Genesis 14 - Gn 14

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website - ZOEKEN -

Overzicht van Genesis : - Gn 1 - Gn 2 - Gn 3 - Gn 4 - Gn 5 - Gn 6 - Gn 7 - Gn 8 - Gn 9 - Gn 10 - Gn 11 - Gn 12 - Gn 13 - Gn 14 - Gn 15 - Gn 16 - Gn 17 - Gn 18 - Gn 19 - Gn 20 - Gn 21 - Gn 22 - Gn 23 - Gn 24 - Gn 25 - Gn 26 - Gn 27 - Gn 28 - Gn 29 - Gn 30 - Gn 31 - Gn 32 - Gn 33 - Gn 34 - Gn 35 - Gn 36 - Gn 37 - Gn 38 - Gn 39 - Gn 40 - Gn 41 - Gn 42 - Gn 43 - Gn 44 - Gn 45 - Gn 46 - Gn 47 - Gn 48 - Gn 49 - Gn 50 -
Uitleg vers per vers : - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -

- Hebreeuwse tekst : http://www.mechon-mamre.org/p/pt/pt0114.htm . http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Hebreeuws OF modern Hebreeuws (NT) .
- Targum Onkelos : http://www.mechon-mamre.org/i/t/u/u0114.htm . Targum Onkelos . Vertaling : http://targum.info/onk/Gen12_7.htm . Vertaling Pseudo-Jonathan : http://targum.info/pj/pjex13-17.htm .
- Griekse tekst - Septuaginta : http://www.myriobiblos.gr/bible/ot/chapter.asp?book=1&page=13 . Griekse tekst - Septuaginta .
- Vulgata : http://www.intratext.com/IXT/LAT0001/_PE.HTM . Vulgata .
- Statenvertaling : http://www.statenvertaling.net/bijbel/gene/13.html . Statenvertaling .
- Willibrordvertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/index.php?p=page&i=323%2C340&wbv=on . Willibrordvertaling .
- De Nieuwe Vertaling : https://www.bijbelgenootschap.nl/nbv/genesis/14/ .
- De Naardense bijbel : http://naardensebijbel.nl/zoek.php . De Naardense bijbel .
- Bible de Jérusalem : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Bible de Jérusalem .
- King James Bible : http://quod.lib.umich.edu/cgi/k/kjv/kjv-idx?type=DIV1&byte=1477 . King James Bible .
- Luther Bibel : http://www.die-bibel.de/online-bibeln/luther-bibel-1984/bibeltext/bibelstelle/1%20Mose%2050/bibel/text/lesen/ch/a78931497b78834a7147056f4ced84e2/ . Luther Bibel .
- Arabisch : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Arabisch .


WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@telenet.be .
websitenaam : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm . BIJ DE HAND .
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
OF (met aanvullingen) : - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z

HOOFDTHEMA'S : Levensbeschouwingen : bahá'í , boeddhisme , christendom , hindoeïsme , islam , jodendom , sikhisme , vrijzinnigheid .
- bijbel , bijbel en koran , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , koran , liturgie : ABC-jaar .
- Maatschappij : armoede , vluchtelingen en asielzoekers ,
- Spiritualiteit :   bezinningsteksten , spiritualiteit ,
- Talen : Arabisch , Aramees , Duits , Frans , Grieks , Hebreeuws , Latijn , Nederlands ,
- Andere : getallen ,

HOOFDTHEMA'S : - Arabisch , allochtonen , Aramees , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , getallen , globalisering en antiglobalisering , Grieks , Hebreeuws , Hebreeuwse lessen ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , Latijn , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen .


- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 3 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken- bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

Overzicht van Tenakh : Tenakh : overzicht , Tenakh : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenakh : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,
Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,


1. Hebreeuwse bijbel   2. Targumim 3. LXX (1) , LXX (2) , Griekse tekst N.T.   4. Vulgata   
5. Statenvertaling   6. Willibrordvertaling   7. Nieuwe Vertaling   8. http://naardensebijbel.nl/zoek.php .
http://www.bible-history.com/isbe/
9. Bible de Jérusalem 10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   12. liturgische lezing   13. Arabisch : http://wjsn.home.xs4all.nl/arab.htm  


Woordenschat

Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik

Overzicht van de bijbelboeken


Gn 14,1 - Gn 14,1 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
ΕΓΕΝΕΤΟ δὲ ἐν τῇ βασιλείᾳ τῇ ᾿Αμαρφὰλ βασιλέως Σενναάρ, καὶ ᾿Αριὼχ βασιλέως ᾿Ελλασάρ, Χοδολλογομὸρ βασιλεὺς ᾿Ελὰμ καὶ Θαργὰλ βασιλεὺς ἐθνῶν 1 factum est autem in illo tempore ut Amrafel rex Sennaar et Arioch rex Ponti et Chodorlahomor rex Aelamitarum et Thadal rex Gentium   1 En het geschiedde in de dagen van Amrafel, den koning van Sinear, van Arioch, den koning van Ellasar, van Kedor-laomer, den koning van Elam, en van Tideal, den koning der volken; [1] Het* was in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, van Arjok, de koning van Ellasar, van Kedorlaomer, de koning van Elam, en van Tidal, de koning van Goïm.   1 Het geschiedt in de dagen van Amrafel, koning van Sjinar, Arjoch, koning van Elasar,- Kedorlaomer, koning van Elam en Tidal, koning van Gojiem: Genesis 14 Literatuur bij Genesis 1. Au temps d'Amraphel roi de Shinéar, d'Aryok roi d'Ellasar, de Kedor-Laomer roi d'Élam et de Tidéal roi des Goyim,

King James Bible . [1] And it came to pass in the days of Amraphel king of Shinar, Arioch king of Ellasar, Chedorlaomer king of Elam, and Tidal king of nations;
Luther-Bibel . 141Und es begab sich zu der Zeit des Königs Amrafel von Schinar, Arjochs, des Königs von Ellasar, Kedor-Laomers, des Königs von Elam, und Tidals, des Königs von Völkern,

Tekstuitleg van Gn 14,1 . Het vers Gn 14,1 telt 14 (2 X 7) woorden en 58 (2 X 29) letters . De getalswaarde van Gn 14,1 is 3235 (5 X 647) . De namen van de koningen hebben een getalswaarde van 1718 (2 X 859) . De getalswaarde van de plaatsen is 1630 (2 X 5 X 163) .

Gn 14,1.1. - 2. εγενετο εν ταις ἡμεραις = egeneto en tais hèmerais (het gebeurde in de dagen) . Lc (3) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 17,26 . (3) Lc 17,28 .
- εγενετο δε εν ταις ἡμεραις = = egeneto de en tais hèmerais (het gebeurde echter in de dagen) . Lc (1) : (2) Lc 2,1 . (2) Lc 6,12 . Hnd (1) : Hnd 9,37 .
- Hebreeuws . וַיְהִי בִּימֵי = wajjëhî bîme(j) (en het was in de dagen van) . Tenakh (5) : (1) Gn 14,1 . (2) Js 7,1 . (3) Jr 1,3 . (4) Rt 1,1 . (5) Est 1,1 .


Gn 14,2 - Gn 14,2 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
2 ἐποίησαν πόλεμον μετὰ Βαλλὰ βασιλέως Σοδόμων καὶ μετὰ Βαρσὰ βασιλέως Γομόρρας καὶ μετὰ Σενναὰρ βασιλέως ᾿Αδαμὰ καὶ μετὰ Συμοβὸρ βασιλέως Σεβωείμ, καὶ βασιλέως Βαλάκ (αὕτη ἐστὶ Σηγώρ). 2 inirent bellum contra Bara regem Sodomorum et contra Bersa regem Gomorrae et contra Sennaab regem Adamae et contra Semeber regem Seboim contraque regem Balae ipsa est Segor   2 Dat zij krijg voerden met Bera, koning van Sodom, en met Birsa, koning van Gomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zeboim, en den koning van Bela, dat is Zoar. [2] Deze koningen waren in oorlog met Bera, de koning van Sodom, Birsa, de koning van Gomorra, Sinab, de koning van Adma, Semeber, de koning van Seboïm, en met de koning van Bela, dat ook Soar heet.   2 zij hebben zich klaargemaakt voor oorlog met Bera, koning van Sodom, Birsja, koning van Gomorra,- Sjinav, koning van Adma en Sjemever, koning van Tsevojiem, en de koning van Bela, dat is Tsoar. 2. ceux-ci firent la guerre contre Béra roi de Sodome, Birsha roi de Gomorrhe, Shinéab roi d'Adma, Shémeéber roi de Çeboyim et le roi de Béla c'est Çoar .

King James Bible . [2] That these made war with Bera king of Sodom, and with Birsha king of Gomorrah, Shinab king of Admah, and Shemeber king of Zeboiim, and the king of Bela, which is Zoar.
Luther-Bibel . 2dass sie Krieg führten mit Bera, dem König von Sodom, und mit Birscha, dem König von Gomorra, und mit Schinab, dem König von Adma, und mit Schemeber, dem König von Zebojim, und mit dem König von Bela, das ist Zoar.

Tekstuitleg van Gn 14,2 . Het vers Gn 14,2 telt 21 (3 X 7) woorden en 77 (7X 11) letters . De getalswaarde van 4766 (2 X 2383) .

Gn 14,3 - Gn 14,3 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
3 πάντες οὗτοι συνεφώνησαν ἐπὶ τὴν φάραγγα τὴν ἁλυκὴν (αὕτη ἡ θάλασσα τῶν ἁλῶν). 3 omnes hii convenerunt in vallem Silvestrem quae nunc est mare Salis   3 Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee. [3] Deze koningen trokken gezamenlijk op naar het dal* van Siddim, nu Zoutzee geheten.   3 Deze allen hebben zich verbonden, op naar het dal van de Sidiem,- dat is de Zoutzee. 3. Ces derniers se liguèrent dans la vallée de Siddim c'est la mer du Sel .

King James Bible . [3] All these were joined together in the vale of Siddim, which is the salt sea.
Luther-Bibel . 3Diese kamen alle zusammen in das Tal Siddim, wo nun das Salzmeer ist.

Tekstuitleg van Gn 14,3 . Het vers Gn 14,3 telt 9 (3²) woorden en 28 (2² X 7) letters . De getalswaarde van Gn 14,3 is 1047 (3 X 349) .

Gn 14,4 - Gn 14,4 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
4 δώδεκα ἔτη αὐτοὶ ἐδούλευσαν τῷ Χοδολλογομόρ, τῷ δὲ τρισκαιδεκάτῳ ἔτει ἀπέστησαν. 4 duodecim enim annis servierant Chodorlahomor et tertiodecimo anno recesserunt ab eo   4 Twaalf jaren hadden zij Kedor-laomer gediend; maar in het dertiende jaar vielen zij af. [4] Na twaalf jaar aan Kedorlaomer onderworpen te zijn geweest, waren zij in het dertiende jaar in opstand gekomen.   4 Twaalf jaar hebben ze Kedorlaomer gediend; in het dertiende jaar zijn ze afvallig geworden. 4. Douze ans ils avaient été soumis à Kedor-Laomer, mais, la treizième année, ils se révoltèrent.

King James Bible . [4] Twelve years they served Chedorlaomer, and in the thirteenth year they rebelled.
Luther-Bibel . 4Denn sie waren zwölf Jahre dem König Kedor-Laomer untertan gewesen und im dreizehnten Jahr waren sie von ihm abgefallen.

Tekstuitleg van Gn 14,4 . Het vers Gn 14,4 kent 10 (2 X 5) woorden en 39 (13 + 26) letters . De getalswaarde van Gn 14,4 is 4543 (7 X 11 X 59) . Het vers bestaat uit twee nevengeschikte zinnen , op een paralle wijze opgebouwd : eerst de tijdsbepaling en dan het vervoegd werkw. . In de tijdsbepaling met telkens drie woorden komt in ieder woord een s-klank .

1.- 2. δωδεκα = dôdeka (twaalf) . Taalgebruik in het NT : dôdeka (twaalf) . Taalgebruik in de LXX : dôdeka (twaalf) . Bijbel (136) . OT (65) . NT (61) . Lc (12) : (1) Lc 2,42 . (2) Lc 6,13 . (3) Lc 8,1 . (4) Lc 8,42 . (5) Lc 8,43 . (6) Lc 9,1 . (7) Lc 9,12 . (8) Lc 9,17 . (9) Lc 18,31 . (10) Lc 22,3 . (11) Lc 22,30 . (12) Lc 22,47 .
- Hebreeuws . עָשַׂר = `âshâr (tien) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâr (tien) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 57 (3 X 19) OF 570 (2 X 3 X 5 X 19) . Structuur : 7 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (242) . Pentateuch (67) . Eerdere Profeten (55) . Latere Profeten (14) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (103) . 10 doet denken aan de 10 geboden van Mozes , geschreven op de 2 stenen tafelen (12 = 10 + 2) .
- Latijn . decem . Fr. dix . E. ten . D. zehn . Aramees : עֲשַׂר = `äshar (tien, 10) . Arabisch : عَشَرَة = `asara (tien) . Taalgebruik in de Qoran : `asara (tien) .
-- עָשַׂר שְׁנִים = sjënîm `âshâr (12) . Tenakh (64) . 64 = (5 X 12) + 4 . Tenakh (64) . Bij het begin van het broodverhaal volgens Lucas stellen de twaalf voor om de massa te ontbinden , op het einde (het laatste woord) van het verhaal komt het woord twaalf voor als het aantal korven gebroken brood . De twaalf symboliseren de 12 stammen van Israël , het hele volk . Wellicht verbeelden de 12 korven de 12 stammen van Israël , het hele volk . Toen Mozes in de woestijn vertoefde , mocht het volk op de 6de dag een dubbele portie manna rapen : één voor de 6de dag en één voor de sabbat . Is de aanwezigheid van de 12 korven gebroken brood de aankondiging van de naderende sabbat , de dag van de Heer .

3. שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . Getalswaarde) : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (86) . Latere Profeten (33) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (51) . Gn (75) .
- שָׁנָה = sjânâh < sjanat : een qal vorm vr. : een naamwoord met 2 medeklinkers en 1 oorspronkelijke korte klinker (Lettinga(6) 24c1) . In open lettergreep onmiddellijk vóór de hoofdklemtoon is de korte a verlengd tot â (Lettinga(6) 13i) . De ה = h is de aanwijzing van de lange eindklinker (Lettinga(6) 3d) . Het vrouwelijke woord שָׁנָה = sjânâh krijgt een mann. mv. שָׁנִים = sjânîm . Eerder zeldzaam en poëtisch שָׁנוֹת = sjânôth . (Joüon 90b) .
- Grieks . ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) .
- Ned. : jaar . Arabisch : سَنَة = sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) . Aramees : שְׁנָה = sjënâh (jaar) . D. : Jahr . E. : year . Fr. : an of année . Grieks : ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Hebreeuws : שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . Latijn : annus (jaar) .

4. De tegengestelde werkw. eindigen beide met de stammedeklinker d (daleth) ; in de werkwoordvorm met -dû .

9. שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . Getalswaarde) : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (86) . Latere Profeten (33) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (51) . Gn (75) .
- שָׁנָה = sjânâh < sjanat : een qal vorm vr. : een naamwoord met 2 medeklinkers en 1 oorspronkelijke korte klinker (Lettinga(6) 24c1) . In open lettergreep onmiddellijk vóór de hoofdklemtoon is de korte a verlengd tot â (Lettinga(6) 13i) . De ה = h is de aanwijzing van de lange eindklinker (Lettinga(6) 3d) . Het vrouwelijke woord שָׁנָה = sjânâh krijgt een mann. mv. שָׁנִים = sjânîm . Eerder zeldzaam en poëtisch שָׁנוֹת = sjânôth . (Joüon 90b) .
- Grieks . ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) .
- Ned. : jaar . Arabisch : سَنَة = sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) . Aramees : שְׁנָה = sjënâh (jaar) . D. : Jahr . E. : year . Fr. : an of année . Grieks : ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Hebreeuws : שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . Latijn : annus (jaar) .

10. מָרַד = mârad (rebelleren, revolteren, in opstand komen) . Aram. - Syr. : מְרַד = rëmad . Arabisch : = marada .
- Ned. : rebelleren . D. : . E. : to rebel , to revolt . Fr. : rebeller , revolter . Lat. : re-bellare - re-bellum : re- opnieuw + bellum : oorlog : de oorlog weer beginnen In Gn 14,4 : Gr. : act. ind. aor. 3de pers. mv. = apestèsan (zij stelden af - afstaan - zij namen afstand) van het werkw. = apistèmi (af-staan, afstand nemen van) . Geeft de mem < min de aanleiding tot een vertaling met apo- ? Speelt het zwakke werkw. jârad (j-r-d) : afdalen, neerdalen mee ? Lat. : act. ind. perf. 3de pers. mv. recesserunt ab eo (zij vielen van hem terug) van het werkw. recidere (hervallen, terugvallen, beter : afvallen) . E. : they rebelled . Fr. : ils se revoltèrent .

Gn 14,5 - Gn 14,5 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
5 ἐν δὲ τῷ τεσσαρεσκαιδεκάτῳ ἔτει ἦλθε Χοδολλογομὸρ καὶ οἱ βασιλεῖς μετ᾿ αὐτοῦ καὶ κατέκοψαν τοὺς γίγαντας τοὺς ἐν ᾿Ασταρὼθ καὶ Καρναΐν, καὶ ἔθνη ἰσχυρὰ ἅμα αὐτοῖς καὶ τοὺς ᾿Ομμαίους τοὺς ἐν Σαυῇ τῇ πόλει 5 igitur anno quartodecimo venit Chodorlahomor et reges qui erant cum eo percusseruntque Rafaim in Astharothcarnaim et Zuzim cum eis et Emim in Savecariathaim   5 Zo kwam Kedor-laomer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaieten in Asteroth-karnaim, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-kiriathaim; [5] In het veertiende jaar rukte Kedorlaomer op, samen met de koningen die zijn bondgenoten waren. Zij versloegen de Refaïeten* bij Asterot-Karnaïm, de Zuzieten bij Ham, de Emieten in de vlakte van Kirjataïm,   5 In het veertiende jaar is Kedorlaomer aangekomen met de koningen die met hem waren, en zij verslaan de Refaïem in Asjterot Karnajim en de Zoezieten in Ham, de Emieten in Sjavee Kirjatajim, 5. En la quatorzième année, arrivèrent Kedor-Laomer et les rois qui étaient avec lui. Ils battirent les Rephaïm à Ashterot-Qarnayim, les Zuzim à Ham, les Émim dans la plaine de Qiryatayim,

King James Bible . [5] And in the fourteenth year came Chedorlaomer, and the kings that were with him, and smote the Rephaims in Ashteroth Karnaim, and the Zuzims in Ham, and the Emims in Shaveh Kiriathaim,
Luther-Bibel . 5Darum kamen Kedor-Laomer und die Könige, die mit ihm waren, im vierzehnten Jahr und schlugen die Refaïter zu Aschterot-Karnajim und die Susiter zu Ham und die Emiter in der Ebene Kirjatajim

Tekstuitleg van Gn 14,5 .

Gn 14,6 - Gn 14,6 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
6 καὶ τοὺς Χορραίους τοὺς ἐν τοῖς ὄρεσι Σηείρ, ἕως τῆς τερεβίνθου τῆς Φαράν, ἥ ἐστιν ἐν τῇ ἐρήμῳ. 6 et Chorreos in montibus Seir usque ad campestria Pharan quae est in solitudine   6 En de Horieten op hun gebergte Seir, tot aan het effen veld van Paran, hetwelk aan de woestijn is. [6] en de Chorieten. Ze achtervolgden hen door het Seïrgebergte tot bij de eik van Paran, aan de rand van de woestijn.   6 en de Chorieten in hun bergland Seïr,- tot aan El Paran dat tegen de woestijn aan ligt. 6. les Horites dans les montagnes de Séïr jusqu'à El-Parân, qui est à la limite du désert.

King James Bible . [6] And the Horites in their mount Seir, unto El-paran, which is by the wilderness.
Luther-Bibel . 6und die Horiter auf ihrem Gebirge Seïr bis El-Paran, das an die Wüste stößt.

Tekstuitleg van Gn 14,6 .

4. she`îr (Seïr) . sh-`-j-r : Tenach (50) . Taalgebruik in Tenach : she`îr (Seïr) . Getalswaarde : sin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 , jod = 10 , resj = 20 of 200 ; totaal : 67 of 580 . Het betekent ook geitje , bokje . Een ander woord is gëdî (E. goat , N. geit) . Tenach (50) . Gn (8) : (1) Gn 14,6 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 36,8 . (4) Gn 36,9 . (5) Gn 36,20 . (6) Gn 36,21 . (7) Gn 36,30 . (8) Gn 37,31 .

Gn 14,7 - Gn 14,7 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
7 καὶ ἀναστρέψαντες ἦλθον ἐπὶ τὴν πηγὴν τῆς κρίσεως (αὕτη ἐστὶ Κάδης) καὶ κατέκοψαν πάντας τοὺς ἄρχοντας ᾿Αμαλὴκ καὶ τοὺς ᾿Αμορραίους τοὺς κατοικοῦντας ἐν ᾿Ασασονθαμάρ. 7 reversique sunt et venerunt ad fontem Mesfat ipsa est Cades et percusserunt omnem regionem Amalechitarum et Amorreum qui habitabat in Asasonthamar   7 Daarna keerden zij wederom, en kwamen tot En-mispat, dat is Kades, en sloegen al het land der Amalekieten, en ook den Amoriet, die te Hazezon-thamar woonde. [7] Daarna bogen zij af naar En-Mispat, ook Kades geheten, en richtten een slachting aan in heel het gebied van de Amalekieten* en onder de Amorieten in Chaseson-Tamar.   7 Ze keren om en komen aan bij Een Misjpat,- bron van recht , dat is Kadeesj, en verslaan heel het veld van de Amalekieten; ook de Amoriet die zetelt op Chatsetson Tamar. 7. Ils firent un mouvement tournant et vinrent à la Source du Jugement c'est Cadès; ils battirent tout le territoire des Amalécites et aussi les Amorites qui habitaient Haçaçôn-Tamar.

King James Bible . [7] And they returned, and came to En-mishpat, which is Kadesh, and smote all the country of the Amalekites, and also the Amorites that dwelt in Hazezon-tamar.
Luther-Bibel . 7Danach wandten sie um und kamen nach En-Mischpat, das ist Kadesch, und schlugen das ganze Land der Amalekiter, dazu die Amoriter, die zu Hazezon-Tamar wohnten.

Tekstuitleg van Gn 14,7 .

Gn 14,8 - Gn 14,8 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
8 ἐξῆλθε δὲ βασιλεὺς Σοδόμων καὶ βασιλεὺς Γομόρρας καὶ βασιλεὺς ᾿Αδαμὰ καὶ βασιλεὺς Σεβωεὶμ καὶ βασιλεὺς Βαλάκ (αὕτη ἐστὶ Σηγώρ) καὶ παρετάξαντο αὐτοῖς εἰς πόλεμον ἐν τῇ κοιλάδι τῇ ἁλυκῇ, 8 et egressi sunt rex Sodomorum et rex Gomorrae rexque Adamae et rex Seboim necnon et rex Balae quae est Segor et direxerunt contra eos aciem in valle Silvestri   8 Toen toog de koning van Sodom uit, en de koning van Gomorra, en de koning van Adama, en de koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar; en zij stelden tegen hen slagorden in het dal Siddim, [8] Toen trokken de koningen van Sodom, van Gomorra, van Seboïm, en van Bela, ook Soar geheten, ten strijde, en in het dal van Siddim raakten zij slaags met hen,   8 Dan trekt uit: de koning van Sodom met de koning van Gomorra, de koning van Adma en de koning van Tsevojiem, en de koning van Bela, dat is Tsoar; ze stellen zich op voor oorlog met hen in het dal van de Sidiem,- 8. Alors le roi de Sodome, le roi de Gomorrhe, le roi d'Adma, le roi de Çeboyim et le roi de Béla c'est Çoar s'ébranlèrent et se rangèrent en bataille contre eux dans la vallée de Siddim,

King James Bible . [8] And there went out the king of Sodom, and the king of Gomorrah, and the king of Admah, and the king of Zeboiim, and the king of Bela (the same is Zoar;) and they joined battle with them in the vale of Siddim;
Luther-Bibel . 8Da zogen aus der König von Sodom, der König von Gomorra, der König von Adma, der König von Zebojim und der König von Bela, das ist Zoar, und rüsteten sich, zu kämpfen im Tal Siddim

Tekstuitleg van Gn 14,8 .

Gn 14,9 - Gn 14,9 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
9 πρὸς Χοδολλογομὸρ βασιλέα ᾿Ελὰμ καὶ Θαργὰλ βασιλέα ἐθνῶν καὶ ᾿Αμαρφὰλ βασιλέα Σενναὰρ καὶ ᾿Αριὼχ βασιλέα ᾿Ελλασάρ, οἱ τέσσαρες βασιλεῖς πρὸς τοὺς πέντε. 9 scilicet adversum Chodorlahomor regem Aelamitarum et Thadal regem Gentium et Amrafel regem Sennaar et Arioch regem Ponti quattuor reges adversus quinque   9 Tegen Kedor-laomer, den koning van Elam, en Tideal, den koning der volken, en Amrafel, den koning van Sinear, en Arioch, den koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf. [9] met Kedorlaomer, de koning van Elam, Tidal, de koning van Goïm, Amrafel, de koning van Sinear en Arjok, de koning van Ellasar: vier koningen tegen vijf.   9 met Kedorlaomer, koning van Elam, Tidal, koning van Gojiem, Amrafel, koning van Sjinar en Arjoch koning van Elasar; vier koningen tegenover de vijf. 9. contre Kedor-Laomer roi d'Élam, Tidéal roi des Goyim, Amraphel roi de Shinéar et Aryok roi d'Ellasar : quatre rois contre cinq !

King James Bible . [9] With Chedorlaomer the king of Elam, and with Tidal king of nations, and Amraphel king of Shinar, and Arioch king of Ellasar; four kings with five.
Luther-Bibel . 9mit Kedor-Laomer, dem König von Elam, und mit Tidal, dem König von Völkern, und mit Amrafel, dem König von Schinar, und mit Arjoch, dem König von Ellasar, vier Könige gegen fünf.

Tekstuitleg van Gn 14,9 .

Gn 14,10 - Gn 14,10 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
10 ἡ δὲ κοιλὰς ἡ ἁλυκή, φρέατα ἀσφάλτου. ἔφυγε δὲ βασιλεὺς Σοδόμων καὶ βασιλεὺς Γομόρρας καὶ ἐνέπεσαν ἐκεῖ, οἱ δὲ καταλειφθέντες εἰς τὴν ὀρεινὴν ἔφυγον. 10 vallis autem Silvestris habebat puteos multos bituminis itaque rex Sodomorum et Gomorrae terga verterunt cecideruntque ibi et qui remanserant fugerunt ad montem   10 Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen aldaar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte. [10] In het dal van Siddim waren veel asfaltputten. De koningen van Sodom en Gomorra sloegen op de vlucht en vielen in die putten, terwijl de overigen de bergen in vluchtten.   10 Het dal van de Sidiem is een en al putten, putten vol pek; ze vluchten, de koning van Sodom en die van Gomorra en vallen daarin; die resterenden zijn naar het bergland gevlucht. 10. Or la vallée de Siddim était pleine de puits de bitume; dans leur fuite, le roi de Sodome et le roi de Gomorrhe y tombèrent, et le reste se réfugia dans la montagne.

King James Bible . [10] And the vale of Siddim was full of slimepits; and the kings of Sodom and Gomorrah fled, and fell there; and they that remained fled to the mountain.
Luther-Bibel . 10Das Tal Siddim aber hatte viele Erdharzgruben. Und die Könige von Sodom und Gomorra wurden in die Flucht geschlagen und fielen da hinein, und was übrig blieb, floh auf das Gebirge.

Tekstuitleg van Gn 14,10 .

Gn 14,11 - Gn 14,11 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
11 ἔλαβον δὲ τὴν ἵππον πᾶσαν τὴν Σοδόμων καὶ Γομόρρας καὶ πάντα τὰ βρώματα αὐτῶν καὶ ἀπῆλθον. 11 tulerunt autem omnem substantiam Sodomorum et Gomorrae et universa quae ad cibum pertinent et abierunt   11 En zij namen al de have van Sodom en Gomorra, en al hun spijze, en trokken weg. [11] De vijanden maakten zich meester van al het bezit van Sodom en Gomorra en van al hun voedselvoorraden. Daarna gingen zij weg.   11 Ze nemen mee alle bezit van Sodom en Gomorra en al hun eten, en gaan er dan vandoor. 11. Les vainqueurs prirent tous les biens de Sodome et de Gomorrhe et tous leurs vivres, et s'en allèrent.

King James Bible . [11] And they took all the goods of Sodom and Gomorrah, and all their victuals, and went their way.
Luther-Bibel . 11Da nahmen sie alle Habe von Sodom und Gomorra und alle Vorräte und zogen davon.

Tekstuitleg van Gn 14,11 .

Gn 14,12 - Gn 14,12 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
12 ἔλαβον δὲ καὶ τὸν Λὼτ τὸν υἱὸν τοῦ ἀδελφοῦ ῞Αβραμ καὶ τὴν ἀποσκευὴν αὐτοῦ καὶ ἀπῴχοντο· ἦν γὰρ κατοικῶν ἐν Σοδόμοις. 12 necnon et Loth et substantiam eius filium fratris Abram qui habitabat in Sodomis   12 Ook namen zij Lot, den zoon van Abrams broeder, en zijn have, en trokken weg; want hij woonde in Sodom. [12] Bij hun aftocht voerden zij ook Lot mee, de zoon van Abrams broer, met zijn bezittingen; Lot woonde namelijk in Sodom.   12 Ze nemen Lot mee en zijn bezit,- de zoon van Abrams broer, en gaan dan; hij was ingezetene van Sodom. 12. Ils prirent aussi Lot et ses biens le neveu d'Abram, et s'en allèrent; il habitait Sodome.

King James Bible . [12] And they took Lot, Abram's brother's son, who dwelt in Sodom, and his goods, and departed.
Luther-Bibel . 12Sie nahmen auch mit sich Lot, Abrams Brudersohn, und seine Habe, denn er wohnte in Sodom, und zogen davon.

Tekstuitleg van Gn 14,12 .

Gn 14,13 - Gn 14,13 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
13 Παραγενόμενος δὲ τῶν ἀνασωθέντων τις ἀπήγγειλεν ῞Αβραμ τῷ περάτῃ· αὐτὸς δὲ κατῴκει παρὰ τῇ δρυΐ τῇ Μαμβρῇ ᾿Αμορραίου τοῦ ἀδελφοῦ ᾿Εσχὼλ καὶ τοῦ ἀδελφοῦ Αὐνάν, οἳ ἦσαν συνωμόται τοῦ ῞Αβραμ. 13 et ecce unus qui evaserat nuntiavit Abram Hebraeo qui habitabat in convalle Mambre Amorrei fratris Eschol et fratris Aner hii enim pepigerant foedus cum Abram   13 Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, den Hebreër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, den Amoriet, broeder van Eskol, en broeder van Aner, welke Abrams bondgenoten waren. [13] Een vluchteling bracht het nieuws aan Abram, de Hebreeër; hij woonde op dat ogenblik bij de eik van Mamre, de Amoriet, een broer van Eskol en Aner, beiden bondgenoten van Abram.   13 Daar komt de ene ontsnapte en meldt het aan Abram de Hebreeër,- oversteker ; die woont onder de godseiken van Mamree de Amoriet, broeder van Esjkol en broeder van Aneer; en zij zijn bondgenoten van Abram. 13. Un rescapé vint informer Abram l'Hébreu, qui demeurait au Chêne de l'Amorite Mambré, frère d'Eshkol et d'Aner; ils étaient les alliés d'Abram.

King James Bible . [13] And there came one that had escaped, and told Abram the Hebrew; for he dwelt in the plain of Mamre the Amorite, brother of Eschol, and brother of Aner: and these were confederate with Abram.
Luther-Bibel . 13Da kam einer, der entronnen war, und sagte es Abram an, dem Hebräer, der da wohnte im Hain Mamres, des Amoriters, des Bruders von Eschkol und Aner. Diese waren mit Abram im Bund.

Tekstuitleg van Gn 14,13 . Het vers Gn 14,13 bestaat uit 18 (2 X 3²) woorden en 73 letters , Zie : http://www.biblewheel.com//GR/GR_Creation_Set.php . De getalswaarde van Gn 14,13 is 3487 (11 X 317) .

17. bërîth (verbond) . Taalgebruik in Tenach : bërîth (verbond) . Taalgebruik in Genesis : bërîth (verbond) . Taalgebruik in Jesaja : bërîth (verbond) . Getalswaarde : beth = 2 , resj = 20 of 300 , jod = 10 , taw = 22 of 500 ; totaal : 54 of 812 . Gr. diathèkè (verbond) . Taalgebruik in het N.T. : diathèkè (verbond) . diatithèmi = tussen-stellen . Lat. foedus (zie b.v. federaal) , testamentum . E. testament . Fr. alliance . E. covenant . Ned. testamment , verbond , overeenkomst . D. Bund . Tenach (132) . Pentateuch (32) . In negen verzen in Gn . (1) Gn 9,13 (boog : teken van het verbond) . (2) Gn 9,16 (verbond tussen God en de mensen) . (3) Gn 14,13 (bondgenoten van Abram) . (4) Gn 15,18 (JHWH sloot een verbond met Abram) . (5) Gn 17,11 (verbond van God met Abraham en zijn nageslacht) . (6) Gn 21,27 (verbond tussen Abraham en Abimelech) . (7) Gn 21,32 (verbond tussen Abraham en Abimelech) . (8) Gn 26,28 (verbond tussen Isaak en Abimelech) . (9) Gn 31,44 (verbond tussen Laban en Jakob) . Een vorm van diathèkè (verbond) in het N.T. (33) . Syn. en ev. (4) . In de LXX (358) .

Gn 14,14 - Gn 14,14 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
14 ἀκούσας δὲ ῞Αβραμ ὅτι ᾐχμαλώτευται Λὼτ ὁ ἀδελφιδοῦς αὐτοῦ, ἠρίθμησε τοὺς ἰδίους οἰκογενεῖς αὐτοῦ, τριακοσίους δέκα καὶ ὀκτώ, καὶ κατεδίωξεν ὀπίσω αὐτῶν ἕως Δάν. 14 quod cum audisset Abram captum videlicet Loth fratrem suum numeravit expeditos vernaculos suos trecentos decem et octo et persecutus est eos usque Dan   14 Als Abram hoorde, dat zijn broeder gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe. [14] Toen Abram hoorde dat zijn broer gevangen was genomen, riep hij de geoefende mannen die in zijn huis waren geboren op om zich te wapenen – het waren er driehonderdachttien* – en hij ging de vijanden achterna tot bij Dan.   14 Met dat Abram hoort dat zijn broeder gevangengenomen is trommelt hij zijn geoefenden op, die geboren zijn in zijn huis, achttien, en drie honderdtallen, en achtervolgt tot aan Dan. 14. Quand Abram apprit que son parent était emmené captif, il leva ses partisans, ses familiers, au nombre de trois cent dix-huit, et mena la poursuite jusqu'à Dan.

King James Bible . [14] And when Abram heard that his brother was taken captive, he armed his trained servants, born in his own house, three hundred and eighteen, and pursued them unto Dan.
Luther-Bibel . 14Als nun Abram hörte, dass seines Bruders Sohn gefangen war, wappnete er seine Knechte, dreihundertundachtzehn, in seinem Hause geboren, und jagte ihnen nach bis Dan

Tekstuitleg van Gn 14,14 . Het vers Gn 14,14 telt 17 woorden en 64 (2³ X 2³) letters . De getalswaarde van Gn 14,14 is 4860 (2² X 3² X 3³ X 5) .

1. וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` (en hij hoorde) < prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. שָׁמַע = sjâma` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâma` (horen, luisteren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 ; 50 (2 X 5²) of 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 3 - 4 - 7 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (90) . Pentateuch (33) . Eerdere Profeten (33) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (12) . Gn (11) : (1) Gn 14,14 . (2) Gn 16,2 . (3) Gn 21,17 . (4) Gn 23,16 . (5) Gn 28,7 . (6) Gn 30,17 . (7) Gn 30,22 . (8) Gn 31,1 . (9) Gn 35,22 . (10) Gn 37,21 . (11) Gn 45,2 . Ex (6) : (1) Ex 2,15 . (2) Ex 2,24 . (3) Ex 18,1 . (4) Ex 18,24 . (5) Ex 32,17 . (6) Ex 33,4 .

Gn 14,14.1. - 2. וַיִּשְׁמַע אַבְרָם = wajjisjëma` ´abhërâm (en Abram hoorde) . Tenakh (2) : (1) Gn 14,14 . (2) Gn 16,2 .
- וַיִּשְׁמַע אַבְהָרָם = wajjisjëma` ´abhërâhâm (en Abraham hoorde) . Tenakh (1) : Gn 23,16 .

Gn 14,14.17. d-n ( דָן = dân) : (1) dân (Dan) . (2) werkwoordvorm act. qal perf. 3de pers. mann. enk. dân (hij spreekt recht) . (3) werkwoordvorm act. qal part. perf. mann. enk dân (rechtsprekende) . Taalgebruik in Tenakh : dân (Dan) . Getalswaarde : daleth = 4 , nun = 14 of 50 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 54 (2 X 3³) . Verhouding : 1 op 4 . Structuur : 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (53) . Pentateuch (24) . Eerdere Profeten (18) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (5) . Gn (7) : (1) Gn 14,14 . (2) Gn 15,14 . (3) Gn 30,6 . (4) Gn 35,25 . (5) Gn 46,23 . (6) Gn 49,16 . (7) Gn 49,17 . Ex (4) : (1) Ex 1,4 . (2) Ex 31,6 . (3) Ex 35,34 . (4) Ex 38,23 . De persoonsnaam Dan . Tenakh (19) . Pentateuch (8) : (1) Gn 30,6 . (2) Gn 35,25 . (3) Gn 49,16 . (4) Ex 1,4 . (5) Nu 26,42 . (6) Dt 27,13 . (7) Dt 33,22 . (8) Dt 34,1 . Eerdere Profeten (2) : (1) Joz 19,47 . (2) Re 18,29 . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (5) . Dan is de 1ste zoon van Bilha , de bijvrouw van Rachel . Hij is de 5de zoon van Jakob na de 4 zonen uit Lea .

Gn 14,15 - Gn 14,15 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
15 καὶ ἐπέπεσεν ἐπ᾿ αὐτοὺς τὴν νύκτα αὐτὸς καὶ οἱ παῖδες αὐτοῦ, καὶ ἐπάταξεν αὐτοὺς καὶ κατεδίωξεν αὐτοὺς ἕως Χοβά, ἥ ἐστιν ἐν ἀριστερᾷ Δαμασκοῦ. 15 et divisis sociis inruit super eos nocte percussitque eos et persecutus est usque Hoba quae est ad levam Damasci   15 En hij verdeelde zich tegen hen des nachts, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, hetwelk is ter linkerhand van Damaskus. [15] Met zijn dienaren viel hij hen in de nacht van verschillende kanten aan, versloeg hen en achtervolgde hen tot aan Choba, ten noorden van Damascus.   15 Hij verdeelt zich tegen hen, 's nachts, hij en zijn dienaars, en verslaat hen; hij achtervolgt hen tot aan Chova, links van Damascus. 15. Il les attaqua de nuit en ordre dispersé, lui et ses gens, il les battit et les poursuivit jusqu'à Hoba, au nord de Damas.

King James Bible . [15] And he divided himself against them, he and his servants, by night, and smote them, and pursued them unto Hobah, which is on the left hand of Damascus.
Luther-Bibel . 15und teilte seine Schar, fiel des Nachts über sie her mit seinen Knechten und schlug sie und jagte sie bis nach Hoba, das nördlich der Stadt Damaskus liegt.

Tekstuitleg van Gn 14,15 .

Gn 14,16 - Gn 14,16 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
16 καὶ ἀπέστρεψε πᾶσαν τὴν ἵππον Σοδόμων, καὶ Λὼτ τὸν ἀδελφιδοῦν αὐτοῦ ἀπέστρεψε καὶ πάντα τὰ ὑπάρχοντα αὐτοῦ καὶ τὰς γυναῖκας καὶ τὸν λαόν. 16 reduxitque omnem substantiam et Loth fratrem suum cum substantia illius mulieres quoque et populum   16 En hij bracht alle have weder, en ook Lot zijn broeder en deszelfs have bracht hij weder, als ook de vrouwen, en het volk. [16] Hij heroverde alle goederen; ook zijn broer Lot en zijn bezittingen, evenals de vrouwen en het krijgsvolk, bracht hij terug.   16 Hij keert terug met heel het bezit; ook Lot, zijn broeder, heeft hij teruggebracht, met diens bezit en ook de vrouwen en de manschap. 16. Il reprit tous les biens, et aussi son parent Lot et ses biens, ainsi que les femmes et les gens.

King James Bible . [16] And he brought back all the goods, and also brought again his brother Lot, and his goods, and the women also, and the people.
Luther-Bibel . 16Und er brachte alle Habe wieder zurück, dazu auch Lot, seines Bruders Sohn, mit seiner Habe, auch die Frauen und das Volk.

Tekstuitleg van Gn 14,16 .

Gn 14,17 - Gn 14,17 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
17 ᾿Εξῆλθε δὲ βασιλεὺς Σοδόμων εἰς συνάντησιν αὐτῷ, μετὰ τὸ ὑποστρέψαι αὐτὸν ἀπὸ τῆς κοπῆς τοῦ Χοδολλογομὸρ καὶ τῶν βασιλέων τῶν μετ᾿ αὐτοῦ, εἰς τὴν κοιλάδα τοῦ Σαβύ (τοῦτο ἦν τὸ πεδίον τῶν βασιλέων). 17 egressus est autem rex Sodomorum in occursum eius postquam reversus est a caede Chodorlahomor et regum qui cum eo erant in valle Save quae est vallis Regis   17 En de koning van Sodom toog uit, hem tegemoet (nadat hij wedergekeerd was van het slaan van Kedor-laomer, en van de koningen, die met hem waren), tot het dal Schave, dat is, het dal des konings. schilderij van Peter Paul Rubens: De ontmoeting van Abraham en Melchizedek » meer [17] Na zijn terugkeer uit de slag tegen Kedorlaomer en zijn koninklijke bondgenoten trok de koning van Sodom Abram tegemoet in het dal* van Sawe, ook het dal van de koning geheten.   17 Dan trekt Sodoms koning uit, hem tegemoet, nadat hij is teruggekeerd van het verslaan van Kedorlaomer en de koningen die met hem waren,- naar het dal Sjavee, dat is het Koningsdal. 17. Quand Abram revint après avoir battu Kedor-Laomer et les rois qui étaient avec lui, le roi de Sodome alla à sa rencontre dans la vallée de Shavé c'est la vallée du Roi .

King James Bible . [17] And the king of Sodom went out to meet him after his return from the slaughter of Chedorlaomer, and of the kings that were with him, at the valley of Shaveh, which is the king's dale.
Luther-Bibel . 17Als er nun zurückkam von dem Sieg über Kedor-Laomer und die Könige mit ihm, ging ihm entgegen der König von Sodom in das Tal Schawe, das ist das Königstal.

Tekstuitleg van Gn 14,17 .

Gn 14,18 - Gn 14,18 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
18 καὶ Μελχισεδὲκ βασιλεὺς Σαλὴμ ἐξήνεγκεν ἄρτους καὶ οἶνον· ἦν δὲ ἱερεὺς τοῦ Θεοῦ τοῦ ὑψίστου. 18 at vero Melchisedech rex Salem proferens panem et vinum erat enim sacerdos Dei altissimi   18 En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester des allerhoogsten Gods. [18] En Melchisedek*, de koning van Salem, bood hem brood en wijn aan. Omdat hij priester was van de allerhoogste God, [   18 Malchisedek,- koning van gerechtigheid , de koning van Sjaleem, heeft naar buiten gebracht: brood en wijn; hij is priester voor God-in-den-hoge. 18. Melchisédech, roi de Shalem, apporta du pain et du vin; il était prêtre du Dieu Très Haut.

King James Bible . [18] And Melchizedek king of Salem brought forth bread and wine: and he was the priest of the most high God.
Luther-Bibel . 18Aber Melchisedek, der König von Salem, trug Brot und Wein heraus. Und er war ein Priester Gottes des Höchsten

Tekstuitleg van Gn 14,18 .

Gn 14,19 - Gn 14,19 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
19 καὶ εὐλόγησε τὸν ῞Αβραμ καὶ εἶπεν· εὐλογημένος ῞Αβραμ τῷ Θεῷ τῷ ὑψίστῳ, ὃς ἔκτισε τὸν οὐρανὸν καὶ τὴν γῆν. 19 benedixit ei et ait benedictus Abram Deo excelso qui creavit caelum et terram   19 En hij zegende hem, en zeide: Gezegend zij Abram Gode, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit! 19] zegende hij hem met deze woorden: 'Gezegend zij Abram door de allerhoogste God die de hemel en de aarde gemaakt heeft,   19 Hij zegent hem en zegt: gezegend Abram voor God-in-den-hoge, de stichter van hemelen en aarde!- 19. Il prononça cette bénédiction : Béni soit Abram par le Dieu Très Haut qui créa ciel et terre,

King James Bible . [19] And he blessed him, and said, Blessed be Abram of the most high God, possessor of heaven and earth:
Luther-Bibel . 19und segnete ihn und sprach: Gesegnet seist du, Abram, vom höchsten Gott, der Himmel und Erde geschaffen hat;

Tekstuitleg van Gn 14,19

2. wajj´omèr (en - Melkhisedekh - zei - tot Abram) .

8. - 9. sjâmajim wë´èrèts / wä´ârèts (hemel en aarde) . Tenach (11) : (1) Gn 14,19 . (2) Gn 14,22 . (3) Ps 69,35 . (4) Ps 115,15 . (5) Ps 121,2 . (6) Ps 124,8 . (7) Ps 134,3 . (8) Ps 146,6 . (9) Jr 33,25 . (10) Jr 51,48 . (11) Jl 4,16 .

Gn 14,20 - Gn 14,20 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
20 καὶ εὐλογητὸς ὁ Θεὸς ὁ ὕψιστος, ὃς παρέδωκε τοὺς ἐχθρούς σου ὑποχειρίους σοι. καὶ ἔδωκεν αὐτῷ ῞Αβραμ δεκάτην ἀπὸ πάντων. 20 et benedictus Deus excelsus quo protegente hostes in manibus tuis sunt et dedit ei decimas ex omnibus   20 En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles. [20] en gezegend zij de allerhoogste God die uw vijand aan u heeft uitgeleverd!' En Abram gaf hem van alles een tiende deel.   20 en gezegend God-in-den-hoge die je benauwers overleverde in je hand! En hij geeft hem een tiende van alles. 20. et béni soit le Dieu Très Haut qui a livré tes ennemis entre tes mains. Et Abram lui donna la dîme de tout.

King James Bible . [20] And blessed be the most high God, which hath delivered thine enemies into thy hand. And he gave him tithes of all.
Luther-Bibel . 20und gelobt sei Gott der Höchste, der deine Feinde in deine Hand gegeben hat. Und Abram gab ihm den Zehnten von allem.

Tekstuitleg van Gn 14,20 .

Gn 14,21 - Gn 14,21 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
21 εἶπε δὲ βασιλεὺς Σοδόμων πρὸς ῞Αβραμ· δός μοι τοὺς ἄνδρας, τὴν δὲ ἵππον λάβε σεαυτῷ. 21 dixit autem rex Sodomorum ad Abram da mihi animas cetera tolle tibi   21 En de koning van Sodom zeide tot Abram: Geef mij de zielen; maar neem de have voor u. [21] De koning van Sodom zei tegen Abram: 'Geef mij alleen de mensen terug, de buit kunt u zelf houden.' [   21 De koning van Sodom zegt tot Abram: geef mij de levende zielen; en het bezit, neem dat voor jezelf! 21. Le roi de Sodome dit à Abram : Donne-moi les personnes et prends les biens pour toi.

King James Bible . [21] And the king of Sodom said unto Abram, Give me the persons, and take the goods to thyself.
Luther-Bibel . 21Da sprach der König von Sodom zu Abram: Gib mir die Leute, die Güter behalte für dich!

Tekstuitleg van Gn 14,21 .

4. - 5. אֶל אַבְרָם = ´èl ´abhërâm (tot Abram) . Bijbel / Gn (8) : (1) Gn 12,1 . (2) Gn 12,7 . (3) Gn 13,14 . (4) Gn 14,21 . (5) Gn 15,1 . (6) Gn 16,2 . (7) Gn 16,5 . (8) Gn 17,1 .
Met contekst :
(1) Gn 12,1 : וַיּאֹמֶר יהוה אֶל אַבְרָם = wajj´omèr JHWH ´èl ´abhërâm (en JHWH zei tot Abram) .
(2) Gn 12,7 : ןַיֵּרָא יהוה אֶל אַבְרָם = wajjerâ´ JHWH ´èl ´abhërâm (en JHWH verscheen aan Abram) .
(3) Gn 13,14 : וִיהוָה אָמַר אֶל אַבְרָם = waJHWH ´âmar ´èl ´abhërâm (en JHWH zei tot Abram) .
(4) Gn 14,21 : וַיּאֹמֶר מֶלֶך סְדֹם אֶל אַבְרָם = wajj´omèr mèlèkh Sëdom ´èl ´abhërâm (en de koning van Sodom zei tot Abram) .
(5) Gn 15,1 : הָיָה דְבַר יהוה אֶל אַבְרָם = hâjâh dëbhar IHWH ´èl ´abhërâm (het woord van JHWH kwam tot Abram) .
(6) Gn 16,2 : וַתֹאמַר שָׂרַי אֶל אַבְרָם = waththo´mèr shâraj ´èl ´abhërâm (en Sarai zei tot Abram) .
(7) Gn 16,5 : וַתֹאמַר שָׂרַי אֶל אַבְרָם = waththo´mèr shâraj ´èl ´abhërâm (en Sarai zei tot Abram) .
(8) Gn 17,1 : ןַיֵּרָא יהוה אֶל אַבְרָם = wajjerâ´ JHWH ´èl ´abhërâm (en JHWH verscheen aan Abram) .
In vier verzen is JHWH onderwerp . In zes verzen gaat het om een spreken ; in twee verzen om een verschijnen van JHWH : (1) Gn 12,7 . (2) Gn 17,1 ; ןַיֵּרָא יהוה אֶל אַבְרָם = wajjerâ´ JHWH ´èl ´abhërâm (en JHWH verscheen aan Abram) . wajjerâ´ JHWH ´èl ´abhërâm (en JHWH verscheen aan Abram) .
- Lettinga 12, 2012 , 6 : Een horizontale streep bovenaan tussen twee woorden , wordt maqqef genoemd . Ze verbindt de twee woorden tot een klemtooneenheid . Dit teken staat in het bijzonder na éénlettergrepige partikels zoals ´èl (tot, naar) .

 

Gn 14,22 - Gn 14,22 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
22 εἶπε δὲ ῞Αβραμ πρὸς τὸν βασιλέα Σοδόμων· ἐκτενῶ τὴν χεῖρά μου πρὸς Κύριον τὸν Θεὸν τὸν ὕψιστον, ὃς ἔκτισε τὸν οὐρανὸν καὶ τὴν γῆν, 22 qui respondit ei levo manum meam ad Dominum Deum excelsum possessorem caeli et terrae   22 Doch Abram zeide tot den koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot den HEERE, den allerhoogsten God, Die hemel en aarde bezit; 22] Maar Abram zei tegen de koning van Sodom: 'Met opgeheven hand zweer ik bij de heer, de allerhoogste God, die de hemel en de aarde gemaakt heeft:   22 Maar Abram zegt tot de koning van Sodom: ik heb mijn hand geheven tot de Ene, God-in-den-hoge, de stichter van hemelen en aarde: 22. Mais Abram répondit au roi de Sodome : Je lève la main devant le Dieu Très Haut qui créa ciel et terre :

King James Bible . [22] And Abram said to the king of Sodom, I have lift up mine hand unto the LORD, the most high God, the possessor of heaven and earth,
Luther-Bibel . 22Aber Abram sprach zu dem König von Sodom: Ich hebe meine Hand auf zu dem HERRN, dem höchsten Gott, der Himmel und Erde geschaffen hat,

Tekstuitleg van Gn 14,22 .

2. אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalswaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , mem = 13 of 40 ; totaal : 36 (2² X 3²) of 243 (3² X 3³) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 (3 X 29) OF 753 (3 X 251) . Abram (36 of 243) + Hagar (28 of 208) = 64 (2³ X 2³) OF 451 (11 X 41) . 451 is de getalswaarde van jisjëmâ`e´l (Ismaël) . Taalgebruik in Tenakh : jisjëmâ`e´l (Ismaël) . De getalswaarde van jishërâ´el (Israël) is 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Taalgebruik in Tenakh : jishërâ´el (Israël) . Tenakh (44) . Gn (43) + 1 Kr 1,27 .
- וְאַבְרָם = wë´abërâm (en Abram) < prefix voegwoord wë + eigennaam אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Tenakh (3) : (1) Gn 12,4 . (2) Gn 13,2 . (3) Gn 16,16 .
- Arabisch : ابرَاهِيم = ´ibrâhîm (Ibrâhîm) . Taalgebruik in de Qoran : ibrâhîm (Ibrâhîm) . Qoran (75) .
De vader van Abram heet Terach . Zijn broers heten Nachor en Haran (Gn 11,26) . Hij trouwt met Sarai . Zijn broer Haran trouwt en krijgt een zoon : Lot , en twee dochters : Milka en Jiska . Haran sterft nog in Ur . Zijn broer Nachor trouwt met Milka , de oudste dochter van Haran . Zijn vader Terach trekt uit Ur weg , gaat op weg naar Kanaän , maar blijft in Haran . Volgens Gn 11,31 worden slechts vier personen genoemd , wanneer zijn vader Terach uit Ur naar Kanaän vertrekt : zijn vader - Terach - , hij zelf (Abram) , zijn vrouw Sarai en zijn neef - de zoon van zijn broer Haran - Lot .

1. - 2. וַיּאֹמֶר אַבְרָם = wajjo´mèr ´abhërâm (en Abram zei) . Tenakh (5) : (1) Gn 13,8 . (2) Gn 14,22 . (3) Gn 15,2 . (4) Gn 15,3 . (6) Gn 16,6 .
- וַיּאֹמֶר אַבְרָהָם = wajjo'mèr ´abhërâhâm (en Abraham zei) . Tenakh (8) : (1) Gn 17,18 . (2) Gn 20,2 . (3) Gn 20,11 . (4) Gn 21,24 . (5) Gn 22,5 . (6) Gn 22,8 . (7) Gn 22,11 . (8) Gn 24,2 .
- Het werkw. en de eigennaam hebben de medeklinkers gemeenschappelijk .

13. - 14. sjâmajim wë´èrèts / wä´ârèts (hemel en aarde) . Tenach (11) : (1) Gn 14,19 . (2) Gn 14,22 . (3) Ps 69,35 . (4) Ps 115,15 . (5) Ps 121,2 . (6) Ps 124,8 . (7) Ps 134,3 . (8) Ps 146,6 . (9) Jr 33,25 . (10) Jr 51,48 . (11) Jl 4,16 .

Gn 14,23 - Gn 14,23 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
23 εἰ ἀπὸ σπαρτίου ἕως σφυρωτῆρος ὑποδήματος λήψομαι ἀπὸ πάντων τῶν σῶν, ἵνα μὴ εἴπῃς, ὅτι ἐγὼ ἐπλούτισα τὸν ῞Αβραμ· 23 quod a filo subteminis usque ad corrigiam caligae non accipiam ex omnibus quae tua sunt ne dicas ego ditavi Abram   23 Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt! [23] ik wil niets van u hebben, geen draad en geen schoenriem, niets van wat u toebehoort. U moet niet kunnen zeggen dat u Abram rijk hebt gemaakt.   23 áls ik ooit, van touwtje tot schoenriem, áls ik ooit iets aanneem van al wat van u is!- u zult niet zeggen: 'ik heb Abram rijk gemaakt',- 23. ni un fil ni une courroie de sandale, je ne prendrai rien de ce qui est à toi, et tu ne pourras pas dire : J'ai enrichi Abram.

King James Bible . [23] That I will not take from a thread even to a shoelatchet, and that I will not take any thing that is thine, lest thou shouldest say, I have made Abram rich:
Luther-Bibel . 23dass ich von allem, was dein ist, nicht einen Faden noch einen Schuhriemen nehmen will, damit du nicht sagest, du habest Abram reich gemacht,

Tekstuitleg van Gn 14,23 .

Gn 14,24 - Gn 14,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - - Gn 14,1 - Gn 14,2 - Gn 14,3 - Gn 14,4 - Gn 14,5 - Gn 14,6 - Gn 14,7 - Gn 14,8 - Gn 14,9 - Gn 14,10 - Gn 14,11 - Gn 14,12 - Gn 14,13 - Gn 14,14 - Gn 14,15 - Gn 14,16 - Gn 14,17 - Gn 14,18 - Gn 14,19 - Gn 14,20 - Gn 14,21 - Gn 14,22 - Gn 14,23 - Gn 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling NV (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
24 πλὴν ὧν ἔφαγον οἱ νεανίσκοι καὶ τῆς μερίδος τῶν ἀνδρῶν τῶν συμπορευθέντων μετ᾿ ἐμοῦ, ᾿Εσχώλ, Αὐνάν, Μαμβρῆ, οὗτοι λήψονται μερίδα. 24 exceptis his quae comederunt iuvenes et partibus virorum qui venerunt mecum Aner Eschol et Mambre isti accipient partes suas   24 Het zij buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel dezer mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deel nemen! [24] Niets daarvan. Ik vraag alleen maar wat de mannen verteerd hebben, en het deel van Aner, Eskol en Mamre, die met mij zijn uitgetrokken; laat hen nemen wat hun toekomt.'   24 ik hoef niets!- slechts wat de jongens hebben gegeten en het aandeel van de mannen die met mij op weg zijn gegaan: Aneer, Esjkol en Mamree, laten zíj hun deel meenemen! 24. Rien pour moi. Seulement ce que mes serviteurs ont mangé et la part des hommes qui sont venus avec moi, Aner, Eshkol et Mambré; eux prendront leur part.

King James Bible . [24] Save only that which the young men have eaten, and the portion of the men which went with me, Aner, Eshcol, and Mamre; let them take their portion.
Luther-Bibel . 24ausgenommen, was die Knechte verzehrt haben; doch lass die Männer Aner, Eschkol und Mamre, die mit mir gezogen sind, ihr Teil nehmen.

Tekstuitleg van Gn 14,24 . Het vers Gn 14,24 telt 16 (2² X 2²) woorden en 62 (2 X 31) letters . De getalswaarde van Gn 14,24 is 4177 (priemgetal) .

4. act. ind. perf. 3de pers. mann. mv. אָכְלוּ= ´âkhëlû (zij zullen eten) van het werkw. אָכַל = ´âkhal (eten) . Taalgebruik in Tenakh : ´âkhal (eten) . De getalswaarde van אָכַל = ´âkhal (eten) is : aleph = 1 , kaph = 11 of 20 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 24 (2³ X 3) of 51 (3 X 17) . Structuur : 1 - 2 - 3 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (12) : (1) Gn 14,24 . (2) Ex 16,35 . (3) 2 K 23,9 . (4) Jr 10,25 . (5) Jr 31,29 . (6) Ez 22,9 . (7) Hos 7,9 . (8) Mi 3,3 . (9) Ps 14,4 . (10) Ps 22,30 . (11) Ps 53,5 . (12) 2 Kr 30,18 .
- וְאָכְלוּ = wë´âkhëlû (en zij zullen eten) < verbindingswoord wë + act. ind. perf. 3de pers. mv. van het werkw. אָכַל = ´âkhal (eten) . Taalgebruik in Tenakh : ´âkhal (eten) . De getalswaarde van אָכַל = ´âkhal (eten) is : aleph = 1 , kaph = 11 of 20 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 24 (2³ X 3) of 51 (3 X 17) . Structuur : 1 - 2 - 3 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (15) : (1) Gn 47,22 . (2) Ex 12,8 . (3) Ex 23,11 . (4) Ex 29,33 . (5) Nu 11,21 . (6) Dt 14,29 . (7) Dt 26,12 . (8) Js 65,21 . (9) Jr 7,21 . (10) Ez 4,16 . (11) Hos 4,10 . (12) Hos 7,7 . (13) Am 9,14 . (14) Zach 9,15 . (15) Zach 12,6 .

- Chioli Dario , NOTE SU MELCHISEDEC , http://web.infinito.it/utenti/s/superzeko/tradition/DarioChioliNoteSuMelchisedec.html .
- "Thinking Torah" By Rav Alex Israel - Shabbat Chazon: Sedom, Amora and Jerusalem . http://www.lind.org.il/features/rai_chazon63.htm .
- The War of the Kings and its Significance Rabbi David Dov Levanon . http://www.yeshiva.org.il/midrash/shiur.asp?id=1814 .
- McNamara M. , Melchizedek: Gen 14,17-20 in the Targums, in Rabbinic and Early Christian Literature , Biblica 81 (2000) 1-31 , http://www.bsw.org/?l=71811&a=Comm01.html .
- Sefer Jezirah 'Das Buch der Schöpfung' voetnoten : http://www.hagalil.com/judentum/kabbala/jezirah6.htm .
The Midrash (Vayikra Rabba 25:6) states that the Patriarch Abraham was a Kohen Gadol (high priest). What difference was there if he was a regular Kohen or a Kohen Gadol? It is clear that Abraham had to be a Kohen in order to perform any sacrifice. Yet, the Akeidah was unique, because in the process of performing the sacrifice, the Kohen would become an onan (one whose immediate relative has died that day), and only a Kohen Gadol can bring a sacrifice as an onan. Therefore it was crucial that Abraham be a Kohen Gadol, to complete the sacrificial order after Isaac's demise.


- Hebreeuwse tekst OF modern Hebreeuws NT

א וַיְהִי, בִּימֵי אַמְרָפֶל מֶלֶךְ-שִׁנְעָר, אַרְיוֹךְ, מֶלֶךְ אֶלָּסָר; כְּדָרְלָעֹמֶר מֶלֶךְ עֵילָם, וְתִדְעָל מֶלֶךְ גּוֹיִם. ב עָשׂוּ מִלְחָמָה, אֶת-בֶּרַע מֶלֶךְ סְדֹם, וְאֶת-בִּרְשַׁע, מֶלֶךְ עֲמֹרָה; שִׁנְאָב מֶלֶךְ אַדְמָה, וְשֶׁמְאֵבֶר מֶלֶךְ צְבֹיִים, וּמֶלֶךְ בֶּלַע, הִיא-צֹעַר. ג כָּל-אֵלֶּה, חָבְרוּ, אֶל-עֵמֶק, הַשִּׂדִּים: הוּא, יָם הַמֶּלַח. ד שְׁתֵּים עֶשְׂרֵה שָׁנָה, עָבְדוּ אֶת-כְּדָרְלָעֹמֶר; וּשְׁלֹשׁ-עֶשְׂרֵה שָׁנָה, מָרָדוּ. ה וּבְאַרְבַּע עֶשְׂרֵה שָׁנָה בָּא כְדָרְלָעֹמֶר, וְהַמְּלָכִים אֲשֶׁר אִתּוֹ, וַיַּכּוּ אֶת-רְפָאִים בְּעַשְׁתְּרֹת קַרְנַיִם, וְאֶת-הַזּוּזִים בְּהָם; וְאֵת, הָאֵימִים, בְּשָׁוֵה, קִרְיָתָיִם. ו וְאֶת-הַחֹרִי, בְּהַרְרָם שֵׂעִיר, עַד אֵיל פָּארָן, אֲשֶׁר עַל-הַמִּדְבָּר. ז וַיָּשֻׁבוּ וַיָּבֹאוּ אֶל-עֵין מִשְׁפָּט, הִוא קָדֵשׁ, וַיַּכּוּ, אֶת-כָּל-שְׂדֵה הָעֲמָלֵקִי--וְגַם, אֶת-הָאֱמֹרִי, הַיֹּשֵׁב, בְּחַצְצֹן תָּמָר. ח וַיֵּצֵא מֶלֶךְ-סְדֹם וּמֶלֶךְ עֲמֹרָה, וּמֶלֶךְ אַדְמָה וּמֶלֶךְ צְבֹיִים, וּמֶלֶךְ בֶּלַע, הִוא-צֹעַר; וַיַּעַרְכוּ אִתָּם מִלְחָמָה, בְּעֵמֶק הַשִּׂדִּים. ט אֵת כְּדָרְלָעֹמֶר מֶלֶךְ עֵילָם, וְתִדְעָל מֶלֶךְ גּוֹיִם, וְאַמְרָפֶל מֶלֶךְ שִׁנְעָר, וְאַרְיוֹךְ מֶלֶךְ אֶלָּסָר--אַרְבָּעָה מְלָכִים, אֶת-הַחֲמִשָּׁה. י וְעֵמֶק הַשִּׂדִּים, בֶּאֱרֹת בֶּאֱרֹת חֵמָר, וַיָּנֻסוּ מֶלֶךְ-סְדֹם וַעֲמֹרָה, וַיִּפְּלוּ-שָׁמָּה; וְהַנִּשְׁאָרִים, הֶרָה נָּסוּ. יא וַיִּקְחוּ אֶת-כָּל-רְכֻשׁ סְדֹם וַעֲמֹרָה, וְאֶת-כָּל-אָכְלָם--וַיֵּלֵכוּ. יב וַיִּקְחוּ אֶת-לוֹט וְאֶת-רְכֻשׁוֹ בֶּן-אֲחִי אַבְרָם, וַיֵּלֵכוּ; וְהוּא יֹשֵׁב, בִּסְדֹם. יג וַיָּבֹא, הַפָּלִיט, וַיַּגֵּד, לְאַבְרָם הָעִבְרִי; וְהוּא שֹׁכֵן בְּאֵלֹנֵי מַמְרֵא הָאֱמֹרִי, אֲחִי אֶשְׁכֹּל וַאֲחִי עָנֵר, וְהֵם, בַּעֲלֵי בְרִית-אַבְרָם. יד וַיִּשְׁמַע אַבְרָם, כִּי נִשְׁבָּה אָחִיו; וַיָּרֶק אֶת-חֲנִיכָיו יְלִידֵי בֵיתוֹ, שְׁמֹנָה עָשָׂר וּשְׁלֹשׁ מֵאוֹת, וַיִּרְדֹּף, עַד-דָּן. טו וַיֵּחָלֵק עֲלֵיהֶם לַיְלָה הוּא וַעֲבָדָיו, וַיַּכֵּם; וַיִּרְדְּפֵם, עַד-חוֹבָה, אֲשֶׁר מִשְּׂמֹאל, לְדַמָּשֶׂק. טז וַיָּשֶׁב, אֵת כָּל-הָרְכֻשׁ; וְגַם אֶת-לוֹט אָחִיו וּרְכֻשׁוֹ הֵשִׁיב, וְגַם אֶת-הַנָּשִׁים וְאֶת-הָעָם. יז וַיֵּצֵא מֶלֶךְ-סְדֹם, לִקְרָאתוֹ, אַחֲרֵי שׁוּבוֹ מֵהַכּוֹת אֶת-כְּדָרְלָעֹמֶר, וְאֶת-הַמְּלָכִים אֲשֶׁר אִתּוֹ--אֶל-עֵמֶק שָׁוֵה, הוּא עֵמֶק הַמֶּלֶךְ. יח וּמַלְכִּי-צֶדֶק מֶלֶךְ שָׁלֵם, הוֹצִיא לֶחֶם וָיָיִן; וְהוּא כֹהֵן, לְאֵל עֶלְיוֹן. יט וַיְבָרְכֵהוּ, וַיֹּאמַר: בָּרוּךְ אַבְרָם לְאֵל עֶלְיוֹן, קֹנֵה שָׁמַיִם וָאָרֶץ. כ וּבָרוּךְ אֵל עֶלְיוֹן, אֲשֶׁר-מִגֵּן צָרֶיךָ בְּיָדֶךָ; וַיִּתֶּן-לוֹ מַעֲשֵׂר, מִכֹּל. כא וַיֹּאמֶר מֶלֶךְ-סְדֹם, אֶל-אַבְרָם: תֶּן-לִי הַנֶּפֶשׁ, וְהָרְכֻשׁ קַח-לָךְ. כב וַיֹּאמֶר אַבְרָם, אֶל-מֶלֶךְ סְדֹם: הֲרִמֹתִי יָדִי אֶל-יְהוָה אֵל עֶלְיוֹן, קֹנֵה שָׁמַיִם וָאָרֶץ. כג אִם-מִחוּט וְעַד שְׂרוֹךְ-נַעַל, וְאִם-אֶקַּח מִכָּל-אֲשֶׁר-לָךְ; וְלֹא תֹאמַר, אֲנִי הֶעֱשַׁרְתִּי אֶת-אַבְרָם. כד בִּלְעָדַי, רַק אֲשֶׁר אָכְלוּ הַנְּעָרִים, וְחֵלֶק הָאֲנָשִׁים, אֲשֶׁר הָלְכוּ אִתִּי: עָנֵר אֶשְׁכֹּל וּמַמְרֵא, הֵם יִקְחוּ חֶלְקָם. {ס}

Jiddisch : און עס איז געװען אין די טעג פֿון אַמרָפֿל דעם מלך פֿון שִנעָר, אַריאָך דעם מלך פֿון אֶלָסָר, כּדָרלעומֶר דעם מלך פֿון עֵילָם, און תִּדעָל דעם מלך פֿון גױִם, 2 האָבן זײ געמאַכט אַ מלחמה מיט ברַע דעם מלך פֿון סדום, און מיט ברשַע דעם מלך פֿון עַמורָה, שִנאָב דעם מלך פֿון אַדמָה, און שֶמאבֿר דעם מלך פֿון צבױִם, און דעם מלך פֿון בלַע, דאָס איז צועַר. 3 די אַלע האָבן זיך צונױפֿגעחברט אין טאָל שִׂדים, דאָס איז דער יַם-הַמֶלַח. 4 צװעלף יאָר האָבן זײ געדינט כּדָרלעומֶרן, און אױפֿן דרײַצנטן יאָר האָבן זײ װידערשפּעניקט. 5 און אױפֿן פֿערצנטן יאָר איז געקומען כּדָרלעומֶר און די מלכים װאָס מיט אים, און זײ האָבן געשלאָגן די רפֿאים אין עַשתּרות-קַרנַיִם, און די זוזים אין הָם, און די אֵימים אין שָוֵה- קִריָתַיִם, 6 און די חורים אױף זײער באַרג שֵׂעִיר, ביז אֵיל-פּאָרָן װאָס בײַם מדבר. 7 און זײ האָבן זיך אומגעקערט, און זײַנען געקומען קײן עֵין-מִשפָּט, דאָס איז קָדֵש, און האָבן געשלאָגן דאָס גאַנצע פֿעלד פֿון עַמָלֵק, און אױך דעם אֶמורי װאָס איז געזעסן אין חַצְצון-תָּמָר. 8 איז אַרױסגעגאַנגען דער מלך פֿון סדום, און דער מלך פֿון עַמורָה, און דער מלך פֿון אַדמָה, און דער מלך פֿון צבױִם, און דער מלך פֿון בלַע, דאָס איז צועַר, און זײ האָבן אָנגעריכט אַ מלחמה מיט זײ אין טאָל שִׂדים – 9 מיט כּדָרלעומֶר דעם מלך פֿון עֵילָם, און תִּדעָל דעם מלך פֿון גױִם, און אַמרָפֿל דעם מלך פֿון שִנעָר, און אַריאָך דעם מלך פֿון אֶלָסָר; די פֿיר מלכים אַקעגן די פֿינף. 10 און דער טאָל שִׂדים איז געװען גריבער אױף גריבער מיט לײם, און װי די מלכים פֿון סדום און עַמורָה זײַנען אַנטלאָפֿן, אַזױ זײַנען זײ אַהין אַרײַנגעפֿאַלן; און די איבערגעבליבענע זײַנען אַנטלאָפֿן צום באַרג. 11 און יענע האָבן צוגענומען דעם גאַנצן פֿאַרמעג פֿון סדום און עַמורָה, און דאָס גאַנצע עסנװאַרג זײערס, און זײַנען אַװעקגעגאַנגען. 12 און זײ האָבן צוגענומען לוט, דעם זון פֿון אבֿרמס ברודער, װאָס איז געזעסן אין סדום, און זײַן פֿאַרמעג, און זײַנען אַװעקגעגאַנגען. 13 איז געקומען אַן אַנטרונענער, און האָט אָנגעזאָגט אבֿרם דעם עִברי; און ער האָט געװױנט בײַ די אײכנבײמער פֿון מַמרֵא דעם אֶמורי, דעם ברודער פֿון אֶשכּולן, און דעם ברודער פֿון עָנֵרן; און זײ זײַנען געװען בונדסלײַט פֿון אבֿרמען. 14 און װי אבֿרם האָט געהערט אַז זײַן אײגענער איז געפֿאַנגען געװאָרן, אַזױ האָט ער אַרױסגעפֿירט זײַנע אײַנגעלערנטע, געבאָרענע אין זײַן הױז, דרײַ הונדערט און אַכצן, און ער האָט נאָכגעיאָגט ביז דָן. 15 און ער האָט זיך צעטײלט אַקעגן זײ בײַ נאַכט, ער און זײַנע קנעכט, און ער האָט זײ געשלאָגן און זײ נאָכגעיאָגט בראשית טו ביז חובֿה װאָס לינקס פֿון דַמֶשֶׂק. 16 און ער האָט צוריקגעבראַכט דעם גאַנצן פֿאַרמעג, און אױך לוט זײַן אײגענעם און זײַן פֿאַרמעג האָט ער צוריקגעבראַכט, און אױך די װײַבער, און דאָס פֿאָלק. 17 איז דער מלך פֿון סדום אים אַרױסגעגאַנגען אַנטקעגן, נאָכדעם װי ער האָט זיך אומגעקערט פֿון שלאָגן כּדָרלעומֶרן, און די מלכים װאָס מיט אים, אין טאָל שָוֵה, דאָס איז דעם מלכס טאָל. 18 און מַלכּי-צֶדֶק דער מלך פֿון שָלֵם האָט אַרױסגעטראָגן ברױט און װײַן; און ער איז געװען אַ כֹּהן צו דעם העכסטן גאָט. 19 און ער האָט אים געבענטשט, און האָט געזאָגט: געבענטשט זאָל זײַן אבֿרם פֿון דעם העכסטן גאָט, דעם באַשעפֿער פֿון הימל און ערד. 20 און געבענטשט זאָל זײַן דער העכסטער גאָט װאָס האָט איבערגעענטפֿערט דײַנע פֿײַנט אין דײַן האַנט. – און ער האָט אים געגעבן מעשׂר פֿון אַלצדינג. 21 און דער מלך פֿון סדום האָט געזאָגט צו אבֿרמען: גיב מיר די נפֿשות, און דעם פֿאַרמעג נעם דיר. 22 האָט אבֿרם געזאָגט צו דעם מלך פֿון סדום: איך הײב אױף מײַן האַנט צו יהוה דעם העכסטן גאָט, דעם באַשעפֿער פֿון הימל און ערד, 23 אױב אַ פֿאָדים אָדער אַ שוכבענדל! אָדער אױב איך װעל נעמען פֿון עפּעס װאָס איז דײַנס! כּדי זאָלסט ניט זאָגן: איך האָב רײַך געמאַכט אבֿרמען. 24 ניט מיר! נאָר װאָס די יונגען האָבן געגעסן, און דעם חלק פֿון די מענטשן װאָס זײַנען געגאַנגען מיט מיר, עָנֵר, אֶשכּול, און מַמרֵא; זײ מעגן נעמען זײער חלק.


- Targum Onkelos

א וַהֲוָה, בְּיוֹמֵי אַמְרָפֶל מַלְכָּא דְּבָבֶל, אַרְיוֹךְ, מַלְכָּא דְּאֶלָּסָר; כְּדָרְלָעֹמֶר מַלְכָּא דְּעֵילָם, וְתִדְעָל מַלְכָּא דְּעַמְמֵי. ב עֲבַדוּ קְרָבָא, עִם בֶּרַע מַלְכָּא דִּסְדוֹם, וְעִם בִּרְשַׁע, מַלְכָּא דַּעֲמוֹרָה; שִׁנְאָב מַלְכָּא דְּאַדְמָה, וְשֶׁמְאֵבֶר מַלְכָּא דִּצְבוֹיִים, וּמַלְכָּא דְּבֶלַע, הִיא צֹעַר. ג כָּל אִלֵּין, אִתְכַּנַּשׁוּ, לְמֵישַׁר, חַקְלַיָּא: הוּא, אֲתַר יַמָּא דְּמִלְחָא. ד תַּרְתַּא עַסְרֵי שְׁנִין, פְּלַחוּ יָת כְּדָרְלָעֹמֶר; וּתְלָת עַסְרֵי שְׁנִין, מְרַדוּ. ה וּבְאַרְבַּע עַסְרֵי שְׁנִין אֲתָא כְּדָרְלָעֹמֶר, וּמַלְכַיָּא דְּעִמֵּיהּ, וּמְחוֹ יָת גִּבָּרַיָּא דִּבְעַשְׁתְּרוֹת קַרְנַיִם, וְיָת תַּקִּיפַיָּא דִּבְהָמְתָא; וְיָת, אֵימְתָנֵי, דִּבְשָׁוֵה, קִרְיָתָיִם. ו וְיָת חוֹרָאֵי, דִּבְטוּרָא דְּשֵׂעִיר, עַד מֵישַׁר פָּארָן, דִּסְמִיךְ עַל מַדְבְּרָא. ז וְתָבוּ וַאֲתוֹ לְמֵישַׁר פִּלּוּג דִּינָא, הִיא רְקַם, וּמְחוֹ, יָת כָּל חֲקַל עֲמָלְקָאָה--וְאַף, יָת אֱמוֹרָאָה, דְּיָתֵיב, בְּעֵין גֶּדִי. ח וּנְפַק מַלְכָּא דִּסְדוֹם וּמַלְכָּא דַּעֲמוֹרָה, וּמַלְכָּא דְּאַדְמָה וּמַלְכָּא דִּצְבוֹיִים, וּמַלְכָּא דְּבֶלַע, הִיא צֹעַר; וְסַדַּרוּ עִמְּהוֹן קְרָבָא, בְּמֵישַׁר חַקְלַיָּא. ט עִם כְּדָרְלָעֹמֶר מַלְכָּא דְּעֵילָם, וְתִדְעָל מַלְכָּא דְּעַמְמֵי, וְאַמְרָפֶל מַלְכָּא דְּבָבֶל, וְאַרְיוֹךְ מַלְכָּא דְּאֶלָּסָר--אַרְבְּעָא מַלְכִין, לָקֳבֵיל חַמְשָׁא. י וּמֵישַׁר חַקְלַיָּא, בֵּירָן בֵּירָן מַסְּקָן חֵימָרָא, וַעֲרַקוּ מַלְכָּא דִּסְדוֹם וַעֲמוֹרָה, וּנְפַלוּ תַּמָּן; וּדְאִשְׁתְּאַרוּ, לְטוּרָא עֲרַקוּ. יא וּשְׁבוֹ יָת כָּל קִנְיָנָא דִּסְדוֹם וַעֲמוֹרָה, וְיָת כָּל מֵיכַלְהוֹן--וַאֲזַלוּ. יב וּשְׁבוֹ יָת לוֹט וְיָת קִנְיָנֵיהּ בַּר אֲחוּהִי דְּאַבְרָם, וַאֲזַלוּ; וְהוּא יָתֵיב, בִּסְדוֹם. יג וַאֲתָא, מְשֵׁיזְבָא, וְחַוִּי, לְאַבְרָם עִבְרָאָה; וְהוּא שָׁרֵי בְּמֵישְׁרֵי מַמְרֵא אֱמוֹרָאָה, אֲחוּהִי דְּאֶשְׁכּוֹל וַאֲחוּהִי דְּעָנֵר, וְאִנּוּן, אֲנָשׁ קְיָמֵיהּ דְּאַבְרָם. יד וּשְׁמַע אַבְרָם, אֲרֵי אִשְׁתְּבִי אֲחוּהִי; וְזָרֵיז יָת עוּלֵימוֹהִי יְלִידֵי בֵּיתֵיהּ, תְּלָת מְאָה וּתְמָנַת עֲסַר, וּרְדַף, עַד דָּן. טו וְאִתְפְּלֵיג עֲלֵיהוֹן לֵילְיָא הוּא וְעַבְדּוֹהִי, וּמְחָנוּן; וּרְדַפִנּוּן, עַד חוֹבָה, דְּמִצִּפּוּנָא, לְדַמָּשֶׂק. טז וַאֲתֵיב, יָת כָּל קִנְיָנָא; וְאַף יָת לוֹט אֲחוּהִי וְקִנְיָנֵיהּ אֲתֵיב, וְאַף יָת נְשַׁיָּא וְיָת עַמָּא. יז וּנְפַק מַלְכָּא דִּסְדוֹם, לְקַדָּמוּתֵיהּ, בָּתַר דְּתָב מִלְּמִמְחֵי יָת כְּדָרְלָעֹמֶר, וְיָת מַלְכַיָּא דְּעִמֵּיהּ--לְמֵישַׁר מְפֻנַּא, הוּא בֵּית רֵיסָא דְּמַלְכָּא. יח וּמַלְכִּי צֶדֶק מַלְכָּא דִּירוּשְׁלֶם, אַפֵּיק לְחֵים וַחֲמַר; וְהוּא מְשַׁמֵּישׁ, קֳדָם אֵל עִלָּאָה. יט וּבָרְכֵיהּ, וַאֲמַר: בְּרִיךְ אַבְרָם לְאֵל עִלָּאָה, דְּקִנְיָנֵיהּ שְׁמַיָּא וְאַרְעָא. כ וּבְרִיךְ אֵל עִלָּאָה, דִּמְסַר סָנְאָךְ בִּידָךְ; וִיהַב לֵיהּ חַד מִן עַסְרָא, מִכּוֹלָא. כא וַאֲמַר מַלְכָּא דִּסְדוֹם, לְאַבְרָם: הַב לִי נַפְשָׁתָא, וְקִנְיָנָא סַב לָךְ. כב וַאֲמַר אַבְרָם, לְמַלְכָּא דִּסְדוֹם: אֲרֵימִית יְדִי בִּצְלוֹ קֳדָם יְיָ אֵל עִלָּאָה, דְּקִנְיָנֵיהּ שְׁמַיָּא וְאַרְעָא. כג אִם מִחוּטָא וְעַד עַרְקַת מְסָנָא, וְאִם אֶסַּב מִכָּל דְּלָךְ; וְלָא תֵּימַר, אֲנָא עַתַּרִית יָת אַבְרָם. כד בָּר, מִדַּאֲכַלוּ עוּלֵימַיָּא, וְחוּלָק גֻּבְרַיָּא, דַּאֲזַלוּ עִמִּי: עָנֵר אֶשְׁכּוֹל וּמַמְרֵא, אִנּוּן יְקַבְּלוּן חוּלָקְהוֹן. {ס}

Targum Jonathan XIV. And it was in the days of Amraphel,--he is Nimrod, who commanded Abram to be cast into the furnace; he was then king of Pontos; Ariok, (so called) because he was (arik) tall among the giants, king of Thalasar, Kedarlaomer, (so called) because he had bound himself (or gone over) among the bondmen of the king of Elam, and Thidal, crafty as a fox, king of the peoples subjected to him, --made war with Bera, whose deeds were evil, king of Sedom, and with Birsha, whose deeds were with the wicked, king of Amora: Shinab, who had hated his father, king of Admah, and Shemebar, who had corrupted himself with fornication, king of Zeboim; and the king of the city which consumed (Bela) the dwellers thereof, which is Zoar. All these were joined in the vale of the gardens (paredesaia), the place that produced the streamlets of waters that empty themselves into the sea of salt. Twelve years they had served Kedarlaomer; and in the thirteenth year they had rebelled. And in the fourteenth year came Kedarlaomer and the kings who were with him, and smote the Giants (gibboraia) which were in Ashtaroth-Karniam, and the Strong who were in Hametha, and the Terrible who were in the plain of Kiriathaim, and the Choraee (dwellers in caverns) who were in the high mountains of Begala, unto the valley of Pharan, which was nigh upon the edge of the desert. [JERUSALEM. 3. All these were joined in the valley of the gardens. 5. And they slew the giants who were in Ashtaroth-Karnaim, the famed who were among them, and the formidable who inhabited the city which they had built, and the cavern people who dwelt in the mountain of Gebala, unto the valley of vision which is nigh upon the desert.]

And they returned, and came to the place where was rendered the judgment of Mosheh the prophet, to the fountain of the waters of Strife, which is Requam. And they smote all the fields of the Amalkaee, and also the Emoraee, who dwelt in En-gedi. And the king of Sedom, and the king of Amorah, and the kind of Admah, and the king of Zeboim, and the king of the city which consumed its inhabitants, which is Zoar, went forth, and set the array of battle against them in the valley of the gardens; with Kedarlaomer king of Elam, and Thidal king of the nations obedient to him, and Amraphel king of Pontos, and Ariok king of Thelasar; four kings arrayed in battle against five. [JERUSALEM. And Amraphel king of Pontos, and Ariok king of Elasar: four kings against five spread out the array of war.] And the valley of the gardens had many pits filled with bitumen: [JERUSALEM. The valley of the gardens was full of pits of bitumen:] and the kings of Sedom and Amora fled away, and fell there; and they who were left fled to the mountains. And they took all the property of Sedom and Amora, and all their food, and went. And they made captive Lot the son of Abram's brother, and his property, and went. And he had dwelt in Sedom.

And Og came, who had been spared from the giants that died in the deluge, and had ridden protected upon the top of the ark, and sustained with food by Noah; not being spared through high righteousness, but that the inhabitants of the world might see the power of the Lord, and say, Were there not giants who in the first times rebelled against the Lord of the world, and perished from the earth? But when these kings made war, behold, Og, who was with them, said in his heart, I will go and show Abram concerning Lot, who is led captive, that he may come and deliver him from the hands of the kings into whose hands he has been delivered. And he arose and came, upon the eve of the day of the Pascha, and found him making the unleavened cakes. Then showed he to Abram the Hebrew, who dwelt in the valleys of Mamre Amoraah, brother of Eshkol and brother of Aner, who were men of covenant with Abram. And when Abram heard that his brother was made captive, he armed his young men who were trained for war, grown up in his house; but they willed not to go with him. And he chose from them Eliezer the son of Nimrod, who was equal in strength to all the three hundred and eighteen; and he pursued unto Dan. [JERUSALEM. Domestics (marbitsi, down-liers) of his house, eighteen and three hundred, and pursued after them unto Dan of Kisarion.] And he divided them at night in the way; a part were to engage with the kings, and a part were hidden to smite the firstborn of Egypt. And he arose, he and his servants, and smote them, and pursued them which remained of them unto (the place) of the memorial of sin which was to be in Dan, from the north of Darmesek. [JERUSALEM. And he pursued them unto Havetha, which is from the north of Darmesek.] And he brought back all the substance, and also Lot his brother and his substance he brought back, and also the women and the people. And the king of Sedom came forth, after that he returned from destroying Kedarlaomer and the kings who were with him, to meet him at the plain of Mephana, which was the king's race-course. [JERUSALEM. And the kings who were with him, at the plain of vision which was the house of the king's plain.]

And Malka Zadika, who was Shem bar Noah, the king of Yerushalem, came forth to meet Abram, and brought forth to him bread and wine; and in that time he ministered before Eloha Ilaha. [JERUSALEM. And Malki Zedek, king of Yerushalem, who was Shem, who was the great priest of the Most High.] And he blessed him, and said, Blessed be Abram of the Lord God Most High, who for the righteous possesseth the heavens and the earth. And blessed be Eloha Ilaha, who hath made thine enemies as a shield which receiveth a blow. And he gave to him one of ten, of all which he brought back.

And the king of Sedom said to Aram, Give me the souls of the men of my people whom thou hast brought back, and the substance take to thyself. [JERUSALEM. And the treasure take to thee.] And Abram siad to the king of Sedom, I have uplifted my hands in an oath before the Lord God the Most High, who for the just possesseth his possession of the heavens and the earth, if from a thread to the latchet of a sandal I receive any thing of all that is thine; lest thou magnify thyself in saying, I have enriched Abram from mine own. Have I not power over all the spoil?&emdash;Apart from what the young men have eaten, and the portion of the men who went with me, Aner, Eshkol, and Mamre, they also receiving their portion. [JERUSALEM. If from a thread to the latchet of a sandal I receive of all that is thing: that thou magnify not thyself and say, I have enriched Abram.]


- Griekse tekst - Septuaginta

ΕΓΕΝΕΤΟ δὲ ἐν τῇ βασιλείᾳ τῇ ᾿Αμαρφὰλ βασιλέως Σενναάρ, καὶ ᾿Αριὼχ βασιλέως ᾿Ελλασάρ, Χοδολλογομὸρ βασιλεὺς ᾿Ελὰμ καὶ Θαργὰλ βασιλεὺς ἐθνῶν 2 ἐποίησαν πόλεμον μετὰ Βαλλὰ βασιλέως Σοδόμων καὶ μετὰ Βαρσὰ βασιλέως Γομόρρας καὶ μετὰ Σενναὰρ βασιλέως ᾿Αδαμὰ καὶ μετὰ Συμοβὸρ βασιλέως Σεβωείμ, καὶ βασιλέως Βαλάκ (αὕτη ἐστὶ Σηγώρ). 3 πάντες οὗτοι συνεφώνησαν ἐπὶ τὴν φάραγγα τὴν ἁλυκὴν (αὕτη ἡ θάλασσα τῶν ἁλῶν). 4 δώδεκα ἔτη αὐτοὶ ἐδούλευσαν τῷ Χοδολλογομόρ, τῷ δὲ τρισκαιδεκάτῳ ἔτει ἀπέστησαν. 5 ἐν δὲ τῷ τεσσαρεσκαιδεκάτῳ ἔτει ἦλθε Χοδολλογομὸρ καὶ οἱ βασιλεῖς μετ᾿ αὐτοῦ καὶ κατέκοψαν τοὺς γίγαντας τοὺς ἐν ᾿Ασταρὼθ καὶ Καρναΐν, καὶ ἔθνη ἰσχυρὰ ἅμα αὐτοῖς καὶ τοὺς ᾿Ομμαίους τοὺς ἐν Σαυῇ τῇ πόλει 6 καὶ τοὺς Χορραίους τοὺς ἐν τοῖς ὄρεσι Σηείρ, ἕως τῆς τερεβίνθου τῆς Φαράν, ἥ ἐστιν ἐν τῇ ἐρήμῳ. 7 καὶ ἀναστρέψαντες ἦλθον ἐπὶ τὴν πηγὴν τῆς κρίσεως (αὕτη ἐστὶ Κάδης) καὶ κατέκοψαν πάντας τοὺς ἄρχοντας ᾿Αμαλὴκ καὶ τοὺς ᾿Αμορραίους τοὺς κατοικοῦντας ἐν ᾿Ασασονθαμάρ. 8 ἐξῆλθε δὲ βασιλεὺς Σοδόμων καὶ βασιλεὺς Γομόρρας καὶ βασιλεὺς ᾿Αδαμὰ καὶ βασιλεὺς Σεβωεὶμ καὶ βασιλεὺς Βαλάκ (αὕτη ἐστὶ Σηγώρ) καὶ παρετάξαντο αὐτοῖς εἰς πόλεμον ἐν τῇ κοιλάδι τῇ ἁλυκῇ, 9 πρὸς Χοδολλογομὸρ βασιλέα ᾿Ελὰμ καὶ Θαργὰλ βασιλέα ἐθνῶν καὶ ᾿Αμαρφὰλ βασιλέα Σενναὰρ καὶ ᾿Αριὼχ βασιλέα ᾿Ελλασάρ, οἱ τέσσαρες βασιλεῖς πρὸς τοὺς πέντε. 10 ἡ δὲ κοιλὰς ἡ ἁλυκή, φρέατα ἀσφάλτου. ἔφυγε δὲ βασιλεὺς Σοδόμων καὶ βασιλεὺς Γομόρρας καὶ ἐνέπεσαν ἐκεῖ, οἱ δὲ καταλειφθέντες εἰς τὴν ὀρεινὴν ἔφυγον. 11 ἔλαβον δὲ τὴν ἵππον πᾶσαν τὴν Σοδόμων καὶ Γομόρρας καὶ πάντα τὰ βρώματα αὐτῶν καὶ ἀπῆλθον. 12 ἔλαβον δὲ καὶ τὸν Λὼτ τὸν υἱὸν τοῦ ἀδελφοῦ ῞Αβραμ καὶ τὴν ἀποσκευὴν αὐτοῦ καὶ ἀπῴχοντο· ἦν γὰρ κατοικῶν ἐν Σοδόμοις. 13 Παραγενόμενος δὲ τῶν ἀνασωθέντων τις ἀπήγγειλεν ῞Αβραμ τῷ περάτῃ· αὐτὸς δὲ κατῴκει παρὰ τῇ δρυΐ τῇ Μαμβρῇ ᾿Αμορραίου τοῦ ἀδελφοῦ ᾿Εσχὼλ καὶ τοῦ ἀδελφοῦ Αὐνάν, οἳ ἦσαν συνωμόται τοῦ ῞Αβραμ. 14 ἀκούσας δὲ ῞Αβραμ ὅτι ᾐχμαλώτευται Λὼτ ὁ ἀδελφιδοῦς αὐτοῦ, ἠρίθμησε τοὺς ἰδίους οἰκογενεῖς αὐτοῦ, τριακοσίους δέκα καὶ ὀκτώ, καὶ κατεδίωξεν ὀπίσω αὐτῶν ἕως Δάν. 15 καὶ ἐπέπεσεν ἐπ᾿ αὐτοὺς τὴν νύκτα αὐτὸς καὶ οἱ παῖδες αὐτοῦ, καὶ ἐπάταξεν αὐτοὺς καὶ κατεδίωξεν αὐτοὺς ἕως Χοβά, ἥ ἐστιν ἐν ἀριστερᾷ Δαμασκοῦ. 16 καὶ ἀπέστρεψε πᾶσαν τὴν ἵππον Σοδόμων, καὶ Λὼτ τὸν ἀδελφιδοῦν αὐτοῦ ἀπέστρεψε καὶ πάντα τὰ ὑπάρχοντα αὐτοῦ καὶ τὰς γυναῖκας καὶ τὸν λαόν. 17 ᾿Εξῆλθε δὲ βασιλεὺς Σοδόμων εἰς συνάντησιν αὐτῷ, μετὰ τὸ ὑποστρέψαι αὐτὸν ἀπὸ τῆς κοπῆς τοῦ Χοδολλογομὸρ καὶ τῶν βασιλέων τῶν μετ᾿ αὐτοῦ, εἰς τὴν κοιλάδα τοῦ Σαβύ (τοῦτο ἦν τὸ πεδίον τῶν βασιλέων). 18 καὶ Μελχισεδὲκ βασιλεὺς Σαλὴμ ἐξήνεγκεν ἄρτους καὶ οἶνον· ἦν δὲ ἱερεὺς τοῦ Θεοῦ τοῦ ὑψίστου. 19 καὶ εὐλόγησε τὸν ῞Αβραμ καὶ εἶπεν· εὐλογημένος ῞Αβραμ τῷ Θεῷ τῷ ὑψίστῳ, ὃς ἔκτισε τὸν οὐρανὸν καὶ τὴν γῆν. 20 καὶ εὐλογητὸς ὁ Θεὸς ὁ ὕψιστος, ὃς παρέδωκε τοὺς ἐχθρούς σου ὑποχειρίους σοι. καὶ ἔδωκεν αὐτῷ ῞Αβραμ δεκάτην ἀπὸ πάντων. 21 εἶπε δὲ βασιλεὺς Σοδόμων πρὸς ῞Αβραμ· δός μοι τοὺς ἄνδρας, τὴν δὲ ἵππον λάβε σεαυτῷ. 22 εἶπε δὲ ῞Αβραμ πρὸς τὸν βασιλέα Σοδόμων· ἐκτενῶ τὴν χεῖρά μου πρὸς Κύριον τὸν Θεὸν τὸν ὕψιστον, ὃς ἔκτισε τὸν οὐρανὸν καὶ τὴν γῆν, 23 εἰ ἀπὸ σπαρτίου ἕως σφυρωτῆρος ὑποδήματος λήψομαι ἀπὸ πάντων τῶν σῶν, ἵνα μὴ εἴπῃς, ὅτι ἐγὼ ἐπλούτισα τὸν ῞Αβραμ· 24 πλὴν ὧν ἔφαγον οἱ νεανίσκοι καὶ τῆς μερίδος τῶν ἀνδρῶν τῶν συμπορευθέντων μετ᾿ ἐμοῦ, ᾿Εσχώλ, Αὐνάν, Μαμβρῆ, οὗτοι λήψονται μερίδα.


- Aramees - Peshitta


- Vulgata

1 factum est autem in illo tempore ut Amrafel rex Sennaar et Arioch rex Ponti et Chodorlahomor rex Aelamitarum et Thadal rex Gentium 2 inirent bellum contra Bara regem Sodomorum et contra Bersa regem Gomorrae et contra Sennaab regem Adamae et contra Semeber regem Seboim contraque regem Balae ipsa est Segor 3 omnes hii convenerunt in vallem Silvestrem quae nunc est mare Salis 4 duodecim enim annis servierant Chodorlahomor et tertiodecimo anno recesserunt ab eo 5 igitur anno quartodecimo venit Chodorlahomor et reges qui erant cum eo percusseruntque Rafaim in Astharothcarnaim et Zuzim cum eis et Emim in Savecariathaim 6 et Chorreos in montibus Seir usque ad campestria Pharan quae est in solitudine 7 reversique sunt et venerunt ad fontem Mesfat ipsa est Cades et percusserunt omnem regionem Amalechitarum et Amorreum qui habitabat in Asasonthamar 8 et egressi sunt rex Sodomorum et rex Gomorrae rexque Adamae et rex Seboim necnon et rex Balae quae est Segor et direxerunt contra eos aciem in valle Silvestri 9 scilicet adversum Chodorlahomor regem Aelamitarum et Thadal regem Gentium et Amrafel regem Sennaar et Arioch regem Ponti quattuor reges adversus quinque 10 vallis autem Silvestris habebat puteos multos bituminis itaque rex Sodomorum et Gomorrae terga verterunt cecideruntque ibi et qui remanserant fugerunt ad montem 11 tulerunt autem omnem substantiam Sodomorum et Gomorrae et universa quae ad cibum pertinent et abierunt 12 necnon et Loth et substantiam eius filium fratris Abram qui habitabat in Sodomis 13 et ecce unus qui evaserat nuntiavit Abram Hebraeo qui habitabat in convalle Mambre Amorrei fratris Eschol et fratris Aner hii enim pepigerant foedus cum Abram 14 quod cum audisset Abram captum videlicet Loth fratrem suum numeravit expeditos vernaculos suos trecentos decem et octo et persecutus est eos usque Dan 15 et divisis sociis inruit super eos nocte percussitque eos et persecutus est usque Hoba quae est ad levam Damasci 16 reduxitque omnem substantiam et Loth fratrem suum cum substantia illius mulieres quoque et populum 17 egressus est autem rex Sodomorum in occursum eius postquam reversus est a caede Chodorlahomor et regum qui cum eo erant in valle Save quae est vallis Regis 18 at vero Melchisedech rex Salem proferens panem et vinum erat enim sacerdos Dei altissimi 19 benedixit ei et ait benedictus Abram Deo excelso qui creavit caelum et terram 20 et benedictus Deus excelsus quo protegente hostes in manibus tuis sunt et dedit ei decimas ex omnibus 21 dixit autem rex Sodomorum ad Abram da mihi animas cetera tolle tibi 22 qui respondit ei levo manum meam ad Dominum Deum excelsum possessorem caeli et terrae 23 quod a filo subteminis usque ad corrigiam caligae non accipiam ex omnibus quae tua sunt ne dicas ego ditavi Abram 24 exceptis his quae comederunt iuvenes et partibus virorum qui venerunt mecum Aner Eschol et Mambre isti accipient partes suas


- Statenvertaling

1 En het geschiedde in de dagen van Amrafel, den koning van Sinear, van Arioch, den koning van Ellasar, van Kedor-laomer, den koning van Elam, en van Tideal, den koning der volken; 2 Dat zij krijg voerden met Bera, koning van Sodom, en met Birsa, koning van Gomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zeboim, en den koning van Bela, dat is Zoar. 3 Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee. 4 Twaalf jaren hadden zij Kedor-laomer gediend; maar in het dertiende jaar vielen zij af. 5 Zo kwam Kedor-laomer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaieten in Asteroth-karnaim, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-kiriathaim; 6 En de Horieten op hun gebergte Seir, tot aan het effen veld van Paran, hetwelk aan de woestijn is. 7 Daarna keerden zij wederom, en kwamen tot En-mispat, dat is Kades, en sloegen al het land der Amalekieten, en ook den Amoriet, die te Hazezon-thamar woonde. 8 Toen toog de koning van Sodom uit, en de koning van Gomorra, en de koning van Adama, en de koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar; en zij stelden tegen hen slagorden in het dal Siddim, 9 Tegen Kedor-laomer, den koning van Elam, en Tideal, den koning der volken, en Amrafel, den koning van Sinear, en Arioch, den koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf. 10 Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen aldaar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte. 11 En zij namen al de have van Sodom en Gomorra, en al hun spijze, en trokken weg. 12 Ook namen zij Lot, den zoon van Abrams broeder, en zijn have, en trokken weg; want hij woonde in Sodom. 13 Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, den Hebreër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, den Amoriet, broeder van Eskol, en broeder van Aner, welke Abrams bondgenoten waren. 14 Als Abram hoorde, dat zijn broeder gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe. 15 En hij verdeelde zich tegen hen des nachts, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, hetwelk is ter linkerhand van Damaskus. 16 En hij bracht alle have weder, en ook Lot zijn broeder en deszelfs have bracht hij weder, als ook de vrouwen, en het volk. 17 En de koning van Sodom toog uit, hem tegemoet (nadat hij wedergekeerd was van het slaan van Kedor-laomer, en van de koningen, die met hem waren), tot het dal Schave, dat is, het dal des konings. schilderij van Peter Paul Rubens: De ontmoeting van Abraham en Melchizedek » meer 18 En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester des allerhoogsten Gods. 19 En hij zegende hem, en zeide: Gezegend zij Abram Gode, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit! 20 En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles. 21 En de koning van Sodom zeide tot Abram: Geef mij de zielen; maar neem de have voor u. 22 Doch Abram zeide tot den koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot den HEERE, den allerhoogsten God, Die hemel en aarde bezit; 23 Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt! 24 Het zij buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel dezer mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deel nemen!


- Willibrordvertaling

[1] Het* was in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, van Arjok, de koning van Ellasar, van Kedorlaomer, de koning van Elam, en van Tidal, de koning van Goïm. [2] Deze koningen waren in oorlog met Bera, de koning van Sodom, Birsa, de koning van Gomorra, Sinab, de koning van Adma, Semeber, de koning van Seboïm, en met de koning van Bela, dat ook Soar heet. [3] Deze koningen trokken gezamenlijk op naar het dal* van Siddim, nu Zoutzee geheten. [4] Na twaalf jaar aan Kedorlaomer onderworpen te zijn geweest, waren zij in het dertiende jaar in opstand gekomen. [5] In het veertiende jaar rukte Kedorlaomer op, samen met de koningen die zijn bondgenoten waren. Zij versloegen de Refaïeten* bij Asterot-Karnaïm, de Zuzieten bij Ham, de Emieten in de vlakte van Kirjataïm, [6] en de Chorieten. Ze achtervolgden hen door het Seïrgebergte tot bij de eik van Paran, aan de rand van de woestijn. [7] Daarna bogen zij af naar En-Mispat, ook Kades geheten, en richtten een slachting aan in heel het gebied van de Amalekieten* en onder de Amorieten in Chaseson-Tamar. [8] Toen trokken de koningen van Sodom, van Gomorra, van Seboïm, en van Bela, ook Soar geheten, ten strijde, en in het dal van Siddim raakten zij slaags met hen, [9] met Kedorlaomer, de koning van Elam, Tidal, de koning van Goïm, Amrafel, de koning van Sinear en Arjok, de koning van Ellasar: vier koningen tegen vijf. [10] In het dal van Siddim waren veel asfaltputten. De koningen van Sodom en Gomorra sloegen op de vlucht en vielen in die putten, terwijl de overigen de bergen in vluchtten. [11] De vijanden maakten zich meester van al het bezit van Sodom en Gomorra en van al hun voedselvoorraden. Daarna gingen zij weg. [12] Bij hun aftocht voerden zij ook Lot mee, de zoon van Abrams broer, met zijn bezittingen; Lot woonde namelijk in Sodom. [13] Een vluchteling bracht het nieuws aan Abram, de Hebreeër; hij woonde op dat ogenblik bij de eik van Mamre, de Amoriet, een broer van Eskol en Aner, beiden bondgenoten van Abram. [14] Toen Abram hoorde dat zijn broer gevangen was genomen, riep hij de geoefende mannen die in zijn huis waren geboren op om zich te wapenen – het waren er driehonderdachttien* – en hij ging de vijanden achterna tot bij Dan. [15] Met zijn dienaren viel hij hen in de nacht van verschillende kanten aan, versloeg hen en achtervolgde hen tot aan Choba, ten noorden van Damascus. [16] Hij heroverde alle goederen; ook zijn broer Lot en zijn bezittingen, evenals de vrouwen en het krijgsvolk, bracht hij terug. [17] Na zijn terugkeer uit de slag tegen Kedorlaomer en zijn koninklijke bondgenoten trok de koning van Sodom Abram tegemoet in het dal* van Sawe, ook het dal van de koning geheten. [18] En Melchisedek*, de koning van Salem, bood hem brood en wijn aan. Omdat hij priester was van de allerhoogste God, [19] zegende hij hem met deze woorden: 'Gezegend zij Abram door de allerhoogste God die de hemel en de aarde gemaakt heeft, [20] en gezegend zij de allerhoogste God die uw vijand aan u heeft uitgeleverd!' En Abram gaf hem van alles een tiende deel. [21] De koning van Sodom zei tegen Abram: 'Geef mij alleen de mensen terug, de buit kunt u zelf houden.' [22] Maar Abram zei tegen de koning van Sodom: 'Met opgeheven hand zweer ik bij de heer, de allerhoogste God, die de hemel en de aarde gemaakt heeft: [23] ik wil niets van u hebben, geen draad en geen schoenriem, niets van wat u toebehoort. U moet niet kunnen zeggen dat u Abram rijk hebt gemaakt. [24] Niets daarvan. Ik vraag alleen maar wat de mannen verteerd hebben, en het deel van Aner, Eskol en Mamre, die met mij zijn uitgetrokken; laat hen nemen wat hun toekomt.'


- De Nieuwe Bijbelvertaling


- De Naardense bijbel

1 Het geschiedt in de dagen van Amrafel, koning van Sjinar, Arjoch, koning van Elasar,- Kedorlaomer, koning van Elam en Tidal, koning van Gojiem: Genesis 14 Literatuur bij Genesis 2 zij hebben zich klaargemaakt voor oorlog met Bera, koning van Sodom, Birsja, koning van Gomorra,- Sjinav, koning van Adma en Sjemever, koning van Tsevojiem, en de koning van Bela, dat is Tsoar. 3 Deze allen hebben zich verbonden, op naar het dal van de Sidiem,- dat is de Zoutzee. 4 Twaalf jaar hebben ze Kedorlaomer gediend; in het dertiende jaar zijn ze afvallig geworden. 5 In het veertiende jaar is Kedorlaomer aangekomen met de koningen die met hem waren, en zij verslaan de Refaïem in Asjterot Karnajim en de Zoezieten in Ham, de Emieten in Sjavee Kirjatajim, 6 en de Chorieten in hun bergland Seïr,- tot aan El Paran dat tegen de woestijn aan ligt. 7 Ze keren om en komen aan bij Een Misjpat,- bron van recht , dat is Kadeesj, en verslaan heel het veld van de Amalekieten; ook de Amoriet die zetelt op Chatsetson Tamar. 8 Dan trekt uit: de koning van Sodom met de koning van Gomorra, de koning van Adma en de koning van Tsevojiem, en de koning van Bela, dat is Tsoar; ze stellen zich op voor oorlog met hen in het dal van de Sidiem,- 9 met Kedorlaomer, koning van Elam, Tidal, koning van Gojiem, Amrafel, koning van Sjinar en Arjoch koning van Elasar; vier koningen tegenover de vijf. 10 Het dal van de Sidiem is een en al putten, putten vol pek; ze vluchten, de koning van Sodom en die van Gomorra en vallen daarin; die resterenden zijn naar het bergland gevlucht. 11 Ze nemen mee alle bezit van Sodom en Gomorra en al hun eten, en gaan er dan vandoor. 12 Ze nemen Lot mee en zijn bezit,- de zoon van Abrams broer, en gaan dan; hij was ingezetene van Sodom. 13 Daar komt de ene ontsnapte en meldt het aan Abram de Hebreeër,- oversteker ; die woont onder de godseiken van Mamree de Amoriet, broeder van Esjkol en broeder van Aneer; en zij zijn bondgenoten van Abram. 14 Met dat Abram hoort dat zijn broeder gevangengenomen is trommelt hij zijn geoefenden op, die geboren zijn in zijn huis, achttien, en drie honderdtallen, en achtervolgt tot aan Dan. 15 Hij verdeelt zich tegen hen, 's nachts, hij en zijn dienaars, en verslaat hen; hij achtervolgt hen tot aan Chova, links van Damascus. 16 Hij keert terug met heel het bezit; ook Lot, zijn broeder, heeft hij teruggebracht, met diens bezit en ook de vrouwen en de manschap. 17 Dan trekt Sodoms koning uit, hem tegemoet, nadat hij is teruggekeerd van het verslaan van Kedorlaomer en de koningen die met hem waren,- naar het dal Sjavee, dat is het Koningsdal. 18 Malchisedek,- koning van gerechtigheid , de koning van Sjaleem, heeft naar buiten gebracht: brood en wijn; hij is priester voor God-in-den-hoge. 19 Hij zegent hem en zegt: gezegend Abram voor God-in-den-hoge, de stichter van hemelen en aarde!- 20 en gezegend God-in-den-hoge die je benauwers overleverde in je hand! En hij geeft hem een tiende van alles. 21 De koning van Sodom zegt tot Abram: geef mij de levende zielen; en het bezit, neem dat voor jezelf! 22 Maar Abram zegt tot de koning van Sodom: ik heb mijn hand geheven tot de Ene, God-in-den-hoge, de stichter van hemelen en aarde: 23 áls ik ooit, van touwtje tot schoenriem, áls ik ooit iets aanneem van al wat van u is!- u zult niet zeggen: 'ik heb Abram rijk gemaakt',- 24 ik hoef niets!- slechts wat de jongens hebben gegeten en het aandeel van de mannen die met mij op weg zijn gegaan: Aneer, Esjkol en Mamree, laten zíj hun deel meenemen!


- Bible de Jérusalem

1. Au temps d'Amraphel roi de Shinéar, d'Aryok roi d'Ellasar, de Kedor-Laomer roi d'Élam et de Tidéal roi des Goyim, 2. ceux-ci firent la guerre contre Béra roi de Sodome, Birsha roi de Gomorrhe, Shinéab roi d'Adma, Shémeéber roi de Çeboyim et le roi de Béla c'est Çoar . 3. Ces derniers se liguèrent dans la vallée de Siddim c'est la mer du Sel . 4. Douze ans ils avaient été soumis à Kedor-Laomer, mais, la treizième année, ils se révoltèrent. 5. En la quatorzième année, arrivèrent Kedor-Laomer et les rois qui étaient avec lui. Ils battirent les Rephaïm à Ashterot-Qarnayim, les Zuzim à Ham, les Émim dans la plaine de Qiryatayim, 6. les Horites dans les montagnes de Séïr jusqu'à El-Parân, qui est à la limite du désert. 7. Ils firent un mouvement tournant et vinrent à la Source du Jugement c'est Cadès; ils battirent tout le territoire des Amalécites et aussi les Amorites qui habitaient Haçaçôn-Tamar. 8. Alors le roi de Sodome, le roi de Gomorrhe, le roi d'Adma, le roi de Çeboyim et le roi de Béla c'est Çoar s'ébranlèrent et se rangèrent en bataille contre eux dans la vallée de Siddim, 9. contre Kedor-Laomer roi d'Élam, Tidéal roi des Goyim, Amraphel roi de Shinéar et Aryok roi d'Ellasar : quatre rois contre cinq ! 10. Or la vallée de Siddim était pleine de puits de bitume; dans leur fuite, le roi de Sodome et le roi de Gomorrhe y tombèrent, et le reste se réfugia dans la montagne. 11. Les vainqueurs prirent tous les biens de Sodome et de Gomorrhe et tous leurs vivres, et s'en allèrent. 12. Ils prirent aussi Lot et ses biens le neveu d'Abram, et s'en allèrent; il habitait Sodome. 13. Un rescapé vint informer Abram l'Hébreu, qui demeurait au Chêne de l'Amorite Mambré, frère d'Eshkol et d'Aner; ils étaient les alliés d'Abram. 14. Quand Abram apprit que son parent était emmené captif, il leva ses partisans, ses familiers, au nombre de trois cent dix-huit, et mena la poursuite jusqu'à Dan. 15. Il les attaqua de nuit en ordre dispersé, lui et ses gens, il les battit et les poursuivit jusqu'à Hoba, au nord de Damas. 16. Il reprit tous les biens, et aussi son parent Lot et ses biens, ainsi que les femmes et les gens. 17. Quand Abram revint après avoir battu Kedor-Laomer et les rois qui étaient avec lui, le roi de Sodome alla à sa rencontre dans la vallée de Shavé c'est la vallée du Roi . 18. Melchisédech, roi de Shalem, apporta du pain et du vin; il était prêtre du Dieu Très Haut. 19. Il prononça cette bénédiction : Béni soit Abram par le Dieu Très Haut qui créa ciel et terre, 20. et béni soit le Dieu Très Haut qui a livré tes ennemis entre tes mains. Et Abram lui donna la dîme de tout. 21. Le roi de Sodome dit à Abram : Donne-moi les personnes et prends les biens pour toi. 22. Mais Abram répondit au roi de Sodome : Je lève la main devant le Dieu Très Haut qui créa ciel et terre : 23. ni un fil ni une courroie de sandale, je ne prendrai rien de ce qui est à toi, et tu ne pourras pas dire : J'ai enrichi Abram. 24. Rien pour moi. Seulement ce que mes serviteurs ont mangé et la part des hommes qui sont venus avec moi, Aner, Eshkol et Mambré; eux prendront leur part.


- King James Bible

[1] And it came to pass in the days of Amraphel king of Shinar, Arioch king of Ellasar, Chedorlaomer king of Elam, and Tidal king of nations; [2] That these made war with Bera king of Sodom, and with Birsha king of Gomorrah, Shinab king of Admah, and Shemeber king of Zeboiim, and the king of Bela, which is Zoar. [3] All these were joined together in the vale of Siddim, which is the salt sea. [4] Twelve years they served Chedorlaomer, and in the thirteenth year they rebelled. [5] And in the fourteenth year came Chedorlaomer, and the kings that were with him, and smote the Rephaims in Ashteroth Karnaim, and the Zuzims in Ham, and the Emims in Shaveh Kiriathaim, [6] And the Horites in their mount Seir, unto El-paran, which is by the wilderness. [7] And they returned, and came to En-mishpat, which is Kadesh, and smote all the country of the Amalekites, and also the Amorites that dwelt in Hazezon-tamar. [8] And there went out the king of Sodom, and the king of Gomorrah, and the king of Admah, and the king of Zeboiim, and the king of Bela (the same is Zoar;) and they joined battle with them in the vale of Siddim; [9] With Chedorlaomer the king of Elam, and with Tidal king of nations, and Amraphel king of Shinar, and Arioch king of Ellasar; four kings with five. [10] And the vale of Siddim was full of slimepits; and the kings of Sodom and Gomorrah fled, and fell there; and they that remained fled to the mountain. [11] And they took all the goods of Sodom and Gomorrah, and all their victuals, and went their way. [12] And they took Lot, Abram's brother's son, who dwelt in Sodom, and his goods, and departed. [13] And there came one that had escaped, and told Abram the Hebrew; for he dwelt in the plain of Mamre the Amorite, brother of Eschol, and brother of Aner: and these were confederate with Abram. [14] And when Abram heard that his brother was taken captive, he armed his trained servants, born in his own house, three hundred and eighteen, and pursued them unto Dan. [15] And he divided himself against them, he and his servants, by night, and smote them, and pursued them unto Hobah, which is on the left hand of Damascus. [16] And he brought back all the goods, and also brought again his brother Lot, and his goods, and the women also, and the people. [17] And the king of Sodom went out to meet him after his return from the slaughter of Chedorlaomer, and of the kings that were with him, at the valley of Shaveh, which is the king's dale. [18] And Melchizedek king of Salem brought forth bread and wine: and he was the priest of the most high God. [19] And he blessed him, and said, Blessed be Abram of the most high God, possessor of heaven and earth: [20] And blessed be the most high God, which hath delivered thine enemies into thy hand. And he gave him tithes of all. [21] And the king of Sodom said unto Abram, Give me the persons, and take the goods to thyself. [22] And Abram said to the king of Sodom, I have lift up mine hand unto the LORD, the most high God, the possessor of heaven and earth, [23] That I will not take from a thread even to a shoelatchet, and that I will not take any thing that is thine, lest thou shouldest say, I have made Abram rich: [24] Save only that which the young men have eaten, and the portion of the men which went with me, Aner, Eshcol, and Mamre; let them take their portion.


- Luther Bibel

141Und es begab sich zu der Zeit des Königs Amrafel von Schinar, Arjochs, des Königs von Ellasar, Kedor-Laomers, des Königs von Elam, und Tidals, des Königs von Völkern, 2dass sie Krieg führten mit Bera, dem König von Sodom, und mit Birscha, dem König von Gomorra, und mit Schinab, dem König von Adma, und mit Schemeber, dem König von Zebojim, und mit dem König von Bela, das ist Zoar. 3Diese kamen alle zusammen in das Tal Siddim, wo nun das Salzmeer ist. 4Denn sie waren zwölf Jahre dem König Kedor-Laomer untertan gewesen und im dreizehnten Jahr waren sie von ihm abgefallen. 5Darum kamen Kedor-Laomer und die Könige, die mit ihm waren, im vierzehnten Jahr und schlugen die Refaïter zu Aschterot-Karnajim und die Susiter zu Ham und die Emiter in der Ebene Kirjatajim 6und die Horiter auf ihrem Gebirge Seïr bis El-Paran, das an die Wüste stößt. 7Danach wandten sie um und kamen nach En-Mischpat, das ist Kadesch, und schlugen das ganze Land der Amalekiter, dazu die Amoriter, die zu Hazezon-Tamar wohnten. 8Da zogen aus der König von Sodom, der König von Gomorra, der König von Adma, der König von Zebojim und der König von Bela, das ist Zoar, und rüsteten sich, zu kämpfen im Tal Siddim 9mit Kedor-Laomer, dem König von Elam, und mit Tidal, dem König von Völkern, und mit Amrafel, dem König von Schinar, und mit Arjoch, dem König von Ellasar, vier Könige gegen fünf. 10Das Tal Siddim aber hatte viele Erdharzgruben. Und die Könige von Sodom und Gomorra wurden in die Flucht geschlagen und fielen da hinein, und was übrig blieb, floh auf das Gebirge. 11Da nahmen sie alle Habe von Sodom und Gomorra und alle Vorräte und zogen davon. 12Sie nahmen auch mit sich Lot, Abrams Brudersohn, und seine Habe, denn er wohnte in Sodom, und zogen davon. 13Da kam einer, der entronnen war, und sagte es Abram an, dem Hebräer, der da wohnte im Hain Mamres, des Amoriters, des Bruders von Eschkol und Aner. Diese waren mit Abram im Bund. 14Als nun Abram hörte, dass seines Bruders Sohn gefangen war, wappnete er seine Knechte, dreihundertundachtzehn, in seinem Hause geboren, und jagte ihnen nach bis Dan 15und teilte seine Schar, fiel des Nachts über sie her mit seinen Knechten und schlug sie und jagte sie bis nach Hoba, das nördlich der Stadt Damaskus liegt. 16Und er brachte alle Habe wieder zurück, dazu auch Lot, seines Bruders Sohn, mit seiner Habe, auch die Frauen und das Volk. 17Als er nun zurückkam von dem Sieg über Kedor-Laomer und die Könige mit ihm, ging ihm entgegen der König von Sodom in das Tal Schawe, das ist das Königstal. 18Aber Melchisedek, der König von Salem, trug Brot und Wein heraus. Und er war ein Priester Gottes des Höchsten 19und segnete ihn und sprach: Gesegnet seist du, Abram, vom höchsten Gott, der Himmel und Erde geschaffen hat; 20und gelobt sei Gott der Höchste, der deine Feinde in deine Hand gegeben hat. Und Abram gab ihm den Zehnten von allem. 21Da sprach der König von Sodom zu Abram: Gib mir die Leute, die Güter behalte für dich! 22Aber Abram sprach zu dem König von Sodom: Ich hebe meine Hand auf zu dem HERRN, dem höchsten Gott, der Himmel und Erde geschaffen hat, 23dass ich von allem, was dein ist, nicht einen Faden noch einen Schuhriemen nehmen will, damit du nicht sagest, du habest Abram reich gemacht, 24ausgenommen, was die Knechte verzehrt haben; doch lass die Männer Aner, Eschkol und Mamre, die mit mir gezogen sind, ihr Teil nehmen.


- Arabisch

وحدث في ايام أمرافل ملك شنعار وأريوك ملك ألاسار وكدرلعومر ملك عيلام وتدعال ملك جوييم .1 ان هؤلاء صنعوا حربا مع بارع ملك سدوم وبرشاع ملك عمورة وشنآب ملك أدمة وشمئيبر ملك صبوييم وملك بالع التي هي صوغر. .2 جميع هؤلاء اجتمعوا متعاهدين الى عمق السديم الذي هو بحر الملح. .3 اثنتي عشرة سنة استعبدوا لكدرلعومر والسنة الثالثة عشرة عصوا عليه. .4 وفي السنة الرابعة عشرة اتى كدرلعومر والملوك الذين معه وضربوا الرفائيّين في عشتاروث قرنايم والزوزيين في هام والإيميين في شوى قريتايم .5 والحوريين في جبلهم سعير الى بطمة فاران التي عند البرية. .6 ثم رجعوا وجاءوا الى عين مشفاط التي هي قادش. وضربوا كل بلاد العمالقة وايضا الاموريين الساكنين في حصون تامار .7 فخرج ملك سدوم وملك عمورة وملك أدمة وملك صبوييم وملك بالع التي هي صوغر ونظموا حربا معهم في عمق السّدّيم. .8 مع كدرلعومر ملك عيلام وتدعال ملك جوييم وأمرافل ملك شنعار وأريوك ملك ألاسار. اربعة ملوك مع خمسة. .9 وعمق السديم كان فيه آبار حمر كثيرة. فهرب ملكا سدوم وعمورة وسقطا هناك. والباقون هربوا الى الجبل. .10 فأخذوا جميع املاك سدوم وعمورة وجميع اطعمتهم ومضوا. .11 وأخذوا لوطا ابن اخي ابرام واملاكه ومضوا. اذ كان ساكنا في سدوم .12 فأتى من نجا واخبر ابرام العبراني. وكان ساكنا عند بلوطات ممرا الاموري اخي اشكول واخي عانر. وكانوا اصحاب عهد مع ابرام. .13 فلما سمع ابرام ان اخاه سبي جرّ غلمانه المتمرّنين ولدان بيته ثلث مئة وثمانية عشر وتبعهم الى دان. .14 وانقسم عليهم ليلا هو وعبيده فكسرهم وتبعهم الى حوبة التي عن شمال دمشق. .15 واسترجع كل الاملاك واسترجع لوطا اخاه ايضا واملاكه والنساء ايضا والشعب .16 فخرج ملك سدوم لاستقباله بعد رجوعه من كسرة كدرلعومر والملوك الذين معه الى عمق شوى الذي هو عمق الملك. .17 وملكي صادق ملك شاليم اخرج خبزا وخمرا. وكان كاهنا للّه العلي .18 وباركه وقال مبارك ابرام من الله العلي مالك السموات والارض .19 ومبارك الله العلي الذي اسلم اعداءك في يدك. فاعطاه عشرا من كل شيء. .20 وقال ملك سدوم لابرام اعطني النفوس واما الاملاك فخذها لنفسك. .21 فقال ابرام لملك سدوم رفعت يدي الى الرب الاله العلي مالك السماء والارض .22 لا آخذنّ لا خيطا ولا شراك نعل ولا من كل ما هو لك. فلا تقول انا اغنيت ابرام. .23 ليس لي غير الذي اكله الغلمان. واما نصيب الرجال الذين ذهبوا معي عانر واشكول وممرا فهم يأخذون نصيبهم .24