GENESIS 13 - GN 13 -- Gn 13 -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

Overzicht van Genesis : - Gn 1 - Gn 2 - Gn 3 - Gn 4 - Gn 5 - Gn 6 - Gn 7 - Gn 8 - Gn 9 - Gn 10 - Gn 11 - Gn 12 - Gn 13 - Gn 14 - Gn 15 - Gn 16 - Gn 17 - Gn 18 - Gn 19 - Gn 20 - Gn 21 - Gn 22 - Gn 23 - Gn 24 - Gn 25 - Gn 26 - Gn 27 - Gn 28 - Gn 29 - Gn 30 - Gn 31 - Gn 32 - Gn 33 - Gn 34 - Gn 35 - Gn 36 - Gn 37 - Gn 38 - Gn 39 - Gn 40 - Gn 41 - Gn 42 - Gn 43 - Gn 44 - Gn 45 - Gn 46 - Gn 47 - Gn 48 - Gn 49 - Gn 50 -
Overzicht vers per vers : - Gn 13,1 - Gn 13,2 - Gn 13,3 - Gn 13,4 - Gn 13,5 - Gn 13,6 - Gn 13,7 - Gn 13,8 - Gn 13,9 - Gn 13,10 - Gn 13,11 - Gn 13,12 - Gn 13,13 - Gn 13,14 - Gn 13,15 - Gn 13,16 - Gn 13,17 - Gn 13,18 -

- Hebreeuwse tekst : http://www.mechon-mamre.org/p/pt/pt0113.htm . http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Hebreeuws OF modern Hebreeuws (NT) .
- Targum Onkelos : http://www.mechon-mamre.org/i/t/u/u0113.htm . Targum Onkelos . Vertaling : http://targum.info/onk/Gen10_13.htm . Vertaling Pseudo-Jonathan : http://targum.info/pj/pjex13-17.htm .
- Griekse tekst - Septuaginta : http://www.myriobiblos.gr/bible/ot/chapter.asp?book=1&page=13 . Griekse tekst - Septuaginta .
- Vulgata : http://www.intratext.com/IXT/LAT0001/_PD.HTM . Vulgata .
- Statenvertaling : http://www.statenvertaling.net/bijbel/gene/13.html . Statenvertaling .
- Willibrordvertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/index.php?p=page&i=323%2C340&wbv=on . Willibrordvertaling .
- De Nieuwe Vertaling : https://www.bijbelgenootschap.nl/nbv/genesis/13/ .
- De Naardense bijbel : http://naardensebijbel.nl/zoek.php . De Naardense bijbel .
- Bible de Jérusalem : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Bible de Jérusalem .
- King James Bible : http://quod.lib.umich.edu/cgi/k/kjv/kjv-idx?type=DIV1&byte=1477 . King James Bible .
- Luther Bibel : http://www.die-bibel.de/online-bibeln/luther-bibel-1984/bibeltext/bibelstelle/1%20Mose%2050/bibel/text/lesen/ch/a78931497b78834a7147056f4ced84e2/ . Luther Bibel .
- Arabisch : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Arabisch .


WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@telenet.be .
websitenaam : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm . BIJ DE HAND .
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
OF (met aanvullingen) : - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z

HOOFDTHEMA'S : Levensbeschouwingen : bahá'í , boeddhisme , christendom , hindoeïsme , islam , jodendom , sikhisme , vrijzinnigheid .
- bijbel , bijbel en koran , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , koran , liturgie : ABC-jaar .
- Maatschappij : armoede , vluchtelingen en asielzoekers ,
- Spiritualiteit :   bezinningsteksten , spiritualiteit ,
- Talen : Arabisch , Aramees , Duits , Frans , Grieks , Hebreeuws , Latijn , Nederlands ,
- Andere : getallen ,

HOOFDTHEMA'S : - Arabisch , allochtonen , Aramees , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , getallen , globalisering en antiglobalisering , Grieks , Hebreeuws , Hebreeuwse lessen ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , Latijn , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen .


- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 3 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken- bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

Overzicht van Tenakh : Tenakh : overzicht , Tenakh : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenakh : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,
Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,


1. Hebreeuwse bijbel   2. Targumim 3. LXX (1) , LXX (2) , Griekse tekst N.T.   4. Vulgata   
5. Statenvertaling   6. Willibrordvertaling   7. Nieuwe Vertaling   8. http://naardensebijbel.nl/zoek.php .
9. Bible de Jérusalem 10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   12. liturgische lezing   13. Arabisch : http://wjsn.home.xs4all.nl/arab.htm  


Gn 13,1 - Gn 13,1 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn 13 -- Gn 13,1 - Gn 13,2 - Gn 13,3 - Gn 13,4 - Gn 13,5 - Gn 13,6 - Gn 13,7 - Gn 13,8 - Gn 13,9 - Gn 13,10 - Gn 13,11 - Gn 13,12 - Gn 13,13 - Gn 13,14 - Gn 13,15 - Gn 13,16 - Gn 13,17 - Gn 13,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
ΑΝΕΒΗ δὲ ῞Αβραμ ἐξ Αἰγύπτου, αὐτὸς καὶ ἡ γυνὴ αὐτοῦ καὶ πάντα τὰ αὐτοῦ καὶ Λὼτ μετ᾿ αὐτοῦ, εἰς τὴν ἔρημον. 1 ascendit ergo Abram de Aegypto ipse et uxor eius et omnia quae habebat et Loth cum eo ad australem plagam wajja´al Abhëram mimmitszëraim hannègëbâh  1 Alzo toog Abram op uit Egypte naar het zuiden, hij en zijn huisvrouw, en al wat hij had, en Lot met hem. [1] Zo trok Abram met zijn vrouw en al zijn bezittingen uit Egypte weg, de Negeb in; Lot ging met hen mee.  [1] Vanuit Egypte trok Abram, met zijn vrouw en zijn bezittingen, weer naar de Negev. Lot ging met hem mee.  Dan klimt Abram óp uit Egypte, hijzelf, zijn vrouw en al het zijne, en Lot mét hem op de Negev aan. 1. D'Égypte, Abram avec sa femme et tout ce qu'il possédait, et Lot avec lui, remonta au Négeb.

- King James Bible . [1] And Abram went up out of Egypt, he, and his wife, and all that he had, and Lot with him, into the south.
- Luther Bibel : 1So zog Abram herauf aus ─gypten mit seiner Frau und mit allem, was er hatte, und Lot auch mit ihm ins SŘdland.

Tekstanalyse van Gn 13,1 . Het vers Gn 13,1 telt 11 woorden en 42 (2 X 3 X 7) letters . De getalswaarde van Gn 13,1 is 2329 (17 X 37) .

In Mc 1,10 vinden we de combinatie van het opstijgen (uit het water) en het gaan naar de woestijn .

Mc 1,10 Gn 13,1 Hnd 8,39
kai euthus (en onmiddellijk)   hote de (wanneer echter)
anabainôn (opklimmend) wajja´al Avram (En Abram klom op) anebè de Abram anebèsan (zij opstegen)
ek tou hudatos (uit het water) ...   ek tou hudatos (uit het water)
Mc 1,12 to pneuma auton ekballei (de geest werpt hem uit)   pneuma kuriou èrpasen ton Filippon (de geest van de Heer roofde Filippus)
Mc 1,12 eis tèn erèmon (naar de woestijn) hannègbah (naar de woestijn) eis tèn erèmon  
 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 // Mt 3,13-17 // Lc 3,21-22 - Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -  Gn 13,1-18 : Abram en Lot - Gn 13,1-18 -  Hnd 8,26-40 : Filippus en de Ethiopische eunuch - Hnd 8,26-40 -

1. -ויעל = wj`l : (1) verbindingsletter wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיַּעַל / וַיָּעַל = wajja`al / wajjâ`al (en hij klom op) . (2) verbindingsletter wë + act. qal jussief 3de pers. mann. enk. וְיַּעַל = wëja`al (en ga op) van het werkw. עָלָה = `âlâh (opgaan, opklimmen) . Taalgebruik in Tenakh : `âlâh (opgaan, opklimmen) . Tenakh (115) . Pentateuch (26) . Eerdere Profeten (63) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (18) . Gn (10) : (1) Gn 8,20 . (2) Gn 13,1 . (3) Gn 17,22 . (4) Gn 19,30 . (5) Gn 26,23 . (6) Gn 35,13 . (7) Gn 38,12 . (8) Gn 46,29 . (9) Gn 50,7 . (10) Gn 50,9 . Ex (11) : (1) Ex 10,12 . (2) Ex 10,14 . (3) Ex 19,18 . (4) Ex 19,20 . (5) Ex 24,9 . (6) Ex 24,13 . (7) Ex 24,15 . (8) Ex 24,18 . (9) Ex 34,4 . (10) Ex 40,25 . (11) Ex 40,29 . Dt (1) Dt 34,1 . Joz (7) : (1) Joz 6,20 . (2) Joz 8,10 . (3) Joz 10,7 . (4) Joz 10,36 . (5) Joz 15,15 . (6) Joz 18,11 . (7) Joz 19,10 . Re (10) : (1) Re 1,4 . (2) Re 2,1 . (3) Re 4,10 . (4) Re 8,8 . (5) Re 8,11 . (6) Re 9,48 . (7) Re 13,19 . (8) Re 13,20 . (9) Re 14,2 . (10) Re 14,19 . 1 S (9) : (1) 1 S 1,21 . (2) 1 S 2,6 . (3) 1 S 11,1 . (4) 1 S 13,9 . (5) 1 S 13,15 . (6) 1 S 14,13 . (7) 1 S 14,46 . (8) 1 S 24,1 . (9) 1 S 27,8 . 2 K (16) : (1) 2 K 1,9 . (2) 2 K 1,13 . (3) 2 K 2,11 . (4) 2 K 2,23 . (5) 2 K 4,34 . (6) 2 K 4,35 . (7) 2 K 6,24 . (8) 2 K 12,11 . (9) 2 K 12,19 . (10) 2 K 14,11 . (11) 2 K 15,14 . (12) 2 K 16,9 . (13) 2 K 16,12 . (14) 2 K 17,5 . (15) 2 K 19,14 . (16) 2 K 23,2 .
- Het verhaal van Abram en Sarai in Egypte wordt omsloten door de verzen Gn 12,10 en Gn 13,1 . Tegenover Gn 12,10 : wajjerèd ´abhërâm mitsërajëmâh (en Abram daalde af Egyptewaarts) staat Gn 13,1 : wajja´al Abhëram mimmitszëraim (en Abram klom op uit Egypte) .

2. אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalswaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , mem = 13 of 40 ; totaal : 36 (2² X 3²) of 243 (3² X 3³) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 (3 X 29) OF 753 (3 X 251) . Abram (36 of 243) + Hagar (28 of 208) = 64 (2³ X 2³) OF 451 (11 X 41) . 451 is de getalswaarde van jisjëmâ`e´l (Ismaël) . Taalgebruik in Tenakh : jisjëmâ`e´l (Ismaël) . De getalswaarde van jishërâ´el (Israël) is 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Taalgebruik in Tenakh : jishërâ´el (Israël) . Tenakh (44) . Gn (43) + 1 Kr 1,27 . Gn 13 (8) : (1) Gn 13,1 . (2) Gn 13,4 . (3) Gn 13,5 . (4) Gn 13,7 . (5) Gn 13,8 . (6) Gn 13,12 . (7) Gn 13,14 . (8) Gn 13,18 .
- וְאַבְרָם = wë´abërâm (en Abram) < prefix voegwoord wë + eigennaam אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Tenakh (3) : (1) Gn 12,4 . (2) Gn 13,2 . (3) Gn 16,16 .
- Ned. : Abram / Abraham . Arabisch : ابرَاهِيم = ´ibrâhîm (Ibrâhîm) . Taalgebruik in de Qoran : ibrâhîm (Ibrâhîm) . Qoran (75) . Grieks : αβρααμ = abraam (Abraham) . Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) . Hebreeuws : אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) .

Gn 13,2 - Gn 13,2 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn 13 -- Gn 13,1 - Gn 13,2 - Gn 13,3 - Gn 13,4 - Gn 13,5 - Gn 13,6 - Gn 13,7 - Gn 13,8 - Gn 13,9 - Gn 13,10 - Gn 13,11 - Gn 13,12 - Gn 13,13 - Gn 13,14 - Gn 13,15 - Gn 13,16 - Gn 13,17 - Gn 13,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
2 ῞Αβραμ δὲ ἦν πλούσιος σφόδρα κτήνεσι καὶ ἀργυρίῳ καὶ χρυσίῳ. 2 erat autem dives valde in possessione argenti et auri   2 En Abram was zeer rijk, in vee, in zilver, en in goud. [2] Abram was een rijk man die heel veel vee, zilver en goud bezat.  [2] Abram was bijzonder rijk: hij had veel vee, zilver en goud.   2 Abram is zeer zwaar beladen,- met levende have, met zilver en met goud. 2. Abram était très riche en troupeaux, en argent et en or.

King James Bible . [2] And Abram was very rich in cattle, in silver, and in gold.
Luther-Bibel . 2Abram aber war sehr reich an Vieh, Silber und Gold.

Tekstuitleg van Gn 13,2 .

1. אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalswaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , mem = 13 of 40 ; totaal : 36 (2² X 3²) of 243 (3² X 3³) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 (3 X 29) OF 753 (3 X 251) . Abram (36 of 243) + Hagar (28 of 208) = 64 (2³ X 2³) OF 451 (11 X 41) . 451 is de getalswaarde van jisjëmâ`e´l (Ismaël) . Taalgebruik in Tenakh : jisjëmâ`e´l (Ismaël) . De getalswaarde van jishërâ´el (Israël) is 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Taalgebruik in Tenakh : jishërâ´el (Israël) . Tenakh (44) . Gn (43) + 1 Kr 1,27 . Gn 13 (8) : (1) Gn 13,1 . (2) Gn 13,4 . (3) Gn 13,5 . (4) Gn 13,7 . (5) Gn 13,8 . (6) Gn 13,12 . (7) Gn 13,14 . (8) Gn 13,18 .
- וְאַבְרָם = wë´abërâm (en Abram) < prefix voegwoord wë + eigennaam אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Tenakh (3) : (1) Gn 12,4 . (2) Gn 13,2 . (3) Gn 16,16 .
- Ned. : Abram / Abraham . Arabisch : ابرَاهِيم = ´ibrâhîm (Ibrâhîm) . Taalgebruik in de Qoran : ibrâhîm (Ibrâhîm) . Qoran (75) . Grieks : αβρααμ = abraam (Abraham) . Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) . Hebreeuws : אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) .

4. קָנַה = qânah (verwerven, bezitten, kopen) . Taalgebruik in Tenakh : qânâh (verwerven, bezitten, kopen) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 155 (5 X 31) . Structuur : 1 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 .

Gn 13,3 - Gn 13,3 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
3 καὶ ἐπορεύθη ὅθεν ἦλθεν εἰς τὴν ἔρημον ἕως Βαιθήλ, ἕως τοῦ τόπου, οὗ ἦν ἡ σκηνὴ αὐτοῦ τὸ πρότερον, ἀνὰ μέσον Βαιθὴλ καὶ ἀνὰ μέσον ᾿Αγγαί, 3 reversusque est per iter quo venerat a meridie in Bethel usque ad locum ubi prius fixerat tabernaculum inter Bethel et Ai   3 En hij ging, volgens zijn reizen, van het zuiden tot Beth-el toe, tot aan de plaats, waar zijn tent in het begin geweest was, tussen Beth-el, en tussen Ai; [3] Van de Negeb trok hij verder naar Betel, naar de plek tussen Betel en Ai, waar zijn tent ook in het begin gestaan had,  [3] Vanuit de Negev trok hij geleidelijk verder, tot aan Betel, tot aan de plaats tussen Betel en Ai waar zijn tent vroeger al had gestaan   3 Hij gaat, telkens opbrekend, van de Negev tot aan Bet El,- huis van God , tot aan het oord waar in het begin zijn tent geweest is, tussen Bet El en het Ai; 3. Ses campements le conduisirent du Négeb jusqu'à Béthel, à l'endroit où sa tente s'était dressée d'abord entre Béthel et Aï,

King James Bible . [3] And he went on his journeys from the south even to Bethel, unto the place where his tent had been at the beginning, between Bethel and Hai;
Luther-Bibel . 3Und er zog immer weiter vom Südland bis nach Bethel, an die Stätte, wo zuerst sein Zelt war, zwischen Bethel und Ai,

Tekstuitleg van Gn 13,3 . - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn 13 -- Gn 13,1 - Gn 13,2 - Gn 13,3 - Gn 13,4 - Gn 13,5 - Gn 13,6 - Gn 13,7 - Gn 13,8 - Gn 13,9 - Gn 13,10 - Gn 13,11 - Gn 13,12 - Gn 13,13 - Gn 13,14 - Gn 13,15 - Gn 13,16 - Gn 13,17 - Gn 13,18 -

Gn 13,3.1. וַיֵּלֶך = wajjelèkh (en hij ging) < waw + act. qal imperf. 3de pers.mann. enk. van het werkw. הָלַך = hâlakh (gaan) . Taalgebruik in Tenakh : hâlakh (gaan) . getalswaarde : he = 5 , lamed = 12 of 30 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 28 (2 X 2 X 7) of 55 (5 X 11) . Structuur : 5 - 3 -2 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (216) . Pentateuch (39) . Eerdere Profeten (146) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (22) . Gn (23) : (1) Gn 12,4 . (2) Gn 13,3 . (3) Gn 18,33 . (4) Gn 22,3 . (5) Gn 22,13 . (6) Gn 24,10 . (7) Gn 24,61 . (8) Gn 25,34 .
- Volgens Lettinga (12, 2012) sluit het werkw. zich aan bij een aantal werkw. וי"פ die van een éénlettergrepige stam waren en zich hebben aangepast aan het systeem van drie stammedeklinkers (Lettinga , 12 , 2012, 55i) . Zo zou qal imperf. jajlik zijn . In de laatste lettergreep werd de i in de gesloten lettergreep met klemtoon e (Lettinga , 12 , 2012 , 14k) ; de e , ontstaan uit de i , wordt in een gesloten lettergreep zonder klemtoon è (Lettinga , 12, 2012, 14l) . In de eerste lettergreep is de ai klank in een gesloten lettergreep zonder klemtoon e geworden (Lettinga , 12, 2012 , 12l) .

Gn 13,3.2. נָסָע = nâsâ`(opbreken, reizen) . Taalgebruik in Tenakh : nâsâ` (opbreken, reizen) .

Gn 13,3.5. - 6. בֵּית אֵל = be(j)th ´el (huis van God = Betel) . Tenakh (39) . Gn (8) : (1) Gn 12,8 . (2) Gn 13,3 . (3) Gn 28,19 . (4) Gn 31,13 . (5) Gn 31,13 . (6) Gn 35,6 . (7) Gn 35,7 . (8) Gn 35,15 . Joz (6) . Re (4) . 1 S (3) . 1 K (2) . 2 K (6) : (1) 2 K 2,2 . (2) 2 K 2,3 . (3) 2 K 2,23 . (4) 2 K 10,29 . (5) 2 K 23,4 . (6) 2 K 23,17 . 1 Kr (2) . 12 Kleine Profeten (6) . Re (4) : (1) Re 1,22 . (2) Re 4,5 . (3) Re 9,46 . (4) Re 21,2 . Ook nog Tenakh (7) : (1) Gn 35,1 . (2) Re 20,18 . (3) Re 20,26 . (4) Re 20,31 . (5) Ezr 2,28. (6) Neh 7,32 . (7) Am 4,4 .

Gn 13,3.8. הַמַּקוֹם = hammâqôm (de plaats) < bepaald lidw. ha + מַקוֹם = maqôm (plaats, verblijfplaats) . Taalgebruik in Tenakh : maqôm (plaats, verblijfplaats) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , qoph = 19 of 100 , waw = 6 ; totaal : 51 (3 X 17) OF 186 (2 X 3 X 31) . Structuur : 4 - 1 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 6 .Tenakh (114) . Pentateuch (51) . Eerdere Profeten (26) . Latere Profeten (21) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (14) .Gn (22) : (1) Gn 13,3 . (2) Gn 13,14 . (3) Gn 18,26 . (4) Gn 19,12 . (5) Gn 19,13 . (6) Gn 19,14 . (7) Gn 19,27 . (8) Gn 20,13 . (9) Gn 22,3 . (10) Gn 22,4 . (11) Gn 22,9 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 26,7 . (14) Gn 28,11 . (15) Gn 28,17 . (16) Gn 28,19 . (17) Gn 29,22 . (18) Gn 32,3 . (19) Gn 32,31 . (20) Gn 33,17 . (21) Gn 35,15 . (22) Gn 38,22 .
- Gr. τοπος = topos (plaats) . Taalgebruik in het NT : topos (plaats) . Taalgebruik in de LXX : topos (plaats) . Een vorm van τοπος = topos in de LXX (613) , in het NT (95) .
- Ned. : plaats . D. : Stätte . E. : place . Fr. : place . Grieks : τοπος = topos (plaats) . Taalgebruik in het NT : topos (plaats) . Hebreeuws : מַקוֹם = maqôm (plaats, verblijfplaats) . Taalgebruik in Tenakh : maqôm (plaats, verblijfplaats) . Lat. : locus .

Gn 13,3.10. act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. הָיָה = hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Genesis : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (332) . Pentateuch (52) . Eerdere Profeten (111) . Latere Profeten (87) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (67) . Gn (28) : (1) Gn 3,1 . (2) Gn 3,22 . (3) Gn 4,2 . (4) Gn 4,20 . (5) Gn 4,21 . (6) Gn 6,9 . (7) Gn 7,6 . (8) Gn 10,9 . (9) Gn 11,3 . (10) Gn 13,3 . (11) Gn 13,5 . (12) Gn 13,6 . (13) Gn 15,1 . (14) Gn 15,17 . (15) Gn 26,1 . (16) Gn 26,28 . (17) Gn 30,29 . (18) Gn 30,30 . (19) Gn 31,5 . (20) Gn 31,42 . (21) Gn 36,7 . (22) Gn 37,2 . (23) Gn 39,22 . (24) Gn 41,13 . (25) Gn 41,53 . (26) Gn 41,54 . (27) Gn 41,56 . (28) Gn 42,5 .
- Grieks . eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Een vorm van eimi (zijn) , in de LXX (6947) , in het NT (2450) .
- Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .

Gn 13,3.10. - 11. èsan de ekei (er waren echter daar) . NT (2) : (1) Mt 27,55 . (2) Joh 2,6 . hâjâh sâm (er was daar) . Tenakh (3) : (1) Gn 13,3 . (2) Nu 33,14 . (3) 1 S 21,7 .

Gn 13,3.13. בַּתְּחִלָּה = baththëchillâh (in het begin) < prefix voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. תְּחִלָּה = thëchillâh (begin) . Taalgebruik in Tenakh : thëchillâh (begin) . Getalwaarde : thaw = 22 of 400 , chet = 8 , lamed = 12 of 30 , he = 5 ; totaal : 47 OF 443 (priemgetal) . Structuur : 4 - 8 - 3 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Afgeleid van de hifil van het werkw. חָלַל = châlal (beginnen) . Taalgebruik in Tenakh : châlal (beginnen) . Getalswaarde : chet = 8 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 32 (2² X 2³) OF 68 (2² X 17) . Structuur : 8 - 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 3 . Jouön , 88o . Tenakh (9) : (1) Gn 13,3 . (2) Gn 41,21 . (3) Gn 43,18 . (4) Gn 43,20 . (5) Re 1,1 . (6) Re 20,18 . (7) 2 S 17,9 . (8) Da 8,1 . (9) Da 9,21

Gn 13,3.14. בֵּין = be(j)n (tussen) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) . Getalswaarde : beth = 2 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (165) . Pentateuch (61) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (24) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (25) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,14 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 9,16 . (7) Gn 10,12 . (8) Gn 13,3 . (9) Gn 13,7 . (10) Gn 15,17 . (11) Gn 16,14 . (12) Gn 20,1 . (13) Gn 31,37 . (14) Gn 32,17 . (15) Gn 49,14 .
-- וּבֵּין = ûbhe(j)n (en tussen) < waw + Tenakh (108) . Pentateuch (46) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (12) . Gn (20) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 3,15 . (6) Gn 9,12 . (7) Gn 9,13 . (8) Gn 9,15 . (9) Gn 9,16 . (10) Gn 9,17 . (11) Gn 10,12 . (12) Gn 13,3. (13) Gn 13,7 . (14) Gn 13,8 . (15) Gn 16,14 . (16) Gn 17,7 . (17) Gn 17,10 . (18) Gn 20,1 . (19) Gn 30,36 . (20) Gn 32,17 .
- ανα μεσον = ana meson (in het midden van? tussen) . LXX (680) . NT (3) .

Gn 13,3.15. - 16. בַּתְּחִלָּה = baththëchillâh (in het begin) < prefix voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. תְּחִלָּה = thëchillâh (begin) . Taalgebruik in Tenakh : thëchillâh (begin) . Getalwaarde : thaw = 22 of 400 , chet = 8 , lamed = 12 of 30 , he = 5 ; totaal : 47 OF 443 (priemgetal) . Structuur : 4 - 8 - 3 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Afgeleid van de hifil van het werkw. חָלַל = châlal (beginnen) . Taalgebruik in Tenakh : châlal (beginnen) . Getalswaarde : chet = 8 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 32 (2² X 2³) OF 68 (2² X 17) . Structuur : 8 - 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 3 . Jouön , 88o . Tenakh (9) : (1) Gn 13,3 . (2) Gn 41,21 . (3) Gn 43,18 . (4) Gn 43,20 . (5) Re 1,1 . (6) Re 20,18 . (7) 2 S 17,9 . (8) Da 8,1 . (9) Da 9,21 .

Gn 13,3.17. בֵּין = be(j)n (tussen) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) . Getalswaarde : beth = 2 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (165) . Pentateuch (61) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (24) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (25) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,14 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 9,16 . (7) Gn 10,12 . (8) Gn 13,3 . (9) Gn 13,7 . (10) Gn 15,17 . (11) Gn 16,14 . (12) Gn 20,1 . (13) Gn 31,37 . (14) Gn 32,17 . (15) Gn 49,14 .
-- וּבֵּין = ûbhe(j)n (en tussen) < waw + Tenakh (108) . Pentateuch (46) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (12) . Gn (20) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 3,15 . (6) Gn 9,12 . (7) Gn 9,13 . (8) Gn 9,15 . (9) Gn 9,16 . (10) Gn 9,17 . (11) Gn 10,12 . (12) Gn 13,3. (13) Gn 13,7 . (14) Gn 13,8 . (15) Gn 16,14 . (16) Gn 17,7 . (17) Gn 17,10 . (18) Gn 20,1 . (19) Gn 30,36 . (20) Gn 32,17 .
- ανα μεσον = ana meson (in het midden van? tussen) . LXX (680) . NT (3) .


Gn 13,4 - Gn 13,4 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn 13 -- Gn 13,1 - Gn 13,2 - Gn 13,3 - Gn 13,4 - Gn 13,5 - Gn 13,6 - Gn 13,7 - Gn 13,8 - Gn 13,9 - Gn 13,10 - Gn 13,11 - Gn 13,12 - Gn 13,13 - Gn 13,14 - Gn 13,15 - Gn 13,16 - Gn 13,17 - Gn 13,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
4 εἰς τὸν τόπον τοῦ θυσιαστηρίου, οὗ ἐποίησεν ἐκεῖ τὴν ἀρχήν· καὶ ἐπεκαλέσατο ἐκεῖ ῞Αβραμ τὸ ὄνομα τοῦ Κυρίου. 4 in loco altaris quod fecerat prius et invocavit ibi nomen Domini   4 Tot de plaats des altaars, dat hij in het eerst daar gemaakt had; en Abram heeft aldaar den Naam des HEEREN aangeroepen. [4] naar de heilige plaats, waar hij vroeger een altaar had opgericht; daar riep* Abram de naam van de heer aan.   [4] en waar hij toen een altaar had gebouwd. Daar riep Abram de naam van de HEER aan.
 
4 naar het oord van het altaar dat híj daar in het eerst gemaakt heeft; dáár roept Abram de naam van de Ene aan. 4. à l'endroit de l'autel qu'il avait érigé précédemment, et là, Abram invoqua le nom de Yahvé.

King James Bible . [4] Unto the place of the altar, which he had made there at the first: and there Abram called on the name of the LORD.
Luther-Bibel . 4eben an den Ort, wo er früher den Altar errichtet hatte. Dort rief er den Namen des HERRN an.

Tekstuitleg van Gn 13,4 .

8. - 9. וַיִּקְרָא אֶת שֵׁם = wajjiqërâ´ (èth) sjem (en hij noemde de naam) . Tenakh (4) : (1) Gn 28,19 . (2) Nu 11,34 . (3) Re 1,17 . (4) 1 K 16,24 .
- וַיִּקְרָא שֵׁם = wajjiqërâ´ sjem (en hij noemde de naam) . Bijbel (13) : (1) Gn 4,17 . (2) Gn 13,4 . (3) Gn 21,33 . (4) Gn 26,20 . (3) Gn 28,19 . (4) Gn 32,3 . (5) Ex 17,7 . (6) Nu 11,3 . (7) Nu 21,3 . (8) Joz 5,9 . (9) Job 42,14 . (10) 2 Kr 3,17 .

10. אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalswaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , mem = 13 of 40 ; totaal : 36 (2² X 3²) of 243 (3² X 3³) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 (3 X 29) OF 753 (3 X 251) . Abram (36 of 243) + Hagar (28 of 208) = 64 (2³ X 2³) OF 451 (11 X 41) . 451 is de getalswaarde van jisjëmâ`e´l (Ismaël) . Taalgebruik in Tenakh : jisjëmâ`e´l (Ismaël) . De getalswaarde van jishërâ´el (Israël) is 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Taalgebruik in Tenakh : jishërâ´el (Israël) . Tenakh (44) . Gn (43) + 1 Kr 1,27 . Gn 13 (8) : (1) Gn 13,1 . (2) Gn 13,4 . (3) Gn 13,5 . (4) Gn 13,7 . (5) Gn 13,8 . (6) Gn 13,12 . (7) Gn 13,14 . (8) Gn 13,18 .
- וְאַבְרָם = wë´abërâm (en Abram) < prefix voegwoord wë + eigennaam אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Tenakh (3) : (1) Gn 12,4 . (2) Gn 13,2 . (3) Gn 16,16 .
- Ned. : Abram / Abraham . Arabisch : ابرَاهِيم = ´ibrâhîm (Ibrâhîm) . Taalgebruik in de Qoran : ibrâhîm (Ibrâhîm) . Qoran (75) . Grieks : αβρααμ = abraam (Abraham) . Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) . Hebreeuws : אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) .

11. - 12. bësjem JHWH (in de naam JHWH) . Tenach (37) . Gn (5) : (1) Gn 4,26 . (2) Gn 12,8 . (3) Gn 13,4 . (4) Gn 21,33 . (5) Gn 26,25 .

Gn 13,5 - Gn 13,5 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn 13 -- Gn 13,1 - Gn 13,2 - Gn 13,3 - Gn 13,4 - Gn 13,5 - Gn 13,6 - Gn 13,7 - Gn 13,8 - Gn 13,9 - Gn 13,10 - Gn 13,11 - Gn 13,12 - Gn 13,13 - Gn 13,14 - Gn 13,15 - Gn 13,16 - Gn 13,17 - Gn 13,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
5 καὶ Λὼτ τῷ συμπορευομένῳ μετὰ ῞Αβραμ ἦν πρόβατα καὶ βόες καὶ σκηναί. 5 sed et Loth qui erat cum Abram fuerunt greges ovium et armenta et tabernacula   5 En Lot, die met Abram toog, had ook schapen, en runderen, en tenten. [5] Ook Lot, die met Abram was meegekomen, bezat schapen, runderen en tenten.  [5] Ook Lot, die met Abram was meegekomen, bezat schapen, geiten, runderen en tenten.  5 Ook voor Lot die met Abram is meegegaan is het geworden: wolvee, rundvee en tenten. 5. Lot, qui accompagnait Abram, avait également du petit et du gros bétail, ainsi que des tentes.

King James Bible . [5] And Lot also, which went with Abram, had flocks, and herds, and tents.
Luther-Bibel . 5Lot aber, der mit Abram zog, hatte auch Schafe und Rinder und Zelte.

Tekstuitleg van Gn 13,5 .

4. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is 5 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 13 (5) : (1) Gn 13,5 . (2) Gn 13,10 . (3) Gn 13,11 . (4) Gn 13,15 . (5) Gn 13,16 .

5. אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalswaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , mem = 13 of 40 ; totaal : 36 (2² X 3²) of 243 (3² X 3³) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 (3 X 29) OF 753 (3 X 251) . Abram (36 of 243) + Hagar (28 of 208) = 64 (2³ X 2³) OF 451 (11 X 41) . 451 is de getalswaarde van jisjëmâ`e´l (Ismaël) . Taalgebruik in Tenakh : jisjëmâ`e´l (Ismaël) . De getalswaarde van jishërâ´el (Israël) is 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Taalgebruik in Tenakh : jishërâ´el (Israël) . Tenakh (44) . Gn (43) + 1 Kr 1,27 . Gn 13 (8) : (1) Gn 13,1 . (2) Gn 13,4 . (3) Gn 13,5 . (4) Gn 13,7 . (5) Gn 13,8 . (6) Gn 13,12 . (7) Gn 13,14 . (8) Gn 13,18 .
- וְאַבְרָם = wë´abërâm (en Abram) < prefix voegwoord wë + eigennaam אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Tenakh (3) : (1) Gn 12,4 . (2) Gn 13,2 . (3) Gn 16,16 .
- Ned. : Abram / Abraham . Arabisch : ابرَاهِيم = ´ibrâhîm (Ibrâhîm) . Taalgebruik in de Qoran : ibrâhîm (Ibrâhîm) . Qoran (75) . Grieks : αβρααμ = abraam (Abraham) . Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) . Hebreeuws : אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) .

6. act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. הָיָה = hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Genesis : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (332) . Pentateuch (52) . Eerdere Profeten (111) . Latere Profeten (87) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (67) . Gn (28) : (1) Gn 3,1 . (2) Gn 3,22 . (3) Gn 4,2 . (4) Gn 4,20 . (5) Gn 4,21 . (6) Gn 6,9 . (7) Gn 7,6 . (8) Gn 10,9 . (9) Gn 11,3 . (10) Gn 13,3 . (11) Gn 13,5 . (12) Gn 13,6 . (13) Gn 15,1 . (14) Gn 15,17 . (15) Gn 26,1 . (16) Gn 26,28 . (17) Gn 30,29 . (18) Gn 30,30 . (19) Gn 31,5 . (20) Gn 31,42 . (21) Gn 36,7 . (22) Gn 37,2 . (23) Gn 39,22 . (24) Gn 41,13 . (25) Gn 41,53 . (26) Gn 41,54 . (27) Gn 41,56 . (28) Gn 42,5 .
- Grieks . eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Een vorm van eimi (zijn) , in de LXX (6947) , in het NT (2450) .
- Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .

Gn 13,6 - Gn 13,6 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn 13 -- Gn 13,1 - Gn 13,2 - Gn 13,3 - Gn 13,4 - Gn 13,5 - Gn 13,6 - Gn 13,7 - Gn 13,8 - Gn 13,9 - Gn 13,10 - Gn 13,11 - Gn 13,12 - Gn 13,13 - Gn 13,14 - Gn 13,15 - Gn 13,16 - Gn 13,17 - Gn 13,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
6 καὶ οὐκ ἐχώρει αὐτοὺς ἡ γῆ κατοικεῖν ἅμα, ὅτι ἦν τὰ ὑπάρχοντα αὐτῶν πολλά, καὶ οὐκ ἐχώρει αὐτοὺς ἡ γῆ κατοικεῖν ἅμα. 6 nec poterat eos capere terra ut habitarent simul erat quippe substantia eorum multa et non quibant habitare communiter   6 En dat land droeg hen niet, om samen te wonen; want hun have was vele, zodat zij samen niet konden wonen. [6] Het land liet evenwel niet toe dat ze bij elkaar bleven, want hun bezit was zo omvangrijk, dat ze niet bij elkaar konden blijven.   [6] Beiden bezaten zo veel vee dat er te weinig land was om bij elkaar te blijven wonen.  6 Maar het land heeft niet verdragen dat zij er samen zaten; nee, zo overvloedig is hun bezit geworden dat zij niet bij machte zijn geweest er samen te zitten. 6. Le pays ne suffisait pas à leur installation commune : ils avaient de trop grands biens pour pouvoir habiter ensemble.

King James Bible . [6] And the land was not able to bear them, that they might dwell together: for their substance was great, so that they could not dwell together.
Luther-Bibel . 6Und das Land konnte es nicht ertragen, dass sie beieinander wohnten; denn ihre Habe war groß und sie konnten nicht beieinander wohnen.

Tekstuitleg van Gn 13,6 .

Gn 13,6.6. יַחְדָּו = jachëdâw (tezamen, tegelijkertijd, allen te zamen) . Taalgebruik in Tenakh : jachëdâw (tezamen, tegelijkertijd, allen te zamen) . Getalwaarde : jod = 10 , chet = 8 , daleth = 4 , waw = 6 ; totaal : 28 (2² X 7) , zie 28 . Het is een volmaakt getal . Het is de som van zeven elkaar opvolgende getallen : 1 + 2 + 3 + 4 + 5 + 6 + 7 . Het heeft een menora-structuur met 4 in het midden . Structuur : 1 - 8 - 4 - 6 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (89) . Gn (5) : (1) Gn 13,6 . (2) Gn 22,6 . (3) Gn 22,8 (4) Gn 22,19 . (5) Gn 36,7 .
- In jâchîd zitten de medeklinkers j-ch-d zoals in ´èchad (één) en jachëdaw (tegelijk) . De twee gaan als één . Zowel de offeraar als de offerande zijn verenigd .

Gn 13,6.8. act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. הָיָה = hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Genesis : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (332) . Pentateuch (52) . Eerdere Profeten (111) . Latere Profeten (87) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (67) . Gn (28) : (1) Gn 3,1 . (2) Gn 3,22 . (3) Gn 4,2 . (4) Gn 4,20 . (5) Gn 4,21 . (6) Gn 6,9 . (7) Gn 7,6 . (8) Gn 10,9 . (9) Gn 11,3 . (10) Gn 13,3 . (11) Gn 13,5 . (12) Gn 13,6 . (13) Gn 15,1 . (14) Gn 15,17 . (15) Gn 26,1 . (16) Gn 26,28 . (17) Gn 30,29 . (18) Gn 30,30 . (19) Gn 31,5 . (20) Gn 31,42 . (21) Gn 36,7 . (22) Gn 37,2 . (23) Gn 39,22 . (24) Gn 41,13 . (25) Gn 41,53 . (26) Gn 41,54 . (27) Gn 41,56 . (28) Gn 42,5 .
- Grieks . eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Een vorm van eimi (zijn) , in de LXX (6947) , in het NT (2450) .
- Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .

Gn 13,6.14. יַחְדָּו = jachëdâw (tezamen, tegelijkertijd, allen te zamen) . Taalgebruik in Tenakh : jachëdâw (tezamen, tegelijkertijd, allen te zamen) . Getalwaarde : jod = 10 , chet = 8 , daleth = 4 , waw = 6 ; totaal : 28 (2² X 7) , zie 28 . Het is een volmaakt getal . Het is de som van zeven elkaar opvolgende getallen : 1 + 2 + 3 + 4 + 5 + 6 + 7 . Het heeft een menora-structuur met 4 in het midden . Structuur : 1 - 8 - 4 - 6 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (89) . Gn (5) : (1) Gn 13,6 . (2) Gn 22,6 . (3) Gn 22,8 (4) Gn 22,19 . (5) Gn 36,7 .
- In jâchîd zitten de medeklinkers j-ch-d zoals in ´èchad (één) en jachëdaw (tegelijk) . De twee gaan als één . Zowel de offeraar als de offerande zijn verenigd .


Gn 13,7 - Gn 13,7 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn 13 -- Gn 13,1 - Gn 13,2 - Gn 13,3 - Gn 13,4 - Gn 13,5 - Gn 13,6 - Gn 13,7 - Gn 13,8 - Gn 13,9 - Gn 13,10 - Gn 13,11 - Gn 13,12 - Gn 13,13 - Gn 13,14 - Gn 13,15 - Gn 13,16 - Gn 13,17 - Gn 13,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
7 καὶ ἐγένετο μάχη ἀνὰ μέσον τῶν ποιμένων τῶν κτηνῶν τοῦ ῞Αβραμ καὶ ἀνὰ μέσον τῶν ποιμένων τῶν κτηνῶν τοῦ Λώτ· οἱ δὲ Χαναναῖοι καὶ οἱ Φερεζαῖοι τότε κατῴκουν τὴν γῆν. 7 unde et facta est rixa inter pastores gregum Abram et Loth eo autem tempore Chananeus et Ferezeus habitabant in illa terra   7 En er was twist tussen de herders van Abrams vee, en tussen de herders van Lots vee. Ook woonden toen de Kanaänieten en Ferezieten in dat land. [7] Dit veroorzaakte botsingen tussen de herders van Abram en die van Lot. Bovendien woonden toentertijd ook de Kanaänieten en de Perizzieten nog in het land.   [7] Hierdoor ontstond er ruzie tussen de herders van Abrams vee en de herders van Lots vee, en ook woonden in die tijd de Kanaänieten en de Perizzieten nog in het land.   7 Het wordt twist tussen de herders van Abrams kudde en de herders van de kudde van Lot; terwijl de Kanaäniet, en de Periziet, dan zetelt in het land. 7. Il y eut une dispute entre les pâtres des troupeaux d'Abram et ceux des troupeaux de Lot les Cananéens et les Perizzites habitaient alors le pays .

King James Bible . [7] And there was a strife between the herdmen of Abram's cattle and the herdmen of Lot's cattle: and the Canaanite and the Perizzite dwelled then in the land.
Luther-Bibel . 7Und es war immer Zank zwischen den Hirten von Abrams Vieh und den Hirten von Lots Vieh. Es wohnten auch zu der Zeit die Kanaaniter und Perisiter im Lande.

Tekstuitleg van Gn 13,7 .

Gn 13,7.3. בֵּין = be(j)n (tussen) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) . Getalswaarde : beth = 2 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (165) . Pentateuch (61) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (24) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (25) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,14 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 9,16 . (7) Gn 10,12 . (8) Gn 13,3 . (9) Gn 13,7 . (10) Gn 15,17 . (11) Gn 16,14 . (12) Gn 20,1 . (13) Gn 31,37 . (14) Gn 32,17 . (15) Gn 49,14 .
-- וּבֵּין = ûbhe(j)n (en tussen) < waw + Tenakh (108) . Pentateuch (46) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (12) . Gn (20) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 3,15 . (6) Gn 9,12 . (7) Gn 9,13 . (8) Gn 9,15 . (9) Gn 9,16 . (10) Gn 9,17 . (11) Gn 10,12 . (12) Gn 13,3. (13) Gn 13,7 . (14) Gn 13,8 . (15) Gn 16,14 . (16) Gn 17,7 . (17) Gn 17,10 . (18) Gn 20,1 . (19) Gn 30,36 . (20) Gn 32,17 .
- ανα μεσον = ana meson (in het midden van? tussen) . LXX (680) . NT (3) .

6. אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalswaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , mem = 13 of 40 ; totaal : 36 (2² X 3²) of 243 (3² X 3³) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 (3 X 29) OF 753 (3 X 251) . Abram (36 of 243) + Hagar (28 of 208) = 64 (2³ X 2³) OF 451 (11 X 41) . 451 is de getalswaarde van jisjëmâ`e´l (Ismaël) . Taalgebruik in Tenakh : jisjëmâ`e´l (Ismaël) . De getalswaarde van jishërâ´el (Israël) is 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Taalgebruik in Tenakh : jishërâ´el (Israël) . Tenakh (44) . Gn (43) + 1 Kr 1,27 . Gn 13 (8) : (1) Gn 13,1 . (2) Gn 13,4 . (3) Gn 13,5 . (4) Gn 13,7 . (5) Gn 13,8 . (6) Gn 13,12 . (7) Gn 13,14 . (8) Gn 13,18 .
- וְאַבְרָם = wë´abërâm (en Abram) < prefix voegwoord wë + eigennaam אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Tenakh (3) : (1) Gn 12,4 . (2) Gn 13,2 . (3) Gn 16,16 .
- Ned. : Abram / Abraham . Arabisch : ابرَاهِيم = ´ibrâhîm (Ibrâhîm) . Taalgebruik in de Qoran : ibrâhîm (Ibrâhîm) . Qoran (75) . Grieks : αβρααμ = abraam (Abraham) . Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) . Hebreeuws : אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) .

Gn 13,7.7. בֵּין = be(j)n (tussen) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) . Getalswaarde : beth = 2 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (165) . Pentateuch (61) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (24) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (25) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,14 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 9,16 . (7) Gn 10,12 . (8) Gn 13,3 . (9) Gn 13,7 . (10) Gn 15,17 . (11) Gn 16,14 . (12) Gn 20,1 . (13) Gn 31,37 . (14) Gn 32,17 . (15) Gn 49,14 .
-- וּבֵּין = ûbhe(j)n (en tussen) < waw + Tenakh (108) . Pentateuch (46) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (12) . Gn (20) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 3,15 . (6) Gn 9,12 . (7) Gn 9,13 . (8) Gn 9,15 . (9) Gn 9,16 . (10) Gn 9,17 . (11) Gn 10,12 . (12) Gn 13,3. (13) Gn 13,7 . (14) Gn 13,8 . (15) Gn 16,14 . (16) Gn 17,7 . (17) Gn 17,10 . (18) Gn 20,1 . (19) Gn 30,36 . (20) Gn 32,17 .
- ανα μεσον = ana meson (in het midden van? tussen) . LXX (680) . NT (3) .

Gn 13,7.9. rëkhûs / rëkhusj (have, goederen, bezit, buit) . Taalgebruik in Tenakh : rëkhûs / rëkhusj (have, goederen, bezit, buit) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , kaph = 11 of 20 , sjin = 21 of 300 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 520 (52 X 10) .
- rëkhûsjâm (hun bezittingen) < zelfst. naamw. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. . Tenakh (4) : (1) Gn 12,5 . (2) Gn 13,6 . (3) Gn 36,7 . (4) Gn 46,6 . In al deze verzen wordt rëkhûsjâm (hun bezittingen) in de LXX vertaald door ta huparchonta autôn (het onderhorige aan hen) .


Gn 13,8 - Gn 13,8 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn 13 -- Gn 13,1 - Gn 13,2 - Gn 13,3 - Gn 13,4 - Gn 13,5 - Gn 13,6 - Gn 13,7 - Gn 13,8 - Gn 13,9 - Gn 13,10 - Gn 13,11 - Gn 13,12 - Gn 13,13 - Gn 13,14 - Gn 13,15 - Gn 13,16 - Gn 13,17 - Gn 13,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
8 εἶπε δὲ ῞Αβραμ τῷ Λώτ· μὴ ἔστω μάχη ἀνὰ μέσον ἐμοῦ καὶ σοῦ καὶ ἀνὰ μέσον τῶν ποιμένων μου καὶ ἀνὰ μέσον τῶν ποιμένων σου, ὅτι ἄνθρωποι ἀδελφοί ἐσμεν ἡμεῖς. 8 dixit ergo Abram ad Loth ne quaeso sit iurgium inter me et te et inter pastores meos et pastores tuos fratres enim sumus   8 En Abram zeide tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broeders. [8] Daarom zei Abram tegen Lot: ‘Laten wij geen ruzie met elkaar maken en onze herders evenmin; wij zijn toch broers* van elkaar.  [8] Daarom zei Abram tegen Lot: ‘Waarom zouden we ruziemaken, jij en ik, of jouw herders en de mijne? We zijn toch familie?   8 Dus zegt Abram tot Lot: laat het toch geen twist worden tussen mij en jou, tussen mijn herders en jouw herders; want mannen die bróeders zijn, zijn wij!- 8. Aussi Abram dit-il à Lot : Qu'il n'y ait pas discorde entre moi et toi, entre mes pâtres et les tiens, car nous sommes des frères !

King James Bible . [8] And Abram said unto Lot, Let there be no strife, I pray thee, between me and thee, and between my herdmen and thy herdmen; for we be brethren.
Luther-Bibel . 8Da sprach Abram zu Lot: Lass doch nicht Zank sein zwischen mir und dir und zwischen meinen und deinen Hirten; denn wir sind Brüder.

Tekstuitleg van Gn 13,8 .

Gn 13,8.1. וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. אמר = ´-m-r (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . In één vers in Gn 13 , nl. Gn 13,8 .
- Grieks . act. ind. praes. 3de pers. enk. λεγει = legei (hij zegt) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Pentateuch (36) . Gn (4) : (1) Gn 15,2 . (2) Gn 22,16 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 45,9 .

  legô : act. ind. praes. bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
3 act. ind. pr. 3de pers. enk.  legei 1027  702  325  54  62  14  112  11  46  26  130  242 

- Lat. dicere . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Het is opmerkelijk dat de LXX vertaalt met λεγει δε = legei de (hij zegt echter) . Met een lichte tegenstelling komt het woord van JHWH tegenover het woord van Abram . En beide woorden klinken tegelijkertijd . Abram stelt het kinderloos-zijn tegenover de steun en de rijkdom die JHWH hem schenkt .

Gn 13,8.2. . אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalswaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , mem = 13 of 40 ; totaal : 36 (2² X 3²) of 243 (3² X 3³) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 (3 X 29) OF 753 (3 X 251) . Abram (36 of 243) + Hagar (28 of 208) = 64 (2³ X 2³) OF 451 (11 X 41) . 451 is de getalswaarde van jisjëmâ`e´l (Ismaël) . Taalgebruik in Tenakh : jisjëmâ`e´l (Ismaël) . De getalswaarde van jishërâ´el (Israël) is 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Taalgebruik in Tenakh : jishërâ´el (Israël) . Tenakh (44) . Gn (43) + 1 Kr 1,27 . Gn 13 (8) : (1) Gn 13,1 . (2) Gn 13,4 . (3) Gn 13,5 . (4) Gn 13,7 . (5) Gn 13,8 . (6) Gn 13,12 . (7) Gn 13,14 . (8) Gn 13,18 .
- וְאַבְרָם = wë´abërâm (en Abram) < prefix voegwoord wë + eigennaam אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Tenakh (3) : (1) Gn 12,4 . (2) Gn 13,2 . (3) Gn 16,16 .
- Ned. : Abram / Abraham . Arabisch : ابرَاهِيم = ´ibrâhîm (Ibrâhîm) . Taalgebruik in de Qoran : ibrâhîm (Ibrâhîm) . Qoran (75) . Grieks : αβρααμ = abraam (Abraham) . Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) . Hebreeuws : אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) .

Gn 13,8.1. - 2. וַיּאֹמֶר אַבְרָם = wajjo´mèr ´abhërâm (en Abram zei) . Tenakh (5) : (1) Gn 13,8 . (2) Gn 14,22 . (3) Gn 15,2 . (4) Gn 15,3 . (6) Gn 16,6 .
- וַיּאֹמֶר אַבְרָהָם = wajjo'mèr ´abhërâhâm (en Abraham zei) . Tenakh (8) : (1) Gn 17,18 . (2) Gn 20,2 . (3) Gn 20,11 . (4) Gn 21,24 . (5) Gn 22,5 . (6) Gn 22,8 . (7) Gn 22,11 . (8) Gn 24,2 . Abram / Abraham is wel meer aan het woord , maar is de naam van Abram / Abraham niet uitdrukkelijk vermeld . Abram spreekt hier tot JHWH als antwoord op het woord van JHWH dat hij (Abram) het materieel goed heeft .

Gn 13,8.11. בֵּין = be(j)n (tussen) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) . Getalswaarde : beth = 2 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (165) . Pentateuch (61) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (24) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (25) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,14 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 9,16 . (7) Gn 10,12 . (8) Gn 13,3 . (9) Gn 13,7 . (10) Gn 15,17 . (11) Gn 16,14 . (12) Gn 20,1 . (13) Gn 31,37 . (14) Gn 32,17 . (15) Gn 49,14 .
-- וּבֵּין = ûbhe(j)n (en tussen) < waw + Tenakh (108) . Pentateuch (46) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (12) . Gn (20) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 3,15 . (6) Gn 9,12 . (7) Gn 9,13 . (8) Gn 9,15 . (9) Gn 9,16 . (10) Gn 9,17 . (11) Gn 10,12 . (12) Gn 13,3. (13) Gn 13,7 . (14) Gn 13,8 . (15) Gn 16,14 . (16) Gn 17,7 . (17) Gn 17,10 . (18) Gn 20,1 . (19) Gn 30,36 . (20) Gn 32,17 .
- ανα μεσον = ana meson (in het midden van? tussen) . LXX (680) . NT (3) .

Gn 13,8.13. בֵּין = be(j)n (tussen) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) . Getalswaarde : beth = 2 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (165) . Pentateuch (61) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (24) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (25) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,14 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 9,16 . (7) Gn 10,12 . (8) Gn 13,3 . (9) Gn 13,7 . (10) Gn 15,17 . (11) Gn 16,14 . (12) Gn 20,1 . (13) Gn 31,37 . (14) Gn 32,17 . (15) Gn 49,14 .
-- וּבֵּין = ûbhe(j)n (en tussen) < waw + Tenakh (108) . Pentateuch (46) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (12) . Gn (20) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 3,15 . (6) Gn 9,12 . (7) Gn 9,13 . (8) Gn 9,15 . (9) Gn 9,16 . (10) Gn 9,17 . (11) Gn 10,12 . (12) Gn 13,3. (13) Gn 13,7 . (14) Gn 13,8 . (15) Gn 16,14 . (16) Gn 17,7 . (17) Gn 17,10 . (18) Gn 20,1 . (19) Gn 30,36 . (20) Gn 32,17 .
- ανα μεσον = ana meson (in het midden van? tussen) . LXX (680) . NT (3) .

Gn 13,8.17. אַחִים = mann. mv. ´achîm (broers) van het zelfst. naamw. אָח = ´âch (broer) . Taalgebruik in Tenakh : ´ach (broer) . Getalwaarde = aleph = 1 , chet = 8 ; totaal : 9 (3²) . Structuur : 1 - 8 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (14) : (1) Gn 13,8 . (2) Gn 42,13 . (3) Gn 42,32 . (4) Gn 49,5 . (5) Nu 27,10 . (6) Nu 27,11 . (7) Dt 25,5 . (8) Js 13,21 . (9) Hos 13,15 . (10) Am 1,9 . (11) Ps 133,1 . (12) Spr 6,19 . (13) Spr 17,2 . (14) 2 Kr 21,2 .
- אָח = ´âch (broer) < naamwoord met 2 medeklinkers en 1 oorspronkelijk korte klinker (qal-vorm) (Lettinga(6) 24c1) . De korte klinker onderging een verandering van kwantiteit (korte a werd lange a) onder invloed van de pausa-vorm (Lettinga(6) 13h)
- Ned. : broer . Arabisch : أخ = ´ach (broer) . Taalgebruik in de Qoran : ´ach (broer) . D. : Bruder . E. : brother . Fr. : frère . Grieks : αδελφος = adelfos (broer) . Taalgebruik in het NT : adelfos (broer) . Hebreeuws : אָח = ´âch (broer) . Taalgebruik in Tenakh : ´ach (broer) . Lat.: frater (fra-ter , pa-ter , ma-ter ; broe-der , va-der, moe-der) .


Gn 13,9 - Gn 13,9 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn 13 -- Gn 13,1 - Gn 13,2 - Gn 13,3 - Gn 13,4 - Gn 13,5 - Gn 13,6 - Gn 13,7 - Gn 13,8 - Gn 13,9 - Gn 13,10 - Gn 13,11 - Gn 13,12 - Gn 13,13 - Gn 13,14 - Gn 13,15 - Gn 13,16 - Gn 13,17 - Gn 13,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
9 οὐκ ἰδοὺ πᾶσα ἡ γῆ ἐναντίον σου ἐστί; διαχωρίσθητι ἀπ᾿ ἐμοῦ· εἰ σὺ εἰς ἀριστερά, ἐγὼ εἰς δεξιά· εἰ δὲ σὺ εἰς δεξιά, ἐγὼ εἰς ἀριστερά. 9 ecce universa terra coram te est recede a me obsecro si ad sinistram ieris ego ad dexteram tenebo si tu dexteram elegeris ego ad sinistram pergam   9 Is niet het ganse land voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo gij de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo gij de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan. [9] Het hele land ligt voor je. Het is werkelijk beter dat je weggaat; ga jij links, dan ga ik rechts; ga jij rechts, dan ga ik links.’   [9] Het is maar beter dat we uiteengaan. Het hele land ligt voor je open. Als jij naar links gaat, ga ik naar rechts; als jij naar rechts gaat, ga ik naar links.’   9 ligt niet heel het land open voor je aanschijn?- neem toch afscheid van mij; als het links is ga ik rechts en als het rechts is zal ik links gaan! 9. Tout le pays n'est-il pas devant toi ? Sépare-toi de moi. Si tu prends la gauche, j'irai à droite, si tu prends la droite, j'irai à gauche.

King James Bible . [9] Is not the whole land before thee? separate thyself, I pray thee, from me: if thou wilt take the left hand, then I will go to the right; or if thou depart to the right hand, then I will go to the left.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 13,9 . 9Steht dir nicht alles Land offen? Trenne dich doch von mir! Willst du zur Linken, so will ich zur Rechten, oder willst du zur Rechten, so will ich zur Linken.

5. = pârad (uitspreiden, scheiden) . Taalgebruik in Tenakh : pârad (uitspreiden, scheiden) . Taalgebruik in de Septuaginta : diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) . LXX (27) . NT (1) Lc 9,33 .

Gn 13,10 - Gn 13,10 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn 13 -- Gn 13,1 - Gn 13,2 - Gn 13,3 - Gn 13,4 - Gn 13,5 - Gn 13,6 - Gn 13,7 - Gn 13,8 - Gn 13,9 - Gn 13,10 - Gn 13,11 - Gn 13,12 - Gn 13,13 - Gn 13,14 - Gn 13,15 - Gn 13,16 - Gn 13,17 - Gn 13,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
10 καὶ ἐπάρας Λὼτ τοὺς ὀφθαλμοὺς αὐτοῦ, ἐπεῖδε πᾶσαν τὴν περίχωρον τοῦ ᾿Ιορδάνου, ὅτι πᾶσα ἦν ποτιζομένη πρὸ τοῦ καταστρέψαι τὸν Θεὸν Σόδομα καὶ Γόμορρα, ὡς ὁ παράδεισος τοῦ Θεοῦ καὶ ὡς ἡ γῆ Αἰγύπτου, ἕως ἐλθεῖν εἰς Ζόγορα. 10 elevatis itaque Loth oculis vidit omnem circa regionem Iordanis quae universa inrigabatur antequam subverteret Dominus Sodomam et Gomorram sicut paradisus Domini et sicut Aegyptus venientibus in Segor   10 En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de ganse vlakte der Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer de HEERE Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof des HEEREN, als Egypteland, als gij komt te Zoar. [10] Toen liet Lot zijn blik rondgaan; hij zag, hoe rijk aan water het land langs de Jordaan was. Want voordat de heer Sodom en Gomorra verwoest had, was deze streek, tot Soar toe, als de tuin van de heer, even waterrijk als Egypte.  [10] Lot liet zijn blik rondgaan en zag hoe rijk aan water de hele Jordaanvallei was; voordat Sodom en Gomorra door de HEER werden verwoest, was de vallei tot aan Soar toe even waterrijk als de tuin van de HEER en als Egypte.   10 Dan heft Lot zijn ogen op en overziet heel de vallei van de Jordaan, hoe een en al drenkplaats zij is, vóór de verwoesting door de Ene van Sodom en van Gomorra, als de tuin van de Ene, als het land Egypte wanneer je bij Tsoar aankomt! 10. Lot leva les yeux et vit toute la Plaine du Jourdain qui était partout irriguée - c'était avant que Yahvé ne détruisît Sodome et Gomorrhe - comme le jardin de Yahvé, comme le pays d'Égypte, jusque vers Çoar.

King James Bible . [10] And Lot lifted up his eyes, and beheld all the plain of Jordan, that it was well watered every where, before the LORD destroyed Sodom and Gomorrah, even as the garden of the LORD, like the land of Egypt, as thou comest unto Zoar.
Luther-Bibel . 10Da hob Lot seine Augen auf und besah die ganze Gegend am Jordan. Denn ehe der HERR Sodom und Gomorra vernichtete, war sie wasserreich, bis man nach Zoar kommt, wie der Garten des HERRN, gleichwie Ägyptenland.

Tekstuitleg van Gn 13,10 .

Gn 13,10.1. verbindingsprefix waw (en) + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיִּשָּׂא = wajjishshâ´ (en hij hief op) van het werkw. נָשָׂא = nâshâ´(dragen, opnemen, verheffen) . Taalgebruik in Tenakh : nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen) . נָשָׂא = nâshâ´ wordt gebruikt in uitdrukkingen als de tenten opbreken , een rijdier bestijgen , de ogen opslaan , zijn stem verheffen , zijn voeten opheffen (= voortgaan) . Getalswaarde : nun = 14 of 50 , shin = 21 of 300 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 5 - 3 - 1 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (42) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (11) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (5) . Gn (14) : (1) Gn 13,10 . (2) Gn 18,2 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,13 . (5) Gn 24,63 . (6) Gn 27,38 . (7) Gn 29,1 . (8) Gn 29,11 . (9) Gn 31,17 . (10) Gn 33,1 . (11) Gn 33,5 . (12) Gn 40,20 . (13) Gn 43,29 . (14) Gn 43,34 . Ex (2) : (1) Ex 10,19 . (2) Ex 12,34 . Lv (1) Lv 9,22 . Nu (8) : (1) Nu 23,7 . (2) Nu 23,18 . (3) Nu 24,2 . (4) Nu 24,3 . (5) Nu 24,15 . (6) Nu 24,20 . (7) Nu 24,21 . (8) Nu 24,23 .
- act. part. aor. nom. mann. enk. επαρας = eparas (opgeheven) van het werkw. επαιρω = epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in het NT : epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in de Septuaginta : epairô (opheffen, verheffen) . Bijbel (9) . LXX (4) : (1) Gn 13,10 . (2) Ex 7,20 . (3) Nu 20,11 . (4) Ps 102,11 . NT (5) . Lc (3) : (1) Lc 6,20 . (2) Lc 16,23 . (3) Lc 24,50 . Joh (2) : (1) Joh 6,5 . (2) Joh 17,1 . Een vorm van επαιρω = epairô (opheffen, verheffen) in de LXX (83) , in het NT (19) , in Lc in 6 verzen : (1) Lc 6,20 . (2) Lc 11,27 . (3) Lc 16,23 . (4) Lc 18,13 . (5) Lc 21,28 . (6) Lc 24,50 . In Lc : 4 vormen van επαιρω = epairô (opheffen, verheffen) in 6 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 4 vormen van επαιρω = epairô (opheffen, verheffen) in 5 verzen in 5 hoofdstukken .
- Ned. : verheffen . Lat. : pass. part. perf. dat.mv. elevatis van het werkw. elevare (uitheffen, opslaan) . D. : aufheben . E. : to lift up . Fr. lever . Grieks : αναβλεπω = anablepô (naar boven / omhoog blikken , opkijken) . Taalgebruik in het NT : anablepô (naar boven blikken) . Hebreeuws : נָשָׂא = nâshâ´(dragen, opnemen, verheffen) . Taalgebruik in Tenakh : nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen) .

Gn 13,10.4. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is 5 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 13 (5) : (1) Gn 13,5 . (2) Gn 13,10 . (3) Gn 13,11 . (4) Gn 13,15 . (5) Gn 13,16 .

Gn 13,10.5. עֵינָיו = `e(j)nâ(j)w (zijn ogen) < stat. constr. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. עַיִן = `ajin (oog, bron) . Stat. constr. עֵין = ´e(j)n . Taalgebruik in Tenakh : `ajin (oog, bron) . De getalswaarde is : ajin = 16 of 70 , jod = 10 , nun = 14 of 50 . Totaal : 40 (2³ X 5) of 130 (2 X 5 X 13 OF 5 X 26) . Structuur : 7 - 1 - 5 . Som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (49) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (12) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (21) . Gn (9) : (1) Gn 13,10 . (2) Gn 18,2 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,13 . (5) Gn 24,63 . (6) Gn 27,1 . (7) Gn 33,1 . (8) Gn 33,5 . (9) Gn 43,29 . Lv (1) : Lv 14,9 . Nu (1) : Nu 24,2 .
- Jouön 1965 , 88Cf : ajin '' jod . Oorspronkelijk is het zelfst. naamw. een qatl-vorm , d.w.z. een zelfst. naamw. met een oorspronkelijke a klinker : עַין= ´ajn . Er is de medeklinker jod . De medeklinker jod heeft de hulpklinker i aangebracht ; alzo stat. absol. עַיִן= ´ajin , stat. construct. עֵין= ´e(j)n . Het is de 16ste letter van het Hebreeuwse alfabet . De getalswaarde is 16 of 70 . Het woord begint met een larynchaal / gutturaal . De vorm ´e(j)nâ(j)w < ´e(j)na(j)hû -> ´e(j)na(j)û (Lettinga 12, 2012 , 26f)
- acc. mann. mv. οφθαλμους = ofthalmous (ogen) van het zelfst. naamw. οφθαλμος = ofthalmos (oog) . Taalgebruik in het NT : ofthalmos (oog) . Taalgebruik in de LXX : ofthalmos (oog) . Bijbel (173) . Pentateuch (14) . Eerdere Profeten (22) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (27) . Gn (4) : (1) Gn 13,10 . (2) Gn 21,19 . (3) Gn 39,7 . (4) Gn 46,4 . Ex (1) : Ex 23,8 . Lv (2) : (1) Lv 21,20 . (2) Lv 26,16 . Nu (4) : (1) Nu 14,14 . (2) Nu 16,14 . (3) Nu 22,31 . (4) Nu 24,2 . Dt (3) : (1) Dt 16,19 . (2) Dt 28,65 . (3) Dt 29,3 . Een vorm van οφθαλμος = ofthalmos (oog) in de LXX (678) , in het NT (100) .
- Ned. : oog (misschien uit Lat. ok , de k wordt g) . Arabisch : عين = `ain (oog) . Taalgebruik in de Qoran : `ain (oog) . `ain (oog) . D. : Aug . E. : eye (het klinkt als het Hebreeuwse ´ajin) . Fr. oeil (yeux) . Grieks : οφθαλμος = ofthalmos (oog) . Taalgebruik in het NT : ofthalmos (oog) . Hebreeuws : עַיִן = `ajin (oog, bron) . Stat. constr. עֵין = ´e(j)n . Taalgebruik in Tenakh : `ajin (oog, bron) . Lat. : oculus .

Gn 13,10.4. - 5. אֶת עֵינָיו = ´èth `e(j)nâ(j)w (zijn ogen) . Tenakh (10) : (1) Gn 13,10 . (2) Gn 22,4 . (3) Gn 22,13 . (4) Gn 33,5 . (5) Nu 24,2 . (6) Re 16,21 . (7) 2 S 18,24 . (8) 2 K 4,35 . (9) 2 K 6,17 . (10) 1 Kr 21,16 .

וַיִּשָּׂא אֶת עֵינָיו = wajjishshâ´ (...) `e(j)nâ(j)w = en hij verhief... zijn ogen . Tenakh (13) : (1) Gn 13,10 . (2) Gn 18,2 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,13 . (5) Gn 24,63 . (6) Gn 33,1 . (7) Gn 33,5 . (8) Gn 43,29 . (9) Nu 24,2 . (10) Joz 5,13 . (11) Re 19,17 . (12) 2 S 18,24 . (13) 1 Kr 21,16 . In al deze verzen wordt de 'uitdrukking' gevolgd door de werkwoordvorm actief qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud wajjarë´ (en hij zag) van het werkw. râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) .
- וַיִּשָּׂא ... אֶת עֵינָיו = wajjishshâ´ (...) ´èth `e(j)nâ(j)w = en hij verhief (...) zijn ogen . Tenakh (7) : (1) Gn 13,10 (Lot) . (2) Gn 22,4 (Abraham) . (3) Gn 22,13 (Abraham) . (4) Gn 33,5 (-) . (5) Nu 24,2 (Bileam) . (6) 2 S 18,24 (-) . (7) 1 Kr 21,16 (David) .

w-j-r` . (1) qal actief imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud וַיַּרְא = wajjarë´ (en hij zag) ; (2) nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) van het werkw. râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Taalgebruik in Genesis : râ´âh (zien) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . Gr. horaô (zien) . Taalgebruik in de Septuaginta : horaô (zien) . Taalgebruik in het NT : horaô (zien) . Lat. videre . Fr. voir . Ned. zien . E. to see . D. sehen . pass. Lat. apparere . Fr. apparaître . E. appear . Ned. verschijnen . D. erscheinen . Een vorm van horaô (zien, verschijnen) in het NT (114) , in de LXX (1539) . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (19) . Gn (50) . Gn 12 (1) Gn 12,7 (bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän) . Gn 22 (2) : (1) Gn 22,4 . (2) Gn 22,13 .

´èth `e(j)nâ(j)w wajjarë´ (zijn ogen en hij zag) . Tenakh (7) : (1) Gn 13,10 . (2) Gn 22,4 . (3) Gn 22,13 . (4) Gn 33,5 . (5) Nu 24,2 . (6) 2 S 18,24 . (7) 1 Kr 21,16 .

- וַיִּשָּׂא () אֶת עֵינָיו וַיַּרְא = wajjishshâ´ (...) `e(j)nâ(j)w = wajjishshâ´ = en hij verhief... zijn ogen en hij zag . Tenakh (7) : (1) Gn 13,10 . (2) Gn 22,4 . (3) Gn 22,13 . (4) Gn 33,5 . (5) Nu 24,2 . (6) 2 S 18,24 . (7) 1 Kr 21,16 .

12. sjâqâh (laten drinken, drenken) . Taalgebruik : sjâqâh (laten drinken, drenken) . Getallenwaarde : sjin = 21 of 300 , qoph = 19 of 90 , he = 5 ; totaal : 45 (3² X 5) OF 395 (5 X 79) . Structuur : 3 - 9 - 5 . De som van de elementen is 8 .

14. sjâchat (slachten, offeren,vermoorden) . Taalgebruik in Tenakh : sjâchat (slachten, offeren,vermoorden) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , chet = 8 , tet = 9 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 317 . Structuur : 3 - 8 - 9 .
- sjâchath (verwoesten, ten gronde richten) .

Gn 13,11 - Gn 13,11 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn 13 -- Gn 13,1 - Gn 13,2 - Gn 13,3 - Gn 13,4 - Gn 13,5 - Gn 13,6 - Gn 13,7 - Gn 13,8 - Gn 13,9 - Gn 13,10 - Gn 13,11 - Gn 13,12 - Gn 13,13 - Gn 13,14 - Gn 13,15 - Gn 13,16 - Gn 13,17 - Gn 13,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
11 καὶ ἐξελέξατο ἑαυτῷ Λὼτ πᾶσαν τὴν περίχωρον τοῦ ᾿Ιορδάνου, καὶ ἀπῇρε Λὼτ ἀπὸ ἀνατολῶν, καὶ διεχωρίσθησαν ἕκαστος ἀπὸ τοῦ ἀδελφοῦ αὐτοῦ. 11 elegitque sibi Loth regionem circa Iordanem et recessit ab oriente divisique sunt alterutrum a fratre suo   11 Zo koos Lot voor zich de ganse vlakte der Jordaan, en Lot trok tegen het oosten; en zij werden gescheiden, de een van den ander. [11] Daarom koos Lot heel het land langs de Jordaan en ging oostwaarts. Zo scheidden de beide broers.  [11] Daarom koos Lot voor zichzelf de Jordaanvallei en trok in oostelijke richting. Zo gingen ze uiteen.   11 Lot kiest zich heel de vallei van de Jordaan en Lot breekt op naar het oosten; ze nemen afscheid 'als een man van bij zijn broeder'. 11. Lot choisit pour lui toute la Plaine du Jourdain et il émigra à l'orient; ainsi ils se séparèrent l'un de l'autre :

King James Bible . [11] Then Lot chose him all the plain of Jordan; and Lot journeyed east: and they separated themselves the one from the other.
Luther-Bibel . 11Da erwählte sich Lot die ganze Gegend am Jordan und zog nach Osten. Also trennte sich ein Bruder von dem andern,

Tekstuitleg van Gn 13,11 .

4. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is 5 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 13 (5) : (1) Gn 13,5 . (2) Gn 13,10 . (3) Gn 13,11 . (4) Gn 13,15 . (5) Gn 13,16 .

8. וַיִּסַּע = wajjishshâ` (en hij brak op) < prefix verbindingspartikel waw (en) en qal actief imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkw. נָסָע = nâsâ` (opbreken, reizen) . Taalgebruik in Tenakh : nâsâ` (opbreken, reizen) . Tenakh (13) . Gn (5) : (1) Gn 12,9 . (2) Gn 13,11 . (3) Gn 20,1 . (4) Gn 35,21 . (5) Gn 46,1 .
- Lettinga 12, 2012, 52) . Werkw. met een gutturaal als 3de stamvocaal . In de qal imperf. is onder invloed van de gutturaal de voorafgaande korte vocaal vrijwel altijd een korte a . Paradigma 5 .

11. hifil imperf. (jaqtîl) 3de pers. mv. wajjaphëridû (en zij maakten een scheiding tussen) OF nifal imperf. 3de pers. mv. wajjiphphârëdû (en zij werden gescheiden) van het werkw. pârad (uitspreiden, scheiden) . Taalgebruik in Tenakh : pârad (uitspreiden, scheiden) . Tenakh (2) : (1) Gn 13,11 (nifal) . (2) 2 K 2,11 (hifil) .
- LXX : pass. ind. aor. 3de pers. mv. διεχωρισθησαν = diechôristhèsan (zij werden gescheiden) van het werkw. διαχωριζω = diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) . Taalgebruik in de Septuaginta : diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) . < dia - chôra (plaats) . LXX (3) : (1) Gn 13,11 . (2) 2 S 1,23 . (3) Sir 33,8 . In 2 K 2,11 wordt niet een werkw. van διαχωριζω = diachorizô , maar van diastellô (uiteensturen, uiteenzenden) . In Lc 9,33 verwijderen Mozes en Elia zich van Jezus . In 2 K 2,11 werden Elia en Elisa van elkaar verwijderd . Een vorm van διαχωριζω = diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) in de LXX (27) , in het NT (1) Lc 9,33 .
- Ned. : scheiden . Arabisch : فصل = faSala (scheiden) . Taalgebruik in de Qoran : faSala (scheiden) . E. : separate . Fr. séparer . Grieks : διαχωριζω = diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) . Taalgebruik in de Septuaginta : diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) . Hebreeuws : בָדַל = bâdal (afscheiden, verdelen) . Taalgebruik in Tenakh : bâdal (afscheiden, verdelen) . Italiaans : separare. Latijn : separare . Spaans : separar .
- Ned. : scheiden . D. : scheiden . Grieks : σχιζω = schizô (scheuren) . Taalgebruik in het NT : schizô (scheuren) . Latijn : scindere .
- Ned. : verdelen . Arabisch : فرق = faraqa . Fr. : diviser = partager , répartir . Lat. : pars (-tis) = deel ; participare (deel-nemen) .

Gn 13,12 - Gn 13,12 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn 13 -- Gn 13,1 - Gn 13,2 - Gn 13,3 - Gn 13,4 - Gn 13,5 - Gn 13,6 - Gn 13,7 - Gn 13,8 - Gn 13,9 - Gn 13,10 - Gn 13,11 - Gn 13,12 - Gn 13,13 - Gn 13,14 - Gn 13,15 - Gn 13,16 - Gn 13,17 - Gn 13,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
12 ῞Αβραμ δὲ κατῴκησεν ἐν γῇ Χαναάν, Λὼτ δὲ κατῴκησεν ἐν πόλει τῶν περιχώρων καὶ ἐσκήνωσεν ἐν Σοδόμοις· 12 Abram habitavit in terra Chanaan Loth moratus est in oppidis quae erant circa Iordanem et habitavit in Sodomis   12 Abram dan woonde in het land Kanaän; en Lot woonde in de steden der vlakte, en sloeg tenten tot aan Sodom toe. [12] Abram bleef in Kanaän wonen, maar Lot zocht zich een woonplaats bij de steden in de Jordaanstreek en sloeg zijn tent op in de nabijheid van Sodom.   [12] Abram bleef in Kanaän wonen, maar Lot sloeg zijn tenten op bij de steden in de vallei. Zijn woongebied strekte zich uit tot aan Sodom;  12 Abram is gaan zitten in het land Kanaän; en Lot is gaan zitten in de steden van de vallei, en slaat zijn tenten op tot bij Sodom. 12. Abram s'établit au pays de Canaan et Lot s'établit dans les villes de la Plaine; il dressa ses tentes jusqu'à Sodome.

King James Bible . [12] Abram dwelled in the land of Canaan, and Lot dwelled in the cities of the plain, and pitched his tent toward Sodom.
Luther-Bibel . 12sodass Abram wohnte im Lande Kanaan und Lot in den Städten am unteren Jordan. Und Lot zog mit seinen Zelten bis nach Sodom.

Tekstuitleg van Gn 13,12 .

Gn 13,12.1. אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalswaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , mem = 13 of 40 ; totaal : 36 (2² X 3²) of 243 (3² X 3³) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 (3 X 29) OF 753 (3 X 251) . Abram (36 of 243) + Hagar (28 of 208) = 64 (2³ X 2³) OF 451 (11 X 41) . 451 is de getalswaarde van jisjëmâ`e´l (Ismaël) . Taalgebruik in Tenakh : jisjëmâ`e´l (Ismaël) . De getalswaarde van jishërâ´el (Israël) is 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Taalgebruik in Tenakh : jishërâ´el (Israël) . Tenakh (44) . Gn (43) + 1 Kr 1,27 . Gn 13 (8) : (1) Gn 13,1 . (2) Gn 13,4 . (3) Gn 13,5 . (4) Gn 13,7 . (5) Gn 13,8 . (6) Gn 13,12 . (7) Gn 13,14 . (8) Gn 13,18 .
- וְאַבְרָם = wë´abërâm (en Abram) < prefix voegwoord wë + eigennaam אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Tenakh (3) : (1) Gn 12,4 . (2) Gn 13,2 . (3) Gn 16,16 .
- אַבְרָהָם = ´abhërâhâm (Abraham) . Zie אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 , zie 41 of ´èlohîm (God) , OF 248 , zie 248 (8 X 31) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . Het merkwaardige aan het getal 248 (8 X 31) is de link met de algemene godsnaam El (getalwaarde 31) . De namen van de patriarchen Isaak (208 = 8 X 26) , Jakob (182 = 7 X 26) en Jozef (156 = 6 X 26) zijn gelinkt aan de specifieke godsnaam JHWH . Ook merkwaardig is de opeenvolging van de namen Abraham (8 X 31) en de naam Isaak (8 X 26) . Abraham (41 of 248) + Sarah (46 of 505) = 87 (3 X 29) OF 753 . De som van de elementen is 6 . Merkwaardig is dat de som : Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 (3 X 29) OF 753 (3 X 251) dezelfde is als de som van Abraham + Sarah . Tenakh (128) . Pentateuch (105) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (13) . Gn (98) .
- Ned. : Abram / Abraham . Arabisch : ابرَاهِيم = ´ibrâhîm (Ibrâhîm) . Taalgebruik in de Qoran : ibrâhîm (Ibrâhîm) . Qoran (75) . Grieks : αβρααμ = abraam (Abraham) . Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) . Hebreeuws : אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) .

Gn 13,12.2. act. qal perf. 3de pers. mann. enk. יָשַׁב = jâsjabh (hij verbleef) . Zie het werkw. יָשַׁב = jâsjabh (zitten, wonen, verblijven) . Taalgebruik in Tenakh : jâsjabh (wonen) . Getalswaarde : jod = 10 , sjin = 21 of 300 , beth = 2 ; totaal : 33 (3 X 11) OF 312 (2³ X 3 X 13) . Structuur : 1 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . j-sj-b : Tenakh (123) . Pentateuch (21) . Gn (11) : (1) Gn 4,20 . (2) Gn 13,7 . (3) Gn 13,12 . (4) Gn 14,12 . (5) Gn 18,1 . (6) Gn 19,1 . (7) Gn 19,29 . (8) Gn 23,10 . (9) Gn 24,37 . (10) Gn 25,27 . (11) Gn 44,33 .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. κατῳκησεν = katô(i)kèsen (hij zeete neer, hij woonde) van het werkw. κατοικεω = katô(i)keô (neerzetten, wonen) . Zie het zelfst. naamw. κατοικησις = katoikèsis (woning) . Taalgebruik in het NT : katoikèsis (woning) . Taalgebruik in de LXX : : katoikèsis (woning) . Bijbel (40) . LXX (40) . Pentateuch (16) . Gn () : (1) Gn 11,31 . (2) Gn 13,12 . (3) Gn 13,18 . (4) Gn 21,20 . (5) Gn 21,21 . (6) Gn 22,19 . (7) Gn 25,11 . (8) Gn 25,18 . (9) Gn 26,6 . (10) Gn 26,17 . (11) Gn 35,22 . (12) Gn 47,27 . (13) Gn 50,22 . NT (3) .

Gn 13,12.3. בְּאֶרֶץ / בָּאָרֶץ = bâ´èrèts / bâ´ârèts (in het land) < voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalswaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (398) . Pentateuch (150) . Eerdere Profeten (58) . Latere Profeten (100) . 12 Kleine Profeten (15) . Geschriften (75) . Gn (77) . Gn 12 (2) : (1) Gn 12,6 . (2) Gn 12,10 . Ex (23) . Lv (6) : (1) Lv 19,34 . (2) Lv 25,10 . (3) Lv 26,6 . (4) Lv 26,34 . (5) Lv 26,41 . (6) Lv 26,44 .

Gn 13,12.4. כְּנָעַן = kënâ`an (Kanaän) . Taalgebruik in Tenakh : kënâ`an (Kanaän) . Hij is de vierde zoon van Cham (die de tweede zoon van Noah is) . Getalswaarde : kaph = 11 of 20 , nun = 14 of 50 , ajin = 16 of 70 , nun = 14 of 50 ; totaal : 55 (5 X 11) OF 190 (2 X 5 X 19) . Tenakh (86) . Gn (43) : (1) Gn 9,18 . (2) Gn 9,22 . (3) Gn 9,25 . (4) Gn 9,26 . (5) Gn 9,27 . (6) Gn 11,31 . (7) Gn 12,5 . (8) Gn 13,12 . (9) Gn 16,3 . (10) Gn 17,8 .

Gn 13,123. - 4. Tenakh (30) . Gn () : (1) Gn 13,12 . (2) Gn 16,3 . (3) Gn 23,2 . (4) Gn 23,19 . (5) Gn 33,18 . (6) Gn 35,6 . (7) Gn 36,5 . (8) Gn 36,6 . (9) Gn 37,1 . (10) Gn 42,5 . (11) Gn 42,13 . (12) Gn 42,32 . (13) Gn 46,6 . (14) Gn 46,12 . (15) Gn 46,31 . (16)

Gn 13,12.9. וַיֶּאֶהַל = wajjè´èhal (en hij sloeg zijn tenten op) < prefix waw consecutivum + act. ind. imperf. 3de pers. enk. van het werkw. אָהַל = ´âhal (de tent opslaan) . Zie het zelfst. naamw. אֹהֶל = ´ohèl (tent, woning) . Taalgebruik in Tenakh : ´ohèl (tent, woning) . Getalwaarde : aleph = 1 , he = 5 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 1 - 5 - 3 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (2) : (1) Gn 13,12 . (2) Gn 13,18 .

Gn 13,13 - Gn 13,13 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn 13 -- Gn 13,1 - Gn 13,2 - Gn 13,3 - Gn 13,4 - Gn 13,5 - Gn 13,6 - Gn 13,7 - Gn 13,8 - Gn 13,9 - Gn 13,10 - Gn 13,11 - Gn 13,12 - Gn 13,13 - Gn 13,14 - Gn 13,15 - Gn 13,16 - Gn 13,17 - Gn 13,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
13 οἱ δὲ ἄνθρωποι οἱ ἐν Σοδόμοις πονηροὶ καὶ ἁμαρτωλοὶ ἐναντίον τοῦ Θεοῦ σφόδρα. 13 homines autem Sodomitae pessimi erant et peccatores coram Domino nimis   13 En de mannen van Sodom waren boos, en grote zondaars tegen den HEERE. [13] De Sodomieten bedreven veel* kwaad en zondigden tegen de heer.  [13] de mensen daar waren slecht, ze zondigden zwaar tegen de HEER.  13 De mannen van Sodom zijn bovenmate kwaadaardig en zondig,- tegenover de Ene. 13. Les gens de Sodome étaient de grands scélérats et pécheurs contre Yahvé.

King James Bible . [13] But the men of Sodom were wicked and sinners before the LORD exceedingly.
Luther-Bibel . 13Aber die Leute zu Sodom waren böse und sündigten sehr wider den HERRN. Der HERR wiederholt seine Verheißung an Abram

Tekstuitleg van Gn 13,13 .

Gn 13,14 - Gn 13,14 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn 13 -- Gn 13,1 - Gn 13,2 - Gn 13,3 - Gn 13,4 - Gn 13,5 - Gn 13,6 - Gn 13,7 - Gn 13,8 - Gn 13,9 - Gn 13,10 - Gn 13,11 - Gn 13,12 - Gn 13,13 - Gn 13,14 - Gn 13,15 - Gn 13,16 - Gn 13,17 - Gn 13,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
14 ῾Ο δὲ Θεὸς εἶπε τῷ ῞Αβραμ μετὰ τὸ διαχωρισθῆναι τὸν Λὼτ ἀπ᾿ αὐτοῦ· ἀνάβλεψον τοῖς ὀφθαλμοῖς σου καὶ ἴδε ἀπὸ τοῦ τόπου, οὗ νῦν σύ εἶ, πρὸς βορρᾶν καὶ λίβα καὶ ἀνατολὰς καὶ θάλασσαν· 14 dixitque Dominus ad Abram postquam divisus est Loth ab eo leva oculos tuos et vide a loco in quo nunc es ad aquilonem et ad meridiem ad orientem et ad occidentem   14 En de HEERE zeide tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: Hef uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en westwaarts.
[14] Nadat Lot was weggegaan zei de heer tegen Abram: ‘Laat uw blik rondgaan en kijk vanaf de plaats waar u staat naar het noorden en het zuiden, het oosten en het westen. 

[14] Nadat Lot was weggegaan, zei de HEER tegen Abram: ‘Kijk eens goed om je heen, kijk vanaf de plaats waar je nu staat naar het noorden, het zuiden, het oosten en het westen. 
14 De Ene heeft tot Abram gezegd nadat Lot zich heeft afgescheiden van samen met hem: hef je ogen op en zie vanaf de plaats waar je bent naar noord en zuid, oostwaarts en westwaarts; 14. Yahvé dit à Abram, après que Lot se fut séparé de lui : Lève les yeux et regarde, de l'endroit où tu es, vers le nord et le midi, vers l'orient et l'occident.

King James Bible . [14] And the LORD said unto Abram, after that Lot was separated from him, Lift up now thine eyes, and look from the place where thou art northward, and southward, and eastward, and westward:
Luther-Bibel . 14Als nun Lot sich von Abram getrennt hatte, sprach der HERR zu Abram: Hebe deine Augen auf und sieh von der Stätte aus, wo du wohnst, nach Norden, nach Süden, nach Osten und nach Westen.

Tekstuitleg van Gn 13,14 .

4. אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalswaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , mem = 13 of 40 ; totaal : 36 (2² X 3²) of 243 (3² X 3³) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 (3 X 29) OF 753 (3 X 251) . Abram (36 of 243) + Hagar (28 of 208) = 64 (2³ X 2³) OF 451 (11 X 41) . 451 is de getalswaarde van jisjëmâ`e´l (Ismaël) . Taalgebruik in Tenakh : jisjëmâ`e´l (Ismaël) . De getalswaarde van jishërâ´el (Israël) is 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Taalgebruik in Tenakh : jishërâ´el (Israël) . Tenakh (44) . Gn (43) + 1 Kr 1,27 . Gn 13 (8) : (1) Gn 13,1 . (2) Gn 13,4 . (3) Gn 13,5 . (4) Gn 13,7 . (5) Gn 13,8 . (6) Gn 13,12 . (7) Gn 13,14 . (8) Gn 13,18 .
- וְאַבְרָם = wë´abërâm (en Abram) < prefix voegwoord wë + eigennaam אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Tenakh (3) : (1) Gn 12,4 . (2) Gn 13,2 . (3) Gn 16,16 .
- Ned. : Abram / Abraham . Arabisch : ابرَاهِيم = ´ibrâhîm (Ibrâhîm) . Taalgebruik in de Qoran : ibrâhîm (Ibrâhîm) . Qoran (75) . Grieks : αβρααμ = abraam (Abraham) . Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) . Hebreeuws : אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) .

3. - 4. אֶל אַבְרָם = ´èl ´abhërâm (tot Abram) . Bijbel / Gn (8) : (1) Gn 12,1 . (2) Gn 12,7 . (3) Gn 13,14 . (4) Gn 14,21 . (5) Gn 15,1 . (6) Gn 16,2 . (7) Gn 16,5 . (8) Gn 17,1 .
Met contekst :
(1) Gn 12,1 : וַיּאֹמֶר יהוה אֶל אַבְרָם = wajj´omèr JHWH ´èl ´abhërâm (en JHWH zei tot Abram) .
(2) Gn 12,7 : ןַיֵּרָא יהוה אֶל אַבְרָם = wajjerâ´ JHWH ´èl ´abhërâm (en JHWH verscheen aan Abram) .
(3) Gn 13,14 : וִיהוָה אָמַר אֶל אַבְרָם = waJHWH ´âmar ´èl ´abhërâm (en JHWH zei tot Abram) .
(4) Gn 14,21 : וַיּאֹמֶר מֶלֶך סְדֹם אֶל אַבְרָם = wajj´omèr mèlèkh Sëdom ´èl ´abhërâm (en de koning van Sodom zei tot Abram) .
(5) Gn 15,1 : הָיָה דְבַר יהוה אֶל אַבְרָם = hâjâh dëbhar IHWH ´èl ´abhërâm (het woord van JHWH kwam tot Abram) .
(6) Gn 16,2 : וַתֹאמַר שָׂרַי אֶל אַבְרָם = waththo´mèr shâraj ´èl ´abhërâm (en Sarai zei tot Abram) .
(7) Gn 16,5 : וַתֹאמַר שָׂרַי אֶל אַבְרָם = waththo´mèr shâraj ´èl ´abhërâm (en Sarai zei tot Abram) .
(8) Gn 17,1 : ןַיֵּרָא יהוה אֶל אַבְרָם = wajjerâ´ JHWH ´èl ´abhërâm (en JHWH verscheen aan Abram) .
In vier verzen is JHWH onderwerp . In zes verzen gaat het om een spreken ; in twee verzen om een verschijnen van JHWH : (1) Gn 12,7 . (2) Gn 17,1 ; ןַיֵּרָא יהוה אֶל אַבְרָם = wajjerâ´ JHWH ´èl ´abhërâm (en JHWH verscheen aan Abram) . wajjerâ´ JHWH ´èl ´abhërâm (en JHWH verscheen aan Abram) .
- Lettinga 12, 2012 , 6 : Een horizontale streep bovenaan tussen twee woorden , wordt maqqef genoemd . Ze verbindt de twee woorden tot een klemtooneenheid . Dit teken staat in het bijzonder na éénlettergrepige partikels zoals ´èl (tot, naar) .

14. הַמַּקוֹם = hammâqôm (de plaats) < bepaald lidw. ha + מַקוֹם = maqôm (plaats, verblijfplaats) . Taalgebruik in Tenakh : maqôm (plaats, verblijfplaats) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , qoph = 19 of 100 , waw = 6 ; totaal : 51 (3 X 17) OF 186 (2 X 3 X 31) . Structuur : 4 - 1 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 6 .Tenakh (114) . Pentateuch (51) . Eerdere Profeten (26) . Latere Profeten (21) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (14) .Gn (22) : (1) Gn 13,3 . (2) Gn 13,14 . (3) Gn 18,26 . (4) Gn 19,12 . (5) Gn 19,13 . (6) Gn 19,14 . (7) Gn 19,27 . (8) Gn 20,13 . (9) Gn 22,3 . (10) Gn 22,4 . (11) Gn 22,9 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 26,7 . (14) Gn 28,11 . (15) Gn 28,17 . (16) Gn 28,19 . (17) Gn 29,22 . (18) Gn 32,3 . (19) Gn 32,31 . (20) Gn 33,17 . (21) Gn 35,15 . (22) Gn 38,22 .
- Gr. τοπος = topos (plaats) . Taalgebruik in het NT : topos (plaats) . Taalgebruik in de LXX : topos (plaats) . Een vorm van τοπος = topos in de LXX (613) , in het NT (95) .
- Ned. : plaats . D. : Stätte . E. : place . Fr. : place . Grieks : τοπος = topos (plaats) . Taalgebruik in het NT : topos (plaats) . Hebreeuws : מַקוֹם = maqôm (plaats, verblijfplaats) . Taalgebruik in Tenakh : maqôm (plaats, verblijfplaats) . Lat. : locus .

Gn 13,15 - Gn 13,15 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn 13 -- Gn 13,1 - Gn 13,2 - Gn 13,3 - Gn 13,4 - Gn 13,5 - Gn 13,6 - Gn 13,7 - Gn 13,8 - Gn 13,9 - Gn 13,10 - Gn 13,11 - Gn 13,12 - Gn 13,13 - Gn 13,14 - Gn 13,15 - Gn 13,16 - Gn 13,17 - Gn 13,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
15 ὅτι πᾶσαν τὴν γῆν, ἣν σὺ ὁρᾷς, σοὶ δώσω αὐτὴν καὶ τῷ σπέρματί σου ἕως αἰῶνος. 15 omnem terram quam conspicis tibi dabo et semini tuo usque in sempiternum   15 Want al dit land, dat gij ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. [15] Al het land dat u ziet, schenk Ik aan u en aan uw nageslacht, voor altijd.  [15] Al het land dat je ziet geef ik aan jou en je nakomelingen, voor altijd.  15 want heel het land dat je ziet, aan jou zal ik het geven,- en aan je zaad, tot in eeuwigheid; 15. Tout le pays que tu vois, je le donnerai à toi et à ta postérité pour toujours.

King James Bible . [15] For all the land which thou seest, to thee will I give it, and to thy seed for ever.
Luther-Bibel . 15Denn all das Land, das du siehst, will ich dir und deinen Nachkommen geben für alle Zeit

Tekstuitleg van Gn 13,15 .

2. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is 5 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 13 (5) : (1) Gn 13,5 . (2) Gn 13,10 . (3) Gn 13,11 . (4) Gn 13,15 . (5) Gn 13,16 .

- äsjèr ´aththâh ro´èh (dat je ziende zijt) . In drie verzen in de bijbel : (1) Gn 13,15 . (2) Gn 31,43 . (3) Ez 40,3 .

Gn 13,16 - Gn 13,16 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn 13 -- Gn 13,1 - Gn 13,2 - Gn 13,3 - Gn 13,4 - Gn 13,5 - Gn 13,6 - Gn 13,7 - Gn 13,8 - Gn 13,9 - Gn 13,10 - Gn 13,11 - Gn 13,12 - Gn 13,13 - Gn 13,14 - Gn 13,15 - Gn 13,16 - Gn 13,17 - Gn 13,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
16 καὶ ποιήσω τὸ σπέρμα σου ὡς τὴν ἄμμον τῆς γῆς· εἰ δύναταί τις ἐξαριθμῆσαι τὴν ἄμμον τῆς γῆς, καὶ τὸ σπέρμα σου ἐξαριθμηθήσεται. 16 faciamque semen tuum sicut pulverem terrae si quis potest hominum numerare pulverem semen quoque tuum numerare poterit   16 En Ik zal uw zaad stellen als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden. [16] Ik zal uw nakomelingen zo talrijk maken als het zand op de aarde. Alleen iemand die het zand van de aarde kan tellen, zal uw nakomelingen kunnen tellen.  [16] En ik zal je zoveel nakomelingen geven als er stof op de aarde is: ze zullen even ontelbaar zijn als alle stofdeeltjes op de aarde.  16 maken wil ik je zaad als het stof der aarde; zodat, áls iemand bij machte zal zijn het stof der aarde te tellen, ook jouw zaad zal kunnen worden geteld; 16. Je rendrai ta postérité comme la poussière de la terre : quand on pourra compter les grains de poussière de la terre, alors on comptera tes descendants !

King James Bible . [16] And I will make thy seed as the dust of the earth: so that if a man can number the dust of the earth, then shall thy seed also be numbered.
Luther-Bibel . 16und will deine Nachkommen machen wie den Staub auf Erden. Kann ein Mensch den Staub auf Erden zählen, der wird auch deine Nachkommen zählen.

Tekstuitleg van Gn 13,16 -

2. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is 5 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 13 (5) : (1) Gn 13,5 . (2) Gn 13,10 . (3) Gn 13,11 . (4) Gn 13,15 . (5) Gn 13,16 .

Gn 13,17 - Gn 13,17 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn 13 -- Gn 13,1 - Gn 13,2 - Gn 13,3 - Gn 13,4 - Gn 13,5 - Gn 13,6 - Gn 13,7 - Gn 13,8 - Gn 13,9 - Gn 13,10 - Gn 13,11 - Gn 13,12 - Gn 13,13 - Gn 13,14 - Gn 13,15 - Gn 13,16 - Gn 13,17 - Gn 13,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
17 ἀναστὰς διόδευσον τὴν γῆν εἴς τε τὸ μῆκος αὐτῆς καὶ εἰς τὸ πλάτος, ὅτι σοὶ δώσω αὐτὴν καὶ τῷ σπέρματί σου εἰς τὸν αἰῶνα. 17 surge et perambula terram in longitudine et in latitudine sua quia tibi daturus sum eam   17 Maak u op, wandel door dit land, in zijn lengte en in zijn breedte; want Ik zal het u geven. [17] Ga het hele land door in de lengte en in de breedte, want Ik schenk het aan u!’  [17] Kom, doorkruis het land in zijn volle lengte en breedte, want aan jou zal ik het geven.’  17 sta op en wandel in het land in z'n lengte en breedte!- want jou ga ik het geven! 17. Debout ! Parcours le pays en long et en large, car je te le donnerai.

King James Bible . [17] Arise, walk through the land in the length of it and in the breadth of it; for I will give it unto thee.
Luther-Bibel . 17Darum mach dich auf und durchzieh das Land in die Länge und Breite, denn dir will ich's geben.

Tekstuitleg van Gn 13,17. j

Gn 13,18 - Gn 13,18 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn 13 -- Gn 13,1 - Gn 13,2 - Gn 13,3 - Gn 13,4 - Gn 13,5 - Gn 13,6 - Gn 13,7 - Gn 13,8 - Gn 13,9 - Gn 13,10 - Gn 13,11 - Gn 13,12 - Gn 13,13 - Gn 13,14 - Gn 13,15 - Gn 13,16 - Gn 13,17 - Gn 13,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
18 καὶ ἀποσκηνώσας ῞Αβραμ, ἐλθὼν κατῴκησε παρὰ τὴν δρῦν τὴν Μαμβρῆ, ἣ ἦν ἐν Χεβρώμ, καὶ ᾠκοδόμησεν ἐκεῖ θυσιαστήριον τῷ Κυρίῳ. 18 movens igitur Abram tabernaculum suum venit et habitavit iuxta convallem Mambre quod est in Hebron aedificavitque ibi altare Domino   18 En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbossen van Mamre, die bij Hebron zijn; en hij bouwde aldaar den HEERE een altaar. [18] Toen sloeg Abram zijn tent op en ging wonen bij de e- mamëre´ (Mamre) , zie Gn 13,18 .oor de heer.  [18] Toen brak Abram op en ging wonen bij de eiken van Mamre, bij Hebron. Daar bouwde hij een altaar voor de HEER.  18 Abram slaat zijn tent op, komt aan en zetelt bij de godseiken van Mamree bij Chevron; hij bouwt daar een altaar voor de Ene. • 18. Avec ses tentes, Abram alla s'établir au Chêne de Mambré, qui est à Hébron, et là, il érigea un autel à Yahvé.

King James Bible . [18] Then Abram removed his tent, and came and dwelt in the plain of Mamre, which is in Hebron, and built there an altar unto the LORD.
Luther-Bibel . 13.18Und Abram zog weiter mit seinem Zelt und kam und wohnte im Hain Mamre, der bei Hebron ist, und baute dort dem HERRN einen Altar.

Tekstuitleg van Gn 13,18 .

1. וַיֶּאֶהַל = wajjè´èhal (en hij sloeg zijn tenten op) < prefix waw consecutivum + act. ind. imperf. 3de pers. enk. van het werkw. אָהַל = ´âhal (de tent opslaan) . Zie het zelfst. naamw. אֹהֶל = ´ohèl (tent, woning) . Taalgebruik in Tenakh : ´ohèl (tent, woning) . Getalwaarde : aleph = 1 , he = 5 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 1 - 5 - 3 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (2) : (1) Gn 13,12 . (2) Gn 13,18 .

2. אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalswaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , mem = 13 of 40 ; totaal : 36 (2² X 3²) of 243 (3² X 3³) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 (3 X 29) OF 753 (3 X 251) . Abram (36 of 243) + Hagar (28 of 208) = 64 (2³ X 2³) OF 451 (11 X 41) . 451 is de getalswaarde van jisjëmâ`e´l (Ismaël) . Taalgebruik in Tenakh : jisjëmâ`e´l (Ismaël) . De getalswaarde van jishërâ´el (Israël) is 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Taalgebruik in Tenakh : jishërâ´el (Israël) . Tenakh (44) . Gn (43) + 1 Kr 1,27 . Gn 13 (8) : (1) Gn 13,1 . (2) Gn 13,4 . (3) Gn 13,5 . (4) Gn 13,7 . (5) Gn 13,8 . (6) Gn 13,12 . (7) Gn 13,14 . (8) Gn 13,18 .
- וְאַבְרָם = wë´abërâm (en Abram) < prefix voegwoord wë + eigennaam אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Tenakh (3) : (1) Gn 12,4 . (2) Gn 13,2 . (3) Gn 16,16 .
- Ned. : Abram / Abraham . Arabisch : ابرَاهِيم = ´ibrâhîm (Ibrâhîm) . Taalgebruik in de Qoran : ibrâhîm (Ibrâhîm) . Qoran (75) . Grieks : αβρααμ = abraam (Abraham) . Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) . Hebreeuws : אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) .

6. מַמְרֵא = mamëre' (Mamre) . Taalgebruik in Tenakh : mamëre´ (Mamre) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 47 OF 281 (priemgetal) . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (9) : (1) Gn 13,18 . (2) Gn 14,13 . (3) Gn 18,1 . (4) Gn 23,17 . (5) Gn 23,19 . (6) Gn 25,9 . (7) Gn 35,27 . (8) Gn 49,30 . (9) Gn 50,13 .
- בְאֵלֹנֵי מַמְרֵא = bë´elonè(j) mamëre´ (bij de eik van Mamre) . Tenakh (3) : (1) Gn 13,18 . (2) Gn 14,13 . (3) Gn 18,1 .

8. bëchèbhërôn (in Hebron) . In eenentwintig verzen in de bijbel : (1) Gn 13,18 .
- hèbhërôn (Hebron) . Verwijzing : hèbhërôn (Hebron) , zie Gn 13,18 . In drieëndertig verzen in de bijbel .

9. - 11. וַיִּבֶן שָׁם מִזְבֵחַ = wajjibhèn sjâm mizëbeach (en hij bouwde daar een altaar) . Tenakh (6) : (1) Gn 12,7 (Abram te Sichem) . (2) Gn 12,8 (Abram tussen Betel en Ai) . (3) Gn 13,18 (Abram te Hebron) . (4) Gn 26,25 (Isaak te Berseba) . (5) Gn 35,7 (Jakob te Betel) . (6) 1 S 7,17 (Samuël te Rama) .

9. - 12. וַיִּבֶן שָׁם מִזְבֵחַ לַיהוה = wajjibhèn sjâm mizëbeach laJHWH (en hij bouwde daar een altaar voor de Heer) . Tenakh (4) : (1) Gn 12,7 . (2) Gn 12,8 . (3) Gn 13,18 . (4) 1 S 7,17 .



- Hebreeuwse tekst OF modern Hebreeuws NT

א וַיַּעַל אַבְרָם מִמִּצְרַיִם הוּא וְאִשְׁתּוֹ וְכָל-אֲשֶׁר-לוֹ, וְלוֹט עִמּוֹ--הַנֶּגְבָּה. ב וְאַבְרָם, כָּבֵד מְאֹד, בַּמִּקְנֶה, בַּכֶּסֶף וּבַזָּהָב. ג וַיֵּלֶךְ, לְמַסָּעָיו, מִנֶּגֶב, וְעַד-בֵּית-אֵל--עַד-הַמָּקוֹם, אֲשֶׁר-הָיָה שָׁם אָהֳלֹה בַּתְּחִלָּה, בֵּין בֵּית-אֵל, וּבֵין הָעָי. ד אֶל-מְקוֹם, הַמִּזְבֵּחַ, אֲשֶׁר-עָשָׂה שָׁם, בָּרִאשֹׁנָה; וַיִּקְרָא שָׁם אַבְרָם, בְּשֵׁם יְהוָה. ה וְגַם-לְלוֹט--הַהֹלֵךְ, אֶת-אַבְרָם: הָיָה צֹאן-וּבָקָר, וְאֹהָלִים. ו וְלֹא-נָשָׂא אֹתָם הָאָרֶץ, לָשֶׁבֶת יַחְדָּו: כִּי-הָיָה רְכוּשָׁם רָב, וְלֹא יָכְלוּ לָשֶׁבֶת יַחְדָּו. ז וַיְהִי-רִיב, בֵּין רֹעֵי מִקְנֵה-אַבְרָם, וּבֵין, רֹעֵי מִקְנֵה-לוֹט; וְהַכְּנַעֲנִי, וְהַפְּרִזִּי, אָז, יֹשֵׁב בָּאָרֶץ. ח וַיֹּאמֶר אַבְרָם אֶל-לוֹט, אַל-נָא תְהִי מְרִיבָה בֵּינִי וּבֵינֶךָ, וּבֵין רֹעַי, וּבֵין רֹעֶיךָ: כִּי-אֲנָשִׁים אַחִים, אֲנָחְנוּ. ט הֲלֹא כָל-הָאָרֶץ לְפָנֶיךָ, הִפָּרֶד נָא מֵעָלָי: אִם-הַשְּׂמֹאל וְאֵימִנָה, וְאִם-הַיָּמִין וְאַשְׂמְאִילָה. י וַיִּשָּׂא-לוֹט אֶת-עֵינָיו, וַיַּרְא אֶת-כָּל-כִּכַּר הַיַּרְדֵּן, כִּי כֻלָּהּ, מַשְׁקֶה--לִפְנֵי שַׁחֵת יְהוָה, אֶת-סְדֹם וְאֶת-עֲמֹרָה, כְּגַן-יְהוָה כְּאֶרֶץ מִצְרַיִם, בֹּאֲכָה צֹעַר. יא וַיִּבְחַר-לוֹ לוֹט, אֵת כָּל-כִּכַּר הַיַּרְדֵּן, וַיִּסַּע לוֹט, מִקֶּדֶם; וַיִּפָּרְדוּ, אִישׁ מֵעַל אָחִיו. יב אַבְרָם, יָשַׁב בְּאֶרֶץ-כְּנָעַן; וְלוֹט, יָשַׁב בְּעָרֵי הַכִּכָּר, וַיֶּאֱהַל, עַד-סְדֹם. יג וְאַנְשֵׁי סְדֹם, רָעִים וְחַטָּאִים, לַיהוָה, מְאֹד. יד וַיהוָה אָמַר אֶל-אַבְרָם, אַחֲרֵי הִפָּרֶד-לוֹט מֵעִמּוֹ, שָׂא נָא עֵינֶיךָ וּרְאֵה, מִן-הַמָּקוֹם אֲשֶׁר-אַתָּה שָׁם--צָפֹנָה וָנֶגְבָּה, וָקֵדְמָה וָיָמָּה. טו כִּי אֶת-כָּל-הָאָרֶץ אֲשֶׁר-אַתָּה רֹאֶה, לְךָ אֶתְּנֶנָּה, וּלְזַרְעֲךָ, עַד-עוֹלָם. טז וְשַׂמְתִּי אֶת-זַרְעֲךָ, כַּעֲפַר הָאָרֶץ: אֲשֶׁר אִם-יוּכַל אִישׁ, לִמְנוֹת אֶת-עֲפַר הָאָרֶץ--גַּם-זַרְעֲךָ, יִמָּנֶה. יז קוּם הִתְהַלֵּךְ בָּאָרֶץ, לְאָרְכָּהּ וּלְרָחְבָּהּ: כִּי לְךָ, אֶתְּנֶנָּה. יח וַיֶּאֱהַל אַבְרָם, וַיָּבֹא וַיֵּשֶׁב בְּאֵלֹנֵי מַמְרֵא--אֲשֶׁר בְּחֶבְרוֹן; וַיִּבֶן-שָׁם מִזְבֵּחַ, לַיהוָה. {פ}

Jiddisch : און אבֿרם איז אַרױפֿגעגאַנגען פֿון מִצרַיִם, ער און זײַן װײַב, און אַלץ װאָס ער האָט געהאַט, און לוט מיט אים, קײן דרום. 2 און אבֿרם איז געװען זײער רײַך אין פֿי, אין זילבער, און אין גאָלד. 3 און ער איז געגאַנגען אױף זײַנע ציונגען, פֿון דרום און ביז בית-אֵל, ביז דעם אָרט װאָס זײַן געצעלט איז דאָרטן געװען אין אָנהײב, צװישן בית-אֵל און צװישן עַי, 4 צו דעם אָרט פֿון דעם מזבח װאָס ער האָט דאָרטן געמאַכט צוערשט; און װאָס אבֿרם האָט דאָרטן גערופֿן צו דעם נאָמען יהוה. 5 און אױך בײַ לוטן, װאָס איז געגאַנגען מיט אבֿרמען, זײַנען געװען שאָף און רינדער און געצעלטן. 6 און דאָס לאַנד האָט זײ ניט געקענט טראָגן, צו װױנען באַנאַנד; װײַל זײער פֿאַרמעג איז געװען בראשית גרױס, און זײ האָבן ניט געקענט װױנען באַנאַנד. 7 און עס איז געװען אַ קריגערײַ צװישן די פּאַסטוכער פֿון אבֿרמס פֿי און צװישן די פּאַסטוכער פֿון לוטס פֿי. און דער כּנַעֲני און דער פּרִזי זײַנען דענצמאָל געזעסן אין לאַנד. 8 האָט אבֿרם געזאָגט צו לוטן: זאָל, איך בעט דיך, ניט זײַן קײן קריג צװישן מיר און צװישן דיר, און צװישן מײַנע פּאַסטוכער און צװישן דײַנע פּאַסטוכער; װאָרום מיר זײַנען אײגענע מענטשן. 9 דאָס גאַנצע לאַנד ליגט דאָך פֿאַר דיר; שײד זיך אפּ פֿון מיר, איך בעט דיך, ענטװעדער אױף לינקס, און איך װעל זיך נעמען רעכטס, אָדער אױף רעכטס, און איך װעל זיך נעמען לינקס. 10 האָט לוט אױפֿגעהױבן זײַנע אױגן, און האָט געזען די גאַנצע געגנט פֿון יַרדן, אַז זי איז אין גאַנצן באַװעסערט – דאָס איז געװען אײדער גאָט האָט צעשטערט סדום און עַמורָה – אַזױ װי דער גאָרטן פֿון גאָט, אַזױ װי דאָס לאַנד מִצרַיִם, ביז דו קומסט קײן צועַר. 11 און לוט האָט אױסגעקליבן פֿאַר זיך די גאַנצע געגנט פֿון יַרדן; און לוט האָט אַװעקגעצױגן קײן מזרח, און זײ האָבן זיך אָפּגעשײדט אײנער פֿון אַנדערן. 12 אבֿרם האָט זיך באַזעצט אין לאַנד כּנַעַן, און לוט האָט זיך באַזעצט אין די שטעט פֿון דער יַרדן געגנט; און ער האָט געהאַט געצעלטן ביז סדום. 13 און די מענטשן פֿון סדום זײַנען געװען זײער שלעכט און זינדיק צו גאָט. 14 און גאָט האָט געזאָגט צו אבֿרמען, נאָכדעם װי לוט האָט זיך אָפּגעשײדט פֿון אים: הײב אַקאָרשט אױף דײַנע אױגן, און קוק פֿון דעם אָרט װוּ דו ביסט, קײן צפֿון און קײן דרום און קײן מזרח און קײן מערב; 15 װאָרום דאָס גאַנצע לאַנד װאָס דו זעסט, װעל איך געבן צו דיר און צו דײַן זאָמען אױף אײביק. 16 און איך װעל מאַכן דײַן זאָמען אַזױ װי שטױב פֿון דער ערד, אַז אױב עמיצער װעט קענען צײלן דעם שטױב פֿון דער ערד, װעט אױך דײַן זאָמען געצײלט װערן. 17 שטײ אױף, גײ דורכן לאַנד פֿאַר לענג און פֿאַר ברײט, װאָרום צו דיר װעל איך עס געבן. 18 און אבֿרם האָט איבערגעטראָגן זײַן געצעלט, און ער איז געקומען און האָט זיך באַזעצט בײַ די אײכנבײמער פֿון מַמרֵא, װאָס אין


- Targum Onkelos

א וּסְלֵיק אַבְרָם מִמִּצְרַיִם הוּא וְאִתְּתֵיהּ וְכָל דְּלֵיהּ, וְלוֹט עִמֵּיהּ--לְדָרוֹמָא. ב וְאַבְרָם, תְּקֵיף לַחְדָּא, בִּבְעִירָא, בְּכַסְפָּא וּבְדַהְבָּא. ג וַאֲזַל, לְמַטְּלָנוֹהִי, מִדָּרוֹמָא, וְעַד בֵּית אֵל--עַד אַתְרָא, דְּפַרְסֵיהּ תַּמָּן לְמַשְׁכְּנֵיהּ בְּקַדְמֵיתָא, בֵּין בֵּית אֵל, וּבֵין עָי. ד לַאֲתַר, מַדְבְּחָא, דַּעֲבַד תַּמָּן, בְּקַדְמֵיתָא; וְצַלִּי תַּמָּן אַבְרָם, בִּשְׁמָא דַּייָ. ה וְאַף לְלוֹט--דְּאָזֵיל, עִם אַבְרָם: הֲווֹ עָן וְתוֹרִין, וּמַשְׁכְּנִין. ו וְלָא סוֹבַרַת יָתְהוֹן אַרְעָא, לְמִתַּב כַּחְדָּא: אֲרֵי הֲוָה קִנְיָנְהוֹן סַגִּי, וְלָא יְכִילוּ לְמִתַּב כַּחְדָּא. ז וַהֲוָת מַצּוּתָא, בֵּין רָעַן בְּעִירֵיהּ דְּאַבְרָם, וּבֵין, רָעַן בְּעִירֵיהּ דְּלוֹט; וּכְנַעֲנָאָה, וּפְרִזָּאָה, בְּכֵין, יָתֵיב בְּאַרְעָא. ח וַאֲמַר אַבְרָם לְלוֹט, לָא כְּעַן תְּהֵי מַצּוּתָא בֵּינָא וּבֵינָךְ, וּבֵין רָעֲוָתִי, וּבֵין רָעֲוָתָךְ: אֲרֵי גֻּבְרִין אַחִין, אֲנַחְנָא. ט הֲלָא כָּל אַרְעָא קֳדָמָךְ, אִתְפָּרַשׁ כְּעַן מִלְּוָתִי: אִם אַתְּ לְצִפּוּנָא אֲנָא לְדָרוֹמָא, וְאִם אַתְּ לְדָרוֹמָא וְאַצְפְּנָךְ. י וּזְקַף לוֹט יָת עֵינוֹהִי, וַחֲזָא יָת כָּל מֵישַׁר יַרְדְּנָא, אֲרֵי כֻּלֵּיהּ, בֵּית שִׁקְיָא--קֳדָם חַבָּלוּת יְיָ, יָת סְדוֹם וְיָת עֲמוֹרָה, כְּגִנְּתָא דַּייָ כְּאַרְעָא דְּמִצְרַיִם, מָטֵי צֹעַר. יא וּבְחַר לֵיהּ לוֹט, יָת כָּל מֵישַׁר יַרְדְּנָא, וּנְטַל לוֹט, בְּקַדְמֵיתָא; וְאִתְפָּרַשׁוּ, גְּבַר מִלְּוָת אֲחוּהִי. יב אַבְרָם, יְתֵיב בְּאַרְעָא דִּכְנָעַן; וְלוֹט, יְתֵיב בְּקִרְוֵי מֵישְׁרָא, וּפְרַס, עַד סְדוֹם. יג וְאַנְשֵׁי סְדוֹם, בִּישִׁין בְּמָמוֹנְהוֹן וְחַיָּבִין בְּגִוְיָתְהוֹן, קֳדָם יְיָ, לַחְדָּא. יד וַייָ אֲמַר לְאַבְרָם, בָּתַר דְּאִתְפָּרַשׁ לוֹט מֵעִמֵּיהּ, זְקוֹף כְּעַן עֵינָךְ וַחְזִי, מִן אַתְרָא דְּאַתְּ תַּמָּן--לְצִפּוּנָא וּלְדָרוֹמָא, וּלְמַדְנְחָא וּלְמַעְרְבָא. טו אֲרֵי יָת כָּל אַרְעָא דְּאַתְּ חָזֵי, לָךְ אֶתְּנִנַּהּ, וְלִבְנָךְ, עַד עָלְמָא. טז וַאֲשַׁוֵּי יָת בְּנָךְ, סַגִּיאִין כְּעַפְרָא דְּאַרְעָא: כְּמָא דְּלֵית אִפְשָׁר לִגְבַר, לְמִמְנֵי יָת עַפְרָא דְּאַרְעָא--אַף בְּנָךְ, לָא יִתְמְנוֹן. יז קוּם הַלֵּיךְ בְּאַרְעָא, לְאֻרְכַּהּ וּלְפֻתְיַהּ: אֲרֵי לָךְ, אֶתְּנִנַּהּ. יח וּפְרַס אַבְרָם, וַאֲתָא וִיתֵיב בְּמֵישְׁרֵי מַמְרֵא--דִּבְחֶבְרוֹן; וּבְנָא תַּמָּן מַדְבְּחָא, קֳדָם יְיָ.

XIII. And Abram went up from Mizraim, he and his wife (and) all that he had; and Lot with him, to go to the south. And Abram had become very strong in cattle, in silver, and in gold. And he proceeded in his journeyings from the south unto Bethel, and returned to the place where he had outspread his tabernacle at the first, between Bethel and Ai, to the place of the altar which he had made there at the beginning; and Abram prayed there in the Name of the Lord. And also unto Lot, who was remembered through the righteousness of Abram, there were sheep and oxen and tents. And the land could not sustain them to dwell together, because their possessions were great, and they were not able to dwell together. And contentions arose between the shepherds of Abram's flock, and the shepherds of the flocks of Lot; for the shepherds of Abram had been instructed by him not to go among the Kenaanaee and the Pherizaee, who, as yet, had power in the land, and to restrain the cattle that they should make no depredation in going to the place of their pasture: but the shepherds of Lot would go and feed in the grounds of the Kenaanaee and Pherizaee who yet dwelt in the land. [JERUSALEM. 6. Their treasures. 7. And there was strife between the shepherds of Abram's cattle and the shepherds of the cattle of Lot. The shepherds of Abram restrained their beasts until the time of their coming to the place of their pasture; but the shepherds of Lot did not restrain their beasts, but turned them free, and went. But Abram's shepherds had been instructed by Abram their righteous master, Go not to the Kenaanaee and Pherizaee; for as yet they have possession in the land.]

And Abram said to Lot, Between me and thee let there not now be controversy, nor between my shepherds and thy shepherds; for we are brother-men. Is not all the land before thee? Separate then from me. If thou to the north, I to the south: if thou to the south, I to the north. And Lot uplifted his eyes towards (the place of) fornication; and beheld all the plain of Jardena that it was altogether well watered, before the Lord in his wrath had destroyed Sedom and Amorah; a land admirable for trees, as the garden of the Lord, and for fruitage, as the land of Mizraim as thou goest up to Zoar. And Lot chose to him all the plain of Jardena; and Lot journeyed from the east, and they separated the one man from his brother. Abram dwelt in the land of Kenaan, and Lot dwelt in the towns of the plain, and spread his tabernacle towards Sedom. And the men of Sedom were depraved in their wealth one with another, and they sinned in their bodies; they sinned with open nakedness, and the shedding of innocent blood, and practised strange worship, and rebelled greatly against the name of the Lord.

And the Lord said to Abram, after that Lot had separated from him, Lift up now thine eyes, and look, from the place where thou art, to the north and to the south, to the east and to the west: for all the land that thou seest will I give unto thee, and to thy sons, for ever. And I will make thy sons manifold as the dust of the earth, as that, as it is impossible for a man to number the dust of the earth, so also it shall be impossible to number thy sons. Arise journey in the land, and make occupation of it in length and breadth; for to thee will I give it. And Abram stretched his tent (and made folds) for oxen and sheep, and came and dwelt in the vale of Mamre which is in Hebron, and builded there an altar before the Lord.


- Griekse tekst - Septuaginta

ΑΝΕΒΗ δὲ ῞Αβραμ ἐξ Αἰγύπτου, αὐτὸς καὶ ἡ γυνὴ αὐτοῦ καὶ πάντα τὰ αὐτοῦ καὶ Λὼτ μετ᾿ αὐτοῦ, εἰς τὴν ἔρημον. 2 ῞Αβραμ δὲ ἦν πλούσιος σφόδρα κτήνεσι καὶ ἀργυρίῳ καὶ χρυσίῳ. 3 καὶ ἐπορεύθη ὅθεν ἦλθεν εἰς τὴν ἔρημον ἕως Βαιθήλ, ἕως τοῦ τόπου, οὗ ἦν ἡ σκηνὴ αὐτοῦ τὸ πρότερον, ἀνὰ μέσον Βαιθὴλ καὶ ἀνὰ μέσον ᾿Αγγαί, 4 εἰς τὸν τόπον τοῦ θυσιαστηρίου, οὗ ἐποίησεν ἐκεῖ τὴν ἀρχήν· καὶ ἐπεκαλέσατο ἐκεῖ ῞Αβραμ τὸ ὄνομα τοῦ Κυρίου. 5 καὶ Λὼτ τῷ συμπορευομένῳ μετὰ ῞Αβραμ ἦν πρόβατα καὶ βόες καὶ σκηναί. 6 καὶ οὐκ ἐχώρει αὐτοὺς ἡ γῆ κατοικεῖν ἅμα, ὅτι ἦν τὰ ὑπάρχοντα αὐτῶν πολλά, καὶ οὐκ ἐχώρει αὐτοὺς ἡ γῆ κατοικεῖν ἅμα. 7 καὶ ἐγένετο μάχη ἀνὰ μέσον τῶν ποιμένων τῶν κτηνῶν τοῦ ῞Αβραμ καὶ ἀνὰ μέσον τῶν ποιμένων τῶν κτηνῶν τοῦ Λώτ· οἱ δὲ Χαναναῖοι καὶ οἱ Φερεζαῖοι τότε κατῴκουν τὴν γῆν. 8 εἶπε δὲ ῞Αβραμ τῷ Λώτ· μὴ ἔστω μάχη ἀνὰ μέσον ἐμοῦ καὶ σοῦ καὶ ἀνὰ μέσον τῶν ποιμένων μου καὶ ἀνὰ μέσον τῶν ποιμένων σου, ὅτι ἄνθρωποι ἀδελφοί ἐσμεν ἡμεῖς. 9 οὐκ ἰδοὺ πᾶσα ἡ γῆ ἐναντίον σου ἐστί; διαχωρίσθητι ἀπ᾿ ἐμοῦ· εἰ σὺ εἰς ἀριστερά, ἐγὼ εἰς δεξιά· εἰ δὲ σὺ εἰς δεξιά, ἐγὼ εἰς ἀριστερά. 10 καὶ ἐπάρας Λὼτ τοὺς ὀφθαλμοὺς αὐτοῦ, ἐπεῖδε πᾶσαν τὴν περίχωρον τοῦ ᾿Ιορδάνου, ὅτι πᾶσα ἦν ποτιζομένη πρὸ τοῦ καταστρέψαι τὸν Θεὸν Σόδομα καὶ Γόμορρα, ὡς ὁ παράδεισος τοῦ Θεοῦ καὶ ὡς ἡ γῆ Αἰγύπτου, ἕως ἐλθεῖν εἰς Ζόγορα. 11 καὶ ἐξελέξατο ἑαυτῷ Λὼτ πᾶσαν τὴν περίχωρον τοῦ ᾿Ιορδάνου, καὶ ἀπῇρε Λὼτ ἀπὸ ἀνατολῶν, καὶ διεχωρίσθησαν ἕκαστος ἀπὸ τοῦ ἀδελφοῦ αὐτοῦ. 12 ῞Αβραμ δὲ κατῴκησεν ἐν γῇ Χαναάν, Λὼτ δὲ κατῴκησεν ἐν πόλει τῶν περιχώρων καὶ ἐσκήνωσεν ἐν Σοδόμοις· 13 οἱ δὲ ἄνθρωποι οἱ ἐν Σοδόμοις πονηροὶ καὶ ἁμαρτωλοὶ ἐναντίον τοῦ Θεοῦ σφόδρα. 14 ῾Ο δὲ Θεὸς εἶπε τῷ ῞Αβραμ μετὰ τὸ διαχωρισθῆναι τὸν Λὼτ ἀπ᾿ αὐτοῦ· ἀνάβλεψον τοῖς ὀφθαλμοῖς σου καὶ ἴδε ἀπὸ τοῦ τόπου, οὗ νῦν σύ εἶ, πρὸς βορρᾶν καὶ λίβα καὶ ἀνατολὰς καὶ θάλασσαν· 15 ὅτι πᾶσαν τὴν γῆν, ἣν σὺ ὁρᾷς, σοὶ δώσω αὐτὴν καὶ τῷ σπέρματί σου ἕως αἰῶνος. 16 καὶ ποιήσω τὸ σπέρμα σου ὡς τὴν ἄμμον τῆς γῆς· εἰ δύναταί τις ἐξαριθμῆσαι τὴν ἄμμον τῆς γῆς, καὶ τὸ σπέρμα σου ἐξαριθμηθήσεται. 17 ἀναστὰς διόδευσον τὴν γῆν εἴς τε τὸ μῆκος αὐτῆς καὶ εἰς τὸ πλάτος, ὅτι σοὶ δώσω αὐτὴν καὶ τῷ σπέρματί σου εἰς τὸν αἰῶνα. 18 καὶ ἀποσκηνώσας ῞Αβραμ, ἐλθὼν κατῴκησε παρὰ τὴν δρῦν τὴν Μαμβρῆ, ἣ ἦν ἐν Χεβρώμ, καὶ ᾠκοδόμησεν ἐκεῖ θυσιαστήριον τῷ Κυρίῳ.


- Aramees - Peshitta


- Vulgata

1 ascendit ergo Abram de Aegypto ipse et uxor eius et omnia quae habebat et Loth cum eo ad australem plagam 2 erat autem dives valde in possessione argenti et auri 3 reversusque est per iter quo venerat a meridie in Bethel usque ad locum ubi prius fixerat tabernaculum inter Bethel et Ai 4 in loco altaris quod fecerat prius et invocavit ibi nomen Domini 5 sed et Loth qui erat cum Abram fuerunt greges ovium et armenta et tabernacula 6 nec poterat eos capere terra ut habitarent simul erat quippe substantia eorum multa et non quibant habitare communiter 7 unde et facta est rixa inter pastores gregum Abram et Loth eo autem tempore Chananeus et Ferezeus habitabant in illa terra 8 dixit ergo Abram ad Loth ne quaeso sit iurgium inter me et te et inter pastores meos et pastores tuos fratres enim sumus 9 ecce universa terra coram te est recede a me obsecro si ad sinistram ieris ego ad dexteram tenebo si tu dexteram elegeris ego ad sinistram pergam 10 elevatis itaque Loth oculis vidit omnem circa regionem Iordanis quae universa inrigabatur antequam subverteret Dominus Sodomam et Gomorram sicut paradisus Domini et sicut Aegyptus venientibus in Segor 11 elegitque sibi Loth regionem circa Iordanem et recessit ab oriente divisique sunt alterutrum a fratre suo 12 Abram habitavit in terra Chanaan Loth moratus est in oppidis quae erant circa Iordanem et habitavit in Sodomis 13 homines autem Sodomitae pessimi erant et peccatores coram Domino nimis 14 dixitque Dominus ad Abram postquam divisus est Loth ab eo leva oculos tuos et vide a loco in quo nunc es ad aquilonem et ad meridiem ad orientem et ad occidentem 15 omnem terram quam conspicis tibi dabo et semini tuo usque in sempiternum 16 faciamque semen tuum sicut pulverem terrae si quis potest hominum numerare pulverem semen quoque tuum numerare poterit 17 surge et perambula terram in longitudine et in latitudine sua quia tibi daturus sum eam 18 movens igitur Abram tabernaculum suum venit et habitavit iuxta convallem Mambre quod est in Hebron aedificavitque ibi altare Domino


- Statenvertaling

1 Alzo toog Abram op uit Egypte naar het zuiden, hij en zijn huisvrouw, en al wat hij had, en Lot met hem. 2 En Abram was zeer rijk, in vee, in zilver, en in goud. 3 En hij ging, volgens zijn reizen, van het zuiden tot Beth-el toe, tot aan de plaats, waar zijn tent in het begin geweest was, tussen Beth-el, en tussen Ai; 4 Tot de plaats des altaars, dat hij in het eerst daar gemaakt had; en Abram heeft aldaar den Naam des HEEREN aangeroepen. 5 En Lot, die met Abram toog, had ook schapen, en runderen, en tenten. 6 En dat land droeg hen niet, om samen te wonen; want hun have was vele, zodat zij samen niet konden wonen. 7 En er was twist tussen de herders van Abrams vee, en tussen de herders van Lots vee. Ook woonden toen de Kanaänieten en Ferezieten in dat land. 8 En Abram zeide tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broeders. 9 Is niet het ganse land voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo gij de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo gij de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan. 10 En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de ganse vlakte der Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer de HEERE Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof des HEEREN, als Egypteland, als gij komt te Zoar. 11 Zo koos Lot voor zich de ganse vlakte der Jordaan, en Lot trok tegen het oosten; en zij werden gescheiden, de een van den ander. 12 Abram dan woonde in het land Kanaän; en Lot woonde in de steden der vlakte, en sloeg tenten tot aan Sodom toe. 13 En de mannen van Sodom waren boos, en grote zondaars tegen den HEERE. 14 En de HEERE zeide tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: Hef uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en westwaarts. 15 Want al dit land, dat gij ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. 16 En Ik zal uw zaad stellen als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden. 17 Maak u op, wandel door dit land, in zijn lengte en in zijn breedte; want Ik zal het u geven. 18 En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbossen van Mamre, die bij Hebron zijn; en hij bouwde aldaar den HEERE een altaar.


- Willibrordvertaling

[1] Zo trok Abram met zijn vrouw en al zijn bezittingen uit Egypte weg, de Negeb in; Lot ging met hen mee. [2] Abram was een rijk man die heel veel vee, zilver en goud bezat. [3] Van de Negeb trok hij verder naar Betel, naar de plek tussen Betel en Ai, waar zijn tent ook in het begin gestaan had, [4] naar de heilige plaats, waar hij vroeger een altaar had opgericht; daar riep* Abram de naam van de heer aan. [5] Ook Lot, die met Abram was meegekomen, bezat schapen, runderen en tenten. [6] Het land liet evenwel niet toe dat ze bij elkaar bleven, want hun bezit was zo omvangrijk, dat ze niet bij elkaar konden blijven. [7] Dit veroorzaakte botsingen tussen de herders van Abram en die van Lot. Bovendien woonden toentertijd ook de Kanaänieten en de Perizzieten nog in het land. [8] Daarom zei Abram tegen Lot: 'Laten wij geen ruzie met elkaar maken en onze herders evenmin; wij zijn toch broers* van elkaar. [9] Het hele land ligt voor je. Het is werkelijk beter dat je weggaat; ga jij links, dan ga ik rechts; ga jij rechts, dan ga ik links.' [10] Toen liet Lot zijn blik rondgaan; hij zag, hoe rijk aan water het land langs de Jordaan was. Want voordat de heer Sodom en Gomorra verwoest had, was deze streek, tot Soar toe, als de tuin van de heer, even waterrijk als Egypte. [11] Daarom koos Lot heel het land langs de Jordaan en ging oostwaarts. Zo scheidden de beide broers. [12] Abram bleef in Kanaän wonen, maar Lot zocht zich een woonplaats bij de steden in de Jordaanstreek en sloeg zijn tent op in de nabijheid van Sodom. [13] De Sodomieten bedreven veel* kwaad en zondigden tegen de heer. [14] Nadat Lot was weggegaan zei de heer tegen Abram: 'Laat uw blik rondgaan en kijk vanaf de plaats waar u staat naar het noorden en het zuiden, het oosten en het westen. [15] Al het land dat u ziet, schenk Ik aan u en aan uw nageslacht, voor altijd. [16] Ik zal uw nakomelingen zo talrijk maken als het zand op de aarde. Alleen iemand die het zand van de aarde kan tellen, zal uw nakomelingen kunnen tellen. [17] Ga het hele land door in de lengte en in de breedte, want Ik schenk het aan u!' [18] Toen sloeg Abram zijn tent op en ging wonen bij de eik van More te Hebron; daar richtte hij een altaar op voor de heer.


- De Nieuwe Bijbelvertaling

- - https://www.bijbelgenootschap.nl/nbv/genesis/13 .


- De Naardense bijbel

1 Dan klimt Abram óp uit Egypte, hijzelf, zijn vrouw en al het zijne, en Lot mét hem op de Negev aan. Genesis 13 Literatuur bij Genesis 2 Abram is zeer zwaar beladen,- met levende have, met zilver en met goud. 3 Hij gaat, telkens opbrekend, van de Negev tot aan Bet El,- huis van God , tot aan het oord waar in het begin zijn tent geweest is, tussen Bet El en het Ai; 4 naar het oord van het altaar dat híj daar in het eerst gemaakt heeft; dáár roept Abram de naam van de Ene aan. 5 Ook voor Lot die met Abram is meegegaan is het geworden: wolvee, rundvee en tenten. 6 Maar het land heeft niet verdragen dat zij er samen zaten; nee, zo overvloedig is hun bezit geworden dat zij niet bij machte zijn geweest er samen te zitten. 7 Het wordt twist tussen de herders van Abrams kudde en de herders van de kudde van Lot; terwijl de Kanaäniet, en de Periziet, dan zetelt in het land. 8 Dus zegt Abram tot Lot: laat het toch geen twist worden tussen mij en jou, tussen mijn herders en jouw herders; want mannen die bróeders zijn, zijn wij!- 9 ligt niet heel het land open voor je aanschijn?- neem toch afscheid van mij; als het links is ga ik rechts en als het rechts is zal ik links gaan! 10 Dan heft Lot zijn ogen op en overziet heel de vallei van de Jordaan, hoe een en al drenkplaats zij is, vóór de verwoesting door de Ene van Sodom en van Gomorra, als de tuin van de Ene, als het land Egypte wanneer je bij Tsoar aankomt! 11 Lot kiest zich heel de vallei van de Jordaan en Lot breekt op naar het oosten; ze nemen afscheid 'als een man van bij zijn broeder'. 12 Abram is gaan zitten in het land Kanaän; en Lot is gaan zitten in de steden van de vallei, en slaat zijn tenten op tot bij Sodom. 13 De mannen van Sodom zijn bovenmate kwaadaardig en zondig,- tegenover de Ene. 14 De Ene heeft tot Abram gezegd nadat Lot zich heeft afgescheiden van samen met hem: hef je ogen op en zie vanaf de plaats waar je bent naar noord en zuid, oostwaarts en westwaarts; 15 want heel het land dat je ziet, aan jou zal ik het geven,- en aan je zaad, tot in eeuwigheid; 16 maken wil ik je zaad als het stof der aarde; zodat, áls iemand bij machte zal zijn het stof der aarde te tellen, ook jouw zaad zal kunnen worden geteld; 17 sta op en wandel in het land in z'n lengte en breedte!- want jou ga ik het geven! 18 Abram slaat zijn tent op, komt aan en zetelt bij de godseiken van Mamree bij Chevron; hij bouwt daar een altaar voor de Ene. •


- Bible de Jérusalem

1. D'Égypte, Abram avec sa femme et tout ce qu'il possédait, et Lot avec lui, remonta au Négeb. 2. Abram était très riche en troupeaux, en argent et en or. 3. Ses campements le conduisirent du Négeb jusqu'à Béthel, à l'endroit où sa tente s'était dressée d'abord entre Béthel et Aï, 4. à l'endroit de l'autel qu'il avait érigé précédemment, et là, Abram invoqua le nom de Yahvé. 5. Lot, qui accompagnait Abram, avait également du petit et du gros bétail, ainsi que des tentes. 6. Le pays ne suffisait pas à leur installation commune : ils avaient de trop grands biens pour pouvoir habiter ensemble. 7. Il y eut une dispute entre les pâtres des troupeaux d'Abram et ceux des troupeaux de Lot les Cananéens et les Perizzites habitaient alors le pays . 8. Aussi Abram dit-il à Lot : Qu'il n'y ait pas discorde entre moi et toi, entre mes pâtres et les tiens, car nous sommes des frères ! 9. Tout le pays n'est-il pas devant toi ? Sépare-toi de moi. Si tu prends la gauche, j'irai à droite, si tu prends la droite, j'irai à gauche. 10. Lot leva les yeux et vit toute la Plaine du Jourdain qui était partout irriguée - c'était avant que Yahvé ne détruisît Sodome et Gomorrhe - comme le jardin de Yahvé, comme le pays d'Égypte, jusque vers Çoar. 11. Lot choisit pour lui toute la Plaine du Jourdain et il émigra à l'orient; ainsi ils se séparèrent l'un de l'autre : 12. Abram s'établit au pays de Canaan et Lot s'établit dans les villes de la Plaine; il dressa ses tentes jusqu'à Sodome. 13. Les gens de Sodome étaient de grands scélérats et pécheurs contre Yahvé. 14. Yahvé dit à Abram, après que Lot se fut séparé de lui : Lève les yeux et regarde, de l'endroit où tu es, vers le nord et le midi, vers l'orient et l'occident. 15. Tout le pays que tu vois, je le donnerai à toi et à ta postérité pour toujours. 16. Je rendrai ta postérité comme la poussière de la terre : quand on pourra compter les grains de poussière de la terre, alors on comptera tes descendants ! 17. Debout ! Parcours le pays en long et en large, car je te le donnerai. 18. Avec ses tentes, Abram alla s'établir au Chêne de Mambré, qui est à Hébron, et là, il érigea un autel à Yahvé.


- King James Bible

[1] And Abram went up out of Egypt, he, and his wife, and all that he had, and Lot with him, into the south. [2] And Abram was very rich in cattle, in silver, and in gold. [3] And he went on his journeys from the south even to Bethel, unto the place where his tent had been at the beginning, between Bethel and Hai; [4] Unto the place of the altar, which he had made there at the first: and there Abram called on the name of the LORD. [5] And Lot also, which went with Abram, had flocks, and herds, and tents. [6] And the land was not able to bear them, that they might dwell together: for their substance was great, so that they could not dwell together. [7] And there was a strife between the herdmen of Abram's cattle and the herdmen of Lot's cattle: and the Canaanite and the Perizzite dwelled then in the land. [8] And Abram said unto Lot, Let there be no strife, I pray thee, between me and thee, and between my herdmen and thy herdmen; for we be brethren. [9] Is not the whole land before thee? separate thyself, I pray thee, from me: if thou wilt take the left hand, then I will go to the right; or if thou depart to the right hand, then I will go to the left. [10] And Lot lifted up his eyes, and beheld all the plain of Jordan, that it was well watered every where, before the LORD destroyed Sodom and Gomorrah, even as the garden of the LORD, like the land of Egypt, as thou comest unto Zoar. [11] Then Lot chose him all the plain of Jordan; and Lot journeyed east: and they separated themselves the one from the other. [12] Abram dwelled in the land of Canaan, and Lot dwelled in the cities of the plain, and pitched his tent toward Sodom. [13] But the men of Sodom were wicked and sinners before the LORD exceedingly. [14] And the LORD said unto Abram, after that Lot was separated from him, Lift up now thine eyes, and look from the place where thou art northward, and southward, and eastward, and westward: [15] For all the land which thou seest, to thee will I give it, and to thy seed for ever. [16] And I will make thy seed as the dust of the earth: so that if a man can number the dust of the earth, then shall thy seed also be numbered. [17] Arise, walk through the land in the length of it and in the breadth of it; for I will give it unto thee. [18] Then Abram removed his tent, and came and dwelt in the plain of Mamre, which is in Hebron, and built there an altar unto the LORD.


- Luther Bibel

131So zog Abram herauf aus Ägypten mit seiner Frau und mit allem, was er hatte, und Lot auch mit ihm ins Südland. 2Abram aber war sehr reich an Vieh, Silber und Gold. 3Und er zog immer weiter vom Südland bis nach Bethel, an die Stätte, wo zuerst sein Zelt war, zwischen Bethel und Ai, 4eben an den Ort, wo er früher den Altar errichtet hatte. Dort rief er den Namen des HERRN an. 5Lot aber, der mit Abram zog, hatte auch Schafe und Rinder und Zelte. 6Und das Land konnte es nicht ertragen, dass sie beieinander wohnten; denn ihre Habe war groß und sie konnten nicht beieinander wohnen. 7Und es war immer Zank zwischen den Hirten von Abrams Vieh und den Hirten von Lots Vieh. Es wohnten auch zu der Zeit die Kanaaniter und Perisiter im Lande. 8Da sprach Abram zu Lot: Lass doch nicht Zank sein zwischen mir und dir und zwischen meinen und deinen Hirten; denn wir sind Brüder. 9Steht dir nicht alles Land offen? Trenne dich doch von mir! Willst du zur Linken, so will ich zur Rechten, oder willst du zur Rechten, so will ich zur Linken. 10Da hob Lot seine Augen auf und besah die ganze Gegend am Jordan. Denn ehe der HERR Sodom und Gomorra vernichtete, war sie wasserreich, bis man nach Zoar kommt, wie der Garten des HERRN, gleichwie Ägyptenland. 11Da erwählte sich Lot die ganze Gegend am Jordan und zog nach Osten. Also trennte sich ein Bruder von dem andern, 12sodass Abram wohnte im Lande Kanaan und Lot in den Städten am unteren Jordan. Und Lot zog mit seinen Zelten bis nach Sodom. 13Aber die Leute zu Sodom waren böse und sündigten sehr wider den HERRN. Der HERR wiederholt seine Verheißung an Abram 14Als nun Lot sich von Abram getrennt hatte, sprach der HERR zu Abram: Hebe deine Augen auf und sieh von der Stätte aus, wo du wohnst, nach Norden, nach Süden, nach Osten und nach Westen. 15Denn all das Land, das du siehst, will ich dir und deinen Nachkommen geben für alle Zeit 16und will deine Nachkommen machen wie den Staub auf Erden. Kann ein Mensch den Staub auf Erden zählen, der wird auch deine Nachkommen zählen. 17Darum mach dich auf und durchzieh das Land in die Länge und Breite, denn dir will ich's geben. 18Und Abram zog weiter mit seinem Zelt und kam und wohnte im Hain Mamre, der bei Hebron ist, und baute dort dem HERRN einen Altar.


- Arabisch

فصعد ابرام من مصر هو وامرأته وكل ما كان له ولوط معه الى الجنوب. .1 وكان ابرام غنيا جدا في المواشي والفضة والذهب. .2 وسار في رحلاته من الجنوب الى بيت ايل. الى المكان الذي كانت خيمته فيه في البداءة بين بيت ايل وعاي. .3 الى مكان المذبح الذي عمله هناك اولا. ودعا هناك ابرام باسم الرب .4 ولوط السائر مع ابرام كان له ايضا غنم وبقر وخيام. .5 ولم تحتملهما الارض ان يسكنا معا. اذ كانت املاكهما كثيرة. فلم يقدرا ان يسكنا معا. .6 فحدثت مخاصمة بين رعاة مواشي ابرام ورعاة مواشي لوط. وكان الكنعانيون والفرزّيون حينئذ ساكنين في الارض. .7 فقال ابرام للوط لا تكن مخاصمة بيني وبينك وبين رعاتي ورعاتك. لاننا نحن اخوان. .8 أليست كل الارض امامك. اعتزل عني. ان ذهبت شمالا فانا يمينا وان يمينا فانا شمالا .9 فرفع لوط عينيه ورأى كل دائرة الاردن ان جميعها سقي قبلما اخرب الرب سدوم وعمورة كجنة الرب كارض مصر. حينما تجيء الى صوغر. .10 فاختار لوط لنفسه كل دائرة الاردن وارتحل لوط شرقا. فاعتزل الواحد عن الآخر. .11 ابرام سكن في ارض كنعان ولوط سكن في مدن الدائرة ونقل خيامه الى سدوم. .12 وكان اهل سدوم اشرارا وخطاة لدى الرب جدا .13 وقال الرب لابرام بعد اعتزال لوط عنه. ارفع عينيك وانظر من الموضع الذي انت فيه شمالا وجنوبا وشرقا وغربا. .14 لان جميع الارض التي انت ترى لك اعطيها ولنسلك الى الابد. .15 واجعل نسلك كتراب الارض. حتى اذا استطاع احد ان يعد تراب الارض فنسلك ايضا يعدّ. .16 قم امش في الارض طولها وعرضها. لاني لك اعطيها. .17 فنقل ابرام خيامه واتى واقام عند بلوطات ممرا التي في حبرون. بنى هناك مذبحا للرب .18