Genesis 21 - Gn 21 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -
- Gn 21,1-7 -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,22-34 --
De geboorte van Isaak (Gn 21,1-7) .

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

Overzicht van Genesis : - Gn 1 - Gn 2 - Gn 3 - Gn 4 - Gn 5 - Gn 6 - Gn 7 - Gn 8 - Gn 9 - Gn 10 - Gn 11 - Gn 12 - Gn 13 - Gn 14 - Gn 15 - Gn 16 - Gn 17 - Gn 18 - Gn 19 - Gn 20 - Gn 21 - Gn 22 - Gn 23 - Gn 24 - Gn 25 - Gn 26 - Gn 27 - Gn 28 - Gn 29 - Gn 30 - Gn 31 - Gn 32 - Gn 33 - Gn 34 - Gn 35 - Gn 36 - Gn 37 - Gn 38 - Gn 39 - Gn 40 - Gn 41 - Gn 42 - Gn 43 - Gn 44 - Gn 45 - Gn 46 - Gn 47 - Gn 48 - Gn 49 - Gn 50 -
Uitleg vers per vers : - Gn 21,1 - Gn 21,2 - Gn 21,3 - Gn 21,4 - Gn 21,5 - Gn 21,6 - Gn 21,7 - Gn 21,8 - Gn 21,9 - Gn 21,10 - Gn 21,11 - Gn 21,12 - Gn 21,13 - Gn 21,14 - Gn 21,15 - Gn 21,16 - Gn 21,17 - Gn 21,18 - Gn 21,19 - Gn 21,20 - Gn 21,21 - Gn 21,22 - Gn 21,23 - Gn 21,24 - Gn 21,25 - Gn 21,26 - Gn 21,27 - Gn 21,28 - Gn 21,29 - Gn 21,30 - Gn 21,31 - Gn 21,32 - Gn 21,33 - Gn 21,34 -

Overzicht van Tenach : Tenach : overzicht , Tenach : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenach : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,

- Genesis taalgebruik - Genesis taalgebruik A - Genesis taalgebruik B - Genesis taalgebruik C - Genesis taalgebruik D - Genesis taalgebruik E - Genesis taalgebruik F - Genesis taalgebruik G - Genesis taalgebruik H - Genesis taalgebruik I - Genesis taalgebruik J - Genesis taalgebruik K - Genesis taalgebruik L - Genesis taalgebruik M - Genesis taalgebruik N - Genesis taalgebruik O - Genesis taalgebruik P - Genesis taalgebruik Q - Genesis taalgebruik R - Genesis taalgebruik S - Genesis taalgebruik T - Genesis taalgebruik U - Genesis taalgebruik Z -


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
     
 
http://www.bible-history.com/isbe/ http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm http://www.intratext.com/IXT/LAT0001/_INDEX.HTM        
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel        

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'íbezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen -

Woordenschat

Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik

Overzicht van de bijbelboeken - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
Gn 21,1-7 : Geboorte van Isaak .
Gn 21,8-21 : Hagar en Ismaël .
Gn 21,22-34 : Abraham en Abimelek

Gn 21 telt 34 (2 X 17) verzen , verdeeld over 7 - 14 - 13 verzen . sjin of shin = 21 . Met de shin begint de naam shârâh (Sara) .

Geboorte van Isaak : Gn 21,1-7 -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,1 - Gn 21,2 - Gn 21,3 - Gn 21,4 - Gn 21,5 - Gn 21,6 - Gn 21,7 -

Gn 21,1 - Gn 21,1 : Geboorte van Isaak - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,1 - Gn 21,2 - Gn 21,3 - Gn 21,4 - Gn 21,5 - Gn 21,6 - Gn 21,7 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1kai kurios epeskepsato tèn sarran katha eipen kai epoièsen kurios tè sarra katha elalèsen  1 visitavit autem Dominus Sarram sicut promiserat et implevit quae locutus est   waJHWH pâqad   ´èth shârâh ka´äsjèr âmâr wajja`ash JHWH lëshârâh ka´äsjèr dibber 1 En de HEERE bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en de HEERE deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.   [1] De heer begunstigde Sara, zoals Hij gezegd had, en vervulde de belofte die Hij haar gedaan had.   [1] De HEER zag om naar Sara zoals hij had beloofd, hij gaf haar wat hij had toegezegd:  1 ¶ de ENE doet aan Sara zoals hij heeft gesproken.  1. Yahvé visita Sara comme il avait dit et il fit pour elle comme il avait promis.  

King James version . And the LORD visited Sarah as he had said, and the LORD did unto Sarah as he had spoken.
Luther-Bibel . 1 Und der HERR suchte Sara heim, wie er gesagt hatte, und tat an ihr, wie er geredet hatte.

a. waJHWH pâqad ´èth shârâh (en JHWH zag om - naar Sara) ka´äsjèr âmâr (zoals Hij zei)
b. wajja`ash JHWH lëshârâh (en JHWH deed aan Sara) ka´äsjèr dibber (zoals hij sprak) .

Tekstuitleg van Gn 21,1 . Dit vers Gn 21,1 telt 11 woorden en 39 (3 X 13) letters . De getalwaarde van dit vers Gn 21,1 is 3558 ( = 2 X 3 X 593) .
Het vers bestaat uit twee hoofdzinnen telkens gevolgd door een bijzin . Beide zinnen zijn parallel opgebouwd (met enkele lichte verschillen) .
- De 1ste zin telt 6 woorden ; onderwerp (JHWH) , vervoegd werkwoord , lijdend voorwerp (Sara) , voegwoord (zoals) , vervoegd werkwoord (zeggen) .
- De 2de zin telt 5 woorden ; vervoegd werkwoord , onderwerp (JHWH) , bepaling (Sara) , voegwoord (zoals) , vervoegd werkwoord (zeggen) .
Er zit ook een voortgang in het vers . In de 1ste zin heeft JHWH oog voor Sara , in de 2de zin handelt JHWH zoals Hij sprak . In Gn 18,1-15 werd de geboorte van een zoon aangekondigd . Het duurt evenwel tot Gn 21 vooraleer er sprake is van de komst van een zoon .

Gn 21,1.1. wëJHWH / waJHWH (en JHWH) < wë + (bepaald lidw. ha) + JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 10 + 5 + 6 + 5 = 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (99) . Pentateuch (22) . Eerdere Profeten (29) . Latere Profeten (16) . 12 Kleine Profeten (9) . Geschriften (23) . Gn (7) : (1) Gn 13,14 . (2) Gn 18,17 . (3) Gn 19,24 . (4) Gn 21,1 . (5) Gn 24,1 . (6) Gn 24,35 . (7) Gn 24,56 .

Gn 21,1.2. פָקַד = pâqad (omzien, aanstellen, voorschrijven, in bewaring geven) . Taalgebruik in Tenakh : pâqad (omzien) . Getalwaarde : pe = 17 of 80 , qoph = 19 of 100 , daled = 4 ; totaal : 40 OF 184 (8 X 23) . Structuur : 8 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 4 . p - q- d : (1) act. qal perf. 3de pers. mann.enk. פָקַד = pâqad (hij ziet om) . Tenakh (11) : (1) Gn 21,1 . (2) Nu 1,44 . (3) Nu 3,39 . (4) Nu 4,37 . (5) Nu 4,41 . (6) Nu 4,45 . (7) Nu 4,46 . (8) Nu 4,49 . (9) 1 K 20,15 . (10) Job 35,15 . (11) Kl 4,22 . Hierbij horen ook nog de 4 teksten in de constructie כִּי פָקַד = kî pâqad (want hij zag om) . Tenakh (4) : (1) Ex 4,31 . (2) Rt 1,6 . (3) 1 S 2,21 . (4) Zach 10,3 . Een vorm van פָקַד = pâqad in Tenakh (202) . פָקַד = pâqad wordt in de LXX vertaald in 29 verschillende Griekse (werk)woorden .
- LXX . ind. aor. 3de pers. enk. επεσκεψατο = epeskepsato (hij zag om) van het werkw. επισκεπτομαι = episkeptomai (kijken naar, bekijken) . Taalgebruik in het NT : episkeptomai (kijken naar, bekijken) . Taalgebruik in de LXX : episkeptomai (kijken naar, bekijken) . Bijbel (26) . ΟΤ (23) : (1) Gn 21,1 . (2) Ex 4,31 . (3) Nu 3,39 . (4) Nu 3,42 . (5) Nu 4,34 . (6) Nu 4,37 . (7) Nu 4,41 . (8) Nu 4,45 . (9) Nu 4,46 . (10) Nu 4,49 . (11) Joz 8,10 . (12) Re 15,1 . (13) 1 S 2,21 . (14) 1 S 13,15 . (15) 2 S 18,1 . (16) 1 K 20,15 . (17) 1 K 20,26 . (18) 2 K 3,6 . (19) Kl 4,22 . (20) Ezr 1,2 . (21) Ezr 6,1 . (22) Jdt 7,7 . (23) Sir 46,14 . NT (3) . Lc (2) : (1) Lc 1,68 . (2) Lc 7,16 . En : Hnd 15,14 . Een vorm van επισκεπτομαι = episkeptomai (kijken naar, bekijken) in de LXX (163) , in het NT (11) : (1) Mt 25,36 . (2) Mt 25,43 . (3) Lc 1,68 . (4) Lc 1,78 . (5) Lc 7,16 . (6) Hnd 6,3 . (7) Hnd 7,23 . (8) Hnd 15,14 . (9) Hnd 15,36 . (10) Heb 2,6 . (11) Jak 1,27 . In de LXX kan επισκεπτομαι = episkeptomai de vertaling zijn van 10 Hebreeuwse woorden .

Gn 21,1.1. - 2. כִּי פָקַד = kî pâqad (want hij zag om) . Tenakh (4) : (1) Ex 4,31 . (2) Rt 1,6 . (3) 1 S 2,21 . (4) Zach 10,3 . In deze vier teksten wordt het werkw. telkens gevolgd door het onderwerp JHWH . Bovendien staat פָקַד יהוה = pâqad JHWH (JHWH zag om) slechts in deze vier teksten .
- ויהוה פָקַד = waJHWH pâqad (en JHWH zag om - naar Sara) . Tenakh (1) : Gn 21,1 . Hapax .
- Van deze 5 teksten wordt het Hebr. פָקַד = pâqad vertaald door επεσκεψατο = epeskepsato (hij zag om) : (1) Gn 21,1 . (2) Ex 4,31 . (3) 1 S 2,21 .
-- In Gn 21,1 lezen we = και κυριος επεσκεψατο την σαρραν kai kurios epeskepsato tèn sarran (en de Heer zag om naar Sara) ,
-- in 1 S 2,21 : και επεσκεψατο κυριος την ανναν = kai epeskepsato kurios tèn annan (en de Heer zag om naar Anna) .
-- In Ex 4,31 lezen we : ὁτι επεσκεψατο ὁ θεος = hoti epeskepsato ho theos (en God zag om) .
- De Heer of God zag om naar Sara , Anna en het volk .
De tekst van Lucas in Lc 1,68 benadert het sterkst 1 S 2,21 . Maar de tekst van 1 S 2,21 verwijst wellicht naar Gn 21,1 .
God dacht aan Rachel . God luisterde naar Hagar , Lea , Rachel , de Hebreeën , zie Gn 30, 17 . Sara , Lea , Rachel waren onvruchtbaar , maar JHWH / God is met hen begaan en deze vrouwen werden vruchtbaar , ontvingen en baarden . Hagar is in een netelige positie en God luisterde naar haar .

Gn 21,1.3. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 21 (17) : (1) Gn 21,1 . (2) Gn 21,3 . (3) Gn 21,4 . (4) Gn 21,5 . (5) Gn 21,8 . (6) Gn 21,9 . (7) Gn 21,13 . (8) Gn 21,15 . (9) Gn 21,16 . (10) Gn 21,17 . (11) Gn 21,18 . (12) Gn 21,19 . (13) Gn 21,20 . (14) Gn 21,25 . (15) Gn 21,26 . (16) Gn 21,28 . (17) Gn 21,30 .

Gn 21,1.4. שָׂרָה = shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . De getalwaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 46 (2 X 23) , zie : 46 : lemniscaat , OF 505 (5 X 101) . Structuur : 3 - 2 - 5 . Som van de elementen : 10 -> 1 . Tenakh (28) . Pentateuch (26) . Gn (26) . Gn 17 (4) : (1) Gn 17,15 . (2) Gn 17,17 . (3) Gn 17,19 . (4) Gn 17,21 . Gn 18 (5) : (1) Gn 18,6 . (2) Gn 18,9 . (3) Gn 18,12 . (4) Gn 18,13 . (5) Gn 18,15 . Gn 20 (3) : (1) Gn 20,2 . (2) Gn 20,14 . (3) Gn 20,18 . Gn 21 (7) : (1) Gn 21,1. (2) Gn 21,2 . (3) Gn 21,3 . (4) Gn 21,6 . (5) Gn 21,7 . (6) Gn 21,9 . (7) Gn 21,12 . Gn 23 (3) : (1) Gn 23,1 . (2) Gn 23,2 . (3) Gn 23,19 . Gn 24 (2) : (1) Gn 24,36 . (2) Gn 24,67 . Gn 25 (1) : Gn 25,12 . Gn 49 (1) : Gn 49,31 .
- וְשָׂרָה = wëshârâh (en Sara) . Tenakh (3) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 25,10 .
- לְשָׂרָה = lëshârâh (voor Sara) . Tenakh (4) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 21,1 . (4) Gn 23,2 .
- Arabisch : sârah (Sara) . Taalgebruik in de Koran : sârah (Sara) .

Gn 21,1.3. - 4. אֶת שָׂרָה = ´èth shârâh (Sara) . Tenakh (3) : (1) Gn 20,2 . (2) Gn 21,1 . (3) Gn 23,19 .

Gn 21,1.5. ka´äsjèr (zoals) < kë + ´äsjèr (die) OF persoonsnaam ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . Tenakh (488) . Pentateuch (202) . Eerdere Profeten (68) . Latere Profeten (68) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (56) . Gn (40) . Gn 21 (2) : (1) Gn 21,1 . (2) Gn 21,4 .

Gn 21,1.6. אמר = ´-m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (790) . Pentateuch (84) . Eerdere Profeten (122) . Latere Profeten (385) . 12 Kleine Profeten (92) . Geschriften (107) . Gn (27) . Gn 21 (1) : Gn 21,1 .

Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (790) . Pentateuch (84) . Eerdere Profeten (122) . Latere Profeten (385) . 12 Kleine Profeten (92) . Geschriften (107) . Gn (27) . Gn 21 (1) : Gn 21,1 .

Gn 21,1.5. - 6. ka´äsjèr âmâr (zoals hij zei) . Tenakh (1) : Gn 21,1 .

Gn 21,1.7. wajja`ash (en hij maakte, en hij deed) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. `âshâh (maken, doen) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâh (maken) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , shin = 21 of 300 , he = 5 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 375 (3 X 5³) . Structuur : 7 - 3 - 5 .Gr. poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Lat. facere . Fr. faire . N. doen . Tenakh (232) . Pentateuch (81) . Eerdere Profeten (86) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (55) . Gn (18) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,25 . (4) Gn 3,21 . (5) Gn 6,22 . (6) Gn 7,5 . (7) Gn 19,3 . (8) Gn 21,1 . (9) Gn 21,8 . (10) Gn 26,30 . (11) Gn 27,31 . (12) Gn 29,22 . (13) Gn 29,28 . (14) Gn 40,20 . (15) Gn 42,25 . (16) Gn 43,17 . (17) Gn 44,2 . (18) Gn 50,10 .

Gn 21,1.8. JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Gn 21 (2) : (1) Gn 21,1 . (2) Gn 21,33 .

Gn 21,1.7. - 8. wajja`ash JHWH (en JHWH deed) . Tenakh (11) : (1) Gn 3,21 . (2) Gn 21,1 . (3) Ex 8,9 . (4) Ex 8,20 . (5) Ex 8,27 . (6) Ex 9,6 . (7) 1 S 19,5 . (8) 1 S 28,17 . (9) 2 S 23,10 . (10) 2 S 23,12 . (11) Jr 40,3 .

Gn 21,1.9. שָׂרָה = shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . De getalwaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 46 (2 X 23) , zie : 46 : lemniscaat , OF 505 (5 X 101) . Structuur : 3 - 2 - 5 . Som van de elementen : 10 -> 1 . Tenakh (28) . Pentateuch (26) . Gn (26) . Gn 17 (4) : (1) Gn 17,15 . (2) Gn 17,17 . (3) Gn 17,19 . (4) Gn 17,21 . Gn 18 (5) : (1) Gn 18,6 . (2) Gn 18,9 . (3) Gn 18,12 . (4) Gn 18,13 . (5) Gn 18,15 . Gn 20 (3) : (1) Gn 20,2 . (2) Gn 20,14 . (3) Gn 20,18 . Gn 21 (7) : (1) Gn 21,1. (2) Gn 21,2 . (3) Gn 21,3 . (4) Gn 21,6 . (5) Gn 21,7 . (6) Gn 21,9 . (7) Gn 21,12 . Gn 23 (3) : (1) Gn 23,1 . (2) Gn 23,2 . (3) Gn 23,19 . Gn 24 (2) : (1) Gn 24,36 . (2) Gn 24,67 . Gn 25 (1) : Gn 25,12 . Gn 49 (1) : Gn 49,31 .
- וְשָׂרָה = wëshârâh (en Sara) . Tenakh (3) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 25,10 . לְשָׂרָה = lëshârâh (voor Sara) . Tenakh (4) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 21,1 . (4) Gn 23,2 .
- Arabisch : sârah (Sara) . Taalgebruik in de Koran : sârah (Sara) .

Gn 21,1.10. ka´äsjèr (zoals) < kë + ´äsjèr (die) OF persoonsnaam ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . Tenakh (488) . Pentateuch (202) . Eerdere Profeten (68) . Latere Profeten (68) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (56) . Gn (40) . Gn 21 (2) : (1) Gn 21,1 . (2) Gn 21,4 .

Gn 21,1.11. d-bh-r . (1) dâbhar (spreken) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. dâbhar (spreken) . (2) dibbèr (hij sprak) : piel perfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . (3) dâbhâr (woord, daad) . Zelfstandig naamwoord mannelijk enkelvoud . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Taalgebruik in de LXX : logos (woord) . Taalgebruik in het NT : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon , parole (parler) . Ned. woord . D. Wort . E. word . Getalwaarde : daleth = 4 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 26 (2 X 13) of 206 (2 X 103) . Structuur : 4 - 2 - 3 . Tenakh (756) . Pentateuch (183) . Eerdere Profeten (194) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (43) . Geschriften (121) . Gn (29) . Gn 21 (2) : (1) Gn 21,1 . (2) Gn 21,2 .

Gn 21,1.10. -11. ka´äsjèr dibber (zoals hij sprak) . Tenakh (6) : (1) Gn 21,1 . (2) Ex 12,25 . (3) Dt 26,19 . (4) Joz 14,10 . (5) 1 K 2,24 . (6) Jr 40,3 .

Gn 21,2 - Gn 21,2 : Geboorte van Isaak - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,1 - Gn 21,2 - Gn 21,3 - Gn 21,4 - Gn 21,5 - Gn 21,6 - Gn 21,7 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2kai sullabousa eteken sarra tô abraam uion eis to gèras eis ton kairon katha elalèsen autô kurios  2 concepitque et peperit filium in senectute sua tempore quo praedixerat ei Deus  waththahar waththelèth shârâh lë´abhërâhâm ben lizëqunâ(j)w lammô`ed ´äsjèr dibbèr ´ôthô ´èlohîm 2 En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, dien hem God gezegd had.  [2] Sara werd zwanger en schonk Abraham op zijn oude dag een zoon, op het tijdstip dat God genoemd had.  [2] Sara werd zwanger en baarde Abraham op zijn oude dag een zoon, op de vastgestelde tijd, die God hem had genoemd. 2 Sara wordt zwanger en baart aan Abraham een zoon in zijn ouderdom; tegen de samenkomsttijd waarvan God had gesproken.   2. Sara conçut et enfanta un fils à Abraham déjà vieux, au temps que Dieu avait marqué. 

King James version . For Sarah conceived, and bare Abraham a son in his old age, at the set time of which God had spoken to him.
Luther-Bibel . 2 Und Sara ward schwanger und gebar dem Abraham in seinem Alter einen Sohn um die Zeit, von der Gott zu ihm geredet hatte.

a. waththahar waththelèth shârâh lë´abhërâhâm ben lizëqunâ(j)w lammô`ed ´äsjèr dibbèr ´ôthô ´èlohîm (en Sara werd zwanger en baarde voor Abraham een zoon voor zijn ouderdom naar de afspraak die God hem sprak) .

Tekstuitleg van Gn 21,2 . Dit vers Gn 21,2 telt 11 woorden en 44 (4 X 11) letters ; verhouding : 1 - 4 . De getalwaarde van dit vers Gn 21,2 is 3439 (19 X 181) . 181 = (10 X 10) + (9X 9) . Zie ook Gn 30, 22 . Gn 11,30 vermeldt dat Sara onvruchtbaar is en geen kind heeft . Pas in Gn 21,2 - Gn 21,3 wordt Sara zwanger en baart ze een zoon , Isaak . In Gn 16,1 wordt nog eens teruggegrepen naar Gn 11,30 : Sarai had geen kinderen . In Gn 17 - Gn 18 wordt aan Saraj de belofte gedaan dat uit haar een zoon zal geboren worden . Het loopt bijna mis wanneer Abraham zegt dat zijn vrouw Sara zijn zuster is (Gn 20,1) en zij geschaakt wordt door Abimelek .

Gn 21,2.1. act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. וַתַּהַר = waththahar (en zij werd zwanger) van het werkw. הָרָה = hârâh (zie Jouön 79i , p.160) . Taalgebruik in Tenakh : härâh (zwanger worden, - zijn) . Getalwaarde : he = 5 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 30 (2 X 3 X 5) OF 210 (2 X 3 X 5 X 7) . Structuur : 5 - 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (28) . Pentateuch (18) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (2) . Gn (13) : (1) Gn 4,1 (Eva - Kaïn) . (2) Gn 4,17 (de vrouw van Kaïn - Henoch) . (3) Gn 16,4 (Hagar) . - Gn 19,36 (beide dochters van Lot - Moab en Ben - Ammi) - (4) Gn 21,2 (Sara - Isaak) . (5) Gn 25,21 (Rebekka - Esau en Jakob) . (6) Gn 29,32 : waththahar leâh waththelèth (en Lea werd zwanger en zij baarde; Lea - Ruben) . (7) Gn 29,33 (Lea - Simeon) . (8) Gn 29,34 (Lea - Levi) . (9) Gn 29,35 (Lea - Juda) . (10) Gn 30,5 : waththahar bilëhâh waththelèth (en Bilha werd zwanger en zij baarde; Bilha - Dan) . (10) Gn 30,7 (Bilha, de slavin van Rachel, - Naftali) . (11) Gn 30,19 (Lea - Zebulon) . (12) Gn 30,23 (Rachel - Jozef) . (13) Gn 38,4 (Sua , de vrouw van Juda, - Onan) . Eerdere Profeten (4) : (1) 1 S 1,20 . (2) 1 S 2,21 . (3) 2 S 11,5 . (4) 2 K 4,17 .

Gn 21,2.2. waththelèth (en zij baarde) < wë + actief qal imperfectum derde persoon vrouwelijk enkelvoud van het werkwoord jälad . Zie : thôlëdôth (ontstaansgeschiedenissen) . Taalgebruik in Tenakh : thôlëdôth (ontstaansgeschiedenissen) . Tenakh (63) . Pentateuch (37) . Eerdere Profeten (10) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (12) . Gn (31) : (1) Gn 4,1 (Eva - Kaïn) . (2) Gn 4,17 (de vrouw van Kaïn - Henoch) . (3) Gn 4,20 (Ada - Jabal) . (4) Gn 4,25 (Eva - Set) . (5) Gn 16,15 (Hagar - Ismaël) . (6) Gn 19,37 (oudste dochter van Lot - Moab) . (7) Gn 21,2 (Sara - Isaak) . (8) Gn 22,24 (Reüma, de bijvrouw van Nachor, broer van Abraham) . (9) Gn 24,36 (verwijzing naar Sara) . (10) Gn 25,2 (Ketoura, een andere vrouw van Abraham - zonen van Ketoura) . (11) Gn 29,32 (Lea - Ruben) . (12) Gn 29,33 (Lea - Simeon) . (13) Gn 29,34 (Lea - Levi) . (14) Gn 29,35 (Lea - Juda) . (15) Gn 30,3 (wëtheled : en zij zal baren; Bilha, de slavin van Rachel, - Dan) . (16) Gn 30,5 (Bilha, de slavin van Rachel, - Dan) . (17) Gn 30,7 (Bilha, de slavin van Rachel, - Naftali) . (18) Gn 30,10 (Zilpa, de slavin van Lea, - Gad) . (19) Gn 30,12 (Zilpa, de slavin van Lea, - Aser) . (20) Gn 30,17 (Lea - Issakar) . (21) Gn 30,19 (Lea - Zebulon) . (22) Gn 30,23 (Rachel - Jozef) . (23) Gn 35,16 (Rachel - Benjamin) . (24) Gn 36,4 (Ada, de vrouw van Esau, - verschillende zonen) . (25) Gn 36,12 (Timna, een bijvrouw van Esau's zoon Elifaz, - Amalek) . (26) Gn 36,14 (Oholibama, de tweede vrouw van Esau, - verschillende zonen) . (27) Gn 38,3 (Sua, de vrouw van Juda, - Er) . (28) Gn 38,4 (Sua , de vrouw van Juda, - Onan) . (29) Gn 38,5 (Sua , de vrouw van Juda, - Sela) . (30) Gn 46,18 (verwijzing naar Zilpa, de slavin van Lea) . (31) Gn 46,25 (verwijzing naar Bilha, de slavin van Rachel) .

Gn 21,2.1. - 2. וַתַהַר וַתֵּלֶד = waththahar waththelèth (en zij werd zwanger en zij baarde) . Tenakh (11) : (1) Gn 4,1 (Eva - Kaïn) . (2) Gn 4,17 (de vrouw van Kaïn - Henoch) . (3) (7) Gn 21,2 (Sara - Isaak) . (4) (20) Gn 30,17 (Lea - Issakar) . (5) (22) Gn 30,23 (Rachel - Jozef) . (6) (27) Gn 38,3 (Sua , de vrouw van Juda, - Er) . (7) 1 S 2,21 (Hanna) . (8) 1 Kr 7,23 . (9) Js 8,3 . (10) Hos 1,3 . (11) Hos 1,8 .
Zie ook Gn 29,32 : וַתַהַר לֵאָה וַתֵּלֶד = waththahar leâh waththelèth (en Lea werd zwanger en zij baarde) . Gn 30,5 : וַתַהַר בִּלְהָה וַתֵּלֶד = waththahar bilëhâh waththelèth (en Bilha werd zwanger en zij baarde) .
- וַתַהַר עוֹד וַתֵּלֶד = waththahar `ôd waththelèth (en zij werd nog zwanger en zij baarde) . Tenakh (6) : (1) Gn 29,33 . (2) Gn 29,34 . (3) Gn 29,35 . (4) Gn 30,7 . (5) Gn 38,4 . (6)

Gn 21,2.3. שָׂרָה = shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . De getalwaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 46 (2 X 23) , zie : 46 : lemniscaat , OF 505 (5 X 101) . Structuur : 3 - 2 - 5 . Som van de elementen : 10 -> 1 . Tenakh (28) . Pentateuch (26) . Gn (26) . Gn 17 (4) : (1) Gn 17,15 . (2) Gn 17,17 . (3) Gn 17,19 . (4) Gn 17,21 . Gn 18 (5) : (1) Gn 18,6 . (2) Gn 18,9 . (3) Gn 18,12 . (4) Gn 18,13 . (5) Gn 18,15 . Gn 20 (3) : (1) Gn 20,2 . (2) Gn 20,14 . (3) Gn 20,18 . Gn 21 (7) : (1) Gn 21,1. (2) Gn 21,2 . (3) Gn 21,3 . (4) Gn 21,6 . (5) Gn 21,7 . (6) Gn 21,9 . (7) Gn 21,12 . Gn 23 (3) : (1) Gn 23,1 . (2) Gn 23,2 . (3) Gn 23,19 . Gn 24 (2) : (1) Gn 24,36 . (2) Gn 24,67 . Gn 25 (1) : Gn 25,12 . Gn 49 (1) : Gn 49,31 .
- וְשָׂרָה = wëshârâh (en Sara) . Tenakh (3) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 25,10 . לְשָׂרָה = lëshârâh (voor Sara) . Tenakh (4) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 21,1 . (4) Gn 23,2 .
- Arabisch : sârah (Sara) . Taalgebruik in de Koran : sârah (Sara) .

Gn 21,2.4. lë´abhërâhâm (aan Abraham) < voorzetsel lë + ´abhërâhâm (Abraham) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 248 (2³ X 31) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . Zie : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Tenakh (27) . Pentateuch (26) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (0) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (0) . Gn (15) : (1) Gn 20,9 . (2) Gn 20,14 . (3) Gn 21,2 . (4) Gn 21,7 . (5) Gn 21,9 . (6) Gn 21,10 . (7) Gn 22,20 . (8) Gn 23,18 . (9) Gn 23,20 . (10) Gn 25,6 . (11) Gn 25,12 . (12) Gn 26,3 . (13) Gn 28,4 . (14) Gn 35,12 . (15) Gn 50,24 .

Gn 21,2.5. ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalwaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . Tenakh (1225) . Pentateuch (284) . Eerdere Profeten (392) . Latere Profeten (231) . 12 Kleine Profeten (26) . Geschriften (292) . Gn (85) . Gn 21 () : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,5 . (4) Gn 21,7 . (5) Gn 21,9 . (6) Gn 21,10 . (7) Gn 21,13 .

Gn 21,2.6. lizëqunâ(j)w (voor zijn oude (dagen) / ouderdom < voorzetsel lë + mann. mv. stat. constr. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . zâqen (oud, voornaam) . Taalgebruik in Tenakh : zâqen (oud, voornaam) . Tenakh (3) : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,7 .

Gn 21,2.7. lammô`ed (naar de afspraak) < voorzetsel lë + bepaald lidw. ha + mô`ed (afspraak, samenkomst, feest) . Taalgebruik in Tenakh : mô`ed (afspraak, samenkomst, feest) . Getalwaarde mem = 13 of 40 , waw = 6 , ajin = 16 of 70 , daleth = 4 ; totaal : 39 OF 120 (2³ X 3 X 5) . Structuur : 4 - 6 - 7 - 4 . Tenakh (18) . Gn (3) : (1) Gn 17,21 . (2) Gn 18,14 . (3) Gn 21,2 .

Gn 21,2.8. ´äsjèr (die) OF persoonsnaam ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Taalgebruik in Jesaja : ´äsjèr (die) . Taalgebruik in Amos : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . Tenakh (4012) . Pentateuch (1378) . Eerdere Profeten (1114) . Latere Profeten (717) . 12 Kleine Profeten (106) . Geschriften (697) . Gn (307) . Gn 21 (8) : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,3 . (3) Gn 21,9 . (4) Gn 21,12 . (5) Gn 21,22 . (6) Gn 21,23 . (7) Gn 21,25 . (8) Gn 21,29 .

Gn 21,2.9. d-bh-r . (1) dâbhar (spreken) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. dâbhar (spreken) . (2) dibbèr (hij sprak) : piel perfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . (3) dâbhâr (woord, daad) . Zelfstandig naamwoord mannelijk enkelvoud . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Taalgebruik in de LXX : logos (woord) . Taalgebruik in het NT : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon , parole (parler) . Ned. woord . D. Wort . E. word . Getalwaarde : daleth = 4 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 26 (2 X 13) of 206 (2 X 103) . Structuur : 4 - 2 - 3 . Tenakh (756) . Pentateuch (183) . Eerdere Profeten (194) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (43) . Geschriften (121) . Gn (29) . Gn 21 (2) : (1) Gn 21,1 . (2) Gn 21,2 .

Gn 21,2.8. - 9. ´äsjèr dibbèr (zoals hij sprak) . Tenakh (89) . Gn (8) : (1) Gn 18,19 . (2) Gn 21,2 . (3) Gn 23,16 . (4) Gn 35,13 . (5) Gn 35,14 . (6) Gn 35,15 . (7) Gn 45,27 . (8) Gn 49,28 .

Gn 21,2.10. accusatief + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. ´ôthô (hem) . ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (533) . Pentateuch (270) . Eerdere Profeten (163) . Latere Profeten (61) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (31) . Gn (86) . Gn 21 (2) : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,4 .

Gn 21,2.11. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 22 (8) : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,6 . (4) Gn 21,12 . (5) Gn 21,17 . (6) Gn 21,19 . (7) Gn 21,20 . (8) Gn 21,22 .

Gn 21,2.10. - 11. ´ôthô ´èlohîm (God) . Tenakh (6) : (1) Gn 5,24 . (2) Gn 6,22 . (3) Gn 7,16 . (4) Gn 21,2 . (5) Gn 21,4 . (6) 1 S 23,7 .

Gn 21,3 - Gn 21,3 : Geboorte van Isaak - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,1 - Gn 21,2 - Gn 21,3 - Gn 21,4 - Gn 21,5 - Gn 21,6 - Gn 21,7 -
Griekse tekst Vulgaat MT

Statenvertaling

Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3kai ekalesen abraam to onoma tou uiou autou tou genomenou autô on eteken autô sarra isaak  3 vocavitque Abraham nomen filii sui quem genuit ei Sarra Isaac     3 En Abraham noemde den naam zijns zoons, die hem geboren was, dien hem Sara gebaard had, Izak.  [3] Abraham gaf aan de zoon die hem geboren werd en die hem door Sara werd geschonken de naam Isaak.   [3] Abraham noemde de zoon die hij gekregen had en die Sara hem gebaard had, Isaak,   3 Dan roept Abraham als naam uit voor zijn zoon die hem gebaard is, die Sara hem gebaard heeft: Isaak,– men lacht!   3. Au fils qui lui naquit, enfanté par Sara, Abraham donna le nom d'Isaac. 

King James Bible . [3] And Abraham called the name of his son that was born unto him, whom Sarah bare to him, Isaac.
Luther-Bibel . 3 Und Abraham nannte seinen Sohn, der ihm geboren war, Isaak, den ihm Sara gebar,

Tekstuitleg van Gn 21,3 . Het vers Gn 21,3 telt 12 (2² X 3) woorden en 40 (2³ X 5) letters . De getalwaarde van Gn 21,3 is 2794 (2 X 11 X 127) . De naamgeving van Isaak door Abraham . Abraham was 100 (2² X 5²) jaar . In de leeftijden van Abraham speelt het getal 7 een belangrijke rol . Toen Isaak geboren werd , was hij 100 jaar en hij werd 175 jaar ; 100 = 4 X 25 en 175 = 7 X 25 ; verhoudingen : 4 / 7 , 3 / 7 , 7 / 7 . 1 / 7 = 25 .

Gn 21,3.1. wajjiqërâ´(en hij riep, hij heet, hij noemde) < waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 21 (3) : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 21,17 . (3) Gn 21,33 .

Gn 21,3.2. ´abhërâhâm (Abraham) . Zie ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 248 (31 X 8) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . Tenakh (128) . Pentateuch (105) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (13) . Gn (98) . Gn 21 (13) : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,8 . (4) Gn 21,11 . (5) Gn 21,12 . (6) Gn 21,14 . (7) Gn 21,22 . (8) Gn 21,24 . (9) Gn 21,25 . (10) Gn 21,27 . (11) Gn 21,28 . (12) Gn 21,29 . (13) Gn 21,34 .

Gn 21,3.1. - 2. wajjiqërâ´ ´abhërâm sjèm bënô . wajjiqërâ´ ´abhërâhâm (en Abraham riep / noemde) . Tenakh (2) : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 22,14 .

Gn 21,3.3. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Joz (231) . Gn (525) . Gn 21 (17) : (1) Gn 21,1 . (2) Gn 21,3 . (3) Gn 21,4 . (4) Gn 21,5 . (5) Gn 21,8 . (6) Gn 21,9 . (7) Gn 21,13 . (8) Gn 21,15 . (9) Gn 21,16 . (10) Gn 21,17 . (11) Gn 21,18 . (12) Gn 21,19 . (13) Gn 21,20 . (14) Gn 21,25 . (15) Gn 21,26 . (16) Gn 21,28 . (17) Gn 21,30 .

Gn 21,3.4. sj-m . sjâm (daar) OF sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17) . Structuur : 3 - 4 . Gr. onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in de Septuaginta : onoma (naam) . Stam : N ... M . Lat. nomen . Fr. nom . Ned. naam . D. Name . Eng. name . Een vorm van onoma (naam) in de LXX (1045) , in het NT (228) . Tenakh (684) . Pentateuch (190) . Eerdere Profeten (190) . Latere Profeten (136) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (145) . Gn (89) . Gn 21 () : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 21,14 . (3) Gn 21,17 . (4) Gn 21,31 . (5) Gn 21,33 .

Gn 21,3.4. - 5. sjèm bënô (naam van zijn zoon) . Tenakh (3) : (1) Gn 16,5 . (2) Gn 21,3 . (3) 1 S 8,2 .

Gn 21,3.3. - 5. ´èth sjèm bënô (naam van zijn zoon) . Tenakh (1) : Gn 21,3 .

Gn 21,3.6. hannôlad (de geborene) < bepaald lidw. ha + passief nifal part. mann. enk. van het werkw. jâlad (voortbrengen, baren) . Zie : Tenakh (1) : Gn 21,3 .

Gn 21,3.1. 3. - 4. wajjiqërâ´ (èth) sjem (en hij noemde een naam) . Tenakh (13) : (1) Gn 4,17 . (2) Gn 26,20 . (3) Gn 28,19 . (4) Gn 32,3 . (5) Ex 17,7 . (6) Nu 11,3 . (7) Nu 11,34 . (8) Nu 21,3 . (9) Joz 5,9 . (10) Re 1,17 . (11) 1 K 16,24 . (12) 2 Kr 3,17 . (13) Job 42,14 .

Gn 21,3.7. lô (voor hem) , prefix voorzetsel lë + suffix pers. voornaamw. 3de pers. enk. . Zie : Taalgebruik in Tenakh : lî (voor mij) . Tenakh (1044) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (323) . Latere Profeten (98) . 12 Kleine Profeten (40) . Geschriften (267) . Gn (121) . Gn 21 (3) : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 21,5 . (3) Gn 21,21 .

Gn 21,3.8. ´äsjèr (die) OF persoonsnaam ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Taalgebruik in Jesaja : ´äsjèr (die) . Taalgebruik in Amos : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . Tenakh (4012) . Pentateuch (1378) . Eerdere Profeten (1114) . Latere Profeten (717) . 12 Kleine Profeten (106) . Geschriften (697) . Gn (307) . Gn 21 (8) : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,3 . (3) Gn 21,9 . (4) Gn 21,12 . (5) Gn 21,22 . (6) Gn 21,23 . (7) Gn 21,25 . (8) Gn 21,29 .

Gn 21,3.9. jâlëdâh (zij baarde) . Actief qal perfectum derde persoon vrouwelijk enkelvoud . Zie : thôlëdôth (ontstaansgeschiedenissen) . Taalgebruik in Tenakh : thôlëdôth (ontstaansgeschiedenissen) . Tenakh (43) . Pentateuch (23) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (8) . Gn (22) : (1) Gn 4,22 (Silla - Tubal-Kaïn) . (2) Gn 16,1 (lo´ jâlëdâh - Saraj - baarde niet) . (3) Gn 16,15 (Hagar - Ismaël) . (4) Gn 19,38 : (jongste dochter van Moab - Ben-Ammi) . (5) Gn 21,3 (Sara - Isaak) . (6) Gn 21,9 (Sara verwijst naar Hagar - Ismaël) . (7) Gn 22,20 (Milka, de vrouw van Nachor , broer van Abraham - verschillende kinderen) . (8) Gn 22,23 (de jongste zoon van Milka is Betuël , de vader van Rebekka , de schoondochter van Abraham) . (9) jullëdâh : pual perfectum (verwijzing naar Rebekka, de dochter van Betuël... ) . (10) Gn 24,24 (de afkomst van Rebekka) . (11) Gn 24,47 (de afkomst van Rebekka) . (12) Gn 25,12 (verwijzing naar de nakomelingen van Ismaël, de zoon van Abraham en Hagar) . (13) Gn 30,1 (lo´ jâlëdâh - Saraj - baarde niet) . (14) Gn 30,21 (Lea - Dina) . (15) Gn 30,25 (verwijzing naar Rachel - Jozef) . (16) Gn 34,1 (verwijzing naar Lea - Dina) . (17) Gn 36,4 (Basemat, een derde vrouw van Esau, - Reüel) . (18) Gn 36,5 (Oholibama, de tweede vrouw van Esau, - verschillende zonen) . (19) Gn 41,50 (Asnat, de vrouw van Jozef, - Manasse) . (20) Gn 44,27 (verwijzing naar Rachel en haar twee zonen) . (21) Gn 46,15 (verwijzing naar Le en haar kinderen) . (22) Gn 46,20 (verwijzing naar Asnat, de vrouw van Jozef en haar twee zonen) . Re 13,2 : wëlo ´jâlâdâh (en zij - de moeder van Simson - baarde niet) .

Gn 21,3.10. lô (voor hem) , prefix voorzetsel lë + suffix pers. voornaamw. 3de pers. enk. . Zie : Taalgebruik in Tenakh : lî (voor mij) . Tenakh (1044) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (323) . Latere Profeten (98) . 12 Kleine Profeten (40) . Geschriften (267) . Gn (121) . Gn 21 (3) : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 21,5 . (3) Gn 21,21 .

Gn 21,3.9. - 10. jâlëdâh lô (zij baarde voor hem) . Tenakh (6) : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 24,47 . (3) Gn 41,50 . (4) Gn 46,20 . (5) Re 8,31 . (6) 1 Kr 2,4 .

Gn 21,3.8. - 10. ´äsjèr jâlëdâh lô (die zij baarde voor hem) . Tenakh (4) : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 24,47 . (3) Gn 41,50 . (4) Gn 46,20 .

Gn 21,3.11. shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . De getalwaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 46 (2 X 23) of 505 (5 X 101) . Structuur : 3 - 2 - 5 . Tenakh (28) . Pentateuch (26) . Gn (26) . Gn 17 (4) : (1) Gn 17,15 . (2) Gn 17,17 . (3) Gn 17,19 . (4) Gn 17,21 . Gn 18 (5) : (1) Gn 18,6 . (2) Gn 18,9 . (3) Gn 18,12 . (4) Gn 18,13 . (5) Gn 18,15 . Gn 20 (3) : (1) Gn 20,2 . (2) Gn 20,14 . (3) Gn 20,18 . Gn 21 (7) : (1) Gn 21,1. (2) Gn 21,2 . (3) Gn 21,3 . (4) Gn 21,6 . (5) Gn 21,7 . (6) Gn 21,9 . (7) Gn 21,12 . Gn 23 (3) : (1) Gn 23,1 . (2) Gn 23,2 . (3) Gn 23,19 . Gn 24 () : (1) Gn 24,36 . (2) Gn 24,67 . Gn 25 (1) : Gn 25,12 . Gn 49 (1) : Gn 49,31 . Verder : (1) Js 51,2 . (2) Hos 12,4 . wëshârâh (en Sara) . Tenakh (3) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 25,10 . lëshârâh (voor Sara) . Tenakh (4) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 21,1 . (4) Gn 23,2 .

Gn 21,3.12. jitsëchaq (Isaak) . Eigennaam . Taalgebruik in Tenakh : jitsëchâq (Isaak) . Taalgebruik in Genesis : jitsëchâq (Isaak) . De naam is een werkwoordvorm : act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jitsëchâq (hij lachte) van het werkw. tsâchaq (lachen) . Taalgebruik in Tenakh : tsâchaq (lachen) . Getalwaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 90 , chet = 8 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 49 (7 X 7) OF 208 (8 X 26) . Structuur : 1 - 9 - 8 - 1 . Tenakh (77) . Pentateuch (70) . Eerdere Profeten (3) . Latere Profeten (0) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (4) . Gn (63) . Gn 21 (6) : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,5 . (4) Gn 21,6 . (5) Gn 21,8 . (6) Gn 21,10 .
Bij de aartsvaders Abraham , Isaak en Jakob spelen de getallen van hun leeftijden een symbolische betekenis .
- Abraham werd 175 jaar oud . 175 = 5² X 7 . (Gn 25,7) . Merkwaardig is de plaats van dit vers in de bijbel : het 25ste hoofdstuk en het 7de vers .
- Isaak werd 180 jaar oud . 180 = 6² X 5 . (Gn 35,28) .
- Jakob werd 147 jaar oud . 147 = 7² X 3 . (Gn 49,33) . Ook hier is de plaats van dit vers in de bijbel merkwaardig : het 49ste hoofdstuk en het 33ste vers .
Het product van drie opeenvolgende getallen ( 5 - 6 - 7) in het kwadraat , opklimmend , met drie opeenvolgende onpare getallen afdalend .
- Jozef leefde 110 jaar . 110 = 5² + 6² + 7² . De som van drie opeenvolgende getallen in het kwadraat . (Gn 50,22) . Deze plaats in de bijbel is wellicht ook merkwaardig . 5 (50ste hoofdstuk) X 22 (22ste vers) = 110 .
Ook de getalwaarde van de namen kan een symbolische waarde hebben .
- Isaak (Gn 21,3) . jitsëchâq (Isaak) . Getalwaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 90 , chet = 8 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 49 (7 X 7) OF 208 (8 X 26) .
- Jakob (Gn 25,26) . ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 OF 182 (7 X 26) .
- Jozef (Gn 30,24) . Jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samek = 15 of 60 , qoph = 17 of 80 ; totaal : 48 OF 156 (6 X 26) .
Het product van drie opeenvolgende getallen (8 - 7 - 6) in het kwadraat , afdalend , met de getalwaarde van de godsnaam JHWH = 26 .

Gn 21,4 - Gn 21,4 : Geboorte van Isaak - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,1 - Gn 21,2 - Gn 21,3 - Gn 21,4 - Gn 21,5 - Gn 21,6 - Gn 21,7 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4perietemen de abraam ton isaak tè ogdoè èmera katha eneteilato autô o theos  4 et circumcidit eum octavo die sicut praeceperat ei Deus    4 En Abraham besneed zijn zoon Izak, zijnde acht dagen oud, gelijk als hem God geboden had.   [4] Volgens Gods bevel besneed Abraham zijn zoon Isaak toen hij acht dagen oud was.   [4] en hij besneed Isaak toen deze acht dagen oud was, zoals God hem had opgedragen. 4 Abraham besnijdt zijn zoon Isaak als zoon van acht dagen,– zoals hem heeft geboden: God.   4. Abraham circoncit son fils Isaac, quand il eut huit jours, comme Dieu lui avait ordonné.  

King James Bible . [4] And Abraham circumcised his son Isaac being eight days old, as God had commanded him.
Luther-Bibel . 4 und beschnitt ihn am achten Tage, wie ihm Gott geboten hatte.

Tekstuitleg van Gn 21,4 .

4. jitsëchaq (Isaak) . Eigennaam . Taalgebruik in Tenakh : jitsëchâq (Isaak) . Taalgebruik in Genesis : jitsëchâq (Isaak) . De naam is een werkwoordvorm : act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jitsëchâq (hij lachte) van het werkw. tsâchaq (lachen) . Taalgebruik in Tenakh : tsâchaq (lachen) . Getalwaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 90 , chet = 8 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 49 (7 X 7) OF 208 (8 X 26) . Structuur : 1 - 9 - 8 - 1 . Tenakh (77) . Pentateuch (70) . Eerdere Profeten (3) . Latere Profeten (0) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (4) . Gn (63) . Gn 21 (6) : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,5 . (4) Gn 21,6 . (5) Gn 21,8 . (6) Gn 21,10 .

9. ka´äsjèr (zoals) < kë + ´äsjèr (die) OF persoonsnaam ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . Tenakh (488) . Pentateuch (202) . Eerdere Profeten (68) . Latere Profeten (68) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (56) . Gn (40) . Gn 21 (2) : (1) Gn 21,1 . (2) Gn 21,4 .

12. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 22 (8) : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,6 . (4) Gn 21,12 . (5) Gn 21,17 . (6) Gn 21,19 . (7) Gn 21,20 . (8) Gn 21,22 .

Gn 21,5 - Gn 21,5 : Geboorte van Isaak - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,1 - Gn 21,2 - Gn 21,3 - Gn 21,4 - Gn 21,5 - Gn 21,6 - Gn 21,7 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  5 cum centum esset annorum hac quippe aetate patris natus est Isaac     5 En Abraham was honderd jaren oud, als hem Izak zijn zoon geboren werd.  [5] Abraham was honderd jaar toen zijn zoon Isaak geboren werd.  [5] Abraham was honderd jaar toen zijn zoon Isaak werd geboren. 5 Abraham is een ‘zoon van honderd jaar’, – als aan hem gebaard wordt zijn zoon Isaak,– men lacht,  5. Abraham avait cent ans lorsque lui naquit son fils Isaac 

King James Bible . [5] And Abraham was an hundred years old, when his son Isaac was born unto him.
Luther-Bibel . 5 Hundert Jahre war Abraham alt, als ihm sein Sohn Isaak geboren wurde.

Tekstuitleg van Gn 21,5 .

1. wë´abhërâhâm (en Abraham) < verbindingswoord wë + ´abhërâhâm (Abraham) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 248 (2³ X 31) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . Zie : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Tenakh (8) : (1) Gn 17,24 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 18,16 . (4) Gn 18,18 . (5) Gn 18,22 . (6) Gn 18,33. (7) Gn 21,5 . (8) Gn 24,1 .

2. - 3. מְאַת שָׁנָה = mëath sjânâ (100 jaar) . Tenakh (5) : (1) Gn 11,10 . (2) Gn 21,5 . (3) Gn 25,7 . (4) Gn 25,17 . (5) Gn 35,28 .

8. jitsëchaq (Isaak) . Eigennaam . Taalgebruik in Tenakh : jitsëchâq (Isaak) . Taalgebruik in Genesis : jitsëchâq (Isaak) . De naam is een werkwoordvorm : act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jitsëchâq (hij lachte) van het werkw. tsâchaq (lachen) . Taalgebruik in Tenakh : tsâchaq (lachen) . Getalwaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 90 , chet = 8 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 49 (7 X 7) OF 208 (8 X 26) . Structuur : 1 - 9 - 8 - 1 . Tenakh (77) . Pentateuch (70) . Eerdere Profeten (3) . Latere Profeten (0) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (4) . Gn (63) . Gn 21 (6) : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,5 . (4) Gn 21,6 . (5) Gn 21,8 . (6) Gn 21,10 .

Gn 21,6 - Gn 21,6 : Geboorte van Isaak - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,1 - Gn 21,2 - Gn 21,3 - Gn 21,4 - Gn 21,5 - Gn 21,6 - Gn 21,7 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5abraam de èn ekaton etôn ènika egeneto autô isaak o uios autou6eipen de sarra gelôta moi epoièsen kurios os gar an akousè sugchareitai moi  6 dixitque Sarra risum fecit mihi Deus quicumque audierit conridebit mihi     6 En Sara zeide: God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mij lachen.  [6] Sara zei: ‘God heeft gemaakt dat ik lachen* kon, en iedereen die het hoort, zal meelachen.’   [6] ‘God maakt dat ik kan lachen,’ zei Sara, ‘en iedereen die dit hoort zal met mij mee lachen.  6 en Sara zegt: lachen heeft God mij aangedaan!– ieder die het hoort zal om mij lachen!  . 6. Et Sara dit : Dieu m'a donné de quoi rire, tous ceux qui l'apprendront me souriront. 

King James Bible . [6] And Sarah said, God hath made me to laugh, so that all that hear will laugh with me.
Luther-Bibel . 6 Und Sara sprach: Gott hat mir ein Lachen zugerichtet; denn wer es hören wird, der wird über mich lachen.

Tekstuitleg van Gn 21,6 .

2. shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . De getalwaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 46 (2 X 23) of 505 (5 X 101) . Structuur : 3 - 2 - 5 . Tenakh (28) . Pentateuch (26) . Gn (26) . Gn 17 (4) : (1) Gn 17,15 . (2) Gn 17,17 . (3) Gn 17,19 . (4) Gn 17,21 . Gn 18 (5) : (1) Gn 18,6 . (2) Gn 18,9 . (3) Gn 18,12 . (4) Gn 18,13 . (5) Gn 18,15 . Gn 20 (3) : (1) Gn 20,2 . (2) Gn 20,14 . (3) Gn 20,18 . Gn 21 (7) : (1) Gn 21,1. (2) Gn 21,2 . (3) Gn 21,3 . (4) Gn 21,6 . (5) Gn 21,7 . (6) Gn 21,9 . (7) Gn 21,12 . Gn 23 (3) : (1) Gn 23,1 . (2) Gn 23,2 . (3) Gn 23,19 . Gn 24 () : (1) Gn 24,36 . (2) Gn 24,67 . Gn 25 (1) : Gn 25,12 . Gn 49 (1) : Gn 49,31 . Verder : (1) Js 51,2 . (2) Hos 12,4 . wëshârâh (en Sara) . Tenakh (3) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 25,10 . lëshârâh (voor Sara) . Tenakh (4) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 21,1 . (4) Gn 23,2 .

6. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 22 (8) : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,6 . (4) Gn 21,12 . (5) Gn 21,17 . (6) Gn 21,19 . (7) Gn 21,20 . (8) Gn 21,22 .

9. jitsëchaq (Isaak) . Eigennaam . Taalgebruik in Tenakh : jitsëchâq (Isaak) . Taalgebruik in Genesis : jitsëchâq (Isaak) . De naam is een werkwoordvorm : act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jitsëchâq (hij lachte) van het werkw. tsâchaq (lachen) . Taalgebruik in Tenakh : tsâchaq (lachen) . Getalwaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 90 , chet = 8 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 49 (7 X 7) OF 208 (8 X 26) . Structuur : 1 - 9 - 8 - 1 . Tenakh (77) . Pentateuch (70) . Eerdere Profeten (3) . Latere Profeten (0) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (4) . Gn (63) . Gn 21 (6) : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,5 . (4) Gn 21,6 . (5) Gn 21,8 . (6) Gn 21,10 .

Gn 21,7 - Gn 21,7 : Geboorte van Isaak - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,1 - Gn 21,2 - Gn 21,3 - Gn 21,4 - Gn 21,5 - Gn 21,6 - Gn 21,7 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7kai eipen tis anaggelei tô abraam oti thèlazei paidion sarra oti etekon uion en tô gèrei mou  7 rursumque ait quis auditurum crederet Abraham quod Sarra lactaret filium quem peperit ei iam seni     7 Voorts zeide zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom. [7] En ze voegde eraan toe: ‘Wie zou Abraham hebben durven voorspellen, dat Sara nog kinderen zou voeden? En nu heb ik hem op zijn oude dag een zoon geschonken!’  [7] Wie had Abraham durven voorspellen dat ik ooit een kind de borst zou geven? En toch heb ik hem op zijn oude dag nog een zoon gebaard!’  7 En zij zegt: wie had aan Abraham durven voorspellen ‘Sara zal zonen zogen?’ ja, in zijn ouderdom heb ik een zoon gebaard!  7. Elle dit aussi : Qui aurait dit à Abraham que Sara allaiterait des enfants ! car j'ai donné un fils à sa vieillesse. 

King James Bible . [7] And she said, Who would have said unto Abraham, that Sarah should have given children suck? for I have born him a son in his old age.
Luther-Bibel . 7 Und sie sprach: Wer hätte wohl von Abraham gesagt, dass Sara Kinder stille! Und doch habe ich ihm einen Sohn geboren in seinem Alter.

Tekstuitleg van Gn 21,7 .

4. lë´abhërâhâm (aan Abraham) < voorzetsel lë + ´abhërâhâm (Abraham) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 248 (2³ X 31) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . Zie : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Tenakh (27) . Pentateuch (26) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (0) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (0) . Gn (15) : (1) Gn 20,9 . (2) Gn 20,14 . (3) Gn 21,2 . (4) Gn 21,7 . (5) Gn 21,9 . (6) Gn 21,10 . (7) Gn 22,20 . (8) Gn 23,18 . (9) Gn 23,20 . (10) Gn 25,6 . (11) Gn 25,12 . (12) Gn 26,3 . (13) Gn 28,4 . (14) Gn 35,12 . (15) Gn 50,24 .

7. shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . De getalwaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 46 (2 X 23) of 505 (5 X 101) . Structuur : 3 - 2 - 5 . Tenakh (28) . Pentateuch (26) . Gn (26) . Gn 17 (4) : (1) Gn 17,15 . (2) Gn 17,17 . (3) Gn 17,19 . (4) Gn 17,21 . Gn 18 (5) : (1) Gn 18,6 . (2) Gn 18,9 . (3) Gn 18,12 . (4) Gn 18,13 . (5) Gn 18,15 . Gn 20 (3) : (1) Gn 20,2 . (2) Gn 20,14 . (3) Gn 20,18 . Gn 21 (7) : (1) Gn 21,1. (2) Gn 21,2 . (3) Gn 21,3 . (4) Gn 21,6 . (5) Gn 21,7 . (6) Gn 21,9 . (7) Gn 21,12 . Gn 23 (3) : (1) Gn 23,1 . (2) Gn 23,2 . (3) Gn 23,19 . Gn 24 () : (1) Gn 24,36 . (2) Gn 24,67 . Gn 25 (1) : Gn 25,12 . Gn 49 (1) : Gn 49,31 . Verder : (1) Js 51,2 . (2) Hos 12,4 . wëshârâh (en Sara) . Tenakh (3) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 25,10 . lëshârâh (voor Sara) . Tenakh (4) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 21,1 . (4) Gn 23,2 .

Hagar en Ismaël : Gn 21,8-21 -- bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,8 - Gn 21,9 - Gn 21,10 - Gn 21,11 - Gn 21,12 - Gn 21,13 - Gn 21,14 - Gn 21,15 - Gn 21,16 - Gn 21,17 - Gn 21,18 - Gn 21,19 - Gn 21,20 - Gn 21,21 -

Gn 21,8 - Gn 21,8 : Hagar en Ismaël - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,8 - Gn 21,9 - Gn 21,10 - Gn 21,11 - Gn 21,12 - Gn 21,13 - Gn 21,14 - Gn 21,15 - Gn 21,16 - Gn 21,17 - Gn 21,18 - Gn 21,19 - Gn 21,20 - Gn 21,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8kai èuxèthè to paidion kai apegalaktisthè kai epoièsen abraam dochèn megalèn è èmera apegalaktisthè isaak o uios autou  8 crevit igitur puer et ablactatus est fecitque Abraham grande convivium in die ablactationis eius    8 En het kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte Abraham een groten maaltijd op den dag, als Izak gespeend werd.   [8] Het kind groeide op en werd van* de borst genomen. Op de dag dat Isaak van de borst genomen werd, gaf Abraham een groot feest.   [8] Het kind groeide voorspoedig op, en toen de dag gekomen was dat het van de borst werd genomen, gaf Abraham een groot feest.   8 De nieuwgeborene wordt groter en wordt van de borst genomen; dus maakt Abraham een groot feestmaal klaar op de dag dat Isaak van de borst genomen wordt.  8. L'enfant grandit et fut sevré, et Abraham fit un grand festin le jour où l'on sevra Isaac. 

King James Bible . [8] And the child grew, and was weaned: and Abraham made a great feast the same day that Isaac was weaned.
Luther-Bibel . 8 Und das Kind wuchs heran und wurde entwöhnt. Und Abraham machte ein großes Mahl am Tage, da Isaak entwöhnt wurde.

Tekstuitleg van Gn 21,8 .

11. jitsëchaq (Isaak) . Eigennaam . Taalgebruik in Tenakh : jitsëchâq (Isaak) . Taalgebruik in Genesis : jitsëchâq (Isaak) . De naam is een werkwoordvorm : act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jitsëchâq (hij lachte) van het werkw. tsâchaq (lachen) . Taalgebruik in Tenakh : tsâchaq (lachen) . Getalwaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 90 , chet = 8 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 49 (7 X 7) OF 208 (8 X 26) . Structuur : 1 - 9 - 8 - 1 . Tenakh (77) . Pentateuch (70) . Eerdere Profeten (3) . Latere Profeten (0) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (4) . Gn (63) . Gn 21 (6) : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,5 . (4) Gn 21,6 . (5) Gn 21,8 . (6) Gn 21,10 .

Gn 21,9 - Gn 21,9 : Hagar en Ismaël - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,8 - Gn 21,9 - Gn 21,10 - Gn 21,11 - Gn 21,12 - Gn 21,13 - Gn 21,14 - Gn 21,15 - Gn 21,16 - Gn 21,17 - Gn 21,18 - Gn 21,19 - Gn 21,20 - Gn 21,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9idousa de sarra ton uion agar tès aiguptias os egeneto tô abraam paizonta meta isaak tou uiou autès  9 cumque vidisset Sarra filium Agar Aegyptiae ludentem dixit ad Abraham     9 En Sara zag den zoon van Hagar, de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, spottende.   [9] Maar toen Sara de zoon die Hagar, de Egyptische, aan Abraham geschonken had, eens zag lachen,   [9] Sara zag dat de zoon die Abraham bij Hagar, haar Egyptische slavin, had gekregen, spottend lachte.   9 ¶ Dan ziet Sara de zoon van Hagar de Egyptische –die zij aan Abraham gebaard heeft– lachen,   9. Or Sara aperçut le fils né à Abraham de l'Égyptienne Agar, qui jouait avec son fils Isaac, 

King James Bible . [9] And Sarah saw the son of Hagar the Egyptian, which she had born unto Abraham, mocking.
Luther-Bibel . 9 Und Sara sah den Sohn Hagars, der Ägypterin, den sie Abraham geboren hatte, wie er Mutwillen trieb.

Tekstuitleg van Gn 21,9 .

2. shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . De getalwaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 46 (2 X 23) of 505 (5 X 101) . Structuur : 3 - 2 - 5 . Tenakh (28) . Pentateuch (26) . Gn (26) . Gn 17 (4) : (1) Gn 17,15 . (2) Gn 17,17 . (3) Gn 17,19 . (4) Gn 17,21 . Gn 18 (5) : (1) Gn 18,6 . (2) Gn 18,9 . (3) Gn 18,12 . (4) Gn 18,13 . (5) Gn 18,15 . Gn 20 (3) : (1) Gn 20,2 . (2) Gn 20,14 . (3) Gn 20,18 . Gn 21 (7) : (1) Gn 21,1. (2) Gn 21,2 . (3) Gn 21,3 . (4) Gn 21,6 . (5) Gn 21,7 . (6) Gn 21,9 . (7) Gn 21,12 . Gn 23 (3) : (1) Gn 23,1 . (2) Gn 23,2 . (3) Gn 23,19 . Gn 24 () : (1) Gn 24,36 . (2) Gn 24,67 . Gn 25 (1) : Gn 25,12 . Gn 49 (1) : Gn 49,31 . Verder : (1) Js 51,2 . (2) Hos 12,4 . wëshârâh (en Sara) . Tenakh (3) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 25,10 . lëshârâh (voor Sara) . Tenakh (4) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 21,1 . (4) Gn 23,2 .

7. ´äsjèr (die) OF persoonsnaam ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Taalgebruik in Jesaja : ´äsjèr (die) . Taalgebruik in Amos : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . Tenakh (4012) . Pentateuch (1378) . Eerdere Profeten (1114) . Latere Profeten (717) . 12 Kleine Profeten (106) . Geschriften (697) . Gn (307) . Gn 21 (8) : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,3 . (3) Gn 21,9 . (4) Gn 21,12 . (5) Gn 21,22 . (6) Gn 21,23 . (7) Gn 21,25 . (8) Gn 21,29 .

8. jâlëdâh (zij baarde) . Actief qal perfectum derde persoon vrouwelijk enkelvoud . Zie : thôlëdôth (ontstaansgeschiedenissen) . Taalgebruik in Tenakh : thôlëdôth (ontstaansgeschiedenissen) . Tenakh (43) . Pentateuch (23) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (8) . Gn (22) : (1) Gn 4,22 (Silla - Tubal-Kaïn) . (2) Gn 16,1 (lo´ jâlëdâh - Saraj - baarde niet) . (3) Gn 16,15 (Hagar - Ismaël) . (4) Gn 19,38 : (jongste dochter van Moab - Ben-Ammi) . (5) Gn 21,3 (Sara - Isaak) . (6) Gn 21,9 (Sara verwijst naar Hagar - Ismaël) . (7) Gn 22,20 (Milka, de vrouw van Nachor , broer van Abraham - verschillende kinderen) . (8) Gn 22,23 (de jongste zoon van Milka is Betuël , de vader van Rebekka , de schoondochter van Abraham) . (9) jullëdâh : pual perfectum (verwijzing naar Rebekka, de dochter van Betuël... ) . (10) Gn 24,24 (de afkomst van Rebekka) . (11) Gn 24,47 (de afkomst van Rebekka) . (12) Gn 25,12 (verwijzing naar de nakomelingen van Ismaël, de zoon van Abraham en Hagar) . (13) Gn 30,1 (lo´ jâlëdâh - Saraj - baarde niet) . (14) Gn 30,21 (Lea - Dina) . (15) Gn 30,25 (verwijzing naar Rachel - Jozef) . (16) Gn 34,1 (verwijzing naar Lea - Dina) . (17) Gn 36,4 (Basemat, een derde vrouw van Esau, - Reüel) . (18) Gn 36,5 (Oholibama, de tweede vrouw van Esau, - verschillende zonen) . (19) Gn 41,50 (Asnat, de vrouw van Jozef, - Manasse) . (20) Gn 44,27 (verwijzing naar Rachel en haar twee zonen) . (21) Gn 46,15 (verwijzing naar Le en haar kinderen) . (22) Gn 46,20 (verwijzing naar Asnat, de vrouw van Jozef en haar twee zonen) . Re 13,2 : wëlo ´jâlâdâh (en zij - de moeder van Simson - baarde niet) .

9. lë´abhërâhâm (aan Abraham) < voorzetsel lë + ´abhërâhâm (Abraham) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 248 (2³ X 31) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . Zie : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Tenakh (27) . Pentateuch (26) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (0) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (0) . Gn (15) : (1) Gn 20,9 . (2) Gn 20,14 . (3) Gn 21,2 . (4) Gn 21,7 . (5) Gn 21,9 . (6) Gn 21,10 . (7) Gn 22,20 . (8) Gn 23,18 . (9) Gn 23,20 . (10) Gn 25,6 . (11) Gn 25,12 . (12) Gn 26,3 . (13) Gn 28,4 . (14) Gn 35,12 . (15) Gn 50,24 .

Gn 21,10 - Gn 21,10 : Hagar en Ismaël - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,8 - Gn 21,9 - Gn 21,10 - Gn 21,11 - Gn 21,12 - Gn 21,13 - Gn 21,14 - Gn 21,15 - Gn 21,16 - Gn 21,17 - Gn 21,18 - Gn 21,19 - Gn 21,20 - Gn 21,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10kai eipen tô abraam ekbale tèn paidiskèn tautèn kai ton uion autès ou gar klèronomèsei o uios tès paidiskès tautès meta tou uiou mou isaak  10 eice ancillam hanc et filium eius non enim erit heres filius ancillae cum filio meo Isaac     10 En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven.   [10] zei ze tegen Abraham: ‘Verjaag de slavin en haar zoon, want de zoon van de slavin hoort de erfenis niet te delen met mijn zoon Isaak.’   [10] Daarom zei ze tegen Abraham: ‘Jaag die slavin en haar zoon weg, want ik wil niet dat mijn zoon Isaak later de erfenis moet delen met de zoon van die slavin.’   10 en zegt tot Abraham: jaag deze slavin weg met die zoon van haar; want de zoon van deze slavin mag niet erven samen met mijn zoon, met Isaak!   10. et elle dit à Abraham : Chasse cette servante et son fils, il ne faut pas que le fils de cette servante hérite avec mon fils Isaac.  

King James Bible . [10] Wherefore she said unto Abraham, Cast out this bondwoman and her son: for the son of this bondwoman shall not be heir with my son, even with Isaac.
Luther-Bibel . 10 Da sprach sie zu Abraham: Treibe diese Magd aus mit ihrem Sohn; denn der Sohn dieser Magd soll nicht erben mit meinem Sohn Isaak.

Tekstuitleg van Gn 21,10 .

2. lë´abhërâhâm (aan Abraham) < voorzetsel lë + ´abhërâhâm (Abraham) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 248 (2³ X 31) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . Zie : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Tenakh (27) . Pentateuch (26) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (0) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (0) . Gn (15) : (1) Gn 20,9 . (2) Gn 20,14 . (3) Gn 21,2 . (4) Gn 21,7 . (5) Gn 21,9 . (6) Gn 21,10 . (7) Gn 22,20 . (8) Gn 23,18 . (9) Gn 23,20 . (10) Gn 25,6 . (11) Gn 25,12 . (12) Gn 26,3 . (13) Gn 28,4 . (14) Gn 35,12 . (15) Gn 50,24 .

17. jitsëchaq (Isaak) . Eigennaam . Taalgebruik in Tenakh : jitsëchâq (Isaak) . Taalgebruik in Genesis : jitsëchâq (Isaak) . De naam is een werkwoordvorm : act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jitsëchâq (hij lachte) van het werkw. tsâchaq (lachen) . Taalgebruik in Tenakh : tsâchaq (lachen) . Getalwaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 90 , chet = 8 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 49 (7 X 7) OF 208 (8 X 26) . Structuur : 1 - 9 - 8 - 1 . Tenakh (77) . Pentateuch (70) . Eerdere Profeten (3) . Latere Profeten (0) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (4) . Gn (63) . Gn 21 (6) : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,5 . (4) Gn 21,6 . (5) Gn 21,8 . (6) Gn 21,10 .
Bij de aartsvaders Abraham , Isaak en Jakob spelen de getallen van hun leeftijden een symbolische betekenis .
- Abraham werd 175 jaar oud . 175 = 5² X 7 . (Gn 25,7) . Merkwaardig is de plaats van dit vers in de bijbel : het 25ste hoofdstuk en het 7de vers .
- Isaak werd 180 jaar oud . 180 = 6² X 5 . (Gn 35,28) .
- Jakob werd 147 jaar oud . 147 = 7² X 3 . (Gn 49,33) . Ook hier is de plaats van dit vers in de bijbel merkwaardig : het 49ste hoofdstuk en het 33ste vers .
Het product van drie opeenvolgende getallen ( 5 - 6 - 7) in het kwadraat , opklimmend , met drie opeenvolgende onpare getallen afdalend .
- Jozef leefde 110 jaar . 110 = 5² + 6² + 7² . De som van drie opeenvolgende getallen in het kwadraat . (Gn 50,22) . Deze plaats in de bijbel is wellicht ook merkwaardig . 5 (50ste hoofdstuk) X 22 (22ste vers) = 110 .
Ook de getalwaarde van de namen kan een symbolische waarde hebben .
- Isaak (Gn 21,3) . jitsëchâq (Isaak) . Getalwaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 90 , chet = 8 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 49 (7 X 7) OF 208 (8 X 26) .
- Jakob (Gn 25,26) . ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 OF 182 (7 X 26) .
- Jozef (Gn 30,24) . Jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samek = 15 of 60 , qoph = 17 of 80 ; totaal : 48 OF 156 (6 X 26) .
Het product van drie opeenvolgende getallen (8 - 7 - 6) in het kwadraat , afdalend , met de getalwaarde van de godsnaam JHWH = 26 .

Gn 21,11 - Gn 21,11 : Hagar en Ismaël - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,8 - Gn 21,9 - Gn 21,10 - Gn 21,11 - Gn 21,12 - Gn 21,13 - Gn 21,14 - Gn 21,15 - Gn 21,16 - Gn 21,17 - Gn 21,18 - Gn 21,19 - Gn 21,20 - Gn 21,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11sklèron de efanè to rèma sfodra enantion abraam peri tou uiou autou  11 dure accepit hoc Abraham pro filio suo   11 En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon.   [11] Abraham vond deze eis zeer ongepast, omdat het toch om een zoon van hem ging.   [11] Dit voorstel beviel Abraham allerminst; het ging immers om zijn eigen zoon.  11 Zeer slecht is dit woord in de ogen van Abraham, om het belang van zijn zoon.   11. Cette parole déplut beaucoup à Abraham, à propos de son fils,  

King James Bible . [11] And the thing was very grievous in Abraham's sight because of his son.
Luther-Bibel . 11 Das Wort missfiel Abraham sehr um seines Sohnes willen.

Tekstuitleg van Gn 21,11 . Het vers Gn 21,11 telt 8 (2³) woorden en 30 (2 X 3 X 5) letters . De getalwaarde van Gn 21,11 is 1501 (19 X 79) .

Gn 21,11.1. - 2. wajjera` haddâbâr (en het woord/gebeuren) was slecht) . Tenakh (3) : (1) Gn 21,11 . (2) 1 S 8,6 . (3) 2 S 11,27 . De overeenkomst tussen Gn 21,11 en 2 S 11,27 is zeer groot . Na wajjera` haddâbâr (en het woord/gebeuren was slecht) volgt bë`e(j)ne(j) (in de ogen van) + persoonsnaam. Abraham is ontstemd over de vraag van Sara om Hagar en haar zoon weg te sturen. Samuël is ontstemd over de vraag van alle oudsten van Israël om een koning aan te stellen .

Gn 21,12 - Gn 21,12 : Hagar en Ismaël - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,8 - Gn 21,9 - Gn 21,10 - Gn 21,11 - Gn 21,12 - Gn 21,13 - Gn 21,14 - Gn 21,15 - Gn 21,16 - Gn 21,17 - Gn 21,18 - Gn 21,19 - Gn 21,20 - Gn 21,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12eipen de o theos tô abraam mè sklèron estô to rèma enantion sou peri tou paidiou kai peri tès paidiskès panta osa ean eipè soi sarra akoue tès fônès autès oti en isaak klèthèsetai soi sperma  12 cui dixit Deus non tibi videatur asperum super puero et super ancilla tua omnia quae dixerit tibi Sarra audi vocem eius quia in Isaac vocabitur tibi semen     12 Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden.   [12] God zei echter tegen hem: ‘Wat Sara ten aanzien van de jongen en uw slavin eist, moet u niet als ongepast beschouwen. Luister naar alles wat zij u zegt: want zij die van Isaak afstammen, zullen gelden als uw nageslacht.  [12] Maar God zei tegen hem: ‘Je hoeft je niet bezwaard te voelen vanwege de jongen of je slavin. Alles wat Sara je vraagt moet je doen, want alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als jouw nageslacht.  12 Maar dan zegt God tot Abraham: laat het niet slecht zijn in je ogen om de jongen en je slavin, al wat Sara tot je zegt; hoor naar haar stem, want door Isaak zal zaad naar jou worden genoemd;   12. mais Dieu lui dit : Ne te chagrine pas à cause du petit et de ta servante, tout ce que Sara te demande, accorde-le, car c'est par Isaac qu'une descendance perpétuera ton nom,  

King James Bible . [12] And God said unto Abraham, Let it not be grievous in thy sight because of the lad, and because of thy bondwoman; in all that Sarah hath said unto thee, hearken unto her voice; for in Isaac shall thy seed be called.
Luther-Bibel . 12 Aber Gott sprach zu ihm: Lass es dir nicht missfallen wegen des Knaben und der Magd. Alles, was Sara dir gesagt hat, dem gehorche; denn nur nach Isaak soll dein Geschlecht benannt werden.

Tekstuitleg van Gn 21,12 .

2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 22 (8) : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,6 . (4) Gn 21,12 . (5) Gn 21,17 . (6) Gn 21,19 . (7) Gn 21,20 . (8) Gn 21,22 .

3. - 4. ´èl ´abhërâhâm (tot Abraham) . Tenakh (12) : (1) Gn 17,9 . (2) Gn 17,15 . (3) Gn 18,13 . (4) Gn 18,33 . (5) Gn 20,10 . (6) Gn 21,12 . (7) Gn 21,22 . (8) Gn 21,29 . (9) Gn 22,7 . (10) Gn 22,15 . (11) Ex 6,3 . (12) Js 51,2 .

13. ´äsjèr (die) OF persoonsnaam ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . Tenakh (4012) . Pentateuch (1378) . Eerdere Profeten (1114) . Latere Profeten (717) . 12 Kleine Profeten (106) . Geschriften (697) . Gn (307) . Gn 21 (8) : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,3 . (3) Gn 21,9 . (4) Gn 21,12 . (5) Gn 21,22 . (6) Gn 21,23 . (7) Gn 21,25 . (8) Gn 21,29 .

16. shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . De getalwaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 46 (2 X 23) of 505 (5 X 101) . Structuur : 3 - 2 - 5 . Tenakh (28) . Pentateuch (26) . Gn (26) . Gn 17 (4) : (1) Gn 17,15 . (2) Gn 17,17 . (3) Gn 17,19 . (4) Gn 17,21 . Gn 18 (5) : (1) Gn 18,6 . (2) Gn 18,9 . (3) Gn 18,12 . (4) Gn 18,13 . (5) Gn 18,15 . Gn 20 (3) : (1) Gn 20,2 . (2) Gn 20,14 . (3) Gn 20,18 . Gn 21 (7) : (1) Gn 21,1. (2) Gn 21,2 . (3) Gn 21,3 . (4) Gn 21,6 . (5) Gn 21,7 . (6) Gn 21,9 . (7) Gn 21,12 . Gn 23 (3) : (1) Gn 23,1 . (2) Gn 23,2 . (3) Gn 23,19 . Gn 24 () : (1) Gn 24,36 . (2) Gn 24,67 . Gn 25 (1) : Gn 25,12 . Gn 49 (1) : Gn 49,31 . Verder : (1) Js 51,2 . (2) Hos 12,4 . wëshârâh (en Sara) . Tenakh (3) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 25,10 . lëshârâh (voor Sara) . Tenakh (4) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 21,1 . (4) Gn 23,2 .

Gn 21,13 - Gn 21,13 : Hagar en Ismaël - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,8 - Gn 21,9 - Gn 21,10 - Gn 21,11 - Gn 21,12 - Gn 21,13 - Gn 21,14 - Gn 21,15 - Gn 21,16 - Gn 21,17 - Gn 21,18 - Gn 21,19 - Gn 21,20 - Gn 21,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13kai ton uion de tès paidiskès tautès eis ethnos mega poièsô auton oti sperma son estin  13 sed et filium ancillae faciam in gentem magnam quia semen tuum est     13 Doch Ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is.   [13] Maar ook de zoon van de slavin zal Ik tot een volk maken, omdat ook hij een kind van u is.’  [13] Maar ook uit de zoon van je slavin zal ik een volk doen voortkomen, omdat ook hij een kind van je is.’  13 en ook de zoon van de slavin,– tot een volk maak ik hem; want jouw zaad is hij.   13. mais du fils de la servante je ferai aussi une grande nation car il est de ta race. 

King James Bible . [13] And also of the son of the bondwoman will I make a nation, because he is thy seed.
Luther-Bibel . 13 Aber auch den Sohn der Magd will ich zu einem Volk machen, weil er dein Sohn ist.

Tekstuitleg van Gn 21,13 .

Gn 21,13.5. lëgôj (tot volk) . Voorzetsel lë + zelfstandig naamwoord gôj (volk) . Taalgebruik in Tenakh : gôj (volk) . Gr. ethnos (volk) . Getalwaarde : gimel = 3 , waw = 6 , jod = 10 ; totaal : 19 . Structuur : 3 - 6 - 1 . Taalgebruik in de Septuaginta. : ethnos (volk) . Taalgebruik in het NT : ethnos (volk) . Lat. populus . Fr. peuple . E. people . Ned. volk . D. Volk . Tenakh (15) : (1) Gn 12,2 . (2) Gn 17,20 . (3) Gn 18,18 . (4) Gn 21,13 . (5) Gn 21,18 . (6) Gn 46,3 . (7) Ex 9,24 . (8) Ex 32,10 . (9) Nu 14,12 . (10) Dt 9,14 . (11) Dt 26,5 . (12) Js 26,15 . (13) Js 60,22 . (14) Ez 37,22 . (15) Mi 4,7 .

Gn 21,13.5. - 6. Gn 21,13 : lëgôj ´äshîmènnû (ik zal hem tot een volk maken) . Gn 21,18 : lëgôj gädôl lëgôj ´äshîmènnû (ik zal hem tot een groot volk maken) . Zie verder Gn 46,3 : lëgôj gädôl ´äshîmëkhâ (tot een groot volk zal ik je maken) .

Gn 21,14 - Gn 21,14 : Hagar en Ismaël - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,8 - Gn 21,9 - Gn 21,10 - Gn 21,11 - Gn 21,12 - Gn 21,13 - Gn 21,14 - Gn 21,15 - Gn 21,16 - Gn 21,17 - Gn 21,18 - Gn 21,19 - Gn 21,20 - Gn 21,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14anestè de abraam to prôi kai elaben artous kai askon udatos kai edôken agar kai epethèken epi ton ômon kai to paidion kai apesteilen autèn apelthousa de eplanato tèn erèmon kata to frear tou orkou  14 surrexit itaque Abraham mane et tollens panem et utrem aquae inposuit scapulae eius tradiditque puerum et dimisit eam quae cum abisset errabat in solitudine Bersabee    14 Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en nam brood, en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-seba. 
[14] Abraham voorzag Hagar de volgende ochtend van brood en een zak water, zette het kind op haar schouder en stuurde hen weg. Maar onderweg verdwaalde zij in de woestijn van Berseba.  

[14] De volgende morgen vroeg nam Abraham brood en een zak water, legde dat op Hagars schouder, gaf haar ook het kind mee en stuurde haar weg. Ze trok de woestijn van Berseba in en doolde daar rond.
14 ¶ Abraham recht zijn schouders vroeg in de morgen, neemt een brood en een zak water, geeft dat aan Hagar, legt het op haar schouder, zo ook het kind, en zendt haar heen; ze gaat heen en verdwaalt in de woestijn van Beëer Sjeva.   14. Abraham se leva tôt, il prit du pain et une outre d'eau qu'il donna à Agar, et il mit l'enfant sur son épaule, puis il la renvoya. Elle s'en fut errer au désert de Bersabée. 

King James Bible . [14] And Abraham rose up early in the morning, and took bread, and a bottle of water, and gave it unto Hagar, putting it on her shoulder, and the child, and sent her away: and she departed, and wandered in the wilderness of Beer-sheba.
Luther-Bibel . 14 Da stand Abraham früh am Morgen auf und nahm Brot und einen Schlauch mit Wasser und legte es Hagar auf ihre Schulter, dazu den Knaben, und schickte sie fort. Da zog sie hin und irrte in der Wüste umher bei Beerscheba.

Tekstuitleg van Gn 21,14 .

Gn 21,15 - Gn 21,15 : Hagar en Ismaël - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,8 - Gn 21,9 - Gn 21,10 - Gn 21,11 - Gn 21,12 - Gn 21,13 - Gn 21,14 - Gn 21,15 - Gn 21,16 - Gn 21,17 - Gn 21,18 - Gn 21,19 - Gn 21,20 - Gn 21,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15exelipen de to udôr ek tou askou kai erripsen to paidion upokatô mias elatès 15 cumque consumpta esset aqua in utre abiecit puerum subter unam arborum quae ibi erant     15 Als nu het water van de fles uit was, zo wierp zij het kind onder een van de struiken.   [15] Toen de waterzak leeg was, legde zij het kind onder een struik   [15] Toen het water uit de zak op was, liet ze haar kind onder een struik achter. 15 Als de laatste druppels water uit de zak op zijn zendt ze de geborene heen onder één van de struiken.  15. Quand l'eau de l'outre fut épuisée, elle jeta l'enfant sous un buisson  

King James Bible . [15] And the water was spent in the bottle, and she cast the child under one of the shrubs.
Luther-Bibel . 15 Als nun das Wasser in dem Schlauch ausgegangen war, warf sie den Knaben unter einen Strauch

Tekstuitleg van Gn 21,15 .

Gn 21,16 - Gn 21,16 : Hagar en Ismaël - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,8 - Gn 21,9 - Gn 21,10 - Gn 21,11 - Gn 21,12 - Gn 21,13 - Gn 21,14 - Gn 21,15 - Gn 21,16 - Gn 21,17 - Gn 21,18 - Gn 21,19 - Gn 21,20 - Gn 21,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
16apelthousa de ekathèto apenanti autou makrothen ôsei toxou bolèn eipen gar ou mè idô ton thanaton tou paidiou mou kai ekathisen apenanti autou anaboèsan de to paidion eklausen  16 et abiit seditque e regione procul quantum potest arcus iacere dixit enim non videbo morientem puerum et sedens contra levavit vocem suam et flevit    16 En zij ging en zette zich tegenover, afgaande zo verre, als die met den boog schieten; want zij zeide: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover, en hief haar stem op, en weende.   [16] en ging op een boogschot afstand zitten, want zij dacht: ‘Ik kan mijn kind niet zien sterven.’ Ze bleef daar zitten en weende luid.  [16] Zelf ging ze een eindje verderop zitten, op een boogschot afstand, omdat ze niet kon aanzien hoe haar kind stierf. En terwijl ze daar zo zat, huilde ze bittere tranen.   16 Ze gaat heen en zet zich, zij alleen, daartegenover, op een boogschot afstand,– want, heeft ze gezegd, ik kan niet aanzien hoe deze geborene sterft; ze zit daar tegenover, verheft haar stem en weent.   16. et elle alla s'asseoir vis-à-vis, loin comme une portée d'arc. Elle se disait en effet : Je ne veux pas voir mourir l'enfant ! Elle s'assit vis-à-vis et se mit à crier et à pleurer. 

King James Bible . [16] And she went, and sat her down over against him a good way off, as it were a bowshot: for she said, Let me not see the death of the child. And she sat over against him, and lift up her voice, and wept.
Luther-Bibel . 16 und ging hin und setzte sich gegenüber von ferne, einen Bogenschuss weit; denn sie sprach: Ich kann nicht ansehen des Knaben Sterben. Und sie setzte sich gegenüber und erhob ihre Stimme und weinte.

Tekstuitleg van Gn 21,16 .

Gn 21,17 - Gn 21,17 : Hagar en Ismaël - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,8 - Gn 21,9 - Gn 21,10 - Gn 21,11 - Gn 21,12 - Gn 21,13 - Gn 21,14 - Gn 21,15 - Gn 21,16 - Gn 21,17 - Gn 21,18 - Gn 21,19 - Gn 21,20 - Gn 21,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
17eisèkousen de o theos tès fônès tou paidiou ek tou topou ou èn kai ekalesen aggelos tou theou tèn agar ek tou ouranou kai eipen autè ti estin agar mè fobou epakèkoen gar o theos tès fônès tou paidiou sou ek tou topou ou estin  17 exaudivit autem Deus vocem pueri vocavitque angelus Domini Agar de caelo dicens quid agis Agar noli timere exaudivit enim Deus vocem pueri de loco in quo est  wajjisjëma` ´èlohîm   17 En God hoorde de stem van den jongen; en de Engel Gods riep Hagar toe uit den hemel, en zeide tot haar: Wat is u, Hagar? Vrees niet; want God heeft naar des jongens stem gehoord, ter plaatse, waar hij is.  
[17] God* hoorde het wenen van de jongen, en de engel* van God riep uit de hemel tot Hagar: ‘Wat is er, Hagar? Wees niet bang, want God heeft in zijn verblijf het wenen van uw kind gehoord.  
[17] Maar God hoorde de jongen kermen, en een engel van God riep Hagar vanuit de hemel toe: ‘Wat is er, Hagar? Wees niet bezorgd: God heeft je jongen, die daar ligt te kermen, gehoord.  17 Maar dan hoort God de stem van de jongen en roept de engel van God tot Hagar vanuit de hemelen en zegt tot haar: wat is er met jou, Hagar?– vrees niet, want gehoord heeft God naar de stem van de jongen daar waar hij is;   17. Dieu entendit les cris du petit et l'Ange de Dieu appela du ciel Agar et lui dit : Qu'as-tu, Agar ? Ne crains pas, car Dieu a entendu les cris du petit, là où il était.  

King James version . And God heard the voice of the lad; and the angel of God called to Hagar out of heaven, and said unto her, What aileth thee, Hagar? fear not; for God hath heard the voice of the lad where he is.
Luther-Bibel (1984) . 17 Da erhörte Gott die Stimme des Knaben. Und der Engel Gottes rief Hagar vom Himmel her und sprach zu ihr: Was ist dir, Hagar? Fürchte dich nicht; denn Gott hat gehört die Stimme des Knaben, der dort liegt.

Tekstuitleg van Gn 21,17 . Dit vers Gn 21,17 telt 28 ( = 2 X 2 X 7) woorden en 94 ( = 2 X 2 X 23) letters . De getalwaarde van dit vers Gn 21,17 is 5712 ( = 2 X 2 X 2 X 2 X 3 X 7 X 17) . Voor de tweede maal is er een goddelijke tussenkomst ten voordele van Hagar en haar zoon in de woestijn . De eerste tussenkomst gebeurde in Gn 16,11 : kî sjâma JHWH (want JHWH hoorde) , toen zij zwanger van Ismaël naar de woestijn vluchtte .

Gn 21,17.1. וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` (en hij hoorde) < prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. שָׁמַע = sjâma` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâma` (horen, luisteren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 ; 50 (2 X 5²) of 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 3 - 4 - 7 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (90) . Pentateuch (33) . Eerdere Profeten (33) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (12) . Gn (11) : (1) Gn 14,14 . (2) Gn 16,2 . (3) Gn 21,17 . (4) Gn 23,16 . (5) Gn 28,7 . (6) Gn 30,17 . (7) Gn 30,22 . (8) Gn 31,1 . (9) Gn 35,22 . (10) Gn 37,21 . (11) Gn 45,2 . Ex (6) : (1) Ex 2,15 . (2) Ex 2,24 . (3) Ex 18,1 . (4) Ex 18,24 . (5) Ex 32,17 . (6) Ex 33,4 .

Gn 21,17.2. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Hebr. ´èlohîm (God) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 21 (8) : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,6 . (4) Gn 21,12 . (5) Gn 21,17 . (6) Gn 21,19 . (7) Gn 21,20 . (8) Gn 21,22 .

Gn 21,17.1. - 2. וַיִּשְׁמַע אֱלֹהִים = wajjisjëma` ´èlohîm (en God hoorde) . Tenakh (3) :
(1) Gn 21,17 (en God luisterde naar - de stem van de zoon van Hagar -) . LXX : και εισηκουσεν ὁ θεος = eisèkousen de ho theos (God echter luisterde naar) .
(2) Gn 30,17 (... אֶל לֵאָה = ´èl Le´âh = En God luisterde naar Lea) . LXX : και επηκουσεν ὁ θεος λειας = kai epèkousen ho theos Leias (en God luisterde naar Lea)
(3) Ex 2,24 (... אֶת נָאֲקָתָם = ´èth na´äqâthâm = en God luisterde naar het weeklagen - van de Hebreeën) . LXX : και εισηκουσεν ὁ θεος τον στεναγμον αυτων = kai eisèkousen ho theos ton stenagmon autôn (en God luisterde naar hun geweeklaag) . .
Zie ook Gn 30,22 (וַיִּשְׁמַע אֵלֶהָ אֱלֹהִים = wajjisjëma` ´elêhâ ´èlohîm = en God luisterde naar haar / Rachel) . LXX : και επηκουσεν αυτης ὁ θεος = kai epèkousen autès ho theos .
God luisterde naar wie in een benarde en uitzichtloze situatie was gekomen . Hij luisterde naar Hagar , Lea , Rachel , de Hebreeën . LXX : Is de Hebreeuwse bepaling bij het werkwoord אֶת = ´èth , dan is de LXX εισηκουσεν = eisèkousen , is de Hebreeuwse bepaling אֶל = ´èl , dan is de LXX επηκουσεν = epèkousen .
- וַיִּשְׁמַע יהוה = wajjisjëma` JHWH (en JHWH hoorde) . Tenakh (10) : (1) Nu 11,1 . (2) Nu 12,2 . (3) Nu 21,3 . (4) Dt 1,34 . (5) Dt 5,28 . (6) Dt 9,19 . (7) Dt 10,10 . (8) Dt 26,7 . (9) 1 K 17,22 . (10) 2 Kr 30,20 .

Gn 21,17.4. qôl (stem) . In 138 verzen in de bijbel . In tweeëntwintig verzen in de Pentateuch . (3) Gn 21,17 ( wajjisjëma` ´èlohîm ´èth qôl hanna`ar = en God luisterde naar de stem van het kind - de zoon van Hagar -) . LXX : eisèkousen de ho theos tès fônès tou paidiou . In éénentwintig verzen in Jeremia . Vaak komt de combinatie van sjâma`(luisteren, horen) en qôl (stem) voor .

Gn 21,17.6. wajjiqërâ´(en hij riep, hij heet, hij noemde) < waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 21 (3) : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 21,17 . (3) Gn 21,33 .

Gn 21,17.8. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Hebr. ´èlohîm (God) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 21 (8) : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,6 . (4) Gn 21,12 . (5) Gn 21,17 . (6) Gn 21,19 . (7) Gn 21,20 . (8) Gn 21,22 .

Gn 21,17.22. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Hebr. ´èlohîm (God) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 21 (8) : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,6 . (4) Gn 21,12 . (5) Gn 21,17 . (6) Gn 21,19 . (7) Gn 21,20 . (8) Gn 21,22 .

Gn 21,18 - Gn 21,18 : Hagar en Ismaël - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,8 - Gn 21,9 - Gn 21,10 - Gn 21,11 - Gn 21,12 - Gn 21,13 - Gn 21,14 - Gn 21,15 - Gn 21,16 - Gn 21,17 - Gn 21,18 - Gn 21,19 - Gn 21,20 - Gn 21,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
18anastèthi labe to paidion kai kratèson tè cheiri sou auto eis gar ethnos mega poièsô auton  18 surge tolle puerum et tene manum illius quia in gentem magnam faciam eum    18 Sta op, hef den jongen op, en houd hem vast met uwe hand; want Ik zal hem tot een groot volk stellen.  [18] Sta op, neem de jongen en houd hem goed vast, want Ik zal een groot volk van hem maken.’   [18] Sta op, help de jongen overeind en ondersteun hem. Ik zal een groot volk uit hem doen voortkomen.’ 18 sta op, til de jongen op en maak je hand sterk om hem; want tot een groot volk zal ik hem maken.   18. Debout ! soulève le petit et tiens-le ferme, car j'en ferai une grande nation.  

King James Bible . Arise, lift up the lad, and hold him in thine hand; for I will make him a great nation.
Luther-Bibel . 18 Steh auf, nimm den Knaben und führe ihn an deiner Hand; denn ich will ihn zum großen Volk machen.

Tekstuitleg van Gn 21,18 . Dit vers Gn 21,18 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden en 43 letters . De getalwaarde van Gn 21,18 is 2311 (priemgetal) .

Gn 21,18.10. lëgôj (tot volk) . Voorzetsel lë + zelfstandig naamwoord gôj (volk) . Taalgebruik in Tenakh : gôj (volk) . Gr. ethnos (volk) . Getalwaarde : gimel = 3 , waw = 6 , jod = 10 ; totaal : 19 . Structuur : 3 - 6 - 1 . Taalgebruik in de Septuaginta. : ethnos (volk) . Taalgebruik in het NT : ethnos (volk) . Lat. populus . Fr. peuple . E. people . Ned. volk . D. Volk . Tenakh (15) : (1) Gn 12,2 . (2) Gn 17,20 . (3) Gn 18,18 . (4) Gn 21,13 . (5) Gn 21,18 . (6) Gn 46,3 . (7) Ex 9,24 . (8) Ex 32,10 . (9) Nu 14,12 . (10) Dt 9,14 . (11) Dt 26,5 . (12) Js 26,15 . (13) Js 60,22 . (14) Ez 37,22 . (15) Mi 4,7 .

Gn 21,18.10. - 11. lëgôj gädôl (tot een groot volk) . Tenakh : (1) Gn 12,2 . (2) Gn 17,20 . (3) Gn 18,18 . (4) Gn 21,18 . (5) Gn 46,3 . (6) Ex 32,10 . (7) Nu 14,12 . (8) Dt 26,5 .

Gn 21,18.10. - 12. Gn 21,13 : lëgôj ´äshîmènnû (ik zal hem tot een volk maken) . Gn 21,18 : lëgôj gädôl lëgôj ´äshîmènnû (ik zal hem tot een groot volk maken) . Zie verder Gn 46,3 : lëgôj gädôl ´äshîmëkhâ (tot een groot volk zal ik je maken) .

Gn 21,19 - Gn 21,19 : Hagar en Ismaël - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,8 - Gn 21,9 - Gn 21,10 - Gn 21,11 - Gn 21,12 - Gn 21,13 - Gn 21,14 - Gn 21,15 - Gn 21,16 - Gn 21,17 - Gn 21,18 - Gn 21,19 - Gn 21,20 - Gn 21,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
19kai aneôxen o theos tous ofthalmous autès kai eiden frear udatos zôntos kai eporeuthè kai eplèsen ton askon udatos kai epotisen to paidion  19 aperuitque oculos eius Deus quae videns puteum aquae abiit et implevit utrem deditque puero bibere    19 En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag; en zij ging, en vulde de fles met water, en gaf den jongen te drinken.   [19] Toen opende God haar ogen, zodat zij een waterput zag; zij vulde de zak weer met water en gaf de jongen te drinken.   [19] Toen opende God haar de ogen en zag ze een waterput. Ze liep ernaartoe, vulde de waterzak en gaf de jongen te drinken. 19 Dan opent God haar ogen: ze ziet een waterbron; ze gaat daarheen, vult de zak met water en geeft de jongen te drinken.  19. Dieu dessilla les yeux d'Agar et elle aperçut un puits. Elle alla remplir l'outre et fit boire le petit. 

King James Bible . [19] And God opened her eyes, and she saw a well of water; and she went, and filled the bottle with water, and gave the lad drink.
Luther-Bibel . 19 Und Gott tat ihr die Augen auf, dass sie einen Wasserbrunnen sah. Da ging sie hin und füllte den Schlauch mit Wasser und tränkte den Knaben.

Tekstuitleg van Gn 21,19 .

2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 22 (8) : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,6 . (4) Gn 21,12 . (5) Gn 21,17 . (6) Gn 21,19 . (7) Gn 21,20 . (8) Gn 21,22 .

Gn 21,20 - Gn 21,20 : Hagar en Ismaël - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,8 - Gn 21,9 - Gn 21,10 - Gn 21,11 - Gn 21,12 - Gn 21,13 - Gn 21,14 - Gn 21,15 - Gn 21,16 - Gn 21,17 - Gn 21,18 - Gn 21,19 - Gn 21,20 - Gn 21,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
20kai èn o theos meta tou paidiou kai èuxèthè kai katôkèsen en tè erèmô egeneto de toxotès  20 et fuit cum eo qui crevit et moratus est in solitudine et factus est iuvenis sagittarius    20 En God was met den jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter.  [20] En God beschermde de jongen. Toen hij groot was geworden, leefde hij in de woestijn en werd een ervaren boogschutter.  
[20] God beschermde de jongen, zodat hij voorspoedig opgroeide. Hij leefde als boogschutter in de woestijn 
20 God is met de jongen en hij wordt groot; hij zet zich neer in de woestijn en wordt boogschutter.   20. Dieu fut avec lui, il grandit et demeura au désert, et il devint un tireur d'arc.

King James Bible . [20] And God was with the lad; and he grew, and dwelt in the wilderness, and became an archer.
Luther-Bibel . 20 Und Gott war mit dem Knaben. Der wuchs heran und wohnte in der Wüste und wurde ein guter Schütze.

Tekstuitleg van Gn 21,20 .

2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 22 (8) : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,6 . (4) Gn 21,12 . (5) Gn 21,17 . (6) Gn 21,19 . (7) Gn 21,20 . (8) Gn 21,22 .

Gn 21,21 - Gn 21,21 : Hagar en Ismaël - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 21 -- bijbelverwijzingen -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,8 - Gn 21,9 - Gn 21,10 - Gn 21,11 - Gn 21,12 - Gn 21,13 - Gn 21,14 - Gn 21,15 - Gn 21,16 - Gn 21,17 - Gn 21,18 - Gn 21,19 - Gn 21,20 - Gn 21,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
21kai katôkèsen en tè erèmô tè faran kai elaben autô è mètèr gunaika ek gès aiguptou  21 habitavitque in deserto Pharan et accepit illi mater sua uxorem de terra Aegypti     21 En hij woonde in de woestijn Paran; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland.  [21] Hij ging wonen in de woestijn van Paran, en zijn moeder koos voor hem een vrouw uit Egypte.  . [21] Hij ging in de woestijn van Paran wonen, en zijn moeder koos een Egyptische vrouw voor hem uit.  21 Hij zet zich neer in de woestijn Paran; zijn moeder haalt voor hem een vrouw uit het land Egypte. •   21. Il demeura au désert de Parân et sa mère lui choisit une femme du pays d'Égypte.  

King James Bible . [21] And he dwelt in the wilderness of Paran: and his mother took him a wife out of the land of Egypt.
Luther-Bibel . 21 Und er wohnte in der Wüste Paran und seine Mutter nahm ihm eine Frau aus Ägyptenland.

Tekstuitleg van Gn 21,21 .

Abraham en Abimelek : Gn 21,22-34 - Gn 21 -- verwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,22-34 -- Gn 21,22 - Gn 21,23 - Gn 21,24 - Gn 21,25 - Gn 21,26 - Gn 21,27 - Gn 21,28 - Gn 21,29 - Gn 21,30 - Gn 21,31 - Gn 21,32 - Gn 21,33 - Gn 21,34 -

Gn 21,22 - Gn 21,22 : Abraham en Abimelek - Gn 21 -- verwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,22-34 -- Gn 21,22 - Gn 21,23 - Gn 21,24 - Gn 21,25 - Gn 21,26 - Gn 21,27 - Gn 21,28 - Gn 21,29 - Gn 21,30 - Gn 21,31 - Gn 21,32 - Gn 21,33 - Gn 21,34 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22egeneto de en tô kairô ekeinô kai eipen abimelech kai ochozath o numfagôgos autou kai fikol o archistratègos tès dunameôs autou pros abraam legôn o theos meta sou en pasin ois ean poiès 22 eodem tempore dixit Abimelech et Fichol princeps exercitus eius ad Abraham Deus tecum est in universis quae agis    22 Voorts geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, mitsgaders Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat gij doet.   Abraham en Abimelek
[22] In die tijd zeiden Abimelek en zijn legeroverste Pikol tegen Abraham: ‘God staat u bij in alles wat u doet.  
[22] Op een dag kwam Abimelech bij Abraham, samen met zijn legeraanvoerder Pichol. ‘God blijkt u ter zijde te staan bij alles wat u onderneemt,’ zei hij. 22 ¶ Het is in die tijd dat Avimelech zegt –met Pichol, de vorst van zijn strijdschaar– tot Abraham,– dít zegt: God is met jou in alles wat jij doet;   22. En ce temps-là, Abimélek vint avec Pikol, le chef de son armée, dire à Abraham : Dieu est avec toi en tout ce que tu fais. 

King James Bible . [22] And it came to pass at that time, that Abimelech and Phichol the chief captain of his host spake unto Abraham, saying, God is with thee in all that thou doest:
Luther-Bibel . 22 Zu der Zeit redete Abimelech zusammen mit Pichol, seinem Feldhauptmann, zu Abraham und sprach: Gott ist mit dir in allem, was du tust.

Tekstuitleg van Gn 21,22 .

9. - 10. ´èl ´abhërâhâm (tot Abraham) . Tenakh (12) : (1) Gn 17,9 . (2) Gn 17,15 . (3) Gn 18,13 . (4) Gn 18,33 . (5) Gn 20,10 . (6) Gn 21,12 . (7) Gn 21,22 . (8) Gn 21,29 . (9) Gn 22,7 . (10) Gn 22,15 . (11) Ex 6,3 . (12) Js 51,2 .

12. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 22 (8) : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,6 . (4) Gn 21,12 . (5) Gn 21,17 . (6) Gn 21,19 . (7) Gn 21,20 . (8) Gn 21,22 .

15. ´äsjèr (die) OF persoonsnaam ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . Tenakh (4012) . Pentateuch (1378) . Eerdere Profeten (1114) . Latere Profeten (717) . 12 Kleine Profeten (106) . Geschriften (697) . Gn (307) . Gn 21 (8) : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,3 . (3) Gn 21,9 . (4) Gn 21,12 . (5) Gn 21,22 . (6) Gn 21,23 . (7) Gn 21,25 . (8) Gn 21,29 .

Gn 21,23 - Gn 21,23 : Abraham en Abimelek - Gn 21 -- verwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,22-34 -- Gn 21,22 - Gn 21,23 - Gn 21,24 - Gn 21,25 - Gn 21,26 - Gn 21,27 - Gn 21,28 - Gn 21,29 - Gn 21,30 - Gn 21,31 - Gn 21,32 - Gn 21,33 - Gn 21,34 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23nun oun omoson moi ton theon mè adikèsein me mède to sperma mou mède to onoma mou alla kata tèn dikaiosunèn èn epoièsa meta sou poièseis met? emou kai tè gè è su parôkèsas en autè  23 iura ergo per Dominum ne noceas mihi et posteris meis stirpique meae sed iuxta misericordiam quam feci tibi facies mihi et terrae in qua versatus es advena    23 Zo zweer mij nu hier bij God: Zo gij mij, of mijn zoon, of mijn neef liegen zult! naar de weldadigheid, die ik bij u gedaan heb, zult gij doen bij mij, en bij het land, waarin gij als vreemdeling verkeert.  [23] Zweer daarom hier bij God, dat u mij, mijn stam en mijn nakomelingen niet in de steek zult laten; u moet mij en het land waar u gastvrijheid geniet dezelfde welwillendheid bewijzen die ik u bewezen heb.’   [23] ‘Zweer mij daarom bij God, hier op deze plaats, dat u mij, mijn kinderen en kindskinderen nooit zult bedriegen, maar dat u mij en het land waar u gastvrijheid geniet, evenveel loyaliteit zult tonen als u van mij hebt ondervonden.’  23 welnu, zweer mij bij God hier dat je nooit zult liegen tegen mij, tegen mijn spruiten of tegen mijn nakroost; naar de vriendschap waarmee ik gehandeld heb met jou, wil zo handelen met mij én met het land waarin je als zwerver te gast bent geweest.  23. Maintenant, jure-moi ici par Dieu que tu ne me tromperas pas, ni mon lignage et parentage, et que tu auras pour moi et pour ce pays où tu es venu en hôte la même amitié que j'ai eue pour toi. 

King James Bible . [23] Now therefore swear unto me here by God that thou wilt not deal falsely with me, nor with my son, nor with my son's son: but according to the kindness that I have done unto thee, thou shalt do unto me, and to the land wherein thou hast sojourned.
Luther-Bibel . 23 So schwöre mir nun bei Gott, dass du mir und meinen Söhnen und meinen Enkeln keine Untreue erweisen wollest, sondern die Barmherzigkeit, die ich an dir getan habe, an mir auch tust und an dem Lande, darin du ein Fremdling bist.

Tekstuitleg van Gn 21,23 .

9. ´äsjèr (die) OF persoonsnaam ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . Tenakh (4012) . Pentateuch (1378) . Eerdere Profeten (1114) . Latere Profeten (717) . 12 Kleine Profeten (106) . Geschriften (697) . Gn (307) . Gn 21 (8) : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,3 . (3) Gn 21,9 . (4) Gn 21,12 . (5) Gn 21,22 . (6) Gn 21,23 . (7) Gn 21,25 . (8) Gn 21,29 .

12. ´äsjèr (die) OF persoonsnaam ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . Tenakh (4012) . Pentateuch (1378) . Eerdere Profeten (1114) . Latere Profeten (717) . 12 Kleine Profeten (106) . Geschriften (697) . Gn (307) . Gn 21 (8) : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,3 . (3) Gn 21,9 . (4) Gn 21,12 . (5) Gn 21,22 . (6) Gn 21,23 . (7) Gn 21,25 . (8) Gn 21,29 .

Gn 21,24 - Gn 21,24 : Abraham en Abimelek - Gn 21 -- verwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,22-34 -- Gn 21,22 - Gn 21,23 - Gn 21,24 - Gn 21,25 - Gn 21,26 - Gn 21,27 - Gn 21,28 - Gn 21,29 - Gn 21,30 - Gn 21,31 - Gn 21,32 - Gn 21,33 - Gn 21,34 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
24kai eipen abraam egô omoumai  24 dixitque Abraham ego iurabo    24 En Abraham zeide: Ik zal zweren.   [24] En Abraham zei: ‘Dat zweer ik!’   [24] ‘Dat zweer ik,’ zei Abraham.  24 Dan zegt Abraham: ik wil dat zweren!  24. Abraham répondit : Oui, je le jure ! 

King James Bible . [24] And Abraham said, I will swear.
Luther-Bibel . 24 Da sprach Abraham: Ich will schwören.

Tekstuitleg van Gn 21,24 .

Gn 21,25 - Gn 21,25 : Abraham en Abimelek - Gn 21 -- verwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,22-34 -- Gn 21,22 - Gn 21,23 - Gn 21,24 - Gn 21,25 - Gn 21,26 - Gn 21,27 - Gn 21,28 - Gn 21,29 - Gn 21,30 - Gn 21,31 - Gn 21,32 - Gn 21,33 - Gn 21,34 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
25kai èlegxen abraam ton abimelech peri tôn freatôn tou udatos ôn afeilanto oi paides tou abimelech 25 et increpavit Abimelech propter puteum aquae quem vi abstulerant servi illius     25 En Abraham berispte Abimelech ter oorzake van een waterput, die Abimelechs knechten met geweld genomen hadden.  [25] Abraham beklaagde er zich bij Abimelek over, dat zijn knechten zich een waterput hadden toegeëigend.   [25] Maar wel maakte hij Abimelech verwijten over een waterput die Abimelechs knechten zich hadden toegeëigend.   25 Wel heeft Abraham Avimelech verwijten gemaakt,– ter zake van de waterbron welke de dienaars van Avimelech hebben geroofd.  25. Abraham fit reproche à Abimélek à propos du puits que les serviteurs d'Abimélek avaient usurpé. 

King James Bible . [25] And Abraham reproved Abimelech because of a well of water, which Abimelech's servants had violently taken away.
Luther-Bibel . 25 Und Abraham stellte Abimelech zur Rede um des Wasserbrunnens willen, den Abimelechs Knechte mit Gewalt genommen hatten.

Tekstuitleg van Gn 21,25 .

Gn 21,26 - Gn 21,26 : Abraham en Abimelek - Gn 21 -- verwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,22-34 -- Gn 21,22 - Gn 21,23 - Gn 21,24 - Gn 21,25 - Gn 21,26 - Gn 21,27 - Gn 21,28 - Gn 21,29 - Gn 21,30 - Gn 21,31 - Gn 21,32 - Gn 21,33 - Gn 21,34 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
26kai eipen autô abimelech ouk egnôn tis epoièsen to pragma touto oude su moi apèggeilas oude egô èkousa all? è sèmeron  26 respondit Abimelech nescivi quis fecerit hanc rem sed et tu non indicasti mihi et ego non audivi praeter hodie     26 Toen zeide Abimelech: Ik heb niet geweten, wie dit stuk gedaan heeft; en ook hebt gij het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord, dan heden.  [26] Abimelek zei: ‘Ik weet niet wie dat gedaan heeft; u hebt er mij nooit over gesproken en ik heb er tot nu toe niets over gehoord.’   [26] ‘Ik weet niet wie dat heeft gedaan,’ zei Abimelech. ‘U hebt er mij niets over gezegd en ik hoor er nu voor het eerst van.’  26 Avimelech zegt: ik weet niet wie wat je nu uitspreekt heeft gedaan; én jíj hebt het mij niet eerder gemeld én ík heb het niet eerder gehoord dan vandaag!   26. Et Abimélek répondit : Je ne sais pas qui a pu faire cela : toi-même ne m'en as jamais informé et moi-même je n'en ai rien appris qu'aujourd'hui.  

King James Bible . [26] And Abimelech said, I wot not who hath done this thing: neither didst thou tell me, neither yet heard I of it, but to day.
Luther-Bibel . 26 Da antwortete Abimelech: Ich habe es nicht gewusst, wer das getan hat; weder hast du mir's angesagt noch hab ich's gehört bis heute.

Tekstuitleg van Gn 21,26 .

Gn 21,27 - Gn 21,27 : Abraham en Abimelek - Gn 21 -- verwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,22-34 -- Gn 21,22 - Gn 21,23 - Gn 21,24 - Gn 21,25 - Gn 21,26 - Gn 21,27 - Gn 21,28 - Gn 21,29 - Gn 21,30 - Gn 21,31 - Gn 21,32 - Gn 21,33 - Gn 21,34 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
27kai elaben abraam probata kai moschous kai edôken tô abimelech kai diethento amfoteroi diathèkèn  27 tulit itaque Abraham oves et boves et dedit Abimelech percusseruntque ambo foedus     27 En Abraham nam schapen en runderen, en gaf die aan Abimelech; en die beiden maakten een verbond.  [27] Daarop haalde Abraham schapen en runderen, bood die Abimelek aan, en zij sloten een verbond met elkaar.  [27] Toen schonk Abraham schapen, geiten en runderen aan Abimelech en sloten zij een bondgenootschap. 27 Abraham neemt wolvee en ploegvee en geeft dat aan Avimelech; dan smeden zij tweeën een verbond.   27. Abraham prit du petit et du gros bétail et le donna à Abimélek, et tous les deux conclurent une alliance. 

King James Bible . [27] And Abraham took sheep and oxen, and gave them unto Abimelech; and both of them made a covenant.
Luther-Bibel . 27 Da nahm Abraham Schafe und Rinder und gab sie Abimelech, und die beiden schlossen einen Bund miteinander.

Tekstuitleg van Gn 21,27 .

9. bërîth (verbond) . Taalgebruik in Tenach : bërîth (verbond) . Taalgebruik in Genesis : bërîth (verbond) . Getalwaarde : beth = 2 , resj = 20 of 300 , jod = 10 , taw = 22 of 500 ; totaal : 54 (2 X 3³) of 612 (2² X 7 X 29) . Structuur : 3 - 2 - 5 . Gr. diathèkè (verbond) . Taalgebruik in het N.T. : diathèkè (verbond) . diatithèmi = tussen-stellen . Lat. foedus (zie b.v. federaal) , testamentum . E. testament . Fr. alliance . E. covenant . Ned. testamment , verbond , overeenkomst . D. Bund . Tenach (132) . Pentateuch (32) . Eerdere Profeten (40) . Latere Profeten (20) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (34) . In negen verzen in Gn . (1) Gn 9,13 (boog : teken van het verbond) . (2) Gn 9,16 (verbond tussen God en de mensen) . (3) Gn 14,13 (bondgenoten van Abram) . (4) Gn 15,18 (JHWH sloot een verbond met Abram) . (5) Gn 17,11 (verbond van God met Abraham en zijn nageslacht) . (6) Gn 21,27 (verbond tussen Abraham en Abimelech) . (7) Gn 21,32 (verbond tussen Abraham en Abimelech) . (8) Gn 26,28 (verbond tussen Isaak en Abimelech) . (9) Gn 31,44 (verbond tussen Laban en Jakob) . Een vorm van diathèkè (verbond) in het N.T. (33) . Syn. en ev. (4) . In de LXX (358) .

Gn 21,28 - Gn 21,28 : Abraham en Abimelek - Gn 21 -- verwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,22-34 -- Gn 21,22 - Gn 21,23 - Gn 21,24 - Gn 21,25 - Gn 21,26 - Gn 21,27 - Gn 21,28 - Gn 21,29 - Gn 21,30 - Gn 21,31 - Gn 21,32 - Gn 21,33 - Gn 21,34 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
28kai estèsen abraam epta amnadas probatôn monas  28 et statuit Abraham septem agnas gregis seorsum    28 Doch Abraham stelde zeven ooilammeren der kudde bijzonder.  [28] Maar Abraham zette zeven lammeren apart.   [28] Zeven ooilammetjes zette Abraham apart.  28 Abraham stelt zeven ooien van het wolvee apart op;  28. Abraham mit à part sept brebis du troupeau, 

King James Bible . [28] And Abraham set seven ewe lambs of the flock by themselves.
Luther-Bibel . 28 Und Abraham stellte sieben Lämmer besonders.

Tekstuitleg van Gn 21,28 .

Gn 21,29 - Gn 21,29 : Abraham en Abimelek - Gn 21 -- verwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,22-34 -- Gn 21,22 - Gn 21,23 - Gn 21,24 - Gn 21,25 - Gn 21,26 - Gn 21,27 - Gn 21,28 - Gn 21,29 - Gn 21,30 - Gn 21,31 - Gn 21,32 - Gn 21,33 - Gn 21,34 -

Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
29kai eipen abimelech tô abraam ti eisin ai epta amnades tôn probatôn toutôn as estèsas monas  29 cui dixit Abimelech quid sibi volunt septem agnae istae quas stare fecisti seorsum    29 Zo zeide Abimelech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gij bijzonder gesteld hebt?  [29] Toen vroeg Abimelek: ‘Wat betekenen die zeven lammeren die u apart hebt gezet?’   [29] ‘Wat hebben die zeven lammetjes te betekenen die u apart hebt gezet?’ vroeg Abimelech hem,  29 Avimelech zegt tot Abraham: wat betekenen hier deze zeven ooien die je apart hebt opgesteld?  29. et Abimélek lui demanda : Que font là ces sept brebis que tu as mises à part ? 

King James Bible . [29] And Abimelech said unto Abraham, What mean these seven ewe lambs which thou hast set by themselves?
Luther-Bibel . 29 Da sprach Abimelech zu Abraham: Was sollen die sieben Lämmer, die du besonders gestellt hast?

Tekstuitleg van Gn 21,29 . Dit vers Gn 21,29 telt 12 woorden en 46 letters . De getalwaarde van Gn 21,29 is 2968 (2 X 2 X 2 X 7 X 53) . Dit is het zevende vers in de pericope Abraham - Abimelech . sjèba` is het zevende woord van het vers .

3. - 4. ´èl ´abhërâhâm (tot Abraham) . Tenakh (12) : (1) Gn 17,9 . (2) Gn 17,15 . (3) Gn 18,13 . (4) Gn 18,33 . (5) Gn 20,10 . (6) Gn 21,12 . (7) Gn 21,22 . (8) Gn 21,29 . (9) Gn 22,7 . (10) Gn 22,15 . (11) Ex 6,3 . (12) Js 51,2 .

10. ´äsjèr (die) OF persoonsnaam ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . Tenakh (4012) . Pentateuch (1378) . Eerdere Profeten (1114) . Latere Profeten (717) . 12 Kleine Profeten (106) . Geschriften (697) . Gn (307) . Gn 21 (8) : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,3 . (3) Gn 21,9 . (4) Gn 21,12 . (5) Gn 21,22 . (6) Gn 21,23 . (7) Gn 21,25 . (8) Gn 21,29 .

Gn 21,30 - Gn 21,30 : Abraham en Abimelek - Gn 21 -- verwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,22-34 -- Gn 21,22 - Gn 21,23 - Gn 21,24 - Gn 21,25 - Gn 21,26 - Gn 21,27 - Gn 21,28 - Gn 21,29 - Gn 21,30 - Gn 21,31 - Gn 21,32 - Gn 21,33 - Gn 21,34 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
30kai eipen abraam oti tas epta amnadas tautas lèmpsè par? emou ina ôsin moi eis marturion oti egô ôruxa to frear touto  30 at ille septem inquit agnas accipies de manu mea ut sint in testimonium mihi quoniam ego fodi puteum istum    30 En hij zeide: Dat gij de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik dezen put gegraven heb.  [30] Hij antwoordde: ‘Deze zeven lammeren moet u van mij aannemen; zij moeten als bewijs dienen dat ik deze put gegraven heb.’  [30] en hij antwoordde: ‘Door die zeven ooilammetjes van mij aan te nemen erkent u dat ik deze put hier heb gegraven.’  30 Hij zegt: dat je deze zeven ooien aanneemt uit mijn hand,– opdat dat voor mij zal zijn tot erkenning dat ik deze bron heb gegraven!  30. Il répondit : C'est pour que tu acceptes de ma main ces sept brebis, afin qu'elles soient un témoignage que j'ai bien creusé ce puits. 

King James Bible . [30] And he said, For these seven ewe lambs shalt thou take of my hand, that they may be a witness unto me, that I have digged this well.
Luther-Bibel . 30 Er antwortete: Sieben Lämmer sollst du von meiner Hand nehmen, damit sie für mich ein Zeugnis seien, dass ich diesen Brunnen gegraben habe.

Tekstuitleg van Gn 21,30 .

Gn 21,31 - Gn 21,31 : Abraham en Abimelek - Gn 21 -- verwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,22-34 -- Gn 21,22 - Gn 21,23 - Gn 21,24 - Gn 21,25 - Gn 21,26 - Gn 21,27 - Gn 21,28 - Gn 21,29 - Gn 21,30 - Gn 21,31 - Gn 21,32 - Gn 21,33 - Gn 21,34 -

Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
31dia touto epônomasen to onoma tou topou ekeinou frear orkismou oti ekei ômosan amfoteroi  31 idcirco vocatus est locus ille Bersabee quia ibi uterque iuraverunt     31 Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.  [31] Zo komt het dat deze plaats Berseba* heet; want daar hebben zij beiden een eed gezworen. 
[31] Omdat zij daar een eed zwoeren heet die plaats Berseba.*  
31 Daarom heeft hij dat oord uitgeroepen tot Beëer Sjeva,– bron van zeven, bron waar gezworen; omdat zij tweeën daar hebben gezworen.   31. C'est ainsi qu'on appela ce lieu Bersabée, parce qu'ils y avaient tous deux prêté serment. 

King James Bible . [31] Wherefore he called that place Beer-sheba; because there they sware both of them.
Luther-Bibel . 31 Daher heißt die Stätte Beerscheba, weil sie beide miteinander da geschworen haben.

Tekstuitleg van Gn 21,31 . Dit vers Gn 21,31 telt 10 (2 X 5) of 11 woorden en 36 (2 X 2 X 2 X 2 X 2) letters . De getalwaarde van Gn 21,31 is 2482 (2 X 17 X 73) . sjâbha`is het zevende woord in het vers .

6. - 7. bë´er sjâbha (Bersjebha) . Getalwaarde is 575 (5 X 5 X 23) .

10. nisjebë`û (zij zwoeren) . sjâbhâ`(zweren) . Verwijzing : sjâbhâ`(zweren) , zie Ps 110,4 . sjb`: zeven , zweren , vervolledigen / vervullen . Nifal perfectum derde persoon mannelijk meervoud . In zeven verzen in de bijbel . Gn (1) . Verder niet in de Pentateuch . Gn 21,31 .

Gn 21,32 - Gn 21,32 : Abraham en Abimelek - Gn 21 -- verwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,22-34 -- Gn 21,22 - Gn 21,23 - Gn 21,24 - Gn 21,25 - Gn 21,26 - Gn 21,27 - Gn 21,28 - Gn 21,29 - Gn 21,30 - Gn 21,31 - Gn 21,32 - Gn 21,33 - Gn 21,34 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
32kai diethento diathèkèn en tô freati tou orkou anestè de abimelech kai ochozath o numfagôgos autou kai fikol o archistratègos tès dunameôs autou kai epestrepsan eis tèn gèn tôn fulistiim 32 et inierunt foedus pro puteo Iuramenti    32 Alzo maakten zij een verbond te Ber-seba. Daarna stond Abimelech op, en Pichol, zijn krijgsoverste, en zij keerden wederom naar het land der Filistijnen.  [32] Nadat zij in Berseba een verbond gesloten hadden, keerde Abimelek met zijn legeroverste Pikol naar het land van de Filistijnen terug.   [32] Zo sloten zij in Berseba een bondgenootschap. Daarna ging Abimelech met zijn legeraanvoerder Pichol terug naar het land van de Filistijnen.  32 Ze sluiten een verbond in Beëer Sjeva; Avimelech staat weer op met Pichol, de vorst van zijn strijdschaar, en zij keren terug naar het land van de Filistijnen.   32. Après qu'ils eurent conclu alliance à Bersabée, Abimélek se leva, avec Pikol, le chef de son armée, et ils retournèrent au pays des Philistins.  

King James Bible . [32] Thus they made a covenant at Beer-sheba: then Abimelech rose up, and Phichol the chief captain of his host, and they returned into the land of the Philistines. 32 Und so schlossen sie den Bund zu Beerscheba. Da machten sich auf Abimelech und Pichol, sein Feldhauptmann, und zogen wieder in der Philister Land.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 21,32 .

2. bërîth (verbond) . Taalgebruik in Tenach : bërîth (verbond) . Taalgebruik in Genesis : bërîth (verbond) . Getalwaarde : beth = 2 , resj = 20 of 300 , jod = 10 , taw = 22 of 500 ; totaal : 54 (2 X 3³) of 612 (2² X 7 X 29) . Structuur : 3 - 2 - 5 . Gr. diathèkè (verbond) . Taalgebruik in het N.T. : diathèkè (verbond) . diatithèmi = tussen-stellen . Lat. foedus (zie b.v. federaal) , testamentum . E. testament . Fr. alliance . E. covenant . Ned. testamment , verbond , overeenkomst . D. Bund . Tenach (132) . Pentateuch (32) . Eerdere Profeten (40) . Latere Profeten (20) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (34) . In negen verzen in Gn . (1) Gn 9,13 (boog : teken van het verbond) . (2) Gn 9,16 (verbond tussen God en de mensen) . (3) Gn 14,13 (bondgenoten van Abram) . (4) Gn 15,18 (JHWH sloot een verbond met Abram) . (5) Gn 17,11 (verbond van God met Abraham en zijn nageslacht) . (6) Gn 21,27 (verbond tussen Abraham en Abimelech) . (7) Gn 21,32 (verbond tussen Abraham en Abimelech) . (8) Gn 26,28 (verbond tussen Isaak en Abimelech) . (9) Gn 31,44 (verbond tussen Laban en Jakob) . Een vorm van diathèkè (verbond) in het N.T. (33) . Syn. en ev. (4) . In de LXX (358) .

b
Gn 21,33 - Gn 21,33 : Abraham en Abimelek - Gn 21 -- verwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,22-34 -- Gn 21,22 - Gn 21,23 - Gn 21,24 - Gn 21,25 - Gn 21,26 - Gn 21,27 - Gn 21,28 - Gn 21,29 - Gn 21,30 - Gn 21,31 - Gn 21,32 - Gn 21,33 - Gn 21,34 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
33kai efuteusen abraam arouran epi tô freati tou orkou kai epekalesato ekei to onoma kuriou theos aiônios 33 surrexit autem Abimelech et Fichol princeps militiae eius reversique sunt in terram Palestinorum Abraham vero plantavit nemus in Bersabee et invocavit ibi nomen Domini Dei aeterni    33 En hij plantte een bos in Ber-seba, en riep aldaar den Naam des HEEREN, des eeuwigen Gods, aan.  [33] Abraham plantte in Berseba een tamarisk en riep* daar de naam aan van de heer, de God van eeuwigheid.   [33] Abraham plantte in Berseba een tamarisk en riep er de naam van de HEER, de eeuwige God, aan.  33 ¶ Hij plant een tamarisk in Beëer Sjeva,– en roept daar de ENE bij de naam: ‘God van eeuwigheid’.   33. Abraham planta un tamaris à Bersabée et il y invoqua le nom de Yahvé, Dieu d'Éternité.  

King James Bible .[33] And Abraham planted a grove in Beer-sheba, and called there on the name of the LORD, the everlasting God.
Luther-Bibel . 33 Abraham aber pflanzte einen Tamariskenbaum in Beerscheba und rief dort den Namen des HERRN, des ewigen Gottes, an.

Tekstuitleg van Gn 21,33 .

5. wajjiqërâ´(en hij riep, hij heet, hij noemde) < waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 21 (3) : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 21,17 . (3) Gn 21,33 .

7. - 8. bësjem JHWH (in de naam JHWH) . Tenach (37) . Gn (5) : (1) Gn 4,26 . (2) Gn 12,8 . (3) Gn 13,4 . (4) Gn 21,33 . (5) Gn 26,25 .

b
Gn 21,34 - Gn 21,34 : Abraham en Abimelek - Gn 21 -- verwijzingen -- Gn 21,1-7 -- Gn 21,8-21 -- Gn 21,22-34 -- Gn 21,22 - Gn 21,23 - Gn 21,24 - Gn 21,25 - Gn 21,26 - Gn 21,27 - Gn 21,28 - Gn 21,29 - Gn 21,30 - Gn 21,31 - Gn 21,32 - Gn 21,33 - Gn 21,34 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
34parôkèsen de abraam en tè gè tôn fulistiim èmeras pollas 34 et fuit colonus terrae Philisthinorum diebus multis     34 En Abraham woonde als vreemdeling vele dagen in het land der Filistijnen.   [34] En Abraham verbleef geruime tijd in het land van de Filistijnen.  [34] Hij woonde lang als vreemdeling in het land van de Filistijnen.  34 Abraham is in het land der Filistijnen nog vele dagen als zwerver te gast.   34. Abraham séjourna longtemps au pays des Philistins. 

King James Bible . [34] And Abraham sojourned in the Philistines' land many days.
Luther-Bibel . 34 Und er war ein Fremdling in der Philister Lande eine lange Zeit.

Tekstuitleg van Gn 21,34 .


1kai kurios epeskepsato tèn sarran katha eipen kai epoièsen kurios tè sarra katha elalèsen2kai sullabousa eteken sarra tô abraam uion eis to gèras eis ton kairon katha elalèsen autô kurios3kai ekalesen abraam to onoma tou uiou autou tou genomenou autô on eteken autô sarra isaak4perietemen de abraam ton isaak tè ogdoè èmera katha eneteilato autô o theos5abraam de èn ekaton etôn ènika egeneto autô isaak o uios autou6eipen de sarra gelôta moi epoièsen kurios os gar an akousè sugchareitai moi7kai eipen tis anaggelei tô abraam oti thèlazei paidion sarra oti etekon uion en tô gèrei mou8kai èuxèthè to paidion kai apegalaktisthè kai epoièsen abraam dochèn megalèn è èmera apegalaktisthè isaak o uios autou9idousa de sarra ton uion agar tès aiguptias os egeneto tô abraam paizonta meta isaak tou uiou autès10kai eipen tô abraam ekbale tèn paidiskèn tautèn kai ton uion autès ou gar klèronomèsei o uios tès paidiskès tautès meta tou uiou mou isaak11sklèron de efanè to rèma sfodra enantion abraam peri tou uiou autou12eipen de o theos tô abraam mè sklèron estô to rèma enantion sou peri tou paidiou kai peri tès paidiskès panta osa ean eipè soi sarra akoue tès fônès autès oti en isaak klèthèsetai soi sperma13kai ton uion de tès paidiskès tautès eis ethnos mega poièsô auton oti sperma son estin14anestè de abraam to prôi kai elaben artous kai askon udatos kai edôken agar kai epethèken epi ton ômon kai to paidion kai apesteilen autèn apelthousa de eplanato tèn erèmon kata to frear tou orkou15exelipen de to udôr ek tou askou kai erripsen to paidion upokatô mias elatès16apelthousa de ekathèto apenanti autou makrothen ôsei toxou bolèn eipen gar ou mè idô ton thanaton tou paidiou mou kai ekathisen apenanti autou anaboèsan de to paidion eklausen17eisèkousen de o theos tès fônès tou paidiou ek tou topou ou èn kai ekalesen aggelos tou theou tèn agar ek tou ouranou kai eipen autè ti estin agar mè fobou epakèkoen gar o theos tès fônès tou paidiou sou ek tou topou ou estin18anastèthi labe to paidion kai kratèson tè cheiri sou auto eis gar ethnos mega poièsô auton19kai aneôxen o theos tous ofthalmous autès kai eiden frear udatos zôntos kai eporeuthè kai eplèsen ton askon udatos kai epotisen to paidion20kai èn o theos meta tou paidiou kai èuxèthè kai katôkèsen en tè erèmô egeneto de toxotès21kai katôkèsen en tè erèmô tè faran kai elaben autô è mètèr gunaika ek gès aiguptou22egeneto de en tô kairô ekeinô kai eipen abimelech kai ochozath o numfagôgos autou kai fikol o archistratègos tès dunameôs autou pros abraam legôn o theos meta sou en pasin ois ean poiès23nun oun omoson moi ton theon mè adikèsein me mède to sperma mou mède to onoma mou alla kata tèn dikaiosunèn èn epoièsa meta sou poièseis met? emou kai tè gè è su parôkèsas en autè24kai eipen abraam egô omoumai25kai èlegxen abraam ton abimelech peri tôn freatôn tou udatos ôn afeilanto oi paides tou abimelech26kai eipen autô abimelech ouk egnôn tis epoièsen to pragma touto oude su moi apèggeilas oude egô èkousa all? è sèmeron27kai elaben abraam probata kai moschous kai edôken tô abimelech kai diethento amfoteroi diathèkèn28kai estèsen abraam epta amnadas probatôn monas29kai eipen abimelech tô abraam ti eisin ai epta amnades tôn probatôn toutôn as estèsas monas30kai eipen abraam oti tas epta amnadas tautas lèmpsè par? emou ina ôsin moi eis marturion oti egô ôruxa to frear touto31dia touto epônomasen to onoma tou topou ekeinou frear orkismou oti ekei ômosan amfoteroi32kai diethento diathèkèn en tô freati tou orkou anestè de abimelech kai ochozath o numfagôgos autou kai fikol o archistratègos tès dunameôs autou kai epestrepsan eis tèn gèn tôn fulistiim33kai efuteusen abraam arouran epi tô freati tou orkou kai epekalesato ekei to onoma kuriou theos aiônios34parôkèsen de abraam en tè gè tôn fulistiim èmeras pollas


1 visitavit autem Dominus Sarram sicut promiserat et implevit quae locutus est 2 concepitque et peperit filium in senectute sua tempore quo praedixerat ei Deus 3 vocavitque Abraham nomen filii sui quem genuit ei Sarra Isaac 4 et circumcidit eum octavo die sicut praeceperat ei Deus 5 cum centum esset annorum hac quippe aetate patris natus est Isaac 6 dixitque Sarra risum fecit mihi Deus quicumque audierit conridebit mihi 7 rursumque ait quis auditurum crederet Abraham quod Sarra lactaret filium quem peperit ei iam seni 8 crevit igitur puer et ablactatus est fecitque Abraham grande convivium in die ablactationis eius 9 cumque vidisset Sarra filium Agar Aegyptiae ludentem dixit ad Abraham 10 eice ancillam hanc et filium eius non enim erit heres filius ancillae cum filio meo Isaac 11 dure accepit hoc Abraham pro filio suo 12 cui dixit Deus non tibi videatur asperum super puero et super ancilla tua omnia quae dixerit tibi Sarra audi vocem eius quia in Isaac vocabitur tibi semen 13 sed et filium ancillae faciam in gentem magnam quia semen tuum est 14 surrexit itaque Abraham mane et tollens panem et utrem aquae inposuit scapulae eius tradiditque puerum et dimisit eam quae cum abisset errabat in solitudine Bersabee 15 cumque consumpta esset aqua in utre abiecit puerum subter unam arborum quae ibi erant 16 et abiit seditque e regione procul quantum potest arcus iacere dixit enim non videbo morientem puerum et sedens contra levavit vocem suam et flevit 17 exaudivit autem Deus vocem pueri vocavitque angelus Domini Agar de caelo dicens quid agis Agar noli timere exaudivit enim Deus vocem pueri de loco in quo est 18 surge tolle puerum et tene manum illius quia in gentem magnam faciam eum 19 aperuitque oculos eius Deus quae videns puteum aquae abiit et implevit utrem deditque puero bibere 20 et fuit cum eo qui crevit et moratus est in solitudine et factus est iuvenis sagittarius 21 habitavitque in deserto Pharan et accepit illi mater sua uxorem de terra Aegypti 22 eodem tempore dixit Abimelech et Fichol princeps exercitus eius ad Abraham Deus tecum est in universis quae agis 23 iura ergo per Dominum ne noceas mihi et posteris meis stirpique meae sed iuxta misericordiam quam feci tibi facies mihi et terrae in qua versatus es advena 24 dixitque Abraham ego iurabo 25 et increpavit Abimelech propter puteum aquae quem vi abstulerant servi illius 26 respondit Abimelech nescivi quis fecerit hanc rem sed et tu non indicasti mihi et ego non audivi praeter hodie 27 tulit itaque Abraham oves et boves et dedit Abimelech percusseruntque ambo foedus 28 et statuit Abraham septem agnas gregis seorsum 29 cui dixit Abimelech quid sibi volunt septem agnae istae quas stare fecisti seorsum 30 at ille septem inquit agnas accipies de manu mea ut sint in testimonium mihi quoniam ego fodi puteum istum 31 idcirco vocatus est locus ille Bersabee quia ibi uterque iuraverunt 32 et inierunt foedus pro puteo Iuramenti 33 surrexit autem Abimelech et Fichol princeps militiae eius reversique sunt in terram Palestinorum Abraham vero plantavit nemus in Bersabee et invocavit ibi nomen Domini Dei aeterni 34 et fuit colonus terrae Philisthinorum diebus multis


- A - B - C - D - E

- ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Joz (231) . Gn (525) . Gn 21 (17) : (1) Gn 21,1 . (2) Gn 21,3 . (3) Gn 21,4 . (4) Gn 21,5 . (5) Gn 21,8 . (6) Gn 21,9 . (7) Gn 21,13 . (8) Gn 21,15 . (9) Gn 21,16 . (10) Gn 21,17 . (11) Gn 21,18 . (12) Gn 21,19 . (13) Gn 21,20 . (14) Gn 21,25 . (15) Gn 21,26 . (16) Gn 21,28 . (17) Gn 21,30 .

 

- F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -