GENESIS 1 - Gn 1 -
- taalgebruik -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 1 -
- Gn 1,1-2,4a --

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -

Overzicht van Tenakh : Tenakh : overzicht , Tenakh : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenakh : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,

Gn (Genesis) : overzicht , Gn : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Gn : commentaar ,

Overzicht van Genesis : - Gn 1 - Gn 2 - Gn 3 - Gn 4 - Gn 5 - Gn 6 - Gn 7 - Gn 8 - Gn 9 - Gn 10 - Gn 11 - Gn 12 - Gn 13 - Gn 14 - Gn 15 - Gn 16 - Gn 17 - Gn 18 - Gn 19 - Gn 20 - Gn 21 - Gn 22 - Gn 23 - Gn 24 - Gn 25 - Gn 26 - Gn 27 - Gn 28 - Gn 29 - Gn 30 - Gn 31 - Gn 32 - Gn 33 - Gn 34 - Gn 35 - Gn 36 - Gn 37 - Gn 38 - Gn 39 - Gn 40 - Gn 41 - Gn 42 - Gn 43 - Gn 44 - Gn 45 - Gn 46 - Gn 47 - Gn 48 - Gn 49 - Gn 50 -
Overzicht vers per vers : - Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 -

() Gn 1,1 . () Gn 1,2 . () Gn 1,3 . () Gn 1,4 . () Gn 1,5 . () Gn 1,6 . () Gn 1,7 . () Gn 1,8 . () Gn 1,9 . () Gn 1,10 . () Gn 1,11 . () Gn 1,12 . () Gn 1,13 . () Gn 1,14 . () Gn 1,15 . () Gn 1,16 . () Gn 1,17 . () Gn 1,18 . () Gn 1,19 . () Gn 1,20 . () Gn 1,21 . () Gn 1,22 . () Gn 1,23 . () Gn 1,24 . () Gn 1,25 . () Gn 1,26 . () Gn 1,27 . () Gn 1,28 . () Gn 1,29 . () Gn 1,30 . () Gn 1,31 .


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
schepping Gn 1,1 (1) ; Gn 1,1 (2) Gn 1,3-5

Vie et mort dans la Bible . Aux origines du Dieu unique . Auteur(s) : Jean Soler . 238 pages, 16 x 23 cm, 2-87706-498-0 . Collection : , éditeur : Editions de Fa0llois, 2004 . (22 €), 240 gr

         
1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible   - King James Bible 11. Luther-Bibel    

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat
Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik

ALGEMEEN OVERZICHT

-
bijbeloverzicht , taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


Gn 1,1-2,4a : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a -

Gn 1,1 - Gn 1,1 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1en archè epoièsen o theos ton ouranon kai tèn gèn  1 in principio creavit Deus caelum et terram   bëre´sjîth bârâ  ´èlohîm ´eth hasjsjâmajim wë´eth hâ´ârèts 1 In den beginne schiep God den hemel en de aarde.  [1] In het begin schiep God de hemel en de aarde.   [1] In het begin schiep God de hemel en de aarde.  1 ¶ Sinds het begin is God schepper,– van de hemelen en de aarde.  1. Au commencement, Dieu créa le ciel et la terre.

King James Bible . In the beginning God created the heaven and the earth .
Luther-Bibel (1984) . Am Anfang schuf Gott Himmel und Erde .

Hebr. bëre´sjîth bârâ  ´èlohîm ´eth hasjsjâmajim wë´eth hâ´ârèts (Op kop schept God de hemelen en de aarde) .

1
2
3
4
5
6
7
בְּרֵאשִׁית בָּרָא אֱלֹהִים אֵת הַשָּׁמַיִם וְאֵת הָאָרֶץ׃
bë-reʾsjîth bârâʾ ʾêlohîm ʾeth ha-sjsjâmajim wë-eth hâ-ʾârèts
ב · ראשׁית ברא אלהים אות ה · שׁמים ו · אות ה · ארץ
in begin
schiep
God
[obj]
de hemel
en [obj]
de aarde

Tekstuitleg van Gn 1,1 . Het vers Gn 1,1 telt 7 , zie 7 en sjèbha` / sjëbha` (zeven) , woorden en 28 , zie 28 , (4 X 7) letters ; verhouding : 1 - 4 . Het getal 7 symboliseert een week , 28 de maan . Na 7 dagen van een week begint een nieuwe week . Na de omloop van de maan begint een nieuwe 'maan-d' . De week en de maand symboliseren de schepping . Zeven is het zeshoekig hart (6 X 1) van een ster van 13 (zie : 13 , star13.gif) . Driehoekzijde : 4 . Het is ook het driehoeksgetal (de som van 1 tot n . Formule : n (n + 1) gedeeld door 2 , van 7 of ook : 1 + 2 + 3 + 4 + 5 + 6 + 7 = 28 .

De getalwaarde van Gn 1,1 is 2701 = 37 X 73 (spiegelgetallen) ; totaal : 110 -> 2 . Het getal 37 , zie 37 , is het zeshoekig hart (met zijde 4) van een ster van 73 (zie : 73 , 73 als ster) . Driehoekszijde : 10 . De getalwaarde van châkhëmâh (chokma) = wijsheid is 37 en 73 . Door de wijsheid van God werd hemel en aarde geschapen . In TJ en TN begint de tekst met bëchôkhëmâh (met wijsheid) .
337 is de gouden ster met 37 als overlappingsster (zie http://www.biblewheel.com/gr/GR_LogosStar_Genesis.asp ) .
2701 = 3 X 337 + 10 X 169 = 37 X 73 . De woorden op een onpare plaats in de zin hebben een getalwaarde van 1690 = 10 X 169 . De woorden op de pare plaatsen, hebben een getalwaarde van 1011 = 3 X 337 . 169 = 13 X 13 . 961 = 31 X 31 .
We kunnen besluiten dat achter de tekst van Gn 1,1 een veelheid van geometrische figuren schuilgaat . Getallen brengen beelden voort . Die beelden getuigen van wijsheid en schoonheid .

  7.  6.  5.  4.  3.  2.  1. 
  hâ´ârèts  wë´eth  hasjsjâmaîm  ´eth  ´èlohîm (God) bârâ´ (schiep) bëre´sjîth (bij aanvang , aanvankelijk)
  296  407  395  401  86  203  913 
  296 + 407 = 703 (= 19 X 37)           203 + 401 + 407 = 1011 of 3 X 337  903 + 86 + 395 + 296 = 1690 (10 X 169)

De eerste twee woorden beginnen op gelijke wijze met de letters : beth - resj - aleph : br' (bâra´ = scheppen) .
De aleph is de eerste letter van het alfabet . De schrijfwijze van aleph is een schuine waw (getalwaarde 6) met rechtsboven en linksonder een jod (2 X 10) , dus getalwaarde 26 , dezelfde getalwaarde als die van de naam JHWH (jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , he = 5 ; totaal 26) . Het scheppingsverhaal begint met een beth , de tweede letter van het alfabet . Uit eenheid kan tweeheid ontstaan .
Het derde woord is  ´èlohîm (God) . De godsnaam begint met een aleph . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . De godsnaam ´èlohîm (God) komt eenendertig maal in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is eenendertig . Betrekken we hierbij ook ´èchâd (één) . Getalwaarde : aleph = 1 , chet = 8 , daleth = 4 . Totaal : 13 , zie 13 . God is één of 13 = 13 .
Het 4de (´eth) en het 6de woord (wë´eth) duidt de accusatief aan . He 5de en het 7de woord is complementair (hemel en aarde) en duidt een totaliteit aan . Zo zijn er 3 paren en 1 enkelvoudig woord nl. ´èlohîm (God) ; zo zijn er 3 paren scheppingsdagen, en op de 7de dag rustte God . Zo vormt Gn 1,1 een prelude op het eigenlijke scheppingsverhaal .

Gn 1,1.1. bëre´sjîth (bij aanvang , aanvankelijk) <. voorzetsel bë + zelfstandig naamwoord re´sjîth (begin) . Taalgebruik in Tenakh : re´sjîth (begin) . Getalwaarde re´sjîth : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , jod = 10 , taw = 22 of 400 . Totaal : 74 (2 X 37, zie 37) OF 911 (priemgetal) . Structuur : 2 - 1 - 3 - 1 - 4 . Som van de elementen is telkens 11 -> 2 . Getalwaarde van bëre´sjîth : ... + beth = 2 ; totaal : 76 (4 X 19) OF 913 (11 X 83) . Tenakh (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Jr 26,1 . (3) Jr 27,1 . (4) Jr 28,1 . (5) Jr 49,34 . NT : Joh 1,1 . In bëre´sjîth (bij aanvang , aanvankelijk) staat geen bepaald lidwoord ; dat komt ook tot uiting in de LXX : en archèi . re´sjîth (aanvang , begin) heeft de vorm van een status constructus zonder dat een nadere bepaling volgt ; een begin is toch altijd een begin van iets . In het laatste woord van het laatste vers van dit verhaal (Gn 2,4) komt de beth als voorzetsel terug . Daar is het verbonden met een vorm van het werkwoord bârâ´ (scheppen) ; in Gn 1,1 staat bârâ´ (scheppen) als tweede woord na bëre´sjîth (bij aanvang , aanvankelijk) .

re´sjîth (begin) bijbel   Gn   Ex   Lv   Nu   Dt   1 S  2 Kr  Neh  Job  Ps  Spr  Jr  Ez  Am  Mi 
re´sjîth 28 
bëre´sjîth                           

De beth staat voor de twee , maar ook voor de schepping . Deze schepping wordt gekenmerkt door tweeheid (Gn 1,1) .
De Souzenelle ziet in het woord bëre´sjîth (b-r-´- sj-j-th) de woorden b-r (graan, zoon) , ´-sj-j-th (ik stel, van het werkw. sj-w-th of sj-j-th: stellen, plaatsen) , r-´sj (hoofd, begin) , r-sj (deelw. râsj van het werkw. r-w-sj: arm, behoeftig zijn) , b-r-´(hij schiep van het werkw; b-r´-: scheppen) en sjîth (imperatief, stel, plaats) . In b-r-´ de woorden bë (voorzetsel: in) en r-´ (van het werkw. r-´-h : zien) OF b-r (zoon) en -´- de beginletter van de godsnaam ´èlohîm . In bëre´sjîth schuilen de woorden b-j-th (be(j)th: huis) en ro´sj (hoofd) ; in het eerste woord staat de jod, die we als eerste letter in de godsnaam JHWH aantreffen en in het tweede woord de aleph, die we als eerste letter in de godsnaam ´èlohîm . In b-r bij het begin van bëre´sjîth staat de beth van het woord be(j)th : huis en de resj van het woord ro´sj (hoofd) .
De eerste letter van bëts´eth (in het uittrekken) (Ps 114,1) is een beth , de laatste een thaw ; dit is ook het geval in het eerste woord van Tenakh : bëre´sjîth (bij aanvang , aanvankelijk) (Gn 1,1) . In Ps 114 betreft het de uittocht , in Gn 1 de schepping .
LXX . en archè(i) (in begin) van het zelfst. naamw. archè (begin, heerschappij) . Taalgebruik in het NT : archè (begin, heerschappij) . Taalgebruik in de LXX : archè (begin, heerschappij) . en archè(i) (in het begin) . In vier verzen in het NT : (1) Joh 1,1 . (2) Joh 1,2 . (3) Hnd 11,15 . (4) Fil 4,15 . Een vorm van archè (begin, heerschappij) in de LXX (239) , in het NT (55) .

archè (begin) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev. P. A. b.
nom. + dat enk. archè(i) 82 70 12 1 2 1 2 1 2 3 4 6 2  

Latijn . in principe < princeps < primum capere = eerst nemen . in in-itio < in-itium < in-ire : ingaan, binnengaan (bij het binnengaan van de schepping) . in capite < caput = hoofd , kop , chef . Bij een boom ligt het begin in het wortelgestel (radix) , onder de grond . De kruin wordt bepaald door de stuwing van onderuit . Een begin ligt ook bij de bron (fons) , waaruit vrouwen water putten . Uit een bron welt water op , dat als het ware uit het niets voorkomt . Een vorst geeft leiding , richting , stuurt ; een sturende kracht . Aan het begin staat oorsprong , stuwing , richting .
Arabisch : ra´s (hoofd) . Taalgebruik in de Koran : ra´s (hoofd) .
In Gn 1,1 - Gn 1,2 ligt de nadruk op de eenheid , waaruit alles voortkomt .

Gn 1,1.2. bârâ´ (scheppen) . Taalgebruik : bârâ´ (scheppen) . Getalwaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 23 of 203 . Structuur : 2 - 2 - 1 . Lat. creare . Fr. créer . E. to create . D. schaffen . Gr. ktizô (scheppen) . Een vorm van ktizô (scheppen) in de LXX (68) , in het NT (15) . Zie : ktisis (schepping) . Taalgebruik in het NT : ktisis (schepping) . Taalgebruik in de LXX : ktisis (schepping) . Een vorm van b-r-´ (scheppen) in Tenakh in 17 verzen (21X) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,27 . (3) Gn 2,3 . (4) Gn 5,1 . (5) Dt 4,32 . (6) 2 K 12,17 . (7) Js 40,26 . (8) Jr 31,22 . (9) Ez 21,24 . (10) Ps 51,12 . (11) In zeven verzen in Da .

Gn 1,1.1. - 2. bëre´sjîth bârâ´ (bij aanvang , aanvankelijk schiep hij) . Slechts in Gn 1,1 . De eerste 2 woorden beginnen elk met beth-resj-aleph .

Gn 1,1.3. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) , zie 13 en star13.gif EN 31 . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei) . In tien verzen in Gn 1 . (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm (en God zei tot hen) . (10) Gn 1,29 .

Gn 1,1.2. - 3. bârâ ´èlohîm (God schiep) . Tenakh ( 3) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 2,3 . (3) Dt 4,32 .

Gn 1,1.4. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

Gn 1,1.5. hasjsjâmajim (de hemelen , de hemel) < bepaald lidw. ha + sjâmajim / sjâmâjim (hemelen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmajim (hemelen) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 57 (3 X 19) OF 390 (2 X 3 X 5 X 13 = 15 X 26) . Structuur : 3 - 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 12 -> 3 . Taalgebruik in de Septuaginta : ouranos (hemel) . Taalgebruik in het NT : ouranos (hemel) . Lat. coelum . Fr. ciel . Ned. hemel . D. Himmel . E. heaven . Arabisch : samâ´ (hemel) . Taalgebruik in de Koran : samâ´ (hemel) . Een vorm van ouranos (hemel) in de LXX (682) , in het NT (272) . Tenakh (223) . Pentateuch (69) . Eerdere Profeten (35) . Latere Profeten (41) . 12 Kleine Profeten (15) . Geschriften (63) . Gn (32) . Gn 1-11 (21) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,9 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,26 . (8) Gn 1,28 . (9) Gn 1,30 . (10) Gn 2,1 . (11) Gn 2,4 . (12) Gn 2,19 . (13) Gn 2,20 . (14) Gn 6,7 . (15) Gn 6,17 . (16) Gn 7,3 . (17) Gn 7,11 . (18) Gn 7,19 . (19) Gn 7,23 . (20) Gn 8,2 . (21) Gn 9,2 . Twee uitersten worden vaak gebruikt om een totaliteit uit te drukken ; zo is dat het geval in hemel en aarde , van hoog tot laag , van kop tot teen , dag en nacht enz. . Vergelijken we de sommen van sjâmajim / sjâmâjim (hemelen) en ´èrèts (land, aarde) :
- sjâmajim / sjâmâjim (hemelen) : 57 (3 X 19) OF 390 (2 X 3 X 5 X 13 = 30 X 13 = 15 X 26) . Structuur : 3 - 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 12 -> 3 . - ´èrèts (land, aarde) : 39 (3 X 13 of 26 + 13) OF 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 3 - 9 . De som van de elementen is telkens 12 -> 3 . Vermits 13 de getalwaarde van ´èchad (één, eenheid) is , drukken beiden eenheid uit (ofschoon in een verschillend numeriek stelsel) . Bij beiden is de som van de elementen 12 -> 3 .
In sjâmajim (hemelen) gaat het woord sj-m (naam) en majim (wateren) schuil .

Gn 1,1.4. - 5. ´èth hasjsjâmajim (de hemelen) . Tenakh (15) : (1) Ex 20,11 . (2) Ex 31,17 . (3) Dt 4,26 . (4) Dt 11,17 . (5) Dt 28,12 . (6) Dt 30,19 . (7) Dt 31,28 . (8) 2 K 19,15 . (9) 2 Kr 2,11 . (10) Neh 9,6 . (11) Js 37,16 . (12) Jr 23,24 . (13) Jr 32,17 . (14) Hag 2,6 . (15) Hag 2,21 .

Gn 1,1.6. wë´èth / wë´eth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

Gn 1,1.7. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 3 - 9 . De som van de elementen is telkens 12 -> 3 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Arabisch : ´arD (aarde) . Taalgebruik in de Koran : ´arD (aarde) . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .

Gn 1,1.6. - 7. wë´eth hâ´ârèts (en het land) . Tenakh (1) : Gn 1,1 . ´eth hâ´ârèts (het land) . Tenakh (1) : Dt 1,35 . wë´èth hâ´ârèts (en het land) . Tenakh (17) : (1) Gn 35,12 . (2) Gn 42,34 . (3) Gn 49,15 . (4) Ex 20,11 . (5) Ex 31,17 . (6) Dt 3,12 . (7) Dt 4,26 . (8) Dt 30,19 . (9) Dt 31,28 . (10) 2 K 19,15 . (11) 2 Kr 2,11 . (12) Js 37,16 . (13) Jr 22,12 . (14) Jr 23,24 . (15) Jr 32,17 . (16) Hag 2,6 . (17) Hag 2,21 . ´èth hâ´ârèts (het land) . Tenakh (136) . Gn (12) : (1) Gn 1,28 . (2) Gn 6,12 . (3) Gn 6,13 . (4) Gn 9,1 . (5) Gn 12,7 . (6) Gn 15,7 . (7) Gn 15,18 . (8) Gn 24,7 . (9) Gn 35,12 . (10) Gn 41,30 . (11) Gn 42,30 . (12) Gn 48,4 . De getalwaarde van deze uitdrukking is 6 + 401 + 5 + 291 = 703 (19 X 37) . Dit is de ster als 37 en de zeshoek als 19 . Zie : http://www.biblewheel.com/gr/GR_LogosStar_Genesis.asp . Laten we in het getal 703 de nul weg , dan bekomen we 73 ; het spiegelbeeldgetal is 37 . En we krijgen opnieuw 37 X 73 , de ster als 73 en de zeshoek als 36 .

Gn 1,1.4. - 7. ´eth hasjsjâmajim wë´eth hâ´ârèts (de hemel en de aarde) is een hapax in Gn 1,1 . ´èth hasjsjâmajim wë´èth hâ´ârèts (de hemel en de aarde) . Tenakh (12 / 15) : (1) Ex 20,11 . (2) Ex 31,17 . (3) Dt 4,26 . (4) Dt 30,19 . (5) Dt 31,28 . (6) 2 K 19,15 . (7) 2 Kr 2,11 . (8) Js 37,16 . (9) Jr 23,24 . (10) Jr 32,17 . (11) Hag 2,6 . (12) Hag 2,21 .
- `âshîthâ ´èth hasjsjâmajim (U hebt de hemelen gemaakt) . Tenakh (4) : (1) 2 K 19,15 . (2) Neh 9,6 . (3) Js 37,16 . (4) Jr 32,17 .
- `âshîthâ ´èth hasjsjâmajim wë´èth hâ´ârèts (U hebt de hemelen en de aarde gemaakt) . Tenakh (3) : (1) 2 K 19,15 . (2) Js 37,16 . (3) Jr 32,17 .

- sjâmajim wë´èrèts (hemel en aarde) . Tenakh (11) : (1) Gn 14,19 . (2) Gn 14,22 . (3) Ps 69,35 . (4) Ps 115,15 . (5) Ps 121,2 . (6) Ps 124,8 . (7) Ps 134,3 . (8) Ps 146,6 . (9) Jr 33,25 . (10) Jr 51,48 . (11) Jl 4,16 . sjâmâjim wë´èrèts (hemel en aarde) .
- `osheh sjâmajim wë´èrèts (makende hemel en aarde = die hemel en aarde heeft gemaakt) . Tenakh (5) : (1) Ps 115,15 . (2) Ps 121,2 . (3) Ps 124,8 . (4) Ps 134,3 . (5) Ps 146,6 .
- qoneh sjâmajim wë´èrèts (scheppende hemel en aarde = die hemel en aarde heeft geschapen) . Tenakh (2) : (1) Gn 14,19 . (2) Gn 14,22 .

Gn 1,2 - Gn 1,2 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2è de gè èn aoratos kai akataskeuastos kai skotos epanô tès abussou kai pneuma theou epefereto epanô tou udatos  2 terra autem erat inanis et vacua et tenebrae super faciem abyssi et spiritus Dei ferebatur super aquas    2 De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren.  [2] De aarde was woest* en leeg; duisternis lag over de diepte, en de geest* van God zweefde over de wateren.  [2] De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water.*  2 De aarde is woestheid en warboel geweest, met duisternis op het aanschijn van de oervloed,– maar adem van God reeds wervelend over het aanschijn van het water.   2. Or la terre était vide et vague, les ténèbres couvraient l'abîme, un vent de Dieu tournoyait sur les eaux.  

King James Bible . [2] And the earth was without form, and void; and darkness was upon the face of the deep. And the Spirit of God moved upon the face of the waters.
Luther-Bibel . 2 Und die Erde war wüst und leer, und es war finster auf der Tiefe; und der Geist Gottes schwebte auf dem Wasser.

1
2
3
4
5
6-7
8
9
10
11
12-13
14
וְהָאָרֶץ הָיְתָה תֹהוּ וָבֹהוּ וְחֹשֶׁךְ עַל־פְּנֵי תְהוֹם וְרוּחַ אֱלֹהִים מְרַחֶפֶת עַל־פְּנֵי הַמָּיִם׃
wë-hâ-ʾârèts hâjëthâh thôhû wâ-bhohû wë chosjèkh ʿal pëne(j) thëhôm wë-ach ʾêlohîm mërachèphèth ʿal pëne(j) hammâjim
ו · ה · ארץ היה תהו ו · בהו ו · חשׁך על · פן תהום ו · רוח אלהים רחף על · פן ה · מים
en de aarde
was
vormlees
en leeg
en duisternis
over aangezicht van
de diepte
en geest van
God
zweefde
over aangezicht van
de wateren

Tekstuitleg van Gn 1,2 . Vers Gn 1,2 telt 14 (2 X 7) woorden en 52 (2² X 13 of 2 X 26) letters . De getalwaarde van Gn 1,2 is 3546 (2 X 3² X 197) .

Gn 1,2.1. wëhâ´ârèts (en de aarde) < wë + bepaald lidw. ha + ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (38) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (4) . Gn (5) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 2,1 . (3) Gn 2,4 . (4) Gn 34,10 . (5) Gn 34,21 .

Gn 1,2.2. act. qal perf. 3de pers. vr. enk. hâjëthâh (en zij werd) van het werkw. häjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Genesis : hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Dt : hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Jesaja : hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Micha : hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Sefanja : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Een vorm van eimi (zijn) , in de LXX (6947) , in het NT (2450) . Tenakh (114) . Pentateuch (18) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (26) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (30) . Gn (8) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 3,20 . (3) Gn 18,12 . (4) Gn 29,17 . (5) Gn 36,12 . (6) Gn 38,21 . (7) Gn 38,22 . (8) Gn 47,26 .

Gn 1,2.3. thohû (woestenij, leegheid) . Taalgebruik in Tenakh : thohû (woestenij, leegheid) . Getalwaarde : thaw = 22 of 400 , he = 5 , waw = 6 ; totaal : 33 (3 X 11) OF 411 (3 X 137) . Structuur : 4 - 5 - 6 . Tenakh (10) : (1) Gn 1,2 . (2) 1 S 12,21 . (3) Js 24,10 . (4) Js 34,11 . (5) Js 44,9 . (6) Js 45,18 . (7) Js 45,19 . (8) Js 59,4 . (9) Jr 4,23 . (10) Job 26,7 .

4. wâbhohû (en ledigheid) < wë (en) + bohû (ledigheid, eenzaamheid) . Taalgebruik in Tenakh : bohû (ledigheid, eenzaamheid) . Getalwaarde : beth = 2 , he = 5 , waw = 6 ; totaal : 13 . Structuur : 2 - 5 - 6 . Tenakh (2) : (1) Gn 1,2 . (2) Jr 4,23 .

Gn 1,2.9. w-r-û-ch (wërûach = en een geest OF wërèwach = en ruimte, verademing) . wërûach(en geest) : nevenschikkend voegw. wë + zelfst. naamw. rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 . waw = 6 . chet = 8 . Totaal : 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107) . LXX : pneuma (geest) . Taalgebruik in de Septuaginta : pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . E. spirit . Ned. geest . D. Geist . wërûach (en geest) in Tenakh (39) . Pentateuch (4) : Gn (2) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 32,17 (wërèwach : en ruimte) . (3) Ex 10,13 . (4) Nu 11,31 . rûach (geest) in Tenakh (204) . Pentateuch (19) . Gn (7) : (1) Gn 6,17 . (2) Gn 7,15 . (3) Gn 7,22 . (4) Gn 8,1 . (5) Gn 26,35 . (6) Gn 41,38 . (7) Gn 45,27 . rûchî (mijn geest) . Tenakh (31) . Pentateuch (1) Gn 6,3 . Een vorm van pneuma (geest) in het NT (379) , in de LXX (382) , in de Pentateuch (26) , Gn (7) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 6,3 . (3) Gn 6,17 . (4) Gn 7,15 . (5) Gn 8,1 . (6) Gn 41,38 . (7) Gn 45,27 .

Gn 1,2.10. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

Gn 1,2.9. - 10. wërûach ´èlohîm (en de geest van God) . Tenakh (2): (1) Gn 1,2 . (2) 2 Kr 24,20 . rûach ´èlohîm (de geest van God) . Tenakh (13) . Pentateuch (4) : (1) Gn 41,38 . (2) Ex 31,3 . (3) Ex 35,31 . (4) Nu 24,2 .

Gn 1,2.11. mërachèphèth : pi. part. vr. enk. van het werkw. râchaph (trillen, pi. zweven) . Taalgebruik in Tenakh : râchaph (trillen, pi. zweven) . Ned. zweven . D. sweben . E. to move . Deze vorm komt in Tenakh slechts in Gn 1,2 voor .

Gn 1,3 - Gn 1,3 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3kai eipen o theos genèthètô fôs kai egeneto fôs  3 dixitque Deus fiat lux et facta est lux  wajjo´mèr ´èlohîm jëhî ´ôr wajëhî ´ôr 3 En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.  [3] Toen zei God: ‘Er moet licht zijn!’ En er was licht.   [3] God zei: ‘Er moet licht komen,’ en er was licht.   3 Dan zegt God: kome er licht!– en er kómt licht.   3. Dieu dit : Que la lumière soit et la lumière fut.  

King James Bible . And God said, Let there be light: and there was light.
Luther-Bibel . Und Gott sprach: Es werde Licht! Und es ward Licht.

a. wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei)
b. jëhî ´ôr (het zij licht)
c. wajëhî ´ôr (en het was licht)

Tekstuitleg van Gn 1,3 . Dit vers Gn 1,3 telt 6 (2 X 3) woorden , 23 letters . De getalwaarde van Gn 1,3 is 813 (3 X 271) . Het vers bestaat uit drie zinnen : een inleidingszin op een citaat , het citaat in een imperatiefzin en een zin die het resultaat van de imperatiefzin geeft . Elke zin telt 2 woorden . De eerste zin telt 2 woorden , 10 letters en 6 lettergrepen . De tweede zin telt 2 woorden , 6 letters en 3 lettergrepen . De derde zin telt 2 woorden , 7 letters en 4 lettergrepen .

1
2
3
4
5-6
  וַיֹּאמֶר אֱלֹהִים יְהִי אוֹר וַיְהִי־אוֹר׃
  wajjo´mèr ´èlohîm jëhî ´ôr wajëhî ´ôr
  ו · אמר אלהים היה אור ו · היה · אור
  en (God) zei God het zij licht en het was licht

Gn 1,3.1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sagen . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In het werkw. ´âmar (zeggen) zit het woord ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .

Gn 1,3.2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Arabisch : ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Koran : ´allah (Allah) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 . De woorden ´èlohîm (God) en ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalwaarde van ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,3.1. - 2. wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm (en God zei tot hen) . (10) Gn 1,29 . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van 4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) . Beide woorden tellen elk 3 lettergrepen en 5 letters ; totaal : 6 lettergrepen en 10 letters . Dit is het 1ste scheppingswoord van God . Het betreft het licht .

Gn 1,3.3. act. qal jussief 3de pers. mann. enk. jëhî (het zij) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Een vorm van eimi (zijn) in de LXX (6947) , in het NT (2450) . Tenakh (49) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (27) . Gn (6) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 30,34 . (5) Gn 33,9 . (6) Gn 49,17 .

Gn 1,3.4. ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Getalwaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . Gr. fôs (licht) .Taalgebruik in het NT : fôs (licht) . Taalgebruik in de LXX : fôs (licht) . Een vorm van fôs (licht) in de bijbel (209) , het OT (146) , het NT (63) . Lat. lux / lumen . Fr. lumière . E. light . D. Licht . Arabisch : nûr (licht) . Taalgebruik in de Koran : nûr (licht) . Tenakh (55) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (30) . Gn (2) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,4 .
Volgens Gn 1,3 werd het licht op de eerste dag geschapen . ´ôr (licht) begint met de letter aleph (1) . Het heeft ook 2 letters gemeenschappelijk met het werkw. ´âmar (zeggen) , nl. aleph (1) en mem (13 of 40) .
Volgens Gn 1,4 maakte God een scheiding tussen het licht en de duisternis . Licht en duisternis vormen een dualiteit , elkaars tegenpool .
- chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Getalwaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 8 - 3 - 2 . Tenakh (57) . Pentateuch (4) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (33) . Gr. skotos (duisternis) . Lat. tenebrae . Fr. ténèbres . E. darkness . D. Finsternis . Taalgebruik in het NT : skotos (duisternis) . Taalgebruik in de Septuaginta : skotos (duisternis) . Een vorm van skotos (duisternis) in de Septuaginta (120) , in het NT (30) . Gn (1) : Gn 39,9 .

Gn 1,3.5. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,31 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  ind. aor. 3de pers. enk. egeneto  925  730  195  13  17  69  16  6   17  99  115 

Gn 1,3.6. ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Getalwaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . Gr. fôs (licht) .Taalgebruik in het NT : fôs (licht) . Taalgebruik in de LXX : fôs (licht) . Een vorm van fôs (licht) in de bijbel (209) , het OT (146) , het NT (63) . Lat. lux / lumen . Fr. lumière . E. light . D. Licht . Arabisch : nûr (licht) . Taalgebruik in de Koran : nûr (licht) . Tenakh (55) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (30) . Gn (2) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,4 .
Volgens Gn 1,3 werd het licht op de eerste dag geschapen . ´ôr (licht) begint met de letter aleph (1) . Het heeft ook 2 letters gemeenschappelijk met het werkw. ´âmar (zeggen) , nl. aleph (1) en mem (13 of 40) .
Volgens Gn 1,4 maakte God een scheiding tussen het licht en de duisternis . Licht en duisternis vormen een dualiteit , elkaars tegenpool .

Gn 1,4 - Gn 1,4 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4kai eiden o theos to fôs oti kalon kai diechôrisen o theos ana meson tou fôtos kai ana meson tou skotous  4 et vidit Deus lucem quod esset bona et divisit lucem ac tenebras  wajjarë´ ´èlohîm ´èth hâ´ôr wajjabhëdel ´èlohîm be(j)n hâ´ôr ûbe(j)n hachosjèkh 4 En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis.   [4] En God zag dat het licht goed was. God scheidde het licht van de duisternis;   [4] God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis;  4 God ziet het licht aan: ja, het is goed! Zo brengt God scheiding aan tussen het licht en de duisternis.  4. Dieu vit que la lumière était bonne, et Dieu sépara la lumière et les ténèbres.  

King James Bible . [4] And God saw the light, that it was good: and God divided the light from the darkness.
Luther-Bibel . 4 Und Gott sah, dass das Licht gut war. Da schied Gott das Licht von der Finsternis

Tekstuitleg van Gn 1,4 . Het vers Gn 1,4 telt 12 (2² X 3) woorden en 45 (3² X 5) letters . De getalwaarde van Gn 1,4 is 1776 (2² X 2² X 3 X 37) . Het vers Gn 1,4 bevat 2 nevenschikkende zinnen . Volgens Gn 1,3 werd het licht op de eerste dag geschapen . ´ôr (licht) begint met de letter aleph (1) . Volgens Gn 1,4 maakte God een scheiding tussen het licht en de duisternis . Licht en duisternis vormen een dualiteit , elkaars tegenpool . En God zag het licht : zo goed !

Gn 1,4.1. w-j-r` . (1) act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud wajjarë´ (en hij zag) ; (2) passief nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) van het werkw. râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Taalgebruik in Genesis : râ´âh (zien) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 (2 X 13) of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . Gr. horaô (zien) . Taalgebruik in de Septuaginta : horaô (zien) . Taalgebruik in het NT : horaô (zien) . Lat. videre . Fr. voir . Ned. zien . E. to see . D. sehen . Arabisch : ra´â (zien) . Taalgebruik in de Koran : ra´â (zien) . pass. Lat. apparere . Fr. apparaître . E. appear . Ned. verschijnen . D. erscheinen . Een vorm van horaô (zien, verschijnen) in het NT (114) , in de LXX (1539) . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (19) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 .

Gn 1,4.2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Arabisch : ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Koran : ´allah (Allah) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 . De woorden ´èlohîm (God) en ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalwaarde van ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,4.1. - 2. wajjarë´ ´èlohîm (en God zag) . Tenakh (9) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . (8) Gn 6,12 . (9) Ex 2,25 .

Gn 1,4.3. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

Gn 1,4.4. hâ´ôr (het licht) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Getalwaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . Gr. fôs (licht) .Taalgebruik in het NT : fôs (licht) . Taalgebruik in de LXX : fôs (licht) . Een vorm van fôs (licht) in de bijbel (209) , het OT (146) , het NT (63) . Lat. lux / lumen . Fr. lumière . E. light . D. Licht . Arabisch : nûr (licht) . Taalgebruik in de Koran : nûr (licht) . Tenakh (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 . (3) Re 19,26 . (4) Pr 2,13 . (5) Pr 11,7 . (6) Neh 8,3 .
Volgens Gn 1,3 werd het licht op de eerste dag geschapen . ´ôr (licht) begint met de letter aleph (1) . Het heeft ook 2 letters gemeenschappelijk met het werkw. ´âmar (zeggen) , nl. aleph (1) en mem (13 of 40) .
Volgens Gn 1,4 maakte God een scheiding tussen het licht en de duisternis . Licht en duisternis vormen een dualiteit , elkaars tegenpool .

Gn 1,4.5. kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Structuur : 2 - 1 . Tenakh (3849) . Pentateuch (884) . Eerdere Profeten (726) . Latere Profeten (841) . 12 Kleine Profeten (241) . Geschriften (1157) . Gn (251) . Gn 1 (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . Gr. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in de Septuaginta : hoti (dat, omdat) . Gn (161) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 . (4) Gn 1,12 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 1,21 . (7) Gn 1,25 .

hoti ( dat , omdat )  bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  4396  3213  1183  137  92  160  237  114  389  54  389  626 

Gn 1,4.6. tôbh (goed) . Taalgebruik in Tenakh : tôbh (goed) . Getalwaarde : tet = 9 , waw = 6 , beth = 2 ; totaal : 17 . Structuur : 9 - 6 - 2 . Gr. agathos . Taalgebruik in het NT : agathos (goed) . Taalgebruik in de LXX : agathos (goed) . N. goed. D. gut . E. good . Arabisch : DHîb (goed) . Taalgebruik in de Koran : DHîb (goed) . Tenakh (290) . Pentateuch (38) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (23) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (166) . Gn (23) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . (8) Gn 2,9 . (9) Gn 2,12 . (10) Gn 2,17 . (11) Gn 2,18 . (12) Gn 3,5 . (13) Gn 3,6 . (14) Gn 3,22 . (15) Gn 24,10 . (16) Gn 24,50 . (17) Gn 26,29 . (18) Gn 29,19 . (19) Gn 30,20 . (20) Gn 40,16 . (21) Gn 45,18 . (22) Gn 45,20 . (23) Gn 49,15 .
- kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in het NT : kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in de LXX : kalos (goed, mooi, schoon) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 . (4) Gn 1,12 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 2,9 . (7) Gn 2,12 . (8) Gn 2,17 . (9) Gn 2,18 . (10) Gn 3,5 . (11) Gn 3,6 . (12) Gn 3,22 . (13) Gn 18,7 . (14) Gn 30,20 . (15) Gn 49,14 .

kalos (goed) bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev. P. A. b.
nom. + acc. onz. enk. + acc. mann. enk. kalon 125 75 50 13 9 5 1   22   27 28 20 2

Gn 1,4.5. - 6. kî tôbh (want mooi, zo mooi) . Tenakh (43) . Gn (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 .

Gn 1,4.7. waw. consect. + werkw.vorm act. hifil imperf. (jaqtil) 3de pers. enk. wajjabhëdel (en hij maakte een scheiding) van het werkw. bâdal (afscheiden, verdelen) . Taalgebruik in Tenakh : bâdal (afscheiden, verdelen) . Tenakh (3) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) 1 Kr 23,13 . Lat. dividere . E. divide . D. scheiden . Fr. séparer . Arabisch : faSala (scheiden) . Taalgebruik in de Koran : faSala (scheiden) .
- act. ind. aor. 3de pers. enk. diechôrisen (hij maakte een scheiding) van het werkw. diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) . Taalgebruik in de Septuaginta : diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) . LXX (5) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 30,40 . (4) 2 Kr 25,10. (5) Sir 33,11 . Een vorm van diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) in de LXX (27) , in het NT (1) Lc 9,33 .

Gn 1,4.8. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Arabisch : ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Koran : ´allah (Allah) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 . De woorden ´èlohîm (God) en ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalwaarde van ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1

Gn 1,4.9. be(j)n (tussen) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) . Getalwaarde : beth = 2 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 2 - 1 - 5 . Tenakh (165) . Pentateuch (61) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (24) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (25) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,14 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 9,16 . (7) Gn 10,12 . (8) Gn 13,3 . (9) Gn 13,7 . (10) Gn 15,17 . (11) Gn 16,14 . (12) Gn 20,1 . (13) Gn 31,37 . (14) Gn 32,17 . (15) Gn 49,14 .

Gn 1,4.10. hâ´ôr (het licht) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Getalwaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . Gr. fôs (licht) .Taalgebruik in het NT : fôs (licht) . Taalgebruik in de LXX : fôs (licht) . Een vorm van fôs (licht) in de bijbel (209) , het OT (146) , het NT (63) . Lat. lux / lumen . Fr. lumière . E. light . D. Licht . Arabisch : nûr (licht) . Taalgebruik in de Koran : nûr (licht) . Tenakh (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 . (3) Re 19,26 . (4) Pr 2,13 . (5) Pr 11,7 . (6) Neh 8,3 .

Gn 1,4.11. ûbhe(j)n (en tussen) < waw + be(j)n (tussen) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) . Getalwaarde : beth = 2 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 2 - 1 - 5 . Tenakh (108) . Pentateuch (46) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (12) . Gn (20) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 3,15 . (6) Gn 9,12 . (7) Gn 9,13 . (8) Gn 9,15 . (9) Gn 9,16 . (10) Gn 9,17 . (11) Gn 10,12 . (12) Gn 13,3. (13) Gn 13,7 . (14) Gn 13,8 . (15) Gn 16,14 . (16) Gn 17,7 . (17) Gn 17,10 . (18) Gn 20,1 . (19) Gn 30,36 . (20) Gn 32,17 .

Gn 1,4.12. hachosjèkh (de duisternis) < bepaald lidw. ha + chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Getalwaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 8 - 3 - 2 . Tenakh (57) . Gr. skotos (duisternis) . Taalgebruik in het NT : skotos (duisternis) . Taalgebruik in de Septuaginta : skotos (duisternis) . Een vorm van skotos (duisternis) in de Septuaginta (120) , in het NT (30) . Lat. tenebrae . Fr. ténèbres . E. darkness . D. Finsternis . Arabisch : DHalâm (duisternis) . Taalgebruik in de Koran : DHalâm (duisternis) . Tenakh (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 . (3) Dt 5,23 . (4) Js 60,2 . (5) Pr 2,13 . (6) Pr 11,8 . Tegenover duisternis staat licht . Hebr. ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) .

Gn 1,4.9. - 12. be(j)n hâ´ôr ûbe(j)n hachosjèkh (tussen het licht en tussen de duisternis) . Tenakh (2) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 .

Gn 1,5 - Gn 1,5 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5kai ekalesen o theos to fôs èmeran kai to skotos ekalesen nukta kai egeneto espera kai egeneto prôi èmera mia 5 appellavitque lucem diem et tenebras noctem factumque est vespere et mane dies unus    5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.  [5] het licht noemde God dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de eerste dag.  [5] het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. De eerste dag.   5 God roept tot het licht ‘dag’ en tot het duister heeft hij geroepen ‘nacht’; er komt een avond en er komt een ochtend: één dag. •  5. Dieu appela la lumière jour et les ténèbres nuit . Il y eut un soir et il y eut un matin : premier jour. 

King James Bible . [5] And God called the light Day, and the darkness he called Night. And the evening and the morning were the first day.
Luther-Bibel . 5 und nannte das Licht Tag und die Finsternis Nacht. Da ward aus Abend und Morgen der erste Tag.

Arab. waqâla ´Allah lîkun nûr

Tekstuitleg van Gn 1,5 . Het vers Gn 1,5 telt 13 woorden en 49 (7²) letters . De getalwaarde van Gn 1,5 is 2141 .

Gn 1,5.1. wajjiqërâ´(en hij riep, hij heet, hij noemde) < waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Arabisch : qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Koran : qâla (zeggen) . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .

Gn 1,5.2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Arabisch : ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Koran : ´allah (Allah) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 . De woorden ´èlohîm (God) en ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalwaarde van ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

1. - 2. wajjiqërâ´ ´èlohîm (en God riep) . Tenakh (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .

8. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  ind. aor. 3de pers. enk. egeneto  925  730  195  13  17  69  16  6   17  99  115 

Gn 1,5.9. `èrèbh (avond) . Taalgebruik in Tenakh : `èrèbh (avond) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , resj = 20 of 200 , beth = 2 ; totaal : 38 (2 X 19) . Structuur : 2 X 19 . x-b/v-n . Avond . D. Abend . E. evening . Lat. ad vesperas . Gr. hespera . Arabisch : masâ´ (avond) . Taalgebruik in de Koran : masâ´ (avond) . Een vorm van hespera (avond) in de LXX (129) , in het NT (3) . Tenakh (48) . Pentateuch (20) . Eerdere Profeten (2) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (18) . Gn (10) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 . (7) Gn 8,11 . (8) Gn 24,11 . (9) Gn 24,63 . (10) Gn 44,32 .

10. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij/het was) van het werkw. hâjâh (zijn) van het werkw. De getalwaarde van wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 . Totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . OT (678) . Pentateuch (156) . Eerdere Profeten (289) . Latere Profeten (126) . 12 Kleine Profeten (26) . Geschriften (131) . NT (195) . Gr. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij / zij was) . Bijbel (1506) . OT (1120) . Pentateuch (329) . Eerdere Profeten (219) . Latere Profeten (146) . 12 Kleine Profeten (32) . Geschriften (193) . NT (386) .

Gn 1,6 - Gn 1,6 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
6kai eipen o theos genèthètô stereôma en mesô tou udatos kai estô diachôrizon ana meson udatos kai udatos kai egeneto outôs  6 dixit quoque Deus fiat firmamentum in medio aquarum et dividat aquas ab aquis  wajj´omèr ´èlohîm  6 ¶ En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren!  [6] En God zei: ‘Er moet een uitspansel* zijn tussen de wateren, een afscheiding tussen het ene water en het andere.’   [6] God zei: ‘Er moet midden in het water een gewelf komen dat de watermassa’s van elkaar scheidt.’  6 ¶ Dan zegt God: kome er een gewelf in het water,– kome er scheiding tussen water en water!   6. Dieu dit : Qu'il y ait un firmament au milieu des eaux et qu'il sépare les eaux d'avec les eaux et il en fut ainsi.  

King James Bible . [6] And God said, Let there be a firmament in the midst of the waters, and let it divide the waters from the waters.
Luther-Bibel . 6 Und Gott sprach: Es werde eine Feste zwischen den Wassern, die da scheide zwischen den Wassern.

Tekstuitleg van Gn 1,6 . Het vers Gn 1,6 telt 11 woorrden en 44 (4 X 11) letters ; verhouding : 1 op 4 . De getalwaarde van Gn 1,6 is 1660 (2² X 5 X 83) . Het tweede scheppingswoord van God .

1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sagen . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In het werkw. ´âmar (zeggen) zit het woord ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .

2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

1. - 2. wajj´omèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm (en God zei tot hen) . (10) Gn 1,29 . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van 4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) .

3. act. qal imperat. (jussief) 3de pers. mann. enk. jëhî (het zij) van het werkw. häjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Een vorm van eimi (zijn) , in de LXX (6947) , in het NT (2450) . Tenakh (49) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (27) . Gn (6) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 30,34 . (5) Gn 33,9 . (6) Gn 49,17 .

7. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  ind. aor. 3de pers. enk. egeneto  925  730  195  13  17  69  16  6   17  99  115 

 

Gn 1,7 - Gn 1,7 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7kai epoièsen o theos to stereôma kai diechôrisen o theos ana meson tou udatos o èn upokatô tou stereômatos kai ana meson tou udatos tou epanô tou stereômatos  7 et fecit Deus firmamentum divisitque aquas quae erant sub firmamento ab his quae erant super firmamentum et factum est ita    7 En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het was alzo.  [7] En God maakte het uitspansel; Hij scheidde het water* onder het uitspansel van het water erboven. Zo gebeurde het.   [7] En zo gebeurde het. God maakte het gewelf en scheidde het water onder het gewelf van het water erboven.  7 Dan maakt God het gewelf en brengt hij scheiding aan tussen de wateren onder het gewelf en de wateren boven het gewelf; zo komt het tot stand.  7. Dieu fit le firmament, qui sépara les eaux qui sont sous le firmament d'avec les eaux qui sont au-dessus du firmament,  

King James Bible . [7] And God made the firmament, and divided the waters which were under the firmament from the waters which were above the firmament: and it was so.
Luther-Bibel . 7 Da machte Gott die Feste und schied das Wasser unter der Feste von dem Wasser über der Feste. Und es geschah so.

Tekstuitleg van Gn 1,7 . Het vers Gn 1,7 telt 17 woorden en 65 (5 X 13) letters . De getalwaarde van Gn 1,7 is 4541 (19 X 239) .

2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

3. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

5. waw. consect. + werkw.vorm act. hifil imperf. (jaqtil) 3de pers. enk. wajjabhëdel (en hij maakte een scheiding) van het werkw. bâdal (afscheiden, verdelen) . Taalgebruik in Tenakh : bâdal (afscheiden, verdelen) . Tenakh (3) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) 1 Kr 23,13 .

16. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  ind. aor. 3de pers. enk. egeneto  925  730  195  13  17  69  16  6   17  99  115 
Gn 1,8 - Gn 1,8 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8kai ekalesen o theos to stereôma ouranon kai eiden o theos oti kalon kai egeneto espera kai egeneto prôi èmera deutera  8 vocavitque Deus firmamentum caelum et factum est vespere et mane dies secundus    8 En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de tweede dag.  [8] Het uitspansel noemde God hemel. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de tweede dag.   [8] Hij noemde het gewelf hemel. Het werd avond en het werd morgen. De tweede dag.  8 God roept tot het gewelf ‘hemel’; er komt een avond en er komt een ochtend: tweede dag. •  8. et Dieu appela le firmament ciel . Il y eut un soir et il y eut un matin : deuxième jour.  

King James Bible . [8] And God called the firmament Heaven. And the evening and the morning were the second day.
Luther-Bibel . 8 Und Gott nannte die Feste Himmel. Da ward aus Abend und Morgen der zweite Tag.

Tekstuitleg van Gn 1,8 . Het vers Gn 1,8 telt 10 (2 X 5) woorden en 39 (3 X 13) letters . De getalwaarde van Gn 1,8 is 2255 (5 X 11 X 41) .

Gn 1,8.1. wajjiqërâ´(en hij riep, hij heet, hij noemde) < waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Arabisch : qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Koran : qâla (zeggen) . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .

Gn 1,8.2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Arabisch : ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Koran : ´allah (Allah) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 . De woorden ´èlohîm (God) en ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalwaarde van ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,8.1. - 2. wajjiqërâ´ ´èlohîm (en God riep) . Tenakh (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .

5. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  ind. aor. 3de pers. enk. egeneto  925  730  195  13  17  69  16  6   17  99  115 

7. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  ind. aor. 3de pers. enk. egeneto  925  730  195  13  17  69  16  6   17  99  115 
Gn 1,9 - Gn 1,9 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9kai eipen o theos sunachthètô to udôr to upokatô tou ouranou eis sunagôgèn mian kai ofthètô è xèra kai egeneto outôs kai sunèchthè to udôr to upokatô tou ouranou eis tas sunagôgas autôn kai ôfthè è xèra  9 dixit vero Deus congregentur aquae quae sub caelo sunt in locum unum et appareat arida factumque est ita   wajj´omèr ´èlohîm  9 ¶ En God zeide: Dat de wateren van onder den hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! En het was alzo.   [9] En God zei: ‘Het water onder de hemel moet naar één plaats samenvloeien, zodat het droge zichtbaar wordt.’ Zo gebeurde het.   [9] God zei: ‘Het water onder de hemel moet naar één plaats stromen, zodat er droog land verschijnt.’ En zo gebeurde het.  9 ¶ Dan zegt God: dat de wateren onder de hemel te hoop lopen naar één oord, en zichtbaar worde het droge!– en zo komt het tot stand.  9. Dieu dit : Que les eaux qui sont sous le ciel s'amassent en une seule masse et qu'apparaisse le continent et il en fut ainsi.  

King James Bible . [9] And God said, Let the waters under the heaven be gathered together unto one place, and let the dry land appear: and it was so.
Luther-Bibel . 9 Und Gott sprach: Es sammle sich das Wasser unter dem Himmel an besondere Orte, dass man das Trockene sehe. Und es geschah so.

Tekstuitleg van Gn 1,9 . Het vers telt 13 woorden en 52 (2² X 13) letters ; verhouding : 1 op 4 . De getalwaarde van 3068 (2² X 13 X 59) . Het 3de scheppingswoord van God .

1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sagen . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In het werkw. ´âmar (zeggen) zit het woord ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .

2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

1. - 2. wajj´omèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm (en God zei tot hen) . (10) Gn 1,29 . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van 4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) .

12. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  ind. aor. 3de pers. enk. egeneto  925  730  195  13  17  69  16  6   17  99  115 
Gn 1,10 - Gn 1,10 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10kai ekalesen o theos tèn xèran gèn kai ta sustèmata tôn udatôn ekalesen thalassas kai eiden o theos oti kalon  10 et vocavit Deus aridam terram congregationesque aquarum appellavit maria et vidit Deus quod esset bonum     10 En God noemde het droge aarde, en de vergadering der wateren noemde Hij zeeen; en God zag, dat het goed was.  [10] Het droge noemde God land, en het samengevloeide water noemde Hij zee. En God zag dat het goed was.   [10] Het droge noemde hij aarde, het samengestroomde water noemde hij zee. En God zag dat het goed was.   10 God roept tot het droge ‘aarde’ en tot de ophoping van de wateren heeft hij geroepen ‘zeeën’; God ziet het aan: ja, het is goed!  10. Dieu appela le continent terre et la masse des eaux mers, et Dieu vit que cela était bon.  

King James Bible . [10] And God called the dry land Earth; and the gathering together of the waters called he Seas: and God saw that it was good.
Luther-Bibel . 10 Und Gott nannte das Trockene Erde, und die Sammlung der Wasser nannte er Meer. Und Gott sah, dass es gut war.

Tekstuitleg van Gn 1,10 . Het vers Gn 1,10 telt 12 (2² X 3) en 49 (7²) woorden . De getalwaarde van Gn 1,10 is 2074 (2 X 17 X 61) .

Gn 1,10.1. wajjiqërâ´(en hij riep, hij heet, hij noemde) < waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Arabisch : qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Koran : qâla (zeggen) . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .

Gn 1,10.2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Arabisch : ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Koran : ´allah (Allah) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 . De woorden ´èlohîm (God) en ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalwaarde van ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,10.1. - 2. wajjiqërâ´ ´èlohîm (en God riep) . Tenakh (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .

Gn 1,10.10. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Arabisch : ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Koran : ´allah (Allah) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 . De woorden ´èlohîm (God) en ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalwaarde van ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .

Gn 1,11 - Gn 1,11 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11kai eipen o theos blastèsatô è gè botanèn chortou speiron sperma kata genos kai kath' omoiotèta kai xulon karpimon poioun karpon ou to sperma autou en autô kata genos epi tès gès kai egeneto outôs  11 et ait germinet terra herbam virentem et facientem semen et lignum pomiferum faciens fructum iuxta genus suum cuius semen in semet ipso sit super terram et factum est ita wajj´omèr ´èlohîm  11 En God zeide: Dat de aarde uitschiete grasscheutjes, kruid zaadzaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, welks zaad daarin zij op de aarde! En het was alzo.  [11] En God zei: ‘Het land moet zich tooien met jong groen gras, zaadvormend gewas en vruchtbomen die ieder naar zijn soort hun vruchten dragen, met zaad erin.’ Zo gebeurde het.   [11] God zei: ‘Overal op aarde moet jong groen ontkiemen: zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten dragen met zaad erin.’ En zo gebeurde het.   11 Dan zegt God: laat de aarde groen doen groeien, een gewas dat zaad zaait, een vruchtdragend geboomte dat vruchten maakt naar zijn soort met daarin zijn zaad over de aarde!– en zo komt het tot stand.   11. Dieu dit : Que la terre verdisse de verdure : des herbes portant semence et des arbres fruitiers donnant sur la terre selon leur espèce des fruits contenant leur semence et il en fut ainsi. 

King James Bible . [11] And God said, Let the earth bring forth grass, the herb yielding seed, and the fruit tree yielding fruit after his kind, whose seed is in itself, upon the earth: and it was so.
Luther-Bibel . 11 Und Gott sprach: Es lasse die Erde aufgehen Gras und Kraut, das Samen bringe, und fruchtbare Bäume auf Erden, die ein jeder nach seiner Art Früchte tragen, in denen ihr Same ist. Und es geschah so.

Tekstuitleg van Gn 1,11 . Het vers Gn 1,11 telt 20 (2² X 5) woorden en 69 (3 X 23) letters . De getalwaarde van Gn 1,11 is 5165 (5 X 1033) .

1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sagen . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In het werkw. ´âmar (zeggen) zit het woord ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .

2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

1. - 2. wajj´omèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm (en God zei tot hen) . (10) Gn 1,29 . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van 4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) .

4. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .

18. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .

19. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  ind. aor. 3de pers. enk. egeneto  925  730  195  13  17  69  16  6   17  99  115 

 

Gn 1,12 - Gn 1,12 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12kai exènegken è gè botanèn chortou speiron sperma kata genos kai kath' omoiotèta kai xulon karpimon poioun karpon ou to sperma autou en autô kata genos epi tès gès kai eiden o theos oti kalon  12 et protulit terra herbam virentem et adferentem semen iuxta genus suum lignumque faciens fructum et habens unumquodque sementem secundum speciem suam et vidit Deus quod esset bonum   12 En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiende naar zijn aard, en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was, naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.   [12] En uit het land schoot jong groen op, gras, zaadvormend gewas, in allerlei soorten, en bomen die ieder naar zijn soort hun vruchten droegen, met zaad erin. En God zag dat het goed was.  [12] De aarde bracht jong groen voort: allerlei zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten droegen met zaad erin. En God zag dat het goed was.   12 En de aarde brengt al wat groen is naar buiten, gewas dat zaad zaait naar zijn soort en geboomte dat vruchten maakt met daarin zijn zaad, naar zijn soort; God ziet het aan: ja, het is goed!  12. La terre produisit de la verdure : des herbes portant semence selon leur espèce, des arbres donnant selon leur espèce des fruits contenant leur semence, et Dieu vit que cela était bon.  

King James Bible . [12] And the earth brought forth grass, and herb yielding seed after his kind, and the tree yielding fruit, whose seed was in itself, after his kind: and God saw that it was good.
Luther-Bibel . 12 Und die Erde ließ aufgehen Gras und Kraut, das Samen bringt, ein jedes nach seiner Art, und Bäume, die da Früchte tragen, in denen ihr Same ist, ein jeder nach seiner Art. Und Gott sah, dass es gut war.

Tekstuitleg van Gn 1,12 . Het vers Gn 1,12 telt 18 (2 X 3²) woorden en 67 letters . De getalwaarde van Gn 1,12 is 4335 (3 X 5 X 17²) .

1.

2. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .

15. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

Gn 1,13 - Gn 1,13 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13kai egeneto espera kai egeneto prôi èmera tritè  13 factumque est vespere et mane dies tertius   13 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de derde dag.   [13] Het werd avond en het werd ochtend; dat was de derde dag.   [13] Het werd avond en het werd morgen. De derde dag.   13 Er komt een avond en er komt een ochtend: derde dag. •   13. Il y eut un soir et il y eut un matin : troisième jour.  

King James Bible . [13] And the evening and the morning were the third day.
Luther-Bibel . 13 Da ward aus Abend und Morgen der dritte Tag.

Tekstuitleg van Gn 1,13 . Het vers Gn 1,13 telt 6 (2 X 3) woorden en 22 (2 X 11) letters . De getalwaarde van Gn 1,13 is 1342 (2 X 11 X 61) . Met dit vers worden de eerste drie scheppingsdagen afgesloten .

1. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  ind. aor. 3de pers. enk. egeneto  925  730  195  13  17  69  16  6   17  99  115 

3. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  ind. aor. 3de pers. enk. egeneto  925  730  195  13  17  69  16  6   17  99  115 

 

Gn 1,14 - Gn 1,14 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14kai eipen o theos genèthètôsan fôstères en tô stereômati tou ouranou eis fausin tès gès tou diachôrizein ana meson tès èmeras kai ana meson tès nuktos kai estôsan eis sèmeia kai eis kairous kai eis èmeras kai eis eniautous  14 dixit autem Deus fiant luminaria in firmamento caeli ut dividant diem ac noctem et sint in signa et tempora et dies et annos   14 ¶ En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren!   [14] En God zei: ‘Er moeten lichten zijn aan het hemelgewelf, die de dag van de nacht zullen scheiden; zij moeten als tekens dienen, voor zowel de feesten als voor de dagen en de jaren, [14] God zei: ‘Er moeten lichten aan het hemelgewelf komen om de dag te scheiden van de nacht. Ze moeten de seizoenen aangeven en de dagen en de jaren,   14 ¶ Dan zegt God: kome er: lichten aan het gewelf van de hemel om scheiding aan te brengen tussen de dag en de nacht; komen moeten die er als tekenen en samenkomsttijden, voor dagen en jaren;   14. Dieu dit : Qu'il y ait des luminaires au firmament du ciel pour séparer le jour et la nuit; qu'ils servent de signes, tant pour les fêtes que pour les jours et les années; 

King James Bible . [14] And God said, Let there be lights in the firmament of the heaven to divide the day from the night; and let them be for signs, and for seasons, and for days, and years:
Luther-Bibel . 14 Und Gott sprach: Es werden Lichter an der Feste des Himmels, die da scheiden Tag und Nacht und geben Zeichen, Zeiten, Tage und Jahre

Tekstuitleg van Gn 1,14 . Het vers Gn 1,14 telt 16 (2² X 2²) woorden en 76 (2² X 19) letters . De getalwaarde van Gn 1,14 is 3744 (2² X 2³ X 3² X 13) . De 2de helft van de scheppingsweek begint .

1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sagen . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In het werkw. ´âmar (zeggen) zit het woord ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .

2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

1. - 2. wajj´omèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm (en God zei tot hen) . (10) Gn 1,29 . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van 4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) .

3. act. qal imperat. (jussief) 3de pers. mann. enk. jëhî (het zij) van het werkw. häjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Een vorm van eimi (zijn) , in de LXX (6947) , in het NT (2450) . Tenakh (49) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (27) . Gn (6) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 30,34 . (5) Gn 33,9 . (6) Gn 49,17 .

Gn 1,15 - Gn 1,15 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15kai estôsan eis fausin en tô stereômati tou ouranou ôste fainein epi tès gès kai egeneto outôs 15 ut luceant in firmamento caeli et inluminent terram et factum est ita   15 En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde! En het was alzo.  [15] en als lampen aan het hemelgewelf om de aarde te verlichten.’ Zo gebeurde het.   [15] en ze moeten dienen als lampen aan het hemelgewelf, om licht te geven op de aarde.’ En zo gebeurde het. 15 komen moeten ze als lichten aan het gewelf van de hemel om licht te brengen over de aarde!– en zo komt het tot stand.   15. qu'ils soient des luminaires au firmament du ciel pour éclairer la terre et il en fut ainsi.  

King James Bible . [15] And let them be for lights in the firmament of the heaven to give light upon the earth: and it was so.
Luther-Bibel . 15 und seien Lichter an der Feste des Himmels, dass sie scheinen auf die Erde. Und es geschah so.

Tekstuitleg van Gn 1,15 . Het vers Gn 1,15 telt 9 (3²) woorden en 37 letters . De getalwaarde van Gn 1,15 is 2224 (2² X 2² X 139) .

7. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .

8. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  ind. aor. 3de pers. enk. egeneto  925  730  195  13  17  69  16  6   17  99  115 
Gn 1,16 - Gn 1,16 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
16kai epoièsen o theos tous duo fôstèras tous megalous ton fôstèra ton megan eis archas tès èmeras kai ton fôstèra ton elassô eis archas tès nuktos kai tous asteras  16 fecitque Deus duo magna luminaria luminare maius ut praeesset diei et luminare minus ut praeesset nocti et stellas   16 God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren.   [16] God maakte de twee grote lampen*, de grootste om over de dag te heersen, de kleinste om te heersen over de nacht, en Hij maakte ook de sterren.  [16] God maakte de twee grote lichten, het grootste om over de dag te heersen, het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de sterren.   16 God maakt de twee grote lichten: het grote licht voor het beheer van de dag, het kleine licht voor het beheer van de nacht, en ook de sterren.  16. Dieu fit les deux luminaires majeurs : le grand luminaire comme puissance du jour et le petit luminaire comme puissance de la nuit, et les étoiles. 

King James Bible . [16] And God made two great lights; the greater light to rule the day, and the lesser light to rule the night: he made the stars also.
Luther-Bibel . 16 Und Gott machte zwei große Lichter: ein großes Licht, das den Tag regiere, und ein kleines Licht, das die Nacht regiere, dazu auch die Sterne.

Tekstuitleg van Gn 1,16 . Het vers Gn 1,16 telt 18 (2 X 3²) woorden en 79 letters . De getalwaarde van Gn 1,16 is 5820 (2² X 3 X 5 X 97) .

2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

3. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

7. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

12.´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

Gn 1,17 - Gn 1,17 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
17kai etheto autous o theos en tô stereômati tou ouranou ôste fainein epi tès gès  17 et posuit eas in firmamento caeli ut lucerent super terram    17 En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.   [17] God gaf ze een plaats aan het hemelgewelf om de aarde te verlichten,  [17] Hij plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde,   17 God geeft ze aan het gewelf van de hemel om licht te brengen over de aarde,   17. Dieu les plaça au firmament du ciel pour éclairer la terre,  

King James Bible . [17] And God set them in the firmament of the heaven to give light upon the earth,
Luther-Bibel . 17 Und Gott setzte sie an die Feste des Himmels, dass sie schienen auf die Erde

Tekstuitleg van Gn 1,17 .

3. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

8. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .

Gn 1,18 - Gn 1,18 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
18kai archein tès èmeras kai tès nuktos kai diachôrizein ana meson tou fôtos kai ana meson tou skotous kai eiden o theos oti kalon  18 et praeessent diei ac nocti et dividerent lucem ac tenebras et vidit Deus quod esset bonum   18 En om te heersen op den dag, en in den nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was.  [18] om te heersen over de dag en over de nacht, en om het licht van de duisternis te scheiden. En God zag dat het goed was.   [18] om te heersen over de dag en de nacht en om het licht te scheiden van de duisternis. En God zag dat het goed was.   18 om te beheren de dag en de nacht, om scheiding aan te brengen tussen het licht en de duisternis; God ziet het aan: ja, het is goed!   18. pour commander au jour et à la nuit, pour séparer la lumière et les ténèbres, et Dieu vit que cela était bon.  

King James Bible . [18] And to rule over the day and over the night, and to divide the light from the darkness: and God saw that it was good.
Luther-Bibel . 18 und den Tag und die Nacht regierten und schieden Licht und Finsternis. Und Gott sah, dass es gut war.

Tekstuitleg van Gn 1,18 . Het vers Gn 1,18 telt 12 (2² X 3) woorden en 51 (3 X 17) letters . De getalwaarde van Gn 1,18 is 1659 (3 X 7 X 71) .

Gn 1,18 .6. hâ´ôr (het licht) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Getalwaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . Gr. fôs (licht) .Taalgebruik in het NT : fôs (licht) . Taalgebruik in de LXX : fôs (licht) . Een vorm van fôs (licht) in de bijbel (209) , het OT (146) , het NT (63) . Lat. lux / lumen . Fr. lumière . E. light . D. Licht . Arabisch : nûr (licht) . Taalgebruik in de Koran : nûr (licht) . Tenakh (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 . (3) Re 19,26 . (4) Pr 2,13 . (5) Pr 11,7 . (6) Neh 8,3 .
Volgens Gn 1,3 werd het licht op de eerste dag geschapen . ´ôr (licht) begint met de letter aleph (1) . Het heeft ook 2 letters gemeenschappelijk met het werkw. ´âmar (zeggen) , nl. aleph (1) en mem (13 of 40) .
Volgens Gn 1,4 maakte God een scheiding tussen het licht en de duisternis . Licht en duisternis vormen een dualiteit , elkaars tegenpool .

10. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

Gn 1,19 - Gn 1,19 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
19kai egeneto espera kai egeneto prôi èmera tetartè  19 et factum est vespere et mane dies quartus   19 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vierde dag.  [19] Het werd avond en het werd ochtend; dat was de vierde dag.   [19] Het werd avond en het werd morgen. De vierde dag.   19 Er komt een avond en er komt een ochtend: vierde dag. •  19. Il y eut un soir et il y eut un matin : quatrième jour. 

King James Bible . [19] And the evening and the morning were the fourth day.
Luther-Bibel . 19 Da ward aus Abend und Morgen der vierte Tag.

Tekstuitleg van Gn 1,19 .

1. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  ind. aor. 3de pers. enk. egeneto  925  730  195  13  17  69  16  6   17  99  115 

3. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  ind. aor. 3de pers. enk. egeneto  925  730  195  13  17  69  16  6   17  99  115 
Gn 1,20 - Gn 1,20 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
20kai eipen o theos exagagetô ta udata erpeta psuchôn zôsôn kai peteina petomena epi tès gès kata to stereôma tou ouranou kai egeneto outôs  20 dixit etiam Deus producant aquae reptile animae viventis et volatile super terram sub firmamento caeli  wajj´omèr ´èlohîm  20 ¶ En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels!   [20] En God zei: ‘Het water moet wemelen van dieren en boven het land moeten de vogels vliegen langs het hemelgewelf.’  [20] God zei: ‘Het water moet wemelen van levende wezens, en boven de aarde, langs het hemelgewelf, moeten vogels vliegen.’   20 ¶ Dan zegt God: laten de wateren wemelen van het gewriemel van bezield leven,– en laat er gevogelte vliegen over de aarde, over het aanschijn van het gewelf, de hemel!  20. Dieu dit : Que les eaux grouillent d'un grouillement d'êtres vivants et que des oiseaux volent au-dessus de la terre contre le firmament du ciel et il en fut ainsi.  

King James Bible . [20] And God said, Let the waters bring forth abundantly the moving creature that hath life, and fowl that may fly above the earth in the open firmament of heaven.
Luther-Bibel . 20 Und Gott sprach: Es wimmle das Wasser von lebendigem Getier, und Vögel sollen fliegen auf Erden unter der Feste des Himmels.

Tekstuitleg van Gn 1,20 .

1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sagen . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In het werkw. ´âmar (zeggen) zit het woord ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .

2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

1. - 2. wajj´omèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm (en God zei tot hen) . (10) Gn 1,29 . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van 4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) .

11. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .

Gn 1,21 - Gn 1,21 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
21kai epoièsen o theos ta kètè ta megala kai pasan psuchèn zôôn erpetôn a exègagen ta udata kata genè autôn kai pan peteinon pterôton kata genos kai eiden o theos oti kala  21 creavitque Deus cete grandia et omnem animam viventem atque motabilem quam produxerant aquae in species suas et omne volatile secundum genus suum et vidit Deus quod esset bonum    21 En God schiep de grote walvissen, en alle levende wremelende ziel, welke de wateren overvloediglijk voortbrachten, naar haar aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.  [21] Toen schiep God de grote zeemonsters* en al de krioelende dieren, waar het water van wemelt, soort na soort, en al de gevleugelde dieren, soort na soort. En God zag dat het goed was.   21] En hij schiep de grote zeemonsters en alle soorten levende wezens waarvan het water wemelt en krioelt, en ook alles wat vleugels heeft. En God zag dat het goed was.  21 En God schept de grote gedrochten,– en alle levende ziel die rondkruipt, waarvan de wateren zijn gaan wemelen, in hun soorten, en elke gevleugelde vogel in zijn soorten; God ziet het aan: ja, het is goed!  21. Dieu créa les grands serpents de mer et tous les êtres vivants qui glissent et qui grouillent dans les eaux selon leur espèce, et toute la gent ailée selon son espèce, et Dieu vit que cela était bon.  

King James Bible . [21] And God created great whales, and every living creature that moveth, which the waters brought forth abundantly, after their kind, and every winged fowl after his kind: and God saw that it was good.
Luther-Bibel . 21 Und Gott schuf große Walfische und alles Getier, das da lebt und webt, davon das Wasser wimmelt, ein jedes nach seiner Art, und alle gefiederten Vögel, einen jeden nach seiner Art. Und Gott sah, dass es gut war.

Tekstuitleg van Gn 1,21 .

2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

3. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

6. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

15. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

21. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

Gn 1,22 - Gn 1,22 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22kai èulogèsen auta o theos legôn auxanesthe kai plèthunesthe kai plèrôsate ta udata en tais thalassais kai ta peteina plèthunesthôsan epi tès gès 22 benedixitque eis dicens crescite et multiplicamini et replete aquas maris avesque multiplicentur super terram     22 En God zegende ze, zeggende: Zijt vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeen; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde!  [22] God zegende ze en Hij sprak: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk; bevolk het water van de zee, en laat de vogels talrijk worden op het land.’  [22] God zegende ze met de woorden: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk en vul het water van de zee. En ook de vogels moeten talrijk worden, overal op aarde.’  22 Dan zegent God hen, en zegt: draagt vrucht, weest overvloedig, vult het water in de zeeën, en ook het gevogelte zij overvloedig op aarde!  22. Dieu les bénit et dit : Soyez féconds, multipliez, emplissez l'eau des mers, et que les oiseaux multiplient sur la terre.  

King James Bible . [22] And God blessed them, saying, Be fruitful, and multiply, and fill the waters in the seas, and let fowl multiply in the earth.
Luther-Bibel . 22 Und Gott segnete sie und sprach: Seid fruchtbar und mehret euch und erfüllet das Wasser im Meer, und die Vögel sollen sich mehren auf Erden.

Tekstuitleg van Gn 1,22 .

3. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

5. pârâh (1. vruchtbaar zijn, voortbrengen. 2. bloeien, opschieten) . pârâh (1. vruchtbaar zijn, voortbrengen. 2. bloeien, opschieten) . Taalgebruik in Tenakh : pârâh (1. vruchtbaar zijn, voortbrengen. 2. bloeien, opschieten) . Getalwaarde : pe = 17 of 80 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 42 (2² X 13) OF 285 (3 X 5 X 19) . Structuur : 8 - 2 - 5 . Zie përî (vrucht) . përî (vrucht) . Taalgebruik in Tenakh : përî (vrucht) . Gr. karpos (vrucht) . Taalgebruik in het NT : karpos (vrucht) . Taalgebruik in de LXX : karpos (vrucht) . Hebr. përî , mv. pêrôth . Lat. frui - fructus . Fr. fruit . Ned. vrucht , fruit . E. fruit . D. Frucht .
- act. qal imperat. 2de pers. mann. mv. përû (weest vruchtbaar) van het werkw. . p-r-w . Tenakh (5) . përû (weest vruchtbaar) . Tenakh (4) : (1) Gn 1,22 . (2) Gn 1,28 . (3) Gn 9,1 . (4) Gn 9,7 . act. qal perf. 3de pers. mann. mv. pârû (zij zijn vruchtbaar) . Tenakh (1) : Ex 1,7 .

8. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

Gn 1,23 - Gn 1,23 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23kai egeneto espera kai egeneto prôi èmera pemptè  23 et factum est vespere et mane dies quintus    23 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vijfde dag.  [23] Het werd avond en het werd ochtend; dat was de vijfde dag.   [23] Het werd avond en het werd morgen. De vijfde dag.   23 Er komt een avond en er komt een ochtend: vijfde dag. •  23. Il y eut un soir et il y eut un matin : cinquième jour.  

King James Bible . [23] And the evening and the morning were the fifth day.
Luther-Bibel . 23 Da ward aus Abend und Morgen der fünfte Tag.

Tekstuitleg van Gn 1,23 .

1. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  ind. aor. 3de pers. enk. egeneto  925  730  195  13  17  69  16  6   17  99  115 

3. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  ind. aor. 3de pers. enk. egeneto  925  730  195  13  17  69  16  6   17  99  115 
Gn 1,24 - Gn 1,24 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
24kai eipen o theos exagagetô è gè psuchèn zôsan kata genos tetrapoda kai erpeta kai thèria tès gès kata genos kai egeneto outôs  24 dixit quoque Deus producat terra animam viventem in genere suo iumenta et reptilia et bestias terrae secundum species suas factumque est ita  wajj´omèr ´èlohîm  24 ¶ En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard! En het was alzo.  [24] En God zei: ‘Het land moet levende wezens voortbrengen van allerlei soort*: tamme dieren, kruipende dieren en wilde beesten van allerlei soort.’ Zo gebeurde het.   [24] God zei: ‘De aarde moet allerlei levende wezens voortbrengen: vee, kruipende dieren en wilde dieren.’ En zo gebeurde het.   24 ¶ Dan zegt God: brenge de aarde naar buiten: bezield leven in z’n soorten, vee, kruipend gedierte en wat in het wild leeft op aarde in z’n soorten; en zo komt het tot stand.  24. Dieu dit : Que la terre produise des êtres vivants selon leur espèce : bestiaux, bestioles, bêtes sauvages selon leur espèce et il en fut ainsi.  

King James Bible . [24] And God said, Let the earth bring forth the living creature after his kind, cattle, and creeping thing, and beast of the earth after his kind: and it was so.
Luther-Bibel . 24 Und Gott sprach: Die Erde bringe hervor lebendiges Getier, ein jedes nach seiner Art: Vieh, Gewürm und Tiere des Feldes, ein jedes nach seiner Art. Und es geschah so.

Tekstuitleg van Gn 1,24 .

1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sagen . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In het werkw. ´âmar (zeggen) zit het woord ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .

2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

1. - 2. wajj´omèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm (en God zei tot hen) . (10) Gn 1,29 . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van 4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) .

4. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .

13. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,31 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  ind. aor. 3de pers. enk. egeneto  925  730  195  13  17  69  16  6   17  99  115 
Gn 1,25 - Gn 1,25 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
25kai epoièsen o theos ta thèria tès gès kata genos kai ta ktènè kata genos kai panta ta erpeta tès gès kata genos autôn kai eiden o theos oti kala 25 et fecit Deus bestias terrae iuxta species suas et iumenta et omne reptile terrae in genere suo et vidit Deus quod esset bonum    25 En God maakte het wild gedierte der aarde naar zijn aard, en het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.   [25] God maakte de wilde beesten op het land, soort na soort, de tamme dieren, soort na soort, en alles wat over de grond kruipt, soort na soort. En God zag dat het goed was.   [25] God maakte alle soorten in het wild levende dieren, al het vee en alles wat op de aardbodem rondkruipt. En God zag dat het goed was.  25 God maakt wat in het wild leeft op aarde in z’n soorten, het vee in z’n soorten en al wat over de bloedrode grond kruipt in z’n soorten; God ziet het aan: ja, het is goed!  25. Dieu fit les bêtes sauvages selon leur espèce, les bestiaux selon leur espèce et toutes les bestioles du sol selon leur espèce, et Dieu vit que cela était bon.  

King James Bible . [25] And God made the beast of the earth after his kind, and cattle after their kind, and every thing that creepeth upon the earth after his kind: and God saw that it was good.
Luther-Bibel . 25 Und Gott machte die Tiere des Feldes, ein jedes nach seiner Art, und das Vieh nach seiner Art und alles Gewürm des Erdbodens nach seiner Art. Und Gott sah, dass es gut war.

Tekstuitleg van Gn 1,25 .

2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

3. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

5. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .

7. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

10. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

16. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

Gn 1,26 - Gn 1,26 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
26kai eipen o theos poièsômen anthrôpon kat' eikona èmeteran kai kath' omoiôsin kai archetôsan tôn ichthuôn tès thalassès kai tôn peteinôn tou ouranou kai tôn ktènôn kai pasès tès gès kai pantôn tôn erpetôn tôn erpontôn epi tès gès  26 et ait faciamus hominem ad imaginem et similitudinem nostram et praesit piscibus maris et volatilibus caeli et bestiis universaeque terrae omnique reptili quod movetur in terra     26 ¶ En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.  [26] En God zei: ‘Nu gaan Wij* de mens* maken, als beeld* van Ons, op Ons gelijkend; hij zal heersen over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt.’   [26] God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’  26 ¶ Dan zegt God: laat ons een mens,– een roodbloedige, maken naar ons beeld en als onze gelijkenis,– laten zij neerdalen bij de vissen van de zee en de vogels van de hemel, bij het vee en bij alles op de aarde, en bij alle kruipsel dat rondkruipt over de aarde!  26. Dieu dit : Faisons l'homme à notre image, comme notre ressemblance, et qu'ils dominent sur les poissons de la mer, les oiseaux du ciel, les bestiaux, toutes les bêtes sauvages et toutes les bestioles qui rampent sur la terre. 

King James Bible . [26] And God said, Let us make man in our image, after our likeness: and let them have dominion over the fish of the sea, and over the fowl of the air, and over the cattle, and over all the earth, and over every creeping thing that creepeth upon the earth.
Luther-Bibel . 26 Und Gott sprach: Lasset uns Menschen machen, ein Bild, das uns gleich sei, die da herrschen über die Fische im Meer und über die Vögel unter dem Himmel und über das Vieh und über alle Tiere des Feldes und über alles Gewürm, das auf Erden kriecht.

Tekstuitleg van Gn 1,26 .

1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sagen . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In het werkw. ´âmar (zeggen) zit het woord ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .

2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

1. - 2. wajj´omèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm (en God zei tot hen) . (10) Gn 1,29 . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van 4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) .

4. ´âdâm (mens) . Verwijzing : ´âdâm (mens) , zie Gn 1,26 . ´âdâm (mens) . Getalwaarde : aleph = 1 , daleth = 4 , mem = 13 of 40 ; totaal : 18 of 45 . Structuur : 1 - 4 - 40 (éd = damp ; 1-4 structuur) . In 358 verzen in de bijbel . In acht verzen in Genesis . (1) Gn 1,26 . (2) Gn 4,25 . (3) Gn 5,1 (geslachtslijst van Adam tot Noach) . (4) Gn 5,2 . (5) Gn 5,3 . (6) Gn 5,4 . (7) Gn 5,5 . (8) Gn 16,12 .
-- ´ädâmâh (aarde) . In achttien verzen in de bijbel . Getalwaarde : aleph = 1 , daleth = 4 , mem = 13 of 40 , he = 5 ; totaal : 23 of 50 . Structuur : 1 4 40 - 5 .
-- dam (bloed) . Getalwaarde : daleth = 4 , mem = 13 of 40 ; totaal : 17 of 44 . In zeventig verzen in de bijbel .

14. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .

19. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .

Gn 1,27 - Gn 1,27 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
27kai epoièsen o theos ton anthrôpon kat' eikona theou epoièsen auton arsen kai thèlu epoièsen autous  27 et creavit Deus hominem ad imaginem suam ad imaginem Dei creavit illum masculum et feminam creavit eos     27 En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze.  [27] En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.   [27] God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen.   27 God schept de mens naar zijn beeld, naar het beeld van God heeft hij hem geschapen; mannelijk en vrouwelijk heeft hij hen geschapen.   27. Dieu créa l'homme à son image, à l'image de Dieu il le créa, homme et femme il les créa.  

King James Bible . [27] So God created man in his own image, in the image of God created he him; male and female created he them.
Luther-Bibel . 27 Und Gott schuf den Menschen zu seinem Bilde, zum Bilde Gottes schuf er ihn; und schuf sie als Mann und Frau.

Tekstuitleg van Gn 1,27 .

2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

3. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

7. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

8. bârâ (hij schiep) . Verwijzing : bârâ´ (scheppen) . b r ` : in zeventien verzen in de bijbel . Getalwaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 23 of 203 . Structuur : 2 - 20 of 200 - 1 ; 2 - 2 -1 . In zeventien verzen in de bijbel . (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,27 . (3) Gn 2,3 . (4) Gn 5,1 . (5) Dt 4,32 . (6) 2 K 12,17 . (7) Js 40,26 . (8) Jr 31,22 . (9) Ez 21,24 . (10) Ps 51,12 . (11) In zeven verzen in Da .

12. bârâ (hij schiep) . Verwijzing : bârâ´ (scheppen) . b r ` : in zeventien verzen in de bijbel . Getalwaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 23 of 203 . Structuur : 2 - 20 of 200 - 1 ; 2 - 2 -1 . In zeventien verzen in de bijbel . (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,27 . (3) Gn 2,3 . (4) Gn 5,1 . (5) Dt 4,32 . (6) 2 K 12,17 . (7) Js 40,26 . (8) Jr 31,22 . (9) Ez 21,24 . (10) Ps 51,12 . (11) In zeven verzen in Da .

Gn 1,28 - Gn 1,28 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
28kai èulogèsen autous o theos legôn auxanesthe kai plèthunesthe kai plèrôsate tèn gèn kai katakurieusate autès kai archete tôn ichthuôn tès thalassès kai tôn peteinôn tou ouranou kai pantôn tôn ktènôn kai pasès tès gès kai pantôn tôn erpetôn tôn erpontôn epi tès gès  28 benedixitque illis Deus et ait crescite et multiplicamini et replete terram et subicite eam et dominamini piscibus maris et volatilibus caeli et universis animantibus quae moventur super terram    28 En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!  [28] God zegende hen, en God sprak tot hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk; bevolk de aarde en onderwerp haar; heers over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, en over al het gedierte dat over de grond kruipt.’  [[28] Hij zegende hen en zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’   28 Dan zegent hij hen, God, en hij zegt tot hen, God: draagt vrucht, weest overvloedig, vervult de aarde en bedwingt haar!– en daalt neer bij de vissen van de zee en de vogels van de hemel, bij alle leven dat rondkruipt over de aarde!  28. Dieu les bénit et leur dit : Soyez féconds, multipliez, emplissez la terre et soumettez-la; dominez sur les poissons de la mer, les oiseaux du ciel et tous les animaux qui rampent sur la terre. 

King James Bible . [28] And God blessed them, and God said unto them, Be fruitful, and multiply, and replenish the earth, and subdue it: and have dominion over the fish of the sea, and over the fowl of the air, and over every living thing that moveth upon the earth.
Luther-Bibel . 28 Und Gott segnete sie und sprach zu ihnen: Seid fruchtbar und mehret euch und füllet die Erde und machet sie euch untertan und herrschet über die Fische im Meer und über die Vögel unter dem Himmel und über das Vieh und über alles Getier, das auf Erden kriecht.

Tekstuitleg van Gn 1,28

1. wajëbhârekh (en hij zegende) . Piel imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . In drieëndertig verzen in de bijbel : (1) Gn 1,22 . (2) Gn 1,28 . Verwijzing : bârakh (zegenen, loven, prijzen) , zie Ps 113,2 .
- wajëbhârekh ´othâm (en hij zegende hen) . In vier verzen in de bijbel : (1) Gn 1,22 . (2) Gn 1,28 . (3) Gn 5,2 . (4) Ex 39,43 .

3. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

4. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sagen . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In het werkw. ´âmar (zeggen) zit het woord ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .

6. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

4. - 6. wajj´omèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm (en God zei tot hen) . (10) Gn 1,29 . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van 4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) .

7. pârâh (1. vruchtbaar zijn, voortbrengen. 2. bloeien, opschieten) . pârâh (1. vruchtbaar zijn, voortbrengen. 2. bloeien, opschieten) . Taalgebruik in Tenakh : pârâh (1. vruchtbaar zijn, voortbrengen. 2. bloeien, opschieten) . Getalwaarde : pe = 17 of 80 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 42 (2² X 13) OF 285 (3 X 5 X 19) . Structuur : 8 - 2 - 5 . Zie përî (vrucht) . përî (vrucht) . Taalgebruik in Tenakh : përî (vrucht) . Gr. karpos (vrucht) . Taalgebruik in het NT : karpos (vrucht) . Taalgebruik in de LXX : karpos (vrucht) . Hebr. përî , mv. pêrôth . Lat. frui - fructus . Fr. fruit . Ned. vrucht , fruit . E. fruit . D. Frucht .
- act. qal imperat. 2de pers. mann. mv. përû (weest vruchtbaar) van het werkw. . p-r-w . Tenakh (5) . përû (weest vruchtbaar) . Tenakh (4) : (1) Gn 1,22 . (2) Gn 1,28 . (3) Gn 9,1 . (4) Gn 9,7 . act. qal perf. 3de pers. mann. mv. pârû (zij zijn vruchtbaar) . Tenakh (1) : Ex 1,7 .

ûrëdû (en heers) . Verbindingswoord en werkwoordvorm qal actief imperatief tweede persoon meervoud .
- râdâh (innemen, heersen) .

10. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

11. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .

22. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .

Gn 1,29 - Gn 1,29 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
29 kai eipen o theos idou dedôka umin pan chorton sporimon speiron sperma o estin epanô pasès tès gès kai pan xulon o echei en eautô karpon spermatos sporimou umin estai eis brôsin  29 dixitque Deus ecce dedi vobis omnem herbam adferentem semen super terram et universa ligna quae habent in semet ipsis sementem generis sui ut sint vobis in escam  wajj´omèr ´èlohîm hinneh nâthaththî lâkhèm lë´âkhëlâh 29 ¶ En God zeide: Ziet, Ik heb ulieden al het zaadzaaiende kruid gegeven, dat op de ganse aarde is, en alle geboomte, in hetwelk zaadzaaiende boomvrucht is; het zij u tot spijze! [29] En God zei: ‘Hierbij geef Ik alle zaadvormende gewassen op de hele aardbodem aan jullie, en alle bomen met zaaddragende vruchten; zij* zullen jullie tot voedsel dienen.   [29] Ook zei God: ‘Hierbij geef ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op de aarde; dat zal jullie voedsel zijn.  29 ¶ God zegt: zie, geven zal ik u al het zaadzaaiend gewas op het aanschijn van heel de aarde en alle geboomte waaraan boomvruchten zaad zaaien,– voor jullie zal het er zijn als eten!–   29. Dieu dit : Je vous donne toutes les herbes portant semence, qui sont sur toute la surface de la terre, et tous les arbres qui ont des fruits portant semence : ce sera votre nourriture.  

King James Bible . [29] And God said, Behold, I have given you every herb bearing seed, which is upon the face of all the earth, and every tree, in the which is the fruit of a tree yielding seed; to you it shall be for meat.
Luther-Bibel . 29 Und Gott sprach: Sehet da, ich habe euch gegeben alle Pflanzen, die Samen bringen, auf der ganzen Erde, und alle Bäume mit Früchten, die Samen bringen, zu eurer Speise.

Tekstuitleg van Gn 1,29 . Het vers bestaat uit 27 woorden en 83 letters . De getalwaarde van het vers is 6158 .

1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sagen . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In het werkw. ´âmar (zeggen) zit het woord ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .

2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

1. - 2. wajj´omèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm (en God zei tot hen) . (10) Gn 1,29 . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van 4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) .

3. - 4. hinneh nâthaththî (zie, ik zal geven) . In vijf verzen in de bijbel : (1) Gn 1,29 . (2) Nu 18, 8 . (3) Re 1, 2 . (4) Jr 1,9 . (5) Ez 3, 8 .

4. - 5. nâthaththî lâkhèm (ik zal geven aan jullie) . Tenakh (11) : (1) Gn 1,29 . (2) Gn 9,3 . (3) Nu 18, 26 . (4) Dt 3,19 . (5) Dt 3,20 . (6) Dt 9,23 . (7) Spr 4, 2 . (8) Jr 7,14 . (9) Jr 23,39 . (10) Jr 35, 15 . (11) Am 4,6 .

6. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

sperma (zaad, nakomeling) . Verwijzing : sperma (zaad, nakomeling) , zie Gn 1,29 .
- spermatos (van het zaad) . In zestig verzen in de bijbel . In tweeënvijftig verzen in het O.T. . In acht verzen in het NT : (1) Joh 7,42 . (2) Hnd 13,23 . (3)

15. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .

16. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

27. lë´âkhëlâh (tot voedsel) < prefix voorzetsel lë + zelfst. naamw. ´âkhëlâh (spijs, voedsel) . Zie het werkw. ´âkhal (eten) . Taalgebruik in Tenakh : ´âkhal (eten) . De getalwaarde van ´âkhal (eten) is : aleph = 1 , kaph = 11 of 20 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 24 (2³ X 3) of 51 (3 X 17) . Structuur : 1 - 2 - 3 . De som van de elementen is telkens 6 . In achttien verzen in de bijbel : (1) Gn 1,29 . (2) Gn 1,30 . (3) Gn 6,21 . (4) Gn 9,3 . (5) Ex 16,15 . (6) Lv 11,39 . (7) Lv 25,6 . (8) Jr 12,9 . (9) Ez 15,4 . (10) Ez 15,6 . (11) Ez 21,37 . (12) Ez 23,37 . (13) Ez 29,5 . (14) Ez 34,5 . (15) Ez 34,8 . (16) Ez 34,10 . (17) Ez 35,12 . (18) Ez 39,4 .
- ´âkhal (eten, verorberen, verslinden) . Verwijzing : ´âkhal (eten, verorberen, verslinden) , zie Gn 1,29 .

Gn 1,30 - Gn 1,30 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)

Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
30kai pasi tois thèriois tès gès kai pasi tois peteinois tou ouranou kai panti erpetô tô erponti epi tès gès o echei en eautô psuchèn zôès panta chorton chlôron eis brôsin kai egeneto outôs  30 et cunctis animantibus terrae omnique volucri caeli et universis quae moventur in terra et in quibus est anima vivens ut habeant ad vescendum et factum est ita     30 Maar aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is, heb Ik al het groene kruid tot spijze gegeven. En het was alzo.  [30] Maar aan alle wilde beesten, aan alle vogels van de lucht en aan alles wat over de grond kruipt, aan alles wat dierlijk leven heeft, geef Ik al het groene gewas als voedsel.’ Zo gebeurde het.  [30] Aan de dieren die in het wild leven, aan de vogels van de hemel en aan de levende wezens die op de aarde rondkruipen, geef ik de groene planten tot voedsel.’ En zo gebeurde het.   30 en voor al wat in het wild leeft op de aarde en alle vogels van de hemel en al wat er rondkruipt over de aarde waarin een levende ziel zit zal al het groen van gewas er zijn als eten!– en zo komt het tot stand.  30. A toutes les bêtes sauvages, à tous les oiseaux du ciel, à tout ce qui rampe sur la terre et qui est animé de vie, je donne pour nourriture toute la verdure des plantes et il en fut ainsi.  

King James Bible . [30] And to every beast of the earth, and to every fowl of the air, and to every thing that creepeth upon the earth, wherein there is life, I have given every green herb for meat: and it was so.
Luther-Bibel . 30 Aber allen Tieren auf Erden und allen Vögeln unter dem Himmel und allem Gewürm, das auf Erden lebt, habe ich alles grüne Kraut zur Nahrung gegeben. Und es geschah so.

Tekstuitleg van Gn 1,30 .

3. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .

Gn ( 29) : (1) Gn 1,11 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,17 . (4) Gn 1,20 . (5) Gn 1,26 . (6) Gn 1,28 . (7) Gn 1,28 . (8) Gn 2,5 . (9) Gn 6,12 . (10) Gn 6,17 . (11) Gn 7,4 . (12) Gn 7,6 . (13) Gn 7,10 . (14) Gn 7,12 . (15) Gn 7,14 . (16) Gn 7,17 . (17) Gn 7,18 . (18) Gn 7,19 . (19) Gn 7,21 (2X) . (20) Gn 7,24 . (21) Gn 8,1 . (22) Gn 8,17 (2X) . (23) Gn 8,19 . (24) Gn 9,14 . (25) Gn 9,16 . (26) Gn 9,17 . (27) Gn 19,23 . (28) Gn 41,34 . (29) Gn 42,6 .

10. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .

15. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

20. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,31 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  ind. aor. 3de pers. enk. egeneto  925  730  195  13  17  69  16  6   17  99  115 
Gn 1,31 - Gn 1,31 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis)
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
31kai eiden o theos ta panta osa epoièsen kai idou kala lian kai egeneto espera kai egeneto prôi èmera ektè   31 viditque Deus cuncta quae fecit et erant valde bona et factum est vespere et mane dies sextus     31 ¶ En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag.   [31] God bekeek alles wat Hij gemaakt had, en Hij zag dat het heel goed was. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de zesde dag.   [31] God keek naar alles wat hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was. Het werd avond en het werd morgen. De zesde dag.   31 ¶ God beziet het, al wat hij heeft gemaakt en zie, het is zéér goed!– er komt een avond en er komt een ochtend, de zesde dag. •   31. Dieu vit tout ce qu'il avait fait : cela était très bon. Il y eut un soir et il y eut un matin : sixième jour.  

King James Bible . [31] And God saw every thing that he had made, and, behold, it was very good. And the evening and the morning were the sixth day.
Luther-Bibel . 31 Und Gott sah an alles, was er gemacht hatte, und siehe, es war sehr gut. Da ward aus Abend und Morgen der sechste Tag.

Tekstuitleg van Gn 1,31 .

2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .

3. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

10. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,31 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  ind. aor. 3de pers. enk. egeneto  925  730  195  13  17  69  16  6   17  99  115 

12. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,31 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  ind. aor. 3de pers. enk. egeneto  925  730  195  13  17  69  16  6   17  99  115 

LXX

1en archè epoièsen o theos ton ouranon kai tèn gèn2è de gè èn aoratos kai akataskeuastos kai skotos epanô tès abussou kai pneuma theou epefereto epanô tou udatos3kai eipen o theos genèthètô fôs kai egeneto fôs4kai eiden o theos to fôs oti kalon kai diechôrisen o theos ana meson tou fôtos kai ana meson tou skotous5kai ekalesen o theos to fôs èmeran kai to skotos ekalesen nukta kai egeneto espera kai egeneto prôi èmera mia6kai eipen o theos genèthètô stereôma en mesô tou udatos kai estô diachôrizon ana meson udatos kai udatos kai egeneto outôs7kai epoièsen o theos to stereôma kai diechôrisen o theos ana meson tou udatos o èn upokatô tou stereômatos kai ana meson tou udatos tou epanô tou stereômatos8kai ekalesen o theos to stereôma ouranon kai eiden o theos oti kalon kai egeneto espera kai egeneto prôi èmera deutera9kai eipen o theos sunachthètô to udôr to upokatô tou ouranou eis sunagôgèn mian kai ofthètô è xèra kai egeneto outôs kai sunèchthè to udôr to upokatô tou ouranou eis tas sunagôgas autôn kai ôfthè è xèra10kai ekalesen o theos tèn xèran gèn kai ta sustèmata tôn udatôn ekalesen thalassas kai eiden o theos oti kalon11kai eipen o theos blastèsatô è gè botanèn chortou speiron sperma kata genos kai kath' omoiotèta kai xulon karpimon poioun karpon ou to sperma autou en autô kata genos epi tès gès kai egeneto outôs12kai exènegken è gè botanèn chortou speiron sperma kata genos kai kath' omoiotèta kai xulon karpimon poioun karpon ou to sperma autou en autô kata genos epi tès gès kai eiden o theos oti kalon13kai egeneto espera kai egeneto prôi èmera tritè14kai eipen o theos genèthètôsan fôstères en tô stereômati tou ouranou eis fausin tès gès tou diachôrizein ana meson tès èmeras kai ana meson tès nuktos kai estôsan eis sèmeia kai eis kairous kai eis èmeras kai eis eniautous15kai estôsan eis fausin en tô stereômati tou ouranou ôste fainein epi tès gès kai egeneto outôs16kai epoièsen o theos tous duo fôstèras tous megalous ton fôstèra ton megan eis archas tès èmeras kai ton fôstèra ton elassô eis archas tès nuktos kai tous asteras17kai etheto autous o theos en tô stereômati tou ouranou ôste fainein epi tès gès18kai archein tès èmeras kai tès nuktos kai diachôrizein ana meson tou fôtos kai ana meson tou skotous kai eiden o theos oti kalon19kai egeneto espera kai egeneto prôi èmera tetartè20kai eipen o theos exagagetô ta udata erpeta psuchôn zôsôn kai peteina petomena epi tès gès kata to stereôma tou ouranou kai egeneto outôs21kai epoièsen o theos ta kètè ta megala kai pasan psuchèn zôôn erpetôn a exègagen ta udata kata genè autôn kai pan peteinon pterôton kata genos kai eiden o theos oti kala22kai èulogèsen auta o theos legôn auxanesthe kai plèthunesthe kai plèrôsate ta udata en tais thalassais kai ta peteina plèthunesthôsan epi tès gès23kai egeneto espera kai egeneto prôi èmera pemptè24kai eipen o theos exagagetô è gè psuchèn zôsan kata genos tetrapoda kai erpeta kai thèria tès gès kata genos kai egeneto outôs25kai epoièsen o theos ta thèria tès gès kata genos kai ta ktènè kata genos kai panta ta erpeta tès gès kata genos autôn kai eiden o theos oti kala26kai eipen o theos poièsômen anthrôpon kat' eikona èmeteran kai kath' omoiôsin kai archetôsan tôn ichthuôn tès thalassès kai tôn peteinôn tou ouranou kai tôn ktènôn kai pasès tès gès kai pantôn tôn erpetôn tôn erpontôn epi tès gès27kai epoièsen o theos ton anthrôpon kat' eikona theou epoièsen auton arsen kai thèlu epoièsen autous28kai èulogèsen autous o theos legôn auxanesthe kai plèthunesthe kai plèrôsate tèn gèn kai katakurieusate autès kai archete tôn ichthuôn tès thalassès kai tôn peteinôn tou ouranou kai pantôn tôn ktènôn kai pasès tès gès kai pantôn tôn erpetôn tôn erpontôn epi tès gès29kai eipen o theos idou dedôka umin pan chorton sporimon speiron sperma o estin epanô pasès tès gès kai pan xulon o echei en eautô karpon spermatos sporimou umin estai eis brôsin30kai pasi tois thèriois tès gès kai pasi tois peteinois tou ouranou kai panti erpetô tô erponti epi tès gès o echei en eautô psuchèn zôès panta chorton chlôron eis brôsin kai egeneto outôs31kai eiden o theos ta panta osa epoièsen kai idou kala lian kai egeneto espera kai egeneto prôi èmera ektè


VULGAAT

1 in principio creavit Deus caelum et terram 2 terra autem erat inanis et vacua et tenebrae super faciem abyssi et spiritus Dei ferebatur super aquas 3 dixitque Deus fiat lux et facta est lux 4 et vidit Deus lucem quod esset bona et divisit lucem ac tenebras 5 appellavitque lucem diem et tenebras noctem factumque est vespere et mane dies unus 6 dixit quoque Deus fiat firmamentum in medio aquarum et dividat aquas ab aquis 7 et fecit Deus firmamentum divisitque aquas quae erant sub firmamento ab his quae erant super firmamentum et factum est ita 8 vocavitque Deus firmamentum caelum et factum est vespere et mane dies secundus 9 dixit vero Deus congregentur aquae quae sub caelo sunt in locum unum et appareat arida factumque est ita 10 et vocavit Deus aridam terram congregationesque aquarum appellavit maria et vidit Deus quod esset bonum 11 et ait germinet terra herbam virentem et facientem semen et lignum pomiferum faciens fructum iuxta genus suum cuius semen in semet ipso sit super terram et factum est ita 12 et protulit terra herbam virentem et adferentem semen iuxta genus suum lignumque faciens fructum et habens unumquodque sementem secundum speciem suam et vidit Deus quod esset bonum 13 factumque est vespere et mane dies tertius 14 dixit autem Deus fiant luminaria in firmamento caeli ut dividant diem ac noctem et sint in signa et tempora et dies et annos 15 ut luceant in firmamento caeli et inluminent terram et factum est ita 16 fecitque Deus duo magna luminaria luminare maius ut praeesset diei et luminare minus ut praeesset nocti et stellas 17 et posuit eas in firmamento caeli ut lucerent super terram 18 et praeessent diei ac nocti et dividerent lucem ac tenebras et vidit Deus quod esset bonum 19 et factum est vespere et mane dies quartus 20 dixit etiam Deus producant aquae reptile animae viventis et volatile super terram sub firmamento caeli 21 creavitque Deus cete grandia et omnem animam viventem atque motabilem quam produxerant aquae in species suas et omne volatile secundum genus suum et vidit Deus quod esset bonum 22 benedixitque eis dicens crescite et multiplicamini et replete aquas maris avesque multiplicentur super terram 23 et factum est vespere et mane dies quintus 24 dixit quoque Deus producat terra animam viventem in genere suo iumenta et reptilia et bestias terrae secundum species suas factumque est ita 25 et fecit Deus bestias terrae iuxta species suas et iumenta et omne reptile terrae in genere suo et vidit Deus quod esset bonum 26 et ait faciamus hominem ad imaginem et similitudinem nostram et praesit piscibus maris et volatilibus caeli et bestiis universaeque terrae omnique reptili quod movetur in terra 27 et creavit Deus hominem ad imaginem suam ad imaginem Dei creavit illum masculum et feminam creavit eos 28 benedixitque illis Deus et ait crescite et multiplicamini et replete terram et subicite eam et dominamini piscibus maris et volatilibus caeli et universis animantibus quae moventur super terram 29 dixitque Deus ecce dedi vobis omnem herbam adferentem semen super terram et universa ligna quae habent in semet ipsis sementem generis sui ut sint vobis in escam 30 et cunctis animantibus terrae omnique volucri caeli et universis quae moventur in terra et in quibus est anima vivens ut habeant ad vescendum et factum est ita 31 viditque Deus cuncta quae fecit et erant valde bona et factum est vespere et mane dies sextus


- A

- wajj´omèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 .

- B - C - D - E

- ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God)  . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
- wajj´omèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm (en God zei tot hen) . (10) Gn 1,29 . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van 4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) .

- hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Taalgebruik in Ex : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .

- ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

- wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .

- F - G - H

- act. qal imperat. (jussief) 3de pers. mann. enk. jëhî (het zij) van het werkw. häjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Een vorm van eimi (zijn) , in de LXX (6947) , in het NT (2450) . Tenakh (49) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (27) . Gn (6) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 30,34 . (5) Gn 33,9 . (6) Gn 49,17 .

- wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij/het was) van het werkw. hâjâh (zijn) van het werkw. De getalwaarde van wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 . Totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn 1,9 . (7) Gn 1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn 1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . OT (678) . Pentateuch (156) . Eerdere Profeten (289) . Latere Profeten (126) . 12 Kleine Profeten (26) . Geschriften (131) . NT (195) . Gr. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij / zij was) . Bijbel (1506) . OT (1120) . Pentateuch (329) . Eerdere Profeten (219) . Latere Profeten (146) . 12 Kleine Profeten (32) . Geschriften (193) . NT (386) .

- I - J - K - L - M - N - O

- ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Getalwaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . Gr. fôs (licht) .Taalgebruik in het NT : fôs (licht) . Taalgebruik in de LXX : fôs (licht) . Een vorm van fôs (licht) in de bijbel (209) , het OT (146) , het NT (63) . Lat. lux / lumen . Fr. lumière . E. light . D. Licht . Tenakh (55) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (30) . Gn (2) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,4 .
Volgens Gn 1,3 werd het licht op de eerste dag geschapen . ´ôr (licht) begint met de letter aleph (1) .
Volgens Gn 1,4 maakte God een scheiding tussen het licht en de duisternis . Licht en duisternis vormen een dualiteit , elkaars tegenpool .
- chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Getalwaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 8 - 3 - 2 . Tenakh (57) . Gr. skotos (duisternis) . Taalgebruik in het NT : skotos (duisternis) . Taalgebruik in de Septuaginta : skotos (duisternis) . Een vorm van skotos (duisternis) in de Septuaginta (120) , in het NT (30) . Lat. tenebrae . Fr. ténèbres . E. darkness . D. Finsternis . Gn (1) : Gn 39,9 .

- P - Q - R

- wajjarë´ (en hij zag) - wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) . Het eerste is een actief qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . Het tweede is een passief nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (19) . Gn (50) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 .

- S - T - U - V - W - X -Y - Z -