- WEBSITEWEGWIJZER - Genesis 22 - Gn 22 -- Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 22 -
- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 -
De beproeving van Abraham (Gn 22,1-19) .

Overzicht van Genesis : - Gn 1 - Gn 2 - Gn 3 - Gn 4 - Gn 5 - Gn 6 - Gn 7 - Gn 8 - Gn 9 - Gn 10 - Gn 11 - Gn 12 - Gn 13 - Gn 14 - Gn 15 - Gn 16 - Gn 17 - Gn 18 - Gn 19 - Gn 20 - Gn 21 - Gn 22 - Gn 23 - Gn 24 - Gn 25 - Gn 26 - Gn 27 - Gn 28 - Gn 29 - Gn 30 - Gn 31 - Gn 32 - Gn 33 - Gn 34 - Gn 35 - Gn 36 - Gn 37 - Gn 38 - Gn 39 - Gn 40 - Gn 41 - Gn 42 - Gn 43 - Gn 44 - Gn 45 - Gn 46 - Gn 47 - Gn 48 - Gn 49 - Gn 50 -

- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 3 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken- bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

Overzicht van Tenakh : Tenakh : overzicht , Tenakh : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenakh : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,
Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,
- C-jaar -- Lc 1 , Lc 2 , Lc 3 , Lc 4 , Lc 5 , Lc 6 , Lc 7 , Lc 8 , Lc 9 , Lc 10 , Lc 11 , Lc 12 , Lc 13 , Lc 14 , Lc 15 , Lc 16 , Lc 17 , Lc 18 , Lc 19 , Lc 20 , Lc 21 , Lc 22 , Lc 23 , Lc 24 , 2de (tweede) zondag van de advent C .

1. Hebreeuwse bijbel   2. Targumim 3. LXX (1) , LXX (2) , Griekse tekst N.T.   4. Vulgata   
5. Statenvertaling   6. Willibrordvertaling   7. Nieuwe Vertaling   8. http://naardensebijbel.nl/zoek.php .
9. Bible de Jérusalem 10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   12. liturgische lezing   13. Arabisch : http://wjsn.home.xs4all.nl/arab.htm  

- Hebreeuwse tekst : http://www.mechon-mamre.org/p/pt/pt0122.htm . http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Hebreeuws OF modern Hebreeuws (NT) .
- Targum Onkelos : http://www.mechon-mamre.org/i/t/u/u0122.htm . Targum Onkelos . Vertaling : http://targum.info/onk/Gen18_22.htm . Vertaling Pseudo-Jonathan : http://targum.info/pj/pjgen18-22.htm .
- Griekse tekst - Septuaginta : http://www.myriobiblos.gr/bible/ot/chapter.asp?book=1&page=22 . Griekse tekst - Septuaginta .
- Vulgata : http://www.intratext.com/IXT/LAT0001/_PM.HTM . Vulgata .
- Statenvertaling : http://www.statenvertaling.net/bijbel/gene/22.html . Statenvertaling .
- Willibrordvertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/index.php?p=page&i=552,575 . Willibrordvertaling .
- De Nieuwe Vertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/index.php?p=page&i=552,575 . De Nieuwe Vertaling .
- De Naardense bijbel : http://naardensebijbel.nl/zoek.php . De Naardense bijbel .
- Bible de Jérusalem : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Bible de Jérusalem .
- King James Bible : http://quod.lib.umich.edu/cgi/k/kjv/kjv-idx?type=DIV1&byte=1477 . King James Bible .
- Luther Bibel : http://www.die-bibel.de/online-bibeln/luther-bibel-1984/bibeltext/bibelstelle/1%20MOse%2022/bibel/text/lesen/ch/f9d58ad2fb2f70c0747eeac5f3c0fd78/ . Luther Bibel .
- Arabisch :http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Arabisch .


Overzicht van Genesis : - Gn 1 - Gn 2 - Gn 3 - Gn 4 - Gn 5 - Gn 6 - Gn 7 - Gn 8 - Gn 9 - Gn 10 - Gn 11 - Gn 12 - Gn 13 - Gn 14 - Gn 15 - Gn 16 - Gn 17 - Gn 18 - Gn 19 - Gn 20 - Gn 21 - Gn 22 - Gn 23 - Gn 24 - Gn 25 - Gn 26 - Gn 27 - Gn 28 - Gn 29 - Gn 30 - Gn 31 - Gn 32 - Gn 33 - Gn 34 - Gn 35 - Gn 36 - Gn 37 - Gn 38 - Gn 39 - Gn 40 - Gn 41 - Gn 42 - Gn 43 - Gn 44 - Gn 45 - Gn 46 - Gn 47 - Gn 48 - Gn 49 - Gn 50 -

Bibliografie
- Lethé Georges , Isaac aux liens . Genèse 22 (Les Carrefours de la Cité , 1)


Gn 22,1-19 . De beproeving van Abraham -- Gn (Genesis ) -- Gn 22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 - - Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 -

Gn 22,1 - Gn 22,1 - De beproeving van Abraham -- Gn (Genesis) -- Gn 22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 - - Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1kai egeneto meta ta rèmata tauta o theos epeirazen ton abraam kai eipen pros auton abraam abraam o de eipen idou egô 1 quae postquam gesta sunt temptavit Deus Abraham et dixit ad eum Abraham ille respondit adsum   1 En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zeide tot hem: Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik! [1] Hierna gebeurde het dat God Abraham op* de proef stelde. Hij zei tegen hem: ‘Abraham.’ En hij antwoordde: ‘Hier ben ik.’   [1] Enige tijd later stelde God Abraham op de proef. 'Abraham!' zei hij. 'Ik luister,' antwoordde Abraham. 22:1 Het geschiedt na al wat verwoord is dat God Abraham heeft beproefd; hij zegt tot hem: Abraham!- en die zegt: hier ben ik! Genesis 1. Après ces événements, il arriva que Dieu éprouva Abraham et lui dit : Abraham ! Abraham ! Il répondit : Me voici !

King James Bible . [1] And it came to pass after these things, that God did tempt Abraham, and said unto him, Abraham: and he said, Behold, here I am.
Luther-Bibel . 22 1 Nach diesen Geschichten versuchte Gott Abraham und sprach zu ihm: Abraham! Und er antwortete: Hier bin ich.

Tekstuitleg van Gn 22,1 . Het vers Gn 22,1 telt 13 woorden en 57 letters . De getalwaarde van Gn 22,1 is 2327 (13 X 179) .

Gn 22,1.1. prefix voegwoord wa consecutivum (verhalend) + act. qal jigtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalwaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Joz (59) . Re (47) . 1 S (58) . 2 S (43) . 1 K (78) . 2 K (54) . In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Gn 22 (2) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,20 .
- We zouden volgende vorm kunnen verwachten : wajjihëjèh < wa consecutivum + jihëjèh (uit : jahëjih i.p.v. jahëwih : Lettinga 12 , 2012 , 58w) . Verkorte vorm door de samentrekking van de jod en de chireq tot een lange i , vandaar jahî (de eind he valt weg) . De klemtoon ligt op de laatste lettergreep en de klinker van de eerste lettergreep wordt zeer kort : jëhî . Bij de consecutivumvorm wajëhî valt op dat de jod niet verdubbelt . Uitspraak : wajhi .
- Grieks : ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . LXX (730) . NT (195) . Gn (107) . ) . Gn 22 (2) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,20 . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... zoals vele verhalen bij ons beginnen) . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) .

ginomai (worden, gebeuren)  bijbel Tenach OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
aor. 3de pers. enk. egeneto  925  wajëhî : 784 730  195  13  17  69  16  53    17  99  115 
Totaal 2841   2174 667 75 55 129 51 124   38 259 310

- και εγενετο = kai egeneto (en het gebeurde) . LXX (560) . NT (62) .
- εγενετο δε = egeneto de (het gebeurde echter) . LXX () . NT (40) .

Gn 22,1.2. ´-ch-r . (1) voorzetsel אֶחָר = ´èchär (na, achter) stat. constr. אַחַר = ´achar . (2) אַחֵר = ´acher (ander, andere) . Taalgebruik in Tenakh : ´acher (ander, andere) . Getalwaarde : aleph = 1 , chet = 8 , resj = 20 of 200 ; totaal : 29 OF 209 (11 X 19) . Structuur : 1 - 8 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (101) . Pentateuch (41) . Eerdere Profeten (20) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (25) . Gn (19) : (1) Gn 4,25 . (2) Gn 9,28 . (3) Gn 10,1 . (4) Gn 10,32 . (5) Gn 11,10 . (6) Gn 15,1 . (7) Gn 18,5 . (8) Gn 22,1 . (9) Gn 22,13 . (10) Gn 24,55 . (11) Gn 29,19 . (12) Gn 30,24 . (13) Gn 34,19 . (14) Gn 37,9 . (15) Gn 37,17 . (16) Gn 39,7 . (17) Gn 40,1 . (18) Gn 43,14 . (19) Gn 43,22 .
- Grieks : μετα = meta (met , na) . Afkorting : μετ' = met' OF μεθ' = meth' . Taalgebruik in het NT : meta (na , met) . Taalgebruik in de LXX : meta (na , met) .
- Ned. : na-dat . D. : nachdem . E. : after . Fr. : après (< ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . Grieks : μετα = meta (met , na) . Afkorting : μετ' = met' OF μεθ' = meth' . Taalgebruik in het NT : meta (na , met) . Hebreeuws : ´-ch-r . (1) voorzetsel אֶחָר = ´èchär (na, achter) stat. constr. אַחַר = ´achar . (2) אַחֵר = ´acher (ander, andere) . Taalgebruik in Tenakh : ´acher (ander, andere) . Lat. : post-quam .

  meta (na, met)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
1 meta  1443  1159  284  42  34  37  24  48  77  22  113  137 
2 met'  737 611 126 18 16 21 23 14 10 24 55 78
3 meth'  1   1             1    
  totaal  2181 1770 411 60 50 58 47 62 87 47 168 215

Gn 22,1.1. - 2. וַיְהִי אַחַר = wajëhî ´achar (en het was na) . Tenakh (6) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 39,7 . (3) Gn 40,1 . (4) 1 K 17,17 . (5) 1 K 21,1 . (6) Job 42,7 .
- και εγενετο μετα = kai egeneto (en het gebeurde na) . LXX (44) .

Gn 22,1.3. הַדְּבָרִים = haddëbhârîm (de woorden) < bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfst. naamw. דָבָר = dâbhâr (woord, daad) . Zie het werkw. דָבַר = dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Getalwaarde : daleth = 4 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 26 (2 X 13) OF 206 = 2 X 103 . Structuur : 4 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (132) . Pentateuch (44) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (35) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (15) . Gn (11) : (1) Gn 15,1 . (2) Gn 20,8 . (3) Gn 22,1 . (4) Gn 22,20 . (5) Gn 24,66 . (6) Gn 29,13 . (7) Gn 39,7 . (8) Gn 40,1 . (9) Gn 43,7 . (10) Gn 44,6 . (11) Gn 48,1 . Ex (12) : (1) Ex 4,15 . (2) Ex 4,30 . (3) Ex 18,19 . (4) Ex 19,6 . (5) Ex 19,7 . (6) Ex 20,1 . (7) Ex 24,3 . (8) Ex 24,8 . (9) Ex 34,1 . (10) Ex 34,27 . (11) Ex 34,28 . (12) Ex 35,1 .

Gn 22,1.4. הָאֵלֶּה = hâ´ellèh (deze) < bepaald lidw. ha + aanwijz. voornaamw. אֵלֶּה = ´ellèh (deze /dit) . Taalgebruik in Tenakh : ´lh . Getalwaarde : aleph = 1 , lamed = 12 of 30 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 1 - 3 - 5 . De som van de elementen is telkens 9 .Tenakh (282) . Pentateuch (84) . Eerdere Profeten (91) . Latere Profeten (65) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (35) . Gn (20) : (1) Gn 15,1 . (2) Gn 15,17 . (3) Gn 20,8 . (4) Gn 21,29 . (5) Gn 22,1 . (6) Gn 22,20 . (7) Gn 24,28 . (8) Gn 29,13 . (9) Gn 34,21 . (10) Gn 35,4 . (11) Gn 38,25 . (12) Gn 39,7 . (13) Gn 39,17 . (14) Gn 39,19 . (15) Gn 40,1 . (16) Gn 41,35 . (17) Gn 43,7 . (18) Gn 44,6 . (19) Gn 44,7 . (20) Gn 48,1 . Joz (34) . Joz 24 (3) : (1) Joz 24,17 . (2) Joz 24,26 . (3) Joz 24,29 .

Gn 22,1.3. - 4. הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = haddëbharîm hâ´ellèh (deze woorden/gebeurtenissen) . Tenakh (81) . Pentateuch (24) . Gn (10) . Ex (4) . Nu (2) . Dt (8) . Gn (10) : (1) Gn 15,1 . (2) Gn 20,8 . (3) Gn 22,1 . (4) Gn 22,20 . (5) Gn 29,13 . (6) Gn 39,7 . (7) Gn 40,1 . (8) Gn 43,7 . (9) Gn 44,6 . (10) Gn 48,1 .

Gn 22,1.2. - 4. אַחַר הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = ´achar haddëbharîm hâ´ellèh (na deze woorden/gebeurtenissen) . Tenakh (8) : (1) Gn 15,1 . (2) Gn 22,1 . (3) Gn 39,7 . (4) Gn 40,1 . (5) 1 K 17,17 . (6) 1 K 21,1 . (7) Est 2,1 . (8) Est 3,1 .

Gn 22,1.1. - 4. וַיְהִי אַחַר הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = wajëhî ´achäre(j haddëbharîm hâ´ellèh (na deze woorden/gebeurtenissen) . Tenakh (3) : (1) Gn 22,20 . (2) Gn 48,1 . (3) Joz 24,29 .
- וַיְהִי אַחַר הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = wajëhî ´achar haddëbharîm hâ´ellèh (na deze woorden/gebeurtenissen) . Tenakh (5) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 39,7 . (3) Gn 40,1 . (4) 1 K 17,17 . (5) 1 K 21,1 .

Gn 22,1.5. וְהָאֱלֹהִים = wëhâ´èlohîm (God) < prefix verbindingswoord wë + bepaald lidw. ha + godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (7) : (1) Gn 22,1 . (2) Ex 19,19 . (3) Ex 21,13 . (4) Pr 3,14 . (5) Pr 3,15 . (6) 1 Kr 28,3 . (7) 2 Kr 13,15 .
- הָאֱלֹהִים = hâ´èlohîm (God) < bepaald lidwoord + godsaanduidng ´èlohîm (God) . Tenakh (336) . Pentateuch (54) . Gn (21) . Gn 22 (2) : (1) Gn 22,3 (2) Gn 22,9 .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 22 (2) : (1) Gn 22,8 . (2) Gn 22,12 .
- הָאֱלֹהִים = hâ´èlohîm (God) lijkt de vertaling van het Griekse ὁ θεος = ho theos (God) te zijn . Deze indruk wordt nog versterkt door de zinsconstructie onderwerp + vervoegd werkwoord .
- In het Hebreeuws staan we hier voor de tweede nevenschikkende zin van Gn 22,1 .
- Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) . L. deus , Fr. dieu . De vloek dju . D. Gott . E. God . Arabisch : ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Koran : ´allah (Allah) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .

Gn 22,1.6. act. piël perf. 3de pers. mann. enk. נִסָּה = nissâh (hij beproefde) van het werkw. נָסָה = nâsâh (beproeven, op de proef stellen) . Taalgebruik in Tenakh : nâsâh (beproeven, op de proef stellen) . Tenakh (2) : (1) Gn 22,1 . (2) 1 S 17,39 .
- Grieks : act. ind. imperf. 3de pers. enk. επειραζεν = epeirazen (hij beproefde) van het werkw. πειραζω = peirazô (beproeven, op de proef stellen) . Taalgebruik in het NT : peirazô (beproeven, op de proef stellen) . Taalgebruik in de LXX : peirazô (beproeven, op de proef stellen) . Bijbel : (1) Gn 22,1 . (2) Hnd 9,26 .
- epeirasen (hij beproefde). In 8 verzen in de bijbel; in 6 verzen in het OT, in 2 verzen in het NT (1) Ex 15,25 . (2) Dt 4,24 . (3) Da 1,14 . (4) Jdt 8,26 . (5) W 3,5 .
- Ned. : beproeven , proberen , uitproberen . Het Ned. woord lijkt overeen te komen met het Griekse πειραζω = peirazô (beproeven, op de proef stellen) . Bij het Ned. woord denken we ook aan het Latijnse probare . In Dt 8,16 is de vorm probavit (act. ind. perf. 3de pers. enk.) de vertaling van het Griekse εκπειρασῃ = ekpeirasè(i) (opdat hij zou beproeven ; act. conjunct. aor. 3de pers. enk.) van het werkw. εκπειραζω = peirazô (beproeven, op de proef stellen) . Frans : éprouver ; de b en v liggen dicht bij elkaar . Het kan de betekenis hebben van : hoever kan ik gaan voordat de ander eronderdoor gaat .

Gn 22,1.7. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Joz (231) . Gn (525) . Gn 22 (14) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,3 . (4) Gn 22,4 . (5) Gn 22,6. (6) Gn 22,9 . (7) Gn 22,10 . (8) Gn 22,12 . (9) Gn 22,13 . (10) Gn 22,15 . (11) Gn 22,17 . (12) Gn 22,21 . (13) Gn 22,23 . (14) Gn 22,24 .
- Arabisch : ابرَاهِيم = ´ibrâhîm (Ibrâhîm) . Taalgebruik in de Qoran : ibrâhîm (Ibrâhîm) . Qoran (75) .

Gn 22,1.8. אַבְרָהָם = ´abhërâhâm (Abraham) . Zie אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 , zie 41 of ´èlohîm (God) , OF 248 , zie 248 (8 X 31) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . Het merkwaardige aan het getal 248 (8 X 31) is de link met de algemene godsnaam El (getalwaarde 31) . De namen van de patriarchen Isaak (208 = 8 X 26) , Jakob (182 = 7 X 26) en Jozef (156 = 6 X 26) zijn gelinkt aan de specifieke godsnaam JHWH . Ook merkwaardig is de opeenvolging van de namen Abraham (8 X 31) en de naam Isaak (8 X 26) . Abraham (41 of 248) + Sarah (46 of 505) = 87 (3 X 29) OF 753 . De som van de elementen is 6 . Merkwaardig is dat de som : Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 (3 X 29) OF 753 (3 X 251) dezelfde is als de som van Abraham + Sarah . Tenakh (128) . Pentateuch (105) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (13) . Gn (98) . Gn 21 (13) : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,8 . (4) Gn 21,11 . (5) Gn 21,12 . (6) Gn 21,14 . (7) Gn 21,22 . (8) Gn 21,24 . (9) Gn 21,25 . (10) Gn 21,27 . (11) Gn 21,28 . (12) Gn 21,29 . (13) Gn 21,34 . Gn 22 (15) : (1) Gn 22,1 (2X) . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,5 . (5) Gn 22,6 . (6) Gn 22,7 . (7) Gn 22,8 . (8) Gn 22,9 . (9) Gn 22,10 . (10) Gn 22,11 (2X) . (11) Gn 22,13 (2X) . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 22,15 . (14) Gn 22,19 (2X) . (15) Gn 22,23 . Gn 25 (9) : (1) Gn 25,1 . (2) Gn 25,5 . (3) Gn 25,6 . (4) Gn 25,7 . (5) Gn 25,8 . (6) Gn 25,10 . (7) Gn 25,11 . (8) Gn 25,12 . (9) Gn 25,19 .
- Grieks : αβρααμ = abraam (Abraham) . Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) . Arabisch : ابرَاهِيم = ´ibrahim (Ibrahim) . Taalgebruik in de Qoran : ibrahim (Ibrahim) . Hebreeuws : אַבְרָהָם = ´abhërâhâm (Abraham) . Zie אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) .

Gn 22,1.7. - 8. ´èth ´abhërâhâm (Abraham) . Tenakh (14) : (1) Gn 19,29 . (2) Gn 22,1 . (3) Gn 23,5 . (4) Gn 23,10 . (5) Gn 23,14 . (6) Gn 24,1 . (7) Gn 49,31 . (8) Ex 2,24 . (9) Joz 24,3 . (10) 2 K 13,23 . (11) 1 Kr 16,16 . (12) Ps 105,9 . (13) Ps 105,42 . (14) Js 29,22 .

Gn 22,1.9. וַיּאֹמֶר= wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. -m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) .Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Gn 22 (8) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,5 . (4) Gn 22,7 . (5) Gn 22,8 . (6) Gn 22,11 . (7) Gn 22,12 . (8) Gn 22,16 .
- Lettinga 12, 2012, 53c2 : Het werkw. begint met een aleph . Het is een gutturaal , maar de zwakste van de gutturalen . Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal werkw. een bijzondere behandeling voor de qal imperf. . Dit is het geval voor ons werkw. . In het imperf. gaat een medeklinker vooraf aan de aleph . De aleph quiesceert : ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b) . In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o : jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c) . De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b) . In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a : jomur -> jomar b(i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012 , 15g) . In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è , vandaar wajjo´mèr . (Zie ook Jouön , 73) .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . λεγω = legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
act. ind. aor. 3de p. enk. eipen  3024  2426  598  118  56  223  114  75  397  511 

- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . D. : sprechen (spreken) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere .

Gn 22,1.10. אֵלָיו = ´elâ(j)w (tot hem) . Voorvoegsel ´el + suffix derde persoon mannelijk enkelvoud . ´l : voorzetsel ´èl (naar, tot) OF godsnaam El . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl OF ontkenning ´al (niet) . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . Tenakh (407) . Pentateuch (118) . Eerdere Profeten (182) . Latere Profeten (32) . 12 Kleine Profeten (15) . Geschriften (60) . Gn (53) . Gn 22 (2) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,11 .
- Lettinga 12, 2012, 63k : Bij ´èl zijn de suffixen verbonden met de oorspronkelijke vorm op aj . Zo ontstaan er vormen die er uitzien als het meervoud met suffixen .

Gn 22,1.9. - 10. וַיּאֹמֶר אֵלָיו = wajjo´mèr ´elâ(j)w (en hij zei tot hem) . Tenakh (83) . Gn (17) : (1) Gn 15,7 . (2) Gn 15,9 . (3) Gn 17,1 . (4) Gn 19,21 . (5) Gn 20,6 . (6) Gn 22,1 . (7) Gn 24,5 . (8) Gn 24,6 . (9) Gn 26,9 . (10) Gn 27,1 (2X) . (11) Gn 27,26 . (12) Gn 27,39 . (13) Gn 30,27 . (14) Gn 30,29 . (15) Gn 32,28 . (16) Gn 33,13 . (17) Gn 43,3 .

Gn 22,1.11. אַבְרָהָם = ´abhërâhâm (Abraham) . Zie אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 248 (31 X 8) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . Tenakh (128) . Pentateuch (105) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (13) . Gn (98) . Gn 22 (15) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,5 . (5) Gn 22,6 . (6) Gn 22,7 . (7) Gn 22,8 . (8) Gn 22,9 . (9) Gn 22,10 . (10) Gn 22,11 . (11) Gn 22,13 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 22,15 . (14) Gn 22,19 . (15) Gn 22,23 .
- Arabisch : ابرَاهِيم = ´ibrâhîm (Ibrâhîm) . Taalgebruik in de Qoran : ibrâhîm (Ibrâhîm) . Qoran (75) .

Gn 22,1.9. - 11. wajjo´mèr ´elâ(j)w ´abhërâhâm . Gn 22,1 . "En (God) zei tot hem : Abraham" . In dit versdeel is God onderwerp en Abraham wordt aangesproken . Gn 24,6 . "En Abraham zei tot hem" . In dit versdeel is Abraham onderwerp .

Gn 22,1.12. וַיּאֹמֶר= wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. -m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) .Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Gn 22 (8) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,5 . (4) Gn 22,7 . (5) Gn 22,8 . (6) Gn 22,11 . (7) Gn 22,12 . (8) Gn 22,16 .
- Lettinga 12, 2012, 53c2 : Het werkw. begint met een aleph . Het is een gutturaal , maar de zwakste van de gutturalen . Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal werkw. een bijzondere behandeling voor de qal imperf. . Dit is het geval voor ons werkw. . In het imperf. gaat een medeklinker vooraf aan de aleph . De aleph quiesceert : ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b) . In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o : jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c) . De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b) . In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a : jomur -> jomar b(i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012 , 15g) . In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è , vandaar wajjo´mèr . (Zie ook Jouön , 73) .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . λεγω = legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
act. ind. aor. 3de p. enk. eipen  3024  2426  598  118  56  223  114  75  397  511 

- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . D. : sprechen (spreken) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere .

Gn 22,1.13. הִנֵּנִי = hinnënî (zie mij ; zie hier ben ik) < hinneh + suffix pers. voornaamw. 1ste pers. mann. enk. . Zie : הֵן / הֶנֵּה = hen / hinneh (zie) . Taalgebruik in Tenakh : hen / hinneh (zie) . Taalgebruik in Jesaja : hen / hinneh (zie) . Getalwaarde : he = 5 , nun = 14 of 50 ; totaal : 19 OF 55 (5 X 11) . Structuur : 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (177) . Pentateuch (22) . Eerdere Profeten (23) . Latere Profeten (112) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (3) . Gn (12) : (1) Gn 6,17 . (2) Gn 9,9 . (3) Gn 22,1 . (4) Gn 22,7 . (5) Gn 22,11 . (6) Gn 27,1 . (7) Gn 27,18 . (8) Gn 31,11 . (9) Gn 37,13 . (10) Gn 41,17 . (11) Gn 46,2 . (12) Gn 48,4 .

Gn 22,1.12. - 13. wajjo´mèr hinnënî (en hij zei : hier ben ik) . Tenakh (7) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,11 . (3) Gn 37,13 . (4) Gn 46,2 . (5) Ex 3,4 . (6) 1 S 3,4 . (7) 1 S 3,16 .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Gn 22,2 - Gn 22,2 - De beproeving van Abraham -- Gn (Genesis ) -- Gn 22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 - - Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 -
Griekse tekst
Vulgaat
MT
Statenvertaling
Willibrordvertaling
Nieuwe vertaling
Naardense bijbel
Bible de Jérusalem
2kai eipen labe ton uion sou ton agapèton on ègapèsas ton isaak kai poreuthèti eis tèn gèn tèn upsèlèn kai anenegkon auton ekei eis olokarpôsin ef´ hen tôn oreôn ôn an soi eipô 2 ait ei tolle filium tuum unigenitum quem diligis Isaac et vade in terram Visionis atque offer eum ibi holocaustum super unum montium quem monstravero tibi 2 En Hij zeide: Neem nu uw zoon, uw enige, dien gij liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem aldaar tot een brandoffer, op een van de bergen, dien Ik u zeggen zal. [2] Hij zei: ‘Ga met Isaak, uw zoon, uw enige, die u liefhebt, naar het land van de Moria, en draag hem daar, op de berg die Ik u zal aanwijzen, als brandoffer op.’ [2] 'Roep je zoon, je enige, van wie je zoveel houdt, Isaak, en ga met hem naar het gebied waarin de Moria ligt. Daar moet je hem offeren op een berg die ik je wijzen zal.' 22:2 Hij zegt: neem toch je zoon, je enige, die je liefhebt, Isaak, en ga, jíj, naar het land van de Moria,- uitzichtsberg; doe hem daar opgaan als opgangsgave op een van de bergen welke ik je zal zeggen! 2. Dieu dit : Prends ton fils, ton unique, que tu chéris, Isaac, et va-t'en au pays de Moriyya, et là tu l'offriras en holocauste sur une montagne que je t'indiquerai.

King James Bible . [2] And he said, Take now thy son, thine only son Isaac, whom thou lovest, and get thee into the land of Moriah; and offer him there for a burnt offering upon one of the mountains which I will tell thee of.
Luther-Bibel . 2 Und er sprach: Nimm Isaak, deinen einzigen Sohn, den du lieb hast, und geh hin in das Land Morija und opfere ihn dort zum Brandopfer auf einem Berge, den ich dir sagen werde.

Tekstuitleg van Gn 22,2 . Het vers Gn 22,2 telt 25 (5²) woorden en 81 (3² X 3²) letters . De getalwaarde van Gn 22,2 is 5321 (17 X 313) .

2 S 7,14a 2 S 7,14b Ps 2,7 Js 42,1 Js 44,1.2 Gn 22,2 Lc 3,22 Lc 9,35 Hnd 13,33  Lc 1,35
( le'ab ) eis patera (tot vader) (leben ) eis huion (tot zoon) ( beni 'attah ) huios mou ei su (mijn zoon zijt gij) ( àbdi ... behiri ) Iakôb ho pais mou... Israèl ho eklektos (mijn dienstkecht ... mijn uitverkorene) ( jaàqobàbdi ... Israèl baharti bô ) pais mou Iakob kai ho ègapèmenos (vers 2) Israèl, hon exelexamèn ) Jakob mijn dienstknecht, Israël die ik verkozen heb ('èt bincha 'èt jehidcha 'asjer ahabta ) ton huion sou ton agapèton , hon ègapèsas (uw zoon, uw enige , die u liefhebt ) su ei ho huios mou, ho agapètos, en soi eudokèsa (gij zijt mijn zoon, mijn welbeminde, in wie Ik welbehagen heb) houtos estin ho huios mou ho eklelegmenos (deze is mijn zoon, mijn uitverkorene)! ( beni 'attah ) huios mou ei su (mijn zoon zijt gij)  
    ( 'ani hajjom jelidticha ) egô sèmron gegennèka se (ik heb u heden verwekt)           ( 'ani hajjom jelidticha ) egô sèmeron gegennèka se (ik heb u heden verwekt)  dio kai to gennômenon hagion klèthèsetai huios theou (daarom ook zal dat wat geboren wordt, heilig genoemd worden, zoon van God
 2 S 7,1-17 : de belofte van Natan   2 S 7,1-17 : de belofte van Natan  Ps 2  Js 42,1-9 : de dienaar  Js 44,1-5 : Wees niet bang  Gn 22,1-19 : de beproeving van Abraham  18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 // Mt 3,13-17 // Lc 3,21-22   168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36  Hnd 13,13-52 : In Antiochië in Pisidië   3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38

Gn 22,2.1. וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. -m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) .Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Gn 22 (8) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,5 . (4) Gn 22,7 . (5) Gn 22,8 . (6) Gn 22,11 . (7) Gn 22,12 . (8) Gn 22,16 .
- Lettinga 12, 2012, 53c2 : Het werkw. begint met een aleph . Het is een gutturaal , maar de zwakste van de gutturalen . Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal werkw. een bijzondere behandeling voor de qal imperf. . Dit is het geval voor ons werkw. . In het imperf. gaat een medeklinker vooraf aan de aleph . De aleph quiesceert : ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b) . In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o : jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c) . De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b) . In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a : jomur -> jomar b(i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012 , 15g) . In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è , vandaar wajjo´mèr . (Zie ook Jouön , 73) .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . λεγω = legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
act. ind. aor. 3de p. enk. eipen  3024  2426  598  118  56  223  114  75  397  511 

- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . D. : sprechen (spreken) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere .

Gn 22,2.2. act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. קַח = qach (neem) van het werkw. לָקַח = lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . Taalgebruik in Tenakh : lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , qoph = 19 of 100 , chet = 8 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 138 (2 X 3 X 23) . Structuur : 3 - 1 - 8 . Tenakh (66) . Pentateuch (26) . Eerdere Profeten (18) . Latere Profeten (15) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (4) . Gn (10) : (1) Gn 6,21 . (2) Gn 12,19 . (3) Gn 14,21 . (4) Gn 19,15 . (5) Gn 22,2 . (6) Gn 23,13 . (7) Gn 24,51 . (8) Gn 27,13 . (9) Gn 33,11 . (10) Gn 34,4 .
- Lettinga (12,2012, 24j) behandelt het werkw. lâqach na het werkw. nâthan , omdat het geheel naar analogie van nâthan wordt behandeld . Wellicht gebeurt dit onder invloed van de tege'nstelling in betekenissen van beide werkwoorden .
- Ned. : nemen . D. : nehmen . E. : take . Fr. : prendre . Grieks : λαμβανω = lambanô (nemen) . Taalgebruik in het NT : lambanô (nemen) . Hebreeuws : לָקַח = lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . Taalgebruik in Tenakh : lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . Lat. : accipere (ad-capere = aan-grijpen, aannemen) .

Gn 22,2.1. - 2. וַיּאֹמֶר קַח = wajj´omèr qach (en hij zei : neem) . Tenakh (2) : (1) Gn 22,2 . (2) 2 K 13,18 .

Gn 22,2.3. Het partikel נָא = nâ´ (toch) wordt gebruikt wanneer een verzoek onverwacht komt . (Lettinga 12, 2012, 65c) . Taalgebruik in Tenakh : nâ´ (toch) .

Gn 22,2.2. - 3. קַח נָא = qach nâ´ (neem dan) . Tenakh (8) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 33,11 . (3) 1 S 9,3 . (4) 1 S 17,17 . (5) 1 S 26,11 . (6) 2 K 5,15 . (7) Job 22,22 . (8) Jon 4,3 .

Gn 22,2.4. אֵת / אֶת =´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Joz (231) . Gn (525) . Gn 22 (14) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,3 . (4) Gn 22,4 . (5) Gn 22,6. (6) Gn 22,9 . (7) Gn 22,10 . (8) Gn 22,12 . (9) Gn 22,13 . (10) Gn 22,16 . (11) Gn 22,17 . (12) Gn 22,21 . (13) Gn 22,23 . (14) Gn 22,24 .
- Lettinga 12, 2012, 25e : Partikel om het lijdend voorwerp , vooral indien het bepaald is , te markeren .

Gn 22,2.5. בִּנְךָ = binëkhâ (jouw zoon) < zelfst. naamw. ben + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Zie בֵּן / בִּן / בֶּן = ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalwaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (45) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (21) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (4) . Gn (10) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,12 . (3) Gn 22,16 . (4) Gn 24,5 . (5) Gn 27,32 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,15 . (8) Gn 37,32 . (9) Gn 45,9 . (10) Gn 48,2 .
- zelfst. naamw. met 2 medeklinkers en 1 oorspronkelijk korte klinker : qil-vorm .

Gn 22,2.4. - 5. אֶת בִּנְךָ = ´èth binëkhâ (jouw zoon) . Tenakh (7) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,12 . (3) Gn 22,16 . (4) Gn 24,5 . (5) Ex 4,23 . (6) Dt 7,4 . (7) Re 6,30 .

Gn 22,2.6. אֶת = ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 22 (14) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,3 . (4) Gn 22,4 . (5) Gn 22,6. (6) Gn 22,9 . (7) Gn 22,10 . (8) Gn 22,12 . (9) Gn 22,13 . (10) Gn 22,16 . (11) Gn 22,17 . (12) Gn 22,21 . (13) Gn 22,23 . (14) Gn 22,24 .

Gn 22,2.7. יְחִידֶךָ = jëchîdèkhâ (jouw enige) < prefix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. + bijvoegl. naamw. יָחִיד = jâchîd (enig, eenzaam, verlaten) . Taalgebruik in Tenakh : jâchîd (enig, eenzaam, verlaten) . Tenakh (3) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,12 . (3) Gn 22,16 . In jâchîd zitten de medeklinkers j-ch-d zoals in ´èchad (één) . jâchîd en jâlad (verwekken, baren) verschillen slechts in de middelste medeklinker (wat de medeklinkers betreft) ; bij vermenging van de 2 krijg je in het lat. uni-genitus (enig-geboren) . jâchîd en ´âhabh (beminnen) kunnen ook dicht bij elkaar liggen : jod en alelph zijn gemakkelijk verwisselbaar ; de ch en de h liggen dicht bij elkaar ; slechts de laatste medeklinker verschilt van elkaar : d en bh . Het Griekse agapaô benadert de klank van het Hebreeuwse ´âhabh ; allereerst de a , vervolgens de g en de h , tenslotte de p en de b . Zo kan jâchîd (enig) naar het Griekse agapètos (beminde) vertaald worden .
- Qatîlvorm : een naamw. met 3 medeklinkers en een lange klinker in de 2de lettergreep . Lettinga (12, 2012, 22e4) : "Arameïserende vormen : קְטִיל = qëtîl (vgl. Aram.pt. pass. qal = qatîl > qtîl) . Zie het Hebreeuwse werkw. יָחַד = jâchad (zich verenigen, zich aansluiten, zich verbinden met) . Taalgebruik in Tenakh : jâchad (zich verenigen, zich aansluiten, zich verbinden met) . יְחִידֶךָ = jëchîdèkhâ (jouw enige) kan dan betekenen : de met jou verenigde , de met jou verbondene .
- Grieks : acc. mann. enk. αγαπητον = agapèton van het bijvoegl. naamw. αγαπητος = agapètos (beminde, geliefde) . Zie het werkw. αγαπαω = agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in het NT : agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in de LXX : agapaô (liefhebben) . Bijbel (11) . LXX (4) : (1) Gn 22,2 . (2) Zach 12,10 . (3) Ps 38,21 . (4) Sir 15,13 . NT (7) : (1) Mc 12,6 . (2) Lc 20,13 . (3) Rom 16,5 . (4) Rom 16,8 . (5) Rom 16,9 . (6) 1 Kor 4,17 . (7) Film 1,16 . Een vorm van αγαπητος = agapètos (beminde, geliefde) in de LXX (24) , in het NT (61) .
- De De Hebreeuwse passiefvorm werd in het Grieks vaak vertaald door werkwoordvorm + τος = tos . αγαπη-τος = agapè-tos (beminde) ; χρισ-τος = chris-tos (gezalfde) ; κλη-τος = klè-tos (geroepene) .
- Lat. unigenitum (eniggeboren) . Bijbel (5) : (1) Gn 22,2 . (2) Zach 12,10 . (3) Joh 3,16 . (4) Heb 11,17 . (5) 1 Joh 4,9 . In het Grieks is de acc. mann. enk. μονογενη = monogenè (eniggeboren) van het bijvoegl. naamw. μονογενης = monogenès (eniggeboren) . Taalgebruik in het NT : monogenès (eniggeboren) . Taalgebruik in de LXX : monogenès (eniggeboren) . Bijbel (5) . LXX (2) : (1) Ps 22,21 . (2) Ps 35,17 . NT (3) : (1) Joh 3,16 . (2) Heb 11,17 . (3) 1 Joh 4,9 . In (1) Ps 22,21 . (2) Ps 35,17 is het Griekse μονογενη = monogenè (eniggeboren) de vertaling van het Hebreeuwse jâchîd (enig) . Ook in het Latijn wordt een passiefvorm gebruikt .

Gn 22,2.4. - 7. אֶת בִּנְךָ אֶת יְחִידֶךָ = ´èth binëkhâ jëchîdèkhâ (jouw zoon, jouw enige) . Tenakh (7) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,12 . (3) Gn 22,16 .
- Grieks : του ὑιου σου του αγαπητου = tou huiou sou tou agapètou (jouw zoon, jouw geliefde) . Bijbel (2) : (1) Gn 22,12 . (2) Gn 22,16 .
- Grieks : τον ὑιον σου τον αγαπητον = ton huion sou ton agapèton (jouw zoon, jouw geliefde) . Bijbel (1) Gn 22,2 .

Gn 22,2.8. אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) OF persoonsnaam אָשֶׁר = ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (4012) . Pentateuch (1378) . Eerdere Profeten (1114) . Latere Profeten (717) . 12 Kleine Profeten (106) . Geschriften (697) . Gn (307) . Gn 22 (7) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,9 . (4) Gn 22,14 . (5) Gn 22,16 . (6) Gn 22,17 . (7) Gn 22,18 .
- Ned. : zoals . D. : wie . E. : as . Fr. : selon . Gr. καθως = kathôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : kathôs (zoals) . Hebreeuws : אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Lat. : sicut .

Gn 22,2.9. act. qal perf. 2de pers. mann. enk. אָהַבְתָּ = ´âhabhëthâ (jij bemint) van het werkw. אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Taalgebruik in Tenakh : ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Getalwaarde : aleph = 1 , he = 5 , beth = 2 ; totaal : 8 (2²) . Structuur : 1 - 5 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tussen de aleph en de beth (אַב = ´abh (vader) staat de he (aanblazen) . Het Hebreeuws en het Arabisch hebben dezelfde wortel : 'hb . Tenakh (6) : (1) Gn 22,2 . (2) Hos 9,1 . (3) Ps 45,8 . (4) Ps 52,5 . (5) Ps 52,6 . (6) Pr 9,9 .
- act. ind. praes. 2de pers. enk. diligis (jij bemint : hebt lief , kiest uit , verkiest) van het werkw. diligere (beminnen, liefhebben, uitkiezen, verkiezen) . Bijbel (10) . LXX (8) : (1) Gn 22,2 . (2) Dt 13,7 . (3) Re 14,16 . (4) 1 S 20,30 . (5) 2 S 19,7 . (6) Ps 51,8 . (7) Pr 9,9 . (8) W 11,24 . NT (2) : (1) Joh 21,15 . (2) Joh 21,16 .
- Ned. : beminnen , liefhebben . Arabisch : اَدَبَّ = ´ahabba (beminnen, liefhebben) . Taalgebruik in de Qoran : ´ahabba (beminnen, liefhebben) . D. : lieben . E. : to love . Fr. : aimer . Grieks : αγαπαω = agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in het NT : agapaô (liefhebben) . Hebreeuws : אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Taalgebruik in Tenakh : ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Lat. : amare . In het Hebreeuwse zelfst. naamw. לֵב = lebh (hart) zit het woordje lef , lief . Er wordt dan een verband gelegd tussen hart en lief-de . In Dt 6,5 volgt 'met heel je hart' op 'jij zult liefhebben' .

Gn 22,2.8. - 9. אֲשֶׁר אָהַבְתָּ = äsjèr ´âhabhëthâ (die jij bemint) . Tenakh (2) : (1) Gn 22,2 . (2) Pr 9,9 .

Gn 22,2.10. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Joz (231) . Gn (525) . Gn 22 (14) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,3 . (4) Gn 22,4 . (5) Gn 22,6. (6) Gn 22,9 . (7) Gn 22,10 . (8) Gn 22,12 . (9) Gn 22,13 . (10) Gn 22,16 . (11) Gn 22,17 . (12) Gn 22,21 . (13) Gn 22,23 . (14) Gn 22,24 .

Gn 22,2.12. wëlèch (en ga) of wëlech (en ga) of wâlech (en ga) < prefix verbindingswoord wë + act. imperat. 2de pers. mann. enk. van het werkw. hâlakh (gaan) . Taalgebruik in Tenakh : hâlakh (gaan) . Getalwaarde : he = 5 , lamed = 12 of 30 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 28 (2 X 2 X 7) of 55 (5 X 11) . Structuur : 5 - 3 -2 . Tenakh (31) . Pentateuch (5) . Eerdere Profeten (14) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (5) . Gn (4) : (1) Gn 12,19 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 24,51 . (4) Gn 27,13 .

Gn 22,2.13. l-kh (lâkh of lëhkâ = aan jou) < voorzetsel lë = suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. OF act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. lekh (ga) . Zie hâlakh (gaan) . Taalgebruik in Tenakh : hâlakh (gaan) . Getalwaarde : he = 5 1S lamed = 12 of 30 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 28 (2 X 2 X 7) of 55 (5 X 11) . Structuur : 5 - 3 - 2 . Tenakh (827 . Pentateuch (276) . Eerdere Profeten (188) . Latere Profeten (147) . 12 Kleine Profeten (30) . Geschriften (186) . Gn (72) . Gn 22 (1) : Gn 22,2 .

lèkh : qal actief imperatief tweede persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord hâlakh (gaan) . In 827 verzen in de bijbel . In tweeënzeventig verzen in Gn . In één vers in Gn 12 : nl. Gn 12,1 . Verwijzing : hâlakh (gaan) , zie Js 9,1 .
- Het eerste woord van de opdracht van JHWH aan Abram (Gn 12,1) is een werkwoordvorm van het werkwoord הָלַך = hâlakh (gaan) ; zo ook het eerste woord van de uitvoering door Abram in Gn 12,4 . Het woord הָלַך = hâlakh (gaan) doet denken aan de joodse levenswandel (halakha) . In Gn 12,4 begint de tocht van Abram : (1) Gn 12,4 : wajjelèkh (en Abram ging) .

Gn 22,2.12. - 13.לְךָ לֶכ = lèkh lëkhâ (ga - voor je uit) . Tenakh (1) : Gn 12,1 .
- לְךָ וְלֶכ = lèkh lëkhâ (ga - voor je uit) komt ook voor in Gn 22,2 .

Gn 22,2.21. ´èchâd (één) . Taalgebruik in Tenakh : ´èchâd (één) . Getalwaarde : aleph = 1 , chet = 8 , daleth = 4 . Totaal : 13 . Structuur : 1 - 8 - 4 . God is één of 13 . Tenakh (400) . Pentateuch (150) . Eerdere Profeten (111) . Latere Profeten (68) . 12 Kleine Profeten (12) . Geschriften (59) . Gn (23) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,9 . (3) Gn 2,24 . (4) Gn 11,6 . (5) Gn 21,15 . (6) Gn 22,1 . (7) Gn 26,10 . (8) Gn 27,45 . (9) Gn 32,23 . (10) Gn 33,13 . (11) Gn 34,16 . (12) Gn 34,22 . (13) Gn 40,5 . (14) Gn 41,5 . (15) Gn 41,11 . (16) Gn 41,22 . (17) Gn 41,25 . (18) Gn 41,26 . (19) Gn 42,11 . (20) Gn 42,13 . (21) Gn 42,16 . (22) Gn 42,19 . (23) Gn 48,22 .

Gn 22,2.22. hèhârîm (de bergen) < bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfst. naamw. har (berg) . Taalgebruik in Tenakh : har (berg) . Getalwaarde : he = 5 , resj = 20 of 300 ; totaal : 25 (5²) of 305 (5 x 61) . Gr. oros (berg) . Taalgebruik in de Septuaginta : oros (berg) . Taalgebruik in NT : oros (berg) . Lat. mons , -tis . Fr. mont / montagne . E. mount . Ned. berg , gebergte . D. Gebirge . Tenakh (52) . Pentateuch (5) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (21) . 12 Kleine Profeten (12) . Geschriften (8) . Gn (4) : (1) Gn 7,19 . (2) Gn 7,20 . (3) Gn 8,5 . (4) Gn 22,2 . Ex (0) . Lv (0) . Nu (0) . Dt (1) .

Gn 22,2.23. אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) OF persoonsnaam אָשֶׁר = ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (4012) . Pentateuch (1378) . Eerdere Profeten (1114) . Latere Profeten (717) . 12 Kleine Profeten (106) . Geschriften (697) . Gn (307) . Gn 22 (7) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,9 . (4) Gn 22,14 . (5) Gn 22,16 . (6) Gn 22,17 . (7) Gn 22,18 .
- Gr. καθως = kathôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : kathôs (zoals) . Taalgebruik in de LXX : kathôs (zoals) . Lat. sicut . Fr. selon . E. as . D. wie .

Gn 22,2.22. - 23. hèhârîm ´äsjèr (de bergen die) . Tenakh (2) : (1) Gn 22,2 . (2) Js 7,25 .

Gn 22,2.24. אמר = ´-m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (790) . Pentateuch (84) . Eerdere Profeten (122) . Latere Profeten (385) . 12 Kleine Profeten (92) . Geschriften (107) . Gn (27) . Gn 22 (3) : (1) Gn 22,2 (אֹמַר = ´omar (ik zeg) . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,9 .
- Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) .

Gn 22,2.23. - 24. ´äsjèr ´omar (die / dat ik zeg) . Tenakh (6) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 24,14 . (3) Gn 26,2 . (4) Re 7,4 (2X) . (5) 1 S 16,3 . (6) 1 S 28,8 .

Gn 22,2.25. ´elè(j)khâ (tot jou) < voorzetsel ´el (naar, tot) + suffix tweede persoon mannelijk enkelvoud . ´l : voorzetsel ´èl (naar, tot) OF godsnaam El . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl OF ontkenning ´al (niet) . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . Tenakh (236) . Pentateuch (60) . Eerdere Profeten (55) . Latere Profeten (58) . 12 Kleine Profeten (9) . Geschriften (54) . Gn (21) : (1) Gn 6,20 . (2) Gn 6,21 . (3) Gn 18,10 . (4) Gn 18,14 . (5) Gn 19,5 . (6) Gn 21,12 . (7) Gn 22,2 . (8) Gn 24,50 . (9) Gn 26,2 . (10) Gn 31,16 . (11) Gn 31,39 . (12) Gn 31,52 . (13) Gn 35,1 . (14) Gn 38,16 . (15) Gn 42,37 . (16) Gn 43,9 . (17) Gn 44,8 . (18) Gn 44,32 . (19) Gn 47,5 . (20) Gn 48,2 . (21) Gn 48,5 .

Gn 22,2.23. - 25. ´äsjèr ´omar ´elè(j)khâ (die / dat ik zeg tot jou) . Tenakh (4) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 26,2 . (3) Re 7,4 (2X) . (4) 1 S 16,3 .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Gn 22,3 - Gn 22,3 - De beproeving van Abraham -- Gn (Genesis ) -- Gn 22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 - - Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 -
Griekse tekst
Vulgaat
MT
Statenvertaling
Willibrordvertaling
Nieuwe vertaling
Naardense bijbel
Bible de Jérusalem
3anastas de abraam to prôi epesaxen tèn onon autou parelaben de meth¢ eautou duo paidas kai isaak ton uion autou kai schisas xula eis olokarpôsin anastas eporeuthè kai èlthen epi ton topon on eipen autô o theos
3 igitur Abraham de nocte consurgens stravit asinum suum ducens secum duos iuvenes et Isaac filium suum cumque concidisset ligna in holocaustum abiit ad locum quem praeceperat ei Deus
 
3 Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en zadelde zijn ezel, en nam twee van zijn jongeren met zich, en Izak zijn zoon; en hij kloofde hout tot het brandoffer, en maakte zich op, en ging naar de plaats, die God hem gezegd had.
[3] De volgende ochtend zadelde Abraham zijn ezel, nam twee knechten en zijn zoon Isaak met zich mee, en kloofde hout voor het brandoffer. Daarna ging hij op weg naar de plaats die God hem aangewezen had.
[3] De volgende morgen stond Abraham vroeg op. Hij zadelde zijn ezel, nam twee van zijn knechten en zijn zoon Isaak met zich mee, hakte hout voor het offer en ging op weg naar de plaats waarover God had gesproken.
22:3 In de ochtend recht Abraham zijn schouders, zadelt zijn ezel, neemt zijn twee hulpjongens met zich mee en Isaak, zijn zoon; hij klooft stukken hout voor een opgangsgave, staat op en gaat naar het oord dat God hem heeft gezegd.
3. Abraham se leva tôt, sella son âne et prit avec lui deux de ses serviteurs et son fils Isaac. Il fendit le bois de l'holocauste et se mit en route pour l'endroit que Dieu lui avait dit.

King James Bible . [3] And Abraham rose up early in the morning, and saddled his ass, and took two of his young men with him, and Isaac his son, and clave the wood for the burnt offering, and rose up, and went unto the place of which God had told him.
Luther-Bibel . 3 Da stand Abraham früh am Morgen auf und gürtete seinen Esel und nahm mit sich zwei Knechte und seinen Sohn Isaak und spaltete Holz zum Brandopfer, machte sich auf und ging hin an den Ort, von dem ihm Gott gesagt hatte.

Tekstuitleg van Gn 22,3 . Het vers Gn 22,3 telt 25 (5²) woorden en 92 (4 X 23) letters . De getalwaarde van Gn 22,3 is 5986 (2 X 41 X 73) .

Gn 22,3.2. ´abhërâhâm (Abraham) . Zie ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 248 (31 X 8) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . Tenakh (128) . Pentateuch (105) . Gn (98) . Gn 22 (15) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,5 . (5) Gn 22,6 . (6) Gn 22,7 . (7) Gn 22,8 . (8) Gn 22,9 . (9) Gn 22,10 . (10) Gn 22,11 . (11) Gn 22,13 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 22,15 . (14) Gn 22,19 . (15) Gn 22,23 .

Gn 22,3.19. wajjelèkh (en hij ging) < waw + act. qal imperfectum 3de pers.mann. enk. van het werkwoord halakh (gaan) . Taalgebruik in Tenakh : hâlakh (gaan) . Getalwaarde : he = 5 , lamed = 12 of 30 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 28 (2 X 2 X 7) of 55 (5 X 11) . Structuur : 5 - 3 -2 . Tenakh (216) . Pentateuch (39) . Eerdere Profeten (146) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (22) . Gn (23) : (1) Gn 12,4 . (2) Gn 13,3 . (3) Gn 18,33 . (4) Gn 22,3 . (5) Gn 22,13 . (6) Gn 24,10 . (7) Gn 24,61 . (8) Gn 25,34 .

Gn 22,3.21. הַמַּקוֹם = hammâqôm (de plaats) < bepaald lidw. ha + מַקוֹם = maqôm (plaats, verblijfplaats) . Taalgebruik in Tenakh : maqôm (plaats, verblijfplaats) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , qoph = 19 of 100 , waw = 6 ; totaal : 51 (3 X 17) OF 186 (2 X 3 X 31) . Structuur : 4 - 1 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 6 .Tenakh (114) . Pentateuch (51) . Eerdere Profeten (26) . Latere Profeten (21) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (14) . Gn (22) : (1) Gn 13,3 . (2) Gn 13,14 . (3) Gn 18,26 . (4) Gn 19,12 . (5) Gn 19,13 . (6) Gn 19,14 . (7) Gn 19,27 . (8) Gn 20,13 . (9) Gn 22,3 . (10) Gn 22,4 . (11) Gn 22,9 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 26,7 . (14) Gn 28,11 . (15) Gn 28,17 . (16) Gn 28,19 . (17) Gn 29,22 . (18) Gn 32,3 . (19) Gn 32,31 . (20) Gn 33,17 . (21) Gn 35,15 . (22) Gn 38,22 . Dt (8) : (1) Dt 1,31 . (2) Dt 9,7 . (3) Dt 11,5 . (4) Dt 11,24 . (5) Dt 12,3 . (6) Dt 12,5 . (7) Dt 12,11 . (8) Dt 12,21 . (9) Dt 12,26 . (10) Dt 14,24 . (11) Dt 14,25 . (12) Dt 16,6 . (13) Dt 17,8 . (14) Dt 17,10 . (15) Dt 18,6 . (16) Dt 26,2 . (17) Dt 26,9 . (18) Dt 29,6 .
- Gr. τοπος = topos (plaats) . Taalgebruik in het NT : topos (plaats) . Taalgebruik in de LXX : topos (plaats) . Een vorm van τοπος = topos in de LXX (613) , in het NT (95) .

L. locus . F. place . N. plaats . E. place . D. Stätte .

Gn 22,3.22. אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) OF persoonsnaam אָשֶׁר = ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (4012) . Pentateuch (1378) . Eerdere Profeten (1114) . Latere Profeten (717) . 12 Kleine Profeten (106) . Geschriften (697) . Gn (307) . Gn 22 (7) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,9 . (4) Gn 22,14 . (5) Gn 22,16 . (6) Gn 22,17 . (7) Gn 22,18 .
- Gr. καθως = kathôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : kathôs (zoals) . Taalgebruik in de LXX : kathôs (zoals) . Lat. sicut . Fr. selon . E. as . D. wie .

Gn 22,3.23. אמר = ´-m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (790) . Pentateuch (84) . Eerdere Profeten (122) . Latere Profeten (385) . 12 Kleine Profeten (92) . Geschriften (107) . Gn (27) . Gn 22 (3) : (1) Gn 22,2 (אֹמַר = ´omar (ik zeg) . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,9 .
- Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) .

Gn 22,3.22. - 24. לוֹ אָמַר אֲשֶׁר (wat hij zei tot hem) . Tenakh (3) : (1) Gn 22,3 . (2) Gn 22,9 . (3) 2 K 6,10 .

25. ְהָאֱלֹהִים = wëhâ´èlohîm (God) < prefix verbindingswoord wë + bepaald lidw. ha + godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (7) : (1) Gn 22,1 . (2) Ex 19,19 . (3) Ex 21,13 . (4) Pr 3,14 . (5) Pr 3,15 . (6) 1 Kr 28,3 . (7) 2 Kr 13,15 .
- הָאֱלֹהִים = hâ´èlohîm (God) < bepaald lidwoord + godsaanduidng ´èlohîm (God) . Tenakh (336) . Pentateuch (54) . Gn (21) . Gn 22 (2) : (1) Gn 22,3 (2) Gn 22,9 .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 22 (2) : (1) Gn 22,8 . (2) Gn 22,12 .
- הָאֱלֹהִים = hâ´èlohîm (God) lijkt de vertaling van het Griekse ὁ θεος = ho theos (God) te zijn . Deze indruk wordt nog versterkt door de zinsconstructie onderwerp + vervoegd werkwoord .
- In het Hebreeuws staan we hier voor de tweede nevenschikkende zin van Gn 22,1 .
- Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) . L. deus , Fr. dieu . De vloek dju . D. Gott . E. God . Arabisch : ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Koran : ´allah (Allah) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .

Gn 22,3.22. - 25. הָאֱלֹהִים לוֹ אָמַר אֲשֶׁר (wat God tot hem zei) . Tenakh (2) : (1) Gn 22,3 . (2) Gn 22,9 . הָאֱלֹהִים אִישׁ לוֹ אָמַר אֲשֶׁר (wat de man van God tot hem zei) . Tenakh (1) : 2 K 6,10 .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Gn 22,4 - Gn 22,4 - De beproeving van Abraham -- Gn (Genesis ) -- Gn 22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 - - Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 -
Griekse tekst
Vulgaat
MT
Statenvertaling
Willibrordvertaling
Nieuwe vertaling
Naardense bijbel
Bible de Jérusalem
4tè èmera tè tritè kai anablepsas abraam tois ofthalmois eiden ton topon makrothen
4 die autem tertio elevatis oculis vidit locum procul
 
4 Aan den derden dag, toen hief Abraham zijn ogen op, en zag die plaats van verre.
[4] Op de derde dag zag Abraham in de verte de plaats liggen.
[4] Op de derde dag zag Abraham die plaats in de verte liggen.
22:4 Op de derde dag heft Abraham zijn ogen op en ziet het oord in de verte.
4. Le troisième jour, Abraham, levant les yeux, vit l'endroit de loin.

King James Bible . [4] Then on the third day Abraham lifted up his eyes, and saw the place afar off.
Luther-Bibel . 4 Am dritten Tage hob Abraham seine Augen auf und sah die Stätte von ferne

Tekstuitleg van Gn 22,4 . Het vers Gn 22,4 telt 10 (2 X 5) woorden en 41 letters . De getalwaarde van Gn 22,4 is 2982 (2 X 3 X 7 X 71) .

Gn 22,4.1. בְּיוֹם /בַּיּוֹם = bëjôm / bajjôm = op een (de) dag < voorzetsel bë + (bepaald lidw. ha) + יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 OF 56 (2³ X 7) . Structuur : 1 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (491) . Pentateuch (130) . Eerdere Profeten (102) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (62) . Geschriften (81) . 12 kl. Prof. (62) . Gn (22) : (1) Gn 1,18 . (2) Gn 2,2 . (3) Gn 2,4 . (4) Gn 2,17 . (5) Gn 3,5 . (6) Gn 5,1 . (7) Gn 5,2 . (8) Gn 7,11 . (9) Gn 15,18 . (10) Gn 21,8 . (11) Gn 22,4 . (12) Gn 26,32 . (13) Gn 30,33 . (14) Gn 30,35 . (15) Gn 31,22 . (16) Gn 31,40 . (17) Gn 33,16 . (18) Gn 34,25 . (19) Gn 35,3 . (20) Gn 40,20 . (21) Gn 42,18 . (22) Gn 48,20 . Ex (23) : (1) Ex 2,13 . (2) Ex 5,6 . (3) Ex 6,28 . (4) Ex 8,18 . (5) Ex 10,28 . (6) Ex 12,15 . (7) Ex 13,8 . (8) Ex 14,30 . (9) Ex 16,5 . (10) Ex 16,22 . (11) Ex 16,27 . (12) Ex 16,29 . (13) Ex 16,30 . (14) Ex 19,1 . (15) Ex 19,11 . (16) Ex 19,16 . (17) Ex 20,11 . (18) Ex 22,29 . (19) Ex 24,16 . (20) Ex 31,15 . (21) Ex 32,28 . (22) Ex 35,3 . (23) Ex 40,2 .
- Oorspronkelijk klonk יוֹם = jôm (dag) als jawm . Lettinga 12 , 2012 , 2b : "Na contractie bleef de ו (= waw) in de spelling bewaard en werd nu beschouwd als de uitdrukking van de vocaal ô" .
Gr. : ἡμερα / ἡμερᾳ = hèmera / hèmera(i) (dag) . Taalgebruik in de Septuaginta : hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Een vorm van ἡμερα = hèmera (dag) in de LXX (2567) , in het NT (388) .

  hèmera (dag)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. en dat. vr. enk. hèmera(i)  854  750  104  13  27 17  12  28  43  60    
  Totaal 2955 2567 388 45 27 83 31 94 87 21 155 186    

- Ned. : dag . Arabisch : يَوم = jaum (dag) . Taalgebruik in de Qoran : dag (jaum) . D. : Tag . E. : day . F. : jour < Lat. diurnum . Cfr journaal . Grieks : ἡμερα = hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Lat. : dies . Hebreeuws : יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) .

Gn 22,4.2. הַשְּׁלִישִׁי = hasjsjëlîsjî (de derde) < bepaald lidw. ha + telwoord vr. enk. . Zie : שׁלשׁ = sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 54 (2 X 3³) OF 630 (2 X 3² X 5 X 7) . Structuur : 3 - 3 - 3 . Tenakh (43) . Pentateuch (21) . Eerdere Profeten (10) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (10) . Gn (7) : (1) Gn 2,14 . (2) Gn 22,4 . (3) Gn 31,22 . (4) Gn 32,20 . (5) Gn 34,25 . (6) Gn 40,20 . (7) Gn 42,18 .
- dat. vr. enk. τριτῃ = tritè(i) (derde) van het Griekse τριτος = tritos . . Bijbel (51) . Gn (6) : (1) Gn 1,13 . (2) Gn 22,4 . (3) Gn 31,22 . (4) Gn 34,25 . (5) Gn 40,20 . (6) Gn 42,18 . Ex (2) : (1) Ex 19,11 . (2) Ex 19,16 .
- Ned. : derde . D. : tritte . Fr. : troisième . E. third . Gr. : τριτος = tritos . Hebreeuws : שׁלשׁ = sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . Lat. : tertius .

Gn 22,4.1. - 2. בַּיּוֹם הַשְּׁלִישִׁי = bajjôm hasjsjëlîsjî (op de derde dag) . Tenakh (22; 24X) . Gn (3) : (1) Gn 22,4 . (2) Gn 40,20 . (3) Gn 42,18 . (4) Ex 19,11 . (5) Lv 7,17 . (6) Lv 7,18 . (7) Lv 19,7 . (8) Nu 7,24 . (9) Nu 19,12 (2x) . (11) Nu 19,19 . (12) Nu 31,19 . (13) Joz 9,17 . (14) Re 20,30 . (15) 1 S 30,1 . (16) 2 S 1,2 . (17) 1 K 3,18 . (18) 1 K 12,12 . (19) 2 K 20,5 (2X) . (20) 2 K 20,8 . (21) Est 5,1 . (22) Hos 6,2 .
- Grieks . tῃ tritῃ ἡμερᾳ = tè(i) tritè(i) hèmera(i) (op de derde dag) . LXX (2) : (1) Gn 31,22 . (2) Gn 40,20 . NT (10) . Mt (3) : (1) Mt 16,21 . (2) Mt 17,23 . (3) Mt 20,19 . Mc (2) : (1) Mc 9,31 . (2) Mc 10,34 . Lc (3) : (1) Lc 9,22 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,46 . Hnd (1) Hnd 10,40 . Verder : 1 Kor 15,4 .
- tῃ ἡμερᾳ tῃ tritῃ = tè(i) hèmera(i) tè(i) tritè(i) (op de dag , de derde) . LXX (24) . Gn (3) : (1) Gn 22,4 . (2) Gn 34,25 . (3) Gn 40,20 . Ex (1) : Ex 19,16 . NT (2) : (1) Lc 18,32 . (2) Joh 2,1 .

Gn 22,4.3. verbindingsprefix waw (en) + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיִּשָּׂא = wajjishshâ´ (en hij hief op) van het werkw. נָשָׂא = nâshâ´(dragen, opnemen, verheffen) . Taalgebruik in Tenakh : nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen) . נָשָׂא = nâshâ´ wordt gebruikt in uitdrukkingen als de tenten opbreken , een rijdier bestijgen , de ogen opslaan , zijn stem verheffen , zijn voeten opheffen (= voortgaan) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , shin = 21 of 300 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 5 - 3 - 1 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (42) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (11) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (5) . Gn (14) : (1) Gn 13,10 . (2) Gn 18,2 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,13 . (5) Gn 24,63 . (6) Gn 27,38 . (7) Gn 29,1 . (8) Gn 29,11 . (9) Gn 31,17 . (10) Gn 33,1 . (11) Gn 33,5 . (12) Gn 40,20 . (13) Gn 43,29 . (14) Gn 43,34 . Ex (2) : (1) Ex 10,19 . (2) Ex 12,34 . Lv (1) Lv 9,22 .
- act. ind. futurum 2de pers. enk. + act. part. aor. nom. mann. enk. αναβλεψας = anablepsas (omhooggeblikt) van het werkw. αναβλεπω = anablepô (naar boven / omhoog blikken , opkijken) . Taalgebruik in het NT : anablepô (naar boven blikken) . Taalgebruik in de LXX : anablepô (naar boven blikken) . Taalgebruik in Mc : anablepô (naar boven blikken) . Bijbel (22) : (1) Gn 13,14 . (2) Gn 18,2 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,13 . (5) Gn 24,63 . (6) Gn 32,2 . (7) Gn 33,1 . (8) Gn 33,5 . (9) Gn 43,29 . (10) Dt 3,27 . (11) Dt 4,19 . (12) Joz 5,13 . (13) Re 19,17 . (14) Job 22,26 . (15) Da 8,3 . (16) Mt 14,19 . (17) Mc 6,41 . (18) Mc 7,34 . (19) Mc 8,24 . (20) Lc 9,16 . (21) Lc 19,5 . (22) Lc 21,1 . Een vorm van αναβλεπω = anablepô (naar boven / omhoog blikken, opkijken) in de LXX (35) , in het NT (25) , in Mt (3) : (1) Mt 11,5 . (2) Mt 14,19 . (3) Mt 20,34 ; in Mc (6) : (1) Mc 6,41 . (2) Mc 7,34 . (3) Mc 8,24 . (4) Mc 10,52 . (5) Mc 10,51 . (6) Mc 16,4 ; in Lc (7) : (1) Lc 7,22 . (2) Lc 9,16 . (3) Lc 18,41 . (4) Lc 18,42 . (5) Lc 18,43 . (6) Lc 19,5 . (7) Lc 21,1 .
- Ned. : verheffen . Lat. : pass. part. perf. dat.mv. elevatis van het werkw. elevare (uitheffen, opslaan) . D. : aufheben . E. : to lift up . Fr. lever . Grieks : αναβλεπω = anablepô (naar boven / omhoog blikken , opkijken) . Taalgebruik in het NT : anablepô (naar boven blikken) . Hebreeuws : נָשָׂא = nâshâ´(dragen, opnemen, verheffen) . Taalgebruik in Tenakh : nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen) .

verbindingsprefix waw (en) en qal actief imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud וַיִּשָּׂא = wajjishshâ´ (en hij verhief) van het werkw. נָשָׂא = nâshâ´(dragen, opnemen, verheffen) . Getallenwaarde : nun = 14 of 50 , shin = 21 of 300 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 5 - 3 - 1 . Taalgebruik in Tenakh : nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen) . נָשָׂא = nâsh´â wordt gebruikt in uitdrukkingen als de tenten opbreken , een rijdier bestijgen , de ogen opslaan , zijn stem verheffen , zijn voeten opheffen (= voortgaan) . Tenakh (42) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (11) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (5) .Gn (14) : (1) Gn 13,10 . (2) Gn 18,2 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,13 . (5) Gn 24,63 . (6) Gn 27,38 . (7) Gn 29,1 . (8) Gn 29,11 . (9) Gn 31,17 . (10) Gn 33,1 . (11) Gn 33,5 . (12) Gn 40,20 . (13) Gn 43,29 . (14) Gn 43,34 .
De Griekse vorm act. part. aor. nom. mann. enk.exaras (uitgeheven, uitgestrekt) komt slechts in het OT (4) voor : (1) Gn 29,1 . (2) Gn 49,33 . (3) Lv 9,22 . (4) Nu 24,2 . Een vorm van het werkw. exairô in de LXX (236) , in het NT (1) . Zie het werkw. επαιρω = epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in het NT : epairô (opheffen, verheffen) .
- Ned. : verheffen . Lat. : pass. part. perf. dat.mv. elevatis van het werkw. elevare (uitheffen, opslaan) . D. : aufheben . E. : to lift up . Fr. lever . Grieks : αναβλεπω = anablepô (naar boven / omhoog blikken , opkijken) . Taalgebruik in het NT : anablepô (naar boven blikken) . Hebreeuws : נָשָׂא = nâshâ´(dragen, opnemen, verheffen) . Taalgebruik in Tenakh : nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen) .

Gn 22,4.4. ´abhërâhâm (Abraham) . Zie ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 , zie 41 of ´èlohîm (God) , OF 248 , zie 248 (8 X 31) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . Het merkwaardige aan het getal 248 is de link met de algemene godsnaam El (getalwaarde 31) . De namen van de patriarchen Isaak (208 = 8 X 26) , Jakob (182 = 7 X 26) en Jozef (156 = 6 X 26) zijn gelinkt aan de specifieke godsnaam JHWH . Ook merkwaardig is de opeenvolging van de namen Abraham (8 X 31) en de naam Isaak (8 X 26) . Abraham (41 of 248) + Sarah (46 of 505) = 87 (3 X 29) OF 753 . De som van de elementen is 6 . Merkwaardig is dat de som : Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 (3 X 29) OF 753 (3 X 251) dezelfde is als de som van Abraham + Sarah . Tenakh (128) . Pentateuch (105) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (13) . Gn (98) . Gn 22 (15) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,5 . (5) Gn 22,6 . (6) Gn 22,7 . (7) Gn 22,8 . (8) Gn 22,9 . (9) Gn 22,10 . (10) Gn 22,11 . (11) Gn 22,13 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 22,15 . (14) Gn 22,19 . (15) Gn 22,23 .
Grieks : abraam (Abraham) . Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) . Taalgebruik in de LXX : abraam (Abraham) .
Arabisch : ´ibrahim (Ibrahim) . Taalgebruik in de Qoran : ibrahim (Ibrahim) .

Gn 22,4.3. - 4. wajjishshâ´ ´abhërâhâm (en Abraham hief op) . Tenakh (2) : (1) Gn 22,4 . (2) Gn 22,13 .

Gn 22,4.5. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is 5 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 22 (14) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,3 . (4) Gn 22,4 . (5) Gn 22,6. (6) Gn 22,9 . (7) Gn 22,10 . (8) Gn 22,12 . (9) Gn 22,13 . (10) Gn 22,16 . (11) Gn 22,17 . (12) Gn 22,21 . (13) Gn 22,23 . (14) Gn 22,24 .

Gn 22,4.6. עֵינָיו = `e(j)nâ(j)w (zijn ogen) < stat. constr. mann. mv. + suffix bezittel. onl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. עַיִן = `ajin (oog, bron) . Stat. constr. עֵין = ´e(j)n . Taalgebruik in Tenakh : `ajin (oog, bron) . De getalwaarde van ajin is : ajin = 16 of 70 , jod = 10 , nun = 14 of 50 . Totaal : 40 (2³ X 5) of 130 (2 X 5 X 13 OF 5 X 26) . Structuur : 7 - 1 - 5 . Som van de elementen : 4 . Tenakh (49) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (12) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (21) . Gn (9) : (1) Gn 13,10 . (2) Gn 18,2 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,13 . (5) Gn 24,63 . (6) Gn 27,1 . (7) Gn 33,1 . (8) Gn 33,5 . (9) Gn 43,29 .
- Jouön 1965 , 88Cf : ajin '' jod . Oorspronkelijk is het zelfst. naamw. een qatl-vorm , d.w.z. een zelfst. naamw. met een oorspronkelijke a klinker : עַין= ´ajn . Er is de medeklinker jod . De medeklinker jod heeft de hulpklinker i aangebracht ; alzo stat. absol. עַיִן= ´ajin , stat. construct. עֵין= ´e(j)n . Het is de 16ste letter van het Hebreeuwse alfabet . De getalwaarde is 16 of 70 . Het woord begint met een larynchaal / gutturaal . De vorm ´e(j)nâ(j)w < ´e(j)na(j)hû -> ´e(j)na(j)û (Lettinga 12, 2012 , 26f) .
- acc. mann. mv. οφθαλμους = ofthalmous (ogen) van het zelfst. naamw. οφθαλμος = ofthalmos (oog) . Taalgebruik in het NT : ofthalmos (oog) . Taalgebruik in de LXX : ofthalmos (oog) . Bijbel (173) . Pentateuch (14) . Eerdere Profeten (22) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (27) . Gn (4) : (1) Gn 13,10 . (2) Gn 21,19 . (3) Gn 39,7 . (4) Gn 46,4 . Een vorm van οφθαλμος = ofthalmos (oog) in de LXX (678) , in het NT (100) .
- dat. mann. mv. οφθαλμοις = ofthalmois van het zelfst. naamw. οφθαλμος = ofthalmos (oog) .
- Ned. : oog (misschien uit Lat. ok , de k wordt g) . Arabisch : `ain (oog) . Taalgebruik in de Qoran : `ain (oog) . `ain (oog) . D. : Aug . E. : eye (het klinkt als het Hebreeuwse ´ajin) . Fr. oeil (yeux) . Grieks : οφθαλμος = ofthalmos (oog) . Taalgebruik in het NT : ofthalmos (oog) . Hebreeuws : עַיִן = `ajin (oog, bron) . Stat. constr. עֵין = ´e(j)n . Taalgebruik in Tenakh : `ajin (oog, bron) . Lat. : oculus .

Gn 22,4.5. - 6. אֶת עֵינָיו = ´èth `e(j)nâ(j)w (zijn ogen) . Tenakh (10) : (1) Gn 13,10 . (2) Gn 22,4 . (3) Gn 22,13 . (4) Gn 33,5 . (5) Nu 24,2 . (6) Re 16,21 . (7) 2 S 18,24 . (8) 2 K 4,35 . (9) 2 K 6,17 . (10) 1 Kr 21,16 .

Gn 22,4.3. - 6. וַיִּשָּׂא אֶת עֵינָיו = wajjishshâ´ (...) `e(j)nâ(j)w = en hij verhief... zijn ogen . Tenakh (13) : (1) Gn 13,10 . (2) Gn 18,2 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,13 . (5) Gn 24,63 . (6) Gn 33,1 . (7) Gn 33,5 . (8) Gn 43,29 . (9) Nu 24,2 . (10) Joz 5,13 . (11) Re 19,17 . (12) 2 S 18,24 . (13) 1 Kr 21,16 . In al deze verzen wordt de 'uitdrukking' gevolgd door de werkwoordvorm actief qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud wajjarë´ (en hij zag) van het werkw. râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) .
- וַיִּשָּׂא ... אֶת עֵינָיו = wajjishshâ´ (...) ´èth `e(j)nâ(j)w = en hij verhief (...) zijn ogen . Tenakh (7) : (1) Gn 13,10 (Lot) . (2) Gn 22,4 (Abraham) . (3) Gn 22,13 (Abraham) . (4) Gn 33,5 (-) . (5) Nu 24,2 (Bileam) . (6) 2 S 18,24 (-) . (7) 1 Kr 21,16 (David) .

Gn 22,4.7. w-j-r` . (1) qal actief imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud וַיַּרְא = wajjarë´ (en hij zag) ; (2) nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) van het werkw. râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Taalgebruik in Genesis : râ´âh (zien) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . Gr. horaô (zien) . Taalgebruik in de Septuaginta : horaô (zien) . Taalgebruik in het NT : horaô (zien) . Lat. videre . Fr. voir . Ned. zien . E. to see . D. sehen . pass. Lat. apparere . Fr. apparaître . E. appear . Ned. verschijnen . D. erscheinen . Een vorm van horaô (zien, verschijnen) in het NT (114) , in de LXX (1539) . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (19) . Gn (50) . Gn 12 (1) Gn 12,7 (bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän) . Gn 22 (2) : (1) Gn 22,4 . (2) Gn 22,13 .

Gn 22,4.4. - 7. ´èth `e(j)nâ(j)w wajjarë´ (zijn ogen en hij zag) . Tenakh (7) : (1) Gn 13,10 . (2) Gn 22,4 . (3) Gn 22,13 . (4) Gn 33,5 . (5) Nu 24,2 . (6) 2 S 18,24 . (7) 1 Kr 21,16 .

3. - 7. וַיִּשָּׂא () אֶת עֵינָיו וַיַּרְא = wajjishshâ´ (...) `e(j)nâ(j)w = wajjishshâ´ = en hij verhief... zijn ogen en hij zag . Tenakh (7) : (1) Gn 13,10 . (2) Gn 22,4 . (3) Gn 22,13 . (4) Gn 33,5 . (5) Nu 24,2 . (6) 2 S 18,24 . (7) 1 Kr 21,16 .

Gn 22,4.8. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Joz (231) . Gn (525) . Gn 22 (14) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,3 . (4) Gn 22,4 . (5) Gn 22,6. (6) Gn 22,9 . (7) Gn 22,10 . (8) Gn 22,12 . (9) Gn 22,13 . (10) Gn 22,16 . (11) Gn 22,17 . (12) Gn 22,21 . (13) Gn 22,23 . (14) Gn 22,24 .

Gn 22,4.9. הַמַּקוֹם = hammâqôm (de plaats) < bepaald lidw. ha + מַקוֹם = maqôm (plaats, verblijfplaats) . Taalgebruik in Tenakh : maqôm (plaats, verblijfplaats) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , qoph = 19 of 100 , waw = 6 ; totaal : 51 (3 X 17) OF 186 (2 X 3 X 31) . Structuur : 4 - 1 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 6 .Tenakh (114) . Pentateuch (51) . Eerdere Profeten (26) . Latere Profeten (21) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (14) .Gn (22) : (1) Gn 13,3 . (2) Gn 13,14 . (3) Gn 18,26 . (4) Gn 19,12 . (5) Gn 19,13 . (6) Gn 19,14 . (7) Gn 19,27 . (8) Gn 20,13 . (9) Gn 22,3 . (10) Gn 22,4 . (11) Gn 22,9 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 26,7 . (14) Gn 28,11 . (15) Gn 28,17 . (16) Gn 28,19 . (17) Gn 29,22 . (18) Gn 32,3 . (19) Gn 32,31 . (20) Gn 33,17 . (21) Gn 35,15 . (22) Gn 38,22 .
- Gr. τοπος = topos (plaats) . Taalgebruik in het NT : topos (plaats) . Taalgebruik in de LXX : topos (plaats) . Een vorm van τοπος = topos in de LXX (613) , in het NT (95) . L. locus . F. place . N. plaats . E. place . D. Stätte .

Gn 22,4.8. - 9. אֶת הַמַּקוֹם = ´èth hammâqôm (de plaats) . Tenakh (7) : (1) Gn 19,13 . (2) Gn 22,4 . (3) Rt 3,4 . (4) 1 S 26,5 . (5) 2 K 6,6 . (6) Jr 19,4 . (7) Jr 42,18 .

Gn 22,4.10. merâchoq (van verre) . (apo) makrothen . Zie : râchaq (ver zijn, zich verwijderen) . Taalgebruik in Tenakh : râchaq (ver zijn, zich verwijderen) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , qof = 19 of 100 ; totaal : 47 OF 308 (2² X 7 X 11) . Structuur : 2 - 8 - 1 . Tenakh (14) : (1) Gn 22,4 . (2) Gn 37,18 . (3) Ex 2,4 . (4) Ex 20,18 . (5) Ex 20,21 . (6) Ex 24,1 . (7) 1 S 26,13 . (8) Js 13,5 . (9) Js 46,11 . (10) Js 57,9 . (11) Jr 6,20 . (12) Jr 23,23 . (13) Ps 38,12 . (14) Spr 25,25 .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Gn 22,5 - Gn 22,5 - De beproeving van Abraham -- Gn (Genesis ) -- Gn 22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 - - Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5kai eipen abraam tois paisin autou kathisate autou meta tès onou egô de kai to paidarion dieleusometha eôs ôde kai proskunèsantes anastrepsômen pros umas 5 dixitque ad pueros suos expectate hic cum asino ego et puer illuc usque properantes postquam adoraverimus revertemur ad vos   5 En Abraham zeide tot zijn jongeren: Blijft gij hier met den ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u wederkeren. [5] Toen zei Abraham tegen zijn knechten: ‘Jullie blijven hier bij de ezel; ik ga met de jongen daarginds heen. Nadat wij ons in aanbidding neergebogen hebben, komen wij weer terug.’  [5] Toen zei hij tegen de knechten: 'Blijven jullie hier met de ezel. Ikzelf ga met de jongen verder om daarginds neer te knielen. Daarna komen we naar jullie terug.' 22:5 Abraham zegt tot zijn hulpjongens: blijven jullie hier met de ezel, ikzelf en de jongen gaan tot daarginds,- we zullen ons buigen en keren dan naar jullie terug. 5. Abraham dit à ses serviteurs : Demeurez ici avec l'âne. Moi et l'enfant nous irons jusque là-bas, nous adorerons et nous reviendrons vers vous.

King James Bible . [5] And Abraham said unto his young men, Abide ye here with the ass; and I and the lad will go yonder and worship, and come again to you,
Luther-Bibel . 5 und sprach zu seinen Knechten: Bleibt ihr hier mit dem Esel. Ich und der Knabe wollen dorthin gehen, und wenn wir angebetet haben, wollen wir wieder zu euch kommen.

Tekstuitleg van Gn 22,5 . Het vers Gn 22,5 telt 17 woorden en 67 letters . De getalwaarde van Gn 22,5 is 3571 (priemgetal) .

Gn 22,5.1. וַיּאֹמֶר= wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. -m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) .Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Gn 22 (8) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,5 . (4) Gn 22,7 . (5) Gn 22,8 . (6) Gn 22,11 . (7) Gn 22,12 . (8) Gn 22,16 .
- Lettinga 12, 2012, 53c2 : Het werkw. begint met een aleph . Het is een gutturaal , maar de zwakste van de gutturalen . Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal werkw. een bijzondere behandeling voor de qal imperf. . Dit is het geval voor ons werkw. . In het imperf. gaat een medeklinker vooraf aan de aleph . De aleph quiesceert : ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b) . In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o : jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c) . De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b) . In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a : jomur -> jomar b(i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012 , 15g) . In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è , vandaar wajjo´mèr . (Zie ook Jouön , 73) .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . λεγω = legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
act. ind. aor. 3de p. enk. eipen  3024  2426  598  118  56  223  114  75  397  511 

- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . D. : sprechen (spreken) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere .

Gn 22,5.2. אַבְרָהָם = ´abhërâhâm (Abraham) . Zie אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalswaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 , zie 41 of ´èlohîm (God) , OF 248 , zie 248 (8 X 31) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . Het merkwaardige aan het getal 248 is de link met de algemene godsnaam El (getalwaarde 31) . De namen van de patriarchen Isaak (208 = 8 X 26) , Jakob (182 = 7 X 26) en Jozef (156 = 6 X 26) zijn gelinkt aan de specifieke godsnaam JHWH . Ook merkwaardig is de opeenvolging van de namen Abraham (8 X 31) en de naam Isaak (8 X 26) . Abraham (41 of 248) + Sarah (46 of 505) = 87 (3 X 29) OF 753 . De som van de elementen is 6 . Merkwaardig is dat de som : Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 (3 X 29) OF 753 (3 X 251) dezelfde is als de som van Abraham + Sarah . Tenakh (128) . Pentateuch (105) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (13) . Gn (98) . Gn 22 (15) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,5 . (5) Gn 22,6 . (6) Gn 22,7 . (7) Gn 22,8 . (8) Gn 22,9 . (9) Gn 22,10 . (10) Gn 22,11 . (11) Gn 22,13 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 22,15 . (14) Gn 22,19 . (15) Gn 22,23 .
- Ned. : Abraham . Grieks : αβρααμ = abraam (Abraham) . Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) . Arabisch : ´ibrahim (Ibrahim) . Taalgebruik in de Qoran : ibrahim (Ibrahim) .

Gn 22,5.1. - 2. וַיּאֹמֶר אַבְרָם = wajjo´mèr ´abhërâm (en Abram zei) . Tenakh (5) : (1) Gn 13,8 . (2) Gn 14,22 . (3) Gn 15,2 . (4) Gn 15,3 . (6) Gn 16,6 .
- וַיּאֹמֶר אַבְרָהָם = wajjo'mèr ´abhërâhâm (en Abraham zei) . Tenakh (8) : (1) Gn 17,18 . (2) Gn 20,2 . (3) Gn 20,11 . (4) Gn 21,24 . (5) Gn 22,5 . (6) Gn 22,8 . (7) Gn 22,11 . (8) Gn 24,2 . Abram / Abraham is wel meer aan het woord , maar is de naam van Abram / Abraham niet uitdrukkelijk vermeld .

Gn 22,5.1. - 3. וַיּאֹמֶר אַבְרָהָם אֶל = wajjo'mèr ´abhërâhâm ´èl (en Ab am zei tot) . Tenakh (4) : (1) Gn 17,18 . (2) Gn 20,2 . (3) Gn 22,5 . (4) Gn 24,2 .

15.
Grieks . act. part. aor. nom. mann. mv. προσκυνησαvτες = proskunèsantes (op de knieën vallend , aanbiddend) van het werkw. προσκυνεω = proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) . Taalgebruik in het NT : proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) . Taalgebruik in de Septuaginta : proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) . Taalgebruik in Lc : proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) . Taalgebruik in Hnd : proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) . Bijbel (2) : (1) Gn 22,5 . (2) Lc 24,52 . Een vorm van προσκυνεω = proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) in de LXX (229) , in het NT (59) , in Lc (3) : (1) Lc 4,7 . (2) Lc 4,8 . (3) Lc 24,52 . In Lc : 3 vormen van προσκυνεω = proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) in 3 verzen in 2 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 3 vormen van προσκυνεω= proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) in 4 verzen .
- προσκυνεω = proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) < προσ = pros (naar, bij) + γονυ = gonu (knie) -> knielen . γονυ = gonu (knie) . Gen. γυνατος = gunatos . Taalgebruik in het NT : gonu (knie) . Taalgebruik in de LXX : gonu (knie) . Een vorm van γονυ = gonu (knie) in de LXX (38) , in het NT (12) . Lat. genu . Fr. genou . Ned. knie .
- Lat. pro-sternare . Fr. prosterner . Zou het ook kunnen voortkomen uit : pros (naar, bij) + ter-ra (aarde) -> ter aarde werpen .
- Lat. . act. fut. perf. 1ste pers. mv. adoraverimus (wij zullen aanbeden hebben) van het werkw. adorare (aanbidden) . Bijbel (1) : Gn 22,5 .
Deze vorm προσκυνησαvτες = proskunèsantes (op de knieën gevallen) komt slechts in twee verzen in de bijbel voor : (1) Gn 22,5 . (2) Lc 24,52 . Gn 22,5 maakt deel uit van het verhaal van het offer van Abraham (Gn 22,1-19) . De dienaren moeten onderaan de berg blijven terwijl Abraham en zijn zoon naar boven doorgaan waar Abraham zijn zoon zou offeren . Dan zouden Abraham en zijn zoon terugkeren . Worden de leerlingen vergeleken met Abraham en zijn zoon ? Zij vielen ter aarde als teken van dienstbaarheid aan Jezus en keerden terug .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Gn 22,6 - Gn 22,6 - De beproeving van Abraham -- Gn (Genesis ) -- Gn 22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 - - Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
6elaben de abraam ta xula tès olokarpôseôs kai epethèken isaak tô uiô autou elaben de kai to pur meta cheira kai tèn machairan kai eporeuthèsan oi duo ama 6 tulit quoque ligna holocausti et inposuit super Isaac filium suum ipse vero portabat in manibus ignem et gladium cumque duo pergerent simul   6 En Abraham nam het hout des brandoffers, en legde het op Izak, zijn zoon; en hij nam het vuur en het mes in zijn hand, en zij beiden gingen samen. [6] Daarop liet Abraham zijn zoon Isaak het hout voor het brandoffer dragen; zelf droeg hij het vuur en het offermes. Zo gingen zij samen op weg.  [6] Hij pakte het hout voor het offer, legde het op de schouders van zijn zoon Isaak en nam zelf het vuur en het mes. Zo gingen zij samen verder. 22:6 Dan neemt Abraham de stukken hout voor de opgangsgave en legt die op Isaak, zijn zoon; in eigen hand neemt hij het vuur en het etensmes; zo gaan die twee eensgezind voort. 6. Abraham prit le bois de l'holocauste et le chargea sur son fils Isaac, lui-même prit en mains le feu et le couteau et ils s'en allèrent tous deux ensemble.

King James Bible . [6] And Abraham took the wood of the burnt offering, and laid it upon Isaac his son; and he took the fire in his hand, and a knife; and they went both of them together.
Luther-Bibel . 6 Und Abraham nahm das Holz zum Brandopfer und legte es auf seinen Sohn Isaak. Er aber nahm das Feuer und das Messer in seine Hand; und gingen die beiden miteinander.

Tekstuitleg van Gn 22,6 . Het vers Gn 22,6 telt 18 woorden en 67 letters . De getalswaarde van Gn 22,6 is 4036 (2² X 1009) .

Gn 22,6.2. ´abhërâhâm (Abraham) . Zie ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 248 (31 X 8) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . Tenakh (128) . Pentateuch (105) . Gn (98) . Gn 22 (15) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,5 . (5) Gn 22,6 . (6) Gn 22,7 . (7) Gn 22,8 . (8) Gn 22,9 . (9) Gn 22,10 . (10) Gn 22,11 . (11) Gn 22,13 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 22,15 . (14) Gn 22,19 . (15) Gn 22,23 .

Gn 22,6.3. אֶת = ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 22 (14) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,3 . (4) Gn 22,4 . (5) Gn 22,6. (6) Gn 22,9 . (7) Gn 22,10 . (8) Gn 22,12 . (9) Gn 22,13 . (10) Gn 22,16 . (11) Gn 22,17 . (12) Gn 22,21 . (13) Gn 22,23 . (14) Gn 22,24 .

Gn 22,6.6. prefix waw consecutivum + act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud וַיָּשֶׂם = wajjâshèm (en hij plaatste) van het werkw. שָׂם = shâm (plaatsen, stellen)  . Taalgebruik in Tenakh : shâm (plaatsen, stellen) . Getalwaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 340 (10 X 34) . Structuur : 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (87) . Pentateuch (33) . Eerdere Profeten (36) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (14) . Gn (14) : (1) Gn 2,8 . (2) Gn 4,15 . (3) Gn 22,6 . (4) Gn 22,9 . (5) Gn 24,9 . (6) Gn 28,11 . (7) Gn 28,18 . (8) Gn 30,36 . (9) Gn 31,21 . (10) Gn 33,2 . (11) Gn 37,34 . (12) Gn 41,42 . (13) Gn 47,26 . (14) Gn 48,20 . Ex (13) : (1) Ex 9,5 . (2) Ex 14,21 . (3) Ex 19,7 . (4) Ex 24,6 . (5) Ex 39,7 . In acht verzen in Ex 40 : (1) Ex 40,18 . (2) Ex 40,19 . (3) Ex 40,20 . (4) Ex 40,21 . (5) Ex 40,24 . (6) Ex 40,26 . (7) Ex 40,28 . (8) Ex 40,30 . 1 S 1 (7) : (1) 1 S 7,12 . (2) 1 S 8,1 . (3) 1 S 9,24 . (4) 1 S 11,11 . (5) 1 S 17,40 . (6) 1 S 19,5 . (7) 1 S 21,13 .

shâm (plaatsen, stellen)  Tenakh Pentateuch Vroege prof. 12 kl. prof. grote prof. hagiografen
qal imperf. 3de p. enk. wajjâshèm   87  33  36  2 14 

shâm (plaatsen, stellen)  Tenakh Gn   Ex   Lv   Nu   Joz   Re   1 S  2 S  1 K  2 K  1 Kr  2 Kr  Est  Job  Ps  Js  Da  Hab  Sef 
qal imperf. 3de p. mann. enk. wajjâshèm  87  14 13  2

Gn 22,6.12. אֶת = ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 22 (14) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,3 . (4) Gn 22,4 . (5) Gn 22,6. (6) Gn 22,9 . (7) Gn 22,10 . (8) Gn 22,12 . (9) Gn 22,13 . (10) Gn 22,16 . (11) Gn 22,17 . (12) Gn 22,21 . (13) Gn 22,23 . (14) Gn 22,24 .

Gn 22,6.16. וַיֵּלְכוּ = wajjelëkhû (en zij gingen) < prefix voegwoord waw consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. הָלַך = hâlakh (gaan) . Taalgebruik in Tenakh : hâlakh (gaan) . Getalwaarde : he = 5 , lamed = 12 of 30 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 28 (2 X 2 X 7) of 55 (5 X 11) . Structuur : 5 - 3 -2 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (104) . Pentateuch (20) . Eerdere Profeten (63) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (10) .

Gn 22,6.17. שְׁנֵיהֶם = sjëne(j)hèm (hun twee) < stat. constr. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. mv. . Zie שְׂנַיִם = sjënajim (twee) . Taalgebruik in Tenakh : sjënajim (twee) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 400 (2² X 2² X 5²) . De som van de elementen is telkens 4 (2²) . Tenakh (60) . Gn (9) : (1) Gn 2,25 . (2) Gn 3,7 . (3) Gn 9,23 . (4) Gn 21,27 . (5) Gn 21,31 . (6) Gn 22,6 . (7) Gn 22,8 . (8) Gn 40,5 . (9) Gn 48,13 .

Gn 22,6.16. - 17. וַיֵּלְכוּ שְׁנֵיהֶם = wajjelëkhû sjëne(j)hèm (en zij gingen samen) . Tenakh (4) : (1) Gn 22,6 . (2) Gn 22,8 . (3) 2 S 17,18 . (4) 2 K 2,6 .

Gn 22,6.18. יַחְדָּו = jachëdâw (tezamen, tegelijkertijd, allen te zamen) . Taalgebruik in Tenakh : jachëdâw (tezamen, tegelijkertijd, allen te zamen) . Getalwaarde : jod = 10 , chet = 8 , daleth = 4 , waw = 6 ; totaal : 28 (2² X 7) , zie 28 . Het is een volmaakt getal . Het is de som van zeven elkaar opvolgende getallen : 1 + 2 + 3 + 4 + 5 + 6 + 7 . Het heeft een menora-structuur met 4 in het midden . Structuur : 1 - 8 - 4 - 6 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (89) . Gn (5) : (1) Gn 13,6 . (2) Gn 22,6 . (3) Gn 22,8 (4) Gn 22,19 . (5) Gn 36,7 .
- In jâchîd zitten de medeklinkers j-ch-d zoals in ´èchad (één) en jachëdaw (tegelijk) . De twee gaan als één . Zowel de offeraar als de offerande zijn verenigd .

Gn 22,6.17. - 18. שְׁנֵיהֶם יַחְדָּו = sjëne(j)hèm jachëdâw (hun twee samen) . Tenakh (4) : (1) Gn 22,6 . (2) Gn 22,8 . (3) Re 19,6 . (4) Js 1,31 .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -

Gn 22,7 - Gn 22,7 - De beproeving van Abraham -- Gn (Genesis ) -- Gn 22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 - - Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7eipen de isaak pros abraam ton patera autou eipas pater o de eipen ti estin teknon legôn idou to pur kai ta xula pou estin to probaton to eis olokarpôsin 7 dixit Isaac patri suo pater mi at ille respondit quid vis fili ecce inquit ignis et ligna ubi est victima holocausti   7 Toen sprak Izak tot Abraham, zijn vader, en zeide: Mijn vader! En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn zoon! En hij zeide: Zie het vuur en het hout; maar waar is het lam tot het brandoffer? [7] Toen zei Isaak tegen zijn vader Abraham: ‘Vader.’ Hij antwoordde: ‘Hier ben ik, mijn zoon.’ Isaak zei: ‘Wij hebben wel vuur en hout, maar waar is het offerdier?’  [7] 'Vader,' zei Isaak. 'Wat wil je me zeggen, mijn jongen?' antwoordde Abraham. 'We hebben vuur en hout,' zei Isaak, 'maar waar is het lam voor het offer? 22:7 Maar dan zegt Isaak tot Abraham, zijn vader,- hij zegt: mijn vader!- en die zegt, hier ben ik, mijn zoon! Hij zegt: hier hebben we het vuur en de stukken hout, maar wáár is het lám voor een opgangsgave? 7. Isaac s'adressa à son père Abraham et dit : Mon père ! Il répondit : Oui, mon fils ! - Eh bien, reprit-il, voilà le feu et le bois, mais où est l'agneau pour l'holocauste ?

King James Bible . [7] And Isaac spake unto Abraham his father, and said, My father: and he said, Here am I, my son. And he said, Behold the fire and the wood: but where is the lamb for a burnt offering?
Luther-Bibel . 7 Da sprach Isaak zu seinem Vater Abraham: Mein Vater! Abraham antwortete: Hier bin ich, mein Sohn. Und er sprach: Siehe, hier ist Feuer und Holz; wo ist aber das Schaf zum Brandopfer?

Tekstuitleg van Gn 22,7 . Het vers Gn 22,7 telt 17 woorden en 68 (2² X 17) letters ; verhouding : 1 op 4 . De Getalswaarde van Gn 22,7 is 2778 (2 X 3 X 463) .

1. וַיּאֹמֶר= wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. -m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) .Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Gn 22 (8) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,5 . (4) Gn 22,7 . (5) Gn 22,8 . (6) Gn 22,11 . (7) Gn 22,12 . (8) Gn 22,16 .
- Lettinga 12, 2012, 53c2 : Het werkw. begint met een aleph . Het is een gutturaal , maar de zwakste van de gutturalen . Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal werkw. een bijzondere behandeling voor de qal imperf. . Dit is het geval voor ons werkw. . In het imperf. gaat een medeklinker vooraf aan de aleph . De aleph quiesceert : ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b) . In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o : jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c) . De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b) . In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a : jomur -> jomar b(i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012 , 15g) . In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è , vandaar wajjo´mèr . (Zie ook Jouön , 73) .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . λεγω = legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
act. ind. aor. 3de p. enk. eipen  3024  2426  598  118  56  223  114  75  397  511 

- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . D. : sprechen (spreken) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere .

4. ´abhërâhâm (Abraham) . Zie ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 248 (31 X 8) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . Tenakh (128) . Pentateuch (105) . Gn (98) . Gn 22 (15) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,5 . (5) Gn 22,6 . (6) Gn 22,7 . (7) Gn 22,8 . (8) Gn 22,9 . (9) Gn 22,10 . (10) Gn 22,11 . (11) Gn 22,13 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 22,15 . (14) Gn 22,19 . (15) Gn 22,23 .

3. - 4. ´èl ´abhërâhâm (tot Abraham) . Tenakh : (1) Gn 17,9 . (2) Gn 17,15 . (3) Gn 18,13 . (4) Gn 18,33 . (5) Gn 20,10 . (6) Gn 21,12 . (7) Gn 21,22 . (8) Gn 21,29 . (9) Gn 22,7 . (10) Gn 22,15 . (11) Ex 6,3 . (12) Js 51,2 .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Gn 22,8 - Gn 22,8 - De beproeving van Abraham -- Gn (Genesis ) -- Gn 22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 - - Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8eipen de abraam o theos opsetai eautô probaton eis olokarpôsin teknon poreuthentes de amfoteroi ama 8 dixit Abraham Deus providebit sibi victimam holocausti fili mi pergebant ergo pariter   8 En Abraham zeide: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon! Zo gingen zij beiden samen. [8] Abraham antwoordde: ‘God zelf zal wel voor het offerdier zorgen, mijn zoon.’ En samen gingen zij verder.  '[8] Abraham antwoordde: 'God zal zich zelf van een offerlam voorzien, mijn jongen.' En samen gingen zij verder. 22:8 Dan zegt Abraham: God ziet het voor zich, het lam voor een opgang, mijn zoon!- zo gaan die twee eensgezind voort. 8. Abraham répondit : C'est Dieu qui pourvoira à l'agneau pour l'holocauste, mon fils, et ils s'en allèrent tous deux ensemble.

King James Bible . [8] And Abraham said, My son, God will provide himself a lamb for a burnt offering: so they went both of them together.
Luther-Bibel . 8 Abraham antwortete: Mein Sohn, Gott wird sich ersehen ein Schaf zum Brandopfer. Und gingen die beiden miteinander.

Tekstuitleg van Gn 22,8 .

1. וַיּאֹמֶר= wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. -m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) .Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Gn 22 (8) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,5 . (4) Gn 22,7 . (5) Gn 22,8 . (6) Gn 22,11 . (7) Gn 22,12 . (8) Gn 22,16 .
- Lettinga 12, 2012, 53c2 : Het werkw. begint met een aleph . Het is een gutturaal , maar de zwakste van de gutturalen . Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal werkw. een bijzondere behandeling voor de qal imperf. . Dit is het geval voor ons werkw. . In het imperf. gaat een medeklinker vooraf aan de aleph . De aleph quiesceert : ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b) . In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o : jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c) . De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b) . In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a : jomur -> jomar b(i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012 , 15g) . In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è , vandaar wajjo´mèr . (Zie ook Jouön , 73) .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . λεγω = legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
act. ind. aor. 3de p. enk. eipen  3024  2426  598  118  56  223  114  75  397  511 

- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . D. : sprechen (spreken) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere .

2. ´abhërâhâm (Abraham) . Zie ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 248 (31 X 8) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . Tenakh (128) . Pentateuch (105) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (13) . Gn (98) . Gn 22 (15) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,5 . (5) Gn 22,6 . (6) Gn 22,7 . (7) Gn 22,8 . (8) Gn 22,9 . (9) Gn 22,10 . (10) Gn 22,11 . (11) Gn 22,13 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 22,15 . (14) Gn 22,19 . (15) Gn 22,23 .

1. - 2. wajjo'mèr ´abhërâhâm (en Abraham zei) . Tenakh (8) : (1) Gn 17,18 . (2) Gn 20,2 . (3) Gn 20,11 . (4) Gn 21,24 . (5) Gn 22,5 . (6) Gn 22,8 . (7) Gn 22,11 . (8) Gn 24,2 .

3. ְהָאֱלֹהִים = wëhâ´èlohîm (God) < prefix verbindingswoord wë + bepaald lidw. ha + godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (7) : (1) Gn 22,1 . (2) Ex 19,19 . (3) Ex 21,13 . (4) Pr 3,14 . (5) Pr 3,15 . (6) 1 Kr 28,3 . (7) 2 Kr 13,15 .
- הָאֱלֹהִים = hâ´èlohîm (God) < bepaald lidwoord + godsaanduidng ´èlohîm (God) . Tenakh (336) . Pentateuch (54) . Gn (21) . Gn 22 (2) : (1) Gn 22,3 (2) Gn 22,9 .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 22 (2) : (1) Gn 22,8 . (2) Gn 22,12 .
- הָאֱלֹהִים = hâ´èlohîm (God) lijkt de vertaling van het Griekse ὁ θεος = ho theos (God) te zijn . Deze indruk wordt nog versterkt door de zinsconstructie onderwerp + vervoegd werkwoord .
- In het Hebreeuws staan we hier voor de tweede nevenschikkende zin van Gn 22,1 .
- Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) . L. deus , Fr. dieu . De vloek dju . D. Gott . E. God . Arabisch : ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Koran : ´allah (Allah) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .

4. act. qal jiqtol (imperfectum) 3de pers. mann. enk. יִרְאֶה = jire´èh (hij zal zien / ziet) van het werkw. רָאָה= râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Taalgebruik in Genesis : râ´âh (zien) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (63) . Gn (3) : (1) Gn 18,15 . (2) Gn 22,8 . (3) Gn 22,14 .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Gn 22,9 - Gn 22,9 - De beproeving van Abraham -- Gn (Genesis ) -- Gn 22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 - - Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9èlthon epi ton topon on eipen autô o theos kai ôkodomèsen ekei abraam thusiastèrion kai epethèken ta xula kai sumpodisas isaak ton uion autou epethèken auton epi to thusiastèrion epanô tôn xulôn 9 veneruntque ad locum quem ostenderat ei Deus in quo aedificavit altare et desuper ligna conposuit cumque conligasset Isaac filium suum posuit eum in altari super struem lignorum   9 En zij kwamen ter plaatse, die hem God gezegd had; en Abraham bouwde aldaar een altaar, en hij schikte het hout, en bond zijn zoon Izak, en leide hem op het altaar boven op het hout. » meer [9] Toen zij de plaats die God hem had aangewezen bereikten, bouwde Abraham daar een altaar, stapelde er het hout op, bond zijn zoon Isaak vast en legde hem op het altaar, bovenop het hout.  [9] Toen ze waren aangekomen bij de plaats waarover God had gesproken, bouwde Abraham daar een altaar, schikte het hout erop, bond zijn zoon Isaak vast en legde hem op het altaar, op het hout. 22:9 Ze komen aan bij het oord dat God hem heeft gezegd en dáár bouwt Abraham het altaar en rangschikt hij de stukken hout; hij bindt Isaak, zijn zoon, en legt hém op het altaar, boven op de stukken hout. 9. Quand ils furent arrivés à l'endroit que Dieu lui avait indiqué, Abraham y éleva l'autel et disposa le bois, puis il lia son fils Isaac et le mit sur l'autel, par-dessus le bois.

King James Bible . [9] And they came to the place which God had told him of; and Abraham built an altar there, and laid the wood in order, and bound Isaac his son, and laid him on the altar upon the wood.
Luther-Bibel . 9 Und als sie an die Stätte kamen, die ihm Gott gesagt hatte, baute Abraham dort einen Altar und legte das Holz darauf und band seinen Sohn Isaak, legte ihn auf den Altar oben auf das Holz

Tekstuitleg van Gn 22,9 . Het vers Gn 22,9 telt 25 (5²) woorden en 93 (3 X 31) letters . De getalwaarde van 5359 (23 X 233) .

Gn 22,9.1. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. m:v. וַיָּבּאוּ = wajjâbo´û (en zij gingen) OF wë + act. hifil imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבִאוּ = wajjâbhi´û (en zij lieten komen, zij brachten) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalwaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) . Tenakh (195) . Pentateuch (47) . Eerdere Profeten (99) Latere Profeten (14) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (33) . Gn (18) : (1) Gn 7,15 . (2) Gn 11,31 . (3) Gn 12,5 . (4) Gn 14,7 . (5) Gn 19,1 . (6) Gn 19,3 . (7) Gn 22,9 . (8) Gn 26,32 . (9) Gn 34,25 . (10) Gn 42,5 . (11) Gn 42,6 . (12) Gn 42,29 . (13) Gn 45,25 . (14) Gn 46,6 . (15) Gn 46,28 . (16) Gn 47,15 . (17) Gn 47,18 . (18) Gn 50,10 .

Gn 22,9.1. - 2. אֶל וַיָּבּאוּ = wajjâbo´û (en zij gingen naar) . Tenakh (35) . Gn (5) : 1) Gn 7,15 . (2) Gn 14,7 . (3) Gn 19,3 . (4) Gn 22,9 . (5) Gn 42,29 .

Gn 22,9.3. הַמַּקוֹם = hammâqôm (de plaats) < bepaald lidw. ha + מַקוֹם = maqôm (plaats, verblijfplaats) . Taalgebruik in Tenakh : maqôm (plaats, verblijfplaats) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , qoph = 19 of 100 , waw = 6 ; totaal : 51 (3 X 17) OF 186 (2 X 3 X 31) . Structuur : 4 - 1 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 6 .Tenakh (114) . Pentateuch (51) . Eerdere Profeten (26) . Latere Profeten (21) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (14) .Gn (22) : (1) Gn 13,3 . (2) Gn 13,14 . (3) Gn 18,26 . (4) Gn 19,12 . (5) Gn 19,13 . (6) Gn 19,14 . (7) Gn 19,27 . (8) Gn 20,13 . (9) Gn 22,3 . (10) Gn 22,4 . (11) Gn 22,9 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 26,7 . (14) Gn 28,11 . (15) Gn 28,17 . (16) Gn 28,19 . (17) Gn 29,22 . (18) Gn 32,3 . (19) Gn 32,31 . (20) Gn 33,17 . (21) Gn 35,15 . (22) Gn 38,22 .
- Gr. τοπος = topos (plaats) . Taalgebruik in het NT : topos (plaats) . Taalgebruik in de LXX : topos (plaats) . Een vorm van τοπος = topos in de LXX (613) , in het NT (95) . L. locus . F. place . N. plaats . E. place . D. Stätte .

Gn 22,9.1. - 3. הַמַּקוֹם אֶל וַיָּבּאוּ (en zij kwamen op de plaats) . Tenakh : slechts in Gn 22,9 . De LXX vertaalt : ηλθον επι τον τροπον (zij kwamen op de plaats) . Bij de synoptici (Mt 27,33 // Mc 15,22 // Lc 23,33) zijn er aanwijzingen dat zij naar Gn 22,9 verwijzen . De tekst van Lc 23,33 is zelfs identiek met de LXX-tekst van Gn 22,9 . De berg Moria is de plaats waar Abraham zijn veelgeliefde zoon zou moeten offeren . Bij het doopsel van Jezus wordt hij zoals Isaak de geliefde zoon genoemd . Bij zijn sterven roept Jezus : Vader , in jouw handen beveel ik mijn geest . Het lijkt erop alsof God zelf ,Vader , zijn zoon Jezus offert , ter dood laat brengen , lijdzaam toeziet hoe Jezus ter dood wordt gebracht . De berg is ook de plaats van de openbaring van God en van de ontmoeting met God . Die ontmoeting heeft ook plaats bij het sterven .
- Bij zijn doop stijgt Jezus boven het alledaagse en de alledaagse mensen uit . Hij beleeft geliefd te zijn door het Hogere , door een onmetelijke positieve kracht . De synoptici verwijzen naar Abraham . Hij blijft geloven , ook op het moment dat hij zijn zoon uit handen zou moeten geven . De synoptici zijn ervan overtuigd dat Jezus die positive geloofskracht van geliefd-zijn op de berg Golgotha bezat .

Gn 22,9.4. אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) OF persoonsnaam אָשֶׁר = ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (4012) . Pentateuch (1378) . Eerdere Profeten (1114) . Latere Profeten (717) . 12 Kleine Profeten (106) . Geschriften (697) . Gn (307) . Gn 22 (7) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,9 . (4) Gn 22,14 . (5) Gn 22,16 . (6) Gn 22,17 . (7) Gn 22,18 .
- Gr. καθως = kathôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : kathôs (zoals) . Taalgebruik in de LXX : kathôs (zoals) . Lat. sicut . Fr. selon . E. as . D. wie .

Gn 22,9.5. אמר = ´-m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (790) . Pentateuch (84) . Eerdere Profeten (122) . Latere Profeten (385) . 12 Kleine Profeten (92) . Geschriften (107) . Gn (27) . Gn 22 (3) : (1) Gn 22,2 (אֹמַר = ´omar (ik zeg) . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,9 .
- Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) .

Gn 22,9.4. - 6. לוֹ אָמַר אֲשֶׁר (wat hij zei tot hem) . Tenakh (3) : (1) Gn 22,3 . (2) Gn 22,9 . (3) 2 K 6,10 .

7. ְהָאֱלֹהִים = wëhâ´èlohîm (God) < prefix verbindingswoord wë + bepaald lidw. ha + godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (7) : (1) Gn 22,1 . (2) Ex 19,19 . (3) Ex 21,13 . (4) Pr 3,14 . (5) Pr 3,15 . (6) 1 Kr 28,3 . (7) 2 Kr 13,15 .
- הָאֱלֹהִים = hâ´èlohîm (God) < bepaald lidwoord + godsaanduidng ´èlohîm (God) . Tenakh (336) . Pentateuch (54) . Gn (21) . Gn 22 (2) : (1) Gn 22,3 (2) Gn 22,9 .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 22 (2) : (1) Gn 22,8 . (2) Gn 22,12 .
- הָאֱלֹהִים = hâ´èlohîm (God) lijkt de vertaling van het Griekse ὁ θεος = ho theos (God) te zijn . Deze indruk wordt nog versterkt door de zinsconstructie onderwerp + vervoegd werkwoord .
- In het Hebreeuws staan we hier voor de tweede nevenschikkende zin van Gn 22,1 .
- Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) . L. deus , Fr. dieu . De vloek dju . D. Gott . E. God . Arabisch : ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Koran : ´allah (Allah) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .

Gn 22,9.4. - 7. הָאֱלֹהִים לוֹ אָמַר אֲשֶׁר (wat God tot hem zei) . Tenakh (2) : (1) Gn 22,3 . (2) Gn 22,9 . הָאֱלֹהִים אִישׁ לוֹ אָמַר אֲשֶׁר (wat de man van God tot hem zei) . Tenakh (1) : 2 K 6,10 .

1. - 7.

10. ´abhërâhâm (Abraham) . Zie ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 248 (31 X 8) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . Tenakh (128) . Pentateuch (105) . Gn (98) . Gn 22 (15) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,5 . (5) Gn 22,6 . (6) Gn 22,7 . (7) Gn 22,8 . (8) Gn 22,9 . (9) Gn 22,10 . (10) Gn 22,11 . (11) Gn 22,13 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 22,15 . (14) Gn 22,19 . (15) Gn 22,23 .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Gn 22,10 - Gn 22,10 - De beproeving van Abraham -- Gn (Genesis ) -- Gn 22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 - - Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10kai exeteinen abraam tèn cheira autou labein tèn machairan sfaxai ton uion autou 10 extenditque manum et arripuit gladium ut immolaret filium   10 En Abraham strekte zijn hand uit, en nam het mes om zijn zoon te slachten. [10] Toen Abraham echter zijn hand uitstak naar het mes om daarmee zijn zoon te offeren,  [10] Toen pakte hij het mes om zijn zoon te slachten. 22:10 Dan steekt Abraham zijn hand uit en neemt het etensmes: om zijn zoon te slachten. 10. Abraham étendit la main et saisit le couteau pour immoler son fils.

King James Bible . [10] And Abraham stretched forth his hand, and took the knife to slay his son.
Luther-Bibel . 10 und reckte seine Hand aus und fasste das Messer, dass er seinen Sohn schlachtete.

Tekstuitleg van Gn 22,10 .

2. אַבְרָהָם = ´abhërâhâm (Abraham) . Zie אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 , zie 41 of ´èlohîm (God) , OF 248 , zie 248 (8 X 31) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . Het merkwaardige aan het getal 248 (8 X 31) is de link met de algemene godsnaam El (getalwaarde 31) . De namen van de patriarchen Isaak (208 = 8 X 26) , Jakob (182 = 7 X 26) en Jozef (156 = 6 X 26) zijn gelinkt aan de specifieke godsnaam JHWH . Ook merkwaardig is de opeenvolging van de namen Abraham (8 X 31) en de naam Isaak (8 X 26) . Abraham (41 of 248) + Sarah (46 of 505) = 87 (3 X 29) OF 753 . De som van de elementen is 6 . Merkwaardig is dat de som : Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 (3 X 29) OF 753 (3 X 251) dezelfde is als de som van Abraham + Sarah . Tenakh (128) . Pentateuch (105) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (13) . Gn (98) . Gn 21 (13) : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,8 . (4) Gn 21,11 . (5) Gn 21,12 . (6) Gn 21,14 . (7) Gn 21,22 . (8) Gn 21,24 . (9) Gn 21,25 . (10) Gn 21,27 . (11) Gn 21,28 . (12) Gn 21,29 . (13) Gn 21,34 . Gn 22 (15) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,5 . (5) Gn 22,6 . (6) Gn 22,7 . (7) Gn 22,8 . (8) Gn 22,9 . (9) Gn 22,10 . (10) Gn 22,11 . (11) Gn 22,13 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 22,15 . (14) Gn 22,19 . (15) Gn 22,23 . Gn 25 (9) : (1) Gn 25,1 . (2) Gn 25,5 . (3) Gn 25,6 . (4) Gn 25,7 . (5) Gn 25,8 . (6) Gn 25,10 . (7) Gn 25,11 . (8) Gn 25,12 . (9) Gn 25,19 .
- Grieks : abraam (Abraham) . Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) . Arabisch : ´ibrahim (Ibrahim) . Taalgebruik in de Koran : ibrahim (Ibrahim) .

3. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is 5 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 22 (14) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,3 . (4) Gn 22,4 . (5) Gn 22,6. (6) Gn 22,9 . (7) Gn 22,10 . (8) Gn 22,12 . (9) Gn 22,13 . (10) Gn 22,16 . (11) Gn 22,17 . (12) Gn 22,21 . (13) Gn 22,23 . (14) Gn 22,24 .

5. וַיּקַּח = wajjiqqach (en hij nam) < prefix nevensch. voegwoord waw + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. לָקַח = lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . Taalgebruik in Tenakh : lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . getalswaarde : lamed = 12 of 30 , qoph = 19 of 100 , chet = 8 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 138 (2 X 3 X 23) . Structuur : 3 - 1 - 8 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (199) . Pentateuch (86) . Eerdere Profeten (80) . Latere Profeten (17) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (15) . Ex (15) : (1) Ex 2,1 . (2) Ex 4,20 . (3) Ex 6,20 . (4) Ex 6,23 . (5) Ex 13,19 . (6) Ex 14,7 . (7) Ex 18,2 . (8) Ex 18,12 . (9) Ex 24,6 . (10) Ex 24,7 . (11) Ex 24,8 . (12) Ex 32,4 . (13) Ex 32,20 . (14) Ex 34,4 . (15) Ex 40,20 . Ex 24 (3) . Ex 24,6 - Ex 24,7 - Ex 24,8 beginnen met וַיּקַּח = wajjiqqach (en hij nam) .
- Grieks . act. part. aor. nom. mann. enk. λαβων = labôn van het werkw. λαμβανω = lambanô (nemen) . Taalgebruik in de Septuaginta : lambanô (nemen) . Taalgebruik in het NT : lambanô (nemen) . LXX (46) . NT (40) . Pentateuch (27) . Ex (9) . Ex 24 (3) : Ex 24,6 - Ex 24,7 - Ex 24,8 . Mt (11) : (1) Mt 13,31 . (2) Mt 14,19 . (3) Mt 17,27 . (4) Mt 25,16 . (5) Mt 25,18 . (6) Mt 25,20 . (7) Mt 26,26 . (8) Mt 26,27 . (9) Mt 27,24 . (10) Mt 27,48 . (11) Mt 27,59 . Mc (5) : (1) Mc 6,41 . (2) Mc 8,6 . (3) Mc 9,36 . (4) Mc 14,22 . (5) Mc 14,23 . Lc (7) : (1) Lc 6,4 . (2) Lc 9,16 . (3) Lc 13,19 . (4) Lc 20,29 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 24,30 . (7) Lc 24,43 . Joh (4) : (1) Joh 3,33 . (2) Joh 13,4 . (3) Joh 13,30 . (4) Joh 18,3 . Bijbel (86) . Een vorm van λαμβανω = lambanô (nemen) in het NT (258) , in de LXX (1335) .
- Lat. accipere (ad-capere = aan-grijpen, aannemen) . Fr. prendre . N. nemen . D. nehmen . E. take .

6. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is 5 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 22 (14) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,3 . (4) Gn 22,4 . (5) Gn 22,6. (6) Gn 22,9 . (7) Gn 22,10 . (8) Gn 22,12 . (9) Gn 22,13 . (10) Gn 22,16 . (11) Gn 22,17 . (12) Gn 22,21 . (13) Gn 22,23 . (14) Gn 22,24 .

9. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is 5 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 22 (14) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,3 . (4) Gn 22,4 . (5) Gn 22,6. (6) Gn 22,9 . (7) Gn 22,10 . (8) Gn 22,12 . (9) Gn 22,13 . (10) Gn 22,16 . (11) Gn 22,17 . (12) Gn 22,21 . (13) Gn 22,23 . (14) Gn 22,24 .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Gn 22,11 - Gn 22,11 - De beproeving van Abraham -- Gn (Genesis ) -- Gn 22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 - - Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11kai ekalesen auton aggelos kuriou ek tou ouranou kai eipen autô abraam abraam o de eipen idou egô 11 et ecce angelusDomini de caelo clamavit dicens Abraham Abraham qui respondit adsum   11 Maar de Engel des HEEREN riep tot hem van den hemel, en zeide: Abraham, Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik! [11] riep de engel van de heer hem vanuit de hemel toe: ‘Abraham, Abraham!’ En hij antwoordde: ‘Hier ben ik.’  [11] Maar een engel van de HEER riep vanuit de hemel: 'Abraham, Abraham!' 'Ik luister,' antwoordde hij. 22:11 Maar dan roept de engel van de ENE vanuit de hemelen hem toe en zegt: Abraham, Abraham!- en die zegt: hier ben ik! 11. Mais l'Ange de Yahvé l'appela du ciel et dit : Abraham ! Abraham ! Il répondit : Me voici !

King James Bible . [11] And the angel of the LORD called unto him out of heaven, and said, Abraham, Abraham: and he said, Here am I.
Luther-Bibel . 10 und reckte seine Hand aus und fasste das Messer, dass er seinen Sohn schlachtete. 11 Da rief ihn der Engel des HERRN vom Himmel und sprach: Abraham! Abraham! Er antwortete: Hier bin ich.

Tekstuitleg van Gn 22,11 .

2. אֵלָיו = ´elâ(j)w (tot hem) . Voorvoegsel ´el + suffix derde persoon mannelijk enkelvoud . ´l : voorzetsel ´èl (naar, tot) OF godsnaam El . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl OF ontkenning ´al (niet) . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . Tenakh (407) . Pentateuch (118) . Eerdere Profeten (182) . Latere Profeten (32) . 12 Kleine Profeten (15) . Geschriften (60) . Gn (53) . Gn 22 (2) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,11 .
- Lettinga 12, 2012, 63k : Bij ´èl zijn de suffixen verbonden met de oorspronkelijke vorm op aj . Zo ontstaan er vormen die er uitzien als het meervoud met suffixen .

7. וַיּאֹמֶר= wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. -m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) .Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Gn 22 (8) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,5 . (4) Gn 22,7 . (5) Gn 22,8 . (6) Gn 22,11 . (7) Gn 22,12 . (8) Gn 22,16 .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . λεγω = legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
act. ind. aor. 3de p. enk. eipen  3024  2426  598  118  56  223  114  75  397  511 

- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . D. : sprechen (spreken) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere .

8.9. ´abhërâhâm (Abraham) . Zie ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 248 (31 X 8) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . Tenakh (128) . Pentateuch (105) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (13) . Gn (98) . Gn 22 (15) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,5 . (5) Gn 22,6 . (6) Gn 22,7 . (7) Gn 22,8 . (8) Gn 22,9 . (9) Gn 22,10 . (10) Gn 22,11 . (11) Gn 22,13 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 22,15 . (14) Gn 22,19 . (15) Gn 22,23 .

10. וַיּאֹמֶר= wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. -m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) .Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Gn 22 (8) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,5 . (4) Gn 22,7 . (5) Gn 22,8 . (6) Gn 22,11 . (7) Gn 22,12 . (8) Gn 22,16 .
- Lettinga 12, 2012, 53c2 : Het werkw. begint met een aleph . Het is een gutturaal , maar de zwakste van de gutturalen . Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal werkw. een bijzondere behandeling voor de qal imperf. . Dit is het geval voor ons werkw. . In het imperf. gaat een medeklinker vooraf aan de aleph . De aleph quiesceert : ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b) . In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o : jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c) . De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b) . In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a : jomur -> jomar b(i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012 , 15g) . In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è , vandaar wajjo´mèr . (Zie ook Jouön , 73) .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . λεγω = legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
act. ind. aor. 3de p. enk. eipen  3024  2426  598  118  56  223  114  75  397  511 

- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . D. : sprechen (spreken) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Gn 22,12 - Gn 22,12 - De beproeving van Abraham -- Gn (Genesis ) -- Gn 22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 - - Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12kai eipen mè epibalès tèn cheira sou epi to paidarion mède poièsès autô mèden nun gar egnôn oti fobè ton theon su kai ouk efeisô tou uiou sou tou agapètou di¢ eme 12 dixitque ei non extendas manum tuam super puerum neque facias illi quicquam nunc cognovi quod timeas Dominum et non peperceris filio tuo unigenito propter me   12 Toen zeide Hij: Strek uw hand niet uit aan den jongen, en doe hem niets! want nu weet Ik, dat gij God vrezende zijt, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden. [12] En Hij zei: ‘Raak de jongen met geen vinger aan en doe hem niets! Ik weet nu dat u God vreest, want u hebt Mij uw zoon, uw enige, niet willen onthouden.’  [12] 'Raak de jongen niet aan, doe hem niets! Want nu weet ik dat je ontzag voor God hebt: je hebt mij je zoon, je enige, niet willen onthouden.' 22:12 Hij zegt: steek je hand niet uit naar de jongen, en doe hem niet wát-dan-ook aan; want nu wéét ik dat je ontzag hebt voor God, jij, en je zoon, je enige, niet van mij hebt weggehouden! 12. L'Ange dit : N'étends pas la main contre l'enfant ! Ne lui fais aucun mal ! Je sais maintenant que tu crains Dieu : tu ne m'as pas refusé ton fils, ton unique.

King James Bible . [12] And he said, Lay not thine hand upon the lad, neither do thou any thing unto him: for now I know that thou fearest God, seeing thou hast not withheld thy son, thine only son from me.
Luther-Bibel . 12 Er sprach: Lege deine Hand nicht an den Knaben und tu ihm nichts; denn nun weiß ich, dass du Gott fürchtest und hast deines einzigen Sohnes nicht verschont um meinetwillen.

Tekstuitleg van Gn 22,12 .

12. וַיּאֹמֶר= wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. -m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) .Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Gn 22 (8) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,5 . (4) Gn 22,7 . (5) Gn 22,8 . (6) Gn 22,11 . (7) Gn 22,12 . (8) Gn 22,16 .
- Lettinga 12, 2012, 53c2 : Het werkw. begint met een aleph . Het is een gutturaal , maar de zwakste van de gutturalen . Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal werkw. een bijzondere behandeling voor de qal imperf. . Dit is het geval voor ons werkw. . In het imperf. gaat een medeklinker vooraf aan de aleph . De aleph quiesceert : ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b) . In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o : jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c) . De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b) . In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a : jomur -> jomar b(i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012 , 15g) . In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è , vandaar wajjo´mèr . (Zie ook Jouön , 73) .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . λεγω = legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
act. ind. aor. 3de p. enk. eipen  3024  2426  598  118  56  223  114  75  397  511 

- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . D. : sprechen (spreken) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere .

16. ְהָאֱלֹהִים = wëhâ´èlohîm (God) < prefix verbindingswoord wë + bepaald lidw. ha + godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (7) : (1) Gn 22,1 . (2) Ex 19,19 . (3) Ex 21,13 . (4) Pr 3,14 . (5) Pr 3,15 . (6) 1 Kr 28,3 . (7) 2 Kr 13,15 .
- הָאֱלֹהִים = hâ´èlohîm (God) < bepaald lidwoord + godsaanduidng ´èlohîm (God) . Tenakh (336) . Pentateuch (54) . Gn (21) . Gn 22 (2) : (1) Gn 22,3 (2) Gn 22,9 .
- אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 22 (2) : (1) Gn 22,8 . (2) Gn 22,12 .
- הָאֱלֹהִים = hâ´èlohîm (God) lijkt de vertaling van het Griekse ὁ θεος = ho theos (God) te zijn . Deze indruk wordt nog versterkt door de zinsconstructie onderwerp + vervoegd werkwoord .
- In het Hebreeuws staan we hier voor de tweede nevenschikkende zin van Gn 22,1 .
- Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) . L. deus , Fr. dieu . De vloek dju . D. Gott . E. God . Arabisch : ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Koran : ´allah (Allah) .
- Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .

21. בִּנְךָ = binëkhâ (jouw zoon) < zelfst. naamw. ben + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Zie בֵּן / בִּן / בֶּן = ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalwaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (45) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (21) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (4) . Gn (10) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,12 . (3) Gn 22,16 . (4) Gn 24,5 . (5) Gn 27,32 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,15 . (8) Gn 37,32 . (9) Gn 45,9 . (10) Gn 48,2 .
- gen. mann. enk. υἰου = huiou (zoon) van het zelfst. naamw. υἰος = huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Taalgebruik in de LXX : huios (zoon) .

huios (zoon)  enk. bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Apk Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul.  Ap. br. 
gen. enk. huiou 343 308 35 8 1 4 3     19                              12 
totaal 1851 1560 291 69 29 62 51 10 5 65            17  20      40  25 

- του ὑιου σου = tou huiou sou (jouw zoon) . Bijbel (8) : (1) Gn 22,12 . (2) Gn 22,16 . (3) Gn 30,14 . (4) Gn 37,32 . (5) 2 S 14,11 . (6) 2 S 16,8 . (7) 1 K 1,12 . (8) Tob 5,12 .
- Ned. : zoon . Arabisch : اِبن = ´ibn (zoon) . Taalgebruik in de Qoran : ´ibn (zoon) . D. : Sohn . E. : son . Fr. : fils . Gr. : υἰος = huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Hebreeuws : בֵּן/ בִּן / בֶּן= ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Lat. : filius .

20. - 21. אֶת בִּנְךָ = ´èth binëkhâ (jouw zoon) . Tenakh (7) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,12 . (3) Gn 22,16 . (4) Gn 24,5 . (5) Ex 4,23 . (6) Dt 7,4 . (7) Re 6,30 . In het Hebreeuws staat een lijdend voorwerp , in de Griekse tekst staat feidomai met een genitief .

22. אֶת = ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 22 (14) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,3 . (4) Gn 22,4 . (5) Gn 22,6. (6) Gn 22,9 . (7) Gn 22,10 . (8) Gn 22,12 . (9) Gn 22,13 . (10) Gn 22,16 . (11) Gn 22,17 . (12) Gn 22,21 . (13) Gn 22,23 . (14) Gn 22,24 .

23. יְחִידֶךָ = jëchîdèkhâ (jouw enige) < prefix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. + bijvoegl. naamw. יָחִיד = jâchîd (enig, eenzaam, verlaten) . Taalgebruik in Tenakh : jâchîd (enig, eenzaam, verlaten) . Tenakh (3) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,12 . (3) Gn 22,16 . In jâchîd zitten de medeklinkers j-ch-d zoals in ´èchad (één) . jâchîd en jâlad (verwekken, baren) verschillen slechts in de middelste medeklinker (wat de medeklinkers betreft) ; bij vermenging van de 2 krijg je in het lat. uni-genitus (enig-geboren) . jâchîd en ´âhabh (beminnen) kunnen ook dicht bij elkaar liggen : jod en alelph zijn gemakkelijk verwisselbaar ; de ch en de h liggen dicht bij elkaar ; slechts de laatste medeklinker verschilt van elkaar : d en bh . Het Griekse agapaô benadert de klank van het Hebreeuwse ´âhabh ; allereerst de a , vervolgens de g en de h , tenslotte de p en de b . Zo kan jâchîd (enig) naar het Griekse agapètos (beminde) vertaald worden .
- Grieks : acc. mann. enk. αγαπητον = agapèton van het bijvoegl. naamw. αγαπητος = agapètos (beminde, geliefde) . Zie het werkw. αγαπαω = agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in het NT : agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in de LXX : agapaô (liefhebben) . Bijbel (11) . LXX (4) : (1) Gn 22,2 . (2) Zach 12,10 . (3) Ps 38,21 . (4) Sir 15,13 . NT (7) : (1) Mc 12,6 . (2) Lc 20,13 . (3) Rom 16,5 . (4) Rom 16,8 . (5) Rom 16,9 . (6) 1 Kor 4,17 . (7) Film 1,16 . Een vorm van αγαπητος = agapètos (beminde, geliefde) in de LXX (24) , in het NT (61) .
- Lat. unigenitum (eniggeboren) . Bijbel (5) : (1) Gn 22,2 . (2) Zach 12,10 . (3) Joh 3,16 . (4) Heb 11,17 . (5) 1 Joh 4,9 . In het Grieks is de acc. mann. enk. μονογενη = monogenè (eniggeboren) van het bijvoegl. naamw. μονογενης = monogenès (eniggeboren) . Taalgebruik in het NT : monogenès (eniggeboren) . Taalgebruik in de LXX : monogenès (eniggeboren) . Bijbel (5) . LXX (2) : (1) Ps 22,21 . (2) Ps 35,17 . NT (3) : (1) Joh 3,16 . (2) Heb 11,17 . (3) 1 Joh 4,9 . In (1) Ps 22,21 . (2) Ps 35,17 is het Griekse μονογενη = monogenè (eniggeboren) de vertaling van het Hebreeuwse jâchîd (enig) .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Gn 22,13 - Gn 22,13 - De beproeving van Abraham -- Gn (Genesis ) -- Gn 22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 - - Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13kai anablepsas abraam tois ofthalmois autou eiden kai idou krios eis katechomenos en futô sabek tôn keratôn kai eporeuthè abraam kai elaben ton krion kai anènegken auton eis olokarpôsin anti isaak tou uiou autou 13 levavit Abraham oculos viditque post tergum arietem inter vepres herentem cornibus quem adsumens obtulit holocaustum pro filio   13 Toen hief Abraham zijn ogen op, en zag om, en ziet, achter was een ram in de verwarde struiken vast met zijn hoornen; en Abraham ging, en nam dien ram, en offerde hem ten brandoffer in zijns zoons plaats. [13] Abraham keek om zich heen en zag een ram die met zijn hoorns in het struikgewas vastzat. Hij greep de ram en droeg die als brandoffer op, in plaats van zijn zoon.  [13] Toen Abraham opkeek, zag hij een ram die met zijn horens verstrikt was geraakt in de struiken. Hij pakte het dier en offerde dat in de plaats van zijn zoon. 22:13 Abraham heft zijn ogen op en ziet: ziedaar, een ram op de achtergrond, met zijn horens vastgeraakt in de struiken; Abraham gaat daarheen, neemt de ram mee en laat die als opgangsgave opgaan in plaats van zijn zoon. 13. Abraham leva les yeux et vit un bélier, qui s'était pris par les cornes dans un buisson, et Abraham alla prendre le bélier et l'offrit en holocauste à la place de son fils.

King James Bible . [13] And Abraham lifted up his eyes, and looked, and behold behind him a ram caught in a thicket by his horns: and Abraham went and took the ram, and offered him up for a burnt offering in the stead of his son.
Luther-Bibel . 13 Da hob Abraham seine Augen auf und sah einen Widder hinter sich in der Hecke mit seinen Hörnern hängen und ging hin und nahm den Widder und opferte ihn zum Brandopfer an seines Sohnes statt.

Tekstuitleg van Gn 22,13 . Het vers Gn 22,13 telt 20 (2² X 5) woorden en 79 letters . De getalwaarde van Gn 22,13 is 4176 (2² X 2² X 29) .

Gn 22,13.1. verbindingsprefix waw (en) en qal actief imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud wajjishshâ´ (en hij verhief) van het werkw. nâshâ´(dragen, opnemen, verheffen) . Getallenwaarde : nun = 14 of 50 , shin = 21 of 300 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 5 - 3 - 1 . Taalgebruik in Tenakh : nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen) . nâsh´â wordt gebruikt in uitdrukkingen als de tenten opbreken , een rijdier bestijgen , de ogen opslaan , zijn stem verheffen , zijn voeten opheffen (= voortgaan) . Tenakh (42) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (11) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (5) .Gn (14) : . (1) Gn 13,10 . (2) Gn 18,2 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,13 . (5) Gn 24,63 . (6) Gn 27,38 . (7) Gn 29,1 . (8) Gn 29,11 . (9) Gn 31,17 . (10) Gn 33,1 . (11) Gn 33,5 . (12) Gn 40,20 . (13) Gn 43,29 . (14) Gn 43,34 .
De Griekse vorm act. part. aor. nom. mann. enk.exaras (uitgeheven, uitgestrekt) komt slechts in het OT (4) voor : (1) Gn 29,1 . (2) Gn 49,33 . (3) Lv 9,22 . (4) Nu 24,2 . Een vorm van het werkw. exairô in de LXX (236) , in het NT (1) . Zie het werkw. epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in het NT : epairô (opheffen, verheffen) .
- Lat. levare (elevare) . Fr. lever . E. to lift up . D. aufheben . Ned. verheffen .

Gn 22,13.2. ´abhërâhâm (Abraham) . Zie ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 , zie 41 of ´èlohîm (God) , OF 248 , zie 248 (8 X 31) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . Het merkwaardige aan het getal 248 is de link met de algemene godsnaam El (getalwaarde 31) . De namen van de patriarchen Isaak (208 = 8 X 26) , Jakob (182 = 7 X 26) en Jozef (156 = 6 X 26) zijn gelinkt aan de specifieke godsnaam JHWH . Ook merkwaardig is de opeenvolging van de namen Abraham (8 X 31) en de naam Isaak (8 X 26) . Abraham (41 of 248) + Sarah (46 of 505) = 87 (3 X 29) OF 753 . De som van de elementen is 6 . Merkwaardig is dat de som : Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 (3 X 29) OF 753 (3 X 251) dezelfde is als de som van Abraham + Sarah . Tenakh (128) . Pentateuch (105) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (13) . Gn (98) . Gn 22 (15) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,5 . (5) Gn 22,6 . (6) Gn 22,7 . (7) Gn 22,8 . (8) Gn 22,9 . (9) Gn 22,10 . (10) Gn 22,11 . (11) Gn 22,13 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 22,15 . (14) Gn 22,19 . (15) Gn 22,23 .
Grieks : abraam (Abraham) . Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) . Taalgebruik in de LXX : abraam (Abraham) .
Arabisch : ´ibrahim (Ibrahim) . Taalgebruik in de Qoran : ibrahim (Ibrahim) .

Gn 22,13.4. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is 5 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 22 (14) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,3 . (4) Gn 22,4 . (5) Gn 22,6. (6) Gn 22,9 . (7) Gn 22,10 . (8) Gn 22,12 . (9) Gn 22,13 . (10) Gn 22,16 . (11) Gn 22,17 . (12) Gn 22,21 . (13) Gn 22,23 . (14) Gn 22,24 .

5. עֵינָיו = `e(j)nâ(j)w (zijn ogen) < stat. constr. mann. mv. + suffix bezittel. onl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. עַיִן = `ajin (oog, bron) . Stat. constr. עֵין = ´e(j)n . Taalgebruik in Tenakh : `ajin (oog, bron) . De getalwaarde van ajin is : ajin = 16 of 70 , jod = 10 , nun = 14 of 50 . Totaal : 40 (2³ X 5) of 130 (2 X 5 X 13 OF 5 X 26) . Structuur : 7 - 1 - 5 . Som van de elementen : 4 . Tenakh (49) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (12) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (21) . Gn (9) : (1) Gn 13,10 . (2) Gn 18,2 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,13 . (5) Gn 24,63 . (6) Gn 27,1 . (7) Gn 33,1 . (8) Gn 33,5 . (9) Gn 43,29 .
- Jouön 1965 , 88Cf : ajin '' jod . Oorspronkelijk is het zelfst. naamw. een qatl-vorm , d.w.z. een zelfst. naamw. met een oorspronkelijke a klinker : עַין= ´ajn . Er is de medeklinker jod . De medeklinker jod heeft de hulpklinker i aangebracht ; alzo stat. absol. עַיִן= ´ajin , stat. construct. עֵין= ´e(j)n . Het is de 16ste letter van het Hebreeuwse alfabet . De getalwaarde is 16 of 70 . Het woord begint met een larynchaal / gutturaal . De vorm ´e(j)nâ(j)w < ´e(j)na(j)hû -> ´e(j)na(j)û (Lettinga 12, 2012 , 26f) .
- acc. mann. mv. οφθαλμους = ofthalmous (ogen) van het zelfst. naamw. οφθαλμος = ofthalmos (oog) . Taalgebruik in het NT : ofthalmos (oog) . Taalgebruik in de LXX : ofthalmos (oog) . Bijbel (173) . Pentateuch (14) . Eerdere Profeten (22) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (27) . Gn (4) : (1) Gn 13,10 . (2) Gn 21,19 . (3) Gn 39,7 . (4) Gn 46,4 . Een vorm van οφθαλμος = ofthalmos (oog) in de LXX (678) , in het NT (100) .
- dat. mann. mv. οφθαλμοις = ofthalmois van het zelfst. naamw. οφθαλμος = ofthalmos (oog) .
- Ned. : oog (misschien uit Lat. ok , de k wordt g) . Arabisch : `ain (oog) . Taalgebruik in de Qoran : `ain (oog) . `ain (oog) . D. : Aug . E. : eye (het klinkt als het Hebreeuwse ´ajin) . Fr. oeil (yeux) . Grieks : οφθαλμος = ofthalmos (oog) . Taalgebruik in het NT : ofthalmos (oog) . Hebreeuws : עַיִן = `ajin (oog, bron) . Stat. constr. עֵין = ´e(j)n . Taalgebruik in Tenakh : `ajin (oog, bron) . Lat. : oculus .

4. - 5. אֶת עֵינָיו = ´èth `e(j)nâ(j)w (zijn ogen) . Tenakh (10) : (1) Gn 13,10 . (2) Gn 22,4 . (3) Gn 22,13 . (4) Gn 33,5 . (5) Nu 24,2 . (6) Re 16,21 . (7) 2 S 18,24 . (8) 2 K 4,35 . (9) 2 K 6,17 . (10) 1 Kr 21,16 .

8. ´-ch-r . (1) voorzetsel אֶחָר = ´èchär (na, achter) stat. constr. אַחַר = ´achar . (2) אַחֵר = ´acher (ander, andere) . Taalgebruik in Tenakh : ´acher (ander, andere) . Getalwaarde : aleph = 1 , chet = 8 , resj = 20 of 200 ; totaal : 29 OF 209 (11 X 19) . Structuur : 1 - 8 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (101) . Pentateuch (41) . Eerdere Profeten (20) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (25) . Gn (19) : (1) Gn 4,25 . (2) Gn 9,28 . (3) Gn 10,1 . (4) Gn 10,32 . (5) Gn 11,10 . (6) Gn 15,1 . (7) Gn 18,5 . (8) Gn 22,1 . (9) Gn 22,13 . (10) Gn 24,55 . (11) Gn 29,19 . (12) Gn 30,24 . (13) Gn 34,19 . (14) Gn 37,9 . (15) Gn 37,17 . (16) Gn 39,7 . (17) Gn 40,1 . (18) Gn 43,14 . (19) Gn 43,22 .

12. wajjelèkh (en hij ging) < waw + act. qal imperfectum 3de pers.mann. enk. van het werkwoord halakh (gaan) . Taalgebruik in Tenakh : hâlakh (gaan) . Getalwaarde : he = 5 1S lamed = 12 of 30 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 28 (2 X 2 X 7) of 55 (5 X 11) . Structuur : 5 - 3 -2 . Tenakh (216) . Pentateuch (39) . Eerdere Profeten (146) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (22) . Gn (23) : (1) Gn 12,4 . (2) Gn 13,3 . (3) Gn 18,33 . (4) Gn 22,3 . (5) Gn 22,13 . (6) Gn 24,10 . (7) Gn 24,61 . (8) Gn 25,34 .

13. ´abhërâhâm (Abraham) . Zie ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 248 (31 X 8) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . Tenakh (128) . Pentateuch (105) . Gn (98) . Gn 22 (15) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,5 . (5) Gn 22,6 . (6) Gn 22,7 . (7) Gn 22,8 . (8) Gn 22,9 . (9) Gn 22,10 . (10) Gn 22,11 . (11) Gn 22,13 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 22,15 . (14) Gn 22,19 . (15) Gn 22,23 .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Gn 22,14 - Gn 22,14 - De beproeving van Abraham -- Gn (Genesis ) -- Gn 22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 - - Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14kai ekalesen abraam to onoma tou topou ekeinou kurios eiden ina eipôsin sèmeron en tô orei kurios ôfthè 14 appellavitque nomen loci illius Dominus videt unde usque hodie dicitur in monte Dominus videbit   14 En Abraham noemde den naam van die plaats: De HEERE zal het voorzien! Waarom heden ten dage gezegd wordt: Op den berg des HEEREN zal het voorzien worden! [14] Abraham noemde die plaats ‘de heer ziet’; vandaar dat men nu nog zegt: ‘Op de berg van de heer laat Hij zich zien.’   [14] Abraham noemde die plaats 'De HEER zal erin voorzien'. Vandaar dat men tot op de dag van vandaag zegt: 'Op de berg van de HEER zal erin voorzien worden.' 22:14 Dan roept Abraham als naam voor die plaats uit: 'de Ene zal voorzien',- waardoor vandaag nog wordt gezegd 'op de berg van de Ene is uitzicht!' 14. A ce lieu, Abraham donna le nom de Yahvé pourvoit, en sorte qu'on dit aujourd'hui : Sur la montagne, Yahvé pourvoit.

King James Bible . [14] And Abraham called the name of that place Jehovah-jireh: as it is said to this day, In the mount of the LORD it shall be seen.
Luther-Bibel . 14 Und Abraham nannte die Stätte »Der HERR sieht«. Daher man noch heute sagt: Auf dem Berge, da der HERR sieht.

Tekstuitleg van Gn 22,14 . Het vers Gn 22,14 telt 13 verzen en 51 letters . De getalwaarde van Gn 22,14 is 2617 (priemgetal) .

Gn 22,14.2. ´abhërâhâm (Abraham) . Zie ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 248 (31 X 8) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . Tenakh (128) . Pentateuch (105) . Gn (98) . Gn 22 (15) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,5 . (5) Gn 22,6 . (6) Gn 22,7 . (7) Gn 22,8 . (8) Gn 22,9 . (9) Gn 22,10 . (10) Gn 22,11 . (11) Gn 22,13 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 22,15 . (14) Gn 22,19 . (15) Gn 22,23 .

Gn 22,14.4. הַמַּקוֹם = hammâqôm (de plaats) < bepaald lidw. ha + מַקוֹם = maqôm (plaats, verblijfplaats) . Taalgebruik in Tenakh : maqôm (plaats, verblijfplaats) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , qoph = 19 of 100 , waw = 6 ; totaal : 51 (3 X 17) OF 186 (2 X 3 X 31) . Structuur : 4 - 1 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 6 .Tenakh (114) . Pentateuch (51) . Eerdere Profeten (26) . Latere Profeten (21) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (14) .Gn (22) : (1) Gn 13,3 . (2) Gn 13,14 . (3) Gn 18,26 . (4) Gn 19,12 . (5) Gn 19,13 . (6) Gn 19,14 . (7) Gn 19,27 . (8) Gn 20,13 . (9) Gn 22,3 . (10) Gn 22,4 . (11) Gn 22,9 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 26,7 . (14) Gn 28,11 . (15) Gn 28,17 . (16) Gn 28,19 . (17) Gn 29,22 . (18) Gn 32,3 . (19) Gn 32,31 . (20) Gn 33,17 . (21) Gn 35,15 . (22) Gn 38,22 .
- Gr. τοπος = topos (plaats) . Taalgebruik in het NT : topos (plaats) . Taalgebruik in de LXX : topos (plaats) . Een vorm van τοπος = topos in de LXX (613) , in het NT (95) .
- Ned. : plaats . D. : Stätte . E. : place . Fr. : place . Grieks : τοπος = topos (plaats) . Taalgebruik in het NT : topos (plaats) . Hebreeuws : מַקוֹם = maqôm (plaats, verblijfplaats) . Taalgebruik in Tenakh : maqôm (plaats, verblijfplaats) . Lat. : locus .

Gn 22,14.3. - 4. שֵׁם הַמַּקוֹם = sjem hammâqôm (naam van de plaats) . Tenakh (16) : (1) Gn 22,14 . (2) Gn 28,19 . (3) Gn 32,3 . (4) Gn 32,31 . (5) Gn 33,17 . (6) Gn 35,15 . (7) Ex 17,7 . (8) Nu 11,3 . (9) Nu 11,34 . (10) Nu 21,3 . (11) Joz 5,9 . (12) Joz 7,26 . (13) Re 2,5 . (14) 2 S 5,20 . (15) 1 Kr 14,11 . (16) 2 Kr 20,26 .

Gn 22,14.11. bëhar (op een berg) OF bâhâr (op de berg) < voorzetsel / voorvoegsel b + har (berg) . Taalgebruik in Tenakh : har (berg) . Getalwaarde : he = 5 , resj = 20 of 300 ; totaal : 25 of 305 . Gr. oros (berg) . Taalgebruik in de Septuaginta : oros (berg) . Taalgebruik in NT : oros (berg) . Lat. mons , -tis . Fr. montagne . E. mount . Ned. berg, gebergte . D. Gebirge . Tenakh (109) . Gn (7) : (1) Gn 19,30 . (2) Gn 22,14 . (3) Gn 31,23 . (4) Gn 31,25 . (5) Gn 31,54 . (6) Gn 36,8 . (7) Gn 36,9 .

Gn 22,14.7. act. qal jiqtol (imperfectum) 3de pers. mann. enk. יִרְאֶה = jire´èh (hij zal zien / ziet) van het werkw. רָאָה= râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Taalgebruik in Genesis : râ´âh (zien) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (63) . Gn (3) : (1) Gn 18,15 . (2) Gn 22,8 . (3) Gn 22,14 .

Gn 22,14.6. - 7. יהוה יִרְאֶה = jire´èh JHWH (JHWH zal zien / ziet) . Tenakh (1) : Gn 22,14. .

8. אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) OF persoonsnaam אָשֶׁר = ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (4012) . Pentateuch (1378) . Eerdere Profeten (1114) . Latere Profeten (717) . 12 Kleine Profeten (106) . Geschriften (697) . Gn (307) . Gn 22 (7) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,9 . (4) Gn 22,14 . (5) Gn 22,16 . (6) Gn 22,17 . (7) Gn 22,18 .
- Gr. καθως = kathôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : kathôs (zoals) . Taalgebruik in de LXX : kathôs (zoals) . Lat. sicut . Fr. selon . E. as . D. wie .

Gn 22,14.11. - 12. bëhar JHWH (op de berg van JHWH) . Tenakh (2) : (1) Ps 24,3 . (2) Js 30,29 .

13. werkw. nifal jiqtol 3de pers. mann. enk. = jerâ´èh (hij liet zich zien, hij werd gezien, hij verscheen) van het werkw. רָאָה= râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Taalgebruik in Genesis : râ´âh (zien) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . j-r-´-h . Tenakh (63) . Gn (3) : (1) Gn 18,15 . (2) Gn 22,8 . (3) Gn 22,14 .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Gn 22,15 - Gn 22,15 - De beproeving van Abraham -- Gn (Genesis ) -- Gn 22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 - - Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15kai ekalesen aggelos kuriou ton abraam deuteron ek tou ouranou 15 vocavit autem angelus Domini Abraham secundo de caelo dicens   15 Toen riep de Engel des HEEREN tot Abraham ten tweeden male van den hemel; [15] Toen riep de engel van de heer voor de tweede maal uit de hemel tot Abraham  [15] Toen sprak de engel van de HEER opnieuw vanuit de hemel tot Abraham. 22:15 De engel van de Ene roept tot Abraham een tweede maal, vanuit de hemelen. 15. L'Ange de Yahvé appela une seconde fois Abraham du ciel

King James Bible . [15] And the angel of the LORD called unto Abraham out of heaven the second time,
Luther-Bibel . 15 Und der Engel des HERRN rief Abraham abermals vom Himmel her

Tekstuitleg van Gn 22,15 .

5. ´abhërâhâm (Abraham) . Zie ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 248 (31 X 8) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . Tenakh (128) . Pentateuch (105) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (13) . Gn (98) . Gn 22 (15) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,5 . (5) Gn 22,6 . (6) Gn 22,7 . (7) Gn 22,8 . (8) Gn 22,9 . (9) Gn 22,10 . (10) Gn 22,11 . (11) Gn 22,13 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 22,15 . (14) Gn 22,19 . (15) Gn 22,23 .

4. - 5. ´èl ´abhërâhâm (tot Abraham) . Tenach (12) : (1) Gn 17,9 . (2) Gn 17,15 . (3) Gn 18,13 . (4) Gn 18,33 . (5) Gn 20,10 . (6) Gn 21,12 . (7) Gn 21,22 . (8) Gn 21,29 . (9) Gn 22,7 . (10) Gn 22,15 . (11) Ex 6,3 . (12) Js 51,2 .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Gn 22,16 - Gn 22,16 - De beproeving van Abraham -- Gn (Genesis ) -- Gn 22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 - - Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
16legôn kat¢ emautou ômosa legei kurios ou eineken epoièsas to rèma touto kai ouk efeisô tou uiou sou tou agapètou di¢ eme 16 per memet ipsum iuravi dicit Dominus quia fecisti rem hanc et non pepercisti filio tuo unigenito   16 En zeide: Ik zweer bij Mijzelven, spreekt de HEERE; daarom dat gij deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt; [16] en zei: ‘Bij Mijzelf heb Ik gezworen – godsspraak van de heer – omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet hebt onthouden,  [16] Hij zei: 'Ik zweer bij mijzelf – spreekt de HEER: Omdat je dit hebt gedaan, omdat je mij je zoon, je enige, niet hebt onthouden, 22:16 Hij zegt: 'bij mezelf heb ik gezworen -tijding van de Ene- dat,- omdat je dit woord gedaan hebt en niet je zoon, je enige, hebt weggehouden, 16. et dit : Je jure par moi-même, parole de Yahvé : parce que tu as fait cela, que tu ne m'as pas refusé ton fils, ton unique,

King James Bible . [16] And said, By myself have I sworn, saith the LORD, for because thou hast done this thing, and hast not withheld thy son, thine only son:
Luther-Bibel . 16 und sprach: Ich habe bei mir selbst geschworen, spricht der HERR: Weil du solches getan hast und hast deines einzigen Sohnes nicht verschont,

Tekstuitleg van Gn 22,16 .

Gn 22,16.1. וַיּאֹמֶר= wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. -m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) .Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Gn 22 (8) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,5 . (4) Gn 22,7 . (5) Gn 22,8 . (6) Gn 22,11 . (7) Gn 22,12 . (8) Gn 22,16 .
- Lettinga 12, 2012, 53c2 : Het werkw. begint met een aleph . Het is een gutturaal , maar de zwakste van de gutturalen . Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal werkw. een bijzondere behandeling voor de qal imperf. . Dit is het geval voor ons werkw. . In het imperf. gaat een medeklinker vooraf aan de aleph . De aleph quiesceert : ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b) . In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o : jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c) . De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b) . In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a : jomur -> jomar b(i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012 , 15g) . In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è , vandaar wajjo´mèr . (Zie ook Jouön , 73) .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . λεγω = legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
act. ind. aor. 3de p. enk. eipen  3024  2426  598  118  56  223  114  75  397  511 

- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . D. : sprechen (spreken) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere .

Gn 22,16.3. nifal perf. 1ste pers enk נִשְׁבַּעְתִּי = nisjëba`ëthî (ik zweer) van het werkw. שָׁבָע = sjâbhâ` (zweren, vervolledigen / vervullen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (26) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (5) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (4) .

Gn 22,16.8. אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) OF persoonsnaam אָשֶׁר = ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (4012) . Pentateuch (1378) . Eerdere Profeten (1114) . Latere Profeten (717) . 12 Kleine Profeten (106) . Geschriften (697) . Gn (307) . Gn 22 (7) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,9 . (4) Gn 22,14 . (5) Gn 22,16 . (6) Gn 22,17 . (7) Gn 22,18 .
- Gr. καθως = kathôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : kathôs (zoals) . Taalgebruik in de LXX : kathôs (zoals) . Lat. sicut . Fr. selon . E. as . D. wie .

Gn 22,16.10. אֶת = ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 22 (14) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,3 . (4) Gn 22,4 . (5) Gn 22,6. (6) Gn 22,9 . (7) Gn 22,10 . (8) Gn 22,12 . (9) Gn 22,13 . (10) Gn 22,16 . (11) Gn 22,17 . (12) Gn 22,21 . (13) Gn 22,23 . (14) Gn 22,24 .

Gn 22,16.11.
- Grieks . nom. + acc. onz. enk. ρημα = rèma (woord, uitspraak) . Taalgebruik in het NT : rèma (woord, uitspraak) . Taalgebruik in de LXX : rèma (woord, uitspraak) . Bijbel (292) . OT (272) . NT (20) . Gn (20) : (1) Gn 15,1 . (2) Gn 18,14 . (3) Gn 18,25 . (4) Gn 21,11 . (5) Gn 21,12 . (6) Gn 22,16 . (7) Gn 30,31 . (8) Gn 30,34 . (9) Gn 32,20 . (10) Gn 34,14 . (11) Gn 34,19 . (12) Gn 37,11 . (13) Gn 39,9 . (14) Gn 41,28 . (15) Gn 41,32 . (16) Gn 44,2 . (17) Gn 44,7 . (18) Gn 44,17 . (19) Gn 44,18 . (20) Gn 47,30 . Lc (8) : (1) Lc 1,37 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 2,15 . (4) Lc 2,29 . (5) Lc 2,50 . (6) Lc 3,2 . (7) Lc 9,45 . (8) Lc 18,34 . Een vorm van ρημα = rèma in de LXX (548) , in het NT (68) .

  rèma (woord, uitspraak)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk. rèma   292  272  20  2 :     13  13 

Gn 22,16.14. act. qal perf. 3de pers. mann. enk. חָשַׂכְתָּ = châshakhëthâ (jij spaarde) van het werkw. חָשַׂך = châshakh (terughouden, onthouden, redden, sparen) . Taalgebruik in Tenakh : châshakh (terughouden, onthouden, redden, sparen) . Tenakh (3) : (1) Gn 22,12 . (2) Gn 22,16 . (3) Js 38,17 . (4) Ezr 9,13 .
- Grieks : ind. aor. 2de pers. enk. εφεισω = efeisô (jij spaarde) van het werkw. φειδομαι = feidomai (sparen) . Taalgebruik in het NT : feidomai (sparen) . Taalgebruik in de LXX : feidomai (sparen) . Een vorm van φειδομαι = feidomai (sparen)in de LXX (95) , in het NT (10) .

Gn 22,16.15. אֶת = ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 22 (14) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,3 . (4) Gn 22,4 . (5) Gn 22,6. (6) Gn 22,9 . (7) Gn 22,10 . (8) Gn 22,12 . (9) Gn 22,13 . (10) Gn 22,16 . (11) Gn 22,17 . (12) Gn 22,21 . (13) Gn 22,23 . (14) Gn 22,24 .

Gn 22,16.16. בִּנְךָ = binëkhâ (jouw zoon) < zelfst. naamw. ben + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Zie בֵּן / בִּן / בֶּן = ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalwaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (45) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (21) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (4) . Gn (10) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,12 . (3) Gn 22,16 . (4) Gn 24,5 . (5) Gn 27,32 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,15 . (8) Gn 37,32 . (9) Gn 45,9 . (10) Gn 48,2 .
- gen. mann. enk. υἰου = huiou (zoon) van het zelfst. naamw. υἰος = huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Taalgebruik in de LXX : huios (zoon) .

huios (zoon)  enk. bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Apk Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul.  Ap. br. 
gen. enk. huiou 343 308 35 8 1 4 3     19                              12 
totaal 1851 1560 291 69 29 62 51 10 5 65            17  20      40  25 

- του ὑιου σου = tou huiou sou (jouw zoon) . Bijbel (8) : (1) Gn 22,12 . (2) Gn 22,16 . (3) Gn 30,14 . (4) Gn 37,32 . (5) 2 S 14,11 . (6) 2 S 16,8 . (7) 1 K 1,12 . (8) Tob 5,12 .
- Ned. : zoon . Arabisch : اِبن = ´ibn (zoon) . Taalgebruik in de Qoran : ´ibn (zoon) . D. : Sohn . E. : son . Fr. : fils . Gr. : υἰος = huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Hebreeuws : בֵּן/ בִּן / בֶּן= ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Lat. : filius .

Gn 22,16.15. - 16. אֶת בִּנְךָ = ´èth binëkhâ (jouw zoon) . Tenakh (7) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,12 . (3) Gn 22,16 . (4) Gn 24,5 . (5) Ex 4,23 . (6) Dt 7,4 . (7) Re 6,30 . In het Hebreeuws staat een lijdend voorwerp , in de Griekse tekst staat feidomai met een genitief .

Gn 22,16.17. אֶת = ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Gn (525) . Gn 22 (14) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,3 . (4) Gn 22,4 . (5) Gn 22,6. (6) Gn 22,9 . (7) Gn 22,10 . (8) Gn 22,12 . (9) Gn 22,13 . (10) Gn 22,16 . (11) Gn 22,17 . (12) Gn 22,21 . (13) Gn 22,23 . (14) Gn 22,24 .

Gn 22,16.18. יְחִידֶךָ = jëchîdèkhâ (jouw enige) < prefix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. + bijvoegl. naamw. יָחִיד = jâchîd (enig, eenzaam, verlaten) . Taalgebruik in Tenakh : jâchîd (enig, eenzaam, verlaten) . Tenakh (3) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,12 . (3) Gn 22,16 . In jâchîd zitten de medeklinkers j-ch-d zoals in ´èchad (één) . jâchîd en jâlad (verwekken, baren) verschillen slechts in de middelste medeklinker (wat de medeklinkers betreft) ; bij vermenging van de 2 krijg je in het lat. uni-genitus (enig-geboren) . jâchîd en ´âhabh (beminnen) kunnen ook dicht bij elkaar liggen : jod en alelph zijn gemakkelijk verwisselbaar ; de ch en de h liggen dicht bij elkaar ; slechts de laatste medeklinker verschilt van elkaar : d en bh . Het Griekse agapaô benadert de klank van het Hebreeuwse ´âhabh ; allereerst de a , vervolgens de g en de h , tenslotte de p en de b . Zo kan jâchîd (enig) naar het Griekse agapètos (beminde) vertaald worden .
- Grieks : gen. mann. enk. αγαπητου = agapètou van het bijvoegl. naamw. αγαπητος = agapètos (beminde, geliefde) . Zie het werkw. αγαπαω = agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in het NT : agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in de LXX : agapaô (liefhebben) . Bijbel (8) . LXX (7) : (1) Gn 22,12 . (2) Gn 22,16 . (3) Js 5,1 . (4) Jr 6,26 . (5) Am 8,10 . (6) Ps 45,1 . (7) Ps 68,13 . NT (1) : Kol 1,7 . Een vorm van αγαπητος = agapètos (beminde, geliefde) in de LXX (24) , in het NT (61) .
- Lat. unigenito (eniggeboren) . Bijbel (2) : (1) Gn 22,12 . (2) Gn 22,16 .

Gn 22,16.15. - 18. אֶת בִּנְךָ אֶת יְחִידֶךָ = ´èth binëkhâ jëchîdèkhâ (jouw zoon, jouw enige) . Tenakh (7) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,12 . (3) Gn 22,16 .
- Grieks : του ὑιου σου του αγαπητου = tou huiou sou tou agapètou (jouw zoon, jouw geliefde) . Bijbel (2) : (1) Gn 22,12 . (2) Gn 22,16 .
- Grieks : τον ὑιον σου τον αγαπητον = ton huion sou ton agapèton (jouw zoon, jouw geliefde) . Bijbel (1) Gn 22,2 .
- Grieks : ὁ υἰος μου ὁ αγαπητος = ho huios mou ho agapètos (de zoon van mij = mijn zoon, mijn beminde) . NT (7) : (1) Mt 3,17 . (2) Mt 17,5 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 9,7 . (5) Lc 3,22 . (6) Lc 9,35 . (7) 2 Pe 1,17 .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Gn 22,17 - Gn 22,17 - De beproeving van Abraham -- Gn (Genesis ) -- Gn 22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 - - Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
17è mèn eulogôn eulogèsô se kai plèthunôn plèthunô to sperma sou ôs tous asteras tou ouranou kai ôs tèn ammon tèn para to cheilos tès thalassès kai klèronomèsei to sperma sou tas poleis tôn upenantiôn 17 benedicam tibi et multiplicabo semen tuum sicut stellas caeli et velut harenam quae est in litore maris possidebit semen tuum portas inimicorum suorum   17 Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan den oever der zee is; en uw zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk bezitten. [17] zal Ik u overvloedig zegenen en uw nakomelingen even talrijk maken als de sterren aan de hemel en de zandkorrels aan het strand van de zee. Uw nakomelingen zullen de poort van hun vijand bezitten.  [17] zal ik je rijkelijk zegenen en je zoveel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn en zandkorrels op het strand langs de zee, en je nakomelingen zullen de steden van hun vijanden in bezit krijgen. 22:17 dat ik je met zegening zal zegenen en je zaad in overvloed overvloedig zal maken, als de sterren aan de hemel en als het zand aan de rand van de zee; jouw zaad zal erven de poort van z'n vijanden; 17. je te comblerai de bénédictions, je rendrai ta postérité aussi nombreuse que les étoiles du ciel et que le sable qui est sur le bord de la mer, et ta postérité conquerra la porte de ses ennemis.

King James Bible . [17] That in blessing I will bless thee, and in multiplying I will multiply thy seed as the stars of the heaven, and as the sand which is upon the sea shore; and thy seed shall possess the gate of his enemies;
Luther-Bibel . 17 will ich dein Geschlecht segnen und mehren wie die Sterne am Himmel und wie den Sand am Ufer des Meeres, und deine Nachkommen sollen die Tore ihrer Feinde besitzen;

Tekstuitleg van Gn 22,17 . Het vers Gn 22,17 telt 19 woorden en 70 (2 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Gn 22,17 is 5411 (7 X 773) .

7. כְּכוֹכְבֵי = këkhôkhëbhê (als sterren) < prefix voorzetsel kë + zelfst. naamw. mann. mv. stat. constr. . Zie כוֹכָב = kôkhâbh (ster) . Taalgebruik in Tenakh : kôkhâbh (ster) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 ; waw = 6 , beth = 2 . Totaal : 30 (5 X 6) OF 48 (2² X 2² X 3) . Structuur : 2 - 6 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (7) : (1) Gn 22,17 . (2) Gn 26,4 . (3) Ex 32,13 . (4) Dt 1,10 . (5) Dt 10,22. (6) Dt 28,62 . (7) 1 Kr 27,23 .

7. - 8. Op een aantal bijbelplaatsen vinden we de vergelijking van het talrijk nageslacht met de sterren van de hemel : (1) כְּכוֹכְבֵי הַשָּׁמַיִם = këkhôkhëbhê hasjsjâmajim (als sterren van de hemelen) . Tenakh (5) : (1) Gn 22,17 . (2) Gn 26,4 . (3) Dt 1,10 . (4) Dt 10,22. (5) Dt 28,62 . (2) כְּכוֹכְבֵי הַשָּׁמָיִם = këkhôkhëbhê hasjsjâmajim (als sterren van de hemelen) . Tenakh (2) : (1) Ex 32,13 . (2) 1 Kr 27,23 .

10. אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) OF persoonsnaam אָשֶׁר = ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (4012) . Pentateuch (1378) . Eerdere Profeten (1114) . Latere Profeten (717) . 12 Kleine Profeten (106) . Geschriften (697) . Gn (307) . Gn 22 (7) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,9 . (4) Gn 22,14 . (5) Gn 22,16 . (6) Gn 22,17 . (7) Gn 22,18 .
- Gr. καθως = kathôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : kathôs (zoals) . Taalgebruik in de LXX : kathôs (zoals) . Lat. sicut . Fr. selon . E. as . D. wie .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Gn 22,18 - Gn 22,18 - De beproeving van Abraham -- Gn (Genesis ) -- Gn 22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 - - Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
18kai eneulogèthèsontai en tô spermati sou panta ta ethnè tès gès anth¢ ôn upèkousas tès emès fônès 18 et benedicentur in semine tuo omnes gentes terrae quia oboedisti voci meae   18 En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt. [18] Om uw zaad zullen alle geslachten van de aarde zich gezegend* noemen, omdat u naar mijn stem hebt geluisterd.’  [18] En alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als jouw nakomelingen. Want jij hebt naar mij geluisterd.' 22:18 gezegend zullen zich weten door jouw zaad alle volkeren van de aarde: om het feit dat je hebt gehoord naar mijn stem!' 18. Par ta postérité se béniront toutes les nations de la terre, parce que tu m'as obéi.

King James Bible . [18] And in thy seed shall all the nations of the earth be blessed; because thou hast obeyed my voice.
Luther-Bibel . 18 und durch dein Geschlecht sollen alle Völker auf Erden gesegnet werden, weil du meiner Stimme gehorcht hast.

Tekstuitleg van Gn 22,18 .

3. - 5. kol gôjej hâ´ârèts (alle volkeren van de aarde) . Tenakh (4) : (1) Gn 18,18 . (2) Gn 22,18 . (3) Gn 26,4 . (4) Zach 12,3 .

Gn 12,3 wënibhërëkhû (en zij zullen gezegend worden) bëkhâ (in u) kol misjëpëchoth hâ´ädâmâh (alle gslachten van de aarde)
Gn 18,18 wënibhërëkhû (en zij zullen gezegend worden) bô (in hem) kol gôjje hâ´ârèts (alle volkeren van de aarde)
Gn 28,14 wënibhëräkhû (en zij zullen gezegend worden) bëkhâ (in u) kâl misjëpëchoth hâ´ädâmâh (alle gslachten van de aarde)

 

kol gôjej hâ´ârèts (alle volkeren van de aarde) . Tenakh (4) : (1) Gn 18,18 . (2) Gn 22,18 . (3) Gn 26,4 . (4) Zach 12,3 .

7. אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) OF persoonsnaam אָשֶׁר = ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (4012) . Pentateuch (1378) . Eerdere Profeten (1114) . Latere Profeten (717) . 12 Kleine Profeten (106) . Geschriften (697) . Gn (307) . Gn 22 (7) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,9 . (4) Gn 22,14 . (5) Gn 22,16 . (6) Gn 22,17 . (7) Gn 22,18 .
- Gr. καθως = kathôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : kathôs (zoals) . Taalgebruik in de LXX : kathôs (zoals) . Lat. sicut . Fr. selon . E. as . D. wie .

9. Stem / geroep :
- קוֹל = qôl (stem, roep) . Tenakh (138) .
- קוֹל אֵת = ´èth qôl (de stem) . Tenakh (26) . Pentateuch (7) : (1) Gn 3,8 . (2) Gn 21,17 . (3) Ex 32,17 . (4) Dt 1,34 . (5) Dt 5,25 . (6) Dt 5,28 . (7) Dt 18,16 .
- קֹלֵנוּ אֵת = ´èth qolenû (onze stem) . Tenakh (1) : Dt 26,7 .
- בְּקוֹלוֹ = bëqôlô (naar zijn stem) . Tenakh (4) : (1) Js 40,3 . (2) Ps 46,7 . (3) Ps 68,34 . (4) Job 37,5 .
- בְּקֹלוֹ = bëqolô (naar zijn stem) . Tenakh (11) : (1) Ex 5,2 . (2) Ex 23,21 . (3) Ex 23,22 . (4) Dt 4,30 . (5) Dt 9,23 . (6) Dt 26,17 . (7) Dt 30,2 . (8) Dt 30,20 . (9) 1 S 12,14 . (10) Ps 95,7 . (11) Da 9,14 .
- בְּקֹלִי= bëqolî (naar mijn stem) . Tenakh (10) : (1) Gn 22,18 . (2) Gn 26,5 . (3) Gn 27,8 . (4) Gn 27,13 . (5) Gn 27,43 . (6) Gn 30,6 . (7) Ex 4,1 . (8) Ex 18,19 . (9) Ex 19,5 . (10) Re 2,2 .
- בְּקוֹלִי= bëqôlî (naar mijn stem) . Tenakh (10) : (1) Nu 16,22 . (2) Joz 22,2 . (3) Re 6,10 . (4) Jr 7,23 . (5) Jr 9,12 . (6) Jr 11,4 . (7) Jr 11,7 . (8) Jr 18,10 . (9) Jr 22,21 . (10) Ps 130,2 .
- קוֹל אֶל = ´èl qôl (naar de stem van) : Tenakh (1) : Gn 21,17 .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Gn 22,19 - Gn 22,19 - De beproeving van Abraham -- Gn (Genesis ) -- Gn 22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 - - Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
19apestrafè de abraam pros tous paidas autou kai anastantes eporeuthèsan ama epi to frear tou orkou kai katôkèsen abraam epi tô freati tou orkou 19 reversus est Abraham ad pueros suos abieruntque Bersabee simul et habitavit ibi   19 Toen keerde Abraham weder tot zijn jongeren, en zij maakten zich op, en zij gingen samen naar Ber-seba; en Abraham woonde te Ber-seba. [19] Daarop keerde Abraham naar zijn knechten terug; samen gingen zij naar Berseba. En Abraham bleef in Berseba wonen.  [19] Daarna ging Abraham terug naar zijn knechten. Samen gingen ze weer op weg naar Berseba, en daar bleef Abraham wonen. 22:19 Abraham keert terug naar zijn jongens; ze staan op en gaan eensgezind naar Beëer Sjeva; Abraham zet zich neer bij Beëer Sjeva. • 19. Abraham revint vers ses serviteurs et ils se mirent en route ensemble pour Bersabée. Abraham résida à Bersabée.

King James Bible . [19] So Abraham returned unto his young men, and they rose up and went together to Beer-sheba; and Abraham dwelt at Beer-sheba.
Luther-Bibel . 19 So kehrte Abraham zurück zu seinen Knechten. Und sie machten sich auf und zogen miteinander nach Beerscheba und Abraham blieb daselbst. Die Nachkommen Nahors

Tekstuitleg van Gn 22,19 . Het vers Gn 22,19 telt 12 (2² X 3) en 54 (2 X 3³) letters . De getalwaarde van 2944 (2 X 2³ X 2³ X 23) .

Gn 22,19.5. וַיָּקֻמוּ = wajjâqumû (en zij stonden op) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. קוּם = qûm (opstaan) . Taalgebruik in Tenakh : qûm (opstaan) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 146 (2 X 73) . Structuur : 100 - 6 - 40 OF 1 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (27) . Pentateuch (6) : (1) Gn 18,16 . (2) Gn 22,19 . (3) Gn 37,35 . (4) Gn 43,15 . (5) Ex 32,6 . (6) Nu 16,2 . Eerdere Profeten (14) . Latere Profeten ( 1) : Jr 26,17 . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (6) : (1) 2 Kr 20,19 . (2) 2 Kr 28,12 . (3) 2 Kr 28,15. (4) 2 Kr 29,12 . (5) 2 Kr 30,14 . (6) 2 Kr 30,27 . Eerdere Profeten (14) : (1) Joz 18,4 . (2) Joz 18,8 . (3) Re 20,5 . (4) Re 20,18 . (5) 1 S 17,52 . (6) 1 S 28,25 . (7) 2 S 2,15 . (8) 2 S 12,17 . (9) 2 S 13,29 . (10) 1 K 1,49 . (11) 1 K 11,18 . (12) 2 K 3,24 . (13) 2 K 12,21 . (14) 2 K 25,26 . Een vorm van קוּם = qûm (opstaan) (627) .
- Grieks . act. part. aor. nom. mann. mv. ανασταντες = anastantes (opstaande) . Zie : ανιστημι = anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het NT : anistèmi (opstaan) . Tenakh (18) : (1) Gn 22,19 . (2) Gn 26,31 . (3) Gn 35,3 . (4) Gn 43,8 . (5) Gn 43,13 . (6) Gn 43,15 . (7) Nu 22,14 . (8) Joz 18,4 . (9) Joz 18,8 . (10) Js 21,5 . (11) Ps 35,11 . (12) 1 Mak 16,5 . (13) Mc 14,57 . (14) Lc 4,29 . (15) Lc 22,46 . (16) Lc 24,33 . (17) Hnd 5,6 . (18) Hnd 23,9 . Een vorm van ανιστημι = anistèmi (opstaan) in de LXX (539) , in het NT (107) .
-- act. part. aor. nom. mann. mv. εξανασταντες = exanastantes (opstaande) . Zie : ανιστημι = anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het NT : anistèmi (opstaan) . Tenakh (2) : (1) Gn 18,16 . (2) Js 37,36 . Een vorm van εξανιστημι = exanistèmi (opstaan) in de LXX (41) , in het NT (3) .

1. - 2. וַיָּקֻמוּ () וַיֵּלְכוּ = wajjâqumû wajjelëkhû (en zij stonden op en zij gingen) . Tenakh (3) : (1) Gn 22,19 . (2) Joz 18,8 . (3) 1 S 28,25 .

Gn 22,19.9. בְּאֵר = bë'er (put) . Taalgebruik : bë´er (put) . Getalwaarde : beth = 2 , aleph = 1 , resj = 20 of 200 ; totaal : 23 of 203 (7 X 29) . Structuur : 2 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . Dezelfde medeklinkers in het woord bârâ' (scheppen) . Tenakh (38) . Gn (16) . In één vers in Gn 16 . In vier verzen in Gn 21 . In één vers in Gn 22 : Gn 22,19 . In twee verzen in Gn 24 : (1) Gn 24,11 . (2) Gn 24,62 . In één vers in Gn 25 : Gn 25,11 . In zes verzen in Gn 26 : (1) Gn 26,19 . (2) Gn 26,21 . (3) Gn 26,22 . (4) Gn 26,23 . (5) Gn 26,25 . (6) Gn 26,33 . In één vers in Gn 29 : Gn 29,2 .
- φρεαρ = frear (put) . Bijbel (32) . Gn (18) : (1) Gn 16,14 . (2) Gn 21,14 . (3) Gn 21,19 . (4) Gn 21,30 . (5) Gn 21,31 . (6) Gn 22,19 . (7) Gn 24,11 . (8) Gn 24,20 . (9) Gn 24,62 . (10) Gn 25,11 . (11) Gn 26,19 . (12) Gn 26,21 . (13) Gn 26,22 . (14) Gn 26,23 . (15) Gn 26,25 . (16) Gn 26,33 . (17) Gn 29,2 . (18) Gn 46,1 .

12. ´abhërâhâm (Abraham) . Zie ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 248 (31 X 8) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . Tenakh (128) . Pentateuch (105) . Gn (98) . Gn 22 (15) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,5 . (5) Gn 22,6 . (6) Gn 22,7 . (7) Gn 22,8 . (8) Gn 22,9 . (9) Gn 22,10 . (10) Gn 22,11 . (11) Gn 22,13 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 22,15 . (14) Gn 22,19 . (15) Gn 22,23 .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -

Gn 22,20-24 . Nakomelingen van Nachor -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 22 -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 -- Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -

Gn 22,20 - Gn 22,20 . Nakomelingen van Nachor -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 22 -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 -- Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
20egeneto de meta ta rèmata tauta kai anèggelè tô abraam legontes idou tetoken melcha kai autè uious nachôr tô adelfô sou 20 his itaque gestis nuntiatum est Abraham quod Melcha quoque genuisset filios Nahor fratri suo   20 En het geschiedde na deze dingen, dat men Abraham boodschapte, zeggende: Zie, Milka heeft ook Nahor, uw broeder, zonen gebaard: [20] Na deze gebeurtenissen kreeg Abraham dit bericht: ook Milka heeft aan uw broer Nachor zonen* geschonken:  [20] Enige tijd later ontving Abraham het bericht dat ook Milka, de vrouw van zijn broer Nachor, zonen had gekregen: 22:20 Het geschiedt na al wat hier is verwoord dat aan Abraham gemeld wordt en gezegd: ziedaar, gebaard heeft Milka, ook zij, zonen aan Nachor, je broer: 20. Après ces événements, on annonça à Abraham que Milka elle aussi avait enfanté des fils à son frère Nahor :

King James Bible . [20] And it came to pass after these things, that it was told Abraham, saying, Behold, Milcah, she hath also born children unto thy brother Nahor;
Luther-Bibel . 20 Nach diesen Geschichten begab sich's, dass Abraham angesagt wurde: Siehe, Milka hat auch Söhne geboren deinem Bruder Nahor,

Tekstuitleg van Gn 22,20 . Het vers Gn 22,20 telt 15 (3 X 5) woorden en 61 (30 + 31) letters . De getalwaarde van Gn 22,20 is 1818 (2 X 3² X 101) .

Gn 22,20.1. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . De getalwaarde van wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 . Totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Joz (59) . Re (47) . 1 S (58) . 2 S (43) . 1 K (78) . 2 K (54) . Gn (114) . Gn 22 (2) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,20 .
ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Gr. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij / zij was) . Bijbel (1506) . OT (1120) . Pentateuch (329) .
Door wajëhî (en hij was / en het was) wordt het verhaal vervolgd . We zouden kunnen vertalen : vervolgens , en dan .

Gn 22,20.1. -2. wajëhî ´achäre(j) (en het was na...) . Tenakh (24) : (1) Gn 22,20 . (2) Gn 25,11 . (3) Gn 48,1 . (4) Nu 25,19 . (5) Joz 1,1 . (6) Joz 24,29 . (7) Re 1,1 . (8) Re 16,4 (9) 1 S 5,9 . (10) 1 S 24,6 . (11) 2 S 1,1 . (12) 2 S 2,1 . (13) 2 S 8,1 . (14) 2 S 10,1 . (15) 2 S 13,1 . (16) 2 S 17,21 . (17) 2 S 21,18 . (18) 1 K 13,23 . (19) 1 K 13,31 . (20) 2 K 6,24 . (21) 1 Kr 18,1 . (22) 1 Kr 19,1 . (23) 1 Kr 20,4 . (24) 2 Kr 25,14 . (25) Ez 17,23 .

3. - 4. haddëbharîm hâ´ellèh (deze woorden/gebeurtenissen) . Tenakh (81) . Pentateuch (24) . Gn (10) . Ex (4) . Nu (2) . Dt (8) .

Gn 22,20.1. - 4. wajëhî ´achäre(j) haddëbharîm hâ´ellèh (na deze woorden/gebeurtenissen) . Tenakh (3) : (1) Gn 22,20 . (2) Gn 48,1 . (3) Joz 24,29 .
- wajëhî ´achar haddëbharîm hâ´ellèh (na deze woorden/gebeurtenissen) . Tenakh (5) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 39,7 . (3) Gn 40,1 . (4) 1 K 17,17 . (5) 1 K 21,1 .

Gn 22,20.9. jâlëdâh (zij baarde) . Actief qal perfectum derde persoon vrouwelijk enkelvoud . j-l-d-h . Tenakh (43) . Gn (22) : (1) Gn 4,22 (Silla - Tubal-Kaïn) . (2) Gn 16,1 (lo´ jâlëdâh - Saraj - baarde niet) . (3) Gn 16,15 (Hagar - Ismaël) . (4) Gn 19,38 : (jongste dochter van Moab - Ben-Ammi) . (5) Gn 21,3 (Sara - Isaak) . (6) Gn 21,9 (Sara verwijst naar Hagar - Ismaël) . (7) Gn 22,20 (Milka, de vrouw van Nachor , broer van Abraham - verschillende kinderen) . (8) Gn 22,23 (de jongste zoon van Milka is Betuël , de vader van Rebekka , de schoondochter van Abraham) . (9) jullëdâh : pual perfectum (verwijzing naar Rebekka, de dochter van Betuël... ) . (10) Gn 24,24 (de afkomst van Rebekka) . (11) Gn 24,47 (de afkomst van Rebekka) . (12) Gn 25,12 (verwijzing naar de nakomelingen van Ismaël, de zoon van Abraham en Hagar) . (13) Gn 30,1 (lo´ jâlëdâh - Saraj - baarde niet) . (14) Gn 30,21 (Lea - Dina) . (15) Gn 30,25 (verwijzing naar Rachel - Jozef) . (16) Gn 34,1 (verwijzing naar Lea - Dina) . (17) Gn 36,4 (Basemat, een derde vrouw van Esau, - Reüel) . (18) Gn 36,5 (Oholibama, de tweede vrouw van Esau, - verschillende zonen) . (19) Gn 41,50 (Asnat, de vrouw van Jozef, - Manasse) . (20) Gn 44,27 (verwijzing naar Rachel en haar twee zonen) . (21) Gn 46,15 (verwijzing naar Le en haar kinderen) . (22) Gn 46,20 (verwijzing naar Asnat, de vrouw van Jozef en haar twee zonen) . Re 13,2 : wëlo ´jâlâdâh (en zij - de moeder van Simson - baarde niet) .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Gn 22,21 - Gn 22,21 . Nakomelingen van Nachor -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 22 -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 -- Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
21ton ôx prôtotokon kai ton baux adelfon autou kai ton kamouèl patera surôn 21 Hus primogenitum et Buz fratrem eius Camuhel patrem Syrorum   21 Uz, zijn eerstgeborene, en Buz, zijn broeder, en Kemuël, den vader van Aram, [21] Us, zijn eerstgeborene, diens broer Buz, Kemuël, de vader van Aram,  [21] Us als eerste, en verder Buz, Kemuël, de vader van Aram, 22:21 Oets als zijn eersteling, en zijn broer Boez; Kemoeël, de vader van Aram; 21. son premier-né Uç, Buz, le frère de celui-ci, Qemuel, père d'Aram,

King James Bible . [21] Huz his firstborn, and Buz his brother, and Kemuel the father of Aram,
Luther-Bibel . 21 nämlich Uz, den Erstgeborenen, und Bus, seinen Bruder, und Kemuël, von dem die Aramäer herkommen,

Tekstuitleg van Gn 22,21 .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -

Gn 22,22 - Gn 22,22 . Nakomelingen van Nachor -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 22 -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 -- Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22kai ton chasad kai ton azau kai ton faldas kai ton iedlaf kai ton bathouèl 22 et Chased et Azau Pheldas quoque et Iedlaph   22 En Chesed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Bethuël; [22] Kesed, Chazo, Pildas, Jidlaf en Betuël,  [22] Kesed, Chazo, Pildas, Jidlaf en Betuël. 22:22 Kesed en Chazo, Pildasj en Jidlaf; Betoeël. 22. Késed, Hazo, Pildash, Yidlaph, Bétuel

King James Bible . [22] And Chesed, and Hazo, and Pildash, and Jidlaph, and Bethuel.
Luther-Bibel . 22 und Kesed und Haso und Pildasch und Jidlaf und Betuël.

Tekstuitleg van Gn 22,22 .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -

Gn 22,23 - Gn 22,23 . Nakomelingen van Nachor -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 22 -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 -- Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23kai bathouèl egennèsen tèn rebekkan oktô outoi uioi ous eteken melcha tô nachôr tô adelfô abraam 23 ac Bathuel de quo nata est Rebecca octo istos genuit Melcha Nahor fratri Abraham   23 (En Bethuël gewon Rebekka) deze acht baarde Milka aan Nahor, den broeder van Abraham. [23] die de vader werd van Rebekka. Deze acht kinderen schonk Milka aan Nachor, de broer van Abraham.  [23] Betuël was het die Rebekka verwekte. Deze acht zonen baarde Milka aan Abrahams broer Nachor. 22:23 Betoeël heeft Rebekka gebaard. Deze acht baarde Milka aan Nachor, Abrahams broer. 23. et Bétuel engendra Rébecca . Ce sont les huit enfants que Milka donna à Nahor, le frère d'Abraham.

King James Bible . [23] And Bethuel begat Rebekah: these eight Milcah did bear to Nahor, Abraham's brother.
Luther-Bibel . 23 Betuël aber zeugte Rebekka. Diese acht gebar Milka dem Nahor, Abrahams Bruder.

Tekstuitleg van Gn 22,23 .

11. ´abhërâhâm (Abraham) . Zie ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 248 (31 X 8) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . Tenakh (128) . Pentateuch (105) . Gn (98) . Gn 22 (15) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,5 . (5) Gn 22,6 . (6) Gn 22,7 . (7) Gn 22,8 . (8) Gn 22,9 . (9) Gn 22,10 . (10) Gn 22,11 . (11) Gn 22,13 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 22,15 . (14) Gn 22,19 . (15) Gn 22,23 .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Gn 22,24 - Gn 22,24 . Nakomelingen van Nachor -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 22 -- Gn 22,1-19 -- Gn 22,20-24 -- Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
24kai è pallakè autou è onoma reèma eteken kai autè ton tabek kai ton gaam kai ton tochos kai ton môcha 24 concubina vero illius nomine Roma peperit Tabee et Gaom et Thaas et Maacha   24 En zijn bijwijf, welker naam was Reüma, diezelve baarde ook Tebah, en Gaham, en Tahas, en Maacha. [24] Hij had ook een bijvrouw, Reüma genaamd, en deze schonk het leven aan Tebach, Gacham, Tachas en Maäka.  [24] Ook zijn bijvrouw, die Reüma heette, bracht kinderen ter wereld: Tebach, Gacham, Tachas en Maächa. 22:24 En een bijvrouw van hem, wier naam is Reoema,- ook zíj baart: Tevach en Gacham, Tachasj en Maächa. 24. Il avait une concubine, nommée Réuma, qui eut aussi des enfants : Tébah, Gaham, Tahas et Maaka.

King James Bible . [24] And his concubine, whose name was Reumah, she bare also Tebah, and Gaham, and Thahash, and Maachah.
Luther-Bibel . 24 Und seine Nebenfrau, mit Namen Rëuma, gebar auch, nämlich den Tebach, Gaham, Tahasch und Maacha.

Tekstuitleg van Gn 22,24 . Het vers Gn 22,24 telt 14 (2 X 7) woorden en 49 (7²) letters . De getalwaarde van Gn 22,24 is 4068 (2² X 3² X 113) .

Gn 22,24.4. waththelèth (en zij baarde) . Actief qal imperfectum derde persoon vrouwelijk enkelvoud . Tenakh (63) . Pentateuch (37) . Eerdere Profeten (10) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (12) . Gn (31) : (1) Gn 4,1 (Eva - Kaïn) . (2) Gn 4,17 (de vrouw van Kaïn - Henoch) . (3) Gn 4,20 (Ada - Jabal) . (4) Gn 4,25 (Eva - Set) . (5) Gn 16,15 (Hagar - Ismaël) . (6) Gn 19,37 (oudste dochter van Lot - Moab) . (7) Gn 21,2 (Sara - Isaak) . (8) Gn 22,24 (Reüma, de bijvrouw van Nachor, broer van Abraham) . (9) Gn 24,36 (Taalgebruik naar Sara) . (10) Gn 25,2 (Ketoura, een andere vrouw van Abraham - zonen van Ketoura) . (11) Gn 29,32 (Lea - Ruben) . (12) Gn 29,33 (Lea - Simeon) . (13) Gn 29,34 (Lea - Levi) . (14) Gn 29,35 (Lea - Juda) . (15) Gn 30,3 (wëtheled : en zij zal baren; Bilha, de slavin van Rachel, - Dan) . (16) Gn 30,5 (Bilha, de slavin van Rachel, - Dan) . (17) Gn 30,7 (Bilha, de slavin van Rachel, - Naftali) . (18) Gn 30,10 (Zilpa, de slavin van Lea, - Gad) . (19) Gn 30,12 (Zilpa, de slavin van Lea, - Aser) . (20) Gn 30,17 (Lea - Issakar) . (21) Gn 30,19 (Lea - Zebulon) . (22) Gn 30,23 (Rachel - Jozef) . (23) Gn 35,16 (Rachel - Benjamin) . (24) Gn 36,4 (Ada, de vrouw van Esau, - verschillende zonen) . (25) Gn 36,12 (Timna, een bijvrouw van Esau's zoon Elifaz, - Amalek) . (26) Gn 36,14 (Oholibama, de tweede vrouw van Esau, - verschillende zonen) . (27) Gn 38,3 (Sua, de vrouw van Juda, - Er) . (28) Gn 38,4 (Sua , de vrouw van Juda, - Onan) . (29) Gn 38,5 (Sua , de vrouw van Juda, - Sela) . (30) Gn 46,18 (Taalgebruik naar Zilpa, de slavin van Lea) . (31) Gn 46,25 (Taalgebruik naar Bilha, de slavin van Rachel) . Zie : Taalgebruik in Tenakh : thôlëdôth (ontstaansgeschiedenissen) .


- Gn 22,1 - Gn 22,2 - Gn 22,3 - Gn 22,4 - Gn 22,5 - Gn 22,6 - Gn 22,7 - Gn 22,8 - Gn 22,9 - Gn 22,10 - Gn 22,11 - Gn 22,12 - Gn 22,13 - Gn 22,14 - Gn 22,15 - Gn 22,16 - Gn 22,17 - Gn 22,18 - Gn 22,19 - Gn 22,20 - Gn 22,21 - Gn 22,22 - Gn 22,23 - Gn 22,24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -

- Hebreeuwse tekst

וַיְהִי אַחַר הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה וְהָאֱלֹהִים נִסָּה אֶת־אַבְרָהָם וַיֹּאמֶר אֵלָיו אַבְרָהָם וַיֹּאמֶר הִנֵּנִי׃ .1 וַיֹּאמֶר קַח־נָא אֶת־בִּנְךָ אֶת־יְחִידְךָ אֲשֶׁר־אָהַבְתָּ אֶת־יִצְחָק וְלֶךְ־לְךָ אֶל־אֶרֶץ הַמֹּרִיָּה וְהַעֲלֵהוּ שָׁם לְעֹלָה עַל אַחַד הֶהָרִים אֲשֶׁר אֹמַר אֵלֶיךָ׃ .2 וַיַּשְׁכֵּם אַבְרָהָם בַּבֹּקֶר וַיַּחֲבֹשׁ אֶת־חֲמֹרֹו וַיִּקַּח אֶת־שְׁנֵי נְעָרָיו אִתֹּו וְאֵת יִצְחָק בְּנֹו וַיְבַקַּע עֲצֵי עֹלָה וַיָּקָם וַיֵּלֶךְ אֶל־הַמָּקֹום אֲשֶׁר־אָמַר־לֹו הָאֱלֹהִים׃ .3 בַּיֹּום הַשְּׁלִישִׁי וַיִּשָּׂא אַבְרָהָם אֶת־עֵינָיו וַיַּרְא אֶת־הַמָּקֹום מֵרָחֹק׃ .4 וַיֹּאמֶר אַבְרָהָם אֶל־נְעָרָיו שְׁבוּ־לָכֶם פֹּה עִם־הַחֲמֹור וַאֲנִי וְהַנַּעַר נֵלְכָה עַד־כֹּה וְנִשְׁתַּחֲוֶה וְנָשׁוּבָה אֲלֵיכֶם׃ .5 וַיִּקַּח אַבְרָהָם אֶת־עֲצֵי הָעֹלָה וַיָּשֶׂם עַל־יִצְחָק בְּנֹו וַיִּקַּח בְּיָדֹו אֶת־הָאֵשׁ וְאֶת־הַמַּאֲכֶלֶת וַיֵּלְכוּ שְׁנֵיהֶם יַחְדָּו׃ .6 וַיֹּאמֶר יִצְחָק אֶל־אַבְרָהָם אָבִיו וַיֹּאמֶר אָבִי וַיֹּאמֶר הִנֶּנִּי בְנִי וַיֹּאמֶר הִנֵּה הָאֵשׁ וְהָעֵצִים וְאַיֵּה הַשֶּׂה לְעֹלָה׃ .7 וַיֹּאמֶר אַבְרָהָם אֱלֹהִים יִרְאֶה־לֹּו הַשֶּׂה לְעֹלָה בְּנִי וַיֵּלְכוּ שְׁנֵיהֶם יַחְדָּו׃ .8 וַיָּבֹאוּ אֶל־הַמָּקֹום אֲשֶׁר אָמַר־לֹו הָאֱלֹהִים וַיִּבֶן שָׁם אַבְרָהָם אֶת־הַמִּזְבֵּחַ וַיַּעֲרֹךְ אֶת־הָעֵצִים וַיַּעֲקֹד אֶת־יִצְחָק בְּנֹו וַיָּשֶׂם אֹתֹו עַל־הַמִּזְבֵּחַ מִמַּעַל לָעֵצִים׃ .9 וַיִּשְׁלַח אַבְרָהָם אֶת־יָדֹו וַיִּקַּח אֶת־הַמַּאֲכֶלֶת לִשְׁחֹט אֶת־בְּנֹו׃ .10 וַיִּקְרָא אֵלָיו מַלְאַךְ יְהוָה מִן־הַשָּׁמַיִם וַיֹּאמֶר אַבְרָהָם ׀ אַבְרָהָם וַיֹּאמֶר הִנֵּנִי׃ .11 וַיֹּאמֶר אַל־תִּשְׁלַח יָדְךָ אֶל־הַנַּעַר וְאַל־תַּעַשׂ לֹו מְאוּמָּה כִּי ׀ עַתָּה יָדַעְתִּי כִּי־יְרֵא אֱלֹהִים אַתָּה וְלֹא חָשַׂכְתָּ אֶת־בִּנְךָ אֶת־יְחִידְךָ מִמֶּנִּי׃ .12 וַיִּשָּׂא אַבְרָהָם אֶת־עֵינָיו וַיַּרְא וְהִנֵּה־אַיִל אַחַר נֶאֱחַז בַּסְּבַךְ בְּקַרְנָיו וַיֵּלֶךְ אַבְרָהָם וַיִּקַּח אֶת־הָאַיִל וַיַּעֲלֵהוּ לְעֹלָה תַּחַת בְּנֹו׃ .13 וַיִּקְרָא אַבְרָהָם שֵׁם־הַמָּקֹום הַהוּא יְהוָה ׀ יִרְאֶה אֲשֶׁר יֵאָמֵר הַיֹּום בְּהַר יְהוָה יֵרָאֶה׃ .14 וַיִּקְרָא מַלְאַךְ יְהוָה אֶל־אַבְרָהָם שֵׁנִית מִן־הַשָּׁמָיִם׃ .15 וַיֹּאמֶר בִּי נִשְׁבַּעְתִּי נְאֻם־יְהוָה כִּי יַעַן אֲשֶׁר עָשִׂיתָ אֶת־הַדָּבָר הַזֶּה וְלֹא חָשַׂכְתָּ אֶת־בִּנְךָ אֶת־יְחִידֶךָ׃ .16 כִּי־בָרֵךְ אֲבָרֶכְךָ וְהַרְבָּה אַרְבֶּה אֶת־זַרְעֲךָ כְּכֹוכְבֵי הַשָּׁמַיִם וְכַחֹול אֲשֶׁר עַל־שְׂפַת הַיָּם וְיִרַשׁ זַרְעֲךָ אֵת שַׁעַר אֹיְבָיו׃ .17 וְהִתְבָּרֲכוּ בְזַרְעֲךָ כֹּל גֹּויֵי הָאָרֶץ עֵקֶב אֲשֶׁר שָׁמַעְתָּ בְּקֹלִי׃ .18 וַיָּשָׁב אַבְרָהָם אֶל־נְעָרָיו וַיָּקֻמוּ וַיֵּלְכוּ יַחְדָּו אֶל־בְּאֵר שָׁבַע וַיֵּשֶׁב אַבְרָהָם בִּבְאֵר שָׁבַע׃ פ .19 וַיְהִי אַחֲרֵי הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה וַיֻּגַּד לְאַבְרָהָם לֵאמֹר הִנֵּה יָלְדָה מִלְכָּה גַם־הִוא בָּנִים לְנָחֹור אָחִיךָ׃ .20 אֶת־עוּץ בְּכֹרֹו וְאֶת־בּוּז אָחִיו וְאֶת־קְמוּאֵל אֲבִי אֲרָם׃ .21 וְאֶת־כֶּשֶׂד וְאֶת־חֲזֹו וְאֶת־פִּלְדָּשׁ וְאֶת־יִדְלָף וְאֵת בְּתוּאֵל׃ .22 וּבְתוּאֵל יָלַד אֶת־רִבְקָה שְׁמֹנָה אֵלֶּה יָלְדָה מִלְכָּה לְנָחֹור אֲחִי אַבְרָהָם׃ .23 וּפִילַגְשֹׁו וּשְׁמָהּ רְאוּמָה וַתֵּלֶד גַּם־הִוא אֶת־טֶבַח וְאֶת־גַּחַם וְאֶת־תַּחַשׁ וְאֶת־מַעֲכָה׃ ס .24


- Targum Onkelos

בראשית פרק לב א וְאַקְדֵּים לָבָן בְּצַפְרָא, וְנַשֵּׁיק לִבְנוֹהִי וְלִבְנָתֵיהּ--וּבָרֵיךְ יָתְהוֹן; וַאֲזַל וְתָב לָבָן, לְאַתְרֵיהּ. ב וְיַעֲקוֹב, אֲזַל לְאוֹרְחֵיהּ; וְעָרַעוּ בֵּיהּ, מַלְאֲכַיָּא דַּייָ. ג וַאֲמַר יַעֲקוֹב כַּד חֲזָנוּן, מַשְׁרִי מִן קֳדָם יְיָ דָּא; וּקְרָא שְׁמֵיהּ דְּאַתְרָא הַהוּא, מַחֲנָיִם. {פ} ד וּשְׁלַח יַעֲקוֹב אִזְגַּדִּין קֳדָמוֹהִי, לְוָת עֵשָׂו אֲחוּהִי, לְאַרְעָא דְּשֵׂעִיר, לְחַקְלֵי אֱדוֹם. ה וּפַקֵּיד יָתְהוֹן, לְמֵימַר, כְּדֵין תֵּימְרוּן, לְרִבּוֹנִי לְעֵשָׂו: כִּדְנָן אֲמַר, עַבְדָּךְ יַעֲקוֹב, עִם לָבָן דַּרִית, וְאוֹחַרִית עַד כְּעַן. ו וַהֲווֹ לִי תּוֹרִין וּחְמָרִין, עָן וְעַבְדִּין וְאַמְהָן; וּשְׁלַחִית לְחַוָּאָה לְרִבּוֹנִי, לְאַשְׁכָּחָא רַחֲמִין בְּעֵינָךְ. ז וְתָבוּ, אִזְגַּדַּיָּא, לְוָת יַעֲקוֹב, לְמֵימַר: אֲתֵינָא לְוָת אֲחוּךְ, לְוָת עֵשָׂו, וְאַף אָתֵי לְקַדָּמוּתָךְ, וְאַרְבַּע מְאָה גֻּבְרָא עִמֵּיהּ. ח וּדְחֵיל יַעֲקוֹב לַחְדָּא, וְעַקַת לֵיהּ; וּפַלֵּיג יָת עַמָּא דְּעִמֵּיהּ, וְיָת עָנָא וְיָת תּוֹרֵי וְגַמְלַיָּא--לְתַרְתֵּין מַשְׁרְיָן. ט וַאֲמַר, אִם יֵיתֵי עֵשָׂו לְמַשְׁרִיתָא חֲדָא וְיִמְחֵינַהּ--וּתְהֵי מַשְׁרִיתָא דְּתִשְׁתְּאַר, לְשֵׁיזָבָא. י וַאֲמַר, יַעֲקוֹב, אֱלָהֵיהּ דְּאַבָּא אַבְרָהָם, וֵאלָהֵיהּ דְּאַבָּא יִצְחָק: יְיָ דַּאֲמַר לִי, תּוּב לְאַרְעָךְ וּלְיַלָּדוּתָךְ--וְאוֹטֵיב עִמָּךְ. יא זְעֵירָן זָכְוָתִי מִכֹּל חִסְדִּין, וּמִכָּל טָבְוָן, דַּעֲבַדְתְּ, עִם עַבְדָּךְ: אֲרֵי יְחִידַאי, עֲבַרִית יָת יַרְדְּנָא הָדֵין, וּכְעַן הֲוֵיתִי, לְתַרְתֵּין מַשְׁרְיָן. יב שֵׁיזֵיבְנִי כְּעַן מִיְּדָא דַּאֲחִי, מִיְּדָא דְּעֵשָׂו: אֲרֵי דָּחֵיל אֲנָא, מִנֵּיהּ--דִּלְמָא יֵיתֵי וְיִמְחֵינַנִי, אִמָּא עַל בְּנַיָּא. יג וְאַתְּ אֲמַרְתְּ, אוֹטָבָא אוֹטֵיב עִמָּךְ; וַאֲשַׁוֵּי יָת בְּנָךְ סַגִּיאִין כְּחָלָא דְּיַמָּא, דְּלָא יִתְמְנוֹן מִסְּגֵי. יד וּבָת תַּמָּן, בְּלֵילְיָא הַהוּא; וּנְסֵיב מִן דְּאַיְתִי בִּידֵיהּ, תִּקְרֻבְתָּא--לְעֵשָׂו אֲחוּהִי. טו עִזֵּי מָאתַן, וְתֵישַׁיָּא עַסְרִין, רַחְלֵי מָאתַן, וְדִכְרֵי עַסְרִין. טז גַּמְלֵי מֵינְקָתָא וּבְנֵיהוֹן, תְּלָתִין; תּוֹרָתָא אַרְבְּעִין, וְתוֹרֵי עַסְרָא, אֲתָנָן עַסְרִין, וְעִלֵּי עַסְרָא. יז וִיהַב, בְּיַד עַבְדּוֹהִי, עֶדְרָא עֶדְרָא, בִּלְחוֹדוֹהִי; וַאֲמַר לְעַבְדּוֹהִי, עֵיבַרוּ קֳדָמַי, וְרַוְחָא תְּשַׁוּוֹן, בֵּין עֶדְרָא וּבֵין עֶדְרָא. יח וּפַקֵּיד יָת קַדְמָאָה, לְמֵימַר: אֲרֵי יְעָרְעִנָּךְ עֵשָׂו אֲחִי, וְיִשְׁאֲלִנָּךְ לְמֵימַר, דְּמַאן אַתְּ וּלְאָן אַתְּ אָזֵיל, וּדְמַאן אִלֵּין דִּקְדָמָךְ. יט וְתֵימַר, דְּעַבְדָּךְ דְּיַעֲקוֹב--תִּקְרֻבְתָּא הִיא דִּמְשַׁלְחָא, לְרִבּוֹנִי לְעֵשָׂו; וְהָא אַף הוּא, אָתֵי בָּתְרַנָא. כ וּפַקֵּיד אַף יָת תִּנְיָנָא, אַף יָת תְּלִיתָאָה, אַף יָת כָּל דְּאָזְלִין, בָּתַר עֶדְרַיָּא לְמֵימַר: כְּפִתְגָמָא הָדֵין תְּמַלְּלוּן עִם עֵשָׂו, כַּד תַּשְׁכְּחוּן יָתֵיהּ. כא וְתֵימְרוּן--אַף הָא עַבְדָּךְ יַעֲקוֹב, אָתֵי בָּתְרַנָא: אֲרֵי אֲמַר אֲנִיחִנֵּיהּ לְרֻגְזֵיהּ, בְּתִקְרֻבְתָּא דְּאָזְלָא קֳדָמַי, וּבָתַר כֵּין אֶחְזֵי אַפּוֹהִי, מָאִם יִסַּב אַפָּי. כב וַעֲבַרַת תִּקְרֻבְתָּא, עַל אַפּוֹהִי; וְהוּא בָּת בְּלֵילְיָא הַהוּא, בְּמַשְׁרִיתָא. כג וְקָם בְּלֵילְיָא הוּא, וּדְבַר יָת תַּרְתֵּין נְשׁוֹהִי וְיָת תַּרְתֵּין לְחֵינָתֵיהּ, וְיָת חַד עֲסַר, בְּנוֹהִי; וַעֲבַר, יָת מַעֲבַר יֻבְקָא. כד וּדְבַרִנּוּן--וְאַעְבְּרִנּוּן, יָת נַחְלָא; וְאַעְבַּר, יָת דְּלֵיהּ. כה וְאִשְׁתְּאַר יַעֲקוֹב, בִּלְחוֹדוֹהִי; וְאִשְׁתַּדַּל גֻּבְרָא עִמֵּיהּ, עַד דִּסְלֵיק צַפְרָא. כו וַחֲזָא, אֲרֵי לָא יְכֵיל לֵיהּ, וּקְרֵיב, בִּפְתֵי יִרְכֵּיהּ; וְזָע פְּתֵי יִרְכָּא דְּיַעֲקוֹב, בְּאִשְׁתַּדָּלוּתֵיהּ עִמֵּיהּ. כז וַאֲמַר שַׁלְּחַנִי, אֲרֵי סְלֵיק צַפְרָא; וַאֲמַר לָא אֲשַׁלְּחִנָּךְ, אֱלָהֵין בָּרֵיכְתָּנִי. כח וַאֲמַר לֵיהּ, מַאן שְׁמָךְ; וַאֲמַר, יַעֲקוֹב. כט וַאֲמַר, לָא יַעֲקוֹב יִתְאֲמַר עוֹד שְׁמָךְ--אֱלָהֵין יִשְׂרָאֵל: אֲרֵי רָב אַתְּ קֳדָם יְיָ וְעִם גֻּבְרַיָּא, וִיכֵילְתָּא. ל וּשְׁאֵיל יַעֲקוֹב, וַאֲמַר חַו כְּעַן שְׁמָךְ, וַאֲמַר, לְמָא דְּנָן אַתְּ שָׁאֵיל לִשְׁמִי; וּבָרֵיךְ יָתֵיהּ, תַּמָּן. לא וּקְרָא יַעֲקוֹב שְׁמֵיהּ דְּאַתְרָא, פְּנִיאֵל: אֲרֵי חֲזֵיתִי מַלְאֲכָא דַּייָ אַפִּין בְּאַפִּין, וְאִשְׁתֵּיזַבַת נַפְשִׁי. לב וּדְנַח לֵיהּ שִׁמְשָׁא, כַּד עֲבַר יָת פְּנוּאֵל; וְהוּא מַטְלַע, עַל יִרְכֵּיהּ. לג עַל כֵּין לָא אָכְלִין בְּנֵי יִשְׂרָאֵל יָת גִּידָא נַשְׁיָא, דְּעַל פְּתֵי יִרְכָּא, עַד, יוֹמָא הָדֵין: אֲרֵי קְרֵיב בִּפְתֵי יִרְכָּא דְּיַעֲקוֹב, בְּגִידָא נַשְׁיָא.


- Griekse tekst - Septuaginta

1kai egeneto meta ta rèmata tauta o theos epeirazen ton abraam kai eipen pros auton abraam abraam o de eipen idou egô2kai eipen labe ton uion sou ton agapèton on ègapèsas ton isaak kai poreuthèti eis tèn gèn tèn upsèlèn kai anenegkon auton ekei eis olokarpôsin ef¢ en tôn oreôn ôn an soi eipô3anastas de abraam to prôi epesaxen tèn onon autou parelaben de meth¢ eautou duo paidas kai isaak ton uion autou kai schisas xula eis olokarpôsin anastas eporeuthè kai èlthen epi ton topon on eipen autô o theos4tè èmera tè tritè kai anablepsas abraam tois ofthalmois eiden ton topon makrothen5kai eipen abraam tois paisin autou kathisate autou meta tès onou egô de kai to paidarion dieleusometha eôs ôde kai proskunèsantes anastrepsômen pros umas6elaben de abraam ta xula tès olokarpôseôs kai epethèken isaak tô uiô autou elaben de kai to pur meta cheira kai tèn machairan kai eporeuthèsan oi duo ama7eipen de isaak pros abraam ton patera autou eipas pater o de eipen ti estin teknon legôn idou to pur kai ta xula pou estin to probaton to eis olokarpôsin8eipen de abraam o theos opsetai eautô probaton eis olokarpôsin teknon poreuthentes de amfoteroi ama9èlthon epi ton topon on eipen autô o theos kai ôkodomèsen ekei abraam thusiastèrion kai epethèken ta xula kai sumpodisas isaak ton uion autou epethèken auton epi to thusiastèrion epanô tôn xulôn10kai exeteinen abraam tèn cheira autou labein tèn machairan sfaxai ton uion autou11kai ekalesen auton aggelos kuriou ek tou ouranou kai eipen autô abraam abraam o de eipen idou egô12kai eipen mè epibalès tèn cheira sou epi to paidarion mède poièsès autô mèden nun gar egnôn oti fobè ton theon su kai ouk efeisô tou uiou sou tou agapètou di¢ eme13kai anablepsas abraam tois ofthalmois autou eiden kai idou krios eis katechomenos en futô sabek tôn keratôn kai eporeuthè abraam kai elaben ton krion kai anènegken auton eis olokarpôsin anti isaak tou uiou autou14kai ekalesen abraam to onoma tou topou ekeinou kurios eiden ina eipôsin sèmeron en tô orei kurios ôfthè15kai ekalesen aggelos kuriou ton abraam deuteron ek tou ouranou16legôn kat¢ emautou ômosa legei kurios ou eineken epoièsas to rèma touto kai ouk efeisô tou uiou sou tou agapètou di¢ eme17è mèn eulogôn eulogèsô se kai plèthunôn plèthunô to sperma sou ôs tous asteras tou ouranou kai ôs tèn ammon tèn para to cheilos tès thalassès kai klèronomèsei to sperma sou tas poleis tôn upenantiôn18kai eneulogèthèsontai en tô spermati sou panta ta ethnè tès gès anth¢ ôn upèkousas tès emès fônès19apestrafè de abraam pros tous paidas autou kai anastantes eporeuthèsan ama epi to frear tou orkou kai katôkèsen abraam epi tô freati tou orkou20egeneto de meta ta rèmata tauta kai anèggelè tô abraam legontes idou tetoken melcha kai autè uious nachôr tô adelfô sou21ton ôx prôtotokon kai ton baux adelfon autou kai ton kamouèl patera surôn22kai ton chasad kai ton azau kai ton faldas kai ton iedlaf kai ton bathouèl23kai bathouèl egennèsen tèn rebekkan oktô outoi uioi ous eteken melcha tô nachôr tô adelfô abraam24kai è pallakè autou è onoma reèma eteken kai autè ton tabek kai ton gaam kai ton tochos kai ton môcha

ΚΑΙ ἐγένετο μετὰ τὰ ρήματα ταῦτα ὁ Θεός ἐπείρασε τὸν ῾Αβραὰμ καὶ εἶπεν αὐτῷ· ῾Αβραάμ, ῾Αβραάμ. ὁ δὲ εἶπεν· ἰδοὺ ἐγώ. 2 καὶ εἶπε· λαβὲ τὸν υἱόν σου τὸν ἀγαπητόν, ὃν ἠγάπησας, τὸν ᾿Ισαάκ, καὶ πορεύθητι εἰς τὴν γῆν τὴν ὑψηλὴν καὶ ἀνένεγκον αὐτὸν ἐκεῖ εἰς ὁλοκάρπωσιν ἐφ᾿ ἓν τῶν ὀρέων, ὧν ἄν σοι εἴπω. 3 ἀναστὰς δὲ ῾Αβραὰμ τὸ πρωΐ ἐπέσαξε τὴν ὄνον αὐτοῦ· παρέλαβε δὲ μεθ᾿ ἑαυτοῦ δύο παῖδας καὶ ᾿Ισαὰκ τὸν υἱὸν αὐτοῦ καὶ σχίσας ξύλα εἰς ὁλοκάρπωσιν, ἀναστὰς ἐπορεύθη καὶ ἦλθεν ἐπὶ τὸν τόπον, ὃν εἶπεν αὐτῷ ὁ Θεός, τῇ ἡμέρᾳ τῇ τρίτῃ. 4 καὶ ἀναβλέψας ῾Αβραὰμ τοῖς ὀφθαλμοῖς αὐτοῦ, εἶδε τὸν τόπον μακρόθεν. 5 καὶ εἶπεν ῾Αβραὰμ τοῖς παισὶν αὐτοῦ· καθίσατε αὐτοῦ μετὰ τῆς ὄνου, ἐγὼ δὲ καὶ τὸ παιδάριον διελευσόμεθα ἕως ὧδε καὶ προσκυνήσαντες ἀναστρέψομεν πρὸς ὑμᾶς. 6 ἔλαβε δὲ ῾Αβραὰμ τὰ ξύλα τῆς ὁλοκαρπώσεως καὶ ἐπέθηκεν ᾿Ισαὰκ τῷ υἱῷ αὐτοῦ· ἔλαβε δὲ μετὰ χεῖρας καὶ τὸ πῦρ καὶ τὴν μάχαιραν, καὶ ἐπορεύθησαν οἱ δύο ἅμα. 7 εἶπε δὲ ᾿Ισαὰκ πρὸς ῾Αβραὰμ τὸν πατέρα αὐτοῦ· πάτερ. ὁ δὲ εἶπε· τί ἐστι, τέκνον; εἶπε δέ· ἰδοὺ τὸ πῦρ καὶ τὰ ξύλα· ποῦ ἐστι τὸ πρόβατον τὸ εἰς ὁλοκάρπωσιν; 8 εἶπε δὲ ῾Αβραάμ· ὁ Θεὸς ὄψεται ἑαυτῷ πρόβατον εἰς ὁλοκάρπωσιν, τέκνον. πορευθέντες δὲ ἀμφότεροι ἅμα, 9 ἦλθον ἐπὶ τὸν τόπον, ὃν εἶπεν αὐτῷ ὁ Θεός. καὶ ᾠκοδόμησεν ἐκεῖ ῾Αβραὰμ τὸ θυσιαστήριον καὶ ἐπέθηκε τὰ ξύλα, καὶ συμποδίσας ᾿Ισαὰκ τὸν υἱὸν αὐτοῦ, ἐπέθηκεν αὐτὸν ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον ἐπάνω τῶν ξύλων. 10 καὶ ἐξέτεινεν ῾Αβραὰμ τὴν χεῖρα αὐτοῦ λαβεῖν τὴν μάχαιραν σφάξαι τὸν υἱὸν αὐτοῦ. 11 καὶ ἐκάλεσεν αὐτὸν ἄγγελος Κυρίου ἐκ τοῦ οὐρανοῦ καὶ εἶπεν· ῾Αβραάμ, ῾Αβραάμ. ὁ δὲ εἶπεν· ἰδοὺ ἐγώ. 12 καὶ εἶπε· μὴ ἐπιβάλῃς τὴν χεῖρά σου ἐπὶ τὸ παιδάριον μηδὲ ποιήσῃς αὐτῷ μηδέν· νῦν γὰρ ἔγνων, ὅτι φοβῇ σὺ τὸν Θεὸν καὶ οὐκ ἐφείσω τοῦ υἱοῦ σου τοῦ ἀγαπητοῦ δι᾿ ἐμέ. 13 καὶ ἀναβλέψας ῾Αβραὰμ τοῖς ὀφθαλμοῖς αὐτοῦ εἶδε, καὶ ἰδοὺ κριὸς εἷς κατεχόμενος ἐν φυτῷ Σαβὲκ τῶν κεράτων· καὶ ἐπορεύθη ῾Αβραὰμ καὶ ἔλαβε τὸν κριὸν καὶ ἀνήνεγκεν αὐτὸν εἰς ὁλοκάρπωσιν ἀντὶ ᾿Ισαὰκ τοῦ υἱοῦ αὐτοῦ. 14 καὶ ἐκάλεσεν ῾Αβραὰμ τὸ ὄνομα τοῦ τόπου ἐκείνου, Κύριος εἶδεν, ἵνα εἴπωσι σήμερον, ἐν τῷ ὄρει Κύριος ὤφθη. 15 καὶ ἐκάλεσεν ἄγγελος Κυρίου τὸν ῾Αβραὰμ δεύτερον ἐκ τοῦ οὐρανοῦ, λέγων· 16 κατ᾿ ἐμαυτοῦ ὤμοσα, λέγει Κύριος, οὗ εἵνεκεν ἐποίησας τὸ ρῆμα τοῦτο, καὶ οὐκ ἐφείσω τοῦ υἱοῦ σου τοῦ ἀγαπητοῦ δι᾿ ἐμέ, 17 ἦ μὴν εὐλογῶν εὐλογήσω σε, καὶ πληθύνων πληθυνῶ τὸ σπέρμα σου, ὡς τοὺς ἀστέρας τοῦ οὐρανοῦ καὶ ὡς τὴν ἄμμον τὴν παρὰ τὸ χεῖλος τῆς θαλάσσης, καὶ κληρονομήσει τὸ σπέρμα σου τὰς πόλεις τῶν ὑπεναντίων· 18 καὶ ἐνευλογηθήσονται ἐν τῷ σπέρματί σου πάντα τὰ ἔθνη τῆς γῆς, ἀνθ᾿ ὧν ὑπήκουσας τῆς ἐμῆς φωνῆς. 19 ἀπεστράφη δὲ ῾Αβραὰμ πρὸς τοὺς παῖδας αὐτοῦ, καὶ ἀναστάντες ἐπορεύθησαν ἅμα ἐπὶ τὸ φρέαρ τοῦ ὅρκου. καὶ κατῴκησεν ῾Αβραὰμ ἐπὶ τὸ φρέαρ τοῦ ὅρκου. 20 ᾿Εγένετο δὲ μετὰ τὰ ρήματα ταῦτα καὶ ἀνηγγέλη τῷ ῾Αβραὰμ λέγοντες· ἰδοὺ τέτοκε Μελχὰ καὶ αὐτὴ υἱοὺς τῷ Ναχὼρ τῷ ἀδελφῷ σου, 21 τὸν Οὒζ πρωτότοκον καὶ τὸν Βαὺξ ἀδελφὸν αὐτοῦ καὶ τὸν Καμουὴλ πατέρα Σύρων 22 καὶ τὸν Χαζὰδ καὶ ᾿Αζαῦ καὶ τὸν Φαλδὲς καὶ τὸν ᾿Ιελδὰφ καὶ τὸν Βαθουήλ· 23 Βαθουὴλ δὲ ἐγέννησε τὴν Ρεβέκκαν. ὀκτὼ οὗτοι υἱοί, οὓς ἔτεκε Μελχὰ τῷ Ναχὼρ τῷ ἀδελφῷ ῾Αβραάμ. 24 καὶ ἡ παλλακὴ αὐτοῦ, ᾗ ὄνομα Ρεημά, ἔτεκε καὶ αὐτὴ τὸν Ταβὲκ καὶ τὸν Ταὰμ καὶ τὸν Τοχὸς καὶ τὸν Μοχά.


- Vulgata

1 quae postquam gesta sunt temptavit Deus Abraham et dixit ad eum Abraham ille respondit adsum 2 ait ei tolle filium tuum unigenitum quem diligis Isaac et vade in terram Visionis atque offer eum ibi holocaustum super unum montium quem monstravero tibi 3 igitur Abraham de nocte consurgens stravit asinum suum ducens secum duos iuvenes et Isaac filium suum cumque concidisset ligna in holocaustum abiit ad locum quem praeceperat ei Deus 4 die autem tertio elevatis oculis vidit locum procul 5 dixitque ad pueros suos expectate hic cum asino ego et puer illuc usque properantes postquam adoraverimus revertemur ad vos 6 tulit quoque ligna holocausti et inposuit super Isaac filium suum ipse vero portabat in manibus ignem et gladium cumque duo pergerent simul 7 dixit Isaac patri suo pater mi at ille respondit quid vis fili ecce inquit ignis et ligna ubi est victima holocausti 8 dixit Abraham Deus providebit sibi victimam holocausti fili mi pergebant ergo pariter 9 veneruntque ad locum quem ostenderat ei Deus in quo aedificavit altare et desuper ligna conposuit cumque conligasset Isaac filium suum posuit eum in altari super struem lignorum 10 extenditque manum et arripuit gladium ut immolaret filium 11 et ecce angelus Domini de caelo clamavit dicens Abraham Abraham qui respondit adsum 12 dixitque ei non extendas manum tuam super puerum neque facias illi quicquam nunc cognovi quod timeas Dominum et non peperceris filio tuo unigenito propter me 13 levavit Abraham oculos viditque post tergum arietem inter vepres herentem cornibus quem adsumens obtulit holocaustum pro filio 14 appellavitque nomen loci illius Dominus videt unde usque hodie dicitur in monte Dominus videbit 15 vocavit autem angelus Domini Abraham secundo de caelo dicens 16 per memet ipsum iuravi dicit Dominus quia fecisti rem hanc et non pepercisti filio tuo unigenito 17 benedicam tibi et multiplicabo semen tuum sicut stellas caeli et velut harenam quae est in litore maris possidebit semen tuum portas inimicorum suorum 18 et benedicentur in semine tuo omnes gentes terrae quia oboedisti voci meae 19 reversus est Abraham ad pueros suos abieruntque Bersabee simul et habitavit ibi 20 his itaque gestis nuntiatum est Abraham quod Melcha quoque genuisset filios Nahor fratri suo 21 Hus primogenitum et Buz fratrem eius Camuhel patrem Syrorum 22 et Chased et Azau Pheldas quoque et Iedlaph 23 ac Bathuel de quo nata est Rebecca octo istos genuit Melcha Nahor fratri Abraham 24 concubina vero illius nomine Roma peperit Tabee et Gaom et Thaas et Maacha


- Statenvertaling

1 En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zeide tot hem: Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik! 2 En Hij zeide: Neem nu uw zoon, uw enige, dien gij liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem aldaar tot een brandoffer, op een van de bergen, dien Ik u zeggen zal. 3 Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en zadelde zijn ezel, en nam twee van zijn jongeren met zich, en Izak zijn zoon; en hij kloofde hout tot het brandoffer, en maakte zich op, en ging naar de plaats, die God hem gezegd had. 4 Aan den derden dag, toen hief Abraham zijn ogen op, en zag die plaats van verre. 5 En Abraham zeide tot zijn jongeren: Blijft gij hier met den ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u wederkeren. 6 En Abraham nam het hout des brandoffers, en legde het op Izak, zijn zoon; en hij nam het vuur en het mes in zijn hand, en zij beiden gingen samen. 7 Toen sprak Izak tot Abraham, zijn vader, en zeide: Mijn vader! En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn zoon! En hij zeide: Zie het vuur en het hout; maar waar is het lam tot het brandoffer? 8 En Abraham zeide: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon! Zo gingen zij beiden samen. 9 En zij kwamen ter plaatse, die hem God gezegd had; en Abraham bouwde aldaar een altaar, en hij schikte het hout, en bond zijn zoon Izak, en leide hem op het altaar boven op het hout. » meer 10 En Abraham strekte zijn hand uit, en nam het mes om zijn zoon te slachten. 11 Maar de Engel des HEEREN riep tot hem van den hemel, en zeide: Abraham, Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik! 12 Toen zeide Hij: Strek uw hand niet uit aan den jongen, en doe hem niets! want nu weet Ik, dat gij God vrezende zijt, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden. 13 Toen hief Abraham zijn ogen op, en zag om, en ziet, achter was een ram in de verwarde struiken vast met zijn hoornen; en Abraham ging, en nam dien ram, en offerde hem ten brandoffer in zijns zoons plaats. 14 En Abraham noemde den naam van die plaats: De HEERE zal het voorzien! Waarom heden ten dage gezegd wordt: Op den berg des HEEREN zal het voorzien worden! 15 Toen riep de Engel des HEEREN tot Abraham ten tweeden male van den hemel; 16 En zeide: Ik zweer bij Mijzelven, spreekt de HEERE; daarom dat gij deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt; 17 Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan den oever der zee is; en uw zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk bezitten. 18 En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt. 19 Toen keerde Abraham weder tot zijn jongeren, en zij maakten zich op, en zij gingen samen naar Ber-seba; en Abraham woonde te Ber-seba. 20 En het geschiedde na deze dingen, dat men Abraham boodschapte, zeggende: Zie, Milka heeft ook Nahor, uw broeder, zonen gebaard: 21 Uz, zijn eerstgeborene, en Buz, zijn broeder, en Kemuël, den vader van Aram, 22 En Chesed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Bethuël; 23 (En Bethuël gewon Rebekka) deze acht baarde Milka aan Nahor, den broeder van Abraham. 24 En zijn bijwijf, welker naam was Reüma, diezelve baarde ook Tebah, en Gaham, en Tahas, en Maacha.


- Willibrordvertaling

Hoofdstuk 22 De beproeving van Abraham [1] Hierna gebeurde het dat God Abraham op* de proef stelde. Hij zei tegen hem: 'Abraham.' En hij antwoordde: 'Hier ben ik.' [2] Hij zei: 'Ga met Isaak, uw zoon, uw enige, die u liefhebt, naar het land van de Moria, en draag hem daar, op de berg die Ik u zal aanwijzen, als brandoffer op.' [3] De volgende ochtend zadelde Abraham zijn ezel, nam twee knechten en zijn zoon Isaak met zich mee, en kloofde hout voor het brandoffer. Daarna ging hij op weg naar de plaats die God hem aangewezen had. [4] Op de derde dag zag Abraham in de verte de plaats liggen. [5] Toen zei Abraham tegen zijn knechten: 'Jullie blijven hier bij de ezel; ik ga met de jongen daarginds heen. Nadat wij ons in aanbidding neergebogen hebben, komen wij weer terug.' [6] Daarop liet Abraham zijn zoon Isaak het hout voor het brandoffer dragen; zelf droeg hij het vuur en het offermes. Zo gingen zij samen op weg. [7] Toen zei Isaak tegen zijn vader Abraham: 'Vader.' Hij antwoordde: 'Hier ben ik, mijn zoon.' Isaak zei: 'Wij hebben wel vuur en hout, maar waar is het offerdier?' [8] Abraham antwoordde: 'God zelf zal wel voor het offerdier zorgen, mijn zoon.' En samen gingen zij verder. [9] Toen zij de plaats die God hem had aangewezen bereikten, bouwde Abraham daar een altaar, stapelde er het hout op, bond zijn zoon Isaak vast en legde hem op het altaar, bovenop het hout. [10] Toen Abraham echter zijn hand uitstak naar het mes om daarmee zijn zoon te offeren, [11] riep de engel van de heer hem vanuit de hemel toe: 'Abraham, Abraham!' En hij antwoordde: 'Hier ben ik.' [12] En Hij zei: 'Raak de jongen met geen vinger aan en doe hem niets! Ik weet nu dat u God vreest, want u hebt Mij uw zoon, uw enige, niet willen onthouden.' [13] Abraham keek om zich heen en zag een ram die met zijn hoorns in het struikgewas vastzat. Hij greep de ram en droeg die als brandoffer op, in plaats van zijn zoon. [14] Abraham noemde die plaats 'de heer ziet'; vandaar dat men nu nog zegt: 'Op de berg van de heer laat Hij zich zien.' [15] Toen riep de engel van de heer voor de tweede maal uit de hemel tot Abraham [16] en zei: 'Bij Mijzelf heb Ik gezworen – godsspraak van de heer – omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet hebt onthouden, [17] zal Ik u overvloedig zegenen en uw nakomelingen even talrijk maken als de sterren aan de hemel en de zandkorrels aan het strand van de zee. Uw nakomelingen zullen de poort van hun vijand bezitten. [18] Om uw zaad zullen alle geslachten van de aarde zich gezegend* noemen, omdat u naar mijn stem hebt geluisterd.' [19] Daarop keerde Abraham naar zijn knechten terug; samen gingen zij naar Berseba. En Abraham bleef in Berseba wonen. Nakomelingen van Nachor [20] Na deze gebeurtenissen kreeg Abraham dit bericht: ook Milka heeft aan uw broer Nachor zonen* geschonken: [21] Us, zijn eerstgeborene, diens broer Buz, Kemuël, de vader van Aram, [22] Kesed, Chazo, Pildas, Jidlaf en Betuël, [23] die de vader werd van Rebekka. Deze acht kinderen schonk Milka aan Nachor, de broer van Abraham. [24] Hij had ook een bijvrouw, Reüma genaamd, en deze schonk het leven aan Tebach, Gacham, Tachas en Maäka.


- De Nieuwe Bijbelvertaling

Hoofdstuk 22 Abraham op de proef gesteld [1] Enige tijd later stelde God Abraham op de proef. 'Abraham!' zei hij. 'Ik luister,' antwoordde Abraham. [2] 'Roep je zoon, je enige, van wie je zoveel houdt, Isaak, en ga met hem naar het gebied waarin de Moria ligt. Daar moet je hem offeren op een berg die ik je wijzen zal.' [3] De volgende morgen stond Abraham vroeg op. Hij zadelde zijn ezel, nam twee van zijn knechten en zijn zoon Isaak met zich mee, hakte hout voor het offer en ging op weg naar de plaats waarover God had gesproken. [4] Op de derde dag zag Abraham die plaats in de verte liggen. [5] Toen zei hij tegen de knechten: 'Blijven jullie hier met de ezel. Ikzelf ga met de jongen verder om daarginds neer te knielen. Daarna komen we naar jullie terug.' [6] Hij pakte het hout voor het offer, legde het op de schouders van zijn zoon Isaak en nam zelf het vuur en het mes. Zo gingen zij samen verder. [7] 'Vader,' zei Isaak. 'Wat wil je me zeggen, mijn jongen?' antwoordde Abraham. 'We hebben vuur en hout,' zei Isaak, 'maar waar is het lam voor het offer?' [8] Abraham antwoordde: 'God zal zich zelf van een offerlam voorzien, mijn jongen.' En samen gingen zij verder. [9] Toen ze waren aangekomen bij de plaats waarover God had gesproken, bouwde Abraham daar een altaar, schikte het hout erop, bond zijn zoon Isaak vast en legde hem op het altaar, op het hout. [10] Toen pakte hij het mes om zijn zoon te slachten. [11] Maar een engel van de HEER riep vanuit de hemel: 'Abraham, Abraham!' 'Ik luister,' antwoordde hij. [12] 'Raak de jongen niet aan, doe hem niets! Want nu weet ik dat je ontzag voor God hebt: je hebt mij je zoon, je enige, niet willen onthouden.' [13] Toen Abraham opkeek, zag hij een ram die met zijn horens verstrikt was geraakt in de struiken. Hij pakte het dier en offerde dat in de plaats van zijn zoon. [14] Abraham noemde die plaats 'De HEER zal erin voorzien'. Vandaar dat men tot op de dag van vandaag zegt: 'Op de berg van de HEER zal erin voorzien worden.' [15] Toen sprak de engel van de HEER opnieuw vanuit de hemel tot Abraham. [16] Hij zei: 'Ik zweer bij mijzelf – spreekt de HEER: Omdat je dit hebt gedaan, omdat je mij je zoon, je enige, niet hebt onthouden, [17] zal ik je rijkelijk zegenen en je zoveel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn en zandkorrels op het strand langs de zee, en je nakomelingen zullen de steden van hun vijanden in bezit krijgen. [18] En alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als jouw nakomelingen. Want jij hebt naar mij geluisterd.' [19] Daarna ging Abraham terug naar zijn knechten. Samen gingen ze weer op weg naar Berseba, en daar bleef Abraham wonen. Nakomelingen van Nachor [20] Enige tijd later ontving Abraham het bericht dat ook Milka, de vrouw van zijn broer Nachor, zonen had gekregen: [21] Us als eerste, en verder Buz, Kemuël, de vader van Aram, [22] Kesed, Chazo, Pildas, Jidlaf en Betuël. [23] Betuël was het die Rebekka verwekte. Deze acht zonen baarde Milka aan Abrahams broer Nachor. [24] Ook zijn bijvrouw, die Reüma heette, bracht kinderen ter wereld: Tebach, Gacham, Tachas en Maächa.


- De Naardense bijbel

22:1 Het geschiedt na al wat verwoord is dat God Abraham heeft beproefd; hij zegt tot hem: Abraham!- en die zegt: hier ben ik! Genesis 22:2 Hij zegt: neem toch je zoon, je enige, die je liefhebt, Isaak, en ga, jíj, naar het land van de Moria,- uitzichtsberg; doe hem daar opgaan als opgangsgave op een van de bergen welke ik je zal zeggen! 22:3 In de ochtend recht Abraham zijn schouders, zadelt zijn ezel, neemt zijn twee hulpjongens met zich mee en Isaak, zijn zoon; hij klooft stukken hout voor een opgangsgave, staat op en gaat naar het oord dat God hem heeft gezegd. 22:4 Op de derde dag heft Abraham zijn ogen op en ziet het oord in de verte. 22:5 Abraham zegt tot zijn hulpjongens: blijven jullie hier met de ezel, ikzelf en de jongen gaan tot daarginds,- we zullen ons buigen en keren dan naar jullie terug. 22:6 Dan neemt Abraham de stukken hout voor de opgangsgave en legt die op Isaak, zijn zoon; in eigen hand neemt hij het vuur en het etensmes; zo gaan die twee eensgezind voort. 22:7 Maar dan zegt Isaak tot Abraham, zijn vader,- hij zegt: mijn vader!- en die zegt, hier ben ik, mijn zoon! Hij zegt: hier hebben we het vuur en de stukken hout, maar wáár is het lám voor een opgangsgave? 22:8 Dan zegt Abraham: God ziet het voor zich, het lam voor een opgang, mijn zoon!- zo gaan die twee eensgezind voort. 22:9 Ze komen aan bij het oord dat God hem heeft gezegd en dáár bouwt Abraham het altaar en rangschikt hij de stukken hout; hij bindt Isaak, zijn zoon, en legt hém op het altaar, boven op de stukken hout. 22:10 Dan steekt Abraham zijn hand uit en neemt het etensmes: om zijn zoon te slachten. 22:11 Maar dan roept de engel van de ENE vanuit de hemelen hem toe en zegt: Abraham, Abraham!- en die zegt: hier ben ik! 22:12 Hij zegt: steek je hand niet uit naar de jongen, en doe hem niet wát-dan-ook aan; want nu wéét ik dat je ontzag hebt voor God, jij, en je zoon, je enige, niet van mij hebt weggehouden! 22:13 Abraham heft zijn ogen op en ziet: ziedaar, een ram op de achtergrond, met zijn horens vastgeraakt in de struiken; Abraham gaat daarheen, neemt de ram mee en laat die als opgangsgave opgaan in plaats van zijn zoon. 22:14 Dan roept Abraham als naam voor die plaats uit: 'de Ene zal voorzien',- waardoor vandaag nog wordt gezegd 'op de berg van de Ene is uitzicht!' 22:15 De engel van de Ene roept tot Abraham een tweede maal, vanuit de hemelen. 22:16 Hij zegt: 'bij mezelf heb ik gezworen -tijding van de Ene- dat,- omdat je dit woord gedaan hebt en niet je zoon, je enige, hebt weggehouden, 22:17 dat ik je met zegening zal zegenen en je zaad in overvloed overvloedig zal maken, als de sterren aan de hemel en als het zand aan de rand van de zee; jouw zaad zal erven de poort van z'n vijanden; 22:18 gezegend zullen zich weten door jouw zaad alle volkeren van de aarde: om het feit dat je hebt gehoord naar mijn stem!' 22:19 Abraham keert terug naar zijn jongens; ze staan op en gaan eensgezind naar Beëer Sjeva; Abraham zet zich neer bij Beëer Sjeva. • 22:20 Het geschiedt na al wat hier is verwoord dat aan Abraham gemeld wordt en gezegd: ziedaar, gebaard heeft Milka, ook zij, zonen aan Nachor, je broer: 22:21 Oets als zijn eersteling, en zijn broer Boez; Kemoeël, de vader van Aram; 22:22 Kesed en Chazo, Pildasj en Jidlaf; Betoeël. 22:23 Betoeël heeft Rebekka gebaard. Deze acht baarde Milka aan Nachor, Abrahams broer. 22:24 En een bijvrouw van hem, wier naam is Reoema,- ook zíj baart: Tevach en Gacham, Tachasj en Maächa.


- Bible de Jérusalem

1. Après ces événements, il arriva que Dieu éprouva Abraham et lui dit : Abraham ! Abraham ! Il répondit : Me voici ! 2. Dieu dit : Prends ton fils, ton unique, que tu chéris, Isaac, et va-t'en au pays de Moriyya, et là tu l'offriras en holocauste sur une montagne que je t'indiquerai. 3. Abraham se leva tôt, sella son âne et prit avec lui deux de ses serviteurs et son fils Isaac. Il fendit le bois de l'holocauste et se mit en route pour l'endroit que Dieu lui avait dit. 4. Le troisième jour, Abraham, levant les yeux, vit l'endroit de loin. 5. Abraham dit à ses serviteurs : Demeurez ici avec l'âne. Moi et l'enfant nous irons jusque là-bas, nous adorerons et nous reviendrons vers vous. 6. Abraham prit le bois de l'holocauste et le chargea sur son fils Isaac, lui-même prit en mains le feu et le couteau et ils s'en allèrent tous deux ensemble. 7. Isaac s'adressa à son père Abraham et dit : Mon père ! Il répondit : Oui, mon fils ! - Eh bien, reprit-il, voilà le feu et le bois, mais où est l'agneau pour l'holocauste ? 8. Abraham répondit : C'est Dieu qui pourvoira à l'agneau pour l'holocauste, mon fils, et ils s'en allèrent tous deux ensemble. 9. Quand ils furent arrivés à l'endroit que Dieu lui avait indiqué, Abraham y éleva l'autel et disposa le bois, puis il lia son fils Isaac et le mit sur l'autel, par-dessus le bois. 10. Abraham étendit la main et saisit le couteau pour immoler son fils. 11. Mais l'Ange de Yahvé l'appela du ciel et dit : Abraham ! Abraham ! Il répondit : Me voici ! 12. L'Ange dit : N'étends pas la main contre l'enfant ! Ne lui fais aucun mal ! Je sais maintenant que tu crains Dieu : tu ne m'as pas refusé ton fils, ton unique. 13. Abraham leva les yeux et vit un bélier, qui s'était pris par les cornes dans un buisson, et Abraham alla prendre le bélier et l'offrit en holocauste à la place de son fils. 14. A ce lieu, Abraham donna le nom de Yahvé pourvoit, en sorte qu'on dit aujourd'hui : Sur la montagne, Yahvé pourvoit. 15. L'Ange de Yahvé appela une seconde fois Abraham du ciel 16. et dit : Je jure par moi-même, parole de Yahvé : parce que tu as fait cela, que tu ne m'as pas refusé ton fils, ton unique, 17. je te comblerai de bénédictions, je rendrai ta postérité aussi nombreuse que les étoiles du ciel et que le sable qui est sur le bord de la mer, et ta postérité conquerra la porte de ses ennemis. 18. Par ta postérité se béniront toutes les nations de la terre, parce que tu m'as obéi. 19. Abraham revint vers ses serviteurs et ils se mirent en route ensemble pour Bersabée. Abraham résida à Bersabée. 20. Après ces événements, on annonça à Abraham que Milka elle aussi avait enfanté des fils à son frère Nahor : 21. son premier-né Uç, Buz, le frère de celui-ci, Qemuel, père d'Aram, 22. Késed, Hazo, Pildash, Yidlaph, Bétuel 23. et Bétuel engendra Rébecca . Ce sont les huit enfants que Milka donna à Nahor, le frère d'Abraham. 24. Il avait une concubine, nommée Réuma, qui eut aussi des enfants : Tébah, Gaham, Tahas et Maaka.


- King James Bible

[1] And it came to pass after these things, that God did tempt Abraham, and said unto him, Abraham: and he said, Behold, here I am. [2] And he said, Take now thy son, thine only son Isaac, whom thou lovest, and get thee into the land of Moriah; and offer him there for a burnt offering upon one of the mountains which I will tell thee of. [3] And Abraham rose up early in the morning, and saddled his ass, and took two of his young men with him, and Isaac his son, and clave the wood for the burnt offering, and rose up, and went unto the place of which God had told him. [4] Then on the third day Abraham lifted up his eyes, and saw the place afar off. [5] And Abraham said unto his young men, Abide ye here with the ass; and I and the lad will go yonder and worship, and come again to you, [6] And Abraham took the wood of the burnt offering, and laid it upon Isaac his son; and he took the fire in his hand, and a knife; and they went both of them together. [7] And Isaac spake unto Abraham his father, and said, My father: and he said, Here am I, my son. And he said, Behold the fire and the wood: but where is the lamb for a burnt offering? [8] And Abraham said, My son, God will provide himself a lamb for a burnt offering: so they went both of them together. [9] And they came to the place which God had told him of; and Abraham built an altar there, and laid the wood in order, and bound Isaac his son, and laid him on the altar upon the wood. [10] And Abraham stretched forth his hand, and took the knife to slay his son. [11] And the angel of the LORD called unto him out of heaven, and said, Abraham, Abraham: and he said, Here am I. [12] And he said, Lay not thine hand upon the lad, neither do thou any thing unto him: for now I know that thou fearest God, seeing thou hast not withheld thy son, thine only son from me. [13] And Abraham lifted up his eyes, and looked, and behold behind him a ram caught in a thicket by his horns: and Abraham went and took the ram, and offered him up for a burnt offering in the stead of his son. [14] And Abraham called the name of that place Jehovah-jireh: as it is said to this day, In the mount of the LORD it shall be seen. [15] And the angel of the LORD called unto Abraham out of heaven the second time, [16] And said, By myself have I sworn, saith the LORD, for because thou hast done this thing, and hast not withheld thy son, thine only son: [17] That in blessing I will bless thee, and in multiplying I will multiply thy seed as the stars of the heaven, and as the sand which is upon the sea shore; and thy seed shall possess the gate of his enemies; [18] And in thy seed shall all the nations of the earth be blessed; because thou hast obeyed my voice. [19] So Abraham returned unto his young men, and they rose up and went together to Beer-sheba; and Abraham dwelt at Beer-sheba. [20] And it came to pass after these things, that it was told Abraham, saying, Behold, Milcah, she hath also born children unto thy brother Nahor; [21] Huz his firstborn, and Buz his brother, and Kemuel the father of Aram, [22] And Chesed, and Hazo, and Pildash, and Jidlaph, and Bethuel. [23] And Bethuel begat Rebekah: these eight Milcah did bear to Nahor, Abraham's brother. [24] And his concubine, whose name was Reumah, she bare also Tebah, and Gaham, and Thahash, and Maachah.


- Luther Bibel

22 1 Nach diesen Geschichten versuchte Gott Abraham und sprach zu ihm: Abraham! Und er antwortete: Hier bin ich. 2 Und er sprach: Nimm Isaak, deinen einzigen Sohn, den du lieb hast, und geh hin in das Land Morija und opfere ihn dort zum Brandopfer auf einem Berge, den ich dir sagen werde. 3 Da stand Abraham früh am Morgen auf und gürtete seinen Esel und nahm mit sich zwei Knechte und seinen Sohn Isaak und spaltete Holz zum Brandopfer, machte sich auf und ging hin an den Ort, von dem ihm Gott gesagt hatte. 4 Am dritten Tage hob Abraham seine Augen auf und sah die Stätte von ferne 5 und sprach zu seinen Knechten: Bleibt ihr hier mit dem Esel. Ich und der Knabe wollen dorthin gehen, und wenn wir angebetet haben, wollen wir wieder zu euch kommen. 6 Und Abraham nahm das Holz zum Brandopfer und legte es auf seinen Sohn Isaak. Er aber nahm das Feuer und das Messer in seine Hand; und gingen die beiden miteinander. 7 Da sprach Isaak zu seinem Vater Abraham: Mein Vater! Abraham antwortete: Hier bin ich, mein Sohn. Und er sprach: Siehe, hier ist Feuer und Holz; wo ist aber das Schaf zum Brandopfer? 8 Abraham antwortete: Mein Sohn, Gott wird sich ersehen ein Schaf zum Brandopfer. Und gingen die beiden miteinander. 9 Und als sie an die Stätte kamen, die ihm Gott gesagt hatte, baute Abraham dort einen Altar und legte das Holz darauf und band seinen Sohn Isaak, legte ihn auf den Altar oben auf das Holz 10 und reckte seine Hand aus und fasste das Messer, dass er seinen Sohn schlachtete. 11 Da rief ihn der Engel des HERRN vom Himmel und sprach: Abraham! Abraham! Er antwortete: Hier bin ich. 12 Er sprach: Lege deine Hand nicht an den Knaben und tu ihm nichts; denn nun weiß ich, dass du Gott fürchtest und hast deines einzigen Sohnes nicht verschont um meinetwillen. 13 Da hob Abraham seine Augen auf und sah einen Widder hinter sich in der Hecke mit seinen Hörnern hängen und ging hin und nahm den Widder und opferte ihn zum Brandopfer an seines Sohnes statt. 14 Und Abraham nannte die Stätte »Der HERR sieht«. Daher man noch heute sagt: Auf dem Berge, da der HERR sieht. 15 Und der Engel des HERRN rief Abraham abermals vom Himmel her 16 und sprach: Ich habe bei mir selbst geschworen, spricht der HERR: Weil du solches getan hast und hast deines einzigen Sohnes nicht verschont, 17 will ich dein Geschlecht segnen und mehren wie die Sterne am Himmel und wie den Sand am Ufer des Meeres, und deine Nachkommen sollen die Tore ihrer Feinde besitzen; 18 und durch dein Geschlecht sollen alle Völker auf Erden gesegnet werden, weil du meiner Stimme gehorcht hast. 19 So kehrte Abraham zurück zu seinen Knechten. Und sie machten sich auf und zogen miteinander nach Beerscheba und Abraham blieb daselbst. Die Nachkommen Nahors 20 Nach diesen Geschichten begab sich's, dass Abraham angesagt wurde: Siehe, Milka hat auch Söhne geboren deinem Bruder Nahor, 21 nämlich Uz, den Erstgeborenen, und Bus, seinen Bruder, und Kemuël, von dem die Aramäer herkommen, 22 und Kesed und Haso und Pildasch und Jidlaf und Betuël. 23 Betuël aber zeugte Rebekka. Diese acht gebar Milka dem Nahor, Abrahams Bruder. 24 Und seine Nebenfrau, mit Namen Rëuma, gebar auch, nämlich den Tebach, Gaham, Tahasch und Maacha.


- Arabisch

وحدث بعد هذه الامور ان الله امتحن ابراهيم. فقال له يا ابراهيم. فقال هانذا. .1 فقال خذ ابنك وحيدك الذي تحبه اسحق واذهب الى ارض المريّا واصعده هناك محرقة على احد الجبال الذي اقول لك. .2 فبكّر ابراهيم صباحا وشدّ على حماره واخذ اثنين من غلمانه معه واسحق ابنه وشقّق حطبا لمحرقة وقام وذهب الى الموضع الذي قال له الله. .3 وفي اليوم الثالث رفع ابراهيم عينيه وابصر الموضع من بعيد. .4 فقال ابراهيم لغلاميه اجلسا انتما ههنا مع الحمار. واما انا والغلام فنذهب الى هناك ونسجد ثم نرجع اليكما. .5 فاخذ ابراهيم حطب المحرقة ووضعه على اسحق ابنه واخذ بيده النار والسكين. فذهبا كلاهما معا. .6 وكلم اسحق ابراهيم اباه وقال يا ابي. فقال هانذا يا ابني. فقال هوذا النار والحطب ولكن اين الخروف للمحرقة. .7 فقال ابراهيم الله يرى له الخروف للمحرقة يا ابني. فذهبا كلاهما معا .8 فلما أتيا الى الموضع الذي قال له الله بنى هناك ابراهيم المذبح ورتب الحطب وربط اسحق ابنه ووضعه على المذبح فوق الحطب. .9 ثم مدّ ابراهيم يده واخذ السكين ليذبح ابنه. .10 فناداه ملاك الرب من السماء وقال ابراهيم ابراهيم. فقال هانذا. .11 فقال لا تمد يدك الى الغلام ولا تفعل به شيئا. لاني الآن علمت انك خائف الله فلم تمسك ابنك وحيدك عني. .12 فرفع ابراهيم عينيه ونظر واذا كبش وراءه ممسكا في الغابة بقرنيه. فذهب ابراهيم واخذ الكبش واصعده محرقة عوضا عن ابنه. .13 فدعا ابراهيم اسم ذلك الموضع يهوه يرأه. حتى انه يقال اليوم في جبل الرب يرى .14 ونادى ملاك الرب ابراهيم ثانية من السماء .15 وقال بذاتي اقسمت يقول الرب. اني من اجل انك فعلت هذا الامر ولم تمسك ابنك وحيدك .16 اباركك مباركة واكثر نسلك تكثيرا كنجوم السماء وكالرمل الذي على شاطئ البحر. ويرث نسلك باب اعدائه. .17 ويتبارك في نسلك جميع امم الارض. من اجل انك سمعت لقولي. .18 ثم رجع ابراهيم الى غلاميه. فقاموا وذهبوا معا الى بئر سبع. وسكن ابراهيم في بئر سبع .19 وحدث بعد هذه الامور ان ابراهيم أخبر وقيل له هوذا ملكة قد ولدت ايضا بنين لناحور اخيك. .20 عوصا بكره وبوزا اخاه وقموئيل ابا ارام .21 وكاسد وحزوا وفلداش ويدلاف وبتوئيل. .22 وولد بتوئيل رفقة. هؤلاء الثمانية ولدتهم ملكة لناحور اخي ابراهيم. .23 واما سرّيته واسمها رؤومة فولدت هي ايضا طابح وجاحم وتاحش ومعكة .24


- Structuur


- Taalgebruik

- A

- אמר = ´-m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (790) . Pentateuch (84) . Eerdere Profeten (122) . Latere Profeten (385) . 12 Kleine Profeten (92) . Geschriften (107) . Gn (27) . Gn 22 (3) : (1) Gn 22,2 (אֹמַר = ´omar (ik zeg) . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,9 .
- Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) .

- אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) OF persoonsnaam אָשֶׁר = ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (4012) . Pentateuch (1378) . Eerdere Profeten (1114) . Latere Profeten (717) . 12 Kleine Profeten (106) . Geschriften (697) . Gn (307) . Gn 22 (7) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,3 . (3) Gn 22,9 . (4) Gn 22,14 . (5) Gn 22,16 . (6) Gn 22,17 . (7) Gn 22,18 .
- Gr. καθως = kathôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : kathôs (zoals) . Taalgebruik in de LXX : kathôs (zoals) . Lat. sicut . Fr. selon . E. as . D. wie .

- B - C - D - E

- ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Joz (231) . Gn (525) . Gn 22 (14) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 22,2 . (3) Gn 22,3 . (4) Gn 22,4 . (5) Gn 22,6. (6) Gn 22,9 . (7) Gn 22,10 . (8) Gn 22,12 . (9) Gn 22,13 . (10) Gn 22,16 . (11) Gn 22,17 . (12) Gn 22,21 . (13) Gn 22,23 . (14) Gn 22,24 .

- F - G - H - I - J - K - L - M

- הַמַּקוֹם = hammâqôm (de plaats) < bepaald lidw. ha + מַקוֹם = maqôm (plaats, verblijfplaats) . Taalgebruik in Tenakh : maqôm (plaats, verblijfplaats) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , qoph = 19 of 100 , waw = 6 ; totaal : 51 (3 X 17) OF 186 (2 X 3 X 31) . Structuur : 4 - 1 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 6 .Tenakh (114) . Pentateuch (51) . Eerdere Profeten (26) . Latere Profeten (21) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (14) .Gn (22) : (1) Gn 13,3 . (2) Gn 13,14 . (3) Gn 18,26 . (4) Gn 19,12 . (5) Gn 19,13 . (6) Gn 19,14 . (7) Gn 19,27 . (8) Gn 20,13 . (9) Gn 22,3 . (10) Gn 22,4 . (11) Gn 22,9 . (12) Gn 22,14 . (13) Gn 26,7 . (14) Gn 28,11 . (15) Gn 28,17 . (16) Gn 28,19 . (17) Gn 29,22 . (18) Gn 32,3 . (19) Gn 32,31 . (20) Gn 33,17 . (21) Gn 35,15 . (22) Gn 38,22 .
- Gr. τοπος = topos (plaats) . Taalgebruik in het NT : topos (plaats) . Taalgebruik in de LXX : topos (plaats) . Een vorm van τοπος = topos in de LXX (613) , in het NT (95) . L. locus . F. place . N. plaats . E. place . D. Stätte .

-- אֶת הַמַּקוֹם = ´èth hammâqôm (de plaats) . Tenakh (7) : (1) Gn 19,13 . (2) Gn 22,4 . (3) Rt 3,4 . (4) 1 S 26,5 . (5) 2 K 6,6 . (6) Jr 19,4 . (7) Jr 42,18 .

- N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- Commentaar

De beproeving van Abraham :

ZUIDEMA, Willem, De vergeten taal van het verhaal, Baarn, Ten Have, 1989, p.24-39

2 Het offer van Isaak herhaald? Is hervertellen hermodelleren?

Genesis 22 (eigen vertaling) En het gewerd na deze dingen dat ELOHIM Abraham beproefde en Hij zei tot hem: Abraham, en deze zei: Hier ben ik. En Hij zei: Neem toch je zoon, je enige, die je liefhebt, Jitzchaq, en begeef je naar het land Morijah en offer hem daar tot een brandoffer op één van de bergen die ik je zal zeggen - Toen stond Abraham vroeg op in de morgen en zadelde zijn ezel en nam twee van zijn knapen met zich en Jitzchaq, zijn zoon en hij kloofde het hout van het brandoffer en hij stond op en ging naar de plaats die hem ELOHIM gezegd had. Op de derde dag hief Abraham zijn ogen op en hij zag de plaats van ver. Toen zei Abraham tot zijn knapen: Zet jullie je hier neer met de ezel, dan gaan wij, ik en de knaap, tot daar en wij zullen dan ons nederbuigen en tot jullie terugkeren. En Abraham nam het hout van het brandoffer en legde het op Jitzchaq zijn zoon en hij nam het vuur in zijn hand en het mes en zo gingen die beiden tezamen. En Jitzchaq zei tot Abraham zijn vader, en hij zei: Mijn vader, en deze zei: Hier ben ik mijn zoon. En hij zei: Hier is het vuur en het hout en waar is het lam ten brandoffer? En Abraham zei: ELOHIM zal voor zichzelf doen verschijnen een lam ten brandoffer, mijn zoon! En zo gingen die beiden tezamen. En zij kwamen op de plaats die ELOHIM hem gezegd had en Abraham bouwde daar het altaar en hij schikte het hout en hij bond Jitzchaq zijn zoon en hij legde hem op het altaar bovenop het hout. En Abraham strekte zijn hand uit en nam het mes om zijn zoon te slachten. Toen riep tot hem de bode van JHWH vanuit de hemel en zei: Abraham, Abraham, en hij zei: Hier ben ik. En hij zei: Strek je hand niet uit naar de knaap en doe hem geen kwaad, want nu weet ik dat je ELOHIM-vrezend bent en je zoon, je enige Mij niet onttrokken hebt. En Abraham hief zijn ogen op en hij zag en daar was een ram achter hem, gegrepen door het struikgewas bij zijn hoorns en Abraham ging en nam de ram en offerde die ten brandoffer in plaats van zijn zoon. En Abraham noemde de naam van die plaats JHWH zal doen verschijnen, waarom nog heden ten dage gezegd wordt: Op de berg van JHWH zal men verschijnen. Toen riep de bode van JHWH ten tweeden male vanuit de hemel. En hij zei: Bij mijzelf zweer ik, luidt het woord van JHWH, omdat jij deze zaak gedaan hebt en je zoon, je enige niet onttrokken hebt, zal Ik je rijkelijk zegenen en je zaad talrijk maken als de sterren van de hemel en het zand op het zeestrand en jouw zaad zal de poort van zijn vijanden beërven. En in jouw zaad zullen de volken der aarde gezegend worden omdat je naar mijn stem geluisterd hebt. En Abra­ham keerde naar zijn knapen terug en zij stonden op en gingen samen naar Beër Sjeva en Abraham verbleef te Beër Sjeva. Er zijn maar weinig bijbelverhalen die zozeer geschiedenis hebben gemaakt als het verhaal van het ‘offer van Isaak’. Kennelijk heeft het in de loop der tijden veel voor mensen betekend. Het is zelfs zo dat het in het christendom model heeft gestaan voor allerlei aspekten van het verhaal van Jezus. Niet alleen hebben de kerkvaders parallellen getrokken tussen het verhaal van Abraham en Isaak en dat van het evangelie, maar eveneens is het duidelijk dat reeds Paulus verban­den legde (Rom 8:32) en dat ook de evangelisten in hun verhaal naar Gen 22 terugverwezen (een vader die zijn enige zoon offert — vgl. Joh 3:16). Maar er is meer. Op de een of andere manier blijken mensen zich te herkennen in dit verhaal. Op een HBO-opleiding besprak ik het verhaal met een groep. Eerst moest men er nog wat aan wennen dat het niet primair ging om een verantwoorde exegese (= theologische uitleg), maar om het moment van herkenning. Maar toen kwamen de verhalen los. Ging het in dit verhaal misschien ook om het (op)offeren van mensen aan de waarden die gelden in bepaalde milieus? ‘Isaak is toch maar mooi het slachtoffer; en hij laat het zich nog doen ook!’ ‘Mijn vader moest van mijn grootvader in de zaak. Dat was een kwestie van fami­lieprestige. Maar ik heb hem er nooit gelukkig gezien.’ En een ander: ‘Hé, nu begrijp ik ineens iets van mijn oom. Die was priester. En hij zegt weleens: Ik was er zelf niet bij toen ik het werd. Ik heb dat altijd flauwekul gevonden, maar nu denk ik toch dat ik er een beetje van begin te begrijpen.’ En een meisje: ‘Ik denk dat als van een meisje alleen maar verwacht wordt dat ze trouwt en kinderen krijgt, en ze doet dat allemaal maar omdat dat van haar verwacht wordt, ze eigenlijk geofferd wordt aan een soort godin van de vruchtbaarheid!’ Een zoon kan iets van een Isaakgevoel hebben: een gevoel dat hij tot iets bestemd was voordat hij zelf kon kiezen (priester of dominee of bestemd voor een hoger ideaal). >Een dochter kan een vergelijkbaar gevoel hebben: ze moest non worden, verpleegster of onderwijzeres of zich opofferen voor de verzorging van vader of moeder. Kinderen kunnen gewijd zijn aan een ideaal dat de ouders nooit konden berei­ken en dat zij nu plaatsvervangend moeten realiseren. Kinderen worden geofferd aan familieprestige of aan een groepstraditie. Het was allemaal reeds lang uitgemaakt, wellicht nog voordat de ouders elkaar gevonden hadden, of zelfs nog maar geboren waren. Generaties lang was ernaartoe gewerkt om dit ‘offer’ mogelijk te maken. En gewillig (!) gaat het ‘offer’ zijn weg, aan de hand van vader en moeder, gehoorzaam door opvoeding, gehoorzaam aan een bestem­ming: ‘Zo gingen die beiden tezamen!’ (Gen 22: 6-8)

Gelaagdheid

Bijbelverhalen zijn gelaagd. Elke keer dat ze oververteld zijn is er een laag bijgekomen. Maar elke laag is uitdrukking van menselijke ervaringen en belevingen. Of deze hebben sporen daarin nagelaten. Reeds een paar honderd jaar voor onze jaartelling droeg het Isaak­verhaal betekenis bij aan het martelaarschap: joodse mannen en vrouwen en kinderen die gefolterd en gedood werden terwille van hun geloof, herkenden zich in Isaak en hadden het gevoel geofferd te worden aan een vreemde god: ‘Abraham’ verloor nu zijn kinderen op een heidens ‘altaar’. En zo werd Isaak in zijn geduld tot model voor alle martelaars.

Er is een verhaal dat stamt uit de periode van de vervolgingen onder Antiochus Epiphanes van Syrië die omstreeks 170 voor het begin van onze jaartelling de joden tot het hellenisme en de griekse kultuur probeerde te ‘bekeren’: een moeder moet meemaken dat haar zeven zoons voor haar ogen ter dood gebracht worden. (2 Makk 7) Dat verhaal maakte diepe indruk tijdens de hadriaanse vervolgingen van omstreeks 130. In een hervertelling uit die tijd vergelijkt die moeder haar leed met dat van Abraham: hij kreeg zijn zoon terug, maar zij moest alle zeven afstaan terwille van het geloof. Als ook de jongste voor de keuze staat te sterven of afvallig te worden zegt zij: Mijn zoon laat je hart niet verflauwen en niet breken: je gaat naar je broers en je zult liggen aan de borst van onze vader Abraham. Zeg tegen hem in mijn naam: Jij hebt een altaar gebouwd en je zoon er niet op geofferd. Ik heb zeven altaren gebouwd en mijn zoons er wel op geofferd. En niet alleen dat: bij jou was het maar een beproeving, maar bij mij waren het voltooide daden.

De Targoem is een aramese bijbelbewerking uit het begin van onze jaartelling. Zij werd na de hebreeuwse Toralezing in de synagoge voorgelezen en was de eenvoudigste en meest populaire verklaring van de bijbel. Zij weerspiegelt de vervolgingen onder Antiochus Epiphanes en een paar eeuwen later onder de romeinse keizer Hadrianus:

vers 8 En Abraham sprak: Vanwege de Heer zal een lam ten brandoffer aangewe­zen worden, mijn zoon, en indien niet, dan ben jij het lam. En zo gingen die beiden tezamen met een vredig hart.

vers 10 En Abraham strekte zijn hand uit en greep het mes om Isaak zijn zoon te slachten, en deze sprak tot Abraham zijn vader: Vader, bind mijn handen goed vast opdat ik niet op het moment van mijn pijn worstel en je stoor, zodat jouw offer ondeugdelijk bevonden wordt en in de put der vernietiging geworpen wordt... Op dat moment kwam er een hemelse stem die zei: Komt en ziet de enige twee rechtvaardigen van de wereld: de ene slacht en de ander wordt geslacht; hij die slacht aarzelt niet en degeen die geslacht wordt strekt zijn nek uit. (...) 

Hierop komt de engel tussenbeide en na de binding (of het offer?) spreekt Abraham een gebed uit:  (...) ‘zoals ik u hier om genade smeek Hasjem ELOHIM, zo moogt Gij, wanneer de kinderen van Isaak mijn zoon komen in een tijd van verdruk­king, ten gunste van hen gedenken de binding van Isaak hun vader en hun schulden ontbinden en vergeven en hen verlossen uit al hun nood en zo zullen waarlijk die toekomstige geslachten die zullen opstaan, kunnen zeg­gen: Op de berg van het heiligdom van Adonai offerde Abraham Isaak zijn zoon en op die berg openbaarde zich aan Hem de heerlijkheid van de Sjechina (= goddelijke presentie) van Hasjem.’ (Targoem Jeroesjalmi laTora, ed. Mensen herkennen zich niet alleen in Isaak maar ook in Abraham of ze hadden het gevoel dat van hen oneindig veel meer gevraagd werd dan van Abraham. Maar tegelijk voelden ze zich op zo’n moment kinderen van Abraham. Zij zijn Abraham! 

Misschien hebben we daar een van de oudste lagen van het bijbelverhaal: Abraham komt uit Mesopotamië, waar het offeren van eerstgeborenen niet ongebruikelijk was. Hij is tot een monotheïstisch geloof gekomen, maar heeft nog steeds het oude godsbeeld: God moet tevreden gesteld worden met een kinderoffer. Maar hij vergist zich: de God die hij gevonden heeft is volstrekt afkerig van mensenoffers: ‘Strek je hand niet uit naar de knaap en doe hem geen kwaad, want nu weet ik dat je ELOHIM-vrezend bent en dat je zelfs je zoon mij niet onttrekken wilt!’ (Gen 22:12)

Een volgende laag in het verhaal is een konsekwent-monotheïstische laag die tegelijk een herinterpretatie van het oudste verhaal is: het kan niet waar zijn dat Abraham nog vastzat aan zijn mesopotamische godsbeeld. De gedachte dat Abraham zich maar inbeeldde dat God van hem een mensenoffer eiste is absurd. Natuurlijk heeft God zelf die woorden gesproken! Maar Hij had er een bedoeling mee: Hij wilde Abraham op de proef stellen en hem een boodschap inprenten: de tijd van mensenoffers is voorbij! Het verhaal situeert zich dan in de worsteling tussen Israëls ethische mensenofferloze godsdienst en de godsdiensten van de volken rondom.

In dit verband is het van belang te wijzen op een merkwaardig verschil tussen de benoeming van God aan het begin van het verhaal en in het midden. Aan het begin draagt God de naam die Hij deelt met andere goden: ELOHIM. Dat is waarschijnlijk de oudste laag. Ook zijn zoon stelt hij nog in vers 8 gerust met ‘ELOHIM zal voor zichzelf wel een lam doen verschijnen!’, door de midrasj terecht vertaald met ‘zal zich wel verschaffen’. ELOHIM droeg dus Abra­ham op zijn zoon te offeren. Maar in het midden spreekt de ‘mal’ach JHWH’, de bode of boodschapper van JHWH. Daar gaat het om een ingreep van de God die Israel kent, met wie het in een jij-jou relatie staat. En in vers 14 erkent Abraham: JHWH zal doen verschijnen! Hij had gelijk gehad: JHWH had een lam (hier: een ram) verschaft ter vervanging van het mensenoffer.

Maar wat doet die mal’ach, die bode er dan tussen. Kon JHWH niet zelf tussenbeide komen? In de tweede laag is dat misschien ook wel een feit geweest: JHWH is ELOHIM! En ELOHIM, die zich als JHWH aan Israël heeft bekend gemaakt, verwerpt elke vorm van mensenoffer! Vandaar de herhaling van ‘ELOHIM zal doen verschijnen’, maar nu in de vorm van ‘JHWH zal doen verschijnen’!
Men heeft wel verondersteld dat die bode werd ingeschoven om afstand in te bouwen. JHWH is ook de naam die men niet uitspreekt maar vervangt door de aanduiding ‘Adonaï (= Heer, of: Here). Dat zou dan wijzen op de periode na de babylonischc ballingschap, d.w.z. na 520 voor onze jaartelling. Dat is niet ondenkbaar. Maar er is nog een andere mogelijkheid van verklaring:. De rabbijnen hebben in de twee benamingen van God, JHWH en ELOHIM, twee wezenstrekken van God gezien. ELOHIM is aan­duiding van zijn rechtvaardigheid en JHWH van zijn liefde. Dat geeft een heel nieuwe dimensie aan ons verhaal. Want wie is dan de bode van JHWH, de mal’ach JHWH? Moet dat noodzakelijkerwijze in alle gevallen een engel zijn? Niet altijd. Ook een mens, een profeet of een toevallige toeschouwer kan een mal’ach van Adonai zijn. Ook dat zou kunnen wijzen op de periode na de ballingschap, toen de mondigheid van de gelovigen enorm toenam door de onder­wijsaktiviteiten van levieten, priesters en schriftuitleggers (de latere rabbijnen). Ga er maar eens aanstaan: als je als gelovige meemaakt dat mensen aan ‘goden’ — of wat daarvoor in de plaats kan komen! —geofferd dreigen te worden, wordt dan maar eens ‘mal’ach JHWH’ en kom dan maar eens tussenbeide en roep: Strek je hand niet uit naar... en doe haar of hem geen kwaad!...

In later tijd, misschien tegenover de christelijke leer van het ‘men­senoffer’ van Jezus door zijn hemelse Vader, is deze betekenis in het jodendom heel sterk geworden: geen enkele godsdienst of ideologie is het waard dat daarvoor of daaraan mensen opgeofferd worden.

Een legitimatieverhaal

Een wezenlijk aspekt van het verhaal is het spel met het werkwoord ‘zien’. Dat zit al in de naam ‘Moria’, die volgens de rabbijnen verstaan kan worden als ‘JaH (= JHWH; spreek uit: ADONAJ) laat zien’ of ‘JaH onderwijst’ (Midrasj Beresjiet Rabba 55). Verder in de spreuk ‘ELOHIM (of JHWH) zal doen verschijnen’, en in het zien van Abraham, eerst vanuit de verte de plaats die God hem zeggen zou, daarna de ram die met zijn hoorns in het struikgewas vast zat, en die hij vervolgens offerde. Dat spel van woorden is niet toevallig. Er worden verbindingen mee gelegd. Moria is de latere Tempelberg, waar Israels offers gebracht werden. Isaak had daar geslacht moeten worden, maar een ram werd ‘in zijn plaats’ (tachat b’no = in plaats van zijn zoon, Gen 22:13) geofferd. Sindsdien werden in Israel geen mensenoffers meer gebracht. De tempeldienst was daarvoor in de plaats gekomen. En nog weer later in de plaats daarvan de gebeden (Hosea 14:3). Het is niet de God van Israël die bloed wil zien! Bovendien zit er in dat ‘zien’ nog een andere verwijzing. In Ex 23:17,34:23 en Deut 16:16 wordt het volk opgeroepen driemaal per jaar (tijdens de pelgrimsfeesten) op de Tempelberg te verschijnen! Het woord dat daar gebruikt wordt betekent eigenlijk ‘gezien wor­den’, ‘zich laten zien’. Als ‘gezien worden’ (taalkundig: = lijdende vorm/passivum) ‘verschijnen’ kan betekenen, dan duidt de bedrij­vende vorm (activum, hier: ELOHIM/JHWH zal zien...) de oor­zaak aan van het verschijnen, d.w.z. ‘doen verschijnen’. ‘ELOHIM doet verschijnen’ is dan wellicht een verwijzing naar het feit dat Abraham erop vertrouwt dat God wel een offerdier zal ‘verschaf­fen’, maar tegelijk ook een verwijzing naar de toekomstige pelgri­mage naar Jerusalem. En als Abraham de plaats ‘JHWH doet ver­schijnen’ noemt en daarbij dezelfde werkwoordsvorm gebruikt, dan is dat een aanduiding van de betekenis van de naam ‘Moria’ en dan brengt de verteller de naam van de plaats in verband met die latere pelgrimages. En zowel door de verwijzing naar de offerdienst als naar de pelgrimages krijgt het verhaal dan de funktie van een ‘kultus­legende die de plaats van de Tempel legitimeert en een diepe zin geeft: Dit is de plaats die JHWH gekozen heeft voor de Tempel en zijn plaatsvervangende offerdienst; daar zullen de stammen van Israël tijdens de pelgrimsfeesten naar optrekken! (vgl. o.m. Midrasj Lèqach tov) . Tegelijk echter kan de basisbetekenis ‘JHWH zal zien’ door blijven klinken en de rabbijnen tot de interpretatie brengen van ‘JHWH zal beschouwen’: JHWH zal je bereidheid om je zoon te offeren be­schouwen als had je je zoon geofferd en als had zijn bloed echt gevloeid. Het bloed van de ram zal Hij als Isaaks bloed beschouwen. En op grond daarvan zal Hij lsraëls zonden vergeven telkens als Hij het bloed van lsaak gedenkt! (vgl. Midrasj Beresjiet Rabba 56; jTaänit II 4/65d etc.) Hervertellingen

Maar wie is die knaap, waar het verhaal over gaat? Is Isaak wel zo’n jongen als men wel denkt? De rabbijnen hebben uitgerekend, dat Isaak ten tijde van de ‘Binding’ 37 jaar was. Vlak na het verhaal van het ‘offer’ wordt ons verteld dat Sara stierf. En de rabbijnen zijn van mening dat, als twee dingen onmiddellijk na elkaar verteld worden, ze ook onmiddellijk met elkaar in verband gebracht mogen worden. Maar... dan behoort ook Sara tot het verhaal. En uit parallelle verhalen uit andere kulturen blijkt dat het helemaal niet zo onwaar­schijnlijk is dat ook zij een rol speelt in het verhaal. Prachtige herver­tellingen (midrasjim) verhalen ons dat zij stierf aan een hartstilstand toen ze hoorde dat Abraham, buiten haar om, haar zoon had willen offeren. Ze was hij zijn geboorte 90 en bij haar dood 127. Maar dan is Isaak niet vrij te pleiten. Hij kan niet zo’n onnozele hals geweest zijn dat hij nergens van wist. Hij heeft dus met Abraham onder één hoedje gespeeld. Hebben zij Sara willen sparen? Hebben zij thuis scènes willen voorkomen? Maar waarom deze konstruktie? Waarom ook Sara op te nemen in het verhaal? En waarom Isaak als een volwassen man van 37 jaar? Vanwege de ervaringen met de onmenselijkheden tijdens de vervolgingen rond 130, toen mensen in de kracht van hun leven terwille van hun jood-zijn de dood in de ogen moesten zien. Zij wisten dat zij familie, ouders, kinderen deze ellende niet konden besparen. Maar de god van de slachters was niet hun god. Hun god was juist de God die deze mensenoffers niet wilde. Die God bleven ze trouw en daarom werden ze geslacht. Voor hen werd Isaak het symbool van een bewust aanvaard martelaarschap en Abraham het prototype van heel lsrael dat zijn zonen en dochters moest afstaan aan de dood. En Sara symbool van alle joodse moeders die vaak kinderloos moesten achterblijven. En waarom? Omdat zij allen de God van Israel wilden trouw blijvenIn Worms in 1096 riep Rabbi Mesjoellam bar Jitzchaq: Jullie, groot en klein, luistert naar mij! Hier is mijn zoon die God mij gegeven heeft en die mijn vrouw Tsippora mij gebaard heeft op haar oude dag, Jitzchaq is zijn naam; en nu zal ik hem offeren zoals Abraham zijn zoon Jitzchaq offerde... En hij bond (!) zijn zoon Jitzchaq, pakte zijn mes om zijn zoon te doden en sprak de zegening die bij het slachten hoorde. En de jongen antwoordde ‘Amen’. En de vader doodde de jongen. Toen nam hij zijn schreeuwende vrouw en beide verlieten de kamer en de meute (der kruisvaarders!) ver­moordde hen... (vgl. Zuidema, Isaak, 81, 110)

In de Middeleeuwen, tijdens de vervolgingen, hebben hele joodse gemeenschappen zo zelfmoord gepleegd om aan oneer en gedwon­gen bekering te ontkomen. En als de ouders dan hun kinderen doodden, alvorens de hand aan zichzelf te slaan, dan voelden zij zich Abraham die zijn zoon Isaak op het altaar bond. Zij waren joden, erfgenamen van Abraham. Niets is verleidelijker en gevaarlijker dan hierbij te denken aan een ‘wrede God van het Oude Testament’. Het was niet de God van de joden die hun dood eiste, maar de wrede god van de vervolgers. De vervolgden weigerden echter daarin te berus­ten: zij gaven — heel bewust — hun ziel terug aan hun schepper, de God van Israël En zo werd hun dood op een hoger plan een daad van verzet. Isaaks ‘lijdzaamheid’ en zijn ‘berusting’ (‘zo gingen die beiden tezamen’!) was geen teken van lafheid maar van moed en weerbaarheid.

In talloze hervertellingen van het bijbelverhaal lezen we de behoefte van de generaties om hun ervaringen in dit verhaal in te lezen. Elke hervertelling (midrasj) van dit verhaal is een herlezing en een herin­terpretatie. Toen de tekst van de oorspronkelijke vertelling sacro­-sankt geworden was en daaraan niet meer toegevoegd of veranderd mocht worden, bleef slechts de exegese (bijbeluitleg) en de midrasj (hervertelling) over om de verbinding tot stand te brengen tussen de geleefde ervaring en menselijke behoefte en de bijbeltekst. (vgl. o.m. Vermes, 62). Dat betekende echter niet dat de verteller van de ‘midrasj’ zich gedrongen voelde zich in zijn verhaal strikt aan de gegevens van het bijbelverhaal gebonden te achten: in sommige van de hervertellin­gen sterft Isaak en staat hij op uit de dood. In andere wordt zijn lichaam verbrand (als een echt brandoffer) en zijn as aan zijn moeder gegeven. Wat ieder die zich met de Midrasj en dan in het bijzonder met de Isaak-midrasjim bezighoudt verbijstert is de ongelooflijke vrijheid die de vertellers zich toegemeten hebben om in een hervertelling elementen te herschikken, weg te laten en andere toe te voegen. Als wij ons het schema van hoofdstuk 1 hier in gedachten nemen en daar dan de elementen van de Aqeda (= Binding van Isaak)-midrasjim en van andere hervertellingen van dit verhaal in onderbrengen, dan kunnen wij vaststellen dat de rollen verwisseld kunnen worden en dat de gebeurtenissen veranderd kunnen worden zonder dat het grondstramien daardoor aangetast wordt, zodat we duidelijk toch met hetzelfde basisverhaal te maken hebben. En misschien ligt aan dat basisverhaal een nog veel ouder oergegeven ten grondslag.

Plaatsvervanging

De geschiedenis van de ‘Binding’ van Isaak hoort tot een gods­diensthistorisch genre, dat slechts in die godsdiensten voorkomt, waar men de overgang van de fase van mensenoffers naar die van dieroffers gemaakt heeft. Het grondstramien vindt men niet terug in de mythen van godsdiensten die nog mensenoffers kenden, zoals bij de Azteken en Peruanen. Daarentegen vindt men het wel in ro­maanse en germaanse mythen en sprookjes. Dat men vaak tot in detail de elementen ervan herkent wordt duidelijk als wij de verhalen in het schema van hoofdstuk 1 onder gaan brengen. Wanneer wij onderscheiden tussen rollen en personages die die rollen spelen — zo men wil ‘akteurs’ —, dan kan men achter de dramatis personae van de Isaakgeschiedenis de volgende rollen waarnemen: godheid, ou­der(s), kind, bode van de godheid, plaatsvervangend dieroffer, moe­der, toeschouwers. Wanneer men dan bijvoorbeeld de geschiedenis van Iphigeneia nauwkeurig analyseert, vindt men vergelijkbare elementen. Alleen is het offer dan een jonge vrouw, de godheid is vrouwelijk en het dieroffer is vrouwelijk. Er zijn ook op het vlak van de gebeurtenissen verschillen: de redding wordt niet door een bode van de godheid teweeggebracht, maar door de godin zelf, die vervolgens de jonge vrouw tot haar priesteres in Taurië maakt. De rol van de bode is verplaatst: hij deelt de eis van het offer namens de godheid aan Agamemnon mede. Desondanks is het duidelijk dat we hier met een zelfde basisgegeven te maken hebben: de vervanging van een men­senoffer door een dieroffer. Het is overigens interessant dat er een midrasjversie van de Aqeda (Gen 22, de ‘Binding’ van Isaak) is die vertelt dat God Isaak onmiddellijk na het gebeuren op de berg Moria overbracht naar het Bet haMidrasj (leerhuis) van zijn voorvaders Sjem en Heber waar hij tot aan zijn huwelijk met Rebekka bleef leren. Blijkbaar hoorde een dergelijk oergegeven — het verblijf in een ander land/andere omgeving — ook tot het basisstramien. De griekse mythologie kent meer verhalen van een wonderbare ver­vanging van een mensenoffer door een dieroffer: Het verhaal van Phrixos, een prins uit het huis van Athamas. zoon van Aiolos, die in een jaar van droogte geofferd zou worden en die door de godheid gered werd doordat deze een ram zond, die hem bevrijdde en weg-voerde, waarna Phrixos de ram als dankoffer aan de godheid of­ferde. (Herodotus VII 197; zie Spiegel, 10/11)

Een aantal van deze gegevens zijn ondergebracht in een struktuur­schema (zie pagina 34), met dien verstande dat wij in de kolom ‘struktuur’ in de balk ‘rollen, personages, etc.’ de ‘roltypen’ die in de rollen herkenbaar zijn, onderbrengen en in de balk ‘gebeurtenis­sen’ de ‘verhaalmotieven’, die aan de gebeurtenissen ten grondslag liggen.

Uit het struktuurschema moet men niet de gevolgtrekking maken dat de Midrasj of het bijbelverhaal afhankelijk zou zijn van de griekse mythologie of omgekeerd. Het is denkbaar dat beide teruggaan op een veel ouder grondgegeven. Maar het feit dat ook in de germaanse mythologie (vgl. de sprookjes van Grimm) vergelijkbare verhalen voorkomen moet ons uiterst voorzichtig maken. Wellicht hoort het tot het oereigene van de menselijke natuur om in vergelijkbare situa­ties — hier de overgang van mensenoffers naar dieroffers vergelijk­bare verhalen te ontwikkelen.

Oefening

Probeer in het bovenstaande schema het bekende sprookje van Sneeuwwitje onder te brengen. Wat is hier van het mensenoffer geworden? Wie zou hier de plaats van de godheid ingenomen hebben of die rol vervullen? Wat vervult de rol van bode of orakel? Welke rol vervult de jager? In welke mythe komt het jachtelement ook voor’? Wie offert hier aan wat? Waar situeren we het element van de verplaatsing naar andere plaats of omge­ving? Welke menselijke ervaringen en/of herinneringen liggen aan deze vertelling ten grondslag? Welke rol spelen de dwergen? Waar zou dat element vandaan komen? Enz., enz.

Een eigentijdse hervertelling

Wij hebben al vastgesteld, dat het tot de vrijheid van de verteller lijkt te behoren, dat hij zijn vertelling mag vormgeven zoals hij wil. Hij mag alle elementen veranderen en toch een plaats in de traditie van de Aqedèt (hervertellingen van Gen 22innemen. Dat is bijvoor­beeld het geval met Elie Wiesel’s eerste boek ‘De Nacht’. Wanneer wij opnieuw naar ons schema kijken, naar de vijfde kolom, dan zien wij dat ook hij zijn concentratiekampervaringen in de vorm van een ‘Aqeda’ gegoten heeft, maar met dit verschil dat hij de rollen verwisseld heeft. De frans-joodse geleerde André Neher heeft daar­over het volgende gezegd: Heeft men er al de aandacht op gevestigd dat dat eerste verhaal van Wiesel van het ene tot het andere eind een herschrijven van de Aqedâ in het duistere licht van Auschwitz is? Een vader en een zoon gaan hier ten offer, ommuurd door de stilte van God.(...) Het verhaal van de Aqeda echter is bij Wiesel verbrand door het vuur van de werkelijkheid. Het is geen vertelling meer, geschapen door de verbeelding van een dichter of een filosoof; het is niet langer het bijbelverhaal meer. Het is de werkelijkheid van Auschwitz: zo zou het moeten voorkomen in de bijbel...’ (Neher, )  André Neher noemt Wiesels boek een ‘averechtse Aqedâ’, een om­gekeerde Aqeda, omdat niet de vader zijn zoon moet offeren, maar de zoon zijn vader moet afstaan. Afstaan ja, maar aan wie? Niet aan de God van Israel, die toch door zijn bode had laten zeggen: ‘Strek je hand niet uit naar de knaap!’, daarmee eens voor altijd tot uitdruk­king brengend dat geen enkele godsdienst of ideologie een mensen-offer rechtvaardigt.>Maar juist dat is het probleem van Wiesel: Voor welke God zijn de 6 miljoen gedood? Aan welke God zijn zij geofferd, wanneer dat niet de God van lsrael is? Waar was God, toen zijn vader als het ware voor zijn ogen stierf? In het boek ‘De Nacht’ komt een kleine geschiedenis voor, die een enorme bekendheid heeft gekregen. Het behoorde tot de ‘politiek’ van de nazi’s om de mensen te dwingen bewust aanwezig te zijn bij executies. Er waren drie galgen opgericht en daar werden twee mannen en een jongen aan opgehangen. Toen de stoelen onder hen weggetrokken waren begon het defilé:

‘De twee mannen leefden niet meer. Hun tong hing uit hun mond, dik en blauw, het derde touw bewoog nog: het kind, dat zo licht was, leefde nog... Langer dan een half uur bleef hij hangen tussen leven en dood, stervend onder onze ogen. En wij moesten hem recht in zijn gezicht kijken. Toen ik langs hem ging leefde hij nog. Zijn tong was nog rood, zijn ogen nog niet gebroken. Achter mij hoorde ik dezelfde man vragen: ‘Waar is God toch?’ En binnen in mij hoorde ik een stem die antwoordde: ‘Waar is Hij? Hier — Hij is hier opgehangen — aan deze galg...’ (De Nacht, 66)

Het is onmogelijk hier niet te denken aan de geschiedenis van de kruisiging van Jezus. Maar men zij op zijn hoede. Het is niet zo dat Wiesel zijn verhaal inkleedt in de vorm van een kruisiging. Het waren de nazi’s die met een makaber gevoel voor drama dit soort dingen in scène zetten: Op het joodse nieuwjaarsfeest, Rosj haSjana, wordt op de eerste avond de geboorte van Isaak gereciteerd, op de tweede avond de ‘Binding van Isaak’. Het kan daarom geen toeval zijn dat Rudolf Hoess, de kampkommandant van Auschwitz op de vooravond van Rosj haSjana 1944 veertienhonderd jongens uitselec­teerde om ze de volgende avond te vergassen! Het is niet Elie Wiesel die in het bovenstaande het verband met de kruisiging legt en daar­door in zijn boek naar Golgotha verwijst. Juist omgekeerd: het ver­haal van Golgotha èn het verhaal van Wiesel verwijzen beide terug naar de Aqedâ!

Sinds onheuglijke tijden heeft het verhaal van Isaak mensen gehol­pen traumatische ervaringen te verwerken. In dit hoofdstuk hebben we daar voorbeelden van gezien. Door zich met Abraham, Isaak of Sara te identificeren konden ze datgene wat ze moesten ondergaan een plaats geven in hun religieuze beleving. En dat is ook waarom men in de getuigenissen en egodokumenten uit de tijd van de grote vernietiging zoveel verwijzingen vindt naar het Isaakverhaal. Zelfs het woord ‘holocaust’ lijkt een verwijzing te zijn: ‘Ecce nunc offero te holocaustum Deo’ (Zie ik offer je nu tot een brandoffer aan God), zegt Abraham in een oude joodse kroniek van het begin van onze jaartelling, die alleen maar bekend is in een veel latere latijnse vertaling. (Pseudo-Philo, Liber Antiquitatum Biblicarum, XXXII, 2) Het zou dus kunnen zijn dat het feit dat in het nieuwe testament de dood van Jezus weergegeven wordt met trekken die aan Gen 22 doen denken niet toevallig is: dat was voor de volgelingen van Jezus de manier om het verlies van hun leraar te duiden en te verwerken en het zo in te ordenen in de geschiedenis van hun volk: Isaak was alweer geofferd. Vandaar ook het feit dat Paulus in Rom 8:32 en een van de evangelisten (Joh 3 16) over het sterven van Jezus spreken in termen van ‘een vader die zijn zoon gegeven heeft uit liefde voor...’ Dat zijn formuleringen die sterk verwant zijn met de sfeer van de Aqe­da, de Isaak-midrasjim, die ontstaan zijn in periodes van zware vervolgingen, waarin men probeerde zin te geven aan de dood van de martelaren: hun bloed had niet tevergeefs gevloeid. God zou hun bloed zeker gedenken, zoals Hij de Binding van Isaak zou gedenken, zodat Hij telkens wanneer Israel in verdrukking komt, terwille van het bloed van Isaak hun zonden zou vergeven en hen redden uit hun nood.‘Verzoening door het bloed van Isaak’ is dus een authentiek midrasj­gegeven. En in dat verband is het van belang te bedenken dat in het nieuwe testament ‘het bloed van Christus’ bijna uitsluitend voor­komt in een verband waarin het gaat om de verzoenende kracht ervan. Dat is dus een element dat rijmt met of verwant is aan een aspekt van de Isaak-midrasjim en misschien zelfs ervan afhankelijk, in de zin dat de volgelingen van Jezus op deze manier hebben gepro­beerd de dood van hun leraar te duiden en zo te verwerken. Vandaaruit zou een al te bloederige ‘bloed-theologie’ in het christen­dom, die van het kruis een mensenoffer maakt en zich bijna orgas­tisch verliest in de bloederige details, weleens een heidense erfenis kunnen zijn. Zorgvuldige lezing van de evangeliën kan ons leren dat Jezus ook niet aan de bloeddorst van de joden is ten offer gevallen. De joodse rechtspraak kende allang de doodstraf niet meer. De kruisdood was een romeinse marteling, van waarschijnlijk perzische herkomst. Jezus is niet aan God maar aan Jupiter geofferd. Maar de gemeente kon hem niet aan de romeinse goden afstaan en heeft willen geloven dat zijn marteldood door zijn hemelse Vader (de Vader van elke jood) als gave (offer) is aanvaard, in de traditie van de joodse martelaars. Binnen deze kontekst is het ook mogelijk de oorspronkelijke betekenis van de beruchte kreet ‘Zijn bloed over ons en onze kinderen’ op het spoor te komen. Binnen de Aqedâ-traditie kan dat alleen maar betekend hebben: ‘Zijn bloed zij ten gunste van ons en onze kinderen!’ (Damo alenoe we-al benénoe!). De aanwe­zige joden, zo vertrouwd als zij waren met het verschijnsel van de kruisiging van medejoden door de onderdrukker, hebben toen zij zagen dat een van beiden, Jezus of Barabbas, moest sterven, geroe­pen, dat God zijn (= Jezus’) bloed dan maar te hunnen gunste moest gedenken. De tragiek is dus dat een authentiek element uit de Aqedâ-traditie uit zijn verband is gerukt en ‘omgeduid’: Wat ‘ten gunste van’ was werd uitgelegd als een wraakformule die tegen het volk werd gekeerd, welks martelaar hij was. Een latere anti-joodse traditie heeft een verzoeningswoord omgesmeed tot een wapen van de haat. En zo kon het Isaakverhaal eindeloos doorgaan. Eeuw na eeuw werd Isaak weer geofferd, honderdvoudig, duizendvoudig, zesmiljoenvoudig. Wat hebben wij tot hiertoe ontdekt? Dat een bepaald verhaal, in dit geval het bijbelverhaal van Gen 22, deel uitmaakt van een traditieketen, een keten van verhalen, waarin een centraal gegeven steeds opnieuw wordt geverifieerd. Men zou kunnen zeggen dat de vraag die men erbij stelt niet is: ‘Is het zo gebeurd?’, maar ‘Gebeuren deze dingen werkelijk?’ En daarbij is het moment van herkenning voor de verteller en de luisteraar van de grootste betekenis. Vanuit deze ervaring, die wij met de traditie van Isaakverhalen en verwante verhalen uit andere kulturen hebben op­gedaan, zouden wij kunnen komen tot ons eigen Isaakverhaal, onze eigen verifikatie. Dat zullen wij in een later stadium ook gaan probe­ren. Maar eerst gaan wij dat ene element, dat wij op het spoor zijn gekomen, het element van de geleefde ervaring verder uitdiepen. Het verhaal biedt ons een taal waarin wij datgene wat wij meege­maakt of ondergaan hebben in beelden en metaforen kunnen uitdruk­ken. En dat betekent dat wij kunnen en mogen proberen op zoek te gaan naar de dingen die mensen hebben meegemaakt en die zij in de vorm van metaforen aan ons overdragen. Dat zal het doel van het volgende hoofdstuk zijn.

Samenvatting

In dit hoofdstuk hebben wij ons eerst beziggehouden met het verhaal van het ‘Offer’ van Isaak. Dat verhaal blijkt aan de ervaring van vele mensen te appelleren. Het is eeuwenlang door- en herverteld en dat heeft geleid tot het ontstaan van talloze varianten. Maar het bijbel-verhaal is zelf ook gelaagd: elke periode waarin het herverteld is heeft een herkenbare laag achtergelaten. Het is een legitimatiever­haal dat de kultusplaats (= Tempel in Jerusalem) moet legitimeren. Het is ook een verhaal dat in tijden van vervolgingen de vervolgden hielp hun identiteit niet te verliezen. Het is bovendien een verhaal dat behoort tot een godsdiensthistorisch genre dat de overgang van de fase van mensen- naar dieroffers markeert, evenals het griekse verhaal van Iphigeneia en — bien étonné de les trouver ensemble — het germaanse verhaal van Sneeuwwitje! De verhaalelementen uit deze verhalen kunnen moeiteloos in één schema ondergebracht worden. En zelfs het eigentijdse verhaal van Elie Wiesels boek ‘De Nacht’ blijkt tot deze kategone te behoren, zij het dat de elementen daarin anders gegroepeerd zijn (zie schema). Ook het verhaal van de dood van Jezus is door de eerste christenen in deze vorm gegoten omdat zij in hem een typisch joodse geloofsmartelaar zagen. Alleen worden daarin de rollen van Abraham en ELOHIM samengetrokken, waar­door het opnieuw een mensenofferverhaal is geworden. Tegen die achtergrond moet men aannemen dat de aanwezige joden bij zijn veroordeling nooit de wraak voor zijn dood over zichzelf afgeroepen kunnen hebben. De ‘omduiding’ van wat zij wel geroepen kunnen hebben is van een veel latere datum. Uit dat alles blijkt de geweldige vrijheid die vertellers hebben om hun materiaal naar eigen believen te ordenen op een zodanige wijze dat zij daarmee een bedoeld effekt kunnen bereiken of een beoogde boodschap mededelen.

Literatuuropgave

Neher, André, I’Exil de la Parole, Du Silence Biblique au Silence d’Auschwitz, Paris, Ed. du Sueil, 1970 Spiegel, Shalom, The Last Trial, On the Legends and Lore of the Command to Abraham to offer Isaac as a Sacrifice, the Akedah, translated from the He­brew, with an introduction, by Judah Goldin, New York, Schocken Books, 1969 Vermes, Geza, Post-Biblical Studies, in: Studies in Judaism in late Antiquity, Leiden, E.J. Brill, 1975 Wiesel, Elie, De Nacht, met een voorwoord van François Mauriac, Hilversum, Gooi en Sticht bv, I988 (4) Zuidema, Willem e.a., Isaak wordt weer geofferd, De verwerking van de Holocaust door Jodendom en Christendom, Baarn, Ten Have 1980 Zuidema, Willem e.a., Betekenis en Verwerking, Het offer van Isaak en de Holocaust, Baarn, Ten Have, 1982