- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -
- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -
Overzicht van Tenakh : Tenakh
: overzicht , Tenakh
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z -
, Tenakh
: commentaar ,
Overzicht van Septuaginta : Septuaginta
: overzicht , Septuaginta
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z
- , Septuaginta
: commentaar ,
Gn (Genesis) : overzicht , Gn : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Gn : commentaar ,
Overzicht van Genesis : - Gn
1 - Gn 2
- Gn 3 - Gn
4 - Gn 5
- Gn 6 - Gn
7 - Gn 8
- Gn 9 - Gn
10 - Gn 11
- Gn 12 - Gn
13 - Gn 14
- Gn 15 - Gn
16 - Gn 17
- Gn 18 - Gn
19 - Gn 20
- Gn 21 - Gn
22 - Gn 23
- Gn 24 - Gn
25 - Gn 26
- Gn 27 - Gn
28 - Gn 29
- Gn 30 - Gn
31 - Gn 32
- Gn 33 - Gn
34 - Gn 35
- Gn 36 - Gn
37 - Gn 38
- Gn 39 - Gn
40 - Gn 41
- Gn 42 - Gn
43 - Gn 44
- Gn 45 - Gn
46 - Gn 47
- Gn 48 - Gn
49 - Gn 50
-
Overzicht vers per vers : - Gn
1,1 - Gn
1,2 - Gn
1,3 - Gn
1,4 - Gn
1,5 - Gn
1,6 - Gn
1,7 - Gn
1,8 - Gn
1,9 - Gn
1,10 - Gn
1,11 - Gn
1,12 - Gn
1,13 - Gn
1,14 - Gn
1,15 - Gn
1,16 - Gn
1,17 - Gn
1,18 - Gn
1,19 - Gn
1,20 - Gn
1,21 - Gn
1,22 - Gn
1,23 - Gn
1,24 - Gn
1,25 - Gn
1,26 - Gn
1,27 - Gn
1,28 - Gn
1,29 - Gn
1,30 - Gn
1,31 -
() Gn 1,1 . () Gn 1,2 . () Gn 1,3 . () Gn 1,4 . () Gn 1,5 . () Gn 1,6 . () Gn 1,7 . () Gn 1,8 . () Gn 1,9 . () Gn 1,10 . () Gn 1,11 . () Gn 1,12 . () Gn 1,13 . () Gn 1,14 . () Gn 1,15 . () Gn 1,16 . () Gn 1,17 . () Gn 1,18 . () Gn 1,19 . () Gn 1,20 . () Gn 1,21 . () Gn 1,22 . () Gn 1,23 . () Gn 1,24 . () Gn 1,25 . () Gn 1,26 . () Gn 1,27 . () Gn 1,28 . () Gn 1,29 . () Gn 1,30 . () Gn 1,31 .
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| schepping | Gn 1,1 (1) ; Gn 1,1 (2) | Gn 1,3-5 | Vie et mort dans la Bible . Aux origines du Dieu unique . Auteur(s) : Jean Soler . 238 pages, 16 x 23 cm, 2-87706-498-0 . Collection : , éditeur : Editions de Fa0llois, 2004 . (22 €), 240 gr |
| 1. LXX , Griekse tekst NT | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel |
ALGEMEEN OVERZICHT
- bijbeloverzicht
, taalgebruik
- A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z -
Overzicht van het NT : NT
: overzicht , NT
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X
-Y
- Z - ,
NT : commentaar
,
- OT : Gn
(Genesis) , Ex
(Exodus) , Lv
(Leviticus) , Nu
(Numeri) , Dt
(Deuteronomium) , Joz
(Jozua) , Re (Rechters)
, Rt (Ruth) ,
1 S (1 Samuël)
, 2 S (2 Samuël)
, 1 K (1 Koningen)
, 2 K (2 Koningen)
, 1 Kr ( 1 Kronieken)
, 2 Kr (2 Kronieken)
, Ezr (Ezra)
, Neh (Nehemia)
, Tob (Tobia)
, Jdt (Judith)
, Est (Esther)
, 1 Mak (1 Makkabeeën)
, 2 Mak (2 Makkabeeën)
, Job , Ps
(Psalmen ) , Spr
(Spreuken) , Pr
(Prediker) , Hl
(Hooglied) , W
(Wijsheid) , Sir
(Sirach) , Js
(Jesaja) , Jr
(Jeremia) , Kl
(Klaagliederen) , Bar
(Baruch) , Ez
(Ezechiël) , Da
(Daniël) , Hos
(Hosea) , Jl (Joël)
, Am (Amos) ,
Ob (Obadja) ,
Jon (Jona) ,
Mi (Micha) , Nah
(Nahum) , Hab
(Habakuk) , Sef
(Sefanja) , Hag
(Haggai) , Zach
(Zacharia) , Mal
(Maleachi) .
- NT : Mt
(Matteüs) - Mc
(Marcus) - Lc
(Lucas) - Joh
(Johannes) - Hnd
(Handelingen) , Rom
(Rome) , 1 Kor
(Korinte) , 2 Kor
(Korinte) , Gal
(Galatië) , Ef
(Efese) , Fil
(Filippi) , Kol
(Kolosse) , 1 Tes
(Tessalonika) , 2
Tes (Tessalonika) , 1
Tim (Timoteüs) , 2
Tim (Timoteüs) , Tit
(Titus) , Film
(Filemon) , Heb
(Hebreeën) , Jak
(Jakobus) , 1 Pe
(Petrus) , 2 Pe
(Petrus) , 1 Joh
(Johannes) , 2 Joh
(Johannes) , 2 Joh
(Johannes) , Jud
(Judas) , Apk
(Apokalyps) .
Overzicht van
de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie
bijbel -
bibliografie
van het Oude Testament - bibliografie
Matteüsevangelie - bibliografie
Marcusevangelie - bibliografie
Lucasevangelie - bibliografie
van het Johannesevangelie - bibliografie
van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
Gn 1,1-2,4a : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a -
| Gn 1,1 - Gn 1,1 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . In the beginning God created the heaven and the earth .
Luther-Bibel (1984) . Am Anfang schuf Gott Himmel und Erde .
Hebr. bëre´sjîth bârâ ´èlohîm ´eth hasjsjâmajim wë´eth hâ´ârèts (Op kop schept God de hemelen en de aarde) .
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
| בְּרֵאשִׁית | בָּרָא | אֱלֹהִים | אֵת | הַשָּׁמַיִם | וְאֵת | הָאָרֶץ׃ |
| bë-reʾsjîth | bârâʾ | ʾêlohîm | ʾeth | ha-sjsjâmajim | wë-eth | hâ-ʾârèts |
| ב · ראשׁית | ברא | אלהים | אות | ה · שׁמים | ו · אות | ה · ארץ |
in begin |
schiep |
God |
[obj] |
de hemel |
en [obj] |
de aarde |
Tekstuitleg van Gn
1,1 . Het vers Gn
1,1 telt 7 , zie 7 en sjèbha` / sjëbha` (zeven) , woorden en 28 , zie 28 , (4 X 7) letters ; verhouding : 1 - 4 . Het getal 7 symboliseert een week , 28 de maan . Na 7 dagen van een week begint een nieuwe week . Na de omloop van de maan begint een nieuwe 'maan-d' . De week en de maand symboliseren de schepping . Zeven is
het zeshoekig hart (6 X 1) van een ster van 13 (zie : 13 , star13.gif) . Driehoekzijde : 4 . Het is
ook het driehoeksgetal (de som van 1 tot n . Formule : n (n + 1) gedeeld door
2 , van 7 of ook : 1 + 2 + 3 + 4 + 5 + 6 + 7 = 28 .
De getalwaarde van Gn
1,1 is 2701 = 37 X 73 (spiegelgetallen) ; totaal : 110 -> 2 . Het getal 37 , zie 37 , is het zeshoekig hart (met zijde 4) van een ster
van 73 (zie : 73 , 73 als ster) . Driehoekszijde : 10 . De getalwaarde van châkhëmâh
(chokma) = wijsheid is 37 en 73 . Door de wijsheid van God werd hemel en aarde
geschapen . In TJ en TN begint de tekst met bëchôkhëmâh (met wijsheid)
.
337 is de gouden ster met 37 als overlappingsster (zie http://www.biblewheel.com/gr/GR_LogosStar_Genesis.asp
) .
2701 = 3 X 337 + 10 X 169 = 37 X 73 . De woorden op een onpare plaats in de zin hebben een getalwaarde van 1690 = 10 X 169 . De woorden op de pare plaatsen, hebben een getalwaarde van 1011 = 3 X 337 . 169 = 13 X 13 . 961 = 31 X 31 .
We kunnen besluiten dat achter de tekst van Gn
1,1 een veelheid van geometrische figuren schuilgaat . Getallen brengen beelden voort . Die beelden getuigen van wijsheid en schoonheid .
| 7. | 6. | 5. | 4. | 3. | 2. | 1. | |
| hâ´ârèts | wë´eth | hasjsjâmaîm | ´eth | ´èlohîm (God) | bârâ´ (schiep) | bëre´sjîth (bij aanvang , aanvankelijk) | |
| 296 | 407 | 395 | 401 | 86 | 203 | 913 | |
| 296 + 407 = 703 (= 19 X 37) | 203 + 401 + 407 = 1011 of 3 X 337 | 903 + 86 + 395 + 296 = 1690 (10 X 169) |
De eerste twee woorden beginnen op gelijke wijze met de letters : beth - resj
- aleph : br' (bâra´ = scheppen) .
De aleph is de eerste letter van het alfabet . De schrijfwijze van aleph is
een schuine waw (getalwaarde 6) met rechtsboven en linksonder een jod (2 X 10)
, dus getalwaarde 26 , dezelfde getalwaarde als die van de naam JHWH (jod = 10 , he
= 5 , waw = 6 , he = 5 ; totaal 26) . Het scheppingsverhaal begint met een beth , de tweede letter
van het alfabet . Uit eenheid kan tweeheid ontstaan .
Het derde woord is ´èlohîm (God) . De godsnaam begint
met een aleph . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm
is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal
13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . De godsnaam ´èlohîm (God)
komt eenendertig maal in Gn
1 voor . Het aantal verzen in Gn
1 is eenendertig . Betrekken we hierbij ook ´èchâd (één)
. Getalwaarde : aleph = 1 , chet = 8 , daleth = 4 . Totaal : 13
, zie 13 . God is één of 13 = 13 .
Het 4de (´eth) en het 6de woord (wë´eth) duidt de accusatief aan . He 5de en het 7de woord is complementair (hemel en aarde) en duidt een totaliteit aan . Zo zijn er 3 paren en 1 enkelvoudig woord nl. ´èlohîm (God) ; zo zijn er 3 paren scheppingsdagen, en op de 7de dag rustte God . Zo vormt Gn
1,1 een prelude op het eigenlijke scheppingsverhaal .
Gn 1,1.1. bëre´sjîth (bij aanvang , aanvankelijk) <. voorzetsel bë + zelfstandig naamwoord re´sjîth (begin) . Taalgebruik in Tenakh : re´sjîth (begin) . Getalwaarde re´sjîth : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , jod = 10 , taw = 22 of 400 . Totaal : 74 (2 X 37, zie 37) OF 911 (priemgetal) . Structuur : 2 - 1 - 3 - 1 - 4 . Som van de elementen is telkens 11 -> 2 . Getalwaarde van bëre´sjîth : ... + beth = 2 ; totaal : 76 (4 X 19) OF 913 (11 X 83) . Tenakh (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Jr 26,1 . (3) Jr 27,1 . (4) Jr 28,1 . (5) Jr 49,34 . NT : Joh 1,1 . In bëre´sjîth (bij aanvang , aanvankelijk) staat geen bepaald lidwoord ; dat komt ook tot uiting in de LXX : en archèi . re´sjîth (aanvang , begin) heeft de vorm van een status constructus zonder dat een nadere bepaling volgt ; een begin is toch altijd een begin van iets . In het laatste woord van het laatste vers van dit verhaal (Gn 2,4) komt de beth als voorzetsel terug . Daar is het verbonden met een vorm van het werkwoord bârâ´ (scheppen) ; in Gn 1,1 staat bârâ´ (scheppen) als tweede woord na bëre´sjîth (bij aanvang , aanvankelijk) .
| re´sjîth (begin) | bijbel | Gn | Ex | Lv | Nu | Dt | 1 S | 2 Kr | Neh | Job | Ps | Spr | Jr | Ez | Am | Mi |
| re´sjîth | 28 | 1 | 2 | 2 | 2 | 4 | 1 | 1 | 1 | 1 | 3 | 4 | 2 | 2 | 1 | 1 |
| bëre´sjîth | 5 | 1 | 4 |
De beth staat voor de twee , maar ook voor de schepping . Deze schepping wordt
gekenmerkt door tweeheid (Gn
1,1) .
De Souzenelle ziet in het woord bëre´sjîth (b-r-´- sj-j-th) de woorden b-r (graan, zoon) , ´-sj-j-th (ik stel, van het werkw. sj-w-th of sj-j-th: stellen, plaatsen) , r-´sj (hoofd, begin) , r-sj (deelw. râsj van het werkw. r-w-sj: arm, behoeftig zijn) , b-r-´(hij schiep van het werkw; b-r´-: scheppen) en sjîth (imperatief, stel, plaats) . In b-r-´ de woorden bë (voorzetsel: in) en r-´ (van het werkw. r-´-h : zien) OF b-r (zoon) en -´- de beginletter van de godsnaam ´èlohîm . In bëre´sjîth schuilen de woorden b-j-th (be(j)th: huis) en ro´sj (hoofd) ; in het eerste woord staat de jod, die we als eerste letter in de godsnaam JHWH aantreffen en in het tweede woord de aleph, die we als eerste letter in de godsnaam ´èlohîm . In b-r bij het begin van bëre´sjîth staat de beth van het woord be(j)th : huis en de resj van het woord ro´sj (hoofd) .
De eerste letter van bëts´eth (in het uittrekken) (Ps
114,1) is een beth , de laatste een thaw ; dit is ook het geval in het eerste woord van Tenakh : bëre´sjîth (bij aanvang , aanvankelijk) (Gn
1,1) . In Ps 114 betreft het de uittocht , in Gn 1 de schepping .
LXX . en archè(i) (in begin) van het zelfst. naamw. archè (begin, heerschappij) . Taalgebruik in het NT : archè
(begin, heerschappij) . Taalgebruik in de LXX : archè
(begin, heerschappij) . en archè(i) (in het begin) . In vier verzen in het NT : (1) Joh
1,1 . (2) Joh
1,2 . (3) Hnd
11,15 . (4) Fil
4,15 . Een vorm van archè (begin, heerschappij) in de LXX (239) , in het NT (55) .
| archè (begin) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| nom. + dat enk. archè(i) | 82 | 70 | 12 | 1 | 2 | 1 | 2 | 1 | 2 | 3 | 4 | 6 | 2 |
Latijn . in principe < princeps < primum capere = eerst nemen . in in-itio < in-itium < in-ire : ingaan, binnengaan (bij het binnengaan van de schepping) . in capite < caput = hoofd , kop , chef . Bij een boom ligt het begin in het wortelgestel (radix) , onder de grond . De kruin wordt bepaald door de stuwing van onderuit . Een begin ligt ook bij de bron (fons) , waaruit vrouwen water putten . Uit een bron welt water op , dat als het ware uit het niets voorkomt . Een vorst geeft leiding , richting , stuurt ; een sturende kracht . Aan het begin staat oorsprong , stuwing , richting .
Arabisch : ra´s (hoofd) . Taalgebruik in de Koran : ra´s (hoofd) .
In Gn
1,1 - Gn
1,2 ligt de nadruk op de eenheid , waaruit alles voortkomt .
Gn 1,1.2. bârâ´ (scheppen) . Taalgebruik : bârâ´ (scheppen) . Getalwaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 23 of 203 . Structuur : 2 - 2 - 1 . Lat. creare . Fr. créer . E. to create . D. schaffen . Gr. ktizô (scheppen) . Een vorm van ktizô (scheppen) in de LXX (68) , in het NT (15) . Zie : ktisis (schepping) . Taalgebruik in het NT : ktisis (schepping) . Taalgebruik in de LXX : ktisis (schepping) . Een vorm van b-r-´ (scheppen) in Tenakh in 17 verzen (21X) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,27 . (3) Gn 2,3 . (4) Gn 5,1 . (5) Dt 4,32 . (6) 2 K 12,17 . (7) Js 40,26 . (8) Jr 31,22 . (9) Ez 21,24 . (10) Ps 51,12 . (11) In zeven verzen in Da .
Gn 1,1.1. - 2. bëre´sjîth bârâ´ (bij aanvang , aanvankelijk schiep hij) . Slechts in Gn 1,1 . De eerste 2 woorden beginnen elk met beth-resj-aleph .
Gn
1,1.3. ´èlohîm
(God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm
(God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ;
mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 .
De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl
. Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld)
, zie 13 en star13.gif EN 31 . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in
de LXX : theos
(God) . Taalgebruik in
het NT : theos
(God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118)
. Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140)
. Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn
1 is 31 .
- wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei) . In tien
verzen in Gn 1
. (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn
1,6 . (3) Gn
1,9 . (4) Gn
1,11 . (5) Gn
1,14 . (6) Gn
1,20 . (7) Gn
1,24 . (8) Gn
1,26 . (9) Gn
1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm
(en God zei tot hen) . (10) Gn
1,29 .
Gn 1,1.2. - 3. bârâ ´èlohîm (God schiep) . Tenakh ( 3) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 2,3 . (3) Dt 4,32 .
Gn 1,1.4. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .
Gn
1,1.5. hasjsjâmajim (de hemelen , de hemel) < bepaald lidw. ha + sjâmajim
/ sjâmâjim (hemelen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmajim
(hemelen) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , jod = 10 ,
mem = 13 of 40 ; totaal : 57 (3 X 19) OF 390 (2 X 3 X 5 X 13 = 15 X 26) . Structuur
: 3 - 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 12 -> 3 . Taalgebruik in de Septuaginta : ouranos
(hemel) . Taalgebruik in het NT : ouranos
(hemel) . Lat. coelum . Fr. ciel . Ned. hemel . D. Himmel . E. heaven .
Arabisch : samâ´ (hemel) . Taalgebruik in de Koran : samâ´ (hemel) . Een vorm van ouranos (hemel) in de LXX (682) , in het NT (272) . Tenakh (223)
. Pentateuch (69) . Eerdere Profeten (35) . Latere Profeten (41) . 12 Kleine
Profeten (15) . Geschriften (63) . Gn (32) . Gn 1-11 (21) : (1) Gn
1,1 . (2) Gn
1,9 . (3) Gn
1,14 . (4) Gn
1,15 . (5) Gn
1,17 . (6) Gn
1,20 . (7) Gn
1,26 . (8) Gn
1,28 . (9) Gn
1,30 . (10) Gn
2,1 . (11) Gn
2,4 . (12) Gn
2,19 . (13) Gn
2,20 . (14) Gn
6,7 . (15) Gn
6,17 . (16) Gn
7,3 . (17) Gn
7,11 . (18) Gn
7,19 . (19) Gn
7,23 . (20) Gn
8,2 . (21) Gn
9,2 . Twee uitersten worden vaak gebruikt om een totaliteit uit te drukken
; zo is dat het geval in hemel en aarde , van hoog tot laag , van kop tot teen
, dag en nacht enz. . Vergelijken we de sommen van sjâmajim
/ sjâmâjim (hemelen) en ´èrèts (land, aarde) :
- sjâmajim
/ sjâmâjim (hemelen) : 57 (3 X 19) OF 390 (2 X 3 X 5 X 13 = 30 X 13 = 15 X 26) . Structuur
: 3 - 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 12 -> 3 . - ´èrèts (land, aarde) : 39 (3 X 13 of 26 + 13) OF 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 3 - 9 . De som van de elementen is telkens 12 -> 3 . Vermits 13 de getalwaarde van ´èchad
(één, eenheid) is , drukken beiden eenheid uit (ofschoon in een verschillend numeriek stelsel) . Bij beiden is de som van de elementen 12 -> 3 .
In sjâmajim (hemelen) gaat het woord sj-m (naam)
en majim (wateren) schuil .
Gn 1,1.4. - 5. ´èth hasjsjâmajim (de hemelen) . Tenakh (15) : (1) Ex 20,11 . (2) Ex 31,17 . (3) Dt 4,26 . (4) Dt 11,17 . (5) Dt 28,12 . (6) Dt 30,19 . (7) Dt 31,28 . (8) 2 K 19,15 . (9) 2 Kr 2,11 . (10) Neh 9,6 . (11) Js 37,16 . (12) Jr 23,24 . (13) Jr 32,17 . (14) Hag 2,6 . (15) Hag 2,21 .
Gn 1,1.6. wë´èth / wë´eth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .
Gn 1,1.7. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 3 - 9 . De som van de elementen is telkens 12 -> 3 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Arabisch : ´arD (aarde) . Taalgebruik in de Koran : ´arD (aarde) . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
Gn 1,1.6. - 7. wë´eth hâ´ârèts (en het land) . Tenakh (1) : Gn 1,1 . ´eth hâ´ârèts (het land) . Tenakh (1) : Dt 1,35 . wë´èth hâ´ârèts (en het land) . Tenakh (17) : (1) Gn 35,12 . (2) Gn 42,34 . (3) Gn 49,15 . (4) Ex 20,11 . (5) Ex 31,17 . (6) Dt 3,12 . (7) Dt 4,26 . (8) Dt 30,19 . (9) Dt 31,28 . (10) 2 K 19,15 . (11) 2 Kr 2,11 . (12) Js 37,16 . (13) Jr 22,12 . (14) Jr 23,24 . (15) Jr 32,17 . (16) Hag 2,6 . (17) Hag 2,21 . ´èth hâ´ârèts (het land) . Tenakh (136) . Gn (12) : (1) Gn 1,28 . (2) Gn 6,12 . (3) Gn 6,13 . (4) Gn 9,1 . (5) Gn 12,7 . (6) Gn 15,7 . (7) Gn 15,18 . (8) Gn 24,7 . (9) Gn 35,12 . (10) Gn 41,30 . (11) Gn 42,30 . (12) Gn 48,4 . De getalwaarde van deze uitdrukking is 6 + 401 + 5 + 291 = 703 (19 X 37) . Dit is de ster als 37 en de zeshoek als 19 . Zie : http://www.biblewheel.com/gr/GR_LogosStar_Genesis.asp . Laten we in het getal 703 de nul weg , dan bekomen we 73 ; het spiegelbeeldgetal is 37 . En we krijgen opnieuw 37 X 73 , de ster als 73 en de zeshoek als 36 .
Gn
1,1.4. - 7. ´eth hasjsjâmajim wë´eth hâ´ârèts (de hemel en de aarde) is een hapax in Gn
1,1 . ´èth hasjsjâmajim wë´èth hâ´ârèts
(de hemel en de aarde) . Tenakh (12 / 15) : (1) Ex
20,11 . (2) Ex
31,17 . (3) Dt
4,26 . (4) Dt
30,19 . (5) Dt
31,28 . (6) 2
K 19,15 . (7) 2
Kr 2,11 . (8) Js
37,16 . (9) Jr
23,24 . (10) Jr
32,17 . (11) Hag
2,6 . (12) Hag
2,21 .
- `âshîthâ ´èth hasjsjâmajim (U hebt de
hemelen gemaakt) . Tenakh (4) : (1) 2
K 19,15 . (2) Neh
9,6 . (3) Js
37,16 . (4) Jr
32,17 .
- `âshîthâ ´èth hasjsjâmajim wë´èth
hâ´ârèts (U hebt de hemelen en de aarde gemaakt) .
Tenakh (3) : (1) 2
K 19,15 . (2) Js
37,16 . (3) Jr
32,17 .
- sjâmajim wë´èrèts (hemel en aarde) . Tenakh
(11) : (1) Gn
14,19 . (2) Gn
14,22 . (3) Ps
69,35 . (4) Ps
115,15 . (5) Ps
121,2 . (6) Ps
124,8 . (7) Ps
134,3 . (8) Ps
146,6 . (9) Jr
33,25 . (10) Jr
51,48 . (11) Jl
4,16 . sjâmâjim wë´èrèts (hemel
en aarde) .
- `osheh sjâmajim wë´èrèts (makende hemel en
aarde = die hemel en aarde heeft gemaakt) . Tenakh (5) : (1) Ps
115,15 . (2) Ps
121,2 . (3) Ps
124,8 . (4) Ps
134,3 . (5) Ps
146,6 .
- qoneh sjâmajim wë´èrèts (scheppende hemel
en aarde = die hemel en aarde heeft geschapen) . Tenakh (2) : (1) Gn
14,19 . (2) Gn
14,22 .
| Gn 1,2 - Gn 1,2 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [2] And the earth was without form, and void; and darkness
was upon the face of the deep. And the Spirit of God moved upon the face of
the waters.
Luther-Bibel . 2 Und die Erde war wüst und leer, und es war finster auf der
Tiefe; und der Geist Gottes schwebte auf dem Wasser.
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6-7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12-13 |
14 |
| וְהָאָרֶץ | הָיְתָה | תֹהוּ | וָבֹהוּ | וְחֹשֶׁךְ | עַל־פְּנֵי | תְהוֹם | וְרוּחַ | אֱלֹהִים | מְרַחֶפֶת | עַל־פְּנֵי | הַמָּיִם׃ |
| wë-hâ-ʾârèts | hâjëthâh | thôhû | wâ-bhohû | wë chosjèkh | ʿal pëne(j) | thëhôm | wë-rûach | ʾêlohîm | mërachèphèth | ʿal pëne(j) | hammâjim |
| ו · ה · ארץ | היה | תהו | ו · בהו | ו · חשׁך | על · פן | תהום | ו · רוח | אלהים | רחף | על · פן | ה · מים |
en de aarde |
was |
vormlees |
en leeg |
en duisternis |
over aangezicht van |
de diepte |
en geest van |
God |
zweefde |
over aangezicht van |
de wateren |
Tekstuitleg van Gn 1,2 . Vers Gn 1,2 telt 14 (2 X 7) woorden en 52 (2² X 13 of 2 X 26) letters . De getalwaarde van Gn 1,2 is 3546 (2 X 3² X 197) .
Gn 1,2.1. wëhâ´ârèts (en de aarde) < wë + bepaald lidw. ha + ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (38) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (4) . Gn (5) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 2,1 . (3) Gn 2,4 . (4) Gn 34,10 . (5) Gn 34,21 .
Gn 1,2.2. act. qal perf. 3de pers. vr. enk. hâjëthâh (en zij werd) van het werkw. häjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Genesis : hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Dt : hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Jesaja : hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Micha : hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Sefanja : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Een vorm van eimi (zijn) , in de LXX (6947) , in het NT (2450) . Tenakh (114) . Pentateuch (18) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (26) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (30) . Gn (8) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 3,20 . (3) Gn 18,12 . (4) Gn 29,17 . (5) Gn 36,12 . (6) Gn 38,21 . (7) Gn 38,22 . (8) Gn 47,26 .
Gn 1,2.3. thohû (woestenij, leegheid) . Taalgebruik in Tenakh : thohû (woestenij, leegheid) . Getalwaarde : thaw = 22 of 400 , he = 5 , waw = 6 ; totaal : 33 (3 X 11) OF 411 (3 X 137) . Structuur : 4 - 5 - 6 . Tenakh (10) : (1) Gn 1,2 . (2) 1 S 12,21 . (3) Js 24,10 . (4) Js 34,11 . (5) Js 44,9 . (6) Js 45,18 . (7) Js 45,19 . (8) Js 59,4 . (9) Jr 4,23 . (10) Job 26,7 .
4. wâbhohû (en ledigheid) < wë (en) + bohû (ledigheid, eenzaamheid) . Taalgebruik in Tenakh : bohû (ledigheid, eenzaamheid) . Getalwaarde : beth = 2 , he = 5 , waw = 6 ; totaal : 13 . Structuur : 2 - 5 - 6 . Tenakh (2) : (1) Gn 1,2 . (2) Jr 4,23 .
Gn 1,2.9. w-r-û-ch (wërûach = en een geest OF wërèwach = en ruimte, verademing) . wërûach(en geest) : nevenschikkend voegw. wë + zelfst. naamw. rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 . waw = 6 . chet = 8 . Totaal : 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107) . LXX : pneuma (geest) . Taalgebruik in de Septuaginta : pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . E. spirit . Ned. geest . D. Geist . wërûach (en geest) in Tenakh (39) . Pentateuch (4) : Gn (2) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 32,17 (wërèwach : en ruimte) . (3) Ex 10,13 . (4) Nu 11,31 . rûach (geest) in Tenakh (204) . Pentateuch (19) . Gn (7) : (1) Gn 6,17 . (2) Gn 7,15 . (3) Gn 7,22 . (4) Gn 8,1 . (5) Gn 26,35 . (6) Gn 41,38 . (7) Gn 45,27 . rûchî (mijn geest) . Tenakh (31) . Pentateuch (1) Gn 6,3 . Een vorm van pneuma (geest) in het NT (379) , in de LXX (382) , in de Pentateuch (26) , Gn (7) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 6,3 . (3) Gn 6,17 . (4) Gn 7,15 . (5) Gn 8,1 . (6) Gn 41,38 . (7) Gn 45,27 .
Gn 1,2.10. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
Gn 1,2.9. - 10. wërûach ´èlohîm (en de geest van God) . Tenakh (2): (1) Gn 1,2 . (2) 2 Kr 24,20 . rûach ´èlohîm (de geest van God) . Tenakh (13) . Pentateuch (4) : (1) Gn 41,38 . (2) Ex 31,3 . (3) Ex 35,31 . (4) Nu 24,2 .
Gn 1,2.11. mërachèphèth : pi. part. vr. enk. van het werkw. râchaph (trillen, pi. zweven) . Taalgebruik in Tenakh : râchaph (trillen, pi. zweven) . Ned. zweven . D. sweben . E. to move . Deze vorm komt in Tenakh slechts in Gn 1,2 voor .
| Gn 1,3 - Gn 1,3 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . And God said, Let there be light: and there was light.
Luther-Bibel . Und Gott sprach: Es werde Licht! Und es ward Licht.
a. wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei)
b. jëhî ´ôr (het zij licht)
c. wajëhî ´ôr (en het was licht)
Tekstuitleg van Gn 1,3 . Dit vers Gn 1,3 telt 6 (2 X 3) woorden , 23 letters . De getalwaarde van Gn 1,3 is 813 (3 X 271) . Het vers bestaat uit drie zinnen : een inleidingszin op een citaat , het citaat in een imperatiefzin en een zin die het resultaat van de imperatiefzin geeft . Elke zin telt 2 woorden . De eerste zin telt 2 woorden , 10 letters en 6 lettergrepen . De tweede zin telt 2 woorden , 6 letters en 3 lettergrepen . De derde zin telt 2 woorden , 7 letters en 4 lettergrepen .
1 |
2 |
3 |
4 |
5-6 |
|
| וַיֹּאמֶר | אֱלֹהִים | יְהִי | אוֹר | וַיְהִי־אוֹר׃ | |
| wajjo´mèr | ´èlohîm | jëhî | ´ôr | wajëhî ´ôr | |
| ו · אמר | אלהים | היה | אור | ו · היה · אור | |
| en (God) zei | God | het zij | licht | en het was licht |
Gn 1,3.1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sagen . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In het werkw. ´âmar (zeggen) zit het woord ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .
Gn 1,3.2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Arabisch : ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Koran : ´allah (Allah) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 . De woorden ´èlohîm (God) en ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalwaarde van ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .
Gn 1,3.1. - 2. wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm (en God zei tot hen) . (10) Gn 1,29 . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van 4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) . Beide woorden tellen elk 3 lettergrepen en 5 letters ; totaal : 6 lettergrepen en 10 letters . Dit is het 1ste scheppingswoord van God . Het betreft het licht .
Gn 1,3.3. act. qal jussief 3de pers. mann. enk. jëhî (het zij) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Een vorm van eimi (zijn) in de LXX (6947) , in het NT (2450) . Tenakh (49) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (27) . Gn (6) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 30,34 . (5) Gn 33,9 . (6) Gn 49,17 .
Gn
1,3.4. ´ôr
(licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr
(licht) . Getalwaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal
: 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . Gr. fôs
(licht) .Taalgebruik in het NT : fôs
(licht) . Taalgebruik in de LXX : fôs
(licht) . Een vorm van fôs (licht)
in de bijbel (209) , het OT (146) , het NT (63) . Lat. lux / lumen . Fr.
lumière . E. light . D. Licht . Arabisch : nûr (licht) . Taalgebruik in de Koran : nûr (licht) . Tenakh (55) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine
Profeten (7) . Geschriften (30) . Gn (2) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn
1,4 .
Volgens Gn
1,3 werd het licht op de eerste dag geschapen . ´ôr (licht)
begint met de letter aleph (1) . Het heeft ook 2 letters gemeenschappelijk met het werkw. ´âmar
(zeggen) , nl. aleph (1) en mem (13 of 40) .
Volgens Gn
1,4 maakte God een scheiding tussen het licht en de duisternis . Licht en
duisternis vormen een dualiteit , elkaars tegenpool .
- chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh
(duisternis) . Getalwaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of
20 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 8 - 3 - 2
. Tenakh (57) . Pentateuch (4) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine
Profeten (5) . Geschriften (33) . Gr. skotos (duisternis) . Lat. tenebrae . Fr. ténèbres . E. darkness
. D. Finsternis . Taalgebruik in het NT : skotos
(duisternis) . Taalgebruik in de Septuaginta : skotos
(duisternis) . Een vorm van skotos (duisternis) in de Septuaginta (120)
, in het NT (30) . Gn (1) : Gn 39,9 .
Gn
1,3.5. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij
was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik
in Tenakh : hâjâh
(zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur
: 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij
was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi
(zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi
(zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh
(784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) .
12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn
1,9 . (7) Gn
1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn
1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,31 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai
(worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij
was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| ind. aor. 3de pers. enk. egeneto | 925 | 730 | 195 | 13 | 17 | 69 | 16 | 63 | 17 | 99 | 115 |
Gn
1,3.6. ´ôr
(licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr
(licht) . Getalwaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal
: 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . Gr. fôs
(licht) .Taalgebruik in het NT : fôs
(licht) . Taalgebruik in de LXX : fôs
(licht) . Een vorm van fôs (licht)
in de bijbel (209) , het OT (146) , het NT (63) . Lat. lux / lumen . Fr.
lumière . E. light . D. Licht . Arabisch : nûr (licht) . Taalgebruik in de Koran : nûr (licht) . Tenakh (55) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine
Profeten (7) . Geschriften (30) . Gn (2) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn
1,4 .
Volgens Gn
1,3 werd het licht op de eerste dag geschapen . ´ôr (licht)
begint met de letter aleph (1) . Het heeft ook 2 letters gemeenschappelijk met het werkw. ´âmar
(zeggen) , nl. aleph (1) en mem (13 of 40) .
Volgens Gn
1,4 maakte God een scheiding tussen het licht en de duisternis . Licht en
duisternis vormen een dualiteit , elkaars tegenpool .
| Gn 1,4 - Gn 1,4 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [4] And God saw the light, that it was good: and God divided
the light from the darkness.
Luther-Bibel . 4 Und Gott sah, dass das Licht gut war. Da schied Gott das Licht
von der Finsternis
Tekstuitleg van Gn 1,4 . Het vers Gn 1,4 telt 12 (2² X 3) woorden en 45 (3² X 5) letters . De getalwaarde van Gn 1,4 is 1776 (2² X 2² X 3 X 37) . Het vers Gn 1,4 bevat 2 nevenschikkende zinnen . Volgens Gn 1,3 werd het licht op de eerste dag geschapen . ´ôr (licht) begint met de letter aleph (1) . Volgens Gn 1,4 maakte God een scheiding tussen het licht en de duisternis . Licht en duisternis vormen een dualiteit , elkaars tegenpool . En God zag het licht : zo goed !
Gn 1,4.1. w-j-r` . (1) act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud wajjarë´ (en hij zag) ; (2) passief nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) van het werkw. râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Taalgebruik in Genesis : râ´âh (zien) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 (2 X 13) of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . Gr. horaô (zien) . Taalgebruik in de Septuaginta : horaô (zien) . Taalgebruik in het NT : horaô (zien) . Lat. videre . Fr. voir . Ned. zien . E. to see . D. sehen . Arabisch : ra´â (zien) . Taalgebruik in de Koran : ra´â (zien) . pass. Lat. apparere . Fr. apparaître . E. appear . Ned. verschijnen . D. erscheinen . Een vorm van horaô (zien, verschijnen) in het NT (114) , in de LXX (1539) . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (19) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 .
Gn 1,4.2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Arabisch : ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Koran : ´allah (Allah) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 . De woorden ´èlohîm (God) en ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalwaarde van ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .
Gn 1,4.1. - 2. wajjarë´ ´èlohîm (en God zag) . Tenakh (9) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . (8) Gn 6,12 . (9) Ex 2,25 .
Gn 1,4.3. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .
Gn
1,4.4. hâ´ôr
(het licht) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´ôr
(licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr
(licht) . Getalwaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal
: 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . Gr. fôs
(licht) .Taalgebruik in het NT : fôs
(licht) . Taalgebruik in de LXX : fôs
(licht) . Een vorm van fôs (licht)
in de bijbel (209) , het OT (146) , het NT (63) . Lat. lux / lumen . Fr.
lumière . E. light . D. Licht . Arabisch : nûr (licht) . Taalgebruik in de Koran : nûr (licht) . Tenakh (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 . (3) Re 19,26 . (4) Pr 2,13 . (5) Pr 11,7 . (6) Neh 8,3 .
Volgens Gn
1,3 werd het licht op de eerste dag geschapen . ´ôr (licht)
begint met de letter aleph (1) . Het heeft ook 2 letters gemeenschappelijk met het werkw. ´âmar
(zeggen) , nl. aleph (1) en mem (13 of 40) .
Volgens Gn
1,4 maakte God een scheiding tussen het licht en de duisternis . Licht en
duisternis vormen een dualiteit , elkaars tegenpool .
Gn 1,4.5. kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Structuur : 2 - 1 . Tenakh (3849) . Pentateuch (884) . Eerdere Profeten (726) . Latere Profeten (841) . 12 Kleine Profeten (241) . Geschriften (1157) . Gn (251) . Gn 1 (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . Gr. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in de Septuaginta : hoti (dat, omdat) . Gn (161) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 . (4) Gn 1,12 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 1,21 . (7) Gn 1,25 .
| hoti ( dat , omdat ) | bijbel | O.T. | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 4396 | 3213 | 1183 | 137 | 92 | 160 | 237 | 114 | 389 | 54 | 389 | 626 |
Gn
1,4.6. tôbh (goed) . Taalgebruik
in Tenakh : tôbh
(goed) . Getalwaarde : tet = 9 , waw = 6 , beth = 2 ; totaal : 17 . Structuur
: 9 - 6 - 2 . Gr. agathos . Taalgebruik in
het NT : agathos
(goed) . Taalgebruik in
de LXX : agathos
(goed) . N. goed. D. gut . E. good . Arabisch : DHîb (goed) . Taalgebruik in de Koran : DHîb (goed) . Tenakh (290) . Pentateuch (38) . Eerdere Profeten (49) . Latere
Profeten (23) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (166) . Gn (23) : (1) Gn
1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . (8) Gn 2,9 . (9) Gn 2,12 . (10) Gn 2,17 . (11) Gn 2,18 . (12) Gn 3,5 . (13) Gn 3,6 . (14) Gn 3,22 . (15) Gn 24,10 . (16) Gn 24,50 . (17) Gn 26,29 . (18) Gn 29,19 . (19) Gn 30,20 . (20) Gn 40,16 . (21) Gn 45,18 . (22) Gn 45,20 . (23) Gn 49,15 .
- kalos (goed,
mooi, schoon) . Taalgebruik in het NT : kalos
(goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in de LXX : kalos
(goed, mooi, schoon) . Gn (15) : (1) Gn
1,4 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 . (4) Gn 1,12 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 2,9 . (7) Gn 2,12 . (8) Gn 2,17 . (9) Gn 2,18 . (10) Gn 3,5 . (11) Gn 3,6 . (12) Gn 3,22 . (13) Gn 18,7 . (14) Gn 30,20 . (15) Gn 49,14 .
| kalos (goed) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| nom. + acc. onz. enk. + acc. mann. enk. kalon | 125 | 75 | 50 | 13 | 9 | 5 | 1 | 22 | 27 | 28 | 20 | 2 |
Gn 1,4.5. - 6. kî tôbh (want mooi, zo mooi) . Tenakh (43) . Gn (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 .
Gn
1,4.7. waw. consect. + werkw.vorm act. hifil imperf. (jaqtil) 3de pers. enk. wajjabhëdel
(en hij maakte een scheiding) van het werkw. bâdal (afscheiden, verdelen)
. Taalgebruik in Tenakh : bâdal
(afscheiden, verdelen) . Tenakh (3) : (1) Gn
1,4 . (2) Gn
1,7 . (3) 1
Kr 23,13 . Lat. dividere . E. divide . D. scheiden . Fr. séparer . Arabisch : faSala (scheiden) . Taalgebruik in de Koran : faSala (scheiden) .
- act. ind. aor. 3de pers. enk. diechôrisen (hij maakte een scheiding) van het werkw. diachôrizô (uiteenplaatsen
, zich verwijderen) . Taalgebruik in de Septuaginta : diachôrizô
(uiteenplaatsen , zich verwijderen) . LXX (5) : (1) Gn
1,4 . (2) Gn
1,7 . (3) Gn
30,40 . (4) 2
Kr 25,10. (5) Sir
33,11 . Een vorm van diachôrizô (uiteenplaatsen
, zich verwijderen) in de LXX (27) , in het NT (1) Lc
9,33 .
Gn 1,4.8. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Arabisch : ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Koran : ´allah (Allah) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 . De woorden ´èlohîm (God) en ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalwaarde van ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1
Gn 1,4.9. be(j)n (tussen) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) . Getalwaarde : beth = 2 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 2 - 1 - 5 . Tenakh (165) . Pentateuch (61) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (24) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (25) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,14 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 9,16 . (7) Gn 10,12 . (8) Gn 13,3 . (9) Gn 13,7 . (10) Gn 15,17 . (11) Gn 16,14 . (12) Gn 20,1 . (13) Gn 31,37 . (14) Gn 32,17 . (15) Gn 49,14 .
Gn 1,4.10. hâ´ôr (het licht) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Getalwaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . Gr. fôs (licht) .Taalgebruik in het NT : fôs (licht) . Taalgebruik in de LXX : fôs (licht) . Een vorm van fôs (licht) in de bijbel (209) , het OT (146) , het NT (63) . Lat. lux / lumen . Fr. lumière . E. light . D. Licht . Arabisch : nûr (licht) . Taalgebruik in de Koran : nûr (licht) . Tenakh (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 . (3) Re 19,26 . (4) Pr 2,13 . (5) Pr 11,7 . (6) Neh 8,3 .
Gn 1,4.11. ûbhe(j)n (en tussen) < waw + be(j)n (tussen) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) . Getalwaarde : beth = 2 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 2 - 1 - 5 . Tenakh (108) . Pentateuch (46) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (12) . Gn (20) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 3,15 . (6) Gn 9,12 . (7) Gn 9,13 . (8) Gn 9,15 . (9) Gn 9,16 . (10) Gn 9,17 . (11) Gn 10,12 . (12) Gn 13,3. (13) Gn 13,7 . (14) Gn 13,8 . (15) Gn 16,14 . (16) Gn 17,7 . (17) Gn 17,10 . (18) Gn 20,1 . (19) Gn 30,36 . (20) Gn 32,17 .
Gn 1,4.12. hachosjèkh (de duisternis) < bepaald lidw. ha + chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Getalwaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 8 - 3 - 2 . Tenakh (57) . Gr. skotos (duisternis) . Taalgebruik in het NT : skotos (duisternis) . Taalgebruik in de Septuaginta : skotos (duisternis) . Een vorm van skotos (duisternis) in de Septuaginta (120) , in het NT (30) . Lat. tenebrae . Fr. ténèbres . E. darkness . D. Finsternis . Arabisch : DHalâm (duisternis) . Taalgebruik in de Koran : DHalâm (duisternis) . Tenakh (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 . (3) Dt 5,23 . (4) Js 60,2 . (5) Pr 2,13 . (6) Pr 11,8 . Tegenover duisternis staat licht . Hebr. ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) .
Gn 1,4.9. - 12. be(j)n hâ´ôr ûbe(j)n hachosjèkh (tussen het licht en tussen de duisternis) . Tenakh (2) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 .
| Gn 1,5 - Gn 1,5 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [5] And God called the light Day, and the darkness he called
Night. And the evening and the morning were the first day.
Luther-Bibel . 5 und nannte das Licht Tag und die Finsternis Nacht. Da ward
aus Abend und Morgen der erste Tag.
Arab. waqâla ´Allah lîkun nûr
Tekstuitleg van Gn 1,5 . Het vers Gn 1,5 telt 13 woorden en 49 (7²) letters . De getalwaarde van Gn 1,5 is 2141 .
Gn 1,5.1. wajjiqërâ´(en hij riep, hij heet, hij noemde) < waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Arabisch : qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Koran : qâla (zeggen) . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
Gn 1,5.2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Arabisch : ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Koran : ´allah (Allah) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 . De woorden ´èlohîm (God) en ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalwaarde van ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .
1. - 2. wajjiqërâ´ ´èlohîm (en God riep) . Tenakh (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
8. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij
was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik
in Tenakh : hâjâh
(zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur
: 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij
was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi
(zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi
(zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh
(784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) .
12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn
1,9 . (7) Gn
1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn
1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai
(worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij
was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| ind. aor. 3de pers. enk. egeneto | 925 | 730 | 195 | 13 | 17 | 69 | 16 | 63 | 17 | 99 | 115 |
Gn 1,5.9. `èrèbh (avond) . Taalgebruik in Tenakh : `èrèbh (avond) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , resj = 20 of 200 , beth = 2 ; totaal : 38 (2 X 19) . Structuur : 2 X 19 . x-b/v-n . Avond . D. Abend . E. evening . Lat. ad vesperas . Gr. hespera . Arabisch : masâ´ (avond) . Taalgebruik in de Koran : masâ´ (avond) . Een vorm van hespera (avond) in de LXX (129) , in het NT (3) . Tenakh (48) . Pentateuch (20) . Eerdere Profeten (2) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (18) . Gn (10) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 . (7) Gn 8,11 . (8) Gn 24,11 . (9) Gn 24,63 . (10) Gn 44,32 .
10. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij/het
was) van het werkw. hâjâh (zijn) van het werkw. De getalwaarde van wajëhî
(en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) ;
aleph = 1 , lamed = 12 of 30 . Totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik
in Tenakh : hâjâh
(zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur
: 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi
(zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi
(zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh
(784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) .
12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn
1,9 . (7) Gn
1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn
1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai
(worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . Bijbel (925) . OT (678) . Pentateuch (156) . Eerdere Profeten (289) . Latere Profeten (126) . 12 Kleine
Profeten (26) . Geschriften (131) . NT (195) . Gr. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij / zij was)
. Bijbel (1506) . OT (1120) . Pentateuch (329) . Eerdere Profeten (219) . Latere Profeten (146) . 12 Kleine
Profeten (32) . Geschriften (193) . NT (386) .
| Gn 1,6 - Gn 1,6 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [6] And God said, Let there be a firmament in the midst
of the waters, and let it divide the waters from the waters.
Luther-Bibel . 6 Und Gott sprach: Es werde eine Feste zwischen den Wassern,
die da scheide zwischen den Wassern.
Tekstuitleg van Gn 1,6 . Het vers Gn 1,6 telt 11 woorrden en 44 (4 X 11) letters ; verhouding : 1 op 4 . De getalwaarde van Gn 1,6 is 1660 (2² X 5 X 83) . Het tweede scheppingswoord van God .
1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sagen . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In het werkw. ´âmar (zeggen) zit het woord ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .
2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
1. - 2. wajj´omèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm (en God zei tot hen) . (10) Gn 1,29 . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van 4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) .
3. act. qal imperat. (jussief) 3de pers. mann. enk. jëhî (het zij) van het werkw. häjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Een vorm van eimi (zijn) , in de LXX (6947) , in het NT (2450) . Tenakh (49) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (27) . Gn (6) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 30,34 . (5) Gn 33,9 . (6) Gn 49,17 .
7. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij
was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik
in Tenakh : hâjâh
(zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur
: 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij
was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi
(zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi
(zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh
(784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) .
12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn
1,9 . (7) Gn
1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn
1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai
(worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij
was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| ind. aor. 3de pers. enk. egeneto | 925 | 730 | 195 | 13 | 17 | 69 | 16 | 63 | 17 | 99 | 115 |
| Gn 1,7 - Gn 1,7 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [7] And God made the firmament, and divided the waters which
were under the firmament from the waters which were above the firmament: and
it was so.
Luther-Bibel . 7 Da machte Gott die Feste und schied das Wasser unter der Feste
von dem Wasser über der Feste. Und es geschah so.
Tekstuitleg van Gn 1,7 . Het vers Gn 1,7 telt 17 woorden en 65 (5 X 13) letters . De getalwaarde van Gn 1,7 is 4541 (19 X 239) .
2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
3. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .
5. waw. consect. + werkw.vorm act. hifil imperf. (jaqtil) 3de pers. enk. wajjabhëdel (en hij maakte een scheiding) van het werkw. bâdal (afscheiden, verdelen) . Taalgebruik in Tenakh : bâdal (afscheiden, verdelen) . Tenakh (3) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) 1 Kr 23,13 .
16. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij
was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik
in Tenakh : hâjâh
(zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur
: 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij
was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi
(zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi
(zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh
(784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) .
12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn
1,9 . (7) Gn
1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn
1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai
(worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij
was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| ind. aor. 3de pers. enk. egeneto | 925 | 730 | 195 | 13 | 17 | 69 | 16 | 63 | 17 | 99 | 115 |
| Gn 1,8 - Gn 1,8 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [8] And God called the firmament Heaven. And the evening
and the morning were the second day.
Luther-Bibel . 8 Und Gott nannte die Feste Himmel. Da ward aus Abend und Morgen
der zweite Tag.
Tekstuitleg van Gn 1,8 . Het vers Gn 1,8 telt 10 (2 X 5) woorden en 39 (3 X 13) letters . De getalwaarde van Gn 1,8 is 2255 (5 X 11 X 41) .
Gn 1,8.1. wajjiqërâ´(en hij riep, hij heet, hij noemde) < waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Arabisch : qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Koran : qâla (zeggen) . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
Gn 1,8.2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Arabisch : ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Koran : ´allah (Allah) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 . De woorden ´èlohîm (God) en ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalwaarde van ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .
Gn 1,8.1. - 2. wajjiqërâ´ ´èlohîm (en God riep) . Tenakh (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
5. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij
was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik
in Tenakh : hâjâh
(zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur
: 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij
was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi
(zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi
(zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh
(784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) .
12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn
1,9 . (7) Gn
1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn
1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai
(worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij
was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| ind. aor. 3de pers. enk. egeneto | 925 | 730 | 195 | 13 | 17 | 69 | 16 | 63 | 17 | 99 | 115 |
7. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij
was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik
in Tenakh : hâjâh
(zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur
: 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij
was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi
(zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi
(zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh
(784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) .
12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn
1,9 . (7) Gn
1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn
1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai
(worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij
was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| ind. aor. 3de pers. enk. egeneto | 925 | 730 | 195 | 13 | 17 | 69 | 16 | 63 | 17 | 99 | 115 |
| Gn 1,9 - Gn 1,9 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [9] And God said, Let the waters under the heaven be gathered
together unto one place, and let the dry land appear: and it was so.
Luther-Bibel . 9 Und Gott sprach: Es sammle sich das Wasser unter dem Himmel
an besondere Orte, dass man das Trockene sehe. Und es geschah so.
Tekstuitleg van Gn 1,9 . Het vers telt 13 woorden en 52 (2² X 13) letters ; verhouding : 1 op 4 . De getalwaarde van 3068 (2² X 13 X 59) . Het 3de scheppingswoord van God .
1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sagen . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In het werkw. ´âmar (zeggen) zit het woord ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .
2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
1. - 2. wajj´omèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm (en God zei tot hen) . (10) Gn 1,29 . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van 4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) .
12. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij
was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik
in Tenakh : hâjâh
(zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur
: 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij
was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi
(zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi
(zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh
(784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) .
12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn
1,9 . (7) Gn
1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn
1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai
(worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij
was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| ind. aor. 3de pers. enk. egeneto | 925 | 730 | 195 | 13 | 17 | 69 | 16 | 63 | 17 | 99 | 115 |
| Gn 1,10 - Gn 1,10 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [10] And God called the dry land Earth; and the gathering
together of the waters called he Seas: and God saw that it was good.
Luther-Bibel . 10 Und Gott nannte das Trockene Erde, und die Sammlung der Wasser
nannte er Meer. Und Gott sah, dass es gut war.
Tekstuitleg van Gn 1,10 . Het vers Gn 1,10 telt 12 (2² X 3) en 49 (7²) woorden . De getalwaarde van Gn 1,10 is 2074 (2 X 17 X 61) .
Gn 1,10.1. wajjiqërâ´(en hij riep, hij heet, hij noemde) < waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Arabisch : qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Koran : qâla (zeggen) . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
Gn 1,10.2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Arabisch : ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Koran : ´allah (Allah) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 . De woorden ´èlohîm (God) en ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalwaarde van ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .
Gn 1,10.1. - 2. wajjiqërâ´ ´èlohîm (en God riep) . Tenakh (3) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 .
Gn 1,10.10. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Arabisch : ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Koran : ´allah (Allah) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 . De woorden ´èlohîm (God) en ´èl (God) beginnen met een aleph . De getalwaarde van ´èl (God) is 13 OF 31 , wellicht met een grote symbolische betekenis ; 1 => 3 OF 3 => 1 .
| Gn 1,11 - Gn 1,11 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [11] And God said, Let the earth bring forth grass, the
herb yielding seed, and the fruit tree yielding fruit after his kind, whose
seed is in itself, upon the earth: and it was so.
Luther-Bibel . 11 Und Gott sprach: Es lasse die Erde aufgehen Gras und Kraut,
das Samen bringe, und fruchtbare Bäume auf Erden, die ein jeder nach seiner
Art Früchte tragen, in denen ihr Same ist. Und es geschah so.
Tekstuitleg van Gn 1,11 . Het vers Gn 1,11 telt 20 (2² X 5) woorden en 69 (3 X 23) letters . De getalwaarde van Gn 1,11 is 5165 (5 X 1033) .
1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sagen . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In het werkw. ´âmar (zeggen) zit het woord ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .
2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
1. - 2. wajj´omèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm (en God zei tot hen) . (10) Gn 1,29 . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van 4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) .
4. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
18. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
19. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij
was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik
in Tenakh : hâjâh
(zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur
: 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij
was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi
(zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi
(zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh
(784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) .
12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn
1,9 . (7) Gn
1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn
1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai
(worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij
was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| ind. aor. 3de pers. enk. egeneto | 925 | 730 | 195 | 13 | 17 | 69 | 16 | 63 | 17 | 99 | 115 |
| Gn 1,12 - Gn 1,12 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [12] And the earth brought forth grass, and herb yielding
seed after his kind, and the tree yielding fruit, whose seed was in itself,
after his kind: and God saw that it was good.
Luther-Bibel . 12 Und die Erde ließ aufgehen Gras und Kraut, das Samen bringt,
ein jedes nach seiner Art, und Bäume, die da Früchte tragen, in denen ihr Same
ist, ein jeder nach seiner Art. Und Gott sah, dass es gut war.
Tekstuitleg van Gn 1,12 . Het vers Gn 1,12 telt 18 (2 X 3²) woorden en 67 letters . De getalwaarde van Gn 1,12 is 4335 (3 X 5 X 17²) .
1.
2. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
15. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
| Gn 1,13 - Gn 1,13 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [13] And the evening and the morning were the third day.
Luther-Bibel . 13 Da ward aus Abend und Morgen der dritte Tag.
Tekstuitleg van Gn 1,13 . Het vers Gn 1,13 telt 6 (2 X 3) woorden en 22 (2 X 11) letters . De getalwaarde van Gn 1,13 is 1342 (2 X 11 X 61) . Met dit vers worden de eerste drie scheppingsdagen afgesloten .
1. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij
was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik
in Tenakh : hâjâh
(zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur
: 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij
was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi
(zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi
(zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh
(784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) .
12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn
1,9 . (7) Gn
1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn
1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai
(worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij
was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| ind. aor. 3de pers. enk. egeneto | 925 | 730 | 195 | 13 | 17 | 69 | 16 | 63 | 17 | 99 | 115 |
3. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij
was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik
in Tenakh : hâjâh
(zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur
: 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij
was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi
(zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi
(zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh
(784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) .
12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn
1,9 . (7) Gn
1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn
1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai
(worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij
was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| ind. aor. 3de pers. enk. egeneto | 925 | 730 | 195 | 13 | 17 | 69 | 16 | 63 | 17 | 99 | 115 |
| Gn 1,14 - Gn 1,14 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [14] And God said, Let there be lights in the firmament
of the heaven to divide the day from the night; and let them be for signs, and
for seasons, and for days, and years:
Luther-Bibel . 14 Und Gott sprach: Es werden Lichter an der Feste des Himmels,
die da scheiden Tag und Nacht und geben Zeichen, Zeiten, Tage und Jahre
Tekstuitleg van Gn 1,14 . Het vers Gn 1,14 telt 16 (2² X 2²) woorden en 76 (2² X 19) letters . De getalwaarde van Gn 1,14 is 3744 (2² X 2³ X 3² X 13) . De 2de helft van de scheppingsweek begint .
1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sagen . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In het werkw. ´âmar (zeggen) zit het woord ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .
2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
1. - 2. wajj´omèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm (en God zei tot hen) . (10) Gn 1,29 . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van 4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) .
3. act. qal imperat. (jussief) 3de pers. mann. enk. jëhî (het zij) van het werkw. häjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Een vorm van eimi (zijn) , in de LXX (6947) , in het NT (2450) . Tenakh (49) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (27) . Gn (6) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 30,34 . (5) Gn 33,9 . (6) Gn 49,17 .
| Gn 1,15 - Gn 1,15 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [15] And let them be for lights in the firmament of the
heaven to give light upon the earth: and it was so.
Luther-Bibel . 15 und seien Lichter an der Feste des Himmels, dass sie scheinen
auf die Erde. Und es geschah so.
Tekstuitleg van Gn 1,15 . Het vers Gn 1,15 telt 9 (3²) woorden en 37 letters . De getalwaarde van Gn 1,15 is 2224 (2² X 2² X 139) .
7. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
8. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij
was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik
in Tenakh : hâjâh
(zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur
: 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij
was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi
(zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi
(zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh
(784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) .
12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn
1,9 . (7) Gn
1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn
1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai
(worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij
was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| ind. aor. 3de pers. enk. egeneto | 925 | 730 | 195 | 13 | 17 | 69 | 16 | 63 | 17 | 99 | 115 |
| Gn 1,16 - Gn 1,16 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [16] And God made two great lights; the greater light to
rule the day, and the lesser light to rule the night: he made the stars also.
Luther-Bibel . 16 Und Gott machte zwei große Lichter: ein großes Licht, das
den Tag regiere, und ein kleines Licht, das die Nacht regiere, dazu auch die
Sterne.
Tekstuitleg van Gn 1,16 . Het vers Gn 1,16 telt 18 (2 X 3²) woorden en 79 letters . De getalwaarde van Gn 1,16 is 5820 (2² X 3 X 5 X 97) .
2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
3. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .
7. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .
12.´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .
| Gn 1,17 - Gn 1,17 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [17] And God set them in the firmament of the heaven to
give light upon the earth,
Luther-Bibel . 17 Und Gott setzte sie an die Feste des Himmels, dass sie schienen
auf die Erde
Tekstuitleg van Gn 1,17 .
3. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
8. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
| Gn 1,18 - Gn 1,18 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [18] And to rule over the day and over the night, and to
divide the light from the darkness: and God saw that it was good.
Luther-Bibel . 18 und den Tag und die Nacht regierten und schieden Licht und
Finsternis. Und Gott sah, dass es gut war.
Tekstuitleg van Gn 1,18 . Het vers Gn 1,18 telt 12 (2² X 3) woorden en 51 (3 X 17) letters . De getalwaarde van Gn 1,18 is 1659 (3 X 7 X 71) .
Gn
1,18 .6. hâ´ôr
(het licht) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´ôr
(licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr
(licht) . Getalwaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal
: 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . Gr. fôs
(licht) .Taalgebruik in het NT : fôs
(licht) . Taalgebruik in de LXX : fôs
(licht) . Een vorm van fôs (licht)
in de bijbel (209) , het OT (146) , het NT (63) . Lat. lux / lumen . Fr.
lumière . E. light . D. Licht . Arabisch : nûr (licht) . Taalgebruik in de Koran : nûr (licht) . Tenakh (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 . (3) Re 19,26 . (4) Pr 2,13 . (5) Pr 11,7 . (6) Neh 8,3 .
Volgens Gn
1,3 werd het licht op de eerste dag geschapen . ´ôr (licht)
begint met de letter aleph (1) . Het heeft ook 2 letters gemeenschappelijk met het werkw. ´âmar
(zeggen) , nl. aleph (1) en mem (13 of 40) .
Volgens Gn
1,4 maakte God een scheiding tussen het licht en de duisternis . Licht en
duisternis vormen een dualiteit , elkaars tegenpool .
10. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
| Gn 1,19 - Gn 1,19 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [19] And the evening and the morning were the fourth day.
Luther-Bibel . 19 Da ward aus Abend und Morgen der vierte Tag.
Tekstuitleg van Gn 1,19 .
1. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij
was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik
in Tenakh : hâjâh
(zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur
: 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij
was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi
(zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi
(zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh
(784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) .
12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn
1,9 . (7) Gn
1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn
1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai
(worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij
was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| ind. aor. 3de pers. enk. egeneto | 925 | 730 | 195 | 13 | 17 | 69 | 16 | 63 | 17 | 99 | 115 |
3. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij
was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik
in Tenakh : hâjâh
(zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur
: 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij
was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi
(zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi
(zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh
(784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) .
12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn
1,9 . (7) Gn
1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn
1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai
(worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij
was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| ind. aor. 3de pers. enk. egeneto | 925 | 730 | 195 | 13 | 17 | 69 | 16 | 63 | 17 | 99 | 115 |
| Gn 1,20 - Gn 1,20 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [20] And God said, Let the waters bring forth abundantly
the moving creature that hath life, and fowl that may fly above the earth in
the open firmament of heaven.
Luther-Bibel . 20 Und Gott sprach: Es wimmle das Wasser von lebendigem Getier,
und Vögel sollen fliegen auf Erden unter der Feste des Himmels.
Tekstuitleg van Gn 1,20 .
1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sagen . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In het werkw. ´âmar (zeggen) zit het woord ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .
2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
1. - 2. wajj´omèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm (en God zei tot hen) . (10) Gn 1,29 . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van 4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) .
11. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
| Gn 1,21 - Gn 1,21 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [21] And God created great whales, and every living creature
that moveth, which the waters brought forth abundantly, after their kind, and
every winged fowl after his kind: and God saw that it was good.
Luther-Bibel . 21 Und Gott schuf große Walfische und alles Getier, das da lebt
und webt, davon das Wasser wimmelt, ein jedes nach seiner Art, und alle gefiederten
Vögel, einen jeden nach seiner Art. Und Gott sah, dass es gut war.
Tekstuitleg van Gn 1,21 .
2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
3. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .
6. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .
15. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .
21. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
| Gn 1,22 - Gn 1,22 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [22] And God blessed them, saying, Be fruitful, and multiply,
and fill the waters in the seas, and let fowl multiply in the earth.
Luther-Bibel . 22 Und Gott segnete sie und sprach: Seid fruchtbar und mehret
euch und erfüllet das Wasser im Meer, und die Vögel sollen sich mehren auf Erden.
Tekstuitleg van Gn 1,22 .
3. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
5. pârâh (1. vruchtbaar zijn, voortbrengen. 2. bloeien, opschieten) . pârâh (1. vruchtbaar zijn, voortbrengen. 2. bloeien, opschieten) . Taalgebruik in Tenakh : pârâh (1. vruchtbaar zijn, voortbrengen. 2. bloeien, opschieten) . Getalwaarde : pe = 17 of 80 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 42 (2² X 13) OF 285 (3 X 5 X 19) . Structuur : 8 - 2 - 5 . Zie përî (vrucht) . përî (vrucht) . Taalgebruik in Tenakh : përî (vrucht) . Gr. karpos (vrucht) . Taalgebruik
in het NT : karpos
(vrucht) . Taalgebruik
in de LXX : karpos
(vrucht) . Hebr. përî , mv. pêrôth . Lat. frui
- fructus . Fr. fruit . Ned. vrucht , fruit . E. fruit . D. Frucht .
- act. qal imperat. 2de pers. mann. mv. përû (weest vruchtbaar) van het werkw. . p-r-w . Tenakh (5) . përû (weest vruchtbaar) . Tenakh (4) : (1) Gn 1,22 . (2) Gn 1,28 . (3) Gn 9,1 . (4) Gn 9,7 . act. qal perf. 3de pers. mann. mv. pârû (zij zijn vruchtbaar) . Tenakh (1) : Ex 1,7 .
8. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .
| Gn 1,23 - Gn 1,23 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [23] And the evening and the morning were the fifth day.
Luther-Bibel . 23 Da ward aus Abend und Morgen der fünfte Tag.
Tekstuitleg van Gn 1,23 .
1. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij
was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik
in Tenakh : hâjâh
(zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur
: 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij
was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi
(zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi
(zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh
(784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) .
12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn
1,9 . (7) Gn
1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn
1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai
(worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij
was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| ind. aor. 3de pers. enk. egeneto | 925 | 730 | 195 | 13 | 17 | 69 | 16 | 63 | 17 | 99 | 115 |
3. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij
was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik
in Tenakh : hâjâh
(zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur
: 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij
was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi
(zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi
(zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh
(784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) .
12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn
1,9 . (7) Gn
1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn
1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai
(worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij
was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| ind. aor. 3de pers. enk. egeneto | 925 | 730 | 195 | 13 | 17 | 69 | 16 | 63 | 17 | 99 | 115 |
| Gn 1,24 - Gn 1,24 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [24] And God said, Let the earth bring forth the living
creature after his kind, cattle, and creeping thing, and beast of the earth
after his kind: and it was so.
Luther-Bibel . 24 Und Gott sprach: Die Erde bringe hervor lebendiges Getier,
ein jedes nach seiner Art: Vieh, Gewürm und Tiere des Feldes, ein jedes nach
seiner Art. Und es geschah so.
Tekstuitleg van Gn 1,24 .
1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sagen . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In het werkw. ´âmar (zeggen) zit het woord ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .
2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
1. - 2. wajj´omèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm (en God zei tot hen) . (10) Gn 1,29 . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van 4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) .
4. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
13. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij
was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik
in Tenakh : hâjâh
(zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur
: 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij
was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi
(zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi
(zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh
(784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) .
12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn
1,9 . (7) Gn
1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn
1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn
1,31 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai
(worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij
was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| ind. aor. 3de pers. enk. egeneto | 925 | 730 | 195 | 13 | 17 | 69 | 16 | 63 | 17 | 99 | 115 |
| Gn 1,25 - Gn 1,25 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [25] And God made the beast of the earth after his kind,
and cattle after their kind, and every thing that creepeth upon the earth after
his kind: and God saw that it was good.
Luther-Bibel . 25 Und Gott machte die Tiere des Feldes, ein jedes nach seiner
Art, und das Vieh nach seiner Art und alles Gewürm des Erdbodens nach seiner
Art. Und Gott sah, dass es gut war.
Tekstuitleg van Gn 1,25 .
2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
3. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .
5. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
7. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .
10. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .
16. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
| Gn 1,26 - Gn 1,26 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [26] And God said, Let us make man in our image, after our
likeness: and let them have dominion over the fish of the sea, and over the
fowl of the air, and over the cattle, and over all the earth, and over every
creeping thing that creepeth upon the earth.
Luther-Bibel . 26 Und Gott sprach: Lasset uns Menschen machen, ein Bild, das
uns gleich sei, die da herrschen über die Fische im Meer und über die Vögel
unter dem Himmel und über das Vieh und über alle Tiere des Feldes und über alles
Gewürm, das auf Erden kriecht.
Tekstuitleg van Gn 1,26 .
1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sagen . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In het werkw. ´âmar (zeggen) zit het woord ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .
2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
1. - 2. wajj´omèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm (en God zei tot hen) . (10) Gn 1,29 . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van 4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) .
4. ´âdâm (mens) . Verwijzing
: ´âdâm
(mens) , zie Gn
1,26 . ´âdâm (mens)
. Getalwaarde : aleph = 1 , daleth = 4 , mem = 13 of 40 ; totaal : 18 of 45
. Structuur : 1 - 4 - 40 (éd = damp ; 1-4 structuur) . In 358 verzen
in de bijbel . In acht verzen in Genesis . (1) Gn
1,26 . (2) Gn
4,25 . (3) Gn
5,1 (geslachtslijst van Adam tot Noach) . (4) Gn
5,2 . (5) Gn
5,3 . (6) Gn
5,4 . (7) Gn
5,5 . (8) Gn
16,12 .
-- ´ädâmâh (aarde) . In achttien verzen in de bijbel
. Getalwaarde : aleph = 1 , daleth = 4 , mem = 13 of 40 , he = 5 ; totaal :
23 of 50 . Structuur : 1 4 40 - 5 .
-- dam (bloed) . Getalwaarde : daleth = 4 , mem = 13 of 40 ; totaal : 17 of
44 . In zeventig verzen in de bijbel .
14. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
19. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
| Gn 1,27 - Gn 1,27 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [27] So God created man in his own image, in the image of
God created he him; male and female created he them.
Luther-Bibel . 27 Und Gott schuf den Menschen zu seinem Bilde, zum Bilde Gottes
schuf er ihn; und schuf sie als Mann und Frau.
Tekstuitleg van Gn 1,27 .
2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
3. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .
7. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
8. bârâ (hij schiep) . Verwijzing : bârâ´ (scheppen) . b r ` : in zeventien verzen in de bijbel . Getalwaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 23 of 203 . Structuur : 2 - 20 of 200 - 1 ; 2 - 2 -1 . In zeventien verzen in de bijbel . (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,27 . (3) Gn 2,3 . (4) Gn 5,1 . (5) Dt 4,32 . (6) 2 K 12,17 . (7) Js 40,26 . (8) Jr 31,22 . (9) Ez 21,24 . (10) Ps 51,12 . (11) In zeven verzen in Da .
12. bârâ (hij schiep) . Verwijzing : bârâ´ (scheppen) . b r ` : in zeventien verzen in de bijbel . Getalwaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 23 of 203 . Structuur : 2 - 20 of 200 - 1 ; 2 - 2 -1 . In zeventien verzen in de bijbel . (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,27 . (3) Gn 2,3 . (4) Gn 5,1 . (5) Dt 4,32 . (6) 2 K 12,17 . (7) Js 40,26 . (8) Jr 31,22 . (9) Ez 21,24 . (10) Ps 51,12 . (11) In zeven verzen in Da .
| Gn 1,28 - Gn 1,28 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [28] And God blessed them, and God said unto them, Be fruitful,
and multiply, and replenish the earth, and subdue it: and have dominion over
the fish of the sea, and over the fowl of the air, and over every living thing
that moveth upon the earth.
Luther-Bibel . 28 Und Gott segnete sie und sprach zu ihnen: Seid fruchtbar und
mehret euch und füllet die Erde und machet sie euch untertan und herrschet über
die Fische im Meer und über die Vögel unter dem Himmel und über das Vieh und
über alles Getier, das auf Erden kriecht.
Tekstuitleg van Gn 1,28
1. wajëbhârekh (en hij zegende) . Piel imperfectum derde persoon
mannelijk enkelvoud . In drieëndertig verzen in de bijbel : (1) Gn
1,22 . (2) Gn
1,28 . Verwijzing : bârakh
(zegenen, loven, prijzen) , zie Ps
113,2 .
- wajëbhârekh ´othâm (en hij zegende hen) . In vier verzen
in de bijbel : (1) Gn
1,22 . (2) Gn
1,28 . (3) Gn
5,2 . (4) Ex 39,43 .
3. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
4. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sagen . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In het werkw. ´âmar (zeggen) zit het woord ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .
6. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
4. - 6. wajj´omèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm (en God zei tot hen) . (10) Gn 1,29 . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van 4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) .
7. pârâh (1. vruchtbaar zijn, voortbrengen. 2. bloeien, opschieten) . pârâh (1. vruchtbaar zijn, voortbrengen. 2. bloeien, opschieten) . Taalgebruik in Tenakh : pârâh (1. vruchtbaar zijn, voortbrengen. 2. bloeien, opschieten) . Getalwaarde : pe = 17 of 80 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 42 (2² X 13) OF 285 (3 X 5 X 19) . Structuur : 8 - 2 - 5 . Zie përî (vrucht) . përî (vrucht) . Taalgebruik in Tenakh : përî (vrucht) . Gr. karpos (vrucht) . Taalgebruik
in het NT : karpos
(vrucht) . Taalgebruik
in de LXX : karpos
(vrucht) . Hebr. përî , mv. pêrôth . Lat. frui
- fructus . Fr. fruit . Ned. vrucht , fruit . E. fruit . D. Frucht .
- act. qal imperat. 2de pers. mann. mv. përû (weest vruchtbaar) van het werkw. . p-r-w . Tenakh (5) . përû (weest vruchtbaar) . Tenakh (4) : (1) Gn 1,22 . (2) Gn 1,28 . (3) Gn 9,1 . (4) Gn 9,7 . act. qal perf. 3de pers. mann. mv. pârû (zij zijn vruchtbaar) . Tenakh (1) : Ex 1,7 .
ûrëdû (en heers) . Verbindingswoord en werkwoordvorm qal actief
imperatief tweede persoon meervoud .
- râdâh (innemen, heersen) .
10. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .
11. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
22. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
| Gn 1,29 - Gn 1,29 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [29] And God said, Behold, I have given you every herb bearing
seed, which is upon the face of all the earth, and every tree, in the which
is the fruit of a tree yielding seed; to you it shall be for meat.
Luther-Bibel . 29 Und Gott sprach: Sehet da, ich habe euch gegeben alle Pflanzen,
die Samen bringen, auf der ganzen Erde, und alle Bäume mit Früchten, die Samen
bringen, zu eurer Speise.
Tekstuitleg van Gn 1,29 . Het vers bestaat uit 27 woorden en 83 letters . De getalwaarde van het vers is 6158 .
1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sagen . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . In het werkw. ´âmar (zeggen) zit het woord ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .
2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
1. - 2. wajj´omèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . In tien verzen in Gn 1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm (en God zei tot hen) . (10) Gn 1,29 . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van 4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) .
3. - 4. hinneh nâthaththî (zie, ik zal geven) . In vijf verzen in de bijbel : (1) Gn 1,29 . (2) Nu 18, 8 . (3) Re 1, 2 . (4) Jr 1,9 . (5) Ez 3, 8 .
4. - 5. nâthaththî lâkhèm (ik zal geven aan jullie) . Tenakh (11) : (1) Gn 1,29 . (2) Gn 9,3 . (3) Nu 18, 26 . (4) Dt 3,19 . (5) Dt 3,20 . (6) Dt 9,23 . (7) Spr 4, 2 . (8) Jr 7,14 . (9) Jr 23,39 . (10) Jr 35, 15 . (11) Am 4,6 .
6. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .
sperma (zaad, nakomeling) . Verwijzing :
sperma
(zaad, nakomeling) , zie Gn
1,29 .
- spermatos (van het zaad) . In zestig verzen in de bijbel . In tweeënvijftig
verzen in het O.T. . In acht verzen in het NT : (1) Joh
7,42 . (2) Hnd
13,23 . (3)
15. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
16. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .
27. lë´âkhëlâh (tot voedsel) < prefix voorzetsel lë + zelfst. naamw. ´âkhëlâh (spijs, voedsel) . Zie het werkw. ´âkhal
(eten) . Taalgebruik in Tenakh : ´âkhal
(eten) . De getalwaarde van ´âkhal
(eten) is : aleph = 1 , kaph = 11 of 20 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 24 (2³ X 3) of 51 (3 X 17) . Structuur : 1 - 2 - 3 . De som van de elementen is telkens 6 . In achttien verzen
in de bijbel : (1) Gn
1,29 . (2) Gn
1,30 . (3) Gn
6,21 . (4) Gn
9,3 . (5) Ex
16,15 . (6) Lv 11,39 . (7) Lv 25,6 . (8) Jr 12,9 . (9) Ez 15,4 . (10) Ez 15,6 . (11)
Ez 21,37 . (12) Ez 23,37 . (13) Ez 29,5 . (14) Ez
34,5 . (15) Ez
34,8 . (16) Ez
34,10 . (17) Ez 35,12 . (18) Ez 39,4 .
- ´âkhal (eten,
verorberen, verslinden) . Verwijzing : ´âkhal
(eten, verorberen, verslinden) , zie Gn
1,29 .
Gn 1,30 - Gn 1,30 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) |
||||||||||||||||
|
King James Bible . [30] And to every beast of the earth, and to every fowl
of the air, and to every thing that creepeth upon the earth, wherein there is
life, I have given every green herb for meat: and it was so.
Luther-Bibel . 30 Aber allen Tieren auf Erden und allen Vögeln unter dem Himmel
und allem Gewürm, das auf Erden lebt, habe ich alles grüne Kraut zur Nahrung
gegeben. Und es geschah so.
Tekstuitleg van Gn 1,30 .
3. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
Gn ( 29) : (1) Gn 1,11 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,17 . (4) Gn 1,20 . (5) Gn 1,26 . (6) Gn 1,28 . (7) Gn 1,28 . (8) Gn 2,5 . (9) Gn 6,12 . (10) Gn 6,17 . (11) Gn 7,4 . (12) Gn 7,6 . (13) Gn 7,10 . (14) Gn 7,12 . (15) Gn 7,14 . (16) Gn 7,17 . (17) Gn 7,18 . (18) Gn 7,19 . (19) Gn 7,21 (2X) . (20) Gn 7,24 . (21) Gn 8,1 . (22) Gn 8,17 (2X) . (23) Gn 8,19 . (24) Gn 9,14 . (25) Gn 9,16 . (26) Gn 9,17 . (27) Gn 19,23 . (28) Gn 41,34 . (29) Gn 42,6 .
10. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
15. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .
20. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij
was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik
in Tenakh : hâjâh
(zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur
: 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij
was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi
(zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi
(zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh
(784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) .
12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn
1,9 . (7) Gn
1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn
1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn
1,31 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai
(worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij
was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| ind. aor. 3de pers. enk. egeneto | 925 | 730 | 195 | 13 | 17 | 69 | 16 | 63 | 17 | 99 | 115 |
| Gn 1,31 - Gn 1,31 : De schepping . Gn 1 -- Gn 1,1-2,4a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 - Gn 2,1 - Gn 2,2 - Gn 2,3 - Gn 2,4a - Gn (Genesis) | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [31] And God saw every thing that he had made, and, behold,
it was very good. And the evening and the morning were the sixth day.
Luther-Bibel . 31 Und Gott sah an alles, was er gemacht hatte, und siehe, es
war sehr gut. Da ward aus Abend und Morgen der sechste Tag.
Tekstuitleg van Gn 1,31 .
2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn 1 is 31 .
3. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .
10. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij
was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik
in Tenakh : hâjâh
(zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur
: 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij
was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi
(zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi
(zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh
(784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) .
12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn
1,9 . (7) Gn
1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn
1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn
1,31 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai
(worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij
was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| ind. aor. 3de pers. enk. egeneto | 925 | 730 | 195 | 13 | 17 | 69 | 16 | 63 | 17 | 99 | 115 |
12. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij
was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik
in Tenakh : hâjâh
(zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur
: 5 - 1 - 5 . De getalwaarde van wajëhî (en hij
was) is : waw = 6 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) . aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi
(zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi
(zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh
(784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) .
12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn
1,9 . (7) Gn
1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn
1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn
1,31 . De 3 medekl. van het werkw. hâjâh (zijn) komen voor in de godsnaam JHWH .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai
(worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . De Hebr. eindzin Gn 1,7 : wajëhî khen (en het gebeurde zo) vindt niet zijn vertaling in de LXX , maar duikt wel op in Gn 1,20 kei egeneto houtôs (en het gebeurde zo) . Voor de rest wordt wajëhî (en hij
was) in de LXX van Gn 1 vertaald door egeneto (het gebeurde) .
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| ind. aor. 3de pers. enk. egeneto | 925 | 730 | 195 | 13 | 17 | 69 | 16 | 63 | 17 | 99 | 115 |
LXX
1en archè epoièsen o theos ton ouranon kai tèn gèn2è de gè èn aoratos kai akataskeuastos kai skotos epanô tès abussou kai pneuma theou epefereto epanô tou udatos3kai eipen o theos genèthètô fôs kai egeneto fôs4kai eiden o theos to fôs oti kalon kai diechôrisen o theos ana meson tou fôtos kai ana meson tou skotous5kai ekalesen o theos to fôs èmeran kai to skotos ekalesen nukta kai egeneto espera kai egeneto prôi èmera mia6kai eipen o theos genèthètô stereôma en mesô tou udatos kai estô diachôrizon ana meson udatos kai udatos kai egeneto outôs7kai epoièsen o theos to stereôma kai diechôrisen o theos ana meson tou udatos o èn upokatô tou stereômatos kai ana meson tou udatos tou epanô tou stereômatos8kai ekalesen o theos to stereôma ouranon kai eiden o theos oti kalon kai egeneto espera kai egeneto prôi èmera deutera9kai eipen o theos sunachthètô to udôr to upokatô tou ouranou eis sunagôgèn mian kai ofthètô è xèra kai egeneto outôs kai sunèchthè to udôr to upokatô tou ouranou eis tas sunagôgas autôn kai ôfthè è xèra10kai ekalesen o theos tèn xèran gèn kai ta sustèmata tôn udatôn ekalesen thalassas kai eiden o theos oti kalon11kai eipen o theos blastèsatô è gè botanèn chortou speiron sperma kata genos kai kath' omoiotèta kai xulon karpimon poioun karpon ou to sperma autou en autô kata genos epi tès gès kai egeneto outôs12kai exènegken è gè botanèn chortou speiron sperma kata genos kai kath' omoiotèta kai xulon karpimon poioun karpon ou to sperma autou en autô kata genos epi tès gès kai eiden o theos oti kalon13kai egeneto espera kai egeneto prôi èmera tritè14kai eipen o theos genèthètôsan fôstères en tô stereômati tou ouranou eis fausin tès gès tou diachôrizein ana meson tès èmeras kai ana meson tès nuktos kai estôsan eis sèmeia kai eis kairous kai eis èmeras kai eis eniautous15kai estôsan eis fausin en tô stereômati tou ouranou ôste fainein epi tès gès kai egeneto outôs16kai epoièsen o theos tous duo fôstèras tous megalous ton fôstèra ton megan eis archas tès èmeras kai ton fôstèra ton elassô eis archas tès nuktos kai tous asteras17kai etheto autous o theos en tô stereômati tou ouranou ôste fainein epi tès gès18kai archein tès èmeras kai tès nuktos kai diachôrizein ana meson tou fôtos kai ana meson tou skotous kai eiden o theos oti kalon19kai egeneto espera kai egeneto prôi èmera tetartè20kai eipen o theos exagagetô ta udata erpeta psuchôn zôsôn kai peteina petomena epi tès gès kata to stereôma tou ouranou kai egeneto outôs21kai epoièsen o theos ta kètè ta megala kai pasan psuchèn zôôn erpetôn a exègagen ta udata kata genè autôn kai pan peteinon pterôton kata genos kai eiden o theos oti kala22kai èulogèsen auta o theos legôn auxanesthe kai plèthunesthe kai plèrôsate ta udata en tais thalassais kai ta peteina plèthunesthôsan epi tès gès23kai egeneto espera kai egeneto prôi èmera pemptè24kai eipen o theos exagagetô è gè psuchèn zôsan kata genos tetrapoda kai erpeta kai thèria tès gès kata genos kai egeneto outôs25kai epoièsen o theos ta thèria tès gès kata genos kai ta ktènè kata genos kai panta ta erpeta tès gès kata genos autôn kai eiden o theos oti kala26kai eipen o theos poièsômen anthrôpon kat' eikona èmeteran kai kath' omoiôsin kai archetôsan tôn ichthuôn tès thalassès kai tôn peteinôn tou ouranou kai tôn ktènôn kai pasès tès gès kai pantôn tôn erpetôn tôn erpontôn epi tès gès27kai epoièsen o theos ton anthrôpon kat' eikona theou epoièsen auton arsen kai thèlu epoièsen autous28kai èulogèsen autous o theos legôn auxanesthe kai plèthunesthe kai plèrôsate tèn gèn kai katakurieusate autès kai archete tôn ichthuôn tès thalassès kai tôn peteinôn tou ouranou kai pantôn tôn ktènôn kai pasès tès gès kai pantôn tôn erpetôn tôn erpontôn epi tès gès29kai eipen o theos idou dedôka umin pan chorton sporimon speiron sperma o estin epanô pasès tès gès kai pan xulon o echei en eautô karpon spermatos sporimou umin estai eis brôsin30kai pasi tois thèriois tès gès kai pasi tois peteinois tou ouranou kai panti erpetô tô erponti epi tès gès o echei en eautô psuchèn zôès panta chorton chlôron eis brôsin kai egeneto outôs31kai eiden o theos ta panta osa epoièsen kai idou kala lian kai egeneto espera kai egeneto prôi èmera ektè
VULGAAT
1 in principio creavit Deus caelum et terram 2 terra autem erat inanis et vacua et tenebrae super faciem abyssi et spiritus Dei ferebatur super aquas 3 dixitque Deus fiat lux et facta est lux 4 et vidit Deus lucem quod esset bona et divisit lucem ac tenebras 5 appellavitque lucem diem et tenebras noctem factumque est vespere et mane dies unus 6 dixit quoque Deus fiat firmamentum in medio aquarum et dividat aquas ab aquis 7 et fecit Deus firmamentum divisitque aquas quae erant sub firmamento ab his quae erant super firmamentum et factum est ita 8 vocavitque Deus firmamentum caelum et factum est vespere et mane dies secundus 9 dixit vero Deus congregentur aquae quae sub caelo sunt in locum unum et appareat arida factumque est ita 10 et vocavit Deus aridam terram congregationesque aquarum appellavit maria et vidit Deus quod esset bonum 11 et ait germinet terra herbam virentem et facientem semen et lignum pomiferum faciens fructum iuxta genus suum cuius semen in semet ipso sit super terram et factum est ita 12 et protulit terra herbam virentem et adferentem semen iuxta genus suum lignumque faciens fructum et habens unumquodque sementem secundum speciem suam et vidit Deus quod esset bonum 13 factumque est vespere et mane dies tertius 14 dixit autem Deus fiant luminaria in firmamento caeli ut dividant diem ac noctem et sint in signa et tempora et dies et annos 15 ut luceant in firmamento caeli et inluminent terram et factum est ita 16 fecitque Deus duo magna luminaria luminare maius ut praeesset diei et luminare minus ut praeesset nocti et stellas 17 et posuit eas in firmamento caeli ut lucerent super terram 18 et praeessent diei ac nocti et dividerent lucem ac tenebras et vidit Deus quod esset bonum 19 et factum est vespere et mane dies quartus 20 dixit etiam Deus producant aquae reptile animae viventis et volatile super terram sub firmamento caeli 21 creavitque Deus cete grandia et omnem animam viventem atque motabilem quam produxerant aquae in species suas et omne volatile secundum genus suum et vidit Deus quod esset bonum 22 benedixitque eis dicens crescite et multiplicamini et replete aquas maris avesque multiplicentur super terram 23 et factum est vespere et mane dies quintus 24 dixit quoque Deus producat terra animam viventem in genere suo iumenta et reptilia et bestias terrae secundum species suas factumque est ita 25 et fecit Deus bestias terrae iuxta species suas et iumenta et omne reptile terrae in genere suo et vidit Deus quod esset bonum 26 et ait faciamus hominem ad imaginem et similitudinem nostram et praesit piscibus maris et volatilibus caeli et bestiis universaeque terrae omnique reptili quod movetur in terra 27 et creavit Deus hominem ad imaginem suam ad imaginem Dei creavit illum masculum et feminam creavit eos 28 benedixitque illis Deus et ait crescite et multiplicamini et replete terram et subicite eam et dominamini piscibus maris et volatilibus caeli et universis animantibus quae moventur super terram 29 dixitque Deus ecce dedi vobis omnem herbam adferentem semen super terram et universa ligna quae habent in semet ipsis sementem generis sui ut sint vobis in escam 30 et cunctis animantibus terrae omnique volucri caeli et universis quae moventur in terra et in quibus est anima vivens ut habeant ad vescendum et factum est ita 31 viditque Deus cuncta quae fecit et erant valde bona et factum est vespere et mane dies sextus
- A
- wajj´omèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In tien verzen in Gn 1 : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,9 . (4) Gn 1,11 . (5) Gn 1,14 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,26 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 .
- B - C - D - E
- ´èlohîm
(God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm
(God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ;
mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 .
De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl
. Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld)
. Structuur : 1 - 3 . Gr. theos (God) . Taalgebruik in
de LXX : theos
(God) . Taalgebruik in
het NT : theos
(God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . Ned. God . D. Gott . E. god . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118)
. Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140)
. Gn 1 (26 verzen; 31X) . Niet in (1) Gn 1,13 . (2) Gn 1,15 . (3) Gn 1,19 . (4) Gn 1,23 . (5) Gn 1,30 . De godsnaam ´èlohîm (God) komt 31X in Gn 1 voor . Het aantal verzen in Gn
1 is 31 .
- wajj´omèr ´èlohîm (en God zei) . Tenakh (27) . Gn (21) . In tien verzen in Gn
1 (2 X 4 scheppingsdaden ; en twee extra omtrent de mens) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn
1,6 . (3) Gn
1,9 . (4) Gn
1,11 . (5) Gn
1,14 . (6) Gn
1,20 . (7) Gn
1,24 . (8) Gn
1,26 . (9) Gn
1,28 : wajj´omèr lâhèm ´èlohîm
(en God zei tot hen) . (10) Gn
1,29 . Het eerste scheppingswoord op de eerste dag (Gn
1,3 - Gn
1,4 - Gn
1,5) . De één symboliseert God . Door de schepping kwam er
tweeheid : de schepper en de schepping . In de schepping zelf is er voortdurend
tweeheid . Uit het samenkomen van de tweeheid ontstaat drieheid , die dubbel
van aard is en dus vierheid wordt . 1 + 2 + 3 + 4 = 10 (Rechthoeknummer van
4) . De tien komt in de bijbel vaak terug : tien scheppingswoorden , tien woorden
van het verbond , tien plagen van Egypte enz. < 10 vingers , 10 tenen (telkens 2 X 5) .
- hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Taalgebruik in Ex : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,11 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,24 . (8) Gn 1,25 . (9) Gn 1,26 . (10) Gn 1,28 . (11) Gn 1,29 . (12) Gn 1,30 .
- ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 1 (12) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,4 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,16 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,22 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,27 . (9) Gn 1,28 . (10) Gn 1,29 . (11) Gn 1,30 . (12) Gn 1,31 . wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .
- wë´èth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (1417) . Pentateuch (519) . Eerdere Profeten (393) . Latere Profeten (235) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (241) . Gn (138) . Gn 1 (5) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,21 . (4) Gn 1,25 . (5) Gn 1,29 .
- F - G - H
- act. qal imperat. (jussief) 3de pers. mann. enk. jëhî (het zij) van het werkw. häjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Een vorm van eimi (zijn) , in de LXX (6947) , in het NT (2450) . Tenakh (49) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (27) . Gn (6) : (1) Gn 1,3 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 30,34 . (5) Gn 33,9 . (6) Gn 49,17 .
- wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij/het
was) van het werkw. hâjâh (zijn) van het werkw. De getalwaarde van wajëhî
(en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) ;
aleph = 1 , lamed = 12 of 30 . Totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik
in Tenakh : hâjâh
(zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur
: 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi
(zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi
(zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh
(784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) .
12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 1 (14) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn 1,5 . (3) Gn 1,6 . (4) Gn 1,7 . (5) Gn 1,8 . (6) Gn
1,9 . (7) Gn
1,11 . (8) Gn 1,13 . (9) Gn 1,15 . (10) Gn 1,19 . (11) Gn 1,23 . (12) Gn
1,24 . (13) Gn 1,30 . (14) Gn 1,30 .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai
(worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . Bijbel (925) . OT (678) . Pentateuch (156) . Eerdere Profeten (289) . Latere Profeten (126) . 12 Kleine
Profeten (26) . Geschriften (131) . NT (195) . Gr. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij / zij was)
. Bijbel (1506) . OT (1120) . Pentateuch (329) . Eerdere Profeten (219) . Latere Profeten (146) . 12 Kleine
Profeten (32) . Geschriften (193) . NT (386) .
- I - J - K - L - M - N - O
- ´ôr
(licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr
(licht) . Getalwaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal
: 27 (3³) OF 207 (3³ X 23) . Structuur : 1 - 6 - 2 . Gr. fôs
(licht) .Taalgebruik in het NT : fôs
(licht) . Taalgebruik in de LXX : fôs
(licht) . Een vorm van fôs (licht)
in de bijbel (209) , het OT (146) , het NT (63) . Lat. lux / lumen . Fr.
lumière . E. light . D. Licht . Tenakh (55) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine
Profeten (7) . Geschriften (30) . Gn (2) : (1) Gn
1,3 . (2) Gn
1,4 .
Volgens Gn
1,3 werd het licht op de eerste dag geschapen . ´ôr (licht)
begint met de letter aleph (1) .
Volgens Gn
1,4 maakte God een scheiding tussen het licht en de duisternis . Licht en
duisternis vormen een dualiteit , elkaars tegenpool .
- chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh
(duisternis) . Getalwaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of
20 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 8 - 3 - 2
. Tenakh (57) . Gr. skotos (duisternis) . Taalgebruik in het NT : skotos
(duisternis) . Taalgebruik in de Septuaginta : skotos
(duisternis) . Een vorm van skotos (duisternis) in de Septuaginta (120)
, in het NT (30) . Lat. tenebrae . Fr. ténèbres . E. darkness
. D. Finsternis . Gn (1) : Gn 39,9 .
- P - Q - R
- wajjarë´ (en hij zag) - wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) . Het eerste is een actief qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . Het tweede is een passief nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (19) . Gn (50) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 .
- S - T - U - V - W - X -Y - Z -