Genesis 11 - Gn 11 -
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 11 -
- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 --

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website

Overzicht van Genesis : - Gn 1 - Gn 2 - Gn 3 - Gn 4 - Gn 5 - Gn 6 - Gn 7 - Gn 8 - Gn 9 - Gn 10 - Gn 11 - Gn 12 - Gn 13 - Gn 14 - Gn 15 - Gn 16 - Gn 17 - Gn 18 - Gn 19 - Gn 20 - Gn 21 - Gn 22 - Gn 23 - Gn 24 - Gn 25 - Gn 26 - Gn 27 - Gn 28 - Gn 29 - Gn 30 - Gn 31 - Gn 32 - Gn 33 - Gn 34 - Gn 35 - Gn 36 - Gn 37 - Gn 38 - Gn 39 - Gn 40 - Gn 41 - Gn 42 - Gn 43 - Gn 44 - Gn 45 - Gn 46 - Gn 47 - Gn 48 - Gn 49 - Gn 50 -
Uitleg vers per vers : - Gn 11,1 - Gn 11,2 - Gn 11,3 - Gn 11,4 - Gn 11,5 - Gn 11,6 - Gn 11,7 - Gn 11,8 - Gn 11,9 - Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -

Woordenschat
Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik

Overzicht van de bijbelboeken - bijbeloverzicht -- taalgebruik -
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken


De toren van Babel : Gn 11,1-9 -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,1 - Gn 11,2 - Gn 11,3 - Gn 11,4 - Gn 11,5 - Gn 11,6 - Gn 11,7 - Gn 11,8 - Gn 11,9 -

Gn 11,1 - Gn 11,1 : De toren van Babel -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,1 - Gn 11,2 - Gn 11,3 - Gn 11,4 - Gn 11,5 - Gn 11,6 - Gn 11,7 - Gn 11,8 - Gn 11,9 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
1kai èn pasa è gè cheilos en kai fônè mia pasin  1 erat autem terra labii unius et sermonum eorundem     1 En de ganse aarde was van enerlei spraak en enerlei woorden.  [1] Alle mensen op aarde spraken één taal en gebruikten dezelfde woorden.   [1] Ooit werd er op de hele aarde één enkele taal gesproken.   1 ¶ Heel de aarde wordt–en–blijft van één taal en van eendere woorden.   1. Tout le monde se servait d'une même langue et des mêmes mots.  

King James Bible . [1] And the whole earth was of one language, and of one speech.
Luther-Bibel . 1 Es hatte aber alle Welt einerlei Zunge und Sprache.

Tekstuitleg van Gn 11,1 . Het vers Gn 11,1 telt 7 woorden en 27 (3³) letters . De getalwaarde van Gn 11,1 is 1496 (2³ X 11 X 17) .

Gn 11,1.1. qal imperf. 3de pers. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenach : hâjâh (zijn) . Tenach (784) . Pentateuch (181) . Gn (114) . Gn 11 (2) : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,2 .

Gn 11,1.2. kâl / kal / kol (al) . Taalgebruik in Tenach : kl (al) . Tenach (2709) . Pentateuch (824) . Gn (166) . Gn 11 (5 verzen, 6X) : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,4 . (3) Gn 11,6 . (4) Gn 11,8 . (5) Gn 11,9 (2X) . Gr. pas , pasa, pan (ieder, elk) . Taalgebruik in de Septuaginta : pas (ieder, elk) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk) . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. heel, al, gans . D. al . E. whole .

Gn 11,1.3. hâ´ârèts (het land) < lidw. ha + het zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenach : ´èrètz (land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het N.T. : gè (aarde) . Gr. gè . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Tenach (851) . Pentateuch (316) . Gn (113) . Gn 11 (4 verzen, 5X) : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,4 . (3) Gn 11,8 . (4) Gn 11,9 (2X) .

2. - 3. kâl hâ´ârèts (het hele land) . Tenach (20) . In Gn 11,1-9 (5X) : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,4 . (3) Gn 11,8 . (4) Gn 11,9 (2X) . Deze uitdrukking staat aan het begin en het einde van deze pericope en omsluiten dus het verhaal .

Gn 11,2 - Gn 11,2 : De toren van Babel -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,1 - Gn 11,2 - Gn 11,3 - Gn 11,4 - Gn 11,5 - Gn 11,6 - Gn 11,7 - Gn 11,8 - Gn 11,9 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
2kai egeneto en tô kinèsai autous apo anatolôn euron pedion en gè sennaar kai katôkèsan ekei  2 cumque proficiscerentur de oriente invenerunt campum in terra Sennaar et habitaverunt in eo    2 Maar het geschiedde, als zij tegen het oosten togen, dat zij een laagte vonden in het land Sinear; en zij woonden aldaar.  [2] Nadat ze uit het oosten weggetrokken waren, vonden ze een vlakte in Sinear* en vestigden zich daar.  [2] Toen de mensen in oostelijke richting trokken, kwamen ze in Sinear bij een vlakte, en daar vestigden ze zich.  2 Het geschiedt, als ze uit het oosten vandaan opbreken,– vinden ze een kloof in het land Sjinar en blijven dáár;  2. Comme les hommes se déplaçaient à l'orient, ils trouvèrent une vallée au pays de Shinéar et ils s'y établirent. 

King James Bible .[2] And it came to pass, as they journeyed from the east, that they found a plain in the land of Shinar; and they dwelt there.
Luther-Bibel . 2 Als sie nun nach Osten zogen, fanden sie eine Ebene im Lande Schinar und wohnten daselbst.

Tekstuitleg van Gn 11,2 . Het volk stroomt in de vlakte Sinear , in de stad Babel bijeen . In Hnd 2,1 zijn allen op dezelfde plaats bijeen . Hun bijeenzijn is niet hooghartig . Ze wachten de belofte van de geest af .

1. qal imperf. 3de pers. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenach : hâjâh (zijn) . Tenach (784) . Pentateuch (181) . Gn (114) . Gn 11 (2) : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,2 .

Gn 11,3 - Gn 11,3 : De toren van Babel -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,1 - Gn 11,2 - Gn 11,3 - Gn 11,4 - Gn 11,5 - Gn 11,6 - Gn 11,7 - Gn 11,8 - Gn 11,9 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
3kai eipen anthrôpos tô plèsion deute plintheusômen plinthous kai optèsômen autas puri kai egeneto autois è plinthos eis lithon kai asfaltos èn autois o pèlos  3 dixitque alter ad proximum suum venite faciamus lateres et coquamus eos igni habueruntque lateres pro saxis et bitumen pro cemento    3 En zij zeiden een ieder tot zijn naaste: Kom aan, laat ons tichelen strijken, en wel doorbranden! En de tichel was hun voor steen, en het lijm was hun voor leem.  [3] Zij zeiden tegen elkaar: ‘Kom, laten wij tegels maken en ze harden in het vuur.’ De tegels gebruikten zij als bouwstenen, met asfalt als specie.   [3] Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten we van klei blokken vormen en die goed bakken in het vuur.’ De kleiblokken gebruikten ze als stenen, en aardpek als specie.   3 ze zeggen, ieder tot zijn naaste: welaan, laten we van kleikalk kleitegels kneden en ze brandvast maken! Zo wordt voor hen de klei tot steen en het asfalt is voor hen tot mortel geworden.  3. Ils se dirent l'un à l'autre : Allons ! Faisons des briques et cuisons-les au feu ! La brique leur servit de pierre et le bitume leur servit de mortier.  

King James Bible . [3] And they said one to another, Go to, let us make brick, and burn them throughly. And they had brick for stone, and slime had they for morter.
Luther-Bibel . 3 Und sie sprachen untereinander: Wohlauf, lasst uns Ziegel streichen und brennen! ľ und nahmen Ziegel als Stein und Erdharz als M÷rtel

Tekstuitleg van Gn 11,3 .

Gn 11,4 - Gn 11,4 : De toren van Babel -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,1 - Gn 11,2 - Gn 11,3 - Gn 11,4 - Gn 11,5 - Gn 11,6 - Gn 11,7 - Gn 11,8 - Gn 11,9 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
4kai eipan deute oikodomèsômen eautois polin kai purgon ou è kefalè estai eôs tou ouranou kai poièsômen eautois onoma pro tou diasparènai epi prosôpou pasès tès gès  4 et dixerunt venite faciamus nobis civitatem et turrem cuius culmen pertingat ad caelum et celebremus nomen nostrum antequam dividamur in universas terras   
4 En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, welks opperste in den hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de ganse aarde verstrooid worden!
[4] Nu zeiden ze: ‘Laten wij een stad bouwen met een toren, waarvan de spits tot in de hemel reikt; dan* krijgen wij naam en worden wij niet over de aardbodem verspreid.’   [4] Ze zeiden: ‘Laten we een stad bouwen met een toren die tot in de hemel reikt. Dat zal ons beroemd maken, en dan zullen we niet over de hele aarde verspreid raken.’   4 Dan zeggen ze: welaan, bouwen wij ons een stad en een toren met zijn top in de hemel, en maken wij ons een naam,– anders raken we verstrooid over het aanschijn van heel de aarde!   4. Ils dirent : Allons ! Bâtissons-nous une ville et une tour dont le sommet pénètre les cieux ! Faisons-nous un nom et ne soyons pas dispersés sur toute la terre !  

King James Bible . [4] And they said, Go to, let us build us a city and a tower, whose top may reach unto heaven; and let us make us a name, lest we be scattered abroad upon the face of the whole earth.
Luther-Bibel . 4 und sprachen: Wohlauf, lasst uns eine Stadt und einen Turm bauen, dessen Spitze bis an den Himmel reiche, damit wir uns einen Namen machen; denn wir werden sonst zerstreut in alle Lńnder.

Tekstuitleg van Gn 11,4 .

16. kâl / kal / kol (al) . Taalgebruik in Tenach : kl (al) . Tenach (2709) . Pentateuch (824) . Gn (166) . Gn 11 (5 verzen, 6X) : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,4 . (3) Gn 11,6 . (4) Gn 11,8 . (5) Gn 11,9 (2X) . Gr. pas , pasa, pan (ieder, elk) . Taalgebruik in de Septuaginta : pas (ieder, elk) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk) . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. heel, al, gans . D. al . E. whole .

17. hâ´ârèts (het land) < lidw. ha + het zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenach : ´èrètz (land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het N.T. : gè (aarde) . Gr. gè . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Tenach (851) . Pentateuch (316) . Gn (113) . Gn 11 (4 verzen, 5X) : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,4 . (3) Gn 11,8 . (4) Gn 11,9 (2X) .

16. - 17. kâl hâ´ârèts (het hele land) . In Gn 11,1-9 (5X) : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,4 . (3) Gn 11,8 . (4) Gn 11,9 (2X) . Deze uitdrukking staat aan het begin en het einde van deze pericope en omsluiten dus het verhaal .

Gn 11,5 - Gn 11,5 : De toren van Babel -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,1 - Gn 11,2 - Gn 11,3 - Gn 11,4 - Gn 11,5 - Gn 11,6 - Gn 11,7 - Gn 11,8 - Gn 11,9 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
5kai katebè kurios idein tèn polin kai ton purgon on ôkodomèsan oi uioi tôn anthrôpôn 5 descendit autem Dominus ut videret civitatem et turrem quam aedificabant filii Adam    5 Toen kwam de HEERE neder, om te bezien de stad en den toren, die de kinderen der mensen bouwden.   [5] Toen* de heer neerdaalde om de stad en de toren die de mensen bouwden, te zien,   [5] Maar toen daalde de HEER af om te kijken naar de stad en de toren die de mensen aan het bouwen waren.  5 ¶ Dan daalt de ENE neer om de stad en de toren te zien, die ze hebben gebouwd, de bouwzonen van de roodbloedige mens.   5. Or Yahvé descendit pour voir la ville et la tour que les hommes avaient bâties. 

King James Bible . [5] And the LORD came down to see the city and the tower, which the children of men builded.
Luther-Bibel . 5 Da fuhr der HERR hernieder, dass er sńhe die Stadt und den Turm, die die Menschenkinder bauten.

Tekstuitleg van Gn 11,5 .

1. verbindingswoord wa + werkw.vorm jerèd : wajjerèd (en hij daalde - neer -) van het werkw. jârad (afdalen, afstijgen, vallen) . Taalgebruik in Tenach : järad (afdalen, afstijgen, vallen) . Taalgebruik in de Septuaginta : katabainô (neerdalen, afdalen) . Taalgebruik in het N.T. : katabainô (neerdalen, afdalen) . Hebr. jârad (afdalen, afstijgen, vallen) . Lat. descendere . Fr. descendre . E. to descend . Ned. neerdalen, afdalen . D. herabkommen . MT (63) . Pentateuch (19) . Gn (4) .

1. - 2. wajjerèd JHWH (en JHWH daalde - neer -) . MT : (1) Gn 11,5 . (2) Ex 19,20 . (3) Ex 34,5 (wajjerèd JHWH bè`ânân = en JHWH daalde neer in een wolk) . (4) Nu 11,25 (wajjerèd JHWH bè`ânân = en JHWH daalde neer in een wolk) . (5) Nu 12,5 (wajjerèd JHWH be`ammûd `ânân (JHWH daalde neer in een kolom van een wolk) . In het verhaal van de toren van Babel daalde JHWH neer om te zien wat daar in Babel aan het gebeuren was (Gn 11,5) . In Ex 19,20 daalde JHWH neer op de top van de berg Sinaï om het verbond te sluiten . In Ex 34,5 gebeurde dat om het verbond te vernieuwen . In Nu 11,25 daalde JHWH neer en ontvingen de 70 oudsten een deel van de geest van Mozes . In Nu 12,5 nam JHWH de verdediging van Mozes op tegen Mirjan en Aäron . In Ex 19,18 MT : jârad `âlajw JHWH bâ´esj (daalde JHWH over hem in vuur) . jired JHWH (JHWH zal neerdalen) . MT (2) : (1) Ex 19,11 . (2) Js 31,4 .

Gn 11,6 - Gn 11,6 : De toren van Babel -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,1 - Gn 11,2 - Gn 11,3 - Gn 11,4 - Gn 11,5 - Gn 11,6 - Gn 11,7 - Gn 11,8 - Gn 11,9 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
6kai eipen kurios idou genos en kai cheilos en pantôn kai touto èrxanto poièsai kai nun ouk ekleipsei ex autôn panta osa an epithôntai poiein  6 et dixit ecce unus est populus et unum labium omnibus coeperuntque hoc facere nec desistent a cogitationibus suis donec eas opere conpleant     6 En de HEERE zeide: Ziet, zij zijn enerlei volk, en hebben allen enerlei spraak; en dit is het, dat zij beginnen te maken; maar nu, zoude hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken?   [6] zei Hij: ‘Nu zijn ze één volk en spreken zij allen dezelfde taal. Wat zij nu doen is nog maar een begin; later zal geen enkel plan van hen meer te stuiten zijn. [6] Dit is één volk en ze spreken allemaal een en dezelfde taal, dacht de HEER, en wat ze nu doen is nog maar het begin. Alles wat ze verder nog van plan zijn, ligt nu binnen hun bereik.  6 Hij zegt, de ENE: ziedaar, één gemeenschap, één taal voor hen allen, en dít is het begin van wat ze gaan doen: nú is voor hen niets meer onuitvoerbaar van al wat ze verzinnen te doen;   6. Et Yahvé dit : Voici que tous font un seul peuple et parlent une seule langue, et tel est le début de leurs entreprises ! Maintenant, aucun dessein ne sera irréalisable pour eux. 

King James Bible . [6] And the LORD said, Behold, the people is one, and they have all one language; and this they begin to do: and now nothing will be restrained from them, which they have imagined to do.
Luther-Bibel . 6 Und der HERR sprach: Siehe, es ist einerlei Volk und einerlei Sprache unter ihnen allen und dies ist der Anfang ihres Tuns; nun wird ihnen nichts mehr verwehrt werden k÷nnen von allem, was sie sich vorgenommen haben zu tun.

Tekstuitleg van Gn 11,6 .

1. wajj´omèr (en hij zei) . Verwijzing : ´âmar (zeggen) , zie Jr 1,4 . Qal actief imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . In 1879 verzen in de bijbel . In 594 verzen in de Pentateuch .In 315 verzen in het boek Gn (Genesis) , zie Gn 12,1 . In één vers in Gn 11 : Gn 11,6 .

2. JHWH . Verwijzing : JHWH , zie Ps 1,2 . In 5193 verzen in de bijbel . In 128 verzen in Gn (Genesis) , zie Gn 12,1 . In vier verzen in Gn 11 : (1) Gn 11,5 . (2) Gn 11,6 . (3) Gn 11,8 . (4) Gn 11,9 .

1. - 2. wajj´omèr JHWH (en JHWH zei) . Verwijzing : ´âmar (zeggen) , zie Jr 1,4 . ´âmar (zeggen) . In 204 verzen in de bijbel . In achttien verzen in Gn (zie Gn 12,1) : (1) Gn 2,18 . (2) Gn 3,13 . (3) Gn 3,14 . (4) Gn 3,22 . (5) Gn 4,6 . (6) Gn 4,9 . (7) Gn 4,15 . (8) Gn 6,3 . (9) Gn 6,7 . (10) Gn 7,1 . (11) Gn 8,21 . (12) Gn 11,6 . (13) Gn 12,1 . (14) Gn 18,13 . (15) Gn 18,20 . (16) Gn 18,26 . (17) Gn 25,23 . (18) Gn 31,3 .

16. kâl / kal / kol (al) . Taalgebruik in Tenach : kl (al) . Tenach (2709) . Pentateuch (824) . Gn (166) . Gn 11 (5 verzen, 6X) : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,4 . (3) Gn 11,6 . (4) Gn 11,8 . (5) Gn 11,9 (2X) . Gr. pas , pasa, pan (ieder, elk) . Taalgebruik in de Septuaginta : pas (ieder, elk) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk) . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. heel, al, gans . D. al . E. whole .

Gn 11,7 - Gn 11,7 : De toren van Babel -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,1 - Gn 11,2 - Gn 11,3 - Gn 11,4 - Gn 11,5 - Gn 11,6 - Gn 11,7 - Gn 11,8 - Gn 11,9 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
7deute kai katabantes sugcheômen ekei autôn tèn glôssan ina mè akousôsin ekastos tèn fônèn tou plèsion  7 venite igitur descendamus et confundamus ibi linguam eorum ut non audiat unusquisque vocem proximi sui     7 Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak aldaar verwarren, opdat iegelijk de spraak zijns naasten niet hore.  [7] Laten Wij neerdalen en verwarring brengen in hun taal, zodat de een niet meer verstaat wat de ander zegt.’  [7] Laten wij naar hen toe gaan en spraakverwarring onder hen teweegbrengen, zodat ze elkaar niet meer verstaan.   7 welaan, laten we neerdalen en laten we daar hun taal verwarren,– zodat ze eenieder de taal van zijn naaste niet meer horen!  7. Allons ! Descendons ! Et là, confondons leur langage pour qu'ils ne s'entendent plus les uns les autres.  

King James Bible . [7] Go to, let us go down, and there confound their language, that they may not understand one another's speech.
Luther-Bibel . 7 Wohlauf, lasst uns herniederfahren und dort ihre Sprache verwirren, dass keiner des andern Sprache verstehe!

Tekstuitleg van Gn 11,7 .

8. jisjëmë`û (zij zullen horen / luisteren) . act. ind. imperf. (jiqtol) 3de pers. mv. van het werkw. sjâmâ` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenach : sjâm`â (horen, luisteren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 50 of 410 . Gr. akouô (horen) . Taalgebruik in de Septuaginta : akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Taalgebruik in Mc : akouô (horen) . Taalgebruik in Lc : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Lat. audire . Ned. horen . E. to hear . D. höhren . Een vorm van akouô (horen) in het N.T. (427) , in de LXX (1069) .Horen veronderstelt een lijdend voorwerp . Horen kan verwijzen naar iets dat voorafging of het kan gevolgd worden door een object of een objectzin . Tenach (30) . Pentateuch (11) . Gn (1) Gn 11,7 .

Gn 11,8 - Gn 11,8 : De toren van Babel -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,1 - Gn 11,2 - Gn 11,3 - Gn 11,4 - Gn 11,5 - Gn 11,6 - Gn 11,7 - Gn 11,8 - Gn 11,9 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
8kai diespeiren autous kurios ekeithen epi prosôpon pasès tès gès kai epausanto oikodomountes tèn polin kai ton purgon  8 atque ita divisit eos Dominus ex illo loco in universas terras et cessaverunt aedificare civitatem    8 Alzo verstrooide hen de HEERE van daar over de ganse aarde; en zij hielden op de stad te bouwen.  [8] En de heer dreef hen vandaar naar alle kanten de hele aardbodem over, en er kwam een einde aan de bouw van de stad.   [8] De HEER verspreidde hen van daar over de hele aarde, en de bouw van de stad werd gestaakt.  8 Zo verstrooit de ENE hen van daaruit over het aanschijn van heel de aarde, en houden ze op met het bouwen van de stad.  8. Yahvé les dispersa de là sur toute la face de la terre et ils cessèrent de bâtir la ville. 

King James Bible . [8] So the LORD scattered them abroad from thence upon the face of all the earth: and they left off to build the city.
Luther-Bibel . 8 So zerstreute sie der HERR von dort in alle Lńnder, dass sie aufh÷ren mussten, die Stadt zu bauen.

Tekstuitleg van Gn 11,8 .

7. kâl / kal / kol (al) . Taalgebruik in Tenach : kl (al) . Tenach (2709) . Pentateuch (824) . Gn (166) . Gn 11 (5 verzen, 6X) : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,4 . (3) Gn 11,6 . (4) Gn 11,8 . (5) Gn 11,9 (2X) . Gr. pas , pasa, pan (ieder, elk) . Taalgebruik in de Septuaginta : pas (ieder, elk) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk) . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. heel, al, gans . D. al . E. whole .

8. hâ´ârèts (het land) < lidw. ha + het zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenach : ´èrètz (land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het N.T. : gè (aarde) . Gr. gè . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Tenach (851) . Pentateuch (316) . Gn (113) . Gn 11 (4 verzen, 5X) : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,4 . (3) Gn 11,8 . (4) Gn 11,9 (2X) .

7. - 8. kâl hâ´ârèts (het hele land) . In Gn 11,1-9 (5X) : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,4 . (3) Gn 11,8 . (4) Gn 11,9 (2X) . Deze uitdrukking staat aan het begin en het einde van deze pericope en omsluiten dus het verhaal .

Gn 11,9 - Gn 11,9 : De toren van Babel -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,1 - Gn 11,2 - Gn 11,3 - Gn 11,4 - Gn 11,5 - Gn 11,6 - Gn 11,7 - Gn 11,8 - Gn 11,9 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
9dia touto eklèthè to onoma autès sugchusis oti ekei sunecheen kurios ta cheilè pasès tès gès kai ekeithen diespeiren autous kurios o theos epi prosôpon pasès tès gès  9 et idcirco vocatum est nomen eius Babel quia ibi confusum est labium universae terrae et inde dispersit eos Dominus super faciem cunctarum regionum    9 Daarom noemde men haar naam Babel; want aldaar verwarde de HEERE de spraak der ganse aarde, en van daar verstrooide hen de HEERE over de ganse aarde.  [9] Daarom noemt men die stad Babel*, want de heer heeft daar verwarring gebracht in de taal van alle mensen, en hen vandaar over de hele aardbodem verspreid.  [9] Zo komt het dat die stad Babel heet, want daar bracht de HEER verwarring* in de taal die op de hele aarde gesproken werd, en van daar verspreidde hij de mensen over de hele aarde.  9 Dáárom is als haar naam uitgeroepen ‘Babel’, – verwarring, want daar heeft de ENE de taal van heel de aarde verward; en van dááruit heeft de ENE hen verstrooid over het aanschijn van heel de aarde. •   9. Aussi la nomma-t-on Babel, car c'est là que Yahvé confondit le langage de tous les habitants de la terre et c'est de là qu'il les dispersa sur toute la face de la terre. 

King James Bible . [9] Therefore is the name of it called Babel; because the LORD did there confound the language of all the earth: and from thence did the LORD scatter them abroad upon the face of all the earth.
Luther-Bibel . 9 Daher hei▀t ihr Name Babel, weil der HERR daselbst verwirrt hat aller Lńnder Sprache und sie von dort zerstreut hat in alle Lńnder.

Tekstuitleg van Gn 11,9 . Het vers Gn 11,9 telt 19 woorden en 57 (3 X 19) letters ; verhouding : 1 op 3 . De getalswaarde van Gn 11,9 is 3657 (3 X 23 X 53) .

11. כל = kl (al) . Taalgebruik in Tenakh : kl (al) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 23 OF 50 (2 X 5²) . Structuur : 2 - 3 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (2709) . Pentateuch (824) . Eerdere Profeten (584) . Latere Profeten (505) . 12 Kleine Profeten (104) . Geschriften (692) . Gn (166) . Gn 11 (5 verzen, 6X) : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,4 . (3) Gn 11,6 . (4) Gn 11,8 . (5) Gn 11,9 (2X) .
- Grieks : πας = pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in de LXX : pas (ieder, elk, alles) .
- Lat. omnis . Fr. tout . Ned. heel, al, gans . D. al . E. whole .

12. hâ´ârèts (het land) < lidw. ha + het zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenach : ´èrètz (land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het N.T. : gè (aarde) . Gr. gè . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Tenach (851) . Pentateuch (316) . Gn (113) . Gn 11 (4 verzen, 5X) : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,4 . (3) Gn 11,8 . (4) Gn 11,9 (2X) .

11. - 12. kâl hâ´ârèts (het hele land) . In Gn 11,1-9 (5X) : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,4 . (3) Gn 11,8 . (4) Gn 11,9 (2X) . Deze uitdrukking staat aan het begin en het einde van deze pericope en omsluiten dus het verhaal .

18. kâl / kal / kol (al) . Taalgebruik in Tenach : kl (al) . Tenach (2709) . Pentateuch (824) . Gn (166) . Gn 11 (5 verzen, 6X) : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,4 . (3) Gn 11,6 . (4) Gn 11,8 . (5) Gn 11,9 (2X) . Gr. pas , pasa, pan (ieder, elk) . Taalgebruik in de Septuaginta : pas (ieder, elk) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk) . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. heel, al, gans . D. al . E. whole .

19. hâ´ârèts (het land) < lidw. ha + het zelfst. naamw. ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenach : ´èrètz (land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het N.T. : gè (aarde) . Gr. gè . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Tenach (851) . Pentateuch (316) . Gn (113) . Gn 11 (4 verzen, 5X) : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,4 . (3) Gn 11,8 . (4) Gn 11,9 (2X) .

18. - 19. kâl hâ´ârèts (het hele land) . In Gn 11,1-9 (5X) : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,4 . (3) Gn 11,8 . (4) Gn 11,9 (2X) . Deze uitdrukking staat aan het begin en het einde van deze pericope en omsluiten dus het verhaal .


De voorvaderen van Abram : Gn 11,10-32 -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -

Gn 11,10 - Gn 11,10 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
10kai autai ai geneseis sèm sèm uios ekaton etôn ote egennèsen ton arfaxad deuterou etous meta ton kataklusmon  10 hae generationes Sem Sem centum erat annorum quando genuit Arfaxad biennio post diluvium  ´ellèh thôlëdoth   10 Deze zijn de geboorten van Sem: Sem was honderd jaren oud, en gewon Arfachsad, twee jaren na den vloed.  [10] Dit zijn de nakomelingen van Sem. Toen Sem honderd jaar was, verwekte hij Arpaksad, twee jaar na de vloed.   [10] Dit zijn de nakomelingen van Sem. Toen Sem 100 jaar oud was, verwekte hij Arpachsad, twee jaar na de zondvloed.  10 ¶ Dit zijn de geboorten uit Sem. Sem is een man van honderd jaar en doet Arpachsjad baren,– een dubbeljaar ná de vloed.   10. Voici la descendance de Sem : Quand Sem eut cent ans, il engendra Arpakshad, deux ans après le déluge. 

King James Bible . [10] These are the generations of Shem: Shem was an hundred years old, and begat Arphaxad two years after the flood:
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 11,10 . Dit vers Gn 11,10 telt 13 woorden en 46 (2 X 23) letters . De getalwaarde van Gn 11,10 is 4558 (= 2 X 43 X 53) .

2. th-l-d-th (ontstaansgeschiedenissen) . Taalgebruik in Tenakh : thôlëdôth (ontstaansgeschiedenissen) . Getalwaarde van תוֹלְדוֹת = thôlëdôth : thaw = 22 of 400 ; waw = 6 ; lamed = 12 of 30 , daleth = 4 ; totaal : 72 (2³ X 3²) of 846 (2 X 3² X 47) . Structuur : 4 - 6 - 4 - 3 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Mooie circulaire opbouw van het woord . th-l-d-th (ontstaangeschiedenis, geslachten) komt in 13 verzen voor : Gn (11) . Nu (1) . Rt (1) . Dertien is de getalwaarde van אֶחָד = één . Het komt op vier verschillende wijzen voor :
(1) een waw zowel bij het begin als op het einde (תוֹלְדוֹת = thôlëdôth) . In twee verzen : (1) Gn 2,4 (hemel en aarde) . (2) Rt 4,18 . Gn 2,4 opent de reeks van twaalf th(ô)lëd(ô)th (ontstaangeschiedenis, geslachten) en Rt 4,18 besluit de reeks . Gn 2,4 geeft de voltooiïng van de schepping weer . Rt 4,18 geeft de tien geslachten van Peres tot David .
(2) een waw bij het begin van het woord (תוֹלְדֹת = thôlëdoth) . Getalwaarde : 72 - 6 = 66 . In zeven verzen : (1) zèh sephèr thôlëdoth (dit is het boek van ontstaansgeschiedenissen) : Gn 5,1 . (2) ´ellèh thôlëdoth : Gn 6,9 (Noach) . (3) ´ellèh thôlëdoth : Gn 10,1 (Noach) . (4) ´ellèh thôlëdoth : Gn 11,10 (Sjem) . (5) wë´ellèh thôlëdoth : Gn 11,27 (Terach) . (6) wë´ellèh thôlëdoth : Gn 25,19 (Isaak) . (7) Nu 3,1 (Aäron en Mozes) .
(3) een waw noch bij het begin noch bij het einde van het woord (תֹלְדֹת = tholëdoth) : Gn 25,12 . Getalwaarde : 72 - 12 = 60 . Ismaël, de zoon van Abram en Hagar , kreeg twaalf zonen , waaruit twaalf stammen voortsproten . Verder nageslacht wordt niet gegeven .
(4) een waw op het einde van het woord (תֹלְדוֹת = tholëdôth) , niet bij het begin . Getalwaarde van tholëdôth : thaw = 22 of 400 ; lamed = 12 of 30 , daleth = 4 , waw = 6 ; totaal : 66 (2 X 3 X 11) OF 840 (2³ X 3 X 5 X 7) . Structuur : 4 - 3 - 4 - 6 - 4 . In drie verzen : (1) wë´ellèh tholëdôth : Gn 36,1 (Esau = Edom) . (2) wë´ellèh tholëdôth : Gn 36,9 (Esau , de vader van Edom) . (3) ´ellèh tholëdôth : Gn 37,2 (Jakob) .

Gn 11,10.1. - 2. ´ellèh thô(o)lëdô(o)th (deze ontstaangeschiedenissen) . In vier verzen in de bijbel : (1) ´ellèh thôlëdôth : Gn 2,4 (hemel en aarde) . (2) ´ellèh thôlëdoth : Gn 6,9 (Noach) . (3) ´ellèh thôlëdoth : Gn 11,10 (Sjem) . (4) ´ellèh tholëdôth : Gn 37,2 (Jakob) .

Gn 11,10.7. שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . Getalwaarde) : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (86) . Latere Profeten (33) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (51) . Gn (75) .
- Grieks . ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) .
- Latijn . annus (jaar) . Fr. an of année . Ned. jaar . E. year . D. Jahr . Aramees : שְׁנָה = sjënâh (jaar) . Arabisch : سَنَة = sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) .

Gn 11,10.6. - 7. מְאַת שָׁנָה = mëath sjânâh (100 jaar) . Tenakh (5) : (1) Gn 11,10 . (2) Gn 21,5 . (3) Gn 25,7 . (4) Gn 25,17 . (5) Gn 35,28

Gn 11,11 - Gn 11,11 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
11kai ezèsen sèm meta to gennèsai auton ton arfaxad pentakosia etè kai egennèsen uious kai thugateras kai apethanen  11 vixitque Sem postquam genuit Arfaxad quingentos annos et genuit filios et filias    11 En Sem leefde, nadat hij Arfachsad gewonnen had, vijfhonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren. [11] Sem leefde na de geboorte van Arpaksad nog vijfhonderd jaar, en hij kreeg zonen en dochters.   [11] Na de geboorte van Arpachsad leefde Sem nog 500 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.   11 Sem leeft nadat hij Arpachsjad heeft doen baren vijfhonderd jaar, zonen en dochters doet hij baren. ••  11. Après la naissance d'Arpakshad, Sem vécut cinq cents ans et il engendra des fils et des filles. 

King James Bible . [11] And Shem lived after he begat Arphaxad five hundred years, and begat sons and daughters.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 11,11 . Het vers Gn 11,11 telt 12 (2² X 3) woorden en 48 (2² X 2² X 3) letters ; verhouding : 1 op 4 . De getalwaarde van Gn 11,11 is 3432 (2³ X 3 X 11 X 13) .

7. - 9. חֲמֵשׁ מֵאוֹת שָׁנָה = chämesj me´ôth sjânâh (vijfhonderd jaar, 500 jaar) . Tenakh (2) : (1) Gn 5,32 . (2) Gn 11,11 .
- וֲחֲמֵשׁ מֵאוֹת שָׁנָה = wachämesj me´oth (en vijfhonderd, en 500) . Tenakh (1) : Gn 5,30 .

Gn 11,12 - Gn 11,12 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
12kai ezèsen arfaxad ekaton triakonta pente etè kai egennèsen ton kainan  12 porro Arfaxad vixit triginta quinque annos et genuit Sale     12 En Arfachsad leefde vijf en dertig jaren, en hij gewon Selah.  [12] Arpaksad was vijfendertig jaar toen hij Selach verwekte.  [12] Toen Arpachsad 35 jaar was, verwekte hij Selach.   12 Arpachsjad leeft vijfendertig jaar,– en doet dan Sjelach baren.   12. Quand Arpakshad eut trente-cinq ans, il engendra Shélah.  

King James Bible . [12] And Arphaxad lived five and thirty years, and begat Salah:
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 11,12 .

Gn 11,13 - Gn 11,13 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
13kai ezèsen arfaxad meta to gennèsai auton ton kainan etè tetrakosia triakonta kai egennèsen uious kai thugateras kai apethanen kai ezèsen kainan ekaton triakonta etè kai egennèsen ton sala kai ezèsen kainan meta to gennèsai auton ton sala etè triakosia triakonta kai egennèsen uious kai thugateras kai apethanen  13 vixitque Arfaxad postquam genuit Sale trecentis tribus annis et genuit filios et filias    13 En Arfachsad leefde, nadat hij Selah gewonnen had, vierhonderd en drie jaren; en hij gewon zonen en dochteren.  [13] Arpaksad leefde na de geboorte van Selach nog vierhonderddrie jaar, en hij kreeg zonen en dochters.   [13] Na de geboorte van Selach leefde Arpachsad nog 403 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.   13 Arpachsjad leeft nadat hij Sjelach heeft doen baren drie jaren en vierhonderd jaar; zonen en dochters doet hij baren. ••   13. Après la naissance de Shélah, Arpakshad vécut quatre cent trois ans et il engendra des fils et des filles. 

King James Bible . [13] And Arphaxad lived after he begat Salah four hundred and three years, and begat sons and daughters.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 11,13 .

 

Gn 11,14 - Gn 11,14 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
14kai ezèsen sala ekaton triakonta etè kai egennèsen ton eber  14 Sale quoque vixit triginta annis et genuit Eber    14 En Selah leefde dertig jaren, en hij gewon Heber.  [14] Toen Selach dertig jaar was, verwekte hij Eber.   [14] Toen Selach 30 jaar was, verwekte hij Eber.   14 Sjelach leeft dertig jaar; dan doet hij Eber baren.   14. Quand Shélah eut trente ans, il engendra Éber.  

King James Bible . [14] And Salah lived thirty years, and begat Eber:
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 11,14 .

Gn 11,15 - Gn 11,15 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
15kai ezèsen sala meta to gennèsai auton ton eber triakosia triakonta etè kai egennèsen uious kai thugateras kai apethanen 15 vixitque Sale postquam genuit Eber quadringentis tribus annis et genuit filios et filias    15 En Selah leefde, nadat hij Heber gewonnen had, vierhonderd en drie jaren, en hij gewon zonen en dochteren.  [15] Selach leefde na de geboorte van Eber nog vierhonderddrie jaar, en hij kreeg zonen en dochters.   [15] Na de geboorte van Eber leefde Selach nog 403 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.   15 Sjelach leeft nadat hij Eber heeft doen baren drie jaren en vierhonderd jaar; zonen en dochters doet hij baren. ••   15. Après la naissance de Éber, Shélah vécut quatre cent trois ans et il engendra des fils et des filles.  

King James Bible . [15] And Salah lived after he begat Eber four hundred and three years, and begat sons and daughters.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 11,15 .

Gn 11,16 - Gn 11,16 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
16kai ezèsen eber ekaton triakonta tessara etè kai egennèsen ton falek  16 vixit autem Eber triginta quattuor annis et genuit Faleg     16 En Heber leefde vier en dertig jaren, en gewon Peleg.   [16] Toen Eber vierendertig jaar was, verwekte hij Peleg.   [16] Toen Eber 34 jaar was, verwekte hij Peleg.  16 Eber leeft vierendertig jaar; dan doet hij Peleg baren.   16. Quand Éber eut trente-quatre ans, il engendra Péleg.  

King James Bible . [16] And Eber lived four and thirty years, and begat Peleg:
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 11,16 .

Gn 11,17 - Gn 11,17 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
17kai ezèsen eber meta to gennèsai auton ton falek etè triakosia ebdomèkonta kai egennèsen uious kai thugateras kai apethanen  17 et vixit Eber postquam genuit Faleg quadringentis triginta annis et genuit filios et filias     17 En Heber leefde, nadat hij Peleg gewonnen had, vierhonderd en dertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.   [17] Eber leefde na de geboorte van Peleg nog vierhonderddertig jaar, en hij kreeg zonen en dochters.   [17] Na de geboorte van Peleg leefde Eber nog 430 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.   17 Eber leeft nadat hij Peleg heeft doen baren dertig jaar en vierhonderd jaar; zonen en dochters doet hij baren. ••  17. Après la naissance de Péleg, Éber vécut quatre cent trente ans et il engendra des fils et des filles.  

King James Bible . [17] And Eber lived after he begat Peleg four hundred and thirty years, and begat sons and daughters.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 11,17 . Het vers Gn 11,17 telt 14 (2 X 7) woorden en 56 (2³ X 7) letters ; verhouding : 1 op 4 . De getalwaarde van Gn 11,17 is 3838 (2 X 19 X 101) .

9. שִׁבְעִים = sjibhë`îm (zeventig, 70) . Zie : sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 62 (2 X 31) OF 422 (2 X 211) . Tenakh (70) . Pentateuch (23) . Eerdere Profeten (17) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (22) . Gn (5) : (1) Gn 4,24 . (2) Gn 5,12 . (3) Gn 11,26 . (4) Gn 46,27 . (5) Gn 50,3 .
- Grieks . ἑβδομηκοντα = hebdomèkonta (zeventig, 70) . Bijbel (102) . OT (97) . NT (5) . Gn (8) : (1) Gn 5,12 . (2) Gn 11,17 . (3) Gn 11,24 . (4) Gn 11,26 . (5) Gn 12,4 . (6) Gn 25,7 . (7) Gn 46,27 . (8) Gn 50,3 . Een vorm van ἑβδομηκοντα = hebdomèkonta (zeventig, 70) in de LXX (122) , in het NT (5) .
- Latijn . septuaginta (zeventig, 70) . Fr. soixante-dix . E. seventy . D. siebzig . Aramees : שִׁבְעִין= sjibhë`în (zeventig, 70) . Arabisch :سَبْعُونَ = sab`ûna (zeventig, 70) . Taalgebruik in de Qoran : sab`ûna (zeventig, 70) .

Gn 11,18 - Gn 11,18 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
18kai ezèsen falek ekaton triakonta etè kai egennèsen ton ragau  18 vixit quoque Faleg triginta annis et genuit Reu    18 En Peleg leefde dertig jaren, en hij gewon Rehu.   [18] Toen Peleg dertig jaar was, verwekte hij Reü.   [18] Toen Peleg 30 jaar was, verwekte hij Reü.  18 Peleg leeft dertig jaar, dan doet hij Reoe baren.   18. Quand Péleg eut trente ans, il engendra Réu.  

King James Bible . [18] And Peleg lived thirty years, and begat Reu:
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 11,18 .

Gn 11,19 - Gn 11,19 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
19kai ezèsen falek meta to gennèsai auton ton ragau diakosia ennea etè kai egennèsen uious kai thugateras kai apethanen  19 vixitque Faleg postquam genuit Reu ducentis novem annis et genuit filios et filias    19 En Peleg leefde, nadat hij Rehu gewonnen had, tweehonderd en negen jaren; en hij gewon zonen en dochteren.   [19] Peleg leefde na de geboorte van Reü nog tweehonderdnegen jaar, en hij kreeg zonen en dochters.  [19] Na de geboorte van Reü leefde Peleg nog 209 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.  19 Peleg leeft nadat hij Reoe heeft doen baren negen jaren en een dubbelhonderd jaar; zonen en dochters doet hij baren. ••   19. Après la naissance de Réu, Péleg vécut deux cent neuf ans et il engendra des fils et des filles.

King James Bible . [19] And Peleg lived after he begat Reu two hundred and nine years, and begat sons and daughters.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 11,19 .

Gn 11,20 - Gn 11,20 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
20kai ezèsen ragau ekaton triakonta duo etè kai egennèsen ton serouch  20 vixit autem Reu triginta duobus annis et genuit Sarug    20 En Rehu leefde twee en dertig jaren, en hij gewon Serug.  [20] Toen Reü tweeëndertig jaar was, verwekte hij Serug.  [20] Toen Reü 32 jaar was, verwekte hij Serug.  20 Reoe leeft tweeëndertig jaar; dan doet hij Seroeg baren.  20. Quand Réu eut trente-deux ans, il engendra Serug.  

King James Bible . [20] And Reu lived two and thirty years, and begat Serug:
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 11,20 .

Gn 11,21 - Gn 11,21 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
21kai ezèsen ragau meta to gennèsai auton ton serouch diakosia epta etè kai egennèsen uious kai thugateras kai apethanen  21 vixitque Reu postquam genuit Sarug ducentis septem annis et genuit filios et filias    21 En Rehu leefde, nadat hij Serug gewonnen had, tweehonderd en zeven jaren; en hij gewon zonen en dochteren.  [21] Reü leefde na de geboorte van Serug nog tweehonderdzeven jaar, en hij kreeg zonen en dochters.  [21] Na de geboorte van Serug leefde Reü nog 207 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.  21 Reoe leeft nadat hij Seroeg heeft doen baren zeven jaren en een dubbelhonderd jaar; zonen en dochters doet hij baren. ••  21. Après la naissance de Serug, Réu vécut deux cent sept ans et il engendra des fils et des filles.  

King James Bible . [21] And Reu lived after he begat Serug two hundred and seven years, and begat sons and daughters.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 11,21 . Het vers Gn 11,21 telt 13 woorden en 53 letters . Het vers Gn 11,21 telt 3746 (2 X 1873) .

Gn 11,21.7. שֶׁבַע / שֵׁבַע = sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13 = (26 + 13) OF 372 (2 X 3 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (175 OF 7 X 25) . Pentateuch (70 OF 7 X 10) . Eerdere Profeten (61) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Alle prof. boeken (70 OF 7 X 10) . Geschriften (35 OF 7 X 5) . Gn (44) . Gn 5 (3) : (1) Gn 5,7 . (2) Gn 5,25 . (3) Gn 5,31 . Gn 11 (1) : Gn 11,21 . Gn 29 (5) : (1) Gn 29,18 . (2) Gn 29,20 . (3) Gn 29,27 . (4) Gn 29,28 . (5) Gn 29,30 .
- Gr. hepta . Bijbel (334) . OT (272) . NT (62) . Een vorm van hepta (zeven) in de LXX (377) , in het NT (87) .
- Lat. septem . Bijbel (325) . OT (264) . NT (61) . Fr. sept . D. Sieben . E. seven . Ned. zeven . Arabisch : sab`ah (zeven) : سَبْعة. Taalgebruik in de Koran : sab`ah (zeven) .
- De eerste medeklinker : s ; in het Grieks werd het een aangeblazen ha ; in het Nederlands werd de s een z . De tweede medeklinker : b ; in het Arabisch en het Duits ; in het Hebreeuws is het een zachte b , uitgesproken als v ; zo ook in het E. en het Ned. ; in het Gr. , het Lat. en het Fr. werd het een p ; in het Fr. wordt de p niet uitgesproken . De derde medeklinker : de ajin in het Arabisch en het Hebreeuws ; in het Gr. en het Lat. door de letter t . Het Franse sept is afkorting van het Lat. septem ; de -en uitgang in het D. , E. en Ned. komt wellicht uit de Latijnse uitgang -em .

Gn 11,21.8. vr. mv. (met mannelijke uitgang) שָׁנֶים = sjânîm (jaren) van het zelfstandig naamwoord שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . De getalwaarde van שָׁנָה = sjânâh (jaar) is : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (64) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (77) . Gn (46) . Gn 5 (5) : (1) Gn 5,6 . (2) Gn 5,7 . (3) Gn 5,11 . (4) Gn 5,14 . (5) Gn 5,15 . Gn 11 (5) : (1) Gn 11,13 . (2) Gn 11,15 . (3) Gn 11,19 . (4) Gn 11,21 . (5) Gn 11,32 . Gn 29 (4) : (1) Gn 29,18 . (2) Gn 29,20 . (3) Gn 29,27 . (4) Gn 29,30 . Ex (8) : (1) Ex 21,2 . (2) Ex 22,3 . (3) Ex 22,6 . (4) Ex 22,8 . (5) Ex 23,10 . (6) Ex 25,18 . (7) Ex 29,1 . (8) Ex 29,38 . Lv (8) : (1) Lv 19,23 . (2) Lv 23,18 . (3) Lv 25,3 . (4) Lv 25,8 . (5) Lv 25,15 . (6) Lv 25,50 . (7) Lv 27,5 . (8) Lv 27,6 . Dt (4) : (1) Dt 15,12 . (2) Dt 15,18 . (3) Dt 28,63 . (4) Dt 30,9 .
- Grieks . ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) .
- Latijn . annus (jaar) . Fr. an of année . Ned. jaar . E. year . D. Jahr . Aramees : שְׁנָה = sjënâh (jaar) . Arabisch : سَنَة = sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) .

Gn 11,21.7. - 8. שֶׁבַע שָׁנִים = sjèbha`sjânîm (zeven jaren) .Tenakh (32) : (1) Gn 5,7 . (2) Gn 11,21 . (3) Gn 29,18 . (4) Gn 29,20 . (5) Gn 29,27 . (6) Gn 29,30 . (7) Gn 41,26 (2X) . (8) Gn 41,27 . (9) Gn 41,29 . (10) Gn 41,48 . (11) Gn 47,28 . (12) Lv 25,8 . (13) Nu 13,22 . (14) Dt 15,1 . (15) Dt 31,10 . (16) Re 6,1 . (17) Re 6,25 . (18) Re 12,9 . (19) 2 S 2,11 . (20) 2 S 5,5 . (21) 2 S 24,13 . (22) 1 K 2,11 . (23) 1 K 6,38 . (24) 2 K 8,1 . (25) 2 K 8,2 . (26) 2 K 8,3 . (27) 2 K 12,1 . (28) 1 Kr 3,4 . (29) 1 Kr 29,27 . (30) 2 Kr 24,1 . (31) Jr 34,14 . (32) Ez 39,9 .

Gn 11,21.7. - 10. 207 (3² X 23) . In Gn 5,7 is er sprake van 807 .

Gn 11,21.11. וַיִּוָּלֵד = wajjiwwâled (en er werd geboren) (*) . Passief nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . OF : וַיּוֹלֶד = wajjôlèd (en hij verwekte) . Actief hifil imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . Zie jèlèd = het voortgebrachte , kind . Taalgebruik in Tenakh : jèlèd = het voortgebrachte , kind . Getalwaarde : jod = 10 , lamed = 12 of 30 , daleth = 4 ; totaal : 26 OF 44 (4 X 11) . Structuur : 1 - 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (48) . Gn (39) . : (1) Gn 4,18 (*). (2) Gn 5,3 . (3) Gn 5,4 . (4) Gn 5,6 . (5) Gn 5,7 . (6) Gn 5,9 . (7) Gn 5,10 . (8) Gn 5,12 . (9) Gn 5,13 . (10) Gn 5,15 . (11) Gn 5,16 . (12) Gn 5,18 . (13) Gn 5,19 . (14) Gn 5,21 . (15) Gn 5,22 . (16) Gn 5,25 . (17) Gn 5,26 . (18) Gn 5,28 . (19) Gn 5,30 . (20) Gn 5,32 . (21) Gn 6,10 . (22) Gn 11,10 . (23) Gn 11,11 . (24) Gn 11,12 . (25) Gn 11,13 . (26) Gn 11,14 . (27) Gn 11,15 . (28) Gn 11,16 . (29) Gn 11,17 . (30) Gn 11,18 . (31) Gn 11,19 . (32) Gn 11,20 . (33) Gn 11,21 . (34) Gn 11,22 . (35) Gn 11,23 . (36) Gn 11,24 . (37) Gn 11,25 . (38) Gn 11,26 . (39) Gn 46,20 (*) .

11. - 13. וַיּוֹלֶד בָּנִים וּבָנוֹת = wajjôlèd bânîm ûbhânôth (en hij verwekte zonen en dochters) . Tenakh (18) : (1) Gn 5,4 . (2) Gn 5,7 . (3) Gn 5,10 . (4) Gn 5,13 . (5) Gn 5,16 . (6) Gn 5,19 . (7) Gn 5,22 . (8) Gn 5,26 . (9) Gn 5,30 . (10) Gn 11,11 . (11) Gn 11,13 . (12) Gn 11,15 . (13) Gn 11,17 . (14) Gn 11,19 . (15) Gn 11,21 . (16) Gn 11,23 . (17) Gn 11,25 . (18) 2 Kr 24,3 .

Gn 11,22 - Gn 11,22 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
22kai ezèsen serouch ekaton triakonta etè kai egennèsen ton nachôr 22 vixit vero Sarug triginta annis et genuit Nahor    22 En Serug leefde dertig jaren, en gewon Nahor.  
[22] Toen Serug dertig jaar was, verwekte hij Nachor.  
[22] Toen Serug 30 jaar was, verwekte hij Nachor.   22 Seroeg leeft dertig jaar; dan doet hij Nachor baren.   22. Quand Serug eut trente ans, il engendra Nahor.  

King James Bible . [22] And Serug lived thirty years, and begat Nahor:
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 11,22 .

1. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalwaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Joz (59) . Re (47) . 1 S (58) . 2 S (43) . 1 K (78) . 2 K (54) . Gn 11 (2) : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,2 . Andere telling . Tenakh (47) . Gn (33) . Gn 11 (14) : (1) Gn 11,11 . (2) Gn 11,13 . (3) Gn 11,15 . (4) Gn 11,16 . (5) Gn 11,17 . (6) Gn 11,18 . (7) Gn 11,19 . (8) Gn 11,20 . (9) Gn 11,21 . (10) Gn 11,22 . (11) Gn 11,23 . (12) Gn 11,24 . (13) Gn 11,25 . (14) Gn 11,26 .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . OT (678) . Pentateuch (156) . Eerdere Profeten (289) . Latere Profeten (126) . 12 Kleine Profeten (26) . Geschriften (131) . NT (195) . Gr. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij / zij was) . Bijbel (1506) . OT (1120) . Pentateuch (329) . Eerdere Profeten (219) . Latere Profeten (146) . 12 Kleine Profeten (32) . Geschriften (193) . NT (386) .
Door וַיְהִי = = wajëhî (en hij was / en het was) wordt het verhaal vervolgd . We zouden kunnen vertalen : vervolgens , en dan .

3. mann. mv. שְׁלֹשִׁים = sjëlosjîm (dertig) . Zie : שׁלשׁ = sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 54 (2 X 3³) OF 630 (2 X 3² X 5 X 7) . Structuur : 3 - 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (111) . Pentateuch (47) . Eerdere Profeten (32) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (25) . Gn (12) : Tenakh (17) : (1) Gn 5,3 . (2) Gn 5,16 . (3) Gn 11,14 . (4) Gn 11,17 . (5) Gn 11,18 . (6) Gn 11,22 . (7) Gn 18,30 . (8) Gn 32,16 . (9) Gn 41,46 . (10) Gn 46,15 . (11) Gn 47,9 . (12) Gn 50,23 .

4. שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . De getalwaarde van sjânâh (jaar) is : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (86) . Latere Profeten (33) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (51) . Gn (75) . Gn 11 (18) : (1) Gn 11,10 . (2) Gn 11,11 . (3) Gn 11,12 . (4) Gn 11,13 . (5) Gn 11,14 . (6) Gn 11,15 . (7) Gn 11,16 . (8) Gn 11,17 . (9) Gn 11,18 . (10) Gn 11,19 . (11) Gn 11,20 . (12) Gn 11,21 . (13) Gn 11,22 . (14) Gn 11,23 . (15) Gn 11,24 . (16) Gn 11,25 . (17) Gn 11,26 . (18) Gn 11,32 .
- Grieks . ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) .
- Latijn . annus (jaar) . Fr. an of année . Ned. jaar . E. year . D. Jahr . Aramees : שְׁנָה = sjënâh (jaar) . Arabisch : سَنَة = sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) .

3. - 4. שָׁנָה שְׁלֹשִׁים = sjëlosjîm sjânâh (dertig jaar) . Tenakh (17) : (1) Gn 5,16 . (2) Gn 11,14 . (3) Gn 11,17 . (4) Gn 11,18 . (5) Gn 11,22 . (6) Gn 41,46 . (7) Ex 12,40 . (8) Ex 12,41 . (9) Nu 4,3 . (10) Nu 4,23 . (11) Nu 4,30 . (12) Nu 4,35 . (13) Nu 4,39 . (14) Nu 4,43 . (15) Nu 4,47 . (16) 2 S 5,4 . (17) 1 Kr 23,3 .

5. וַיִּוָּלֵד = wajjiwwâled (en er werd geboren) (*) . Passief nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . OF : וַיּוֹלֶד = wajjôlèd (en hij verwekte) . Actief hifil imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . Zie jèlèd = het voortgebrachte , kind . Taalgebruik in Tenakh : jèlèd = het voortgebrachte , kind . Getalwaarde : jod = 10 , lamed = 12 of 30 , daleth = 4 ; totaal : 26 OF 44 (4 X 11) . Structuur : 1 - 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (48) . Gn (39) . : (1) Gn 4,18 (*). (2) Gn 5,3 . (3) Gn 5,4 . (4) Gn 5,6 . (5) Gn 5,7 . (6) Gn 5,9 . (7) Gn 5,10 . (8) Gn 5,12 . (9) Gn 5,13 . (10) Gn 5,15 . (11) Gn 5,16 . (12) Gn 5,18 . (13) Gn 5,19 . (14) Gn 5,21 . (15) Gn 5,22 . (16) Gn 5,25 . (17) Gn 5,26 . (18) Gn 5,28 . (19) Gn 5,30 . (20) Gn 5,32 . (21) Gn 6,10 . (22) Gn 11,10 . (23) Gn 11,11 . (24) Gn 11,12 . (25) Gn 11,13 . (26) Gn 11,14 . (27) Gn 11,15 . (28) Gn 11,16 . (29) Gn 11,17 . (30) Gn 11,18 . (31) Gn 11,19 . (32) Gn 11,20 . (33) Gn 11,21 . (34) Gn 11,22 . (35) Gn 11,23 . (36) Gn 11,24 . (37) Gn 11,25 . (38) Gn 11,26 . (39) Gn 46,20 (*) . Nu 26,60 (*) .
- act. ind. aor. 3de pers. enk. εγεννησεν = egennèsen (en hij bracht voort) van het werkw. γενναω = gennaô (voortbrengen, baren) . Taalgebruik in het NT : gennaô (voortbrengen, baren) . Taalgebruik in de LXX : gennaô (voortbrengen, baren) . Taalgebruik in Lc : gennaô (voortbrengen, baren) . Gn (49) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. egennèsen   136  118  18  15          16  16     

7. nâchôr (Nachor) . Taalgebruik in Tenakh : nâchôr (Nachor) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , chet = 8 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 48 (2² X 2² X 3) OF 264 (2³ X 3 X 11) . Structuur : 5 - 8 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (14) : (1) Gn 11,22 . (2) Gn 11,23 . (3) Gn 11,24 . (4) Gn 11,25 . (5) Gn 11,26 . (6) Gn 11,27 . (7) Gn 11,29 . (8) Gn 24,10 . (9) Gn 24,15 . (10) Gn 24,47 . (11) Gn 29,5 . (12) Gn 31,53 . (13) Joz 24,2 . (14) 1 Kr 1,26 .
- Vooreerst is Nachor de zoon van Serug . Vervolgens had Nachor een kleinzoon die ook Nachor heette . Er is ook een stad die Nachor heet .

Gn 11,23 - Gn 11,23 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
23kai ezèsen serouch meta to gennèsai auton ton nachôr etè diakosia kai egennèsen uious kai thugateras kai apethanen  23 vixitque Sarug postquam genuit Nahor ducentos annos et genuit filios et filias    23 En Serug leefde, nadat hij Nahor gewonnen had, tweehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.   [23] Serug leefde na de geboorte van Nachor nog tweehonderd jaar, en hij kreeg zonen en dochters.  [23] Na de geboorte van Nachor leefde Serug nog 200 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.   23 Seroeg leeft nadat hij Nachor heeft doen baren een dubbelhonderd jaar; zonen en dochters doet hij baren. ••  23. Après la naissance de Nahor, Serug vécut deux cents ans et il engendra des fils et des filles.  

King James Bible . [23] And Serug lived after he begat Nahor two hundred years, and begat sons and daughters.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 11,23 .

Gn 11,24 - Gn 11,24 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
24kai ezèsen nachôr etè ebdomèkonta ennea kai egennèsen ton thara  24 vixit autem Nahor viginti novem annis et genuit Thare     24 En Nahor leefde negen en twintig jaren, en gewon Terah.   [24] Toen Nachor negenentwintig jaar was, verwekte hij Terach.  [24] Toen Nachor 29 jaar was, verwekte hij Terach.  24 Nachor leeft negenentwintig jaar; dan doet hij Terach baren.  24. Quand Nahor eut vingt-neuf ans, il engendra Térah. 

King James Bible . [24] And Nahor lived nine and twenty years, and begat Terah:
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 11,24 . Het vers Gn 11,24 telt 8 (2³) woorden en 30 (2 X 3 X 5) letters . De getalwaarde van Gn 11,24 is 3114 (2 X 3² X 173) .

1. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalwaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Joz (59) . Re (47) . 1 S (58) . 2 S (43) . 1 K (78) . 2 K (54) . Gn 11 (2) : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,2 . Andere telling . Tenakh (47) . Gn (33) . Gn 11 (14) : (1) Gn 11,11 . (2) Gn 11,13 . (3) Gn 11,15 . (4) Gn 11,16 . (5) Gn 11,17 . (6) Gn 11,18 . (7) Gn 11,19 . (8) Gn 11,20 . (9) Gn 11,21 . (10) Gn 11,22 . (11) Gn 11,23 . (12) Gn 11,24 . (13) Gn 11,25 . (14) Gn 11,26 .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . OT (678) . Pentateuch (156) . Eerdere Profeten (289) . Latere Profeten (126) . 12 Kleine Profeten (26) . Geschriften (131) . NT (195) . Gr. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij / zij was) . Bijbel (1506) . OT (1120) . Pentateuch (329) . Eerdere Profeten (219) . Latere Profeten (146) . 12 Kleine Profeten (32) . Geschriften (193) . NT (386) .
Door וַיְהִי = = wajëhî (en hij was / en het was) wordt het verhaal vervolgd . We zouden kunnen vertalen : vervolgens , en dan .

3. שִׁבְעִים = sjibhë`îm (zeventig, 70) . Zie : sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 62 (2 X 31) OF 422 (2 X 211) . Tenakh (70) . Pentateuch (23) . Eerdere Profeten (17) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (22) . Gn (5) : (1) Gn 4,24 . (2) Gn 5,12 . (3) Gn 11,26 . (4) Gn 46,27 . (5) Gn 50,3 .
- Grieks . ἑβδομηκοντα = hebdomèkonta (zeventig, 70) . Bijbel (102) . OT (97) . NT (5) . Gn (8) : (1) Gn 5,12 . (2) Gn 11,17 . (3) Gn 11,24 . (4) Gn 11,26 . (5) Gn 12,4 . (6) Gn 25,7 . (7) Gn 46,27 . (8) Gn 50,3 . Een vorm van ἑβδομηκοντα = hebdomèkonta (zeventig, 70) in de LXX (122) , in het NT (5) .
- Latijn . septuaginta (zeventig, 70) . Fr. soixante-dix . E. seventy . D. siebzig . Aramees : שִׁבְעִין= sjibhë`în (zeventig, 70) . Arabisch :سَبْعُونَ = sab`ûna (zeventig, 70) . Taalgebruik in de Qoran : sab`ûna (zeventig, 70) .

Gn 11,25 - Gn 11,25 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
25kai ezèsen nachôr meta to gennèsai auton ton thara etè ekaton eikosi ennea kai egennèsen uious kai thugateras kai apethanen 25 vixitque Nahor postquam genuit Thare centum decem et novem annos et genuit filios et filias    25 En Nahor leefde, nadat hij Terah gewonnen had, honderd en negentien jaren; en hij gewon zonen en dochteren.   [25] Nachor leefde na de geboorte van Terach nog honderdnegentien jaar, en kreeg zonen en dochters.  [25] Na de geboorte van Terach leefde Nachor nog 119 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.  25 Nachor leeft nadat hij Terach heeft doen baren negentien jaar en honderd jaar; zonen en dochters doet hij baren. ••   25. Après la naissance de Térah, Nahor vécut cent dix-neuf ans et il engendra des fils et des filles.  

King James Bible . [25] And Nahor lived after he begat Terah an hundred and nineteen years, and begat sons and daughters.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 11,25 .

Gn 11,26 - Gn 11,26 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
26kai ezèsen thara ebdomèkonta etè kai egennèsen ton abram kai ton nachôr kai ton arran  26 vixitque Thare septuaginta annis et genuit Abram et Nahor et Aran    26 En Terah leefde zeventig jaren, en gewon Abram, Nahor en Haran. 
[26] Toen Terach zeventig jaar was, verwekte hij Abram, Nachor en Haran. 
[26] Toen Terach 70 jaar was, verwekte hij Abram, Nachor en Haran.   26 Terach leeft zeventig jaar; dan doet hij Abram baren en Nachor en Haran.  26. Quand Térah eut soixante-dix ans, il engendra Abram, Nahor et Harân. 

King James Bible . [26] And Terah lived seventy years, and begat Abram, Nahor, and Haran.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 11,26 . Het vers Gn 11,26 telt 11 woorden en 38 (2 X 19) letters . De getalwaarde van Gn 11,26 is 3446 (2 X 1723) .

1.

2. תָרַח / תָרַח = tèrach (Terach) . Taalgebruik in Tenakh : tèrach (Terach) . Getalwaarde : thaw = 22 of 400 , resj = 20 of 200 , chet = 8 ; totaal : 50 (2 X 5²) OF 608 (2² X 2³ X 19) . Structuur : 4 - 2 - 8 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (9) : (1) Gn 11,24 . (2) Gn 11,25 . (3) Gn 11,26 . (4) Gn 11,27 . (5) Gn 11,28 . (6) Gn 11,31 . (7) Gn 11,32 . (8) Joz 24,2 . (9) Kr 1,26 .
- Grieks . θαρα = thara (Terach) . Bijbel (10) : zie hoger + Lc 3,34 .

3. שִׁבְעִים = sjibhë`îm (zeventig, 70) . Zie : sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 62 (2 X 31) OF 422 (2 X 211) . Tenakh (70) . Pentateuch (23) . Eerdere Profeten (17) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (22) . Gn (5) : (1) Gn 4,24 . (2) Gn 5,12 . (3) Gn 11,26 . (4) Gn 46,27 . (5) Gn 50,3 .
- Grieks . ἑβδομηκοντα = hebdomèkonta (zeventig, 70) . Bijbel (102) . OT (97) . NT (5) . Gn (8) : (1) Gn 5,12 . (2) Gn 11,17 . (3) Gn 11,24 . (4) Gn 11,26 . (5) Gn 12,4 . (6) Gn 25,7 . (7) Gn 46,27 . (8) Gn 50,3 . Een vorm van ἑβδομηκοντα = hebdomèkonta (zeventig, 70) in de LXX (122) , in het NT (5) .
- Latijn . septuaginta (zeventig, 70) . Fr. soixante-dix . E. seventy . D. siebzig . Aramees : שִׁבְעִין= sjibhë`în (zeventig, 70) . Arabisch :سَبْعُونَ = sab`ûna (zeventig, 70) . Taalgebruik in de Qoran : sab`ûna (zeventig, 70) .

- ´abhërâm (Abram) . Het komt in vierenveertig verzen in de bijbel voor . In drieënveertig verzen in Gn . In vier verzen in Gn 11 : (1) Gn 11,26 (afstammelingen van Terach) . (2) Gn 11,27 (afstammelingen van Terach) . (3) Gn 11,29 (de vrouw van Abram) . (4) Gn 11,31 Terach en familie van Ur naar Kanaän) .

1. - 6. וַיְהִי ... שִׁבְעִים שָׁנָה וַיּוֹלֶד אֶת (en ... leefde 70 jaar en hij verwekte) . Tenakh (2) : (1) Gn 5,12 . (2) Gn 11,26 .

Gn 11,27 - Gn 11,27 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
27autai de ai geneseis thara thara egennèsen ton abram kai ton nachôr kai ton arran kai arran egennèsen ton lô)  27 hae sunt autem generationes Thare Thare genuit Abram et Nahor et Aran porro Aran genuit Loth     27 En deze zijn de geboorten van Terah: Terah gewon Abram, Nahor en Haran; en Haran gewon Lot.  [27] Dit* zijn de nakomelingen van Terach. Terach verwekte Abram, Nachor en Haran. Haran verwekte Lot.  [27] Dit is de geschiedenis van Terach en zijn nakomelingen. Terach verwekte Abram, Nachor en Haran. Haran verwekte Lot;   27 ¶ En dit zijn de geboorten uit Terach: Terach heeft Abram doen baren en Nachor en Haran; Haran heeft Lot doen baren.  27. Voici la descendance de Térah : Térah engendra Abram, Nahor et Harân. Harân engendra Lot.  

King James Bible . [27] Now these are the generations of Terah: Terah begat Abram, Nahor, and Haran; and Haran begat Lot.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 11,27 . Het vers Gn 11,27 telt

2. th-l-d-th (ontstaansgeschiedenissen) . Taalgebruik in Tenakh : thôlëdôth (ontstaansgeschiedenissen) . Getalwaarde van תוֹלְדוֹת = thôlëdôth : thaw = 22 of 400 ; waw = 6 ; lamed = 12 of 30 , daleth = 4 ; totaal : 72 (2³ X 3²) of 846 (2 X 3² X 47) . Structuur : 4 - 6 - 4 - 3 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Mooie circulaire opbouw van het woord . th-l-d-th (ontstaangeschiedenis, geslachten) komt in 13 verzen voor : Gn (11) . Nu (1) . Rt (1) . Dertien is de getalwaarde van אֶחָד = één . Het komt op vier verschillende wijzen voor :
(1) een waw zowel bij het begin als op het einde (תוֹלְדוֹת = thôlëdôth) . In twee verzen : (1) Gn 2,4 (hemel en aarde) . (2) Rt 4,18 . Gn 2,4 opent de reeks van twaalf th(ô)lëd(ô)th (ontstaangeschiedenis, geslachten) en Rt 4,18 besluit de reeks . Gn 2,4 geeft de voltooiïng van de schepping weer . Rt 4,18 geeft de tien geslachten van Peres tot David .
(2) een waw bij het begin van het woord (תוֹלְדֹת = thôlëdoth) . Getalwaarde : 72 - 6 = 66 . In zeven verzen : (1) zèh sephèr thôlëdoth (dit is het boek van ontstaansgeschiedenissen) : Gn 5,1 . (2) ´ellèh thôlëdoth : Gn 6,9 (Noach) . (3) ´ellèh thôlëdoth : Gn 10,1 (Noach) . (4) ´ellèh thôlëdoth : Gn 11,10 (Sjem) . (5) wë´ellèh thôlëdoth : Gn 11,27 (Terach) . (6) wë´ellèh thôlëdoth : Gn 25,19 (Isaak) . (7) Nu 3,1 (Aäron en Mozes) .
(3) een waw noch bij het begin noch bij het einde van het woord (תֹלְדֹת = tholëdoth) : Gn 25,12 . Getalwaarde : 72 - 12 = 60 . Ismaël, de zoon van Abram en Hagar , kreeg twaalf zonen , waaruit twaalf stammen voortsproten . Verder nageslacht wordt niet gegeven .
(4) een waw op het einde van het woord (תֹלְדוֹת = tholëdôth) , niet bij het begin . Getalwaarde van tholëdôth : thaw = 22 of 400 ; lamed = 12 of 30 , daleth = 4 , waw = 6 ; totaal : 66 (2 X 3 X 11) OF 840 (2³ X 3 X 5 X 7) . Structuur : 4 - 3 - 4 - 6 - 4 . In drie verzen : (1) wë´ellèh tholëdôth : Gn 36,1 (Esau = Edom) . (2) wë´ellèh tholëdôth : Gn 36,9 (Esau , de vader van Edom) . (3) ´ellèh tholëdôth : Gn 37,2 (Jakob) .

3. תָרַח / תָרַח = tèrach (Terach) . Taalgebruik in Tenakh : tèrach (Terach) . Getalwaarde : thaw = 22 of 400 , resj = 20 of 200 , chet = 8 ; totaal : 50 (2 X 5²) OF 608 (2² X 2³ X 19) . Structuur : 4 - 2 - 8 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (9) : (1) Gn 11,24 . (2) Gn 11,25 . (3) Gn 11,26 . (4) Gn 11,27 . (5) Gn 11,28 . (6) Gn 11,31 . (7) Gn 11,32 . (8) Joz 24,2 . (9) Kr 1,26 .
- Grieks . θαρα = thara (Terach) . Bijbel (10) : zie hoger + Lc 3,34 .

4. תָרַח / תָרַח = tèrach (Terach) . Taalgebruik in Tenakh : tèrach (Terach) . Getalwaarde : thaw = 22 of 400 , resj = 20 of 200 , chet = 8 ; totaal : 50 (2 X 5²) OF 608 (2² X 2³ X 19) . Structuur : 4 - 2 - 8 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (9) : (1) Gn 11,24 . (2) Gn 11,25 . (3) Gn 11,26 . (4) Gn 11,27 . (5) Gn 11,28 . (6) Gn 11,31 . (7) Gn 11,32 . (8) Joz 24,2 . (9) Kr 1,26 .
- Grieks . θαρα = thara (Terach) . Bijbel (10) : zie hoger + Lc 3,34 .

7. אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , mem = 13 of 40 ; totaal : 36 (2² X 3²) of 243 (3² X 3³) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 (3 X 29) OF 753 (3 X 251) . Abram (36 of 243) + Hagar (28 of 208) = 64 (2³ X 2³) OF 451 (11 X 41) . 451 is de getalwaarde van jisjëmâ`e´l (Ismaël) . Taalgebruik in Tenakh : jisjëmâ`e´l (Ismaël) . De getalwaarde van jishërâ´el (Israël) is 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Taalgebruik in Tenakh : jishërâ´el (Israël) . Tenakh (44) . Gn (43) + 1 Kr 1,27 . Gn 11 (4) : (1) Gn 11,26 (afstammelingen van Terach) . (2) Gn 11,27 (afstammelingen van Terach) . (3) Gn 11,29 (de vrouw van Abram) . (4) Gn 11,31 (Terach en familie van Ur naar Kanaän) .
- Arabisch : ابرَاهِيم = ´ibrâhîm (Ibrâhîm) . Taalgebruik in de Qoran : ibrâhîm (Ibrâhîm) . Qoran (75) .
- In vier verzen in Gn 11 : (1) Gn 11,26 (afstammelingen van Terach) . (2) Gn 11,27 (afstammelingen van Terach) . (3) Gn 11,29 (de vrouw van Abram) . (4) Gn 11,31 (Terach en familie van Ur naar Kanaän) .

Gn 11,28 - Gn 11,28 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
28kai apethanen arran enôpion thara tou patros autou en tè gè è egenèthè en tè chôra tôn chaldaiôn  28 mortuusque est Aran ante Thare patrem suum in terra nativitatis suae in Ur Chaldeorum     28 En Haran stierf voor het aangezicht zijns vaders Terah, in het land zijner geboorte, in Ur der Chaldeeën.   [28] Haran stierf nog bij het leven van zijn vader Terach in zijn geboorteland, Ur in Kasdim.  [28] hij stierf nog tijdens het leven van zijn vader Terach, in Ur, een stad van de Chaldeeën, in zijn geboorteland.   28 Haran sterft voor het aanschijn van zijn vader Terach,– in het land van zijn geboortetent, in het Oer Kasdiem.  28. Harân mourut en présence de son père Térah dans son pays natal, Ur des Chaldéens. 

King James Bible . [28] And Haran died before his father Terah in the land of his nativity, in Ur of the Chaldees.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 11,28 .

1. וַיָּמֹת / וַיָּמָת = wajjâmoth / wajjâmâth (en hij stierf) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. מות = mwth (sterven, ondergaan) . Taalgebruik in Tenakh : mwth (sterven, ondergaan) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , waw = 6 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 41 OF 446 (2 X 223) . Structuur : 4 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (132) . Pentateuch (41) . Eerdere Profeten (58) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (29) . Gn (24) . Ex (3) . Lv (0) . Nu (13) . Dt (1) . Joz (1) . Re (14) . 1 S (7) . 2 S (13) . 1 K (12) . 2 K (11) . Gn (24) : (1) Gn 5,5 . (2) Gn 5,8 . (3) Gn 5,11 . (4) Gn 5,14 . (5) Gn 5,17 . (6) Gn 5,20 . (7) Gn 5,27 . (8) Gn 5,31 . (9) Gn 9,29 . (10) Gn 11,28 . (11) Gn 11,32 . (12) Gn 25,8 . (13) Gn 25,17 . (14) Gn 35,29 . (15) Gn 36,33 . (16) Gn 36,34 . (17) Gn 36,35 . (18) Gn 36,36 . (19) Gn 36,37 . (20) Gn 36,38 . (21) Gn 36,39 . (22) Gn 38,10 . (23) Gn 46,12 . (24) Gn 50,26 .
- Grieks . act. aor. 3de pers. enk. απεθανεν = apethanen (hij stierf) van het werkw. αποθνῃσκω = apothnè(i)skô (sterven) . Taalgebruik in de Bijbel : apothnè(i)skô (sterven) . Bijbel (200) . OT (269) . NT (31) . Een vorm van αποθνῃσκω = apothnè(i)skô (sterven) in de LXX (600) , in het NT (113) .
- Latijn . mori (sterven) . Fr. mourir (sterven) . E. die . D. sterben . Aramees : מִית = mîth (sterven) . Arabisch : مَاتَ = mâta (sterven) . Taalgebruik in de Qoran : mâta (sterven

2. De vader van Abram heet Terach . Zijn broers heten Nachor en Haran (Gn 11,26) . Hij trouwt met Sarai . Zijn broer Haran trouwt en krijgt een zoon : Lot , en twee dochters : Milka en Jiska . Haran sterft nog in Ur . Zijn broer Nachor trouwt met Milka , de oudste dochter van Haran . Zijn vader Terach trekt uit Ur weg , gaat op weg naar Kanaän , maar blijft in Haran . Volgens Gn 11,31 worden slechts vier personen genoemd , wanneer zijn vader Terach uit Ur naar Kanaän vertrekt : zijn vader - Terach - , hij zelf (Abram) , zijn vrouw Sarai en zijn neef - de zoon van zijn broer Haran - Lot .

5. תָרַח / תָרַח = tèrach (Terach) . Taalgebruik in Tenakh : tèrach (Terach) . Getalwaarde : thaw = 22 of 400 , resj = 20 of 200 , chet = 8 ; totaal : 50 (2 X 5²) OF 608 (2² X 2³ X 19) . Structuur : 4 - 2 - 8 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (9) : (1) Gn 11,24 . (2) Gn 11,25 . (3) Gn 11,26 . (4) Gn 11,27 . (5) Gn 11,28 . (6) Gn 11,31 . (7) Gn 11,32 . (8) Joz 24,2 . (9) Kr 1,26 .
- Grieks . θαρα = thara (Terach) . Bijbel (10) : zie hoger + Lc 3,34 .

Gn 11,29 - Gn 11,29 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
29kai elabon abram kai nachôr eautois gunaikas onoma tè gunaiki abram sara kai onoma tè gunaiki nachôr melcha thugatèr arran patèr melcha kai patèr iescha  29 duxerunt autem Abram et Nahor uxores nomen autem uxoris Abram Sarai et nomen uxoris Nahor Melcha filia Aran patris Melchae et patris Ieschae     29 En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams huisvrouw was Sarai, en de naam van Nahors huisvrouw was Milka, een dochter van Haran, vader van Milka, en vader van Jiska.  [29] Abram en Nachor huwden beiden een vrouw. De vrouw van Abram heette Sarai, en de vrouw van Nachor heette Milka; zij was de dochter van Haran, de vader van Milka en Jiska.  [29] Abram en Nachor trouwden allebei. Abrams vrouw heette Sarai, Nachors vrouw heette Milka; zij was een dochter van Haran, die naast Milka nog een dochter had, Jiska.   29 Abram en Nachor nemen zich vrouwen; de naam van Abrams vrouw is Sarai en de naam van Nachors vrouw is Milka, een dochter van Haran, die vader van Milka en vader van Jiska is geweest.  29. Abram et Nahor se marièrent : la femme d'Abram s'appelait Saraï; la femme de Nahor s'appelait Milka, fille de Harân, qui était le père de Milka et de Yiska.  

King James Bible . [29] And Abram and Nahor took them wives: the name of Abram's wife was Sarai; and the name of Nahor's wife, Milcah, the daughter of Haran, the father of Milcah, and the father of Iscah. [30] But Sarai was barren; she had no child.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 11,29 .

Gn 11,29.1. וַיּקַּח = wajjiqqach (en hij nam) < prefix nevensch. voegwoord waw + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. לָקַח = lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . Taalgebruik in Tenakh : lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . getalswaarde : lamed = 12 of 30 , qoph = 19 of 100 , chet = 8 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 138 (2 X 3 X 23) . Structuur : 3 - 1 - 8 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (199) . Pentateuch (86) . Eerdere Profeten (80) . Latere Profeten (17) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (15) . Gn (46) .

Gn 11,29.2. אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . getalswaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , mem = 13 of 40 ; totaal : 36 (2² X 3²) of 243 (3² X 3³) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 (3 X 29) OF 753 (3 X 251) . Abram (36 of 243) + Hagar (28 of 208) = 64 (2³ X 2³) OF 451 (11 X 41) . 451 is de getalswaarde van jisjëmâ`e´l (Ismaël) . Taalgebruik in Tenakh : jisjëmâ`e´l (Ismaël) . De getalswaarde van jishërâ´el (Israël) is 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Taalgebruik in Tenakh : jishërâ´el (Israël) . Tenakh (44) . Gn (43) + 1 Kr 1,27 . Gn 11 (4) : (1) Gn 11,26 (afstammelingen van Terach) . (2) Gn 11,27 (afstammelingen van Terach) . (3) Gn 11,29 (tweemaal , o.a. de vrouw van Abram) . (4) Gn 11,31 Terach en familie van Ur naar Kanaän) . Gn 12 (9) : (1) Gn 12,1 . (2) Gn 12,4 . (3) Gn 12,5 . (4) Gn 12,6 . (5) Gn 12,7 . (6) Gn 12,9 . (7) Gn 12,10 . (8) Gn 12,14 . (9) Gn 12,17 .
- Ned. : Abram / Abraham . Arabisch : ابرَاهِيم = ´ibrâhîm (Ibrâhîm) . Taalgebruik in de Qoran : ibrâhîm (Ibrâhîm) . Qoran (75) . Grieks : αβρααμ = abraam (Abraham) . Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) . Hebreeuws : אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) .

Gn 11,29.1. - 2. וַיּקַּח אַבְרָם = wajjiqqach Abram (en Abram nam) . Tenakh (2) : (1) Gn 11,29 . (2) Gn 12,5 .

Gn 11,29.3. נָחוֹר = nâchôr (Nachor) . Taalgebruik in Tenakh : nâchôr (Nachor) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , chet = 8 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 48 (2² X 2² X 3) OF 264 (2³ X 3 X 11) . Structuur : 5 - 8 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (14) : (1) Gn 11,22 . (2) Gn 11,23 . (3) Gn 11,24 . (4) Gn 11,25 . (5) Gn 11,26 . (6) Gn 11,27 . (7) Gn 11,29 . (8) Gn 24,10 . (9) Gn 24,15 . (10) Gn 24,47 . (11) Gn 29,5 . (12) Gn 31,53 . (13) Joz 24,2 . (14) 1 Kr 1,26 .
- Vooreerst is Nachor de zoon van Serug . Vervolgens had Nachor een kleinzoon die ook Nachor heette . Er is ook een stad die Nachor heet .
- וְנָחוֹר = wŰnâchôr (en Nachor) . Tenakh (1) : Gn 11,29 .

Gn 11,29.4. לָהֶם = lâhèm (aan hen) < prefix voorzetsel lë + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv. . Tenakh (580) . Pentateuch (151) . Eerdere Profeten (133) . Latere Profeten (126) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (141) . Gn (35) .

Gn 11,29.5. mann. mv. נָשִׁים = nâsjîm (vrouwen) bij het zelfst. naamw. אִשָּׁה = ´isjsjâh (vrouw) . Taalgebruik in Tenakh : ´isjsjâh (vrouw) . Getalwaarde : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , he = 5 ; totaal : 27 (3³) OF 306 (2 X 3² X 17) . Structuur : 1 - 3 - 5 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (55) . Pentateuch (8) . Gn (5) : (1) Gn 4,19 . (2) Gn 6,2 . (3) Gn 11,29 . (4) Gn 31,35 . (5) Gn 31,50 .

Gn 11,29.7. vr. enk. stat. construct אֵשֶׁת = 'esjèth (de vrouw van) van het zelfst. naamw. אִשָּׁה = ´isjsjâh (vrouw) . Taalgebruik in Tenakh : ´isjsjâh (vrouw) . Getalwaarde : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , he = 5 ; totaal : 27 (3³) OF 306 (2 X 3² X 17) . Structuur : 1 - 3 - 5 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (93) . Pentateuch (40) . Eerdere Profeten (29) . Latere Profeten (8) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (14) .

Gn 11,29.8. אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . getalswaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , mem = 13 of 40 ; totaal : 36 (2² X 3²) of 243 (3² X 3³) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 (3 X 29) OF 753 (3 X 251) . Abram (36 of 243) + Hagar (28 of 208) = 64 (2³ X 2³) OF 451 (11 X 41) . 451 is de getalswaarde van jisjëmâ`e´l (Ismaël) . Taalgebruik in Tenakh : jisjëmâ`e´l (Ismaël) . De getalswaarde van jishërâ´el (Israël) is 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Taalgebruik in Tenakh : jishërâ´el (Israël) . Tenakh (44) . Gn (43) + 1 Kr 1,27 . Gn 11 (4) : (1) Gn 11,26 (afstammelingen van Terach) . (2) Gn 11,27 (afstammelingen van Terach) . (3) Gn 11,29 (tweemaal , o.a. de vrouw van Abram) . (4) Gn 11,31 Terach en familie van Ur naar Kanaän) . Gn 12 (9) : (1) Gn 12,1 . (2) Gn 12,4 . (3) Gn 12,5 . (4) Gn 12,6 . (5) Gn 12,7 . (6) Gn 12,9 . (7) Gn 12,10 . (8) Gn 12,14 . (9) Gn 12,17 .
- Ned. : Abram / Abraham . Arabisch : ابرَاهِيم = ´ibrâhîm (Ibrâhîm) . Taalgebruik in de Qoran : ibrâhîm (Ibrâhîm) . Qoran (75) . Grieks : αβρααμ = abraam (Abraham) . Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) . Hebreeuws : אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) .

Gn 11,29.7. - 8. אֵשֶׁת אַבְרָם = ´esjèth ´abhërâm (de vrouw van Abram) . Tenakh (5) : (1) Gn 11,29 . (2) Gn 11,31 . (3) Gn 12,17 . (4) Gn 16,1 . (5) Gn 16,3 .

Gn 11,29.9. שָׂרַי = Shâraj (Sarai) . Zie : שָׂרָה = shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 51 (3 X 17) of 510 (2 X 3 X 5 X 17) . Structuur : 3 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (12) : (1) Gn 11,29 . (2) Gn 11,30 . (3) Gn 11,31 . (4) Gn 12,5 . (5) Gn 12,11 . (6) Gn 12,17 . (7) Gn 16,2 . (8) Gn 16,3 . (9) Gn 16,5 . (10) Gn 16,6 . (11) Gn 16,8 . (12) Gn 17,15 (in dit vers heeft de naamsverandering van Sarai naar Sarah plaats) . Theoretisch gezien zou Sarai in 7 hoofdstukken van Gn kunnen voorkomen , in feite zijn het er slechts 4 . In totaal komt Sarai 12X voor . De getalswaarde is 51 of 510 ; 51 = 3 X 17 . De getalswaarde van JHWH met jod als 1 is 17.
- Zie ook : שָׂרַי = shâraj (mijn vorsten) < stat. construct. mann. mv. + suffix bezittel. voornaamw. 1ste pers. enk. van het zelfst. naamw. שַׂר = shar (vorst, prins) . Taalgebruik in Tenakh : shar (vorst) . sh-r-j : Tenakh (134) . Pentateuch (29) . Eerdere Profeten (35) . Latere Profeten (23) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (46) . Tenakh o.a. Js 10,8 .
- וְשָׂרַי = wëshâraj (en Sarai) : Gn 16,1 .
- LXX . σαρα = Sara . Bijbel (12) : (1) Gn 11,29 . (2) Gn 11,30 . (3) Gn 12,11 . (4) Gn 16,1 . (5) Gn 16,2 . (6) Gn 16,3 . (7) Gn 16,5 . (8) Gn 16,6 . (9) Gn 17,15 . (10) Gn 47,17 . (11) Nu 26,30 . (12) Joz 18,22 .
-- gen. vr. enk. σαρας = Saras (van Sara) . Dezelfde lezing van rechts naar links of van links naar rechts . Bijbel : (1) Gn 12,17 . (2) Gn 16,2 . (3) Gn 16,8 .
-- acc. vr. enk. σαραν = Saran (Sara) . Bijbel (3) : (1) Gn 11,31 . (2) Gn 12,5 . (3) Gn 16,6 .
- Arabisch : سارة = sârah (Sara) . Taalgebruik in de Qoran : sârah (Sara) .

Gn 11,29.12. נָחוֹר = nâchôr (Nachor) . Taalgebruik in Tenakh : nâchôr (Nachor) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , chet = 8 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 48 (2² X 2² X 3) OF 264 (2³ X 3 X 11) . Structuur : 5 - 8 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (14) : (1) Gn 11,22 . (2) Gn 11,23 . (3) Gn 11,24 . (4) Gn 11,25 . (5) Gn 11,26 . (6) Gn 11,27 . (7) Gn 11,29 . (8) Gn 24,10 . (9) Gn 24,15 . (10) Gn 24,47 . (11) Gn 29,5 . (12) Gn 31,53 . (13) Joz 24,2 . (14) 1 Kr 1,26
- Vooreerst is Nachor de zoon van Serug . Vervolgens had Nachor een kleinzoon die ook Nachor heette . Er is ook een stad die Nachor heet .
- וְנָחוֹר = wënâchôr (en Nachor) . Tenakh (1) : Gn 11,29 .


Gn 11,30 - Gn 11,30 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
30kai èn sara steira kai ouk eteknopoiei  30 erat autem Sarai sterilis nec habebat liberos  waththëhî Sârâj `äqârâh ´e(j)n lâh wâlâd   30 En Sarai was onvruchtbaar; zij had geen kind.   [30] Sarai was onvruchtbaar en had geen kinderen.  [30] Sarai was onvruchtbaar, zij kreeg geen kinderen.  30 Maar Sarai blijkt onvruchtbaar: uit haar geen geboorte.  30. Or Saraï était stérile : elle n'avait pas d'enfant.  

King James Bible : But Sarai was barren; she had no child.
Luther-Bibel (1984) . Aber Sarai war unfruchtbar und hatte kein Kind.

Tekstuitleg van Gn 11,30 . Dit vers Gn 11,30 telt 6 (2 X 3) woorden en 19 letters . De getalwaarde van Gn 11,30 is 1442 (2 X 7 X 103) . Het vers Gn 11,30 bestaat uit twee zinnen . De eerste zin is een zin consecutivum (ingeleid door wa = en) . Volgorde van de zinsdelen : werkwoord , onderwerp , naamwoordelijk gezegde .
- In Gn 11,30 wordt Saraj voorgesteld vanuit het standpunt van het nageslacht . De vraag naar nageslacht werpt Abram aan JHWH op in Gn 15,2 .
Lc 1,7ab leunt het sterkst aan bij Gn 11,30 , maar de zinnen staan er evenwel in omgekeerde volgorde . In Lc 1,7 is de onvruchtbaarheid de reden van de kinderloosheid . In Gn 11,30 is de kinderloosheid het gevolg van de onvruchtbaarheid . Die volgorde van Lc is begrijpelijk . In Lc 1,5-7 worden de personen Zacharia en Elisabeth voorgesteld . In Lc 1,7 gaat het over het ontbreken van een nageslacht . De reden ervan wordt gegeven na de vermelding dat zij geen nageslacht hebben .

Gn 11,30.1. וַתְּהִי = waththëhî (en zij was) < waw consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Genesis : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (99) . Pentateuch (18) . Eerdere Profeten (43) . Latere Profeten (19) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (19) . Gn (8) : (1) Gn 10,10 . (2) Gn 11,3 . (3) Gn 11,30 . (4) Gn 19,26 . (5) Gn 20,12 . (6) Gn 24,51 . (7) Gn 24,67 . (8) Gn 47,20 .
- LXX . act. ind. imperf. 3de pers. enk. ην = èn (hij / zij was) van het werkw. ειμι = eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in de LXX : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Lc (79) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,22 . (5) Lc 1,66 . (6) Lc 1,80 . Een vorm van ειμι = eimi (zijn) in het NT (2450) , in de LXX (6947) .

eimi (zijn) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn   1506  1120  386  24  38  79  92  63  71  19  141  233     

- Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . D. sein .

Gn 11,30.2. שָׂרַי = Shâraj (Sarai) . Zie : שָׂרָה = shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 51 (3 X 17) of 510 (2 X 3 X 5 X 17) . Structuur : 3 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (12) : (1) Gn 11,29 . (2) Gn 11,30 . (3) Gn 11,31 . (4) Gn 12,5 . (5) Gn 12,11 . (6) Gn 12,17 . (7) Gn 16,2 . (8) Gn 16,3 . (9) Gn 16,5 . (10) Gn 16,6 . (11) Gn 16,8 . (12) Gn 17,15 (in dit vers heeft de naamsverandering van Sarai naar Sarah plaats) . Theoretisch gezien zou Sarai in 7 hoofdstukken van Gn kunnen voorkomen , in feite zijn het er slechts 4 . In totaal komt Sarai 12X voor . De getalswaarde is 51 of 510 ; 51 = 3 X 17 . De getalswaarde van JHWH met jod als 1 is 17.
- Zie ook : שָׂרַי = shâraj (mijn vorsten) < stat. construct. mann. mv. + suffix bezittel. voornaamw. 1ste pers. enk. van het zelfst. naamw. שַׂר = shar (vorst, prins) . Taalgebruik in Tenakh : shar (vorst) . sh-r-j : Tenakh (134) . Pentateuch (29) . Eerdere Profeten (35) . Latere Profeten (23) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (46) . Tenakh o.a. Js 10,8 .
- וְשָׂרַי = wëshâraj (en Sarai) : Gn 16,1 .
- LXX . σαρα = Sara . Bijbel (12) : (1) Gn 11,29 . (2) Gn 11,30 . (3) Gn 12,11 . (4) Gn 16,1 . (5) Gn 16,2 . (6) Gn 16,3 . (7) Gn 16,5 . (8) Gn 16,6 . (9) Gn 17,15 . (10) Gn 47,17 . (11) Nu 26,30 . (12) Joz 18,22 .
-- gen. vr. enk. σαρας = Saras (van Sara) . Dezelfde lezing van rechts naar links of van links naar rechts . Bijbel : (1) Gn 12,17 . (2) Gn 16,2 . (3) Gn 16,8 .
-- acc. vr. enk. σαραν = Saran (Sara) . Bijbel (3) : (1) Gn 11,31 . (2) Gn 12,5 . (3) Gn 16,6 .
- Arabisch : سارة = sârah (Sara) . Taalgebruik in de Qoran : sârah (Sara) .

Gn 11,30.3. vr. enk. עֲקָרָה = `äqârâh (onvruchtbaar) . Taalgebruik in Tenakh : `äqârâh (onvruchtbaar) . Getalswaarde : ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 60 (2² X 3 X 5) OF 375 (3 X 5³) . Structuur : 7 - 1 - 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (8) : (1) Gn 11,30 (Sara) . (2) Gn 25,21 (Rebekka) . (3) Gn 29,31 (Rachel) . (4) Re 13,2 (de moeder van Simson) . (5) Re 13,3 . (6) 1 S 2,5 (Hanna , de moeder van Samuël) . (7) Js 54,1 . (8) Job 24,21 . - mann. enk. עָקָר = `âqâr (onvruchtbaar) . Modern Hebreeuws : עָקָר = `âqâr (onvruchtbaar) .
-- וְעֲקָרָה = wë`äqârâh (en onvruchtbaar) . Tenakh (2) : (1) Ex 23,26 . (2) Dt 7,14 .
-- In deze 10 verzen heeft de LXX στειρα = steira als vertaling .
- LXX . nom. vr. enk. στειρα = steira van het bijvoegl. naamw. στειρος = steiros (onvruchtbaar) . Taalgebruik in het NT : steiros (onvruchtbaar) . Taalgebruik in de LXX : steiros (onvruchtbaar) . Een vorm van στειρος = steiros in de LXX (17) , in het NT (4) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,36 . (3) Lc 23,29 . (4) Gal 4,27 .
- Ned. : onvruchtbaar . Arabisch : عَقَارِىّ = `aqârii (onvruchtbaar) . Taalgebruik in de Qoran : `aqârii (onvruchtbaar) . Qoran : soera 3,40 . Aramees : עֲקַר = `äqar (onvruchtbaar) . D. : unfruchtbar . E. : barren . Fr. : stérile . Grieks : στειρος = steiros (onvruchtbaar) . Taalgebruik in het NT : steiros (onvruchtbaar) . Hebreeuws : עֲקָרָה = `äqârâh (onvruchtbaar) . Taalgebruik in Tenakh : `äqârâh (onvruchtbaar) . Modern Hebreeuws : עָקָר = `âqâr (onvruchtbaar) . Lat. : sterilis .

Gn 11,30 vermeldt dat Sara onvruchtbaar is en geen kind heeft . Pas in Gn 21,2 - Gn 21,3 wordt Sara zwanger en baart ze een zoon , Isaak . In Gn 16,1 wordt nog eens teruggegrepen naar Gn 11,30 : Sarai had geen kinderen . In Gn 17 - Gn 18 wordt aan Saraj de belofte gedaan dat uit haar een zoon zal geboren worden . Het loopt bijna mis wanneer Abraham zegt dat zijn vrouw Sara zijn zuster is (Gn 20,1) en zij geschaakt wordt door Abimelek .
- Verwant is het werkw. עָקַר = `âqar (ontwortelen, uitrukken, uitroeien) . Taalgebruik in Tenakh : `âqar (ontwortelen, uitrukken, uitroeien) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 ; totaal : 55 (5 X 11) OF 370 (2 X 5 X 37) . Structuur : 7 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 1 . Eveneens verwant is het zelfst. naamw. עֵקֶר = `eqèr (ontwortelde, emigrant, vreemdeling) . Buber vertaalt עֲקָרָה = `äqârâh als "wurzelverstockt" . "On peut lire aussi que Saraë est "déracinée", qu'elle est "arrachée" à l'essentiel d'elle-même." (Annick de Souzenelle , Le Féminin de l'Être (1997, p.76) .

Gn 11,30.1. - 3. Gn 11,30 : עֲקָרָה שָׂרַי וַתְּהִי = waththëhî Shâraj `äqârâh (en Sarai was onvruchtbaar) .
- LXX : και ην σαρα στειρα = kai èn sara steira (en Sara was onvruchtbaar) . De woordvolgorde in de LXX is die van de Tenach .
- Lc 1,7 : ην ἡ ελισαβεθ στειρα = èn hè elisabet steira (Elisabeth was onvruchtbaar) .
- Door de naam Elisabet in Lc 1,7 is een link gelegd met Elisabet , de vrouw van Aäron (Ex 6,23) , en de inhoud en de zinsconstructie van Lc 1,7 legt een link met Saraj , de vrouw van Abram (Gn 11,30) .

Gn 11,30.4. עַיִן = ´ajin (er is niet) . Stat. constr. עיֵן = ´e(j)n . Taalgebruik in Tenakh : ´ajin (er is niet) . Getalwaarde : aleph = 1 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 25 (5²) OF 61 (priemgetal) . Structuur : 1 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 7 . De getalwaarde van de letter ajin is 16 of 70 . Tenakh (338) . Gn () . (1) Gn 11,30 . (2) Gn 19,31 . (3) Gn 20,11 . (4) Gn 28,17 . (5) Gn 31,50 . (6) Gn 37,24 . (7) Gn 37,29 . (8) Gn 39,23 . (9) Gn 40,8 . (10) Gn 41,15 . (11) Gn 41,39 . (12) Gn 41,49 . (13) Gn 44,31 . (14) Gn 45,6 . (15) Gn 47,4 . (16) Gn 47,13 .

4. - 6. Lc 1,7 : ουκ ην αυτοις τεκνον = ouk èn autois teknon (er was niet aan hen een kind = zij hadden geen kind) .
- Hebreeuws .וָלָד לָהֶם אֵין = ´e(j)n lahèm wâlâd . Hieraan beantwoordt Gn 11,30 : וָלָד לָהּ אֵין = ´e(j)n lâh wâlâd (er was geen kind aan haar = zij had geen kind) . LXX vertaalt : και = kai (MT heeft geen verbindingsartikel wa = en) ουκ = ouk (ontkenning in het Hebreeuws אֵין = ´en (er is niet) ετεκνοποιει = eteknopoiei (zij maakte een kind - τεκνοποιεω = teknopoieô) ; zij maakte geen kind .
- Gelijkaardig : 1 S 1,2 : wajëhî liphëninnâh jëlâdîm ûlëchannâh ´e(j)n jëlâdîm (en Pennana had kinderen maar Hannah had geen kinderen) ; LXX : kai èn tèi Pennana paidia kai tèi Anna ouk èn paidion (en Penanna had kinderen maar Hanna had geen kind) .

 

´e(j)n lâh wâlâd (er was geen kind aan haar = zij had geen kind) . LXX vertaalt : kai (MT heeft geen verbindingsartikel wa = en) ouk (ontkenning in het Hebreeuwe ´en = er is niet) eteknopoiei (zij maakte een kind - teknopoieô) ; zij maakte geen kind . Gelijkaardig : 1 S 1,2 : wajëhî liphëninnâh jëlâdîm ûlëchannâh ´e(j)n jëlâdîm (en Pennana had kinderen maar Hannah had geen kinderen) ; LXX : kai èn tèi Pennana paidia kai tèi Anna ouk èn paidion (en Penanna had kinderen maar Hanna had geen kind) .
In Gn 16,1 is er sprake dat Sarai niet baarde voor hem . Tussen Gn 11,30 en Gn 16,1 ontstaat een link over de kinderloosheid van Sarai , maar ook van Abram . Want Sarai is de vrouw van Abram en zij baarde niet voor hem . Abram bleef dus kinderloos en wel door haar . De zinnen van Gn 11,30 en Gn 16,1 lijken sterk op elkaar , maar verschillen ook ; telkens drie woorden ; Gn 11,30 : ´ên lâh wâlâd (er was geen kind aan haar = zij had geen kind) . Gn 16,1 : (lo´ jâlëdâh lô - Saraj - baarde niet voor hem) . In Gn 11,30 is er sprake over de kinderloosheid van Sarai , in Gn 16,1 over de kinderloosheid van Abram en Sarai .

6. wâlâd (kind) is een hapax . Zie verwijzing : thôlëdoth (ontstaansgeschiedenissen) , zie Gn 2,4 . Stam : wld . LXX : eteknopoiei (zij maakte een kind) is een hapax . Een vorm van het werkw. τεκνοποιεω = teknopoieô (een kind maken) in de LXX (7) , in het NT (0) .

Gn 11,31 - Gn 11,31 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
31kai elaben thara ton abram uion autou kai ton lôt uion arran uion tou uiou autou kai tèn saran tèn numfèn autou gunaika abram tou uiou autou kai exègagen autous ek tès chôras tôn chaldaiôn poreuthènai eis tèn gèn chanaan kai èlthen eôs charran kai katôkèsen ekei  31 tulit itaque Thare Abram filium suum et Loth filium Aran filium filii sui et Sarai nurum suam uxorem Abram filii sui et eduxit eos de Ur Chaldeorum ut irent in terram Chanaan veneruntque usque Haran et habitaverunt ibi    31 En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijns zoons zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur der Chaldeeën, om te gaan naar het land Kanaän; en zij kwamen tot Haran, en woonden aldaar.   [31] Terach nam zijn zoon Abram en zijn kleinzoon Lot, de zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, de vrouw van zijn zoon Abram, met zich mee, weg uit Ur* in Kasdim, en ging op weg naar Kanaän. Toen zij echter in Haran* aangekomen waren, bleven zij daar. 
[31] Terach verliet Ur, de stad van de Chaldeeën, en nam zijn zoon Abram met zich mee, evenals zijn kleinzoon Lot, de zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, Abrams vrouw. Samen gingen ze op weg naar Kanaän. Maar toen ze in Charan waren aangekomen, bleven ze daar wonen. 
31 Terach neemt Abram, zijn zoon, mee met Lot, de zoon van Haran, dus een kleinzoon van hem, en Sarai, zijn schoondochter, de vrouw van zijn zoon Abram; en zij trekken met elkaar weg uit het Oer Kasdiem om te gaan naar het land van Kanaän; ze komen tot Charan en blijven daar.   31. Térah prit son fils Abram, son petit-fils Lot, fils de Harân, et sa bru Saraï, femme d'Abram. Il les fit sortir d'Ur des Chaldéens pour aller au pays de Canaan, mais, arrivés à Harân, ils s'y établirent. 

King James Bible . [31] And Terah took Abram his son, and Lot the son of Haran his son's son, and Sarai his daughter in law, his son Abram's wife; and they went forth with them from Ur of the Chaldees, to go into the land of Canaan; and they came unto Haran, and dwelt there.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 11,31 .

Gn 11,31.1. וַיּקַּח = wajjiqqach (en hij nam) < prefix nevensch. voegwoord waw + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. לָקַח = lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . Taalgebruik in Tenakh : lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . getalswaarde : lamed = 12 of 30 , qoph = 19 of 100 , chet = 8 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 138 (2 X 3 X 23) . Structuur : 3 - 1 - 8 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (199) . Pentateuch (86) . Eerdere Profeten (80) . Latere Profeten (17) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (15) . Gn (46) .

Gn 11,31.2. תָרַח / תָרַח = tèrach (Terach) . Taalgebruik in Tenakh : tèrach (Terach) . Getalwaarde : thaw = 22 of 400 , resj = 20 of 200 , chet = 8 ; totaal : 50 (2 X 5²) OF 608 (2² X 2³ X 19) . Structuur : 4 - 2 - 8 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (9) : (1) Gn 11,24 . (2) Gn 11,25 . (3) Gn 11,26 . (4) Gn 11,27 . (5) Gn 11,28 . (6) Gn 11,31 . (7) Gn 11,32 . (8) Joz 24,2 . (9) 1 Kr 1,26 .
- θαρα = thara (Terach) . Bijbel (10) : zie hoger + Lc 3,34 . .

Gn 11,31.4. אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . getalswaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , mem = 13 of 40 ; totaal : 36 (2² X 3²) of 243 (3² X 3³) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 (3 X 29) OF 753 (3 X 251) . Abram (36 of 243) + Hagar (28 of 208) = 64 (2³ X 2³) OF 451 (11 X 41) . 451 is de getalswaarde van jisjëmâ`e´l (Ismaël) . Taalgebruik in Tenakh : jisjëmâ`e´l (Ismaël) . De getalswaarde van jishërâ´el (Israël) is 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Taalgebruik in Tenakh : jishërâ´el (Israël) . Tenakh (44) . Gn (43) + 1 Kr 1,27 . Gn 11 (4) : (1) Gn 11,26 (afstammelingen van Terach) . (2) Gn 11,27 (afstammelingen van Terach) . (3) Gn 11,29 (tweemaal , o.a. de vrouw van Abram) . (4) Gn 11,31 Terach en familie van Ur naar Kanaän) . Gn 12 (9) : (1) Gn 12,1 . (2) Gn 12,4 . (3) Gn 12,5 . (4) Gn 12,6 . (5) Gn 12,7 . (6) Gn 12,9 . (7) Gn 12,10 . (8) Gn 12,14 . (9) Gn 12,17 .
- Ned. : Abram / Abraham . Arabisch : ابرَاهِيم = ´ibrâhîm (Ibrâhîm) . Taalgebruik in de Qoran : ibrâhîm (Ibrâhîm) . Qoran (75) . Grieks : αβρααμ = abraam (Abraham) . Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) . Hebreeuws : אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) .
De vader van Abram heet Terach . Zijn broers heten Nachor en Haran (Gn 11,26) . Hij trouwt met Sarai . Zijn broer Haran trouwt en krijgt een zoon : Lot , en twee dochters : Milka en Jiska . Haran sterft nog in Ur . Zijn broer Nachor trouwt met Milka , de oudste dochter van Haran . Zijn vader Terach trekt uit Ur weg , gaat op weg naar Kanaän , maar blijft in Haran . Volgens Gn 11,31 worden slechts vier personen genoemd , wanneer zijn vader Terach uit Ur naar Kanaän vertrekt : zijn vader - Terach - , hij zelf (Abram) , zijn vrouw Sarai en zijn neef - de zoon van zijn broer Haran - Lot .

Gn 11,31.13. שָׂרַי = Shâraj (Sarai) . Zie : שָׂרָה = shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 51 (3 X 17) of 510 (2 X 3 X 5 X 17) . Structuur : 3 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (12) : (1) Gn 11,29 . (2) Gn 11,30 . (3) Gn 11,31 . (4) Gn 12,5 . (5) Gn 12,11 . (6) Gn 12,17 . (7) Gn 16,2 . (8) Gn 16,3 . (9) Gn 16,5 . (10) Gn 16,6 . (11) Gn 16,8 . (12) Gn 17,15 (in dit vers heeft de naamsverandering van Sarai naar Sarah plaats) . Theoretisch gezien zou Sarai in 7 hoofdstukken van Gn kunnen voorkomen , in feite zijn het er slechts 4 . In totaal komt Sarai 12X voor . De getalswaarde is 51 of 510 ; 51 = 3 X 17 . De getalswaarde van JHWH met jod als 1 is 17.
- Zie ook : שָׂרַי = shâraj (mijn vorsten) < stat. construct. mann. mv. + suffix bezittel. voornaamw. 1ste pers. enk. van het zelfst. naamw. שַׂר = shar (vorst, prins) . Taalgebruik in Tenakh : shar (vorst) . sh-r-j : Tenakh (134) . Pentateuch (29) . Eerdere Profeten (35) . Latere Profeten (23) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (46) . Tenakh o.a. Js 10,8 .
- וְשָׂרַי = wëshâraj (en Sarai) : Gn 16,1 .
- LXX . σαρα = Sara . Bijbel (12) : (1) Gn 11,29 . (2) Gn 11,30 . (3) Gn 12,11 . (4) Gn 16,1 . (5) Gn 16,2 . (6) Gn 16,3 . (7) Gn 16,5 . (8) Gn 16,6 . (9) Gn 17,15 . (10) Gn 47,17 . (11) Nu 26,30 . (12) Joz 18,22 .
-- gen. vr. enk. σαρας = Saras (van Sara) . Dezelfde lezing van rechts naar links of van links naar rechts . Bijbel : (1) Gn 12,17 . (2) Gn 16,2 . (3) Gn 16,8 .
-- acc. vr. enk. σαραν = Saran (Sara) . Bijbel (3) : (1) Gn 11,31 . (2) Gn 12,5 . (3) Gn 16,6 .
- Arabisch : سارة = sârah (Sara) . Taalgebruik in de Qoran : sârah (Sara) .

15. vr. enk. stat. construct אֵשֶׁת = 'esjèth (de vrouw van) van het zelfst. naamw. אִשָּׁה = ´isjsjâh (vrouw) . Taalgebruik in Tenakh : ´isjsjâh (vrouw) . Getalwaarde : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , he = 5 ; totaal : 27 (3³) OF 306 (2 X 3² X 17) . Structuur : 1 - 3 - 5 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (93) . Pentateuch (40) . Eerdere Profeten (29) . Latere Profeten (8) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (14) .

Gn 11,31.16. אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . getalswaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , mem = 13 of 40 ; totaal : 36 (2² X 3²) of 243 (3² X 3³) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 (3 X 29) OF 753 (3 X 251) . Abram (36 of 243) + Hagar (28 of 208) = 64 (2³ X 2³) OF 451 (11 X 41) . 451 is de getalswaarde van jisjëmâ`e´l (Ismaël) . Taalgebruik in Tenakh : jisjëmâ`e´l (Ismaël) . De getalswaarde van jishërâ´el (Israël) is 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Taalgebruik in Tenakh : jishërâ´el (Israël) . Tenakh (44) . Gn (43) + 1 Kr 1,27 . Gn 11 (4) : (1) Gn 11,26 (afstammelingen van Terach) . (2) Gn 11,27 (afstammelingen van Terach) . (3) Gn 11,29 (tweemaal , o.a. de vrouw van Abram) . (4) Gn 11,31 Terach en familie van Ur naar Kanaän) . Gn 12 (9) : (1) Gn 12,1 . (2) Gn 12,4 . (3) Gn 12,5 . (4) Gn 12,6 . (5) Gn 12,7 . (6) Gn 12,9 . (7) Gn 12,10 . (8) Gn 12,14 . (9) Gn 12,17 .
- Ned. : Abram / Abraham . Arabisch : ابرَاهِيم = ´ibrâhîm (Ibrâhîm) . Taalgebruik in de Qoran : ibrâhîm (Ibrâhîm) . Qoran (75) . Grieks : αβρααμ = abraam (Abraham) . Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) . Hebreeuws : אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) .

Gn 11,31.15. -16. אֵשֶׁת אַבְרָם = ´esjèth ´abhërâm (de vrouw van Abram) . Tenakh (5) : (1) Gn 11,29 . (2) Gn 11,31 . (3) Gn 12,17 . (4) Gn 16,1 . (5) Gn 16,3 .

Gn 11,31.18. וַיֵּצְאוּ = wajjetsë´û (en zij gingen uit) : waw consecutivum en qal actief imperfectum derde persoon mannelijk meervoud van het werkw. יָצָא = jâtsa´ (uitgaan, uittrekken) . Taalgebruik in Tenakh : jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken . Getalswaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 90 , aleph = 1 ; totaal : 29 (priemgetal) OF 101 priemgetal . Structuur : 1 - 9 - 1 . De som van de elementen is telkens 2 . j-ts-´ : Tenakh (141) . Pentateuch (42) . Gn (3) : (1) Gn 11,31 . (2) Gn 12,5 . (3) Gn 34,26 . äsjèr hôts´ethîkhâ (die deed uitgaan) van Gn 15,7 verwijst naar Gn 11,31 en Gn 12,5 . Het wegtrekken van Terach uit Ur van de Chaldeeën (Gn 11,31) en van Abram uit Haran (Gn 12,5) ligt in het verlengde van het verspreiding van de verschillende volkeren over de aarde naar het verhaal van Gn 11,8 .
- act. ind. aor. 3de pers. enk. εξηγαγεν = exègagen (hij leidde uit) van het werkw. εξαγω = exagô (uitleiden, naar buiten leiden) < ex (uit) + agô (leiden, voeren) . Taalgebruik in het NT : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in Lc : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in Hnd : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in de LXX : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Bijbel (67) . OT (62) . Pentateuch (30) . Gn (6) : (1) Gn 1,21 . (2) Gn 11,31 . (3) Gn 15,5 . (4) Gn 20,13 . (5) Gn 43,23 . (6) Gn 49,12 . Ex (12) : (1) Ex 12,51 . (2) Ex 13,3 . (3) Ex 13,9 . (4) Ex 13,14 . (5) Ex 13,16 . (6) Ex 16,6 . (7) Ex 16,32 . (8) Ex 18,1 . (9) Ex 19,17 . (10) Ex 32,1 . (11) Ex 32,12 . (12) Ex 32,23 . Nu (1) : Nu 20,16 . Dt (11) : (1) Dt 1,27 . (2) Dt 4,20 . (3) Dt 4,37 . (4) Dt 5,15 . (5) Dt 6,21 . (6) Dt 6,23 . (7) Dt 7,8 . (8) Dt 7,19 . (9) Dt 9,28 . (10) Dt 26,8 . (11) Dt 29,24 . NT (5) : (1) Lc 24,50 . (2) Hnd 7,36 . (3) Hnd 7,40 . (4) Hnd 12,17 . (5) Hnd 13,17 . Een vorm van exagô (uitleiden, naar buiten leiden) in de LXX (221) , in het NT (12) . Syn. (2) . Ev. (3) . Lc (1) Lc 24,50 . Dit is de enigste vorm in Lc .
- Latijn . eduxitque < werkwoordvorm act. ind. perf. 3de pers. enk. eduxit (hij leidde uit) + suffix -que (en hij leidde uit) van educere (uitleiden) . Bijbel (4) : (1) Gn 15,5 . (2) Gn 43,23 . (3) Dt 4,37 . (4) Dt 7,8 . eduxit (hij leidde uit) . Bijbel (81) . OT (73) . Pentateuch (26) . Gn (2) : (1) Gn 11,31 . (2) Gn 20,13 . Ex (8) : (1) Ex 12,42 . (2) Ex 12,51 . (3) Ex 13,3 . (4) Ex 13,9 . (5) Ex 13,14 . (6) Ex 32,1 . (7) Ex 32,12 . (8) Ex 32,23 . Nu (2) : (1) Nu 23,22 . (2) Nu 24,8 . Dt (14) : (1) Dt 1,27 . (2) Dt 4,20 . (3) Dt 6,13 . (4) Dt 6,21 . (5) Dt 6,23 . (6) Dt 8,14 . (7) Dt 8,15 . (8) Dt 9,28 . (9) Dt 13,6 . (10) Dt 13,11 . (11) Dt 16,1 . (12) Dt 20,1 . (13) Dt 26,8 . (14) Dt 29,24 . NT (8) : (1) Mc 8,23 . (2) Lc 24,50 . (3) Joh 18,10 . (4) Hnd 7,36 . (5) Hnd 7,40 . (6) Hnd 13,17 . (7) Hnd 13,23 . (8) Heb 13,20 . act. part. aor. nom. mann. enk. egressus (uitgeschreden) van het werkw. egredi (uitschrijden) . Bijbel (181) . Mc (6) .

Gn 11,31.22. lâlèkhèth (om te gaan) . Prefix voorzetsel l- en qal infinitief constructus . Tenakh (82) . Gn (4) : (1) Gn 11,31 . (2) Gn 12,5 .

Gn 11,31.23. אַרְצָה = ´arëtsâh (naar het land) . Tenakh (94) . Gn (22) : (1) Gn 11,31 . (2) Gn 12,5 . (3) Gn 18,2 . (4) Gn 19,1 . (5) Gn 20,1 . (6) Gn 24,53 .

Gn 11,31.23. וַיָּבּאוּ אַרְצָה = wajjâbo´û ´arëtsâh (en zij gingen naar het land) . Tenakh (2) : (1) Gn 12,5 . (2) Gn 46,28 .

Gn 11,31.25. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. m:v. וַיָּבּאוּ = wajjâbo´û (en zij gingen) OF wë + act. hifil imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבִאוּ = wajjâbhi´û (en zij lieten komen, zij brachten) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalwaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) . Tenakh (195) . Pentateuch (47) . Eerdere Profeten (99) Latere Profeten (14) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (33) . Gn (18) : (1) Gn 7,15 . (2) Gn 11,31 . (3) Gn 12,5 . (4) Gn 14,7 . (5) Gn 19,1 . (6) Gn 19,3 . (7) Gn 22,9 . (8) Gn 26,32 . (9) Gn 34,25 . (10) Gn 42,5 . (11) Gn 42,6 . (12) Gn 42,29 . (13) Gn 45,25 . (14) Gn 46,6 . (15) Gn 46,28 . (16) Gn 47,15 . (17) Gn 47,18 . (18) Gn 50,10 .

Gn 11,32 - Gn 11,32 : De voorvaderen van Abram -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- taalgebruik -- Gn 11 -- Gn 11,1-9 -- Gn 11,10-32 -- Gn 11,10 - Gn 11,11 - Gn 11,12 - Gn 11,13 - Gn 11,14 - Gn 11,15 - Gn 11,16 - Gn 11,17 - Gn 11,18 - Gn 11,19 - Gn 11,20 - Gn 11,21 - Gn 11,22 - Gn 11,23 - Gn 11,24 - Gn 11,25 - Gn 11,26 - Gn 11,27 - Gn 11,28 - Gn 11,29 - Gn 11,30 - Gn 11,31 - Gn 11,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
32kai egenonto ai èmerai thara en charran diakosia pente etè kai apethanen thara en charran 32 et facti sunt dies Thare ducentorum quinque annorum et mortuus est in Haran     32 En de dagen van Terah waren tweehonderd en vijf jaren, en Terah stierf te Haran.  [32] Heel de levensduur van Terach bedroeg tweehonderdvijf* jaar. Toen stierf Terach in Haran.  [32] Terach leefde tweehonderdvijf jaar. Hij stierf in Charan.  32 De dagen van Terach worden vijf jaren en een dubbelhonderd jaar; dan sterft Terach, in Charan. ••   32. La durée de la vie de Térah fut de deux cent cinq ans, puis il mourut à Harân.  

King James Bible . [32] And the days of Terah were two hundred and five years: and Terah died in Haran.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 11,32 .


1kai èn pasa è gè cheilos en kai fônè mia pasin2kai egeneto en tô kinèsai autous apo anatolôn euron pedion en gè sennaar kai katôkèsan ekei3kai eipen anthrôpos tô plèsion deute plintheusômen plinthous kai optèsômen autas puri kai egeneto autois è plinthos eis lithon kai asfaltos èn autois o pèlos4kai eipan deute oikodomèsômen eautois polin kai purgon ou è kefalè estai eôs tou ouranou kai poièsômen eautois onoma pro tou diasparènai epi prosôpou pasès tès gès5kai katebè kurios idein tèn polin kai ton purgon on ôkodomèsan oi uioi tôn anthrôpôn6kai eipen kurios idou genos en kai cheilos en pantôn kai touto èrxanto poièsai kai nun ouk ekleipsei ex autôn panta osa an epithôntai poiein7deute kai katabantes sugcheômen ekei autôn tèn glôssan ina mè akousôsin ekastos tèn fônèn tou plèsion8kai diespeiren autous kurios ekeithen epi prosôpon pasès tès gès kai epausanto oikodomountes tèn polin kai ton purgon9dia touto eklèthè to onoma autès sugchusis oti ekei sunecheen kurios ta cheilè pasès tès gès kai ekeithen diespeiren autous kurios o theos epi prosôpon pasès tès gès10kai autai ai geneseis sèm sèm uios ekaton etôn ote egennèsen ton arfaxad deuterou etous meta ton kataklusmon11kai ezèsen sèm meta to gennèsai auton ton arfaxad pentakosia etè kai egennèsen uious kai thugateras kai apethanen12kai ezèsen arfaxad ekaton triakonta pente etè kai egennèsen ton kainan13kai ezèsen arfaxad meta to gennèsai auton ton kainan etè tetrakosia triakonta kai egennèsen uious kai thugateras kai apethanen kai ezèsen kainan ekaton triakonta etè kai egennèsen ton sala kai ezèsen kainan meta to gennèsai auton ton sala etè triakosia triakonta kai egennèsen uious kai thugateras kai apethanen14kai ezèsen sala ekaton triakonta etè kai egennèsen ton eber15kai ezèsen sala meta to gennèsai auton ton eber triakosia triakonta etè kai egennèsen uious kai thugateras kai apethanen16kai ezèsen eber ekaton triakonta tessara etè kai egennèsen ton falek17kai ezèsen eber meta to gennèsai auton ton falek etè triakosia ebdomèkonta kai egennèsen uious kai thugateras kai apethanen18kai ezèsen falek ekaton triakonta etè kai egennèsen ton ragau19kai ezèsen falek meta to gennèsai auton ton ragau diakosia ennea etè kai egennèsen uious kai thugateras kai apethanen20kai ezèsen ragau ekaton triakonta duo etè kai egennèsen ton serouch21kai ezèsen ragau meta to gennèsai auton ton serouch diakosia epta etè kai egennèsen uious kai thugateras kai apethanen22kai ezèsen serouch ekaton triakonta etè kai egennèsen ton nachôr23kai ezèsen serouch meta to gennèsai auton ton nachôr etè diakosia kai egennèsen uious kai thugateras kai apethanen24kai ezèsen nachôr etè ebdomèkonta ennea kai egennèsen ton thara25kai ezèsen nachôr meta to gennèsai auton ton thara etè ekaton eikosi ennea kai egennèsen uious kai thugateras kai apethanen26kai ezèsen thara ebdomèkonta etè kai egennèsen ton abram kai ton nachôr kai ton arran27autai de ai geneseis thara thara egennèsen ton abram kai ton nachôr kai ton arran kai arran egennèsen ton lô)28kai apethanen arran enôpion thara tou patros autou en tè gè è egenèthè en tè chôra tôn chaldaiôn29kai elabon abram kai nachôr eautois gunaikas onoma tè gunaiki abram sara kai onoma tè gunaiki nachôr melcha thugatèr arran patèr melcha kai patèr iescha30kai èn sara steira kai ouk eteknopoiei31kai elaben thara ton abram uion autou kai ton lôt uion arran uion tou uiou autou kai tèn saran tèn numfèn autou gunaika abram tou uiou autou kai exègagen autous ek tès chôras tôn chaldaiôn poreuthènai eis tèn gèn chanaan kai èlthen eôs charran kai katôkèsen ekei32kai egenonto ai èmerai thara en charran diakosia pente etè kai apethanen thara en charran


1 erat autem terra labii unius et sermonum eorundem 2 cumque proficiscerentur de oriente invenerunt campum in terra Sennaar et habitaverunt in eo 3 dixitque alter ad proximum suum venite faciamus lateres et coquamus eos igni habueruntque lateres pro saxis et bitumen pro cemento 4 et dixerunt venite faciamus nobis civitatem et turrem cuius culmen pertingat ad caelum et celebremus nomen nostrum antequam dividamur in universas terras 5 descendit autem Dominus ut videret civitatem et turrem quam aedificabant filii Adam 6 et dixit ecce unus est populus et unum labium omnibus coeperuntque hoc facere nec desistent a cogitationibus suis donec eas opere conpleant 7 venite igitur descendamus et confundamus ibi linguam eorum ut non audiat unusquisque vocem proximi sui 8 atque ita divisit eos Dominus ex illo loco in universas terras et cessaverunt aedificare civitatem 9 et idcirco vocatum est nomen eius Babel quia ibi confusum est labium universae terrae et inde dispersit eos Dominus super faciem cunctarum regionum 10 hae generationes Sem Sem centum erat annorum quando genuit Arfaxad biennio post diluvium 11 vixitque Sem postquam genuit Arfaxad quingentos annos et genuit filios et filias 12 porro Arfaxad vixit triginta quinque annos et genuit Sale 13 vixitque Arfaxad postquam genuit Sale trecentis tribus annis et genuit filios et filias 14 Sale quoque vixit triginta annis et genuit Eber 15 vixitque Sale postquam genuit Eber quadringentis tribus annis et genuit filios et filias 16 vixit autem Eber triginta quattuor annis et genuit Faleg 17 et vixit Eber postquam genuit Faleg quadringentis triginta annis et genuit filios et filias 18 vixit quoque Faleg triginta annis et genuit Reu 19 vixitque Faleg postquam genuit Reu ducentis novem annis et genuit filios et filias 20 vixit autem Reu triginta duobus annis et genuit Sarug 21 vixitque Reu postquam genuit Sarug ducentis septem annis et genuit filios et filias 22 vixit vero Sarug triginta annis et genuit Nahor 23 vixitque Sarug postquam genuit Nahor ducentos annos et genuit filios et filias 24 vixit autem Nahor viginti novem annis et genuit Thare 25 vixitque Nahor postquam genuit Thare centum decem et novem annos et genuit filios et filias 26 vixitque Thare septuaginta annis et genuit Abram et Nahor et Aran 27 hae sunt autem generationes Thare Thare genuit Abram et Nahor et Aran porro Aran genuit Loth 28 mortuusque est Aran ante Thare patrem suum in terra nativitatis suae in Ur Chaldeorum 29 duxerunt autem Abram et Nahor uxores nomen autem uxoris Abram Sarai et nomen uxoris Nahor Melcha filia Aran patris Melchae et patris Ieschae 30 erat autem Sarai sterilis nec habebat liberos 31 tulit itaque Thare Abram filium suum et Loth filium Aran filium filii sui et Sarai nurum suam uxorem Abram filii sui et eduxit eos de Ur Chaldeorum ut irent in terram Chanaan veneruntque usque Haran et habitaverunt ibi 32 et facti sunt dies Thare ducentorum quinque annorum et mortuus est in Haran


De toren van Babel : Gn 11,1-9 - Gn 11,1-9 -

1.2. De structuur.
Concentrische syinmetrische structuur van het verhaal.
verzen 1—4: over de mensen.
verzen 3—9: over God.
A. de gehele aarde was nu één van taal.(v.1)
B. daar
C. tegen elkaar
D. welaan laat ons tichelstenen maken
E. laat ons bouwen (v.4a)
F. een stad met een toren (v4b)
X De Heer daalde af om te bekijken (v.5a)
F'.. de stad met de toren (v.5b)
E'. die de mensenkinderen bouwden (v.5c)
D'. welaan laat ons verwarren
C'. elkanders taal
B’. vandaar
A’. de taal van de ciehele aarde (heett verward) (v.9b)
Parallelle symmetrische structuur van het verhaal. verzen 1—4: over de mensen.
A. één taal en één van spraak (v.1)
B. welaan + aansporende wijs (2x) (v.2)
C. wij zullen bouwen (v.4)
D. wij zullen ons een naam maken(v.41)
E. opdat wij niet over cie gehele aarde verstrooid worden. (v.4)
verzen 5—9: over God.
A’. één volk en één taal (v.6)
B'. welaan + aansporende wijs (2x) (v.7)
C'. zij hielden op met bouwen (v8)
D’ . haar naam Babel (v. 9)
E’ Hij verstrooide hen over de gehele aarde (v.9)
1.3. Het woordgebruik.
a) de gehele aarde (5x): v.1 i.v.m. de eenheid van taal.
v 9 i.v.m. de taalverwarring.
v.4 i.v.m. de éénheid van plaats.
v.8 en v.9 i.v.m. de verstrooiing.
b) taal (5x): v.1 en v.6 i.v.m. de éénheid van taal.
v.7 (2x) en v.9 i.v,m. de taalverwarring.
c) één (5x): v. 1 en v. 6 i.v.m. de éénheid van taal.
v.1 i.v.m. de éénheid van spraak.
v.6 i.v.m. de éénheid van volk.
d) daar (4x): v.2 i.v.m. de vestiging.
v.7 en v.9 (van—daar) i.v.m. de taalverwarrinq.
e) welaan + aansporende wijs:
v.3 + 2x aansp.: i.v.m. de éénheid van plaats.
v.4 + aansp.: idem.
v.7 + 2x aansp.: i.v.m. de taalverwarring.
f) stad 3x): v.4 en v.5 i.v.m. de éénheid van plaats.
v.8 i.v.m. de verstrooiing.
g) JHWH (5x): v.5 i.v.m. de eenheid.
v.6 en v.9 i.v.m. de taalverwarring.
v.8 en v.9 i.v.m. de verstrooiing.
1.4. Betekenis
Dankbaar heb ik gebruik gemaakt van het artikel van Bernhard ANDERSON Het babel—verhaal: model van menselijke eenheid en verscheidenheid, in Concilium 13 (1977) nr.1; blz.67—73.
Vooreerst, Gods bedoeling met zijn scheppinq is eerder verscheidenheid dan gelijkvormigheid. Veelheid van volkeren moet worden toegejuicht als een zegen Gods, net zoals wij ons verheuqen in de rijke verscheidenheid van de niet—menselijke schepping: bomen, planten, vogels, vissen, dieren, hemellichamen. Maar dat alles moest nog wat meer benadrukt worden, en dat heeft de samensteller gedaan door zijn werk aan te vullen met het oude eposverhaal van de bouw van Babel. Menselijke wezens streven naar eenheid en zijn bang voor verscheidenheid. Zij wensen een veilige nederzetting en vrezen onveiligheid. Zij stellen zich wellicht niet in prometeïsch verzet op tegen God, althans niet bewust maar juist in hun wereldgezindheid worden zij, evenals de bouwers van Babel, gedreven door een scheppend verlangen naar stoftelijke eer en faam, maar ook door een daarmee samenhangende vrees rusteloze trekker te worden, die nergens wortel schieten.
Die scheppende vrijheid maakt zowel de grootheid als de ellende van de mens uit. Van cle ene kant stelt zij de mensen in staat boven de beperkingen van hun omgeving uit te stijgen en met gezamelijke inspanning en vindingrijkheid een stad te bouwen die eenheid en bescherming biedt. Van de andere kant zet hun “verlangen tot grote daden”, dat ook een uiting van angstiqe zorg is, hen ertoe aan een macht tot geldinq te brengen waarover God zijn oordeel zal vellen.
Menselijke wezens zijn inderdaad “ledematen van een verscheurd lichaam” — een gebroken, versplinterde maatschappij waarin Gods wil tot eenheid in verscheidenheid is omgevormd tot een verdeeldheid welke conflicten oproept tussen volkeren die verschillende talen spreken, in afgescheiden gebieden leven en to atzonderlijke vol kerengroepen of naties behoren.
Het verhaal van de “toren van babel” bestaat uit twee delen: v.1— 4 en v.5—9; in het eerste deel is de mens het hoofdpersonnaqe, in het tweede deel God. De mensen streven naar éénheid: zij zijn één volk, zij spreken één taal, zij willen op één plaats wonen. Maar de éénheid moet begrepen worden in de richting van eenvormigheid. ln hoevele groepen, volkeren. naties zien we niet het streven naar eenheid ontaarden in een streven naar eenvormigheid. In eenvormigneid wordt de eigenheid van ieder mens niet erkend, vervreemd de mens van zichzelf, begrijpt men zichzelf en de ander niet meer, ontstaat spraakverwarring. Het diepste in de mens, verwoord door het verschijnen van God, zegt dat het niet beantwoordt aan zijn diepste zelf dat de mensen eenvormig moeten zijn, integendeel, ieder mag en moet zijn eiqenheid erkennen. Maar waar geen begrip is, verschillencie talen spreekt, is verdeeldheid. De vraag rijst: hoe kunnen mensen verscheiden zijn en toch een bepaalde vorm van eenheid beleven?


- A - B - C - D - E - F - G - H

- wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalwaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Joz (59) . Re (47) . 1 S (58) . 2 S (43) . 1 K (78) . 2 K (54) . Gn 11 (2) : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,2 . Andere telling . Tenakh (47) . Gn (33) . Gn 11 (14) : (1) Gn 11,11 . (2) Gn 11,13 . (3) Gn 11,15 . (4) Gn 11,16 . (5) Gn 11,17 . (6) Gn 11,18 . (7) Gn 11,19 . (8) Gn 11,20 . (9) Gn 11,21 . (10) Gn 11,22 . (11) Gn 11,23 . (12) Gn 11,24 . (13) Gn 11,25 . (14) Gn 11,26 .
Gr. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . OT (678) . Pentateuch (156) . Eerdere Profeten (289) . Latere Profeten (126) . 12 Kleine Profeten (26) . Geschriften (131) . NT (195) . Gr. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij / zij was) . Bijbel (1506) . OT (1120) . Pentateuch (329) . Eerdere Profeten (219) . Latere Profeten (146) . 12 Kleine Profeten (32) . Geschriften (193) . NT (386) .
Door וַיְהִי = = wajëhî (en hij was / en het was) wordt het verhaal vervolgd . We zouden kunnen vertalen : vervolgens , en dan .

- I - J

- וַיִּוָּלֵד = wajjiwwâled (en er werd geboren) (*) . Passief nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . OF : וַיּוֹלֶד = wajjôlèd (en hij verwekte) . Actief hifil imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . Zie jèlèd = het voortgebrachte , kind . Taalgebruik in Tenakh : jèlèd = het voortgebrachte , kind . Getalwaarde : jod = 10 , lamed = 12 of 30 , daleth = 4 ; totaal : 26 OF 44 (4 X 11) . Structuur : 1 - 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (48) . Gn (39) . : (1) Gn 4,18 (*). (2) Gn 5,3 . (3) Gn 5,4 . (4) Gn 5,6 . (5) Gn 5,7 . (6) Gn 5,9 . (7) Gn 5,10 . (8) Gn 5,12 . (9) Gn 5,13 . (10) Gn 5,15 . (11) Gn 5,16 . (12) Gn 5,18 . (13) Gn 5,19 . (14) Gn 5,21 . (15) Gn 5,22 . (16) Gn 5,25 . (17) Gn 5,26 . (18) Gn 5,28 . (19) Gn 5,30 . (20) Gn 5,32 . (21) Gn 6,10 . (22) Gn 11,10 . (23) Gn 11,11 . (24) Gn 11,12 . (25) Gn 11,13 . (26) Gn 11,14 . (27) Gn 11,15 . (28) Gn 11,16 . (29) Gn 11,17 . (30) Gn 11,18 . (31) Gn 11,19 . (32) Gn 11,20 . (33) Gn 11,21 . (34) Gn 11,22 . (35) Gn 11,23 . (36) Gn 11,24 . (37) Gn 11,25 . (38) Gn 11,26 . (39) Gn 46,20 (*) . Nu 26,60 (*) .
- act. ind. aor. 3de pers. enk. εγεννησεν = egennèsen (en hij bracht voort) van het werkw. γενναω = gennaô (voortbrengen, baren) . Taalgebruik in het NT : gennaô (voortbrengen, baren) . Taalgebruik in de LXX : gennaô (voortbrengen, baren) . Taalgebruik in Lc : gennaô (voortbrengen, baren) . Gn (49) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. egennèsen   136  118  18  15          16  16     

- K - L - M - N

- nâchôr (Nachor) . Taalgebruik in Tenakh : nâchôr (Nachor) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , chet = 8 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 48 (2² X 2² X 3) OF 264 (2³ X 3 X 11) . Structuur : 5 - 8 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (14) : (1) Gn 11,22 . (2) Gn 11,23 . (3) Gn 11,24 . (4) Gn 11,25 . (5) Gn 11,26 . (6) Gn 11,27 . (7) Gn 11,29 . (8) Gn 24,10 . (9) Gn 24,15 . (10) Gn 24,47 . (11) Gn 29,5 . (12) Gn 31,53 . (13) Joz 24,2 . (14) 1 Kr 1,26 .
- Vooreerst is Nachor de zoon van Serug . Vervolgens had Nachor een kleinzoon die ook Nachor heette . Er is ook een stad die Nachor heet .

- O - P - Q - R - S

- שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . De getalwaarde van sjânâh (jaar) is : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (86) . Latere Profeten (33) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (51) . Gn (75) . Gn 11 (18) : (1) Gn 11,10 . (2) Gn 11,11 . (3) Gn 11,12 . (4) Gn 11,13 . (5) Gn 11,14 . (6) Gn 11,15 . (7) Gn 11,16 . (8) Gn 11,17 . (9) Gn 11,18 . (10) Gn 11,19 . (11) Gn 11,20 . (12) Gn 11,21 . (13) Gn 11,22 . (14) Gn 11,23 . (15) Gn 11,24 . (16) Gn 11,25 . (17) Gn 11,26 . (18) Gn 11,32 .
- Grieks . ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) .
- Latijn . annus (jaar) . Fr. an of année . Ned. jaar . E. year . D. Jahr . Aramees : שְׁנָה = sjënâh (jaar) . Arabisch : سَنَة = sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) .

- T

- תָרַח / תָרַח = tèrach (Terach) . Taalgebruik in Tenakh : tèrach (Terach) . Getalwaarde : thaw = 22 of 400 , resj = 20 of 200 , chet = 8 ; totaal : 50 (2 X 5²) OF 608 (2² X 2³ X 19) . Structuur : 4 - 2 - 8 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (9) : (1) Gn 11,24 . (2) Gn 11,25 . (3) Gn 11,26 . (4) Gn 11,27 . (5) Gn 11,28 . (6) Gn 11,31 . (7) Gn 11,32 . (8) Joz 24,2 . (9) Kr 1,26 .
- Grieks . θαρα = thara (Terach) . Bijbel (10) : zie hoger + Lc 3,34 .

- U - V - W - X -Y - Z -