.

Ex 20,12.11. אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) OF persoonsnaam אָשֶׁר = ´âsjer (Aser). Taalgebruik in Tenakh: ´äsjèr (die). getalswaarde van ´äsjèr (die): aleph = 1, sjin = 21 of 300, resj = 20 of 200 ; totaal: 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167). Structuur: 1 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (4012). Pentateuch (1378). Eerdere Profeten (1114). Latere Profeten (717). 12 Kleine Profeten (106). Geschriften (697). Ex (217). Ex 20 (10): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,4. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,10. (5) Ex 20,11. (6) Ex 20,12. (7) Ex 20,17. (8) Ex 20,21. (9) Ex 20,24. (10) Ex 20,26.

Ex 20,12.12. יהוה = JHWH. Eigennaam van God. Taalgebruik in Tenach: JHWH. Taalgebruik in Exodus: JHWH. getalswaarde: jod = 10, he = 5, waw = 6. Totaal: 26. Structuur: 1 - 5 - 6 - 5. Tenach (5193). Pentateuch (1326). Eerdere Profeten (1013). Latere Profeten (1357). 12 Kleine Profeten (387). Geschriften (1110). Ex (299). Ex 20 (6): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,5. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,22.

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt
´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 31 0 7 29
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 287 413

- Grieks. κυριος = kurios (heer). Taalgebruik in het NT: kurios (heer). Taalgebruik in de LXX: kurios (heer). Een vorm van κυριος = kurios (heer) in de LXX (8591), in het NT (718).
- Ned.: Heer. Arabisch: رَب = rabb (God, Heer). Taalgebruik in de Qoran: rabb (God, Heer). Aramees: יוי = JWJ. D.: Herr. E.: Lord. Fr.: seigneur. Grieks: κυριος = kurios (heer). Taalgebruik in het NT: kurios (heer). Hebreeuws: יהוה = JHWH. Taalgebruik in Tenakh: JHWH. Latijn: Dominus. (Eerste medeklinker Gr. k, Ned. + D. h ; tweede medeklinker: Gr. + Ned. + D.: r ).
- Sabbah Messod & Roger, Les secrets de l'Exode, Jean-Cyrille Godefroy, 2000, p.93-96. Op deze blz. wordt een verband tussen anokhi Adonai (ik de Heer) en farao Achnaton gelegd. De uitspraak van JHWH is Adonai, waarin we het Egyptische Aton, de zonneschijf, zien.

Ex 20,12.11. - 12. אֲשֶׁר יהוה = ´äsjèr JHWH (die/dat JHWH). Tenakh (47). Ex (1): Ex 20,12. Dt (40): (1) Dt 1,20. (2) Dt 1,25. (3) Dt 2,29. (4) Dt 3,20. (5) Dt 4,1. (6) Dt 4,21. (7) Dt 4,40. (8) Dt 5,16. (9) Dt 7,16. (10) Dt 8,20. (11) Dt 11,12. (12) Dt 11,17. (13) Dt 11,31. (14) Dt 12,9. (15) Dt 12,10. (16) Dt 13,13. (17) Dt 15,4. (18) Dt 15,7. (19) Dt 16,5. (20) Dt 16,18. (21) Dt 16,20. (22) Dt 17,2. (23) Dt 17,14. (24) Dt 18,9. (25) Dt 19,1. (26) Dt 19,2. (27) Dt 19,10. (28) Dt 19,14. (29) Dt 20,16. (30) Dt 21,1. (31) Dt 21,23. (32) Dt 24,4. (33) Dt 25,15. (34) Dt 25,19. (35) Dt 26,1. (36) Dt 26,2. (37) Dt 27,2. (38) Dt 27,3. (39) Dt 28,8. (40) Dt 29,11.

Ex 20,12.13. אֱלֹהֶיךָ = ´êlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (je God) < stat. constr. mann. mv. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk.. Zie: אֱלֹהִים = ´èlohîm (God). Taalgebruik in Tenakh: ´èlohîm (God). getalswaarde: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal: 41 of 86 (2 X 43). Structuur: 1 - 3 -5 -1 - 4. De som van de elementen is telkens 5. De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl. getalswaarde is: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld). Structuur: 1 - 3. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (299). Pentateuch (216). Eerdere Profeten (28). Latere Profeten (25). 12 Kleine Profeten (14). Geschriften (16). Ex (11): (1) Ex 15,26. (2) Ex 20,2. (3) Ex 20,5. (4) Ex 20,7. (5) Ex 20,10. (6) Ex 20,12. (7) Ex 23,19. (8) Ex 32,4. (9) Ex 32,8. (10) Ex 34,24. (11) Ex 34,26. Dt (199).
- Grieks. θεος = theos (God) . Taalgebruik in het NT: theos (God). Taalgebruik in de LXX: theos (God). Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984), in het NT (1314).
- Ned.: God. Arabisch: اَللە = ´allah (Allah). Taalgebruik in de Qoran: ´allah (Allah). In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven). D.: Gott. E.: God. Fr.: dieu. De vloek dju. Grieks: θεος = theos (God) . Taalgebruik in het NT: theos (God). Hebreeuws: אֱלֹהִים = ´èlohîm (God). Taalgebruik in Tenakh: ´èlohîm (God).
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen: goden. Als collectief zouden we kunnen vertalen: god. Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden. Onder goden kan / kunnen zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn.
- De Godsnaam JHWH wordt veelvuldiger dan de naam ´èlohîm (god) gebruikt. Vergelijk maar: יהוה = JHWH. Eigennaam van God. Taalgebruik in Tenakh: JHWH. getalswaarde: jod = 10, he = 5, waw = 6. Totaal: 26. Structuur: 1 - 5 - 6 - 5. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (5193). Pentateuch (1326). Eerdere Profeten (1013). Latere Profeten (1357). 12 Kleine Profeten (387). Geschriften (1110). Gn (128). Ex (299). Lv (199). Nu (287). Dt (413). In Gn: ´èlohîm (god) (140), de Godsnaam JHWH (128), vooral in Gn 1-25. Ex 20 (6): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,5. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,22.

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt
´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 31 0 7 29
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 287 413

Ex 20,12.12. - 13. יְהוָה אֱלֹהֶיךָ = JHWH ´êlohè(j)khâ (JHWH, je God). Tenakh (231). Gn (1): Gn 27,20. Ex (8): (1) Ex 15,26. (2) Ex 20,2. (3) Ex 20,5. (4) Ex 20,7. (5) Ex 20,12. (6) Ex 23,19. (7) Ex 34,24. (8) Ex 34,26.

Ex 20,12.11. - 13. אֲשֶׁר יהוה אֱלֹהֶיךָ = ´äsjèr JHWH ´êlohè(j)khâ (die/dat JHWH, jouw God). Tenakh (32). Ex (1): Ex 20,12. Dt (31).

Ex 20,12.11. - 14. אֲשֶׁר יהוה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן= ´äsjèr JHWH ´êlohè(j)khâ nothen (die/dat JHWH, jouw God gevende). Tenakh (30). Ex (1): Ex 20,12. Dt (29).

Ex 20,12.14. - 15. נֹתֵן לָך = nothen lâkh (gevende jou). Eveneens Tenakh (14), zie hieronder.

Ex 20,12.12. - 15. יהוה אֱלֹהֶךָ נֹתֵן לָך = JHWH ´êlohe(j)khâ nothen lâkh (JHWH je God je gevende). Tenakh (14): (1) Ex 20,12. (2) Dt 5,16. (3) Dt 7,16. (4) Dt 12,9. (5) Dt 15,7. (6) Dt 16,5. (7) Dt 16,20. (8) Dt 17,2. (9) Dt 17,14. (10) Dt 18,9. (11) Dt 25,15. (12) Dt 26,2. (13) Dt 27,2. (14) Dt 28,8.

Ex 20,12.9. - 15. עַל הָאֲדָמָה אֲשֶׁר יהוה אֱלֹהֶךָ נֹתֵן לָך = `al hâ´ädâmâh ´äsjèr JHWH ´êlohè(j)khâ nothen lâkh (op de grond die/dat JHWH, jouw God gevende aan jou). Tenakh (4): (1) Ex 20,12. (2) Dt 4,40 (variante lezing). (3) Dt 5,16. (4) Dt 25,15.

Ex 20,13 - Ex 20,13: de tien geboden -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,1 - Ex 20,2 - Ex 20,3 - Ex 20,4 - Ex 20,5 - Ex 20,6 - Ex 20,7 - Ex 20,8 - Ex 20,9 - Ex 20,10 - Ex 20,11 - Ex 20,12 - Ex 20,13 - Ex 20,14 - Ex 20,15 - Ex 20,16 - Ex 20,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13ou moicheuseis  13 non occides    13 Gij zult niet doodslaan. [13] U zult niet doden*. [13] Pleeg geen moord. 20:13 Níet doodslaan zul je; •• 13. Tu ne tueras pas.

King James Bible. [13] Thou shalt not kill.
Luther-Bibel. 13 Du sollst nicht töten.

Tekstuitleg van Ex 20,13.

1. לֹא = lo´(niet). Taalgebruik in Tenakh: lo´(niet). getalswaarde: lamed = 12 of 30, aleph = 1 ; totaal: 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld). De getalswaarde van לֹא = lo´ is de helft van de getalswaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2. Tenakh (2767). Pentateuch (801). Eerdere Profeten (456). Latere Profeten (611). 12 Kleine Profeten (150). Geschriften (749). Structuur: 3 - 1. De som van de elementen is telkens 4. Ex (145). Ex 20 (13): (1) Ex 20,3. (2) Ex 20,4. (3) Ex 20,5. (4) Ex 20,7. (5) Ex 20,10. (6) Ex 20,13. (7) Ex 20,14. (8) Ex 20,15. (9) Ex 20,16. (10) Ex 20,17. (11) Ex 20,23. (12) Ex 20,25. (13) Ex 20,26.

JHWH wordt gezien als de god die zich het volk Israël heeft verworven. Hij bezit en bestuurt. Het is dus meer dan een theocratie. Het bestuur van het volk wordt in een verbond gegoten. De geboden worden niet gezien als afspraken tussen autonome mensen, maar als een gebod / verbod van de godheid. Het gebod om niet te doden betreft het volk dat JHWH zich heeft toegeëigend. Niet iemand van het volk komt het toe om iemand te doden, dat komt alleen aan God toe via een wetgeving, die gezien wordt als komend van God.
Dit zijn natuurlijk menselijke opvattingen. Ze hebben Israël tot een volk gesmeed en gekneed. Bestuurders zagen zich niet als goden. Want de godheid overspant de tijd. Niet de ruimte. Maar bestuurders moesten wel wetten maken. Wetten die tot het welzijn van het volk zouden strekken.
- Vanuit dit denken is het ook begrijpelijk dat de inheemse bevolking van Kanaän en al wat erbij hoorde moest vernietigd worden, want het behoorde toe aan JHWH en de volkeren hadden wellicht voordien onrechtmatig bezit van dat land genomen. Het strijdtoneel van mensen wordt geprojecteerd als een strijdtoneel van goden.


Ex 20,14 - Ex 20,14: de tien geboden -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,1 - Ex 20,2 - Ex 20,3 - Ex 20,4 - Ex 20,5 - Ex 20,6 - Ex 20,7 - Ex 20,8 - Ex 20,9 - Ex 20,10 - Ex 20,11 - Ex 20,12 - Ex 20,13 - Ex 20,14 - Ex 20,15 - Ex 20,16 - Ex 20,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14ou klepseis  14 non moechaberis    14 Gij zult niet echtbreken. [14] U zult geen echtbreuk plegen. [14] Pleeg geen overspel. 20:14 níet echtbreken zul je; •• 14. Tu ne commettras pas d'adultère.

King James Bible. [14] Thou shalt not commit adultery.
Luther-Bibel. 14 Du sollst nicht ehebrechen.

Tekstuitleg van Ex 20,14.

1. לֹא = lo´(niet). Taalgebruik in Tenakh: lo´(niet). Getalswaarde: lamed = 12 of 30, aleph = 1 ; totaal: 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld). De getalswaarde van לֹא = lo´ is de helft van de getalswaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2. Tenakh (2767). Pentateuch (801). Eerdere Profeten (456). Latere Profeten (611). 12 Kleine Profeten (150). Geschriften (749). Structuur: 3 - 1. De som van de elementen is telkens 4. Ex (145). Ex 20 (13): (1) Ex 20,3. (2) Ex 20,4. (3) Ex 20,5. (4) Ex 20,7. (5) Ex 20,10. (6) Ex 20,13. (7) Ex 20,14. (8) Ex 20,15. (9) Ex 20,16. (10) Ex 20,17. (11) Ex 20,23. (12) Ex 20,25. (13) Ex 20,26.

Ex 20,15 - Ex 20,15: de tien geboden -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,1 - Ex 20,2 - Ex 20,3 - Ex 20,4 - Ex 20,5 - Ex 20,6 - Ex 20,7 - Ex 20,8 - Ex 20,9 - Ex 20,10 - Ex 20,11 - Ex 20,12 - Ex 20,13 - Ex 20,14 - Ex 20,15 - Ex 20,16 - Ex 20,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15ou foneuseis 15 non furtum facies    15 Gij zult niet stelen. [15] U zult niet stelen. [15] Steel niet. 20:15 níet stelen zul je en •• 15. Tu ne voleras pas.

King James Bible. [15] Thou shalt not steal.
Luther-Bibel. 15 Du sollst nicht stehlen.

Tekstuitleg van Ex 20,15.

15. לֹא = lo´(niet). Taalgebruik in Tenakh: lo´(niet). getalswaarde: lamed = 12 of 30, aleph = 1 ; totaal: 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld). De getalswaarde van לֹא = lo´ is de helft van de getalswaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2. Tenakh (2767). Pentateuch (801). Eerdere Profeten (456). Latere Profeten (611). 12 Kleine Profeten (150). Geschriften (749). Structuur: 3 - 1. De som van de elementen is telkens 4. Ex (145). Ex 20 (13): (1) Ex 20,3. (2) Ex 20,4. (3) Ex 20,5. (4) Ex 20,7. (5) Ex 20,10. (6) Ex 20,13. (7) Ex 20,14. (8) Ex 20,15. (9) Ex 20,16. (10) Ex 20,17. (11) Ex 20,23. (12) Ex 20,25. (13) Ex 20,26.

Ex 20,16 - Ex 20,16: de tien geboden -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,1 - Ex 20,2 - Ex 20,3 - Ex 20,4 - Ex 20,5 - Ex 20,6 - Ex 20,7 - Ex 20,8 - Ex 20,9 - Ex 20,10 - Ex 20,11 - Ex 20,12 - Ex 20,13 - Ex 20,14 - Ex 20,15 - Ex 20,16 - Ex 20,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
16ou pseudomarturèseis kata tou plèsion sou marturian pseudè  16 non loqueris contra proximum tuum falsum testimonium   16 Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste. [16] U zult niet vals getuigen tegen uw naaste. [16] Leg over een ander geen vals getuigenis af. 20:16 níet antwoorden zul je over je naaste als een getuige die liegt!- 16. Tu ne porteras pas de témoignage mensonger contre ton prochain.

King James Bible. [16] Thou shalt not bear false witness against thy neighbour.
Luther-Bibel. 16 Du sollst nicht falsch Zeugnis reden wider deinen Nächsten.

Tekstuitleg van Ex 20,16.

16. לֹא = lo´(niet). Taalgebruik in Tenakh: lo´(niet). getalswaarde: lamed = 12 of 30, aleph = 1 ; totaal: 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld). De getalswaarde van לֹא = lo´ is de helft van de getalswaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2. Tenakh (2767). Pentateuch (801). Eerdere Profeten (456). Latere Profeten (611). 12 Kleine Profeten (150). Geschriften (749). Structuur: 3 - 1. De som van de elementen is telkens 4. Ex (145). Ex 20 (13): (1) Ex 20,3. (2) Ex 20,4. (3) Ex 20,5. (4) Ex 20,7. (5) Ex 20,10. (6) Ex 20,13. (7) Ex 20,14. (8) Ex 20,15. (9) Ex 20,16. (10) Ex 20,17. (11) Ex 20,23. (12) Ex 20,25. (13) Ex 20,26.

Ex 20,17 - Ex 20,17: de tien geboden -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,1 - Ex 20,2 - Ex 20,3 - Ex 20,4 - Ex 20,5 - Ex 20,6 - Ex 20,7 - Ex 20,8 - Ex 20,9 - Ex 20,10 - Ex 20,11 - Ex 20,12 - Ex 20,13 - Ex 20,14 - Ex 20,15 - Ex 20,16 - Ex 20,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
17ouk epithumèseis tèn gunaika tou plèsion sou ouk epithumèseis tèn oikian tou plèsion sou oute ton agron autou oute ton paida autou oute tèn paidiskèn autou oute tou boos autou oute tou upozugiou autou oute pantos ktènous autou oute osa tô plèsion sou estin  17 non concupisces domum proximi tui nec desiderabis uxorem eius non servum non ancillam non bovem non asinum nec omnia quae illius sunt     17 Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is. [17] U zult uw zinnen niet zetten op het huis van uw naaste; u zult uw zinnen niet zetten op de vrouw van uw naaste, niet op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, op niets wat hem toebehoort.' [17] Zet uw zinnen niet op het huis van een ander, en evenmin op zijn vrouw, op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.' 20:17 níet begeren zul je het huis van je naaste; niet begeren zul je de vrouw van je naaste, zijn dienaar, zijn slavin, zijn os, zijn ezel, ja, al wat van je naaste is! • 17. Tu ne convoiteras pas la maison de ton prochain. Tu ne convoiteras pas la femme de ton prochain, ni son serviteur, ni sa servante, ni son bœuf, ni son âne, rien de ce qui est à ton prochain. »

King James Bible. [17] Thou shalt not covet thy neighbour's house, thou shalt not covet thy neighbour's wife, nor his manservant, nor his maidservant, nor his ox, nor his ass, nor any thing that is thy neighbour's.
Luther-Bibel. 17 Du sollst nicht begehren deines Nächsten Haus. Du sollst nicht begehren deines Nächsten Frau, Knecht, Magd, Rind, Esel noch alles, was dein Nächster hat.

Tekstuitleg van Ex 20,17.

1. לֹא = lo´(niet). Taalgebruik in Tenakh: lo´(niet). getalswaarde: lamed = 12 of 30, aleph = 1 ; totaal: 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld). De getalswaarde van לֹא = lo´ is de helft van de getalswaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2. Tenakh (2767). Pentateuch (801). Eerdere Profeten (456). Latere Profeten (611). 12 Kleine Profeten (150). Geschriften (749). Structuur: 3 - 1. De som van de elementen is telkens 4. Ex (145). Ex 20 (13): (1) Ex 20,3. (2) Ex 20,4. (3) Ex 20,5. (4) Ex 20,7. (5) Ex 20,10. (6) Ex 20,13. (7) Ex 20,14. (8) Ex 20,15. (9) Ex 20,16. (10) Ex 20,17. (11) Ex 20,23. (12) Ex 20,25. (13) Ex 20,26.

3. stat. constr. בֵּית = be(j)th van het zelfst. naamw. בַּיִּת = bajith (huis). Taalgebruik in Tenakh: bajith (huis). Getalswaarde: beth = 2, jod = 10, thaw = 22 of 400 ; totaal: 34 (2 X 17) OF 412 (2² X 103). Structuur: 2 - 1 - 4. De som van de elementen is telkens 7. Ex (7): (1) Ex 6,14. (2) Ex 12,30. (3) Ex 16,31. (4) Ex 20,17. (5) Ex 23,19. (6) Ex 34,26. (7) Ex 40,38.

7. אֲשֶׁר = ´äsjèr (die). Taalgebruik in Tenakh: ´äsjèr (die). getalswaarde: aleph = 1, sjin = 21 of 300, resj = 20 of 200 ; totaal: 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167). Structuur: 1 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (4012). Pentateuch (1378). Eerdere Profeten (1114). Latere Profeten (717). 12 Kleine Profeten (106). Geschriften (697). Ex (217). Ex 20 (10): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,4. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,10. (5) Ex 20,11. (6) Ex 20,12. (7) Ex 20,17. (8) Ex 20,21. (9) Ex 20,24. (10) Ex 20,26.

9. w-`-b-d-w: (1) wë`âbhëdû / wë`âbhâdû (en zij zullen dienen) < prefix verbindingswoord wë + act. qal perf. 3de pers. mann. mv. ; (2) wë`ibhëdû (en dient) < prefix verbindingswoord wë + act. qal imperatief 2de pers. mann. mv. ; (3) wë`äbhâdô (en hij zal hem dienen) < prefix verbindingswoord wë + act. qal perf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. ; (4) wë`abhëdô (en zijn dienaar) < prefix verbindingswoord wë + zelfst. naamw. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. (5) wë`abhëdâw (en zijn dienaren) < prefix verbindingswoord wë + zelfst. naamw. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. Tenakh (19): (1) Ex 10,11. (2) Ex 20,17. (3) Ex 21,6. (4) Nu 4,26. (5) Dt 5,21. (6) Dt 7,4. (7) Joz 24,14. (8) 2 K 25,24. (9) Js 19,21. (10) Js 19,23. (11) Jr 22,4. (12) Jr 25,11. (13) Jr 27,7. (14) Jr 27,11. (15) Jr 27,12. (16) Jr 30,9. (17) Jr 40,9. (18) Ezr 6,16. (19) 2 Kr 30,8.

14. אֲשֶׁר = ´äsjèr (die). Taalgebruik in Tenakh: ´äsjèr (die). getalswaarde: aleph = 1, sjin = 21 of 300, resj = 20 of 200 ; totaal: 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167). Structuur: 1 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (4012). Pentateuch (1378). Eerdere Profeten (1114). Latere Profeten (717). 12 Kleine Profeten (106). Geschriften (697). Ex (217). Ex 20 (10): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,4. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,10. (5) Ex 20,11. (6) Ex 20,12. (7) Ex 20,17. (8) Ex 20,21. (9) Ex 20,24. (10) Ex 20,26.



- Ex 20,18-21: De angst van het volk - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,18-21 -- Ex 20,18 - Ex 20,19 - Ex 20,20 - Ex 20,21 -

Ex 20,18 - Ex 20,18: De angst van het volk - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,18-21 -- Ex 20,18 - Ex 20,19 - Ex 20,20 - Ex 20,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
18kai pas o laos eôra tèn fônèn kai tas lampadas kai tèn fônèn tès salpiggos kai to oros to kapnizon fobèthentes de pas o laos estèsan makrothen  18 cunctus autem populus videbat voces et lampadas et sonitum bucinae montemque fumantem et perterriti ac pavore concussi steterunt procul     18 En al het volk zag de donderen, en de bliksemen, en het geluid der bazuin, en den rokenden berg; toen het volk zulks zag, weken zij af, en stonden van verre; De angst van het volk [18] Overweldigd door de donderslagen, de bliksemflitsen, het bazuingeschal en de rokende berg, beefde heel het volk van angst en bleef op een afstand staan. [18] Heel het volk was getuige van de donderslagen en lichtflitsen, het schallen van de ramshoorn en de rook die uit de berg kwam. Bij die aanblik deinsden ze achteruit, en ze bleven op grote afstand staan. 20:18 Heel de gemeente, ze zien het aan: de donderstemmen, de bliksemschichten, de stem van de ramshoorn en de rokende berg; de gemeente ziet dat, ze wankelen en gaan ver weg staan. 18. Tout le peuple, voyant ces coups de tonnerre, ces lueurs, ce son de trompe et la montagne fumante, eut peur et se tint à distance.

King James Bible. [18] And all the people saw the thunderings, and the lightnings, and the noise of the trumpet, and the mountain smoking: and when the people saw it, they removed, and stood afar off.
Luther-Bibel. 18Und alles Volk wurde Zeuge von dem Donner und Blitz und dem Ton der Posaune und dem Rauchen des Berges. Als sie aber solches sahen, flohen sie und blieben in der Ferne stehen

Tekstuitleg van Ex 20,18.

4. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief). Taalgebruik in Tenakh: ´eth (accusatief). getalswaarde: aleph = 1, thaw = 22 of 400 ; totaal: 23 OF 401 (priemgetal). Structuur: 1 - 4. Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet. Tenakh (5699). Pentateuch (2002). Eerdere Profeten (1661). Latere Profeten (860). 12 Kleine Profeten (207). Geschriften (967). Joz (231). Gn (525). Ex (473). Ex 20 (7): (1) Ex 20,1. (2) Ex 20,7. (3) Ex 20,8. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,18. (7).Ex 20,24.

14. wajjarë´ (en hij zag) - wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen). Het eerste is een qal actief imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud. Het tweede is een nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud. van het werkw. râ´âh (zien, verschijnen). Taalgebruik in Tenach: râ´âh (zien). getalswaarde: resj = 20 of 200, aleph = 1, he = 5 ; totaal: 26 of 206. Gr. horaô (zien). Taalgebruik in de Septuaginta: horaô (zien). Taalgebruik in het N.T.: horaô (zien). Lat. videre. Fr. voir. Ned. zien. E. to see. D. sehen. pass. Lat. apparere. Fr. apparaître. E. appear. Ned. verschijnen. D. erscheinen. Een vorm van horaô (zien, verschijnen) in het N.T. (114), in de LXX (1539). Tenach (162). Pentateuch (85). Ex (17): (1) Ex 2,11. (2) Ex 2,12. (3) Ex 2,25. (4) Ex 3,2. (5) Ex 3,4. (6) Ex 8,11. (7) Ex 9,34. (8) Ex 14,30. (9) Ex 14,31. (10) Ex 18,14. (11) Ex 20,18. (12) Ex 32,1. (13) Ex 32,5. (14) Ex 32,19. (15) Ex 32,25. (16) Ex 34,30. (17) Ex 39,43.

14. - 15. wajjarë´ hâ`âm (en het volk zag). Tenach (3): (1) Ex 20,18. (2) Ex 32,1. (3) 2 K 6,30.

Ex 20,19 - Ex 20,19: De angst van het volk - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,18-21 -- Ex 20,18 - Ex 20,19 - Ex 20,20 - Ex 20,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
19kai eipan pros môusèn lalèson su èmin kai mè laleitô pros èmas o theos mèpote apothanômen  19 dicentes Mosi loquere tu nobis et audiemus non loquatur nobis Dominus ne forte moriamur    19 En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven! [19] Ze vroegen aan Mozes: 'Spreekt ú toch met ons, wij zullen luisteren. Maar laat God niet tot ons spreken, want dan sterven* wij.' [19] Ze zeiden tegen Mozes: 'Spreekt u met ons, wij zullen naar u luisteren. Maar laat God niet met ons spreken, want dan sterven we.' 20:19 Ze zeggen tot Mozes: spreek gij met ons en we zullen horen; laat niet God met ons spreken, anders zullen we sterven! 19. Ils dirent à Moïse: « Parle-nous, toi, et nous t'écouterons ; mais que Dieu ne nous parle pas, car alors c'est la mort. »

King James Bible. [19] And they said unto Moses, Speak thou with us, and we will hear: but let not God speak with us, lest we die.
Luther-Bibel. 19und sprachen zu Mose: Rede du mit uns, wir wollen hören; aber lass Gott nicht mit uns reden, wir könnten sonst sterben.

Tekstuitleg van Ex 20,19.

11. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God). Taalgebruik in Tenakh: ´èlohîm (God). getalswaarde: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal: 41 of 86 (2 X 43). Structuur: 1 - 3 -5 -1 - 4. De som van de elementen is telkens 5. De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl. getalswaarde is: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld). Structuur: 1 - 3. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (299). Pentateuch (216). Eerdere Profeten (28). Latere Profeten (25). 12 Kleine Profeten (14). Geschriften (16). Gn (140). Ex (31). Lv (0). Nu (7). Dt (29). Ex (31). (1) Ex 1,20. (2) Ex 2,24. (3) Ex 2,25. (4) Ex 3,4. (5) Ex 3,14. (6) Ex 3,15. (7) Ex 6,2. (8) Ex 7,1. (9) Ex 8,15. (10) Ex 9,28. (11) Ex 9,30. (12) Ex 13,17. (13) Ex 13,18. (14) Ex 13,19. (15) Ex 18,1. (16) Ex 18,15. (17) Ex 18,19. (18) Ex 18,21. (19) Ex 18,23. (20) Ex 20,1. (21) Ex 20,3. (22) Ex 20,19. (23) Ex 22,8. (24) Ex 22,27. (25) Ex 23,13. (26) Ex 31,3. (27) Ex 31,18. (28) Ex 32,1. (29) Ex 32,16. (30) Ex 32,23. (31) Ex 35,31. Dt (29): (1) Dt 4,7. (2) Dt 4,28. (3) Dt 4,32. (4) Dt 4,33. (5) Dt 4,34. (6) Dt 5,7. (7) Dt 5,24. (8) Dt 5,26. (9) Dt 6,14. (10) Dt 7,4. (11) Dt 8,19. (12) Dt 9,10. (13) Dt 11,16. (14) Dt 11,28. (15) Dt 13,3. (16) Dt 13,7. (17) Dt 13,14. (18) Dt 17,3. (19) Dt 18,20. (20) Dt 21,23. (21) Dt 25,18. (22) Dt 28,14. (23) Dt 28,36. (24) Dt 28,64. (25) Dt 29,25. (26) Dt 31,18. (27) Dt 31,20. (28) Dt 32,17. (29) Dt 32,39.
- Grieks. θεος = theos (God) . Taalgebruik in het NT: theos (God). Taalgebruik in de LXX: theos (God). Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984), in het NT (1314).
- Ned.: God. Arabisch: اَللە = ´allah (Allah). Taalgebruik in de Qoran: ´allah (Allah). In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven). D.: Gott. E.: God. Fr.: dieu. De vloek dju. Grieks: θεος = theos (God) . Taalgebruik in het NT: theos (God). Hebreeuws: אֱלֹהִים = ´èlohîm (God). Taalgebruik in Tenakh: ´èlohîm (God).
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen: goden. Als collectief zouden we kunnen vertalen: god. Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden. Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn.
- De Godsnaam JHWH wordt veelvuldiger dan de naam ´èlohîm (god) gebruikt. Vergelijk maar: יהוה = JHWH. Eigennaam van God. Taalgebruik in Tenakh: JHWH. getalswaarde: jod = 10, he = 5, waw = 6. Totaal: 26. Structuur: 1 - 5 - 6 - 5. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (5193). Pentateuch (1326). Eerdere Profeten (1013). Latere Profeten (1357). 12 Kleine Profeten (387). Geschriften (1110). Gn (128). Ex (299). Lv (199). Nu (287). Dt (413). In Gn: ´èlohîm (god) (140), de Godsnaam JHWH (128), vooral in Gn 1-25. Ex 20 (6): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,5. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,22.

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt
´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 31 0 7 29
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 287 413
Ex 20,20 - Ex 20,20: De angst van het volk - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,18-21 -- Ex 20,18 - Ex 20,19 - Ex 20,20 - Ex 20,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
20kai legei autois môusès tharseite eneken gar tou peirasai umas paregenèthè o theos pros umas opôs an genètai o fobos autou en umin ina mè amartanète  20 et ait Moses ad populum nolite timere ut enim probaret vos venit Deus et ut terror illius esset in vobis et non peccaretis      20 En Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen, opdat Hij u verzocht, en opdat Zijn vreze voor uw aangezicht zou zijn, dat gij niet zondigdet. [20] Mozes antwoordde: 'Wees maar niet bang. Want God is gekomen om u op de proef te stellen. Hij wil dat u zó'n ontzag voor Hem krijgt dat u niet meer zondigt.' [20] Maar Mozes antwoordde: 'Wees niet bang, God is gekomen om u op de proef te stellen en u met ontzag voor hem te vervullen, zodat u niet meer zondigt.' 20:20 Mozes zegt tot de gemeente: vreest niet, want met het doel u te beproeven is God gekomen; en met het doel dat er vreze voor hem zal wezen op uw aanschijn, zodat ge niet zondigt! 20. Moïse dit au peuple: « Ne craignez pas. C'est pour vous mettre à l'épreuve que Dieu est venu, pour que sa crainte vous demeure présente et que vous ne péchiez pas. »

King James Bible. [20] And Moses said unto the people, Fear not: for God is come to prove you, and that his fear may be before your faces, that ye sin not.
Luther-Bibel. 20Mose aber sprach zum Volk: Fürchtet euch nicht, denn Gott ist gekommen, euch zu versuchen, damit ihr's vor Augen habt, wie er zu fürchten sei, und ihr nicht sündigt.

Tekstuitleg van Ex 20,20.

Ex 20,20.1. prefix voegwoord wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) van het werkw. דָבַר = dâbhar (spreken). Taalgebruik in Tenakh: dâbhar (spreken). getalswaarde: daleth = 4, beth = 2, resj = 20 of 200 ; totaal: 26 (2 X 13) OF 206 = (2 X 103). Structuur: 4 - 2 - 2. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (192 = 26 X 7). Pentateuch (140 = 20 X 7). Eerdere Profeten (34). Latere Profeten (9). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (8). Gn (16). Ex (20). Lv (40). Nu (57 = 3 X 19). Dt (7). Gn (16): (1) Gn 8,15. (2) Gn 17,3. (3) Gn 19,14. (4) Gn 20,8. (5) Gn 23,3. (6) Gn 23,8. (7) Gn 23,13. (8) Gn 34,3. (9) Gn 34,8. (10) Gn 41,9. (11) Gn 41,17. (12) Gn 42,7. (13) Gn 42,24. (14) Gn 44,6. (15) Gn 50,4. (16) Gn 50,21. Ex (20): (1) Ex 4,30. (2) Ex 6,2. (3) Ex 6,9. (4) Ex 6,10. (5) Ex 6,12. (6) Ex 6,13. (7) Ex 6,29. (8) Ex 13,1. (9) Ex 14,1. (10) Ex 16,11. (11) Ex 20,1. (12) Ex 25,1. (13) Ex 30,11. (14) Ex 30,17. (15) Ex 30,22. (16) Ex 31,1. (17) Ex 32,7. (18) Ex 33,1. (19) Ex 34,31. (20) Ex 40,1. Lv (40): (1) Lv 1,1. (2) Lv 4,1. (3) Lv 5,14. (4) Lv 5,20. (5) Lv 6,1. (6) Lv 6,12. (7) Lv 6,17. (8) Lv 7,22. (9) Lv 7,28. (10) Lv 8,1. (11) Lv 10,8. (12) Lv 10,12. (13) Lv 10,19. (14) Lv 11,1. (15) Lv 12,1. (16) Lv 13,1. (17) Lv 14,1. (18) Lv 14,33. (19) Lv 15,1. (20) Lv 16,1. (21) Lv 17,1. (22) Lv 18,1. (23) Lv 19,1. (24) Lv 20,1. (25) Lv 21,16. (26) Lv 21,24. (27) Lv 22,1. (28) Lv 22,17. (29) Lv 22,26. (30) Lv 23,1. (31) Lv 23,9. (32) Lv 23,23. (33) Lv 23,26. (34) Lv 23,33. (35) Lv 23,44. (36) Lv 24,1. (37) Lv 24,13. (38) Lv 24,23. (39) Lv 25,1. (40) Lv 27,1. Nu (59 = 3 X 19). Nu 6 (2): (1) Nu 6,1. (2) Nu 6,22. Dt (7): (1) Dt 2,17. (2) Dt 4,12. (3) Dt 27,9. (4) Dt 31,1. (5) Dt 31,30. (6) Dt 32,44. (7) Dt 32,48.
- De getalswaarde van וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) is: waw = 6, jod = 10 ; samen: 15 ; algemeen totaal: 26 + 16 = 42 (2 X 3 X 7) OF 206 + 16 = 222 (6 X 37 OF (10 X 17) + (2 X 26).
- In Ex 20,1 is het vervoegd werkw. vergezeld van het lijdend voorwerp met dezelfde stam als het werkw.. Bovendien is in Ex 20,1 nog een werkw. van 'zeggen' toegevoegd.
- Grieks: act. ind. aor. 3de pers. enk. ελαλησεν = elalèsen (hij sprak) van het werkw. λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten). Taalgebruik in het NT: laleô (lallen, spreken, praten). Taalgebruik in de LXX: laleô (lallen, spreken, praten). Gn (25). Ex (30). Lv (38). Nu (68). Dt (28). Ex (30): (1) Ex 4,30. (2) Ex 6,2. (3) Ex 6,9. (4) Ex 6,10. (5) Ex 6,12. (6) Ex 6,28. (7) Ex 6,29. (8) Ex 7,7. (9) Ex 7,13. (10) Ex 8,11. (11) Ex 8,15. (12) Ex 9,35. (13) Ex 12,25. (14) Ex 14,1. (15) Ex 16,11. (16) Ex 16,23. (17) Ex 20,1. (18) Ex 24,3. (19) Ex 24,7. (20) Ex 25,1. (21) Ex 30,11. (22) Ex 30,17. (23) Ex 30,22. (24) Ex 31,1. (25) Ex 32,7. (26) Ex 32,28. (27) Ex 33,1. (28) Ex 34,31. (29) Ex 34,32. (30) Ex 40,1.
-- και ελαλησεν = kai elalèsen (en hij sprak). LXX (187). NT (4).
-- ελαλησεν δε = elalèsen de (hij sprak echter). LXX (4). NT (1).
- De werkwoordvorm ειπεν = eipen (hij zei) komt veelvuldiger voor. Zie: act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in de LXX: legô (zeggen). Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610), in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608), in het NT (925). Gn (378). Ex (149). Lv (15). Nu (98). Dt (44).

  laleô  bijbel OT Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt   NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. elalèsen   431  400  189 106 39 11 38 25 30 38 68 28   31  13  19   
  act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen 3024  2426  684 985 234 63 309 378 149 15 98 44   598  118  56  223  114  75  397       

- Vulgaat. perf. deelw. locutus (gesproken) van het werkw. loqui (spreken). Bijbel (559). OT (503). NT (56). Ex (23).
-- locutusque (en gesproken). Bijbel (66).
- Ned.: spreken. Arabisch: تَكَلَمَ = takallama (spreken). Taalgebruik in de Qoran: takallama (spreken). D.: sprechen. E.: to speek. Fr.: parler. Grieks: λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten). Taalgebruik in het NT: laleô (lallen, spreken, praten). Hebreeuws: דָבַר = dâbhar (spreken). Taalgebruik in Tenakh: dâbhar (spreken). Lat.: loqui.
- De werkwoordvorm וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. אמר = ´-m-r (zeggen). Taalgebruik in Tenakh: ´âmar (zeggen). getalswaarde: aleph = 1, mem = 13 of 40, resj = 20 of 200 ; totaal: 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal). Structuur: 1 - 4 - 2. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (1879). Pentateuch (594). Eerdere Profeten (868). Latere Profeten (120). 12 Kleine Profeten (56). Geschriften (241). Gn (315). Ex (150). Lv (10). Nu (95). Dt (24). Gn 19 - 24 (11). Ex 19 (7): (1) Ex 19,9 (JHWH tot Mozes). (2) Ex 19,10 (JHWH tot Mozes). (3) Ex 19,15 (Mozes tot het volk). (4) Ex 19,21 (JHWH tot Mozes). (5) Ex 19,23 (Mozes tot JHWH). (6) Ex 19,24 (JHWH - tot Mozes - ). (7) Ex 19,25 (Mozes - tot het volk - ). Ex 20 (2): (1) Ex 20,20. (2) Ex 20,22. Ex 24 (2): (1) Ex 24,8. (2) Ex 24,12. Deze werkwoordvorm komt meer voor dan וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) behalve in Lv.

- και λεγει αυτοις = kai legei autois (en hij zegt hen). LXX (3): (1) Ex 20,20. (2) Ex 32,2. (3) Ex 32,27. NT (31). Slechts in de evangelies. Mt (9). Mc (14): (1) Mc 1,38. (2) Mc 3,4. (3) Mc 4,13. (4) Mc 4,35. (5) Mc 6,50.  (6) Mc 7,18. (7) Mc 9,35.  (8) Mc 10,11. (9) Mc 11,2. (10) Mc 12,16. (11) Mc 14,13. (12) Mc 14,27. (13) Mc 14,34. (14) Mc 14,41. Lc (1): Lc 24,36. Joh (7).
- και ελεγεν αυτοις = kai elegen autois (en hij zei hen). NT (13). Mc (12): (1) Mc 2,27. (2) Mc 4,2. (3) Mc 4,9. (4) Mc 4,11. (5) Mc 4,21. (6) Mc 4,24. (7) Mc 6,10. (8) Mc 7,9. (9) Mc 8,21. (10) Mc 9,1. (11) Mc 9,31. (12) Mc 12,38. Lc (1): Lc 6,5.
- ελαλει αυτοις = elalei autois (en hij sprak tot hen). LXX (1): Jdt 14,8. NT (6): (1) Mt 13,34. (2) Mc 2,2. (3) Mc 4,33. (4) Mc 4,34. (5) Lc 9,11. (6) Joh 10,6.
- και ειπεν προς αυτους = kai eipen pros autous (en hij zei tot hen). NT (= Lc) (8): (1) Lc 2,49. (2) Lc 3,14. (3) Lc 4,23. (4) Lc 8,22. (5) Lc 9,3. (6) Lc 11,5. (7) Lc 19,13. (8) Lc 22,15.
- ειπεν δε προς αυτους = eipen de pros autous (hij zei echter tot hen). NT (6): (1) Lc 9,13. (2) Lc 12,15. (3) Lc 15,3. (4) Lc 20,41. (5) Lc 24,17. (6) Hnd 1,7.
- και ειπεν αυτοις = kai eipen autois (en hij zei hen). NT (30). Slechts in de evangelies. Mt (3): (1) Mt 8,32. (2) Mt 9,15. (3) Mt 20,17. Mc (8): (1) Mc 1,17. (2) Mc 2,19. (3) Mc 4,40. (4) Mc 6,31. (5) Mc 9,29. (6) Mc 10,14. (7) Mc 14,24. (8) Mc 16,15. Lc (9): (1) Lc 2,10. (2) Lc 9,48. (3) Lc 13,22. (4) Lc 16,15. (5) Lc 22,35. (6) Lc 22,46. (7) Lc 24,19. (8) Lc 24,38. (9) Lc 24,46. Joh (10).
- ειπεν δε αυτοις = eipen de autois (hij zei echter aan hen). NT (7): (1) Lc 8,25. (2) Lc 9,20. (3) Lc 10,18. (4) Lc 11,2. (5) Lc 22,67. (6) Lc 24,44. (7) Joh 6,35.
- וַיּאֹמֶר לָהֶם = wajjo´mèr lâhèm (en hij zei hen).

Ex 20,20.6. act. ind. imperf. 2de pers. mann. enk. תִירָא = thîrâ´ (jij zult vrezen) van het werkw. יָרָא = jârâ´ (vrezen, eerbied hebben). Taalgebruik in Tenakh: jârâ´ (vrezen, eerbied hebben). getalswaarde: jod = 10, resj = 20 of 200, aleph = 1 ; totaal: 31 OF 211 (priemgetal). Structuur: 1 - 2 - 1. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (41). Dt (5): (1) Dt 1,21. (2) Dt 3,2. (3) Dt 6,2. (4) Dt 6,13. (5) Dt 10,20.

Ex 20,20.5. - 6. - תִירָא אַל = ´al thîrâ´ (vrees niet). Tenakh (38). Pentateuch (6): (1) Gn 15,1. (2) Gn 26,24. (3) Gn 46,3. (4) Nu 21,34. (5) Dt 1,21. (6) Dt 3,2.
- תִירָאוּ אַל = ´al thîrâ´û (vreest niet). Tenakh (11): (1) Gn 43,23. (2) Gn 50,19. (3) Gn 50,21. (4) Ex 14,13. (5) Ex 20,20. (6) 1 S 12,20. (7) 2 S 13,28. (8) Js 35,4. (9) Hag 2,5. (10) Zach 8,13. (11) Zach 8,15
- μη φοβεισθε = mè fobeisthe (vreest niet). NT (8): (1) Mt 14,27. (2) Mt 17,7. (3) Mt 28,5. (4) Mt 28,10. (5) Mc 6,50. (6) Lc 2,10. (7) Lc 12,7. (8) Joh 6,20.
- Tharseite (hebt goede moed). Het komt in 12 verzen in de bijbel voor. In 9 verzen in het O.T., Vaak is het vertaling van het Hebreeuwse ´al th(j)iraa´u (latijn: nolite timere, vreest niet). (1) Ex 14,13. (2) Ex 20,20. (10) Mt 14,27. (11) Mc 6,50. (12) Joh 16,33.Het Hebreeuwse ´al th(j)iraa´u (latijn: nolite timere, vrees niet) komt in Tenach in 38 verzen voor. Meestal wordt het vertaald door mè fobeisthe (vreest niet). In de bijbel komt fobeisthe in 34 verzen voor; in 23 verzen in het O.T. en in 11 verzen in het N.T.; in 6 verzen bij Matteüs, in 1 vers bij Marcus, in 2 verzen bij Lucas, in Joh 6,20 en in 1 Pe 2,17.

Ex 20,20.7. כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik in Tenakh: kî (want, omdat). getalswaarde: kaph = 11 of 20, jod = 10 ; totaal: 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5). Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (3849). Pentateuch (884). Eerdere Profeten (726). Latere Profeten (841). 12 Kleine Profeten (241). Geschriften (1157). Gn (251). Ex (167). Ex 20 (6): (1) Ex 20,5. (2) Ex 20,7. (3) Ex 20,11. (4) Ex 20,20. (5) Ex 20,22. (6) Ex 20,25..
- כִּי = kî (want, omdat) < een woord met 1 medeklinker. De lange î is î gebleven omdat het een proclitisch woord is. Proclitisch wil zeggen dat een eenlettergrepig onbeklemtoond woord wordt gehecht aan het volgende (Lettinga(6) 13d).
- Grieks: γαρ = gar (want). Taalgebruik in het NT: gar (want). Taalgebruik in de LXX: gar (want).
- Ned.: want. D.: denn. Fr.: car. Grieks: γαρ = gar (want). Taalgebruik in het NT: gar (want). Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik in Tenakh: kî (want, omdat) . Lat.: enim.


Ex 20,21 - Ex 20,21: De angst van het volk - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,18-21 -- Ex 20,18 - Ex 20,19 - Ex 20,20 - Ex 20,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
21eistèkei de o laos makrothen môusès de eisèlthen eis ton gnofon ou èn o theos  21 stetitque populus de longe Moses autem accessit ad caliginem in qua erat Deus    21 En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, alwaar God was. [21] Terwijl het volk op een afstand bleef staan, ging Mozes de donkere wolk in waar God was. [21] En terwijl het volk op een afstand bleef staan, ging Mozes naar de donkere wolk waarin God aanwezig was. Regels en wetten 20:21 De gemeente blijft van verre staan; Mozes is de mistdonkerte in getreden waarin God is. • 21. Le peuple se tint à distance et Moïse s'approcha de la nuée obscure où était Dieu.

King James Bible. [21] And the people stood afar off, and Moses drew near unto the thick darkness where God was.
Luther-Bibel. 21So stand das Volk von ferne, aber Mose nahte sich dem Dunkel, darinnen Gott war. Vom rechten Gottesdienst in Israel

Tekstuitleg van Ex 20,21.

8. אֲשֶׁר = ´äsjèr (die). Taalgebruik in Tenakh: ´äsjèr (die). getalswaarde: aleph = 1, sjin = 21 of 300, resj = 20 of 200 ; totaal: 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167). Structuur: 1 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (4012). Pentateuch (1378). Eerdere Profeten (1114). Latere Profeten (717). 12 Kleine Profeten (106). Geschriften (697). Ex (217). Ex 20 (10): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,4. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,10. (5) Ex 20,11. (6) Ex 20,12. (7) Ex 20,17. (8) Ex 20,21. (9) Ex 20,24. (10) Ex 20,26.



- Ex 20,22-26: Voorschriften voor de eredienst - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,18-21 -- Ex 20,22-26 -- Ex 20,22 - Ex 20,23 - Ex 20,24 - Ex 20,25 - Ex 20,26 -

Ex 20,22 - Ex 20,22: Voorschriften voor de eredienst - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,18-21 -- Ex 20,22-26 -- Ex 20,22 - Ex 20,23 - Ex 20,24 - Ex 20,25 - Ex 20,26 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22eipen de kurios pros môusèn tade ereis tô oikô iakôb kai anaggeleis tois uiois israèl umeis eôrakate oti ek tou ouranou lelalèka pros umas 22 dixit praeterea Dominus ad Mosen haec dices filiis Israhel vos vidistis quod de caelo locutus sum vobis    22 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: Gij hebt gezien, dat Ik met ulieden van den hemel gesproken heb. Rechtsregels [22] Toen* sprak de heer tot Mozes: 'Zeg tegen de Israëlieten het volgende: U hebt gezien hoe Ik vanuit de hemel tot u gesproken heb. [22] De HEER droeg Mozes op het volgende tegen de Israëlieten te zeggen: 'Jullie zijn er getuige van geweest dat ik vanuit de hemel tot jullie heb gesproken. 20:22 Dan zegt de Ene tot Mozes: zó zul je zeggen tot de zonen Israëls: zelf hebt ge gezien dat ik vanuit de hemelen met u heb gesproken; 22. Yahvé dit à Moïse: « Tu parleras ainsi aux Israélites: Vous avez vu vous-mêmes comment je vous ai parlé du haut du ciel.

King James Bible. [22] And the LORD said unto Moses, Thus thou shalt say unto the children of Israel, Ye have seen that I have talked with you from heaven.
Luther-Bibel. 22Und der HERR sprach zu ihm: So sollst du den Israeliten sagen: Ihr habt gesehen, dass ich mit euch vom Himmel geredet habe.

Tekstuitleg van Ex 20,22.

2. יהוה = JHWH. Eigennaam van God. Taalgebruik in Tenach: JHWH. Taalgebruik in Exodus: JHWH. getalswaarde: jod = 10, he = 5, waw = 6. Totaal: 26. Structuur: 1 - 5 - 6 - 5. Tenach (5193). Pentateuch (1326). Eerdere Profeten (1013). Latere Profeten (1357). 12 Kleine Profeten (387). Geschriften (1110). Ex (299). Ex 20 (6): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,5. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,22. Dt 5 (17): (1) Dt 5,2. (2) Dt 5,3. (3) Dt 5,4. (4) Dt 5,5. (5) Dt 5,6. (6) Dt 5,9. (7) Dt 5,11. (8) Dt 5,12. (9) Dt 5,15. (10) Dt 5,16. (11) Dt 5,22. (12) Dt 5,24. (13) Dt 5,25. (14) Dt 5,27. (15) Dt 5,28. (16) Dt 5,32. (17) Dt 5,33.

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Ex 20 Dt 5
´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 31 0 7 29 3 3
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 287 413 6 17

- Grieks. κυριος = kurios (heer). Taalgebruik in het NT: kurios (heer). Taalgebruik in de LXX: kurios (heer). Een vorm van κυριος = kurios (heer) in de LXX (8591), in het NT (718).
- Ned.: Heer. Arabisch: رَب = rabb (God, Heer). Taalgebruik in de Qoran: rabb (God, Heer). Aramees: יוי = JWJ. D.: Herr. E.: Lord. Fr.: seigneur. Grieks: κυριος = kurios (heer). Taalgebruik in het NT: kurios (heer). Hebreeuws: יהוה = JHWH. Taalgebruik in Tenakh: JHWH. Latijn: Dominus. (Eerste medeklinker Gr. k, Ned. + D. h ; tweede medeklinker: Gr. + Ned. + D.: r ).
- Sabbah Messod & Roger, Les secrets de l'Exode, Jean-Cyrille Godefroy, 2000, p.93-96. Op deze blz. wordt een verband tussen anokhi Adonai (ik de Heer) en farao Achnaton gelegd. De uitspraak van JHWH is Adonai, waarin we het Egyptische Aton, de zonneschijf, zien.

12. כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik in Tenakh: kî (want, omdat). getalswaarde: kaph = 11 of 20, jod = 10 ; totaal: 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5). Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (3849). Pentateuch (884). Eerdere Profeten (726). Latere Profeten (841). 12 Kleine Profeten (241). Geschriften (1157). Gn (251). Ex (167). Ex 20 (6): (1) Ex 20,5. (2) Ex 20,7. (3) Ex 20,11. (4) Ex 20,20. (5) Ex 20,22. (6) Ex 20,25.
- כִּי = kî (want, omdat) < een woord met 1 medeklinker. De lange î is î gebleven omdat het een proclitisch woord is. Proclitisch wil zeggen dat een eenlettergrepig onbeklemtoond woord wordt gehecht aan het volgende (Lettinga(6) 13d).
- Grieks: γαρ = gar (want). Taalgebruik in het NT: gar (want). Taalgebruik in de LXX: gar (want).
- Ned.: want. D.: denn. Fr.: car. Grieks: γαρ = gar (want). Taalgebruik in het NT: gar (want). Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik in Tenakh: kî (want, omdat) . Lat.: enim.

Ex 20,23 - Ex 20,23: Voorschriften voor de eredienst - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,18-21 -- Ex 20,22-26 -- Ex 20,22 - Ex 20,23 - Ex 20,24 - Ex 20,25 - Ex 20,26 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23ou poièsete eautois theous argurous kai theous chrusous ou poièsete umin autois  23 non facietis mecum deos argenteos nec deos aureos facietis vobis     23 Gij zult nevens Mij niet maken zilveren goden, en gouden goden zult gij u niet maken. [23] U mag naast mij geen goden van zilver maken. Ook goden van goud mag u niet maken. [23] Je mag daarom geen goden van zilver of goud maken om die naast mij te vereren. 20:23 níets zult ge maken naast mij; goden van zilver en goden van goud zult ge u níet maken; 23. Vous ne ferez pas à côté de moi des dieux d'argent, et des dieux d'or vous ne vous en ferez pas.

King James Bible. [23] Ye shall not make with me gods of silver, neither shall ye make unto you gods of gold.
Luther-Bibel. 23Darum sollt ihr euch keine andern Götter neben mir machen, weder silberne noch goldene sollt ihr euch machen.

Tekstuitleg van Ex 20,23.

8. לֹא = lo´(niet). Taalgebruik in Tenakh: lo´(niet). getalswaarde: lamed = 12 of 30, aleph = 1 ; totaal: 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld). De getalswaarde van לֹא = lo´ is de helft van de getalswaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2. Tenakh (2767). Pentateuch (801). Eerdere Profeten (456). Latere Profeten (611). 12 Kleine Profeten (150). Geschriften (749). Structuur: 3 - 1. De som van de elementen is telkens 4. Ex (145). Ex 20 (13): (1) Ex 20,3. (2) Ex 20,4. (3) Ex 20,5. (4) Ex 20,7. (5) Ex 20,10. (6) Ex 20,13. (7) Ex 20,14. (8) Ex 20,15. (9) Ex 20,16. (10) Ex 20,17. (11) Ex 20,23. (12) Ex 20,25. (13) Ex 20,26.

9. act. ind. imperf. 2de pers. mv. תַעֲשֹוּ = tha`äshû (jullie zullen doen) van het werkw. עָשָׂה = `âshâh (maken, doen). Taalgebruik in Tenakh: `âshâh (maken). getalswaarde: ajin = 16 of 70, shin = 21 of 300, he = 5 ; totaal: 42 (2 X 3 X 7) OF 375 (3 X 5³). Structuur: 7 - 3 - 5. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (37). Ex (3): (1) Ex 20,23. (2) Ex 30,32. (3) Ex 30,37. Lv (18). Nu (8). Dt (2). Andere (6).

8. - 9. 30/37.

Ex 20,24 - Ex 20,24: Voorschriften voor de eredienst - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,18-21 -- Ex 20,22-26 -- Ex 20,22 - Ex 20,23 - Ex 20,24 - Ex 20,25 - Ex 20,26 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
24thusiastèrion ek gès poièsete moi kai thusete ep' autou ta olokautômata kai ta sôtèria umôn ta probata kai tous moschous umôn en panti topô ou ean eponomasô to onoma mou ekei kai èxô pros se kai eulogèsô se  24 altare de terra facietis mihi et offeretis super eo holocausta et pacifica vestra oves vestras et boves in omni loco in quo memoria fuerit nominis mei veniam ad te et benedicam tibi     24 Maakt Mij een altaar van aarde, en offert daarop uw brandofferen, en uw dankofferen, uw schapen, en uw runderen; aan alle plaats, waar Ik Mijns Naams gedachtenis stichten zal, zal Ik tot u komen, en zal u zegenen. [24] U moet voor Mij een altaar maken van aarde. Daarop kunt u brand-* en meeloffers, schapen en runderen opdragen. Op elke heilige plaats waar Ik mijn naam zal openbaren, zal Ik naar u toe komen en u zegenen. [24] Maak voor mij een altaar van aarde, en slacht daarop je schapen, geiten en runderen voor de brandoffers en vredeoffers. Op elke plaats waar ik mijn naam wil laten noemen, zal ik naar jullie toe komen en je zegenen. 20:24 een offerplaats van bloedrode grond zul je voor mij maken, en offeren zul je daarop je opgangsgaven en je vredesgaven, je wolvee en je ploegvee; in elk oord waar ik mijn naam doe gedenken zal ik dan tot je komen en je zegenen; 24. Tu me feras un autel de terre sur quoi immoler tes holocaustes et tes sacrifices de communion, ton petit et ton gros bétail. En tout lieu où je rappellerai mon nom, je viendrai à toi et je te bénirai.

King James Bible. [24] An altar of earth thou shalt make unto me, and shalt sacrifice thereon thy burnt offerings, and thy peace offerings, thy sheep, and thine oxen: in all places where I record my name I will come unto thee, and I will bless thee.
Luther-Bibel. 24Einen Altar von Erde mache mir, auf dem du dein Brandopfer und Dankopfer, deine Schafe und Rinder, opferst. An jedem Ort, wo ich meines Namens gedenken lasse, da will ich zu dir kommen und dich segnen.

Tekstuitleg van Ex 20,24.

7. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief). Taalgebruik in Tenakh: ´eth (accusatief). getalswaarde: aleph = 1, thaw = 22 of 400 ; totaal: 23 OF 401 (priemgetal). Structuur: 1 - 4. Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet. Tenakh (5699). Pentateuch (2002). Eerdere Profeten (1661). Latere Profeten (860). 12 Kleine Profeten (207). Geschriften (967). Joz (231). Gn (525). Ex (473). Ex 20 (7): (1) Ex 20,1. (2) Ex 20,7. (3) Ex 20,8. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,18. (7).Ex 20,24.

11. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief). Taalgebruik in Tenakh: ´eth (accusatief). getalswaarde: aleph = 1, thaw = 22 of 400 ; totaal: 23 OF 401 (priemgetal). Structuur: 1 - 4. Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet. Tenakh (5699). Pentateuch (2002). Eerdere Profeten (1661). Latere Profeten (860). 12 Kleine Profeten (207). Geschriften (967). Joz (231). Gn (525). Ex (473). Ex 20 (7): (1) Ex 20,1. (2) Ex 20,7. (3) Ex 20,8. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,18. (7).Ex 20,24.

17. אֲשֶׁר = ´äsjèr (die). Taalgebruik in Tenakh: ´äsjèr (die). getalswaarde: aleph = 1, sjin = 21 of 300, resj = 20 of 200 ; totaal: 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167). Structuur: 1 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (4012). Pentateuch (1378). Eerdere Profeten (1114). Latere Profeten (717). 12 Kleine Profeten (106). Geschriften (697). Ex (217). Ex 20 (10): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,4. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,10. (5) Ex 20,11. (6) Ex 20,12. (7) Ex 20,17. (8) Ex 20,21. (9) Ex 20,24. (10) Ex 20,26.

19. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief). Taalgebruik in Tenakh: ´eth (accusatief). getalswaarde: aleph = 1, thaw = 22 of 400 ; totaal: 23 OF 401 (priemgetal). Structuur: 1 - 4. Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet. Tenakh (5699). Pentateuch (2002). Eerdere Profeten (1661). Latere Profeten (860). 12 Kleine Profeten (207). Geschriften (967). Joz (231). Gn (525). Ex (473). Ex 20 (7): (1) Ex 20,1. (2) Ex 20,7. (3) Ex 20,8. (4) Ex 20,11. (5) Ex 20,12. (6) Ex 20,18. (7).Ex 20,24.

Ex 20,25 - Ex 20,25: Voorschriften voor de eredienst - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,18-21 -- Ex 20,22-26 -- Ex 20,22 - Ex 20,23 - Ex 20,24 - Ex 20,25 - Ex 20,26 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
25ean de thusiastèrion ek lithôn poiès moi ouk oikodomèseis autous tmètous to gar egcheiridion sou epibeblèkas ep' autous kai memiantai 25 quod si altare lapideum feceris mihi non aedificabis illud de sectis lapidibus si enim levaveris cultrum tuum super eo polluetur   25 Maar indien gij Mij een stenen altaar zult maken, zo zult gij dit niet bouwen van gehouwen steen; zo gij uw houwijzer daarover verheft, zo zult gij het ontheiligen. [25] Als u voor Mij een stenen altaar bouwt, maak het dan niet van behouwen steen. Door de stenen met een beitel te bewerken, ontwijdt u ze. [25] Als je voor mij een stenen altaar wilt bouwen, gebruik dan geen gehouwen stenen, want door de stenen met een beitel te bewerken ontwijd je ze. 20:25 en als je een offerplaats van stenen voor mij maakt, dan zul je ze niet gehouwen opbouwen, want als jij je zwaard daarover zwaait zul je het ontwijden; 25. Si tu me fais un autel de pierre, ne le bâtis pas de pierres taillées, car, en le travaillant au ciseau, tu le profanerais.

King James Bible. [25] And if thou wilt make me an altar of stone, thou shalt not build it of hewn stone: for if thou lift up thy tool upon it, thou hast polluted it.
Luther-Bibel. 25Und wenn du mir einen steinernen Altar machen willst, sollst du ihn nicht von behauenen Steinen bauen; denn wenn du mit deinem Eisen darüber kommst, so wirst du ihn entweihen.

Tekstuitleg van Ex 20,25.

Ex 20,26 - Ex 20,26: Voorschriften voor de eredienst - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Ex (Exodus) -- Ex 20 - Ex 20,1-17 -- Ex 20,18-21 -- Ex 20,22-26 -- Ex 20,22 - Ex 20,23 - Ex 20,24 - Ex 20,25 - Ex 20,26 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
26ouk anabèsè en anabathmisin epi to thusiastèrion mou opôs an mè apokalupsès tèn aschèmosunèn sou ep' autou   26 non ascendes per gradus ad altare meum ne reveletur turpitudo tua     26 Gij zult ook niet met trappen tot Mijn altaar opklimmen, opdat uw schaamte voor hetzelve niet ontdekt worde. [26] Mijn altaar mag geen altaar zijn dat u langs treden beklimt, want daarbij zou men uw schaamte kunnen zien. [26] En breng geen treden aan, want als je daarlangs omhoog zou gaan, zou men je geslachtsdelen zien.' 20:26 en beklim niet over klimtrappen mijn offerplaats, opdat je naaktheid niet daarop wordt onthuld! 26. Et tu ne monteras pas à mon autel par des marches pour n'y pas laisser voir ta nudité.

King James Bible. [26] Neither shalt thou go up by steps unto mine altar, that thy nakedness be not discovered thereon.
Luther-Bibel. 26Du sollst auch nicht auf Stufen zu meinem Altar hinaufsteigen, dass nicht deine Blöße aufgedeckt werde vor ihm.

Tekstuitleg van Ex 20,26.

6. אֲשֶׁר = ´äsjèr (die). Taalgebruik in Tenakh: ´äsjèr (die). getalswaarde: aleph = 1, sjin = 21 of 300, resj = 20 of 200 ; totaal: 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167). Structuur: 1 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (4012). Pentateuch (1378). Eerdere Profeten (1114). Latere Profeten (717). 12 Kleine Profeten (106). Geschriften (697). Ex (217). Ex 20 (10): (1) Ex 20,2. (2) Ex 20,4. (3) Ex 20,7. (4) Ex 20,10. (5) Ex 20,11. (6) Ex 20,12. (7) Ex 20,17. (8) Ex 20,21. (9) Ex 20,24. (10) Ex 20,26.


- Hebreeuwse tekst

 א  וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים, אֵת כָּל-הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה לֵאמֹר.  {ס}  1 And God spoke all these words, saying: {S} 
 ב  אָנֹכִי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ, אֲשֶׁר הוֹצֵאתִיךָ מֵאֶרֶץ מִצְרַיִם מִבֵּית עֲבָדִים:  לֹא-יִהְיֶה לְךָ אֱלֹהִים אֲחֵרִים, עַל-פָּנָי.  2 I am the LORD thy God, who brought thee out of the land of Egypt, out of the house of bondage. Thou shalt have no other gods before Me. 
 ג  לֹא-תַעֲשֶׂה לְךָ פֶסֶל, וְכָל-תְּמוּנָה, אֲשֶׁר בַּשָּׁמַיִם מִמַּעַל, וַאֲשֶׁר בָּאָרֶץ מִתָּחַת--וַאֲשֶׁר בַּמַּיִם, מִתַּחַת לָאָרֶץ.  3 Thou shalt not make unto thee a graven image, nor any manner of likeness, of any thing that is in heaven above, or that is in the earth beneath, or that is in the water under the earth; 
 ד  לֹא-תִשְׁתַּחֲוֶה לָהֶם, וְלֹא תָעָבְדֵם:  כִּי אָנֹכִי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ, אֵל קַנָּא--פֹּקֵד עֲו‍ֹן אָבֹת עַל-בָּנִים עַל-שִׁלֵּשִׁים וְעַל-רִבֵּעִים, לְשֹׂנְאָי.  4 thou shalt not bow down unto them, nor serve them; for I the LORD thy God am a jealous God, visiting the iniquity of the fathers upon the children unto the third and fourth generation of them that hate Me; 
 ה  וְעֹשֶׂה חֶסֶד, לַאֲלָפִים--לְאֹהֲבַי, וּלְשֹׁמְרֵי מִצְו‍ֹתָי.  {ס}  5 and showing mercy unto the thousandth generation of them that love Me and keep My commandments. {S} 
 ו  לֹא תִשָּׂא אֶת-שֵׁם-יְהוָה אֱלֹהֶיךָ, לַשָּׁוְא:  כִּי לֹא יְנַקֶּה יְהוָה, אֵת אֲשֶׁר-יִשָּׂא אֶת-שְׁמוֹ לַשָּׁוְא.  {פ}  6 Thou shalt not take the name of the LORD thy God in vain; for the LORD will not hold him guiltless that taketh His name in vain. {P} 
 ז  זָכוֹר אֶת-יוֹם הַשַּׁבָּת, לְקַדְּשׁוֹ.  7 Remember the sabbath day, to keep it holy. 
 ח  שֵׁשֶׁת יָמִים תַּעֲבֹד, וְעָשִׂיתָ כָּל-מְלַאכְתֶּךָ.  8 Six days shalt thou labour, and do all thy work; 
 ט  וְיוֹם, הַשְּׁבִיעִי--שַׁבָּת, לַיהוָה אֱלֹהֶיךָ:  לֹא-תַעֲשֶׂה כָל-מְלָאכָה אַתָּה וּבִנְךָ וּבִתֶּךָ, עַבְדְּךָ וַאֲמָתְךָ וּבְהֶמְתֶּךָ, וְגֵרְךָ, אֲשֶׁר בִּשְׁעָרֶיךָ.  9 but the seventh day is a sabbath unto the LORD thy God, in it thou shalt not do any manner of work, thou, nor thy son, nor thy daughter, nor thy man-servant, nor thy maid-servant, nor thy cattle, nor thy stranger that is within thy gates; 
 י  כִּי שֵׁשֶׁת-יָמִים עָשָׂה יְהוָה אֶת-הַשָּׁמַיִם וְאֶת-הָאָרֶץ, אֶת-הַיָּם וְאֶת-כָּל-אֲשֶׁר-בָּם, וַיָּנַח, בַּיּוֹם הַשְּׁבִיעִי; עַל-כֵּן, בֵּרַךְ יְהוָה אֶת-יוֹם הַשַּׁבָּת--וַיְקַדְּשֵׁהוּ.  {ס}  10 for in six days the LORD made heaven and earth, the sea, and all that in them is, and rested on the seventh day; wherefore the LORD blessed the sabbath day, and hallowed it. {S} 
 יא  כַּבֵּד אֶת-אָבִיךָ, וְאֶת-אִמֶּךָ--לְמַעַן, יַאֲרִכוּן יָמֶיךָ, עַל הָאֲדָמָה, אֲשֶׁר-יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָךְ.  {ס}  11 Honour thy father and thy mother, that thy days may be long upon the land which the LORD thy God giveth thee. {S} 
 יב  לֹא תִרְצָח,  {ס}  לֹא תִנְאָף;  {ס}  לֹא תִגְנֹב,  {ס}  לֹא-תַעֲנֶה בְרֵעֲךָ עֵד שָׁקֶר.  {ס}  12 Thou shalt not murder. {S} Thou shalt not commit adultery. {S} Thou shalt not steal. {S} Thou shalt not bear false witness against thy neighbour. {S} 
 יג  לֹא תַחְמֹד, בֵּית רֵעֶךָ;  {ס}  לֹא-תַחְמֹד אֵשֶׁת רֵעֶךָ, וְעַבְדּוֹ וַאֲמָתוֹ וְשׁוֹרוֹ וַחֲמֹרוֹ, וְכֹל, אֲשֶׁר לְרֵעֶךָ.  {פ}  13 Thou shalt not covet thy neighbour's house; {S} thou shalt not covet thy neighbour's wife, nor his man-servant, nor his maid-servant, nor his ox, nor his ass, nor any thing that is thy neighbour's. {P} 
 יד  וְכָל-הָעָם רֹאִים אֶת-הַקּוֹלֹת וְאֶת-הַלַּפִּידִם, וְאֵת קוֹל הַשֹּׁפָר, וְאֶת-הָהָר, עָשֵׁן; וַיַּרְא הָעָם וַיָּנֻעוּ, וַיַּעַמְדוּ מֵרָחֹק.  14 And all the people perceived the thunderings, and the lightnings, and the voice of the horn, and the mountain smoking; and when the people saw it, they trembled, and stood afar off. 
 טו  וַיֹּאמְרוּ, אֶל-מֹשֶׁה, דַּבֵּר-אַתָּה עִמָּנוּ, וְנִשְׁמָעָה; וְאַל-יְדַבֵּר עִמָּנוּ אֱלֹהִים, פֶּן-נָמוּת.  15 And they said unto Moses: 'Speak thou with us, and we will hear; but let not God speak with us, lest we die.' 
 טז  וַיֹּאמֶר מֹשֶׁה אֶל-הָעָם, אַל-תִּירָאוּ, כִּי לְבַעֲבוּר נַסּוֹת אֶתְכֶם, בָּא הָאֱלֹהִים; וּבַעֲבוּר, תִּהְיֶה יִרְאָתוֹ עַל-פְּנֵיכֶם--לְבִלְתִּי תֶחֱטָאוּ.  16 And Moses said unto the people: 'Fear not; for God is come to prove you, and that His fear may be before you, that ye sin not.' 
 יז  וַיַּעֲמֹד הָעָם, מֵרָחֹק; וּמֹשֶׁה נִגַּשׁ אֶל-הָעֲרָפֶל, אֲשֶׁר-שָׁם הָאֱלֹהִים.  {ס}  17 And the people stood afar off; but Moses drew near unto the thick darkness where God was. {S} 
 יח  וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל-מֹשֶׁה, כֹּה תֹאמַר אֶל-בְּנֵי יִשְׂרָאֵל:  אַתֶּם רְאִיתֶם--כִּי מִן-הַשָּׁמַיִם, דִּבַּרְתִּי עִמָּכֶם.  18 And the LORD said unto Moses: Thus thou shalt say unto the children of Israel: Ye yourselves have seen that I have talked with you from heaven. 
 יט  לֹא תַעֲשׂוּן, אִתִּי:  אֱלֹהֵי כֶסֶף וֵאלֹהֵי זָהָב, לֹא תַעֲשׂוּ לָכֶם.  19 Ye shall not make with Me--gods of silver, or gods of gold, ye shall not make unto you. 
 כ  מִזְבַּח אֲדָמָה, תַּעֲשֶׂה-לִּי, וְזָבַחְתָּ עָלָיו אֶת-עֹלֹתֶיךָ וְאֶת-שְׁלָמֶיךָ, אֶת-צֹאנְךָ וְאֶת-בְּקָרֶךָ; בְּכָל-הַמָּקוֹם אֲשֶׁר אַזְכִּיר אֶת-שְׁמִי, אָבוֹא אֵלֶיךָ וּבֵרַכְתִּיךָ.  20 An altar of earth thou shalt make unto Me, and shalt sacrifice thereon thy burnt-offerings, and thy peace-offerings, thy sheep, and thine oxen; in every place where I cause My name to be mentioned I will come unto thee and bless thee. 
 כא  וְאִם-מִזְבַּח אֲבָנִים תַּעֲשֶׂה-לִּי, לֹא-תִבְנֶה אֶתְהֶן גָּזִית:  כִּי חַרְבְּךָ הֵנַפְתָּ עָלֶיהָ, וַתְּחַלְלֶהָ.  21 And if thou make Me an altar of stone, thou shalt not build it of hewn stones; for if thou lift up thy tool upon it, thou hast profaned it. 
 כב  וְלֹא-תַעֲלֶה בְמַעֲלֹת, עַל-מִזְבְּחִי:  אֲשֶׁר לֹא-תִגָּלֶה עֶרְוָתְךָ, עָלָיו.  {פ}  22 Neither shalt thou go up by steps unto Mine altar, that thy nakedness be not uncovered thereon. {P} 


- Griekse tekst - Septuaginta

1kai elalèsen kurios pantas tous logous toutous legôn2egô eimi kurios o theos sou ostis exègagon se ek gès aiguptou ex oikou douleias3ouk esontai soi theoi eteroi plèn emou4ou poièseis seautô eidôlon oude pantos omoiôma osa en tô ouranô anô kai osa en tè gè katô kai osa en tois udasin upokatô tès gès5ou proskunèseis autois oude mè latreusès autois egô gar eimi kurios o theos sou theos zèlôtès apodidous amartias paterôn epi tekna eôs tritès kai tetartès geneas tois misousin me6kai poiôn eleos eis chiliadas tois agapôsin me kai tois fulassousin ta prostagmata mou7ou lèmpsè to onoma kuriou tou theou sou epi mataiô ou gar mè katharisè kurios ton lambanonta to onoma autou epi mataiô8mnèsthèti tèn èmeran tôn sabbatôn agiazein autèn9ex èmeras erga kai poièseis panta ta erga sou10tè de èmera tè ebdomè sabbata kuriô tô theô sou ou poièseis en autè pan ergon su kai o uios sou kai è thugatèr sou o pais sou kai è paidiskè sou o bous sou kai to upozugion sou kai pan ktènos sou kai o prosèlutos o paroikôn en soi11en gar ex èmerais epoièsen kurios ton ouranon kai tèn gèn kai tèn thalassan kai panta ta en autois kai katepausen tè èmera tè ebdomè dia touto eulogèsen kurios tèn èmeran tèn ebdomèn kai ègiasen autèn12tima ton patera sou kai tèn mètera ina eu soi genètai kai ina makrochronios genè epi tès gès tès agathès ès kurios o theos sou didôsin soi13ou moicheuseis14ou klepseis15ou foneuseis16ou pseudomarturèseis kata tou plèsion sou marturian pseudè17ouk epithumèseis tèn gunaika tou plèsion sou ouk epithumèseis tèn oikian tou plèsion sou oute ton agron autou oute ton paida autou oute tèn paidiskèn autou oute tou boos autou oute tou upozugiou autou oute pantos ktènous autou oute osa tô plèsion sou estin18kai pas o laos eôra tèn fônèn kai tas lampadas kai tèn fônèn tès salpiggos kai to oros to kapnizon fobèthentes de pas o laos estèsan makrothen19kai eipan pros môusèn lalèson su èmin kai mè laleitô pros èmas o theos mèpote apothanômen20kai legei autois môusès tharseite eneken gar tou peirasai umas paregenèthè o theos pros umas opôs an genètai o fobos autou en umin ina mè amartanète21eistèkei de o laos makrothen môusès de eisèlthen eis ton gnofon ou èn o theos22eipen de kurios pros môusèn tade ereis tô oikô iakôb kai anaggeleis tois uiois israèl umeis eôrakate oti ek tou ouranou lelalèka pros umas23ou poièsete eautois theous argurous kai theous chrusous ou poièsete umin autois24thusiastèrion ek gès poièsete moi kai thusete ep' autou ta olokautômata kai ta sôtèria umôn ta probata kai tous moschous umôn en panti topô ou ean eponomasô to onoma mou ekei kai èxô pros se kai eulogèsô se25ean de thusiastèrion ek lithôn poiès moi ouk oikodomèseis autous tmètous to gar egcheiridion sou epibeblèkas ep' autous kai memiantai26ouk anabèsè en anabathmisin epi to thusiastèrion mou opôs an mè apokalupsès tèn aschèmosunèn sou ep' autou

ΚΑΙ ἐλάλησε Κύριος πάντας τοὺς λόγους τούτους λέγων· 2 ἐγώ εἰμι Κύριος ὁ Θεός σου, ὅστις ἐξήγαγόν σε ἐκ γῆς Αἰγύπτου, ἐξ οἴκου δουλείας. 3 οὐκ ἔσονταί σοι θεοὶ ἕτεροι πλὴν ἐμοῦ. 4 οὐ ποιήσεις σεαυτῷ εἴδωλον, οὐδὲ παντὸς ὁμοίωμα, ὅσα ἐν τῷ οὐρανῷ ἄνω καὶ ὅσα ἐν τῇ γῇ κάτω καὶ ὅσα ἐν τοῖς ὕδασιν ὑποκάτω τῆς γῆς. 5 οὐ προσκυνήσεις αὐτοῖς, οὐδὲ μὴ λατρεύσεις αὐτοῖς· ἐγὼ γάρ εἰμι Κύριος ὁ Θεός σου, Θεὸς ζηλωτής, ἀποδιδοὺς ἁμαρτίας πατέρων ἐπὶ τέκνα, ἕως τρίτης καὶ τετάρτης γενεᾶς τοῖς μισοῦσί με 6 καὶ ποιῶν ἔλεος εἰς χιλιάδας τοῖς ἀγαπῶσί με καὶ τοῖς φυλάσσουσι τὰ προστάγματά μου. 7 οὐ λήψει τὸ ὄνομα Κυρίου τοῦ Θεοῦ σου ἐπί ματαίῳ· οὐ γὰρ μὴ καθαρίσῃ Κύριος ὁ Θεός σου τὸν λαμβάνοντα τὸ ὄνομα αὐτοῦ ἐπὶ ματαίῳ. 8 μνήσθητι τὴν ἡμέρα τῶν σαββάτων ἁγιάζειν αὐτήν. 9 ἓξ ἡμέρας ἐργᾷ καὶ ποιήσεις πάντα τὰ ἔργα σου· 10 τῇ δὲ ἡμέρᾳ τῇ ἑβδόμῃ σάββατα Κυρίῳ τῷ Θεῷ σου· οὐ ποιήσεις ἐν αὐτῇ πᾶν ἔργον, σὺ καὶ ὁ υἱός σου καὶ ἡ θυγάτηρ σου, ὁ παῖς σου καὶ ἡ παιδίσκη σου, ὁβοῦς σου καὶ τὸ ὑποζύγιόν σου καὶ πᾶν κτῆνός σου καὶ ὁ προσήλυτος ὁ παροικῶν ἐν σοί. 11 ἐν γὰρ ἓξ ἡμέραις ἐποίησε Κύριος τὸν οὐρανὸν καὶ τὴν γῆν καὶ τὴν θάλασσαν καὶ πάντα τὰ ἐν αὐτοῖς καὶ κατέπαυσε τῇ ἡμέρᾳ τῇ ἑβδόμῃ· διὰ τοῦτο εὐλόγησε Κύριος τὴν ἡμέραν τὴν ἑβδόμην καὶ ἡγίασεν αὐτήν. 12 τίμα τὸν πατέρα σου καὶ τὴν μητέρα σου, ἵνα εὖ σοι γένηται, καὶ ἵνα μακροχρόνιος γένῃ ἐπὶ τῆς γῆς τῆς ἀγαθῆς, ἧς Κύριος ὁ Θεός σου δίδωσί σοι. 13 οὐ μοιχεύσεις. 14 οὐ κλέψεις. 15 οὐ φονεύσεις. 16 οὐ ψευδομαρτυρήσεις κατὰ τοῦ πλησίον σου μαρτυρίαν ψευδῆ. 17 οὐκ ἐπιθυμήσεις τὴν γυναῖκα τοῦ πλησίον σου. οὐκ ἐπιθυμήσεις τὴν οἰκίαν τοῦ πλησίον σου οὔτε τὸν ἀγρὸν αὐτοῦ οὔτε τὸν παῖδα αὐτοῦ οὔτε τὴν παιδίσκην αὐτοῦ οὔτε τοῦ βοὸς αὐτοῦ οὔτε τοῦ ὑποζυγίου αὐτοῦ οὔτε παντὸς κτήνους αὐτοῦ οὔτε ὅσα τῷ πλησίον σου ἐστί. 18 Καὶ πᾶς ὁ λαὸς ἑώρα τὴν φωνὴν καὶ τὰς λαμπάδας καὶ τὴν φωνὴν τῆς σάλπιγγος καὶ τὸ ὄρος τὸ καπνίζον· φοβηθέντες δὲ πᾶς ὁ λαὸς ἔστησαν μακρόθεν. 19 καὶ εἶπαν πρὸς Μωυσῆν· λάλησον σὺ ἡμῖν, καὶ μὴ λαλείτω πρὸς ἡμᾶς ὁ Θεός, μὴ ἀποθάνωμεν. 20 καὶ λέγει αὐτοῖς Μωυσῆς· θαρσεῖτε, ἕνεκεν γὰρ τοῦ πειράσαι ὑμᾶς παρεγενήθη ὁ Θεὸς πρὸς ὑμᾶς, ὅπως ἂν γένηται ὁ φόβος αὐτοῦ ἐν ὑμῖν, ἵνα μὴ ἁμαρτάνητε. 21 εἱστήκει δὲ ὁ λαὸς μακρόθεν, Μωυσῆς δὲ εἰσῆλθεν εἰς τὸν γνόφον, οὗ ἦν ὁ Θεός. 22 εἶπε δὲ Κύριος πρὸς Μωυσῆν· τάδε ἐρεῖς τῷ οἴκῳ ᾿Ιακὼβ καὶ ἀναγγελεῖς τοῖς υἱοῖς ᾿Ισραήλ· ὑμεῖς ἑωράκατε ὅτι ἐκ τοῦ οὐρανοῦ λελάληκα πρὸς ὑμᾶς· 23 οὐ ποιήσετε ὑμῖν αὐτοῖς θεοὺς ἀργυροῦς καὶ θεοὺς χρυσοῦς οὐ ποιήσετε ὑμῖν αὐτοῖς. 24 θυσιαστήριον ἐκ γῆς ποιήσετέ μοι καὶ θύσετε ἐπ᾿ αὐτοῦ τὰ ὁλοκαυτώματα ὑμῶν καὶ τὰ σωτήρια ὑμῶν καὶ τὰ πρόβατα καὶ τοὺς μόσχους ὑμῶν ἐν παντὶ τόπῳ, οὗ ἐὰν ἐπονομάσω τὸ ὄνομά μου ἐκεῖ, καὶ ἥξω πρὸς σὲ καὶ εὐλογήσω σε. 25 ἐὰν δὲ θυσιαστήριον ἐκ λίθων ποιῇς μοι, οὐκ οἰκοδομήσεις αὐτοὺς τμητούς· τὸ γὰρ ἐγχειρίδιόν σου ἐπιβέβληκας ἐπ᾿ αὐτούς, καὶ μεμίανται. 26 οὐκ ἀναβήσῃ ἐν ἀναβαθμίσιν ἐπὶ τὸ θυσιαστήριόν μου, ὅπως ἂν μὴ ἀποκαλύψῃς τὴν ἀσχημοσύνην σου ἐπ᾿ αὐτοῦ.


- Vulgata

1 locutus quoque est Dominus cunctos sermones hos 2 ego sum Dominus Deus tuus qui eduxi te de terra Aegypti de domo servitutis 3 non habebis deos alienos coram me 4 non facies tibi sculptile neque omnem similitudinem quae est in caelo desuper et quae in terra deorsum nec eorum quae sunt in aquis sub terra 5 non adorabis ea neque coles ego sum Dominus Deus tuus fortis zelotes visitans iniquitatem patrum in filiis in tertiam et quartam generationem eorum qui oderunt me 6 et faciens misericordiam in milia his qui diligunt me et custodiunt praecepta mea 7 non adsumes nomen Domini Dei tui in vanum nec enim habebit insontem Dominus eum qui adsumpserit nomen Domini Dei sui frustra 8 memento ut diem sabbati sanctifices 9 sex diebus operaberis et facies omnia opera tua 10 septimo autem die sabbati Domini Dei tui non facies omne opus tu et filius tuus et filia tua servus tuus et ancilla tua iumentum tuum et advena qui est intra portas tuas 11 sex enim diebus fecit Dominus caelum et terram et mare et omnia quae in eis sunt et requievit in die septimo idcirco benedixit Dominus diei sabbati et sanctificavit eum 12 honora patrem tuum et matrem tuam ut sis longevus super terram quam Dominus Deus tuus dabit tibi 13 non occides 14 non moechaberis 15 non furtum facies 16 non loqueris contra proximum tuum falsum testimonium 17 non concupisces domum proximi tui nec desiderabis uxorem eius non servum non ancillam non bovem non asinum nec omnia quae illius sunt 18 cunctus autem populus videbat voces et lampadas et sonitum bucinae montemque fumantem et perterriti ac pavore concussi steterunt procul 19 dicentes Mosi loquere tu nobis et audiemus non loquatur nobis Dominus ne forte moriamur 20 et ait Moses ad populum nolite timere ut enim probaret vos venit Deus et ut terror illius esset in vobis et non peccaretis 21 stetitque populus de longe Moses autem accessit ad caliginem in qua erat Deus 22 dixit praeterea Dominus ad Mosen haec dices filiis Israhel vos vidistis quod de caelo locutus sum vobis 23 non facietis mecum deos argenteos nec deos aureos facietis vobis 24 altare de terra facietis mihi et offeretis super eo holocausta et pacifica vestra oves vestras et boves in omni loco in quo memoria fuerit nominis mei veniam ad te et benedicam tibi 25 quod si altare lapideum feceris mihi non aedificabis illud de sectis lapidibus si enim levaveris cultrum tuum super eo polluetur 26 non ascendes per gradus ad altare meum ne reveletur turpitudo tua


- Statenvertaling

1 Toen sprak God al deze woorden, zeggende: 2 Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. 3 Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. 4 Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. 5 Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; 6 En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden. 7 Gij zult den naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn naam ijdellijk gebruikt. 8 Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt. 9 Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; 10 Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is; 11 Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den sabbatdag, en heiligde denzelven. 12 Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft. 13 Gij zult niet doodslaan. 14 Gij zult niet echtbreken. 15 Gij zult niet stelen. 16 Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste. 17 Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is. 18 En al het volk zag de donderen, en de bliksemen, en het geluid der bazuin, en den rokenden berg; toen het volk zulks zag, weken zij af, en stonden van verre; 19 En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven! 20 En Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen, opdat Hij u verzocht, en opdat Zijn vreze voor uw aangezicht zou zijn, dat gij niet zondigdet. 21 En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, alwaar God was. 22 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: Gij hebt gezien, dat Ik met ulieden van den hemel gesproken heb. 23 Gij zult nevens Mij niet maken zilveren goden, en gouden goden zult gij u niet maken. 24 Maakt Mij een altaar van aarde, en offert daarop uw brandofferen, en uw dankofferen, uw schapen, en uw runderen; aan alle plaats, waar Ik Mijns Naams gedachtenis stichten zal, zal Ik tot u komen, en zal u zegenen. 25 Maar indien gij Mij een stenen altaar zult maken, zo zult gij dit niet bouwen van gehouwen steen; zo gij uw houwijzer daarover verheft, zo zult gij het ontheiligen. 26 Gij zult ook niet met trappen tot Mijn altaar opklimmen, opdat uw schaamte voor hetzelve niet ontdekt worde.


- Willibrordvertaling

Hoofdstuk 20 De tien geboden [1] Toen sprak God al* de woorden die hier volgen. [2] 'Ik ben de heer uw God die u heeft weggeleid uit Egypte, het slavenhuis*. [3] U zult geen andere goden hebben ten koste van Mij. [4] U zult geen beelden maken, geen* afbeelding van enig wezen boven in de hemel, beneden op de aarde of in de wateren onder de aarde. [5] Buig u niet voor hen neer en bewijs hun geen goddelijke eer, want Ik, de heer uw God, Ik ben voor hen die Mij haten een jaloerse* God die de schuld van de vaders* wreekt op hun kinderen, tot* de derde en vierde generatie. [6] Maar voor hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden ben Ik een God die goedheid bewijst tot aan de duizendste generatie. [7] U zult de naam van de heer uw God niet lichtvaardig gebruiken, want de heer laat degenen die zijn naam lichtvaardig gebruiken niet ongestraft. [8] Denk aan de sabbat; die moet voor u heilig zijn. [9] Zes dagen kunt u werken en alle arbeid verrichten. [10] Maar de zevende dag is de sabbat voor de heer uw God. Dan zult u geen enkele arbeid verrichten: uzelf niet, uw zoon niet, uw dochter niet, uw slaaf niet, uw slavin niet, uw dieren niet, evenmin als de vreemdeling die bij u woont. [11] Want in zes dagen heeft de heer de hemel, de aarde en de zee en al wat ze bevatten gemaakt. Maar de zevende dag heeft Hij gerust en zo de sabbat gezegend en tot een heilige dag gemaakt. [12] Eer* uw vader en uw moeder. Dan zult u lang leven op de grond die de heer uw God u schenkt. [13] U zult niet doden*. [14] U zult geen echtbreuk plegen. [15] U zult niet stelen. [16] U zult niet vals getuigen tegen uw naaste. [17] U zult uw zinnen niet zetten op het huis van uw naaste; u zult uw zinnen niet zetten op de vrouw van uw naaste, niet op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, op niets wat hem toebehoort.' De angst van het volk [18] Overweldigd door de donderslagen, de bliksemflitsen, het bazuingeschal en de rokende berg, beefde heel het volk van angst en bleef op een afstand staan. [19] Ze vroegen aan Mozes: 'Spreekt ú toch met ons, wij zullen luisteren. Maar laat God niet tot ons spreken, want dan sterven* wij.' [20] Mozes antwoordde: 'Wees maar niet bang. Want God is gekomen om u op de proef te stellen. Hij wil dat u zó'n ontzag voor Hem krijgt dat u niet meer zondigt.' [21] Terwijl het volk op een afstand bleef staan, ging Mozes de donkere wolk in waar God was. Rechtsregels [22] Toen* sprak de heer tot Mozes: 'Zeg tegen de Israëlieten het volgende: U hebt gezien hoe Ik vanuit de hemel tot u gesproken heb. [23] U mag naast mij geen goden van zilver maken. Ook goden van goud mag u niet maken. [24] U moet voor Mij een altaar maken van aarde. Daarop kunt u brand-* en meeloffers, schapen en runderen opdragen. Op elke heilige plaats waar Ik mijn naam zal openbaren, zal Ik naar u toe komen en u zegenen. [25] Als u voor Mij een stenen altaar bouwt, maak het dan niet van behouwen steen. Door de stenen met een beitel te bewerken, ontwijdt u ze. [26] Mijn altaar mag geen altaar zijn dat u langs treden beklimt, want daarbij zou men uw schaamte kunnen zien.


- De Nieuwe Bijbelvertaling

Hoofdstuk 20 [1] Toen sprak God deze woorden: [2] 'Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd. [3] Vereer naast mij geen andere goden. [4] Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. [5] Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; [6] maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht. [7] Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan. [8] Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag. [9] Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, [10] maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw vee, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen. [11] Want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat er leeft, en op de zevende dag rustte hij. Daarom heeft de HEER de sabbat gezegend en heilig verklaard. [12] Toon eerbied voor uw vader en uw moeder. Dan wordt u gezegend met een lang leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal. [13] Pleeg geen moord. [14] Pleeg geen overspel. [15] Steel niet. [16] Leg over een ander geen vals getuigenis af. [17] Zet uw zinnen niet op het huis van een ander, en evenmin op zijn vrouw, op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.' [18] Heel het volk was getuige van de donderslagen en lichtflitsen, het schallen van de ramshoorn en de rook die uit de berg kwam. Bij die aanblik deinsden ze achteruit, en ze bleven op grote afstand staan. [19] Ze zeiden tegen Mozes: 'Spreekt u met ons, wij zullen naar u luisteren. Maar laat God niet met ons spreken, want dan sterven we.' [20] Maar Mozes antwoordde: 'Wees niet bang, God is gekomen om u op de proef te stellen en u met ontzag voor hem te vervullen, zodat u niet meer zondigt.' [21] En terwijl het volk op een afstand bleef staan, ging Mozes naar de donkere wolk waarin God aanwezig was. Regels en wetten [22] De HEER droeg Mozes op het volgende tegen de Israëlieten te zeggen: 'Jullie zijn er getuige van geweest dat ik vanuit de hemel tot jullie heb gesproken. [23] Je mag daarom geen goden van zilver of goud maken om die naast mij te vereren. [24] Maak voor mij een altaar van aarde, en slacht daarop je schapen, geiten en runderen voor de brandoffers en vredeoffers. Op elke plaats waar ik mijn naam wil laten noemen, zal ik naar jullie toe komen en je zegenen. [25] Als je voor mij een stenen altaar wilt bouwen, gebruik dan geen gehouwen stenen, want door de stenen met een beitel te bewerken ontwijd je ze. [26] En breng geen treden aan, want als je daarlangs omhoog zou gaan, zou men je geslachtsdelen zien.'


- De Naardense bijbel

20:1 God spreekt al déze woorden en zegt: •• Exodus 20:2 ik ben de Ene, God-over-jou, die jou heb uitgeleid uit het land van Egypte, uit het diensthuis. 20:3 Niet zal dít er voor jou wezen: ándere goden, bij mijn aanschijn! 20:4 Niet zul je voor jezelf maken een snijbeeld of welke gestalte ook die is in de hemelen boven, die is op de aarde beneden of die is in de wateren onder de aarde! 20:5 Níet zul je je voor hen buigen en níet zul je hen dienen; want ik, de Ene, God-over-jou, ben een naijverig God die onrecht van vaders aan zónen bezoekt, aan drie en vier generaties van hen die mij haten; 20:6 en die vriendschap bewijst aan dúizenden: aan hen die mij liefhebben en mijn geboden bewaken! •• 20:7 Níet aanheffen zul je de naam van de Ene, God-over-jou, voor valse zaken; want niet ongestraft laat de Ene wie zijn naam aanheft voor valse zaken! • 20:8 Gedenk de dag van de sabbat,- het rusten, door die te heiligen; 20:9 een zestal dagen mag je dienen en al je werk doen, 20:10 maar de zevende dag is een sabbat voor de Ene, God-over-jou; níet doen zul je welk werk ook: jij, je zoon, je dochter, je dienaar, je slavin, je vee noch de zwerver-te-gast die in je poorten is. 20:11 Want in zes dagen heeft de Ene de hemelen en de aarde gemaakt, de zee en al wat er in hen is, en hij hield rust op de zevende dag; daarom heeft de Ene de sabbatdag gezegend en hem geheiligd! •• 20:12 Eer je vader en je moeder; opdat je dagen lang mogen worden op de bloedrode grond die de Ene, God-over-jou, aan jou geeft! •• 20:13 Níet doodslaan zul je; •• 20:14 níet echtbreken zul je; •• 20:15 níet stelen zul je en •• 20:16 níet antwoorden zul je over je naaste als een getuige die liegt!- 20:17 níet begeren zul je het huis van je naaste; niet begeren zul je de vrouw van je naaste, zijn dienaar, zijn slavin, zijn os, zijn ezel, ja, al wat van je naaste is! • 20:18 Heel de gemeente, ze zien het aan: de donderstemmen, de bliksemschichten, de stem van de ramshoorn en de rokende berg; de gemeente ziet dat, ze wankelen en gaan ver weg staan. 20:19 Ze zeggen tot Mozes: spreek gij met ons en we zullen horen; laat niet God met ons spreken, anders zullen we sterven! 20:20 Mozes zegt tot de gemeente: vreest niet, want met het doel u te beproeven is God gekomen; en met het doel dat er vreze voor hem zal wezen op uw aanschijn, zodat ge niet zondigt! 20:21 De gemeente blijft van verre staan; Mozes is de mistdonkerte in getreden waarin God is. • 20:22 Dan zegt de Ene tot Mozes: zó zul je zeggen tot de zonen Israëls: zelf hebt ge gezien dat ik vanuit de hemelen met u heb gesproken; 20:23 níets zult ge maken naast mij; goden van zilver en goden van goud zult ge u níet maken; 20:24 een offerplaats van bloedrode grond zul je voor mij maken, en offeren zul je daarop je opgangsgaven en je vredesgaven, je wolvee en je ploegvee; in elk oord waar ik mijn naam doe gedenken zal ik dan tot je komen en je zegenen; 20:25 en als je een offerplaats van stenen voor mij maakt, dan zul je ze niet gehouwen opbouwen, want als jij je zwaard daarover zwaait zul je het ontwijden; 20:26 en beklim niet over klimtrappen mijn offerplaats, opdat je naaktheid niet daarop wordt onthuld!


- Bible de Jérusalem


- King James Bible

Exod.20 [1] And God spake all these words, saying, [2] I am the LORD thy God, which have brought thee out of the land of Egypt, out of the house of bondage. [3] Thou shalt have no other gods before me. [4] Thou shalt not make unto thee any graven image, or any likeness of any thing that is in heaven above, or that is in the earth beneath, or that is in the water under the earth: [5] Thou shalt not bow down thyself to them, nor serve them: for I the LORD thy God am a jealous God, visiting the iniquity of the fathers upon the children unto the third and fourth generation of them that hate me; [6] And shewing mercy unto thousands of them that love me, and keep my commandments. [7] Thou shalt not take the name of the LORD thy God in vain; for the LORD will not hold him guiltless that taketh his name in vain. [8] Remember the sabbath day, to keep it holy. [9] Six days shalt thou labour, and do all thy work: [10] But the seventh day is the sabbath of the LORD thy God: in it thou shalt not do any work, thou, nor thy son, nor thy daughter, thy manservant, nor thy maidservant, nor thy cattle, nor thy stranger that is within thy gates: [11] For in six days the LORD made heaven and earth, the sea, and all that in them is, and rested the seventh day: wherefore the LORD blessed the sabbath day, and hallowed it. [12] Honour thy father and thy mother: that thy days may be long upon the land which the LORD thy God giveth thee. [13] Thou shalt not kill. [14] Thou shalt not commit adultery. [15] Thou shalt not steal. [16] Thou shalt not bear false witness against thy neighbour. [17] Thou shalt not covet thy neighbour's house, thou shalt not covet thy neighbour's wife, nor his manservant, nor his maidservant, nor his ox, nor his ass, nor any thing that is thy neighbour's. [18] And all the people saw the thunderings, and the lightnings, and the noise of the trumpet, and the mountain smoking: and when the people saw it, they removed, and stood afar off. [19] And they said unto Moses, Speak thou with us, and we will hear: but let not God speak with us, lest we die. [20] And Moses said unto the people, Fear not: for God is come to prove you, and that his fear may be before your faces, that ye sin not. [21] And the people stood afar off, and Moses drew near unto the thick darkness where God was. [22] And the LORD said unto Moses, Thus thou shalt say unto the children of Israel, Ye have seen that I have talked with you from heaven. [23] Ye shall not make with me gods of silver, neither shall ye make unto you gods of gold. [24] An altar of earth thou shalt make unto me, and shalt sacrifice thereon thy burnt offerings, and thy peace offerings, thy sheep, and thine oxen: in all places where I record my name I will come unto thee, and I will bless thee. [25] And if thou wilt make me an altar of stone, thou shalt not build it of hewn stone: for if thou lift up thy tool upon it, thou hast polluted it. [26] Neither shalt thou go up by steps unto mine altar, that thy nakedness be not discovered thereon.


- Luther Bibel

Die Zehn Gebote 201Und Gott redete alle diese Worte: 2 Ich bin der HERR, dein Gott, der ich dich aus Ägyptenland, aus der Knechtschaft, geführt habe. 3 Du sollst keine anderen Götter haben neben mir. 4 Du sollst dir kein Bildnis noch irgendein Gleichnis machen, weder von dem, was oben im Himmel, noch von dem, was unten auf Erden, noch von dem, was im Wasser unter der Erde ist: 5 Bete sie nicht an und diene ihnen nicht! Denn ich, der HERR, dein Gott, bin ein eifernder Gott, der die Missetat der Väter heimsucht bis ins dritte und vierte Glied an den Kindern derer, die mich hassen, 6 aber Barmherzigkeit erweist an vielen tausenden, die mich lieben und meine Gebote halten. 7 Du sollst den Namen des HERRN, deines Gottes, nicht missbrauchen; denn der HERR wird den nicht ungestraft lassen, der seinen Namen missbraucht. 8 Gedenke des Sabbattages, dass du ihn heiligest. 9 Sechs Tage sollst du arbeiten und alle deine Werke tun. 10 Aber am siebenten Tage ist der Sabbat des HERRN, deines Gottes. Da sollst du keine Arbeit tun, auch nicht dein Sohn, deine Tochter, dein Knecht, deine Magd, dein Vieh, auch nicht dein Fremdling, der in deiner Stadt lebt. 11 Denn in sechs Tagen hat der HERR Himmel und Erde gemacht und das Meer und alles, was darinnen ist, und ruhte am siebenten Tage. Darum segnete der HERR den Sabbattag und heiligte ihn. 12 Du sollst deinen Vater und deine Mutter ehren, auf dass du lange lebest in dem Lande, das dir der HERR, dein Gott, geben wird. 13 Du sollst nicht töten. 14 Du sollst nicht ehebrechen. 15 Du sollst nicht stehlen. 16 Du sollst nicht falsch Zeugnis reden wider deinen Nächsten. 17 Du sollst nicht begehren deines Nächsten Haus. Du sollst nicht begehren deines Nächsten Frau, Knecht, Magd, Rind, Esel noch alles, was dein Nächster hat. 18Und alles Volk wurde Zeuge von dem Donner und Blitz und dem Ton der Posaune und dem Rauchen des Berges. Als sie aber solches sahen, flohen sie und blieben in der Ferne stehen 19und sprachen zu Mose: Rede du mit uns, wir wollen hören; aber lass Gott nicht mit uns reden, wir könnten sonst sterben. 20Mose aber sprach zum Volk: Fürchtet euch nicht, denn Gott ist gekommen, euch zu versuchen, damit ihr's vor Augen habt, wie er zu fürchten sei, und ihr nicht sündigt. 21So stand das Volk von ferne, aber Mose nahte sich dem Dunkel, darinnen Gott war. Vom rechten Gottesdienst in Israel 22Und der HERR sprach zu ihm: So sollst du den Israeliten sagen: Ihr habt gesehen, dass ich mit euch vom Himmel geredet habe. 23Darum sollt ihr euch keine andern Götter neben mir machen, weder silberne noch goldene sollt ihr euch machen. 24Einen Altar von Erde mache mir, auf dem du dein Brandopfer und Dankopfer, deine Schafe und Rinder, opferst. An jedem Ort, wo ich meines Namens gedenken lasse, da will ich zu dir kommen und dich segnen. 25Und wenn du mir einen steinernen Altar machen willst, sollst du ihn nicht von behauenen Steinen bauen; denn wenn du mit deinem Eisen darüber kommst, so wirst du ihn entweihen. 26Du sollst auch nicht auf Stufen zu meinem Altar hinaufsteigen, dass nicht deine Blöße aufgedeckt werde vor ihm.


- Structuur

    1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  9.  10.  11.  12.  13.  14.  15.  16.  17.  18.  19.  20.  21.  22.  23.  24.  25.  26.  27.  28.  29.  30.  31.  32.  33.  34.  35. 
1.   1 2 3 4 5 6 7                                                        

2.

  8 9 10 11 12 13 14 15 16                                                    
3.   17 18 19 20 21 22 23                                                        
4.   24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39                                      
5.   40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60                            
6.   61 62 63 64 65 66 67                                                        
7.   68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84                                    
8.   85 86 87 88 89                                                            
9.   90 91 92 93 94 95                                                          
10.   96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113                                  
11.   114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139                  
12.   140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150 151 152 153 154                                        
13.   155 156                                                                  
14.   157 158                                                                  
15.   159 160                                                                  
16.   161 162 163 164 165                                                            
17.   166 167 168 169 170 171 172 173 174 175 176 177 178 179 180                                        
18.                                                                        
19.                                                                        
20.                                                                        
21.                                                                        
22.                                                                        
23.                                                                        
24.                                                                        
25.                                                                        
26.                                                                        
    1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  9.  10.  11.  12.  13.  14.  15.  16.  17.  18.  19.  20.  21.  22.  23.  24.  25.  26.  27.  28.  29.  30.  31.  32.  33.  34.  35. 

- 180 = 6² X 5 OF (10 X 17) + 10. Het is ook de ouderdom van Isaak (Gn 35,28). 17 is de getalswaarde van de Godsnaam JHWH volgens de kleine telling (1 + 5 + 6 + 5 = 17).
- 84 = 7 X 12.


- Taalgebruik

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J

-

- K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- Commentaar