Genesis 19 - Gn 19 -- Gn 19 -- taalgebruik -- Gn 19,1-29

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

Overzicht van Genesis : - Gn 1 - Gn 2 - Gn 3 - Gn 4 - Gn 5 - Gn 6 - Gn 7 - Gn 8 - Gn 9 - Gn 10 - Gn 11 - Gn 12 - Gn 13 - Gn 14 - Gn 15 - Gn 16 - Gn 17 - Gn 18 - Gn 19 - Gn 20 - Gn 21 - Gn 22 - Gn 23 - Gn 24 - Gn 25 - Gn 26 - Gn 27 - Gn 28 - Gn 29 - Gn 30 - Gn 31 - Gn 32 - Gn 33 - Gn 34 - Gn 35 - Gn 36 - Gn 37 - Gn 38 - Gn 39 - Gn 40 - Gn 41 - Gn 42 - Gn 43 - Gn 44 - Gn 45 - Gn 46 - Gn 47 - Gn 48 - Gn 49 - Gn 50 -
Uitleg vers per vers : - Gn 19,1 - Gn 19,2 - Gn 19,3 - Gn 19,4 - Gn 19,5 - Gn 19,6 - Gn 19,7 - Gn 19,8 - Gn 19,9 - Gn 19,10 - Gn 19,11 - Gn 19,12 - Gn 19,13 - Gn 19,14 - Gn 19,15 - Gn 19,16 - Gn 19,17 - Gn 19,18 - Gn 19,19 - Gn 19,20 - Gn 19,21 - Gn 19,22 - Gn 19,23 - Gn 19,24 - Gn 19,25 - Gn 19,26 - Gn 19,27 - Gn 19,28 - Gn 19,29 - Gn 19,30 - Gn 19,31 - Gn 19,32 - Gn 19,33 - Gn 19,34 - Gn 19,35 - Gn 19,36 - Gn 19,37 - Gn 19,38

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@telenet.be .
websitenaam : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm . BIJ DE HAND .
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
OF (met aanvullingen) : - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z

HOOFDTHEMA'S : Levensbeschouwingen : bahá'í , boeddhisme , christendom - BIJBELGROEP(EN) -- FoReL : een Forum : Religieus en Levensbeschouwelijk - HUIT : HUIS ULBURGHS INTERLEVENSBESCHOUWELIJKE THEMA'S - metamorfoses - RASJIKRING - BIJBELS LEERHUIS, hindoeïsme , islam - salafisme - , jodendom , sikhisme , Voor U gelezen , vrijzinnigheid .
- bijbel , bijbelgroepen , bijbel en koran , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , koran , liturgie : ABC-jaar . Proto-evangelie van Jakobus . Te Elfder Ure (TEU) .
- Maatschappij : allochtonen , armoede , vluchtelingen en asielzoekers ,
- Spiritualiteit :   bezinningsteksten , bijbelwoord voor iedere dag , spiritualiteit ,
- Talen : Arabisch , Aramees , bijbelverwijzingen , Duits , Frans , Grieks , Hebreeuws , Latijn , Nederlands ,
- Andere : getallen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen


Woordenschat (zie verder onder : taalgebruik )

Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik

Overzicht bijbelboeken :
OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) -   Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

- Gn 19,1-29 : De verwoesting van Sodom . Gn 19,1-29 heeft een paralleltekst in Re 19 .

Gn 19,1 - Gn 19,1 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [1] De twee engelen kwamen tegen de avond in Sodom aan, terwijl Lot bij de stadspoort zat. Toen Lot hen zag aankomen, stond hij op, ging hun tegemoet, boog diep       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 19,2 - Gn 19,2 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [2] en zei: ‘Ik verzoek u, mijne heren, neem uw intrek in het huis van uw dienaar en breng daar de nacht door; was uw voeten, dan kunt u morgenochtend uw reis voortzetten.’ Ze zeiden: ‘Nee, wij zullen buiten overnachten.’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 19,3 - Gn 19,3 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        וַיִּפְצַר-בָּם מְאֹד--וַיָּסֻרוּ אֵלָיו, וַיָּבֹאוּ אֶל-בֵּיתוֹ; וַיַּעַשׂ לָהֶם מִשְׁתֶּה, וּמַצּוֹת אָפָה וַיֹּאכֵלוּ [3] Maar hij bleef zo aandringen dat ze bij hem hun intrek namen. Toen zij in zijn huis gekomen waren, richtte hij met ongezuurde broden die hij had laten bakken een maaltijd voor hen aan en zij aten ervan.       

King James Bible .
Luther-Bibel .
- Jiddisch : יקן. 3 איז ער זײער
צוגעשטאַנען צו זײ, און זײ האָבן אײַנגעקערט צו אים, און זײַנען
אַרײַנגעגאַנגען אין זײַן הױז, און ער האָט פֿאַר זײ געמאַכט אַ
מאָלצײַט, און געבאַקן אומגעזײַערטע קוכנס, און זײ האָבן געגעסן.
בראשית

Tekstuitleg van

10. lâhèm (aan hen) < prefix voorzetsel lë + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv. . Zie : Taalgebruik in Tenakh : lî (voor mij) . Tenakh (580) . Pentateuch (151) . Eerdere Profeten (133) . Latere Profeten (126) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (141) . Gn (35) . Gn 19 (1) : Gn 19,3 .

Gn 19,4 - Gn 19,4 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [4] Zij waren nog niet gaan rusten toen de mannen van de stad, de Sodomieten, om het huis samenschoolden, jong en oud, de hele bevolking, allemaal samen.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 19,5 - Gn 19,5 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [5] Zij riepen Lot en zeiden: ‘Waar zijn die mannen die voor vannacht bij u hun intrek hebben genomen? Breng ze naar buiten, dan kunnen wij omgang met hen hebben.’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 19,6 - Gn 19,6 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [6] Lot kwam naar buiten, maar de deur deed hij achter zich dicht.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 19,7 - Gn 19,7 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [7] Hij zei: ‘Doe die mannen geen kwaad aan, broeders.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 19,8 - Gn 19,8 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [8] Luister eens; ik heb twee dochters die nog nooit bij een man zijn geweest. Die* wil ik wel naar buiten brengen; dan kunnen jullie met hen doen wat je wilt. Maar laat die mannen met rust, want zij staan onder de bescherming van mijn huis.’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 19,8 .

14. wë`âshû (en zij doen) < wë + act. qal perf. 3de pers. mann. mv. OF (2) wë`äshû (en doet) < act. qal imperat. 2de pers. mann. mv. OF (3) wë`esâw (en Esau) . `âshâh (maken, doen) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâh (maken) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , shin = 21 of 300 , he = 5 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 375 (3 X 5³) . Structuur : 7 - 3 - 5 . Tenakh (38) . Pentateuch (15) . Eerdere Profeten (3) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (6) . Gn (3) : (1) Gn 19,8 . (2) Gn 27,30 . (3) Gn 28,5 . Re (1) Re 19,24 .

Gn 19,9 - Gn 19,9 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [9] Ze zeiden: ‘Ga opzij.’ En ze voegden eraan toe: ‘Dat is hier als vreemdeling komen wonen en wil ons nog de wet voorschrijven ook. Het zal je nog slechter vergaan dan die anderen.’ Heftig duwden zij Lot achteruit en wilden de deur al openbreken.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

8. wajjisjëpot (en hij richtte) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. sjâphat (richten, rechtspreken, beslissen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâphat (richten, rechtspreken, beslissen) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , pe = 17 of 80 , tet = 9 ; totaal : 47 OF 389 (priemgetal) . Tenakh (14) : (1) Gn 19,9 . (2) Ex 5,21 . (3) Re 3,10 . (4) Re 10,2 . (5) Re 10,3 . (6) Re 12,7 . (7) Re 12,8 . (8) Re 12,9 . (9) Re 12,11 . (10) Re 12,13 . (11) Re 12,14 . (12) Re 15,20 . (13) 1 S 7,6 . (14) 1 S 7,15 .

Gn 19,10 - Gn 19,10 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [10] Maar de mannen binnen grepen Lot vast, trokken hem het huis in en deden de deur dicht.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 19,11 - Gn 19,11 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [11] Degenen die voor de deur stonden, klein en groot, sloegen zij met blindheid, zodat zij de deur niet meer konden vinden.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 19,12 - Gn 19,12 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
       
[12] Nu zeiden de twee mannen tegen Lot: ‘Hebt u hier in de stad nog familieleden? Uw schoonzoon, zonen en dochters en iedereen die bij u hoort moet u naar buiten brengen, weg uit deze plaats.  
     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 19,13 - Gn 19,13 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [13] Wij gaan de stad verwoesten: de roep om wraak over de bewoners klinkt zo hard, dat de heer ons heeft gezonden om de stad te verwoesten.’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Tekstuitleg van Gn 19,13

8. tsa`äqâthâm (hun geschreeuw) . Zelfstandig naamwoord status constructus vrouwelijk enkelvoud en suffix persoonlijk voornaamwoord derde persoon mannelijk meervoud . In twee verzen in de bijbel : (1) Gn 19,13 (Sodom) . (2) Ex 3,7 . tsë`âqâh (geroep, geschreeuw, geklaag) . Verwijzing : tsâ`âq (roepen, schreeuwen, klagen) , zie Ex 3,7 .

Gn 19,14 - Gn 19,14 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [14] Toen ging Lot praten met zijn toekomstige schoonzoons, de mannen die met zijn dochters wilden trouwen; hij zei: ‘Maak dat je wegkomt, vlucht uit deze plaats, want de heer gaat de stad verwoesten.’ Maar zijn schoonzoons lachten hem uit.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 19,15 - Gn 19,15 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
       
[15] Toen de dageraad aanbrak, zetten de engelen Lot tot spoed aan en zeiden: ‘Vooruit, neem uw vrouw en uw beide dochters mee; anders wordt u het slachtoffer van de bestraffing van de stad.’  
     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 19,16 - Gn 19,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [16] Toen Lot nog aarzelde, grepen de mannen hem, zijn vrouw en zijn beide dochters bij de hand, want de heer wilde hem sparen, en zij brachten hem buiten de stad.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 19,17 - Gn 19,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [17] En toen zij hen de stad uit gebracht hadden, zei een van hen: ‘Breng uzelf in veiligheid, want uw leven staat op het spel; kijk niet om, blijf nergens in de buurt staan, maar vlucht de bergen in, anders komt u om.’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 19,18 - Gn 19,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [18] Maar Lot zei tegen hen: ‘Dat niet, Heer!        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 19,18. De getalswaarde van Gn 19,18 is 525 (3 X5³ X 7).

Gn 19,19 - Gn 19,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [19] Zie toch, uw dienaar heeft genade gevonden in uw ogen, en u hebt mij een grote weldaad bewezen door mij in leven te laten, maar ik kan onmogelijk naar de bergen vluchten. Daar zou het onheil mij inhalen en zou ik toch de dood vinden.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 19,20 - Gn 19,20 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [20] Kijk, daar ligt een stad niet ver van hier; daar wil ik wel heen vluchten: het is een kleine stad. Laat mij daarheen ontsnappen; zij is toch maar klein. En dan zal ik het er levend afbrengen.’       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 19,21 - Gn 19,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [21] Hij antwoordde: ‘Ook hierin zal ik u ter wille zijn; de stad die u bedoelt zal ik niet verwoesten.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 19,22 - Gn 19,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [22] Vlucht er nu haastig heen, want ik kan niets doen zolang u daar niet aangekomen bent.’ Zo komt het dat die stad Soar* heet.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 19,22. De getalswaarde van Gn 19,22 is 3708 (2² X 3² X 103).

- Tso`ar of Zoar. Getalswaarde is 366 (2 X 3 X 61). Een jaar telt 365 of 366 dagen. Het werkwoord = tsâ`ar (klein, gering zijn).

Gn 19,23 - Gn 19,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [23] Zodra de zon was opgegaan en Lot in Soar was aangekomen,        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 19,24 - Gn 19,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [24] liet de heer uit de hemel zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 19,25 - Gn 19,25 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
25 καὶ κατέστρεψε τὰς πόλεις ταύτας καὶ πᾶσαν τὴν περίχωρον καὶ πάντας τοὺς κατοικοῦντας ἐν ταῖς πόλεσι καὶ τὰ ἀνατέλλοντα ἐκ τῆς γῆς. 25 et subvertit civitates has et omnem circa regionem universos habitatores urbium et cuncta terrae virentia   25. En Hij keerde deze steden om, en die ganse vlakte, en alle inwoners dezer steden, ook het gewas des lands. [25] Hij verwoestte die steden en de hele streek, met alle bewoners en alles wat er groeide.       25. et il renversa ces villes et toute la Plaine, avec tous les habitants des villes et la végétation du sol.

King James Bible .
Luther-Bibel . 25. Und kehrete die Städte um, die ganze Gegend und alle Einwohner der Städte, und was auf dem Lande gewachsen war.

Tekstuitleg van

- onderste boven keren, omkeren, Fr.: renverser.

Gn 19,26 - Gn 19,26 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
26 καὶ ἐπέβλεψεν ἡ γυνὴ αὐτοῦ εἰς τὰ ὀπίσω καὶ ἐγένετο στήλη ἁλός 26 respiciensque uxor eius post se versa est in statuam salis   וַתַּבֵּט אִשְׁתּוֹ, מֵאַחֲרָיו; וַתְּהִי, נְצִיב מֶלַח. 26. En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar. [26] De vrouw van Lot, die achter hem liep, keek om en veranderde in een zoutklomp*.      26. Or la femme de Lot regarda en arrière, et elle devint une colonne de sel.

King James Bible .
Luther-Bibel . 26. Und sein Weib sah hinter sich und ward zur Salzsäule.

Tekstuitleg van

1. וַתַּבֵּ֥ט : (= waththabbet: en zij keek; wkw act hifil wajjiqtol (waw consecutivum + imperfectum) 3de pers vr enk van het wkw נבט = nâba (Lettinga, 1961, §52)
- Grieks . act. aor. 3de pers. enk. επεβλεψεν = epeblepsen (hij keek op, hij keek neer) van het werkw. επιβλεπω = epiblepô (kijken op, neerzien) . Taalgebruik in het NT : epiblepô (kijken op, neerzien) . Taalgebruik in de LXX : epiblepô (kijken op , neerzien) . Bijbel (26) . OT (25) : (1) Gn 19,26 . (2) Gn 19,28 . (3) Ex 14,24 . (4) Nu 12,10 . (5) Nu 21,9 . (6) Re 6,14 . (7) Re 20,40 . (8) 1 S 7,2 . (9) 1 S 24,9 . (10) 2 S 1,7 . (11) 2 S 2,20 . (12) 1 K 18,43 . (13) 1 K 19,6 . (14) 2 K 13,23 . (15) Ez 10,11 . (16) Hab 3,6 . (17) Zach 10,4 . (18) Ps 33,13 . (19) Ps 33,14 . (20) Ps 102,18 . (21) Ps 102,20 . (22) 2 Kr 20,24 . (23) Sir 16,29 . (24) Sir 39,20 . (25) Sir 42,16 . NT (1) Lc 1,48 . Een vorm van επιβλεπω = epiblepô (kijken op, neerzien) in de LXX (114) , in de Pentateuch (7) : (1) Gn 19,26 . (2) Gn 19,28 . (3) Ex 14,24 . (4) Lv 26,9 . (5) Nu 12,10 . (6) Nu 21,9 . (7) Dt 9,27 , in het NT (3) : (1) Lc 1,48 . (2) Lc 9,38 . (3) Jak 2,3 . Het voorvoegsel επι = epi van het werkw. επιβλεπω = epiblepô (kijken op, neerzien) wordt hierna in de bepaling met het voorzetsel επι = epi versterkt .
- De vervoegde werkwoordsvorm επεβλεψεν = epeblepsen telt 9 letters , waarvan 4X een vorm van de e - klank en 3X een labiale medeklinker . Het is een aoristvorm die voorafgegaan wordt door het voorvoegsel ep' (< epi) . Wellicht onder invloed van het lijdend voorwerp την ταπεινωσιν = tèn tapeinôsin (de laagheid) kreeg het werkwoord het voorvoegsel epi (op) , waardoor hoog - laag wordt weergegeven . God kijkt vanuit het hoge op de laagheid van zijn dienares . Dat kijken van God was bevrijdend zoals uit het voorgaande vers blijkt .
- blik-ken. Gr.: βλεπω = blepô.
- spieken (afkijken). Lat.: specere, spexi, spectum. respicere (terugkijken).
- Ned.: zetten/ zitten - neder-zetting. Lat.: sedere. Hebr.: nifal nitsabh: zich stellen, staan. matsâbhâh (prefix om een plaats aan te duiden): standplaats, bezetting, wachtpost, zuil (grens?), gedenkteken. Egypt.: mastaba.
- Ned.: zout (zou zowt moeten uitgesproken worden). D.: Salz. E.: salt. In het Duits: de l i.p.v. de u, de t tot z (ts). Lat.: sal, -is. Gr.: αλς = hals. Hebr.: mèlach. Een methathesis in het Grieks?

Waarom verandert de vrouw van Lot in een zoutzuil? Is dit een grenspaal, een begrafenisplaats (gedenkteken)? Heeft die zuil de vorm van een vrouw?

Gn 19,27 - Gn 19,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
. 27 ῎Ωρθρισε δὲ ῾Αβραὰμ τῷ πρωΐ εἰς τὸν τόπον, οὗ εἱστήκει ἐναντίον Κυρίου. 27 Abraham autem consurgens mane ubi steterat prius cum Domino   27. En Abraham maakte zich deszelven morgens vroeg op, naar de plaats, waar hij voor het aangezicht des HEEREN gestaan had. [27] Vroeg in de ochtend ging Abraham naar de plaats waar hij met de heer gestaan had.      27. Levé de bon matin, Abraham vint à l'endroit où il s'était tenu devant Yahvé

King James Bible .
Luther-Bibel . 27. Abraham aber machte sich des Morgens frühe auf an den Ort, da er gestanden war vor dem HERRN,

Tekstuitleg van

Wellicht een verwijzing naar Gn 13,14.

- Ned.: schemer - schemering ( 's morgens en 's avonds: ochtendschemering en avondschemering). Heeft het Hebr. wkw sjâkham iets met schemering te maken? In Gn 19,27 wordt het Griekse wkw ορθριζω = orthrizô: vroeg in de ochtend bezig zijn, vroeg in de morgen opstaan (bij de opgang van de zon).

Gn 19,28 - Gn 19,28 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
28 καὶ ἐπέβλεψεν ἐπὶ πρόσωπον Σοδόμων καὶ Γομόρρας καὶ ἐπὶ πρόσωπον τῆς περιχώρου καὶ εἶδε, καὶ ἰδοὺ ἀνέβαινε φλὸξ ἐκ τῆς γῆς, ὡσεὶ ἀτμὶς καμίνου. 28 intuitus est Sodomam et Gomorram et universam terram regionis illius viditque ascendentem favillam de terra quasi fornacis fumum   28. En hij zag naar Sodom en Gomorra toe, en naar het ganse land van die vlakte; en hij zag, en ziet, er ging een rook van het land op, gelijk de rook eens ovens. [28] Hij keek omlaag naar Sodom en Gomorra en heel de Jordaanstreek, en zag een walm van de aarde opstijgen, als de rook van een smeltoven.       28. et il jeta son regard sur Sodome, sur Gomorrhe et sur toute la Plaine, et voici qu'il vit la fumée monter du pays comme la fumée d'une fournaise !

King James Bible .
Luther-Bibel . 28. und wandte sein Angesicht gegen Sodom und Gomorrha und alles Land der Gegend und schauete; und siehe, da ging ein Rauch auf vom Lande, wie ein Rauch vom Ofen.

Tekstuitleg van

1. act. aor. 3de pers. enk. επεβλεψεν = epeblepsen (hij keek op, hij keek neer) van het werkw. επιβλεπω = epiblepô (kijken op, neerzien) . Taalgebruik in het NT : epiblepô (kijken op, neerzien) . Taalgebruik in de LXX : epiblepô (kijken op , neerzien) . Bijbel (26) . OT (25) : (1) Gn 19,26 . (2) Gn 19,28 . (3) Ex 14,24 . (4) Nu 12,10 . (5) Nu 21,9 . (6) Re 6,14 . (7) Re 20,40 . (8) 1 S 7,2 . (9) 1 S 24,9 . (10) 2 S 1,7 . (11) 2 S 2,20 . (12) 1 K 18,43 . (13) 1 K 19,6 . (14) 2 K 13,23 . (15) Ez 10,11 . (16) Hab 3,6 . (17) Zach 10,4 . (18) Ps 33,13 . (19) Ps 33,14 . (20) Ps 102,18 . (21) Ps 102,20 . (22) 2 Kr 20,24 . (23) Sir 16,29 . (24) Sir 39,20 . (25) Sir 42,16 . NT (1) Lc 1,48 . Een vorm van επιβλεπω = epiblepô (kijken op, neerzien) in de LXX (114) , in de Pentateuch (7) : (1) Gn 19,26 . (2) Gn 19,28 . (3) Ex 14,24 . (4) Lv 26,9 . (5) Nu 12,10 . (6) Nu 21,9 . (7) Dt 9,27 , in het NT (3) : (1) Lc 1,48 . (2) Lc 9,38 . (3) Jak 2,3 . Het voorvoegsel επι = epi van het werkw. επιβλεπω = epiblepô (kijken op, neerzien) wordt hierna in de bepaling met het voorzetsel επι = epi versterkt .
- De vervoegde werkwoordsvorm επεβλεψεν = epeblepsen telt 9 letters , waarvan 4X een vorm van de e - klank en 3X een labiale medeklinker . Het is een aoristvorm die voorafgegaan wordt door het voorvoegsel ep' (< epi) . Wellicht onder invloed van het lijdend voorwerp την ταπεινωσιν = tèn tapeinôsin (de laagheid) kreeg het werkwoord het voorvoegsel epi (op) , waardoor hoog - laag wordt weergegeven . God kijkt vanuit het hoge op de laagheid van zijn dienares . Dat kijken van God was bevrijdend zoals uit het voorgaande vers blijkt .
- וַיַּשְׁקֵ֗ף = (wajjasjqeph: en hij keek omlaag naar; wkw act hifil 3de pers mann enk van het wkw sjâqaph: neerzien, dreigen).

- zien. Hebr.: נבט = nâbhat: zien, kijken. Lat.: videre. Gr.: ειδεν: hij zag. Stamletters: bh/v + d/t. (Gn 19,26)
- Ned.: zien, zag, gezien. Hebr.: שׁקף: neerzien, omlaag kijken. Vergelijk: Ned.: zag en Hebr. שׁק. (Gn 19,28)

- cirkel . Fr.: cercle . E. circle . Fr. : Lat.: circulus , verkleinwoord van circus . Gr.: κιρκος = kirkos (kring, renbaan) . Hebr.: ככר = kkr. cirkel, rond. Gn 19,28: in de ronde, nl. de omgeving (vooral van de Jordaanvlakte).
- cyclus . D.: Zyclus . E. : cycle . Fr.: cycle . Gr.: κυκλος = kuklos : wiel , kring , cirkel , ring , (ronde) schijf .
- kring . Middelned.: crinc , cring . D.: Kreis .
- singel . Lat.: cingulum (gordel) .
- Stam : c/k/s - r of k/g .

- - Ned.: ruiken - rook - geroken. Arabisch: رائحة = rayiha. Hebr.: ריח = rich. Stam: r - k/ch.
-- Gr.: οσφραινομαι = osfrainomai: ruiken, speuren naar. Lat.: alfacere - feci - factum.
-- Hebr.: קִיטוֹר = qitôr: rook. r - (t) - q/k.

- כִּבְשָׁן (= kibhsjân): smeltoven, kalkoven.
-

Gn 19,29 - Gn 19,29 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
29 καὶ ἐγένετο ἐν τῷ ἐκτρίψαι Κύριον πάσας τὰς πόλεις τῆς περιοίκου, ἐμνήσθη ὁ Θεὸς τοῦ ῾Αβραὰμ καὶ ἐξαπέστειλε τὸν Λὼτ ἐκ μέσου τῆς καταστροφῆς, ἐν τῷ καταστρέψαι Κύριον τὰς πόλεις, ἐν αἷς κατῴκει ἐν αὐταῖς Λώτ. 29 cum enim subverteret Deus civitates regionis illius recordatus est Abrahae et liberavit Loth de subversione urbium in quibus habitaverat wajjizëkhor ´èlohîm   29. En het geschiedde, toen God de steden dezer vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden dezer omkering, in het omkeren dier steden, in welke Lot gewoond had. [29] Zo hield God bij de verwoesting van de steden van die landstreek rekening met Abrahams wens en liet Hij Lot ontsnappen, toen Hij de steden verwoestte waar hij gewoond had.       29. Ainsi, lorsque Dieu détruisit les villes de la Plaine, il s'est souvenu d'Abraham et il a retiré Lot du milieu de la catastrophe, dans le renversement des villes où habitait Lot.

King James version . And it came to pass, when God destroyed the cities of the plain, that God remembered Abraham, and sent Lot out of the midst of the overthrow, when he overthrew the cities in the which Lot dwelt.
- Lutherbijbel: 29. Denn da Gott die Städte in der Gegend verderbte, gedachte er an Abraham und geleitete Lot aus den Städten, die er umkehrete, darin Lot wohnete.

Tekstuitleg van Gn 19,29 . Dit vers Gn 19,29 telt 22 ( = 2 X 11) woorden en 81 ( = 3 X 3 X 3 X 3 letters . De getalwaarde van Gn 19,29 is 5860 .

7. wajjizëkhor (en hij gedacht) , wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. enk. van het werkw. zâkhar (gedenken, zich herinneren) . Taalgebruik in Tenach : zâkhar (gedenken) . z k r : act. qal perf. 3de pers. mann. enk. zâkhar (hij gedenkt) OF qal imperat. 2de pers. mann. enk. (gedenkt) + qal. inf. constr. zëkhor (te gedenken) OF zelfst. naamw. zekhèr (herinnering, aandenken) OF bijvoegl. naamw. zâkhâr (mannelijk) . In 104 verzen in Tenach . De getalwaarde van z-k-r is : zain = 7 , kaph = 11 of 20 , resj = 20 of 200 . Totaal : 7 + 11 + 20 = 38 (2 X 19) OF 7 + 20 + 200 = 227 (priemgetal) . In negen verzen in de bijbel : (1) Gn 8,1 (God gedacht Noach) . (2) Gn 19,29 (God gedacht Abram) . (3) Gn 30,22 (God gedacht Rachel) . (4) Gn 42,9 (Jozef dacht aan zijn dromen) . (5) Ex 2,24 (... ´èth bërîthô = God gedacht zijn verbond met Abraham , Isaak en Jakob) . (6) Js 63,11 (en het - volk - dacht aan de dagen...) . (7) Ps 78,39 . (8) Ps 106,45 . (9) Pr 11,8 (hij dacht aan de dagen... ) .

7. - 8. wajjizëkhor ´èlohîm (en God gedacht) . In vier verzen in de bijbel : (1) Gn 8,1 (God gedacht Noach) . (2) Gn 19,29 (God gedacht Abram) . (3) Gn 30,22 (God gedacht Rachel) . (5) Ex 2,24 (... ´èth bërîthô = God gedacht zijn verbond met Abraham , Isaak en Jakob) .

Lot en zijn dochters

Gn 19,30 - Gn 19,30 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
30 ᾿Ανέβη δὲ Λὼτ ἐκ Σηγὼρ καὶ ἐκάθητο ἐν τῷ ὄρει αὐτὸς καὶ αἱ δύο θυγατέρες αὐτοῦ μετ᾿ αὐτοῦ· ἐφοβήθη γὰρ κατοικῆσαι ἐν Σηγώρ. καὶ κατῴκησεν ἐν τῷ σπηλαίῳ, αὐτὸς καὶ αἱ δύο θυγατέρες αὐτοῦ μετ᾿ αὐτοῦ. 30 ascenditque Loth de Segor et mansit in monte duae quoque filiae eius cum eo timuerat enim manere in Segor et mansit in spelunca ipse et duae filiae eius   30. En Lot toog op uit Zoar, en woonde op den berg, en zijn twee dochters met hem; want hij vreesde binnen Zoar te wonen. En hij woonde in een spelonk, hij en zijn twee dochters.

[30] Lot verliet echter Soar en vestigde zich met zijn beide dochters in de bergen, omdat hij niet in Soar durfde te blijven. Hij ging in een grot wonen, samen* met zijn beide dochters.

 
    30. Lot monta de Çoar et s'établit dans la montagne avec ses deux filles, car il n'osa pas rester à Çoar. Il s'installa dans une grotte, lui et ses deux filles.

King James Bible .
Luther-Bibel . 30. Und Lot zog aus Zoar und blieb auf dem Berge mit seinen beiden Töchtern; denn er fürchtete sich, zu Zoar zu bleiben; und blieb also in einer Höhle mit seinen beiden Töchtern.

Tekstuitleg van

5. bëhar (op een berg) OF bâhâr (op de berg) < voorzetsel / voorvoegsel b + har (berg) . Taalgebruik in Tenach : har (berg) . Getalwaarde : he = 5 , resj = 20 of 300 ; totaal : 25 of 305 . Gr. oros (berg) . Taalgebruik in de Septuaginta : oros (berg) . Taalgebruik in N.T. : oros (berg) . Lat. mons , -tis . Fr. montagne . E. mount . Ned. berg, gebergte . D. Gebirge . Tenach (109) . Gn (7) : (1) Gn 19,30 . (2) Gn 22,14 . (3) Gn 31,23 . (4) Gn 31,25 . (5) Gn 31,54 . (6) Gn 36,8 . (7) Gn 36,9 .

Gn 19,31 - Gn 19,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
31 εἶπε δὲ ἡ πρεσβυτέρα πρὸς τὴν νεωτέραν· ὁ πατὴρ ἡμῶν πρεσβύτερος, καὶ οὐδείς ἐστιν ἐπὶ τῆς γῆς, ὃς εἰσελεύσεται πρὸς ἡμᾶς, ὡς καθήκει πάσῃ τῇ γῇ· 31 dixitque maior ad minorem pater noster senex est et nullus virorum remansit in terra qui possit ingredi ad nos iuxta morem universae terrae   31. Toen zeide de eerstgeborene tot de jongste: Onze vader is oud, en er is geen man in dit land, om tot ons in te gaan, naar de wijze der ganse aarde.

[31] Nu zei de oudste tegen de jongste: ‘Vader wordt oud; en er is geen man in het land die bij ons kan komen zoals dat overal elders gebeurt.

 
   

31. L'aînée dit à la cadette : Notre père est âgé et il n'y a pas d'homme dans le pays pour s'unir à nous à la manière de tout le monde.

King James Bible .
Luther-Bibel . 31. Da sprach die älteste zu der jüngsten: Unser Vater ist alt, und ist kein Mann mehr auf Erden, der uns beschlafen möge nach aller Welt Weise.

Tekstuitleg van Gn 19,31 .

Gn 19,31.5. אָבִינוּ = ´âbhînû (onze vader) < zelfst. naamw. stat. constr. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mv. . Zie : אַב = ´abh (vader) . Taalgebruik in Tenakh : ´abh (vader) . Getalwaarde : alèph = 1 , beth = 2 ; totaal 3 . Structuur : 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (16) : (1) Gn 19,31 . (2) Gn 19,32 . (3) Gn 31,14 . (4) Gn 42,13 . (5) Gn 42,32 . (6) Gn 44,25 . (7) Gn 44,31 . (8) Nu 27,3 . (9) Nu 27,4 . (10) Re 11,2 . (11) Js 63,16 . (12) Js 64,7 . (13) Jr 35, 6 . (14) Jr 35, 8 . (15) Jr 35, 10 . (16) 1 Kr 29,10 .
- πατηρ ἡμων = patèr hèmôn (vader van ons = onze vader) . LXX (1) : (1) Gn 19,31 . (2) Gn 43,28 . (3) Gn 44,25 . (4) Nu 27,3 . (5) 1 Kr 29,10 . (6) Tob 13,4 . (7) 1 Mak 2,54 . (8) 4 Mak 16,20 . (9) Js 63,16 . (10) Js 64,7 . (11) Jr 42,6 . ΝΤ (4) : (1) Joh 8,39 . (2) 1 Tes 3,11 . (3) 2 Tes 2,16 . (4) Apk 2,21 .
- πατερ ἡμων = pater hèmôn (vader van ons = onze vader) . Bijbel (2) : (1) Mt 6,9 . (2) Lc 11,2 .

Gn 19,32 - Gn 19,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
32 δεῦρο καὶ ποτίσωμεν τὸν πατέρα ἡμῶν οἶνον καὶ κοιμηθῶμεν μετ᾿ αὐτοῦ καὶ ἐξαναστήσωμεν ἐκ τοῦ πατρὸς ἡμῶν σπέρμα. 32 veni inebriemus eum vino dormiamusque cum eo ut servare possimus ex patre nostro semen   32. Kom, laat ons onze vader wijn te drinken geven, en bij hem liggen, opdat wij van onze vader zaad in het leven behouden.

[32] Kom, wij laten vader wijn drinken en gaan bij hem liggen, in de hoop dat wij van hem kinderen krijgen.’

 
    32. Viens, faisons boire du vin à notre père et couchons avec lui; ainsi, de notre père, nous susciterons une descendance.

King James Bible .
Luther-Bibel . 32. So komm, laß uns unserm Vater Wein zu trinken geben und bei ihm schlafen, daß wir Samen von unserm Vater erhalten.

Tekstuitleg van

b
Gn 19,33 - Gn 19,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
33 ἐπότισαν δὲ τὸν πατέρα αὐτῶν οἶνον ἐν τῇ νυκτὶ ἐκείνῃ, καὶ εἰσελθοῦσα ἡ πρεσβυτέρα ἐκοιμήθη μετὰ τοῦ πατρὸς αὐτῆς ἐν τῇ νυκτὶ ἐκείνῃ, καὶ οὐκ ᾔδει ἐν τῷ κοιμηθῆναι αὐτὸν καὶ ἐν τῷ ἀναστῆναι.

33 dederunt itaque patri suo bibere vinum nocte illa et ingressa est maior dormivitque cum patre at ille non sensit nec quando accubuit filia nec quando surrexit

 
  33. En zij gaven dien nacht haar vader wijn te drinken; en de eerstgeborene kwam, en lag bij haar vader, en hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan.

[33] Zij lieten dus hun vader die nacht wijn drinken, en de oudste ging bij haar vader liggen; hij merkte niets, niet toen zij kwam liggen, en ook niet toen zij weer opstond.

    33. Elles firent boire, cette nuit-là, du vin à leur père, et l'aînée vint s'étendre près de son père, qui n'eut conscience ni de son coucher ni de son lever.

King James Bible .
Luther-Bibel . 33. Also gaben sie ihrem Vater Wein zu trinken in derselben Nacht. Und die erste ging hinein und legte sich zu ihrem Vater; und er ward's nicht gewahr, da sie sich legte, noch da sie aufstund.

Tekstuitleg van

- Ned.: schenken. Hebr.: וַתַּשְׁקֶ֧יןָ = waththasjqîn: en zij leten drinken, zij schonken; wkw act hifil wajjiqtol + imperf. 3de pers mv van het wkw שׁקה = sjâqâh: laten drinken, uitschenken.

Gn 19,34 - Gn 19,34 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
34 ἐγένετο δὲ ἐν τῇ ἐπαύριον καὶ εἶπεν ἡ πρεσβυτέρα πρὸς τὴν νεωτέραν· ἰδοὺ ἐκοιμήθην χθὲς μετὰ τοῦ πατρὸς ἡμῶν· ποτίσωμεν αὐτὸν οἶνον καὶ ἐν τῇ νυκτὶ ταύτῃ, καὶ εἰσελθοῦσα κοιμήθητι μετ᾿ αὐτοῦ, καὶ ἐξαναστήσωμεν ἐκ τοῦ πατρὸς ἡμῶν σπέρμα. 34 altera quoque die dixit maior ad minorem ecce dormivi heri cum patre meo demus ei bibere vinum etiam hac nocte et dormies cum eo ut salvemus semen de patre nostro    

[34] De volgende ochtend zei de oudste tegen de jongste: ‘De afgelopen nacht heb ik bij vader gelegen. Wij zullen hem ook vannacht weer wijn laten drinken, dan kun jij bij hem gaan liggen, in de hoop dat wij van hem kinderen krijgen.’

 
     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 19,35 - Gn 19,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
35 ἐπότισαν δὲ καὶ ἐν τῇ νυκτὶ ἐκείνῃ τὸν πατέρα αὐτῶν οἶνον, καὶ εἰσελθοῦσα ἡ νεωτέρα ἐκοιμήθη μετὰ τοῦ πατρὸς αὐτῆς, καὶ οὐκ ᾔδει ἐν τῷ κοιμηθῆναι αὐτὸν καὶ ἀναστῆναι. 35 dederunt et illa nocte patri vinum ingressaque minor filia dormivit cum eo et nec tunc quidem sensit quando concubuerit vel quando illa surrexerit   35. En zij gaven haar vader ook dien nacht wijn te drinken, en de jongste stond op, en lag bij hem. En hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan.

[35] Ook die nacht lieten zij hun vader wijn drinken, en nu ging de jongste bij hem liggen; hij merkte niets, niet toen zij kwam liggen, en ook niet toen zij weer opstond.

 
    35. Elles firent boire du vin à leur père encore cette nuit-là, et la cadette s'étendit auprès de lui, qui n'eut conscience ni de son coucher ni de son lever.

King James Bible .
Luther-Bibel . 35. Also gaben sie ihrem Vater die Nacht auch Wein zu trinken. Und die jüngste machte sich auch auf und legte sich zu ihm; und er ward's nicht gewahr, da sie sich legte, noch da sie aufstund.

Tekstuitleg van

Gn 19,36 - Gn 19,36 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
36 καὶ συνέλαβον αἱ δύο θυγατέρες Λὼτ ἐκ τοῦ πατρὸς αὐτῶν. 36 conceperunt ergo duae filiae Loth de patre suo   36. En de twee dochters van Lot werden bevrucht van haar vader.

[36] Zo werden de beide dochters van Lot zwanger van hun vader.

 
    36. Les deux filles de Lot devinrent enceintes de leur père.

King James Bible .
Luther-Bibel . 36. Also wurden die beiden Töchter Lots schwanger von ihrem Vater.

Tekstuitleg van

Gn 19,37 - Gn 19,37 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
37 καὶ ἔτεκεν ἡ πρεσβυτέρα υἱὸν καὶ ἐκάλεσε τὸ ὄνομα αὐτοῦ Μωὰβ λέγουσα· ἐκ τοῦ πατρός μου· οὗτος πατὴρ Μωαβιτῶν ἕως τῆς σήμερον ἡμέρας. 37 peperitque maior filium et vocavit nomen eius Moab ipse est pater Moabitarum usque in praesentem diem   37. En de eerstgeborene baarde een zoon, en noemde zijn naam Moab; deze is de vader der Moabieten, tot op dezen dag. [37] De oudste baarde een zoon en noemde hem Moab*; hij werd de vader van de huidige Moabieten.       37. L'aînée donna naissance à un fils et elle l'appela Moab; c'est l'ancêtre des Moabites d'aujourd'hui.

King James Bible .
Luther-Bibel . 37. Und die älteste gebar einen Sohn, den hieß sie Moab. Von dem kommen her die Moabiter bis auf diesen heutigen Tag.

Tekstuitleg van

b
Gn 19,38 - Gn 19,38 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
38 ἔτεκε δὲ καὶ ἡ νεωτέρα υἱὸν καὶ ἐκάλεσε τὸ ὄνομα αὐτοῦ ᾿Αμμάν, λέγουσα· υἱὸς γένους μου· οὗτος πατὴρ ᾿Αμμανιτῶν ἕως τῆς σήμερον ἡμέρας. 38 minor quoque peperit filium et vocavit nomen eius Ammon id est filius populi mei ipse est pater Ammanitarum usque hodie   38. En de jongste baarde ook een zoon, en noemde zijn naam Ben-Ammi; deze is de vader der kinderen Ammons, tot op dezen dag.

[38] Ook de jongste baarde een zoon en noemde hem Ben-Ammi; hij is de vader van de tegenwoordige Ammonieten*.

    38. La cadette aussi donna naissance à un fils et elle l'appela Ben-Ammi; c'est l'ancêtre des Bené-Ammon d'aujourd'hui.

King James Bible .
Luther-Bibel . 38. Und die jüngste gebar auch einen Sohn, den hieß sie das Kind Ammi. Von dem kommen die Kinder Ammon bis auf den heutigen Tag.

Tekstuitleg van

13. `ammôn (Ammon) . Taalgebruik in Tenakh : `ammôn (Ammon) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , mem = 13 of 40 , waw = 6 , nun = 14 of 50 ; totaal : 49 (7²) OF 166 (2 X 83) . Structuur : 7 - 4 - 6 - 5 . Tenakh (97) . Pentateuch (6) . Eerdere Profeten (52) . Latere Profeten (17) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (19) . Gn (1) : Gn 19,38 . Ammon is de jongste zoon van Lot en zijn jongste dochter (Gn 19,38) . Moab is de oudste zoon van Lot en zijn oudste dochter . Lot is de kleinzoon van Haran, de broer van Abram / Abraham .


MT

Genesis Chapter 19 בְּרֵאשִׁית

א  וַיָּבֹאוּ שְׁנֵי הַמַּלְאָכִים סְדֹמָה, בָּעֶרֶב, וְלוֹט, יֹשֵׁב בְּשַׁעַר-סְדֹם; וַיַּרְא-לוֹט וַיָּקָם לִקְרָאתָם, וַיִּשְׁתַּחוּ אַפַּיִם אָרְצָה. 1 And the two angels came to Sodom at even; and Lot sat in the gate of Sodom; and Lot saw them, and rose up to meet them; and he fell down on his face to the earth;
ב  וַיֹּאמֶר הִנֶּה נָּא-אֲדֹנַי, סוּרוּ נָא אֶל-בֵּית עַבְדְּכֶם וְלִינוּ וְרַחֲצוּ רַגְלֵיכֶם, וְהִשְׁכַּמְתֶּם, וַהֲלַכְתֶּם לְדַרְכְּכֶם; וַיֹּאמְרוּ לֹּא, כִּי בָרְחוֹב נָלִין. 2 and he said: 'Behold now, my lords, turn aside, I pray you, into your servant's house, and tarry all night, and wash your feet, and ye shall rise up early, and go on your way.' And they said: 'Nay; but we will abide in the broad place all night.'
ג  וַיִּפְצַר-בָּם מְאֹד--וַיָּסֻרוּ אֵלָיו, וַיָּבֹאוּ אֶל-בֵּיתוֹ; וַיַּעַשׂ לָהֶם מִשְׁתֶּה, וּמַצּוֹת אָפָה וַיֹּאכֵלוּ. 3 And he urged them greatly; and they turned in unto him, and entered into his house; and he made them a feast, and did bake unleavened bread, and they did eat.
ד  טֶרֶם, יִשְׁכָּבוּ, וְאַנְשֵׁי הָעִיר אַנְשֵׁי סְדֹם נָסַבּוּ עַל-הַבַּיִת, מִנַּעַר וְעַד-זָקֵן:  כָּל-הָעָם, מִקָּצֶה. 4 But before they lay down, the men of the city, even the men of Sodom, compassed the house round, both young and old, all the people from every quarter.
ה  וַיִּקְרְאוּ אֶל-לוֹט וַיֹּאמְרוּ לוֹ, אַיֵּה הָאֲנָשִׁים אֲשֶׁר-בָּאוּ אֵלֶיךָ הַלָּיְלָה; הוֹצִיאֵם אֵלֵינוּ, וְנֵדְעָה אֹתָם. 5 And they called unto Lot, and said unto him: 'Where are the men that came in to thee this night? bring them out unto us, that we may know them.'
ו  וַיֵּצֵא אֲלֵהֶם לוֹט, הַפֶּתְחָה; וְהַדֶּלֶת, סָגַר אַחֲרָיו. 6 And Lot went out unto them to the door, and shut the door after him.
ז  וַיֹּאמַר:  אַל-נָא אַחַי, תָּרֵעוּ. 7 And he said: 'I pray you, my brethren, do not so wickedly.
ח  הִנֵּה-נָא לִי שְׁתֵּי בָנוֹת, אֲשֶׁר לֹא-יָדְעוּ אִישׁ--אוֹצִיאָה-נָּא אֶתְהֶן אֲלֵיכֶם, וַעֲשׂוּ לָהֶן כַּטּוֹב בְּעֵינֵיכֶם; רַק לָאֲנָשִׁים הָאֵל, אַל-תַּעֲשׂוּ דָבָר, כִּי-עַל-כֵּן בָּאוּ, בְּצֵל קֹרָתִי. 8 Behold now, I have two daughters that have not known man; let me, I pray you, bring them out unto you, and do ye to them as is good in your eyes; only unto these men do nothing; forasmuch as they are come under the shadow of my roof.'
ט  וַיֹּאמְרוּ גֶּשׁ-הָלְאָה, וַיֹּאמְרוּ הָאֶחָד בָּא-לָגוּר וַיִּשְׁפֹּט שָׁפוֹט--עַתָּה, נָרַע לְךָ מֵהֶם; וַיִּפְצְרוּ בָאִישׁ בְּלוֹט מְאֹד, וַיִּגְּשׁוּ לִשְׁבֹּר הַדָּלֶת. 9 And they said: 'Stand back.' And they said: 'This one fellow came in to sojourn, and he will needs play the judge; now will we deal worse with thee, than with them.' And they pressed sore upon the man, even Lot, and drew near to break the door.
י  וַיִּשְׁלְחוּ הָאֲנָשִׁים אֶת-יָדָם, וַיָּבִיאוּ אֶת-לוֹט אֲלֵיהֶם הַבָּיְתָה; וְאֶת-הַדֶּלֶת, סָגָרוּ. 10 But the men put forth their hand, and brought Lot into the house to them, and the door they shut.
יא  וְאֶת-הָאֲנָשִׁים אֲשֶׁר-פֶּתַח הַבַּיִת, הִכּוּ בַּסַּנְוֵרִים, מִקָּטֹן, וְעַד-גָּדוֹל; וַיִּלְאוּ, לִמְצֹא הַפָּתַח. 11 And they smote the men that were at the door of the house with blindness, both small and great; so that they wearied themselves to find the door.
יב  וַיֹּאמְרוּ הָאֲנָשִׁים אֶל-לוֹט, עֹד מִי-לְךָ פֹה--חָתָן וּבָנֶיךָ וּבְנֹתֶיךָ, וְכֹל אֲשֶׁר-לְךָ בָּעִיר:  הוֹצֵא, מִן-הַמָּקוֹם. 12 And the men said unto Lot: 'Hast thou here any besides? son-in-law, and thy sons, and thy daughters, and whomsoever thou hast in the city; bring them out of the place;
יג  כִּי-מַשְׁחִתִים אֲנַחְנוּ, אֶת-הַמָּקוֹם הַזֶּה:  כִּי-גָדְלָה צַעֲקָתָם אֶת-פְּנֵי יְהוָה, וַיְשַׁלְּחֵנוּ יְהוָה לְשַׁחֲתָהּ. 13 for we will destroy this place, because the cry of them is waxed great before the LORD; and the LORD hath sent us to destroy it.'
יד  וַיֵּצֵא לוֹט וַיְדַבֵּר אֶל-חֲתָנָיו לֹקְחֵי בְנֹתָיו, וַיֹּאמֶר קוּמוּ צְּאוּ מִן-הַמָּקוֹם הַזֶּה, כִּי-מַשְׁחִית יְהוָה, אֶת-הָעִיר; וַיְהִי כִמְצַחֵק, בְּעֵינֵי חֲתָנָיו. 14 And Lot went out, and spoke unto his sons-in-law, who married his daughters, and said: 'Up, get you out of this place; for the LORD will destroy the city.' But he seemed unto his sons-in-law as one that jested.
טו  וּכְמוֹ הַשַּׁחַר עָלָה, וַיָּאִיצוּ הַמַּלְאָכִים בְּלוֹט לֵאמֹר:  קוּם קַח אֶת-אִשְׁתְּךָ וְאֶת-שְׁתֵּי בְנֹתֶיךָ, הַנִּמְצָאֹת--פֶּן-תִּסָּפֶה, בַּעֲו‍ֹן הָעִיר. 15 And when the morning arose, then the angels hastened Lot, saying: 'Arise, take thy wife, and thy two daughters that are here; lest thou be swept away in the iniquity of the city.'
טז  וַיִּתְמַהְמָהּ--וַיַּחֲזִיקוּ הָאֲנָשִׁים בְּיָדוֹ וּבְיַד-אִשְׁתּוֹ וּבְיַד שְׁתֵּי בְנֹתָיו, בְּחֶמְלַת יְהוָה עָלָיו; וַיֹּצִאֻהוּ וַיַּנִּחֻהוּ, מִחוּץ לָעִיר. 16 But he lingered; and the men laid hold upon his hand, and upon the hand of his wife, and upon the hand of his two daughters; the LORD being merciful unto him. And they brought him forth, and set him without the city.
יז  וַיְהִי כְהוֹצִיאָם אֹתָם הַחוּצָה, וַיֹּאמֶר הִמָּלֵט עַל-נַפְשֶׁךָ--אַל-תַּבִּיט אַחֲרֶיךָ, וְאַל-תַּעֲמֹד בְּכָל-הַכִּכָּר:  הָהָרָה הִמָּלֵט, פֶּן-תִּסָּפֶה. 17 And it came to pass, when they had brought them forth abroad, that he said: 'Escape for thy life; look not behind thee, neither stay thou in all the Plain; escape to the mountain, lest thou be swept away.'
יח  וַיֹּאמֶר לוֹט, אֲלֵהֶם:  אַל-נָא, אֲדֹנָי. 18 And Lot said unto them: 'Oh, not so, my lord;
יט  הִנֵּה-נָא מָצָא עַבְדְּךָ חֵן, בְּעֵינֶיךָ, וַתַּגְדֵּל חַסְדְּךָ אֲשֶׁר עָשִׂיתָ עִמָּדִי, לְהַחֲיוֹת אֶת-נַפְשִׁי; וְאָנֹכִי, לֹא אוּכַל לְהִמָּלֵט הָהָרָה--פֶּן-תִּדְבָּקַנִי הָרָעָה, וָמַתִּי. 19 behold now, thy servant hath found grace in thy sight, and thou hast magnified thy mercy, which thou hast shown unto me in saving my life; and I cannot escape to the mountain, lest the evil overtake me, and I die.
כ  הִנֵּה-נָא הָעִיר הַזֹּאת קְרֹבָה, לָנוּס שָׁמָּה--וְהִוא מִצְעָר; אִמָּלְטָה נָּא שָׁמָּה, הֲלֹא מִצְעָר הִוא--וּתְחִי נַפְשִׁי. 20 Behold now, this city is near to flee unto, and it is a little one; oh, let me escape thither--is it not a little one?--and my soul shall live.'
כא  וַיֹּאמֶר אֵלָיו--הִנֵּה נָשָׂאתִי פָנֶיךָ, גַּם לַדָּבָר הַזֶּה:  לְבִלְתִּי הָפְכִּי אֶת-הָעִיר, אֲשֶׁר דִּבַּרְתָּ. 21 And he said unto him: 'See, I have accepted thee concerning this thing also, that I will not overthrow the city of which thou hast spoken.
כב  מַהֵר, הִמָּלֵט שָׁמָּה, כִּי לֹא אוּכַל לַעֲשׂוֹת דָּבָר, עַד-בֹּאֲךָ שָׁמָּה; עַל-כֵּן קָרָא שֵׁם-הָעִיר, צוֹעַר. 22 Hasten thou, escape thither; for I cannot do any thing till thou be come thither.'--Therefore the name of the city was called Zoar.--
כג  הַשֶּׁמֶשׁ, יָצָא עַל-הָאָרֶץ; וְלוֹט, בָּא צֹעֲרָה. 23 The sun was risen upon the earth when Lot came unto Zoar.
כד  וַיהוָה, הִמְטִיר עַל-סְדֹם וְעַל-עֲמֹרָה--גָּפְרִית וָאֵשׁ:  מֵאֵת יְהוָה, מִן-הַשָּׁמָיִם. 24 Then the LORD caused to rain upon Sodom and upon Gomorrah brimstone and fire from the LORD out of heaven;
כה  וַיַּהֲפֹךְ אֶת-הֶעָרִים הָאֵל, וְאֵת כָּל-הַכִּכָּר, וְאֵת כָּל-יֹשְׁבֵי הֶעָרִים, וְצֶמַח הָאֲדָמָה. 25 and He overthrow those cities, and all the Plain, and all the inhabitants of the cities, and that which grew upon the ground.
כו  וַתַּבֵּט אִשְׁתּוֹ, מֵאַחֲרָיו; וַתְּהִי, נְצִיב מֶלַח. 26 But his wife looked back from behind him, and she became a pillar of salt.
כז  וַיַּשְׁכֵּם אַבְרָהָם, בַּבֹּקֶר:  אֶל-הַמָּקוֹם--אֲשֶׁר-עָמַד שָׁם, אֶת-פְּנֵי יְהוָה. 27 And Abraham got up early in the morning to the place where he had stood before the LORD.
כח  וַיַּשְׁקֵף, עַל-פְּנֵי סְדֹם וַעֲמֹרָה, וְעַל-כָּל-פְּנֵי, אֶרֶץ הַכִּכָּר; וַיַּרְא, וְהִנֵּה עָלָה קִיטֹר הָאָרֶץ, כְּקִיטֹר, הַכִּבְשָׁן. 28 And he looked out toward Sodom and Gomorrah, and toward all the land of the Plain, and beheld, and, lo, the smoke of the land went up as the smoke of a furnace.
כט  וַיְהִי, בְּשַׁחֵת אֱלֹהִים אֶת-עָרֵי הַכִּכָּר, וַיִּזְכֹּר אֱלֹהִים, אֶת-אַבְרָהָם; וַיְשַׁלַּח אֶת-לוֹט, מִתּוֹךְ הַהֲפֵכָה, בַּהֲפֹךְ אֶת-הֶעָרִים, אֲשֶׁר-יָשַׁב בָּהֵן לוֹט. 29 And it came to pass, when God destroyed the cities of the Plain, that God remembered Abraham, and sent Lot out of the midst of the overthrow, when He overthrew the cities in which Lot dwelt.
ל  וַיַּעַל לוֹט מִצּוֹעַר וַיֵּשֶׁב בָּהָר, וּשְׁתֵּי בְנֹתָיו עִמּוֹ, כִּי יָרֵא, לָשֶׁבֶת בְּצוֹעַר; וַיֵּשֶׁב, בַּמְּעָרָה--הוּא, וּשְׁתֵּי בְנֹתָיו. 30 And Lot went up out of Zoar, and dwelt in the mountain, and his two daughters with him; for he feared to dwell in Zoar; and he dwelt in a cave, he and his two daughters.
לא  וַתֹּאמֶר הַבְּכִירָה אֶל-הַצְּעִירָה, אָבִינוּ זָקֵן; וְאִישׁ אֵין בָּאָרֶץ לָבוֹא עָלֵינוּ, כְּדֶרֶךְ כָּל-הָאָרֶץ. 31 And the first-born said unto the younger: 'Our father is old, and there is not a man in the earth to come in unto us after the manner of all the earth.
לב  לְכָה נַשְׁקֶה אֶת-אָבִינוּ יַיִן, וְנִשְׁכְּבָה עִמּוֹ; וּנְחַיֶּה מֵאָבִינוּ, זָרַע. 32 Come, let us make our father drink wine, and we will lie with him, that we may preserve seed of our father.'
לג  וַתַּשְׁקֶיןָ אֶת-אֲבִיהֶן יַיִן, בַּלַּיְלָה הוּא; וַתָּבֹא הַבְּכִירָה וַתִּשְׁכַּב אֶת-אָבִיהָ, וְלֹא-יָדַע בְּשִׁכְבָהּ וּבְקוּמָהּ. 33 And they made their father drink wine that night. And the first-born went in, and lay with her father; and he knew not when she lay down, nor when she arose.
לד  וַיְהִי, מִמָּחֳרָת, וַתֹּאמֶר הַבְּכִירָה אֶל-הַצְּעִירָה, הֵן-שָׁכַבְתִּי אֶמֶשׁ אֶת-אָבִי; נַשְׁקֶנּוּ יַיִן גַּם-הַלַּיְלָה, וּבֹאִי שִׁכְבִי עִמּוֹ, וּנְחַיֶּה מֵאָבִינוּ, זָרַע. 34 And it came to pass on the morrow, that the first-born said unto the younger: 'Behold, I lay yesternight with my father. Let us make him drink wine this night also; and go thou in, and lie with him, that we may preserve seed of our father.'
לה  וַתַּשְׁקֶיןָ גַּם בַּלַּיְלָה הַהוּא, אֶת-אֲבִיהֶן--יָיִן; וַתָּקָם הַצְּעִירָה וַתִּשְׁכַּב עִמּוֹ, וְלֹא-יָדַע בְּשִׁכְבָהּ וּבְקֻמָהּ. 35 And they made their father drink wine that night also. And the younger arose, and lay with him; and he knew not when she lay down, nor when she arose.
לו  וַתַּהֲרֶיןָ שְׁתֵּי בְנוֹת-לוֹט, מֵאֲבִיהֶן. 36 Thus were both the daughters of Lot with child by their father.
לז  וַתֵּלֶד הַבְּכִירָה בֵּן, וַתִּקְרָא שְׁמוֹ מוֹאָב:  הוּא אֲבִי-מוֹאָב, עַד-הַיּוֹם. 37 And the first-born bore a son, and called his name Moab--the same is the father of the Moabites unto this day.
לח  וְהַצְּעִירָה גַם-הִוא יָלְדָה בֵּן, וַתִּקְרָא שְׁמוֹ בֶּן-עַמִּי:  הוּא אֲבִי בְנֵי-עַמּוֹן, עַד-הַיּוֹם.  {ס} 38 And the younger, she also bore a son, and called his name Ben-ammi--the same is the father of the children of Ammon unto this day. {S}

 

 

JIDDISCH

און די צװײ מלאָכים זײַנען געקומען קײן סדום אין אָװנט;
און לוט איז געזעסן אין טױער פֿון סדום. און לוט האָט זײ
דערזען, און ער האָט זיך אױפֿגעשטעלט זײ אַנטקעגן, און האָט זיך
געבוקט מיטן פּנים צו דער ערד. 2 און ער האָט צו זײ געזאָגט: זעט,
איך בעט אײַך, מײַנע האַרן, קערט אײַן אין הױז פֿון אײַער קנעכט
אױף איבער נאַכט, און װאַשט אײַערע פֿיס; און איר װעט זיך
פֿעדערן, און װעט גײן אױף אײַער װעג. האָבן זײ געזאָגט: נײן,
נײַערט אױף דער גאַס װעלן מיר נעכטיקן. 3 איז ער זײער
צוגעשטאַנען צו זײ, און זײ האָבן אײַנגעקערט צו אים, און זײַנען
אַרײַנגעגאַנגען אין זײַן הױז, און ער האָט פֿאַר זײ געמאַכט אַ
מאָלצײַט, און געבאַקן אומגעזײַערטע קוכנס, און זײ האָבן געגעסן.
בראשית
4 אײדער נאָך זײ האָבן זיך געלײגט, האָבן די מענטשן פֿון שטאָט, די
מענטשן פֿון סדום, אַרומגערינגלט דאָס הױז, פֿון יונג ביז אַלט, דאָס
גאַנצע פֿאָלק פֿון עק צו עק. 5 און זײ האָבן גערופֿן צו לוטן, און
האָבן צו אים געזאָגט: װוּ זײַנען די מענער װאָס זײַנען צו דיר
געקומען די נאַכט? ברענג זײ אַרױס צו אונדז, מיר זאָלן זײ
דערקענען. 6 איז לוט אַרױסגעגאַנגען צו זײ אין אײַנגאַנג, און די טיר
האָט ער פֿאַרשלאָסן הינטער זיך. 7 און ער האָט געזאָגט: איך בעט
אײַך, מײַנע ברידער, טוט ניט קײן שלעכטס. 8 אָט, איך בעט אײַך,
זײַנען בײַ מיר צװײ טעכטער װאָס װײסן ניט פֿון קײן מאַן, לאָמיך זײ
אַרױסברענגען צו אײַך, און טוט מיט זײ װי עס איז גוט אין אײַערע
אױגן, נאָר די דאָזיקע מענער זאָלט איר קײן זאַך ניט טאָן, אַזױ װי זײ
זײַנען געקומען אין דעם שאָטן פֿון מײַן דאַך. 9 האָבן זײ געזאָגט: גײ
אַװעק! און זײ האָבן געזאָגט: געקומען אײנער װױנען, און משפּטן
װיל ער משפּטן! אַצונד װעלן מיר זיך מיט דיר נאָך ערגער באַגײן
װי מיט זײ. און זײ זײַנען זײער צוגעשטאַנען צו דעם מאַן, צו לוטן,
און האָבן גענענט אײַנצוברעכן די טיר. 10 האָבן די מענער
אױסגעשטרעקט זײער האַנט, און אַרײַנגעבראַכט לוטן צו זיך אין
הױז, און די טיר האָבן זײ פֿאַרשלאָסן. 11 און די לײַט װאָס בײַם
אײַנגאַנג פֿון הױז האָבן זײ געשלאָגן מיט בלינדקײט פֿון קלײן ביז
גרױס, און זײ האָבן ניט געקענט געפֿינען דעם אײַנגאַנג. 12 און די
מענער האָבן געזאָגט צו לוטן: װעמען נאָך האָסטו דאָ? אַן אײדים
אָדער דײַנע זין און דײַנע טעכטער, אָדער װעמען נאָר דו האָסט אין
דער שטאָט, פֿיר אַרױס פֿון דעם אָרט; 13 װאָרום מיר צעשטערן
דעם דאָזיקן אָרט, װײַל דאָס געשרײ װעגן זײ איז גרױס פֿאַר גאָט,
און גאָט האָט אונדז געשיקט זי צו צעשטערן.
14 איז לוט אַרױסגעגאַנגען, און האָט גערעדט צו זײַנע אײדימס, די
װאָס האָבן גענומען זײַנע טעכטער, און ער האָט געזאָגט: שטײט
אױף, גײט אַרױס פֿון דעם דאָזיקן אָרט, װאָרום גאָט צעשטערט די
שטאָט. און ער איז געװען װי אײנער װאָס מאַכט שפּאַס אין די אױגן
פֿון זײַנע אײדימס.
15 און װי דער פֿרימאָרגן איז אױפֿגעגאַנגען, אַזױ האָבן די מלאָכים
געאײַלט לוטן, אַזױ צו זאָגן: שטײ אױף, נעם דײַן װײַב, און דײַנע
צװײ טעכטער װאָס געפֿינען זיך דאָ, כּדי זאָלסט ניט אומגעבראַכט
װערן דורך דער זינד פֿון דער שטאָט. 16 און אַז ער האָט געזאַמט,
בראשית
האָבן די מענער אָנגענומען זײַן האַנט, און די האַנט פֿון זײַן װײַב, און
די האַנט פֿון זײַנע צװײ טעכטער; פֿון װעגן גאָטס דערבאַרימונג אױף
אים. און זײ האָבן אים אַרױסגעפֿירט, און האָבן אים געלאָזט אױסן
שטאָט. 17 און עס איז געװען, װי זײ האָבן אים אַרױסגעפֿירט
דרױסן, אַזױ האָט ער געזאָגט: אַנטרין מיט דײַן לעבן; זאָלסט זיך ניט
אומקוקן הינטער דיר, און זיך ניט אָפּשטעלן אין דער גאַנצער געגנט;
אַנטרין צום באַרג, כּדי זאָלסט ניט אומגעבראַכט װערן. 18 האָט לוט
צו זײ געזאָגט: ניט אַזױ, איך בעט אײַך, מײַנע האַרן. 19 זע, איך בעט
דיך, דײַן קנעכט האָט געפֿונען לײַטזעליקײט אין דײַנע אױגן, און
האָסט געגרײסט דײַן חסד װאָס דו האָסט געטאָן מיט מיר, צו לאָזן
לעבן מײַן נפֿש; אָבער איך קען ניט אַנטרינען צום באַרג, װאָרום
דאָס בײז װעט מיך נאָך אָניאָגן, און איך װעל שטאַרבן. 20 אָן, איך
בעט דיך, איז יענע שטאָט, נאָנט אַהין צו אַנטלױפֿן, און זי איז אַ
קלײנס; לאָמיך, איך בעט דיך, אַהין אַנטרינען – זי איז דאָך אַ קלײנס
– און מײַן נפֿש װעט בלײַבן לעבן. 21 האָט ער צו אים געזאָגט: זע,
איך שױן דײַן פּנים אױך אין דער דאָזיקער זאַך, איך זאָל ניט
איבערקערן די שטאָט װאָס דו האָסט געזאָגט. 22 אײַל זיך, אַנטרין
אַהין, װאָרום איך קען ניט טאָן קײן זאַך, ביז דו קומסט אַהין. דרום
האָט מען גערופֿן דעם נאָמען פֿון דער שטאָט צועַר.
23 די זון איז געװען אױפֿגעגאַנגען אױף דער ערד, װען לוט איז
אָנגעקומען קײן צועַר. 24 און גאָט האָט געמאַכט רעגענען אױף
סדום און אױף עַמורָה שװעבל און פֿײַער, פֿון גאָט, פֿון הימל. 25 און
ער האָט איבערגעקערט די דאָזיקע שטעט, און די גאַנצע געגנט, און
אַלע באַװױנער פֿון די שטעט, און די שפּראָצונג פֿון דער ערד. 26 און
זײַן װײַב האָט זיך אומגעקוקט פֿון הינטער אים, און איז געװאָרן אַ
זײַל זאַלץ.
27 און אבֿרהם האָט זיך געפֿעדערט אין דער פֿרי צו דעם אָרט װאָס
ער איז דאָרטן געשטאַנען פֿאַר גאָט. 28 און ער האָט אַראָפּגעקוקט
אױף סדום און עַמורָה, און אױף דעם גאַנצן לאַנד פֿון דער געגנט,
און ער האָט געזען, ערשט דער רױך פֿון לאַנד גײט אױף אַזױ װי דער
רױך פֿון אַ קאַלכאױװן.
29 אַזױ איז געשען, װען גאָט האָט צעשטערט די שטעט פֿון דער
געגנט, אַז גאָט האָט געדאַכט אָן אבֿרהמען, און האָט אַרױסגעשיקט
בראשית
לוטן פֿון מיטן פֿון דער איבערקערעניש בײַם איבערקערן די שטעט
װאָס לוט איז אין זײ געזעסן.
30 און לוט איז אַרױפֿגעגאַנגען פֿון צועַר, און האָט זיך באַזעצט
אױפֿן באַרג, און זײַנע צװײ טעכטער מיט אים; װאָרום ער האָט
מורא געהאַט צו זיצן אין צועַר; און ער איז געזעסן אין אַ הײל, ער
און זײַנע צװײ טעכטער. 31 האָט די עלטערע געזאָגט צו דער
ייִנגערער: אונדזער פֿאָטער איז אַלט, און קײן מאַן איז ניטאָ אױף
דער ערד צו קומען צו אונדז, אַזױ װי דער שטײגער פֿון דער גאַנצער
ערד. 32 קום, לאָמיר אָנטרינקען אונדזער פֿאָטער מיט װײַן, און מיר
װעלן ליגן מיט אים, און מיר װעלן אױפֿהאַלטן פֿון אונדזער פֿאָטער
אַ זאָמען. 33 האָבן זײ אָנגעטרונקען זײער פֿאָטער מיט װײַן אין
יענער נאַכט, און די עלטערע איז געקומען און איז געלעגן מיט איר
פֿאָטער; און ער האָט ניט געװוּסט פֿון איר לײגן זיך אָדער פֿון איר
אױפֿשטײן. 34 און עס איז געװען אױף מאָרגן, האָט די עלטערע
געזאָגט צו דער ייִנגערער: זע, נעכטן בין איך געלעגן מיט מײַן
פֿאָטער; לאָמיר אים אָנטרינקען מיט װײַן אױך די נאַכט, און קום דו
ליג מיט אים, און מיר װעלן אױפֿהאַלטן פֿון אונדזער פֿאָטער אַ
זאָמען. 35 האָבן זײ אױך אין יענער נאַכט אָנגעטרונקען זײער
פֿאָטער מיט װײַן, און די ייִנגערע איז אױפֿגעשטאַנען און איז געלעגן
מיט אים; און ער האָט ניט געװוּסט פֿון איר לײגן זיך אָדער פֿון איר
אױפֿשטײן.
36 און בײדע טעכטער פֿון לוטן זײַנען טראָגעדיק געװאָרן פֿון זײער
פֿאָטער. 37 און די עלטערע האָט געבאָרן אַ זון, און זי האָט גערופֿן
זײַן נאָמען מואָב; דאָס איז דער פֿאָטער פֿון דעם הײַנטיקן מואָב. 38
און די ייִנגערע, זי אױך האָט געבאָרן אַ זון, און זי האָט גערופֿן זײַן
נאָמען בן-עַמי; דאָס איז דער פֿאָטער פֿון די הײַנטיקע קינדערפֿון

SEPTUAGINTA

ΗΛΘΟΝ δὲ οἱ δύο ἄγγελοι εἰς Σόδομα ἑσπέρας· Λὼτ δὲ ἐκάθητο παρὰ τὴν πύλην Σοδόμων. ἰδὼν δὲ Λώτ, ἐξανέστη εἰς συνάντησιν αὐτοῖς καὶ προσεκύνησε τῷ προσώπῳ ἐπὶ τὴν γῆν. 2 καὶ εἶπεν· ἰδοὺ κύριοι, ἐκκλίνατε εἰς τὸν οἶκον τοῦ παιδὸς ὑμῶν καὶ καταλύσατε καὶ νίψασθε τοὺς πόδας ὑμῶν, καὶ ὀρθρίσαντες ἀπελεύσεσθε εἰς τὴν ὁδὸν ὑμῶν. καὶ εἶπαν· οὐχί, ἀλλ᾿ ἐν τῇ πλατείᾳ καταλύσομεν. 3 καὶ κατεβιάζετο αὐτούς, καὶ ἐξέκλιναν πρὸς αὐτὸν καὶ εἰσῆλθον εἰς τὸν οἶκον αὐτοῦ. καὶ ἐποίησεν αὐτοῖς πότον, καὶ ἀζύμους ἔπεψεν αὐτοῖς, καὶ ἔφαγον. 4 πρὸ τοῦ κοιμηθῆναι δέ, οἱ ἄνδρες τῆς πόλεως οἱ Σοδομῖται περικύκλωσαν τὴν οἰκίαν ἀπὸ νεανίσκου ἕως πρεσβυτέρου, ἅπας ὁ λαὸς ἅμα. 5 καὶ ἐξεκαλοῦντο τὸν Λὼτ καὶ ἔλεγον πρὸς αὐτόν· ποῦ εἰσιν οἱ ἄνδρες οἱ εἰσελθόντες πρὸς σὲ τὴν νύκτα; ἐξάγαγε αὐτοὺς πρὸς ἡμᾶς, ἵνα συγγενώμεθα αὐτοῖς. 6 ἐξῆλθε δὲ Λὼτ πρὸς αὐτοὺς πρὸς τὸ πρόθυρον, τὴν δὲ θύραν προσέῳξεν ὀπίσω αὐτοῦ. 7 εἶπε δὲ πρὸς αὐτούς· μηδαμῶς ἀδελφοί, μὴ πονηρεύσησθε. 8 εἰσὶ δέ μοι δύο θυγατέρες, αἳ οὐκ ἔγνωσαν ἄνδρα· ἐξάξω αὐτὰς πρὸς ὑμᾶς, καὶ χρᾶσθε αὐταῖς, καθὰ ἂν ἀρέσκῃ ὑμῖν· μόνον εἰς τοὺς ἀνδρας τούτους μὴ ποιήσητε ἄδικον, οὗ εἵνεκεν εἰσῆλθον ὑπὸ τὴν σκέπην τῶν δοκῶν μου. 9 εἶπαν δὲ αὐτῷ· ἀπόστα ἐκεῖ. εἰσῆλθες παροικεῖν· μὴ καὶ κρίσιν κρίνειν; νῦν οὖν σὲ κακώσωμεν μᾶλλον ἢ ἐκείνους. καὶ παρεβιάζοντο τὸν ἄνδρα τὸν Λὼτ σφόδρα. καὶ ἤγγισαν συντρίψαι τὴν θύραν. 10 ἐκτείναντες δὲ οἱ ἄνδρες τὰς χεῖρας εἰσεσπάσαντο τὸν Λὼτ πρὸς ἑαυτοὺς εἰς τὸν οἶκον, καὶ τὴν θύραν τοῦ οἴκου ἀπέκλεισαν· 11 τοὺς δὲ ἄνδρας τοὺς ὄντας ἐπὶ τῆς θύρας τοῦ οἴκου ἐπάταξαν ἐν ἀορασίᾳ ἀπὸ μικροῦ ἕως μεγάλου, καὶ παρελύθησαν ζητοῦντες τὴν θύραν. 12 Εἶπαν δὲ οἱ ἄνδρες ἢ πρὸς Λώτ· εἰσί σοι ὧδε γαμβροὶ ἢ υἱοὶ ἢ θυγατέρες; ἢ εἴτις σοι ἄλλος ἐστὶν ἐν τῇ πόλει, ἐξάγαγε ἐκ τοῦ τόπου τούτου· 13 ὅτι ἡμεῖς ἀπόλλυμεν τὸν τόπον τοῦτον, ὅτι ὑψώθη ἡ κραυγὴ αὐτῶν ἔναντι Κυρίου, καὶ ἀπέστειλεν ἡμᾶς Κύριος ἐκτρίψαι αὐτήν. 14 ἐξῆλθε δὲ Λὼτ καὶ ἐλάλησε πρὸς τοὺς γαμβροὺς αὐτοῦ τοὺς εἰληφότας τὰς θυγατέρας αὐτοῦ καὶ εἶπεν· ἀνάστητε καὶ ἐξέλθετε ἐκ τοῦ τόπου τούτου, ὅτι ἐκτρίβει Κύριος τὴν πόλιν. ἔδοξε δὲ γελοιάζειν ἐναντίον τῶν γαμβρῶν αὐτοῦ. 15 ἡνίκα δὲ ὄρθρος ἐγίνετο, ἐσπούδαζον οἱ ἄγγελοι τὸν Λὼτ λέγοντες· ἀναστὰς λάβε τὴν γυναῖκά σου καὶ τὰς δύο θυγατέρας σου, ἃς ἔχεις, καὶ ἔξελθε, ἵνα μὴ καὶ σὺ συναπόλῃ ταῖς ἀνομίαις τῆς πόλεως. 16 καὶ ἐταράχθησαν· καὶ ἐκράτησαν οἱ ἄγγελοι τῆς χειρὸς αὐτοῦ καὶ τῆς χειρὸς τῆς γυναικὸς αὐτοῦ καὶ τῶν χειρῶν τῶν δύο θυγατέρων αὐτοῦ, ἐν τῷ φείσασθαι Κύριον αὐτοῦ. 17 καὶ ἐγένετο, ἡνίκα ἐξήγαγον αὐτοὺς ἔξω καὶ εἶπαν· σῴζων σῷζε τὴν σεαυτοῦ ψυχήν· μὴ περιβλέψῃ εἰς τὰ ὀπίσω, μηδὲ στῇς ἐν πάσῃ τῇ περιχώρῳ· εἰς τὸ ὄρος σῴζου, μήποτε συμπαραληφθῇς. 18 εἶπε δὲ Λὼτ πρὸς αὐτούς· δέομαι κύριε, 19 ἐπειδὴ εὗρεν ὁ παῖς σου ἔλεος ἐναντίον σου καὶ ἐμεγάλυνας τὴν δικαιοσύνην σου, ὃ ποιεῖς ἐπ᾿ ἐμὲ τοῦ ζῆν τὴν ψυχήν μου, ἐγὼ δὲ οὐ δυνήσομαι διασωθῆναι εἰς τὸ ὄρος, μήποτε καταλάβῃ με τὰ κακὰ καὶ ἀποθάνω. 20 ἰδοὺ ἡ πόλις αὕτη ἐγγὺς τοῦ καταφυγεῖν με ἐκεῖ, ἥ ἐστι μικρά, καὶ ἐκεῖ διασωθήσομαι· οὐ μικρά ἐστι; καὶ ζήσεται ἡ ψυχή μου ἕνεκέν σου. 21 καὶ εἶπεν αὐτῷ· ἰδοὺ ἐθαύμασά σου τὸ πρόσωπον καὶ ἐπὶ τῷ ρήματι τούτῳ τοῦ μὴ καταστρέψαι τὴν πόλιν, περὶ ἧς ἐλάλησας· 22 σπεῦσον οὖν τοῦ σωθῆναι ἐκεῖ· οὐ γὰρ δυνήσομαι ποιῆσαι πρᾶγμα, ἕως τοῦ ἐλθεῖν σε ἐκεῖ. διὰ τοῦτο ἐκάλεσε τὸ ὄνομα τῆς πόλεως ἐκείνης Σηγώρ. 23 ὁ ἥλιος ἐξῆλθεν ἐπὶ τὴν γῆν, καὶ Λὼτ εἰσῆλθεν εἰς Σηγώρ, 24 καὶ Κύριος ἔβρεξεν ἐπὶ Σόδομα καὶ Γόμορρα θεῖον, καὶ πῦρ παρὰ Κυρίου ἐξ οὐρανοῦ 25 καὶ κατέστρεψε τὰς πόλεις ταύτας καὶ πᾶσαν τὴν περίχωρον καὶ πάντας τοὺς κατοικοῦντας ἐν ταῖς πόλεσι καὶ τὰ ἀνατέλλοντα ἐκ τῆς γῆς. 26 καὶ ἐπέβλεψεν ἡ γυνὴ αὐτοῦ εἰς τὰ ὀπίσω καὶ ἐγένετο στήλη ἁλός. 27 ῎Ωρθρισε δὲ ῾Αβραὰμ τῷ πρωΐ εἰς τὸν τόπον, οὗ εἱστήκει ἐναντίον Κυρίου. 28 καὶ ἐπέβλεψεν ἐπὶ πρόσωπον Σοδόμων καὶ Γομόρρας καὶ ἐπὶ πρόσωπον τῆς περιχώρου καὶ εἶδε, καὶ ἰδοὺ ἀνέβαινε φλὸξ ἐκ τῆς γῆς, ὡσεὶ ἀτμὶς καμίνου. 29 καὶ ἐγένετο ἐν τῷ ἐκτρίψαι Κύριον πάσας τὰς πόλεις τῆς περιοίκου, ἐμνήσθη ὁ Θεὸς τοῦ ῾Αβραὰμ καὶ ἐξαπέστειλε τὸν Λὼτ ἐκ μέσου τῆς καταστροφῆς, ἐν τῷ καταστρέψαι Κύριον τὰς πόλεις, ἐν αἷς κατῴκει ἐν αὐταῖς Λώτ. 30 ᾿Ανέβη δὲ Λὼτ ἐκ Σηγὼρ καὶ ἐκάθητο ἐν τῷ ὄρει αὐτὸς καὶ αἱ δύο θυγατέρες αὐτοῦ μετ᾿ αὐτοῦ· ἐφοβήθη γὰρ κατοικῆσαι ἐν Σηγώρ. καὶ κατῴκησεν ἐν τῷ σπηλαίῳ, αὐτὸς καὶ αἱ δύο θυγατέρες αὐτοῦ μετ᾿ αὐτοῦ. 31 εἶπε δὲ ἡ πρεσβυτέρα πρὸς τὴν νεωτέραν· ὁ πατὴρ ἡμῶν πρεσβύτερος, καὶ οὐδείς ἐστιν ἐπὶ τῆς γῆς, ὃς εἰσελεύσεται πρὸς ἡμᾶς, ὡς καθήκει πάσῃ τῇ γῇ· 32 δεῦρο καὶ ποτίσωμεν τὸν πατέρα ἡμῶν οἶνον καὶ κοιμηθῶμεν μετ᾿ αὐτοῦ καὶ ἐξαναστήσωμεν ἐκ τοῦ πατρὸς ἡμῶν σπέρμα. 33 ἐπότισαν δὲ τὸν πατέρα αὐτῶν οἶνον ἐν τῇ νυκτὶ ἐκείνῃ, καὶ εἰσελθοῦσα ἡ πρεσβυτέρα ἐκοιμήθη μετὰ τοῦ πατρὸς αὐτῆς ἐν τῇ νυκτὶ ἐκείνῃ, καὶ οὐκ ᾔδει ἐν τῷ κοιμηθῆναι αὐτὸν καὶ ἐν τῷ ἀναστῆναι. 34 ἐγένετο δὲ ἐν τῇ ἐπαύριον καὶ εἶπεν ἡ πρεσβυτέρα πρὸς τὴν νεωτέραν· ἰδοὺ ἐκοιμήθην χθὲς μετὰ τοῦ πατρὸς ἡμῶν· ποτίσωμεν αὐτὸν οἶνον καὶ ἐν τῇ νυκτὶ ταύτῃ, καὶ εἰσελθοῦσα κοιμήθητι μετ᾿ αὐτοῦ, καὶ ἐξαναστήσωμεν ἐκ τοῦ πατρὸς ἡμῶν σπέρμα. 35 ἐπότισαν δὲ καὶ ἐν τῇ νυκτὶ ἐκείνῃ τὸν πατέρα αὐτῶν οἶνον, καὶ εἰσελθοῦσα ἡ νεωτέρα ἐκοιμήθη μετὰ τοῦ πατρὸς αὐτῆς, καὶ οὐκ ᾔδει ἐν τῷ κοιμηθῆναι αὐτὸν καὶ ἀναστῆναι. 36 καὶ συνέλαβον αἱ δύο θυγατέρες Λὼτ ἐκ τοῦ πατρὸς αὐτῶν. 37 καὶ ἔτεκεν ἡ πρεσβυτέρα υἱὸν καὶ ἐκάλεσε τὸ ὄνομα αὐτοῦ Μωὰβ λέγουσα· ἐκ τοῦ πατρός μου· οὗτος πατὴρ Μωαβιτῶν ἕως τῆς σήμερον ἡμέρας. 38 ἔτεκε δὲ καὶ ἡ νεωτέρα υἱὸν καὶ ἐκάλεσε τὸ ὄνομα αὐτοῦ ᾿Αμμάν, λέγουσα· υἱὸς γένους μου· οὗτος πατὴρ ᾿Αμμανιτῶν ἕως τῆς σήμερον ἡμέρας.

VULGATA

1 veneruntque duo angeli Sodomam vespere sedente Loth in foribus civitatis qui cum vidisset surrexit et ivit obviam eis adoravitque pronus in terra 2 et dixit obsecro domini declinate in domum pueri vestri et manete ibi lavate pedes vestros et mane proficiscimini in viam vestram qui dixerunt minime sed in platea manebimus 3 conpulit illos oppido ut deverterent ad eum ingressisque domum illius fecit convivium coxit azyma et comederunt 4 prius autem quam irent cubitum viri civitatis vallaverunt domum a puero usque ad senem omnis populus simul 5 vocaveruntque Loth et dixerunt ei ubi sunt viri qui introierunt ad te nocte educ illos huc ut cognoscamus eos 6 egressus ad eos Loth post tergum adcludens ostium ait 7 nolite quaeso fratres mei nolite malum hoc facere 8 habeo duas filias quae necdum cognoverunt virum educam eas ad vos et abutimini eis sicut placuerit vobis dummodo viris istis nihil faciatis mali quia ingressi sunt sub umbraculum tegminis mei 9 at illi dixerunt recede illuc et rursus ingressus es inquiunt ut advena numquid ut iudices te ergo ipsum magis quam hos adfligemus vimque faciebant Loth vehementissime iam prope erat ut refringerent fores 10 et ecce miserunt manum viri et introduxerunt ad se Loth cluseruntque ostium 11 et eos qui erant foris percusserunt caecitate a minimo usque ad maximum ita ut ostium invenire non possent 12 dixerunt autem ad Loth habes hic tuorum quempiam generum aut filios aut filias omnes qui tui sunt educ de urbe hac 13 delebimus enim locum istum eo quod increverit clamor eorum coram Domino qui misit nos ut perdamus illos 14 egressus itaque Loth locutus est ad generos suos qui accepturi erant filias eius et dixit surgite egredimini de loco isto quia delebit Dominus civitatem hanc et visus est eis quasi ludens loqui 15 cumque esset mane cogebant eum angeli dicentes surge et tolle uxorem tuam et duas filias quas habes ne et tu pariter pereas in scelere civitatis 16 dissimulante illo adprehenderunt manum eius et manum uxoris ac duarum filiarum eius eo quod parceret Dominus illi 17 et eduxerunt eum posueruntque extra civitatem ibi locutus est ad eum salva animam tuam noli respicere post tergum nec stes in omni circa regione sed in monte salvum te fac ne et tu simul pereas 18 dixitque Loth ad eos quaeso Domine mi 19 quia invenit servus tuus gratiam coram te et magnificasti misericordiam tuam quam fecisti mecum ut salvares animam meam nec possum in monte salvari ne forte adprehendat me malum et moriar 20 est civitas haec iuxta ad quam possum fugere parva et salvabor in ea numquid non modica est et vivet anima mea 21 dixitque ad eum ecce etiam in hoc suscepi preces tuas ut non subvertam urbem pro qua locutus es 22 festina et salvare ibi quia non potero facere quicquam donec ingrediaris illuc idcirco vocatum est nomen urbis illius Segor 23 sol egressus est super terram et Loth ingressus est in Segor 24 igitur Dominus pluit super Sodomam et Gomorram sulphur et ignem a Domino de caelo 25 et subvertit civitates has et omnem circa regionem universos habitatores urbium et cuncta terrae virentia 26 respiciensque uxor eius post se versa est in statuam salis 27 Abraham autem consurgens mane ubi steterat prius cum Domino 28 intuitus est Sodomam et Gomorram et universam terram regionis illius viditque ascendentem favillam de terra quasi fornacis fumum 29 cum enim subverteret Deus civitates regionis illius recordatus est Abrahae et liberavit Loth de subversione urbium in quibus habitaverat 30 ascenditque Loth de Segor et mansit in monte duae quoque filiae eius cum eo timuerat enim manere in Segor et mansit in spelunca ipse et duae filiae eius 31 dixitque maior ad minorem pater noster senex est et nullus virorum remansit in terra qui possit ingredi ad nos iuxta morem universae terrae 32 veni inebriemus eum vino dormiamusque cum eo ut servare possimus ex patre nostro semen 33 dederunt itaque patri suo bibere vinum nocte illa et ingressa est maior dormivitque cum patre at ille non sensit nec quando accubuit filia nec quando surrexit 34 altera quoque die dixit maior ad minorem ecce dormivi heri cum patre meo demus ei bibere vinum etiam hac nocte et dormies cum eo ut salvemus semen de patre nostro 35 dederunt et illa nocte patri vinum ingressaque minor filia dormivit cum eo et nec tunc quidem sensit quando concubuerit vel quando illa surrexerit 36 conceperunt ergo duae filiae Loth de patre suo 37 peperitque maior filium et vocavit nomen eius Moab ipse est pater Moabitarum usque in praesentem diem 38 minor quoque peperit filium et vocavit nomen eius Ammon id est filius populi mei ipse est pater Ammanitarum usque hodie

German: Luther (1545) Genesis 19 [Commentary] [Map] Biblical Art and Illustrations 1. Die zween Engel kamen gen Sodom des Abends. Lot aber saß zu Sodom unter dem Tor. Und da er sie sah, stund er auf ihnen entgegen und bückte sich mit seinem Angesicht auf die Erde 2. und sprach: Siehe, HERR, kehret doch ein zum Hause eures Knechts und bleibet über Nacht; lasset eure Füße waschen, so stehet ihr morgens frühe auf und ziehet eure Straße. Aber sie sprachen: Nein, sondern wir wollen über Nacht auf der Gasse bleiben. 3. Da nötigte er sie fast; und sie kehrten zu ihm ein und kamen in sein Haus. Und er machte ihnen ein Mahl und buk ungesäuerte Kuchen; und sie aßen. 4. Aber ehe sie sich legten, kamen die Leute der Stadt Sodom und umgaben das Haus, jung und alt, das ganze Volk aus allen Enden, 5. und forderten Lot und sprachen zu ihm: Wo sind die Männer, die zu dir kommen sind diese Nacht? Führe sie heraus zu uns, daß wir sie erkennen. 6. Lot ging heraus zu ihnen vor die Tür und schloß die Tür hinter ihm zu 7. und sprach: Ach, lieben Brüder, tut nicht so übel! 8. Siehe, ich habe zwo Töchter, die haben noch keinen Mann erkannt; die will ich herausgeben unter euch, und tut mit ihnen, was euch gefällt; alleine diesen Männern tut nichts, denn darum sind sie unter die Schatten meines Dachs eingegangen. 9. Sie aber sprachen: Komm hieher! Da sprachen sie: Du bist der einige Fremdling hie und willst regieren? Wohlan, wir wollen dich baß plagen denn jene! Und sie drangen hart auf den Mann Lot. Und da sie hinzuliefen und wollten die Tür aufbrechen, 10. griffen die Männer hinaus und zogen Lot hinein zu ihnen ins Haus und schlossen die Tür zu. 11. Und die Männer vor der Tür am Hause wurden mit Blindheit geschlagen, beide klein und groß, bis sie müde wurden und die Tür nicht finden konnten. 12. Und die Männer sprachen zu Lot: Hast du noch irgend hie einen Eidam und Söhne und Töchter, und wer dir angehöret in der Stadt, den führe aus dieser Stätte. 13. Denn wir werden diese Stätte verderben, darum daß ihr Geschrei groß ist vor dem HERRN; der hat uns gesandt, sie zu verderben. 14. Da ging Lot hinaus und redete mit seinen Eidamen, die seine Töchter nehmen sollten: Machet euch auf und gehet aus diesem Ort; denn der HERR wird diese Stadt verderben. Aber es war ihnen lächerlich. 15. Da nun die Morgenröte aufging, hießen die Engel den Lot eilen und sprachen: Mache dich auf, nimm dein Weib und deine zwo Töchter, die vorhanden sind, daß du nicht auch umkommest in der Missetat dieser Stadt. 16. Da er aber verzog, ergriffen die Männer ihn und sein Weib und seine zwo Töchter bei der Hand, darum daß der HERR sein verschonete, und führten ihn hinaus und ließen ihn außen vor der Stadt. 17. Und als sie ihn hatten hinausgebracht, sprach er: Errette deine Seele und sieh nicht hinter dich; auch stehe nicht in dieser ganzen Gegend. Auf dem Berge errette dich, daß du nicht umkommest. 18. Aber Lot sprach zu ihnen: Ach nein, HERR! 19. Siehe, dieweil dein Knecht Gnade funden hat vor deinen Augen, so wollest du deine Barmherzigkeit groß machen, die du an mir getan hast, daß du meine Seele bei dem Leben erhieltest. Ich kann mich nicht auf dem Berge erretten; es möchte mich ein Unfall ankommen, daß ich stürbe. 20. Siehe, da ist eine Stadt nahe, darein ich fliehen mag, und ist klein, daselbst will ich mich erretten; ist sie doch klein, daß meine Seele lebendig bleibe. 21. Da sprach er zu ihm: Siehe, ich habe auch in diesem Stück dich angesehen, daß ich die Stadt nicht umkehre, davon du geredet hast. 22. Eile und errette dich daselbst, denn ich kann nichts tun, bis daß du hinein kommest. Daher ist diese Stadt genannt Zoar. 23. Und die Sonne war aufgegangen auf Erden, da Lot gen Zoar einkam. 24. Da ließ der HERR Schwefel und Feuer regnen von dem HERRN vom Himmel herab auf Sodom und Gomorrha. 25. Und kehrete die Städte um, die ganze Gegend und alle Einwohner der Städte, und was auf dem Lande gewachsen war. 26. Und sein Weib sah hinter sich und ward zur Salzsäule. 27. Abraham aber machte sich des Morgens frühe auf an den Ort, da er gestanden war vor dem HERRN, 28. und wandte sein Angesicht gegen Sodom und Gomorrha und alles Land der Gegend und schauete; und siehe, da ging ein Rauch auf vom Lande, wie ein Rauch vom Ofen. 29. Denn da Gott die Städte in der Gegend verderbte, gedachte er an Abraham und geleitete Lot aus den Städten, die er umkehrete, darin Lot wohnete. 30. Und Lot zog aus Zoar und blieb auf dem Berge mit seinen beiden Töchtern; denn er fürchtete sich, zu Zoar zu bleiben; und blieb also in einer Höhle mit seinen beiden Töchtern. 31. Da sprach die älteste zu der jüngsten: Unser Vater ist alt, und ist kein Mann mehr auf Erden, der uns beschlafen möge nach aller Welt Weise. 32. So komm, laß uns unserm Vater Wein zu trinken geben und bei ihm schlafen, daß wir Samen von unserm Vater erhalten. 33. Also gaben sie ihrem Vater Wein zu trinken in derselben Nacht. Und die erste ging hinein und legte sich zu ihrem Vater; und er ward's nicht gewahr, da sie sich legte, noch da sie aufstund. 34. Des Morgens sprach die älteste zu der jüngsten: Siehe, ich habe gestern bei meinem Vater gelegen. Laß uns ihm diese Nacht auch Wein zu trinken geben, daß du hineingehest und legest dich zu ihm, daß wir Samen von unserm Vater erhalten: 35. Also gaben sie ihrem Vater die Nacht auch Wein zu trinken. Und die jüngste machte sich auch auf und legte sich zu ihm; und er ward's nicht gewahr, da sie sich legte, noch da sie aufstund. 36. Also wurden die beiden Töchter Lots schwanger von ihrem Vater. 37. Und die älteste gebar einen Sohn, den hieß sie Moab. Von dem kommen her die Moabiter bis auf diesen heutigen Tag. 38. Und die jüngste gebar auch einen Sohn, den hieß sie das Kind Ammi. Von dem kommen die Kinder Ammon bis auf den heutigen Tag.

 

Statenvertaling

1. En die twee engelen kwamen te Sodom in den avond; en Lot zat in de poort te Sodom; en als Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met het aangezicht ter aarde. 2. En hij zeide: Ziet nu, mijne heren! keert toch in ten huize van uw knecht, en vernacht, en wast uw voeten; en gij zult vroeg opstaan, en gaan uws weegs. En zij zeiden: Neen, maar wij zullen op de straat vernachten. 3. En hij hield bij hen zeer aan, zodat zij tot hem inkeerden, en kwamen in zijn huis; en hij maakte hun een maaltijd, en bakte ongezuurde koeken, en zij aten. 4. Eer zij zich te slapen legden, zo hebben de mannen dier stad, de mannen van Sodom, van den jongste tot den oudste toe, dat huis omsingeld, het ganse volk, van het uiterste einde af. 5. En zij riepen Lot toe, en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen, die deze nacht tot u gekomen zijn? breng hen uit tot ons, opdat wij ze bekennen. 6. Toen ging Lot uit tot hen aan de deur, en hij sloot de deur achter zich toe; 7. En hij zeide: Mijn broeders! doet toch geen kwaad! 8. Ziet toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleenlijk doet dezen mannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan. 9. Toen zeiden zij: Kom verder aan! Voorts zeiden zij: Deze ene is gekomen, om als vreemdeling hier te wonen, en zoude hij alleszins rechter zijn? Nu zullen wij u meer kwaads doen, dan hun. En zij drongen zeer op den man, op Lot, en zij traden toe om de deur open te breken. 10. Doch die mannen staken hun hand uit, en deden Lot tot zich inkomen in het huis, en sloten de deur toe. 11. En zij sloegen de mannen, die aan de deur van het huis waren, met verblindheden, van den kleinste tot aan den grootste, zodat zij moede werden, om de deur te vinden. 12. Toen zeiden die mannen tot Lot: Wien hebt gij hier nog meer? een schoonzoon, of uw zonen, of uw dochteren, en allen, die gij hebt in deze stad, breng uit deze plaats; 13. Want wij gaan deze plaats verderven, omdat haar geroep groot geworden is voor het aangezicht des HEEREN, en de HEERE ons uitgezonden heeft, om haar te verderven. 14. Toen ging Lot uit, en sprak tot zijn schoonzonen, die zijn dochteren nemen zouden, en zeide: Maakt u op, gaat uit deze plaats; want de HEERE gaat deze stad verderven. Maar hij was in de ogen zijner schoonzonen als jokkende. 15. En als de dageraad opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende: Maak u op, neem uw huisvrouw, en uw twee dochteren, die voorhanden zijn, opdat gij in de ongerechtigheid dezer stad niet omkomt. 16. Maar hij vertoefde; zo grepen dan die mannen zijn hand, en de hand zijner vrouw, en de hand zijner twee dochteren, om de verschoning des HEEREN over hem; en zij brachten hem uit, en stelden hem buiten de stad. 17. En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zeide Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze ganse vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt. 18. En Lot zeide tot hen: Neen toch, Heere! 19. Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en Gij hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die Gij aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve! 20. Ziet toch, deze stad is nabij, om derwaarts te vluchten, en zij is klein; laat mij toch derwaarts behouden worden (is zij niet klein?) opdat mijn ziel leve. 21. En Hij zeide tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere waarvan gij gesproken hebt. 22. Haast, behoud u derwaarts; want Ik zal niets kunnen doen, totdat gij daarhenen ingekomen zijt. Daarom noemde men den naam dezer stad Zoar. 23. De zon ging op boven de aarde, als Lot te Zoar inkwam. 24. Toen deed de HEERE zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van den HEERE uit den hemel. 25. En Hij keerde deze steden om, en die ganse vlakte, en alle inwoners dezer steden, ook het gewas des lands. 26. En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar. 27. En Abraham maakte zich deszelven morgens vroeg op, naar de plaats, waar hij voor het aangezicht des HEEREN gestaan had. 28. En hij zag naar Sodom en Gomorra toe, en naar het ganse land van die vlakte; en hij zag, en ziet, er ging een rook van het land op, gelijk de rook eens ovens. 29. En het geschiedde, toen God de steden dezer vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden dezer omkering, in het omkeren dier steden, in welke Lot gewoond had. 30. En Lot toog op uit Zoar, en woonde op den berg, en zijn twee dochters met hem; want hij vreesde binnen Zoar te wonen. En hij woonde in een spelonk, hij en zijn twee dochters. 31. Toen zeide de eerstgeborene tot de jongste: Onze vader is oud, en er is geen man in dit land, om tot ons in te gaan, naar de wijze der ganse aarde. 32. Kom, laat ons onze vader wijn te drinken geven, en bij hem liggen, opdat wij van onze vader zaad in het leven behouden. 33. En zij gaven dien nacht haar vader wijn te drinken; en de eerstgeborene kwam, en lag bij haar vader, en hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan. 34. En het geschiedde des anderen daags, dat de eerstgeborene zeide tot de jongste: Zie, ik heb gisteren nacht bij mijn vader gelegen; laat ons ook dezen nacht hem wijn te drinken geven; ga dan in, lig bij hem, opdat wij van onzen vader zaad in het leven behouden. 35. En zij gaven haar vader ook dien nacht wijn te drinken, en de jongste stond op, en lag bij hem. En hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan. 36. En de twee dochters van Lot werden bevrucht van haar vader. 37. En de eerstgeborene baarde een zoon, en noemde zijn naam Moab; deze is de vader der Moabieten, tot op dezen dag. 38. En de jongste baarde ook een zoon, en noemde zijn naam Ben-Ammi; deze is de vader der kinderen Ammons, tot op dezen dag.

Bible de Jérusalem

1. Quand les deux Anges arrivèrent à Sodome sur le soir, Lot était assis à la porte de la ville. Dès que Lot les vit, il se leva à leur rencontre et se prosterna, face contre terre. 2. Il dit : Je vous en prie, Messeigneurs ! Veuillez descendre chez votre serviteur pour y passer la nuit et vous laver les pieds, puis au matin vous reprendrez votre route, mais ils répondirent : Non, nous passerons la nuit sur la place. 3. Il les pressa tant qu'ils allèrent chez lui et entrèrent dans sa maison. Il leur prépara un repas, fit cuire des pains sans levain, et ils mangèrent. 4. Ils n'étaient pas encore couchés que la maison fut cernée par les hommes de la ville, les gens de Sodome, depuis les jeunes jusqu'aux vieux, tout le peuple sans exception. 5. Ils appelèrent Lot et lui dirent : Où sont les hommes qui sont venus chez toi cette nuit ? Amène-les-nous pour que nous en abusions. 6. Lot sortit vers eux à l'entrée et, ayant fermé la porte derrière lui, 7. il dit : Je vous en supplie, mes frères, ne commettez pas le mal ! 8. Écoutez : j'ai deux filles qui sont encore vierges, je vais vous les amener : faites-leur ce qui vous semble bon, mais, pour ces hommes, ne leur faites rien, puisqu'ils sont entrés sous l'ombre de mon toit. 9. Mais ils répondirent : Ote-toi de là ! En voilà un qui est venu en étranger, et il fait le juge ! Eh bien, nous te ferons plus de mal qu'à eux ! Ils le pressèrent fort, lui Lot, et s'approchèrent pour briser la porte. 10. Mais les hommes sortirent le bras, firent rentrer Lot auprès d'eux dans la maison et refermèrent la porte. 11. Quant aux hommes qui étaient à l'entrée de la maison, ils les frappèrent de berlue, du plus petit jusqu'au plus grand, et ils n'arrivaient pas à trouver l'ouverture. 12. Les hommes dirent à Lot : As-tu encore quelqu'un ici ? Tes fils, tes filles, tous les tiens qui sont dans la ville, fais-les sortir de ce lieu. 13. Nous allons en effet détruire ce lieu, car grand est le cri qui s'est élevé contre eux à la face de Yahvé, et Yahvé nous a envoyés pour les exterminer. 14. Lot alla parler à ses futurs gendres, qui devaient épouser ses filles : Debout, dit-il, quittez ce lieu, car Yahvé va détruire la ville. Mais ses futurs gendres crurent qu'il plaisantait. 15. Lorsque pointa l'aurore, les Anges insistèrent auprès de Lot, en disant : Debout ! prends ta femme et tes deux filles qui se trouvent là, de peur d'être emporté par le châtiment de la ville. 16. Et comme il hésitait, les hommes le prirent par la main, ainsi que sa femme et ses deux filles, pour la pitié que Yahvé avait de lui. Ils le firent sortir et le laissèrent en dehors de la ville. 17. Comme ils le menaient dehors, il dit : Sauve-toi, sur ta vie ! Ne regarde pas derrière toi et ne t'arrête nulle part dans la Plaine, sauve-toi à la montagne pour n'être pas emporté ! 18. Lot leur répondit : Non, je t'en prie, Monseigneur ! 19. Ton serviteur a trouvé grâce à tes yeux et tu as montré une grande miséricorde à mon égard en m'assurant la vie. Mais moi, je ne puis pas me sauver à la montagne sans que m'atteigne le malheur et que je meure. 20. Voilà cette ville, assez proche pour y fuir, et elle est peu de chose. Permets que je m'y sauve - est-ce qu'elle n'est pas peu de chose ? - et que je vive ! 21. Il lui répondit : Je te fais encore cette grâce de ne pas renverser la ville dont tu parles. 22. Vite, sauve-toi là-bas, car je ne puis rien faire avant que tu n'y sois arrivé. C'est pourquoi on a donné à la ville le nom de Çoar. 23. Au moment où le soleil se levait sur la terre et où Lot entrait à Çoar, 24. Yahvé fit pleuvoir sur Sodome et sur Gomorrhe du soufre et du feu venant de Yahvé, 25. et il renversa ces villes et toute la Plaine, avec tous les habitants des villes et la végétation du sol. 26. Or la femme de Lot regarda en arrière, et elle devint une colonne de sel. 27. Levé de bon matin, Abraham vint à l'endroit où il s'était tenu devant Yahvé 28. et il jeta son regard sur Sodome, sur Gomorrhe et sur toute la Plaine, et voici qu'il vit la fumée monter du pays comme la fumée d'une fournaise ! 29. Ainsi, lorsque Dieu détruisit les villes de la Plaine, il s'est souvenu d'Abraham et il a retiré Lot du milieu de la catastrophe, dans le renversement des villes où habitait Lot. 30. Lot monta de Çoar et s'établit dans la montagne avec ses deux filles, car il n'osa pas rester à Çoar. Il s'installa dans une grotte, lui et ses deux filles. 31. L'aînée dit à la cadette : Notre père est âgé et il n'y a pas d'homme dans le pays pour s'unir à nous à la manière de tout le monde. 32. Viens, faisons boire du vin à notre père et couchons avec lui; ainsi, de notre père, nous susciterons une descendance. 33. Elles firent boire, cette nuit-là, du vin à leur père, et l'aînée vint s'étendre près de son père, qui n'eut conscience ni de son coucher ni de son lever. 34. Le lendemain, l'aînée dit à la cadette : La nuit dernière, j'ai couché avec mon père; faisons-lui boire du vin encore cette nuit et va coucher avec lui; ainsi, de notre père nous susciterons une descendance. 35. Elles firent boire du vin à leur père encore cette nuit-là, et la cadette s'étendit auprès de lui, qui n'eut conscience ni de son coucher ni de son lever. 36. Les deux filles de Lot devinrent enceintes de leur père. 37. L'aînée donna naissance à un fils et elle l'appela Moab; c'est l'ancêtre des Moabites d'aujourd'hui. 38. La cadette aussi donna naissance à un fils et elle l'appela Ben-Ammi; c'est l'ancêtre des Bené-Ammon d'aujourd'hui.