EXODUS 33 - Ex 33 -- bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -
- Ex 33,1-23 -

Overzicht van Exodus : - Ex 2 - Ex 3 - Ex 4 - Ex 5 - Ex 6 - Ex 7 - Ex 8 - Ex 9 - Ex 10 - Ex 11 - Ex 12 - Ex 13 - Ex 14 - Ex 15 - Ex 16 - Ex 17 - Ex 18 - Ex 19 - Ex 20 - Ex 21 - Ex 22 - Ex 23 - Ex 24 - Ex 25 - Ex 26 - Ex 27 - Ex 28 - Ex 29 - Ex 30 - Ex 31 - Ex 32 - Ex 33 - Ex 34 - Ex 35 - Ex 36 - Ex 37 - Ex 38 - Ex 39 - Ex 40 -
Overzicht vers per vers : - Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Ex 33,21 - Ex 33,22 - Ex 33,23 -

Overzicht van Tenach : Tenach : overzicht , Tenach : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenach : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,

Ex : overzicht , Ex : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Ex : commentaar ,


ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch embainô
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

 
 
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible   11. Luther-Bibel     Exodus bibliografie (1)    

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat

Bibliografie
- Ralph E. Hendrix, "A Literary Structural Analysis of the golden-Calf Episode in Exodus 32:1-33:6," Andrews University Seminary Studies 28.3 (1990) 211-17.
Literatuur .
Liturgisch gebruik

Overzicht van de bijbelboeken - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

De HEER spreekt tot Mozes - Ex 33,1-23 -- bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -

b' : Ex 32,33-33,3 woorden van JHWH
Ex 32,33 - Ex 32,34 : het woord van JHWH tot Mozes Ex 32,35 : de straf van JHWH Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 : Nogmaals het woord van JHWH aan Mozes

Ex 33,1 - Ex 33,1 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
1kai eipen kurios pros môusèn poreuou anabèthi enteuthen su kai o laos sou ous exègages ek gès aiguptou eis tèn gèn èn ômosa tô abraam kai isaak kai iakôb legôn tô spermati umôn dôsô autèn  1 locutusque est Dominus ad Mosen vade ascende de loco isto tu et populus tuus quem eduxisti de terra Aegypti in terram quam iuravi Abraham Isaac et Iacob dicens semini tuo dabo eam    1 Voorts sprak de HEERE tot Mozes: Ga heen, trek op van hier, gij en het volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, naar het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven;  [1] De heer sprak tot Mozes: ‘Vertrek van hier met het volk dat u uit Egypte hebt geleid en ga naar het land dat Ik aan Abraham, Isaak en Jakob beloofd heb met deze eed: Ik zal het schenken aan uw nakomelingen.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

1. prefix voegwoord wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) van het werkw. דָבַר = dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Getalwaarde : daleth = 4 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 26 (2 X 13) OF 206 = (2 X 103) . Structuur : 4 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (192 = 26 X 7) . Pentateuch (140 = 20 X 7) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (8) . Gn (16) : (1) Gn 8,15 . (2) Gn 17,3 . (3) Gn 19,14 . (4) Gn 20,8 . (5) Gn 23,3 . (6) Gn 23,8 . (7) Gn 23,13 . (8) Gn 34,3 . (9) Gn 34,8 . (10) Gn 41,9 . (11) Gn 41,17 . (12) Gn 42,7 . (13) Gn 42,24 . (14) Gn 44,6 . (15) Gn 50,4 . (16) Gn 50,21 . Ex (20) : (1) Ex 4,30 . (2) Ex 6,2 . (3) Ex 6,9 . (4) Ex 6,10 . (5) Ex 6,12 . (6) Ex 6,13 . (7) Ex 6,29 . (8) Ex 13,1 . (9) Ex 14,1 . (10) Ex 16,11 . (11) Ex 20,1 . (12) Ex 25,1 . (13) Ex 30,11 . (14) Ex 30,17 . (15) Ex 30,22 . (16) Ex 31,1 . (17) Ex 32,7 . (18) Ex 33,1 . (19) Ex 34,31 . (20) Ex 40,1 . Lv (40) : (1) Lv 1,1 . (2) Lv 4,1 . (3) Lv 5,14 . (4) Lv 5,20 . (5) Lv 6,1 . (6) Lv 6,12 . (7) Lv 6,17 . (8) Lv 7,22 . (9) Lv 7,28 . (10) Lv 8,1 . (11) Lv 10,8 . (12) Lv 10,12 . (13) Lv 10,19 . (14) Lv 11,1 . (15) Lv 12,1 . (16) Lv 13,1 . (17) Lv 14,1 . (18) Lv 14,33 . (19) Lv 15,1 . (20) Lv 16,1 . (21) Lv 17,1 . (22) Lv 18,1 . (23) Lv 19,1 . (24) Lv 20,1 . (25) Lv 21,16 . (26) Lv 21,24 . (27) Lv 22,1 . (28) Lv 22,17 . (29) Lv 22,26 . (30) Lv 23,1 . (31) Lv 23,9 . (32) Lv 23,23 . (33) Lv 23,26 . (34) Lv 23,33 . (35) Lv 23,44 . (36) Lv 24,1 . (37) Lv 24,13 . (38) Lv 24,23 . (39) Lv 25,1 . (40) Lv 27,1 . Nu (59 = 3 X 19) . Dt (7) : (1) Dt 2,17 . (2) Dt 4,12 . (3) Dt 27,9 . (4) Dt 31,1 . (5) Dt 31,30 . (6) Dt 32,44 . (7) Dt 32,48 .
- De getalwaarde van וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) is : waw = 6 , jod = 10 ; samen : 15 ; algemeen totaal : 26 + 16 = 42 (2 X 3 X 7) OF 206 + 16 = 222 (6 X 37 OF (10 X 17) + (2 X 26) .

  bijbel Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Ex 32-34  
וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) 192 140 34 9 1 8 16 20 40 59 7 3  
וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) 1879 594 868 120 56 241 315 150 10 95 24 27  

- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ελαλησεν = elalèsen (hij sprak) van het werkw. λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in de LXX : laleô (lallen, spreken, praten) . Gn (25) . Ex (30) . Lv (38) . Nu (68) . Dt (28) . Ex (30) : (1) Ex 4,30 . (2) Ex 6,2 . (3) Ex 6,9 . (4) Ex 6,10 . (5) Ex 6,12 . (6) Ex 6,28 . (7) Ex 6,29 . (8) Ex 7,7 . (9) Ex 7,13 . (10) Ex 8,11 . (11) Ex 8,15 . (12) Ex 9,35 . (13) Ex 12,25 . (14) Ex 14,1 . (15) Ex 16,11 . (16) Ex 16,23 . (17) Ex 20,1 . (18) Ex 24,3 . (19) Ex 24,7 . (20) Ex 25,1 . (21) Ex 30,11 . (22) Ex 30,17 . (23) Ex 30,22 . (24) Ex 31,1 . (25) Ex 32,7 . (26) Ex 32,28 . (27) Ex 33,1 . (28) Ex 34,31 . (29) Ex 34,32 . (30) Ex 40,1 .
-- και ελαλησεν = kai elalèsen (en hij sprak) . LXX (187) . NT (4) .
-- ελαλησεν δε = elalèsen de (hij sprak echter) . LXX (4) . NT (1) .
- וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. אמר = ´-m-r (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Ex (150) . Lv (10) . Nu (95) . Dt (24) . Samen : 40 + 2 = 42 (6 X 7) . Ex (150) . Ex 25-31 (2) : (1) Ex 30,34 . Ex 32-34 (27) . In veertien verzen in Ex 32 : (1) Ex 32,2 (Aäron tot het volk) . (2) Ex 32,5 (Aäron tot het volk) . (3) Ex 32,9 (JHWH tot Mozes) . (4) Ex 32,11 (Mozes tot JHWH) . (5) Ex 32,17 (Jozua tot Mozes) . (6) Ex 32,18 (Mozes tot Jozua) . (7) Ex 32,21 (Mozes tot Aäron) . (8) Ex 32,22 (Aäron tot Mozes) . (9) Ex 32,26 (Mozes tot het volk) . (10) Ex 32,27 (Mozes tot de Levieten) . (11) Ex 32,29 (Mozes tot de Levieten) . (12) Ex 32,30 (Mozes tot het volk) . (13) Ex 32,31 (Mozes tot JHWH) . (14) Ex 32,33 (JHWH tot Mozes) . Aäron is driemaal aan het woord , JHWH tweemaal , Jozua éénmaal , Mozes achtmaal . Ex 33 (9) : (1) Ex 33,5 . (2) Ex 33,12 . (3) Ex 33,14 . (4) Ex 33,15 . (5) Ex 33,17 . (6) Ex 33,18 . (7) Ex 33,19 . (8) Ex 33,20 . (9) Ex 33,21 . Ex 34 (4) : (1) Ex 34,1 . (2) Ex 34,9 . (3) Ex 34,10 . (4) Ex 34,27 .
- De werkwoordvorm ειπεν = eipen (hij zei) komt veelvuldiger voor . Zie : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de LXX : legô (zeggen) . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Gn (378) . Ex (149) . Lv (15) . Nu (98) . Dt (44) .

  laleô  bijbel OT Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt   NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. elalèsen   431  400  189 106 39 11 38 25 30 38 68 28   31  13  19   
  act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen 3024  2426  684 985 234 63 309 378 149 15 98 44   598  118  56  223  114  75  397       

- Vulgaat . perf. deelw. locutus (gesproken) van het werkw. loqui (spreken) . Bijbel (559) . OT (503) . NT (56) . Ex (23) .
-- locutusque (en gesproken) . Bijbel (66) .
- Ned. : spreken . Arabisch : تَكَلَمَ = takallama (spreken) . Taalgebruik in de Qoran : takallama (spreken) . D. : sprechen . E. : to speek . Fr. : parler . Grieks : λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Hebreeuws : דָבַר = dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Lat. : loqui .
- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . D. : sprechen (spreken) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere .
- In Ex 32 is JHWH driemaal aan het woord : (1) Ex 32,7 . (2) Ex 32,9 . (3) Ex 32,33 .

2. יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenach : JHWH . Taalgebruik in Exodus : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenach (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Ex (299) . In 26 verzen in Ex 25-31 (de wetten over het heiligdom) . In veertien (2 X 7) verzen in de eerste redevoering (Ex 25,2 - 30,10) . In zeven verzen in de inleidingsformule op de redevoering . Ex 32-34 (30) . Ex 32 (9 = 3²) : (1) Ex 32,7 . (2) Ex 32,9 . (3) Ex 32,11 . (4) Ex 32,14 . (5) Ex 32,27 . (6) Ex 32,30 . (7) Ex 32,31 . (8) Ex 32,33 . (9) Ex 32,35 . Ex 33 (8) : (1) Ex 33,1 . (2) Ex 33,5 . (3) Ex 33,7 . (4) Ex 33,11 . (5) Ex 33,12 . (6) Ex 33,17 . (7) Ex 33,19 . (8) Ex 33,21 . Ex 34 (13) : (1) Ex 34,1 . (2) Ex 34,4 . (3) Ex 34,5 . (4) Ex 34,6 . (5) Ex 34,10 . (6) Ex 34,14 . (7) Ex 34,23 . (8) Ex 34,24 . (9) Ex 34,26 . (10) Ex 34,27 . (11) Ex 34,28 . (12) Ex 34,32 . (13) Ex 34,34 .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Ex 32-34 (3) : (1) Ex 32,1 . (2) Ex 32,16 . (3) Ex 32,23

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Ex 32-34
´èlohîm (God) 635 207 118 39 17 25 140 31 0 7 29 3
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 287 413 30
´èlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (je God) 299 216 28 25 12 16 2 11 4 0 199  
´èlohekhèm (jullie God) 154 82 32 15 10 15 1 7 26 3 45  
JHWH ´êlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (JHWH , je God) 267           1 8     116  

- Grieks . κυριος = kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Taalgebruik in de LXX : kurios (heer) . Een vorm van κυριος = kurios (heer) in de LXX (8591) , in het NT (718) .
- Ned. : Heer . Arabisch : رَب = rabb (God, Heer) . Taalgebruik in de Qoran : rabb (God, Heer) . Aramees : יוי = JWJ . D. : Herr . E. : Lord . Fr. : seigneur . Grieks : κυριος = kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Hebreeuws : יהוה = JHWH . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Latijn : Dominus . (Eerste medeklinker Gr. k , Ned. + D. h ; tweede medeklinker : Gr. + Ned. + D. : r ) .
- Sabbah Messod & Roger , Les secrets de l'Exode , Jean-Cyrille Godefroy , 2000 , p.93-96 . Op deze blz. wordt een verband tussen anokhi Adonai (ik de Heer) en farao Achnaton gelegd . De uitspraak van JHWH is Adonai , waarin we het Egyptische Aton , de zonneschijf , zien .

1. - 2. - וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים = wajëdabber ´èlohîm (en God sprak) . Tenakh (3) : (1) Gn 8,15 . (2) Ex 6,2 . (3) Ex 20,1 .
- וַיְדַבֵּר יהוה = wajëdabber JHWH (en JHWH sprak) . Tenach (100 = 2² X 5²) . Pentateuch (96 = 2³ X 2² X 3) . Ex (14 = 2 X 7) : (1) Ex 6,10 . (2) Ex 6,13 . (3) Ex 6,29 . (4) Ex 13,1 . (5) Ex 14,1 . (6) Ex 16,11 . (7) Ex 25,1 . (8) Ex 30,11 . (9) Ex 30,17 . (10) Ex 30,22 . (11) Ex 31,1 . (12) Ex 32,7 . (13) Ex 33,1 . (14) Ex 40,1 . Lv (35 = 5 X 7) : (1) Lv 1,1 . (2) Lv 4,1 . (3) Lv 5,14 . (4) Lv 5,20 . (5) Lv 6,1 . (6) Lv 6,12 . (7) Lv 6,17 . (8) Lv 7,22 . (9) Lv 7,28 . (10) Lv 8,1 . (11) Lv 10,8 . (12) Lv 11,1 . (13) Lv 12,1 . (14) Lv 13,1 . (15) Lv 14,1 . (16) Lv 14,33 . (17) Lv 15,1 . (18) Lv 16,1 . (19) Lv 17,1 . (20) Lv 18,1 . (21) Lv 19,1 . (22) Lv 20,1 . (23) Lv 21,16 . (24) Lv 22,1 . (25) Lv 22,17 . (26) Lv 22,26 . (27) Lv 23,1 . (28) Lv 23,9 . (29) Lv 23,23 . (30) Lv 23,26 . (31) Lv 23,33 . (32) Lv 24,1 . (33) Lv 24,13 . (34) Lv 25,1 . (35) Lv 27,1 . Van Lv 1-10 beginnen 3 hoofdstukken alzo . Van Lv 11-27 zijn het 15/17 hoofdstukken , niet in Lv 21,1 en Lv 26,1 .
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים = wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) .Gn 1 (9) . Gn 6-11 (4) . Slechts in twee verzen in Ex - Dt : (1) Ex 3,14 . (2) Nu 22,12 . Rest (4) .
- וַיּאֹמֶר יהוה = wajjo´mèr JHWH (en JHWH zei) . Tenakh (204) . Ex 25-31 (2) . Ex 30 (1) : Ex 30,34 . Ex 31 (1) : Ex 31,12 . Ex 32-34 (7) : (1) Ex 32,9 . (2) Ex 32,33 . (3) Ex 33,5 . (4) Ex 33,17 . (5) Ex 34,1 . (6) Ex 34,27 . Niet in Ex 35-40 .

1. - 4. וַיּאֹמֶר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajjo´mèr JHWH ´èl mosjèh (en JHWH zei tot Mozes) . Tenakh (66 = 2 X 3 X 11) . Ex (42) . Lv (2) . Nu (20) . Dt (2) . Ex (42 = 6 X7) . Ex 4 (3) : (1) Ex 4,4 . (2) Ex 4,19 . (3) Ex 4,21 . Ex 6 (1) : Ex 6,1 . Ex 7 - 12 (20) : (1) Ex 7,1 . (2) Ex 7,8 . (3) Ex 7,14 . (4) Ex 7,19 . (5) Ex 7,26 . (6) Ex 8,1 . (7) Ex 8,12 . (8) Ex 8,16 . (9) Ex 9,1 . (10) Ex 9,8 . (11) Ex 9,12 . (12) Ex 9,13 . (13) Ex 9,22 . (14) Ex 10,1 . (15) Ex 10,12 . (16) Ex 10,21 . (17) Ex 11,1 . (18) Ex 11,9 . (19) Ex 12,1 . (20) Ex 12,43 . Ex 14 (2) : (1) Ex 14,15 . (2) Ex 14,26 . Ex 16 (2) : (1) Ex 16,4 . (2) Ex 16,28 . Ex 17 (2) : (1) Ex 17,5 . (2) Ex 17,14 . Ex 19-24 (5) : (1) Ex 19,9 . (2) Ex 19,10 . (3) Ex 19,21 . (4) Ex 20,22 . (5) Ex 24,12 . Ex 25-31 (2) . Ex 30 (1) : Ex 30,34 . Ex 31 (1) : Ex 31,12 . Ex 32 (2) : (1) Ex 32,9 .(2) Ex 32,33 . Ex 33 (2) : Ex 33,5 . (2) Ex 33,17 . Ex 34 (1) : Ex 34,1 . Lv (2) : (1) Lv 16,2 . (2) Lv 21,1 . Nu (20) : (1) Nu 3,40 . (2) Nu 7,4 . (3) Nu 7,11 . (4) Nu 11,16 . (5) Nu 11,23 . (6) Nu 12,14 . (7) Nu 14,11 . (8) Nu 15,35 . (9) Nu 15,37 . (10) Nu 17,25 . (11) Nu 20,12 . (12) Nu 20,23 . (13) Nu 21,8 . (14) Nu 21,34 . (15) Nu 25,4 . (16) Nu 26,1 . (17) Nu 27,6 . (18) Nu 27,12 . (19) Nu 27,18 . (20) Nu 31,25 . Dt (2) : (1) Dt 31,14 . (2) Dt 31,16 .
- וַיְדַבֵּר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber JHWH èl mosjèh (en JHWH sprak tot Mozes) . Tenakh (91 = 7 X 13) . Pentateuch (91 = 7 X 13) . Ex (14 = 2 X 7) . (1) Ex 6,10 . (2) Ex 6,13 . (3) Ex 6,29 . (4) Ex 13,1 . (5) Ex 14,1 . (6) Ex 16,11 . (7) Ex 25,1 . (8) Ex 30,11 . (9) Ex 30,17 . (10) Ex 30,22 . (11) Ex 31,1 . (12) Ex 32,7 . (13) Ex 33,1 . (14) Ex 40,1 .
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajjo´mèr ´èlohîm 'èl mosjèh (en God zei tot Mozes) . Tenakh (1) . Ex 3,14 .
- וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber ´èlohîm ´èl mosjèh (en God sprak tot Mozes) . Tenakh (1) : (1) Ex 6,2 .
- Ex 32-34 : 7X spreekt JHWH tot Mozes : (1) Ex 32,7 . (2) Ex 32,9 . (3) Ex 32,33 . (4) Ex 33,1 . 5) Ex 33,5 . (6) Ex 33,17 . (7) Ex 34,1 .

6. `âlâh (opgaan, opklimmen) . Taalgebruik in Tenach : `âlâh (opgaan, opklimmen) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , lamed = 12 of 30 , he = 5 ; totaal : 33 (3 X 11) OF 105 (3 X 5 X 7) . Structuur : 7 - 3 - 5 . (1) `âlâh (hij ging op) . act. qal perfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . (2) `äleh (ga) . act. qal imperatief tweede persoon mannelijk enkelvoud . (3) `olâh (brandoffer) . Tenach (158) . Pentateuch (53) . Ex (7) : (1) Ex 12,38 . (2) Ex 18,12 . (3) Ex 19,3 . (4) Ex 24,1 . (5) Ex 24,12 . (6) Ex 29,18 . (7) . Ex 33,1 . In drie verzen is het een imperatief : (1) Ex 24,1 (`äleh ´èl JHWH = ga op naar JHWH) . Hapax . (2) Ex 24,12 . (3) Ex 33,1 .

12. me´èrèts (uit het land) < min + ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenach : ´èrètz (land) . Taalgebruik in Ex : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 of 391 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het N.T. : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Tenach (157) . Pentateuch (56) . Ex (21 = 3 X 7) : (1) Ex 6,13 . (2) Ex 6,26 . (3) Ex 7,4 . (4) Ex 12,17 . (5) Ex 12,41 . (6) Ex 12,42 . (7) Ex 12,51 . (8) Ex 13,18 . (9) Ex 16,1 . (10) Ex 16,6 . (11) Ex 16,32 . (12) Ex 19,1 . (13) Ex 20,2 . (14) Ex 29,46 . (15) Ex 32,1 . (16) Ex 32,4 . (17) Ex 32,7 . (18) Ex 32,8 . (19) Ex 32,11 . (20) Ex 32,23 . (21) Ex 33,1 .

18. - 20. lë´abhërâhâm lëjitsëchâq ûlëja`äqobh (aan Abraham , aan Isaak en aan Jakob). Tenakh (11) : (1) Gn 50,24 . (2) Ex 6,8 . (3) Ex 33,1 . (4) Nu 32,11 . (5) Dt 1,8 . (6) Dt 6,10 . (7) Dt 9,5 . (8) Dt 9,27 . (9) Dt 29,12 . (10) Dt 30,20 . (11) Dt 34,4 .

22. lëzarë`äkhâ (aan uw nageslacht) < voorzetsel lë + zelfstandig naamwoord zr`+ suffix persoonlijk voornaamwoord tweede persoon mannelijk enkelvoud van het zelfst. naamw. zèra` (zaad, nageslacht, nakomeling) . Taalgebruik in Tenakh : zèra` (zaad, nageslacht, nakomeling) . Getalwaarde : zajin = 7 , resj = 20 of 200 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 43 OF 277 (priemgetal) . Structuur : 7 - 2 - 7 . Tenakh : (1) Gn 12,7 . (2) Gn 15,18 . (3) Gn 24,7 . (4) Gn 26,4 . (5) Gn 48,4 . (6) Ex 33,1 . (7) Dt 34,4 .
(1) Gn 12,7 (lëzarë`äkhâ ´èththen ´èth hâ´ârèts hâzzo´th = aan uw nageslacht zal ik dit land geven) .
(2) Gn 15,18 (lëzarë`äkhâ nâthaththî ´èth hâ´ârèts hâzzo´th = aan uw nageslacht geef ik dit land) .
(3) Gn 24,7 (lëzarë`äkhâ ´èththen ´èth hâ´ârèts hâzzo´th = aan uw nageslacht zal ik dit land geven) .
(4) Gn 26,4 (wënâthaththî lëzarë`äkhâ ´èth kâl hâ´ärâzoth = en ik geef uw nageslacht heel het land) .
(5) Gn 48,4 (wënâthaththî ´èth hâ´ârèts hâzzo´th lëzarë`äkhâ = en ik geef dit land aan uw nageslacht) .
(6) Ex 33,1 (lëzarë`äkhâ ´èththënènnâh = aan uw nageslacht zal ik het geven) .
(7) Dt 34,4 (lëzarë`äkhâ ´èththënènnâh = aan uw nageslacht zal ik het geven) .

b' : Ex 32,33-33,3 woorden van JHWH
Ex 32,33 - Ex 32,34 : het woord van JHWH tot Mozes Ex 32,35 : de straf van JHWH Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 : Nogmaals het woord van JHWH aan Mozes

Ex 33,2 - Ex 33,2 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
2kai sunapostelô ton aggelon mou pro prosôpou sou kai ekbalei ton amorraion kai chettaion kai ferezaion kai gergesaion kai euaion kai iebousaion  2 et mittam praecursorem tui angelum ut eiciam Chananeum et Amorreum et Hettheum et Ferezeum et Eveum et Iebuseum    2 En Ik zal een Engel voor uw aangezicht zenden (en Ik zal uitdrijven de Kanaänieten, de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten),   [2] Ik zal een engel* voor u uit laten gaan. De Kanaänieten, Amorieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten zal Ik voor u verdrijven*,       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

b' : Ex 32,33-33,3 woorden van JHWH
Ex 32,33 - Ex 32,34 : het woord van JHWH tot Mozes Ex 32,35 : de straf van JHWH Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 : Nogmaals het woord van JHWH aan Mozes

Ex 33,3 - Ex 33,3 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
3kai eisaxô se eis gèn reousan gala kai meli ou gar mè sunanabô meta sou dia to laon sklèrotrachèlon se einai ina mè exanalôsô se en tè odô  3 et intres in terram fluentem lacte et melle non enim ascendam tecum quia populus durae cervicis est ne forte disperdam te in via    3 Naar het land, dat van melk en honig is vloeiende; want Ik zal in het midden van u niet optrekken; want gij zijt een hardnekkig volk; dat Ik u op dezen weg niet vertere.   [3] en Ik zal u brengen naar een land dat overvloeit van melk en honing. Maar zelf trek Ik niet met u mee, want u bent zo’n halsstarrig volk dat Ik u onderweg zou kunnen vernietigen.’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 33,4 - Ex 33,4 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
4kai akousas o laos to rèma to ponèron touto katepenthèsan en penthikois  4 audiens populus sermonem hunc pessimum luxit et nullus ex more indutus est cultu suo     4 Toen het volk dit kwade woord hoorde, zo droegen zij leed; en niemand van hen deed zijn versiersel aan zich.   [4] Toen de mensen dit slechte nieuws hoorden, treurden zij en niemand deed meer zijn sieraden aan.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van


Ex 33,5 - Ex 33,5 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
5kai eipen kurios tois uiois israèl umeis laos sklèrotrachèlos orate mè plègèn allèn epaxô egô ef' umas kai exanalôsô umas nun oun afelesthe tas stolas tôn doxôn umôn kai ton kosmon kai deixô soi a poièsô soi 5 dixitque Dominus ad Mosen loquere filiis Israhel populus durae cervicis es semel ascendam in medio tui et delebo te iam nunc depone ornatum tuum ut sciam quid faciam tibi    5 En de HEERE had tot Mozes gezegd: Zeg tot de kinderen Israëls: Gij zijt een hardnekkig volk; in een ogenblik zou Ik in het midden van ulieden optrekken, en zou u vernielen; doch nu, legt uw sieraad van u af, en Ik zal weten, wat Ik u doen zal.  [5] De heer sprak tot Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: U bent een halsstarrig volk. Als Ik ook maar korte tijd met u mee zou trekken, zou Ik u vernietigen. Leg uw sieraden af, dan zal Ik zien wat Ik met u doe.’       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

1. prefix voegwoord wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) van het werkw. דָבַר = dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Getalwaarde : daleth = 4 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 26 (2 X 13) OF 206 = (2 X 103) . Structuur : 4 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (192 = 26 X 7) . Pentateuch (140 = 20 X 7) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (8) . Gn (16) : (1) Gn 8,15 . (2) Gn 17,3 . (3) Gn 19,14 . (4) Gn 20,8 . (5) Gn 23,3 . (6) Gn 23,8 . (7) Gn 23,13 . (8) Gn 34,3 . (9) Gn 34,8 . (10) Gn 41,9 . (11) Gn 41,17 . (12) Gn 42,7 . (13) Gn 42,24 . (14) Gn 44,6 . (15) Gn 50,4 . (16) Gn 50,21 . Ex (20) : (1) Ex 4,30 . (2) Ex 6,2 . (3) Ex 6,9 . (4) Ex 6,10 . (5) Ex 6,12 . (6) Ex 6,13 . (7) Ex 6,29 . (8) Ex 13,1 . (9) Ex 14,1 . (10) Ex 16,11 . (11) Ex 20,1 . (12) Ex 25,1 . (13) Ex 30,11 . (14) Ex 30,17 . (15) Ex 30,22 . (16) Ex 31,1 . (17) Ex 32,7 . (18) Ex 33,1 . (19) Ex 34,31 . (20) Ex 40,1 . Lv (40) : (1) Lv 1,1 . (2) Lv 4,1 . (3) Lv 5,14 . (4) Lv 5,20 . (5) Lv 6,1 . (6) Lv 6,12 . (7) Lv 6,17 . (8) Lv 7,22 . (9) Lv 7,28 . (10) Lv 8,1 . (11) Lv 10,8 . (12) Lv 10,12 . (13) Lv 10,19 . (14) Lv 11,1 . (15) Lv 12,1 . (16) Lv 13,1 . (17) Lv 14,1 . (18) Lv 14,33 . (19) Lv 15,1 . (20) Lv 16,1 . (21) Lv 17,1 . (22) Lv 18,1 . (23) Lv 19,1 . (24) Lv 20,1 . (25) Lv 21,16 . (26) Lv 21,24 . (27) Lv 22,1 . (28) Lv 22,17 . (29) Lv 22,26 . (30) Lv 23,1 . (31) Lv 23,9 . (32) Lv 23,23 . (33) Lv 23,26 . (34) Lv 23,33 . (35) Lv 23,44 . (36) Lv 24,1 . (37) Lv 24,13 . (38) Lv 24,23 . (39) Lv 25,1 . (40) Lv 27,1 . Nu (59 = 3 X 19) . Dt (7) : (1) Dt 2,17 . (2) Dt 4,12 . (3) Dt 27,9 . (4) Dt 31,1 . (5) Dt 31,30 . (6) Dt 32,44 . (7) Dt 32,48 .
- De getalwaarde van וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) is : waw = 6 , jod = 10 ; samen : 15 ; algemeen totaal : 26 + 16 = 42 (2 X 3 X 7) OF 206 + 16 = 222 (6 X 37 OF (10 X 17) + (2 X 26) .

  bijbel Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Ex 32-34  
וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) 192 140 34 9 1 8 16 20 40 59 7 3  
וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) 1879 594 868 120 56 241 315 150 10 95 24 27  

- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ελαλησεν = elalèsen (hij sprak) van het werkw. λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in de LXX : laleô (lallen, spreken, praten) . Gn (25) . Ex (30) . Lv (38) . Nu (68) . Dt (28) . Ex (30) : (1) Ex 4,30 . (2) Ex 6,2 . (3) Ex 6,9 . (4) Ex 6,10 . (5) Ex 6,12 . (6) Ex 6,28 . (7) Ex 6,29 . (8) Ex 7,7 . (9) Ex 7,13 . (10) Ex 8,11 . (11) Ex 8,15 . (12) Ex 9,35 . (13) Ex 12,25 . (14) Ex 14,1 . (15) Ex 16,11 . (16) Ex 16,23 . (17) Ex 20,1 . (18) Ex 24,3 . (19) Ex 24,7 . (20) Ex 25,1 . (21) Ex 30,11 . (22) Ex 30,17 . (23) Ex 30,22 . (24) Ex 31,1 . (25) Ex 32,7 . (26) Ex 32,28 . (27) Ex 33,1 . (28) Ex 34,31 . (29) Ex 34,32 . (30) Ex 40,1 .
-- και ελαλησεν = kai elalèsen (en hij sprak) . LXX (187) . NT (4) .
-- ελαλησεν δε = elalèsen de (hij sprak echter) . LXX (4) . NT (1) .
- וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. אמר = ´-m-r (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Ex (150) . Lv (10) . Nu (95) . Dt (24) . Samen : 40 + 2 = 42 (6 X 7) . Ex (150) . Ex 25-31 (2) : (1) Ex 30,34 . Ex 32-34 (27) . In veertien verzen in Ex 32 : (1) Ex 32,2 (Aäron tot het volk) . (2) Ex 32,5 (Aäron tot het volk) . (3) Ex 32,9 (JHWH tot Mozes) . (4) Ex 32,11 (Mozes tot JHWH) . (5) Ex 32,17 (Jozua tot Mozes) . (6) Ex 32,18 (Mozes tot Jozua) . (7) Ex 32,21 (Mozes tot Aäron) . (8) Ex 32,22 (Aäron tot Mozes) . (9) Ex 32,26 (Mozes tot het volk) . (10) Ex 32,27 (Mozes tot de Levieten) . (11) Ex 32,29 (Mozes tot de Levieten) . (12) Ex 32,30 (Mozes tot het volk) . (13) Ex 32,31 (Mozes tot JHWH) . (14) Ex 32,33 (JHWH tot Mozes) . Aäron is driemaal aan het woord , JHWH tweemaal , Jozua éénmaal , Mozes achtmaal . Ex 33 (9) : (1) Ex 33,5 . (2) Ex 33,12 . (3) Ex 33,14 . (4) Ex 33,15 . (5) Ex 33,17 . (6) Ex 33,18 . (7) Ex 33,19 . (8) Ex 33,20 . (9) Ex 33,21 . Ex 34 (4) : (1) Ex 34,1 . (2) Ex 34,9 . (3) Ex 34,10 . (4) Ex 34,27 .
- De werkwoordvorm ειπεν = eipen (hij zei) komt veelvuldiger voor . Zie : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de LXX : legô (zeggen) . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Gn (378) . Ex (149) . Lv (15) . Nu (98) . Dt (44) .

  laleô  bijbel OT Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt   NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. elalèsen   431  400  189 106 39 11 38 25 30 38 68 28   31  13  19   
  act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen 3024  2426  684 985 234 63 309 378 149 15 98 44   598  118  56  223  114  75  397       

- Vulgaat . perf. deelw. locutus (gesproken) van het werkw. loqui (spreken) . Bijbel (559) . OT (503) . NT (56) . Ex (23) .
-- locutusque (en gesproken) . Bijbel (66) .
- Ned. : spreken . Arabisch : تَكَلَمَ = takallama (spreken) . Taalgebruik in de Qoran : takallama (spreken) . D. : sprechen . E. : to speek . Fr. : parler . Grieks : λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Hebreeuws : דָבַר = dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Lat. : loqui .
- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . D. : sprechen (spreken) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere .
- In Ex 32 is JHWH driemaal aan het woord : (1) Ex 32,7 . (2) Ex 32,9 . (3) Ex 32,33 .

2. יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenach : JHWH . Taalgebruik in Exodus : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenach (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Ex (299) . In 26 verzen in Ex 25-31 (de wetten over het heiligdom) . In veertien (2 X 7) verzen in de eerste redevoering (Ex 25,2 - 30,10) . In zeven verzen in de inleidingsformule op de redevoering . Ex 32-34 (30) . Ex 32 (9 = 3²) : (1) Ex 32,7 . (2) Ex 32,9 . (3) Ex 32,11 . (4) Ex 32,14 . (5) Ex 32,27 . (6) Ex 32,30 . (7) Ex 32,31 . (8) Ex 32,33 . (9) Ex 32,35 . Ex 33 (8) : (1) Ex 33,1 . (2) Ex 33,5 . (3) Ex 33,7 . (4) Ex 33,11 . (5) Ex 33,12 . (6) Ex 33,17 . (7) Ex 33,19 . (8) Ex 33,21 . Ex 34 (13) : (1) Ex 34,1 . (2) Ex 34,4 . (3) Ex 34,5 . (4) Ex 34,6 . (5) Ex 34,10 . (6) Ex 34,14 . (7) Ex 34,23 . (8) Ex 34,24 . (9) Ex 34,26 . (10) Ex 34,27 . (11) Ex 34,28 . (12) Ex 34,32 . (13) Ex 34,34 .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Ex 32-34 (3) : (1) Ex 32,1 . (2) Ex 32,16 . (3) Ex 32,23

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Ex 32-34
´èlohîm (God) 635 207 118 39 17 25 140 31 0 7 29 3
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 287 413 30
´èlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (je God) 299 216 28 25 12 16 2 11 4 0 199  
´èlohekhèm (jullie God) 154 82 32 15 10 15 1 7 26 3 45  
JHWH ´êlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (JHWH , je God) 267           1 8     116  

- Grieks . κυριος = kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Taalgebruik in de LXX : kurios (heer) . Een vorm van κυριος = kurios (heer) in de LXX (8591) , in het NT (718) .
- Ned. : Heer . Arabisch : رَب = rabb (God, Heer) . Taalgebruik in de Qoran : rabb (God, Heer) . Aramees : יוי = JWJ . D. : Herr . E. : Lord . Fr. : seigneur . Grieks : κυριος = kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Hebreeuws : יהוה = JHWH . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Latijn : Dominus . (Eerste medeklinker Gr. k , Ned. + D. h ; tweede medeklinker : Gr. + Ned. + D. : r ) .
- Sabbah Messod & Roger , Les secrets de l'Exode , Jean-Cyrille Godefroy , 2000 , p.93-96 . Op deze blz. wordt een verband tussen anokhi Adonai (ik de Heer) en farao Achnaton gelegd . De uitspraak van JHWH is Adonai , waarin we het Egyptische Aton , de zonneschijf , zien .

1. - 2. - וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים = wajëdabber ´èlohîm (en God sprak) . Tenakh (3) : (1) Gn 8,15 . (2) Ex 6,2 . (3) Ex 20,1 .
- וַיְדַבֵּר יהוה = wajëdabber JHWH (en JHWH sprak) . Tenach (100 = 2² X 5²) . Pentateuch (96 = 2³ X 2² X 3) . Ex (14 = 2 X 7) : (1) Ex 6,10 . (2) Ex 6,13 . (3) Ex 6,29 . (4) Ex 13,1 . (5) Ex 14,1 . (6) Ex 16,11 . (7) Ex 25,1 . (8) Ex 30,11 . (9) Ex 30,17 . (10) Ex 30,22 . (11) Ex 31,1 . (12) Ex 32,7 . (13) Ex 33,1 . (14) Ex 40,1 . Lv (35 = 5 X 7) : (1) Lv 1,1 . (2) Lv 4,1 . (3) Lv 5,14 . (4) Lv 5,20 . (5) Lv 6,1 . (6) Lv 6,12 . (7) Lv 6,17 . (8) Lv 7,22 . (9) Lv 7,28 . (10) Lv 8,1 . (11) Lv 10,8 . (12) Lv 11,1 . (13) Lv 12,1 . (14) Lv 13,1 . (15) Lv 14,1 . (16) Lv 14,33 . (17) Lv 15,1 . (18) Lv 16,1 . (19) Lv 17,1 . (20) Lv 18,1 . (21) Lv 19,1 . (22) Lv 20,1 . (23) Lv 21,16 . (24) Lv 22,1 . (25) Lv 22,17 . (26) Lv 22,26 . (27) Lv 23,1 . (28) Lv 23,9 . (29) Lv 23,23 . (30) Lv 23,26 . (31) Lv 23,33 . (32) Lv 24,1 . (33) Lv 24,13 . (34) Lv 25,1 . (35) Lv 27,1 . Van Lv 1-10 beginnen 3 hoofdstukken alzo . Van Lv 11-27 zijn het 15/17 hoofdstukken , niet in Lv 21,1 en Lv 26,1 .
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים = wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) .Gn 1 (9) . Gn 6-11 (4) . Slechts in twee verzen in Ex - Dt : (1) Ex 3,14 . (2) Nu 22,12 . Rest (4) .
- וַיּאֹמֶר יהוה = wajjo´mèr JHWH (en JHWH zei) . Tenakh (204) . Ex 25-31 (2) . Ex 30 (1) : Ex 30,34 . Ex 31 (1) : Ex 31,12 . Ex 32-34 (7) : (1) Ex 32,9 . (2) Ex 32,33 . (3) Ex 33,5 . (4) Ex 33,17 . (5) Ex 34,1 . (6) Ex 34,27 . Niet in Ex 35-40 .

1. - 5. וַיּאֹמֶר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajjo´mèr JHWH ´èl mosjèh (en JHWH zei tot Mozes) . Tenakh (66 = 2 X 3 X 11) . Ex (42) . Lv (2) . Nu (20) . Dt (2) . Ex (42 = 6 X7) . Ex 4 (3) : (1) Ex 4,4 . (2) Ex 4,19 . (3) Ex 4,21 . Ex 6 (1) : Ex 6,1 . Ex 7 - 12 (20) : (1) Ex 7,1 . (2) Ex 7,8 . (3) Ex 7,14 . (4) Ex 7,19 . (5) Ex 7,26 . (6) Ex 8,1 . (7) Ex 8,12 . (8) Ex 8,16 . (9) Ex 9,1 . (10) Ex 9,8 . (11) Ex 9,12 . (12) Ex 9,13 . (13) Ex 9,22 . (14) Ex 10,1 . (15) Ex 10,12 . (16) Ex 10,21 . (17) Ex 11,1 . (18) Ex 11,9 . (19) Ex 12,1 . (20) Ex 12,43 . Ex 14 (2) : (1) Ex 14,15 . (2) Ex 14,26 . Ex 16 (2) : (1) Ex 16,4 . (2) Ex 16,28 . Ex 17 (2) : (1) Ex 17,5 . (2) Ex 17,14 . Ex 19-24 (5) : (1) Ex 19,9 . (2) Ex 19,10 . (3) Ex 19,21 . (4) Ex 20,22 . (5) Ex 24,12 . Ex 25-31 (2) . Ex 30 (1) : Ex 30,34 . Ex 31 (1) : Ex 31,12 . Ex 32 (2) : (1) Ex 32,9 .(2) Ex 32,33 . Ex 33 (2) : Ex 33,5 . (2) Ex 33,17 . Ex 34 (1) : Ex 34,1 . Lv (2) : (1) Lv 16,2 . (2) Lv 21,1 . Nu (20) : (1) Nu 3,40 . (2) Nu 7,4 . (3) Nu 7,11 . (4) Nu 11,16 . (5) Nu 11,23 . (6) Nu 12,14 . (7) Nu 14,11 . (8) Nu 15,35 . (9) Nu 15,37 . (10) Nu 17,25 . (11) Nu 20,12 . (12) Nu 20,23 . (13) Nu 21,8 . (14) Nu 21,34 . (15) Nu 25,4 . (16) Nu 26,1 . (17) Nu 27,6 . (18) Nu 27,12 . (19) Nu 27,18 . (20) Nu 31,25 . Dt (2) : (1) Dt 31,14 . (2) Dt 31,16 .
- וַיְדַבֵּר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber JHWH èl mosjèh (en JHWH sprak tot Mozes) . Tenakh (91 = 7 X 13) . Pentateuch (91 = 7 X 13) . Ex (14 = 2 X 7) . (1) Ex 6,10 . (2) Ex 6,13 . (3) Ex 6,29 . (4) Ex 13,1 . (5) Ex 14,1 . (6) Ex 16,11 . (7) Ex 25,1 . (8) Ex 30,11 . (9) Ex 30,17 . (10) Ex 30,22 . (11) Ex 31,1 . (12) Ex 32,7 . (13) Ex 33,1 . (14) Ex 40,1 .
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajjo´mèr ´èlohîm 'èl mosjèh (en God zei tot Mozes) . Tenakh (1) . Ex 3,14 .
- וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber ´èlohîm ´èl mosjèh (en God sprak tot Mozes) . Tenakh (1) : (1) Ex 6,2 .
- Ex 32-34 : 7X spreekt JHWH tot Mozes : (1) Ex 32,7 . (2) Ex 32,9 . (3) Ex 32,33 . (4) Ex 33,1 . 5) Ex 33,5 . (6) Ex 33,17 . (7) Ex 34,1 .


Ex 33,6 - Ex 33,6 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
6kai perieilanto oi uioi israèl ton kosmon autôn kai tèn peristolèn apo tou orous tou chôrèb  6 deposuerunt ergo filii Israhel ornatum suum a monte Horeb    6 De kinderen Israëls dan beroofden zichzelven van hun versierselen, verre van den berg Horeb.  [6] Daarom droegen de Israëlieten sinds de Horeb geen sieraden meer.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van


Ex 33,7 - Ex 33,7 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
7kai labôn môusès tèn skènèn autou epèxen exô tès parembolès makran apo tès parembolès kai eklèthè skènè marturiou kai egeneto pas o zètôn kurion exeporeueto eis tèn skènèn exô tès parembolès  7 Moses quoque tollens tabernaculum tetendit extra castra procul vocavitque nomen eius tabernaculum foederis et omnis populus qui habebat aliquam quaestionem egrediebatur ad tabernaculum foederis extra castra    7 En Mozes nam de tent, en spande ze zich buiten het leger, ver van het leger afwijkende; en hij noemde ze de Tent der samenkomst. En het geschiedde, dat al wie den HEERE zocht, uitging tot de tent der samenkomst, die buiten het leger was.  [7] Mozes sloeg telkens de tent op buiten het kamp, op een behoorlijke afstand; hij noemde haar ‘tent* van samenkomst’. Iedereen die de heer zocht, ging naar deze tent, buiten het kamp.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van


Ex 33,8 - Ex 33,8 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
8ènika d' an eiseporeueto môusès eis tèn skènèn exô tès parembolès eistèkei pas o laos skopeuontes ekastos para tas thuras tès skènès autou kai katenoousan apiontos môusè eôs tou eiselthein auton eis tèn skènèn  8 cumque egrederetur Moses ad tabernaculum surgebat universa plebs et stabat unusquisque in ostio papilionis sui aspiciebantque tergum Mosi donec ingrederetur tentorium    8 En het geschiedde, wanneer Mozes uitging naar de tent, stond al het volk op, en een ieder stelde zich in de deur zijner tent; en zij zagen Mozes na, totdat hij de tent ingegaan was.   [8] Als Mozes naar de tent ging, gingen alle mensen voor de ingang van hun tent staan en bleven ze hem nakijken tot hij in de tent was verdwenen.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 33,9 - Ex 33,9 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
9ôs d' an eisèlthen môusès eis tèn skènèn katebainen o stulos tès nefelès kai istato epi tèn thuran tès skènès kai elalei môusè  9 ingresso autem illo tabernaculum foederis descendebat columna nubis et stabat ad ostium loquebaturque cum Mosi     9 En het geschiedde, als Mozes de tent ingegaan was, zo kwam de wolkkolom nederwaarts, en stond in de deur der tent, en Hij sprak met Mozes.   [9] En als Mozes dan binnen was, daalde de wolkkolom neer en bleef staan boven de ingang van de tent. Dan sprak de heer tot Mozes.   [9] Zodra hij in de tent was daalde de wolkkolom neer, en deze bleef bij de ingang staan. Dan sprak de HEER met Mozes.   9 Zo is het geweest: als Mozes aankwam in de tent,– daalde de wolkzuil neer en bleef staan in de opening van de tent; hij sprak dan met Mozes.   9. Chaque fois que Moïse entrait dans la Tente, la colonne de nuée descendait, se tenait à l'entrée de la Tente et Il parlait avec Moïse. 

King James Bible . [9] And it came to pass, as Moses entered into the tabernacle, the cloudy pillar descended, and stood at the door of the tabernacle, and the LORD talked with Moses.
Luther-Bibel . 9 Und wenn Mose zur Stiftshütte kam, so kam die Wolkensäule hernieder und stand in der Tür der Stiftshütte, und der HERR redete mit Mose.

Tekstuitleg van Ex 33,9 . Dit vers Ex 33,9 telt 13 woorden en 46 (2 X 23) letters . De getalwaarde van Ex 33,9 is 2265 (3 X 5 X 151) .

10. hè`ânân (de wolk) . Verwijzing : `ânân (wolk) , zie Ex 13,21 . Getalwaarde van `ânân (wolk) : ajin = 16 of 70 , nun = 14 of 50 ; totaal 44 (2 X 2 X 11) of 170 (10 X 17) ; 17 is de getalwaarde van kabhod (heerlijkheid) . Bepalend lidwoord en zelfstandig naamwoord mannelijk enkelvoud . In dertig verzen in de bijbel . In zesentwintig (26 is de getalwaarde van de naam JHWH) verzen in de Pentateuch : Gn (-) . Ex (13) . Nu (11) . Dt (2) . Niet in Gn . In dertien verzen in Ex . In Ex 13 komt het woord voor het eerst voor . In de vier (bovengenoemde) verzen van Ex : (1) Ex 13,22 . (2) Ex 14,19 . (3) Ex 33,9 . (4) Ex 33,10 . Verder : (1) Ex 14,20 . (2) Ex 19,9 . (3) Ex 24,15 : wajëkhas hè`ânân (en de wolk bedekte) . (4) Ex 24,16 . (5) Ex 24,18 . (6) Ex 40,34 : wajëkhas hè`ânân (en de wolk bedekte) . (7) Ex 40,35 . (8) Ex 40,36 . (9) Ex 40,37 . In elf verzen in Nu : (1) Nu 9,15 . (2) Nu 9,16 . (3) Nu 9,17 . (4) Nu 9,18 . (5) Nu 9,19 . (6) Nu 9,20 . (7) Nu 9,21 . (8) Nu 9,22 . (9) Nu 10,11 . (10) Nu 10,12 . (11) Nu 17,7 . In twee verzen in Dt : (1) Dt 5,22 . (2) Dt 31,15 .

Ex 33,10 - Ex 33,10 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
10kai eôra pas o laos ton stulon tès nefelès estôta epi tès thuras tès skènès kai stantes pas o laos prosekunèsan ekastos apo tès thuras tès skènès autou  10 cernentibus universis quod columna nubis staret ad ostium tabernaculi stabantque ipsi et adorabant per fores tabernaculorum suorum     10 Als het volk de wolkkolom zag staan in de deur der tent, zo stond al het volk op, en zij bogen zich, een ieder in de deur zijner tent.  [10] Zodra de mensen de wolkkolom boven de ingang van de tent zagen staan, bogen zij zich neer bij de ingang van hun tent.  [10] Wanneer het volk de wolkkolom bij de ingang van de tent zag staan, boog ieder zich voor de ingang van zijn tent neer.   10 Zag heel de gemeente de wolkzuil staan in de opening van de tent, dan stond heel de gemeente op en bogen ze zich neer, ieder voor de opening van zijn tent.   10. Tout le peuple voyait la colonne de nuée qui se tenait à l'entrée de la Tente, et tout le peuple se levait et se prosternait, chacun à l'entrée de sa tente.  

King James Bible .[10] And all the people saw the cloudy pillar stand at the tabernacle door: and all the people rose up and worshipped, every man in his tent door.
Luther-Bibel . 10 Und alles Volk sah die Wolkensäule in der Tür der Stiftshütte stehen, und sie standen auf und neigten sich, ein jeder in seines Zeltes Tür.

Tekstuitleg van Ex 33,10 . Dit vers Ex 33,10 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 54 (2 X 3 X 3 X 3) letters . De getalwaarde van Ex 33,10 is 3599(59 X 61) .

6. hè`ânân (de wolk) . Verwijzing : `ânân (wolk) , zie Ex 13,21 . Getalwaarde van `ânân (wolk) : ajin = 16 of 70 , nun = 14 of 50 ; totaal 44 (2 X 2 X 11) of 170 (10 X 17) ; 17 is de getalwaarde van kabhod (heerlijkheid) . Bepalend lidwoord en zelfstandig naamwoord mannelijk enkelvoud . In dertig verzen in de bijbel . In zesentwintig (26 is de getalwaarde van de naam JHWH) verzen in de Pentateuch : Gn (-) . Ex (13) . Nu (11) . Dt (2) . Niet in Gn . In dertien verzen in Ex . In Ex 13 komt het woord voor het eerst voor . In de vier (bovengenoemde) verzen van Ex : (1) Ex 13,22 . (2) Ex 14,19 . (3) Ex 33,9 . (4) Ex 33,10 . Verder : (1) Ex 14,20 . (2) Ex 19,9 . (3) Ex 24,15 : wajëkhas hè`ânân (en de wolk bedekte) . (4) Ex 24,16 . (5) Ex 24,18 . (6) Ex 40,34 : wajëkhas hè`ânân (en de wolk bedekte) . (7) Ex 40,35 . (8) Ex 40,36 . (9) Ex 40,37 . In elf verzen in Nu : (1) Nu 9,15 . (2) Nu 9,16 . (3) Nu 9,17 . (4) Nu 9,18 . (5) Nu 9,19 . (6) Nu 9,20 . (7) Nu 9,21 . (8) Nu 9,22 . (9) Nu 10,11 . (10) Nu 10,12 . (11) Nu 17,7 . In twee verzen in Dt : (1) Dt 5,22 . (2) Dt 31,15 .

Ex 33,11 - Ex 33,11 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
11kai elalèsen kurios pros môusèn enôpios enôpiô ôs ei tis lalèsei pros ton eautou filon kai apelueto eis tèn parembolèn o de therapôn ièsous uios nauè neos ouk exeporeueto ek tès skènès  11 loquebatur autem Dominus ad Mosen facie ad faciem sicut loqui solet homo ad amicum suum cumque ille reverteretur in castra minister eius Iosue filius Nun puer non recedebat de tabernaculo    11 En de HEERE sprak tot Mozes aangezicht aan aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt; daarna keerde hij weder tot het leger; doch zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, de jongeling, week niet uit het midden der tent.   [11] De heer sprak dan tot Mozes van aangezicht* tot aangezicht, zoals een mens met zijn medemens spreekt. Ook als Mozes naar het kamp terugging, verliet* zijn jeugdige helper Jozua, zoon van Nun, de tent niet.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

5. - 7. pânîm èl pânîm (van aangezicht tot aangezicht) . In vijf verzen in de bijbel : (1) Gn 32,31 . (2) Ex 33,11 . (3) Dt 34,10 . (4) Re 6,22 . (5) Ez 20,35 .

Ex 33,12 - Ex 33,12 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
12kai eipen môusès pros kurion idou su moi legeis anagage ton laon touton su de ouk edèlôsas moi on sunaposteleis met' emou su de moi eipas oida se para pantas kai charin echeis par' emoi  12 dixit autem Moses ad Dominum praecipis ut educam populum istum et non indicas mihi quem missurus es mecum praesertim cum dixeris novi te ex nomine et invenisti gratiam coram me     12 En Mozes zeide tot den HEERE: Zie, Gij zegt tot mij: Voer dit volk op! maar Gij laat mij niet weten, wien Gij met mij zult zenden; daar Gij gezegd hebt: Ik ken u bij name! en ook: Gij hebt genade gevonden in Mijn ogen!  [12] Mozes sprak tot de heer: ‘U zegt wel tegen mij: “Leid dit volk weg”, maar U hebt mij niet laten weten wie U met mij meezendt. Toch hebt U gezegd: “Ik ken u bij naam en u hebt bij Mij genade gevonden.”        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van


Ex 33,13 - Ex 33,13 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
13ei oun eurèka charin enantion sou emfanison moi seauton gnôstôs idô se opôs an ô eurèkôs charin enantion sou kai ina gnô oti laos sou to ethnos to mega touto  13 si ergo inveni gratiam in conspectu tuo ostende mihi viam tuam ut sciam te et inveniam gratiam ante oculos tuos respice populum tuum gentem hanc    13 Nu dan, ik bidde, indien ik genade gevonden heb in Uw ogen, zo laat mij nu Uw weg weten, en ik zal U kennen, opdat ik genade vinde in Uw ogen; en zie aan, dat deze natie Uw volk is!   [13] Als ik inderdaad uw gunst geniet, laat mij dan weten wat uw plannen zijn. Dan zal ik ervaren wie U bent. Dan zal ik weten dat ik nog steeds uw gunst geniet. Bedenk toch dat al deze mensen uw volk zijn.’       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 33,14 - Ex 33,14 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
14kai legei autos proporeusomai sou kai katapausô se  14 dixitque Dominus facies mea praecedet te et requiem dabo tibi    14 Hij dan zeide: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan, om u gerust te stellen?   [14] De heer vroeg toen: ‘Moet mijn aangezicht met u meegaan en moet Ik u rust geven?’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

1. prefix voegwoord wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) van het werkw. דָבַר = dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Getalwaarde : daleth = 4 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 26 (2 X 13) OF 206 = (2 X 103) . Structuur : 4 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (192 = 26 X 7) . Pentateuch (140 = 20 X 7) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (8) . Gn (16) : (1) Gn 8,15 . (2) Gn 17,3 . (3) Gn 19,14 . (4) Gn 20,8 . (5) Gn 23,3 . (6) Gn 23,8 . (7) Gn 23,13 . (8) Gn 34,3 . (9) Gn 34,8 . (10) Gn 41,9 . (11) Gn 41,17 . (12) Gn 42,7 . (13) Gn 42,24 . (14) Gn 44,6 . (15) Gn 50,4 . (16) Gn 50,21 . Ex (20) : (1) Ex 4,30 . (2) Ex 6,2 . (3) Ex 6,9 . (4) Ex 6,10 . (5) Ex 6,12 . (6) Ex 6,13 . (7) Ex 6,29 . (8) Ex 13,1 . (9) Ex 14,1 . (10) Ex 16,11 . (11) Ex 20,1 . (12) Ex 25,1 . (13) Ex 30,11 . (14) Ex 30,17 . (15) Ex 30,22 . (16) Ex 31,1 . (17) Ex 32,7 . (18) Ex 33,1 . (19) Ex 34,31 . (20) Ex 40,1 . Lv (40) : (1) Lv 1,1 . (2) Lv 4,1 . (3) Lv 5,14 . (4) Lv 5,20 . (5) Lv 6,1 . (6) Lv 6,12 . (7) Lv 6,17 . (8) Lv 7,22 . (9) Lv 7,28 . (10) Lv 8,1 . (11) Lv 10,8 . (12) Lv 10,12 . (13) Lv 10,19 . (14) Lv 11,1 . (15) Lv 12,1 . (16) Lv 13,1 . (17) Lv 14,1 . (18) Lv 14,33 . (19) Lv 15,1 . (20) Lv 16,1 . (21) Lv 17,1 . (22) Lv 18,1 . (23) Lv 19,1 . (24) Lv 20,1 . (25) Lv 21,16 . (26) Lv 21,24 . (27) Lv 22,1 . (28) Lv 22,17 . (29) Lv 22,26 . (30) Lv 23,1 . (31) Lv 23,9 . (32) Lv 23,23 . (33) Lv 23,26 . (34) Lv 23,33 . (35) Lv 23,44 . (36) Lv 24,1 . (37) Lv 24,13 . (38) Lv 24,23 . (39) Lv 25,1 . (40) Lv 27,1 . Nu (59 = 3 X 19) . Dt (7) : (1) Dt 2,17 . (2) Dt 4,12 . (3) Dt 27,9 . (4) Dt 31,1 . (5) Dt 31,30 . (6) Dt 32,44 . (7) Dt 32,48 .
- De getalwaarde van וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) is : waw = 6 , jod = 10 ; samen : 15 ; algemeen totaal : 26 + 16 = 42 (2 X 3 X 7) OF 206 + 16 = 222 (6 X 37 OF (10 X 17) + (2 X 26) .

  bijbel Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Ex 32-34  
וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) 192 140 34 9 1 8 16 20 40 59 7 3  
וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) 1879 594 868 120 56 241 315 150 10 95 24 27  

- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ελαλησεν = elalèsen (hij sprak) van het werkw. λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in de LXX : laleô (lallen, spreken, praten) . Gn (25) . Ex (30) . Lv (38) . Nu (68) . Dt (28) . Ex (30) : (1) Ex 4,30 . (2) Ex 6,2 . (3) Ex 6,9 . (4) Ex 6,10 . (5) Ex 6,12 . (6) Ex 6,28 . (7) Ex 6,29 . (8) Ex 7,7 . (9) Ex 7,13 . (10) Ex 8,11 . (11) Ex 8,15 . (12) Ex 9,35 . (13) Ex 12,25 . (14) Ex 14,1 . (15) Ex 16,11 . (16) Ex 16,23 . (17) Ex 20,1 . (18) Ex 24,3 . (19) Ex 24,7 . (20) Ex 25,1 . (21) Ex 30,11 . (22) Ex 30,17 . (23) Ex 30,22 . (24) Ex 31,1 . (25) Ex 32,7 . (26) Ex 32,28 . (27) Ex 33,1 . (28) Ex 34,31 . (29) Ex 34,32 . (30) Ex 40,1 .
-- και ελαλησεν = kai elalèsen (en hij sprak) . LXX (187) . NT (4) .
-- ελαλησεν δε = elalèsen de (hij sprak echter) . LXX (4) . NT (1) .
- וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. אמר = ´-m-r (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Ex (150) . Lv (10) . Nu (95) . Dt (24) . Samen : 40 + 2 = 42 (6 X 7) . Ex (150) . Ex 25-31 (2) : (1) Ex 30,34 . Ex 32-34 (27) . In veertien verzen in Ex 32 : (1) Ex 32,2 (Aäron tot het volk) . (2) Ex 32,5 (Aäron tot het volk) . (3) Ex 32,9 (JHWH tot Mozes) . (4) Ex 32,11 (Mozes tot JHWH) . (5) Ex 32,17 (Jozua tot Mozes) . (6) Ex 32,18 (Mozes tot Jozua) . (7) Ex 32,21 (Mozes tot Aäron) . (8) Ex 32,22 (Aäron tot Mozes) . (9) Ex 32,26 (Mozes tot het volk) . (10) Ex 32,27 (Mozes tot de Levieten) . (11) Ex 32,29 (Mozes tot de Levieten) . (12) Ex 32,30 (Mozes tot het volk) . (13) Ex 32,31 (Mozes tot JHWH) . (14) Ex 32,33 (JHWH tot Mozes) . Aäron is driemaal aan het woord , JHWH tweemaal , Jozua éénmaal , Mozes achtmaal . Ex 33 (9) : (1) Ex 33,5 . (2) Ex 33,12 . (3) Ex 33,14 . (4) Ex 33,15 . (5) Ex 33,17 . (6) Ex 33,18 . (7) Ex 33,19 . (8) Ex 33,20 . (9) Ex 33,21 . Ex 34 (4) : (1) Ex 34,1 . (2) Ex 34,9 . (3) Ex 34,10 . (4) Ex 34,27 .
- De werkwoordvorm ειπεν = eipen (hij zei) komt veelvuldiger voor . Zie : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de LXX : legô (zeggen) . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Gn (378) . Ex (149) . Lv (15) . Nu (98) . Dt (44) .

  laleô  bijbel OT Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt   NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. elalèsen   431  400  189 106 39 11 38 25 30 38 68 28   31  13  19   
  act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen 3024  2426  684 985 234 63 309 378 149 15 98 44   598  118  56  223  114  75  397       

- Vulgaat . perf. deelw. locutus (gesproken) van het werkw. loqui (spreken) . Bijbel (559) . OT (503) . NT (56) . Ex (23) .
-- locutusque (en gesproken) . Bijbel (66) .
- Ned. : spreken . Arabisch : تَكَلَمَ = takallama (spreken) . Taalgebruik in de Qoran : takallama (spreken) . D. : sprechen . E. : to speek . Fr. : parler . Grieks : λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Hebreeuws : דָבַר = dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Lat. : loqui .
- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . D. : sprechen (spreken) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere .


Ex 33,15 - Ex 33,15 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
15kai legei pros auton ei mè autos su poreuè mè me anagagès enteuthen 15 et ait Moses si non tu ipse praecedes ne educas nos de loco isto    15 Toen zeide hij tot Hem: Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken!  [15] Mozes antwoordde: ‘Als uw aangezicht niet meegaat, laat ons dan niet van hier vertrekken.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van


Ex 33,16 - Ex 33,16 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
16kai pôs gnôston estai alèthôs oti eurèka charin para soi egô te kai o laos sou all' è sumporeuomenou sou meth' èmôn kai endoxasthèsomai egô te kai o laos sou para panta ta ethnè osa epi tès gès estin  16 in quo enim scire poterimus ego et populus tuus invenisse nos gratiam in conspectu tuo nisi ambulaveris nobiscum ut glorificemur ab omnibus populis qui habitant super terram    16 Want waarbij zou nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in Uw ogen, ik en Uw volk? Is het niet daarbij, dat Gij met ons gaat? Alzo zullen wij afgezonderd worden, ik en Uw volk, van alle volk, dat op den aardbodem is.   [16] Hoe is het anders duidelijk dat ik en uw volk uw gunst genieten, tenzij doordat U met ons meetrekt? Ik en uw volk nemen toch een bijzondere plaats in onder alle volken op de aardbodem.’       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van


Ex 33,17 - Ex 33,17 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
17kai eipen kurios pros môusèn kai touton soi ton logon on eirèkas poièsô eurèkas gar charin enôpion mou kai oida se para pantas  17 dixit autem Dominus ad Mosen et verbum istud quod locutus es faciam invenisti enim gratiam coram me et te ipsum novi ex nomine     17 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ook deze zelfde zaak, die gij gesproken hebt, zal Ik doen, dewijl gij genade gevonden hebt in Mijn ogen, en Ik u bij name ken.   [17] Toen sprak de heer tot Mozes: ‘Ook wat u nu vraagt zal Ik doen, want u hebt bij Mij genade gevonden en Ik ken u bij uw naam.’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

1. prefix voegwoord wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) van het werkw. דָבַר = dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Getalwaarde : daleth = 4 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 26 (2 X 13) OF 206 = (2 X 103) . Structuur : 4 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (192 = 26 X 7) . Pentateuch (140 = 20 X 7) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (8) . Gn (16) : (1) Gn 8,15 . (2) Gn 17,3 . (3) Gn 19,14 . (4) Gn 20,8 . (5) Gn 23,3 . (6) Gn 23,8 . (7) Gn 23,13 . (8) Gn 34,3 . (9) Gn 34,8 . (10) Gn 41,9 . (11) Gn 41,17 . (12) Gn 42,7 . (13) Gn 42,24 . (14) Gn 44,6 . (15) Gn 50,4 . (16) Gn 50,21 . Ex (20) : (1) Ex 4,30 . (2) Ex 6,2 . (3) Ex 6,9 . (4) Ex 6,10 . (5) Ex 6,12 . (6) Ex 6,13 . (7) Ex 6,29 . (8) Ex 13,1 . (9) Ex 14,1 . (10) Ex 16,11 . (11) Ex 20,1 . (12) Ex 25,1 . (13) Ex 30,11 . (14) Ex 30,17 . (15) Ex 30,22 . (16) Ex 31,1 . (17) Ex 32,7 . (18) Ex 33,1 . (19) Ex 34,31 . (20) Ex 40,1 . Lv (40) : (1) Lv 1,1 . (2) Lv 4,1 . (3) Lv 5,14 . (4) Lv 5,20 . (5) Lv 6,1 . (6) Lv 6,12 . (7) Lv 6,17 . (8) Lv 7,22 . (9) Lv 7,28 . (10) Lv 8,1 . (11) Lv 10,8 . (12) Lv 10,12 . (13) Lv 10,19 . (14) Lv 11,1 . (15) Lv 12,1 . (16) Lv 13,1 . (17) Lv 14,1 . (18) Lv 14,33 . (19) Lv 15,1 . (20) Lv 16,1 . (21) Lv 17,1 . (22) Lv 18,1 . (23) Lv 19,1 . (24) Lv 20,1 . (25) Lv 21,16 . (26) Lv 21,24 . (27) Lv 22,1 . (28) Lv 22,17 . (29) Lv 22,26 . (30) Lv 23,1 . (31) Lv 23,9 . (32) Lv 23,23 . (33) Lv 23,26 . (34) Lv 23,33 . (35) Lv 23,44 . (36) Lv 24,1 . (37) Lv 24,13 . (38) Lv 24,23 . (39) Lv 25,1 . (40) Lv 27,1 . Nu (59 = 3 X 19) . Dt (7) : (1) Dt 2,17 . (2) Dt 4,12 . (3) Dt 27,9 . (4) Dt 31,1 . (5) Dt 31,30 . (6) Dt 32,44 . (7) Dt 32,48 .
- De getalwaarde van וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) is : waw = 6 , jod = 10 ; samen : 15 ; algemeen totaal : 26 + 16 = 42 (2 X 3 X 7) OF 206 + 16 = 222 (6 X 37 OF (10 X 17) + (2 X 26) .

  bijbel Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Ex 32-34  
וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) 192 140 34 9 1 8 16 20 40 59 7 3  
וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) 1879 594 868 120 56 241 315 150 10 95 24 27  

- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ελαλησεν = elalèsen (hij sprak) van het werkw. λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in de LXX : laleô (lallen, spreken, praten) . Gn (25) . Ex (30) . Lv (38) . Nu (68) . Dt (28) . Ex (30) : (1) Ex 4,30 . (2) Ex 6,2 . (3) Ex 6,9 . (4) Ex 6,10 . (5) Ex 6,12 . (6) Ex 6,28 . (7) Ex 6,29 . (8) Ex 7,7 . (9) Ex 7,13 . (10) Ex 8,11 . (11) Ex 8,15 . (12) Ex 9,35 . (13) Ex 12,25 . (14) Ex 14,1 . (15) Ex 16,11 . (16) Ex 16,23 . (17) Ex 20,1 . (18) Ex 24,3 . (19) Ex 24,7 . (20) Ex 25,1 . (21) Ex 30,11 . (22) Ex 30,17 . (23) Ex 30,22 . (24) Ex 31,1 . (25) Ex 32,7 . (26) Ex 32,28 . (27) Ex 33,1 . (28) Ex 34,31 . (29) Ex 34,32 . (30) Ex 40,1 .
-- και ελαλησεν = kai elalèsen (en hij sprak) . LXX (187) . NT (4) .
-- ελαλησεν δε = elalèsen de (hij sprak echter) . LXX (4) . NT (1) .
- וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. אמר = ´-m-r (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Ex (150) . Lv (10) . Nu (95) . Dt (24) . Samen : 40 + 2 = 42 (6 X 7) . Ex (150) . Ex 25-31 (2) : (1) Ex 30,34 . Ex 32-34 (27) . In veertien verzen in Ex 32 : (1) Ex 32,2 (Aäron tot het volk) . (2) Ex 32,5 (Aäron tot het volk) . (3) Ex 32,9 (JHWH tot Mozes) . (4) Ex 32,11 (Mozes tot JHWH) . (5) Ex 32,17 (Jozua tot Mozes) . (6) Ex 32,18 (Mozes tot Jozua) . (7) Ex 32,21 (Mozes tot Aäron) . (8) Ex 32,22 (Aäron tot Mozes) . (9) Ex 32,26 (Mozes tot het volk) . (10) Ex 32,27 (Mozes tot de Levieten) . (11) Ex 32,29 (Mozes tot de Levieten) . (12) Ex 32,30 (Mozes tot het volk) . (13) Ex 32,31 (Mozes tot JHWH) . (14) Ex 32,33 (JHWH tot Mozes) . Aäron is driemaal aan het woord , JHWH tweemaal , Jozua éénmaal , Mozes achtmaal . Ex 33 (9) : (1) Ex 33,5 . (2) Ex 33,12 . (3) Ex 33,14 . (4) Ex 33,15 . (5) Ex 33,17 . (6) Ex 33,18 . (7) Ex 33,19 . (8) Ex 33,20 . (9) Ex 33,21 . Ex 34 (4) : (1) Ex 34,1 . (2) Ex 34,9 . (3) Ex 34,10 . (4) Ex 34,27 .
- De werkwoordvorm ειπεν = eipen (hij zei) komt veelvuldiger voor . Zie : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de LXX : legô (zeggen) . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Gn (378) . Ex (149) . Lv (15) . Nu (98) . Dt (44) .

  laleô  bijbel OT Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt   NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. elalèsen   431  400  189 106 39 11 38 25 30 38 68 28   31  13  19   
  act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen 3024  2426  684 985 234 63 309 378 149 15 98 44   598  118  56  223  114  75  397       

- Vulgaat . perf. deelw. locutus (gesproken) van het werkw. loqui (spreken) . Bijbel (559) . OT (503) . NT (56) . Ex (23) .
-- locutusque (en gesproken) . Bijbel (66) .
- Ned. : spreken . Arabisch : تَكَلَمَ = takallama (spreken) . Taalgebruik in de Qoran : takallama (spreken) . D. : sprechen . E. : to speek . Fr. : parler . Grieks : λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Hebreeuws : דָבַר = dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Lat. : loqui .
- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . D. : sprechen (spreken) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere .
- In Ex 32 is JHWH driemaal aan het woord : (1) Ex 32,7 . (2) Ex 32,9 . (3) Ex 32,33 .

2. יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenach : JHWH . Taalgebruik in Exodus : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenach (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Ex (299) . In 26 verzen in Ex 25-31 (de wetten over het heiligdom) . In veertien (2 X 7) verzen in de eerste redevoering (Ex 25,2 - 30,10) . In zeven verzen in de inleidingsformule op de redevoering . Ex 32-34 (30) . Ex 32 (9 = 3²) : (1) Ex 32,7 . (2) Ex 32,9 . (3) Ex 32,11 . (4) Ex 32,14 . (5) Ex 32,27 . (6) Ex 32,30 . (7) Ex 32,31 . (8) Ex 32,33 . (9) Ex 32,35 . Ex 33 (8) : (1) Ex 33,1 . (2) Ex 33,5 . (3) Ex 33,7 . (4) Ex 33,11 . (5) Ex 33,12 . (6) Ex 33,17 . (7) Ex 33,19 . (8) Ex 33,21 . Ex 34 (13) : (1) Ex 34,1 . (2) Ex 34,4 . (3) Ex 34,5 . (4) Ex 34,6 . (5) Ex 34,10 . (6) Ex 34,14 . (7) Ex 34,23 . (8) Ex 34,24 . (9) Ex 34,26 . (10) Ex 34,27 . (11) Ex 34,28 . (12) Ex 34,32 . (13) Ex 34,34 .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Ex 32-34 (3) : (1) Ex 32,1 . (2) Ex 32,16 . (3) Ex 32,23

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Ex 32-34
´èlohîm (God) 635 207 118 39 17 25 140 31 0 7 29 3
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 287 413 30
´èlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (je God) 299 216 28 25 12 16 2 11 4 0 199  
´èlohekhèm (jullie God) 154 82 32 15 10 15 1 7 26 3 45  
JHWH ´êlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (JHWH , je God) 267           1 8     116  

- Grieks . κυριος = kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Taalgebruik in de LXX : kurios (heer) . Een vorm van κυριος = kurios (heer) in de LXX (8591) , in het NT (718) .
- Ned. : Heer . Arabisch : رَب = rabb (God, Heer) . Taalgebruik in de Qoran : rabb (God, Heer) . Aramees : יוי = JWJ . D. : Herr . E. : Lord . Fr. : seigneur . Grieks : κυριος = kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Hebreeuws : יהוה = JHWH . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Latijn : Dominus . (Eerste medeklinker Gr. k , Ned. + D. h ; tweede medeklinker : Gr. + Ned. + D. : r ) .
- Sabbah Messod & Roger , Les secrets de l'Exode , Jean-Cyrille Godefroy , 2000 , p.93-96 . Op deze blz. wordt een verband tussen anokhi Adonai (ik de Heer) en farao Achnaton gelegd . De uitspraak van JHWH is Adonai , waarin we het Egyptische Aton , de zonneschijf , zien . ²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²²

1.- 2. - וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים = wajëdabber ´èlohîm (en God sprak) . Tenakh (3) : (1) Gn 8,15 . (2) Ex 6,2 . (3) Ex 20,1 .
- וַיְדַבֵּר יהוה = wajëdabber JHWH (en JHWH sprak) . Tenach (100 = 2² X 5²) . Pentateuch (96 = 2³ X 2² X 3) . Ex (14 = 2 X 7) : (1) Ex 6,10 . (2) Ex 6,13 . (3) Ex 6,29 . (4) Ex 13,1 . (5) Ex 14,1 . (6) Ex 16,11 . (7) Ex 25,1 . (8) Ex 30,11 . (9) Ex 30,17 . (10) Ex 30,22 . (11) Ex 31,1 . (12) Ex 32,7 . (13) Ex 33,1 . (14) Ex 40,1 . Lv (35 = 5 X 7) : (1) Lv 1,1 . (2) Lv 4,1 . (3) Lv 5,14 . (4) Lv 5,20 . (5) Lv 6,1 . (6) Lv 6,12 . (7) Lv 6,17 . (8) Lv 7,22 . (9) Lv 7,28 . (10) Lv 8,1 . (11) Lv 10,8 . (12) Lv 11,1 . (13) Lv 12,1 . (14) Lv 13,1 . (15) Lv 14,1 . (16) Lv 14,33 . (17) Lv 15,1 . (18) Lv 16,1 . (19) Lv 17,1 . (20) Lv 18,1 . (21) Lv 19,1 . (22) Lv 20,1 . (23) Lv 21,16 . (24) Lv 22,1 . (25) Lv 22,17 . (26) Lv 22,26 . (27) Lv 23,1 . (28) Lv 23,9 . (29) Lv 23,23 . (30) Lv 23,26 . (31) Lv 23,33 . (32) Lv 24,1 . (33) Lv 24,13 . (34) Lv 25,1 . (35) Lv 27,1 . Van Lv 1-10 beginnen 3 hoofdstukken alzo . Van Lv 11-27 zijn het 15/17 hoofdstukken , niet in Lv 21,1 en Lv 26,1 .
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים = wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) .Gn 1 (9) . Gn 6-11 (4) . Slechts in twee verzen in Ex - Dt : (1) Ex 3,14 . (2) Nu 22,12 . Rest (4) .
- וַיּאֹמֶר יהוה = wajjo´mèr JHWH (en JHWH zei) . Tenakh (204) . Ex 25-31 (2) . Ex 30 (1) : Ex 30,34 . Ex 31 (1) : Ex 31,12 . Ex 32-34 (7) : (1) Ex 32,9 . (2) Ex 32,33 . (3) Ex 33,5 . (4) Ex 33,17 . (5) Ex 34,1 . (6) Ex 34,27 . Niet in Ex 35-40 .

1. - 4. וַיּאֹמֶר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajjo´mèr JHWH ´èl mosjèh (en JHWH zei tot Mozes) . Tenakh (66 = 2 X 3 X 11) . Ex (42) . Lv (2) . Nu (20) . Dt (2) . Ex (42 = 6 X7) . Ex 4 (3) : (1) Ex 4,4 . (2) Ex 4,19 . (3) Ex 4,21 . Ex 6 (1) : Ex 6,1 . Ex 7 - 12 (20) : (1) Ex 7,1 . (2) Ex 7,8 . (3) Ex 7,14 . (4) Ex 7,19 . (5) Ex 7,26 . (6) Ex 8,1 . (7) Ex 8,12 . (8) Ex 8,16 . (9) Ex 9,1 . (10) Ex 9,8 . (11) Ex 9,12 . (12) Ex 9,13 . (13) Ex 9,22 . (14) Ex 10,1 . (15) Ex 10,12 . (16) Ex 10,21 . (17) Ex 11,1 . (18) Ex 11,9 . (19) Ex 12,1 . (20) Ex 12,43 . Ex 14 (2) : (1) Ex 14,15 . (2) Ex 14,26 . Ex 16 (2) : (1) Ex 16,4 . (2) Ex 16,28 . Ex 17 (2) : (1) Ex 17,5 . (2) Ex 17,14 . Ex 19-24 (5) : (1) Ex 19,9 . (2) Ex 19,10 . (3) Ex 19,21 . (4) Ex 20,22 . (5) Ex 24,12 . Ex 25-31 (2) . Ex 30 (1) : Ex 30,34 . Ex 31 (1) : Ex 31,12 . Ex 32 (2) : (1) Ex 32,9 .(2) Ex 32,33 . Ex 33 (2) : Ex 33,5 . (2) Ex 33,17 . Ex 34 (1) : Ex 34,1 . Lv (2) : (1) Lv 16,2 . (2) Lv 21,1 . Nu (20) : (1) Nu 3,40 . (2) Nu 7,4 . (3) Nu 7,11 . (4) Nu 11,16 . (5) Nu 11,23 . (6) Nu 12,14 . (7) Nu 14,11 . (8) Nu 15,35 . (9) Nu 15,37 . (10) Nu 17,25 . (11) Nu 20,12 . (12) Nu 20,23 . (13) Nu 21,8 . (14) Nu 21,34 . (15) Nu 25,4 . (16) Nu 26,1 . (17) Nu 27,6 . (18) Nu 27,12 . (19) Nu 27,18 . (20) Nu 31,25 . Dt (2) : (1) Dt 31,14 . (2) Dt 31,16 .
- וַיְדַבֵּר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber JHWH èl mosjèh (en JHWH sprak tot Mozes) . Tenakh (91 = 7 X 13) . Pentateuch (91 = 7 X 13) . Ex (14 = 2 X 7) . (1) Ex 6,10 . (2) Ex 6,13 . (3) Ex 6,29 . (4) Ex 13,1 . (5) Ex 14,1 . (6) Ex 16,11 . (7) Ex 25,1 . (8) Ex 30,11 . (9) Ex 30,17 . (10) Ex 30,22 . (11) Ex 31,1 . (12) Ex 32,7 . (13) Ex 33,1 . (14) Ex 40,1 .
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajjo´mèr ´èlohîm 'èl mosjèh (en God zei tot Mozes) . Tenakh (1) . Ex 3,14 .
- וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber ´èlohîm ´èl mosjèh (en God sprak tot Mozes) . Tenakh (1) : (1) Ex 6,2 .
- Ex 32-34 : 7X spreekt JHWH tot Mozes : (1) Ex 32,7 . (2) Ex 32,9 . (3) Ex 32,33 . (4) Ex 33,1 . 5) Ex 33,5 . (6) Ex 33,17 . (7) Ex 34,1 .


Ex 33,18 - Ex 33,18 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
18kai legei deixon moi tèn seautou doxan  18 qui ait ostende mihi gloriam tuam     18 Toen zeide hij: Toon mij nu Uw heerlijkheid!  [18] Mozes vroeg: ‘Laat* mij uw heerlijkheid zien.’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

1. prefix voegwoord wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) van het werkw. דָבַר = dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Getalwaarde : daleth = 4 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 26 (2 X 13) OF 206 = (2 X 103) . Structuur : 4 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (192 = 26 X 7) . Pentateuch (140 = 20 X 7) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (8) . Gn (16) : (1) Gn 8,15 . (2) Gn 17,3 . (3) Gn 19,14 . (4) Gn 20,8 . (5) Gn 23,3 . (6) Gn 23,8 . (7) Gn 23,13 . (8) Gn 34,3 . (9) Gn 34,8 . (10) Gn 41,9 . (11) Gn 41,17 . (12) Gn 42,7 . (13) Gn 42,24 . (14) Gn 44,6 . (15) Gn 50,4 . (16) Gn 50,21 . Ex (20) : (1) Ex 4,30 . (2) Ex 6,2 . (3) Ex 6,9 . (4) Ex 6,10 . (5) Ex 6,12 . (6) Ex 6,13 . (7) Ex 6,29 . (8) Ex 13,1 . (9) Ex 14,1 . (10) Ex 16,11 . (11) Ex 20,1 . (12) Ex 25,1 . (13) Ex 30,11 . (14) Ex 30,17 . (15) Ex 30,22 . (16) Ex 31,1 . (17) Ex 32,7 . (18) Ex 33,1 . (19) Ex 34,31 . (20) Ex 40,1 . Lv (40) : (1) Lv 1,1 . (2) Lv 4,1 . (3) Lv 5,14 . (4) Lv 5,20 . (5) Lv 6,1 . (6) Lv 6,12 . (7) Lv 6,17 . (8) Lv 7,22 . (9) Lv 7,28 . (10) Lv 8,1 . (11) Lv 10,8 . (12) Lv 10,12 . (13) Lv 10,19 . (14) Lv 11,1 . (15) Lv 12,1 . (16) Lv 13,1 . (17) Lv 14,1 . (18) Lv 14,33 . (19) Lv 15,1 . (20) Lv 16,1 . (21) Lv 17,1 . (22) Lv 18,1 . (23) Lv 19,1 . (24) Lv 20,1 . (25) Lv 21,16 . (26) Lv 21,24 . (27) Lv 22,1 . (28) Lv 22,17 . (29) Lv 22,26 . (30) Lv 23,1 . (31) Lv 23,9 . (32) Lv 23,23 . (33) Lv 23,26 . (34) Lv 23,33 . (35) Lv 23,44 . (36) Lv 24,1 . (37) Lv 24,13 . (38) Lv 24,23 . (39) Lv 25,1 . (40) Lv 27,1 . Nu (59 = 3 X 19) . Dt (7) : (1) Dt 2,17 . (2) Dt 4,12 . (3) Dt 27,9 . (4) Dt 31,1 . (5) Dt 31,30 . (6) Dt 32,44 . (7) Dt 32,48 .
- De getalwaarde van וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) is : waw = 6 , jod = 10 ; samen : 15 ; algemeen totaal : 26 + 16 = 42 (2 X 3 X 7) OF 206 + 16 = 222 (6 X 37 OF (10 X 17) + (2 X 26) .

  bijbel Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Ex 32-34  
וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) 192 140 34 9 1 8 16 20 40 59 7 3  
וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) 1879 594 868 120 56 241 315 150 10 95 24 27  

- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ελαλησεν = elalèsen (hij sprak) van het werkw. λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in de LXX : laleô (lallen, spreken, praten) . Gn (25) . Ex (30) . Lv (38) . Nu (68) . Dt (28) . Ex (30) : (1) Ex 4,30 . (2) Ex 6,2 . (3) Ex 6,9 . (4) Ex 6,10 . (5) Ex 6,12 . (6) Ex 6,28 . (7) Ex 6,29 . (8) Ex 7,7 . (9) Ex 7,13 . (10) Ex 8,11 . (11) Ex 8,15 . (12) Ex 9,35 . (13) Ex 12,25 . (14) Ex 14,1 . (15) Ex 16,11 . (16) Ex 16,23 . (17) Ex 20,1 . (18) Ex 24,3 . (19) Ex 24,7 . (20) Ex 25,1 . (21) Ex 30,11 . (22) Ex 30,17 . (23) Ex 30,22 . (24) Ex 31,1 . (25) Ex 32,7 . (26) Ex 32,28 . (27) Ex 33,1 . (28) Ex 34,31 . (29) Ex 34,32 . (30) Ex 40,1 .
-- και ελαλησεν = kai elalèsen (en hij sprak) . LXX (187) . NT (4) .
-- ελαλησεν δε = elalèsen de (hij sprak echter) . LXX (4) . NT (1) .
- וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. אמר = ´-m-r (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Ex (150) . Lv (10) . Nu (95) . Dt (24) . Samen : 40 + 2 = 42 (6 X 7) . Ex (150) . Ex 25-31 (2) : (1) Ex 30,34 . Ex 32-34 (27) . In veertien verzen in Ex 32 : (1) Ex 32,2 (Aäron tot het volk) . (2) Ex 32,5 (Aäron tot het volk) . (3) Ex 32,9 (JHWH tot Mozes) . (4) Ex 32,11 (Mozes tot JHWH) . (5) Ex 32,17 (Jozua tot Mozes) . (6) Ex 32,18 (Mozes tot Jozua) . (7) Ex 32,21 (Mozes tot Aäron) . (8) Ex 32,22 (Aäron tot Mozes) . (9) Ex 32,26 (Mozes tot het volk) . (10) Ex 32,27 (Mozes tot de Levieten) . (11) Ex 32,29 (Mozes tot de Levieten) . (12) Ex 32,30 (Mozes tot het volk) . (13) Ex 32,31 (Mozes tot JHWH) . (14) Ex 32,33 (JHWH tot Mozes) . Aäron is driemaal aan het woord , JHWH tweemaal , Jozua éénmaal , Mozes achtmaal . Ex 33 (9) : (1) Ex 33,5 . (2) Ex 33,12 . (3) Ex 33,14 . (4) Ex 33,15 . (5) Ex 33,17 . (6) Ex 33,18 . (7) Ex 33,19 . (8) Ex 33,20 . (9) Ex 33,21 . Ex 34 (4) : (1) Ex 34,1 . (2) Ex 34,9 . (3) Ex 34,10 . (4) Ex 34,27 .
- De werkwoordvorm ειπεν = eipen (hij zei) komt veelvuldiger voor . Zie : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de LXX : legô (zeggen) . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Gn (378) . Ex (149) . Lv (15) . Nu (98) . Dt (44) .

  laleô  bijbel OT Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt   NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. elalèsen   431  400  189 106 39 11 38 25 30 38 68 28   31  13  19   
  act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen 3024  2426  684 985 234 63 309 378 149 15 98 44   598  118  56  223  114  75  397       

- Vulgaat . perf. deelw. locutus (gesproken) van het werkw. loqui (spreken) . Bijbel (559) . OT (503) . NT (56) . Ex (23) .
-- locutusque (en gesproken) . Bijbel (66) .
- Ned. : spreken . Arabisch : تَكَلَمَ = takallama (spreken) . Taalgebruik in de Qoran : takallama (spreken) . D. : sprechen . E. : to speek . Fr. : parler . Grieks : λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Hebreeuws : דָבַר = dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Lat. : loqui .
- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . D. : sprechen (spreken) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere .

2. hirë´anî (hij liet mij zien) . Act. hifil 3de pers. enk. + suffix pers. voornaamw. 1ste pers. enk. van het werkw. (zien, laten zien) . Tenach (9) : (1) Ex 33,18 . (2) 2 K 8,13 . (3) Jr 24,1 . (4) Jr 38,21 . (5) Ez 11,25 . (6) Am 7,1 . (7) Am 7,4 . (8) Am 7,7 . (9) Am 8,1 .


Ex 33,19 - Ex 33,19 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
19kai eipen egô pareleusomai proteros sou tè doxè mou kai kalesô epi tô onomati mou kurios enantion sou kai eleèsô on an eleô kai oiktirèsô on an oiktirô  19 respondit ego ostendam omne bonum tibi et vocabo in nomine Domini coram te et miserebor cui voluero et clemens ero in quem mihi placuerit     19 Doch Hij zeide: Ik zal al Mijn goedigheid voorbij uw aangezicht laten gaan, en zal den Naam des HEEREN uitroepen voor uw aangezicht; maar Ik zal genadig zijn, wien Ik zal genadig zijn, en Ik zal Mij ontfermen, over wien Ik Mij ontfermen zal.  [19] Hij antwoordde: ‘Ik zal in mijn goedheid aan u voorbijgaan en in uw bijzijn de naam heer uitroepen. Want Ik schenk genade aan wie Ik wil en barmhartigheid aan wie Ik wil.’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

1. prefix voegwoord wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) van het werkw. דָבַר = dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Getalwaarde : daleth = 4 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 26 (2 X 13) OF 206 = (2 X 103) . Structuur : 4 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (192 = 26 X 7) . Pentateuch (140 = 20 X 7) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (8) . Gn (16) : (1) Gn 8,15 . (2) Gn 17,3 . (3) Gn 19,14 . (4) Gn 20,8 . (5) Gn 23,3 . (6) Gn 23,8 . (7) Gn 23,13 . (8) Gn 34,3 . (9) Gn 34,8 . (10) Gn 41,9 . (11) Gn 41,17 . (12) Gn 42,7 . (13) Gn 42,24 . (14) Gn 44,6 . (15) Gn 50,4 . (16) Gn 50,21 . Ex (20) : (1) Ex 4,30 . (2) Ex 6,2 . (3) Ex 6,9 . (4) Ex 6,10 . (5) Ex 6,12 . (6) Ex 6,13 . (7) Ex 6,29 . (8) Ex 13,1 . (9) Ex 14,1 . (10) Ex 16,11 . (11) Ex 20,1 . (12) Ex 25,1 . (13) Ex 30,11 . (14) Ex 30,17 . (15) Ex 30,22 . (16) Ex 31,1 . (17) Ex 32,7 . (18) Ex 33,1 . (19) Ex 34,31 . (20) Ex 40,1 . Lv (40) : (1) Lv 1,1 . (2) Lv 4,1 . (3) Lv 5,14 . (4) Lv 5,20 . (5) Lv 6,1 . (6) Lv 6,12 . (7) Lv 6,17 . (8) Lv 7,22 . (9) Lv 7,28 . (10) Lv 8,1 . (11) Lv 10,8 . (12) Lv 10,12 . (13) Lv 10,19 . (14) Lv 11,1 . (15) Lv 12,1 . (16) Lv 13,1 . (17) Lv 14,1 . (18) Lv 14,33 . (19) Lv 15,1 . (20) Lv 16,1 . (21) Lv 17,1 . (22) Lv 18,1 . (23) Lv 19,1 . (24) Lv 20,1 . (25) Lv 21,16 . (26) Lv 21,24 . (27) Lv 22,1 . (28) Lv 22,17 . (29) Lv 22,26 . (30) Lv 23,1 . (31) Lv 23,9 . (32) Lv 23,23 . (33) Lv 23,26 . (34) Lv 23,33 . (35) Lv 23,44 . (36) Lv 24,1 . (37) Lv 24,13 . (38) Lv 24,23 . (39) Lv 25,1 . (40) Lv 27,1 . Nu (59 = 3 X 19) . Dt (7) : (1) Dt 2,17 . (2) Dt 4,12 . (3) Dt 27,9 . (4) Dt 31,1 . (5) Dt 31,30 . (6) Dt 32,44 . (7) Dt 32,48 .
- De getalwaarde van וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) is : waw = 6 , jod = 10 ; samen : 15 ; algemeen totaal : 26 + 16 = 42 (2 X 3 X 7) OF 206 + 16 = 222 (6 X 37 OF (10 X 17) + (2 X 26) .

  bijbel Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Ex 32-34  
וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) 192 140 34 9 1 8 16 20 40 59 7 3  
וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) 1879 594 868 120 56 241 315 150 10 95 24 27  

- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ελαλησεν = elalèsen (hij sprak) van het werkw. λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in de LXX : laleô (lallen, spreken, praten) . Gn (25) . Ex (30) . Lv (38) . Nu (68) . Dt (28) . Ex (30) : (1) Ex 4,30 . (2) Ex 6,2 . (3) Ex 6,9 . (4) Ex 6,10 . (5) Ex 6,12 . (6) Ex 6,28 . (7) Ex 6,29 . (8) Ex 7,7 . (9) Ex 7,13 . (10) Ex 8,11 . (11) Ex 8,15 . (12) Ex 9,35 . (13) Ex 12,25 . (14) Ex 14,1 . (15) Ex 16,11 . (16) Ex 16,23 . (17) Ex 20,1 . (18) Ex 24,3 . (19) Ex 24,7 . (20) Ex 25,1 . (21) Ex 30,11 . (22) Ex 30,17 . (23) Ex 30,22 . (24) Ex 31,1 . (25) Ex 32,7 . (26) Ex 32,28 . (27) Ex 33,1 . (28) Ex 34,31 . (29) Ex 34,32 . (30) Ex 40,1 .
-- και ελαλησεν = kai elalèsen (en hij sprak) . LXX (187) . NT (4) .
-- ελαλησεν δε = elalèsen de (hij sprak echter) . LXX (4) . NT (1) .
- וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. אמר = ´-m-r (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Ex (150) . Lv (10) . Nu (95) . Dt (24) . Samen : 40 + 2 = 42 (6 X 7) . Ex (150) . Ex 25-31 (2) : (1) Ex 30,34 . Ex 32-34 (27) . In veertien verzen in Ex 32 : (1) Ex 32,2 (Aäron tot het volk) . (2) Ex 32,5 (Aäron tot het volk) . (3) Ex 32,9 (JHWH tot Mozes) . (4) Ex 32,11 (Mozes tot JHWH) . (5) Ex 32,17 (Jozua tot Mozes) . (6) Ex 32,18 (Mozes tot Jozua) . (7) Ex 32,21 (Mozes tot Aäron) . (8) Ex 32,22 (Aäron tot Mozes) . (9) Ex 32,26 (Mozes tot het volk) . (10) Ex 32,27 (Mozes tot de Levieten) . (11) Ex 32,29 (Mozes tot de Levieten) . (12) Ex 32,30 (Mozes tot het volk) . (13) Ex 32,31 (Mozes tot JHWH) . (14) Ex 32,33 (JHWH tot Mozes) . Aäron is driemaal aan het woord , JHWH tweemaal , Jozua éénmaal , Mozes achtmaal . Ex 33 (9) : (1) Ex 33,5 . (2) Ex 33,12 . (3) Ex 33,14 . (4) Ex 33,15 . (5) Ex 33,17 . (6) Ex 33,18 . (7) Ex 33,19 . (8) Ex 33,20 . (9) Ex 33,21 . Ex 34 (4) : (1) Ex 34,1 . (2) Ex 34,9 . (3) Ex 34,10 . (4) Ex 34,27 .
- De werkwoordvorm ειπεν = eipen (hij zei) komt veelvuldiger voor . Zie : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de LXX : legô (zeggen) . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Gn (378) . Ex (149) . Lv (15) . Nu (98) . Dt (44) .

  laleô  bijbel OT Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt   NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. elalèsen   431  400  189 106 39 11 38 25 30 38 68 28   31  13  19   
  act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen 3024  2426  684 985 234 63 309 378 149 15 98 44   598  118  56  223  114  75  397       

- Vulgaat . perf. deelw. locutus (gesproken) van het werkw. loqui (spreken) . Bijbel (559) . OT (503) . NT (56) . Ex (23) .
-- locutusque (en gesproken) . Bijbel (66) .
- Ned. : spreken . Arabisch : تَكَلَمَ = takallama (spreken) . Taalgebruik in de Qoran : takallama (spreken) . D. : sprechen . E. : to speek . Fr. : parler . Grieks : λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Hebreeuws : דָבַר = dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Lat. : loqui .
- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . D. : sprechen (spreken) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere .

10. יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenach : JHWH . Taalgebruik in Exodus : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenach (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Ex (299) . In 26 verzen in Ex 25-31 (de wetten over het heiligdom) . In veertien (2 X 7) verzen in de eerste redevoering (Ex 25,2 - 30,10) . In zeven verzen in de inleidingsformule op de redevoering . Ex 32-34 (30) . Ex 32 (9 = 3²) : (1) Ex 32,7 . (2) Ex 32,9 . (3) Ex 32,11 . (4) Ex 32,14 . (5) Ex 32,27 . (6) Ex 32,30 . (7) Ex 32,31 . (8) Ex 32,33 . (9) Ex 32,35 . Ex 33 (8) : (1) Ex 33,1 . (2) Ex 33,5 . (3) Ex 33,7 . (4) Ex 33,11 . (5) Ex 33,12 . (6) Ex 33,17 . (7) Ex 33,19 . (8) Ex 33,21 . Ex 34 (13) : (1) Ex 34,1 . (2) Ex 34,4 . (3) Ex 34,5 . (4) Ex 34,6 . (5) Ex 34,10 . (6) Ex 34,14 . (7) Ex 34,23 . (8) Ex 34,24 . (9) Ex 34,26 . (10) Ex 34,27 . (11) Ex 34,28 . (12) Ex 34,32 . (13) Ex 34,34 .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Ex 32-34 (3) : (1) Ex 32,1 . (2) Ex 32,16 . (3) Ex 32,23

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Ex 32-34
´èlohîm (God) 635 207 118 39 17 25 140 31 0 7 29 3
JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 299 199 287 413 30
´èlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (je God) 299 216 28 25 12 16 2 11 4 0 199  
´èlohekhèm (jullie God) 154 82 32 15 10 15 1 7 26 3 45  
JHWH ´êlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (JHWH , je God) 267           1 8     116  

- Grieks . κυριος = kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Taalgebruik in de LXX : kurios (heer) . Een vorm van κυριος = kurios (heer) in de LXX (8591) , in het NT (718) .
- Ned. : Heer . Arabisch : رَب = rabb (God, Heer) . Taalgebruik in de Qoran : rabb (God, Heer) . Aramees : יוי = JWJ . D. : Herr . E. : Lord . Fr. : seigneur . Grieks : κυριος = kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Hebreeuws : יהוה = JHWH . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Latijn : Dominus . (Eerste medeklinker Gr. k , Ned. + D. h ; tweede medeklinker : Gr. + Ned. + D. : r ) .
- Sabbah Messod & Roger , Les secrets de l'Exode , Jean-Cyrille Godefroy , 2000 , p.93-96 . Op deze blz. wordt een verband tussen anokhi Adonai (ik de Heer) en farao Achnaton gelegd . De uitspraak van JHWH is Adonai , waarin we het Egyptische Aton , de zonneschijf , zien .


Ex 33,20 - Ex 33,20 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
20kai eipen ou dunèsè idein mou to prosôpon ou gar mè idè anthrôpos to prosôpon mou kai zèsetai  20 rursumque ait non poteris videre faciem meam non enim videbit me homo et vivet     20 Hij zeide verder: Gij zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven.  [20] Maar Hij voegde eraan toe: ‘Mijn gelaat kunt u niet zien, want geen mens kan mijn gelaat zien en in leven blijven.’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

1. prefix voegwoord wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) van het werkw. דָבַר = dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Getalwaarde : daleth = 4 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 26 (2 X 13) OF 206 = (2 X 103) . Structuur : 4 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (192 = 26 X 7) . Pentateuch (140 = 20 X 7) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (8) . Gn (16) : (1) Gn 8,15 . (2) Gn 17,3 . (3) Gn 19,14 . (4) Gn 20,8 . (5) Gn 23,3 . (6) Gn 23,8 . (7) Gn 23,13 . (8) Gn 34,3 . (9) Gn 34,8 . (10) Gn 41,9 . (11) Gn 41,17 . (12) Gn 42,7 . (13) Gn 42,24 . (14) Gn 44,6 . (15) Gn 50,4 . (16) Gn 50,21 . Ex (20) : (1) Ex 4,30 . (2) Ex 6,2 . (3) Ex 6,9 . (4) Ex 6,10 . (5) Ex 6,12 . (6) Ex 6,13 . (7) Ex 6,29 . (8) Ex 13,1 . (9) Ex 14,1 . (10) Ex 16,11 . (11) Ex 20,1 . (12) Ex 25,1 . (13) Ex 30,11 . (14) Ex 30,17 . (15) Ex 30,22 . (16) Ex 31,1 . (17) Ex 32,7 . (18) Ex 33,1 . (19) Ex 34,31 . (20) Ex 40,1 . Lv (40) : (1) Lv 1,1 . (2) Lv 4,1 . (3) Lv 5,14 . (4) Lv 5,20 . (5) Lv 6,1 . (6) Lv 6,12 . (7) Lv 6,17 . (8) Lv 7,22 . (9) Lv 7,28 . (10) Lv 8,1 . (11) Lv 10,8 . (12) Lv 10,12 . (13) Lv 10,19 . (14) Lv 11,1 . (15) Lv 12,1 . (16) Lv 13,1 . (17) Lv 14,1 . (18) Lv 14,33 . (19) Lv 15,1 . (20) Lv 16,1 . (21) Lv 17,1 . (22) Lv 18,1 . (23) Lv 19,1 . (24) Lv 20,1 . (25) Lv 21,16 . (26) Lv 21,24 . (27) Lv 22,1 . (28) Lv 22,17 . (29) Lv 22,26 . (30) Lv 23,1 . (31) Lv 23,9 . (32) Lv 23,23 . (33) Lv 23,26 . (34) Lv 23,33 . (35) Lv 23,44 . (36) Lv 24,1 . (37) Lv 24,13 . (38) Lv 24,23 . (39) Lv 25,1 . (40) Lv 27,1 . Nu (59 = 3 X 19) . Dt (7) : (1) Dt 2,17 . (2) Dt 4,12 . (3) Dt 27,9 . (4) Dt 31,1 . (5) Dt 31,30 . (6) Dt 32,44 . (7) Dt 32,48 .
- De getalwaarde van וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) is : waw = 6 , jod = 10 ; samen : 15 ; algemeen totaal : 26 + 16 = 42 (2 X 3 X 7) OF 206 + 16 = 222 (6 X 37 OF (10 X 17) + (2 X 26) .

  bijbel Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Ex 32-34  
וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) 192 140 34 9 1 8 16 20 40 59 7 3  
וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) 1879 594 868 120 56 241 315 150 10 95 24 27  

- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ελαλησεν = elalèsen (hij sprak) van het werkw. λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in de LXX : laleô (lallen, spreken, praten) . Gn (25) . Ex (30) . Lv (38) . Nu (68) . Dt (28) . Ex (30) : (1) Ex 4,30 . (2) Ex 6,2 . (3) Ex 6,9 . (4) Ex 6,10 . (5) Ex 6,12 . (6) Ex 6,28 . (7) Ex 6,29 . (8) Ex 7,7 . (9) Ex 7,13 . (10) Ex 8,11 . (11) Ex 8,15 . (12) Ex 9,35 . (13) Ex 12,25 . (14) Ex 14,1 . (15) Ex 16,11 . (16) Ex 16,23 . (17) Ex 20,1 . (18) Ex 24,3 . (19) Ex 24,7 . (20) Ex 25,1 . (21) Ex 30,11 . (22) Ex 30,17 . (23) Ex 30,22 . (24) Ex 31,1 . (25) Ex 32,7 . (26) Ex 32,28 . (27) Ex 33,1 . (28) Ex 34,31 . (29) Ex 34,32 . (30) Ex 40,1 .
-- και ελαλησεν = kai elalèsen (en hij sprak) . LXX (187) . NT (4) .
-- ελαλησεν δε = elalèsen de (hij sprak echter) . LXX (4) . NT (1) .
- וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. אמר = ´-m-r (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Ex (150) . Lv (10) . Nu (95) . Dt (24) . Samen : 40 + 2 = 42 (6 X 7) . Ex (150) . Ex 25-31 (2) : (1) Ex 30,34 . Ex 32-34 (27) . In veertien verzen in Ex 32 : (1) Ex 32,2 (Aäron tot het volk) . (2) Ex 32,5 (Aäron tot het volk) . (3) Ex 32,9 (JHWH tot Mozes) . (4) Ex 32,11 (Mozes tot JHWH) . (5) Ex 32,17 (Jozua tot Mozes) . (6) Ex 32,18 (Mozes tot Jozua) . (7) Ex 32,21 (Mozes tot Aäron) . (8) Ex 32,22 (Aäron tot Mozes) . (9) Ex 32,26 (Mozes tot het volk) . (10) Ex 32,27 (Mozes tot de Levieten) . (11) Ex 32,29 (Mozes tot de Levieten) . (12) Ex 32,30 (Mozes tot het volk) . (13) Ex 32,31 (Mozes tot JHWH) . (14) Ex 32,33 (JHWH tot Mozes) . Aäron is driemaal aan het woord , JHWH tweemaal , Jozua éénmaal , Mozes achtmaal . Ex 33 (9) : (1) Ex 33,5 . (2) Ex 33,12 . (3) Ex 33,14 . (4) Ex 33,15 . (5) Ex 33,17 . (6) Ex 33,18 . (7) Ex 33,19 . (8) Ex 33,20 . (9) Ex 33,21 . Ex 34 (4) : (1) Ex 34,1 . (2) Ex 34,9 . (3) Ex 34,10 . (4) Ex 34,27 .
- De werkwoordvorm ειπεν = eipen (hij zei) komt veelvuldiger voor . Zie : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de LXX : legô (zeggen) . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Gn (378) . Ex (149) . Lv (15) . Nu (98) . Dt (44) .

  laleô  bijbel OT Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt   NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. elalèsen   431  400  189 106 39 11 38 25 30 38 68 28   31  13  19   
  act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen 3024  2426  684 985 234 63 309 378 149 15 98 44   598  118  56  223  114  75  397       

- Vulgaat . perf. deelw. locutus (gesproken) van het werkw. loqui (spreken) . Bijbel (559) . OT (503) . NT (56) . Ex (23) .
-- locutusque (en gesproken) . Bijbel (66) .
- Ned. : spreken . Arabisch : تَكَلَمَ = takallama (spreken) . Taalgebruik in de Qoran : takallama (spreken) . D. : sprechen . E. : to speek . Fr. : parler . Grieks : λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Hebreeuws : דָבַר = dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Lat. : loqui .
- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . D. : sprechen (spreken) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere .

Gn 33,21 - Gn 33,21 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
21kai eipen kurios idou topos par' emoi stèsè epi tès petras  21 et iterum ecce inquit est locus apud me stabis super petram     21 De HEERE zeide verder: Zie, er is een plaats bij Mij; daar zult gij u op de steenrots stellen.  [21] Toen sprak de heer: ‘Hier bij Mij is nog plaats; kom op de rots staan.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

1. prefix voegwoord wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) van het werkw. דָבַר = dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Getalwaarde : daleth = 4 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 26 (2 X 13) OF 206 = (2 X 103) . Structuur : 4 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (192 = 26 X 7) . Pentateuch (140 = 20 X 7) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (8) . Gn (16) : (1) Gn 8,15 . (2) Gn 17,3 . (3) Gn 19,14 . (4) Gn 20,8 . (5) Gn 23,3 . (6) Gn 23,8 . (7) Gn 23,13 . (8) Gn 34,3 . (9) Gn 34,8 . (10) Gn 41,9 . (11) Gn 41,17 . (12) Gn 42,7 . (13) Gn 42,24 . (14) Gn 44,6 . (15) Gn 50,4 . (16) Gn 50,21 . Ex (20) : (1) Ex 4,30 . (2) Ex 6,2 . (3) Ex 6,9 . (4) Ex 6,10 . (5) Ex 6,12 . (6) Ex 6,13 . (7) Ex 6,29 . (8) Ex 13,1 . (9) Ex 14,1 . (10) Ex 16,11 . (11) Ex 20,1 . (12) Ex 25,1 . (13) Ex 30,11 . (14) Ex 30,17 . (15) Ex 30,22 . (16) Ex 31,1 . (17) Ex 32,7 . (18) Ex 33,1 . (19) Ex 34,31 . (20) Ex 40,1 . Lv (40) : (1) Lv 1,1 . (2) Lv 4,1 . (3) Lv 5,14 . (4) Lv 5,20 . (5) Lv 6,1 . (6) Lv 6,12 . (7) Lv 6,17 . (8) Lv 7,22 . (9) Lv 7,28 . (10) Lv 8,1 . (11) Lv 10,8 . (12) Lv 10,12 . (13) Lv 10,19 . (14) Lv 11,1 . (15) Lv 12,1 . (16) Lv 13,1 . (17) Lv 14,1 . (18) Lv 14,33 . (19) Lv 15,1 . (20) Lv 16,1 . (21) Lv 17,1 . (22) Lv 18,1 . (23) Lv 19,1 . (24) Lv 20,1 . (25) Lv 21,16 . (26) Lv 21,24 . (27) Lv 22,1 . (28) Lv 22,17 . (29) Lv 22,26 . (30) Lv 23,1 . (31) Lv 23,9 . (32) Lv 23,23 . (33) Lv 23,26 . (34) Lv 23,33 . (35) Lv 23,44 . (36) Lv 24,1 . (37) Lv 24,13 . (38) Lv 24,23 . (39) Lv 25,1 . (40) Lv 27,1 . Nu (59 = 3 X 19) . Dt (7) : (1) Dt 2,17 . (2) Dt 4,12 . (3) Dt 27,9 . (4) Dt 31,1 . (5) Dt 31,30 . (6) Dt 32,44 . (7) Dt 32,48 .
- De getalwaarde van וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) is : waw = 6 , jod = 10 ; samen : 15 ; algemeen totaal : 26 + 16 = 42 (2 X 3 X 7) OF 206 + 16 = 222 (6 X 37 OF (10 X 17) + (2 X 26) .

  bijbel Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Ex 32-34  
וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) 192 140 34 9 1 8 16 20 40 59 7 3  
וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) 1879 594 868 120 56 241 315 150 10 95 24 27  

- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ελαλησεν = elalèsen (hij sprak) van het werkw. λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in de LXX : laleô (lallen, spreken, praten) . Gn (25) . Ex (30) . Lv (38) . Nu (68) . Dt (28) . Ex (30) : (1) Ex 4,30 . (2) Ex 6,2 . (3) Ex 6,9 . (4) Ex 6,10 . (5) Ex 6,12 . (6) Ex 6,28 . (7) Ex 6,29 . (8) Ex 7,7 . (9) Ex 7,13 . (10) Ex 8,11 . (11) Ex 8,15 . (12) Ex 9,35 . (13) Ex 12,25 . (14) Ex 14,1 . (15) Ex 16,11 . (16) Ex 16,23 . (17) Ex 20,1 . (18) Ex 24,3 . (19) Ex 24,7 . (20) Ex 25,1 . (21) Ex 30,11 . (22) Ex 30,17 . (23) Ex 30,22 . (24) Ex 31,1 . (25) Ex 32,7 . (26) Ex 32,28 . (27) Ex 33,1 . (28) Ex 34,31 . (29) Ex 34,32 . (30) Ex 40,1 .
-- και ελαλησεν = kai elalèsen (en hij sprak) . LXX (187) . NT (4) .
-- ελαλησεν δε = elalèsen de (hij sprak echter) . LXX (4) . NT (1) .
- וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. אמר = ´-m-r (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Ex (150) . Lv (10) . Nu (95) . Dt (24) . Samen : 40 + 2 = 42 (6 X 7) . Ex (150) . Ex 25-31 (2) : (1) Ex 30,34 . Ex 32-34 (27) . In veertien verzen in Ex 32 : (1) Ex 32,2 (Aäron tot het volk) . (2) Ex 32,5 (Aäron tot het volk) . (3) Ex 32,9 (JHWH tot Mozes) . (4) Ex 32,11 (Mozes tot JHWH) . (5) Ex 32,17 (Jozua tot Mozes) . (6) Ex 32,18 (Mozes tot Jozua) . (7) Ex 32,21 (Mozes tot Aäron) . (8) Ex 32,22 (Aäron tot Mozes) . (9) Ex 32,26 (Mozes tot het volk) . (10) Ex 32,27 (Mozes tot de Levieten) . (11) Ex 32,29 (Mozes tot de Levieten) . (12) Ex 32,30 (Mozes tot het volk) . (13) Ex 32,31 (Mozes tot JHWH) . (14) Ex 32,33 (JHWH tot Mozes) . Aäron is driemaal aan het woord , JHWH tweemaal , Jozua éénmaal , Mozes achtmaal . Ex 33 (9) : (1) Ex 33,5 . (2) Ex 33,12 . (3) Ex 33,14 . (4) Ex 33,15 . (5) Ex 33,17 . (6) Ex 33,18 . (7) Ex 33,19 . (8) Ex 33,20 . (9) Ex 33,21 . Ex 34 (4) : (1) Ex 34,1 . (2) Ex 34,9 . (3) Ex 34,10 . (4) Ex 34,27 .
- De werkwoordvorm ειπεν = eipen (hij zei) komt veelvuldiger voor . Zie : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de LXX : legô (zeggen) . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Gn (378) . Ex (149) . Lv (15) . Nu (98) . Dt (44) .

  laleô  bijbel OT Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt   NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. elalèsen   431  400  189 106 39 11 38 25 30 38 68 28   31  13  19   
  act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen 3024  2426  684 985 234 63 309 378 149 15 98 44   598  118  56  223  114  75  397       

- Vulgaat . perf. deelw. locutus (gesproken) van het werkw. loqui (spreken) . Bijbel (559) . OT (503) . NT (56) . Ex (23) .
-- locutusque (en gesproken) . Bijbel (66) .
- Ned. : spreken . Arabisch : تَكَلَمَ = takallama (spreken) . Taalgebruik in de Qoran : takallama (spreken) . D. : sprechen . E. : to speek . Fr. : parler . Grieks : λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Hebreeuws : דָבַר = dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Lat. : loqui .
- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . D. : sprechen (spreken) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere .


Gn 33,22 - Gn 33,22 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Ex 33,21 - Ex 33,22 - Ex 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
22ènika d' an parelthè mou è doxa kai thèsô se eis opèn tès petras kai skepasô tè cheiri mou epi se eôs an parelthô 22 cumque transibit gloria mea ponam te in foramine petrae et protegam dextera mea donec transeam    22 En het zal geschieden, wanneer Mijn heerlijkheid voorbij zal gaan, zo zal Ik u in een kloof der steenrots zetten; en Ik zal u met Mijn hand overdekken, totdat Ik zal voorbijgegaan zijn.   [22] Wanneer mijn heerlijkheid voorbijgaat, zal Ik u in de rotsholte laten schuilen, en als Ik voorbijga zal Ik u met mijn hand beschermen.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van


Gn 33,23 - Gn 33,23 : De HEER spreekt tot Mozes - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 33 -- Ex 33,1-23 -- Ex 33,1 - Ex 33,2 - Ex 33,3 - Ex 33,4 - Ex 33,5 - Ex 33,6 - Ex 33,7 - Ex 33,8 - Ex 33,9 - Ex 33,10 - Ex 33,11 - Ex 33,12 - Ex 33,13 - Ex 33,14 - Ex 33,15 - Ex 33,16 - Ex 33,17 - Ex 33,18 - Ex 33,19 - Ex 33,20 - Gn 33,21 - Gn 33,22 - Gn 33,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
23kai afelô tèn cheira kai tote opsè ta opisô mou to de prosôpon mou ouk ofthèsetai soi   23 tollamque manum meam et videbis posteriora mea faciem autem meam videre non poteris     23 En wanneer Ik Mijn hand zal weggenomen hebben, zo zult gij Mijn achterste delen zien; maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden!  [23] Als Ik dan mijn hand terugtrek, kunt u Mij van achteren zien, want mijn gelaat kan niemand zien.’       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van


Septuaginta

1kai eipen kurios pros môusèn poreuou anabèthi enteuthen su kai o laos sou ous exègages ek gès aiguptou eis tèn gèn èn ômosa tô abraam kai isaak kai iakôb legôn tô spermati umôn dôsô autèn2kai sunapostelô ton aggelon mou pro prosôpou sou kai ekbalei ton amorraion kai chettaion kai ferezaion kai gergesaion kai euaion kai iebousaion3kai eisaxô se eis gèn reousan gala kai meli ou gar mè sunanabô meta sou dia to laon sklèrotrachèlon se einai ina mè exanalôsô se en tè odô4kai akousas o laos to rèma to ponèron touto katepenthèsan en penthikois5kai eipen kurios tois uiois israèl umeis laos sklèrotrachèlos orate mè plègèn allèn epaxô egô ef' umas kai exanalôsô umas nun oun afelesthe tas stolas tôn doxôn umôn kai ton kosmon kai deixô soi a poièsô soi6kai perieilanto oi uioi israèl ton kosmon autôn kai tèn peristolèn apo tou orous tou chôrèb7kai labôn môusès tèn skènèn autou epèxen exô tès parembolès makran apo tès parembolès kai eklèthè skènè marturiou kai egeneto pas o zètôn kurion exeporeueto eis tèn skènèn exô tès parembolès8ènika d' an eiseporeueto môusès eis tèn skènèn exô tès parembolès eistèkei pas o laos skopeuontes ekastos para tas thuras tès skènès autou kai katenoousan apiontos môusè eôs tou eiselthein auton eis tèn skènèn9ôs d' an eisèlthen môusès eis tèn skènèn katebainen o stulos tès nefelès kai istato epi tèn thuran tès skènès kai elalei môusè10kai eôra pas o laos ton stulon tès nefelès estôta epi tès thuras tès skènès kai stantes pas o laos prosekunèsan ekastos apo tès thuras tès skènès autou11kai elalèsen kurios pros môusèn enôpios enôpiô ôs ei tis lalèsei pros ton eautou filon kai apelueto eis tèn parembolèn o de therapôn ièsous uios nauè neos ouk exeporeueto ek tès skènès12kai eipen môusès pros kurion idou su moi legeis anagage ton laon touton su de ouk edèlôsas moi on sunaposteleis met' emou su de moi eipas oida se para pantas kai charin echeis par' emoi13ei oun eurèka charin enantion sou emfanison moi seauton gnôstôs idô se opôs an ô eurèkôs charin enantion sou kai ina gnô oti laos sou to ethnos to mega touto14kai legei autos proporeusomai sou kai katapausô se15kai legei pros auton ei mè autos su poreuè mè me anagagès enteuthen16kai pôs gnôston estai alèthôs oti eurèka charin para soi egô te kai o laos sou all' è sumporeuomenou sou meth' èmôn kai endoxasthèsomai egô te kai o laos sou para panta ta ethnè osa epi tès gès estin17kai eipen kurios pros môusèn kai touton soi ton logon on eirèkas poièsô eurèkas gar charin enôpion mou kai oida se para pantas18kai legei deixon moi tèn seautou doxan19kai eipen egô pareleusomai proteros sou tè doxè mou kai kalesô epi tô onomati mou kurios enantion sou kai eleèsô on an eleô kai oiktirèsô on an oiktirô20kai eipen ou dunèsè idein mou to prosôpon ou gar mè idè anthrôpos to prosôpon mou kai zèsetai21kai eipen kurios idou topos par' emoi stèsè epi tès petras22ènika d' an parelthè mou è doxa kai thèsô se eis opèn tès petras kai skepasô tè cheiri mou epi se eôs an parelthô23kai afelô tèn cheira kai tote opsè ta opisô mou to de prosôpon mou ouk ofthèsetai soi


Vulgaat

1 locutusque est Dominus ad Mosen vade ascende de loco isto tu et populus tuus quem eduxisti de terra Aegypti in terram quam iuravi Abraham Isaac et Iacob dicens semini tuo dabo eam 2 et mittam praecursorem tui angelum ut eiciam Chananeum et Amorreum et Hettheum et Ferezeum et Eveum et Iebuseum 3 et intres in terram fluentem lacte et melle non enim ascendam tecum quia populus durae cervicis est ne forte disperdam te in via 4 audiens populus sermonem hunc pessimum luxit et nullus ex more indutus est cultu suo 5 dixitque Dominus ad Mosen loquere filiis Israhel populus durae cervicis es semel ascendam in medio tui et delebo te iam nunc depone ornatum tuum ut sciam quid faciam tibi 6 deposuerunt ergo filii Israhel ornatum suum a monte Horeb 7 Moses quoque tollens tabernaculum tetendit extra castra procul vocavitque nomen eius tabernaculum foederis et omnis populus qui habebat aliquam quaestionem egrediebatur ad tabernaculum foederis extra castra 8 cumque egrederetur Moses ad tabernaculum surgebat universa plebs et stabat unusquisque in ostio papilionis sui aspiciebantque tergum Mosi donec ingrederetur tentorium 9 ingresso autem illo tabernaculum foederis descendebat columna nubis et stabat ad ostium loquebaturque cum Mosi 10 cernentibus universis quod columna nubis staret ad ostium tabernaculi stabantque ipsi et adorabant per fores tabernaculorum suorum 11 loquebatur autem Dominus ad Mosen facie ad faciem sicut loqui solet homo ad amicum suum cumque ille reverteretur in castra minister eius Iosue filius Nun puer non recedebat de tabernaculo 12 dixit autem Moses ad Dominum praecipis ut educam populum istum et non indicas mihi quem missurus es mecum praesertim cum dixeris novi te ex nomine et invenisti gratiam coram me 13 si ergo inveni gratiam in conspectu tuo ostende mihi viam tuam ut sciam te et inveniam gratiam ante oculos tuos respice populum tuum gentem hanc 14 dixitque Dominus facies mea praecedet te et requiem dabo tibi 15 et ait Moses si non tu ipse praecedes ne educas nos de loco isto 16 in quo enim scire poterimus ego et populus tuus invenisse nos gratiam in conspectu tuo nisi ambulaveris nobiscum ut glorificemur ab omnibus populis qui habitant super terram 17 dixit autem Dominus ad Mosen et verbum istud quod locutus es faciam invenisti enim gratiam coram me et te ipsum novi ex nomine 18 qui ait ostende mihi gloriam tuam 19 respondit ego ostendam omne bonum tibi et vocabo in nomine Domini coram te et miserebor cui voluero et clemens ero in quem mihi placuerit 20 rursumque ait non poteris videre faciem meam non enim videbit me homo et vivet 21 et iterum ecce inquit est locus apud me stabis super petram 22 cumque transibit gloria mea ponam te in foramine petrae et protegam dextera mea donec transeam 23 tollamque manum meam et videbis posteriora mea faciem autem meam videre non poteris


Statenvertaling

1 Voorts sprak de HEERE tot Mozes: Ga heen, trek op van hier, gij en het volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, naar het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven; 2 En Ik zal een Engel voor uw aangezicht zenden (en Ik zal uitdrijven de Kanaänieten, de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten), 3 Naar het land, dat van melk en honig is vloeiende; want Ik zal in het midden van u niet optrekken; want gij zijt een hardnekkig volk; dat Ik u op dezen weg niet vertere. 4 Toen het volk dit kwade woord hoorde, zo droegen zij leed; en niemand van hen deed zijn versiersel aan zich. 5 En de HEERE had tot Mozes gezegd: Zeg tot de kinderen Israëls: Gij zijt een hardnekkig volk; in een ogenblik zou Ik in het midden van ulieden optrekken, en zou u vernielen; doch nu, legt uw sieraad van u af, en Ik zal weten, wat Ik u doen zal. 6 De kinderen Israëls dan beroofden zichzelven van hun versierselen, verre van den berg Horeb. 7 En Mozes nam de tent, en spande ze zich buiten het leger, ver van het leger afwijkende; en hij noemde ze de Tent der samenkomst. En het geschiedde, dat al wie den HEERE zocht, uitging tot de tent der samenkomst, die buiten het leger was. 8 En het geschiedde, wanneer Mozes uitging naar de tent, stond al het volk op, en een ieder stelde zich in de deur zijner tent; en zij zagen Mozes na, totdat hij de tent ingegaan was. 9 En het geschiedde, als Mozes de tent ingegaan was, zo kwam de wolkkolom nederwaarts, en stond in de deur der tent, en Hij sprak met Mozes. 10 Als het volk de wolkkolom zag staan in de deur der tent, zo stond al het volk op, en zij bogen zich, een ieder in de deur zijner tent. 11 En de HEERE sprak tot Mozes aangezicht aan aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt; daarna keerde hij weder tot het leger; doch zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, de jongeling, week niet uit het midden der tent. 12 En Mozes zeide tot den HEERE: Zie, Gij zegt tot mij: Voer dit volk op! maar Gij laat mij niet weten, wien Gij met mij zult zenden; daar Gij gezegd hebt: Ik ken u bij name! en ook: Gij hebt genade gevonden in Mijn ogen! 13 Nu dan, ik bidde, indien ik genade gevonden heb in Uw ogen, zo laat mij nu Uw weg weten, en ik zal U kennen, opdat ik genade vinde in Uw ogen; en zie aan, dat deze natie Uw volk is! 14 Hij dan zeide: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan, om u gerust te stellen? 15 Toen zeide hij tot Hem: Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken! 16 Want waarbij zou nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in Uw ogen, ik en Uw volk? Is het niet daarbij, dat Gij met ons gaat? Alzo zullen wij afgezonderd worden, ik en Uw volk, van alle volk, dat op den aardbodem is. 17 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ook deze zelfde zaak, die gij gesproken hebt, zal Ik doen, dewijl gij genade gevonden hebt in Mijn ogen, en Ik u bij name ken. 18 Toen zeide hij: Toon mij nu Uw heerlijkheid! 19 Doch Hij zeide: Ik zal al Mijn goedigheid voorbij uw aangezicht laten gaan, en zal den Naam des HEEREN uitroepen voor uw aangezicht; maar Ik zal genadig zijn, wien Ik zal genadig zijn, en Ik zal Mij ontfermen, over wien Ik Mij ontfermen zal. 20 Hij zeide verder: Gij zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven. 21 De HEERE zeide verder: Zie, er is een plaats bij Mij; daar zult gij u op de steenrots stellen. 22 En het zal geschieden, wanneer Mijn heerlijkheid voorbij zal gaan, zo zal Ik u in een kloof der steenrots zetten; en Ik zal u met Mijn hand overdekken, totdat Ik zal voorbijgegaan zijn. 23 En wanneer Ik Mijn hand zal weggenomen hebben, zo zult gij Mijn achterste delen zien; maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden!


Nieuwe vertaling

[1] De HEER zei tegen Mozes: ‘Vertrek van hier, met het volk dat je uit Egypte hebt weggeleid, en ga naar het land waarvan ik Abraham, Isaak en Jakob onder ede heb beloofd dat ik het aan hun nakomelingen zou geven, [2] een land dat overvloeit van melk en honing. Ik zal een engel voor je uit sturen en ik zal de Kanaänieten, de Amorieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten verdrijven. Maar ik trek niet met jullie mee, want jullie zijn een onhandelbaar volk en ik zou jullie daarom onderweg kunnen doden.’ [4] Toen het volk deze onheilstijding hoorde, ging het in de rouw; niemand deed sieraden om. [5] De HEER had Mozes namelijk opgedragen tegen de Israëlieten te zeggen: ‘Jullie zijn een onhandelbaar volk. Als ik ook maar een ogenblik met jullie mee zou reizen, zou ik je al doden. Doe daarom je sieraden af, dan zal ik besluiten wat ik met jullie zal doen.’ [6] Vanaf de dag dat ze de Horeb verlieten, droegen de Israëlieten daarom geen sieraden.
[7] Mozes sloeg steeds buiten het kamp, op ruime afstand ervan, een tent op die hij de ontmoetingstent noemde. Ieder die de HEER wilde raadplegen, ging naar de ontmoetingstent buiten het kamp. [8] Telkens als Mozes zich erheen begaf, gingen allen voor de ingang van hun tent staan en keken Mozes na tot hij naar binnen was gegaan. [9] Zodra hij in de tent was daalde de wolkkolom neer, en deze bleef bij de ingang staan. Dan sprak de HEER met Mozes. [10] Wanneer het volk de wolkkolom bij de ingang van de tent zag staan, boog ieder zich voor de ingang van zijn tent neer. [11] De HEER sprak persoonlijk met Mozes, zoals een mens met een ander mens spreekt. Daarna keerde Mozes terug naar het kamp, maar zijn jonge dienaar Jozua, de zoon van Nun, verliet de tent niet.
[12] Mozes zei tegen de HEER: ‘U draagt mij wel op het volk verder te laten trekken, maar u hebt mij niet laten weten wie u met mij mee zult sturen, terwijl u toch gezegd hebt: “Jou heb ik uitgekozen, jou ben ik goedgezind.” [13] Als dat werkelijk zo is, laat mij dan weten wat uw plannen zijn. Dan leer ik u kennen en weet ik zeker dat u mij goedgezind bent. Vergeet toch niet dat deze mensen uw volk zijn.’ [14] De HEER antwoordde: ‘Moet ik dan zelf meegaan om je gerust te stellen?’ [15] Mozes zei: ‘Als u niet zelf meegaat, laat ons dan niet verder trekken. [16] Hoe zou moeten blijken dat u mij goedgezind bent, mij en ook uw volk, tenzij u met ons meegaat? Alleen dan nemen wij immers een bijzondere plaats in onder de volken die de aarde bewonen.’ [17] De HEER zei tegen Mozes: ‘Ik verzeker je dat ik zal doen wat je vraagt, want ik ben je goedgezind en ik heb je uitgekozen.’
[18] ‘Laat mij toch uw majesteit zien,’ zei Mozes. [19] Hij antwoordde: ‘Ik zal in mijn volle luister voor je langs gaan en in jouw bijzijn de naam HEER uitroepen: ik schenk genade aan wie ik genade wil schenken, en ik ben barmhartig voor wie ik barmhartig wil zijn. [20] Maar,’ zei hij, ‘mijn gezicht zul je niet kunnen zien, want geen mens kan mij zien en in leven blijven.’ [21] Toen sprak de HEER: ‘Er is een plaats op de rots waar je dicht bij mij kunt komen staan. [22] Als dan mijn majesteit voor je langs gaat, zal ik je in een kloof laten schuilen en mijn hand beschermend voor je houden tot ik voorbij ben. [23] Als ik mijn hand weghaal, zul je mij van achteren zien; mijn gezicht mag niemand zien.’


Naardense vertaling

1 ¶ Dan spreekt de ENE tot Mozes: ga heen, klim op van hier, jij en de gemeente die je hebt doen opklimmen uit het land van Egypte, naar het land waarover ik heb gezworen aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob, en heb gezegd: ‘aan jouw zaad zal ik het geven!’– 2 voor je aanschijn uit zal ik een engel zenden; verdrijven zal ik de Kanaäniet, de Amoriet, de Chitiet en de Periziet, de Chiviet en de Jeboesiet,– 3 op de weg naar een land dat overvloeit van melk en honing; want ik zal niet méé opklimmen in je kring,– want een gemeente hard van nek ben je; anders zal ik je onderweg verteren! 4 De gemeente hoort dit kwade woord en ze gaan in de rouw; niemand deed meer zijn sieraad aan. 5 De ENE zegt tot Mozes: zeg tot de zonen Israëls: jullie zijn een gemeente hard van nek, zou ik één ogenblik mee opklimmen in je kring dan zou ik een einde aan je maken; welnu: doe je sieraden af, dan kan ik weten wat ik je zal doen! 6 De zonen Israëls beroven zich van hun sieraden, vanaf de berg Horeb. 7 ¶ Mozes neemt de tent en heeft hem zich buiten de legerplaats uitgespannen, iets verwijderd van de legerplaats, en tot hem geroepen: ‘tent van samenkomst!’; zo is het geweest: ieder die de ENE zocht ging uit naar de tent van samenkomst buiten de legerplaats. 8 Zo is het geweest: als Mozes uitging naar de tent stonden ze op, heel de gemeente, en posteerden ze zich ieder in de opening van zijn tent; ze keken Mozes na totdat hij aankwam in de tent. 9 Zo is het geweest: als Mozes aankwam in de tent,– daalde de wolkzuil neer en bleef staan in de opening van de tent; hij sprak dan met Mozes. 10 Zag heel de gemeente de wolkzuil staan in de opening van de tent, dan stond heel de gemeente op en bogen ze zich neer, ieder voor de opening van zijn tent. 11 Dan sprak de ENE tot Mozes van aanschijn tot aanschijn, zoals een man spreekt tot zijn makker; dan keerde hij terug naar de legerplaats. Zijn dienaar Jozua, zoon van Noen, een jongen nog, week niet uit de tent. •• 12 ¶ Mozes zegt tot de ENE: zie aan, gij zegt tot mij: doe deze gemeente ópklimmen, maar gij hebt mij niet doen weten wie ge uitzendt met mij mee; gij hebt gezegd ‘ik ken jou bij name’ en óók ‘genade heb je gevonden in mijn ogen’; 13 welnu, áls ik dan genade heb gevonden in uw ogen: doe mij dan uw weg kennen, dan ken ik u opdat ik genade zal vinden in uw ogen; zie in dat het uw gemeente is, dit volk! 14 Hij zegt: als mijn gelaatstrekken meegaan, zal ik je dan tot rust brengen? 15 Hij zegt tot hem: als uw gelaatstrekken niet meegaan, laat ons dan niet van hier opklimmen!– 16 waaraan wordt anders geweten dat ik genade heb gevonden in uw ogen, ikzelf en uw gemeente, niet doordat gij met ons mee gaat?– en wij zó onderscheiden zijn, ikzelf en uw gemeente,– van heel de gemeenschap op het aanschijn van de rode grond? • 17 Dan zegt de ENE tot Mozes: ook dít woord dat je spreekt zal ik doen; want je hebt genade gevonden in mijn ogen,– ik ken je met je naam! 18 Dan zegt hij: laat mij toch uw glorie zien! 19 Hij zegt: van mij uit laat ik voorbijtrekken: heel mijn goedheid, vlak voor je aanschijn, en de naam ‘ENE’ zal ik uitroepen voor je aanschijn; begenadigen zal ik wie ik begenadig en ontfermen zal ik mij over wie ik mij ontferm! 20 En hij zegt: je zult niet bij machte zijn om mijn aanschijn te zien; want nooit ziet de roodbloedige mens mij aan en overleeft het! 21 Dan zegt de ENE: hier is een plaats bij mij; opstellen zal ik je op de rots; 22 geschieden zal het als mijn glorie voorbijtrekt: neerzetten zal ik je in een holte van de rots; overhuiven zal ik je met mijn handpalm totdat ik voorbijtrek; 23 weghalen zal ik mijn handpalm en zien zul je mijn achterkant; mijn gelaatstrekken zullen niet worden gezien! ••


Bible de Jérusalem

1. Yahvé dit à Moïse : « Va, monte d'ici, toi et le peuple que tu as fait monter du pays d'Égypte, vers la terre dont j'ai dit par serment à Abraham, Isaac et Jacob que je la donnerais à leur descendance. 2. J'enverrai un ange devant toi et j'expulserai les Cananéens, les Amorites, les Hittites, les Perizzites, les Hivvites et les Jébuséens. 3. Monte vers une terre qui ruisselle de lait et de miel, mais je ne monterai pas au milieu de toi, de peur que je ne t'extermine en chemin car tu es un peuple à la nuque raide. » 4. Lorsqu'il eut entendu cette parole sévère, le peuple prit le deuil et personne ne porta plus ses parures. 5. Alors Yahvé dit à Moïse : « Dis aux Israélites : Vous êtes un peuple à la nuque raide, si je montais au milieu de toi, ne fût-ce qu'un moment, je t'exterminerais. Et maintenant, dépouille-toi de tes parures, que je sache comment te traiter. » 6. Alors les Israélites se débarrassèrent de leurs parures, à partir du mont Horeb. 7. Moïse prenait la Tente et la plantait pour lui hors du camp, loin du camp. Il la nomma Tente du Rendez-vous, et quiconque avait à consulter Yahvé sortait vers la Tente du Rendez-vous qui se trouvait hors du camp. 8. Chaque fois que Moïse sortait vers la Tente, tout le peuple se levait, chacun se postait à l'entrée de sa tente, et suivait Moïse du regard jusqu'à ce qu'il entrât dans la Tente. 9. Chaque fois que Moïse entrait dans la Tente, la colonne de nuée descendait, se tenait à l'entrée de la Tente et Il parlait avec Moïse. 10. Tout le peuple voyait la colonne de nuée qui se tenait à l'entrée de la Tente, et tout le peuple se levait et se prosternait, chacun à l'entrée de sa tente. 11. Yahvé parlait à Moïse face à face, comme un homme parle à son ami, puis il rentrait au camp, mais son serviteur Josué, fils de Nûn, un jeune homme, ne quittait pas l'intérieur de la Tente. 12. Moïse dit à Yahvé : « Vois, tu me dis : «Fais monter ce peuple», et tu ne me fais pas connaître qui tu enverras avec moi. Tu avais pourtant dit : «Je te connais par ton nom et tu as trouvé grâce à mes yeux. » 13. Si donc j'ai trouvé grâce à tes yeux, daigne me faire connaître tes voies pour que je te connaisse et que je trouve grâce à tes yeux. Considère aussi que cette nation est ton peuple. » 14. Yahvé dit : « J'irai moi-même, et je te donnerai le repos. » 15. Et il dit : « Si tu ne viens pas toi-même, ne nous fais pas monter d'ici ; 16. comment saura-t-on alors que j'ai trouvé grâce à tes yeux, moi et ton peuple ? N'est-ce pas à ce que tu iras avec nous ? En sorte que nous soyons distincts, moi et ton peuple, de tous les peuples qui sont sur la face de la terre. » 17. Yahvé dit à Moïse : « Cette chose que tu as dite, je la ferai encore parce que tu as trouvé grâce à mes yeux et que je te connais par ton nom. 18. Il lui dit : « Fais-moi de grâce voir ta gloire. » 19. Et il dit : « Je ferai passer devant toi toute ma beauté et je prononcerai devant toi le nom de Yahvé. Je fais grâce à qui je fais grâce et j'ai pitié de qui j'ai pitié. » 20. « Mais, dit-il, tu ne peux pas voir ma face, car l'homme ne peut me voir et vivre. » 21. Yahvé dit encore : « Voici une place près de moi ; tu te tiendras sur le rocher. 22. Quand passera ma gloire, je te mettrai dans la fente du rocher et je te couvrirai de ma main jusqu'à ce que je sois passé. 23. Puis j'écarterai ma main et tu verras mon dos ; mais ma face, on ne peut la voir.


King James Bible

[1] And the LORD said unto Moses, Depart, and go up hence, thou and the people which thou hast brought up out of the land of Egypt, unto the land which I sware unto Abraham, to Isaac, and to Jacob, saying, Unto thy seed will I give it: [2] And I will send an angel before thee; and I will drive out the Canaanite, the Amorite, and the Hittite, and the Perizzite, the Hivite, and the Jebusite: [3] Unto a land flowing with milk and honey: for I will not go up in the midst of thee; for thou art a stiffnecked people: lest I consume thee in the way. [4] And when the people heard these evil tidings, they mourned: and no man did put on him his ornaments. [5] For the LORD had said unto Moses, Say unto the children of Israel, Ye are a stiffnecked people: I will come up into the midst of thee in a moment, and consume thee: therefore now put off thy ornaments from thee, that I may know what to do unto thee. [6] And the children of Israel stripped themselves of their ornaments by the mount Horeb. [7] And Moses took the tabernacle, and pitched it without the camp, afar off from the camp, and called it the Tabernacle of the congregation. And it came to pass, that every one which sought the LORD went out unto the tabernacle of the congregation, which was without the camp. [8] And it came to pass, when Moses went out unto the tabernacle, that all the people rose up, and stood every man at his tent door, and looked after Moses, until he was gone into the tabernacle. [9] And it came to pass, as Moses entered into the tabernacle, the cloudy pillar descended, and stood at the door of the tabernacle, and the LORD talked with Moses. [10] And all the people saw the cloudy pillar stand at the tabernacle door: and all the people rose up and worshipped, every man in his tent door. [11] And the LORD spake unto Moses face to face, as a man speaketh unto his friend. And he turned again into the camp: but his servant Joshua, the son of Nun, a young man, departed not out of the tabernacle. [12] And Moses said unto the LORD, See, thou sayest unto me, Bring up this people: and thou hast not let me know whom thou wilt send with me. Yet thou hast said, I know thee by name, and thou hast also found grace in my sight. [13] Now therefore, I pray thee, if I have found grace in thy sight, shew me now thy way, that I may know thee, that I may find grace in thy sight: and consider that this nation is thy people. [14] And he said, My presence shall go with thee, and I will give thee rest. [15] And he said unto him, If thy presence go not with me, carry us not up hence. [16] For wherein shall it be known here that I and thy people have found grace in thy sight? is it not in that thou goest with us? so shall we be separated, I and thy people, from all the people that are upon the face of the earth. [17] And the LORD said unto Moses, I will do this thing also that thou hast spoken: for thou hast found grace in my sight, and I know thee by name. [18] And he said, I beseech thee, shew me thy glory. [19] And he said, I will make all my goodness pass before thee, and I will proclaim the name of the LORD before thee; and will be gracious to whom I will be gracious, and will shew mercy on whom I will shew mercy. [20] And he said, Thou canst not see my face: for there shall no man see me, and live. [21] And the LORD said, Behold, there is a place by me, and thou shalt stand upon a rock: [22] And it shall come to pass, while my glory passeth by, that I will put thee in a clift of the rock, and will cover thee with my hand while I pass by: [23] And I will take away mine hand, and thou shalt see my back parts: but my face shall not be seen.


Luther-Bibel

1 Der HERR sprach zu Mose: Geh, zieh von dannen, du und das Volk, das du aus Ägyptenland geführt hast, in das Land, von dem ich Abraham, Isaak und Jakob geschworen habe: Deinen Nachkommen will ich's geben. 2 Und ich will vor dir her senden einen Engel und ausstoßen die Kanaaniter, Amoriter, Hetiter, Perisiter, Hiwiter und Jebusiter 3 und will dich bringen in das Land, darin Milch und Honig fließt. Ich selbst will nicht mit dir hinaufziehen, denn du bist ein halsstarriges Volk; ich würde dich unterwegs vertilgen. 4 Als das Volk diese harte Rede hörte, trugen sie Leid und niemand tat seinen Schmuck an. 5 Und der HERR sprach zu Mose: Sage zu den Israeliten: Ihr seid ein halsstarriges Volk. Wenn ich nur einen Augenblick mit dir hinaufzöge, würde ich dich vertilgen. Und nun lege deinen Schmuck ab, dann will ich sehen, was ich dir tue. 6 Und die Israeliten taten ihren Schmuck von sich an dem Berge Horeb.

Das heilige Zelt. Gottes Umgang mit Mose
7 Mose aber nahm das Zelt und schlug es draußen auf, fern von dem Lager, und nannte es Stiftshütte. Und wer den HERRN befragen wollte, musste herausgehen zur Stiftshütte vor das Lager. 8 Und wenn Mose hinausging zur Stiftshütte, so stand alles Volk auf, und jeder trat in seines Zeltes Tür und sah ihm nach, bis er zur Stiftshütte kam. 9 Und wenn Mose zur Stiftshütte kam, so kam die Wolkensäule hernieder und stand in der Tür der Stiftshütte, und der HERR redete mit Mose. 10 Und alles Volk sah die Wolkensäule in der Tür der Stiftshütte stehen, und sie standen auf und neigten sich, ein jeder in seines Zeltes Tür. 11 Der HERR aber redete mit Mose von Angesicht zu Angesicht, wie ein Mann mit seinem Freunde redet. Dann kehrte er zum Lager zurück; aber sein Diener und Jünger Josua, der Sohn Nuns, wich nicht aus der Stiftshütte.

Mose begehrt, des HERRN Herrlichkeit zu schauen
12 Und Mose sprach zu dem HERRN: Siehe, du sprichst zu mir: Führe das Volk hinauf!, und lässt mich nicht wissen, wen du mit mir senden willst, wo du doch gesagt hast: Ich kenne dich mit Namen, und du hast Gnade vor meinen Augen gefunden. 13 Hab ich denn Gnade vor deinen Augen gefunden, so lass mich deinen Weg wissen, damit ich dich erkenne und Gnade vor deinen Augen finde. Und sieh doch, dass dies Volk dein Volk ist. 14 Er sprach: Mein Angesicht soll vorangehen; ich will dich zur Ruhe leiten. 15 Mose aber sprach zu ihm: Wenn nicht dein Angesicht vorangeht, so führe uns nicht von hier hinauf. 16 Denn woran soll erkannt werden, dass ich und dein Volk vor deinen Augen Gnade gefunden haben, wenn nicht daran, dass du mit uns gehst, sodass ich und dein Volk erhoben werden vor allen Völkern, die auf dem Erdboden sind? 17 Der HERR sprach zu Mose: Auch das, was du jetzt gesagt hast, will ich tun; denn du hast Gnade vor meinen Augen gefunden, und ich kenne dich mit Namen. 18 Und Mose sprach: Lass mich deine Herrlichkeit sehen! 19 Und er sprach: Ich will vor deinem Angesicht all meine Güte vorübergehen lassen und will vor dir kundtun den Namen des HERRN: Wem ich gnädig bin, dem bin ich gnädig, und wessen ich mich erbarme, dessen erbarme ich mich. 20 Und er sprach weiter: Mein Angesicht kannst du nicht sehen; denn kein Mensch wird leben, der mich sieht. 21 Und der HERR sprach weiter: Siehe, es ist ein Raum bei mir, da sollst du auf dem Fels stehen. 22 Wenn dann meine Herrlichkeit vorübergeht, will ich dich in die Felskluft stellen und meine Hand über dir halten, bis ich vorübergegangen bin. 23 Dann will ich meine Hand von dir tun und du darfst hinter mir her sehen; aber mein Angesicht kann man nicht sehen.