Genesis 26 - Gn 26: Isaak en Rebekka in Gerar
- Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.html -

Zie ook naar - bijbeloverzicht -- overzicht van Genesis: - Gn - bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bibliografie van het Oude Testament -

Bibliografie

  1. Jagersma H., Genesis 25:10 - 50:26, Baarn, Callenbach, 1996; blz 23-32.

Uitleg vers per vers : - Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26 23-32,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -

Structuur van Gn 26:

  1. 1-6
  2. 7-11
  3. 12-14
  4. 15-22
  5. 23-25
  6. 26-31
  7. 32-33

Abraham komt in deze pericope 7X voor, evenals Abimelech.

Gn 26,1 - Gn 26,1 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
ΕΓΕΝΕΤΟ δὲ λιμὸς ἐπὶ τῆς γῆς χωρὶς τοῦ λιμοῦ τοῦ πρότερον, ὃς ἐγένετο ἐν τῷ καιρῷ τοῦ ῾Αβραάμ· ἐπορεύθη δὲ ᾿Ισαὰκ πρὸς ᾿Αβιμέλεχ βασιλέα Φυλιστιεὶμ εἰς Γέραρα. 1 orta autem fame super terram post eam sterilitatem quae acciderat in diebus Abraham abiit Isaac ad Abimelech regem Palestinorum in Gerara   1 En er was honger in dat land, behalve den eersten honger, die in de dagen van Abraham geweest was; daarom toog Izak tot Abimelech, de koning der Filistijnen, naar Gerar.
[1] Eens kwam er een hongersnood in het land – niet te verwarren met die uit de tijd van Abraham – en Isaak* ging naar Abimelek, de koning van de Filistijnen, in Gerar. 
  1 Het geschiedt: honger in het land, een andere dan de éérdere honger die er is geschied in de dagen van Abraham; dan gaat Isaak naar Avimelech, de koning der Filistijnen, naar Gerar,- zwerversgasthuis. Genesis 26 Literatuur bij Genesis 1. Il y eut une famine dans le pays - en plus de la première famine qui eut lieu du temps d'Abraham - et Isaac se rendit à Gérar chez Abimélek, roi des Philistins.

King James Bible . [1] And there was a famine in the land, beside the first famine that was in the days of Abraham. And Isaac went unto Abimelech king of the Philistines unto Gerar.
Luther-Bibel . Erneute Verheißung. Isaak und Rebekka in Gerar 261 Es kam aber eine Hungersnot ins Land nach der früheren, die zu Abrahams Zeiten war. Und Isaak zog zu Abimelech, dem König der Philister, nach Gerar.
Hebreeuws (MT): א וַיְהִי רָעָב, בָּאָרֶץ, מִלְּבַד הָרָעָב הָרִאשׁוֹן, אֲשֶׁר הָיָה בִּימֵי אַבְרָהָם; וַיֵּלֶךְ יִצְחָק אֶל-אֲבִימֶלֶךְ מֶלֶךְ-פְּלִשְׁתִּים, גְּרָרָה.

Tekstuitleg van Gn 26,1.

Gn 26,1.1. prefix voegwoord wa consecutivum (verhalend) + wkw act. qal jigtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalswaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalswaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalswaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Joz (59) . Re (47) . 1 S (58) . 2 S (43) . 1 K (78) . 2 K (54) . In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren .
- We zouden volgende vorm kunnen verwachten : wajjihëjèh < wa consecutivum + jihëjèh (uit : jahëjih i.p.v. jahëwih : Lettinga 12 , 2012 , 58w) . Verkorte vorm door de samentrekking van de jod en de chireq tot een lange i , vandaar jahî (de eind he valt weg) . De klemtoon ligt op de laatste lettergreep en de klinker van de eerste lettergreep wordt zeer kort : jëhî . Bij de consecutivumvorm wajëhî valt op dat de jod niet verdubbelt . Uitspraak : wajhi .
- Grieks : wkw ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . LXX (730) . NT (195) . Gn (107) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... zoals vele verhalen bij ons beginnen) . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) .

ginomai (worden, gebeuren)  bijbel Tenakh LXX NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
aor. 3de pers. enk. egeneto  925  wajëhî : 784 730  195  13  17  69  16  53    17  99  115 
Totaal 2841   2174 667 75 55 129 51 124   38 259 310

- και εγενετο = kai egeneto (en het gebeurde) . LXX (560) . NT (62) .
- εγενετο δε = egeneto de (het gebeurde echter) . LXX () . NT (40) .

Gn 26,1.2. zelfst. naamw. mann. enk. רָעָב = râ`âbh (honger, hongersnood) . Taalgebruik in Tenakh : râ`âbh (honger, hongersnood) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , ajin = 16 of 70 , beth = 2 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 272 . Structuur : 2 - 7 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 . r-`-b : Tenakh (33) . Gn (6) : (1) Gn 12,10 . (2) Gn 26,1 . (3) Gn 41,27 . (4) Gn 41,30 . (5) Gn 41,54 . (6) Gn 45,11 . Dt (1) : Dt 32,24 .
- הָרָעָב = harâ`âbh (de honger, de hongersnood) < bepaald lidw. + zelfst. naamw. mann. enk. רָעָב = râ`âbh (honger, hongersnood) . Taalgebruik in Tenakh : râ`âbh (honger, hongersnood) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , ajin = 16 of 70 , beth = 2 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 272 . Structuur : 2 - 7 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (24) . Pentateuch (14) : (1) Gn 12,10 . (2) Gn 26,1 . (3) Gn 41,30 . (4) Gn 41,31 . (5) Gn 41,36 . (6) Gn 41,50 . (7) Gn 41,54 . (8) Gn 41,56 . (9) Gn 41,57 . (10) Gn 42,5 . (11) Gn 45,6 . (12) Gn 47,4 . (13) Gn 47,13 . (14) Gn 47,20 .

Gn 26,1.1. - 2. וַיְהִי רָעָב = wajëhî râ`âbh (en er was honger, hongersnood) . Tenakh (6) : (1) Gn 12,10 . (2) Gn 26,1 . (3) Gn 41,54 . (4) 2 S 21,2 . (5) 2 K 6,25 . (6) Rt 1,1 .

Gn 26,1.3. בְּאֶרֶץ / בָּאָרֶץ = bâ´èrèts / bâ´ârèts (in het land) < voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (398) . Pentateuch (150) . Eerdere Profeten (58) . Latere Profeten (100) . 12 Kleine Profeten (15) . Geschriften (75) . Gn (77) .

Gn 26,1.1. - 3. וַיְהִי רָעָב, בָּאָרֶץ, = wajëhî râ`âbhbâ´ârèts (en er was hongersnood in het land). Tenakh (3) : (1) Gn 12,10 . (2) Gn 26,1 . (3) Rt 1,1 .

Gn 26,1.8. wkw act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. הָיָה = hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalswaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 .
Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Een vorm van eimi (zijn) , in de LXX (6947) , in het NT (2450) . Tenakh (332) . Pentateuch (52) . Eerdere Profeten (111) . Latere Profeten (87) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (67) . Gn (28) : (1) Gn 3,1 . (2) Gn 3,22 . (3) Gn 4,2 . (4) Gn 4,20 . (5) Gn 4,21 . (6) Gn 6,9 . (7) Gn 7,6 . (8) Gn 10,9 . (9) Gn 11,3 . (10) Gn 13,3 . (11) Gn 13,5 . (12) Gn 13,6 . (13) Gn 15,1 . (14) Gn 15,17 . (15) Gn 26,1 . (16) Gn 26,28 . (17) Gn 30,29 . (18) Gn 30,30 . (19) Gn 31,5 . (20) Gn 31,42 . (21) Gn 36,7 . (22) Gn 37,2 . (23) Gn 39,22 . (24) Gn 41,13 . (25) Gn 41,53 . (26) Gn 41,54 . (27) Gn 41,56 . (28) Gn 42,5 . Gn 22,1 .


Gn 26,2 - Gn 26,2 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2 ὤφθη δὲ αὐτῷ Κύριος καὶ εἶπε· μὴ καταβῇς εἰς Αἴγυπτον· κατοίκησον δὲ ἐν τῇ γῇ, ᾗ ἄν σοι εἴπω. 2 apparuitque ei Dominus et ait ne descendas in Aegyptum sed quiesce in terra quam dixero tibi   2 En de HEERE verscheen hem en zeide: Trek niet af naar Egypte; woon in het land, dat Ik u aanzeggen zal; [2] Hier verscheen hem de heer, die zei: ‘Ga niet naar Egypte, maar ga in het land wonen dat Ik u aanwijs.     2 Daar laat zich aan hem zien de Ene en zegt: daal niet af naar Egypte,- woon in het land dat ik je toezeg; 2. Yahvé lui apparut et dit : Ne descends pas en Égypte; demeure au pays que je te dirai.

King James Bible . [2] And the LORD appeared unto him, and said, Go not down into Egypt; dwell in the land which I shall tell thee of:
Luther-Bibel . 2 Da erschien ihm der HERR und sprach: Zieh nicht hinab nach Ägypten, sondern bleibe in dem Lande, das ich dir sage.
Hebreeuws (MT):ב וַיֵּרָא אֵלָיו יְהוָה, וַיֹּאמֶר אַל-תֵּרֵד מִצְרָיְמָה: שְׁכֹן בָּאָרֶץ, אֲשֶׁר אֹמַר אֵלֶיךָ.

Tekstuitleg van Gn 26,2 .

Gn 26,2.1. w-j-r-´ : (1) prefix voegwoord wë + act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיַּרְא = wajjarë´ (en hij zag) . (2) prefix voegwoord wë + pass. nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיֵּרָא = wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) . (Lettinga 12 , 2012, 58o) . (3) prefix voegwoord wë + hifil imperf. derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיַּרְא = wajjarë´ van het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Het is een verkorte vorm , zie Joüon 79i . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Taalgebruik in Genesis : râ´âh (zien) . getalswaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (19) . Gn (50) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . Gn 12 (1) Gn 12,7 (bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän) . Gn 18 (2) : (1) Gn 18,1 . (2) Gn 18,2 . Gn 22 (2) : (1) Gn 22,4 . (2) Gn 22,13 . Gn 26 (3) : (1) Gn 26,2 : wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) . (2) Gn 26,8 : wajjarë´ (en hij zag) . (3) Gn 26,24 : wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) . Ex (17) : (1) Ex 2,11 . (2) Ex 2,12 . (3) Ex 2,25 . (4) Ex 3,2 . (5) Ex 3,4 . (6) Ex 8,11 . (7) Ex 9,34 . (8) Ex 14,30 . (9) Ex 14,31 . (10) Ex 18,14. (11) Ex 20,18 . (12) Ex 32,1 . (13) Ex 32,5 . (14) Ex 32,19 . (15) Ex 32,25 . (16) Ex 34,30 . (17) Ex 39,43 .
- Grieks : pass. ind. aor. 3de pers. enk. ωφθη = ôfthè (hij verscheen, hij werd gezien) van het werkw. ὁραω = horaô (zien) . Taalgebruik in het NT : horaô (zien) . Taalgebruik in de Septuaginta : horaô (zien) . Bijbel (53) . LXX (35) . Gn (9) : (1) Gn 1,9 . (2) Gn 12,7 (JHWH bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän) . (3) Gn 17,1 (JHWH bij de verbondssluiting met Abraham) . (4) Gn 18,1 (JHWH aan Abraham) . (5) Gn 22,14 . (6) Gn 26,2 (JHWH aan Isaak) . (7) Gn 26,24 (JHWH aan Isaak) . (8) Gn 35,9 . (9) Gn 48,3 . (10) Ex 3,2 . (11) Ex 16,10 . (12) Lv 9,23 . (13) Nu 14,10 . (14) Nu 16,19 . (15) Nu 17,7 . (16) Nu 20,6 . (17) Re 6,12 . (18) Re 13,3 . (19) Re 19,30 . (20) 2 S 22,11 . (21) 1 K 3,5 . (22) 1 K 9,2 . (23) Jr 31,3 . (24) Hl 2,12 . (25) Da 4,20 . (26) 2 Kr 1,7 . (27) 2 Kr 3,1 . (28) 2 Kr 7,12 . (29) Tob 12,22 . (30) 1 M 4,6 . (31) 1 M 4,19 . (32) 1 M 9,27 . (33) 2 M 3,25 . (34) Ba 3,22 . (35) Ba 3,38 . NT (18) : (1) Mt 17,3 . (2) Mc 9,4 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 22,43 . (5) Lc 24,34 . (6) Hnd 7,2 . (7) Hnd 7,26 . (8) Hnd 7,30 . (9) Hnd 13,31 . (10) Hnd 16,9 . (11) 1 Kor 15,5 . (12) 1 Kor 15,6 . (13) 1 Kor 15,7 . (14) 1 Kor 15,8 . (15) 1 Tim 3,16 . (16) Apk 11,19 . (17) Apk 12,1 . (18) Apk 12,3

  horaô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  pass. ind. aor. 3de pers. enk. ôfthè   53  35  18  1    

- Ned. : zien . Arabisch : رَاهَ = ra´â (zien) . Taalgebruik in de Qoran : ra´â (zien) . D. : sehen , schauen . E. : to see . Fr. : voir . Gr. : ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) . Hebreeuws : רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Lat. : videre .
- Hiëroglyfen : ra : weergegeven door een mond (r) en een onderarm met hand en vingers (ajin ; Gr : χειρ = cheir : hand ; grijpen) en het determinatief : een cirkel met een punt erin (de zon) Zie : https://nlwikipediaorg/wiki/Ra_(god)
- Ned: st-ra-len Lat : radiare : stralen radians (de stralende) : de zon Waarschoots : strauwn
- Ned: schijnen D: scheinen E : to shine Hebben schijnen (sjijnen) en zon (s/z - n) met elkaar te maken ? Is schijnen een activiteit van de zon ?
- Ned. : verschijnen . D. : erscheinen . E. : appear . Fr. : apparaître . Lat. : apparere .

Gn 26,2.2. אֵלָיו = ´elâ(j)w (tot hem) . Voorvoegsel ´el + suffix derde persoon mannelijk enkelvoud . ´l : voorzetsel ´èl (naar, tot) OF godsnaam El . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl OF ontkenning ´al (niet) . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . Tenakh (407) . Pentateuch (118) . Eerdere Profeten (182) . Latere Profeten (32) . 12 Kleine Profeten (15) . Geschriften (60) . Gn (53) .
- Lettinga 12, 2012, 63k : Bij ´èl zijn de suffixen verbonden met de oorspronkelijke vorm op aj . Zo ontstaan er vormen die er uitzien als het meervoud met suffixen .

Gn 26,2.1. - 2. ןַיַּרְא אֵלָיו = wajjerâ´ ´elâ(j)w (en hij verscheen aan hem) . Tenakh (5) : (1) Gn 18,1 . (2) Gn 26,2 . (3) Gn 26,24 . (4) Gn 46,29 . (5) Re 6,12 .

Gn 26,2.1. - 3. ןַיֵּרָא יהוה = wajjerâ´ JHWH (en JHWH liet zich zien - JHWH verscheen) . Tenakh (5) : (1) Gn 12,7 . (2) Gn 17,1 . (3) Dt 31,15 . (4) 1 K 9,2 . (5) 2 Kr 7,12 .
Volgens deze gegevens zou JHWH driemaal aan Abram / Abraham verschenen zijn : (1) Gn 12,7 . (2) Gn 17,1 . (3) Gn 18,1 . Tweemaal wordt uitdrukkelijk vermeld dat JHWH verscheen aan Abram (wajjerâ´ JHWH ´èl ´abhërâm : (1) Gn 12,7 . (2) Gn 17,1) . In Gn 18,1 wordt de naam van Abraham niet vermeld . Het kan betekenen dat het vers in het verlengde ligt van het vorige hoofdstuk waar de belofte van Isaak werd aangekondigd . Dit is een belangrijk verschijnen van JHWH , want in Gn 18 wordt de geboorte van Isaak aangekondigd .
- ןַיֵּרָא אֵלָיו יהוה = wajjerâ´ ´elâ(j)w JHWH (en JHWH verscheen aan hem) . Tenakh (3) : (1) Gn 18,1 (JHWH aan Abraham) . (2) Gn 26,2 (JHWH aan Isaak) . (3) Gn 26,24 (JHWH aan Isaak) .
- ןַיֵּרָא אֱלֹהִים = wajjerâ´ ´èlohîm (en God verscheen) . Enkel in Gn 35,9 .

Gn 26,2.4. וַיּאֹמֶר= wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. -m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) .Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . getalswaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Gn 12 (4) : (1) Gn 12,1 . (2) Gn 12,7 . (3) Gn 12,11 . (4) Gn 12,18 .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . λεγω = legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
act. ind. aor. 3de p. enk. eipen  3024  2426  598  118  56  223  114  75  397  511 

- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . D. : sprechen (spreken) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere .

Gn 26,2.1. - 4. ןַיֵּרָא יהוה אֶל אַבְרָם וַיּאֹמֶר = wajjerâ´ JHWH ´èl ´abhërâm wajjo´mèr (en JHWH verscheen aan Abram en zei) . Tenakh (2) : (1) Gn 12,7 . (2) Gn 17,1 .
- ןַיֵּרָא יהוה אֵלָיו וַיּאֹמֶר = wajjerâ´ JHWH ´èl ´abhërâm wajjo´mèr (en JHWH verscheen aan Abram en zei) . Tenakh (1) : Gn 26,2 .

Gn 26,2. 6. act. qal imperf. 2de pers. mann. enk. jussief תֵּרֵד = thered (jij zult afdalen) van het werkw. יָרַד = jârad (afdalen, afstijgen, vallen) . Taalgebruik in Tenakh : järad (afdalen, afstijgen, vallen) . Getalwaarde : jod = 10 , resj = 20 of 200 , daleth = 4 ; totaal : 34 (2 X 17) OF of 214 (2 X 107) . Structuur : 1 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . t-r-d . Tenakh (12) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . (12) .

Gn 26,2.7. מִצְרַיְמָה = mitsërajëmâh (Egyptewaarts) . Zie : מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Ex : mitsërajim (Egypte) . Getalswaarde : mem = 13 of 40 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 4 - 9 - 2 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (28) . Pentateuch (27) . Gn (18) : (1) Gn 12,10 . (2) Gn 12,11 . (3) Gn 12,14 . (4) Gn 26,2 . (5) Gn 37,25 . (6) Gn 37,28 . (7) Gn 39,1 . (8) Gn 41,57 . (9) Gn 45,4 . (10) Gn 46,3 . (11) Gn 46,4 . (12) Gn 46,6 . (13) Gn 46,7 . (14) Gn 46,8 . (15) Gn 46,26 . (16) Gn 46,27 . (17) Gn 48,5 . (18) Gn 50,14 . Ex (3) : (1) Ex 1,1 . (2) Ex 4,21 . (3) Ex 13,17 . Nu (3) (1) Nu 14,3 . (2) Nu 14,4 . (3) Nu 20,15 . Dt (3) : (1) Dt 10,22 . (2) Dt 17,16 . (3) Dt 26,5 . 2 Kr (1) : 2 Kr 36,4 . In de Pentateuch komt מִצְרַיְמָה = mitsërajëmâh (Egyptewaarts) voor het eerst voor in Gn 12,10 en het laatst in Dt 26,5 .

Gn 26,2.5. - 7. In Gn 12,10 : וַיֵּרֶד אַבְרָם מִצְרַיְמָה = wajjerèd ´abhërâm mitsërajëmâh (en Abram daalde af Egyptewaarts) .
- In Dt 26,5 : וַיֵּרֶד מִצְרַיְמָה = wajjerèd mitsërajëmâh (en hij daalde af Egyptewaarts) .
- אַל תֵּרִד מִצְרַיְמָה =´al thered mitsërajëmâh (daal niet af Egyptewaarts) . Tenakh (1) : Gn 26,2 .
- In Gn 12,10-20 wordt het vreemde verhaal verteld waarin Sarai zich in Egypte moet uitgeven voor de zus van Abram . Een gelijkaardig verhaal vinden we in Gn 26,7-14 , maar dan zijn Isaak en Rebekka de personages .

Gn 26,2.8. שָׁכַן = sjâkhan (wonen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâkhan (wonen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 , nun = 14 of 50 ; totaal : 46 of 370 . De som van de elementen is telkens 1 . sj - k - n . Tenakh (22) : (1) Gn 14,13 . (2) Gn 26,2 . (3) Ex 40,35 . (4) Nu 5,3 . (5) Nu 24,2 . (6) Nu 35,34 . (7) Dt 33,12 . (8) Dt 33,20 . (9) Joz 22,19 . (10) Re 5,17 . (11) Js 33,5 . (12) Js 33,24 . (13) Js 57,15 . (14) Jr 6,21 . (15) Hos 10,5 . (16) Jl 4,17 . (17) Jl 4,21 . (18) Ps37,3 . (19) Ps 78,60 . (20) Ps 135,21 . (21) Spr 27,10 . (22) Ezr 6,12 . Vaak komt het act. qal participium mann. enk. sjokhen (wonend) voor . In de LXX wordt het vaak vertaald door . Katoikôn (nederzettend -> nederzetting / neerzetten) is vaak ook de vertaling van josjebh (wonend, zetelend) .

Gn 26,2.9. בְּאֶרֶץ / בָּאָרֶץ = bâ´èrèts / bâ´ârèts (in het land) < voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. . Tenakh (398) . Pentateuch (150) . Eerdere Profeten (58) . Latere Profeten (100) . 12 Kleine Profeten (15) . Geschriften (75) . Gn (77) .

Gn 26,2.12. אֵלֶיךָ = ´elè(j)khâ (tot u) < voorzetsel ´el (naar, tot) + suffix tweede persoon mannelijk enkelvoud . Tenakh (236) . Pentateuch (60) . Eerdere Profeten (55) . Latere Profeten (58) . 12 Kleine Profeten (9) . Geschriften (54) . Gn (21) : (1) Gn 6,20 . (2) Gn 6,21 . (3) Gn 18,10 . (4) Gn 18,14 . (5) Gn 19,5 . (6) Gn 21,12 . (7) Gn 22,2 . (8) Gn 24,50 . (9) Gn 26,2 . (10) Gn 31,16 . (11) Gn 31,39 . (12) Gn 31,52 . (13) Gn 35,1 . (14) Gn 38,16 . (15) Gn 42,37 . (16) Gn 43,9 . (17) Gn 44,8 . (18) Gn 44,32 . (19) Gn 47,5 . (20) Gn 48,2 . (21) Gn 48,5 . Ps (33) . Ps 25 (1) : Ps 25,1 .

Gn 26,10-12. אֲשֶׁר אֹמַר אֵלֶיךָ.= ´äsjèr ´omar ´elè(j)khâ (die / dat ik zeg tot jou) . Tenakh (4) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 26,2 . (3) Re 7,4 (2X) . (4) 1 S 16,3 . (5) 1 S 28,8.


Gn 26,3 - Gn 26,3 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3 καὶ παροίκει ἐν τῇ γῇ ταύτῃ, καὶ ἔσομαι μετὰ σοῦ καὶ εὐλογήσω σε· σοὶ γὰρ καὶ τῷ σπέρματί σου δώσω πᾶσαν τὴν γῆν ταύτην καὶ στήσω τὸν ὅρκον μου, ὃν ὤμοσα τῷ ῾Αβραὰμ τῷ πατρί σου. 3 et peregrinare in ea eroque tecum et benedicam tibi tibi enim et semini tuo dabo universas regiones has conplens iuramentum quod spopondi Abraham patri tuo   3 Woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal den eed bevestigen, dien Ik Abraham uw vader gezworen heb. [3] Vestig u in dit land hier, Ik* zal met u zijn en u zegenen. Want aan u en aan uw nakomelingen zal Ik heel dit gebied geven, en Ik zal de eed nakomen die Ik uw vader Abraham gezworen heb.     3 wees zwerver-te-gast in dit land: ik zal met je zijn, ik zal je zegenen; want aan jou en aan je zaad zal ik al deze landstreken geven; ik zal de bezwering gestand doen die ik heb gezworen aan Abraham, je vader; 3. Séjourne dans ce pays-ci, je serai avec toi et te bénirai. Car c'est à toi et à ta race que je donnerai tous ces pays-ci et je tiendrai le serment que j'ai fait à ton père Abraham.

King James Bible . [3] Sojourn in this land, and I will be with thee, and will bless thee; for unto thee, and unto thy seed, I will give all these countries, and I will perform the oath which I sware unto Abraham thy father;
Luther-Bibel . 3 Bleibe als Fremdling in diesem Lande, und ich will mit dir sein und dich segnen; denn dir und deinen Nachkommen will ich alle diese Länder geben und will meinen Eid wahr machen, den ich deinem Vater Abraham geschworen habe,
Hebreeuws (MT):

Tekstuitleg van Gn 26,3 .

1. act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. = gûr (verblijf als vreemdeling) . Zie : גר = gwr (als vreemdeling verblijven) . Taalgebruik in Tenakh : gwr (zich als vreemdeling ophouden) . Getalwaarde : gimel = 3 , resj = 20 of 200 ; totaal : 23 OF 203 . De som van de elementen is telkens 5 .

2. בְּאֶרֶץ / בָּאָרֶץ = bâ´èrèts / bâ´ârèts (in het land) < voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97) . Structuur : 1 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (398) . Pentateuch (150) . Eerdere Profeten (58) . Latere Profeten (100) . 12 Kleine Profeten (15) . Geschriften (75) . Gn (77) . Gn 12 (2) : (1) Gn 12,6 . (2) Gn 12,10 . Ex (23) .

Gn 26,3.6. וַאֲבָרֶכְךָ = wa´äbhârëkhèkhâ (en ik zal je zegenen) < prefix consec. wë + act. piël imperf. 1ste pers. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Taalgebruik in Tenakh : bârakh (zegenen, loven, prijzen) . getalswaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , kaf = 11 of 20 . Totaal : 33 (3 X 11) of 222 (6 X 37 OF 2 X 111) . 111 = 3 X 37 OF (5 X 17) + 26 . Structuur : 2 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (2) : (1) Gn 12,2 . (2) Gn 26,3 . Een vorm van בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen) in Tenakh (327) .

Gn 26,3.10. act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֶתֵּן = ´èththen (ik geef) van het werkw. נָתַן = nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenakh : nâthan (geven) . getalswaarde : nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 50 of 500 . Structuur : 5 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (81) . Pentateuch (21) . Eerdere Profeten (13) . Latere Profeten (32) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (10) . Gn (8) : (1) Gn 12,7 . (2) Gn 24,7 . (3) Gn 26,3 . (4) Gn 30,31 . (5) Gn 34,11 . (6) Gn 35,12 . (7) Gn 38,18 . (8) Gn 42,34 .
- אֶתְּנֶנָּה = ´èththënènnâh (ik zal haar geven) < act. ind. perf. 1ste pers. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. vrouw. enk. van het werkw. נָתַן = nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenakh : nâthan (geven) . getalswaarde : nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 50 of 500 . Structuur : 5 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (10) : (1) Gn 13,15 . (2) Gn 13,17 . (3) Gn 28,13 . (4) Gn 35,12 . (5) Ex 33,1 . (6) Lv 20,24 . (7) Dt 1,39 . (8) Dt 34,4 . (9) Joz 8,18 . (10) 1 S 18,21 .
- וְאֶתְּנֶנָּה = wë´èththënènnâh (en ik zal haar geven) < prefix voegwoord wë + act. qal imperf. 1ste pers. enk. van het werkw. נָתַן = nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenakh : nâthan (geven) . getalswaarde : nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 50 of 500 . Structuur : 5 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (31) . Pentateuch (9) : (1) Gn 17,2 . (2) Gn 30,28 . (3) Gn 31,6 (opgelet : persoonl. voornaamw.) . (4) Gn 34,12 . (5) Gn 45,18 . (6) Gn 47,16 . (7) Ex 24,12 . (8) Nu 8,19 . (9) Nu 21,16 .
- act. qal perf. 1ste pers.enkelv. נָתַתִּי = nâthaththî (ik zal geven) van het werkw. נָתַן = nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenakh : nâthan (geven) . Getalswaarde : nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 50 of 500 . Structuur : 5 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (114) . Pentateuch (43) . Eerdere Profeten (10) . Latere Profeten (44) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (12) . Gn (14) : (1) Gn 1,29 . (2) Gn 9,3 . (3) Gn 9,13 . (4) Gn 15,18 . (5) Gn 16,5 . (6) Gn 17,16 . (7) Gn 20,16 . (8) Gn 23,11 . (9) Gn 23,13 . (10) Gn 27,37 . (11) Gn 30,18 . (12) Gn 35,12 . (13) Gn 41,41 . (14) Gn 48,22 . Ex (1) : Ex 31,6 . Lv (1) : Lv 6,10 . Nu (10) : (1) Nu 18,8 . (2) Nu 18,19 . (3) Nu 18,21 . (4) Nu 18,24 . (5) Nu 18,26 . (6) Nu 20,12 . (7) Nu 20,24 . (8) Nu 21,34 . (9) Nu 27,12 . (10) Nu 33,53 . Eerdere Profeten (10) : (1) Joz 6,2 . (2) Joz 8,1 . (3) Re 1,2 . (4) 1 S 9,23 . (5) 2 S 9,9 . (6) 1 K 3,12 . (7) 1 K 3,13 . (8) 1 K 9,6 . (9) 1 K 9,7 . (10) 2 K 21,8 .
- וְנָתַתִּי = wënâthaththî (en ik zal geven) < prefix voegwoord wë + act. qal perf. 1ste pers.enkelv. נָתַן = nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenakh : nâthan (geven) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 50 of 500 . Structuur : 5 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (102) . Pentateuch (21) . Gn (3) : (1) Gn 17,8 . (2) Gn 26,4 . (3) Gn 48,4 .
- act. ind. fut. 1ste pers. enk. δωσω = dôsô ( ik zal geven) van het werkw. διδωμι = didômi (geven) . Taalgebruik in de Septuaginta : didômi (geven) . Taalgebruik in het NT : didômi (geven) . Bijbel (209) . OT (188) . Gn (20) : (1) Gn 12,7 . (2) Gn 13,15 . (3) Gn 13,17 . (4) Gn 15,18 . (5) Gn 17,8 . (6) Gn 17,16 . (7) Gn 17,20 . (8) Gn 24,7 . (9) Gn 26,3 . (10) Gn 26,4 . (11) Gn 28,13 . (12) Gn 29,27 . (13) Gn 30,28 . (14) Gn 30,31 . (15) Gn 34,12 . (16) Gn 35,12 . (17) Gn 38,18 . (18) Gn 45,18 . (19) Gn 47,16 . (20) Gn 48,4 . NT (21) : (1) Mt 4,9 . (2) Mt 16,19 . (3) Mt 20,4 . (4) Mc 6,22 . (5) Mc 6,23 . (6) Lc 4,6 . (7) Lc 21,15 . (8) Joh 4,14 . (9) Joh 6,51 . (10) Joh 13,26 . (11) Hnd 2,19 . (12) Hnd 13,34 . (13) Apk 2,7 . (14) Apk 2,10 . (15) Apk 2,17 . (16) Apk 2,23 . (17) Apk 2,26 . (18) Apk 2,28 . (19) Apk 3,21 . (20) Apk 11,3 . (21) Apk 21,6 . Een vorm van didômi (geven) in de LXX (2131) , in het NT (416) .

  didômi (geven)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. fut. 1ste pers. enk. dôsô   209 188 21 3 2 2 3 2 0 9 7 10 0 0

- Latijn . act. ind. fut. 1ste pers. enk. dabo (ik zal geven) van het werkw. dare / donare - donum : geven - gave , gift . Fr. donner - don : geven - gave .
- Aramees : act. peal perf. 1ste pers. enk. יְהַבִית = jëhabîth (ik zal geven) van het werkw. יְהַב = jëhabh (geven) . Pentateuch (2
- Ned. : geven . D. : geben . E. : to give . Fr. : donner - don : geven - gave . Grieks : διδωμι = didômi (geven) .Hebreeuws : נָתַן = nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenakh : nâthan (geven) . Lat. dare / donare - donum

Gn 26,3.17. Grieks . acc. mann. enk. ὁρκον = horkon (eed) van het zelfst. naamw. ὁρκος = horkos (eed) . Taalgebruik in de Bijbel : horkos (eed) . Bijbel (16) : (1) Gn 26,3 . (2) Nu 30,3 . (3) Dt 7,8 . (4) Joz 9,20 . (5) 1 S 14,26 . (6) 2 S 21,7 . (7) 1 K 2,43 . (8) Jr 11,5 . (9) Zach 8,17 . (10) Pr 9,2 . (11) 1 Kr 16,16 . (12) Jdt 8,11 . (13) Jdt 8,30 . (14) 1 Mak 7,18 . (15) Lc 1,73 . (16) Jak 5,12 . Website : http://www.nottingham.ac.uk/classics/postgraduate/modulebooklets0607/q8d504.pdf . Horkos: The Oath in Greek Society (Exeter: Bristol Phoenix Press), edited by A.H. Sommestein and Judith Fletcher. As this book is not due to be published until about May 2007, its entire text has been placed on WebCT, chapter by chapter, in a folder named Horkos.
- Lat. iuramentum . Fr. serment . E. oath . D. Eid . Ned. eed .

Gn 26,3.19. nifal perf. 1ste pers enk נִשְׁבַּעְתִּי = nisjëba`ëthî (ik zweer) van het werkw. שָׁבָע = sjâbhâ` (zweren, vervolledigen / vervullen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (26) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (5) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (4) . Eerdere Profeten (5) : (1) Joz 1,6 . (2) Re 2,1 . (3) 1 S 3,14 . (4) 2 S 19,8 . (5) 1 K 1,30 .
- nifal perf. 3de pers. mann. enk. נִשְׁבַּע = nisjëba` (hij zwoer) van het werkw. שָׁבָע = sjâbhâ` (zweren, vervolledigen / vervullen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Taalgebruik in Dt : sjâbhâ`(zweren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (45) . Pentateuch (27) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (6) . Dt (22) : (1) Dt 1,8 . (2) Dt 2,14 . (3) Dt 4,31 . (4) Dt 6,10 . (5) Dt 6,18 . (6) Dt 6,23 . (7) Dt 7,8 . (8) Dt 7,12 . (9) Dt 7,13 . (10) Dt 8,1 . (11) Dt 8,18 . (12) Dt 9,5 . (13) Dt 11,9 . (14) Dt 11,21 . (15) Dt 13,18 . (16) Dt 19,8 . (17) Dt 26,3 . (18) Dt 28,9 . (19) Dt 28,11 . (20) Dt 29,12 . (21) Dt 30,20 . (22) Dt 31,7 .
- Gr. ομνυμι = omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in de Septuaginta. : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in het NT : omnumi (zweren, onder ede beloven) .
- Lat. jurare . Fr. jurer . E. to swear . D. schwören .

Gn 26,3.18. - 19. אֲשֶׁר נִשְׁבַּעְתִּי = ´äsjèr nisjëba`ëthî (het land dat ik zwoer) . Tenakh (14) : (1) Gn 26,3 . (2) Gn 33,1 . (3) Nu 14,23 . (4) Nu 32,11 . (5) Dt 1,35 . (6) Dt 10,11 . (7) Dt 31,20 . (8) Dt 31,23 . (9) Dt 34,4 . (10) Joz 1,6 . (11) Re 2,1 . (12) Ps 95,11 . (13) Js 54,9 . (14) Jr 11,5 .
- = hâ´ârèts ´äsjèr nisjëba`ëthî (het land dat ik zwoer) . Tenakh (7) : (1) Gn 33,1 . (2) Nu 14,23 . (3) Dt 10,11 . (4) Dt 31,23 . (5) Dt 34,4 . (6) Joz 1,6 . (7) Re 2,1 .
- אֲשֶׁר נִשְׁבַּע = ´äsjèr nisjëba` (dat hij zwoer) . Tenakh (24/4012 en 24/45) . Dt (17/ 397 en 17/22) : (1) Dt 1,8 . (2) Dt 4,31 . (3) Dt 6,10 . (4) Dt 6,18 . (5) Dt 6,23 . (6) Dt 7,8 . (7) Dt 7,12 . (8) Dt 7,13 . (9) Dt 8,1 . (10) Dt 8,18 . (11) Dt 9,5 . (12) Dt 11,9 . (13) Dt 11,21 . (14) Dt 26,3 . (15) Dt 28,11 . (16) Dt 30,20 . (17) Dt 31,7 .
- כַּאֲשֶׁר נִשְׁבַּע = ka´äsjèr nisjëba` (zoals hij zwoer) . Dt (4/488 en 4/22) : (1) Dt 2,14 . (2) Dt 13,18 . (3) Dt 19,8 . (4) Dt 28,9 .
- wëka´äsjèr nisjëba` (zoals hij zwoer) . Dt (1/15 en 1/22) Dt 29,12 . Uiteindelijk 22/22 .

Gn 26,3.20. לְאַבְרָהָם = lë´abhërâhâm (aan Abraham) < voorzetsel lë + אַבְרָהָם = ´abhërâhâm (Abraham) . Zie : אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 248 (2³ X 31) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (27) . Pentateuch (26) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (0) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (0) . Gn (15) : (1) Gn 20,9 . (2) Gn 20,14 . (3) Gn 21,2 . (4) Gn 21,7 . (5) Gn 21,9 . (6) Gn 21,10 . (7) Gn 22,20 . (8) Gn 23,18 . (9) Gn 23,20 . (10) Gn 25,6 . (11) Gn 25,12 . (12) Gn 26,3 . (13) Gn 28,4 . (14) Gn 35,12 . (15) Gn 50,24 . (16) Ex 6,8 . (17) Ex 32,13 . (18) Ex 33,1 . (19) Nu 32,11 . (20) Dt 1,8 . (21) Dt 6,10 . (22) Dt 9,5 . (23) Dt 9,27 . (24) Dt 29,12 . (25) Dt 30,20 . (26) Dt 34,4 . (27) Mi 7,20 .
- אֶל אַבְרָהָם = ´èl ´abhërâhâm (tot Abraham) . Tenakh (12) : (1) Gn 17,9 . (2) Gn 17,15 . (3) Gn 18,13 . (4) Gn 18,33 . (5) Gn 20,10 . (6) Gn 21,12 . (7) Gn 21,22 . (8) Gn 21,29 . (9) Gn 22,7 . (10) Gn 22,15 . (11) Ex 6,3 . (12) Js 51,2 .


Gn 26,4 - Gn 26,4 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4 καὶ πληθυνῶ τὸ σπέρμα σου ὡς τοὺς ἀστέρας τοῦ οὐρανοῦ καὶ δώσω τῷ σπέρματί σου πᾶσαν τὴν γῆν ταύτην, καὶ εὐλογηθήσονται ἐν τῷ σπέρματί σου πάντα τὰ ἔθνη τῆς γῆς, 4 et multiplicabo semen tuum sicut stellas caeli daboque posteris tuis universas regiones has et benedicentur in semine tuo omnes gentes terrae   4 En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, [4] Ik zal uw nakomelingen talrijk maken als de sterren aan de hemel, en aan uw nageslacht zal Ik heel dit gebied schenken. Door uw nakomelingen zal zegen* komen over alle volken van de aarde,     4 ik zal jouw zaad zo overvloedig maken als de sterren aan de hemel,- geven zal ik aan jouw zaad al deze landstreken; door jouw zaad zullen zich gezegend weten alle volkeren van het aardland,- 4. Je rendrai ta postérité nombreuse comme les étoiles du ciel, je lui donnerai tous ces pays et par ta postérité se béniront toutes les nations de la terre,

King James Bible . [4] And I will make thy seed to multiply as the stars of heaven, and will give unto thy seed all these countries; and in thy seed shall all the nations of the earth be blessed;
Luther-Bibel . 4 und will deine Nachkommen mehren wie die Sterne am Himmel und will deinen Nachkommen alle diese Länder geben. Und durch dein Geschlecht sollen alle Völker auf Erden gesegnet werden,
Hebreeuws (MT):

Tekstuitleg van

4. כְּכוֹכְבֵי = këkhôkhëbhê (als sterren) < prefix voorzetsel kë + zelfst. naamw. mann. mv. stat. constr. . Zie כוֹכָב = kôkhâbh (ster) . Taalgebruik in Tenakh : kôkhâbh (ster) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 ; waw = 6 , beth = 2 . Totaal : 30 (5 X 6) OF 48 (2² X 2² X 3) . Structuur : 2 - 6 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (7) : (1) Gn 22,17 . (2) Gn 26,4 . (3) Ex 32,13 . (4) Dt 1,10 . (5) Dt 10,22. (6) Dt 28,62 . (7) 1 Kr 27,23 .

4. - 5. Op een aantal bijbelplaatsen vinden we de vergelijking van het talrijk nageslacht met de sterren van de hemel : (1) כְּכוֹכְבֵי הַשָּׁמַיִם = këkhôkhëbhê hasjsjâmajim (als sterren van de hemelen) . Tenakh (5) : (1) Gn 22,17 . (2) Gn 26,4 . (3) Dt 1,10 . (4) Dt 10,22. (5) Dt 28,62 . (2) כְּכוֹכְבֵי הַשָּׁמָיִם = këkhôkhëbhê hasjsjâmajim (als sterren van de hemelen) . Tenakh (2) : (1) Ex 32,13 . (2) 1 Kr 27,23 .

Gn 26,5 - Gn 26,5 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5 ἀνθ᾿ ὧν ὑπήκουσεν ῾Αβραὰμ ὁ πατήρ σου τῆς ἐμῆς φωνῆς καὶ ἐφύλαξε τὰ προστάγματά μου καὶ τὰς ἐντολάς μου καὶ τὰ δικαιώματά μου καὶ τὰ νόμιμά μου. 5 eo quod oboedierit Abraham voci meae et custodierit praecepta et mandata mea et caerimonias legesque servaverit   5 Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten. [5] omdat Abraham geluisterd heeft naar mijn woord en zich heeft gehouden aan wat Ik hem voorhield: aan mijn geboden, verordeningen en wetten.’     5 als loon daarvoor dat Abraham gehoord heeft naar mijn stem,- en bewaard heeft wat ik te bewaren gaf: mijn geboden, mijn inzettingen en mijn onderrichtingen! 5. en retour de l'obéissance d'Abraham, qui a gardé mes observances, mes commandements, mes règles et mes lois.

King James Bible . [5] Because that Abraham obeyed my voice, and kept my charge, my commandments, my statutes, and my laws.
Luther-Bibel . 5 weil Abraham meiner Stimme gehorsam gewesen ist und gehalten hat meine Rechte, meine Gebote, meine Weisungen und mein Gesetz.
Hebreeuws (MT):

Tekstuitleg van

Gn 26,6 - Gn 26,6 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
6 κατῴκησε δὲ ᾿Ισαὰκ ἐν Γεράροις. 6 mansit itaque Isaac in Geraris   6 Alzo woonde Izak te Gerar. [6] Zo kwam het dat Isaak zich in Gerar vestigde.    6 Dan zet Isaak zich neer in Gerar,- zwerversgasthuis. 6. Ainsi Isaac demeura à Gérar.

King James Bible . [6] And Isaac dwelt in Gerar:
Luther-Bibel . 6 So wohnte Isaak zu Gerar.
Hebreeuws (MT):

Tekstuitleg van

Gn 26,7 - Gn 26,7 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7 ᾿Επηρώτησαν δὲ οἱ ἄνδρες τοῦ τόπου περὶ Ρεβέκκας τῆς γυναικὸς αὐτοῦ, καὶ εἶπεν· ἀδελφή μου ἐστίν· ἐφοβήθη γὰρ εἰπεῖν ὅτι γυνή μου ἐστί, μήποτε ἀποκτείνωσιν αὐτὸν οἱ ἄνδρες τοῦ τόπου περὶ Ρεβέκκας, ὅτι ὡραία τῇ ὄψει ἦν. 7 qui cum interrogaretur a viris loci illius super uxore sua respondit soror mea est timuerat enim confiteri quod sibi esset sociata coniugio reputans ne forte interficerent eum propter illius pulchritudinem   7 En als de mannen van die plaats hem vraagden van zijn huisvrouw, zeide hij: Zij is mijn zuster; want hij vreesde te zeggen, mijn huisvrouw; opdat mij misschien, zeide hij de mannen dezer plaats niet doden, om Rebekka; want zij was schoon van aangezicht. » meer [7] Toen de burgers van die stad hem vragen stelden over zijn vrouw, zei hij: ‘Zij is mijn zus.’ Hij durfde namelijk niet te zeggen dat ze zijn vrouw was, want hij dacht: ‘Anders vermoorden de burgers van die stad mij om Rebekka, want zij is een mooie vrouw.’     7 Maar dan vragen de mannen van dat oord naar zijn vrouw en zegt hij ‘mijn zuster is zij’, want hij is bevreesd om te zeggen ‘mijn vrouw’,- ‘anders zullen de mannen van dit oord mij vermoorden om Rebekka, want zij is goed om aan te zien!’ 7. Les gens du lieu l'interrogèrent sur sa femme et il répondit : C'est ma sœur. Il eut peur de dire : Ma femme, pensant : Les gens du lieu me feront mourir à cause de Rébecca, car elle est belle.

King James Bible . [7] And the men of the place asked him of his wife; and he said, She is my sister: for he feared to say, She is my wife; lest, said he, the men of the place should kill me for Rebekah; because she was fair to look upon.
Luther-Bibel .7 Und wenn die Leute am Ort fragten nach seiner Frau, so sprach er: Sie ist meine Schwester; denn er fürchtete sich zu sagen: Sie ist meine Frau. Er dachte nämlich: Sie könnten mich töten um Rebekkas willen, denn sie ist schön von Gestalt.
Hebreeuws (MT):

Tekstuitleg van Gn 26,7 .

Gn 26,7.1. wajjisjë´älû (en zij vroegen) < wë + act. qal 3de pers. mann. mv. van het werkw. sjâ´al (verlangen, eisen, vragen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâ´al (verlangen, eisen, vragen) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 331 (priemgetal) . Structuur : 3 - 1 - 3 . Tenakh (11) : (1) Gn 26,7 . (2) Ex 11,2 . (3) Ex 12,35 . (4) Ex 18,7 . (5) Re 1,1 . (6) Re 18,15 . (7) Re 20,18 . (8) Re 20,23 . (9) Re 20,27 . (10) 1 S 10,22 . (11) Jr 38,27 .

Gn 26,7.1. - 2. wajjisjë´älû ´anësje(j) (en de mannen van... vroegen) . Tenakh (1) : Gn 26,7 .

Gn 26,8 - Gn 26,8 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8 ἐγένετο δὲ πολυχρόνιος ἐκεῖ· καὶ παρακύψας ᾿Αβιμέλεχ ὁ βασιλεὺς Γεράρων διὰ τῆς θυρίδος, εἶδε τὸν ᾿Ισαὰκ παίζοντα μετὰ Ρεβέκκας τῆς γυναικὸς αὐτοῦ. 8 cumque pertransissent dies plurimi et ibi demoraretur prospiciens Abimelech Palestinorum rex per fenestram vidit eum iocantem cum Rebecca uxore sua   8 En het geschiedde, als hij een langen tijd daar geweest was, dat Abimelech, de koning der Filistijnen, ten venster uitkeek, en hij zag, dat, ziet, Izak was jokkende met Rebekka zijn huisvrouw. [8] Toen hij daar al geruime tijd woonde, keek Abimelek, de koning van de Filistijnen, eens door het venster naar binnen en zag tot zijn verbazing dat Isaak zijn vrouw Rebekka aan het liefkozen* was.    8 Maar het geschiedt wanneer hij daar een lengte van dagen is: eens gluurt Avimelech, koning van de Filistijnen door het schietgat; en wat ziet hij?- ziedaar Isaak,- men lacht, is bezig Rebekka, zijn vrouw, ‘aan het lachen te maken’… 8. Il était là depuis longtemps quand Abimélek, le roi des Philistins, regardant une fois par la fenêtre, vit Isaac qui caressait Rébecca, sa femme.

King James Bible . [8] And it came to pass, when he had been there a long time, that Abimelech king of the Philistines looked out at a window, and saw, and, behold, Isaac was sporting with Rebekah his wife.
Luther-Bibel . 8 Als er nun eine Zeit lang da war, sah Abimelech, der König der Philister, durchs Fenster und wurde gewahr, dass Isaak scherzte mit Rebekka, seiner Frau.
Hebreeuws (MT):

Tekstuitleg van

13. w-j-r-´ : (1) prefix voegwoord wë + act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיַּרְא = wajjarë´ (en hij zag) . (2) prefix voegwoord wë + pass. nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיֵּרָא = wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) . (Lettinga 12 , 2012, 58o) . (3) prefix voegwoord wë + hifil imperf. derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיַּרְא = wajjarë´ van het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Het is een verkorte vorm , zie Joüon 79i . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Taalgebruik in Genesis : râ´âh (zien) . getalswaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (19) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . Gn (50) . Gn 18 (2) : (1) Gn 18,1 . (2) Gn 18,2 . Gn (50) . Gn 12 (1) Gn 12,7 (bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän) . Gn 22 (2) : (1) Gn 22,4 . (2) Gn 22,13 . Gn 26 (3) : (1) Gn 26,2 : wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) . (2) Gn 26,8 : wajjarë´ (en hij zag) . (3) Gn 26,24 : wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) . Ex (17) : (1) Ex 2,11 . (2) Ex 2,12 . (3) Ex 2,25 . (4) Ex 3,2 . (5) Ex 3,4 . (6) Ex 8,11 . (7) Ex 9,34 . (8) Ex 14,30 . (9) Ex 14,31 . (10) Ex 18,14. (11) Ex 20,18 . (12) Ex 32,1 . (13) Ex 32,5 . (14) Ex 32,19 . (15) Ex 32,25 . (16) Ex 34,30 . (17) Ex 39,43 .
- Grieks : pass. ind. aor. 3de pers. enk. ωφθη = ôfthè (hij verscheen, hij werd gezien) van het werkw. ὁραω = horaô (zien) . Taalgebruik in het NT : horaô (zien) . Taalgebruik in de Septuaginta : horaô (zien) . Bijbel (53) . LXX (35) . Gn (9) : (1) Gn 1,9 . (2) Gn 12,7 (JHWH bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän) . (3) Gn 17,1 (JHWH bij de verbondssluiting met Abraham) . (4) Gn 18,1 (JHWH aan Abraham) . (5) Gn 22,14 . (6) Gn 26,2 (JHWH aan Isaak) . (7) Gn 26,24 (JHWH aan Isaak) . (8) Gn 35,9 . (9) Gn 48,3 . (10) Ex 3,2 . (11) Ex 16,10 . (12) Lv 9,23 . (13) Nu 14,10 . (14) Nu 16,19 . (15) Nu 17,7 . (16) Nu 20,6 . (17) Re 6,12 . (18) Re 13,3 . (19) Re 19,30 . (20) 2 S 22,11 . (21) 1 K 3,5 . (22) 1 K 9,2 . (23) Jr 31,3 . (24) Hl 2,12 . (25) Da 4,20 . (26) 2 Kr 1,7 . (27) 2 Kr 3,1 . (28) 2 Kr 7,12 . (29) Tob 12,22 . (30) 1 M 4,6 . (31) 1 M 4,19 . (32) 1 M 9,27 . (33) 2 M 3,25 . (34) Ba 3,22 . (35) Ba 3,38 . NT (18) : (1) Mt 17,3 . (2) Mc 9,4 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 22,43 . (5) Lc 24,34 . (6) Hnd 7,2 . (7) Hnd 7,26 . (8) Hnd 7,30 . (9) Hnd 13,31 . (10) Hnd 16,9 . (11) 1 Kor 15,5 . (12) 1 Kor 15,6 . (13) 1 Kor 15,7 . (14) 1 Kor 15,8 . (15) 1 Tim 3,16 . (16) Apk 11,19 . (17) Apk 12,1 . (18) Apk 12,3

  horaô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  pass. ind. aor. 3de pers. enk. ôfthè   53  35  18  1    

- Ned. : zien . Arabisch : رَاهَ = ra´â (zien) . Taalgebruik in de Qoran : ra´â (zien) . D. : sehen , schauen . E. : to see . Fr. : voir . Gr. : ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) . Hebreeuws : רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Lat. : videre .
- Ned. : verschijnen . D. : erscheinen . E. : appear . Fr. : apparaître . Lat. : apparere .

Gn 26,9 - Gn 26,9 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9 ἐκάλεσε δὲ ᾿Αβιμέλεχ τὸν ᾿Ισαὰκ καὶ εἶπεν αὐτῷ· ἆρά γε γυνή σου ἐστί; τί ὅτι εἶπας, ἀδελφή μου ἐστίν; εἶπε δὲ αὐτῷ ᾿Ισαάκ· εἶπα γάρ, μήποτε ἀποθάνω δι᾿ αὐτήν. 9 et accersito ait perspicuum est quod uxor tua sit cur mentitus es sororem tuam esse respondit timui ne morerer propter eam   9 Toen riep Abimelech Izak, en zeide: Voorwaar, zie, zij is uw huisvrouw! hoe hebt gij dan gezegd: Zij is mijn zuster? En Izak zeide tot hem: Want ik zeide: Dat ik niet misschien om harentwil sterve. [9] Daarop riep hij Isaak bij zich en zei tegen hem: ‘Wat zie ik? Zij is uw vrouw! Hoe hebt u dan kunnen zeggen dat ze uw zus is?’ Isaak zei: ‘Ik was bang dat ik om haar mijn leven zou verliezen.’     9 Avimelech roept Isaak en zegt: echt, ziedaar ze is je vrouw,- hoe heb je kunnen zeggen ‘zij is mijn zuster’? Isaak zegt tot hem: omdat ik zei ‘anders moet ik om haar sterven’! 9. Abimélek appela Isaac et dit : Pour sûr, c'est ta femme ! Comment as-tu pu dire : C'est ma sœur ? Isaac lui répondit : Je me disais : je risque de mourir à cause d'elle.

King James Bible . [9] And Abimelech called Isaac, and said, Behold, of a surety she is thy wife: and how saidst thou, She is my sister? And Isaac said unto him, Because I said, Lest I die for her.
Luther-Bibel . 9 Da rief Abimelech den Isaak und sprach: Siehe, es ist deine Frau. Wie hast du dann gesagt: Sie ist meine Schwester? Isaak antwortete ihm: Ich dachte, ich würde vielleicht sterben müssen um ihretwillen.
Hebreeuws (MT):

Tekstuitleg van

Gn 26,10 - Gn 26,10 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10 εἶπε δὲ αὐτῷ ᾿Αβιμέλεχ· τί τοῦτο ἐποίησας ἡμῖν; μικροῦ ἐκοιμήθη τις ἐκ τοῦ γένους μου μετὰ τῆς γυναικός σου, καὶ ἐπήγαγες ἂν ἐφ᾿ ἡμᾶς ἄγνοιαν. 10 dixitque Abimelech quare inposuisti nobis potuit coire quispiam de populo cum uxore tua et induxeras super nos grande peccatum praecepitque omni populo dicens   10 En Abimelech zeide: Wat is dit, dat gij ons gedaan hebt? Lichtelijk had een van dit volk bij uw huisvrouw gelegen, zodat gij een schuld over ons zoudt gebracht hebben. [10] Toen zei Abimelek: ‘Hoe hebt u ons dat kunnen aandoen? Iemand van het volk had gemakkelijk met uw vrouw gemeenschap kunnen hebben, en dan had u schuld* over ons gebracht.’     10 Dan zegt Avimelech: wat heb je ons aangedaan!- op een haar na had een van de manschap jouw vrouw beslapen en had je schuld over ons doen komen! 10. Abimélek reprit : Qu'est-ce que tu nous as fait là ? Un peu plus, quelqu'un du peuple couchait avec ta femme et tu nous chargeais d'une faute !

King James Bible . [10] And Abimelech said, What is this thou hast done unto us? one of the people might lightly have lien with thy wife, and thou shouldest have brought guiltiness upon us.
Luther-Bibel . 10 Abimelech sprach: Warum hast du uns das angetan? Es wäre leicht geschehen, dass jemand vom Volk sich zu deiner Frau gelegt hätte, und du hättest so eine Schuld auf uns gebracht.
Hebreeuws (MT):

Tekstuitleg van

Gn 26,11 - Gn 26,11 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11 συνέταξε δὲ ᾿Αβιμέλεχ παντὶ τῷ λαῷ αὐτοῦ, λέγων· πᾶς ὁ ἁψάμενος τοῦ ἀνθρώπου τούτου ἢ τῆς γυναικὸς αὐτοῦ, θανάτῳ ἔνοχος ἔσται. 11 qui tetigerit hominis huius uxorem morte morietur   11 En Abimelech gebood het ganse volk, zeggende: Zo wie deze man of zijn huisvrouw aanroert, zal voorzeker gedood worden! [11] En Abimelek gebood heel het volk: ‘Wie deze man of zijn vrouw te na komt, wordt onherroepelijk gedood.’     11 Dan gebiedt Avimelech heel de manschap en zegt: wie deze man of zijn vrouw aanraakt zal met de dood worden gedood! 11. Alors Abimélek donna cet ordre à tout le peuple : Quiconque touchera à cet homme et à sa femme sera mis à mort.

King James Bible . [11] And Abimelech charged all his people, saying, He that toucheth this man or his wife shall surely be put to death.
Luther-Bibel . 11 Da gebot Abimelech allem Volk und sprach: Wer diesen Mann oder seine Frau antastet, der soll des Todes sterben. Isaaks Streit mit den Philistern. Sein Bund mit Abimelech
Hebreeuws (MT):

Tekstuitleg van

Gn 26,12 - Gn 26,12 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12 ἔσπειρε δὲ ᾿Ισαὰκ ἐν τῇ γῇ ἐκείνῃ καὶ εὗρεν ἐν τῷ ἐνιαυτῷ ἐκείνῳ ἑκατοστεύουσαν κριθήν· εὐλόγησε δὲ αὐτὸν Κύριος. 12 seruit autem Isaac in terra illa et invenit in ipso anno centuplum benedixitque ei Dominus   12 En Izak zaaide in datzelve land, en hij vond in datzelve jaar honderd maten; want de HEERE zegende hem. [12] Isaak had in die streek gezaaid en hij oogstte dat jaar honderdvoudig, want de heer zegende hem.    12 Als Isaak in dat land zaait vindt hij in dat jaar honderd vrachten terug: de Ene zegent hem. 12. Isaac fit des semailles dans ce pays et, cette année-là, il moissonna le centuple. Yahvé le bénit

King James Bible . [12] Then Isaac sowed in that land, and received in the same year an hundredfold: and the LORD blessed him.
Luther-Bibel . 12 Und Isaak säte in dem Lande und erntete in jenem Jahre hundertfältig; denn der HERR segnete ihn.

Tekstuitleg van

8. מֵאָה = me´âh (honderd) , zie 100 . Taalgebruik in Tenakh : me´âh (honderd) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 19 , zie 19 , of 46 (2 X 23) , zie 46 . Structuur : 4 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (98) . Pentateuch (15) . Eerdere Profeten (17) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (54) . Gn (6) : (1) Gn 6,3 . (2) Gn 17,17 . (3) Gn 23,1 . (4) Gn 26,12 . (5) Gn 50,22 . (6) Gn 50,26 .
- Grieks . ἑκατον = hekaton (honderd, 100) . Bijbel (211) . OT (194) . NT (17) . Gn (29) .
- Latijn . centum (honderd, 100) . Fr. cent . E. hundred . D. hundert . Aramees : מְאָה = mëâh (honderd, 100) . Arabisch : مِئَة OF مِائَة = mija of miaja (honderd, 100) .

Gn 26,13 - Gn 26,13 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13 καὶ ὑψώθη ὁ ἄνθρωπος. καὶ προβαίνων μείζων ἐγίνετο, ἕως οὗ μέγας ἐγένετο σφόδρα· 13 et locupletatus est homo et ibat proficiens atque succrescens donec magnus vehementer effectus est   13 En die man werd groot, ja, hij werd doorgaans groter, totdat hij zeer groot geworden was. [13] Hij werd steeds rijker en was tenslotte schatrijk.     13 De man groeit,- gaandeweg groeiend totdat hij zeer groot is. 13. et l'homme s'enrichit, il s'enrichit de plus en plus, jusqu'à devenir extrêmement riche.

King James Bible .[13] And the man waxed great, and went forward, and grew until he became very great:
Luther-Bibel . 13 Und er wurde ein reicher Mann und nahm immer mehr zu, bis er sehr reich wurde,

Tekstuitleg van

Gn 26,14 - Gn 26,14 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX12. Isaac fit des semailles dans ce pays et, cette année-là, il moissonna le centuple. Yahvé le bénit 13. et l'homme s'enrichit, il s'enrichit de plus en plus, jusqu'à devenir extrêmement riche. 14. Il avait des troupeaux de gros et de petit bétail et de nombreux serviteurs. Les Philistins en devinrent jaloux. 15. Tous les puits que les serviteurs de son père avaient creusés, - du temps de son père Abraham, - les Philistins les avaient bouchés et comblés de terre.
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14 ἐγένετο δὲ αὐτῷ κτήνη προβάτων καὶ κτήνη βοῶν καὶ γεώργια πολλά. ἐζήλωσαν δὲ αὐτὸν οἱ Φυλιστιείμ, 14 habuit quoque possessionem ovium et armentorum et familiae plurimum ob haec invidentes ei Palestini   14 En hij had bezitting van schapen, en bezitting van runderen, en groot gezin; zodat hem de Filistijnen benijdden. [14] Hij bezat kudden schapen en runderen, en zoveel knechten dat de Filistijnen jaloers op hem werden.    14 Hem gewordt bezit aan wolvee, bezit aan rundvee en een overvloed aan dienstvolk,- zodat de Filistijnen jaloers op hem worden. 14. Il avait des troupeaux de gros et de petit bétail et de nombreux serviteurs. Les Philistins en devinrent jaloux. 1

King James Bible . [14] For he had possession of flocks, and possessions of herds, and great store of servants: and the Philistines envied him.
Luther-Bibel . 14 sodass er viel Gut hatte an kleinem und großem Vieh und ein großes Gesinde. Darum beneideten ihn die Philister.

Tekstuitleg van

 

Gn 26,15 - Gn 26,15 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
15 καὶ πάντα τὰ φρέατα, ἃ ὤρυξαν οἱ παῖδες τοῦ πατρὸς αὐτοῦ ἐν τῷ χρόνῳ τοῦ πατρὸς αὐτοῦ, ἐνέφραξαν αὐτὰ οἱ Φυλιστιεὶμ καὶ ἔπλησαν αὐτὰ γῆς.

Vulg: 15 omnes puteos quos foderant servi patris illius Abraham illo tempore obstruxerunt implentes humo

Statenvertaling: 15 En al de putten, die de knechten van zijn vader, in de dagen van zijn vader Abraham, gegraven hadden, die stopten de Filistijnen, en vulden dezelve met aarde.

Naardense Vertaling: 15 Alle bronnen die de dienaars van zijn vader hebben gegraven in de dagen van zijn vader Abraham, hebben de Filistijnen ten slotte dichtgestopt en ze gevuld met stof.

5. Tous les puits que les serviteurs de son père avaient creusés, - du temps de son père Abraham, - les Philistins les avaient bouchés et comblés de terre.

King James Bible . : [15] For all the wells which his father's servants had digged in the days of Abraham his father, the Philistines had stopped them, and filled them with earth.
Luther-Bibel . 15 Nun hatten sie aber alle Brunnen verstopft, die seines Vaters Knechte gegraben hatten zur Zeit Abrahams, seines Vaters, und hatten sie mit Erde gefüllt.

Tekstuitleg van Gn 26,15 .

Gn 26,15.12. van het werkw. מָלָא = mâlâ´ (vullen, vervullen) . Taalgebruik in Tenakh : mâlâ´ (vullen, vervullen) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , lamed = 12 of 30 , aleph = 1 ; totaal : 26 OF 71 . Structuur : 4 - 3 - 1 . De som van de elementen is telkens 8 .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. mv. επλησαν = eplèsan van het werkw. πιμπλημι = pimplèmi (vullen) . Taalgebruik in het NT : pimplèmi (vullen) . Taalgebruik in de LXX : pimplèmi (vullen) . Bijbel (10) : (1) Gn 26,15 . (2) Ex 2,16 . (3) 1 K 18,35 . (4) Jr 19,4 . (5) Ez 8,17 . (6) Mi 6,12 . (7) Job 3,15 . (8) Ezr 9,11. (9) 2 Kr 16,14 . (10) Lc 5,7 . Een vorm van πιμπλημι = pimplèmi (vervullen, vol maken) in de LXX (116) , in het NT (?) . .
- Lat. replere . Fr. remplir . Ned. vervullen . D. erfüllen . E. to fill .

Gn 26,16 - Gn 26,16 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
16 εἶπε δὲ ᾿Αβιμέλεχ πρὸς ᾿Ισαάκ· ἄπελθε ἀφ᾿ ἡμῶν, ὅτι δυνατώτερος ἡμῶν ἐγένου σφόδρα. 16 in tantum ut ipse Abimelech diceret ad Isaac recede a nobis quoniam potentior nostri factus es valde   16 Ook zeide Abimelech tot Izak: Trek van ons; want gij zijt veel machtiger geworden, dan wij. [16] En Abimelek zei tegen Isaak: ‘Ga bij ons weg, want u bent veel te machtig geworden.’     16 Avimelech zegt tot Isaak: ga bij ons weg, want je bent véél sterker geworden dan wij! 16. Abimélek dit à Isaac : Pars de chez nous, car tu es devenu beaucoup plus puissant que nous.

King James Bible . [16] And Abimelech said unto Isaac, Go from us; for thou art much mightier than we.
Luther-Bibel . 16 Und Abimelech sprach zu ihm: Zieh von uns, denn du bist uns zu mächtig geworden.

Tekstuitleg van

Gn 26,17 - Gn 26,17 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
17 καὶ ἀπῆλθεν ἐκεῖθεν ᾿Ισαὰκ καὶ κατέλυσεν ἐν τῇ φάραγγι Γεράρων καὶ κατῴκησεν ἐκεῖ. 17 et ille discedens veniret ad torrentem Gerarae habitaretque ibi   17 Toen toog Izak van daar, en hij legerde zich in het dal van Gerar, en woonde aldaar. [17] Toen trok Isaak daar weg. Hij sloeg zijn tent op in het dal van Gerar en bleef daar wonen.     17 Dan gaat Isaak van daar weg; hij legert in het beekdal van Gerar en zet zich daar neer. 17. Isaac partit donc de là et campa dans la vallée de Gérar, où il s'établit.

King James Bible . [17] And Isaac departed thence, and pitched his tent in the valley of Gerar, and dwelt there.
Luther-Bibel . 17 Da zog Isaak von dannen und schlug seine Zelte auf im Grunde von Gerar und wohnte da

Tekstuitleg van

Gn 26,18 - Gn 26,18 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
18 καὶ πάλιν ᾿Ισαὰκ ὤρυξε τὰ φρέατα τοῦ ὕδατος, ἃ ὤρυξαν οἱ παῖδες ῾Αβραὰμ τοῦ πατρὸς αὐτοῦ καὶ ἐνέφραξαν αὐτὰ οἱ Φυλιστιεὶμ μετὰ τὸ ἀποθανεῖν ῾Αβραὰμ τὸν πατέρα αὐτοῦ, καὶ ἐπωνόμασεν αὐτοῖς ὀνόματα κατὰ τὰ ὀνόματα, ἃ ὠνόμασεν ὁ πατὴρ αὐτοῦ. 18 rursum fodit alios puteos quos foderant servi patris sui Abraham et quos illo mortuo olim obstruxerant Philisthim appellavitque eos hisdem nominibus quibus ante pater vocaverat   18 Als nu Izak wedergekeerd was, groef hij die waterputten op, die zij ten tijde van Abraham, zijn vader, gegraven, en die de Filistijnen na Abrahams dood toegestopt hadden; en hij noemde derzelver namen naar de namen, waarmede zijn vader die genoemd had. [18] Hij groef de waterputten weer open, die men in de tijd van zijn vader Abraham gegraven had, en die de Filistijnen na Abrahams dood hadden dichtgegooid. Hij gaf ze dezelfde namen die zijn vader ze gegeven had.     18 Isaak keert terug en graaft de waterbronnen open die ze gegraven hebben in de dagen van zijn vader Abraham, en die de Filistijnen hebben dichtgestopt na de dood van Abraham; hij roept voor hen namen uit, naar de namen die zijn vader voor hen heeft uitgeroepen. 18. Isaac creusa de nouveau les puits qu'avaient creusés les serviteurs de son père Abraham et que les Philistins avaient bouchés après la mort d'Abraham, et il leur donna les mêmes noms que son père leur avait donnés.

King James Bible . [18] And Isaac digged again the wells of water, which they had digged in the days of Abraham his father; for the philistines had stopped them after the death of Abraham: and he called their names after the names by which his father had called them.
Luther-Bibel . 18 und ließ die Wasserbrunnen wieder aufgraben, die sie zur Zeit Abrahams, seines Vaters, gegraben hatten und die die Philister verstopft hatten nach Abrahams Tod, und nannte sie mit denselben Namen, mit denen sein Vater sie genannt hatte.

Tekstuitleg van Gn 26,18 .

Gn 26,18.14. וְאַחֲרֵי = wë´achäre(j) (en achter, en na) <. prefix voegwoord wë + voorzetsel (de vorm van een stat. constr. mann. mv.) . Zie : אַחֲרֵי = ´achäre(j) (achter, na) . Taalgebruik in Tenakh : ´achäre(j) (achter) . Getalwaarde : aleph = 1 , chet = 8 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 219 (3 X 73) . Structuur : 1 - 8 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (45) . Pentateuch (17) . Eerdere Profeten (8) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (8) . Gn (5) : (1) Gn 15,14 . (2) Gn 23,19 . (3) Gn 25,26 . (4) Gn 32,21 . (5) Gn 45,15 .
- אַחֲרֵי = ´achäre(j) (achter, na) . Taalgebruik in Tenakh : ´achäre(j) (achter) . Getalwaarde : aleph = 1 , chet = 8 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 219 (3 X 73) . Structuur : 1 - 8 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (294) . Pentateuch (80) . Eerdere Profeten (134) . Latere Profeten (37) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (38) . Gn (39) . Gn 25 (1) : Gn 25,26 .
- In dit woord vinden we de letters אח = ach terug , die staan voor אָח = ´âch (broer) .

Gn 26,18.15. act. qal inf. construct. môth (sterven) van het werkw. mwth (sterven, ondergaan) OF zelfst. naamw. mâwèth / mâwëthâh (dood) . Taalgebruik in Tenakh : mwth (sterven, ondergaan) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , waw = 6 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 41 OF 446 (2 X 223) . Structuur : 4 - 6 - 4 . Tenakh (123) . Pentateuch (41) . Eerdere Profeten (30) . Latere Profeten (16) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (34) . Joz (2) : (1) Joz 1,1 . (2) Joz 20,6 . Re (3) : (1) Re 1,1 . (2) Re 13,22 . (3) Re 21,5 . 1 S (6) : (1) 1 S 5,11 (mawèth) . (2) 1 S 14,39 . (3) 1 S 14,44 . (4) 1 S 20,31 . (5) 1 S 22,16 . (6) 1 S 26,16 . 2 S (7) : (1) 2 S 1,1 . (2) 2 S 12,5 (mawèth) . (3) 2 S 12,14 . (4) 2 S 14,14 . (5) 2 S 19,29 (mawèth) . (6) 2 S 22,5 (mawèth) . (7) 2 S 22,6 (mawèth) . 1 K (4) : (1) 1 K 2,26 (mawèth) . (2) 1 K 2,37 . (3) 1 K 2,42 . (4) 1 K 11,40 . 2 K (8) : (1) 2 K 1,1 . (2) 2 K 1,4 . (3) 2 K 1,6 . (4) 2 K 1,16 . (5) 2 K 2,21 (mawèth) . (6) 2 K 4,40 (mawèth) . (7) 2 K 8,10 . (8) 2 K 14,17 .

Gn 26,18.14 - 15. אַחַרֵי מוֹת = ´achäre(j) môth (na de dood van) . Tenakh (11) : (1) Gn 25,11 (Abraham) . (2) Gn 26,18 (verwijzing naar de dood van Abraham) . (3) Lv 16,1 (na de dood van de twee zonen van Aäron) . (4) Joz 1,1 (Mozes) . (5) Re 1,1 (Jozua) . (6) Rt 2,11 (na de dood van je man. Dit is : de dood van Kiljon , de man van de Moabitische Ruth) . (7) 2 S 1,1 (Saul) . (8) 2 K 1,1 (Achab) . (9) 2 K 14,17 (Joas) . (10) 2 Kr 22,4 (na de dood van zijn vader; d.i. Achab) . (11) 2 Kr 25,25 (Joas) .

Gn 26,18.16. אַבְרָהָם = ´abhërâhâm (Abraham) . Zie אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Genesis : ´abhërâm (Abram) . Getalwaarde : aleph = 1 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 41 , zie 41 of ´èlohîm (God) , OF 248 , zie 248 (8 X 31) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 5 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . Het merkwaardige aan het getal 248 (8 X 31) is de link met de algemene godsnaam El (getalwaarde 31) . De namen van de patriarchen Isaak (208 = 8 X 26) , Jakob (182 = 7 X 26) en Jozef (156 = 6 X 26) zijn gelinkt aan de specifieke godsnaam JHWH . Ook merkwaardig is de opeenvolging van de namen Abraham (8 X 31) en de naam Isaak (8 X 26) . Abraham (41 of 248) + Sarah (46 of 505) = 87 (3 X 29) OF 753 . De som van de elementen is 6 . Merkwaardig is dat de som : Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 (3 X 29) OF 753 (3 X 251) dezelfde is als de som van Abraham + Sarah . Tenakh (128) . Pentateuch (105) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (13) . Gn (98) .


Gn 26,19 - Gn 26,19 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
19 καὶ ὤρυξαν οἱ παῖδες ᾿Ισαὰκ ἐν τῇ φάραγγι Γεράρων καὶ εὗρον ἐκεῖ φρέαρ ὕδατος ζῶντος.  19 foderunt in torrente et reppererunt aquam vivam   19 De knechten van Izak dan groeven in dat dal, en zij vonden aldaar een put van levend water. [19] Terwijl nu Isaaks knechten in het dal van Gerar aan het graven waren, stootten ze daar op een put met stromend water.     19 De dienaars van Isaak graven in het beekdal,- en vinden daar een bron met levend water. 19. Les serviteurs d'Isaac creusèrent dans la vallée et ils trouvèrent là un puits d'eaux vives.

King James Bible . [19] And Isaac's servants digged in the valley, and found there a well of springing water.
Luther-Bibel . 19 Auch gruben Isaaks Knechte im Grunde und fanden dort eine Quelle lebendigen Wassers.

Tekstuitleg van

7. בְאֵר = bhë´er (put, bron) . Taalgebruik in Tenakh : bhë´er (put) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 , resj = 20 of 200 ; totaal : 23 of 203 (7 X 29) . Structuur : 2 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . Dezelfde medeklinkers in het woord = bârâ´ (scheppen) . Zie bârâ´ (scheppen) . Tenakh (38) . Gn (16) . In één vers in Gn 16 . In vier verzen in Gn 21 . In één vers in Gn 22 : Gn 22,19 . In twee verzen in Gn 24 : (1) Gn 24,11 . (2) Gn 24,62 . In één vers in Gn 25 : Gn 25,11 . In zes verzen in Gn 26 : (1) Gn 26,19 . (2) Gn 26,21 . (3) Gn 26,22 . (4) Gn 26,23 . (5) Gn 26,25 . (6) Gn 26,33 . In één vers in Gn 29 : Gn 29,2 .
- הַבְּאֵר = habbë´er (de bron, de put) < prefix bepaald lidw. ha + בְאֵר = bhë´er (put, bron) . Taalgebruik in Tenakh : bhë´er (put) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 , resj = 20 of 200 ; totaal : 23 of 203 (7 X 29) . Structuur : 2 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . Dezelfde medeklinkers in het woord = bârâ´ (scheppen) . Zie bârâ´ (scheppen) . Tenakh (8) : (1) Gn 21,30 . (2) Gn 24,20 . (3) Gn 26,20 . (4) Gn 26,32 . (5) Gn 29,2 . (6) Gn 29,3 . (7) Gn 29,8 . (8) Gn 29,10 .
- φρεαρ = frear (put) . Bijbel (32) . Gn (18) : (1) Gn 16,14 . (2) Gn 21,14 . (3) Gn 21,19 . (4) Gn 21,30 . (5) Gn 21,31 . (6) Gn 22,19 . (7) Gn 24,11 . (8) Gn 24,20 . (9) Gn 24,62 . (10) Gn 25,11 . (11) Gn 26,19 . (12) Gn 26,21 . (13) Gn 26,22 . (14) Gn 26,23 . (15) Gn 26,25 . (16) Gn 26,33 . (17) Gn 29,2 . (18) Gn 46,1 .

Gn 26,20 - Gn 26,20 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
20 καὶ ἐμαχέσαντο οἱ ποιμένες Γεράρων μετὰ τῶν ποιμένων ᾿Ισαάκ, φάσκοντες αὐτῶν εἶναι τὸ ὕδωρ. καὶ ἐκάλεσαν τὸ ὄνομα τοῦ φρέατος ᾿Αδικία· ἠδίκησαν γὰρ αὐτόν. 20 sed et ibi iurgium fuit pastorum Gerarae adversum pastores Isaac dicentium nostra est aqua quam ob rem nomen putei ex eo quod acciderat vocavit Calumniam 2   20 En de herders van Gerar twistten met Izaks herders, zeggende: Dit water hoort ons toe! Daarom noemde hij den naam van dien put Esek, omdat zij met hem gekeven hadden. [20] Maar de herders van Gerar kregen ruzie met die van Isaak; zij zeiden: ‘Dat water is van ons.’ Daarom noemde hij die put Esek, omdat ze daar ruzie gemaakt hadden.    20 Dan maken de herders van Gerar ruzie met de herders van Isaak en zeggen: dat water is voor ons! Hij roept als naam voor de bron uit ‘Esek’,- kijfhoek!, omdat ze met hem aan het kijven zijn geweest. 20. Mais les bergers de Gérar entrèrent en dispute avec les bergers d'Isaac, disant : L'eau est à nous ! Isaac nomma ce puits Éseq, parce qu'ils s'étaient querellés avec lui.

King James Bible . [20] And the herdmen of Gerar did strive with Isaac's herdmen, saying, The water is ours: and he called the name of the well Esek; because they strove with him.
Luther-Bibel . 20 Aber die Hirten von Gerar zankten mit den Hirten Isaaks und sprachen: Das Wasser ist unser. Da nannte er den Brunnen »Zank«, weil sie mit ihm da gezankt hatten.

Tekstuitleg van

Gn 26,21 - Gn 26,21 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
21 ἀπάρας δὲ ᾿Ισαὰκ ἐκεῖθεν ὤρυξε φρέαρ ἕτερον, ἐκρίνοντο δὲ καὶ περὶ ἐκείνου· καὶ ἐπωνόμασε τὸ ὄνομα αὐτοῦ ᾿Εχθρία. 21 foderunt et alium et pro illo quoque rixati sunt appellavitque eum Inimicitias   21 Toen groeven zij een anderen put, en daar twistten zij ook over; daarom noemde hij deszelfs naam Sitna. [21] Toen zij een andere put groeven, kregen zij ook daarover ruzie; om die reden noemde hij hem Sitna.     21 Ze graven een andere bron en maken ook dáárover ruzie,- en hij roept als naam daarvoor uit ‘Sitna’,- satanswater! 21. Ils creusèrent un autre puits et il y eut encore une dispute à son propos; il le nomma Sitna.

King James Bible . [21] And they digged another well, and strove for that also:and he called the name of it Sitnah.
Luther-Bibel . 21 Da gruben sie einen andern Brunnen. Darüber stritten sie auch, darum nannte er ihn »Streit«.

Tekstuitleg van

Gn 26,22 - Gn 26,22 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22 ἀπάρας δὲ ἐκεῖθεν ὤρυξε φρέαρ ἕτερον, καὶ οὐκ ἐμαχέσαντο περὶ αὐτοῦ· καὶ ἐπωνόμασε τὸ ὄνομα αὐτοῦ Εὐρυχωρία, λέγων· διότι νῦν ἐπλάτυνε Κύριος ἡμῖν καὶ ηὔξησεν ἡμᾶς ἐπὶ τῆς γῆς. 22 profectus inde fodit alium puteum pro quo non contenderunt itaque vocavit nomen illius Latitudo dicens nunc dilatavit nos Dominus et fecit crescere super terram   22 En hij brak op van daar, en groef een anderen put, en zij twistten over dien niet; daarom noemde hij deszelfs naam Rehoboth, en zeide: Want nu heeft ons de HEERE ruimte gemaakt, en wij zijn gewassen in dit land. [22] Daarop verliet hij die plaats en groef een andere put; daarover kregen ze geen ruzie meer. Die put gaf hij de naam Rechobot, want hij zei: ‘Nu heeft de heer ons ruimte gegeven, zodat wij kunnen groeien in dit land.’    22 Hij breekt daarvandaan op en graaft een andere bron,- en daarover hebben ze geen ruzie gemaakt; hij roept als naam voor haar uit Rechovot,- ruimten!, hij zegt: want nu heeft de Ene ruimte gemaakt voor ons en hebben wij vrucht gedragen op het land! 22. Alors il partit de là et creusa un autre puits, et il n'y eut pas de dispute à son propos; il le nomma Rehobot et dit : Maintenant Yahvé nous a donné le champ libre pour que nous prospérions dans le pays.

King James Bible . [22] And he removed from thence, and digged another well; and for that they strove not: and he called the name of it Rehoboth; and he said, For now the LORD hath made room for us, and we shall be fruitful in the land.
Luther-Bibel . 22 Da zog er weiter und grub noch einen andern Brunnen. Darüber zankten sie sich nicht, darum nannte er ihn »Weiter Raum« und sprach: Nun hat uns der HERR Raum gemacht und wir können wachsen im Lande.

Tekstuitleg van

1. וַיַּעְתֵּק = wajja`theq (en hij ging verder) < prefix waw consecutivum + act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. עָתַק = `âthaq (opbreken) . Taalgebruik in Tenakh : `âthaq (opbreken) . Tenakh (2) : (1) Gn 12,8 . (2) Gn 26,22 .

Gn 26,23 - Gn 26,23 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23 ᾿Ανέβη δὲ ἐκεῖθεν ἐπὶ τὸ φρέαρ τοῦ ὅρκου. 23 ascendit autem ex illo loco in Bersabee   23 Daarna toog hij van daar op naar Ber-seba.
[23] Vandaar ging hij naar Berseba. 
  23 Hij klimt vandaar op naar Beëer Sjeva,- bron van zeven, bron waar gezworen. 23. De là il monta à Bersabée.

King James Bible . [23] And he went up from thence to Beer-sheba.
Luther-Bibel . 23 Danach zog er von dannen nach Beerscheba.

Tekstuitleg van

1. ויעל = wj`l : (1) verbindingsletter wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיַּעַל / וַיָּעַל = wajja`al / wajjâ`al (en hij klom op) . (2) verbindingsletter wë + act. qal jussief 3de pers. mann. enk. וְיַּעַל = wëja`al (en ga op) van het werkw. עָלָה = `âlâh (opgaan, opklimmen) . Taalgebruik in Tenakh : `âlâh (opgaan, opklimmen) . Tenakh (115) . Pentateuch (26) . Eerdere Profeten (63) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (18) . Gn (10) : (1) Gn 8,20 . (2) Gn 13,1 . (3) Gn 17,22 . (4) Gn 19,30 . (5) Gn 26,23 . (6) Gn 35,13 . (7) Gn 38,12 . (8) Gn 46,29 . (9) Gn 50,7 . (10) Gn 50,9 . Ex (11) : (1) Ex 10,12 . (2) Ex 10,14 . (3) Ex 19,18 . (4) Ex 19,20 . (5) Ex 24,9 . (6) Ex 24,13 . (7) Ex 24,15 . (8) Ex 24,18 . (9) Ex 34,4 . (10) Ex 40,25 . (11) Ex 40,29 . Dt (1) Dt 34,1 . Joz (7) : (1) Joz 6,20 . (2) Joz 8,10 . (3) Joz 10,7 . (4) Joz 10,36 . (5) Joz 15,15 . (6) Joz 18,11 . (7) Joz 19,10 . Re (10) : (1) Re 1,4 . (2) Re 2,1 . (3) Re 4,10 . (4) Re 8,8 . (5) Re 8,11 . (6) Re 9,48 . (7) Re 13,19 . (8) Re 13,20 . (9) Re 14,2 . (10) Re 14,19 . 1 S (9) : (1) 1 S 1,21 . (2) 1 S 2,6 . (3) 1 S 11,1 . (4) 1 S 13,9 . (5) 1 S 13,15 . (6) 1 S 14,13 . (7) 1 S 14,46 . (8) 1 S 24,1 . (9) 1 S 27,8 . 2 K (16) : (1) 2 K 1,9 . (2) 2 K 1,13 . (3) 2 K 2,11 . (4) 2 K 2,23 . (5) 2 K 4,34 . (6) 2 K 4,35 . (7) 2 K 6,24 . (8) 2 K 12,11 . (9) 2 K 12,19 . (10) 2 K 14,11 . (11) 2 K 15,14 . (12) 2 K 16,9 . (13) 2 K 16,12 . (14) 2 K 17,5 . (15) 2 K 19,14 . (16) 2 K 23,2 .

1. - 2. wajja`al misjsjâm (en hij klom op vandaar) . Tenakh (5) : (1) Gn 26,23 . (2) Joz 15,15 . (3) Re 8,8 . (4) 2 S 21,13 . (5) 2 K 2,23 .


Gn 26,24 - Gn 26,24 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
24 καὶ ὤφθη αὐτῷ Κύριος ἐν τῇ νυκτὶ ἐκείνῃ καὶ εἶπεν· ἐγώ εἰμι ὁ Θεὸς ῾Αβραὰμ τοῦ πατρός σου· μὴ φοβοῦ· μετὰ σοῦ γάρ εἰμι καὶ εὐλογήσω σε καὶ πληθυνῶ τὸ σπέρμα σου δι᾿ ῾Αβραὰμ τὸν πατέρα σου. 24 ubi apparuit ei Dominus in ipsa nocte dicens ego sum Deus Abraham patris tui noli metuere quia tecum sum benedicam tibi et multiplicabo semen tuum propter servum meum Abraham   24 En de HEERE verscheen hem in denzelven nacht, en zeide: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil. [24] Op een nacht verscheen hem de heer en zei: ‘Ik ben de God van uw vader Abraham; vrees niet, want Ik sta u bij. Ik zal u zegenen en uw nakomelingen talrijk maken omwille van mijn dienaar Abraham.’    24 In die nacht laat de Ene zich aan hem zien en zegt: ik ben de God van je vader Abraham; vrees niet want bij jou ben ik, zegenen zal ik je en talrijk maken zal ik je zaad omwille van Abraham mijn dienaar! 24. Yahvé lui apparut cette nuit-là et dit : Je suis le Dieu de ton père Abraham. Ne crains rien, car je suis avec toi. Je te bénirai, je multiplierai ta postérité, en considération de mon serviteur Abraham.

King James Bible . [24] And the LORD appeared unto him the same night, and said, I am the God of Abraham thy father: fear not, for I am with thee, and will bless thee, and multiply thy seed for my servant Abraham's sake.
Luther-Bibel . 24 Und der HERR erschien ihm in derselben Nacht und sprach: Ich bin der Gott deines Vaters Abraham. Fürchte dich nicht, denn ich bin mit dir und will dich segnen und deine Nachkommen mehren um meines Knechtes Abraham willen.

Tekstuitleg van

1. w-j-r-´ : (1) prefix voegwoord wë + act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיַּרְא = wajjarë´ (en hij zag) . (2) prefix voegwoord wë + pass. nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיֵּרָא = wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) . (Lettinga 12 , 2012, 58o) . (3) prefix voegwoord wë + hifil imperf. derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיַּרְא = wajjarë´ van het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Het is een verkorte vorm , zie Joüon 79i . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Taalgebruik in Genesis : râ´âh (zien) . getalswaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (19) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . Gn (50) . Gn 18 (2) : (1) Gn 18,1 . (2) Gn 18,2 . Gn (50) . Gn 12 (1) Gn 12,7 (bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän) . Gn 22 (2) : (1) Gn 22,4 . (2) Gn 22,13 . Gn 26 (3) : (1) Gn 26,2 : wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) . (2) Gn 26,8 : wajjarë´ (en hij zag) . (3) Gn 26,24 : wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) . Ex (17) : (1) Ex 2,11 . (2) Ex 2,12 . (3) Ex 2,25 . (4) Ex 3,2 . (5) Ex 3,4 . (6) Ex 8,11 . (7) Ex 9,34 . (8) Ex 14,30 . (9) Ex 14,31 . (10) Ex 18,14. (11) Ex 20,18 . (12) Ex 32,1 . (13) Ex 32,5 . (14) Ex 32,19 . (15) Ex 32,25 . (16) Ex 34,30 . (17) Ex 39,43 .
- Grieks : pass. ind. aor. 3de pers. enk. ωφθη = ôfthè (hij verscheen, hij werd gezien) van het werkw. ὁραω = horaô (zien) . Taalgebruik in het NT : horaô (zien) . Taalgebruik in de Septuaginta : horaô (zien) . Bijbel (53) . LXX (35) . Gn (9) : (1) Gn 1,9 . (2) Gn 12,7 (JHWH bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän) . (3) Gn 17,1 (JHWH bij de verbondssluiting met Abraham) . (4) Gn 18,1 (JHWH aan Abraham) . (5) Gn 22,14 . (6) Gn 26,2 (JHWH aan Isaak) . (7) Gn 26,24 (JHWH aan Isaak) . (8) Gn 35,9 . (9) Gn 48,3 . (10) Ex 3,2 . (11) Ex 16,10 . (12) Lv 9,23 . (13) Nu 14,10 . (14) Nu 16,19 . (15) Nu 17,7 . (16) Nu 20,6 . (17) Re 6,12 . (18) Re 13,3 . (19) Re 19,30 . (20) 2 S 22,11 . (21) 1 K 3,5 . (22) 1 K 9,2 . (23) Jr 31,3 . (24) Hl 2,12 . (25) Da 4,20 . (26) 2 Kr 1,7 . (27) 2 Kr 3,1 . (28) 2 Kr 7,12 . (29) Tob 12,22 . (30) 1 M 4,6 . (31) 1 M 4,19 . (32) 1 M 9,27 . (33) 2 M 3,25 . (34) Ba 3,22 . (35) Ba 3,38 . NT (18) : (1) Mt 17,3 . (2) Mc 9,4 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 22,43 . (5) Lc 24,34 . (6) Hnd 7,2 . (7) Hnd 7,26 . (8) Hnd 7,30 . (9) Hnd 13,31 . (10) Hnd 16,9 . (11) 1 Kor 15,5 . (12) 1 Kor 15,6 . (13) 1 Kor 15,7 . (14) 1 Kor 15,8 . (15) 1 Tim 3,16 . (16) Apk 11,19 . (17) Apk 12,1 . (18) Apk 12,3

  horaô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  pass. ind. aor. 3de pers. enk. ôfthè   53  35  18  1    

- Ned. : zien . Arabisch : رَاهَ = ra´â (zien) . Taalgebruik in de Qoran : ra´â (zien) . D. : sehen , schauen . E. : to see . Fr. : voir . Gr. : ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) . Hebreeuws : רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Lat. : videre .
- Ned. : verschijnen . D. : erscheinen . E. : appear . Fr. : apparaître . Lat. : apparere .

2. אֵלָיו = ´elâ(j)w (tot hem) . Voorvoegsel ´el + suffix derde persoon mannelijk enkelvoud . ´l : voorzetsel ´èl (naar, tot) OF godsnaam El . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl OF ontkenning ´al (niet) . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . Tenakh (407) . Pentateuch (118) . Eerdere Profeten (182) . Latere Profeten (32) . 12 Kleine Profeten (15) . Geschriften (60) . Gn (53) .
- Lettinga 12, 2012, 63k : Bij ´èl zijn de suffixen verbonden met de oorspronkelijke vorm op aj . Zo ontstaan er vormen die er uitzien als het meervoud met suffixen .

1. - 2. ןַיַּרְא אֵלָיו = wajjerâ´ ´elâ(j)w (en hij verscheen aan hem) . Tenakh (5) : (1) Gn 18,1 . (2) Gn 26,2 . (3) Gn 26,24 . (4) Gn 46,29 . (5) Re 6,12 .

1. - 3. wajjerâ´ JHWH (en JHWH verscheen) . Tenach (5) : (1) Gn 12,7 (bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän) . (2) Gn 17,1 (bij de verbondssluiting met Abraham) . (3) Dt 31,15 (bij de aanstelling van Jozua) . (4) 1 K 9,2 (aan Salomo) . (5) 2 Kr 7,12 (aan Salomo) .
- wajjerâ´ ´elâjw JHWH (en JHWH verscheen aan hem) . Tenach (3) : (1) Gn 18,1 (JHWH aan Abraham) . (2) Gn 26,2 (JHWH aan Isaak) . (3) Gn 26,24 (JHWH aan Isaak) .
- wajjerâ´ khëbhôd JHWH (en de heerlijkheid van JHWH verscheen) . Tenach (4) : (1) Lv 9,23 . (2) Nu 16,19 . (3) Nu 17,7 . (4) Nu 20,6 .
- wajjerâ´ malë´akh JHWH (en de engel van JHWH verscheen) . Tenach (2) : (1) Ex 3,2 (aan Mozes in de doornstruik) . (2) Re 13,3 (aan de moeder van Simson) .
- wajjerâ´ ´èlohîm (en God verscheen) . Enkel in Gn 35,9 (aan Jakob) .
- wajjerâ´ (en Hij verscheen aan Abraham... ) . Tenach (1) : Ex 6,3 (aan Mozes) .
Volgens deze gegevens zou JHWH driemaal aan Abram / Abraham verschenen zijn : (1) Gn 12,7 . (2) Gn 17,1 . (3) Gn 18,1 .
Tweemaal wordt uitdrukkelijk vermeld dat JHWH verscheen aan Abram (wajjerâ´ JHWH ´èl ´abhërâm : (1) Gn 12,7 . (2) Gn 17,1) . In Gn 18,1 wordt de naam van Abraham niet vermeld . Het kan betekenen dat het vers in het verlengde ligt van het vorige hoofdstuk waar de belofte van Isaak werd aangekondigd . Dit is een belangrijk verschijnen van JHWH , want in Gn 18 wordt de geboorte van Isaak aangekondigd .

Gn 26,25 - Gn 26,25 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
25 καὶ ᾠκοδόμησεν ἐκεῖ θυσιαστήριον καὶ ἐπεκαλέσατο τὸ ὄνομα Κυρίου καὶ ἔπηξεν ἐκεῖ τὴν σκηνὴν αὐτοῦ· ὤρυξαν δὲ ἐκεῖ οἱ παῖδες ᾿Ισαὰκ φρέαρ ἐν τῇ φάραγγι Γεράρων. 25 itaque aedificavit ibi altare et invocato nomine Domini extendit tabernaculum praecepitque servis suis ut foderent puteum   25 Toen bouwde hij daar een altaar, en riep den Naam des HEEREN aan. En hij sloeg aldaar zijn tent op; en Izaks knechten groeven daar een put. [25] Isaak richtte op die plaats een altaar op en riep* de naam van de heer aan. Hij sloeg daar zijn tent op en zijn knechten groeven er een put.    25 Hij bouwt daar een altaar, hij roept de naam aan van de Ene en spant daar zijn tent; dan delven daar de dienaars van Isaak een bron op. 25. Il bâtit là un autel et invoqua le nom de Yahvé. Il dressa là sa tente. Les serviteurs d'Isaac forèrent un puits.

King James Bible . [25] And he builded an altar there, and called upon the name of the LORD and pitched his tent there: and there Isaac's servants digged a well.
Luther-Bibel . 25 Dann baute er dort einen Altar und rief den Namen des HERRN an und schlug dort sein Zelt auf und seine Knechte gruben dort einen Brunnen.

Tekstuitleg van

1. - 3. וַיִּבֶן שָׁם מִזְבֵחַ = wajjibhèn sjâm mizëbeach (en hij bouwde daar een altaar) . Tenakh (6) : (1) Gn 12,7 (Abram te Sichem) . (2) Gn 12,8 (Abram tussen Betel en Ai) . (3) Gn 13,18 (Abram te Hebron) . (4) Gn 26,25 (Isaak te Berseba) . (5) Gn 35,7 (Jakob te Betel) . (6) 1 S 7,17 (Samuël te Rama) .

5. - 6. bësjem JHWH (in de naam JHWH) . Tenach (37) . Gn (5) : (1) Gn 4,26 . (2) Gn 12,8 . (3) Gn 13,4 . (4) Gn 21,33 . (5) Gn 26,25 .

4. - 6. wajjiqërâ´ bësjem JHWH . Tenach (2) Gn 12,8 . (5) Gn 26,25 .

Gn 26,26 - Gn 26,26 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
26 καὶ ᾿Αβιμέλεχ ἐπορεύθη πρὸς αὐτὸν ἀπὸ Γεράρων καὶ ῾Οχοζὰθ ὁ νυμφαγωγὸς αὐτοῦ καὶ Φιχὸλ ὁ ἀρχιστράτηγος τῆς δυνάμεως αὐτοῦ. 26 ad quem locum cum venissent de Geraris Abimelech et Ochozath amicus illius et Fichol dux militum   26 En Abimelech trok tot hem van Gerar, met Ahuzzat, zijn vriend, en Pichol, zijn krijgsoverste. [26] Nu ging Abimelek vanuit Gerar naar hem toe, in gezelschap van zijn vertrouweling Achuzzat en zijn legeroverste Pikol.     26 Avimelech is vanuit Gerar naar hem toegegaan,- met Achoezat, zijn makker, en Pichol, de vorst van zijn strijdschaar. 26. Abimélek vint le voir de Gérar, avec Ahuzzat son familier et Pikol le chef de son armée.

King James Bible . [26] Then Abimelech went to him from Gerar, and Ahuzzath one of his friends, and Phichol the chief captain of his army.
Luther-Bibel . 26 Und Abimelech ging zu ihm von Gerar mit Ahusat, seinem Freund, und Pichol, seinem Feldhauptmann.

Tekstuitleg van

Gn 26,27 - Gn 26,27 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
27 καὶ εἶπεν αὐτοῖς ᾿Ισαάκ· ἵνα τί ἤλθετε πρός με; ὑμεῖς δὲ ἐμισήσατέ με καὶ ἐξαπεστείλατέ με ἀφ᾿ ὑμῶν. 27 locutus est eis Isaac quid venistis ad me hominem quem odistis et expulistis a vobis   27 En Izak zeide tot hen: Waarom zijt gij tot mij gekomen, daar gij mij haat, en hebt mij van u weggezonden? [27] Isaak vroeg hem: ‘Waarom komt u naar mij toe? U bent mij toch vijandig gezind en u hebt mij toch weggejaagd?’     27 Isaak zegt tot hen: waarom wel zijt ge tot mij gekomen?- u die mij steeds hebt gehaat en mij bij u vandaan hebt gezonden! 27. Isaac leur dit : Pourquoi venez-vous à moi, puisque vous me haïssez et que vous m'avez renvoyé de chez vous ?

King James Bible . [27] And Isaac said unto them, Wherefore come ye to me, seeing ye hate me, and have sent me away from you?
Luther-Bibel . 27 Aber Isaak sprach zu ihnen: Warum kommt ihr zu mir? Hasst ihr mich doch und habt mich von euch getrieben.

Tekstuitleg van

Gn 26,28 - Gn 26,28 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
28 οἱ δὲ εἶπαν· ἰδόντες ἑωράκαμεν, ὅτι ἦν Κύριος μετὰ σοῦ, καὶ εἴπαμεν· γενέσθω ἀρὰ ἀνὰ μέσον ἡμῶν καὶ ἀνὰ μέσον σοῦ, καὶ διαθησόμεθα μετὰ σοῦ διαθήκην, 28 qui responderunt vidimus tecum esse Dominum et idcirco nunc diximus sit iuramentum inter nos et ineamus foedus   28 En zij zeiden: Wij hebben merkelijk gezien, dat de HEERE met u is; daarom hebben wij gezegd: Laat toch een eed tussen ons zijn, tussen ons en tussen u, en laat ons een verbond met u maken: [28] Zij antwoordden: ‘Wij zien nu duidelijk dat de heer met u is, en wij dachten: Laat er nu een eed zijn tussen ons. Laat ons een verbond sluiten,    28 Zij zeggen: met inzicht hebben we gezien hoe de Ene met je is geweest, dus zeggen we: laat er toch geen vloek wezen tussen ons beiden, tussen ons en jou; laten we een verbond met jou smeden, 28. Ils répondirent : Nous avons eu l'évidence que Yahvé était avec toi et nous avons dit : Qu'il y ait un serment entre nous et toi et concluons une alliance avec toi :

King James Bible . [28] And they said, We saw certainly that the LORD was with thee: and we said, Let there be now an oath betwixt us, even betwixt us and thee, and let us make a covenant with thee;
Luther-Bibel . 28 Sie sprachen: Wir sehen mit sehenden Augen, dass der HERR mit dir ist. Darum sprachen wir: Es soll ein Eid zwischen uns und dir sein, und wir wollen einen Bund mit dir schließen,

Tekstuitleg van

16. bërîth (verbond) . Taalgebruik in Tenach : bërîth (verbond) . Taalgebruik in Genesis : bërîth (verbond) . Taalgebruik in Jesaja : bërîth (verbond) . Getalwaarde : beth = 2 , resj = 20 of 300 , jod = 10 , taw = 22 of 500 ; totaal : 54 of 812 . Gr. diathèkè (verbond) . Taalgebruik in het N.T. : diathèkè (verbond) . diatithèmi = tussen-stellen . Lat. foedus (zie b.v. federaal) , testamentum . E. testament . Fr. alliance . E. covenant . Ned. testamment , verbond , overeenkomst . D. Bund . Tenach (132) . Pentateuch (32) . In negen verzen in Gn . (1) Gn 9,13 (boog : teken van het verbond) . (2) Gn 9,16 (verbond tussen God en de mensen) . (3) Gn 14,13 (bondgenoten van Abram) . (4) Gn 15,18 (JHWH sloot een verbond met Abram) . (5) Gn 17,11 (verbond van God met Abraham en zijn nageslacht) . (6) Gn 21,27 (verbond tussen Abraham en Abimelech) . (7) Gn 21,32 (verbond tussen Abraham en Abimelech) . (8) Gn 26,28 (verbond tussen Isaak en Abimelech) . (9) Gn 31,44 (verbond tussen Laban en Jakob) . Een vorm van diathèkè (verbond) in het N.T. (33) . Syn. en ev. (4) . In de LXX (358) .

Gn 26,29 - Gn 26,29 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
29 μὴ ποιῆσαι μεθ᾿ ἡμῶν κακόν, καθότι οὐκ ἐβδελυξάμεθά σε ἡμεῖς, καὶ ὃν τρόπον ἐχρησάμεθά σοι καλῶς καί ἐξαπεστείλαμέν σε μετ᾿ εἰρήνης· καὶ νῦν εὐλογημένος σὺ ὑπὸ Κυρίου. 29 ut non facias nobis quicquam mali sicut et nos nihil tuorum adtigimus nec fecimus quod te laederet sed cum pace dimisimus auctum benedictione Domini   29 Zo gij bij ons kwaad doet, gelijk als wij u niet aangeroerd hebben, en gelijk als wij bij u alleenlijk goed gedaan hebben, en hebben u in vrede laten trekken! Gij zijt nu de gezegende des HEEREN! [29] dat u ons geen kwaad zult aandoen; wij hebben het u ook niet lastig gemaakt, maar u enkel goed gedaan en u ongedeerd laten gaan. En nu rust de zegen van de heer op u.’    29 dat je ons nooit kwaad zult doen, zoals wij je niet aangeraakt hebben, zoals wij je slechts goed hebben gedaan en je hebben heengezonden in vrede; jij bent nu de gezegende van de Ene! 29. jure de ne nous faire aucun mal, puisque nous ne t'avons pas molesté, que nous ne t'avons fait que du bien et t'avons laissé partir en paix. Maintenant, tu est un béni de Yahvé.

King James Bible . [29] That thou wilt do us no hurt, as we have not touched thee, and as we have done unto thee nothing but good, and have sent thee away in peace: thou art now the blessed of the LORD.
Luther-Bibel . 29 dass du uns keinen Schaden tust, gleichwie wir dich nicht angetastet haben und dir nur alles Gute getan und dich mit Frieden haben ziehen lassen. Du bist ja doch der Gesegnete des HERRN.

Tekstuitleg van

14. בְשָׁלוֹם = bësjâlôm (in vrede) < prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. שָׁלוֹם = sjâlôm (vrede) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlôm (vrede) . Taalgebruik in Jesaja : sjâlôm (vrede) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 376 (2³ X 47) . Structuur : 3 - 3 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (23) : (1) Gn 15,15 . (2) Gn 26,29 . (3) Gn 26,31 . (4) Joz 10,21 . (5) Re 11,13 . (6) 1 S 29,7 . (7) 2 S 3,21 . (8) 2 S 3,22 . (9) 2 S 3,23 . (10) 2 S 15,9 . (11) 2 S 15,27 . (12) 2 S 19,31 . (13) 1 K 22,17 . (14) 1 K 22,28 . (15) 2 K 22,20 . (16) Jr 34,5 . (17) Jr 43,12 . (18) Mal 2,6 . (19) Ps 4,9 . (20) 2 Kr 18,16 . (21) 2 Kr 18,27 . (22) 2 Kr 19,1 . (23) 2 Kr 34,28 .


Gn 26,30 - Gn 26,30 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
30 καὶ ἐποίησεν αὐτοῖς δοχήν, καὶ ἔφαγον καὶ ἔπιον· 30 fecit ergo eis convivium et post cibum et potum   30 Toen maakte hij hun een maaltijd, en zij aten en dronken. [30] Hierop richtte Isaak voor hen een feestmaal aan en zij aten en dronken.    30 Hij maakt voor hen een feestdronk klaar en ze eten en drinken. 30. Il leur prépara un festin, et ils mangèrent et burent.

King James Bible . [30] And he made them a feast, and they did eat and drink. [
Luther-Bibel . 30 Da machte er ihnen ein Mahl und sie aßen und tranken.

Tekstuitleg van

1. וַיַּעַשׂ = wajja`ash (en hij maakte, en hij deed) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. עָשָׂה = `âshâh (maken, doen) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâh (maken) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , shin = 21 of 300 , he = 5 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 375 (3 X 5³) . Structuur : 7 - 3 - 5 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (232) . Pentateuch (81) . Eerdere Profeten (86) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (55) . Gn (18) : (1) Gn 1,7 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 1,25 . (4) Gn 3,21 . (5) Gn 6,22 . (6) Gn 7,5 . (7) Gn 19,3 . (8) Gn 21,1 . (9) Gn 21,8 . (10) Gn 26,30 . (11) Gn 27,31 . (12) Gn 29,22 . (13) Gn 29,28 . (14) Gn 40,20 . (15) Gn 42,25 . (16) Gn 43,17 . (17) Gn 44,2 . (18) Gn 50,10 . Met behulp van de 3 stamletters en het prefiw mem is het zelfst. naamw. ma`äsheh (daad) gevormd .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. εποιησεν = epoièsen (hij deed) van het werkw. ποιεω = poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in de LXX : poieô (doen, maken) . Bijbel (714) . OT (641) . NT (73) . Gn 1 (7 verzen , 9 vormen) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,16 . (4) Gn 1,21 . (5) Gn 1,25 . (6) Gn 1,27 (3X) . (7) Gn 1,31 . Een vorm van ποιεω = poieô (doen, maken) in de LXX (3390) , in het NT (565) .
- Ned. : scheppen . D. : (er)schaffen . Andere stamgroep : E. : to create . Fr. : créer . Italiaans : creare . Latijn : creare . Spaans : crear .
- Ned. : doen . Arabisch : عَمَلَ = `amala (werken) . Taalgebruik in de Qoran : `amala (werken . D. : tun . E. : do : Fr. : faire . Grieks : ποιεω = poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Hebreeuws : עָשָׂה = `âshâh (maken, doen) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâh (maken) . Lat. : facere (feci, factum -> feit) .


Gn 26,31 - Gn 26,31 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
31 καὶ ἀναστάντες τὸ πρωΐ, ὤμοσεν ἕκαστος τῷ πλησίον αὐτοῦ, καὶ ἐξαπέστειλεν αὐτοὺς ᾿Ισαάκ, καὶ ἀπῴχοντο ἀπ᾿ αὐτοῦ μετὰ σωτηρίας. 31 surgentes mane iuraverunt sibi mutuo dimisitque eos Isaac pacifice in locum suum   31 En zij stonden des morgens vroeg op, en zwoeren de een den ander; daarna liet Izak hen gaan, en zij togen van hem in vrede. [31] De volgende ochtend legden zij aan elkaar hun eed af. Toen deed Isaak hen uitgeleide en zij gingen in vrede van hem weg.     31 In de ochtend rechten ze hun schouders en zweren als man en broeder; dan zendt Isaak hen heen en gaan ze bij hem vandaan in vrede. 31. Levés de bon matin, ils se firent un serment mutuel. Puis Isaac les congédia et ils le quittèrent en paix.

King James Bible . 31] And they rose up betimes in the morning, and sware one to another: and Isaac sent them away, and they departed from him in peace.
Luther-Bibel . 31 Und früh am Morgen standen sie auf und einer schwor dem andern. Und Isaak ließ sie gehen und sie zogen von ihm mit Frieden.

Tekstuitleg van

- De komende wereld .

10. = bësjâlôm (in vrede) < prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. שָׁלוֹם = sjâlôm (vrede) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlôm (vrede) . Taalgebruik in Jesaja : sjâlôm (vrede) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 376 (2³ X 47) . Structuur : 3 - 3 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (23) : (1) Gn 15,15 . (2) Gn 26,29 . (3) Gn 26,31 . (4) Joz 10,21 . (5) Re 11,13 . (6) 1 S 29,7 . (7) 2 S 3,21 . (8) 2 S 3,22 . (9) 2 S 3,23 . (10) 2 S 15,9 . (11) 2 S 15,27 . (12) 2 S 19,31 . (13) 1 K 22,17 . (14) 1 K 22,28 . (15) 2 K 22,20 . (16) Jr 34,5 . (17) Jr 43,12 . (18) Mal 2,6 . (19) Ps 4,9 . (20) 2 Kr 18,16 . (21) 2 Kr 18,27 . (22) 2 Kr 19,1 . (23) 2 Kr 34,28 .


Gn 26,32 - Gn 26,32 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
32 ἐγένετο δὲ ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ καὶ παραγενόμενοι οἱ παῖδες ᾿Ισαὰκ ἀπήγγειλαν αὐτῷ περὶ τοῦ φρέατος, οὗ ὤρυξαν, καὶ εἶπαν· οὐχ εὕρομεν ὕδωρ. 32 ecce autem venerunt in ipso die servi Isaac adnuntiantes ei de puteo quem foderant atque dicentes invenimus aquam   32 En het geschiedde ten zelfden dage, dat Izaks knechten kwamen, en boodschapten hem van de zaak des puts, dien zij gegraven hadden, en zij zeiden hem: Wij hebben water gevonden. [32] Diezelfde dag kwamen de knechten van Isaak met het bericht dat zij een put gegraven hadden en zeiden: ‘Wij hebben water gevonden.’     32 Het geschiedt op diezelfde dag dat de dienaars van Isaak aankomen en hem melden van de bron die ze hebben gegraven; ze zeggen tot hem: we hebben water gevonden! 32. Or ce fut ce jour-là que les serviteurs d'Isaac lui apportèrent des nouvelles du puits qu'ils creusaient et ils lui dirent : Nous avons trouvé l'eau !

King James Bible . [32] And it came to pass the same day, that Isaac's servants came, and told him concerning the well which they had digged, and said unto him, We have found water.
Luther-Bibel . 32 Am selben Tage kamen Isaaks Knechte und sagten ihm von dem Brunnen, den sie gegraben hatten, und sprachen zu ihm: Wir haben Wasser gefunden.

Tekstuitleg van Gn 26,32 .

1.

Gn 26,32.2. בְּיוֹם /בַּיּוֹם = bëjôm / bajjôm = op een (de) dag < voorzetsel bë + (bepaald lidw. ha) + יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 OF 56 (2³ X 7) . Structuur : 1 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (491) . Pentateuch (130) . Eerdere Profeten (102) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (62) . Geschriften (81) . 12 kl. Prof. (62) . Gn (22) : (1) Gn 1,18 . (2) Gn 2,2 . (3) Gn 2,4 . (4) Gn 2,17 . (5) Gn 3,5 . (6) Gn 5,1 . (7) Gn 5,2 . (8) Gn 7,11 . (9) Gn 15,18 . (10) Gn 21,8 . (11) Gn 22,4 . (12) Gn 26,32 . (13) Gn 30,33 . (14) Gn 30,35 . (15) Gn 31,22 . (16) Gn 31,40 . (17) Gn 33,16 . (18) Gn 34,25 . (19) Gn 35,3 . (20) Gn 40,20 . (21) Gn 42,18 . (22) Gn 48,20 . Ex (23) : (1) Ex 2,13 . (2) Ex 5,6 . (3) Ex 6,28 . (4) Ex 8,18 . (5) Ex 10,28 . (6) Ex 12,15 . (7) Ex 13,8 . (8) Ex 14,30 . (9) Ex 16,5 . (10) Ex 16,22 . (11) Ex 16,27 . (12) Ex 16,29 . (13) Ex 16,30 . (14) Ex 19,1 . (15) Ex 19,11 . (16) Ex 19,16 . (17) Ex 20,11 . (18) Ex 22,29 . (19) Ex 24,16 . (20) Ex 31,15 . (21) Ex 32,28 . (22) Ex 35,3 . (23) Ex 40,2 .
- וּבַיּוֹם = = ûbhajjôm (en op de dag) < prefix verbindingswoord wë + voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 OF 56 (2³ X 7) . Structuur : 1 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (33) .
- Oorspronkelijk klonk יוֹם = jôm (dag) als jawm . Lettinga 12 , 2012 , 2b : "Na contractie bleef de ו (= waw) in de spelling bewaard en werd nu beschouwd als de uitdrukking van de vocaal ô" .
- Gr. : ἡμερα / ἡμερᾳ = hèmera / hèmera(i) (dag) . Taalgebruik in de Septuaginta : hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Een vorm van ἡμερα = hèmera (dag) in de LXX (2567) , in het NT (388) .

  hèmera (dag)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. en dat. vr. enk. hèmera(i)  854  750  104  13  27 17  12  28  43  60    
  Totaal 2955 2567 388 45 27 83 31 94 87 21 155 186    

- Ned. : dag . Arabisch : يَوم = jaum (dag) . Taalgebruik in de Qoran : dag (jaum) . D. : Tag . E. : day . F. : jour < Lat. diurnum . Cfr journaal . Grieks : ἡμερα = hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Hebreeuws : יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Lat.: dies .

Gn 26,32.2. - 3. בַּיּוֹם הַהוּא = bajjôm hahû´ (op die dag) . Tenach (20) . 12 kl. Prof. (6) : (1) Hos 2,18 . (2) Jl 4,18 . (3) Mi 5,9 . (4) Sef 1,10 . (5) Zach 12,3 . (6) Zach 13,2 .

Gn 26,32.1. - 3. וְהָיָה בַּיּוֹם הַהוּא = wëhâjâh bajjôm hahû´ (en het zal zijn op die dag) . Tenach (9) : (1) Jr 4,9 . (2) Jr 30,8 . (3) Ez 39,11 . (4) Hos 2,18 . (5) Jl 4,18 . (6) Mi 5,9 . (7) Sef 1,10 . (8) Zach 12,3 . (9) Zach 13,2 .

Gn 26,32.4. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. m:v. וַיָּבּאוּ = wajjâbo´û (en zij gingen) OF wë + act. hifil imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבִאוּ = wajjâbhi´û (en zij lieten komen, zij brachten) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalwaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) . Tenakh (195) . Pentateuch (47) . Eerdere Profeten (99) Latere Profeten (14) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (33) . Gn (18) : (1) Gn 7,15 . (2) Gn 11,31 . (3) Gn 12,5 . (4) Gn 14,7 . (5) Gn 19,1 . (6) Gn 19,3 . (7) Gn 22,9 . (8) Gn 26,32 . (9) Gn 34,25 . (10) Gn 42,5 . (11) Gn 42,6 . (12) Gn 42,29 . (13) Gn 45,25 . (14) Gn 46,6 . (15) Gn 46,28 . (16) Gn 47,15 . (17) Gn 47,18 . (18) Gn 50,10 .

Gn 26,32.7. act. ind. aor. 3de pers. mv. απηγγειλαν = apèggeilan (zij kondigden af, zij deelden mee) van het werkw. απαγγελλω = apaggellô (af-kondigen) . Taalgebruik in het NT : apaggellô (af-kondigen) . Taalgebruik in de LXX : apaggellô (af-kondigen) . Taalgebruik in Mc : apaggellô (af-kondigen) . LXX (15) . Pentateuch (2) : (1) Gn 26,32 . (2) Gn 42,29 . Mc (3) : (1) Mc 5,14 . (2) Mc 6,30 .  (3) Mc 16,13 . Een vorm van απαγγελλω = apaggellô (af-kondigen) in Mc in 5 verzen .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. apèggeilen   66  56  10             
  act. ind. aor. 3de pers. mv. apèggeilan   30  15  15        12  12     

- Hebreeuws : וַיַּגִּידוּ = wajjaggîdû (en zij vertelden) (en zij vertelden) < waw consecutivum + act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. נָגַד = nâgad (vertellen, verkondigen, bekend maken) . Taalgebruik in Tenakh : nâgad (vertellen, verkondigen, bekend maken) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , ghimel = 3 , daleth = 4 ; totaal : 21 (3 X 7) OF 57 (3 X 19) . Structuur : 5 - 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (23) . Pentateuch (2) : (1) Gn 42,29 . (2) Ex 16,22 .
- וַיַּגִדוּ = wajjaggidû (en zij vertelden) < waw consecutivum + act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. נָגַד = nâgad (vertellen, verkondigen, bekend maken) . Taalgebruik in Tenakh : nâgad (vertellen, verkondigen, bekend maken) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , ghimel = 3 , daleth = 4 ; totaal : 21 (3 X 7) OF 57 (3 X 19) . Structuur : 5 - 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (21) : (1) Gn 26,32 . (2) Gn 45,26 . (3) Re 4,12 . (4) Re 9,7 . (5) Re 9,42 . (6) 1 S 17,31 . (7) 1 S 18,20 . (8) 1 S 18,24 . (9) 1 S 18,26 . (10) 1 S 19,21 . (11) 1 S 23,1 . (12) 1 S 23,25 . (13) 1 S 24,2 . (14) 1 S 25,12 . (15) 2 S 2,4 . (16) 2 S 3,23 . (17) 2 S 10,5 . (18) 2 S 11,10 . (19) 2 S 17,21 . (20) 2 K 7,15 . (21) 2 K 18,37 .

Gn 26,32.11. בְאֵר = bhë´er (put, bron) . Taalgebruik in Tenakh : bhë´er (put) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 , resj = 20 of 200 ; totaal : 23 of 203 (7 X 29) . Structuur : 2 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . Dezelfde medeklinkers in het woord = bârâ´ (scheppen) . Zie bârâ´ (scheppen) . Tenakh (38) . Gn (16) . In één vers in Gn 16 . In vier verzen in Gn 21 . In één vers in Gn 22 : Gn 22,19 . In twee verzen in Gn 24 : (1) Gn 24,11 . (2) Gn 24,62 . In één vers in Gn 25 : Gn 25,11 . In zes verzen in Gn 26 : (1) Gn 26,19 . (2) Gn 26,21 . (3) Gn 26,22 . (4) Gn 26,23 . (5) Gn 26,25 . (6) Gn 26,33 . In één vers in Gn 29 : Gn 29,2 .
- הַבְּאֵר = habbë´er (de bron, de put) < prefix bepaald lidw. ha + בְאֵר = bhë´er (put, bron) . Taalgebruik in Tenakh : bhë´er (put) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 , resj = 20 of 200 ; totaal : 23 of 203 (7 X 29) . Structuur : 2 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . Dezelfde medeklinkers in het woord = bârâ´ (scheppen) . Zie bârâ´ (scheppen) . Tenakh (8) : (1) Gn 21,30 . (2) Gn 24,20 . (3) Gn 26,20 . (4) Gn 26,32 . (5) Gn 29,2 . (6) Gn 29,3 . (7) Gn 29,8 . (8) Gn 29,10 .
- φρεαρ = frear (put) .
- Grieks . genitief enkelvoud φρεατος = freatos van het zelfst. naamw. φρεαρ = frear (put) . Taalgebruik in de Bijbel : frear (put) . Bijbel (18) . Gn (8) : (1) Gn 26,20 . (2) Gn 26,32 . (3) Gn 28,10 . (4) Gn 29,2 . (5) Gn 29,3 . (6) Gn 29,8 . (7) Gn 29,10 . (8) Gn 46,5 .
- Ned. : bron . Grieks : φρεαρ = frear (put) . Taalgebruik in de Bijbel : frear (put) . Hebreeuws : בְאֵר = bhë´er (put, bron) . Taalgebruik in Tenakh : bhë´er (put) .
- Ned. : put . Fr. : puit . Lat. : puteus .


Gn 26,33 - Gn 26,33 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
33 καὶ ἐκάλεσεν αὐτὸ ῞Ορκος· διὰ τοῦτο ἐκάλεσεν ὄνομα τῇ πόλει ἐκείνῃ Φρέαρ ὅρκου ἕως τῆς σήμερον ἡμέρας. 33 unde appellavit eum Abundantiam et nomen urbi inpositum est Bersabee usque in praesentem diem   33 En hij noemde denzelven Seba; daarom is de naam dier stad Ber-seba, tot op dezen dag. [33] Hij noemde die plaats Seba; daarom heet die stad tot op de dag van vandaag Berseba*.    33 Hij roept haar uit tot Sjiva,- gezworen! daarom is de naam van de stad: Beëer Sjeva,- bron van zeven, bron waar gezworen, tot op deze dag. •• 33. Il appela le puits Sabée, d'où le nom de la ville, Bersabée, jusqu'à maintenant.

King James Bible . [33] And he called it Shebah: therefore the name of the city is Beer-sheba unto this day.
Luther-Bibel . 33 Und er nannte ihn »Schwur«; daher heißt die Stadt Beerscheba bis auf den heutigen Tag. Esaus Frauen

Tekstuitleg van

8. בְאֵר = bhë´er (put, bron) . Taalgebruik in Tenakh : bhë´er (put) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 , resj = 20 of 200 ; totaal : 23 of 203 (7 X 29) . Structuur : 2 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . Dezelfde medeklinkers in het woord = bârâ´ (scheppen) . Zie bârâ´ (scheppen) . Tenakh (38) . Gn (16) . In één vers in Gn 16 . In vier verzen in Gn 21 . In één vers in Gn 22 : Gn 22,19 . In twee verzen in Gn 24 : (1) Gn 24,11 . (2) Gn 24,62 . In één vers in Gn 25 : Gn 25,11 . In zes verzen in Gn 26 : (1) Gn 26,19 . (2) Gn 26,21 . (3) Gn 26,22 . (4) Gn 26,23 . (5) Gn 26,25 . (6) Gn 26,33 . In één vers in Gn 29 : Gn 29,2 .
- הַבְּאֵר = habbë´er (de bron, de put) < prefix bepaald lidw. ha + בְאֵר = bhë´er (put, bron) . Taalgebruik in Tenakh : bhë´er (put) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 , resj = 20 of 200 ; totaal : 23 of 203 (7 X 29) . Structuur : 2 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . Dezelfde medeklinkers in het woord = bârâ´ (scheppen) . Zie bârâ´ (scheppen) . Tenakh (8) : (1) Gn 21,30 . (2) Gn 24,20 . (3) Gn 26,20 . (4) Gn 26,32 . (5) Gn 29,2 . (6) Gn 29,3 . (7) Gn 29,8 . (8) Gn 29,10 .
- φρεαρ = frear (put) . Bijbel (32) . Gn (18) : (1) Gn 16,14 . (2) Gn 21,14 . (3) Gn 21,19 . (4) Gn 21,30 . (5) Gn 21,31 . (6) Gn 22,19 . (7) Gn 24,11 . (8) Gn 24,20 . (9) Gn 24,62 . (10) Gn 25,11 . (11) Gn 26,19 . (12) Gn 26,21 . (13) Gn 26,22 . (14) Gn 26,23 . (15) Gn 26,25 . (16) Gn 26,33 . (17) Gn 29,2 . (18) Gn 46,1 .
- genitief enkelvoud = freatos van het zelfst. naamw. . Bijbel (18) . Gn (8) : (1) Gn 26,20 . (2) Gn 26,32 . (3) Gn 28,10 . (4) Gn 29,2 . (5) Gn 29,3 . (6) Gn 29,8 . (7) Gn 29,10 . (8) Gn 46,5 .

Gn 26,34 - Gn 26,34 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
34 ῏Ην δὲ ῾Ησαῦ ἐτῶν τεσσαράκοντα καὶ ἔλαβε γυναῖκα ᾿Ιουδίθ, θυγατέρα Βεὼχ τοῦ Χετταίου καὶ τὴν Βασεμάθ, θυγατέρα ῾Ελὼν Χετταίου. 34 Esau vero quadragenarius duxit uxores Iudith filiam Beeri Hetthei et Basemath filiam Helon eiusdem loci   34 Als nu Ezau veertig jaren oud was, nam hij tot een vrouw Judith, de dochter van Beëri, den Hethiet, en Basmath, de dochter van Elon, den Hethiet.
[34] Toen Esau veertig jaar was, huwde hij Jehudit, de dochter van de Hethiet Beëri, en Basemat, de dochter van de Hethiet Elon. 
  34 Esau wordt een zoon van veertig jaar en neemt tot vrouw: Jehoediet, dochter van Beëri,- mijn bron, de Chitiet,- én Basemat, dochter van Elon de Chitiet. 34. Quand Ésaü eut quarante ans, il prit pour femmes Yehudit, fille de Bééri le Hittite, et Basmat, fille d'Élôn le Hittite.

King James Bible . [34] And Esau was forty years old when he took to wife Judith the daughter of Beeri the Hittite, and Bashemath the daughter of Elon the Hittite:
Luther-Bibel . 34 Als Esau vierzig Jahre alt war, nahm er zur Frau Jehudit, die Tochter Beeris, des Hetiters, und Basemat, die Tochter Elons, des Hetiters.

Tekstuitleg van

4. אַרְבָּעִימ = ´arëbâ`îm (veertig , 40) . Taalgebruik in Tenakh : ´arëbâ`îm (veertig . 40) . Getalwaarde : aleph = 1 ; resj = 20 of 200 ; beth = 2 ; ajin = 16 of 70 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 62 of 323 (323) . Tenakh (91) . Pentateuch (33) . Eerdere Profeten (26) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (22) . Gn (11) : (1) Gn 5,13 (veertig in combinatie met 840) . (2) Gn 7,4 (veertig dagen en veertig nachten) . (3) Gn 7,12 (watervloed) . (4) Gn 7,17 (watervloed) . (5) Gn 8,6 (watervloed) . (6) Gn 18,28 (45 rechtvaardigen) . (7) Gn 18,29 (tweemaal : 40 rechtvaardigen) . (8) Gn 25,20 (Isaak = 40 jaar , neemt Rebecca tot vrouw) . (9) Gn 26,34 (Esau nam twee vrouwen, toen hij veertig jaar was) . (10) Gn 32,16 (40 koeien) . (11) Gn 50,3 (balseming van Jakob) .
- וְאַרְבָּעִימ = wë´arëbâ`îm (en veertig , 40) . Tenakh (8) : (1) Job 42,16 . (2) Ezr 2,8 . (3) Ezr 2,25 . (4) Neh 7,62 . (5) Neh 7,67 . (6) Neh 9,21 . (7) 1 Kr 19,18 . (8) 2 Kr 24,1 .
- Grieks . τεσσαρακοντα = tessarakonta (40) . Zie : telwoorden . Taalgebruik in het NT : telwoorden . Taalgebruik in de LXX : telwoorden . Tenakh (115) . Pentateuch (44) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (29) . Gn (12) : + Gn 47,28 .
- Latijn . quadraginta . Bijbel (146) . OT (124) . NT (22) . Gn (11) . Fr. quarante . N. veertig . E. forty . D. vierzig . Aramees : אַרְבָּעִין = ´arëbâ`îm (veertig) . Arabisch : اَرْبَعُونَ = ´arba`ûna (veertig) .

3. - 5. bèn ´arëbâ`îm sjânâh (40 jaar oud) . De getalwaarde van ben (zoon, oud) : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 of 52 . De getalwaarde van ´arëbâ`îm (veertig) : aleph = 1 ; resj = 20 of 200 ; beth = 2 ; ajin = 16 of 70 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 62 of 323 (323) . De getalwaarde van sjânâh (jaar) is : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Totale getalwaarde : 16 + 62 + 40 of 52 + 323 + 355 = 118 of 730 . In vier verzen in de bijbel . Isaak neemt Rebecca tot vrouw (Gn 25,20) . Esau nam twee vrouwen, toen hij veertig jaar was (Gn 26,34) . (3) Joz 14,7 (Jozua) . (4) 2 S 2,10 (Isboset , de zoon van Saul) .

4. - 5. ´arëbâ`îm sjânâh (40 jaar) . De getalwaarde van ´arëbâ`îm (veertig) : aleph = 1 ; resj = 20 of 200 ; beth = 2 ; ajin = 16 of 70 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 62 of 323 (323) . De getalwaarde van sjânâh (jaar) is : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Totale getalwaarde : 62 + 40 of 323 + 355 = 102 of 678 . In éénendertig verzen in de bijbel . In elf verzen in de Pentateuch : (1) Gn 5,13 (veertig in combinatie met 840) . (2) Gn 25,20 (Isaak neemt Rebecca tot vrouw) . (3) Gn 26,34 (Esau nam twee vrouwen, toen hij veertig jaar was) . (4) Ex 16,35 (Eten van het manna in de woestijn) . In vijf verzen voor wat het verblijf van veertig jaren in de woestijn betreft . (5) Nu 14,33 . (6) zie verder Nu 14,34 (Eén dag voor één jaar) . (7) Nu 32,13 . (8) Dt 2,7 . (9) Dt 8,2 . (10) Dt 8,4 . (11) Dt 29,4 .

Gn 26,35 - Gn 26,35 : Isaak en Rebekka in Gerar - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 26 -- bijbelverwijzingen -- Gn 26,1-35 -- Gn 26,1 - Gn 26,2 - Gn 26,3 - Gn 26,4 - Gn 26,5 - Gn 26,6 - Gn 26,7 - Gn 26,8 - Gn 26,9 - Gn 26,10 - Gn 26,11 - Gn 26,12 - Gn 26,13 - Gn 26,14 - Gn 26,15 - Gn 26,16 - Gn 26,17 - Gn 26,18 - Gn 26,19 - Gn 26,20 - Gn 26,21 - Gn 26,22 - Gn 26,23 - Gn 26,24 - Gn 26,25 - Gn 26,26 - Gn 26,27 - Gn 26,28 - Gn 26,29 - Gn 26,30 - Gn 26,31 - Gn 26,32 - Gn 26,33 - Gn 26,34 - Gn 26,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
35 καὶ ἦσαν ἐρίζουσαι τῷ ᾿Ισαὰκ καὶ τῇ Ρεβέκκᾳ. 35 quae ambae offenderant animum Isaac et Rebeccae   35 En deze waren voor Izak en Rebekka een bitterheid des geestes. [35] Deze vrouwen waren een ergernis voor Isaak en Rebekka.    35 Die worden een bitterheid des geestes,- voor Isaak en Rebekka. •• 35. Elles furent un sujet d'amertume pour Isaac et pour Rébecca.

King James Bible . [35] Which were a grief of mind unto Isaac and to Rebekah.
Luther-Bibel . 35 Die machten Isaak und Rebekka lauter Herzeleid.

Tekstuitleg van

3. w-r-û-ch (wërûach = en een geest OF wërèwach = en ruimte, verademing) . wërûach(en geest) : nevenschikkend voegw. wë + zelfst. naamw. rûach (geest) . Taalgebruik in Tenach : rûach (geest) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 . waw = 6 . chet = 8 . Totaal : 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107) . LXX : pneuma (geest) . Taalgebruik in de Septuaginta : pneuma (geest) . Taalgebruik in het N.T. : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . E. spirit . Ned. geest . D. Geist . wërûach (en geest) in Tenach (39) . Pentateuch (4) : Gn (2) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 32,17 (wërèwach : en ruimte) . (3) Ex 10,13 . (4) Nu 11,31 . rûach (geest) in Tenach (204) . Pentateuch (19) . Gn (7) : (1) Gn 6,17 . (2) Gn 7,15 . (3) Gn 7,22 . (4) Gn 8,1 . (5) Gn 26,35 . (6) Gn 41,38 . (7) Gn 45,27 . rûchî (mijn geest) . Tenach (31) . Pentateuch (1) Gn 6,3 . Een vorm van pneuma (geest) in het N.T. (379) , in de LXX (382) , in de Pentateuch (26) , Gn (7) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 6,3 . (3) Gn 6,17 . (4) Gn 7,15 . (5) Gn 8,1 . (6) Gn 41,38 . (7) Gn 45,27 .


Masoretische tekst

 

א וַיְהִי רָעָב, בָּאָרֶץ, מִלְּבַד הָרָעָב הָרִאשׁוֹן, אֲשֶׁר הָיָה בִּימֵי אַבְרָהָם; וַיֵּלֶךְ יִצְחָק אֶל-אֲבִימֶלֶךְ מֶלֶךְ-פְּלִשְׁתִּים, גְּרָרָה. ב וַיֵּרָא אֵלָיו יְהוָה, וַיֹּאמֶר אַל-תֵּרֵד מִצְרָיְמָה: שְׁכֹן בָּאָרֶץ, אֲשֶׁר אֹמַר אֵלֶיךָ. ג גּוּר בָּאָרֶץ הַזֹּאת, וְאֶהְיֶה עִמְּךָ וַאֲבָרְכֶךָּ: כִּי-לְךָ וּלְזַרְעֲךָ, אֶתֵּן אֶת-כָּל-הָאֲרָצֹת הָאֵל, וַהֲקִמֹתִי אֶת-הַשְּׁבֻעָה, אֲשֶׁר נִשְׁבַּעְתִּי לְאַבְרָהָם אָבִיךָ. ד וְהִרְבֵּיתִי אֶת-זַרְעֲךָ, כְּכוֹכְבֵי הַשָּׁמַיִם, וְנָתַתִּי לְזַרְעֲךָ, אֵת כָּל-הָאֲרָצֹת הָאֵל; וְהִתְבָּרְכוּ בְזַרְעֲךָ, כֹּל גּוֹיֵי הָאָרֶץ. ה עֵקֶב, אֲשֶׁר-שָׁמַע אַבְרָהָם בְּקֹלִי; וַיִּשְׁמֹר, מִשְׁמַרְתִּי, מִצְוֺתַי, חֻקּוֹתַי וְתוֹרֹתָי. ו וַיֵּשֶׁב יִצְחָק, בִּגְרָר. ז וַיִּשְׁאֲלוּ אַנְשֵׁי הַמָּקוֹם, לְאִשְׁתּוֹ, וַיֹּאמֶר, אֲחֹתִי הִוא: כִּי יָרֵא, לֵאמֹר אִשְׁתִּי, פֶּן-יַהַרְגֻנִי אַנְשֵׁי הַמָּקוֹם עַל-רִבְקָה, כִּי-טוֹבַת מַרְאֶה הִוא. ח וַיְהִי, כִּי אָרְכוּ-לוֹ שָׁם הַיָּמִים, וַיַּשְׁקֵף אֲבִימֶלֶךְ מֶלֶךְ פְּלִשְׁתִּים, בְּעַד הַחַלּוֹן; וַיַּרְא, וְהִנֵּה יִצְחָק מְצַחֵק, אֵת, רִבְקָה אִשְׁתּוֹ. ט וַיִּקְרָא אֲבִימֶלֶךְ לְיִצְחָק, וַיֹּאמֶר אַךְ הִנֵּה אִשְׁתְּךָ הִוא, וְאֵיךְ אָמַרְתָּ, אֲחֹתִי הִוא; וַיֹּאמֶר אֵלָיו, יִצְחָק, כִּי אָמַרְתִּי, פֶּן-אָמוּת עָלֶיהָ. י וַיֹּאמֶר אֲבִימֶלֶךְ, מַה-זֹּאת עָשִׂיתָ לָּנוּ; כִּמְעַט שָׁכַב אַחַד הָעָם, אֶת-אִשְׁתֶּךָ, וְהֵבֵאתָ עָלֵינוּ, אָשָׁם. יא וַיְצַו אֲבִימֶלֶךְ, אֶת-כָּל-הָעָם לֵאמֹר: הַנֹּגֵעַ בָּאִישׁ הַזֶּה, וּבְאִשְׁתּוֹ--מוֹת יוּמָת. יב וַיִּזְרַע יִצְחָק בָּאָרֶץ הַהִוא, וַיִּמְצָא בַּשָּׁנָה הַהִוא מֵאָה שְׁעָרִים; וַיְבָרְכֵהוּ, יְהוָה. יג וַיִּגְדַּל, הָאִישׁ; וַיֵּלֶךְ הָלוֹךְ וְגָדֵל, עַד כִּי-גָדַל מְאֹד. יד וַיְהִי-לוֹ מִקְנֵה-צֹאן וּמִקְנֵה בָקָר, וַעֲבֻדָּה רַבָּה; וַיְקַנְאוּ אֹתוֹ, פְּלִשְׁתִּים. טו וְכָל-הַבְּאֵרֹת, אֲשֶׁר חָפְרוּ עַבְדֵי אָבִיו, בִּימֵי, אַבְרָהָם אָבִיו--סִתְּמוּם פְּלִשְׁתִּים, וַיְמַלְאוּם עָפָר. טז וַיֹּאמֶר אֲבִימֶלֶךְ, אֶל-יִצְחָק: לֵךְ, מֵעִמָּנוּ, כִּי-עָצַמְתָּ מִמֶּנּוּ, מְאֹד. יז וַיֵּלֶךְ מִשָּׁם, יִצְחָק; וַיִּחַן בְּנַחַל-גְּרָר, וַיֵּשֶׁב שָׁם. יח וַיָּשָׁב יִצְחָק וַיַּחְפֹּר אֶת-בְּאֵרֹת הַמַּיִם, אֲשֶׁר חָפְרוּ בִּימֵי אַבְרָהָם אָבִיו, וַיְסַתְּמוּם פְּלִשְׁתִּים, אַחֲרֵי מוֹת אַבְרָהָם; וַיִּקְרָא לָהֶן, שֵׁמוֹת, כַּשֵּׁמֹת, אֲשֶׁר-קָרָא לָהֶן אָבִיו. יט וַיַּחְפְּרוּ עַבְדֵי-יִצְחָק, בַּנָּחַל; וַיִּמְצְאוּ-שָׁם--בְּאֵר, מַיִם חַיִּים. כ וַיָּרִיבוּ רֹעֵי גְרָר, עִם-רֹעֵי יִצְחָק לֵאמֹר--לָנוּ הַמָּיִם; וַיִּקְרָא שֵׁם-הַבְּאֵר עֵשֶׂק, כִּי הִתְעַשְּׂקוּ עִמּוֹ. כא וַיַּחְפְּרוּ בְּאֵר אַחֶרֶת, וַיָּרִיבוּ גַּם-עָלֶיהָ; וַיִּקְרָא שְׁמָהּ, שִׂטְנָה. כב וַיַּעְתֵּק מִשָּׁם, וַיַּחְפֹּר בְּאֵר אַחֶרֶת, וְלֹא רָבוּ, עָלֶיהָ; וַיִּקְרָא שְׁמָהּ, רְחֹבוֹת, וַיֹּאמֶר כִּי-עַתָּה הִרְחִיב יְהוָה לָנוּ, וּפָרִינוּ בָאָרֶץ. כג וַיַּעַל מִשָּׁם, בְּאֵר שָׁבַע. כד וַיֵּרָא אֵלָיו יְהוָה, בַּלַּיְלָה הַהוּא, וַיֹּאמֶר, אָנֹכִי אֱלֹהֵי אַבְרָהָם אָבִיךָ; אַל-תִּירָא, כִּי-אִתְּךָ אָנֹכִי, וּבֵרַכְתִּיךָ וְהִרְבֵּיתִי אֶת-זַרְעֲךָ, בַּעֲבוּר אַבְרָהָם עַבְדִּי. כה וַיִּבֶן שָׁם מִזְבֵּחַ, וַיִּקְרָא בְּשֵׁם יְהוָה, וַיֶּט-שָׁם, אָהֳלוֹ; וַיִּכְרוּ-שָׁם עַבְדֵי-יִצְחָק, בְּאֵר. כו וַאֲבִימֶלֶךְ, הָלַךְ אֵלָיו מִגְּרָר; וַאֲחֻזַּת, מֵרֵעֵהוּ, וּפִיכֹל, שַׂר-צְבָאוֹ. כז וַיֹּאמֶר אֲלֵהֶם יִצְחָק, מַדּוּעַ בָּאתֶם אֵלָי; וְאַתֶּם שְׂנֵאתֶם אֹתִי, וַתְּשַׁלְּחוּנִי מֵאִתְּכֶם. כח וַיֹּאמְרוּ, רָאוֹ רָאִינוּ כִּי-הָיָה יְהוָה עִמָּךְ, וַנֹּאמֶר תְּהִי נָא אָלָה בֵּינוֹתֵינוּ, בֵּינֵינוּ וּבֵינֶךָ; וְנִכְרְתָה בְרִית, עִמָּךְ. כט אִם-תַּעֲשֵׂה עִמָּנוּ רָעָה, כַּאֲשֶׁר לֹא נְגַעֲנוּךָ, וְכַאֲשֶׁר עָשִׂינוּ עִמְּךָ רַק-טוֹב, וַנְּשַׁלֵּחֲךָ בְּשָׁלוֹם; אַתָּה עַתָּה, בְּרוּךְ יְהוָה. ל וַיַּעַשׂ לָהֶם מִשְׁתֶּה, וַיֹּאכְלוּ וַיִּשְׁתּוּ. לא וַיַּשְׁכִּימוּ בַבֹּקֶר, וַיִּשָּׁבְעוּ אִישׁ לְאָחִיו; וַיְשַׁלְּחֵם יִצְחָק, וַיֵּלְכוּ מֵאִתּוֹ בְּשָׁלוֹם. לב וַיְהִי בַּיּוֹם הַהוּא, וַיָּבֹאוּ עַבְדֵי יִצְחָק, וַיַּגִּדוּ לוֹ, עַל-אֹדוֹת הַבְּאֵר אֲשֶׁר חָפָרוּ; וַיֹּאמְרוּ לוֹ, מָצָאנוּ מָיִם. לג וַיִּקְרָא אֹתָהּ, שִׁבְעָה; עַל-כֵּן שֵׁם-הָעִיר בְּאֵר שֶׁבַע, עַד הַיּוֹם הַזֶּה. {ס} לד וַיְהִי עֵשָׂו, בֶּן-אַרְבָּעִים שָׁנָה, וַיִּקַּח אִשָּׁה אֶת-יְהוּדִית, בַּת-בְּאֵרִי הַחִתִּי--וְאֶת-בָּשְׂמַת, בַּת-אֵילֹן הַחִתִּי. לה וַתִּהְיֶיןָ, מֹרַת רוּחַ, לְיִצְחָק, וּלְרִבְקָה. {ס}

SEPTUAGINTA (Griekse vertaling)

ΕΓΕΝΕΤΟ δὲ λιμὸς ἐπὶ τῆς γῆς χωρὶς τοῦ λιμοῦ τοῦ πρότερον, ὃς ἐγένετο ἐν τῷ καιρῷ τοῦ ῾Αβραάμ· ἐπορεύθη δὲ ᾿Ισαὰκ πρὸς ᾿Αβιμέλεχ βασιλέα Φυλιστιεὶμ εἰς Γέραρα. 2 ὤφθη δὲ αὐτῷ Κύριος καὶ εἶπε· μὴ καταβῇς εἰς Αἴγυπτον· κατοίκησον δὲ ἐν τῇ γῇ, ᾗ ἄν σοι εἴπω. 3 καὶ παροίκει ἐν τῇ γῇ ταύτῃ, καὶ ἔσομαι μετὰ σοῦ καὶ εὐλογήσω σε· σοὶ γὰρ καὶ τῷ σπέρματί σου δώσω πᾶσαν τὴν γῆν ταύτην καὶ στήσω τὸν ὅρκον μου, ὃν ὤμοσα τῷ ῾Αβραὰμ τῷ πατρί σου. 4 καὶ πληθυνῶ τὸ σπέρμα σου ὡς τοὺς ἀστέρας τοῦ οὐρανοῦ καὶ δώσω τῷ σπέρματί σου πᾶσαν τὴν γῆν ταύτην, καὶ εὐλογηθήσονται ἐν τῷ σπέρματί σου πάντα τὰ ἔθνη τῆς γῆς, 5 ἀνθ᾿ ὧν ὑπήκουσεν ῾Αβραὰμ ὁ πατήρ σου τῆς ἐμῆς φωνῆς καὶ ἐφύλαξε τὰ προστάγματά μου καὶ τὰς ἐντολάς μου καὶ τὰ δικαιώματά μου καὶ τὰ νόμιμά μου. 6 κατῴκησε δὲ ᾿Ισαὰκ ἐν Γεράροις. 7 ᾿Επηρώτησαν δὲ οἱ ἄνδρες τοῦ τόπου περὶ Ρεβέκκας τῆς γυναικὸς αὐτοῦ, καὶ εἶπεν· ἀδελφή μου ἐστίν· ἐφοβήθη γὰρ εἰπεῖν ὅτι γυνή μου ἐστί, μήποτε ἀποκτείνωσιν αὐτὸν οἱ ἄνδρες τοῦ τόπου περὶ Ρεβέκκας, ὅτι ὡραία τῇ ὄψει ἦν. 8 ἐγένετο δὲ πολυχρόνιος ἐκεῖ· καὶ παρακύψας ᾿Αβιμέλεχ ὁ βασιλεὺς Γεράρων διὰ τῆς θυρίδος, εἶδε τὸν ᾿Ισαὰκ παίζοντα μετὰ Ρεβέκκας τῆς γυναικὸς αὐτοῦ. 9 ἐκάλεσε δὲ ᾿Αβιμέλεχ τὸν ᾿Ισαὰκ καὶ εἶπεν αὐτῷ· ἆρά γε γυνή σου ἐστί; τί ὅτι εἶπας, ἀδελφή μου ἐστίν; εἶπε δὲ αὐτῷ ᾿Ισαάκ· εἶπα γάρ, μήποτε ἀποθάνω δι᾿ αὐτήν. 10 εἶπε δὲ αὐτῷ ᾿Αβιμέλεχ· τί τοῦτο ἐποίησας ἡμῖν; μικροῦ ἐκοιμήθη τις ἐκ τοῦ γένους μου μετὰ τῆς γυναικός σου, καὶ ἐπήγαγες ἂν ἐφ᾿ ἡμᾶς ἄγνοιαν. 11 συνέταξε δὲ ᾿Αβιμέλεχ παντὶ τῷ λαῷ αὐτοῦ, λέγων· πᾶς ὁ ἁψάμενος τοῦ ἀνθρώπου τούτου ἢ τῆς γυναικὸς αὐτοῦ, θανάτῳ ἔνοχος ἔσται. 12 ἔσπειρε δὲ ᾿Ισαὰκ ἐν τῇ γῇ ἐκείνῃ καὶ εὗρεν ἐν τῷ ἐνιαυτῷ ἐκείνῳ ἑκατοστεύουσαν κριθήν· εὐλόγησε δὲ αὐτὸν Κύριος. 13 καὶ ὑψώθη ὁ ἄνθρωπος. καὶ προβαίνων μείζων ἐγίνετο, ἕως οὗ μέγας ἐγένετο σφόδρα· 14 ἐγένετο δὲ αὐτῷ κτήνη προβάτων καὶ κτήνη βοῶν καὶ γεώργια πολλά. ἐζήλωσαν δὲ αὐτὸν οἱ Φυλιστιείμ, 15 καὶ πάντα τὰ φρέατα, ἃ ὤρυξαν οἱ παῖδες τοῦ πατρὸς αὐτοῦ ἐν τῷ χρόνῳ τοῦ πατρὸς αὐτοῦ, ἐνέφραξαν αὐτὰ οἱ Φυλιστιεὶμ καὶ ἔπλησαν αὐτὰ γῆς. 16 εἶπε δὲ ᾿Αβιμέλεχ πρὸς ᾿Ισαάκ· ἄπελθε ἀφ᾿ ἡμῶν, ὅτι δυνατώτερος ἡμῶν ἐγένου σφόδρα. 17 καὶ ἀπῆλθεν ἐκεῖθεν ᾿Ισαὰκ καὶ κατέλυσεν ἐν τῇ φάραγγι Γεράρων καὶ κατῴκησεν ἐκεῖ. 18 καὶ πάλιν ᾿Ισαὰκ ὤρυξε τὰ φρέατα τοῦ ὕδατος, ἃ ὤρυξαν οἱ παῖδες ῾Αβραὰμ τοῦ πατρὸς αὐτοῦ καὶ ἐνέφραξαν αὐτὰ οἱ Φυλιστιεὶμ μετὰ τὸ ἀποθανεῖν ῾Αβραὰμ τὸν πατέρα αὐτοῦ, καὶ ἐπωνόμασεν αὐτοῖς ὀνόματα κατὰ τὰ ὀνόματα, ἃ ὠνόμασεν ὁ πατὴρ αὐτοῦ. 19 καὶ ὤρυξαν οἱ παῖδες ᾿Ισαὰκ ἐν τῇ φάραγγι Γεράρων καὶ εὗρον ἐκεῖ φρέαρ ὕδατος ζῶντος. 20 καὶ ἐμαχέσαντο οἱ ποιμένες Γεράρων μετὰ τῶν ποιμένων ᾿Ισαάκ, φάσκοντες αὐτῶν εἶναι τὸ ὕδωρ. καὶ ἐκάλεσαν τὸ ὄνομα τοῦ φρέατος ᾿Αδικία· ἠδίκησαν γὰρ αὐτόν. 21 ἀπάρας δὲ ᾿Ισαὰκ ἐκεῖθεν ὤρυξε φρέαρ ἕτερον, ἐκρίνοντο δὲ καὶ περὶ ἐκείνου· καὶ ἐπωνόμασε τὸ ὄνομα αὐτοῦ ᾿Εχθρία. 22 ἀπάρας δὲ ἐκεῖθεν ὤρυξε φρέαρ ἕτερον, καὶ οὐκ ἐμαχέσαντο περὶ αὐτοῦ· καὶ ἐπωνόμασε τὸ ὄνομα αὐτοῦ Εὐρυχωρία, λέγων· διότι νῦν ἐπλάτυνε Κύριος ἡμῖν καὶ ηὔξησεν ἡμᾶς ἐπὶ τῆς γῆς. 23 ᾿Ανέβη δὲ ἐκεῖθεν ἐπὶ τὸ φρέαρ τοῦ ὅρκου. 24 καὶ ὤφθη αὐτῷ Κύριος ἐν τῇ νυκτὶ ἐκείνῃ καὶ εἶπεν· ἐγώ εἰμι ὁ Θεὸς ῾Αβραὰμ τοῦ πατρός σου· μὴ φοβοῦ· μετὰ σοῦ γάρ εἰμι καὶ εὐλογήσω σε καὶ πληθυνῶ τὸ σπέρμα σου δι᾿ ῾Αβραὰμ τὸν πατέρα σου. 25 καὶ ᾠκοδόμησεν ἐκεῖ θυσιαστήριον καὶ ἐπεκαλέσατο τὸ ὄνομα Κυρίου καὶ ἔπηξεν ἐκεῖ τὴν σκηνὴν αὐτοῦ· ὤρυξαν δὲ ἐκεῖ οἱ παῖδες ᾿Ισαὰκ φρέαρ ἐν τῇ φάραγγι Γεράρων. 26 καὶ ᾿Αβιμέλεχ ἐπορεύθη πρὸς αὐτὸν ἀπὸ Γεράρων καὶ ῾Οχοζὰθ ὁ νυμφαγωγὸς αὐτοῦ καὶ Φιχὸλ ὁ ἀρχιστράτηγος τῆς δυνάμεως αὐτοῦ. 27 καὶ εἶπεν αὐτοῖς ᾿Ισαάκ· ἵνα τί ἤλθετε πρός με; ὑμεῖς δὲ ἐμισήσατέ με καὶ ἐξαπεστείλατέ με ἀφ᾿ ὑμῶν. 28 οἱ δὲ εἶπαν· ἰδόντες ἑωράκαμεν, ὅτι ἦν Κύριος μετὰ σοῦ, καὶ εἴπαμεν· γενέσθω ἀρὰ ἀνὰ μέσον ἡμῶν καὶ ἀνὰ μέσον σοῦ, καὶ διαθησόμεθα μετὰ σοῦ διαθήκην, 29 μὴ ποιῆσαι μεθ᾿ ἡμῶν κακόν, καθότι οὐκ ἐβδελυξάμεθά σε ἡμεῖς, καὶ ὃν τρόπον ἐχρησάμεθά σοι καλῶς καί ἐξαπεστείλαμέν σε μετ᾿ εἰρήνης· καὶ νῦν εὐλογημένος σὺ ὑπὸ Κυρίου. 30 καὶ ἐποίησεν αὐτοῖς δοχήν, καὶ ἔφαγον καὶ ἔπιον· 31 καὶ ἀναστάντες τὸ πρωΐ, ὤμοσεν ἕκαστος τῷ πλησίον αὐτοῦ, καὶ ἐξαπέστειλεν αὐτοὺς ᾿Ισαάκ, καὶ ἀπῴχοντο ἀπ᾿ αὐτοῦ μετὰ σωτηρίας. 32 ἐγένετο δὲ ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ καὶ παραγενόμενοι οἱ παῖδες ᾿Ισαὰκ ἀπήγγειλαν αὐτῷ περὶ τοῦ φρέατος, οὗ ὤρυξαν, καὶ εἶπαν· οὐχ εὕρομεν ὕδωρ. 33 καὶ ἐκάλεσεν αὐτὸ ῞Ορκος· διὰ τοῦτο ἐκάλεσεν ὄνομα τῇ πόλει ἐκείνῃ Φρέαρ ὅρκου ἕως τῆς σήμερον ἡμέρας. 34 ῏Ην δὲ ῾Ησαῦ ἐτῶν τεσσαράκοντα καὶ ἔλαβε γυναῖκα ᾿Ιουδίθ, θυγατέρα Βεὼχ τοῦ Χετταίου καὶ τὴν Βασεμάθ, θυγατέρα ῾Ελὼν Χετταίου. 35 καὶ ἦσαν ἐρίζουσαι τῷ ᾿Ισαὰκ καὶ τῇ Ρεβέκκᾳ.


VULGAAT (Latijnse vertaling)

1 orta autem fame super terram post eam sterilitatem quae acciderat in diebus Abraham abiit Isaac ad Abimelech regem Palestinorum in Gerara 2 apparuitque ei Dominus et ait ne descendas in Aegyptum sed quiesce in terra quam dixero tibi 3 et peregrinare in ea eroque tecum et benedicam tibi tibi enim et semini tuo dabo universas regiones has conplens iuramentum quod spopondi Abraham patri tuo 4 et multiplicabo semen tuum sicut stellas caeli daboque posteris tuis universas regiones has et benedicentur in semine tuo omnes gentes terrae 5 eo quod oboedierit Abraham voci meae et custodierit praecepta et mandata mea et caerimonias legesque servaverit 6 mansit itaque Isaac in Geraris 7 qui cum interrogaretur a viris loci illius super uxore sua respondit soror mea est timuerat enim confiteri quod sibi esset sociata coniugio reputans ne forte interficerent eum propter illius pulchritudinem 8 cumque pertransissent dies plurimi et ibi demoraretur prospiciens Abimelech Palestinorum rex per fenestram vidit eum iocantem cum Rebecca uxore sua 9 et accersito ait perspicuum est quod uxor tua sit cur mentitus es sororem tuam esse respondit timui ne morerer propter eam 10 dixitque Abimelech quare inposuisti nobis potuit coire quispiam de populo cum uxore tua et induxeras super nos grande peccatum praecepitque omni populo dicens 11 qui tetigerit hominis huius uxorem morte morietur 12 seruit autem Isaac in terra illa et invenit in ipso anno centuplum benedixitque ei Dominus 13 et locupletatus est homo et ibat proficiens atque succrescens donec magnus vehementer effectus est 14 habuit quoque possessionem ovium et armentorum et familiae plurimum ob haec invidentes ei Palestini 15 omnes puteos quos foderant servi patris illius Abraham illo tempore obstruxerunt implentes humo 16 in tantum ut ipse Abimelech diceret ad Isaac recede a nobis quoniam potentior nostri factus es valde 17 et ille discedens veniret ad torrentem Gerarae habitaretque ibi 18 rursum fodit alios puteos quos foderant servi patris sui Abraham et quos illo mortuo olim obstruxerant Philisthim appellavitque eos hisdem nominibus quibus ante pater vocaverat 19 foderunt in torrente et reppererunt aquam vivam 20 sed et ibi iurgium fuit pastorum Gerarae adversum pastores Isaac dicentium nostra est aqua quam ob rem nomen putei ex eo quod acciderat vocavit Calumniam 21 foderunt et alium et pro illo quoque rixati sunt appellavitque eum Inimicitias 22 profectus inde fodit alium puteum pro quo non contenderunt itaque vocavit nomen illius Latitudo dicens nunc dilatavit nos Dominus et fecit crescere super terram 23 ascendit autem ex illo loco in Bersabee 24 ubi apparuit ei Dominus in ipsa nocte dicens ego sum Deus Abraham patris tui noli metuere quia tecum sum benedicam tibi et multiplicabo semen tuum propter servum meum Abraham 25 itaque aedificavit ibi altare et invocato nomine Domini extendit tabernaculum praecepitque servis suis ut foderent puteum 26 ad quem locum cum venissent de Geraris Abimelech et Ochozath amicus illius et Fichol dux militum 27 locutus est eis Isaac quid venistis ad me hominem quem odistis et expulistis a vobis 28 qui responderunt vidimus tecum esse Dominum et idcirco nunc diximus sit iuramentum inter nos et ineamus foedus 29 ut non facias nobis quicquam mali sicut et nos nihil tuorum adtigimus nec fecimus quod te laederet sed cum pace dimisimus auctum benedictione Domini 30 fecit ergo eis convivium et post cibum et potum 31 surgentes mane iuraverunt sibi mutuo dimisitque eos Isaac pacifice in locum suum 32 ecce autem venerunt in ipso die servi Isaac adnuntiantes ei de puteo quem foderant atque dicentes invenimus aquam 33 unde appellavit eum Abundantiam et nomen urbi inpositum est Bersabee usque in praesentem diem 34 Esau vero quadragenarius duxit uxores Iudith filiam Beeri Hetthei et Basemath filiam Helon eiusdem loci 35 quae ambae offenderant animum Isaac et Rebeccae


De Statenvertaling

1 En er was honger in dat land, behalve den eersten honger, die in de dagen van Abraham geweest was; daarom toog Izak tot Abimelech, de koning der Filistijnen, naar Gerar. 2 En de HEERE verscheen hem en zeide: Trek niet af naar Egypte; woon in het land, dat Ik u aanzeggen zal; 3 Woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal den eed bevestigen, dien Ik Abraham uw vader gezworen heb. 4 En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, 5 Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten. 6 Alzo woonde Izak te Gerar. 7 En als de mannen van die plaats hem vraagden van zijn huisvrouw, zeide hij: Zij is mijn zuster; want hij vreesde te zeggen, mijn huisvrouw; opdat mij misschien, zeide hij de mannen dezer plaats niet doden, om Rebekka; want zij was schoon van aangezicht. » meer 8 En het geschiedde, als hij een langen tijd daar geweest was, dat Abimelech, de koning der Filistijnen, ten venster uitkeek, en hij zag, dat, ziet, Izak was jokkende met Rebekka zijn huisvrouw. 9 Toen riep Abimelech Izak, en zeide: Voorwaar, zie, zij is uw huisvrouw! hoe hebt gij dan gezegd: Zij is mijn zuster? En Izak zeide tot hem: Want ik zeide: Dat ik niet misschien om harentwil sterve. 10 En Abimelech zeide: Wat is dit, dat gij ons gedaan hebt? Lichtelijk had een van dit volk bij uw huisvrouw gelegen, zodat gij een schuld over ons zoudt gebracht hebben. 11 En Abimelech gebood het ganse volk, zeggende: Zo wie deze man of zijn huisvrouw aanroert, zal voorzeker gedood worden! 12 En Izak zaaide in datzelve land, en hij vond in datzelve jaar honderd maten; want de HEERE zegende hem. 13 En die man werd groot, ja, hij werd doorgaans groter, totdat hij zeer groot geworden was. 14 En hij had bezitting van schapen, en bezitting van runderen, en groot gezin; zodat hem de Filistijnen benijdden. 15 En al de putten, die de knechten van zijn vader, in de dagen van zijn vader Abraham, gegraven hadden, die stopten de Filistijnen, en vulden dezelve met aarde. 16 Ook zeide Abimelech tot Izak: Trek van ons; want gij zijt veel machtiger geworden, dan wij. 17 Toen toog Izak van daar, en hij legerde zich in het dal van Gerar, en woonde aldaar. 18 Als nu Izak wedergekeerd was, groef hij die waterputten op, die zij ten tijde van Abraham, zijn vader, gegraven, en die de Filistijnen na Abrahams dood toegestopt hadden; en hij noemde derzelver namen naar de namen, waarmede zijn vader die genoemd had. 19 De knechten van Izak dan groeven in dat dal, en zij vonden aldaar een put van levend water. 20 En de herders van Gerar twistten met Izaks herders, zeggende: Dit water hoort ons toe! Daarom noemde hij den naam van dien put Esek, omdat zij met hem gekeven hadden. 21 Toen groeven zij een anderen put, en daar twistten zij ook over; daarom noemde hij deszelfs naam Sitna. 22 En hij brak op van daar, en groef een anderen put, en zij twistten over dien niet; daarom noemde hij deszelfs naam Rehoboth, en zeide: Want nu heeft ons de HEERE ruimte gemaakt, en wij zijn gewassen in dit land. 23 Daarna toog hij van daar op naar Ber-seba. 24 En de HEERE verscheen hem in denzelven nacht, en zeide: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil. 25 Toen bouwde hij daar een altaar, en riep den Naam des HEEREN aan. En hij sloeg aldaar zijn tent op; en Izaks knechten groeven daar een put. 26 En Abimelech trok tot hem van Gerar, met Ahuzzat, zijn vriend, en Pichol, zijn krijgsoverste. 27 En Izak zeide tot hen: Waarom zijt gij tot mij gekomen, daar gij mij haat, en hebt mij van u weggezonden? 28 En zij zeiden: Wij hebben merkelijk gezien, dat de HEERE met u is; daarom hebben wij gezegd: Laat toch een eed tussen ons zijn, tussen ons en tussen u, en laat ons een verbond met u maken: 29 Zo gij bij ons kwaad doet, gelijk als wij u niet aangeroerd hebben, en gelijk als wij bij u alleenlijk goed gedaan hebben, en hebben u in vrede laten trekken! Gij zijt nu de gezegende des HEEREN! 30 Toen maakte hij hun een maaltijd, en zij aten en dronken. 31 En zij stonden des morgens vroeg op, en zwoeren de een den ander; daarna liet Izak hen gaan, en zij togen van hem in vrede. 32 En het geschiedde ten zelfden dage, dat Izaks knechten kwamen, en boodschapten hem van de zaak des puts, dien zij gegraven hadden, en zij zeiden hem: Wij hebben water gevonden. 33 En hij noemde denzelven Seba; daarom is de naam dier stad Ber-seba, tot op dezen dag. 34 Als nu Ezau veertig jaren oud was, nam hij tot een vrouw Judith, de dochter van Beëri, den Hethiet, en Basmath, de dochter van Elon, den Hethiet. 35 En deze waren voor Izak en Rebekka een bitterheid des geestes.


De Naardense vertaling

1 Het geschiedt: honger in het land, een andere dan de éérdere honger die er is geschied in de dagen van Abraham; dan gaat Isaak naar Avimelech, de koning der Filistijnen, naar Gerar,- zwerversgasthuis. Genesis 26 Literatuur bij Genesis 2 Daar laat zich aan hem zien de Ene en zegt: daal niet af naar Egypte,- woon in het land dat ik je toezeg; 3 wees zwerver-te-gast in dit land: ik zal met je zijn, ik zal je zegenen; want aan jou en aan je zaad zal ik al deze landstreken geven; ik zal de bezwering gestand doen die ik heb gezworen aan Abraham, je vader; 4 ik zal jouw zaad zo overvloedig maken als de sterren aan de hemel,- geven zal ik aan jouw zaad al deze landstreken; door jouw zaad zullen zich gezegend weten alle volkeren van het aardland,- 5 als loon daarvoor dat Abraham gehoord heeft naar mijn stem,- en bewaard heeft wat ik te bewaren gaf: mijn geboden, mijn inzettingen en mijn onderrichtingen! 6 Dan zet Isaak zich neer in Gerar,- zwerversgasthuis. 7 Maar dan vragen de mannen van dat oord naar zijn vrouw en zegt hij ‘mijn zuster is zij’, want hij is bevreesd om te zeggen ‘mijn vrouw’,- ‘anders zullen de mannen van dit oord mij vermoorden om Rebekka, want zij is goed om aan te zien!’ 8 Maar het geschiedt wanneer hij daar een lengte van dagen is: eens gluurt Avimelech, koning van de Filistijnen door het schietgat; en wat ziet hij?- ziedaar Isaak,- men lacht, is bezig Rebekka, zijn vrouw, ‘aan het lachen te maken’… 9 Avimelech roept Isaak en zegt: echt, ziedaar ze is je vrouw,- hoe heb je kunnen zeggen ‘zij is mijn zuster’? Isaak zegt tot hem: omdat ik zei ‘anders moet ik om haar sterven’! 10 Dan zegt Avimelech: wat heb je ons aangedaan!- op een haar na had een van de manschap jouw vrouw beslapen en had je schuld over ons doen komen! 11 Dan gebiedt Avimelech heel de manschap en zegt: wie deze man of zijn vrouw aanraakt zal met de dood worden gedood! 12 Als Isaak in dat land zaait vindt hij in dat jaar honderd vrachten terug: de Ene zegent hem. 13 De man groeit,- gaandeweg groeiend totdat hij zeer groot is. 14 Hem gewordt bezit aan wolvee, bezit aan rundvee en een overvloed aan dienstvolk,- zodat de Filistijnen jaloers op hem worden. 15 Alle bronnen die de dienaars van zijn vader hebben gegraven in de dagen van zijn vader Abraham, hebben de Filistijnen ten slotte dichtgestopt en ze gevuld met stof. 16 Avimelech zegt tot Isaak: ga bij ons weg, want je bent véél sterker geworden dan wij! 17 Dan gaat Isaak van daar weg; hij legert in het beekdal van Gerar en zet zich daar neer. 18 Isaak keert terug en graaft de waterbronnen open die ze gegraven hebben in de dagen van zijn vader Abraham, en die de Filistijnen hebben dichtgestopt na de dood van Abraham; hij roept voor hen namen uit, naar de namen die zijn vader voor hen heeft uitgeroepen. 19 De dienaars van Isaak graven in het beekdal,- en vinden daar een bron met levend water. 20 Dan maken de herders van Gerar ruzie met de herders van Isaak en zeggen: dat water is voor ons! Hij roept als naam voor de bron uit ‘Esek’,- kijfhoek!, omdat ze met hem aan het kijven zijn geweest. 21 Ze graven een andere bron en maken ook dáárover ruzie,- en hij roept als naam daarvoor uit ‘Sitna’,- satanswater! 22 Hij breekt daarvandaan op en graaft een andere bron,- en daarover hebben ze geen ruzie gemaakt; hij roept als naam voor haar uit Rechovot,- ruimten!, hij zegt: want nu heeft de Ene ruimte gemaakt voor ons en hebben wij vrucht gedragen op het land! 23 Hij klimt vandaar op naar Beëer Sjeva,- bron van zeven, bron waar gezworen. 24 In die nacht laat de Ene zich aan hem zien en zegt: ik ben de God van je vader Abraham; vrees niet want bij jou ben ik, zegenen zal ik je en talrijk maken zal ik je zaad omwille van Abraham mijn dienaar! 25 Hij bouwt daar een altaar, hij roept de naam aan van de Ene en spant daar zijn tent; dan delven daar de dienaars van Isaak een bron op. 26 Avimelech is vanuit Gerar naar hem toegegaan,- met Achoezat, zijn makker, en Pichol, de vorst van zijn strijdschaar. 27 Isaak zegt tot hen: waarom wel zijt ge tot mij gekomen?- u die mij steeds hebt gehaat en mij bij u vandaan hebt gezonden! 28 Zij zeggen: met inzicht hebben we gezien hoe de Ene met je is geweest, dus zeggen we: laat er toch geen vloek wezen tussen ons beiden, tussen ons en jou; laten we een verbond met jou smeden, 29 dat je ons nooit kwaad zult doen, zoals wij je niet aangeraakt hebben, zoals wij je slechts goed hebben gedaan en je hebben heengezonden in vrede; jij bent nu de gezegende van de Ene! 30 Hij maakt voor hen een feestdronk klaar en ze eten en drinken. 31 In de ochtend rechten ze hun schouders en zweren als man en broeder; dan zendt Isaak hen heen en gaan ze bij hem vandaan in vrede. Genesis 26 Literatuur bij Genesis 32 Het geschiedt op diezelfde dag dat de dienaars van Isaak aankomen en hem melden van de bron die ze hebben gegraven; ze zeggen tot hem: we hebben water gevonden! 33 Hij roept haar uit tot Sjiva,- gezworen! daarom is de naam van de stad: Beëer Sjeva,- bron van zeven, bron waar gezworen, tot op deze dag. •• 34 Esau wordt een zoon van veertig jaar en neemt tot vrouw: Jehoediet, dochter van Beëri,- mijn bron, de Chitiet,- én Basemat, dochter van Elon de Chitiet. 35 Die worden een bitterheid des geestes,- voor Isaak en Rebekka. ••


1. Il y eut une famine dans le pays - en plus de la première famine qui eut lieu du temps d'Abraham - et Isaac se rendit à Gérar chez Abimélek, roi des Philistins. 2. Yahvé lui apparut et dit : Ne descends pas en Égypte; demeure au pays que je te dirai. 3. Séjourne dans ce pays-ci, je serai avec toi et te bénirai. Car c'est à toi et à ta race que je donnerai tous ces pays-ci et je tiendrai le serment que j'ai fait à ton père Abraham. 4. Je rendrai ta postérité nombreuse comme les étoiles du ciel, je lui donnerai tous ces pays et par ta postérité se béniront toutes les nations de la terre, 5. en retour de l'obéissance d'Abraham, qui a gardé mes observances, mes commandements, mes règles et mes lois. 6. Ainsi Isaac demeura à Gérar. 7. Les gens du lieu l'interrogèrent sur sa femme et il répondit : C'est ma sœur. Il eut peur de dire : Ma femme, pensant : Les gens du lieu me feront mourir à cause de Rébecca, car elle est belle. 8. Il était là depuis longtemps quand Abimélek, le roi des Philistins, regardant une fois par la fenêtre, vit Isaac qui caressait Rébecca, sa femme. 9. Abimélek appela Isaac et dit : Pour sûr, c'est ta femme ! Comment as-tu pu dire : C'est ma sœur ? Isaac lui répondit : Je me disais : je risque de mourir à cause d'elle. 10. Abimélek reprit : Qu'est-ce que tu nous as fait là ? Un peu plus, quelqu'un du peuple couchait avec ta femme et tu nous chargeais d'une faute ! 11. Alors Abimélek donna cet ordre à tout le peuple : Quiconque touchera à cet homme et à sa femme sera mis à mort. 12. Isaac fit des semailles dans ce pays et, cette année-là, il moissonna le centuple. Yahvé le bénit 13. et l'homme s'enrichit, il s'enrichit de plus en plus, jusqu'à devenir extrêmement riche. 14. Il avait des troupeaux de gros et de petit bétail et de nombreux serviteurs. Les Philistins en devinrent jaloux. 15. Tous les puits que les serviteurs de son père avaient creusés, - du temps de son père Abraham, - les Philistins les avaient bouchés et comblés de terre. 16. Abimélek dit à Isaac : Pars de chez nous, car tu es devenu beaucoup plus puissant que nous. 17. Isaac partit donc de là et campa dans la vallée de Gérar, où il s'établit. 18. Isaac creusa de nouveau les puits qu'avaient creusés les serviteurs de son père Abraham et que les Philistins avaient bouchés après la mort d'Abraham, et il leur donna les mêmes noms que son père leur avait donnés. 19. Les serviteurs d'Isaac creusèrent dans la vallée et ils trouvèrent là un puits d'eaux vives. 20. Mais les bergers de Gérar entrèrent en dispute avec les bergers d'Isaac, disant : L'eau est à nous ! Isaac nomma ce puits Éseq, parce qu'ils s'étaient querellés avec lui. 21. Ils creusèrent un autre puits et il y eut encore une dispute à son propos; il le nomma Sitna. 22. Alors il partit de là et creusa un autre puits, et il n'y eut pas de dispute à son propos; il le nomma Rehobot et dit : Maintenant Yahvé nous a donné le champ libre pour que nous prospérions dans le pays. 23. De là il monta à Bersabée. 24. Yahvé lui apparut cette nuit-là et dit : Je suis le Dieu de ton père Abraham. Ne crains rien, car je suis avec toi. Je te bénirai, je multiplierai ta postérité, en considération de mon serviteur Abraham. 25. Il bâtit là un autel et invoqua le nom de Yahvé. Il dressa là sa tente. Les serviteurs d'Isaac forèrent un puits. 26. Abimélek vint le voir de Gérar, avec Ahuzzat son familier et Pikol le chef de son armée. 27. Isaac leur dit : Pourquoi venez-vous à moi, puisque vous me haïssez et que vous m'avez renvoyé de chez vous ? 28. Ils répondirent : Nous avons eu l'évidence que Yahvé était avec toi et nous avons dit : Qu'il y ait un serment entre nous et toi et concluons une alliance avec toi : 29. jure de ne nous faire aucun mal, puisque nous ne t'avons pas molesté, que nous ne t'avons fait que du bien et t'avons laissé partir en paix. Maintenant, tu est un béni de Yahvé. 30. Il leur prépara un festin, et ils mangèrent et burent. 31. Levés de bon matin, ils se firent un serment mutuel. Puis Isaac les congédia et ils le quittèrent en paix. 32. Or ce fut ce jour-là que les serviteurs d'Isaac lui apportèrent des nouvelles du puits qu'ils creusaient et ils lui dirent : Nous avons trouvé l'eau ! 33. Il appela le puits Sabée, d'où le nom de la ville, Bersabée, jusqu'à maintenant. 34. Quand Ésaü eut quarante ans, il prit pour femmes Yehudit, fille de Bééri le Hittite, et Basmat, fille d'Élôn le Hittite. 35. Elles furent un sujet d'amertume pour Isaac et pour Rébecca. La Bible de Jérusalem.


King James version

Gen.26 [1] And there was a famine in the land, beside the first famine that was in the days of Abraham. And Isaac went unto Abimelech king of the Philistines unto Gerar. [2] And the LORD appeared unto him, and said, Go not down into Egypt; dwell in the land which I shall tell thee of: [3] Sojourn in this land, and I will be with thee, and will bless thee; for unto thee, and unto thy seed, I will give all these countries, and I will perform the oath which I sware unto Abraham thy father; [4] And I will make thy seed to multiply as the stars of heaven, and will give unto thy seed all these countries; and in thy seed shall all the nations of the earth be blessed; [5] Because that Abraham obeyed my voice, and kept my charge, my commandments, my statutes, and my laws. [6] And Isaac dwelt in Gerar: [7] And the men of the place asked him of his wife; and he said, She is my sister: for he feared to say, She is my wife; lest, said he, the men of the place should kill me for Rebekah; because she was fair to look upon. [8] And it came to pass, when he had been there a long time, that Abimelech king of the Philistines looked out at a window, and saw, and, behold, Isaac was sporting with Rebekah his wife. [9] And Abimelech called Isaac, and said, Behold, of a surety she is thy wife: and how saidst thou, She is my sister? And Isaac said unto him, Because I said, Lest I die for her. [10] And Abimelech said, What is this thou hast done unto us? one of the people might lightly have lien with thy wife, and thou shouldest have brought guiltiness upon us. [11] And Abimelech charged all his people, saying, He that toucheth this man or his wife shall surely be put to death. [12] Then Isaac sowed in that land, and received in the same year an hundredfold: and the LORD blessed him. [13] And the man waxed great, and went forward, and grew until he became very great: [14] For he had possession of flocks, and possessions of herds, and great store of servants: and the Philistines envied him. [15] For all the wells which his father's servants had digged in the days of Abraham his father, the Philistines had stopped them, and filled them with earth. [16] And Abimelech said unto Isaac, Go from us; for thou art much mightier than we. [17] And Isaac departed thence, and pitched his tent in the valley of Gerar, and dwelt there. [18] And Isaac digged again the wells of water, which they had digged in the days of Abraham his father; for the philistines had stopped them after the death of Abraham: and he called their names after the names by which his father had called them. [19] And Isaac's servants digged in the valley, and found there a well of springing water. [20] And the herdmen of Gerar did strive with Isaac's herdmen, saying, The water is ours: and he called the name of the well Esek; because they strove with him. [21] And they digged another well, and strove for that also:and he called the name of it Sitnah. [22] And he removed from thence, and digged another well; and for that they strove not: and he called the name of it Rehoboth; and he said, For now the LORD hath made room for us, and we shall be fruitful in the land. [23] And he went up from thence to Beer-sheba. [24] And the LORD appeared unto him the same night, and said, I am the God of Abraham thy father: fear not, for I am with thee, and will bless thee, and multiply thy seed for my servant Abraham's sake. [25] And he builded an altar there, and called upon the name of the LORD and pitched his tent there: and there Isaac's servants digged a well. [26] Then Abimelech went to him from Gerar, and Ahuzzath one of his friends, and Phichol the chief captain of his army. [27] And Isaac said unto them, Wherefore come ye to me, seeing ye hate me, and have sent me away from you? [28] And they said, We saw certainly that the LORD was with thee: and we said, Let there be now an oath betwixt us, even betwixt us and thee, and let us make a covenant with thee; [29] That thou wilt do us no hurt, as we have not touched thee, and as we have done unto thee nothing but good, and have sent thee away in peace: thou art now the blessed of the LORD. [30] And he made them a feast, and they did eat and drink. [31] And they rose up betimes in the morning, and sware one to another: and Isaac sent them away, and they departed from him in peace. [32] And it came to pass the same day, that Isaac's servants came, and told him concerning the well which they had digged, and said unto him, We have found water. [33] And he called it Shebah: therefore the name of the city is Beer-sheba unto this day. [34] And Esau was forty years old when he took to wife Judith the daughter of Beeri the Hittite, and Bashemath the daughter of Elon the Hittite: [35] Which were a grief of mind unto Isaac and to Rebekah.


Luther BIbel 1984
1 Es kam aber eine Hungersnot ins Land nach der früheren, die zu Abrahams Zeiten war. Und Isaak zog zu Abimelech, dem König der Philister, nach Gerar. 2 Da erschien ihm der HERR und sprach: Zieh nicht hinab nach Ägypten, sondern bleibe in dem Lande, das ich dir sage. 3 Bleibe als Fremdling in diesem Lande, und ich will mit dir sein und dich segnen; denn dir und deinen Nachkommen will ich alle diese Länder geben und will meinen Eid wahr machen, den ich deinem Vater Abraham geschworen habe, 4 und will deine Nachkommen mehren wie die Sterne am Himmel und will deinen Nachkommen alle diese Länder geben. Und durch dein Geschlecht sollen alle Völker auf Erden gesegnet werden, 5 weil Abraham meiner Stimme gehorsam gewesen ist und gehalten hat meine Rechte, meine Gebote, meine Weisungen und mein Gesetz. 6 So wohnte Isaak zu Gerar. 7 Und wenn die Leute am Ort fragten nach seiner Frau, so sprach er: Sie ist meine Schwester; denn er fürchtete sich zu sagen: Sie ist meine Frau. Er dachte nämlich: Sie könnten mich töten um Rebekkas willen, denn sie ist schön von Gestalt. 8 Als er nun eine Zeit lang da war, sah Abimelech, der König der Philister, durchs Fenster und wurde gewahr, dass Isaak scherzte mit Rebekka, seiner Frau. 9 Da rief Abimelech den Isaak und sprach: Siehe, es ist deine Frau. Wie hast du dann gesagt: Sie ist meine Schwester? Isaak antwortete ihm: Ich dachte, ich würde vielleicht sterben müssen um ihretwillen. 10 Abimelech sprach: Warum hast du uns das angetan? Es wäre leicht geschehen, dass jemand vom Volk sich zu deiner Frau gelegt hätte, und du hättest so eine Schuld auf uns gebracht. 11 Da gebot Abimelech allem Volk und sprach: Wer diesen Mann oder seine Frau antastet, der soll des Todes sterben. Isaaks Streit mit den Philistern. Sein Bund mit Abimelech 12 Und Isaak säte in dem Lande und erntete in jenem Jahre hundertfältig; denn der HERR segnete ihn. 13 Und er wurde ein reicher Mann und nahm immer mehr zu, bis er sehr reich wurde, 14 sodass er viel Gut hatte an kleinem und großem Vieh und ein großes Gesinde. Darum beneideten ihn die Philister. 15 Nun hatten sie aber alle Brunnen verstopft, die seines Vaters Knechte gegraben hatten zur Zeit Abrahams, seines Vaters, und hatten sie mit Erde gefüllt. 16 Und Abimelech sprach zu ihm: Zieh von uns, denn du bist uns zu mächtig geworden. 17 Da zog Isaak von dannen und schlug seine Zelte auf im Grunde von Gerar und wohnte da 18 und ließ die Wasserbrunnen wieder aufgraben, die sie zur Zeit Abrahams, seines Vaters, gegraben hatten und die die Philister verstopft hatten nach Abrahams Tod, und nannte sie mit denselben Namen, mit denen sein Vater sie genannt hatte. 19 Auch gruben Isaaks Knechte im Grunde und fanden dort eine Quelle lebendigen Wassers. 20 Aber die Hirten von Gerar zankten mit den Hirten Isaaks und sprachen: Das Wasser ist unser. Da nannte er den Brunnen »Zank«, weil sie mit ihm da gezankt hatten. 21 Da gruben sie einen andern Brunnen. Darüber stritten sie auch, darum nannte er ihn »Streit«. 22 Da zog er weiter und grub noch einen andern Brunnen. Darüber zankten sie sich nicht, darum nannte er ihn »Weiter Raum« und sprach: Nun hat uns der HERR Raum gemacht und wir können wachsen im Lande. 23 Danach zog er von dannen nach Beerscheba. 24 Und der HERR erschien ihm in derselben Nacht und sprach: Ich bin der Gott deines Vaters Abraham. Fürchte dich nicht, denn ich bin mit dir und will dich segnen und deine Nachkommen mehren um meines Knechtes Abraham willen. 25 Dann baute er dort einen Altar und rief den Namen des HERRN an und schlug dort sein Zelt auf und seine Knechte gruben dort einen Brunnen. 26 Und Abimelech ging zu ihm von Gerar mit Ahusat, seinem Freund, und Pichol, seinem Feldhauptmann. 27 Aber Isaak sprach zu ihnen: Warum kommt ihr zu mir? Hasst ihr mich doch und habt mich von euch getrieben. 28 Sie sprachen: Wir sehen mit sehenden Augen, dass der HERR mit dir ist. Darum sprachen wir: Es soll ein Eid zwischen uns und dir sein, und wir wollen einen Bund mit dir schließen, 29 dass du uns keinen Schaden tust, gleichwie wir dich nicht angetastet haben und dir nur alles Gute getan und dich mit Frieden haben ziehen lassen. Du bist ja doch der Gesegnete des HERRN. 30 Da machte er ihnen ein Mahl und sie aßen und tranken. 31 Und früh am Morgen standen sie auf und einer schwor dem andern. Und Isaak ließ sie gehen und sie zogen von ihm mit Frieden. 32 Am selben Tage kamen Isaaks Knechte und sagten ihm von dem Brunnen, den sie gegraben hatten, und sprachen zu ihm: Wir haben Wasser gefunden. 33 Und er nannte ihn »Schwur«; daher heißt die Stadt Beerscheba bis auf den heutigen Tag. Esaus Frauen 34 Als Esau vierzig Jahre alt war, nahm er zur Frau Jehudit, die Tochter Beeris, des Hetiters, und Basemat, die Tochter Elons, des Hetiters. 35 Die machten Isaak und Rebekka lauter Herzeleid.