- WEBSITEWEGWIJZER - GENESIS 1 - Gn 1 -
- taalgebruik -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 1 -
- Gn 1,1-2,4a --

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -

Overzicht van Tenakh : Tenakh : overzicht , Tenakh : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenakh : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,

Gn (Genesis) : overzicht , Gn : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Gn : commentaar ,

Overzicht van Genesis : - Gn 1 - Gn 2 - Gn 3 - Gn 4 - Gn 5 - Gn 6 - Gn 7 - Gn 8 - Gn 9 - Gn 10 - Gn 11 - Gn 12 - Gn 13 - Gn 14 - Gn 15 - Gn 16 - Gn 17 - Gn 18 - Gn 19 - Gn 20 - Gn 21 - Gn 22 - Gn 23 - Gn 24 - Gn 25 - Gn 26 - Gn 27 - Gn 28 - Gn 29 - Gn 30 - Gn 31 - Gn 32 - Gn 33 - Gn 34 - Gn 35 - Gn 36 - Gn 37 - Gn 38 - Gn 39 - Gn 40 - Gn 41 - Gn 42 - Gn 43 - Gn 44 - Gn 45 - Gn 46 - Gn 47 - Gn 48 - Gn 49 - Gn 50 -
Overzicht vers per vers : - Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 -

() Gn 1,1 . () Gn 1,2 . () Gn 1,3 . () Gn 1,4 . () Gn 1,5 . () Gn 1,6 . () Gn 1,7 . () Gn 1,8 . () Gn 1,9 . () Gn 1,10 . () Gn 1,11 . () Gn 1,12 . () Gn 1,13 . () Gn 1,14 . () Gn 1,15 . () Gn 1,16 . () Gn 1,17 . () Gn 1,18 . () Gn 1,19 . () Gn 1,20 . () Gn 1,21 . () Gn 1,22 . () Gn 1,23 . () Gn 1,24 . () Gn 1,25 . () Gn 1,26 . () Gn 1,27 . () Gn 1,28 . () Gn 1,29 . () Gn 1,30 . () Gn 1,31 .


schepping Gn 1,1 (1) ; Gn 1,1 (2) Gn 1,3-5

Vie et mort dans la Bible . Aux origines du Dieu unique . Auteur(s) : Jean Soler . 238 pages, 16 x 23 cm, 2-87706-498-0 . Collection : , éditeur : Editions de Fa0llois, 2004 . (22 €), 240 gr

         
1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible   - King James Bible 11. Luther-Bibel    

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat
Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik

ALGEMEEN OVERZICHT

-
bijbeloverzicht , taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


Gn 1,1-2,4a : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a -

Gn 1,1 - Gn 1,1 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1en archè epoièsen o theos ton ouranon kai tèn gèn  1 in principio creavit Deus caelum et terram   bëre´sjîth bârâ  ´èlohîm ´eth hasjsjâmajim wë´eth hâ´ârèts 1 In den beginne schiep God den hemel en de aarde.  [1] In het begin schiep God de hemel en de aarde.   [1] In het begin schiep God de hemel en de aarde.  1 ¶ Sinds het begin is God schepper,– van de hemelen en de aarde.  1. Au commencement, Dieu créa le ciel et la terre.

King James Bible . In the beginning God created the heaven and the earth .
Luther-Bibel (1984) . Am Anfang schuf Gott Himmel und Erde .
Eigen vertaling : Bij aanvang baarde God hemel en aarde .

>
  1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.    8. 
  Gn 1,1-2 Gn 1,3-5 Gn 1,6-8 Gn 1,9-13 Gn 1,14-19 Gn 1,20-23 Gn 1,24-31   Gn 2,1-4a
aantal woorden 7 + 14 = 21 6 + 12 + 13 = 31 11 + 17 + 10 = 38 13 + 12 + 20 + 18 + 6 = 69 16 + 9 + 18 + 8 + 12 + 6 = 69 15 + 23 + 13 + 6 = 57 14 + 18 + 19 + 13 + 22 + 27 + 21 + 15 = 149 aantal woorden : 434 (2 X 7 X 31)  
aantal letters 28 + 52 = 80 23 + 45 + 49 = 117 (9 X 13) 44 + 65 + 39 = 148 (2² X 37) 52 + 49 + 69 + 67 + 22 = 259 (7 X 37) 76 + 37 + 79 + 33 + 51 + 22 = 298 (2 X 149) 57 + 89 +52 + 22 = 220 (2² X 5 X 11) 56 + 69 + 84 + 50 + 88 + 83 + 69 + 50 = 549 (3² X 61) . aantal letters : 1671 (3 X 557)  

1
2
3
4
5
6
7
בְּרֵאשִׁית בָּרָא אֱלֹהִים אֵת הַשָּׁמַיִם וְאֵת הָאָרֶץ׃
bë-reʾsjîth bârâʾ ʾêlohîm ʾeth ha-sjsjâmajim wë-eth hâ-ʾârèts
ב · ראשׁית ברא אלהים אות ה · שׁמים ו · אות ה · ארץ
in begin
schiep
God
[obj]
de hemel
en [obj]
de aarde

Tekstuitleg van Gn 1,1 . Het vers Gn 1,1 telt 7 , zie 7 en sjèbha` / sjëbha` (zeven) , woorden en 28 , zie 28 , (4 X 7) letters ; verhouding : 1 - 4 . Het getal 7 symboliseert een week , 28 een maan"d" . Na 7 dagen van een week begint een nieuwe week . Na de omloop van de maan begint een nieuwe 'maan-d' . De week en de maand symboliseren de schepping . Zeven is het zeshoekig hart (6 X 1) van een ster van 13 (zie : 13 , star13.gif) . Driehoekzijde : 4 . Het is ook het driehoeksgetal (de som van 1 tot n . Formule : n (n + 1) gedeeld door 2 , van 7 of ook : 1 + 2 + 3 + 4 + 5 + 6 + 7 = 28 .

De getalswaarde van Gn 1,1 is 2701 = 37 X 73 (spiegelgetallen) ; totaal : 110 -> 2 . Het getal 37 , zie 37 , is het zeshoekig hart (met zijde 4) van een ster van 73 (zie : 73 , 73 als ster) . Driehoekszijde : 10 . De getalswaarde van חָכְמָה = châkhëmâh (chokma) = wijsheid is 37 en 73 . Door de wijsheid van God werd hemel en aarde geschapen . In TJ en TN begint de tekst met בְחָכְמָה = bëchôkhëmâh (met wijsheid) .
337 is de gouden ster met 37 als overlappingsster (zie http://www.biblewheel.com/gr/GR_LogosStar_Genesis.asp ) .
2701 = 3 X 337 + 10 X 169 = 37 X 73 . De woorden op een onpare plaats in de zin hebben een getalswaarde van 1690 = 10 X 169 . De woorden op de pare plaatsen, hebben een getalswaarde van 1011 = 3 X 337 . 169 = 13 X 13 . 961 = 31 X 31 .
We kunnen besluiten dat achter de tekst van Gn 1,1 een veelheid van geometrische figuren schuilgaat . Getallen brengen beelden voort . Die beelden getuigen van wijsheid en schoonheid .

  7.  6.  5.  4.  3.  2.  1. 
  hâ´ârèts  wë´eth  hasjsjâmaîm  ´eth  ´èlohîm (God) bârâ´ (schiep) bëre´sjîth (bij aanvang , aanvankelijk)
  296  407  395  401  86  203  913 
  296 + 407 = 703 (= 19 X 37)           203 + 401 + 407 = 1011 of 3 X 337  903 + 86 + 395 + 296 = 1690 (10 X 169)

De eerste twee woorden beginnen op gelijke wijze met de letters : beth - resj - aleph : br' (bâra´ = scheppen) .
De aleph is de eerste letter van het alfabet . De schrijfwijze van aleph is een schuine waw (getalswaarde 6) met rechtsboven en linksonder een jod (2 X 10) , dus getalswaarde 26 , dezelfde getalswaarde als die van de naam JHWH (jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , he = 5 ; totaal 26) . Het scheppingsverhaal begint met een beth , de tweede letter van het alfabet . Uit eenheid kan tweeheid ontstaan .
Het derde woord is  אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . De godsnaam begint met een aleph . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´el . Getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . De godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt 31 maal in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 . Betrekken we hierbij ook אֶחָד = ´èchâd (één) . Getalswaarde : aleph = 1 , chet = 8 , daleth = 4 . Totaal : 13 , zie 13 . God is één of 13 = 13 .
Het 4de ( אֵת = ´eth) en het 6de woord (וְאֶת = wë´eth) duidt de accusatief aan . He 5de en het 7de woord is complementair (hemel en aarde) en duidt een totaliteit aan . Zo zijn er 3 paren en 1 enkelvoudig woord nl. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) ; zo zijn er 3 paren scheppingsdagen, en op de 7de dag rustte God . Zo vormt Gn 1,1 een prelude op het eigenlijke scheppingsverhaal .

Gn 1,1.1. בְרֵאשִׁית = bëre´sjîth (bij aanvang , aanvankelijk) <. voorzetsel bë + zelfstandig naamwoord רֵאשִׁית = re´sjîth (begin) . Taalgebruik in Tenakh : re´sjîth (begin) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , jod = 10 , taw = 22 of 400 . Totaal : 74 (2 X 37, zie 37) OF 911 (priemgetal) . Structuur : 2 - 1 - 3 - 1 - 4 . Som van de elementen is telkens 11 -> 2 . Getalswaarde van בְרֵאשִׁית = bëre´sjîth : ... + beth = 2 ; totaal : 76 (4 X 19) OF 913 (11 X 83) . Tenakh (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Jr 26,1 . (3) Jr 27,1 . (4) Jr 28,1 . (5) Jr 49,34 . NT : Joh 1,1 . In בְרֵאשִׁית = bëre´sjîth (bij aanvang , aanvankelijk) staat geen bepaald lidwoord ; dat komt ook tot uiting in de LXX : εν αρχῃ = en archèi . רֵאשִׁית = re´sjîth (aanvang , begin) heeft de vorm van een status constructus zonder dat een nadere bepaling volgt ; een begin is toch altijd een begin van iets . In het laatste woord van het laatste vers van dit verhaal (Gn 2,4) komt de beth als voorzetsel terug . Daar is het verbonden met een vorm van het werkwoord בָרָא = bârâ´ (scheppen) ; in Gn 1,1 staat בָרָא = bârâ´ (scheppen) als tweede woord na בְרֵאשִׁית = bëre´sjîth (bij aanvang , aanvankelijk) .

re´sjîth (begin) bijbel   Gn   Ex   Lv   Nu   Dt   1 S  2 Kr  Neh  Job  Ps  Spr  Jr  Ez  Am  Mi 
re´sjîth 28 
bëre´sjîth                           

De beth staat voor de twee , maar ook voor de schepping . Deze schepping wordt gekenmerkt door tweeheid (Gn 1,1) .
De Souzenelle ziet in het woord בְרֵאשִׁית = bëre´sjîth (b-r-´- sj-j-th) de woorden b-r (graan, zoon) , ´-sj-j-th (ik stel, van het werkw. sj-w-th of sj-j-th: stellen, plaatsen) , r-´sj (hoofd, begin) , r-sj (deelw. râsj van het werkw. r-w-sj: arm, behoeftig zijn) , b-r-´(hij schiep van het werkw; b-r´-: scheppen) en sjîth (imperatief, stel, plaats) . In b-r-´ de woorden bë (voorzetsel: in) en r-´ (van het werkw. r-´-h : zien) OF b-r (zoon) en -´- de beginletter van de godsnaam ´èlohîm . In bëre´sjîth schuilen de woorden b-j-th (be(j)th: huis) en ro´sj (hoofd) ; in het eerste woord staat de jod, die we als eerste letter in de godsnaam JHWH aantreffen en in het tweede woord de aleph, die we als eerste letter in de godsnaam ´èlohîm . In b-r bij het begin van bëre´sjîth staat de beth van het woord be(j)th : huis en de resj van het woord ro´sj (hoofd) .
De eerste letter van bëts´eth (in het uittrekken) (Ps 114,1) is een beth , de laatste een thaw ; dit is ook het geval in het eerste woord van Tenakh : bëre´sjîth (bij aanvang , aanvankelijk) (Gn 1,1) . In Ps 114 betreft het de uittocht , in Gn 1 de schepping .
LXX . en archè(i) (in begin) van het zelfst. naamw. archè (begin, heerschappij) . Taalgebruik in het NT : archè (begin, heerschappij) . Taalgebruik in de LXX : archè (begin, heerschappij) . en archè(i) (in het begin) . In vier verzen in het NT : (1) Joh 1,1 . (2) Joh 1,2 . (3) Hnd 11,15 . (4) Fil 4,15 . Een vorm van archè (begin, heerschappij) in de LXX (239) , in het NT (55) .

archè (begin) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev. P. A. b.
nom. + dat enk. archè(i) 82 70 12 1 2 1 2 1 2 3 4 6 2  

Latijn . in principe < princeps < primum capere = eerst nemen . in in-itio < in-itium < in-ire : ingaan, binnengaan (bij het binnengaan van de schepping) . in capite < caput = hoofd , kop , chef . Bij een boom ligt het begin in het wortelgestel (radix) , onder de grond . De kruin wordt bepaald door de stuwing van onderuit . Een begin ligt ook bij de bron (fons) , waaruit vrouwen water putten . Uit een bron welt water op , dat als het ware uit het niets voorkomt . Een vorst geeft leiding , richting , stuurt ; een sturende kracht . Aan het begin staat oorsprong , stuwing , richting .
Arabisch : ra´s (hoofd) . Taalgebruik in de Qoran : ra´s (hoofd) .
In Gn 1,1 - Gn 1,2 ligt de nadruk op de eenheid , waaruit alles voortkomt .

Gn 1,1.2. בָרָא = bârâ´ (scheppen) . Taalgebruik in Tenakh : bârâ´ (scheppen) . Getalswaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 23 of 203 . Structuur : 2 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (17 , 21 vormen) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,27 . (3) Gn 2,3 . (4) Gn 5,1 . (5) Dt 4,32 . (6) 2 K 12,17 . (7) Js 40,26 . (8) Jr 31,22 . (9) Ez 21,24 . (10) Ps 51,12 . (11) In zeven verzen in Da . Een vorm van בָרָא = bârâ´ (scheppen) in Tenakh (41 verzen , 48 vormen) . Gn (8 verzen , 11 vormen) .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. εποιησεν = epoièsen (hij deed) van het werkw. ποιεω = poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in de LXX : poieô (doen, maken) . Bijbel (714) . OT (641) . NT (73) . Gn 1 (7 verzen , 9 vormen) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,16 . (4) Gn 1,21 . (5) Gn 1,25 . (6) Gn 1,27 (3X) . (7) Gn 1,31 . Een vorm van ποιεω = poieô (doen, maken) in de LXX (3390) , in het NT (565) .
- Ned. : scheppen . D. : (er)schaffen . Andere stamgroep : E. : to create . Fr. : créer . Italiaans : creare . Latijn : creare . Spaans : crear .
- Ned. : doen . Arabisch : عَمَلَ = `amala (werken) . Taalgebruik in de Qoran : `amala (werken . D. : tun . E. : do : Fr. : faire . Grieks : ποιεω = poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Hebreeuws : עָשָׂה = `âshâh (maken, doen) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâh (maken) . Lat. : facere .

Gn 1,1.1. - 2. בְרֵאשִׁית בָרָא = bëre´sjîth bârâ´ (bij aanvang , aanvankelijk schiep hij) . Slechts in Gn 1,1 . De eerste 2 woorden beginnen elk met beth-resj

Gn 1,1.3. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalswaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (299) . Pentateuch (216) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (16) . Gn (140) . Ex (31) . Lv (0) . Nu (7) . Dt (29) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 .
- De godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- Grieks . θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen : goden . Als collectief zouden we kunnen vertalen : god . Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden . Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn .
- De Godsnaam יהוה = JHWH wordt veelvuldiger dan de naam אֱלֹהִים = ´èlohîm (god) gebruikt . Vergelijk maar : יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Ex (299) . Lv (199) . Nu (287) . Dt (413) . In Gn : ´èlohîm (god) (140) , de Godsnaam JHWH (128) , vooral in Gn 1-25 .

    Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt
  ´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 26 (31X) 31 0 7 29
  JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 0 299 199 287 413

- De woorden אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) en אֵל = ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalswaarde van אֵל = ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,1.2. - 3. (1a) בָרָא אֱלֹהִים = bârâ ´èlohîm (God schiep) . Tenakh ( 3) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 2,3 . (3) Dt 4,32 .
- (1b) בָרָא יהוה = bârâ´ JHWH (JHWH schiep) . Tenakh (1) : Jr 31,22 .
- (1c) וַיִּבְרָא אֱלֹהִים = wajjibhërâ´ ´èlohîm (en God schiep) . Tenakh (2) : (1) Gn 1,21 . (2) Gn 1,27 . (Niet met JHWH)
- (2a) וַיַּעַשׂ אֱלֹהִים = wajja`ash ´èlohîm (en God maakte) . Tenakh (4) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,25 . (4) Re 6,40 .
- (2b) וַיַּעַשׂ יהוה = wajja`ash JHWH (en JHWH maakte) . Tenakh (11) : (1) Gn 3,21 . (2) Gn 21,1 . (3) Ex 8,9 . (4) Ex 8,20 . (5) Ex 8,27 . (6) Ex 9,6 . (7) 1 S 19,5 . (8) 1 S 28,17 . (9) 2 S 23,10 . (10) 2 S 23,12 . (11) Jr 40,3 .
- (2c) עֹשֶׂה יהוה = `âshâh JHWH (JHWH maakte) . Tenakh (27) . Pentateuch (14) : (1) Gn 3,1 . (2) Ex 13,8 . (3) Ex 14,31 . (4) Ex 18,8 . (5) Ex 18,9 . (6) Ex 20,11 . (7) Ex 31,17 . (8) Nu 33,4 . (9) Dt 3,21 . (10) Dt 4,3 . (11) Dt 7,18 . (12) Dt 24,9 . (13) Dt 29,1 . (14) Dt 29,23 . Js (1) Js 44,23 .
- (2c1) כִּי שֵׁשֶׁת יָמִים עָשָֹה יהוה = kî sjesjèth jâmîm `âshâh JHWH (want gedurende zes dagen maakte JHWH) . Tenakh (2) : (1) Ex 20,11 . (2) Ex 31,17 .
- (3) וַיִּקְרָא אֱלֹהִים = wajjiqërâ´ ´èlohîm (en God riep) . Tenakh (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
- (4) וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים = wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . Gn 1 (9) : Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) .
- (5) וַיַּרְא אֱלֹהִים = wajjarë´ ´èlohîm (en God zag) . Tenakh (9) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . (8) Gn 6,12 . (9) Ex 2,2 .
- (6) וַיַבְדֵּל אֱלֹהִים = wajjabhëdel ´èlohîm (en God maakte een scheiding) . Tenakh (1) : Gn 1,4 .
- (7a) וַיְבָרֶך אֱלֹהִים = wajëbhârèkh èlohîm (en God zegende) . Tenakh (3) : (1) Gn 2,3 . (2) Gn 9,1 . (3) Gn 25,11 . Zie ook Gn 1,22 .
- (7b) וַיְבָרֶך יהוה = wajëbhârèkh JHWH (en JHWH zegende) . Tenakh (4) : (1) Gn 30,30 . (2) Gn 39,5 . (3) 2 S 6,11 . (4) 1 Kr 13,14 .

- εποιησεν ὁ θεος = epoisen ho theos (God maakte) . LXX (18) . Gn 1 (6) . NT (3) .
- (2a) και εποιησεν ὁ θεος = kai epoièsen ho theos (en God maakte) . Bijbel (7) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,27 . (6) Re 6,40 . (7) Est 10,3 .
- (3) και εκαλεσεν ὁ θεος = kai ekalesen ho theos (en God riep) . Bijbel (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
- (4) και ειπεν ὁ θεος = kai eipen ho theos (en God zei) . Bijbel (28) . Gn 1 (9) : Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,28 . (9) Gn 1,29 .
- (5) και ειδεν ὁ θεος = kai eiden ho theos (en God zag) . Bijbel (9) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 . (4) Gn 1,12 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 1,21 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,31 . (9) Jon 3,10 .
- (6) διεχωρισεν ὁ θεος = diechôrisen ho theos (God maakte een scheiding) . LXX (2) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 .

Gn 1,1.4. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalswaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 .
- וְאֶת / וְאִת = wë´èth / wë´eth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalswaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

Gn 1,1.5. הַּשָׁמַיִם / הַּשָׁמָיִם = hasjsjâmajim / hasjsjâmâjim (de hemelen) < bepaald lidw. ha + שָׁמַיִם / שָׁמָיִם = sjâmajim / sjâmâjim (hemelen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmajim (hemelen) . Tenakh (223) . Pentateuch (69) . Eerdere Profeten (35) . Latere Profeten (41) . 12 Kleine Profeten (15) . Geschriften (63) . Gn (32) . Gn 1-11 (21) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,9 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,26 . (8) Gn 1,28 . (9) Gn 1,30 . (10) Gn 2,1 . (11) Gn 2,4 . (12) Gn 2,19 . (13) Gn 2,20 . (14) Gn 6,7 . (15) Gn 6,17 . (16) Gn 7,3 . (17) Gn 7,11 . (18) Gn 7,19 . (19) Gn 7,23 . (20) Gn 8,2 . (21) Gn 9,2 .
- Twee uitersten worden vaak gebruikt om een totaliteit uit te drukken ; zo is dat het geval in hemel en aarde , van hoog tot laag , van kop tot teen , dag en nacht enz. . Vergelijken we de sommen van sjâmajim / sjâmâjim (hemelen) en ´èrèts (land, aarde) :
- Grieks : acc. mann. enk. ουρανον = ouranon (hemel) van het zelfst. naamw. ουρανος = ouranos (hemel) . Taalgebruik in het NT : ouranos (hemel) . Taalgebruik in de Septuaginta : ouranos (hemel) . Een vorm van ουρανος = ouranos (hemel) in de LXX (682) , in het NT (272) .

  ouranos (hemel)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
acc. mann. enk. ouranon  182  142  40  11  13  16 
  Totaal 954 682 272 82 18 34 18 26 21 52 134 152    

- Ned. : hemel . Arabisch : سَمَاة = samâ´ (hemel) . Taalgebruik in de Qoran : samâ´ (hemel) . D. : Himmel . E. : heaven . Fr. : ciel . Grieks : ουρανος = ouranos (hemel) . Taalgebruik in het NT : ouranos (hemel) . Hebreeuws : שָׁמַיִם / שָׁמָיִם = sjâmajim / sjâmâjim (hemelen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmajim (hemelen) .

Gn 1,1.4. - 5. אֶת הַּשָׁמַיִם = ´èth hasjsjâmajim (de hemelen) . Tenakh (15) : (1) Ex 20,11 . (2) Ex 31,17 . (3) Dt 4,26 . (4) Dt 11,17 . (5) Dt 28,12 . (6) Dt 30,19 . (7) Dt 31,28 . (8) 2 K 19,15 . (9) 2 Kr 2,11 . (10) Neh 9,6 . (11) Js 37,16 . (12) Jr 23,24 . (13) Jr 32,17 . (14) Hag 2,6 . (15) Hag 2,21 .

Gn 1,1.6. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalswaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 .
- וְאֶת / וְאִת = wë´èth / wë´eth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalswaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

Gn 1,1.7. הָאָרֶץ = hâ´ârèts (de aarde) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalswaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
- וְהָאָרֶץ = wëhâ´ârèts (en de aarde) < prefix voegwoord wë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֶרֶץ =´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalswaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (38) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (4) . Pentateuch (10) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 2,1 . (3) Gn 2,4 . (4) Gn 34,10 . (5) Gn 34,21 . (6) Lv 25,23 . (7) Lv 26,42 . (8) Lv 26,43 . (9) Dt 11,11 . (10) Dt 28,23 .
- Voor het eerst komen we een vorm van אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) tegen . Het staat in samenhang met hemel en samen drukken ze de totaliteit uit .
- Grieks. nom. + dat. vr. enk. γη / γῃ = gè / gè(i) (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Een vorm van γη = gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) , in Gn 1 (16) . .
- Ned. : aarde . Arabisch : أَرْض = ´arD (aarde) . Taalgebruik in de Qoran : ´arD (aarde) . Aramees : אֲרְעַ = ´ärë`a (aarde) . D. : Erde . E. : earth . Fr. : terre . Grieks : γη = gè (aarde, land) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Hebreeuws : אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Italiaans : terra . Lat. : terra . Spaans : tierra . Syrisch : ´ar`o (aarde) .

Gn 1,1.6. - 7. וְאִת הָאָרֶץ = wë´eth hâ´ârèts (en het land) . Tenakh (1) : Gn 1,1 .
אֵת הָאָרֶץ = ´eth hâ´ârèts (het land) . - Tenakh (1) : Dt 1,35 .
- וְאֶת הָאָרֶץ = wë´èth hâ´ârèts (en het land) . Tenakh (17) : (1) Gn 35,12 . (2) Gn 42,34 . (3) Gn 49,15 . (4) Ex 20,11 . (5) Ex 31,17 . (6) Dt 3,12 . (7) Dt 4,26 . (8) Dt 30,19 . (9) Dt 31,28 . (10) 2 K 19,15 . (11) 2 Kr 2,11 . (12) Js 37,16 . (13) Jr 22,12 . (14) Jr 23,24 . (15) Jr 32,17 . (16) Hag 2,6 . (17) Hag 2,21 .
- אֶת הָאָרֶץ = ´èth hâ´ârèts (het land) . Tenakh (136) . Gn (12) : (1) Gn 1,28 . (2) Gn 6,12 . (3) Gn 6,13 . (4) Gn 9,1 . (5) Gn 12,7 . (6) Gn 15,7 . (7) Gn 15,18 . (8) Gn 24,7 . (9) Gn 35,12 . (10) Gn 41,30 . (11) Gn 42,30 . (12) Gn 48,4 . De getalswaarde van deze uitdrukking is 6 + 401 + 5 + 291 = 703 (19 X 37) . Dit is de ster als 37 en de zeshoek als 19 . Zie : http://www.biblewheel.com/gr/GR_LogosStar_Genesis.asp . Laten we in het getal 703 de nul weg , dan bekomen we 73 ; het spiegelbeeldgetal is 37 . En we krijgen opnieuw 37 X 73 , de ster als 73 en de zeshoek als 36 .

Gn 1,1.4. - 7. אֶת הַּשָׁמַיִם וְאֶת הָאָרֶץ = ´èth hasjsjâmajim wë´èth hâ´ârèts (de hemelen en de aarde) . Tenakh (12 / 15) : (1) Ex 20,11 . (2) Ex 31,17 . (3) Dt 4,26 . (4) Dt 30,19 . (5) Dt 31,28 . (6) 2 K 19,15 . (7) 2 Kr 2,11 . (8) Js 37,16 . (9) Jr 23,24 . (10) Jr 32,17 . (11) Hag 2,6 . (12) Hag 2,21 .
- אִת הַּשָׁמַיִם וְאִת הָאָרֶץ = ´eth hasjsjâmajim wë´eth hâ´ârèts (de hemel en de aarde) is een hapax in Gn 1,1 .
- שָׁמַיִם וְאָרֶץ = sjâmajim wë´èrèts / wä´ârèts (hemel en aarde) . Tenach (11) : (1) Gn 14,19 . (2) Gn 14,22 . (3) Ps 69,35 . (4) Ps 115,15 . (5) Ps 121,2 . (6) Ps 124,8 . (7) Ps 134,3 . (8) Ps 146,6 . (9) Jr 33,25 . (10) Jr 51,48 . (11) Jl 4,16 .
- Grieks : τον ουρανον και την γην = ton ouranon kai tèn gèn (de hemel en de aarde) . LXX (26) . NT (4) .


Gn 1,2 - Gn 1,2 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2è de gè èn aoratos kai akataskeuastos kai skotos epanô tès abussou kai pneuma theou epefereto epanô tou udatos  2 terra autem erat inanis et vacua et tenebrae super faciem abyssi et spiritus Dei ferebatur super aquas    2 De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren.  [2] De aarde was woest* en leeg; duisternis lag over de diepte, en de geest* van God zweefde over de wateren.  [2] De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water.*  2 De aarde is woestheid en warboel geweest, met duisternis op het aanschijn van de oervloed,– maar adem van God reeds wervelend over het aanschijn van het water.   2. Or la terre était vide et vague, les ténèbres couvraient l'abîme, un vent de Dieu tournoyait sur les eaux.  

King James Bible . [2] And the earth was without form, and void; and darkness was upon the face of the deep. And the Spirit of God moved upon the face of the waters.
Luther-Bibel . 2 Und die Erde war wüst und leer, und es war finster auf der Tiefe; und der Geist Gottes schwebte auf dem Wasser.

>
  1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.    8. 
  Gn 1,1-2 Gn 1,3-5 Gn 1,6-8 Gn 1,9-13 Gn 1,14-19 Gn 1,20-23 Gn 1,24-31   Gn 2,1-4a
aantal woorden 7 + 14 = 21 6 + 12 + 13 = 31 11 + 17 + 10 = 38 13 + 12 + 20 + 18 + 6 = 69 16 + 9 + 18 + 8 + 12 + 6 = 69 15 + 23 + 13 + 6 = 57 14 + 18 + 19 + 13 + 22 + 27 + 21 + 15 = 149 aantal woorden : 434 (2 X 7 X 31)  
aantal letters 28 + 52 = 80 23 + 45 + 49 = 117 (9 X 13) 44 + 65 + 39 = 148 (2² X 37) 52 + 49 + 69 + 67 + 22 = 259 (7 X 37) 76 + 37 + 79 + 33 + 51 + 22 = 298 (2 X 149) 57 + 89 +52 + 22 = 220 (2² X 5 X 11) 56 + 69 + 84 + 50 + 88 + 83 + 69 + 50 = 549 (3² X 61) . aantal letters : 1671 (3 X 557)  

1
2
3
4
5
6-7
8
9
10
11
12-13
14
וְהָאָרֶץ הָיְתָה תֹהוּ וָבֹהוּ וְחֹשֶׁךְ עַל־פְּנֵי תְהוֹם וְרוּחַ אֱלֹהִים מְרַחֶפֶת עַל־פְּנֵי הַמָּיִם׃
wë-hâ-ʾârèts hâjëthâh thôhû wâ-bhohû wë chosjèkh ʿal pëne(j) thëhôm wë-ach ʾêlohîm mërachèphèth ʿal pëne(j) hammâjim
ו · ה · ארץ היה תהו ו · בהו ו · חשׁך על · פן תהום ו · רוח אלהים רחף על · פן ה · מים
en de aarde
was
vormlees
en leeg
en duisternis
over aangezicht van
de diepte
en geest van
God
zweefde
over aangezicht van
de wateren

Tekstuitleg van Gn 1,2 . Vers Gn 1,2 telt 14 (2 X 7) woorden en 52 (2² X 13 of 2 X 26) letters . De getalswaarde van Gn 1,2 is 3546 (2 X 3² X 197) . Vanaf Gn 1,2 beginnen alle verzen met וְ = wë (en) . In de LXX wordt dit in Gn 1,2 weergegeven door δε = de (echter) , in de overige verzen van Gn 1 door και = kai (en) . Het begin van Gn 1,2 grijpt terug naar het einde van Gn 1,1 .

Gn 1,2.1. הָאָרֶץ = hâ´ârèts (de aarde) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalswaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
- וְהָאָרֶץ = wëhâ´ârèts (en de aarde) < prefix voegwoord wë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֶרֶץ =´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalswaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (38) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (4) . Pentateuch (10) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 2,1 . (3) Gn 2,4 . (4) Gn 34,10 . (5) Gn 34,21 . (6) Lv 25,23 . (7) Lv 26,42 . (8) Lv 26,43 . (9) Dt 11,11 . (10) Dt 28,23 .
- Het begin van Gn 1,2 grijpt terug naar het einde van Gn 1,1 . Voor de 2de maal in Gn 1 komen we een vorm van אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) tegen . Over de hemel wordt niets verteld .
- Grieks. nom. + dat. vr. enk. γη / γῃ = gè / gè(i) (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Een vorm van γη = gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) , in Gn 1 (16) .
- ἡ δε γη = hè de gè (het land / de aarde echter) . LXX (10) . Gn (2) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 34,21 . και ἡ γη = kai hè gè (en het land / de aarde) . LXX (43) . NT (8) .
- Ned. : aarde . Arabisch : أَرْض = ´arD (aarde) . Taalgebruik in de Qoran : ´arD (aarde) . Aramees : אֲרְעַ = ´ärë`a (aarde) . D. : Erde . E. : earth . Fr. : terre . Grieks : γη = gè (aarde, land) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Hebreeuws : אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Italiaans : terra . Lat. : terra . Spaans : tierra . Syrisch : ´ar`o (aarde) .

Gn 1,2.2. act. qal perf. 3de pers. vr. enk. הָיְתָה = hâjëthâh (en zij werd) van het werkw. הָיָה = häjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalswaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . Tenakh (114) . Pentateuch (18) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (26) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (30) . Gn (8) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 3,20 . (3) Gn 18,12 . (4) Gn 29,17 . (5) Gn 36,12 . (6) Gn 38,21 . (7) Gn 38,22 . (8) Gn 47,26 .
- act. ind. imperf. 3de pers. enk. ην = èn (hij / zij was) van het werkw. ειμι = eimi (zijn) OF betrekkelijk voornaamw. acc. vr. enk. ἡν (die) van het betrekk. voornaamw. ὁς (die) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in de LXX : eimi (zijn) . Een vorm van ειμι = eimi (zijn) in de LXX (6947) , in het NT (2450) .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn  OF betrekkelijk voornaamw. acc. vr. enk. ἡν 1506  1120  386  24  38  79  92  63  71  19  141  233     

Grieks : ειμι = eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in de LXX : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Taalgebruik in Hnd : eimi . Een vorm van ειμι = eimi (zijn) in de LXX (6947) , in het NT (2450) .
- werkw. Ned. : zijn . Arabisch : كانَ = kâna (zijn) . Taalgebruik in de Qoran : kâna (zijn) . D. : sein . E. : to be . E. : to be . Frans : être . Grieks : ειμι = eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Hebreeuws : הָיָה = hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Italiaans : essere . Lat. : esse . Spaans : ser . Surisch : hwojo .

Gn 1,2.3. תֹהוּ = thohû (woestenij, leegheid) . Taalgebruik in Tenakh : thohû (woestenij, leegheid) . Getalswaarde : thaw = 22 of 400 , he = 5 , waw = 6 ; totaal : 33 (3 X 11) OF 411 (3 X 137) . Structuur : 4 - 5 - 6 . Tenakh (10) : (1) Gn 1,2 . (2) 1 S 12,21 . (3) Js 24,10 . (4) Js 34,11 . (5) Js 44,9 . (6) Js 45,18 . (7) Js 45,19 . (8) Js 59,4 . (9) Jr 4,23 . (10) Job 26,7 .
- Grieks : bijvoegl. naamw. nom. mann. enk. αορατος = aoratos (ongezien) . Taalgebruik in het NT : aoratos (onzichtbaar) . Taalgebruik in de LXX : aoratos (onzichtbaar) . Een vorm van αορατος = aoratos (ongezien) in de LXX (3) , in het NT (5) . In Gn 1,2 zouden we eerder een vrouwelijke vorm verwachten bij het vrouwelijke zelfst. naamw. γη = gè (aarde, land) .

Gn 1,2.4. וָבֹהוּ = wâbhohû (en ledigheid) < wë (en) + zelfst. naamw. בֹהוּ = bohû (ledigheid, eenzaamheid) . Taalgebruik in Tenakh : bohû (ledigheid, eenzaamheid) . Getalswaarde : beth = 2 , he = 5 , waw = 6 ; totaal : 13 . Structuur : 2 - 5 - 6 . Tenakh (2) : (1) Gn 1,2 . (2) Jr 4,23 .
- ακατασκευαστος = akataskeuastos (onuitgerust, oningericht) . Zie het werkw. κατασκευαζω = kataskeuazô (uitrusten, optuigen, inrichten, bouwen, maken) . Taalgebruik in het NT : kataskeuazô (uitrusten, optuigen, inrichten, bouwen, maken) . Taalgebruik in de LXX : kataskeuazô (uitrusten, optuigen, inrichten, bouwen, maken) . Een vorm van in de LXX (1) : Gn 1,2 , in het NT (0) .
- Grieks : bijvoegl. naamw. nom. mann. enk. αορατος = aoratos (ongezien) . Taalgebruik in het NT : aoratos (onzichtbaar) . Taalgebruik in de LXX : aoratos (onzichtbaar) . Een vorm van αορατος = aoratos (ongezien) in de LXX (3) , in het NT (5) . In Gn 1,2 zouden we eerder een vrouwelijke vorm verwachten bij het vrouwelijke zelfst. naamw. γη = gè (aarde, land) .

Gn 1,2.3. - 4. תֹהוּ וָבֹהוּ = thohû wâbhohû (woestenij en ledigheid) . Tenakh (2) : (1) Gn 1,2 . (2) Jr 4,23 .

Gn 1,2.5. חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Getalswaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 8 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (57) . Pentateuch (4) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (33) . Niet in Gn 1 .
- וְחֹשֶׁךְ = wëchosjèkh (en duisternis) < prefix voegwoord wë + zelfst. naamw. חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Getalswaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 8 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (3) : (1) Gn 1,2 . (2) Spr 10,19 . (3) Job 38,19 .
- הַחֹשֶׁך = hachosjèkh (de duisternis) < prefix bepaald lidw. ha + חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) .2 . Tenakh (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 . (3) Dt 5,23 . (4) Js 60,2 . (5) Pr 2,13 . (6) Pr 11,8 .
- וְלַחֹשֶׁך = wëlachosèkh (en tot de duisternis) < prefix voegwoord wë + voorzetsel be + bepaald lidwoord ha -> trekt samen tot la + zelfstandig naamwoord חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Getalswaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 8 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 4 . Gn (1) : Gn 1,5 .
- Grieks : nom. en acc. onz. enk. σκοτος = skotos (duisternis) . Taalgebruik in het NT : skotos (duisternis) . Taalgebruik in de Septuaginta : skotos (duisternis) . LXX (66) . Gn (2) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 1,5 . Een vorm van σκοτος = skotos (duisternis) in de Septuaginta (120) , in het NT (30) .
- Ned. : duisternis . Arabisch : ظلام = DHalâm (duisternis) . Taalgebruik in de Qoran : DHalâm (duisternis) . D. : Finsternis . Fr. : ténèbres . E. : darkness . Grieks : σκοτος = skotos (duisternis) . Taalgebruik in het NT : skotos (duisternis) . Hebreeuws : חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Lat. : tenebrae .

Gn 1,2.6. עַל = `al (op, overeenkomstig, omwille van , tot) . Taalgebruik in Tenakh : `al (op, overeenkomstig) . Taalgebruik in Jesaja : `al (op, overeenkomstig) . Getalswaarde : ajin = 16 of 70, lamed = 12 of 30 ; totaal : 28 (2² X 7) of 100 (2² X 5²) . Structuur : 7 - 3 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (3075) . Pentateuch (828) . Eerdere Profeten (616) . Latere Profeten (585) . 12 Kleine Profeten (186) . Geschriften (860) . Gn (189) . Ex (217) . Lv (152) . Nu (159) . Dt (111) .

Gn 1,2.7. stat. constr. mann. mv. פְנֵי = pëne(j) (aanschijn van) van het zelfst. naamw. פָּנִים= panîm (gezicht, aangezicht) . Taalgebruik in Tenakh : panîm (gezicht, aangezicht) . Getalswaarde : pe = 17 of 80 , nun = 14 of 50 , mem = 13 of 40 ; totaal : 44 (4 X 11) OF 170 . Structuur : 8 - 5 - 4 . De som van de elementen is 8 . Tenakh (327) . Pentateuch (108) . Eerdere Profeten (62) . Latere Profeten (72) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (71) .

Gn 1,2.6. - 7. עַל פְנֵי = `al pëne(j) (aanschijn van) . LXX (135) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,2 (2X) . (2) Gn 1,20 . (3) Gn 1,29 .

Gn 1,2.8. תְהוֹם = thëhôm (afgrond, oerwater) . Taalgebruik in Tenakh : thëhôm (afgrond, oerwater) . Getalswaarde : thaw = 22 of 400 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 40 OF 445 (5 X 89) . Structuur : 4 - 5 - 4 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (20) . Gn (4) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 7,11 . (3) Gn 8,2 . (4) Gn 49,25 .

Gn 1,2.Gn 1,2.9. וְרוּחַ = w-r-û-ch ( וְרוּחַ = wërûach (en een geest) OF וְרוּחַ = wërèwach (en ruimte, verademing) . וְרוּחַ wërûach(en geest) : nevenschikkend voegw. wë + zelfst. naamw. רוַח = rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 . waw = 6 . chet = 8 . Totaal : 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107) . Structuur : 2 - 6 - 8 . De som van de elementen is telkens 7 . Pentateuch (39) . Gn (2) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 32,17 .
- πνευμα = pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in de Septuaginta : pneuma (geest) . Een vorm van πνευμα = pneuma (geest) in het NT (379) , in de LXX (382) , in de Pentateuch (26) , Gn (7) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 6,3 . (3) Gn 6,17 . (4) Gn 7,15 . (5) Gn 8,1 . (6) Gn 41,38 . (7) Gn 45,27 .
- Ned. : geest . Arabisch : روح = rûH (geest) . Taalgebruik in de Qoran : rûH (geest) . D. : Geist . E. : spirit . Fr. : esprit . Grieks : πνευμα = pneuma (geest) : Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Hebreeuws . רוַח = rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) . Lat. : spiritus .

Gn 1,2.10. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalswaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (299) . Pentateuch (216) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (16) . Gn (140) . Ex (31) . Lv (0) . Nu (7) . Dt (29) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- Grieks . θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen : goden . Als collectief zouden we kunnen vertalen : god . Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden . Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn .
- De Godsnaam יהוה = JHWH wordt veelvuldiger dan de naam אֱלֹהִים = ´èlohîm (god) gebruikt . Vergelijk maar : יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Ex (299) . Lv (199) . Nu (287) . Dt (413) . In Gn : ´èlohîm (god) (140) , de Godsnaam JHWH (128) , vooral in Gn 1-25 .

    Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt
  ´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 26 (31X) 31 0 7 29
  JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 0 299 199 287 413

- De woorden אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) en אֵל = ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalswaarde van אֵל = ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,2.9. - 10. וְרוּחַ אֱלֹהִים = wërûach ´èlohîm (en de geest van God) . Tenakh (2): (1) Gn 1,2 . (2) 2 Kr 24,20 .
- רוַח אֱלֹהִים = rûach ´èlohîm (de geest van God) . Tenakh (13) . Pentateuch (4) : (1) Gn 41,38 . (2) Ex 31,3 . (3) Ex 35,31 . (4) Nu 24,2 .

Gn 1,2.11. act. piël part. vr. enk. מְרַחֵפֶת = mërachèphèth (zwevende) van het werkw. רָחַף = râchaph (trillen, piël : zweven) . Taalgebruik in Tenakh : râchaph (trillen, pi. zweven) . Deze vorm komt in Tenakh slechts in Gn 1,2 voor .
- Ned. : zweven . D. : sweben . E. : to move .

Gn 1,2.12. עַל = `al (op, overeenkomstig, omwille van , tot) . Taalgebruik in Tenakh : `al (op, overeenkomstig) . Taalgebruik in Jesaja : `al (op, overeenkomstig) . Getalswaarde : ajin = 16 of 70, lamed = 12 of 30 ; totaal : 28 (2² X 7) of 100 (2² X 5²) . Structuur : 7 - 3 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (3075) . Pentateuch (828) . Eerdere Profeten (616) . Latere Profeten (585) . 12 Kleine Profeten (186) . Geschriften (860) . Gn (189) . Ex (217) . Lv (152) . Nu (159) . Dt (111) .

Gn 1,2.13. stat. constr. mann. mv. פְנֵי = pëne(j) (aanschijn van) van het zelfst. naamw. פָּנִים= panîm (gezicht, aangezicht) . Taalgebruik in Tenakh : panîm (gezicht, aangezicht) . Getalswaarde : pe = 17 of 80 , nun = 14 of 50 , mem = 13 of 40 ; totaal : 44 (4 X 11) OF 170 . Structuur : 8 - 5 - 4 . De som van de elementen is 8 . Tenakh (327) . Pentateuch (108) . Eerdere Profeten (62) . Latere Profeten (72) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (71) .

Gn 1,2.12. - 13. עַל פְנֵי = `al pëne(j) (op het aanschijn van) . LXX (135) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,2 (2X) . (2) Gn 1,20 . (3) Gn 1,29 .

Gn 1,2.14. מַיִם = majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Getalswaarde : mem = 13 of 40 , jod = 10 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5) . Structuur : 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (254) . Pentateuch (53) . Eerdere Profeten (46) . Latere Profeten (72) . 12 Kleine Profeten (15) . Geschriften (68) .
- Ned. : water . Arabisch : مَأء = mâh (water) . Taalgebruik in de Qoran : mâh (water) . D. : Wasser . E. : water . Fr. : eau . Grieks : ὑδωρ = hudôr (water) . Hebreeuws : מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Lat. : aqua .

Alternatieve lezing : הַמָּיִם = hammajim (de wateren) < bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfstandig naamw. מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Getalswaarde : mem = 13 of 40 , jod = 10 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5) . Structuur : 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (85) . Pentateuch (45) . Eerdere Profeten (23) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (12) . Gn (28) . Gn 1 (8) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,9 . (5) Gn 1,10 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,21 . (8) Gn 1,22 .
- Grieks : gen. vr. enk. ὑδατος = hudatos (van water) van het zelfst. naamw. ὑδωρ = hudôr (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Taalgebruik in de LXX : hudôr (water) . LXX (137) . Gn (16) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 .

  hudôr (water)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
2 gen. onz. enk. hudatos  137  117  20  2 12 
  totaal 666  596  70  19  10  17  18  37 

- Ned. : water . Arabisch : مَأء = mâh (water) . Taalgebruik in de Qoran : mâh (water) . D. : Wasser . E. : water . Fr. : eau . Grieks : ὑδωρ = hudôr (water) . Hebreeuws : מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Lat. : aqua .

Gn 1,2.12. - 14. עַל פְנֵי מַיִם = `al pëne(j) majim (op het aanschijn van de wateren). Tenakh (4) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 7,18 . (3) Ex 32,20 . (4) Pr 11,1 .
- επανω του ὑδατος = epanô tou hudatos (bovenop het water) . Bijbel (4) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 7,18 . (3) Js 18,2 . (4) Da 12,7 .


Gn 1,3 - Gn 1,3 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3kai eipen o theos genèthètô fôs kai egeneto fôs  3 dixitque Deus fiat lux et facta est lux  וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים יְהִי אוֹר וַיְהִי אוֹר 3 En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.  [3] Toen zei God: ‘Er moet licht zijn!’ En er was licht.   [3] God zei: ‘Er moet licht komen,’ en er was licht.   3 Dan zegt God: kome er licht!– en er kómt licht.   3. Dieu dit : Que la lumière soit et la lumière fut.  

King James Bible . And God said, Let there be light: and there was light.
Luther-Bibel . Und Gott sprach: Es werde Licht! Und es ward Licht.

>
  1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.    8. 
  Gn 1,1-2 Gn 1,3-5 Gn 1,6-8 Gn 1,9-13 Gn 1,14-19 Gn 1,20-23 Gn 1,24-31   Gn 2,1-4a
aantal woorden 7 + 14 = 21 6 + 12 + 13 = 31 11 + 17 + 10 = 38 13 + 12 + 20 + 18 + 6 = 69 16 + 9 + 18 + 8 + 12 + 6 = 69 15 + 23 + 13 + 6 = 57 14 + 18 + 19 + 13 + 22 + 27 + 21 + 15 = 149 aantal woorden : 434 (2 X 7 X 31)  
aantal letters 28 + 52 = 80 23 + 45 + 49 = 117 (9 X 13) 44 + 65 + 39 = 148 (2² X 37) 52 + 49 + 69 + 67 + 22 = 259 (7 X 37) 76 + 37 + 79 + 33 + 51 + 22 = 298 (2 X 149) 57 + 89 +52 + 22 = 220 (2² X 5 X 11) 56 + 69 + 84 + 50 + 88 + 83 + 69 + 50 = 549 (3² X 61) . aantal letters : 1671 (3 X 557)  

a. וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים = wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei)
b. יְהִי אוֹר = jëhî ´ôr (het zij licht)
c. וַיְהִי אוֹר = wajëhî ´ôr (en het was licht)

Tekstuitleg van Gn 1,3 . Dit vers Gn 1,3 telt 6 (2 X 3) woorden , 23 letters . De getalswaarde van Gn 1,3 is 813 (3 X 271) . Het vers bestaat uit drie zinnen : een inleidingszin op een citaat , het citaat in een imperatiefzin en een zin die het resultaat van de imperatiefzin geeft . Elke zin telt 2 woorden . De eerste zin telt 2 woorden , 10 letters en 6 lettergrepen . De tweede zin telt 2 woorden , 6 letters en 3 lettergrepen . De derde zin telt 2 woorden , 7 letters en 4 lettergrepen .

1
2
3
4
5-6
  וַיֹּאמֶר אֱלֹהִים יְהִי אוֹר וַיְהִי־אוֹר׃
  wajjo´mèr ´èlohîm jëhî ´ôr wajëhî ´ôr
  ו · אמר אלהים היה אור ו · היה · אור
  en (God) zei God het zij licht en het was licht

Gn 1,3.1. וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordsvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. -m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) .Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalswaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . Voor de 1ste en 2de , 4de en 5de scheppingsdag telkens 1X , voor de 3de scheppingsdag 2X en de 6de scheppingsdag 4X .

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Gn 4  
  1879 594 868 120 56 241 315 150 10 95 24 7  

- Lettinga 12, 2012, 53c2 : Het werkw. begint met een aleph . Het is een gutturaal , maar de zwakste van de gutturalen . Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal werkw. een bijzondere behandeling voor de qal imperf. . Dit is het geval voor ons werkw. . In het imperf. gaat een medeklinker vooraf aan de aleph . De aleph quiesceert : ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b) . In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o : jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c) . De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b) . In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a : jomur -> jomar (i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012 , 15g) . In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è , vandaar wajjo´mèr . (Zie ook Jouön , 73) .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . λεγω = legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . In 9 verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,29 . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

    bijbel OT LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  act. ind. aor. 3de p. enk. eipen  3024  2426  2275 + 151 684 985 234 63 309 378 9 149 15 98 44 598  118  56  223  114  75  397  511 

- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . Aramees : קְרָא = qërâ´ (roepen) . D. : sagen (zeggen) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere . l (قَالَ = qâla) en r (קְרָא = qâra) liggen dicht bij elkaar . Orgaan van roepen is de stem ; zie Hebreeuws :קוֹל = qôl (stem, roep) . Taalgebruik in Tenakh : qôl (stem) .
- In het werkw. אָמַר = ´âmar (zeggen) zit het woord אְמ = ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .

Gn 1,3.2. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalswaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (299) . Pentateuch (216) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (16) . Gn (140) . Ex (31) . Lv (0) . Nu (7) . Dt (29) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- Grieks . θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen : goden . Als collectief zouden we kunnen vertalen : god . Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden . Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn .
- De Godsnaam יהוה = JHWH wordt veelvuldiger dan de naam אֱלֹהִים = ´èlohîm (god) gebruikt . Vergelijk maar : יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Ex (299) . Lv (199) . Nu (287) . Dt (413) . In Gn : ´èlohîm (god) (140) , de Godsnaam JHWH (128) , vooral in Gn 1-25 .

    Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt
  ´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 26 (31X) 31 0 7 29
  JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 0 299 199 287 413

- De woorden אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) en אֵל = ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalswaarde van אֵל = ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,3.1. - 2. בָרָא אֱלֹהִים = bârâ ´èlohîm (God schiep) . Tenakh ( 3) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 2,3 . (3) Dt 4,32 .
- וַיִּבְרָא אֱלֹהִים = wajjibhërâ´ ´èlohîm (en God schiep) . Tenakh (2) : (1) Gn 1,21 . (2) Gn 1,27 .
- וַיַּעַשׂ אֱלֹהִים = wajja`ash ´èlohîm (en God maakte) . Tenakh (4) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,25 . (4) Re 6,40 .
- וַיַּעַשׂ יהוה = wajja`ash JHWH (en JHWH maakte) . Tenakh (11) : (1) Gn 3,21 . (2) Gn 21,1 . (3) Ex 8,9 . (4) Ex 8,20 . (5) Ex 8,27 . (6) Ex 9,6 . (7) 1 S 19,5 . (8) 1 S 28,17 . (9) 2 S 23,10 . (10) 2 S 23,12 . (11) Jr 40,3 .
- עֹשֶׂה יהוה = `âshâh JHWH (JHWH maakte) . Tenakh (27) . Pentateuch (14) : (1) Gn 3,1 . (2) Ex 13,8 . (3) Ex 14,31 . (4) Ex 18,8 . (5) Ex 18,9 . (6) Ex 20,11 . (7) Ex 31,17 . (8) Nu 33,4 . (9) Dt 3,21 . (10) Dt 4,3 . (11) Dt 7,18 . (12) Dt 24,9 . (13) Dt 29,1 . (14) Dt 29,23 . Js (1) Js 44,23 .
- כִּי שֵׁשֶׁת יָמִים עָשָֹה יהוה = kî sjesjèth jâmîm `âshâh JHWH (want gedurende zes dagen maakte JHWH) . Tenakh (2) : (1) Ex 20,11 . (2) Ex 31,17 .
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים = wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . Gn 1 (9) : Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) .
- εποιησεν ὁ θεος = epoisen ho theos (God maakte) . LXX (18) . Gn 1 (6) . NT (3) .
- και εποιησεν ὁ θεος = kai epoièsen ho theos (en God maakte) . Bijbel (7) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,27 . (6) Re 6,40 . (7) Est 10,3 .
- και εκαλεσεν ὁ θεος = kai ekalesen ho theos (en God riep) . Bijbel (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
- και ειπεν ὁ θεος = kai eipen ho theos (en God zei) . Bijbel (28) . Gn 1 (9) : Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,28 . (9) Gn 1,29 .

וַיִּקְרָא אֱלֹהִים = wajjiqërâ´ ´èlohîm (en God riep) . Tenakh (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים = wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . Gn 1 (9) : Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van 4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) . Beide woorden tellen elk 3 lettergrepen en 5 letters ; totaal : 6 lettergrepen en 10 letters . Dit is het 1ste scheppingswoord van God . Het betreft het licht .
- και εκαλεσεν ὁ θεος = kai ekalesen ho theos (en God riep) . Bijbel (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
- και ειπεν ὁ θεος = kai eipen ho theos (en God zei) . Bijbel (28) . Gn 1 (9) : Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,28 . (9) Gn 1,29 .

Gn 1,3.3. act. qal jussief 3de pers. mann. enk. יְהִי = jëhî (het zij) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalswaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (49) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (27) . Gn (6) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 30,34 . (5) Gn 33,9 . (6) Gn 49,17 .
- In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . aor. imperat. 3de pers. enk. γενηθητω = genèthètô (het weze/ het gebeure) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (4) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 9,27 (4) Gn 49,17 .

Gn 1,3.1. - 3. וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים יְהִי = wajjo´mèr ´èlohîm jëhî (en God zei : het weze) . Bijbel (3) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,14 . Het spreken van God is tegelijkertijd een daad van God . Er is geen onderscheid tussen zeggen en doen . Het is één en al expressie . Het scheppend spreken en handelen is een gebeuren . Licht ontstaat en verandert voortdurend van kwantiteit en kwaliteit . Licht is een voortdurend gebeuren .
- και ειπεν ὁ θεος γενηθητω = kai eipen ho theos genèthètô (en God zei : het gebeure) . LXX (2) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 .

Gn 1,3.4. הָאוֹר = hâ´ôr (het licht) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אוֹר = ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Getalswaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 . (3) Re 19,26 . (4) Pr 2,13 . (5) Pr 11,7 . (6) Neh 8,3 .
- אוֹר = ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Getalswaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (55) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (30) . Gn (2) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,4 .
- Grieks : φως = fôs (licht) .Taalgebruik in het NT : fôs (licht) . Taalgebruik in de LXX : fôs (licht) . Een vorm van φως = fôs (licht) in de bijbel (209) , het OT (176) , het NT (73) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,5 .
- Ned. : licht . Arabisch : نور = nûr (licht) . Taalgebruik in de Qoran : nûr (licht) . Aramees : נוּר = nûr (licht) . D. : Licht . E. : light . Fr. : lumière . Grieks : φως = fôs (licht) .Taalgebruik in het NT : fôs (licht) . Hebreeuws : אוֹר = ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Zie ook : נִר = ner (licht, lamp) . Taalgebruik in Tenakh : ner (licht, lamp) . Zie ook : werkw. אוֹר = ´ôr (doorboren, doorbreken van licht , schijnen) . Zie het zelfst. naamw. אוֹר = ´ôr (licht) . Lat. : lux / lumen .
Volgens Gn 1,3 werd het licht op de eerste dag geschapen . אוֹר =´ôr (licht) begint met de letter aleph (1) . Het heeft ook 2 letters gemeenschappelijk met het werkw. אָמַר = ´âmar (zeggen) , nl. aleph (1) en mem (13 of 40) .
Volgens Gn 1,4 maakte God een scheiding tussen het licht en de duisternis . Licht en duisternis vormen een dualiteit , elkaars tegenpool .

Gn 1,3.5. prefix voegwoord wa consecutivum (verhalend) + act. qal jigtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalswaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalswaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalswaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,31 .
- De 3 medekl. van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam יהוה = JHWH .
- In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) .
- Grieks : ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . LXX (730) . NT (195) . Gn (107) . ) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... zoals vele verhalen bij ons beginnen) . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : וַיְהִי כֵן = wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 : και εγενετο οὑτως = kai egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt וַיְהִי = wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door εγενετο = egeneto (het gebeurde) .

ginomai (worden, gebeuren)  bijbel Tenakh OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
aor. 3de pers. enk. egeneto  925  wajëhî : 784 730  195  13  17  69  16  53    17  99  115 
Totaal 2841   2174 667 75 55 129 51 124   38 259 310

- και εγενετο = kai egeneto (en het gebeurde) . LXX (560) . NT (62) .
- εγενετο δε = egeneto de (het gebeurde echter) . LXX () . NT (40) .

Gn 1,3.6. הָאוֹר = hâ´ôr (het licht) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אוֹר = ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Getalswaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 . (3) Re 19,26 . (4) Pr 2,13 . (5) Pr 11,7 . (6) Neh 8,3 .
- אוֹר = ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Getalswaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (55) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (30) . Gn (2) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,4 .
- Grieks : φως = fôs (licht) .Taalgebruik in het NT : fôs (licht) . Taalgebruik in de LXX : fôs (licht) . Een vorm van φως = fôs (licht) in de bijbel (209) , het OT (176) , het NT (73) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,5 .
- Ned. : licht . Arabisch : نور = nûr (licht) . Taalgebruik in de Qoran : nûr (licht) . Aramees : נוּר = nûr (licht) . D. : Licht . E. : light . Fr. : lumière . Grieks : φως = fôs (licht) .Taalgebruik in het NT : fôs (licht) . Hebreeuws : אוֹר = ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Zie ook : נִר = ner (licht, lamp) . Taalgebruik in Tenakh : ner (licht, lamp) . Zie ook : werkw. אוֹר = ´ôr (doorboren, doorbreken van licht , schijnen) . Zie het zelfst. naamw. אוֹר = ´ôr (licht) . Lat. : lux / lumen .
Volgens Gn 1,3 werd het licht op de eerste dag geschapen . אוֹר =´ôr (licht) begint met de letter aleph (1) . Het heeft ook 2 letters gemeenschappelijk met het werkw. אָמַר = ´âmar (zeggen) , nl. aleph (1) en mem (13 of 40) .
Volgens Gn 1,4 maakte God een scheiding tussen het licht en de duisternis . Licht en duisternis vormen een dualiteit , elkaars tegenpool .


Gn 1,4 - Gn 1,4 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4kai eiden o theos to fôs oti kalon kai diechôrisen o theos ana meson tou fôtos kai ana meson tou skotous  4 et vidit Deus lucem quod esset bona et divisit lucem ac tenebras  wajjarë´ ´èlohîm ´èth hâ´ôr wajjabhëdel ´èlohîm be(j)n hâ´ôr ûbe(j)n hachosjèkh 4 En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis.   [4] En God zag dat het licht goed was. God scheidde het licht van de duisternis;   [4] God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis;  4 God ziet het licht aan: ja, het is goed! Zo brengt God scheiding aan tussen het licht en de duisternis.  4. Dieu vit que la lumière était bonne, et Dieu sépara la lumière et les ténèbres.  

King James Bible . [4] And God saw the light, that it was good: and God divided the light from the darkness.
Luther-Bibel . 4 Und Gott sah, dass das Licht gut war. Da schied Gott das Licht von der Finsternis

Tekstuitleg van Gn 1,4 . Het vers Gn 1,4 telt 12 (2² X 3) woorden en 45 (3² X 5) letters . De getalswaarde van Gn 1,4 is 1776 (2² X 2² X 3 X 37) . Het vers Gn 1,4 bevat 2 nevenschikkende zinnen . Volgens Gn 1,3 werd het licht op de eerste dag geschapen . ´ôr (licht) begint met de letter aleph (1) . Volgens Gn 1,4 maakte God een scheiding tussen het licht en de duisternis . Licht en duisternis vormen een dualiteit , elkaars tegenpool . En God zag het licht : zo goed !

>
  1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8. 
  Gn 1,1-2 Gn 1,3-5 Gn 1,6-8 Gn 1,9-13 Gn 1,14-19 Gn 1,20-23 Gn 1,24-31 Gn 2,1-4a
aantal woorden 7 + 14 = 21 6 + 12 + 13 = 31            
aantal letters 28 + 52 = 80 23 + 45 + 49 = 117 (9 X 13)            

Gn 1,4.1. w-j-r` . (1) act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud וַיַּרְא = wajjarë´ (en hij zag) ; (2) passief nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud וַיֵּרָא = wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) van het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Taalgebruik in Genesis : râ´âh (zien) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 (2 X 13) of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (19) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 .
- Grieks : ὁραω = horaô (zien) . Taalgebruik in het NT : horaô (zien) . Taalgebruik in de Septuaginta : horaô (zien) . Een vorm van ὁραω = horaô (zien, verschijnen) in het NT (114) , in de LXX (1539) .
- Ned. : zien . Arabisch : رَاهَ = ra´â (zien) . Taalgebruik in de Qoran : ra´â (zien) . D. : sehen , schauen . E. : to see . Fr. : voir . Gr. : ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) . Hebreeuws : רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Lat. : videre .
- In het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) zien we 2 medeklinkers van het woord אוֹר = ´ôr (licht) nl. de resj en de aleph . Het Hebreeuwse אוֹר = ´ôr (licht) en het begin van het Griekse werkw. ὁραω = horaô (zien) zijn ongeveer gelijkluidend .

Gn 1,4.2. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalswaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (299) . Pentateuch (216) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (16) . Gn (140) . Ex (31) . Lv (0) . Nu (7) . Dt (29) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- Grieks . θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen : goden . Als collectief zouden we kunnen vertalen : god . Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden . Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn .
- De Godsnaam יהוה = JHWH wordt veelvuldiger dan de naam אֱלֹהִים = ´èlohîm (god) gebruikt . Vergelijk maar : יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Ex (299) . Lv (199) . Nu (287) . Dt (413) . In Gn : ´èlohîm (god) (140) , de Godsnaam JHWH (128) , vooral in Gn 1-25 .

    Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt
  ´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 26 (31X) 31 0 7 29
  JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 0 299 199 287 413

- De woorden אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) en אֵל = ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalswaarde van אֵל = ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,4.1. - 2. וַיַּרְא אֱלֹהִים = wajjarë´ ´èlohîm (en God zag) . Tenakh (9) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . (8) Gn 6,12 . (9) Ex 2,2 .
- Grieks : και ειδεν ὁ θεος = kai eiden ho theos (en God zag) . Bijbel (9) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 . (4) Gn 1,12 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 1,21 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,31 . (9) Jon 3,10 .

Gn 1,4.3. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalswaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 .
- וְאֶת / וְאִת = wë´èth / wë´eth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalswaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

Gn 1,4.4. הָאוֹר = hâ´ôr (het licht) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אוֹר = ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Getalswaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 . (3) Re 19,26 . (4) Pr 2,13 . (5) Pr 11,7 . (6) Neh 8,3 .
- אוֹר = ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Getalswaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (55) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (30) . Gn (2) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,4 .
- Grieks : φως = fôs (licht) .Taalgebruik in het NT : fôs (licht) . Taalgebruik in de LXX : fôs (licht) . Een vorm van φως = fôs (licht) in de bijbel (209) , het OT (176) , het NT (73) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,5 .
- Ned. : licht . Arabisch : نور = nûr (licht) . Taalgebruik in de Qoran : nûr (licht) . Aramees : נוּר = nûr (licht) . D. : Licht . E. : light . Fr. : lumière . Grieks : φως = fôs (licht) .Taalgebruik in het NT : fôs (licht) . Hebreeuws : אוֹר = ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Zie ook : נִר = ner (licht, lamp) . Taalgebruik in Tenakh : ner (licht, lamp) . Zie ook : werkw. אוֹר = ´ôr (doorboren, doorbreken van licht , schijnen) . Zie het zelfst. naamw. אוֹר = ´ôr (licht) . Lat. : lux / lumen .
Volgens Gn 1,3 werd het licht op de eerste dag geschapen . אוֹר =´ôr (licht) begint met de letter aleph (1) . Het heeft ook 2 letters gemeenschappelijk met het werkw. אָמַר = ´âmar (zeggen) , nl. aleph (1) en mem (13 of 40) .
Volgens Gn 1,4 maakte God een scheiding tussen het licht en de duisternis . Licht en duisternis vormen een dualiteit , elkaars tegenpool .

Gn 1,4.5. כִּי = kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Getalswaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Structuur : 2 - 1 . Tenakh (3849) . Pentateuch (884) . Eerdere Profeten (726) . Latere Profeten (841) . 12 Kleine Profeten (241) . ) . Geschriften (1157) . Gn (251) . Gn 1 (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 .
- כִּי = kî (want, omdat) < een woord met 1 medeklinker . De lange î is î gebleven omdat het een proclitisch woord is . Proclitisch wil zeggen dat een eenlettergrepig onbeklemtoond woord wordt gehecht aan het volgende (Lettinga(6) 13d
- Grieks : ὁτι = hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in de Septuaginta : hoti (dat, omdat) . Gn (161) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 . (4) Gn 1,12 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 1,21 . (7) Gn 1,25 .

hoti ( dat , omdat )  bijbel OT Gn Gn 1 NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  4396  3213  161 7 1183  137  92  160  237  114  389  54  389  626 

Gn 1,4.6. טוֹב = tôbh (goed) . Taalgebruik in Tenakh : tôbh (goed) . Getalswaarde : tet = 9 , waw = 6 , beth = 2 ; totaal : 17 . Structuur : 9 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (290) . Pentateuch (38) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (23) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (166) . Gn (23) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . (8) Gn 2,9 . (9) Gn 2,12 . (10) Gn 2,17 . (11) Gn 2,18 . (12) Gn 3,5 . (13) Gn 3,6 . (14) Gn 3,22 . (15) Gn 24,10 . (16) Gn 24,50 . (17) Gn 26,29 . (18) Gn 29,19 . (19) Gn 30,20 . (20) Gn 40,16 . (21) Gn 45,18 . (22) Gn 45,20 . (23) Gn 49,15 .
- Grieks : αγαθος = agathos . Taalgebruik in het NT : agathos (goed) . Taalgebruik in de LXX : agathos (goed) .
- Grieks : nom. onz. enk. + acc. mann. en onz. enk. καλον = van het bijvoegl. naamw. καλος = kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in het NT : kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in de LXX : kalos (goed, mooi, schoon) . LXX (125) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 . (4) Gn 1,12 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 2,9 . (7) Gn 2,12 . (8) Gn 2,17 . (9) Gn 2,18 . (10) Gn 3,5 . (11) Gn 3,6 . (12) Gn 3,22 . (13) Gn 18,7 . (14) Gn 30,20 . (15) Gn 49,14 .

kalos (goed) bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev. P. A. b.
nom. + acc. onz. enk. + acc. mann. enk. kalon 125 75 50 13 9 5 1   22   27 28 20 2

- Ned. : goed . Arabisch : طَيَّبٌ = thajjab (goed) . Taalgebruik in de Qoran : thajjab (goed) . Aramees : טַב = tabh (goed) . D. : gut . E. : good . Fr. : bijvoegl. naamw. : bon / bijw. : bien . Gr. : αγαθος = agathos . Taalgebruik in het NT : agathos (goed) . Hebreeuws : טוֹב = tôbh (goed) . Taalgebruik in Tenakh : tôbh (goed) . Lat. : bijvoegl. naamw. : bonus / bijw. : bene .

Gn 1,4.5. - 6. כִּי טוֹב = kî tôbh (want mooi, zo mooi) . Tenakh (43) . Gn (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 .
- Grieks : ὁτι καλον = hoti kalon (dat het goed is) . Bijbel (14) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 . (4) Gn 1,12 . (5) Gn 1,18 .
- ὁτι καλα = hoti kala (dat het goed is) . Bijbel (4) : (1) Gn 1,21 . (2) Gn 1,25 . (3) W 13,7 . (4) Sir 39,16 .

Gn 1,4.7. prefix waw. consect. + werkw.vorm act. hifil imperf. (jaqtil) 3de pers. enk. וַיַבְדֵּל = wajjabhëdel (en hij maakte een scheiding) van het werkw. בָדַל = bâdal (afscheiden, verdelen) . Taalgebruik in Tenakh : bâdal (afscheiden, verdelen) . Tenakh (3) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) 1 Kr 23,13 . Een vorm van בָדַל = bâdal (afscheiden, verdelen) (42) . In de LXX kan een vorm van בָדַל = bâdal (afscheiden, verdelen) door 7 verschillende Griekse werkw. vertaald worden .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. διεχωρισεν = diechôrisen (hij maakte een scheiding) van het werkw. διαχωριζω = diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) . Taalgebruik in de Septuaginta : diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) . LXX (5) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 30,40 . (4) 2 Kr 25,10. (5) Sir 33,11 . Een vorm van διαχωριζω = diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) in de LXX (27) , in het NT (1) Lc 9,33 .
- Lat. : act. ind. perf. 3de pers. enk. divisit (hij verdeelde) van het werkw. dividere (verdelen) .
- Ned. : scheiden . Arabisch : فصل = faSala (scheiden) . Taalgebruik in de Qoran : faSala (scheiden) . E. : separate . Fr. séparer . Grieks : διαχωριζω = diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) . Taalgebruik in de Septuaginta : diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) . Hebreeuws : בָדַל = bâdal (afscheiden, verdelen) . Taalgebruik in Tenakh : bâdal (afscheiden, verdelen) . Italiaans : separare. Latijn : separare . Spaans : separar .
- Ned. : scheiden . D. : scheiden . Grieks : σχιζω = schizô (scheuren) . Taalgebruik in het NT : schizô (scheuren) . Latijn : scindere .
- Ned. : verdelen . Arabisch : فرق = faraqa . Fr. : diviser = partager , répartir . Lat. : pars (-tis) = deel ; participare (deel-nemen) .
- Licht en duisternis worden gezien als 2 afzonderlijke eenheden . Ze worden niet gescheiden of gesplitst , maar uit elkaar geplaatst (zoals de LXX vertaalt) .

Gn 1,4.8. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalswaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (299) . Pentateuch (216) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (16) . Gn (140) . Ex (31) . Lv (0) . Nu (7) . Dt (29) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- Grieks . θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen : goden . Als collectief zouden we kunnen vertalen : god . Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden . Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn .
- De Godsnaam יהוה = JHWH wordt veelvuldiger dan de naam אֱלֹהִים = ´èlohîm (god) gebruikt . Vergelijk maar : יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Ex (299) . Lv (199) . Nu (287) . Dt (413) . In Gn : ´èlohîm (god) (140) , de Godsnaam JHWH (128) , vooral in Gn 1-25 .

    Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt
  ´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 26 (31X) 31 0 7 29
  JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 0 299 199 287 413

- De woorden אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) en אֵל = ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalswaarde van אֵל = ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,4.7. - 8. וַיַבְדֵּל אֱלֹהִים = wajjabhëdel ´èlohîm (en God maakte een scheiding) . Tenakh (1) : Gn 1,4 .
- διεχωρισεν ὁ θεος = diechôrisen ho theos (God maakte een scheiding) . LXX (2) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 .

Gn 1,4.9. בֵּין = be(j)n (tussen) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) . Getalswaarde : beth = 2 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (165) . Pentateuch (61) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (24) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (25) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,14 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 9,16 . (7) Gn 10,12 . (8) Gn 13,3 . (9) Gn 13,7 . (10) Gn 15,17 . (11) Gn 16,14 . (12) Gn 20,1 . (13) Gn 31,37 . (14) Gn 32,17 . (15) Gn 49,14 .
-- וּבֵּין = ûbhe(j)n (en tussen) < waw + Tenakh (108) . Pentateuch (46) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (12) . Gn (20) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 3,15 . (6) Gn 9,12 . (7) Gn 9,13 . (8) Gn 9,15 . (9) Gn 9,16 . (10) Gn 9,17 . (11) Gn 10,12 . (12) Gn 13,3. (13) Gn 13,7 . (14) Gn 13,8 . (15) Gn 16,14 . (16) Gn 17,7 . (17) Gn 17,10 . (18) Gn 20,1 . (19) Gn 30,36 . (20) Gn 32,17 .
- ανα μεσον = ana meson (in het midden van? tussen) . LXX (680) . NT (3) .

Gn 1,4.10. הָאוֹר = hâ´ôr (het licht) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אוֹר = ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Getalswaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 . (3) Re 19,26 . (4) Pr 2,13 . (5) Pr 11,7 . (6) Neh 8,3 .
- אוֹר = ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Getalswaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (55) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (30) . Gn (2) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,4 .
- Grieks : φως = fôs (licht) .Taalgebruik in het NT : fôs (licht) . Taalgebruik in de LXX : fôs (licht) . Een vorm van φως = fôs (licht) in de bijbel (209) , het OT (176) , het NT (73) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,5 .
- Ned. : licht . Arabisch : نور = nûr (licht) . Taalgebruik in de Qoran : nûr (licht) . Aramees : נוּר = nûr (licht) . D. : Licht . E. : light . Fr. : lumière . Grieks : φως = fôs (licht) .Taalgebruik in het NT : fôs (licht) . Hebreeuws : אוֹר = ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Zie ook : נִר = ner (licht, lamp) . Taalgebruik in Tenakh : ner (licht, lamp) . Zie ook : werkw. אוֹר = ´ôr (doorboren, doorbreken van licht , schijnen) . Zie het zelfst. naamw. אוֹר = ´ôr (licht) . Lat. : lux / lumen .
Volgens Gn 1,3 werd het licht op de eerste dag geschapen . אוֹר =´ôr (licht) begint met de letter aleph (1) . Het heeft ook 2 letters gemeenschappelijk met het werkw. אָמַר = ´âmar (zeggen) , nl. aleph (1) en mem (13 of 40) .
Volgens Gn 1,4 maakte God een scheiding tussen het licht en de duisternis . Licht en duisternis vormen een dualiteit , elkaars tegenpool .

Gn 1,4.11. בֵּין = be(j)n (tussen) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) . Getalswaarde : beth = 2 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (165) . Pentateuch (61) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (24) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (25) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,14 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 9,16 . (7) Gn 10,12 . (8) Gn 13,3 . (9) Gn 13,7 . (10) Gn 15,17 . (11) Gn 16,14 . (12) Gn 20,1 . (13) Gn 31,37 . (14) Gn 32,17 . (15) Gn 49,14 .
-- וּבֵּין = ûbhe(j)n (en tussen) < waw + Tenakh (108) . Pentateuch (46) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (12) . Gn (20) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 3,15 . (6) Gn 9,12 . (7) Gn 9,13 . (8) Gn 9,15 . (9) Gn 9,16 . (10) Gn 9,17 . (11) Gn 10,12 . (12) Gn 13,3. (13) Gn 13,7 . (14) Gn 13,8 . (15) Gn 16,14 . (16) Gn 17,7 . (17) Gn 17,10 . (18) Gn 20,1 . (19) Gn 30,36 . (20) Gn 32,17 .

Gn 1,4.12. חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Getalswaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 8 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (57) . Pentateuch (4) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (33) . Niet in Gn 1 .
- וְחֹשֶׁךְ = wëchosjèkh (en duisternis) < prefix voegwoord wë + zelfst. naamw. חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Getalswaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 8 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (3) : (1) Gn 1,2 . (2) Spr 10,19 . (3) Job 38,19 .
- הַחֹשֶׁך = hachosjèkh (de duisternis) < prefix bepaald lidw. ha + חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) .2 . Tenakh (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 . (3) Dt 5,23 . (4) Js 60,2 . (5) Pr 2,13 . (6) Pr 11,8 .
- וְלַחֹשֶׁך = wëlachosèkh (en tot de duisternis) < prefix voegwoord wë + voorzetsel be + bepaald lidwoord ha -> trekt samen tot la + zelfstandig naamwoord חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Getalswaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 8 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 4 . Gn (1) : Gn 1,5 .
- Grieks : nom. en acc. onz. enk. σκοτος = skotos (duisternis) . Taalgebruik in het NT : skotos (duisternis) . Taalgebruik in de Septuaginta : skotos (duisternis) . LXX (66) . Gn (2) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 1,5 . Een vorm van σκοτος = skotos (duisternis) in de Septuaginta (120) , in het NT (30) .
- Ned. : duisternis . Arabisch : ظلام = DHalâm (duisternis) . Taalgebruik in de Qoran : DHalâm (duisternis) . D. : Finsternis . Fr. : ténèbres . E. : darkness . Grieks : σκοτος = skotos (duisternis) . Taalgebruik in het NT : skotos (duisternis) . Hebreeuws : חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Lat. : tenebrae .

Gn 1,4.9. - 12. בֵּין הָאוֹר וּבֵּין הַחֹשֶׁך = be(j)n hâ´ôr ûbe(j)n hachosjèkh (tussen het licht en tussen de duisternis) . Tenakh (2) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 .

Gn 1,5 - Gn 1,5 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5kai ekalesen o theos to fôs èmeran kai to skotos ekalesen nukta kai egeneto espera kai egeneto prôi èmera mia 5 appellavitque lucem diem et tenebras noctem factumque est vespere et mane dies unus    5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.  [5] het licht noemde God dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de eerste dag.  [5] het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. De eerste dag.   5 God roept tot het licht ‘dag’ en tot het duister heeft hij geroepen ‘nacht’; er komt een avond en er komt een ochtend: één dag. •  5. Dieu appela la lumière jour et les ténèbres nuit . Il y eut un soir et il y eut un matin : premier jour. 

King James Bible . [5] And God called the light Day, and the darkness he called Night. And the evening and the morning were the first day.
Luther-Bibel . 5 und nannte das Licht Tag und die Finsternis Nacht. Da ward aus Abend und Morgen der erste Tag.

Arab. waqâla ´Allah lîkun nûr

Tekstuitleg van Gn 1,5 . Het vers Gn 1,5 telt 13 woorden en 49 (7²) letters . De getalswaarde van Gn 1,5 is 2141 . Het vers Gn 1,5 besluit het verhaal van de schepping van het licht .

  1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8. 
  Gn 1,1-2 Gn 1,3-5 Gn 1,6-8 Gn 1,9-13 Gn 1,14-19 Gn 1,20-23 Gn 1,24-31 Gn 2,1-4a
aantal woorden 7 + 14 = 21 6 + 12 + 13 = 31            
aantal letters 28 + 52 = 80 23 + 45 + 49 = 117 (9 X 13)            

Gn 1,5.1. וַיִּקְרָא = wajjiqërâ´ (en hij riep, hij noemde) < prefix waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord קָרָא = qârâ´ (roepen, noemen) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalswaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. εκαλεσεν = ekalesen (hij riep) van het werkw. καλεω = kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . Een vorm van καλεω = kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .

kaleô (roepen) actief bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev. P. A. b.
act. ind. aor. 3de pers. enk. ekalesen 204 195 9 3 1 1     4   5  

- Ned. : roepen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . Aramees : קְרָא =qërâ´ (roepen) . D. : rufen . E. : to call . Fr. : appeler (Lat. . appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Grieks : καλεω = kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Hebreeuws : קָרָא = qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Lat. : vocare (vox = stem) . l (qâla) en r (qâra) liggen dicht bij elkaar . Orgaan van roepen is de stem ; zie Hebreeuws :קוֹל = qôl (stem, roep) . Taalgebruik in Tenakh : qôl (stem) .

Gn 1,5.2. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalswaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (299) . Pentateuch (216) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (16) . Gn (140) . Ex (31) . Lv (0) . Nu (7) . Dt (29) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- Grieks . θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen : goden . Als collectief zouden we kunnen vertalen : god . Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden . Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn .
- De Godsnaam יהוה = JHWH wordt veelvuldiger dan de naam אֱלֹהִים = ´èlohîm (god) gebruikt . Vergelijk maar : יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Ex (299) . Lv (199) . Nu (287) . Dt (413) . In Gn : ´èlohîm (god) (140) , de Godsnaam JHWH (128) , vooral in Gn 1-25 .

    Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt
  ´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 26 (31X) 31 0 7 29
  JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 0 299 199 287 413

- De woorden אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) en אֵל = ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalswaarde van אֵל = ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,5.1. - 2. וַיִּקְרָא אֱלֹהִים = wajjiqërâ´ ´èlohîm (en God riep) . Tenakh (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים = wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . Gn 1 (9) : Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) .
- וַיַּרְא אֱלֹהִים = wajjarë´ ´èlohîm (en God zag) . Tenakh (9) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . (8) Gn 6,12 . (9) Ex 2,2 .
- Grieks : και εκαλεσεν ὁ θεος = kai ekalesen ho theos (en God riep) . Bijbel (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
- και ειπεν ὁ θεος = kai eipen ho theos (en God zei) . Bijbel (28) . Gn 1 (9) : Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,28 . (9) Gn 1,29 .
- και ειδεν ὁ θεος = kai eiden ho theos (en God zag) . Bijbel (9) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 . (4) Gn 1,12 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 1,21 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,31 . (9) Jon 3,10 .

Gn 1,5.3. לָאוֹר = lâ´ôr (tot het licht) < prefix voorzetsel lë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אוֹר = ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Getalswaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (19) . Pentateuch (1) : Gn 1,5 .
- הָאוֹר = hâ´ôr (het licht) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אוֹר = ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Getalswaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 . (3) Re 19,26 . (4) Pr 2,13 . (5) Pr 11,7 . (6) Neh 8,3 .
- אוֹר = ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Getalswaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (55) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (30) . Gn (2) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,4 .
- Grieks : φως = fôs (licht) .Taalgebruik in het NT : fôs (licht) . Taalgebruik in de LXX : fôs (licht) . Een vorm van φως = fôs (licht) in de bijbel (209) , het OT (176) , het NT (73) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,5 .
- Ned. : licht . Arabisch : نور = nûr (licht) . Taalgebruik in de Qoran : nûr (licht) . Aramees : נוּר = nûr (licht) . D. : Licht . E. : light . Fr. : lumière . Grieks : φως = fôs (licht) .Taalgebruik in het NT : fôs (licht) . Hebreeuws : אוֹר = ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Zie ook : נִר = ner (licht, lamp) . Taalgebruik in Tenakh : ner (licht, lamp) . Zie ook : werkw. אוֹר = ´ôr (doorboren, doorbreken van licht , schijnen) . Zie het zelfst. naamw. אוֹר = ´ôr (licht) . Lat. : lux / lumen .
Volgens Gn 1,3 werd het licht op de eerste dag geschapen . אוֹר =´ôr (licht) begint met de letter aleph (1) . Het heeft ook 2 letters gemeenschappelijk met het werkw. אָמַר = ´âmar (zeggen) , nl. aleph (1) en mem (13 of 40) .
Volgens Gn 1,4 maakte God een scheiding tussen het licht en de duisternis . Licht en duisternis vormen een dualiteit , elkaars tegenpool .

Gn 1,5.4. יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Taalgebruik in Js : jôm (dag) . Taalgebruik in Am : jôm (dag) . Taalgebruik in Mi : jôm (dag) . Getalswaarde : jod = 10 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 OF 56 (2³ X 7) . Structuur : 1 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (209) . Pentateuch (76) . Eerdere Profeten (23) . Latere Profeten (33) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (53) . Pentateuch (76) . Gn (23) . Ex (14) . Lv (11) . Nu (17) . Dt (11) . Gn 1 (6) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 .
- Grieks : acc. vr. enk. ἡμεραν = hèmeran van het zelfst. naamw. ἡμερα = hèmera (dag) . Taalgebruik in de Septuaginta : hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Gn (8) . Gn 1 (1) : Gn 1,5 .

  hèmera (dag)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
3 acc. vr. enk. hèmeran   266  210  56  19  20  13  16     
  totaal 2508  2029  479  43  26  82  31  93  183  21  151  182     

- Ned. : dag . Arabisch : يَوم = jaum (dag) . Taalgebruik in de Qoran : dag (jaum) . D. : Tag . E. : day . F. : jour < Lat. diurnum . Cfr journaal . Grieks : ἡμερα = hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Lat. : dies . Hebreeuws : יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) .

Gn 1,5.5. חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Getalswaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 8 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (57) . Pentateuch (4) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (33) . Niet in Gn 1 .
- וְחֹשֶׁךְ = wëchosjèkh (en duisternis) < prefix voegwoord wë + zelfst. naamw. חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Getalswaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 8 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (3) : (1) Gn 1,2 . (2) Spr 10,19 . (3) Job 38,19 .
- הַחֹשֶׁך = hachosjèkh (de duisternis) < prefix bepaald lidw. ha + חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) .2 . Tenakh (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 . (3) Dt 5,23 . (4) Js 60,2 . (5) Pr 2,13 . (6) Pr 11,8 .
- וְלַחֹשֶׁך = wëlachosèkh (en tot de duisternis) < prefix voegwoord wë + voorzetsel be + bepaald lidwoord ha -> trekt samen tot la + zelfstandig naamwoord חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Getalswaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 8 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 4 . Gn (1) : Gn 1,5 .
- Grieks : nom. en acc. onz. enk. σκοτος = skotos (duisternis) . Taalgebruik in het NT : skotos (duisternis) . Taalgebruik in de Septuaginta : skotos (duisternis) . LXX (66) . Gn (2) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 1,5 . Een vorm van σκοτος = skotos (duisternis) in de Septuaginta (120) , in het NT (30) .
- Ned. : duisternis . Arabisch : ظلام = DHalâm (duisternis) . Taalgebruik in de Qoran : DHalâm (duisternis) . D. : Finsternis . E. : darkness . Fr. : ténèbres . Grieks : σκοτος = skotos (duisternis) . Taalgebruik in het NT : skotos (duisternis) . Hebreeuws : חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Lat. : tenebrae .

Gn 1,5.6. act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. קָרָא = qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalswaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 4 . qr´. Tenakh (86) . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. קָרָא = qârâ (hij roept) OF (2) act. qal infin. stat. constr. qëro´ (te roepen) OF (3) act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. qërâ (roep) OF (4) act. part. nom. mann. enk. qore´ (roepende) OF (5) pass. pual 3de pers. mann. enk. . Gn 1 (2) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,10 .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. εκαλεσεν = ekalesen (hij riep) van het werkw. καλεω = kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . Een vorm van καλεω = kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .

kaleô (roepen) actief bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev. P. A. b.
act. ind. aor. 3de pers. enk. ekalesen 204 195 9 3 1 1     4   5  

- Ned. : roepen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . Aramees : קְרָא =qërâ´ (roepen) . D. : rufen . E. : to call . Fr. : appeler (Lat. . appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Grieks : καλεω = kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Hebreeuws : קָרָא = qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Lat. : vocare (vox = stem) . l (qâla) en r (qâra) liggen dicht bij elkaar . Orgaan van roepen is de stem ; zie Hebreeuws :קוֹל = qôl (stem, roep) . Taalgebruik in Tenakh : qôl (stem) .

Gn 1,5.7. לָיְלָה = lajëlâh (nacht) . Taalgebruik in Tenakh : lajëlâh (nacht) . De getalswaarde van lajëlâh (nacht) is : lamed = 12 of 30 , jod = 10 , he = 5 . Totaal : 39 (26 + 13 OF 3 X 13) of 75 (3 X 25) . Structuur : 3 - 1 - 3 - 5 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (82) . Pentateuch (23) . Eerdere Profeten (16) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (26) . Gn (5) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 7,4 . (3) Gn 7,12 . (4) Gn 14,15 . (5) Gn 31,39 .
- Grieks : acc. vr. enk. νυκτα = nukta van het zelfst. naamw. νυξ = nux (nacht) . Taalgebruik in de Septuaginta : nux (nacht) . Taalgebruik in het NT : nux (nacht) . Bijbel (91) . LXX (87) . NT (4) . Pentateuch (25) . Gn (1) : Gn 1,5 .
- Ned. : nacht . Arabisch : ليلة = nacht (laila) . Taalgebruik in de Qoran : nacht (laila) . D. : Nacht . E. : night . Fr. : nuit . Gr. : νυξ = nux (nacht) . Taalgebruik in het NT : nux (nacht) . לָיְלָה = lajëlâh (nacht) . Taalgebruik in Tenakh : lajëlâh (nacht) . Lat. : nox .

Gn 1,5.8. prefix voegwoord wa consecutivum (verhalend) + act. qal jigtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalswaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalswaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalswaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,31 .
- We zouden volgende vorm kunnen verwachten : wajjihëjèh < wa consecutivum + jihëjèh (uit : jahëjih i.p.v. jahëwih : Lettinga 12 , 2012 , 58w) . Verkorte vorm door de samentrekking van de jod en de chireq tot een lange i , vandaar jahî (de eind he valt weg) . De klemtoon ligt op de laatste lettergreep en de klinker van de eerste lettergreep wordt zeer kort : jëhî . Bij de consecutivumvorm wajëhî valt op dat de jod niet verdubbelt . Uitspraak : wajhi .
- De 3 medekl. van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
- In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) .
- Grieks : ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . LXX (730) . NT (195) . Gn (107) . Gn 1 (13) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,8 . (4) Gn 1,9 . (5) Gn 1,11 . (6) Gn 1,13 . (7) Gn 1,15 . (8) Gn 1,19 . (9) Gn 1,20 . (10) Gn 1,23 . (11) Gn 1,24 . (12) Gn 1,30 . (13) Gn 1,31 . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... zoals vele verhalen bij ons beginnen) . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : וַיְהִי כֵן = wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 και εγενετο οὑτως = kai egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt וַיְהִי = wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door εγενετο = egeneto (het gebeurde) .

ginomai (worden, gebeuren)  bijbel Tenach LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Gn 1 NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
aor. 3de pers. enk. egeneto  925  wajëhî : 784 730  156 219 146 26 131 114 24 1 19 5 14 195  13  17  69  16  53    17  99  115 
Totaal 2841   2174                       667 75 55 129 51 124   38 259 310

- και εγενετο = kai egeneto (en het gebeurde) . LXX (560) . NT (62) .
- εγενετο δε = egeneto de (het gebeurde echter) . LXX () . NT (40) .

Gn 1,5.9. עֶרֶב = `èrèbh (avond) . Taalgebruik in Tenakh : `èrèbh (avond) . Getalswaarde : ajin = 16 of 70 , resj = 20 of 200 , beth = 2 ; totaal : 38 (2 X 19) . Structuur : 7 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (48) . Pentateuch (20) . Eerdere Profeten (2) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (18) . Gn (10) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 . (7) Gn 8,11 . (8) Gn 24,11 . (9) Gn 24,63 . (10) Gn 44,32 .
- Grieks : nom. vr. enk. ἑσπερα = hespera (avond) . Taalgebruik in het NT : hespera (avond) . Taalgebruik in de LXX : hespera (avond) . Bijbel (11) . OT (10) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 . (7) Gn 29,23 . (8) Ex 16,13 . (9) Dt 28,67 . (10) Job 7,4 . NT (1) : Hnd 4,3 . Een vorm van ἑσπερα = hespera (avond) in de LXX (129) , in het NT (3) .
- Ned. : avond . Arabisch : مَسَاء = masâ´ (avond) . Taalgebruik in de Qoran : masâ´ (avond) . D. : Abend . E. evening . Fr. : soir . Grieks. : ἑσπερα = hespera (avond) . Taalgebruik in het NT : hespera (avond) . Hebr. : עֶרֶב = `èrèbh (avond) . Taalgebruik in Tenakh : `èrèbh (avond . Lat. ad vesperas .

Gn 1,5.8. - 9. וַיְהִי עֶרֶב = wajëhî `èrèbh (en het werd avond) . Tenakh (6) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 .
- וַיְהִי בָעֶרֶב = wajëhî bâ`èrèbh (en het gebeurde in de avond) . Tenakh (2) : (1) Gn 29,23 . (2) Ex 16,13 .
- Grieks : και εγενετο ἑσπερα = kai egeneto hespera (en het werd avond) . Bijbel (7) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 . (7) Gn 29,23 .

Gn 1,5.10. prefix voegwoord wa consecutivum (verhalend) + act. qal jigtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalswaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalswaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalswaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,31 .
- We zouden volgende vorm kunnen verwachten : wajjihëjèh < wa consecutivum + jihëjèh (uit : jahëjih i.p.v. jahëwih : Lettinga 12 , 2012 , 58w) . Verkorte vorm door de samentrekking van de jod en de chireq tot een lange i , vandaar jahî (de eind he valt weg) . De klemtoon ligt op de laatste lettergreep en de klinker van de eerste lettergreep wordt zeer kort : jëhî . Bij de consecutivumvorm wajëhî valt op dat de jod niet verdubbelt . Uitspraak : wajhi .
- De 3 medekl. van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
- In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) .
- Grieks : ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . LXX (730) . NT (195) . Gn (107) . Gn 1 (13) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,8 . (4) Gn 1,9 . (5) Gn 1,11 . (6) Gn 1,13 . (7) Gn 1,15 . (8) Gn 1,19 . (9) Gn 1,20 . (10) Gn 1,23 . (11) Gn 1,24 . (12) Gn 1,30 . (13) Gn 1,31 . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... zoals vele verhalen bij ons beginnen) . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : וַיְהִי כֵן = wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 και εγενετο οὑτως = kai egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt וַיְהִי = wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door εγενετο = egeneto (het gebeurde) .

ginomai (worden, gebeuren)  bijbel Tenach LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Gn 1 NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
aor. 3de pers. enk. egeneto  925  wajëhî : 784 730  156 219 146 26 131 114 24 1 19 5 14 195  13  17  69  16  53    17  99  115 
Totaal 2841   2174                       667 75 55 129 51 124   38 259 310

- και εγενετο = kai egeneto (en het gebeurde) . LXX (560) . NT (62) .
- εγενετο δε = egeneto de (het gebeurde echter) . LXX () . NT (40) .

Gn 1,5.11. בֹקֶר = boqèr (morgen) . Zie : בָקַר = bâqar (onderzoeken, voor iets zorgen, overleggen) . Taalgebruik in Tenakh : bâqar (onderzoeken, voor iets zorgen, overleggen) . Getalswaarde : beth = 2 , qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 (zie 41) OF 302 (2 X 151) . Structuur : 2 - 1 - 2 . De som van de termen is telkens 5 . b-q-r . (1) act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. בָקַר = bâqar (hij onderzoekt) . (2) zelfst. naamw. בָקָר = bâqâr (rund, rundvee) . (3) בֹקֶר = boqèr (morgen) . Tenakh (114) . Pentateuch (72) . Eerdere Profeten (9) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (17) .
- Grieks : πρωι = prôi (morgen) . Taalgebruik in het NT : prôï (vroeg) . Taalgebruik in de LXX : prôï (vroeg) . Gn 1 (6) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 .

prôi ('s morgens)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  181  169  12  6       11     

- Ned. : morgen . D. : Morgen . E. : morning . Fr. : matin . Grieks : πρωι = prôi (morgen) . Taalgebruik in het NT : prôï (vroeg) . Hebreeuws : בֹקֶר = boqèr (morgen) . Lat. : mane .

Gn 1,5.10. - 11. וַיְהִי בֹקֶר = wajëhî boqèr (en het werd morgen) . Tenakh (6) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 .
- και εγενετο πρωι = kai egeneto prôi (en het werd morgen) . Bijbel (10) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 . (7) Re 9,35 . (8) 1 S 25,37 . (9) 2 S 11,14 . (10) 2 K 10,9 .

Gn 1,5.8. - 11. וַיְהִי עֶרֶב וַיְהִי בֹקֶר = wajëhî `èrèbh wajëhî boqèr (en het werd avond en het werd morgen) . Tenakh (6) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 .
- και εγενετο ἑσπερα και εγενετο πρωι = kai egeneto hespera kai egeneto prôi (en het werd avond en het werd morgen) . LXX (6) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 .

Gn 1,5.12. יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Taalgebruik in Js : jôm (dag) . Taalgebruik in Am : jôm (dag) . Taalgebruik in Mi : jôm (dag) . Getalswaarde : jod = 10 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 OF 56 (2³ X 7) . Structuur : 1 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (209) . Pentateuch (76) . Eerdere Profeten (23) . Latere Profeten (33) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (53) . Pentateuch (76) . Gn (23) . Ex (14) . Lv (11) . Nu (17) . Dt (11) . Gn 1 (6) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 .
- Grieks : nom.. vr. enk. ἡμερα = hèmera van het zelfst. naamw. ἡμερα = hèmera (dag) . Taalgebruik in de Septuaginta : hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Pentateuch (201) . Gn (32) . Gn 1 6) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 . Een vorm van ἡμερα = hèmera (dag) in de LXX (2567) , in het NT (388) .

  hèmera (dag)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. en dat. vr. enk. hèmera(i)  854  750  104  13  27 17  12  28  43  60    
  totaal 2508  2029  479  43  26  82  31  93  183  21  151  182     

- Ned. : dag . Arabisch : يَوم = jaum (dag) . Taalgebruik in de Qoran : dag (jaum) . D. : Tag . E. : day . F. : jour < Lat. diurnum . Cfr journaal . Grieks : ἡμερα = hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Lat. : dies . Hebreeuws : יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Latijn : dies (dag) . diurnus (dagelijks) .

Gn 1,5.13. אֶחָד = èchâd / ´achad (één) . Taalgebruik in Tenakh : ´èchâd (één) . Getalswaarde : aleph = 1 , chet = 8 , daleth = 4 . Totaal : 13 . Structuur : 1 - 8 - 4 . De som van de elementen is telkens 4 . God is één of 13 . Tenakh (400) . Pentateuch (150) . Eerdere Profeten (111) . Latere Profeten (68) . 12 Kleine Profeten (12) . Geschriften (59) .
- Grieks : rangtelwoord nom. vr. enk. μια = mia (eerste) . Zie πρωτος = prôtos (eerste) . Taalgebruik in het NT : prôtos (eerste) . Taalgebruik in de LXX : prôtos (eerste) . Bijbel (192) .


Gn 1,6 - Gn 1,6 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
6kai eipen o theos genèthètô stereôma en mesô tou udatos kai estô diachôrizon ana meson udatos kai udatos kai egeneto outôs  6 dixit quoque Deus fiat firmamentum in medio aquarum et dividat aquas ab aquis  wajj´omèr ´èlohîm  6 ¶ En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren!  [6] En God zei: ‘Er moet een uitspansel* zijn tussen de wateren, een afscheiding tussen het ene water en het andere.’   [6] God zei: ‘Er moet midden in het water een gewelf komen dat de watermassa’s van elkaar scheidt.’  6 ¶ Dan zegt God: kome er een gewelf in het water,– kome er scheiding tussen water en water!   6. Dieu dit : Qu'il y ait un firmament au milieu des eaux et qu'il sépare les eaux d'avec les eaux et il en fut ainsi.  

King James Bible . [6] And God said, Let there be a firmament in the midst of the waters, and let it divide the waters from the waters.
Luther-Bibel . 6 Und Gott sprach: Es werde eine Feste zwischen den Wassern, die da scheide zwischen den Wassern.

Tekstuitleg van Gn 1,6 . Het vers Gn 1,6 telt 11 woorrden en 44 (4 X 11) letters ; verhouding : 1 op 4 . De getalswaarde van Gn 1,6 is 1660 (2² X 5 X 83) . Het tweede scheppingswoord van God .

>
  1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.    8. 
  Gn 1,1-2 Gn 1,3-5 Gn 1,6-8 Gn 1,9-13 Gn 1,14-19 Gn 1,20-23 Gn 1,24-31   Gn 2,1-4a
aantal woorden 7 + 14 = 21 6 + 12 + 13 = 31 11 + 17 + 10 = 38 13 + 12 + 20 + 18 + 6 = 69 16 + 9 + 18 + 8 + 12 + 6 = 69 15 + 23 + 13 + 6 = 57 14 + 18 + 19 + 13 + 22 + 27 + 21 + 15 = 149 aantal woorden : 434 (2 X 7 X 31)  
aantal letters 28 + 52 = 80 23 + 45 + 49 = 117 (9 X 13) 44 + 65 + 39 = 148 (2² X 37) 52 + 49 + 69 + 67 + 22 = 259 (7 X 37) 76 + 37 + 79 + 33 + 51 + 22 = 298 (2 X 149) 57 + 89 +52 + 22 = 220 (2² X 5 X 11) 56 + 69 + 84 + 50 + 88 + 83 + 69 + 50 = 549 (3² X 61) . aantal letters : 1671 (3 X 557)  

Gn 1,6.1. וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordsvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. -m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) .Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalswaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Gn 1 (10) : : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 .

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Gn 4  
  1879 594 868 120 56 241 315 150 10 95 24 7  

- Lettinga 12, 2012, 53c2 : Het werkw. begint met een aleph . Het is een gutturaal , maar de zwakste van de gutturalen . Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal werkw. een bijzondere behandeling voor de qal imperf. . Dit is het geval voor ons werkw. . In het imperf. gaat een medeklinker vooraf aan de aleph . De aleph quiesceert : ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b) . In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o : jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c) . De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b) . In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a : jomur -> jomar (i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012 , 15g) . In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è , vandaar wajjo´mèr . (Zie ook Jouön , 73) .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . λεγω = legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . In 9 verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,29 . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

    bijbel OT LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  act. ind. aor. 3de p. enk. eipen  3024  2426  2275 + 151 684 985 234 63 309 378 9 149 15 98 44 598  118  56  223  114  75  397  511 

- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . Aramees : קְרָא = qërâ´ (roepen) . D. : sagen (zeggen) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere . l (قَالَ = qâla) en r (קְרָא = qâra) liggen dicht bij elkaar . Orgaan van roepen is de stem ; zie Hebreeuws :קוֹל = qôl (stem, roep) . Taalgebruik in Tenakh : qôl (stem) . De Hebreeuwse bijbel , Tenakh , wordt ook wel Miqra genoemd . In dit geval is het zelfst. naamw. gevormd uit de drie stamletters met het prefix mem
- In het werkw. אָמַר = ´âmar (zeggen) zit het woord אְמ = ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan . Met behulp van de 3 stamletters en het prefix mem is het woord memra gevormd , dat goddelijk woord betekent .

Gn 1,6.2. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalswaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (299) . Pentateuch (216) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (16) . Gn (140) . Ex (31) . Lv (0) . Nu (7) . Dt (29) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- De aleph zou als een prefix van het imperf. 1ste pers. enk. kunnen geïnterpreteerd worden . îm in de laatste lettergreep zou als een hifil kunnn begrepen worden . De drie stammedeklinkers zouden dan zijn : lamed , he , mem . Dat werkw. bestaat , maar de betekenis is onzeker . De hifil is ´aqëtîl . Dat komt niet overeen met אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Daarenboven staat na het vervoegd werkw. meestal een onderwerp en dat is dan meestal een naamwoord .
- Grieks . θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen : goden . Als collectief zouden we kunnen vertalen : god . Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden . Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn .
- De Godsnaam יהוה = JHWH wordt veelvuldiger dan de naam אֱלֹהִים = ´èlohîm (god) gebruikt . Vergelijk maar : יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Ex (299) . Lv (199) . Nu (287) . Dt (413) . In Gn : ´èlohîm (god) (140) , de Godsnaam JHWH (128) , vooral in Gn 1-25 .

    Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt
  ´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 26 (31X) 31 0 7 29
  JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 0 299 199 287 413

- De woorden אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) en אֵל = ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalswaarde van אֵל = ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,6.1. - 2. וַיִּקְרָא אֱלֹהִים = wajjiqërâ´ ´èlohîm (en God riep) . Tenakh (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים = wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . Gn 1 (9) : Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) .
- και εκαλεσεν ὁ θεος = kai ekalesen ho theos (en God riep) . Bijbel (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
- και ειπεν ὁ θεος = kai eipen ho theos (en God zei) . Bijbel (28) . Gn 1 (9) : Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,28 . (9) Gn 1,29 .

Gn 1,6.3. act. qal jussief 3de pers. mann. enk. יְהִי = jëhî (het zij) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalswaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (49) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (27) . Gn (6) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 30,34 . (5) Gn 33,9 . (6) Gn 49,17 .
- In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . aor. imperat. 3de pers. enk. γενηθητω = genèthètô (het weze/ het gebeure) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (4) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 9,27 (4) Gn 49,17 .

Gn 1,6.1. - 3. וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים יְהִי = wajjo´mèr ´èlohîm jëhî (en God zei : het weze) . Bijbel (3) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,14 . Het spreken van God is tegelijkertijd een daad van God . Er is geen onderscheid tussen zeggen en doen . Het is één en al expressie . Het scheppend spreken en handelen is een gebeuren .
- και ειπεν ὁ θεος γενηθητω = kai eipen ho theos genèthètô (en God zei : het gebeure) . LXX (2) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 .

Gn 1,6.4. רָקִיעַ = râqîa` (uitspansel) . Taalgebruik in Tenakh : râqîa` (uitspansel) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , qoph = 19 of 100 , jod = 10 , `ajin = 16 of 70 ; totaal : 65 (5 X 13) OF 380 (20 X 19) . Structuur : 2 - 1 - 1 - 7 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (3) : (1) Gn 1,6 . (2) Gn 1,20 . (3) Ez 1,22 .
- Ned. : rekken -> strekken -> spannen -> uit-spannen (uit-spansel) . Lat. : (in)tendere , trahere (Ned. : trekken) .
- Lettinga 12 , 2012 , 11e : patach furtivum ; de uitspraak van de patach onder de `ajin wordt op het einde van een woord vóór de `ajin uitgesproken .
- στερεωμα = stereôma (sterkte, kracht, uitspansel) . Taalgebruik in het NT : stereôma (sterkte, kracht, uitspansel) . Taalgebruik in de LXX : stereôma (sterkte, kracht, uitspansel) . LXX (13) . Gn (4) : (1) Gn 1,6 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,8 . (4) Gn 1,20 .
- Grieks : στερεοω = stereoô (harden, sterk maken) . Lat. : firma-menten .

Gn 1,6.5. בְּתוֹך = bëthôkh (in het midden van) < prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. stat. construct. . Zie : תָוֶךְ= thâwèkh (stat. constr. תּוֹךְ= thôkh) : het midden, het inwendige . Taalgebruik in Tenakh : thâwèkh (stat. constr. thôkh) : het midden, het inwendige . Tenakh (179) .

Gn 1,6.6. הַמָּיִם = hammajim (de wateren) < bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfstandig naamw. מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Getalswaarde : mem = 13 of 40 , jod = 10 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5) . Structuur : 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (85) . Pentateuch (45) . Eerdere Profeten (23) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (12) . Gn (28) . Gn 1 (8) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,9 . (5) Gn 1,10 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,21 . (8) Gn 1,22 .
- Grieks : gen. onz. enk. ὑδατος = hudatos (van water) van het zelfst. naamw. ὑδωρ = hudôr (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Taalgebruik in de LXX : hudôr (water) . LXX (137) . Gn (16) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 .

  hudôr (water)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
2 gen. onz. enk. hudatos  137  117  20  2 12 
  totaal 666  596  70  19  10  17  18  37 

- Ned. : water . Arabisch : مَأء = mâh (water) . Taalgebruik in de Qoran : mâh (water) . D. : Wasser . E. : water . Fr. : eau . Grieks : ὑδωρ = hudôr (water) . Hebreeuws : מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Lat. : aqua .

Gn 1,6.7. prefix voegwoord wa consecutivum (verhalend) + act. qal jigtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalswaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalswaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalswaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,31 .
- De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
- In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) .
- Grieks : ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . LXX (730) . NT (195) . Gn (107) . ) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... zoals vele verhalen bij ons beginnen) . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : וַיְהִי כֵן = wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 και εγενετο οὑτως = kai egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt וַיְהִי = wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door εγενετο = egeneto (het gebeurde) .

ginomai (worden, gebeuren)  bijbel Tenach OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
aor. 3de pers. enk. egeneto  925  wajëhî : 784 730  195  13  17  69  16  53    17  99  115 
Totaal 2841   2174 667 75 55 129 51 124   38 259 310

- και εγενετο = kai egeneto (en het gebeurde) . LXX (560) . NT (62) .
- εγενετο δε = egeneto de (het gebeurde echter) . LXX () . NT (40) .

Gn 1,6.8. act. hifil part. mann. enk. מַבְדִּיל = mabhëdîl (scheidende) van het werkw. בָדַל = bâdal (afscheiden, verdelen) . Taalgebruik in Tenakh : bâdal (afscheiden, verdelen) . Tenakh (1) : Gn 1,6 .
- prefix waw. consect. + werkw.vorm act. hifil imperf. (jaqtil) 3de pers. enk. וַיַבְדֵּל = wajjabhëdel (en hij maakte een scheiding) van het werkw. בָדַל = bâdal (afscheiden, verdelen) . Taalgebruik in Tenakh : bâdal (afscheiden, verdelen) . Tenakh (3) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) 1 Kr 23,13 .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. διεχωρισεν = diechôrisen (hij maakte een scheiding) van het werkw. διαχωριζω = diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) . Taalgebruik in de Septuaginta : diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) . LXX (5) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 30,40 . (4) 2 Kr 25,10. (5) Sir 33,11 . Een vorm van διαχωριζω = diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) in de LXX (27) , in het NT (1) Lc 9,33 .
- Lat. : dividere . E. : divide . D. : scheiden . Fr. : séparer . Arabisch : faSala (scheiden) . Taalgebruik in de Qoran : faSala (scheiden) .

Gn 1,6.9. בֵּין = be(j)n (tussen) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) . Getalswaarde : beth = 2 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (165) . Pentateuch (61) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (24) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (25) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,14 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 9,16 . (7) Gn 10,12 . (8) Gn 13,3 . (9) Gn 13,7 . (10) Gn 15,17 . (11) Gn 16,14 . (12) Gn 20,1 . (13) Gn 31,37 . (14) Gn 32,17 . (15) Gn 49,14 .
-- וּבֵּין = ûbhe(j)n (en tussen) < waw + Tenakh (108) . Pentateuch (46) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (12) . Gn (20) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 3,15 . (6) Gn 9,12 . (7) Gn 9,13 . (8) Gn 9,15 . (9) Gn 9,16 . (10) Gn 9,17 . (11) Gn 10,12 . (12) Gn 13,3. (13) Gn 13,7 . (14) Gn 13,8 . (15) Gn 16,14 . (16) Gn 17,7 . (17) Gn 17,10 . (18) Gn 20,1 . (19) Gn 30,36 . (20) Gn 32,17 .

Gn 1,6.10. מַיִם = majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Getalswaarde : mem = 13 of 40 , jod = 10 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5) . Structuur : 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (254) . Pentateuch (53) . Eerdere Profeten (46) . Latere Profeten (72) . 12 Kleine Profeten (15) . Geschriften (68) .
- Ned. : water . Arabisch : مَأء = mâh (water) . Taalgebruik in de Qoran : mâh (water) . D. : Wasser . E. : water . Fr. : eau . Grieks : ὑδωρ = hudôr (water) . Hebreeuws : מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Lat. : aqua .

Gn 1,6.11. לָמָיִם = lammajim (naar de wateren) < prefix voorzetsel lë + bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfstandig naamw. מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Getalswaarde : mem = 13 of 40 , jod = 10 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5) . Structuur : 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (7) : (1) Gn 1,6 . (2) Ex 17,3 . (3) Joz 7,5 . (4) 2 K 2,21 . (5) Js 55,1 . (6) Jr 14,3 . (7) Am 8,11 .

Toevoegsel in de LXX . וַיְהִי כֵן = wajëhî khen (en het was zo) . Tenakh (9) : Gn 1 (6) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,9 . (3) Gn 1,11 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,24 . (6) Gn 1,30 .
- και εγενετο οὑτως = kai egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Bijbel (12) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,6 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,15 . (6) Gn 1,24 . (7) Gn 1,30 .


Gn 1,7 - Gn 1,7 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7kai epoièsen o theos to stereôma kai diechôrisen o theos ana meson tou udatos o èn upokatô tou stereômatos kai ana meson tou udatos tou epanô tou stereômatos  7 et fecit Deus firmamentum divisitque aquas quae erant sub firmamento ab his quae erant super firmamentum et factum est ita    7 En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het was alzo.  [7] En God maakte het uitspansel; Hij scheidde het water* onder het uitspansel van het water erboven. Zo gebeurde het.   [7] En zo gebeurde het. God maakte het gewelf en scheidde het water onder het gewelf van het water erboven.  7 Dan maakt God het gewelf en brengt hij scheiding aan tussen de wateren onder het gewelf en de wateren boven het gewelf; zo komt het tot stand.  7. Dieu fit le firmament, qui sépara les eaux qui sont sous le firmament d'avec les eaux qui sont au-dessus du firmament,  

King James Bible . [7] And God made the firmament, and divided the waters which were under the firmament from the waters which were above the firmament: and it was so.
Luther-Bibel . 7 Da machte Gott die Feste und schied das Wasser unter der Feste von dem Wasser über der Feste. Und es geschah so.

Tekstuitleg van Gn 1,7 . Het vers Gn 1,7 telt 17 woorden en 65 (5 X 13) letters . De getalswaarde van Gn 1,7 is 4541 (19 X 239) .

>
  1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.    8. 
  Gn 1,1-2 Gn 1,3-5 Gn 1,6-8 Gn 1,9-13 Gn 1,14-19 Gn 1,20-23 Gn 1,24-31   Gn 2,1-4a
aantal woorden 7 + 14 = 21 6 + 12 + 13 = 31 11 + 17 + 10 = 38 13 + 12 + 20 + 18 + 6 = 69 16 + 9 + 18 + 8 + 12 + 6 = 69 15 + 23 + 13 + 6 = 57 14 + 18 + 19 + 13 + 22 + 27 + 21 + 15 = 149 aantal woorden : 434 (2 X 7 X 31)  
aantal letters 28 + 52 = 80 23 + 45 + 49 = 117 (9 X 13) 44 + 65 + 39 = 148 (2² X 37) 52 + 49 + 69 + 67 + 22 = 259 (7 X 37) 76 + 37 + 79 + 33 + 51 + 22 = 298 (2 X 149) 57 + 89 +52 + 22 = 220 (2² X 5 X 11) 56 + 69 + 84 + 50 + 88 + 83 + 69 + 50 = 549 (3² X 61) . aantal letters : 1671 (3 X 557)  

Gn 1,7.1. וַיַּעַשׂ = wajja`ash (en hij maakte, en hij deed) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. עָשָׂה = `âshâh (maken, doen) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâh (maken) . Getalswaarde : ajin = 16 of 70 , shin = 21 of 300 , he = 5 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 375 (3 X 5³) . Structuur : 7 - 3 - 5 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (232) . Pentateuch (81) . Eerdere Profeten (86) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (55) . Gn (18) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,25 . (4) Gn 3,21 . (5) Gn 6,22 . (6) Gn 7,5 . (7) Gn 19,3 . (8) Gn 21,1 . (9) Gn 21,8 . (10) Gn 26,30 . (11) Gn 27,31 . (12) Gn 29,22 . (13) Gn 29,28 . (14) Gn 40,20 . (15) Gn 42,25 . (16) Gn 43,17 . (17) Gn 44,2 . (18) Gn 50,10 . Met behulp van de 3 stamletters en het prefiw mem is het zelfst. naamw. ma`äsheh (daad) gevormd .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. εποιησεν = epoièsen (hij deed) van het werkw. ποιεω = poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in de LXX : poieô (doen, maken) . Bijbel (714) . OT (641) . NT (73) . Gn 1 (7 verzen , 9 vormen) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,16 . (4) Gn 1,21 . (5) Gn 1,25 . (6) Gn 1,27 (3X) . (7) Gn 1,31 . Een vorm van ποιεω = poieô (doen, maken) in de LXX (3390) , in het NT (565) .
- Ned. : scheppen . D. : (er)schaffen . Andere stamgroep : E. : to create . Fr. : créer . Italiaans : creare . Latijn : creare . Spaans : crear .
- Ned. : doen . Arabisch : عَمَلَ = `amala (werken) . Taalgebruik in de Qoran : `amala (werken . D. : tun . E. : do : Fr. : faire . Grieks : ποιεω = poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Hebreeuws : עָשָׂה = `âshâh (maken, doen) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâh (maken) . Lat. : facere (feci, factum -> feit) .

Gn 1,7.2. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalswaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (299) . Pentateuch (216) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (16) . Gn (140) . Ex (31) . Lv (0) . Nu (7) . Dt (29) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- Grieks . θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen : goden . Als collectief zouden we kunnen vertalen : god . Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden . Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn .
- De Godsnaam יהוה = JHWH wordt veelvuldiger dan de naam אֱלֹהִים = ´èlohîm (god) gebruikt . Vergelijk maar : יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Ex (299) . Lv (199) . Nu (287) . Dt (413) . In Gn : ´èlohîm (god) (140) , de Godsnaam JHWH (128) , vooral in Gn 1-25 .

    Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt
  ´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 26 (31X) 31 0 7 29
  JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 0 299 199 287 413

- De woorden אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) en אֵל = ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalswaarde van אֵל = ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,7.1. - 2. בָרָא אֱלֹהִים = bârâ ´èlohîm (God schiep) . Tenakh ( 3) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 2,3 . (3) Dt 4,32 .
- וַיִּבְרָא אֱלֹהִים = wajjibhërâ´ ´èlohîm (en God schiep) . Tenakh (2) : (1) Gn 1,21 . (2) Gn 1,27 .
- וַיַּעַשׂ אֱלֹהִים = wajja`ash ´èlohîm (en God maakte) . Tenakh (4) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,25 . (4) Re 6,40 .
- וַיַּעַשׂ יהוה = wajja`ash JHWH (en JHWH maakte) . Tenakh (11) : (1) Gn 3,21 . (2) Gn 21,1 . (3) Ex 8,9 . (4) Ex 8,20 . (5) Ex 8,27 . (6) Ex 9,6 . (7) 1 S 19,5 . (8) 1 S 28,17 . (9) 2 S 23,10 . (10) 2 S 23,12 . (11) Jr 40,3 .
- עֹשֶׂה יהוה = `âshâh JHWH (JHWH maakte) . Tenakh (27) . Pentateuch (14) : (1) Gn 3,1 . (2) Ex 13,8 . (3) Ex 14,31 . (4) Ex 18,8 . (5) Ex 18,9 . (6) Ex 20,11 . (7) Ex 31,17 . (8) Nu 33,4 . (9) Dt 3,21 . (10) Dt 4,3 . (11) Dt 7,18 . (12) Dt 24,9 . (13) Dt 29,1 . (14) Dt 29,23 . Js (1) Js 44,23 .
- כִּי שֵׁשֶׁת יָמִים עָשָֹה יהוה = kî sjesjèth jâmîm `âshâh JHWH (want gedurende zes dagen maakte JHWH) . Tenakh (2) : (1) Ex 20,11 . (2) Ex 31,17 .
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים = wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . Gn 1 (9) : Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) .
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים = wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . Gn 1 (9) : Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) .
- εποιησεν ὁ θεος = epoisen ho theos (God maakte) . LXX (18) . Gn 1 (6) . NT (3) .
- και εποιησεν ὁ θεος = kai epoièsen ho theos (en God maakte) . Bijbel (7) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,27 . (6) Re 6,40 . (7) Est 10,3 .

Gn 1,7.3. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalswaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 .
- וְאֶת / וְאִת = wë´èth / wë´eth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalswaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

Gn 1,7.4. הָרָקִיעַ = hârâqîa` (het uitspansel) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. רָקִיעַ = râqîa` (uitspansel) . Taalgebruik in Tenakh : râqîa` (uitspansel) . Taalgebruik in Tenakh : râqîa` (uitspansel) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , qoph = 19 of 100 , jod = 10 , `ajin = 16 of 70 ; totaal : 65 (5 X 13) OF 380 (20 X 19) . Structuur : 2 - 1 - 1 - 7 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (5) : (1) Gn 1,7 . (2) Ez 1,23 . (3) Ez 10,1 . (4) Ps 19,2 . (5) Da 12,3 . Ned. : rekken -> strekken -> spannen -> uit-spannen (uit-spansel) .
- στερεωμα = stereôma (sterkte, kracht, uitspansel) . Taalgebruik in het NT : stereôma (sterkte, kracht, uitspansel) . Taalgebruik in de LXX : stereôma (sterkte, kracht, uitspansel) . LXX (13) . Gn (4) : (1) Gn 1,6 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,8 . (4) Gn 1,20 .

Gn 1,7.5. prefix waw. consect. + werkw.vorm act. hifil imperf. (jaqtil) 3de pers. enk. וַיַבְדֵּל = wajjabhëdel (en hij maakte een scheiding) van het werkw. בָדַל = bâdal (afscheiden, verdelen) . Taalgebruik in Tenakh : bâdal (afscheiden, verdelen) . Tenakh (3) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) 1 Kr 23,13 .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. διεχωρισεν = diechôrisen (hij maakte een scheiding) van het werkw. διαχωριζω = diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) . Taalgebruik in de Septuaginta : diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) . LXX (5) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 30,40 . (4) 2 Kr 25,10. (5) Sir 33,11 . Een vorm van διαχωριζω = diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) in de LXX (27) , in het NT (1) Lc 9,33 .
- Lat. : dividere . E. : divide . D. : scheiden . Fr. : séparer . Arabisch : faSala (scheiden) . Taalgebruik in de Qoran : faSala (scheiden) .

Gn 1,7.6. בֵּין = be(j)n (tussen) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) . Getalswaarde : beth = 2 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (165) . Pentateuch (61) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (24) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (25) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,14 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 9,16 . (7) Gn 10,12 . (8) Gn 13,3 . (9) Gn 13,7 . (10) Gn 15,17 . (11) Gn 16,14 . (12) Gn 20,1 . (13) Gn 31,37 . (14) Gn 32,17 . (15) Gn 49,14 .
-- וּבֵּין = ûbhe(j)n (en tussen) < waw + Tenakh (108) . Pentateuch (46) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (12) . Gn (20) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 3,15 . (6) Gn 9,12 . (7) Gn 9,13 . (8) Gn 9,15 . (9) Gn 9,16 . (10) Gn 9,17 . (11) Gn 10,12 . (12) Gn 13,3. (13) Gn 13,7 . (14) Gn 13,8 . (15) Gn 16,14 . (16) Gn 17,7 . (17) Gn 17,10 . (18) Gn 20,1 . (19) Gn 30,36 . (20) Gn 32,17 .

Gn 1,7.7. הַמָּיִם = hammajim (de wateren) < bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfstandig naamw. מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Getalswaarde : mem = 13 of 40 , jod = 10 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5) . Structuur : 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (85) . Pentateuch (45) . Eerdere Profeten (23) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (12) . Gn (28) . Gn 1 (8) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,9 . (5) Gn 1,10 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,21 . (8) Gn 1,22 .
- Grieks : gen. vr. enk. ὑδατος = hudatos (van water) van het zelfst. naamw. ὑδωρ = hudôr (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Taalgebruik in de LXX : hudôr (water) . LXX (137) . Gn (16) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 .

  hudôr (water)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
2 gen. onz. enk. hudatos  137  117  20  2 12 
  totaal 666  596  70  19  10  17  18  37 

- Ned. : water . Arabisch : مَأء = mâh (water) . Taalgebruik in de Qoran : mâh (water) . D. : Wasser . E. : water . Fr. : eau . Grieks : ὑδωρ = hudôr (water) . Hebreeuws : מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Lat. : aqua .

Gn 1,7.8. אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) OF persoonsnaam אָשֶׁר = ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalswaarde : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (4012) . Pentateuch (1378) . Eerdere Profeten (1114) . Latere Profeten (717) . 12 Kleine Profeten (106) . Geschriften (697) . Gn (307) . Ex (217) . Dt (397) .

Gn 1,7.9. מִתִַּחַת = miththachath (van onder , beneden) < prefix voorzetsel min + voorzetsel תַּחַת = thachath (onder, beneden) .

Gn 1,7.10. לָרָקִיעַ= lârâqîa` (tot het uitspansel) < prefix voorzetsel lë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. רָקִיעַ = râqîa` (uitspansel) . Taalgebruik in Tenakh : râqîa` (uitspansel) . Tenakh (4) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,8 . (3) Ez 1,25 . (4) Ez 1,26 .

Gn 1,7.11. בֵּין = be(j)n (tussen) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) . Getalswaarde : beth = 2 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (165) . Pentateuch (61) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (24) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (25) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,14 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 9,16 . (7) Gn 10,12 . (8) Gn 13,3 . (9) Gn 13,7 . (10) Gn 15,17 . (11) Gn 16,14 . (12) Gn 20,1 . (13) Gn 31,37 . (14) Gn 32,17 . (15) Gn 49,14 .
-- וּבֵּין = ûbhe(j)n (en tussen) < waw + Tenakh (108) . Pentateuch (46) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (12) . Gn (20) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 3,15 . (6) Gn 9,12 . (7) Gn 9,13 . (8) Gn 9,15 . (9) Gn 9,16 . (10) Gn 9,17 . (11) Gn 10,12 . (12) Gn 13,3. (13) Gn 13,7 . (14) Gn 13,8 . (15) Gn 16,14 . (16) Gn 17,7 . (17) Gn 17,10 . (18) Gn 20,1 . (19) Gn 30,36 . (20) Gn 32,17 .

Gn 1,7.12. הַמָּיִם = hammajim (de wateren) < bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfstandig naamw. מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Getalswaarde : mem = 13 of 40 , jod = 10 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5) . Structuur : 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (85) . Pentateuch (45) . Eerdere Profeten (23) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (12) .
- Ned. : water . Arabisch : مَأء = mâh (water) . Taalgebruik in de Qoran : mâh (water) . D. : Wasser . E. : water . Fr. : eau . Grieks : ὑδωρ = hudôr (water) . Hebreeuws : מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Lat. : aqua .

Gn 1,7.13. אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) OF persoonsnaam אָשֶׁר = ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalswaarde : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (4012) . Pentateuch (1378) . Eerdere Profeten (1114) . Latere Profeten (717) . 12 Kleine Profeten (106) . Geschriften (697) . Gn (307) . Ex (217) . Dt (397) .

Gn 1,7.14. מֵעַל = me`al (vanop, weg vanop) < prefix voorzetsel min + עַל = `al (op, overeenkomstig, omwille van) . Taalgebruik in Tenakh : `al (op, overeenkomstig) . Getalswaarde : ajin = 16 of 70, lamed = 12 of 30 ; totaal : 28 (2² X 7) of 100 (2² X 5²) . Structuur : 7 - 3 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (206) . Pentateuch (60) . Eerdere Profeten (57) . Latere Profeten (51) . 12 Kleine Profeten (12) . Geschriften (26 ) . Gn (25) . Gn 29 (3) : (1) Gn 29,3 . (2) Gn 29,8 . (3) Gn 29,10 .

Gn 1,7.15. לָרָקִיעַ= lârâqîa` (tot het uitspansel) < prefix voorzetsel lë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. רָקִיעַ = râqîa` (uitspansel) . Taalgebruik in Tenakh : râqîa` (uitspansel) . Tenakh (4) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,8 . (3) Ez 1,25 . (4) Ez 1,26 .

Gn 1,7.16. prefix voegwoord wa consecutivum (verhalend) + act. qal jigtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalswaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalswaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalswaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,31 .
- De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
- In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) .
- Grieks : ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . LXX (730) . NT (195) . Gn (107) . ) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... zoals vele verhalen bij ons beginnen) . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : וַיְהִי כֵן = wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 και εγενετο οὑτως = kai egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt וַיְהִי = wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door εγενετο = egeneto (het gebeurde) .

ginomai (worden, gebeuren)  bijbel Tenach OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
aor. 3de pers. enk. egeneto  925  wajëhî : 784 730  195  13  17  69  16  53    17  99  115 
Totaal 2841   2174 667 75 55 129 51 124   38 259 310

- και εγενετο = kai egeneto (en het gebeurde) . LXX (560) . NT (62) .
- εγενετο δε = egeneto de (het gebeurde echter) . LXX () . NT (40) .

Gn 1,7.17. כֵן = khen (zo) . Taalgebruik in Tenakh : khen (zo) . Getalswaarde : kaph = 11 of 20 , nun = 14 of 50 ; totaal : 25 (5²) OF 70 (2 X 5 X 7) . Structuur : 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (514) . Pentateuch (156) . Eerdere Profeten (109) . Latere Profeten (109) . 12 Kleine Profeten (25) . Geschriften (115) . Gn (48) . Gn 1 (6) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,9 . (3) Gn 1,11 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,24 . (6) Gn 1,30 .
- Grieks : οὑτως = houtôs (op die wijze, zo) . Taalgebruik in het NT : houtos (zo) . Taalgebruik in de LXX : houtos (zo) .

houtôs (zo)   bijbel LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  907  599 + 109 127 119 194 21 138 31 35 8 34 19 708  199  32  10  21  14  26  90  63  77 

- Ned. : zo . D. : so . E. : thus . Fr. ainsi < ains - si . ains (ante) -> antius sic . Grieks : οὑτως = houtôs (op die wijze, zo) . Taalgebruik in het NT : houtos (zo) . Hebreeuws : כֵן = khen (zo) . Taalgebruik in Tenakh : khen (zo) . Lat. : sic .

Gn 1,7.16. - 17. וַיְהִי כֵן = wajëhî khen (en het was zo) . Tenakh (9) : Gn 1 (6) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,9 . (3) Gn 1,11 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,24 . (6) Gn 1,30 .
- και εγενετο οὑτως = kai egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Bijbel (12) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,6 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,15 . (6) Gn 1,24 . (7) Gn 1,30 .


Gn 1,8 - Gn 1,8 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8kai ekalesen o theos to stereôma ouranon kai eiden o theos oti kalon kai egeneto espera kai egeneto prôi èmera deutera  8 vocavitque Deus firmamentum caelum et factum est vespere et mane dies secundus    8 En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de tweede dag.  [8] Het uitspansel noemde God hemel. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de tweede dag.   [8] Hij noemde het gewelf hemel. Het werd avond en het werd morgen. De tweede dag.  8 God roept tot het gewelf ‘hemel’; er komt een avond en er komt een ochtend: tweede dag. •  8. et Dieu appela le firmament ciel . Il y eut un soir et il y eut un matin : deuxième jour.  

King James Bible . [8] And God called the firmament Heaven. And the evening and the morning were the second day.
Luther-Bibel . 8 Und Gott nannte die Feste Himmel. Da ward aus Abend und Morgen der zweite Tag.

Tekstuitleg van Gn 1,8 . Het vers Gn 1,8 telt 10 (2 X 5) woorden en 39 (3 X 13) letters . De getalswaarde van Gn 1,8 is 2255 (5 X 11 X 41) .

Gn 1,8.1. וַיִּקְרָא = wajjiqërâ´ (en hij riep, hij heet, hij noemde) < prefix waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord קָרָא = qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalswaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. εκαλεσεν = ekalesen (hij riep) van het werkw. καλεω = kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . Een vorm van καλεω = kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .

kaleô (roepen) actief bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev. P. A. b.
act. ind. aor. 3de pers. enk. ekalesen 204 195 9 3 1 1     4   5  

- Ned. : roepen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . Aramees : קְרָא =qërâ´ (roepen) . D. : rufen . E. : to call . Fr. : appeler (Lat. . appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Grieks : καλεω = kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Hebreeuws : קָרָא = qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Lat. : vocare (vox = stem) . l (qâla) en r (qâra) liggen dicht bij elkaar . Orgaan van roepen is de stem ; zie Hebreeuws :קוֹל = qôl (stem, roep) . Taalgebruik in Tenakh : qôl (stem) .

Gn 1,8.2. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalswaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (299) . Pentateuch (216) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (16) . Gn (140) . Ex (31) . Lv (0) . Nu (7) . Dt (29) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- Grieks . θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen : goden . Als collectief zouden we kunnen vertalen : god . Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden . Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn .
- De Godsnaam יהוה = JHWH wordt veelvuldiger dan de naam אֱלֹהִים = ´èlohîm (god) gebruikt . Vergelijk maar : יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Ex (299) . Lv (199) . Nu (287) . Dt (413) . In Gn : ´èlohîm (god) (140) , de Godsnaam JHWH (128) , vooral in Gn 1-25 .

    Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt
  ´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 26 (31X) 31 0 7 29
  JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 0 299 199 287 413

- De woorden אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) en אֵל = ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalswaarde van אֵל = ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,8.1. - 2. וַיִּקְרָא אֱלֹהִים = wajjiqërâ´ ´èlohîm (en God riep) . Tenakh (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים = wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . Gn 1 (9) : Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) .
- και εκαλεσεν ὁ θεος = kai ekalesen ho theos (en God riep) . Bijbel (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
- και ειπεν ὁ θεος = kai eipen ho theos (en God zei) . Bijbel (28) . Gn 1 (9) : Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,28 . (9) Gn 1,29 .

Gn 1,8.3. לָרָקִיעַ= lârâqîa` (tot het uitspansel) < prefix voorzetsel lë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. רָקִיעַ = râqîa` (uitspansel) . Taalgebruik in Tenakh : râqîa` (uitspansel) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , qoph = 19 of 100 , jod = 10 , `ajin = 16 of 70 ; totaal : 65 (5 X 13) OF 380 (20 X 19) . Structuur : 2 - 1 - 1 - 7 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (4) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,8 . (3) Ez 1,25 . (4) Ez 1,26 .
- στερεωμα = stereôma (sterkte, kracht, uitspansel) . Taalgebruik in het NT : stereôma (sterkte, kracht, uitspansel) . Taalgebruik in de LXX : stereôma (sterkte, kracht, uitspansel) . LXX (13) . Gn 1 (4) : (1) Gn 1,6 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,8 . (4) Gn 1,20 .

Gn 1,8.4. שָׁמַיִם / שָׁמָיִם = sjâmajim / sjâmâjim (hemelen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmajim (hemelen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 57 (3 X 19) OF 390 (2 X 3 X 5 X 13 = 15 X 26) . Structuur : 3 - 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (92) . Pentateuch (7) . Eerdere Profeten (5) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (49) .

LXX toevoeging : טוֹב = tôbh (goed) . Taalgebruik in Tenakh : tôbh (goed) . Getalswaarde : tet = 9 , waw = 6 , beth = 2 ; totaal : 17 . Structuur : 9 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (290) . Pentateuch (38) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (23) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (166) . Gn (23) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . (8) Gn 2,9 . (9) Gn 2,12 . (10) Gn 2,17 . (11) Gn 2,18 . (12) Gn 3,5 . (13) Gn 3,6 . (14) Gn 3,22 . (15) Gn 24,10 . (16) Gn 24,50 . (17) Gn 26,29 . (18) Gn 29,19 . (19) Gn 30,20 . (20) Gn 40,16 . (21) Gn 45,18 . (22) Gn 45,20 . (23) Gn 49,15 .
- Grieks : αγαθος = agathos . Taalgebruik in het NT : agathos (goed) . Taalgebruik in de LXX : agathos (goed) .
- Grieks : nom. onz. enk. + acc. mann. en onz. enk. καλον = van het bijvoegl. naamw. καλος = kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in het NT : kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in de LXX : kalos (goed, mooi, schoon) . LXX (125) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 . (4) Gn 1,12 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 2,9 . (7) Gn 2,12 . (8) Gn 2,17 . (9) Gn 2,18 . (10) Gn 3,5 . (11) Gn 3,6 . (12) Gn 3,22 . (13) Gn 18,7 . (14) Gn 30,20 . (15) Gn 49,14 .

kalos (goed) bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev. P. A. b.
nom. + acc. onz. enk. + acc. mann. enk. kalon 125 75 50 13 9 5 1   22   27 28 20 2

- Ned. : goed . Arabisch : طَيَّبٌ = thajjab (goed) . Taalgebruik in de Qoran : thajjab (goed) . Aramees : טַב = tabh (goed) . D. : gut . E. : good . Fr. : bijvoegl. naamw. : bon / bijw. : bien . Gr. : αγαθος = agathos . Taalgebruik in het NT : agathos (goed) . Hebreeuws : טוֹב = tôbh (goed) . Taalgebruik in Tenakh : tôbh (goed) . Lat. : bijvoegl. naamw. : bonus / bijw. : bene .

Gn 1,8.5. prefix voegwoord wa consecutivum (verhalend) + act. qal jigtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalswaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalswaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalswaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,31 .
- De 3 medekl. van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam יהוה = JHWH .
- In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) .
- Grieks : ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . LXX (730) . NT (195) . Gn (107) . ) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... zoals vele verhalen bij ons beginnen) . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : וַיְהִי כֵן = wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 και εγενετο οὑτως = kai egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt וַיְהִי = wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door εγενετο = egeneto (het gebeurde) .

ginomai (worden, gebeuren)  bijbel Tenach OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
aor. 3de pers. enk. egeneto  925  wajëhî : 784 730  195  13  17  69  16  53    17  99  115 
Totaal 2841   2174 667 75 55 129 51 124   38 259 310

- και εγενετο = kai egeneto (en het gebeurde) . LXX (560) . NT (62) .
- εγενετο δε = egeneto de (het gebeurde echter) . LXX () . NT (40) .

Gn 1,8.6. עֶרֶב = `èrèbh (avond) . Taalgebruik in Tenakh : `èrèbh (avond) . Getalswaarde : ajin = 16 of 70 , resj = 20 of 200 , beth = 2 ; totaal : 38 (2 X 19) . Structuur : 7 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (48) . Pentateuch (20) . Eerdere Profeten (2) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (18) . Gn (10) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 . (7) Gn 8,11 . (8) Gn 24,11 . (9) Gn 24,63 . (10) Gn 44,32 .
- ἑσπερα = hespera (avond) . Taalgebruik in het NT : hespera (avond) . Taalgebruik in de LXX : hespera (avond) . Een vorm van ἑσπερα = hespera (avond) in de LXX (129) , in het NT (3) .
- Ned. : avond . Arabisch : مَسَاء = masâ´ (avond) . Taalgebruik in de Qoran : masâ´ (avond) . D. : Abend . E. evening . Fr. : soir . Gr. : οψια = opsia (avond) . Taalgebruik in het NT : opsia (avond) . Hebr. : עֶרֶב = `èrèbh (avond) . Taalgebruik in Tenakh : `èrèbh (avond . Lat. ad vesperas .

Gn 1,8.6. - 7. וַיְהִי עֶרֶב = wajëhî `èrèbh (en het werd avond) . Tenakh (6) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 .
- Grieks : και εγενετο ἑσπερα = kai egeneto hespera (en het werd avond) . Bijbel (7) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 . (7) Gn 29,23 .

Gn 1,8.8. prefix voegwoord wa consecutivum (verhalend) + act. qal jigtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalswaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalswaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalswaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,31 .
- De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
- In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) .
- Grieks : ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . LXX (730) . NT (195) . Gn (107) . ) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... zoals vele verhalen bij ons beginnen) . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : וַיְהִי wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt וַיְהִי = wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .

ginomai (worden, gebeuren)  bijbel Tenach OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
aor. 3de pers. enk. egeneto  925  wajëhî : 784 730  195  13  17  69  16  53    17  99  115 
Totaal 2841   2174 667 75 55 129 51 124   38 259 310

- και εγενετο = kai egeneto (en het gebeurde) . LXX (560) . NT (62) .
- εγενετο δε = egeneto de (het gebeurde echter) . LXX () . NT (40) .

Gn 1,8.9. בֹקֶר = boqèr (morgen) . Zie : בָקַר = bâqar (onderzoeken, voor iets zorgen, overleggen) . Taalgebruik in Tenakh : bâqar (onderzoeken, voor iets zorgen, overleggen) . Getalswaarde : beth = 2 , qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 (zie 41) OF 302 (2 X 151) . Structuur : 2 - 1 - 2 . De som van de termen is telkens 5 . b-q-r . (1) act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. בָקַר = bâqar (hij onderzoekt) . (2) zelfst. naamw. בָקָר = bâqâr (rund, rundvee) . (3) בֹקֶר = boqèr (morgen) . Tenakh (114) . Pentateuch (72) . Eerdere Profeten (9) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (17) .
- Grieks : πρωι = prôi (morgen) . Taalgebruik in het NT : prôï (vroeg) . Taalgebruik in de LXX : prôï (vroeg) .

Gn 1,8.8. - 9. וַיְהִי בֹקֶר = wajëhî boqèr (en het werd morgen) . Tenakh (6) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 .
- και εγενετο πρωι = kai egeneto prôi (en het werd morgen) . Bijbel (10) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 . (7) Re 9,35 . (8) 1 S 25,37 . (9) 2 S 11,14 . (10) 2 K 10,9 .

6. - 9. וַיְהִי עֶרֶב וַיְהִי בֹקֶר = wajëhî `èrèbh wajëhî boqèr (en het werd avond en het werd morgen) . Tenakh (6) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 .
- και εγενετο ἑσπερα και εγενετο πρωι = kai egeneto hespera kai egeneto prôi (en het werd avond en het werd morgen) . Tenakh (6) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 .

Gn 1,8.10. יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Taalgebruik in Js : jôm (dag) . Taalgebruik in Am : jôm (dag) . Taalgebruik in Mi : jôm (dag) . Getalswaarde : jod = 10 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 OF 56 (2³ X 7) . Structuur : 1 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (209) . Pentateuch (76) . Eerdere Profeten (23) . Latere Profeten (33) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (53) . Pentateuch (76) . Gn (23) . Ex (14) . Lv (11) . Nu (17) . Dt (11) .
- Grieks : ἡμερα = hèmera (dag) . Taalgebruik in de Septuaginta : hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) .
- Ned. : dag . Arabisch : يَوم = jaum (dag) . Taalgebruik in de Qoran : dag (jaum) . D. : Tag . E. : day . F. : jour < Lat. diurnum . Cfr journaal . Grieks : ἡμερα = hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Lat. : dies . Hebreeuws : יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) .

Gn 1,8.11. Stat. constr. mann. mv. שְׂנֵי = sjëne(j) (twee) van het telwoord שְׂנַיִם = sjënajim (twee) . Taalgebruik in Tenakh : sjënajim (twee) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 400 (2² X 2² X 5²) . De som van de elementen is telkens 4 (2²) . . Tenakh (195) .


Gn 1,9 - Gn 1,9 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9kai eipen o theos sunachthètô to udôr to upokatô tou ouranou eis sunagôgèn mian kai ofthètô è xèra kai egeneto outôs kai sunèchthè to udôr to upokatô tou ouranou eis tas sunagôgas autôn kai ôfthè è xèra  9 dixit vero Deus congregentur aquae quae sub caelo sunt in locum unum et appareat arida factumque est ita   wajj´omèr ´èlohîm  9 ¶ En God zeide: Dat de wateren van onder den hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! En het was alzo.   [9] En God zei: ‘Het water onder de hemel moet naar één plaats samenvloeien, zodat het droge zichtbaar wordt.’ Zo gebeurde het.   [9] God zei: ‘Het water onder de hemel moet naar één plaats stromen, zodat er droog land verschijnt.’ En zo gebeurde het.  9 ¶ Dan zegt God: dat de wateren onder de hemel te hoop lopen naar één oord, en zichtbaar worde het droge!– en zo komt het tot stand.  9. Dieu dit : Que les eaux qui sont sous le ciel s'amassent en une seule masse et qu'apparaisse le continent et il en fut ainsi.  

King James Bible . [9] And God said, Let the waters under the heaven be gathered together unto one place, and let the dry land appear: and it was so.
Luther-Bibel . 9 Und Gott sprach: Es sammle sich das Wasser unter dem Himmel an besondere Orte, dass man das Trockene sehe. Und es geschah so.

Tekstuitleg van Gn 1,9 . Het vers telt 13 woorden en 52 (2² X 13) letters ; verhouding : 1 op 4 . De getalswaarde van 3068 (2² X 13 X 59) . Het 3de scheppingswoord van God .

>
  1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8. 
  Gn 1,1-2 Gn 1,3-5 Gn 1,6-8 Gn 1,9-13 Gn 1,14-19 Gn 1,20-23 Gn 1,24-31 Gn 2,1-4a
aantal woorden 7 + 14 = 21 6 + 12 + 13 = 31   13 + 12 + 20 + 18 + 6 = 69 (3 X 23)        
aantal letters 28 + 52 = 80 23 + 45 + 49 = 117 (9 X 13)   52 + 49 + 69 + 67 + 22 = 257 () .        

Gn 1,9.1. וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordsvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. -m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) .Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalswaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 .
- Lettinga 12, 2012, 53c2 : Het werkw. begint met een aleph . Het is een gutturaal , maar de zwakste van de gutturalen . Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal werkw. een bijzondere behandeling voor de qal imperf. . Dit is het geval voor ons werkw. . In het imperf. gaat een medeklinker vooraf aan de aleph . De aleph quiesceert : ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b) . In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o : jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c) . De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b) . In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a : jomur -> jomar (i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012 , 15g) . In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è , vandaar wajjo´mèr . (Zie ook Jouön , 73) .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . λεγω = legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . In 9 verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,29 . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

    bijbel OT LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  act. ind. aor. 3de p. enk. eipen  3024  2426  2275 + 151 684 985 234 63 309 378 9 149 15 98 44 598  118  56  223  114  75  397  511 

- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . Aramees : קְרָא = qërâ´ (roepen) . D. : sagen (zeggen) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere . l (قَالَ = qâla) en r (קְרָא = qâra) liggen dicht bij elkaar . Orgaan van roepen is de stem ; zie Hebreeuws :קוֹל = qôl (stem, roep) . Taalgebruik in Tenakh : qôl (stem) .
- In het werkw. אָמַר = ´âmar (zeggen) zit het woord אְמ = ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .

Gn 1,9.2. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalswaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (299) . Pentateuch (216) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (16) . Gn (140) . Ex (31) . Lv (0) . Nu (7) . Dt (29) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- Grieks . θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen : goden . Als collectief zouden we kunnen vertalen : god . Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden . Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn .
- De Godsnaam יהוה = JHWH wordt veelvuldiger dan de naam אֱלֹהִים = ´èlohîm (god) gebruikt . Vergelijk maar : יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Ex (299) . Lv (199) . Nu (287) . Dt (413) . In Gn : ´èlohîm (god) (140) , de Godsnaam JHWH (128) , vooral in Gn 1-25 .

    Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt
  ´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 26 (31X) 31 0 7 29
  JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 0 299 199 287 413

- De woorden אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) en אֵל = ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalswaarde van אֵל = ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1

Gn 1,9.1. - 2. וַיִּקְרָא אֱלֹהִים = wajjiqërâ´ ´èlohîm (en God riep) . Tenakh (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים = wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . Gn 1 (9) : Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) .
- και εκαλεσεν ὁ θεος = kai ekalesen ho theos (en God riep) . Bijbel (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
- και ειπεν ὁ θεος = kai eipen ho theos (en God zei) . Bijbel (28) . Gn 1 (9) : Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,28 . (9) Gn 1,29 .

Gn 1,9.3. passief nifal imperf. 3de pers. mann. mv. יִקָּווּ = jiqqâwû (zij worden verzameld) van het werkw. קָוָה = qâwâh (nifal: verzamelen) . Taalgebruik in Tenakh : qâwâh (nifal: verzamelen) . Getalswaarde : qoph = 19 of 100 , waw = 6 , he = 5 ; totaal : 30 ( 5 X 6) OF 111 . Structuur : 1 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (1) : Gn 1,9 .

Gn 1,9.4. הַמָּיִם = hammajim (de wateren) < bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfstandig naamw. מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Getalswaarde : mem = 13 of 40 , jod = 10 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5) . Structuur : 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (85) . Pentateuch (45) . Eerdere Profeten (23) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (12) . Gn (28) . Gn 1 (8) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,9 . (5) Gn 1,10 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,21 . (8) Gn 1,22 .
- Grieks : zelfst. naamw. nom. onz. enk. ὑδωρ = hudôr (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Taalgebruik in de LXX : hudôr (water) . LXX (313) . Pentateuch (95) . Gn (29) . Gn 1 (1) : Gn 1,9 .

  hudôr (water)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. + acc. onz. enk. hudôr   313  292  21    10  13   
  totaal 666  596  70  19  10  17  18  37 

- Ned. : water . Arabisch : مَأء = mâh (water) . Taalgebruik in de Qoran : mâh (water) . D. : Wasser . E. : water . Fr. : eau . Grieks : ὑδωρ = hudôr (water) . Hebreeuws : מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Lat. : aqua .

Gn 1,9.10. וְתִרָאֶה = wëtherâ´èh (en dat gezien worde) < prefix voegwoord wë + passief nifal imperf. jussief 3de pers. vr. enk. van het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 of 206 . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Lettinga 12, 2012 , 58no . Tenakh (1) : Gn 1,9 .

Gn 1,9.11. הַיַּבָּשָׁה = jabbâsjâh (het droog land, het land, het droge) < prefix bepaald lidw. + zelfst. naamw. . Zie het werkw. יָבַשׁ = jâbasj (droog worden of zijn , verdorren) . Taalgebruik in Tenakh : jâbasj (droog worden of zijn , verdorren) . Getalswaarde : jod = 10 , beth = 2 , sjin = 21 of 300 ; totaal : 33 OF 312 . Structuur : 1 - 2 - 3 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (5) : (1) Gn 1,9 . (2) Ex 4,9 . (3) Jon 1,9 . (4) Jon 1,13. (5) Jon 2,11 .

Gn 1,9.12. prefix voegwoord wa consecutivum (verhalend) + act. qal jigtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalswaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalswaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalswaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,31 .
- De 3 medekl. van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam יהוה = JHWH .
- In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) .
- Grieks : ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . LXX (730) . NT (195) . Gn (107) . ) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... zoals vele verhalen bij ons beginnen) . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : וַיְהִי כֵן = wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 και εγενετο οὑτως = kai egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt וַיְהִי = wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door εγενετο = egeneto (het gebeurde) .

ginomai (worden, gebeuren)  bijbel Tenach OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
aor. 3de pers. enk. egeneto  925  wajëhî : 784 730  195  13  17  69  16  53    17  99  115 
Totaal 2841   2174 667 75 55 129 51 124   38 259 310

- και εγενετο = kai egeneto (en het gebeurde) . LXX (560) . NT (62) .
- εγενετο δε = egeneto de (het gebeurde echter) . LXX () . NT (40) .

Gn 1,9.13. כֵן = khen (zo) . Taalgebruik in Tenakh : khen (zo) . Getalswaarde : kaph = 11 of 20 , nun = 14 of 50 ; totaal : 25 (5²) OF 70 (2 X 5 X 7) . Structuur : 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (514) . Pentateuch (156) . Eerdere Profeten (109) . Latere Profeten (109) . 12 Kleine Profeten (25) . Geschriften (115) . Gn (48) . Gn 1 (6) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,9 . (3) Gn 1,11 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,24 . (6) Gn 1,30 .
- Grieks : οὑτως = houtôs (op die wijze, zo) . Taalgebruik in het NT : houtos (zo) . Taalgebruik in de LXX : houtos (zo) .

houtôs (zo)   bijbel LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  907  599 + 109 127 119 194 21 138 31 35 8 34 19 708  199  32  10  21  14  26  90  63  77 

- Ned. : zo . D. : so . E. : thus . Fr. ainsi < ains - si . ains (ante) -> antius sic . Grieks : οὑτως = houtôs (op die wijze, zo) . Taalgebruik in het NT : houtos (zo) . Hebreeuws : כֵן = khen (zo) . Taalgebruik in Tenakh : khen (zo) . Lat. : sic .

Gn 1,9.12. - 13. וַיְהִי כֵן = wajëhî khen (en het was zo) . Tenakh (9) : Gn 1 (6) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,9 . (3) Gn 1,11 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,24 . (6) Gn 1,30 .
- και εγενετο οὑτως = kai egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Bijbel (12) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,6 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,15 . (6) Gn 1,24 . (7) Gn 1,30 .


Gn 1,10 - Gn 1,10 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10kai ekalesen o theos tèn xèran gèn kai ta sustèmata tôn udatôn ekalesen thalassas kai eiden o theos oti kalon  10 et vocavit Deus aridam terram congregationesque aquarum appellavit maria et vidit Deus quod esset bonum     10 En God noemde het droge aarde, en de vergadering der wateren noemde Hij zeeen; en God zag, dat het goed was.  [10] Het droge noemde God land, en het samengevloeide water noemde Hij zee. En God zag dat het goed was.   [10] Het droge noemde hij aarde, het samengestroomde water noemde hij zee. En God zag dat het goed was.   10 God roept tot het droge ‘aarde’ en tot de ophoping van de wateren heeft hij geroepen ‘zeeën’; God ziet het aan: ja, het is goed!  10. Dieu appela le continent terre et la masse des eaux mers, et Dieu vit que cela était bon.  

King James Bible . [10] And God called the dry land Earth; and the gathering together of the waters called he Seas: and God saw that it was good.
Luther-Bibel . 10 Und Gott nannte das Trockene Erde, und die Sammlung der Wasser nannte er Meer. Und Gott sah, dass es gut war.

Tekstuitleg van Gn 1,10 . Het vers Gn 1,10 telt 12 (2² X 3) en 49 (7²) woorden . De getalswaarde van Gn 1,10 is 2074 (2 X 17 X 61) .

Gn 1,10.1. וַיִּקְרָא = wajjiqërâ´ (en hij riep, hij heet, hij noemde) < prefix waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord קָרָא = qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalswaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. εκαλεσεν = ekalesen (hij riep) van het werkw. καλεω = kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . Een vorm van καλεω = kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .

kaleô (roepen) actief bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev. P. A. b.
act. ind. aor. 3de pers. enk. ekalesen 204 195 9 3 1 1     4   5  

- Ned. : roepen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . Aramees : קְרָא =qërâ´ (roepen) . D. : rufen . E. : to call . Fr. : appeler (Lat. . appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Grieks : καλεω = kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Hebreeuws : קָרָא = qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Lat. : vocare (vox = stem) . l (qâla) en r (qâra) liggen dicht bij elkaar . Orgaan van roepen is de stem ; zie Hebreeuws :קוֹל = qôl (stem, roep) . Taalgebruik in Tenakh : qôl (stem) .

Gn 1,10.2. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalswaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (299) . Pentateuch (216) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (16) . Gn (140) . Ex (31) . Lv (0) . Nu (7) . Dt (29) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- Grieks . θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen : goden . Als collectief zouden we kunnen vertalen : god . Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden . Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn .
- De Godsnaam יהוה = JHWH wordt veelvuldiger dan de naam אֱלֹהִים = ´èlohîm (god) gebruikt . Vergelijk maar : יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Ex (299) . Lv (199) . Nu (287) . Dt (413) . In Gn : ´èlohîm (god) (140) , de Godsnaam JHWH (128) , vooral in Gn 1-25 .

    Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt
  ´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 26 (31X) 31 0 7 29
  JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 0 299 199 287 413

- De woorden אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) en אֵל = ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalswaarde van אֵל = ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,10.1. - 2. וַיִּקְרָא אֱלֹהִים = wajjiqërâ´ ´èlohîm (en God riep) . Tenakh (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים = wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . Gn 1 (9) : Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) .
- και εκαλεσεν ὁ θεος = kai ekalesen ho theos (en God riep) . Bijbel (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
- και ειπεν ὁ θεος = kai eipen ho theos (en God zei) . Bijbel (28) . Gn 1 (9) : Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,28 . (9) Gn 1,29 .

Gn 1,10.3. לַיַּבָּשָׁה = lajjabbâsjâh (tot het droge) < prefix voorzetsel lë + prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. . Zie het werkw. יָבַשׁ = jâbasj (droog worden of zijn , verdorren) . Taalgebruik in Tenakh : jâbasj (droog worden of zijn , verdorren) . Getalswaarde : jod = 10 , beth = 2 , sjin = 21 of 300 ; totaal : 33 OF 312 . Structuur : 1 - 2 - 3 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (1) : Gn 1,10 .

4. אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalswaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (453) . Pentateuch (117) . Eerdere Profeten (54) . Latere Profeten (130) . 12 Kleine Profeten (34) . Geschriften (118) . Joz (19) . Re (7) . 1 S (10) . 2 S (5) . 1 K (8) . 2 K (5) . Gn (38) . Gn 1 (2) : (1) Gn 1,10 . (2) Gn 1,24 .
- Gr. γη = gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Een vorm van γη = gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) .

  gè  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. + dat. vr. enk gè(i) 771  736  35  10    15  15 

- Ned. : aarde . Aramees : אַרְעָא = ´arë`â´ (aarde, land, grond, veld) . Arabisch : أرض =´arD (aarde) . D. : Welt . E. : earth . Fr. : terre . Grieks : γη = gè (aarde, land) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Hebreeuws : אֶרֶץ =´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Lat. : terra .

Gn 1,10.5. וּלְמִקְוֵה = ûlëmiqweh (en tot de verzameling) < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel lë + zelfst. naamw. מִקְוֵה = miqweh (verzameling) . Zie het werkw. קָוָה = qâwâh (nifal: verzamelen) . Taalgebruik in Tenakh : qâwâh (nifal: verzamelen) . Getalswaarde : qoph = 19 of 100 , waw = 6 , he = 5 ; totaal : 30 ( 5 X 6) OF 111 . Structuur : 1 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 3 .

Gn 1,10.6. הַמָּיִם = hammajim (de wateren) < bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfstandig naamw. מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Getalswaarde : mem = 13 of 40 , jod = 10 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5) . Structuur : 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (85) . Pentateuch (45) . Eerdere Profeten (23) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (12) . Gn (28) . Gn 1 (8) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,9 . (5) Gn 1,10 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,21 . (8) Gn 1,22 .
- Grieks : gen. onz. mv. ὑδατων = hudatôn van het zelfst. naamw. ὑδωρ = hudôr (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Taalgebruik in de LXX : hudôr (water) . LXX (56) . Pentateuch (6) . Gn (1) : Gn 1,10 .

  hudôr (water)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
5 gen. onz. mv. hudatôn   56  45  11              11         
  totaal 666  596  70  19  10  17  18  37 

- Ned. : water . Arabisch : مَأء = mâh (water) . Taalgebruik in de Qoran : mâh (water) . D. : Wasser . E. : water . Fr. : eau . Grieks : ὑδωρ = hudôr (water) . Hebreeuws : מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Lat. : aqua .

Gn 1,10.10. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalswaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (299) . Pentateuch (216) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (16) . Gn (140) . Ex (31) . Lv (0) . Nu (7) . Dt (29) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- Grieks . θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen : goden . Als collectief zouden we kunnen vertalen : god . Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden . Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn .
- De Godsnaam יהוה = JHWH wordt veelvuldiger dan de naam אֱלֹהִים = ´èlohîm (god) gebruikt . Vergelijk maar : יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Ex (299) . Lv (199) . Nu (287) . Dt (413) . In Gn : ´èlohîm (god) (140) , de Godsnaam JHWH (128) , vooral in Gn 1-25 .

    Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt
  ´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 26 (31X) 31 0 7 29
  JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 0 299 199 287 413

- De woorden אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) en אֵל = ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalswaarde van אֵל = ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,10.9. w-j-r` . (1) act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud וַיַּרְא = wajjarë´ (en hij zag) ; (2) passief nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud וַיֵּרָא = wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) van het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Taalgebruik in Genesis : râ´âh (zien) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 (2 X 13) of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (19) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 .
- Grieks : ὁραω = horaô (zien) . Taalgebruik in het NT : horaô (zien) . Taalgebruik in de Septuaginta : horaô (zien) . Een vorm van ὁραω = horaô (zien, verschijnen) in het NT (114) , in de LXX (1539) .
- Ned. : zien . Arabisch : رَاهَ = ra´â (zien) . Taalgebruik in de Qoran : ra´â (zien) . D. : sehen , schauen . E. : to see . Fr. : voir . Gr. : ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) . Hebreeuws : רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Lat. : videre .
- In het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) zien we 2 medeklinkers van het woord אוֹר = ´ôr (licht) nl. de resj en de aleph . Het Hebreeuwse אוֹר = ´ôr (licht) en het begin van het Griekse werkw. ὁραω = horaô (zien) zijn ongeveer gelijkluidend .

Gn 1,10.10. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalswaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (299) . Pentateuch (216) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (16) . Gn (140) . Ex (31) . Lv (0) . Nu (7) . Dt (29) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- Grieks . θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen : goden . Als collectief zouden we kunnen vertalen : god . Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden . Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn .
- De Godsnaam יהוה = JHWH wordt veelvuldiger dan de naam אֱלֹהִים = ´èlohîm (god) gebruikt . Vergelijk maar : יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Ex (299) . Lv (199) . Nu (287) . Dt (413) . In Gn : ´èlohîm (god) (140) , de Godsnaam JHWH (128) , vooral in Gn 1-25 .

    Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt
  ´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 26 (31X) 31 0 7 29
  JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 0 299 199 287 413

- De woorden אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) en אֵל = ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalswaarde van אֵל = ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,10.9. - 10. וַיַּרְא אֱלֹהִים = wajjarë´ ´èlohîm (en God zag) . Tenakh (9) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . (8) Gn 6,12 . (9) Ex 2,2 .
- Grieks : και ειδεν ὁ θεος = kai eiden ho theos (en God zag) . Bijbel (9) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 . (4) Gn 1,12 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 1,21 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,31 . (9) Jon 3,10 .

Gn 1,10.12. טוֹב = tôbh (goed) . Taalgebruik in Tenakh : tôbh (goed) . Getalswaarde : tet = 9 , waw = 6 , beth = 2 ; totaal : 17 . Structuur : 9 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (290) . Pentateuch (38) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (23) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (166) . Gn (23) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . (8) Gn 2,9 . (9) Gn 2,12 . (10) Gn 2,17 . (11) Gn 2,18 . (12) Gn 3,5 . (13) Gn 3,6 . (14) Gn 3,22 . (15) Gn 24,10 . (16) Gn 24,50 . (17) Gn 26,29 . (18) Gn 29,19 . (19) Gn 30,20 . (20) Gn 40,16 . (21) Gn 45,18 . (22) Gn 45,20 . (23) Gn 49,15 .
- Grieks : αγαθος = agathos . Taalgebruik in het NT : agathos (goed) . Taalgebruik in de LXX : agathos (goed) .
- Grieks : nom. onz. enk. + acc. mann. en onz. enk. καλον = van het bijvoegl. naamw. καλος = kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in het NT : kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in de LXX : kalos (goed, mooi, schoon) . LXX (125) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 . (4) Gn 1,12 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 2,9 . (7) Gn 2,12 . (8) Gn 2,17 . (9) Gn 2,18 . (10) Gn 3,5 . (11) Gn 3,6 . (12) Gn 3,22 . (13) Gn 18,7 . (14) Gn 30,20 . (15) Gn 49,14 .

kalos (goed) bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev. P. A. b.
nom. + acc. onz. enk. + acc. mann. enk. kalon 125 75 50 13 9 5 1   22   27 28 20 2

- Ned. : goed . Arabisch : طَيَّبٌ = thajjab (goed) . Taalgebruik in de Qoran : thajjab (goed) . Aramees : טַב = tabh (goed) . D. : gut . E. : good . Fr. : bijvoegl. naamw. : bon / bijw. : bien . Gr. : αγαθος = agathos . Taalgebruik in het NT : agathos (goed) . Hebreeuws : טוֹב = tôbh (goed) . Taalgebruik in Tenakh : tôbh (goed) . Lat. : bijvoegl. naamw. : bonus / bijw. : bene .


Gn 1,11 - Gn 1,11 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11kai eipen o theos blastèsatô è gè botanèn chortou speiron sperma kata genos kai kath' omoiotèta kai xulon karpimon poioun karpon ou to sperma autou en autô kata genos epi tès gès kai egeneto outôs  11 et ait germinet terra herbam virentem et facientem semen et lignum pomiferum faciens fructum iuxta genus suum cuius semen in semet ipso sit super terram et factum est ita wajj´omèr ´èlohîm  11 En God zeide: Dat de aarde uitschiete grasscheutjes, kruid zaadzaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, welks zaad daarin zij op de aarde! En het was alzo.  [11] En God zei: ‘Het land moet zich tooien met jong groen gras, zaadvormend gewas en vruchtbomen die ieder naar zijn soort hun vruchten dragen, met zaad erin.’ Zo gebeurde het.   [11] God zei: ‘Overal op aarde moet jong groen ontkiemen: zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten dragen met zaad erin.’ En zo gebeurde het.   11 Dan zegt God: laat de aarde groen doen groeien, een gewas dat zaad zaait, een vruchtdragend geboomte dat vruchten maakt naar zijn soort met daarin zijn zaad over de aarde!– en zo komt het tot stand.   11. Dieu dit : Que la terre verdisse de verdure : des herbes portant semence et des arbres fruitiers donnant sur la terre selon leur espèce des fruits contenant leur semence et il en fut ainsi. 

King James Bible . [11] And God said, Let the earth bring forth grass, the herb yielding seed, and the fruit tree yielding fruit after his kind, whose seed is in itself, upon the earth: and it was so.
Luther-Bibel . 11 Und Gott sprach: Es lasse die Erde aufgehen Gras und Kraut, das Samen bringe, und fruchtbare Bäume auf Erden, die ein jeder nach seiner Art Früchte tragen, in denen ihr Same ist. Und es geschah so.

Tekstuitleg van Gn 1,11 . Het vers Gn 1,11 telt 20 (2² X 5) woorden en 69 (3 X 23) letters . De getalswaarde van Gn 1,11 is 5165 (5 X 1033) .

Gn 1,11.1. וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordsvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. -m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) .Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalswaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 .
- Lettinga 12, 2012, 53c2 : Het werkw. begint met een aleph . Het is een gutturaal , maar de zwakste van de gutturalen . Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal werkw. een bijzondere behandeling voor de qal imperf. . Dit is het geval voor ons werkw. . In het imperf. gaat een medeklinker vooraf aan de aleph . De aleph quiesceert : ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b) . In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o : jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c) . De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b) . In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a : jomur -> jomar (i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012 , 15g) . In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è , vandaar wajjo´mèr . (Zie ook Jouön , 73) .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . λεγω = legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . In 9 verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,29 . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

    bijbel OT LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  act. ind. aor. 3de p. enk. eipen  3024  2426  2275 + 151 684 985 234 63 309 378 9 149 15 98 44 598  118  56  223  114  75  397  511 

- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . Aramees : קְרָא = qërâ´ (roepen) . D. : sagen (zeggen) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere . l (قَالَ = qâla) en r (קְרָא = qâra) liggen dicht bij elkaar . Orgaan van roepen is de stem ; zie Hebreeuws :קוֹל = qôl (stem, roep) . Taalgebruik in Tenakh : qôl (stem) .
- In het werkw. אָמַר = ´âmar (zeggen) zit het woord אְמ = ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .

Gn 1,11.2. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalswaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (299) . Pentateuch (216) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (16) . Gn (140) . Ex (31) . Lv (0) . Nu (7) . Dt (29) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- Grieks . θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen : goden . Als collectief zouden we kunnen vertalen : god . Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden . Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn .
- De Godsnaam יהוה = JHWH wordt veelvuldiger dan de naam אֱלֹהִים = ´èlohîm (god) gebruikt . Vergelijk maar : יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Ex (299) . Lv (199) . Nu (287) . Dt (413) . In Gn : ´èlohîm (god) (140) , de Godsnaam JHWH (128) , vooral in Gn 1-25 .

    Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt
  ´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 26 (31X) 31 0 7 29
  JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 0 299 199 287 413

- De woorden אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) en אֵל = ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalswaarde van אֵל = ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,11.1. - 2. וַיִּקְרָא אֱלֹהִים = wajjiqërâ´ ´èlohîm (en God riep) . Tenakh (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים = wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . Gn 1 (9) : Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) .
- και εκαλεσεν ὁ θεος = kai ekalesen ho theos (en God riep) . Bijbel (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
- και ειπεν ὁ θεος = kai eipen ho theos (en God zei) . Bijbel (28) . Gn 1 (9) : Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,28 . (9) Gn 1,29 .

Gn 1,11.3. act. hifil imperf. jussief 3de pers. vr. enk. תַּדְשֵׁא = thadësje´ (dat zij gewas voortbrenge) van het werkw. דָשָׁא = dâsjâ´ (qal: opschieten van gewas; hifil: gewas voortbrengen) . Taalgebruik in Tenakh : dâsjâ´ (qal: opschieten van gewas; hifil: gewas voortbrengen) . Getalswaarde : daleth = 4 , sjin = 21 of 300 , aleph = 1 ; totaal : 26 OF 305 . Structuur : 4 - 3 - 1 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (1) : Gn 1,11 .

Gn 1,11.4. הָאָרֶץ = hâ´ârèts (de aarde) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalswaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
- וְהָאָרֶץ = wëhâ´ârèts (en de aarde) < prefix voegwoord wë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֶרֶץ =´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalswaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (38) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (4) . Pentateuch (10) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 2,1 . (3) Gn 2,4 . (4) Gn 34,10 . (5) Gn 34,21 . (6) Lv 25,23 . (7) Lv 26,42 . (8) Lv 26,43 . (9) Dt 11,11 . (10) Dt 28,23 .
- Grieks. nom. + dat. vr. enk. γη / γῃ = gè / gè(i) (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Een vorm van γη = gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) , in Gn 1 (16) . .
- Ned. : aarde . Arabisch : أَرْض = ´arD (aarde) . Taalgebruik in de Qoran : ´arD (aarde) . Aramees : אֲרְעַ = ´ärë`a (aarde) . D. : Erde . E. : earth . Fr. : terre . Grieks : γη = gè (aarde, land) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Hebreeuws : אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Italiaans : terra . Lat. : terra . Spaans : tierra . Syrisch : ´ar`o (aarde) .

Gn 1,11.5. דֶּשֶׁא = dèsjè´ (gewas, jong groen, gras) . Zie het werkw. דָשָׁא = dâsjâ´ (qal: opschieten van gewas; hifil: gewas voortbrengen) . Taalgebruik in Tenakh : dâsjâ´ (qal: opschieten van gewas; hifil: gewas voortbrengen) . Getalswaarde : daleth = 4 , sjin = 21 of 300 , aleph = 1 ; totaal : 26 OF 305 . Structuur : 4 - 3 - 1 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (13) . Gn (2) : (1) Gn 1,11 . (2) Gn 1,12 .

Gn 1,11.6. עֵשֶׂב = `eshèbh (kruid) . Taalgebruik in Tenakh : `eshèbh (kruid) . Getalswaarde : ajin = 16 of 70 , shin = 21 of 300 , beth = 2 ; totaal : 39 OF 372 . Structuur : 7 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (24) . Gn 1 (4) : (1) Gn 1,11 . (2) Gn 1,12 . (3) Gn 1,29 . (4) Gn 1,30 .

Gn 1,11.13. לְמִינוֹ = lëmînô (naar zijn soort) < prefix lë + zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Zie : מִין= mîn (soort, aard) . Taalgebruik in Tenakh : mîn (soort, aard) . Getalswaarde : mem = 13 of 40 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 37 OF 100 . Structuur : 4 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (4) : (1) Gn 1,11 .(2) Lv 11,15 . (3) Lv 11,22 . (4) Dt 14,14 .
- לְמִינֵהוּ = lëmînehû (naar zijn soort) < prefix lë + zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Zie : מִין= mîn (soort, aard) . Taalgebruik in Tenakh : mîn (soort, aard) . Getalswaarde : mem = 13 of 40 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 37 OF 100 . Structuur : 4 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (9) : (1) Gn 1,12 . (2) Gn 1,21 . (3) Gn 1,25 . (4) Gn 6,20 . (5) Gn 7,14 . (6) Lv 11,16 . (7) Lv 11,22 . (8) Lv 11,29 . (9) Dt 14,15 .
- לְמִינָהּ = lëmînâh (naar 'haar' soort) < prefix voorzetsel lë + zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. vr. enk. . Zie het zelfst. naamw. מִין = mîn (soort, aard) . Taalgebruik in Tenakh : mîn (soort, aard) . Tenakh (9) : (1) Gn 1,24 . (2) Gn 1,25 . (3) Gn 6,20 . (4) Gn 7,14 . (5) Lv 11,14 . (6) Lv 11,19 . (7) Dt 14,13 . (8) Dt 14,18 . (9) Ez 47,10 .

Gn 1,11.18. הָאָרֶץ = hâ´ârèts (de aarde) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalswaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
- וְהָאָרֶץ = wëhâ´ârèts (en de aarde) < prefix voegwoord wë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֶרֶץ =´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalswaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (38) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (4) . Pentateuch (10) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 2,1 . (3) Gn 2,4 . (4) Gn 34,10 . (5) Gn 34,21 . (6) Lv 25,23 . (7) Lv 26,42 . (8) Lv 26,43 . (9) Dt 11,11 . (10) Dt 28,23 .
- Grieks. nom. + dat. vr. enk. γη / γῃ = gè / gè(i) (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Een vorm van γη = gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) , in Gn 1 (16) . .
- Ned. : aarde . Arabisch : أَرْض = ´arD (aarde) . Taalgebruik in de Qoran : ´arD (aarde) . Aramees : אֲרְעַ = ´ärë`a (aarde) . D. : Erde . E. : earth . Fr. : terre . Grieks : γη = gè (aarde, land) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Hebreeuws : אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Italiaans : terra . Lat. : terra . Spaans : tierra . Syrisch : ´ar`o (aarde) .

Gn 1,11.19. prefix voegwoord wa consecutivum (verhalend) + act. qal jigtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalswaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalswaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalswaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,31 .
- De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
- In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) .
- Grieks : ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . LXX (730) . NT (195) . Gn (107) . ) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... zoals vele verhalen bij ons beginnen) . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : וַיְהִי כֵן = wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 και εγενετο οὑτως = kai egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt וַיְהִי = wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door εγενετο = egeneto (het gebeurde) .

ginomai (worden, gebeuren)  bijbel Tenach OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
aor. 3de pers. enk. egeneto  925  wajëhî : 784 730  195  13  17  69  16  53    17  99  115 
Totaal 2841   2174 667 75 55 129 51 124   38 259 310

- και εγενετο = kai egeneto (en het gebeurde) . LXX (560) . NT (62) .
- εγενετο δε = egeneto de (het gebeurde echter) . LXX () . NT (40) .

Gn 1,11.20. כֵן = khen (zo) . Taalgebruik in Tenakh : khen (zo) . Getalswaarde : kaph = 11 of 20 , nun = 14 of 50 ; totaal : 25 (5²) OF 70 (2 X 5 X 7) . Structuur : 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (514) . Pentateuch (156) . Eerdere Profeten (109) . Latere Profeten (109) . 12 Kleine Profeten (25) . Geschriften (115) . Gn (48) . Gn 1 (6) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,9 . (3) Gn 1,11 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,24 . (6) Gn 1,30 .
- Grieks : οὑτως = houtôs (op die wijze, zo) . Taalgebruik in het NT : houtos (zo) . Taalgebruik in de LXX : houtos (zo) .

houtôs (zo)   bijbel LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  907  599 + 109 127 119 194 21 138 31 35 8 34 19 708  199  32  10  21  14  26  90  63  77 

- Ned. : zo . D. : so . E. : thus . Fr. ainsi < ains - si . ains (ante) -> antius sic . Grieks : οὑτως = houtôs (op die wijze, zo) . Taalgebruik in het NT : houtos (zo) . Hebreeuws : כֵן = khen (zo) . Taalgebruik in Tenakh : khen (zo) . Lat. : sic .

19. - 20. וַיְהִי כֵן = wajëhî khen (en het was zo) . Tenakh (9) : Gn 1 (6) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,9 . (3) Gn 1,11 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,24 . (6) Gn 1,30 .
- και εγενετο οὑτως = kai egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Bijbel (12) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,6 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,15 . (6) Gn 1,24 . (7) Gn 1,30 .


Gn 1,12 - Gn 1,12 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12kai exènegken è gè botanèn chortou speiron sperma kata genos kai kath' omoiotèta kai xulon karpimon poioun karpon ou to sperma autou en autô kata genos epi tès gès kai eiden o theos oti kalon  12 et protulit terra herbam virentem et adferentem semen iuxta genus suum lignumque faciens fructum et habens unumquodque sementem secundum speciem suam et vidit Deus quod esset bonum   12 En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiende naar zijn aard, en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was, naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.   [12] En uit het land schoot jong groen op, gras, zaadvormend gewas, in allerlei soorten, en bomen die ieder naar zijn soort hun vruchten droegen, met zaad erin. En God zag dat het goed was.  [12] De aarde bracht jong groen voort: allerlei zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten droegen met zaad erin. En God zag dat het goed was.   12 En de aarde brengt al wat groen is naar buiten, gewas dat zaad zaait naar zijn soort en geboomte dat vruchten maakt met daarin zijn zaad, naar zijn soort; God ziet het aan: ja, het is goed!  12. La terre produisit de la verdure : des herbes portant semence selon leur espèce, des arbres donnant selon leur espèce des fruits contenant leur semence, et Dieu vit que cela était bon.  

King James Bible . [12] And the earth brought forth grass, and herb yielding seed after his kind, and the tree yielding fruit, whose seed was in itself, after his kind: and God saw that it was good.
Luther-Bibel . 12 Und die Erde ließ aufgehen Gras und Kraut, das Samen bringt, ein jedes nach seiner Art, und Bäume, die da Früchte tragen, in denen ihr Same ist, ein jeder nach seiner Art. Und Gott sah, dass es gut war.

Tekstuitleg van Gn 1,12 . Het vers Gn 1,12 telt 18 (2 X 3²) woorden en 67 letters . De getalswaarde van Gn 1,12 is 4335 (3 X 5 X 17²) .

Gn 1,12.1. act. hifil imperf. 3de pers. vr. enk. jussief תוֹצֵא = thôtse`(dat zij doet uitgaan) van het werkw. יָצָא = jâtsa´ (uitgaan, uittrekken) . Taalgebruik in Tenakh : jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) . Taalgebruik in Ex : jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) . Getalswaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 90 , aleph = 1 ; totaal : 29 (priemgetal) OF 101 priemgetal . Structuur : 1 - 9 - 1 . De som van de elementen is telkens 2 . Bijbel (1) : Gn 1,24 .
- prefix waw + act. hifil imperf. 3de pers. vr. enk. וַתּוֹצֵא = waththôtse`(en zij deed uitgaan) . Tenakh (2) : (1) Gn 1,12 . (2) Rt 2,18 .
- act. imperat. aor. 3de pers. enk. εξαγαγετω = exagagetô (moge uitgaan) van het werkw. εξαγω = exagô (uitleiden, naar buiten leiden) < εξ = ex (uit) + αγω = agô (leiden, voeren) . Taalgebruik in het NT : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in de LXX : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Bijbel (2) : (1) Gn 1,20 . (2) Gn 1,24 . Een vorm van εξαγω = exagô (uitleiden, naar buiten leiden) in de LXX (221) , in het NT (12) . Syn. (2) . Ev. (3) .

Gn 1,12.2. הָאָרֶץ = hâ´ârèts (de aarde) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalswaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
- וְהָאָרֶץ = wëhâ´ârèts (en de aarde) < prefix voegwoord wë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֶרֶץ =´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalswaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (38) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (4) . Pentateuch (10) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 2,1 . (3) Gn 2,4 . (4) Gn 34,10 . (5) Gn 34,21 . (6) Lv 25,23 . (7) Lv 26,42 . (8) Lv 26,43 . (9) Dt 11,11 . (10) Dt 28,23 .
- Grieks. nom. + dat. vr. enk. γη / γῃ = gè / gè(i) (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Een vorm van γη = gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) , in Gn 1 (16) . .
- Ned. : aarde . Arabisch : أَرْض = ´arD (aarde) . Taalgebruik in de Qoran : ´arD (aarde) . Aramees : אֲרְעַ = ´ärë`a (aarde) . D. : Erde . E. : earth . Fr. : terre . Grieks : γη = gè (aarde, land) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Hebreeuws : אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Italiaans : terra . Lat. : terra . Spaans : tierra . Syrisch : ´ar`o (aarde) .

14. לְמִינוֹ = lëmînô (naar zijn soort) < prefix lë + zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Zie : מִין= mîn (soort, aard) . Taalgebruik in Tenakh : mîn (soort, aard) . Getalswaarde : mem = 13 of 40 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 37 OF 100 . Structuur : 4 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (4) : (1) Gn 1,11 .(2) Lv 11,15 . (3) Lv 11,22 . (4) Dt 14,14 .
- לְמִינֵהוּ = lëmînehû (naar zijn soort) < prefix lë + zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Zie : מִין= mîn (soort, aard) . Taalgebruik in Tenakh : mîn (soort, aard) . Getalswaarde : mem = 13 of 40 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 37 OF 100 . Structuur : 4 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (9) : (1) Gn 1,12 . (2) Gn 1,21 . (3) Gn 1,25 . (4) Gn 6,20 . (5) Gn 7,14 . (6) Lv 11,16 . (7) Lv 11,22 . (8) Lv 11,29 . (9) Dt 14,15 .
- לְמִינָהּ = lëmînâh (naar 'haar' soort) < prefix voorzetsel lë + zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. vr. enk. . Zie het zelfst. naamw. מִין = mîn (soort, aard) . Taalgebruik in Tenakh : mîn (soort, aard) . Tenakh (9) : (1) Gn 1,24 . (2) Gn 1,25 . (3) Gn 6,20 . (4) Gn 7,14 . (5) Lv 11,14 . (6) Lv 11,19 . (7) Dt 14,13 . (8) Dt 14,18 . (9) Ez 47,10 .

15. w-j-r` . (1) act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud וַיַּרְא = wajjarë´ (en hij zag) ; (2) passief nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud וַיֵּרָא = wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) van het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Taalgebruik in Genesis : râ´âh (zien) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 (2 X 13) of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (19) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 .
- Grieks : ὁραω = horaô (zien) . Taalgebruik in het NT : horaô (zien) . Taalgebruik in de Septuaginta : horaô (zien) . Een vorm van ὁραω = horaô (zien, verschijnen) in het NT (114) , in de LXX (1539) .
- Ned. : zien . Arabisch : رَاهَ = ra´â (zien) . Taalgebruik in de Qoran : ra´â (zien) . D. : sehen , schauen . E. : to see . Fr. : voir . Gr. : ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) . Hebreeuws : רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Lat. : videre .
- In het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) zien we 2 medeklinkers van het woord אוֹר = ´ôr (licht) nl. de resj en de aleph . Het Hebreeuwse אוֹר = ´ôr (licht) en het begin van het Griekse werkw. ὁραω = horaô (zien) zijn ongeveer gelijkluidend .

16. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalswaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (299) . Pentateuch (216) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (16) . Gn (140) . Ex (31) . Lv (0) . Nu (7) . Dt (29) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- Grieks . θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen : goden . Als collectief zouden we kunnen vertalen : god . Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden . Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn .
- De Godsnaam יהוה = JHWH wordt veelvuldiger dan de naam אֱלֹהִים = ´èlohîm (god) gebruikt . Vergelijk maar : יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Ex (299) . Lv (199) . Nu (287) . Dt (413) . In Gn : ´èlohîm (god) (140) , de Godsnaam JHWH (128) , vooral in Gn 1-25 .

    Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt
  ´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 26 (31X) 31 0 7 29
  JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 0 299 199 287 413

- De woorden אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) en אֵל = ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalswaarde van אֵל = ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

15. - 16. וַיַּרְא אֱלֹהִים = wajjarë´ ´èlohîm (en God zag) . Tenakh (9) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . (8) Gn 6,12 . (9) Ex 2,2 .
- Grieks : και ειδεν ὁ θεος = kai eiden ho theos (en God zag) . Bijbel (9) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 . (4) Gn 1,12 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 1,21 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,31 . (9) Jon 3,10 .

18. טוֹב = tôbh (goed) . Taalgebruik in Tenakh : tôbh (goed) . Getalswaarde : tet = 9 , waw = 6 , beth = 2 ; totaal : 17 . Structuur : 9 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (290) . Pentateuch (38) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (23) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (166) . Gn (23) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . (8) Gn 2,9 . (9) Gn 2,12 . (10) Gn 2,17 . (11) Gn 2,18 . (12) Gn 3,5 . (13) Gn 3,6 . (14) Gn 3,22 . (15) Gn 24,10 . (16) Gn 24,50 . (17) Gn 26,29 . (18) Gn 29,19 . (19) Gn 30,20 . (20) Gn 40,16 . (21) Gn 45,18 . (22) Gn 45,20 . (23) Gn 49,15 .
- Grieks : αγαθος = agathos . Taalgebruik in het NT : agathos (goed) . Taalgebruik in de LXX : agathos (goed) .
- Grieks : nom. onz. enk. + acc. mann. en onz. enk. καλον = van het bijvoegl. naamw. καλος = kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in het NT : kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in de LXX : kalos (goed, mooi, schoon) . LXX (125) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 . (4) Gn 1,12 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 2,9 . (7) Gn 2,12 . (8) Gn 2,17 . (9) Gn 2,18 . (10) Gn 3,5 . (11) Gn 3,6 . (12) Gn 3,22 . (13) Gn 18,7 . (14) Gn 30,20 . (15) Gn 49,14 .

kalos (goed) bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev. P. A. b.
nom. + acc. onz. enk. + acc. mann. enk. kalon 125 75 50 13 9 5 1   22   27 28 20 2

- Ned. : goed . Arabisch : طَيَّبٌ = thajjab (goed) . Taalgebruik in de Qoran : thajjab (goed) . Aramees : טַב = tabh (goed) . D. : gut . E. : good . Fr. : bijvoegl. naamw. : bon / bijw. : bien . Gr. : αγαθος = agathos . Taalgebruik in het NT : agathos (goed) . Hebreeuws : טוֹב = tôbh (goed) . Taalgebruik in Tenakh : tôbh (goed) . Lat. : bijvoegl. naamw. : bonus / bijw. : bene .


Gn 1,13 - Gn 1,13 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13kai egeneto espera kai egeneto prôi èmera tritè  13 factumque est vespere et mane dies tertius   13 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de derde dag.   [13] Het werd avond en het werd ochtend; dat was de derde dag.   [13] Het werd avond en het werd morgen. De derde dag.   13 Er komt een avond en er komt een ochtend: derde dag. •   13. Il y eut un soir et il y eut un matin : troisième jour.  

King James Bible . [13] And the evening and the morning were the third day.
Luther-Bibel . 13 Da ward aus Abend und Morgen der dritte Tag.

Tekstuitleg van Gn 1,13 . Het vers Gn 1,13 telt 6 (2 X 3) woorden en 22 (2 X 11) letters . De getalswaarde van Gn 1,13 is 1342 (2 X 11 X 61) . Met dit vers worden de eerste drie scheppingsdagen afgesloten .

1. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalswaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De getalswaarde van wajëhî (en hij was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalswaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  ind. aor. 3de pers. enk. egeneto  925  730  195  13  17  69  16  6   17  99  115 

3. prefix voegwoord wa consecutivum (verhalend) + act. qal jigtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalswaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalswaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalswaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,31 .
- De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
- In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) .
- Grieks : ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . LXX (730) . NT (195) . Gn (107) . ) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... zoals vele verhalen bij ons beginnen) . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : וַיְהִי כֵן = wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 και εγενετο οὑτως = kai egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt וַיְהִי = wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door εγενετο = egeneto (het gebeurde) .

ginomai (worden, gebeuren)  bijbel Tenach OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
aor. 3de pers. enk. egeneto  925  wajëhî : 784 730  195  13  17  69  16  53    17  99  115 
Totaal 2841   2174 667 75 55 129 51 124   38 259 310

- και εγενετο = kai egeneto (en het gebeurde) . LXX (560) . NT (62) .
- εγενετο δε = egeneto de (het gebeurde echter) . LXX () . NT (40) .

3. - 4. וַיְהִי עֶרֶב = wajëhî `èrèbh (en het werd avond) . Tenakh (6) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 .
- Grieks : και εγενετο ἑσπερα = kai egeneto hespera (en het werd avond) . Bijbel (7) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 . (7) Gn 29,23 .

Gn 1,14 - Gn 1,14 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14kai eipen o theos genèthètôsan fôstères en tô stereômati tou ouranou eis fausin tès gès tou diachôrizein ana meson tès èmeras kai ana meson tès nuktos kai estôsan eis sèmeia kai eis kairous kai eis èmeras kai eis eniautous  14 dixit autem Deus fiant luminaria in firmamento caeli ut dividant diem ac noctem et sint in signa et tempora et dies et annos   14 ¶ En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren!   [14] En God zei: ‘Er moeten lichten zijn aan het hemelgewelf, die de dag van de nacht zullen scheiden; zij moeten als tekens dienen, voor zowel de feesten als voor de dagen en de jaren, [14] God zei: ‘Er moeten lichten aan het hemelgewelf komen om de dag te scheiden van de nacht. Ze moeten de seizoenen aangeven en de dagen en de jaren,   14 ¶ Dan zegt God: kome er: lichten aan het gewelf van de hemel om scheiding aan te brengen tussen de dag en de nacht; komen moeten die er als tekenen en samenkomsttijden, voor dagen en jaren;   14. Dieu dit : Qu'il y ait des luminaires au firmament du ciel pour séparer le jour et la nuit; qu'ils servent de signes, tant pour les fêtes que pour les jours et les années; 

King James Bible . [14] And God said, Let there be lights in the firmament of the heaven to divide the day from the night; and let them be for signs, and for seasons, and for days, and years:
Luther-Bibel . 14 Und Gott sprach: Es werden Lichter an der Feste des Himmels, die da scheiden Tag und Nacht und geben Zeichen, Zeiten, Tage und Jahre

Tekstuitleg van Gn 1,14 . Het vers Gn 1,14 telt 16 (2² X 2²) woorden en 76 (2² X 19) letters . De getalswaarde van Gn 1,14 is 3744 (2² X 2³ X 3² X 13) . De 2de helft van de scheppingsweek begint .

Gn 1,14.1. וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordsvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. -m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) .Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalswaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 .
- Lettinga 12, 2012, 53c2 : Het werkw. begint met een aleph . Het is een gutturaal , maar de zwakste van de gutturalen . Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal werkw. een bijzondere behandeling voor de qal imperf. . Dit is het geval voor ons werkw. . In het imperf. gaat een medeklinker vooraf aan de aleph . De aleph quiesceert : ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b) . In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o : jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c) . De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b) . In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a : jomur -> jomar (i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012 , 15g) . In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è , vandaar wajjo´mèr . (Zie ook Jouön , 73) .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . λεγω = legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . In 9 verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,29 . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

    bijbel OT LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  act. ind. aor. 3de p. enk. eipen  3024  2426  2275 + 151 684 985 234 63 309 378 9 149 15 98 44 598  118  56  223  114  75  397  511 

- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . Aramees : קְרָא = qërâ´ (roepen) . D. : sagen (zeggen) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere . l (قَالَ = qâla) en r (קְרָא = qâra) liggen dicht bij elkaar . Orgaan van roepen is de stem ; zie Hebreeuws :קוֹל = qôl (stem, roep) . Taalgebruik in Tenakh : qôl (stem) .
- In het werkw. אָמַר = ´âmar (zeggen) zit het woord אְמ = ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .

Gn 1,14.2. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalswaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (299) . Pentateuch (216) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (16) . Gn (140) . Ex (31) . Lv (0) . Nu (7) . Dt (29) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- Grieks . θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen : goden . Als collectief zouden we kunnen vertalen : god . Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden . Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn .
- De Godsnaam יהוה = JHWH wordt veelvuldiger dan de naam אֱלֹהִים = ´èlohîm (god) gebruikt . Vergelijk maar : יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Ex (299) . Lv (199) . Nu (287) . Dt (413) . In Gn : ´èlohîm (god) (140) , de Godsnaam JHWH (128) , vooral in Gn 1-25 .

    Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt
  ´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 26 (31X) 31 0 7 29
  JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 0 299 199 287 413

- De woorden אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) en אֵל = ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalswaarde van אֵל = ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,14.1. - 2. וַיִּקְרָא אֱלֹהִים = wajjiqërâ´ ´èlohîm (en God riep) . Tenakh (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים = wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . Gn 1 (9) : Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) .
- και εκαλεσεν ὁ θεος = kai ekalesen ho theos (en God riep) . Bijbel (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
- και ειπεν ὁ θεος = kai eipen ho theos (en God zei) . Bijbel (28) . Gn 1 (9) : Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,28 . (9) Gn 1,29 .

Gn 1,14.3. act. qal jussief 3de pers. mann. enk. יְהִי = jëhî (het zij) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalswaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (49) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (27) . Gn (6) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 30,34 . (5) Gn 33,9 . (6) Gn 49,17 .
- In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . aor. imperat. 3de pers. mv. γενηθητωσαν = genèthètôsan (het weze/ het gebeure) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (7) . Gn (1) : Gn 1,14 .

Gn 1,14.1. - 3. וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים יְהִי = wajjo´mèr ´èlohîm jëhî (en God zei : het weze) . Bijbel (3) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,14 . Het spreken van God is tegelijkertijd een daad van God . Er is geen onderscheid tussen zeggen en doen . Het is één en al expressie . Het scheppend spreken en handelen is een gebeuren .

Gn 1,14.5. בִּרְקִיעַ = birëqîa` (in uitspansel, in gespante) . Taalgebruik in Tenakh : râqîa` (uitspansel) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , qoph = 19 of 100 , jod = 10 , `ajin = 16 of 70 ; totaal : 65 (5 X 13) OF 380 (20 X 19) . Structuur : 2 - 1 - 1 - 7 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (4) : (1) Gn 1,14 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,17 . (4) Ps 150,1 . Ned. : rekken -> strekken -> spannen (ge-span-te) -> uit-spannen (uit-spansel) .
- Lettinga 12 , 2012 , 11e : patach furtivum ; de uitspraak van de patach onder de `ajin wordt op het einde van een woord vóór de `ajin uitgesproken .
- dat. onz. enk. στερεωματι = stereômati (sterkte, kracht, uitspansel) . Taalgebruik in het NT : stereôma (sterkte, kracht, uitspansel) . Taalgebruik in de LXX : stereôma (sterkte, kracht, uitspansel) . LXX (6) . Gn (3) : (1) Gn 1,14 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,17 .

Gn 1,14.8. בֵּין = be(j)n (tussen) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) . Getalswaarde : beth = 2 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (165) . Pentateuch (61) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (24) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (25) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,14 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 9,16 . (7) Gn 10,12 . (8) Gn 13,3 . (9) Gn 13,7 . (10) Gn 15,17 . (11) Gn 16,14 . (12) Gn 20,1 . (13) Gn 31,37 . (14) Gn 32,17 . (15) Gn 49,14 .
-- וּבֵּין = ûbhe(j)n (en tussen) < waw + Tenakh (108) . Pentateuch (46) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (12) . Gn (20) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 3,15 . (6) Gn 9,12 . (7) Gn 9,13 . (8) Gn 9,15 . (9) Gn 9,16 . (10) Gn 9,17 . (11) Gn 10,12 . (12) Gn 13,3. (13) Gn 13,7 . (14) Gn 13,8 . (15) Gn 16,14 . (16) Gn 17,7 . (17) Gn 17,10 . (18) Gn 20,1 . (19) Gn 30,36 . (20) Gn 32,17 .

Gn 1,14.9. הַיּוֹם = hajjôm (de dag, vandaag) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Getalswaarde : jod = 10 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 OF 56 (2³ X 7) . Structuur : 1 - 6 - 4 . Tenakh (425) . Pentateuch (128) . Eerdere Profeten (160) . Latere Profeten (44) . 12 Kleine Profeten (9) . Geschriften (84) . Gn (29) . Gn 1 (2) : (1) Gn 1,14 . (2) Gn 1,16 .
- Grieks . gen. vr. enk. + acc. vr. mv. ἡμερας = hèmeras (dag / dagen) van het zelfst. naamw. ἡμερα = hèmera (dag) . Taalgebruik in de Septuaginta : hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Gn (41) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,14 (2X) . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,18 .

  hèmera (dag)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
2 gen. vr. enk. + acc. vr. mv hèmeras  799  575  224  13  11  14  40  126  12  38  46     

- Ned. : dag . Arabisch : يَوم = jaum (dag) . Taalgebruik in de Qoran : dag (jaum) . D. : Tag . E. : day . F. : jour < Lat. diurnum . Cfr journaal . Grieks : ἡμερα = hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Hebreeuws : יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Lat.: dies .

Gn 1,14.10. בֵּין = be(j)n (tussen) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) . Getalswaarde : beth = 2 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (165) . Pentateuch (61) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (24) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (25) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,14 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 9,16 . (7) Gn 10,12 . (8) Gn 13,3 . (9) Gn 13,7 . (10) Gn 15,17 . (11) Gn 16,14 . (12) Gn 20,1 . (13) Gn 31,37 . (14) Gn 32,17 . (15) Gn 49,14 .
-- וּבֵּין = ûbhe(j)n (en tussen) < waw + Tenakh (108) . Pentateuch (46) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (12) . Gn (20) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 3,15 . (6) Gn 9,12 . (7) Gn 9,13 . (8) Gn 9,15 . (9) Gn 9,16 . (10) Gn 9,17 . (11) Gn 10,12 . (12) Gn 13,3. (13) Gn 13,7 . (14) Gn 13,8 . (15) Gn 16,14 . (16) Gn 17,7 . (17) Gn 17,10 . (18) Gn 20,1 . (19) Gn 30,36 . (20) Gn 32,17 .


Gn 1,15 - Gn 1,15 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15kai estôsan eis fausin en tô stereômati tou ouranou ôste fainein epi tès gès kai egeneto outôs 15 ut luceant in firmamento caeli et inluminent terram et factum est ita   15 En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde! En het was alzo.  [15] en als lampen aan het hemelgewelf om de aarde te verlichten.’ Zo gebeurde het.   [15] en ze moeten dienen als lampen aan het hemelgewelf, om licht te geven op de aarde.’ En zo gebeurde het. 15 komen moeten ze als lichten aan het gewelf van de hemel om licht te brengen over de aarde!– en zo komt het tot stand.   15. qu'ils soient des luminaires au firmament du ciel pour éclairer la terre et il en fut ainsi.  

King James Bible . [15] And let them be for lights in the firmament of the heaven to give light upon the earth: and it was so.
Luther-Bibel . 15 und seien Lichter an der Feste des Himmels, dass sie scheinen auf die Erde. Und es geschah so.

Tekstuitleg van Gn 1,15 . Het vers Gn 1,15 telt 9 (3²) woorden en 37 letters . De getalswaarde van Gn 1,15 is 2224 (2² X 2² X 139) .

Gn 1,15.7. הָאָרֶץ = hâ´ârèts (de aarde) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalswaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
- וְהָאָרֶץ = wëhâ´ârèts (en de aarde) < prefix voegwoord wë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֶרֶץ =´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalswaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (38) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (4) . Pentateuch (10) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 2,1 . (3) Gn 2,4 . (4) Gn 34,10 . (5) Gn 34,21 . (6) Lv 25,23 . (7) Lv 26,42 . (8) Lv 26,43 . (9) Dt 11,11 . (10) Dt 28,23 .
- Grieks. nom. + dat. vr. enk. γη / γῃ = gè / gè(i) (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Een vorm van γη = gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) , in Gn 1 (16) . .
- Ned. : aarde . Arabisch : أَرْض = ´arD (aarde) . Taalgebruik in de Qoran : ´arD (aarde) . Aramees : אֲרְעַ = ´ärë`a (aarde) . D. : Erde . E. : earth . Fr. : terre . Grieks : γη = gè (aarde, land) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Hebreeuws : אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Italiaans : terra . Lat. : terra . Spaans : tierra . Syrisch : ´ar`o (aarde) .

Gn 1,15.8. prefix voegwoord wa consecutivum (verhalend) + act. qal jigtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalswaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalswaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalswaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,31 .
- De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
- In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) .
- Grieks : ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . LXX (730) . NT (195) . Gn (107) . ) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... zoals vele verhalen bij ons beginnen) . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : וַיְהִי כֵן = wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 και εγενετο οὑτως = kai egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt וַיְהִי = wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door εγενετο = egeneto (het gebeurde) .

ginomai (worden, gebeuren)  bijbel Tenach OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
aor. 3de pers. enk. egeneto  925  wajëhî : 784 730  195  13  17  69  16  53    17  99  115 
Totaal 2841   2174 667 75 55 129 51 124   38 259 310

- και εγενετο = kai egeneto (en het gebeurde) . LXX (560) . NT (62) .
- εγενετο δε = egeneto de (het gebeurde echter) . LXX () . NT (40) .

Gn 1,15.9. כֵן = khen (zo) . Taalgebruik in Tenakh : khen (zo) . Getalswaarde : kaph = 11 of 20 , nun = 14 of 50 ; totaal : 25 (5²) OF 70 (2 X 5 X 7) . Structuur : 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (514) . Pentateuch (156) . Eerdere Profeten (109) . Latere Profeten (109) . 12 Kleine Profeten (25) . Geschriften (115) . Gn (48) . Gn 1 (6) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,9 . (3) Gn 1,11 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,24 . (6) Gn 1,30 .
- Grieks : οὑτως = houtôs (op die wijze, zo) . Taalgebruik in het NT : houtos (zo) . Taalgebruik in de LXX : houtos (zo) .

houtôs (zo)   bijbel LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  907  599 + 109 127 119 194 21 138 31 35 8 34 19 708  199  32  10  21  14  26  90  63  77 

- Ned. : zo . D. : so . E. : thus . Fr. ainsi < ains - si . ains (ante) -> antius sic . Grieks : οὑτως = houtôs (op die wijze, zo) . Taalgebruik in het NT : houtos (zo) . Hebreeuws : כֵן = khen (zo) . Taalgebruik in Tenakh : khen (zo) . Lat. : sic .

8. - 9. וַיְהִי כֵן = wajëhî khen (en het was zo) . Tenakh (9) : Gn 1 (6) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,9 . (3) Gn 1,11 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,24 . (6) Gn 1,30 .
- και εγενετο οὑτως = kai egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Bijbel (12) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,6 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,15 . (6) Gn 1,24 . (7) Gn 1,30 .


Gn 1,16 - Gn 1,16 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
16kai epoièsen o theos tous duo fôstèras tous megalous ton fôstèra ton megan eis archas tès èmeras kai ton fôstèra ton elassô eis archas tès nuktos kai tous asteras  16 fecitque Deus duo magna luminaria luminare maius ut praeesset diei et luminare minus ut praeesset nocti et stellas   16 God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren.   [16] God maakte de twee grote lampen*, de grootste om over de dag te heersen, de kleinste om te heersen over de nacht, en Hij maakte ook de sterren.  [16] God maakte de twee grote lichten, het grootste om over de dag te heersen, het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de sterren.   16 God maakt de twee grote lichten: het grote licht voor het beheer van de dag, het kleine licht voor het beheer van de nacht, en ook de sterren.  16. Dieu fit les deux luminaires majeurs : le grand luminaire comme puissance du jour et le petit luminaire comme puissance de la nuit, et les étoiles. 

King James Bible . [16] And God made two great lights; the greater light to rule the day, and the lesser light to rule the night: he made the stars also.
Luther-Bibel . 16 Und Gott machte zwei große Lichter: ein großes Licht, das den Tag regiere, und ein kleines Licht, das die Nacht regiere, dazu auch die Sterne.

Tekstuitleg van Gn 1,16 . Het vers Gn 1,16 telt 18 (2 X 3²) woorden en 79 letters . De getalswaarde van Gn 1,16 is 5820 (2² X 3 X 5 X 97) .

Gn 1,16.1. וַיַּעַשׂ = wajja`ash (en hij maakte, en hij deed) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. עָשָׂה = `âshâh (maken, doen) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâh (maken) . Getalswaarde : ajin = 16 of 70 , shin = 21 of 300 , he = 5 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 375 (3 X 5³) . Structuur : 7 - 3 - 5 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (232) . Pentateuch (81) . Eerdere Profeten (86) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (55) . Gn (18) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,25 . (4) Gn 3,21 . (5) Gn 6,22 . (6) Gn 7,5 . (7) Gn 19,3 . (8) Gn 21,1 . (9) Gn 21,8 . (10) Gn 26,30 . (11) Gn 27,31 . (12) Gn 29,22 . (13) Gn 29,28 . (14) Gn 40,20 . (15) Gn 42,25 . (16) Gn 43,17 . (17) Gn 44,2 . (18) Gn 50,10 .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. εποιησεν = epoièsen (hij deed) van het werkw. ποιεω = poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in de LXX : poieô (doen, maken) . Bijbel (714) . OT (641) . NT (73) . Gn 1 (7 verzen , 9 vormen) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,16 . (4) Gn 1,21 . (5) Gn 1,25 . (6) Gn 1,27 (3X) . (7) Gn 1,31 . Een vorm van ποιεω = poieô (doen, maken) in de LXX (3390) , in het NT (565) .
- Ned. : scheppen . D. : (er)schaffen . Andere stamgroep : E. : to create . Fr. : créer . Italiaans : creare . Latijn : creare . Spaans : crear .
- Ned. : doen . Arabisch : عَمَلَ = `amala (werken) . Taalgebruik in de Qoran : `amala (werken . D. : tun . E. : do : Fr. : faire . Grieks : ποιεω = poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Hebreeuws : עָשָׂה = `âshâh (maken, doen) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâh (maken) . Lat. : facere .

Gn 1,16.2. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalswaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (299) . Pentateuch (216) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (16) . Gn (140) . Ex (31) . Lv (0) . Nu (7) . Dt (29) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- Grieks . θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen : goden . Als collectief zouden we kunnen vertalen : god . Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden . Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn .
- De Godsnaam יהוה = JHWH wordt veelvuldiger dan de naam אֱלֹהִים = ´èlohîm (god) gebruikt . Vergelijk maar : יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Ex (299) . Lv (199) . Nu (287) . Dt (413) . In Gn : ´èlohîm (god) (140) , de Godsnaam JHWH (128) , vooral in Gn 1-25 .

    Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt
  ´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 26 (31X) 31 0 7 29
  JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 0 299 199 287 413

- De woorden אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) en אֵל = ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalswaarde van אֵל = ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

1. - 2. בָרָא אֱלֹהִים = bârâ ´èlohîm (God schiep) . Tenakh ( 3) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 2,3 . (3) Dt 4,32 .
- וַיִּבְרָא אֱלֹהִים = wajjibhërâ´ ´èlohîm (en God schiep) . Tenakh (2) : (1) Gn 1,21 . (2) Gn 1,27 .
- וַיַּעַשׂ אֱלֹהִים = wajja`ash ´èlohîm (en God maakte . Tenakh (4) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,25 . (4) Re 6,40 .
- עֹשֶׂה יהוה = `âshâh JHWH (JHWH maakte) . Tenakh (27) . Pentateuch (14) : (1) Gn 3,1 . (2) Ex 13,8 . (3) Ex 14,31 . (4) Ex 18,8 . (5) Ex 18,9 . (6) Ex 20,11 . (7) Ex 31,17 . (8) Nu 33,4 . (9) Dt 3,21 . (10) Dt 4,3 . (11) Dt 7,18 . (12) Dt 24,9 . (13) Dt 29,1 . (14) Dt 29,23 . Js (1) Js 44,23 .
- כִּי שֵׁשֶׁת יָמִים עָשָֹה יהוה = kî sjesjèth jâmîm `âshâh JHWH (want gedurende zes dagen maakte JHWH) . Tenakh (2) : (1) Ex 20,11 . (2) Ex 31,17 .
- εποιησεν ὁ θεος = epoisen ho theos (God maakte) . LXX (18) . Gn 1 (6) . NT (3) .
- και εποιησεν ὁ θεος = kai epoièsen ho theos (en God maakte) . Bijbel (7) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,27 . (6) Re 6,40 . (7) Est 10,3 .

Gn 1,16.3. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalswaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 .
- וְאֶת / וְאִת = wë´èth / wë´eth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalswaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

Gn 1,16.7. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalswaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 .
- וְאֶת / וְאִת = wë´èth / wë´eth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalswaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

Gn 1,16.11. הַיּוֹם = hajjôm (de dag, vandaag) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Getalswaarde : jod = 10 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 OF 56 (2³ X 7) . Structuur : 1 - 6 - 4 . Tenakh (425) . Pentateuch (128) . Eerdere Profeten (160) . Latere Profeten (44) . 12 Kleine Profeten (9) . Geschriften (84) . Gn (29) . Gn 1 (2) : (1) Gn 1,14 . (2) Gn 1,16 .
- Grieks . gen. vr. enk. + acc. vr. mv. ἡμερας = hèmeras (dag / dagen) van het zelfst. naamw. ἡμερα = hèmera (dag) . Taalgebruik in de Septuaginta : hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Gn (41) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,14 (2X) . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,18 .

  hèmera (dag)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
2 gen. vr. enk. + acc. vr. mv hèmeras  799  575  224  13  11  14  40  126  12  38  46     

- Ned. : dag . Arabisch : يَوم = jaum (dag) . Taalgebruik in de Qoran : dag (jaum) . D. : Tag . E. : day . F. : jour < Lat. diurnum . Cfr journaal . Grieks : ἡμερα = hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Hebreeuws : יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Lat.: dies .

Gn 1,16.12. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalswaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 .
- וְאֶת / וְאִת = wë´èth / wë´eth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalswaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

Gn 1,16.18. הַכּוֹכָבִם = hakkôkhâbhîm (de sterren) < prefix bepaald lidwoord ha + zelfst. naamw. mann. mv. . Zie כוֹכָב = kôkhâbh (ster) . Taalgebruik in Tenakh : kôkhâbh (ster) . Getalswaarde : kaph = 11 of 20 ; waw = 6 , beth = 2 . Totaal : 30 (5 X 6) OF 48 (2² X 2² X 3) . Structuur : 2 - 6 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (6) : (1) Gn 1,16 . (2) Gn 15,5 . (3) Dt 4,19 . (4) Re 5,20 . (5) Da 8,10 . (6) Neh 4,15 .


Gn 1,17 - Gn 1,17 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
17kai etheto autous o theos en tô stereômati tou ouranou ôste fainein epi tès gès  17 et posuit eas in firmamento caeli ut lucerent super terram    17 En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.   [17] God gaf ze een plaats aan het hemelgewelf om de aarde te verlichten,  [17] Hij plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde,   17 God geeft ze aan het gewelf van de hemel om licht te brengen over de aarde,   17. Dieu les plaça au firmament du ciel pour éclairer la terre,  

King James Bible . [17] And God set them in the firmament of the heaven to give light upon the earth,
Luther-Bibel . 17 Und Gott setzte sie an die Feste des Himmels, dass sie schienen auf die Erde

Tekstuitleg van Gn 1,17 . Het vers Gn 1,17 telt 8 (2³) woorden en 33 (3 X 11) letters . De getalswaarde van Gn 1,17 is 2412 (2² X 3² X 67) .

Gn 1,17.3. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalswaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (299) . Pentateuch (216) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (16) . Gn (140) . Ex (31) . Lv (0) . Nu (7) . Dt (29) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- Grieks . θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen : goden . Als collectief zouden we kunnen vertalen : god . Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden . Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn .
- De Godsnaam יהוה = JHWH wordt veelvuldiger dan de naam אֱלֹהִים = ´èlohîm (god) gebruikt . Vergelijk maar : יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Ex (299) . Lv (199) . Nu (287) . Dt (413) . In Gn : ´èlohîm (god) (140) , de Godsnaam JHWH (128) , vooral in Gn 1-25 .

    Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt
  ´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 26 (31X) 31 0 7 29
  JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 0 299 199 287 413

- De woorden אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) en אֵל = ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalswaarde van אֵל = ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,17.8. הָאָרֶץ = hâ´ârèts (de aarde) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalswaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
- וְהָאָרֶץ = wëhâ´ârèts (en de aarde) < prefix voegwoord wë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֶרֶץ =´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalswaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (38) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (4) . Pentateuch (10) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 2,1 . (3) Gn 2,4 . (4) Gn 34,10 . (5) Gn 34,21 . (6) Lv 25,23 . (7) Lv 26,42 . (8) Lv 26,43 . (9) Dt 11,11 . (10) Dt 28,23 .
- Grieks. nom. + dat. vr. enk. γη / γῃ = gè / gè(i) (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Een vorm van γη = gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) , in Gn 1 (16) . .
- Ned. : aarde . Arabisch : أَرْض = ´arD (aarde) . Taalgebruik in de Qoran : ´arD (aarde) . Aramees : אֲרְעַ = ´ärë`a (aarde) . D. : Erde . E. : earth . Fr. : terre . Grieks : γη = gè (aarde, land) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Hebreeuws : אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Italiaans : terra . Lat. : terra . Spaans : tierra . Syrisch : ´ar`o (aarde) .

Gn 1,18 - Gn 1,18 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
18kai archein tès èmeras kai tès nuktos kai diachôrizein ana meson tou fôtos kai ana meson tou skotous kai eiden o theos oti kalon  18 et praeessent diei ac nocti et dividerent lucem ac tenebras et vidit Deus quod esset bonum   18 En om te heersen op den dag, en in den nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was.  [18] om te heersen over de dag en over de nacht, en om het licht van de duisternis te scheiden. En God zag dat het goed was.   [18] om te heersen over de dag en de nacht en om het licht te scheiden van de duisternis. En God zag dat het goed was.   18 om te beheren de dag en de nacht, om scheiding aan te brengen tussen het licht en de duisternis; God ziet het aan: ja, het is goed!   18. pour commander au jour et à la nuit, pour séparer la lumière et les ténèbres, et Dieu vit que cela était bon.  

King James Bible . [18] And to rule over the day and over the night, and to divide the light from the darkness: and God saw that it was good.
Luther-Bibel . 18 und den Tag und die Nacht regierten und schieden Licht und Finsternis. Und Gott sah, dass es gut war.

Tekstuitleg van Gn 1,18 . Het vers Gn 1,18 telt 12 (2² X 3) woorden en 51 (3 X 17) letters . De getalswaarde van Gn 1,18 is 1659 (3 X 7 X 71) .

Gn 1,18.1. וְלִמְשֹׁל = wëlimësjol (en om te heersen) < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel lë + act. qal inf. construct. van het werkw. מָשַׁל = mâsjal (heersen, macht hebben) . Taalgebruik in Tenakh : mâsjal (heersen, macht hebben) . Tenakh (2) : (1) Gn 1,18 . (2) Jr 24,4 .

Gn 1,18.2. בְּיוֹם /בַּיּוֹם = bëjôm / bajjôm = op een (de) dag < voorzetsel bë + (bepaald lidw. ha) + יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Getalswaarde : jod = 10 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 OF 56 (2³ X 7) . Structuur : 1 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (491) . Pentateuch (130) . Eerdere Profeten (102) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (62) . Geschriften (81) . 12 kl. Prof. (62) . Gn (22) : (1) Gn 1,18 . (2) Gn 2,2 . (3) Gn 2,4 . (4) Gn 2,17 . (5) Gn 3,5 . (6) Gn 5,1 . (7) Gn 5,2 . (8) Gn 7,11 . (9) Gn 15,18 . (10) Gn 21,8 . (11) Gn 22,4 . (12) Gn 26,32 . (13) Gn 30,33 . (14) Gn 30,35 . (15) Gn 31,22 . (16) Gn 31,40 . (17) Gn 33,16 . (18) Gn 34,25 . (19) Gn 35,3 . (20) Gn 40,20 . (21) Gn 42,18 . (22) Gn 48,20 . Ex (23) : (1) Ex 2,13 . (2) Ex 5,6 . (3) Ex 6,28 . (4) Ex 8,18 . (5) Ex 10,28 . (6) Ex 12,15 . (7) Ex 13,8 . (8) Ex 14,30 . (9) Ex 16,5 . (10) Ex 16,22 . (11) Ex 16,27 . (12) Ex 16,29 . (13) Ex 16,30 . (14) Ex 19,1 . (15) Ex 19,11 . (16) Ex 19,16 . (17) Ex 20,11 . (18) Ex 22,29 . (19) Ex 24,16 . (20) Ex 31,15 . (21) Ex 32,28 . (22) Ex 35,3 . (23) Ex 40,2 .
- Oorspronkelijk klonk יוֹם = jôm (dag) als jawm . Lettinga 12 , 2012 , 2b : "Na contractie bleef de ו (= waw) in de spelling bewaard en werd nu beschouwd als de uitdrukking van de vocaal ô" .
- Grieks . gen. vr. enk. + acc. vr. mv. ἡμερας = hèmeras (dag / dagen) van het zelfst. naamw. ἡμερα = hèmera (dag) . Taalgebruik in de Septuaginta : hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Gn (41) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,14 (2X) . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,18 .

  hèmera (dag)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
2 gen. vr. enk. + acc. vr. mv hèmeras  799  575  224  13  11  14  40  126  12  38  46     

- Ned. : dag . Arabisch : يَوم = jaum (dag) . Taalgebruik in de Qoran : dag (jaum) . D. : Tag . E. : day . F. : jour < Lat. diurnum . Cfr journaal . Grieks : ἡμερα = hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Hebreeuws : יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Lat.: dies .

3.

4. וּלְהֲבְדִּיל = ûlähabhëdîl (en om een scheiding aan te brengen) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel lë + act. hifil inf. stat. construct. . Zie : בָדַל = bâdal (afscheiden, verdelen) . Taalgebruik in Tenakh : bâdal (afscheiden, verdelen) .

Gn 1,18.5. בֵּין = be(j)n (tussen) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) . Getalswaarde : beth = 2 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (165) . Pentateuch (61) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (24) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (25) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,14 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 9,16 . (7) Gn 10,12 . (8) Gn 13,3 . (9) Gn 13,7 . (10) Gn 15,17 . (11) Gn 16,14 . (12) Gn 20,1 . (13) Gn 31,37 . (14) Gn 32,17 . (15) Gn 49,14 .
-- וּבֵּין = ûbhe(j)n (en tussen) < waw + Tenakh (108) . Pentateuch (46) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (12) . Gn (20) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 3,15 . (6) Gn 9,12 . (7) Gn 9,13 . (8) Gn 9,15 . (9) Gn 9,16 . (10) Gn 9,17 . (11) Gn 10,12 . (12) Gn 13,3. (13) Gn 13,7 . (14) Gn 13,8 . (15) Gn 16,14 . (16) Gn 17,7 . (17) Gn 17,10 . (18) Gn 20,1 . (19) Gn 30,36 . (20) Gn 32,17 .

Gn 1,18 .6. הָאוֹר = hâ´ôr (het licht) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אוֹר = ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Getalswaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 . (3) Re 19,26 . (4) Pr 2,13 . (5) Pr 11,7 . (6) Neh 8,3 .
- אוֹר = ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Getalswaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (55) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (30) . Gn (2) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,4 .
- Grieks : φως = fôs (licht) .Taalgebruik in het NT : fôs (licht) . Taalgebruik in de LXX : fôs (licht) . Een vorm van φως = fôs (licht) in de bijbel (209) , het OT (176) , het NT (73) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,5 .
- Ned. : licht . Arabisch : نور = nûr (licht) . Taalgebruik in de Qoran : nûr (licht) . Aramees : נוּר = nûr (licht) . D. : Licht . E. : light . Fr. : lumière . Grieks : φως = fôs (licht) .Taalgebruik in het NT : fôs (licht) . Hebreeuws : אוֹר = ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Zie ook : נִר = ner (licht, lamp) . Taalgebruik in Tenakh : ner (licht, lamp) . Zie ook : werkw. אוֹר = ´ôr (doorboren, doorbreken van licht , schijnen) . Zie het zelfst. naamw. אוֹר = ´ôr (licht) . Lat. : lux / lumen .
Volgens Gn 1,3 werd het licht op de eerste dag geschapen . אוֹר =´ôr (licht) begint met de letter aleph (1) . Het heeft ook 2 letters gemeenschappelijk met het werkw. אָמַר = ´âmar (zeggen) , nl. aleph (1) en mem (13 of 40) .
Volgens Gn 1,4 maakte God een scheiding tussen het licht en de duisternis . Licht en duisternis vormen een dualiteit , elkaars tegenpool .

Gn 1,18.7. בֵּין = be(j)n (tussen) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) . Getalswaarde : beth = 2 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (165) . Pentateuch (61) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (24) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (25) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,14 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 9,16 . (7) Gn 10,12 . (8) Gn 13,3 . (9) Gn 13,7 . (10) Gn 15,17 . (11) Gn 16,14 . (12) Gn 20,1 . (13) Gn 31,37 . (14) Gn 32,17 . (15) Gn 49,14 .
-- וּבֵּין = ûbhe(j)n (en tussen) < waw + Tenakh (108) . Pentateuch (46) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (12) . Gn (20) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 3,15 . (6) Gn 9,12 . (7) Gn 9,13 . (8) Gn 9,15 . (9) Gn 9,16 . (10) Gn 9,17 . (11) Gn 10,12 . (12) Gn 13,3. (13) Gn 13,7 . (14) Gn 13,8 . (15) Gn 16,14 . (16) Gn 17,7 . (17) Gn 17,10 . (18) Gn 20,1 . (19) Gn 30,36 . (20) Gn 32,17 .

Gn 1,18.8. חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Getalswaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 8 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (57) . Pentateuch (4) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (33) . Niet in Gn 1 .
- וְחֹשֶׁךְ = wëchosjèkh (en duisternis) < prefix voegwoord wë + zelfst. naamw. חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Getalswaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 8 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (3) : (1) Gn 1,2 . (2) Spr 10,19 . (3) Job 38,19 .
- הַחֹשֶׁך = hachosjèkh (de duisternis) < prefix bepaald lidw. ha + חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) .2 . Tenakh (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 . (3) Dt 5,23 . (4) Js 60,2 . (5) Pr 2,13 . (6) Pr 11,8 .
- וְלַחֹשֶׁך = wëlachosèkh (en tot de duisternis) < prefix voegwoord wë + voorzetsel be + bepaald lidwoord ha -> trekt samen tot la + zelfstandig naamwoord חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Getalswaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 8 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 4 . Gn (1) : Gn 1,5 .
- Grieks : nom. en acc. onz. enk. σκοτος = skotos (duisternis) . Taalgebruik in het NT : skotos (duisternis) . Taalgebruik in de Septuaginta : skotos (duisternis) . LXX (66) . Gn (2) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 1,5 . Een vorm van σκοτος = skotos (duisternis) in de Septuaginta (120) , in het NT (30) .
- Ned. : duisternis . Arabisch : ظلام = DHalâm (duisternis) . Taalgebruik in de Qoran : DHalâm (duisternis) . D. : Finsternis . Fr. : ténèbres . E. : darkness . Grieks : σκοτος = skotos (duisternis) . Taalgebruik in het NT : skotos (duisternis) . Hebreeuws : חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Lat. : tenebrae .

Gn 1,18.5. - 8. בֵּין הָאוֹר וּבֵּין הַחֹשֶׁך = be(j)n hâ´ôr ûbe(j)n hachosjèkh (tussen het licht en tussen de duisternis) . Tenakh (2) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 .

Gn 1,18.9. w-j-r` . (1) act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud וַיַּרְא = wajjarë´ (en hij zag) ; (2) passief nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud וַיֵּרָא = wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) van het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Taalgebruik in Genesis : râ´âh (zien) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 (2 X 13) of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (19) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 .
- Grieks : ὁραω = horaô (zien) . Taalgebruik in het NT : horaô (zien) . Taalgebruik in de Septuaginta : horaô (zien) . Een vorm van ὁραω = horaô (zien, verschijnen) in het NT (114) , in de LXX (1539) .
- Ned. : zien . Arabisch : رَاهَ = ra´â (zien) . Taalgebruik in de Qoran : ra´â (zien) . D. : sehen , schauen . E. : to see . Fr. : voir . Gr. : ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) . Hebreeuws : רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Lat. : videre .
- In het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) zien we 2 medeklinkers van het woord אוֹר = ´ôr (licht) nl. de resj en de aleph . Het Hebreeuwse אוֹר = ´ôr (licht) en het begin van het Griekse werkw. ὁραω = horaô (zien) zijn ongeveer gelijkluidend .

Gn 1,18.10. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalswaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (299) . Pentateuch (216) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (16) . Gn (140) . Ex (31) . Lv (0) . Nu (7) . Dt (29) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- Grieks . θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen : goden . Als collectief zouden we kunnen vertalen : god . Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden . Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn .
- De Godsnaam יהוה = JHWH wordt veelvuldiger dan de naam אֱלֹהִים = ´èlohîm (god) gebruikt . Vergelijk maar : יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Ex (299) . Lv (199) . Nu (287) . Dt (413) . In Gn : ´èlohîm (god) (140) , de Godsnaam JHWH (128) , vooral in Gn 1-25 .

    Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt
  ´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 26 (31X) 31 0 7 29
  JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 0 299 199 287 413

- De woorden אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) en אֵל = ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalswaarde van אֵל = ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,18.9. - 10. וַיַּרְא אֱלֹהִים = wajjarë´ ´èlohîm (en God zag) . Tenakh (9) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . (8) Gn 6,12 . (9) Ex 2,2 .
- Grieks : και ειδεν ὁ θεος = kai eiden ho theos (en God zag) . Bijbel (9) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 . (4) Gn 1,12 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 1,21 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,31 . (9) Jon 3,10 .

Gn 1,18.12. טוֹב = tôbh (goed) . Taalgebruik in Tenakh : tôbh (goed) . Getalswaarde : tet = 9 , waw = 6 , beth = 2 ; totaal : 17 . Structuur : 9 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (290) . Pentateuch (38) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (23) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (166) . Gn (23) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . (8) Gn 2,9 . (9) Gn 2,12 . (10) Gn 2,17 . (11) Gn 2,18 . (12) Gn 3,5 . (13) Gn 3,6 . (14) Gn 3,22 . (15) Gn 24,10 . (16) Gn 24,50 . (17) Gn 26,29 . (18) Gn 29,19 . (19) Gn 30,20 . (20) Gn 40,16 . (21) Gn 45,18 . (22) Gn 45,20 . (23) Gn 49,15 .
- Grieks : αγαθος = agathos . Taalgebruik in het NT : agathos (goed) . Taalgebruik in de LXX : agathos (goed) .
- Grieks : nom. onz. enk. + acc. mann. en onz. enk. καλον = van het bijvoegl. naamw. καλος = kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in het NT : kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in de LXX : kalos (goed, mooi, schoon) . LXX (125) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 . (4) Gn 1,12 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 2,9 . (7) Gn 2,12 . (8) Gn 2,17 . (9) Gn 2,18 . (10) Gn 3,5 . (11) Gn 3,6 . (12) Gn 3,22 . (13) Gn 18,7 . (14) Gn 30,20 . (15) Gn 49,14 .

kalos (goed) bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev. P. A. b.
nom. + acc. onz. enk. + acc. mann. enk. kalon 125 75 50 13 9 5 1   22   27 28 20 2

- Ned. : goed . Arabisch : طَيَّبٌ = thajjab (goed) . Taalgebruik in de Qoran : thajjab (goed) . Aramees : טַב = tabh (goed) . D. : gut . E. : good . Fr. : bijvoegl. naamw. : bon / bijw. : bien . Gr. : αγαθος = agathos . Taalgebruik in het NT : agathos (goed) . Hebreeuws : טוֹב = tôbh (goed) . Taalgebruik in Tenakh : tôbh (goed) . Lat. : bijvoegl. naamw. : bonus / bijw. : bene .


Gn 1,19 - Gn 1,19 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
19kai egeneto espera kai egeneto prôi èmera tetartè  19 et factum est vespere et mane dies quartus   19 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vierde dag.  [19] Het werd avond en het werd ochtend; dat was de vierde dag.   [19] Het werd avond en het werd morgen. De vierde dag.   19 Er komt een avond en er komt een ochtend: vierde dag. •  19. Il y eut un soir et il y eut un matin : quatrième jour. 

King James Bible . [19] And the evening and the morning were the fourth day.
Luther-Bibel . 19 Da ward aus Abend und Morgen der vierte Tag.

Tekstuitleg van Gn 1,19 . Het vers Gn 1,19 telt 6 (2 X 3) woorden en 22 (2 X 11) letters . De getalswaarde van Gn 1,19 is 984 (2³ X 3 X 41) .

Gn 1,19.1. prefix voegwoord wa consecutivum (verhalend) + act. qal jigtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalswaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,31 .
- De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
- In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) .
- Grieks : ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . LXX (730) . NT (195) . Gn (107) . ) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... zoals vele verhalen bij ons beginnen) . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : וַיְהִי כֵן = wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 και εγενετο οὑτως = kai egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt וַיְהִי = wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door εγενετο = egeneto (het gebeurde) .

ginomai (worden, gebeuren)  bijbel Tenach OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
aor. 3de pers. enk. egeneto  925  wajëhî : 784 730  195  13  17  69  16  53    17  99  115 
Totaal 2841   2174 667 75 55 129 51 124   38 259 310

- και εγενετο = kai egeneto (en het gebeurde) . LXX (560) . NT (62) .
- εγενετο δε = egeneto de (het gebeurde echter) . LXX () . NT (40) .

Gn 1,19.1. - 2. וַיְהִי עֶרֶב = wajëhî `èrèbh (en het werd avond) . Tenakh (6) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 .
- Grieks : και εγενετο ἑσπερα = kai egeneto hespera (en het werd avond) . Bijbel (7) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 . (7) Gn 29,23 .

Gn 1,19.3. prefix voegwoord wa consecutivum (verhalend) + act. qal jigtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalwaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,31 .
- De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
- In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) .
- Grieks : ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . LXX (730) . NT (195) . Gn (107) . ) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... zoals vele verhalen bij ons beginnen) . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : וַיְהִי כֵן = wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 και εγενετο οὑτως = kai egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt וַיְהִי = wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door εγενετο = egeneto (het gebeurde) .

ginomai (worden, gebeuren)  bijbel Tenach OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
aor. 3de pers. enk. egeneto  925  wajëhî : 784 730  195  13  17  69  16  53    17  99  115 
Totaal 2841   2174 667 75 55 129 51 124   38 259 310

- και εγενετο = kai egeneto (en het gebeurde) . LXX (560) . NT (62) .
- εγενετο δε = egeneto de (het gebeurde echter) . LXX () . NT (40) .


Gn 1,20 - Gn 1,20 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
20kai eipen o theos exagagetô ta udata erpeta psuchôn zôsôn kai peteina petomena epi tès gès kata to stereôma tou ouranou kai egeneto outôs  20 dixit etiam Deus producant aquae reptile animae viventis et volatile super terram sub firmamento caeli  wajj´omèr ´èlohîm  20 ¶ En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels!   [20] En God zei: ‘Het water moet wemelen van dieren en boven het land moeten de vogels vliegen langs het hemelgewelf.’  [20] God zei: ‘Het water moet wemelen van levende wezens, en boven de aarde, langs het hemelgewelf, moeten vogels vliegen.’   20 ¶ Dan zegt God: laten de wateren wemelen van het gewriemel van bezield leven,– en laat er gevogelte vliegen over de aarde, over het aanschijn van het gewelf, de hemel!  20. Dieu dit : Que les eaux grouillent d'un grouillement d'êtres vivants et que des oiseaux volent au-dessus de la terre contre le firmament du ciel et il en fut ainsi.  

King James Bible . [20] And God said, Let the waters bring forth abundantly the moving creature that hath life, and fowl that may fly above the earth in the open firmament of heaven.
Luther-Bibel . 20 Und Gott sprach: Es wimmle das Wasser von lebendigem Getier, und Vögel sollen fliegen auf Erden unter der Feste des Himmels.

Tekstuitleg van Gn 1,20 . Het vers Gn 1,20 telt 15 (3 X 5) woorden en 57 (3 X 19) letters . De getalswaarde van Gn 1,20 is 3906 (2 X 3² X 7 X 31) .

Gn 1,20.1. וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordsvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. -m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) .Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalswaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 .
- Lettinga 12, 2012, 53c2 : Het werkw. begint met een aleph . Het is een gutturaal , maar de zwakste van de gutturalen . Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal werkw. een bijzondere behandeling voor de qal imperf. . Dit is het geval voor ons werkw. . In het imperf. gaat een medeklinker vooraf aan de aleph . De aleph quiesceert : ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b) . In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o : jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c) . De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b) . In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a : jomur -> jomar (i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012 , 15g) . In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è , vandaar wajjo´mèr . (Zie ook Jouön , 73) .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . λεγω = legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . In 9 verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,29 . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

    bijbel OT LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  act. ind. aor. 3de p. enk. eipen  3024  2426  2275 + 151 684 985 234 63 309 378 9 149 15 98 44 598  118  56  223  114  75  397  511 

- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . Aramees : קְרָא = qërâ´ (roepen) . D. : sagen (zeggen) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere . l (قَالَ = qâla) en r (קְרָא = qâra) liggen dicht bij elkaar . Orgaan van roepen is de stem ; zie Hebreeuws :קוֹל = qôl (stem, roep) . Taalgebruik in Tenakh : qôl (stem) .
- In het werkw. אָמַר = ´âmar (zeggen) zit het woord אְמ = ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .

Gn 1,20.2. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (299) . Pentateuch (216) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (16) . Gn (140) . Ex (31) . Lv (0) . Nu (7) . Dt (29) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- Grieks . θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen : goden . Als collectief zouden we kunnen vertalen : god . Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden . Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn .
- De Godsnaam יהוה = JHWH wordt veelvuldiger dan de naam אֱלֹהִים = ´èlohîm (god) gebruikt . Vergelijk maar : יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Ex (299) . Lv (199) . Nu (287) . Dt (413) . In Gn : ´èlohîm (god) (140) , de Godsnaam JHWH (128) , vooral in Gn 1-25 .

    Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt
  ´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 26 (31X) 31 0 7 29
  JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 0 299 199 287 413

- De woorden אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) en אֵל = ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalwaarde van אֵל = ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,20.1. - 2. בָרָא אֱלֹהִים = bârâ ´èlohîm (God schiep) . Tenakh ( 3) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 2,3 . (3) Dt 4,32 .
- וַיִּבְרָא אֱלֹהִים = wajjibhërâ´ ´èlohîm (en God schiep) . Tenakh (2) : (1) Gn 1,21 . (2) Gn 1,27 .
- וַיַּעַשׂ אֱלֹהִים = wajja`ash ´èlohîm (en God maakte . Tenakh (4) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,25 . (4) Re 6,40 .
- עֹשֶׂה יהוה = `âshâh JHWH (JHWH maakte) . Tenakh (27) . Pentateuch (14) : (1) Gn 3,1 . (2) Ex 13,8 . (3) Ex 14,31 . (4) Ex 18,8 . (5) Ex 18,9 . (6) Ex 20,11 . (7) Ex 31,17 . (8) Nu 33,4 . (9) Dt 3,21 . (10) Dt 4,3 . (11) Dt 7,18 . (12) Dt 24,9 . (13) Dt 29,1 . (14) Dt 29,23 . Js (1) Js 44,23 .
- כִּי שֵׁשֶׁת יָמִים עָשָֹה יהוה = kî sjesjèth jâmîm `âshâh JHWH (want gedurende zes dagen maakte JHWH) . Tenakh (2) : (1) Ex 20,11 . (2) Ex 31,17 .
- εποιησεν ὁ θεος = epoisen ho theos (God maakte) . LXX (18) . Gn 1 (6) . NT (3) .
- και εποιησεν ὁ θεος = kai epoièsen ho theos (en God maakte) . Bijbel (7) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,27 . (6) Re 6,40 . (7) Est 10,3 .

Gn 1,20.3. act. qal imperf. jussief 3de pers. mv. יִשְׁרְצוּ = jisjërëtsû (dat zij wemelen) van het werkw. שָׁרַץ = sjârats (kruipen, wemelen, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten) . Taalgebruik in Tenakh : sjârats (kruipen, wemelen, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 59 OF 590 . Structuur : 3 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (1) : Gn 1,20 .
- Grieks : - act. imperat. aor. 3de pers. enk. εξαγαγετω = exagagetô (moge uitgaan) van het werkw. εξαγω = exagô (uitleiden, naar buiten leiden) < εξ = ex (uit) + αγω = agô (leiden, voeren) . Taalgebruik in het NT : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in de LXX : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Bijbel (2) : (1) Gn 1,20 . (2) Gn 1,24 . Een vorm van εξαγω = exagô (uitleiden, naar buiten leiden) in de LXX (221) , in het NT (12) . Syn. (2) . Ev. (3) .
- Ned. : wemelen . D. : wimmeln . Fr. : foisonner = verspreiden (lat. : fusio : verspreiding < fundere; foison est une action de répandre) . E. : to bring forth . Hebr. : שָׁרַץ = sjârats (kruipen, wemelen, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten) . Taalgebruik in Tenakh : sjârats (kruipen, wemelen, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten) . Lat. : producere (voortbrengen) .

6. נֶפֶשׁ = nèphèsj (geest) . Taalgebruik in Tenakh : nèphèsj (geest) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , phe = 17 of 80 , sjin = 21 of 300 ; totaal : 52 (2 X 26) of 430 (2 X 5 X 43) . Het spiegelbeeld van 43 is 34 (2 X 17) . 4 + 3 = 7 ; 3 + 4 = 7 ; 43 + 34 = 77 . 43 = 17 + 26 (de 2 godsgetallen) . Structuur : 5 - 8 - 3 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (131) . Pentateuch (62) . Eerdere Profeten (18) . Latere Profeten (17) . 12 Kleine Gn 1,20. (2) Gn 1,21 . (3) Gn 1,24 . (4) Gn 1,30 .
- Grieks : acc. vr. enk. ψυχην = psuchèn van het zelfst. naamw. ψυχη = psuchè (adem, geest, leven) . Taalgebruik in het NT : psuchè (adem, geest, leven) . Taalgebruik in de LXX : psuchè (adem, geest, leven) . Gn (10) : Een vorm van ψυχη = psuchè in de LXX (976) , in het NT (101) . Gn (10) : (1) Gn 1,21 . (2) Gn 1,24 . (3) Gn 1,30 . (4) Gn 2,7 . (5) Gn 2,19 . (6) Gn 9,5 . (7) Gn 12,5 . (8) Gn 19,17 . (9) Gn 19,19 . (10) Gn 37,21 .

  psuchè (adem, geest, leven)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  acc. vr. enk. psuchèn   289  254  35  16  24 

7. חַיָה = chajâh (dier, gedierte, wildgedierte) . Stat. constr. חַיַת = chajath . Zie het werkw. חָיַה = châjah (leven, blijven leven) . Taalgebruik in Tenakh : châjâh (leven) . Getalwaarde : chet = 8 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 23 . Structuur : 8 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (32) . Gn (14) . Gn 1 (4) : (1) Gn 1,20 . (2) Gn 1,24 . (3) Gn 1,28 . (4) Gn 1,30 .
- Grieks : act. part. aor. acc. vr. enk. ζωσαν = zôsan (levend) van het werkw. ζαω = zaô (leven, bestaan) . Taalgebruik in het NT : zaô (leven, bestaan) . Taalgebruik in de LXX : zaô (leven, bestaan) . Bijbel (9) : (1) Gn 1,24 . (2) Gn 2,7 . (3) Gn 2,19 . (4) Gn 8,21 . (5) Hnd 9,41 . (6) Rom 12,1 . (7) 1 Kor 15,45 . (8) Heb 10,20 . (9) 1 Pe 1,3 . Een vorm van ζαω = zaô (leven, bestaan) in de LXX (554) , in het NT (140) .

6. - 7. נֶפֶשׁ חַיָה = nèphèsj chajâh (levend wezen) . Tenakh (8) : (1) Gn 1,20 . (2) Gn 1,24 . (3) Gn 1,30 . (4) Gn 2,19 . (5) Gn 9,12 . (6) Gn 9,15 . (7) Gn 9,16 . (8) Ez 47,9 .
- Grieks : ψυχην ζωσαν = psuchèn sôzan (levend wezen) . LXX (3) : (1) Gn 1,24 . (2) Gn 2,7 . (3) Gn 2,19 . NT (1) : 1 Kor 15,45 .

Gn 1,20.8. וְעוֹף = wë`ôph (en gevogelte) < prefix voegwoord wë + zelfst. naamw. . Zie : עוֹף = `ôph (gevogelte, gevleugelde dieren) . Taalgebruik in Tenakh : `ôph (gevogelte, gevleugelde dieren) .

Gn 1,20.9. act. pilel imperf. 3de pers. mann. enk. jussief יְעוֹפֵף = jë`ôfef (dat het vliege) van het werkw. עוף = `ûph (vliegen, fladderen, vervliegen) . Zie : עוֹף = `ôph (gevogelte, gevleugelde dieren) . Taalgebruik in Tenakh : `ôph (gevogelte, gevleugelde dieren) .

Gn 1,20.11. הָאָרֶץ = hâ´ârèts (de aarde) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalswaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
- וְהָאָרֶץ = wëhâ´ârèts (en de aarde) < prefix voegwoord wë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֶרֶץ =´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalswaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (38) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (4) . Pentateuch (10) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 2,1 . (3) Gn 2,4 . (4) Gn 34,10 . (5) Gn 34,21 . (6) Lv 25,23 . (7) Lv 26,42 . (8) Lv 26,43 . (9) Dt 11,11 . (10) Dt 28,23 .
- Grieks. nom. + dat. vr. enk. γη / γῃ = gè / gè(i) (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Een vorm van γη = gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) , in Gn 1 (16) . .
- Ned. : aarde . Arabisch : أَرْض = ´arD (aarde) . Taalgebruik in de Qoran : ´arD (aarde) . Aramees : אֲרְעַ = ´ärë`a (aarde) . D. : Erde . E. : earth . Fr. : terre . Grieks : γη = gè (aarde, land) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Hebreeuws : אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Italiaans : terra . Lat. : terra . Spaans : tierra . Syrisch : ´ar`o (aarde) .

Gn 1,20.14. רָקִיעַ = râqîa` (uitspansel) . Taalgebruik in Tenakh : râqîa` (uitspansel) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , qoph = 19 of 100 , jod = 10 , `ajin = 16 of 70 ; totaal : 65 (5 X 13) OF 380 (20 X 19) . Structuur : 2 - 1 - 1 - 7 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (3) : (1) Gn 1,6 . (2) Gn 1,20 . (3) Ez 1,22 . Ned. : rekken -> strekken -> spannen -> uit-spannen (uit-spansel) .
- στερεωμα = stereôma (sterkte, kracht, uitspansel) . Taalgebruik in het NT : stereôma (sterkte, kracht, uitspansel) . Taalgebruik in de LXX : stereôma (sterkte, kracht, uitspansel) . LXX (13) . Gn (4) : (1) Gn 1,6 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,8 . (4) Gn 1,20 .

Gn 1,20.- הַמָּיִם = hammajim (de wateren) < bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfstandig naamw. מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , jod = 10 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5) . Structuur : 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (85) . Pentateuch (45) . Eerdere Profeten (23) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (12) . Gn (28) . Gn 1 (8) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,9 . (5) Gn 1,10 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,21 . (8) Gn 1,22 .
- Grieks : nom. en acc. onz. mv. ὑδατα = hudata van het zelfst. naamw. ὑδωρ = hudôr (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Taalgebruik in de LXX : hudôr (water) . LXX (60) . Pentateuch (10) . Gn (3) : (1) Gn 1,20 . (2) Gn 1,21 . (3) Gn 1,22 .

  hudôr (water)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
4 nom. + acc. onz. mv. hudata  60  55           
  totaal 666  596  70  19  10  17  18  37 

- Ned. : water . Arabisch : مَأء = mâh (water) . Taalgebruik in de Qoran : mâh (water) . D. : Wasser . E. : water . Fr. : eau . Grieks : ὑδωρ = hudôr (water) . Hebreeuws : מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Lat. : aqua .


Gn 1,21 - Gn 1,21 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
21kai epoièsen o theos ta kètè ta megala kai pasan psuchèn zôôn erpetôn a exègagen ta udata kata genè autôn kai pan peteinon pterôton kata genos kai eiden o theos oti kala  21 creavitque Deus cete grandia et omnem animam viventem atque motabilem quam produxerant aquae in species suas et omne volatile secundum genus suum et vidit Deus quod esset bonum    21 En God schiep de grote walvissen, en alle levende wremelende ziel, welke de wateren overvloediglijk voortbrachten, naar haar aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.  [21] Toen schiep God de grote zeemonsters* en al de krioelende dieren, waar het water van wemelt, soort na soort, en al de gevleugelde dieren, soort na soort. En God zag dat het goed was.   21] En hij schiep de grote zeemonsters en alle soorten levende wezens waarvan het water wemelt en krioelt, en ook alles wat vleugels heeft. En God zag dat het goed was.  21 En God schept de grote gedrochten,– en alle levende ziel die rondkruipt, waarvan de wateren zijn gaan wemelen, in hun soorten, en elke gevleugelde vogel in zijn soorten; God ziet het aan: ja, het is goed!  21. Dieu créa les grands serpents de mer et tous les êtres vivants qui glissent et qui grouillent dans les eaux selon leur espèce, et toute la gent ailée selon son espèce, et Dieu vit que cela était bon.  

King James Bible . [21] And God created great whales, and every living creature that moveth, which the waters brought forth abundantly, after their kind, and every winged fowl after his kind: and God saw that it was good.
Luther-Bibel . 21 Und Gott schuf große Walfische und alles Getier, das da lebt und webt, davon das Wasser wimmelt, ein jedes nach seiner Art, und alle gefiederten Vögel, einen jeden nach seiner Art. Und Gott sah, dass es gut war.

Tekstuitleg van Gn 1,21 . Het vers Gn 1,21 telt 23 woorden en 89 letters . De getalswaarde van Gn 1,21 is 5834 (2 X 2917) .

>
  1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.    8. 
  Gn 1,1-2 Gn 1,3-5 Gn 1,6-8 Gn 1,9-13 Gn 1,14-19 Gn 1,20-23 Gn 1,24-31   Gn 2,1-4a
aantal woorden 7 + 14 = 21 6 + 12 + 13 = 31 11 + 17 + 10 = 38 13 + 12 + 20 + 18 + 6 = 69 16 + 9 + 18 + 8 + 12 + 6 = 69 15 + 23 + 13 + 6 = 57 14 + 18 + 19 + 13 + 22 + 27 + 21 + 15 = 149 aantal woorden : 434 (2 X 7 X 31)  
aantal letters 28 + 52 = 80 23 + 45 + 49 = 117 (9 X 13) 44 + 65 + 39 = 148 (2² X 37) 52 + 49 + 69 + 67 + 22 = 259 (7 X 37) 76 + 37 + 79 + 33 + 51 + 22 = 298 (2 X 149) 57 + 89 +52 + 22 = 220 (2² X 5 X 11) 56 + 69 + 84 + 50 + 88 + 83 + 69 + 50 = 549 (3² X 61) . aantal letters : 1671 (3 X 557)  

Gn 1,21.1. וַיִּבְרָא = wajjibhërâ´ (en hij schiep) < prefix waw consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. enk. van het werkw. בָרָא = bârâ´ (scheppen) . Taalgebruik in Tenakh : bârâ´ (scheppen) . Getalwaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 23 of 203 . Structuur : 2 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (2) : (1) Gn 1,21 . (2) Gn 1,27 . Een vorm van בָרָא = bârâ´ (scheppen) in Tenakh (41 verzen , 48 vormen) . Gn (8 verzen , 11 vormen) .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. εποιησεν = epoièsen (hij deed) van het werkw. ποιεω = poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in de LXX : poieô (doen, maken) . Bijbel (714) . OT (641) . NT (73) . Gn 1 (7 verzen , 9 vormen) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,16 . (4) Gn 1,21 . (5) Gn 1,25 . (6) Gn 1,27 (3X) . (7) Gn 1,31 . Een vorm van ποιεω = poieô (doen, maken) in de LXX (3390) , in het NT (565) .
- Ned. : scheppen . D. : (er)schaffen . Andere stamgroep : E. : to create . Fr. : créer . Italiaans : creare . Latijn : creare . Spaans : crear .
- Ned. : doen . Arabisch : عَمَلَ = `amala (werken) . Taalgebruik in de Qoran : `amala (werken . D. : tun . E. : do : Fr. : faire . Grieks : ποιεω = poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Hebreeuws : עָשָׂה = `âshâh (maken, doen) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâh (maken) . Lat. : facere .

Gn 1,21.2. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (299) . Pentateuch (216) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (16) . Gn (140) . Ex (31) . Lv (0) . Nu (7) . Dt (29) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- Grieks . θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) heeft een mannelijke meervoudsvorm ; we zouden moeten vertalen : goden . Als collectief zouden we kunnen vertalen : god . Zo kan dan ook het enk. van het werkw. verklaard worden . Onder goden k/ kunnen an zowel de mannelijke als de vrouwelijke god(en) begrepen zijn .
- De Godsnaam יהוה = JHWH wordt veelvuldiger dan de naam אֱלֹהִים = ´èlohîm (god) gebruikt . Vergelijk maar : יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Ex (299) . Lv (199) . Nu (287) . Dt (413) . In Gn : ´èlohîm (god) (140) , de Godsnaam JHWH (128) , vooral in Gn 1-25 .

    Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 1 Ex Lv Nu Dt
  ´èlohîm (God) 299 216 28 25 12 16 140 26 (31X) 31 0 7 29
  JHWH 5193 1326 1013 1357 387 1110 128 0 299 199 287 413

- De woorden אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) en אֵל = ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalwaarde van אֵל = ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,21.1. - 2. בָרָא אֱלֹהִים = bârâ ´èlohîm (God schiep) . Tenakh ( 3) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 2,3 . (3) Dt 4,32 .
- וַיִּבְרָא אֱלֹהִים = wajjibhërâ´ ´èlohîm (en God schiep) . Tenakh (2) : (1) Gn 1,21 . (2) Gn 1,27 .
- וַיַּעַשׂ אֱלֹהִים = wajja`ash ´èlohîm (en God maakte . Tenakh (4) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,25 . (4) Re 6,40 .
- עֹשֶׂה יהוה = `âshâh JHWH (JHWH maakte) . Tenakh (27) . Pentateuch (14) : (1) Gn 3,1 . (2) Ex 13,8 . (3) Ex 14,31 . (4) Ex 18,8 . (5) Ex 18,9 . (6) Ex 20,11 . (7) Ex 31,17 . (8) Nu 33,4 . (9) Dt 3,21 . (10) Dt 4,3 . (11) Dt 7,18 . (12) Dt 24,9 . (13) Dt 29,1 . (14) Dt 29,23 . Js (1) Js 44,23 .
- כִּי שֵׁשֶׁת יָמִים עָשָֹה יהוה = kî sjesjèth jâmîm `âshâh JHWH (want gedurende zes dagen maakte JHWH) . Tenakh (2) : (1) Ex 20,11 . (2) Ex 31,17 .
- εποιησεν ὁ θεος = epoisen ho theos (God maakte) . LXX (18) . Gn 1 (6) . NT (3) .
- και εποιησεν ὁ θεος = kai epoièsen ho theos (en God maakte) . Bijbel (7) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,27 . (6) Re 6,40 . (7) Est 10,3 .

Gn 1,21.3. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 .
- וְאֶת / וְאִת = wë´èth / wë´eth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

Gn 1,21.4. תַּנִּין = thannîn (grote zeevis, slang, draak) . Taalgebruik in Tenakh : thannîn (grote zeevis, slang, draak) .

Gn 1,21.6. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 .
- וְאֶת / וְאִת = wë´èth / wë´eth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

8. נֶפֶשׁ = nèphèsj (geest) . Taalgebruik in Tenakh : nèphèsj (geest) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , phe = 17 of 80 , sjin = 21 of 300 ; totaal : 52 (2 X 26) of 430 (2 X 5 X 43) . Het spiegelbeeld van 43 is 34 (2 X 17) . 4 + 3 = 7 ; 3 + 4 = 7 ; 43 + 34 = 77 . 43 = 17 + 26 (de 2 godsgetallen) . Structuur : 5 - 8 - 3 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (131) . Pentateuch (62) . Eerdere Profeten (18) . Latere Profeten (17) . 12 Kleine Gn 1,20. (2) Gn 1,21 . (3) Gn 1,24 . (4) Gn 1,30 .
- Grieks : acc. vr. enk. ψυχην = psuchèn van het zelfst. naamw. ψυχη = psuchè (adem, geest, leven) . Taalgebruik in het NT : psuchè (adem, geest, leven) . Taalgebruik in de LXX : psuchè (adem, geest, leven) . Gn (10) : Een vorm van ψυχη = psuchè in de LXX (976) , in het NT (101) . Gn (10) : (1) Gn 1,21 . (2) Gn 1,24 . (3) Gn 1,30 . (4) Gn 2,7 . (5) Gn 2,19 . (6) Gn 9,5 . (7) Gn 12,5 . (8) Gn 19,17 . (9) Gn 19,19 . (10) Gn 37,21 .

  psuchè (adem, geest, leven)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh