GENESIS 29 - GN 29 -
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -
- Gn 29,1-30 -- Gn 29,31-35 -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -

Overzicht van Tenach : Tenach : overzicht , Tenach : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenach : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,

Gn (Genesis) : overzicht , Gn : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Gn : commentaar ,

Overzicht van Genesis : - Gn 1 - Gn 2 - Gn 3 - Gn 4 - Gn 5 - Gn 6 - Gn 7 - Gn 8 - Gn 9 - Gn 10 - Gn 11 - Gn 12 - Gn 13 - Gn 14 - Gn 15 - Gn 16 - Gn 17 - Gn 18 - Gn 19 - Gn 20 - Gn 21 - Gn 22 - Gn 23 - Gn 24 - Gn 25 - Gn 26 - Gn 27 - Gn 28 - Gn 29 - Gn 30 - Gn 31 - Gn 32 - Gn 33 - Gn 34 - Gn 35 - Gn 36 - Gn 37 - Gn 38 - Gn 39 - Gn 40 - Gn 41 - Gn 42 - Gn 43 - Gn 44 - Gn 45 - Gn 46 - Gn 47 - Gn 48 - Gn 49 - Gn 50 -
Overzicht vers per vers : - Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 - Gn 29,31 - Gn 29,32 - Gn 29,33 - Gn 29,34 - Gn 29,35 -
Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
http://godieu.com/jerusalem/bible/genese.html            
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel        

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat
- ´âhabh (beminnen, liefhebben) , zie Gn 29,30 .
- `al (op, overeenkomstig) , zie Gn 29,34 .
- bhë´er (put) , Gn 29,2 .
- hinneh (zie) , zie Gn 29,1 .
- khen (zo) , zie Gn 29,34 .
- leâh (Lea) , zie Gn 29,31 .
- lewî (Levi) , zie Gn 29,34 .
- `ôd (nog, opnieuw) , zie Gn 29,34 .
- shânâ´(haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) , zie Gn 29,31 .
- sjâqâh (laten drinken, drenken) , zie Gn 29,10 .
Bibliografie :
Literatuur
Liturgisch gebruik

Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven van Paulus , Apostolische brieven .
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 (Taalgebruik : Gn 29,1-30) - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -


Gn 29,1 - Gn 29,1 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1kai exaras iakôb tous podas eporeuthè eis gèn anatolôn pros laban ton uion bathouèl tou surou adelfon de rebekkas mètros iakôb kai èsau  1 profectus ergo Iacob venit ad terram orientalem   wajjishshâ` Ja`äqobh   1 Toen hief Jakob zijn voeten op, en ging naar het land der kinderen van het Oosten.  [1] Toen* Jakob zijn reis voortzette en verder trok naar het gebied van de oosterlingen,  [1] Jakob vervolgde zijn reis naar het land waar de volken van het oosten wonen.  1 ¶ Dan heft Jakob zijn voeten op,– en gaat naar het land van de zonen van het oosten.  29:1 Jacob se mit en marche et alla au pays des fils de l'Orient.  

King James Bible . [1] Then Jacob went on his journey, and came into the land of the people of the east.
Luther-Bibel . 1 Da machte sich Jakob auf den Weg und ging in das Land, das im Osten liegt,

Tekstuitleg van Gn 29,1 .

Gn 29,1.1. verbindingsprefix waw (en) en qal actief imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud wajjishshâ´ (en hij verhief) van het werkw. nâshâ´(dragen, opnemen, verheffen) . Getallenwaarde : nun = 14 of 50 , shin = 21 of 300 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 5 - 3 - 1 . Taalgebruik in Tenakh : nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen) . nâsh´â wordt gebruikt in uitdrukkingen als de tenten opbreken , een rijdier bestijgen , de ogen opslaan , zijn stem verheffen , zijn voeten opheffen (= voortgaan) . Tenakh (42) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (11) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (5) .Gn (14) : . (1) Gn 13,10 . (2) Gn 18,2 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,13 . (5) Gn 24,63 . (6) Gn 27,38 . (7) Gn 29,1 . (8) Gn 29,11 . (9) Gn 31,17 . (10) Gn 33,1 . (11) Gn 33,5 . (12) Gn 40,20 . (13) Gn 43,29 . (14) Gn 43,34 .
De Griekse vorm act. part. aor. nom. mann. enk.exaras (uitgeheven, uitgestrekt) komt slechts in het OT (4) voor : (1) Gn 29,1 . (2) Gn 49,33 . (3) Lv 9,22 . (4) Nu 24,2 . Een vorm van het werkw. exairô in de LXX (236) , in het NT (1) . Zie het werkw. epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in het NT : epairô (opheffen, verheffen) .
- Lat. levare (elevare) . Fr. lever . E. to lift up . D. aufheben . Ned. verheffen .

Gn 29,1.2. Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik : Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Getallenwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 29 (10) : (1) Gn 29,1 . (2) Gn 29,4 . (3) Gn 29,10 . (4) Gn 29,11 . (5) Gn 29,12 . (6) Gn 29,13 . (7) Gn 29,18 . (8) Gn 29,20 . (9) Gn 29,21 . (10) Gn 29,28 . Het is opvallend dat bij Jakob het getal 7 overwegend is . De leeftijd van Jakob is 147 (14 = 2 X 7 ; 7 ; dus 3X een 7) OF 7² X 3 . Som van de factoren is 17 (7 + 7 + 3) . De getalwaarde van de naam Jakob is 182 (7 X 26) .

Gn 29,1.1. - 2. wajjishshâ` Ja`äqobh . Tenakh (2) : (1) Gn 29,1 : zijn voeten opheffen , voortgaan , verder gaan . (2) Gn 33,1 : zijn ogen opslaan .

Gn 29,2 - Gn 29,2 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2 kai ora kai idou frear en tô pediô èsan de ekei tria poimnia probatôn anapauomena ep' autou ek gar tou freatos ekeinou epotizon ta poimnia lithos de èn megas epi tô stomati tou freatos  2 et vidit puteum in agro tresque greges ovium accubantes iuxta eum nam ex illo adaquabantur pecora et os eius grandi lapide claudebatur  wajjarë´ wëhinneh bhë´er bashshâdèh  2 En hij zag toe, en ziet, er was een put in het veld; en ziet, er waren drie kudden schapen nevens dien nederliggende; want uit dien put drenkten zij de kudden; en er was een grote steen op den mond van dien put.  [2] zag hij op een gegeven ogenblik ergens in het veld een put. Drie kudden schapen lagen daar te wachten, omdat uit die put de kudden te drinken kregen. Op de put lag een grote steen,  [2] Op een dag zag hij ergens in het open veld een put waar drie kudden schapen omheen lagen; de dieren kregen altijd uit die put te drinken. Over de opening van de put lag een grote steen.   2 Hij ziet uit en ziedaar, een bron in het veld, en ziedaar, dáár zijn drie kudden wolvee bij haar omdat ze uit díe bron de kudden drenken; maar de steen op de mond van de bron is gróót.   29:2 Et voici qu'il vit un puits dans la campagne, près duquel étaient couchés trois troupeaux de petit bétail: c'était à ce puits qu'on abreuvait les troupeaux, mais la pierre qui enfermait l'ouverture était grande. 

King James version . And he looked, and behold a well in the field, and, lo, there were three flocks of sheep lying by it; for out of that well they watered the flocks: and a great stone was upon the well's mouth.
Luther-Bibel . 2 und sah sich um, und siehe, da war ein Brunnen auf dem Felde; und siehe, drei Herden Schafe lagen dabei, denn von dem Brunnen pflegten sie die Herden zu tränken. Und ein großer Stein lag vor dem Loch des Brunnens.

Tekstuitleg van Gn 29,2 . Dit vers Gn 29,2 telt 22 ( = 2 X 11) woorden en 80 ( = 2 X 2 X 2 X 2 X 5) letters . De getalwaarde van dit vers Gn 29,2 is 4314 ( = 2 X 3 X 719) .

1. - 2. wajjarë´ (en hij zag) wëhinneh (en zie) . In veertien verzen in de bijbel : (1) Gn 8,13 . (2) Gn 18,2 . (3) Gn 19,28 . (4) Gn 22,13 . (5) Gn 24,63 . (6) Gn 26,8 . (7) Gn 29,2 . (8) Gn 33,1 . (9) Ex 3,2 . (10) Joz 5,13 . (11) Re 9,43 . (12) 2 S 13,34 . (13) 2 S 18,24 . (14) 2 K 6,17 .

1. wajjarë´ (en hij zag) . Taalgebruik : râ´âh (zien) , zie Ex 3,7 . Qal actief imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . In twee verzen in Gn 29 :
- (1) Gn 29,2 (en Jakob zag) . (2) Gn 29,31 : wajjarë´ JHWH (en JHWH zag) .

2. hinneh (zie) . Taalgebruik : hinneh (zie) , zie Gn 29,2 . Taalgebruik : idou (zie) , zie Mt 1,20 . In 495 verzen in de bijbel. In achtenvijftig verzen in Gn . Getalswaarde : he = 5 , nun = 14 of 50 ; totaal : 38 of 110 . Niet in Gn 29 .
- wëhinneh (en zie) . In 347 verzen in de bijbel . In vijfenvijftig verzen in Gn . In drie verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,2a : wehinneh bhë´er = en zie een put ; Gn 29,2b (drie kudden schapen) . (2) Gn 29,6 (wehinneh râchel = en zie Rachel) . (3) Gn 29,25 (wehinneh lële´âh = en zie Lea) . Na wehinneh (en zie) volgt telkens het onderwerp . De LXX vertaalt wehinneh (en zie) door kai idou (en zie) .
-- wëhinneh (en zie) sjâm (daar) = en zie daar . In zeven verzen in de bijbel : (1) Gn 29,2 . (2) 1 K 17,10 . (3) Js 36,12 . (4) Ez 3,23 . (5) Ez 8,4 . (6) Ez 8,14 . (7) Ez 46,19 .
- hinënî (en zie ik) . In 177 verzen in de bijbel . In twaalf verzen in Gn . In acht verzen in Ex . In veertien verzen in Js . In drieënzestig verzen in Jr . In vijfendertig verzen in Ez .
- hen (zie) . In 106 verzen in de bijbel . In vijfentwitnig verzen in Js .

3. bhë´er (put) . bë'er (put) . Taalgebruik : bhë´er (put) , Gn 29,2 . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 , resj = 20 of 200 ; totaal : 23 of 203 (7 X 29) . Dezelfde medeklinkers in het woord bar´â (scheppen) . Zie bârâ´ (scheppen) , zie Jr 1,5 . In achtendertig verzen in de bijbel . In zestien verzen in Gn (Genesis ) . In één vers in Gn 16 . In vier verzen in Gn 21 . In één vers in Gn 22 : Gn 22,19 . In twee verzen in Gn 24 : (1) Gn 24,11 . (2) Gn 24,62 . In één vers in Gn 25 : Gn 25,11 . In zes verzen in Gn 26 : (1) Gn 26,19 . (2) Gn 26,21 . (3) Gn 26,22 . (4) Gn 26,23 . (5) Gn 26,25 . (6) Gn 26,33 . In één vers in Gn 29 : Gn 29,2 .
- frear (put) . In tweeëndertig verzen in de bijbel . In achttien verzen in Genesis : (1) Gn 16,14 . (2) Gn 21,14 . (3) Gn 21,19 . (4) Gn 21,30 . (5) Gn 21,31 . (6) Gn 22,19 . (7) Gn 24,11 . (8) Gn 24,20 . (9) Gn 24,62 . (10) Gn 25,11 . (11) Gn 26,19 . (12) Gn 26,21 . (13) Gn 26,22 . (14) Gn 26,23 . (15) Gn 26,25 . (16) Gn 26,33 . (17) Gn 29,2 . (18) Gn 46,1 . Genitief enkelvoud freatos . In achttien verzen in de bijbel . In acht verzen in Genesis : (1) Gn 26,20 . (2) Gn 26,32 . (3) Gn 28,10 . (4) Gn 29,2 . (5) Gn 29,3 . (6) Gn 29,8 . (7) Gn 29,10 . (8) Gn 46,5 .

4. bashshâdèh (op het veld) .In vierentachtig verzen in de bijbel .
- shâdèh (veld) . Taalgebruik : shâdèh (veld) , zie Zach 10,1 . Het verhaal doet wat denken aan de herders die 's nachts op het veld bij hun kudden waakten (Lc 2,8) .

5. - 6. wëhinneh (en zie) sjâm (daar) = en zie daar . In zeven verzen in de bijbel : (1) Gn 29,2 . (2) 1 K 17,10 . (3) Js 36,12 . (4) Ez 3,23 . (5) Ez 8,4 . (6) Ez 8,14 . (7) Ez 46,19 .

5. wehinneh (en zie) . In 347 verzen in de bijbel . In vijfenvijftig verzen in Gn . In drie verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,2a : wehinneh bhë´er = en zie een put ; Gn 29,2b (drie kudden schapen) . (2) Gn 29,6 (wehinneh râchel = en zie Rachel) . (3) Gn 29,25 (wehinneh lële´âh = en zie Lea) . Na wehinneh (en zie) volgt telkens het onderwerp . De LXX vertaalt wehinneh (en zie) door kai idou (en zie) .

8. `edèr (kudde) . In vijf verzen in de bijbel : (1) Gn 32,17 . (2) Gn 35,21 . (3) Jr 13,17 . (4) Mi 4,9 . (5) Job 24,2 .
- `èdër(j)e (kudden) . Status constructus meervoud . In drie verzen in de bijbel : (1) Gn 29,2 .

Betekenis van Gn 29,2

Waarom zijn de herders van die kudden er zo vroeg bij om de kudden bij de put te laten wachten om ze drinken te geven . Het lijkt erop dat ze Rachel het hof willen maken . Maar dan komt Jakob op het toneel . Hij ziet Rachel met de kudde komen . Hij rolt de steen van de put en laat haar kudde drinken . De ontmoeting van Jakob met Rachel betekent niet alleen leven voor de schapen maar ook toekomst voor Jakob en Rachel .

Gn 29,3 - Gn 29,3 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3 kai sunègonto ekei panta ta poimnia kai apekulion ton lithon apo tou stomatos tou freatos kai epotizon ta probata kai apekathistôn ton lithon epi to stoma tou freatos eis ton topon autou  3 morisque erat ut cunctis ovibus congregatis devolverent lapidem et refectis gregibus rursum super os putei ponerent     3 En derwaarts werden al de kudden verzameld, en zij wentelden den steen van den mond des puts, en drenkten de schapen, en legden den steen weder op den mond van dien put, op zijn plaats.  [3] en pas als alle herders daar waren samengekomen, rolde men de steen van de opening; zodra men de schapen had laten drinken, legde men de steen weer op de put.   [3] Als alle kudden daar bijeen waren gedreven, werd de steen van de opening gerold en kreeg het vee te drinken. Daarna werd de steen op de put teruggelegd.   3 Hadden alle kudden zich daarheen verzameld dan wentelden ze de steen van de mond van de bron en drenkten het wolvee; dan brachten ze de steen terug op de mond van de bron op haar plaats. 29:3 Quand tous les troupeaux étaient rassemblés là, on roulait la pierre de sur la bouche du puits, on abreuvait le bétail, puis on remettait la pierre en place sur la bouche du puits. 

King James Bible . [3] And thither were all the flocks gathered: and they rolled the stone from the well's mouth, and watered the sheep, and put the stone again upon the well's mouth in his place.
Luther-Bibel . 3 Und sie pflegten die Herden alle dort zu versammeln und den Stein von dem Brunnenloch zu wälzen und die Schafe zu tränken und taten alsdann den Stein wieder vor das Loch an seine Stelle.

Tekstuitleg van Gn 29,3 . Het vers Gn 29,3 telt 20 (2² X 5) woorden en 73 letters . De getalwaarde van 4264 (2³ X 13 X 41) .

Gn 29,3.5. וְגָלֲלוּ = wëgâlälû (en zij rolden) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. ind. perf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. גָלַל = gâlal (rollen, wentelen) . Taalgebruik : gâlal (rollen, wentelen) . Getalswaarde : gimel = 3 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 27 (3³) OF 63 (3² X 7) . Structuur : 3 - 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (2) : (1) Gn 29,3 . (2) Gn 29,8 .
- Grieks . act. ind. imperf. 3de pers. mv. απεκυλιον = apekulion (zij rolden weg) van het werkw. αποκυλιω = apokuliô (wegrollen) . Zie het werkw. κυλιω = kuliô (rollen, wentelen) . Taalgebruik in de Bijbel : kuliô (rollen) . Bijbel (1) : Gn 29,3 . Een vorm van αποκυλιω = apokuliô (wegrollen) in de LXX (4) : (1) Gn 29,3 . (2) Gn 29,8 . (3) Gn 29,10 . (4) Jdt 13,9 , in het NT (4) :
(1) Mt 28,2 : act. ind. aor. 3de pers. enk. απεκυλισεν = apekulisen (hij rolde weg) .
(2) Mc 16,3 : act. ind. fut. 3de pers. enk. αποκυλισει = apokulisei (hij zal wegrollen) .
(3) Mc 16,4 : pass. ind. perf. 3de pers. enk. αποκεκυλισται = apokekulistai (hij is weggerold) .
(4) Lc 24,2 : pass. ind. perf. 3de pers. enk. αποκεκυλισμενον = apokekulismenon (weggerold) .
- Lat. revolvere . Ned. wegrollen, wegwentelen . Fr. rouler . E. to roll away . D. walzen . Arabisch : لَفَّ = laffa (rollen) . Taakgebruik in de Qoran : laffa (rollen) .

Gn 29,3.7. הָאֶבֶן = hâ´èbhèn (de steen) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֶבֶן = ´èbhèn (steen) . Taalgebruik in Tenakh : ´èbhèn (steen) . Getalswaarde : aleph = 1 , ben = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 17 OF 53 (priemgetal) . Structuur : 1 - 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (19) : (1) Gn 28,18 . (2) Gn 29,3 (2X) . (3) Gn 29,8 . (4) Gn 29,10 . (5) Ex 24,12 . (6) Ex 28,10 . (7) Joz 24,27 . (8) 1 S 4,1 . (9) 1 S 6,15 . (10) 1 S 17,49 . (11) 1 S 20,19 . (12) 2 S 20,8 . (13) 2 K 12,13 . (14) Jr 3,9 . (15) Ez 11,19 . (16) Ez 36,26 . (17) Zach 3,9 . (18) Zach 4,7 . (19) Zach 4,10 .
- acc. mann. enk. λιθον = lithon (steen) van het zelfst. naamw. λιθος = lithos (steen) . Taalgebruik in het NT : lithos (steen) . Taalgebruik in de LXX : lithos (steen) . Bijbel (81) . OT (57) . NT (24) . Een vorm van λιθος = lithos in de LXX (306) , in het NT (58) . Gn (6) : (1) Gn 11,3 . (2) Gn 28,18 . (3) Gn 29,3 . (4) Gn 29,8 . (5) Gn 29,10 . (6) Gn 31,45 .
- Latijn . acc. enk. lapidem van het zelfst. naamw. lapis (steen, steenrots) . Bijbel (72) . OT (46) . NT (26) . Fr. pîerre < Lat. petra < Gr. πετρα = petra . E. stone . D. Stein . Aramees : אַבְנַא = abhëna´ (steen) .

Gn 29,3.6. - 7. אֶת הָאֶבֶן = ´èth hâ´èbhèn (de steen) . Tenakh (8) : (1) Gn 28,18 . (2) Gn 29,3 (2X) . (3) Gn 29,8 . (4) Gn 29,10 . (5) Jr 3,9 . (6) Ez 36,26 . (7) Zach 4,7 . (8) Zach 4,10 .

Gn 29,3.5. -7. וְגָלֲלוּ אֶת הָאֶבֶן = wëgâlälû ´èth hâ´èbhèn (en zij rolden de steen) . Tenakh (2) : (1) Gn 29,3 . (2) Gn 29,8 .

Gn 29,3.8. מֵעַל = me`al (vanop, weg vanop) < prefix voorzetsel min + עַל = `al (op, overeenkomstig, omwille van) . Taalgebruik in Tenakh : `al (op, overeenkomstig) . Getalswaarde : ajin = 16 of 70, lamed = 12 of 30 ; totaal : 28 (2² X 7) of 100 (2² X 5²) . Structuur : 7 - 3 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (206) . Pentateuch (60) . Eerdere Profeten (57) . Latere Profeten (51) . 12 Kleine Profeten (12) . Geschriften (26 ) . Gn (25) . Gn 29 (3) : (1) Gn 29,3 . (2) Gn 29,8 . (3) Gn 29,10 .

Gn 29,3.9. stat. constr. פִי = pî (mond, opening, ingang) van het zelfst. naamw. פֵה = pèh (mond, opening, ingang) . Taalgebruik in Tenakh : pèh (mond, opening, ingang) . Getalswaarde : pe = 17 of 80 , he = 5 ; totaal : 22 (2 X 11) of 85 (5 X 17) . Structuur : 8 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Het is de 17de letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (131) . Pentateuch (51) . Eerdere Profeten (20) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (42) . Gn (7) : (1) Gn 29,2 . (2) Gn 29,3 . (3) Gn 29,8 . (4) Gn 29,10 . (5) Gn 43,7 . (6) Gn 45,12 . (7) Gn 45,21 .
- Grieks . gen. onz. enk. στοματος = stomatos (van de mond) van het zelfst. naamw. στομα = stoma (mond) . Taalgebruik in het NT : stoma (mond) . Taalgebruik in de LXX : stoma (mond) . Gn (5) : (1) Gn 29,3 . (2) Gn 29,8 . (3) Gn 29,10 . (4) Gn 42,27 . (5) Gn 44,1 .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  gen. onz. enk. stomatos   154  122  32      10  10 

Gn 29,3.10. הַבְּאֵר = habbë´er (de bron, de put) < prefix bepaald lidw. ha + בְאֵר = bhë´er (put, bron) . Taalgebruik in Tenakh : bhë´er (put) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 , resj = 20 of 200 ; totaal : 23 of 203 (7 X 29) . Structuur : 2 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . Dezelfde medeklinkers in het woord בָרָא = bârâ´ (scheppen) . Zie bârâ´ (scheppen) . Tenakh (8) : (1) Gn 21,30 . (2) Gn 24,20 . (3) Gn 26,20 . (4) Gn 26,32 . (5) Gn 29,2 . (6) Gn 29,3 . (7) Gn 29,8 . (8) Gn 29,10
- Grieks . genitief enkelvoud φρεατος = freatos van het zelfst. naamw. φρεαρ = frear (put) . Taalgebruik in de Bijbel : frear (put) . Bijbel (18) . Gn (8) : (1) Gn 26,20 . (2) Gn 26,32 . (3) Gn 28,10 . (4) Gn 29,2 . (5) Gn 29,3 . (6) Gn 29,8 . (7) Gn 29,10 . (8) Gn 46,5 .
- Ned. : bron . Grieks : φρεαρ = frear (put) . Taalgebruik in de Bijbel : frear (put) . Hebreeuws : בְאֵר = bhë´er (put, bron) . Taalgebruik in Tenakh : bhë´er (put) .
- Ned. : put . Fr. : puit . Lat. : puteus .

Gn 29,3.14. wë hesjîbhû (en zij legden terug) terugkeren , herstellen . apekathistôn (zij herstelden) . Actief imperfectum derde persoon meervooud . apokathistèmi (terug oprichten , herstellen) . In Mc 16,1-8 is er sprake van de steen weg te rollen . In Hnd 1,6 wordt de vraag gesteld van het herstellen van het koninkrijk van Israël . Daar wordt de werkwoordvorm apokathistaneis : gij herstelt gebruikt .

Gn 29,4 - Gn 29,4 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4eipen de autois iakôb adelfoi pothen este umeis oi de eipan ek charran esmen  4 dixitque ad pastores fratres unde estis qui responderunt de Haran    4 Toen zeide Jakob tot hen: Mijn broeders! van waar zijt gij? En zij zeiden: Wij zijn van Haran.  [4] Jakob vroeg: ‘Broeders, waar komt u vandaan?’ Zij antwoordden: ‘Wij komen van Haran.’   [4] Jakob vroeg de herders: ‘Waar komen jullie vandaan, vrienden?’ ‘Uit Charan,’ antwoordden ze.   4 Jakob zegt tot hen: broeders, vanwaar zijt gij?– en zij zeggen: van Charan zijn wij!  29:4 Jacob demanda aux bergers: "Mes frères, d'où êtes-vous?" Et ils répondirent: "Nous sommes de Harân." 

King James Bible . [4] And Jacob said unto them, My brethren, whence be ye? And they said, Of Haran are we.
Luther-Bibel . 4 Und Jakob sprach zu ihnen: Liebe Brüder, wo seid ihr her? Sie antworteten: Wir sind von Haran.

Tekstuitleg van Gn 29,4 .

Gn 29,5 - Gn 29,5 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5eipen de autois ginôskete laban ton uion nachôr oi de eipan ginôskomen 5 quos interrogans numquid ait nostis Laban filium Nahor dixerunt novimus    5 En hij zeide tot hen: Kent gij Laban, den zoon van Nahor? En zij zeiden: Wij kennen hem.  [5] Hij vervolgde: ‘Kent u dan Laban, de zoon van Nachor?’ Zij antwoordden: ‘Ja, die kennen wij.’   [5] ‘Kennen jullie dan misschien Laban, de kleinzoon van Nachor?’ ‘Jazeker,’ zeiden ze.   5 Dan zegt hij tot hen: kent ge Laban, de zoon van Nachor?– en zij zeggen: die kennen wij!  29:5 Il leur dit: "Connaissez-vous Laban, fils de Nahor" -- "Nous le connaissons", répondirent-ils. 

King James Bible . [5] And he said unto them, Know ye Laban the son of Nahor? And they said, We know him.
Luther-Bibel . 5 Er sprach zu ihnen: Kennt ihr auch Laban, den Sohn Nahors? Sie antworteten: Ja, wir kennen ihn.

Tekstuitleg van Gn 29,5 .

Gn 29,6 - Gn 29,6 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
6eipen de autois ugiainei oi de eipan ugiainei kai idou rachèl è thugatèr autou èrcheto meta tôn probatôn  6 sanusne est inquit valet inquiunt et ecce Rahel filia eius venit cum grege suo  wehinneh râchel   6 Voorts zeide hij tot hen: Is het wel met hem? En zij zeiden: Het is wel; en zie, Rachel, zijn dochter, komt met de schapen.  [6] Hij vroeg verder: ‘Hoe maakt hij het?’ En zij antwoordden: ‘Uitstekend. Daar komt net zijn dochter Rachel aan met de schapen.’  [6] ‘Hoe maakt hij het?’ vroeg hij. ‘Goed,’ antwoordden ze. ‘Kijk, daar komt zijn dochter Rachel juist aan met de schapen.’  6 Hij zegt tot hen: is het vrede voor hem?– en zij zeggen: ja, vrede,– ziedaar zijn dochter Rachel, ze komt aan met het wolvee!  29:6 Il leur demanda: "Va-t-il bien?" Ils répondirent: "Il va bien, et voici justement sa fille Rachel qui vient avec le troupeau." 

King James version . And he said unto them, Is he well? And they said, He is well: and, behold, Rachel his daughter cometh with the sheep.
Luther-Bibel . 6 Er sprach: Geht es ihm auch gut? Sie antworteten: Es geht ihm gut; und siehe, da kommt seine Tochter Rahel mit den Schafen.

Tekstuitleg van Gn 29,6 . Dit vers Gn 29,6 telt 12 ( = 2 X 2 X 3) woorden en 44 (2 X 2 X 11) letters . De getalwaarde van dit vers Gn 29,6 is (2 X 2 X 3 X 197) .

7. wehinneh (en zie) . In vijfenvijftig verzen in Gn . In drie verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,2a : wehinneh bhë´er = en zie een put ; Gn 29,2b (drie kudden schapen) . (2) Gn 29,6 (wehinneh râchel = en zie Rachel) . (3) Gn 29,25 (wehinneh lële´âh = en zie Lea) . Taalgebruik : hinneh (zie) , zie Gn 29,2 .

8. râchel (Rachel) . Taalgebruik in Tenakh : râchel (Rachel) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , lamed = 12 of 20 ; totaal : 40 of 228 (2 X 2 X 3 X 19) . Structuur : 2 - 8 - 2 . In verschillende vormen . In Tenakh : 45 X (44 verzen) . In LXX + NT : 48 (45 X , 44 verzen) + 1 = 49 . râchel (Rachel) . Tenakh (30) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (0) . Gn (30) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . Gn 30 (8) : (1) Ex 30,1. (2) Ex 30,6 . (3) Ex 30,7 . (4) Ex 30,8 . (5) Ex 30,14 . (6) Ex 30,15 . (7) Ex 30,22 . (8) Ex 30,25 . Rachel is de tweede en jongste dochter van Laban , de broer van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Isaak . Rachel is de tweede vrouw van Jakob . Samen krijgen zij 2 kinderen : Jozef en Benjamin .

  Gn 29 Gn 30 Gn 31 Gn 33 Gn 35 Gn 46 Gn 48
râchel (Rachel) Hebr. (28) (6) : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . (8) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,6 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,8 . (5) Gn 30,14 . (6) Gn 30,15 . (7) Gn 30,22 . (8) Gn 30,25 . (4) : (1) Gn 31,14 . (2) Gn 31,19 . (3) Gn 31,32 . (4) Gn 31,33 . (2) : (1) Gn 33,1 . (2) Gn 33,2 . (5) : (1) Gn 35,16 . (2) Gn 35,19 . (3) Gn 35,20 . (4) Gn 35,24 . (5) Gn 35,25 .   (2)  : (1) Gn 46,19 . (2) Gn 46,22 . 1 :  Gn 48,7 .
wërâchel (en...) (5) 3 : (1) Gn 29,9 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 .     1 : Gn 31,34 1 : Gn 33,7      
bërâchel (over...) (4)   3 : (1) Gn 29,18 . (2) Gn 29,20 . (3) Gn 29,25 . (1) Gn 30,2 .            
lërâchel (tot...) (5) 3 : (1) Gn 29,11 . (2) Gn 29,12 . (3) Gn 29,29 .     1 : Gn 31,4 .       1 : Gn 46,25  
42 X (41 verzen)  15 X (14 verzen)
rachèl (Rachel) Gr.  (45 X , 44 verzen) 15 X (14 verzen) 9 + 3 = 12 : + (1) Gn 30,3 .  (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,23 .


- wërächel (en Rachel) . In vijf verzen in de bijbel : (1) Gn 29,9 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 . (4) Gn 31,34 . (5) Gn 33,7 . De tegenstelling tussen Lea en Rachel in (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 is frappant : Lea is flets maar vruchtbaar , Rachel is mooi maar onvruchtbaar .

Gn 29,7 - Gn 29,7 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7kai eipen iakôb eti estin èmera pollè oupô ôra sunachthènai ta ktènè potisantes ta probata apelthontes boskete  7 dixitque Iacob adhuc multum diei superest nec est tempus ut reducantur ad caulas greges date ante potum ovibus et sic ad pastum eas reducite    7 En hij zeide: Ziet, het is nog hoog dag, het is geen tijd, dat het vee verzameld worde; drenkt de schapen, en gaat heen, weidt dezelve.  [7] Toen zei hij: ‘Het is nog volop dag en nog lang geen tijd om de kudden bijeen te drijven: geef dus de schapen te drinken en laat ze dan nog wat grazen.’  [7] ‘Maar het is nog volop dag,’ zei Jakob, ‘het is toch nog geen tijd om het vee bijeen te drijven? Jullie kunnen de dieren toch te drinken geven en ze daarna weer laten grazen?’  7 Hij zegt: zie, het is nog hoog–en–breed dag, nog geen tijd om het vee te verzamelen; drenkt het wolvee, gaat heen en weidt!  29:7 Jacob dit: "Il fait encore grand jour, ce n'est pas le moment de rentrer le bétail. Abreuvez les bêtes et retournez au pâturage." 

King James version . And he said, Lo, it is yet high day, neither is it time that the cattle should be gathered together: water ye the sheep, and go and feed them.
Luther-Bibel . 7 Er sprach: Es ist noch hoher Tag und ist noch nicht Zeit, das Vieh einzutreiben; tränkt die Schafe und geht hin und weidet sie.

Tekstuitleg van Gn 29,7 . Dit vers Gn 29,7 telt 13 woorden en 46 ( = 2 X 23) letters . De getalwaarde van dit vers Gn 29,7 is 2238 ( = 2 X 3 X 373) .

Gn 29,8 - Gn 29,8 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8oi de eipan ou dunèsometha eôs tou sunachthènai pantas tous poimenas kai apokulisôsin ton lithon apo tou stomatos tou freatos kai potioumen ta probata  8 qui responderunt non possumus donec omnia pecora congregentur et amoveamus lapidem de ore putei ut adaquemus greges    8 Toen zeiden zij: Wij kunnen niet, totdat al de kudden samen zullen vergaderd zijn, en dat men den steen van den mond des puts afwentele, opdat wij de schapen drenken.  [8] Zij zeiden: ‘Dat kunnen wij niet voordat alle schapen bijeen zijn: pas dan wordt de steen van de put afgerold en kunnen wij de schapen te drinken geven.’  [8] ‘Nee,’ zeiden ze, ‘dat kan niet. Pas als alle kudden bijeen zijn gedreven, rollen we de steen van de put en geven we het vee te drinken.’  8 Maar zij zeggen: dat kunnen we niet totdat alle kudden verzameld zijn, dan pas wentelen ze de steen van de mond van de bron,– en drenken wij de kudde!  29:8 Mais ils répondirent: "Nous ne pouvons le faire avant que soient rassemblés tous les troupeaux et qu'on roule la pierre de sur la bouche du puits; alors nous abreuverons les bêtes."  

King James Bible . [8] And they said, We cannot, until all the flocks be gathered together, and till they roll the stone from the well's mouth; then we water the sheep.
Luther-Bibel . 8 Sie antworteten: Wir können es nicht, bis alle Herden zusammengebracht sind und wir den Stein von des Brunnens Loch wälzen und dann die Schafe tränken.

Tekstuitleg van Gn 29,8 .

13. וְגָלֲלוּ = wëgâlälû (en zij rolden) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. ind. perf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. גָלַל = gâlal (rollen, wentelen) . Taalgebruik : gâlal (rollen, wentelen) . Getalswaarde : gimel = 3 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 27 (3³) OF 63 (3² X 7) . Structuur : 3 - 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (2) : (1) Gn 29,3 . (2) Gn 29,8 .
- Grieks . act. conjunct. aor. 3de pers. mv. αποκυλισωσιν = apokulisôsin (zij zouden wegrollen) van het werkw. αποκυλιω = apokuliô (wegrollen) . Zie het werkw. κυλιω = kuliô (rollen, wentelen) . Taalgebruik in de Bijbel : kuliô (rollen) . Bijbel (1) : Gn 29,8 . Een vorm van αποκυλιω = apokuliô (wegrollen) in de LXX (4) : (1) Gn 29,3 . (2) Gn 29,8 . (3) Gn 29,10 . (4) Jdt 13,9 , in het NT (4) : (1) Mt 28,2 : απεκυλισεν = apekulisen (hij rolde weg) . (2) Mc 16,3 : αποκυλισει = apokulisei (hij zal wegrollen) . (3) Mc 16,4 : αποκεκυλισται = apokekulistai (hij is weggerold) . (4) Lc 24,2 : αποκεκυλισμενον apokekulismenon (weggerold) .

Gn 29,9 - Gn 29,9 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9eti autou lalountos autois kai rachèl è thugatèr laban èrcheto meta tôn probatôn tou patros autès autè gar ebosken ta probata tou patros autès  9 adhuc loquebantur et ecce Rahel veniebat cum ovibus patris sui nam gregem ipsa pascebat     9 Als hij nog met hen sprak, zo kwam Rachel met de schapen, die haar vader toebehoorden; want zij was een herderin.  
[9] Hij stond nog met hen te praten toen Rachel aankwam met de schapen van haar vader, want zij was herderin.  

[9] Terwijl hij nog met hen stond te praten, kwam Rachel eraan met de schapen van haar vader; zij was herderin.  
9 ¶ Hij is nog in gesprek met hen, als Rachel aankomt met de kudde van haar vader, want zij is de herderin.   29:9 Il conversait encore avec eux lorsque Rachel arriva avec le troupeau de son père, car elle était bergère. 

King James Bible . [9] And while he yet spake with them, Rachel came with her father's sheep: for she kept them.
Luther-Bibel . 9 Als er noch mit ihnen redete, kam Rahel mit den Schafen ihres Vaters, denn sie hütete die Schafe.

Tekstuitleg van Gn 29,9 .

4. râchel (Rachel) . Taalgebruik in Tenakh : râchel (Rachel) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , lamed = 12 of 20 ; totaal : 40 of 228 (2 X 2 X 3 X 19) . Structuur : 2 - 8 - 2 . In verschillende vormen . In Tenakh : 45 X (44 verzen) . In LXX + NT : 48 (45 X , 44 verzen) + 1 = 49 . râchel (Rachel) . Tenakh (30) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (0) . Gn (30) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . Gn 30 (8) : (1) Ex 30,1. (2) Ex 30,6 . (3) Ex 30,7 . (4) Ex 30,8 . (5) Ex 30,14 . (6) Ex 30,15 . (7) Ex 30,22 . (8) Ex 30,25 . Rachel is de tweede en jongste dochter van Laban , de broer van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Isaak . Rachel is de tweede vrouw van Jakob . Samen kregen zij 2 kinderen : Jozef en Benjamin .
- wërächel (en Rachel) . In vijf verzen in de bijbel : (1) Gn 29,9 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 . (4) Gn 31,34 . (5) Gn 33,7 . De tegenstelling tussen Lea en Rachel in (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 is frappant : Lea is flets maar vruchtbaar , Rachel is mooi maar onvruchtbaar .

Gn 29,10 - Gn 29,10 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10egeneto de ôs eiden iakôb tèn rachèl thugatera laban adelfou tès mètros autou kai ta probata laban adelfou tès mètros autou kai proselthôn iakôb apekulisen ton lithon apo tou stomatos tou freatos kai epotisen ta probata laban tou adelfou tès mètros autou  10 quam cum vidisset Iacob et sciret consobrinam suam ovesque Laban avunculi sui amovit lapidem quo puteus claudebatur  wajjiggasj Ja`aqobh wajjâggèl è´th hâ´èbhèn me`al pî habbë´er  10 En het geschiedde, als Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, zijner moeders broeder, en de schapen van Laban, zijner moeders broeder, dat Jakob toetrad, en wentelde den steen van den mond des puts, en drenkte de schapen van Laban, zijner moeders broeder.  [10] Zodra Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, de broer van zijn moeder, met de schapen van zijn oom, ging hij naar de put toe, rolde de steen weg en liet de schapen van zijn oom Laban drinken.  [10] Zodra Jakob Rachel zag, de dochter van zijn moeders broer Laban, met Labans vee, liep hij naar de put, rolde de steen van de opening en gaf de dieren van zijn oom te drinken.  10 En het geschiedt: zodra Jakob Rachel heeft gezien,– de dochter van Laban, de broer van zijn moeder, én het wolvee van Laban, de broer van zijn moeder, treedt Jakob naderbíj, wentelt de steen weg van de mond van de bron en drenkt het wolvee van Laban, de broer van zijn moeder.  29:10 Dès que Jacob eut vu Rachel, la fille de son oncle Laban, et le troupeau de son oncle Laban, il s'approcha, roula la pierre de sur la bouche du puits et abreuva le bétail de son oncle Laban.  

King James Bible . [10] And it came to pass, when Jacob saw Rachel the daughter of Laban his mother's brother, and the sheep of Laban his mother's brother, that Jacob went near, and rolled the stone from the well's mouth, and watered the flock of Laban his mother's brother.
Luther-Bibel . 10 Als Jakob aber Rahel sah, die Tochter Labans, des Bruders seiner Mutter, und die Schafe Labans, des Bruders seiner Mutter, trat er hinzu und wälzte den Stein von dem Loch des Brunnens und tränkte die Schafe Labans, des Bruders seiner Mutter.

Tekstuitleg van Gn 29,10 .

Gn 29,10.6. רָחֵל = râchel (Rachel) . Taalgebruik in Tenakh : râchel (Rachel) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , lamed = 12 of 20 ; totaal : 40 of 228 (2 X 2 X 3 X 19) . Structuur : 2 - 8 - 2 . In verschillende vormen . In Tenakh : 42 X (41 verzen) . In LXX + NT : 48 (45 X , 44 verzen) + 1 = 49 . râchel (Rachel) . Tenakh (30) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (0) . Gn (30) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . Gn 30 (8) : (1) Ex 30,1. (2) Ex 30,6 . (3) Ex 30,7 . (4) Ex 30,8 . (5) Ex 30,14 . (6) Ex 30,15 . (7) Ex 30,22 . (8) Ex 30,25 . Rachel is de tweede en jongste dochter van Laban , de broer van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Isaak . Rachel is de tweede vrouw van Jakob . Samen krijgen zij 2 kinderen : Jozef en Benjamin .
- וְרָחֵל = wërächel (en Rachel) . In vijf verzen in de bijbel : (1) Gn 29,9 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 . (4) Gn 31,34 . (5) Gn 33,7 . De tegenstelling tussen Lea en Rachel in (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 is frappant : Lea is flets maar vruchtbaar , Rachel is mooi maar onvruchtbaar .

  Gn 29 Gn 30 Gn 31 Gn 33 Gn 35 Gn 46 Gn 48
râchel (Rachel) Hebr. (28) (6) : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . (8) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,6 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,8 . (5) Gn 30,14 . (6) Gn 30,15 . (7) Gn 30,22 . (8) Gn 30,25 . (4) : (1) Gn 31,14 . (2) Gn 31,19 . (3) Gn 31,32 . (4) Gn 31,33 . (2) : (1) Gn 33,1 . (2) Gn 33,2 . (5) : (1) Gn 35,16 . (2) Gn 35,19 . (3) Gn 35,20 . (4) Gn 35,24 . (5) Gn 35,25 .   (2)  : (1) Gn 46,19 . (2) Gn 46,22 . 1 :  Gn 48,7 .
wërâchel (en...) (5) 3 : (1) Gn 29,9 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 .     1 : Gn 31,34 1 : Gn 33,7      
bërâchel (over...) (4)   3 : (1) Gn 29,18 . (2) Gn 29,20 . (3) Gn 29,25 . (1) Gn 30,2 .            
lërâchel (tot...) (5) 3 : (1) Gn 29,11 . (2) Gn 29,12 . (3) Gn 29,29 .     1 : Gn 31,4 .       1 : Gn 46,25  
42 X (41 verzen)  15 X (14 verzen)
rachèl (Rachel) Gr.  (45 X , 44 verzen) 15 X (14 verzen) 9 + 3 = 12 : + (1) Gn 30,3 .  (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,23 .

Gn 29,10.12. צֹאן = tso´n (kudde) . Taalgebruik in Tenakh : tso´n (kudde) . Getalswaarde : tsade = 18 of 90 , nun = 14 of 50 ; totaal : 32 OF 140 . Structuur : 9 - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (70) . Gn (17) .

Gn 29,10.18. Hebreeuws NBG Mc 15,46 / Mt 28,2. וַיָּגֶל = wajjâgèl (en hij rolde weg) < prefix verbindingswoord wë + actief. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. גָלַל = gâlal (rollen, wentelen) . Taalgebruik : gâlal (rollen, wentelen) . Getalswaarde : gimel = 3 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 27 (3³) OF 63 (3² X 7) . Structuur : 3 - 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 9 . o.a. : Gn 29,10 .
- Grieks . actief aorist derde persoon enkelvoud απεκυλισεν = apekulisen (hij rolde weg) van het werkw. αποκυλιω = apokuliô (wegrollen) . Zie het werkw. κυλιω = kuliô (rollen, wentelen) . Taalgebruik in de Bijbel : kuliô (rollen) . Slechts in Gn 29,10 en Mt 28,2 . Een vorm van αποκυλιω = apokuliô (wegrollen) in de LXX (4) : (1) Gn 29,3 . (2) Gn 29,8 . (3) Gn 29,10 . (4) Jdt 13,9 , in het NT (4) :
(1) Mt 28,2 : act. ind. aor. 3de pers. enk. απεκυλισεν = apekulisen (hij rolde weg) .
(2) Mc 16,3 : act. ind. fut. 3de pers. enk. αποκυλισει = apokulisei (hij zal wegrollen) .
(3) Mc 16,4 : pass. ind. perf. 3de pers. enk. αποκεκυλισται = apokekulistai (hij is weggerold) .
(4) Lc 24,2 : pass. ind. perf. 3de pers. enk. αποκεκυλισμενον = apokekulismenon (weggerold) .
- Lat. revolvere . Ned. wegrollen, wegwentelen . Fr. rouler . E. to roll away . D. walzen . Arabisch : لَفَّ = laffa (rollen) . Taakgebruik in de Qoran : laffa (rollen) .
- Het prefix voorzetsel απο = apo van het werkw. versterkt de bepaling die begint met het voorzetsel απο = apo .

Gn 29,10.20. הָאֶבֶן = hâ´èbhèn (de steen) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֶבֶן = ´èbhèn (steen) . Taalgebruik in Tenakh : ´èbhèn (steen) . Getalswaarde : aleph = 1 , ben = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 17 OF 53 (priemgetal) . Structuur : 1 - 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (19) : (1) Gn 28,18 . (2) Gn 29,3 (2X) . (3) Gn 29,8 . (4) Gn 29,10 . (5) Ex 24,12 . (6) Ex 28,10 . (7) Joz 24,27 . (8) 1 S 4,1 . (9) 1 S 6,15 . (10) 1 S 17,49 . (11) 1 S 20,19 . (12) 2 S 20,8 . (13) 2 K 12,13 . (14) Jr 3,9 . (15) Ez 11,19 . (16) Ez 36,26 . (17) Zach 3,9 . (18) Zach 4,7 . (19) Zach 4,10 .
- אֶבֶן = ´èbhèn (steen) . Taalgebruik in Tenakh : ´èbhèn (steen) . Getalwaarde : aleph = 1 , ben = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 17 OF 53 (priemgetal) . Structuur : 1 - 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (67) . Pentateuch (15) . Eerdere Profeten (16) . Latere Profeten (8) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (23) .
- acc. mann. enk. λιθον = lithon (steen) van het zelfst. naamw. λιθος = lithos (steen) . Taalgebruik in het NT : lithos (steen) . Taalgebruik in de LXX : lithos (steen) . Bijbel (81) . OT (57) . NT (24) . Een vorm van λιθος = lithos in de LXX (306) , in het NT (58) . Gn (6) : (1) Gn 11,3 . (2) Gn 28,18 . (3) Gn 29,3 . (4) Gn 29,8 . (5) Gn 29,10 . (6) Gn 31,45 .
- Latijn . acc. enk. lapidem van het zelfst. naamw. lapis (steen, steenrots) . Bijbel (72) . OT (46) . NT (26) . Fr. pîerre < Lat. petra < Gr. πετρα = petra . E. stone . D. Stein . Aramees : אַבְנַא = abhëna´ (steen) .

Gn 29,10.19. - 20. אֶת הָאֶבֶן = ´èth hâ´èbhèn (de steen) . Tenakh (8) : (1) Gn 28,18 . (2) Gn 29,3 (2X) . (3) Gn 29,8 . (4) Gn 29,10 . (5) Jr 3,9 . (6) Ez 36,26 . (7) Zach 4,7 . (8) Zach 4,10 .
- τον λιθον = ton lithon (de steen) . NT (10) : (1) Mt 21,44 . (2) Mt 27,66 . (3) Mt 28,2 . (4) Mc 16,3 . (5) Lc 20,18 . (6) Lc 24,2 . (7) Joh 8,7 . (8) Joh 11,39 . (9) Joh 11,41 . (10) Joh 20,1 .

16. - 20. Mt 28,2 : kai proselthôn apekulisen ton lithon (en naderbijgekomen rolde hij de steen weg) . Dit is een woordelijke overeenkomst met de LXX van Gn 29,10 .

Gn 29,10.21. מֵעַל = me`al (vanop, weg vanop) < prefix voorzetsel min + עַל = `al (op, overeenkomstig, omwille van) . Taalgebruik in Tenakh : `al (op, overeenkomstig) . Getalswaarde : ajin = 16 of 70, lamed = 12 of 30 ; totaal : 28 (2² X 7) of 100 (2² X 5²) . Structuur : 7 - 3 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (206) . Pentateuch (60) . Eerdere Profeten (57) . Latere Profeten (51) . 12 Kleine Profeten (12) . Geschriften (26 ) . Gn (25) . Gn 29 (3) : (1) Gn 29,3 . (2) Gn 29,8 . (3) Gn 29,10 .

Gn 29,10.22. stat. constr. פִי = pî (mond, opening, ingang) van het zelfst. naamw. פֵה = pèh (mond, opening, ingang) . Taalgebruik in Tenakh : pèh (mond, opening, ingang) . Getalswaarde : pe = 17 of 80 , he = 5 ; totaal : 22 (2 X 11) of 85 (5 X 17) . Structuur : 8 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Het is de 17de letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (131) . Pentateuch (51) . Eerdere Profeten (20) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (42) . Gn (7) : (1) Gn 29,2 . (2) Gn 29,3 . (3) Gn 29,8 . (4) Gn 29,10 . (5) Gn 43,7 . (6) Gn 45,12 . (7) Gn 45,21 .
- Grieks . gen. onz. enk. στοματος = stomatos (van de mond) van het zelfst. naamw. στομα = stoma (mond) . Taalgebruik in het NT : stoma (mond) . Taalgebruik in de LXX : stoma (mond) . Gn (5) : (1) Gn 29,3 . (2) Gn 29,8 . (3) Gn 29,10 . (4) Gn 42,27 . (5) Gn 44,1 .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  gen. onz. enk. stomatos   154  122  32      10  10 

Gn 29,10.23. הַבְּאֵר = habbë´er (de bron, de put) < prefix bepaald lidw. ha + בְאֵר = bhë´er (put, bron) . Taalgebruik in Tenakh : bhë´er (put) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 , resj = 20 of 200 ; totaal : 23 of 203 (7 X 29) . Structuur : 2 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . Dezelfde medeklinkers in het woord בָרָא = bârâ´ (scheppen) . Zie bârâ´ (scheppen) . Tenakh (8) : (1) Gn 21,30 . (2) Gn 24,20 . (3) Gn 26,20 . (4) Gn 26,32 . (5) Gn 29,2 . (6) Gn 29,3 . (7) Gn 29,8 . (8) Gn 29,10
- בְאֵר = bhë´er (put, bron) . Taalgebruik in Tenakh : bhë´er (put) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 , resj = 20 of 200 ; totaal : 23 of 203 (7 X 29) . Structuur : 2 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . Dezelfde medeklinkers in het woord = bârâ´ (scheppen) . Zie bârâ´ (scheppen) . Tenakh (38) . Gn (16) . In één vers in Gn 16 . In vier verzen in Gn 21 . In één vers in Gn 22 : Gn 22,19 . In twee verzen in Gn 24 : (1) Gn 24,11 . (2) Gn 24,62 . In één vers in Gn 25 : Gn 25,11 . In zes verzen in Gn 26 : (1) Gn 26,19 . (2) Gn 26,21 . (3) Gn 26,22 . (4) Gn 26,23 . (5) Gn 26,25 . (6) Gn 26,33 . In één vers in Gn 29 : Gn 29,2 .
- Grieks . genitief enkelvoud φρεατος = freatos van het zelfst. naamw. φρεαρ = frear (put) . Taalgebruik in de Bijbel : frear (put) . Bijbel (18) . LXX (16) . Pentateuch (12) . Gn (8) : (1) Gn 26,20 . (2) Gn 26,32 . (3) Gn 28,10 . (4) Gn 29,2 . (5) Gn 29,3 . (6) Gn 29,8 . (7) Gn 29,10 . (8) Gn 46,5 . NT (2) : (1) Apk 9,1 . (2) Apk 9,2 .
- Ned. : bron . Grieks : φρεαρ = frear (put) . Taalgebruik in de Bijbel : frear (put) . Hebreeuws : בְאֵר = bhë´er (put, bron) . Taalgebruik in Tenakh : bhë´er (put) .
- Ned. : put . Fr. : puit . Lat. : puteus .

Gn 29,10.26. צֹאן = tso´n (kudde) . Taalgebruik in Tenakh : tso´n (kudde) . Getalswaarde : tsade = 18 of 90 , nun = 14 of 50 ; totaal : 32 OF 140 . Structuur : 9 - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (70) . Gn (17) .

Gn 29,10.25. - 26. אֶת צֹאן = ´èth tso´n (de kudde) . Tenakh (8) :
(1) Gn 29,10 (Jakob gaf de kudde van Laban te drinken , die door Rachel werd gehoed) .
(2) Gn 30,36 (Jakob hoedde de kudde van Laban) .
(3) Gn 37,12 (de broers van Jozef gingen de kudde van hun vader Jakob weiden) .
(4) Ex 3,1 (Mozes hoedde de kudde van zijn schoonvader Jethro) .
(5) 1 S 17,15 . (6) Jr 23,1 . (7) Zach 11,4 . (8) Zach 11,7 .

wajjasjëqë (en hij liet drinken) . Actief qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . In dertien verzen in de bijbel .
- sjâqâh (laten drinken, drenken) . sjâqâh (laten drinken, drenken) . Taalgebruik : sjâqâh (laten drinken, drenken) , zie Gn 29,10 .


Gn 29,11 - Gn 29,11 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11kai efilèsen iakôb tèn rachèl kai boèsas tè fônè autou eklausen  11 et adaquato grege osculatus est eam elevataque voce flevit    11 En Jakob kuste Rachel; en hij hief zijn stem op en weende. [11] Daarop kuste Jakob Rachel en weende luid. [11] Daarna kuste hij Rachel, terwijl hij zijn tranen de vrije loop liet.   11 Dan kust Jakob Rachel,– hij verheft zijn stem en huilt het uit.   29:11 Jacob donna un baiser à Rachel puis éclata en sanglots.  

King James Bible . [11] And Jacob kissed Rachel, and lifted up his voice, and wept.
Luther-Bibel . 11 Und er küsste Rahel und weinte laut

Tekstuitleg van Gn 29,11 .

4. verbindingsprefix waw (en) en qal actief imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud wajjishshâ´ (en hij verhief) van het werkw. nâshâ´(dragen, opnemen, verheffen) . Getallenwaarde : nun = 14 of 50 , shin = 21 of 300 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 5 - 3 - 1 . Taalgebruik in Tenakh : nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen) . nâsh´â wordt gebruikt in uitdrukkingen als de tenten opbreken , een rijdier bestijgen , de ogen opslaan , zijn stem verheffen , zijn voeten opheffen (= voortgaan) . Tenakh (42) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (11) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (5) .Gn (14) : . (1) Gn 13,10 . (2) Gn 18,2 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,13 . (5) Gn 24,63 . (6) Gn 27,38 . (7) Gn 29,1 . (8) Gn 29,11 . (9) Gn 31,17 . (10) Gn 33,1 . (11) Gn 33,5 . (12) Gn 40,20 . (13) Gn 43,29 . (14) Gn 43,34 .
De Griekse vorm act. part. aor. nom. mann. enk.exaras (uitgeheven, uitgestrekt) komt slechts in het OT (4) voor : (1) Gn 29,1 . (2) Gn 49,33 . (3) Lv 9,22 . (4) Nu 24,2 . Een vorm van het werkw. exairô in de LXX (236) , in het NT (1) . Zie het werkw. epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in het NT : epairô (opheffen, verheffen) .
- Lat. levare (elevare) . Fr. lever . E. to lift up . D. aufheben . Ned. verheffen .

Gn 29,12 - Gn 29,12 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12kai anèggeilen tè rachèl oti adelfos tou patros autès estin kai oti uios rebekkas estin kai dramousa apèggeilen tô patri autès kata ta rèmata tauta  12 et indicavit ei quod frater esset patris eius et filius Rebeccae at illa festinans nuntiavit patri suo     12 En Jakob gaf Rachel te kennen, dat hij een broeder van haar vader, en dat hij de zoon van Rebekka was. Toen liep zij heen, en gaf het aan haar vader te kennen.  [12] Toen Jakob Rachel bekend had gemaakt dat hij een bloedverwant van haar vader was, de zoon van Rebekka, ging Rachel het gauw aan haar vader vertellen.   [12] Zodra hij Rachel had verteld dat hij familie van haar vader was, een zoon van Rebekka, rende ze naar haar vader en vertelde het hem.  12 Jakob meldt aan Rachel dat hij een broeder van haar vader is en dat hij een zoon van Rebekka is; zij snelt heen en meldt het haar vader.  29:12 Il apprit à Rachel qu'il était le parent de son père et le fils de Rébecca, et elle courut en informer son père.  

King James Bible . [12] And Jacob told Rachel that he was her father's brother, and that he was Rebekah's son: and she ran and told her father.
Luther-Bibel . 12 und sagte ihr, dass er ihres Vaters Verwandter wäre und Rebekkas Sohn. Da lief sie und sagte es ihrem Vater.

Tekstuitleg van Gn 29,12 .

Gn 29,13 - Gn 29,13 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13egeneto de ôs èkousen laban to onoma iakôb tou uiou tès adelfès autou edramen eis sunantèsin autô kai perilabôn auton efilèsen kai eisègagen auton eis ton oikon autou kai diègèsato tô laban pantas tous logous toutous  13 qui cum audisset venisse Iacob filium sororis suae cucurrit obviam conplexusque eum et in oscula ruens duxit in domum suam auditis autem causis itineris   
13 En het geschiedde, als Laban die tijding hoorde van Jakob, zijner zusters zoon, zo liep hij hem tegemoet, en omhelsde hem, en kuste hem, en bracht hem tot zijn huis. En hij vertelde Laban al deze dingen. 
[13] Zodra Laban het nieuws over Jakob, de zoon van zijn zuster, gehoord had, liep hij vlug naar hem toe: hij omhelsde en kuste hem en nam hem mee naar huis. Daar vertelde Jakob Laban alles wat er gebeurd was 
[13] Nauwelijks had Laban het nieuws over Jakob, de zoon van zijn zuster, gehoord of hij snelde hem tegemoet, omhelsde hem, kuste hem hartelijk en nam hem mee naar zijn huis. Daar vertelde Jakob zijn hele geschiedenis aan Laban. 
13 En het geschiedt: met dat Laban heeft gehoord het ongehoorde over Jakob, de zoon van zijn zuster, snelt hij hem tegemoet, omhelst hem, kust hem en brengt hem binnen in zijn huis; híj vertelt aan Laban al deze woorden.  29:13 Dès qu'il entendit qu'il s'agissait de Jacob, le fils de sa sœur, Laban courut à sa rencontre, il le serra dans ses bras, le couvrit de baisers et le conduisit dans sa maison. Et Jacob lui raconta toute cette histoire.  

King James Bible . [13] And it came to pass, when Laban heard the tidings of Jacob his sister's son, that he ran to meet him, and embraced him, and kissed him, and brought him to his house. And he told Laban all these things.
Luther-Bibel . 13 Als aber Laban hörte von Jakob, seiner Schwester Sohn, lief er ihm entgegen und herzte und küsste ihn und führte ihn in sein Haus. Da erzählte er Laban alles, was sich begeben hatte.

Tekstuitleg van Gn 29,13 .

Gn 29,13.1. - 2. wajëhî kisjëmo`a (en het was bij het horen) . Tenakh (11) : (1) Gn 29,13 . (2) Gn 39,19 . (3) Joz 5,1 . (4) Joz 6,20 . (5) Joz 9,1 . (6) Joz 10,1 . (7) Re 7,15 . (8) 1 K 13,4 . (9) 1 K 14,6 . (10) 1 K 21,27 . (11) 2 K 6,30 .

Gn 29,13.5. שָׁמַע = sjâma` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâma` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Dt : sjâm`â (horen, luisteren) . Taalgebruik in Amos : sjâm`â (horen, luisteren) . Taalgebruik in Micha : sjâm`â (horen, luisteren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 ; 50 (2 X 5²) of 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 3 - 4 - 7 . De som van de elementen is telkens 5 . sj-m-` . Tenakh (169) . Pentateuch (42) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (36) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (55) . s-m-` . Gn (14) : (1) Gn 16,11 . (2) Gn 21,12 . (3) Gn 21,17 . (4) Gn 24,52 . (5) Gn 26,5 . (6) Gn 27,8 . (7) Gn 27,13 . (8) Gn 27,43 . (9) Gn 29,13 . (10) Gn 29,33 . (11) Gn 30,6 . (12) Gn 34,5 . (13) Gn 39,10 . (14) Gn 42,23 .

Gn 29,13.7. - 8. bên ´ächothô (de zoon van zijn zuster) . Tenakh (1) Gn 29,13 .

Gn 29,13.22. הַדְּבָרִים = haddëbhârîm (de woorden) < bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfst. naamw. דָבָר = dâbhâr (woord, daad) . Zie het werkw. דָבַר = dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Getalwaarde : daleth = 4 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 26 (2 X 13) OF 206 = 2 X 103 . Structuur : 4 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (132) . Pentateuch (44) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (35) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (15) . Gn (11) : (1) Gn 15,1 . (2) Gn 20,8 . (3) Gn 22,1 . (4) Gn 22,20 . (5) Gn 24,66 . (6) Gn 29,13 . (7) Gn 39,7 . (8) Gn 40,1 . (9) Gn 43,7 . (10) Gn 44,6 . (11) Gn 48,1 . Ex (12) : (1) Ex 4,15 . (2) Ex 4,30 . (3) Ex 18,19 . (4) Ex 19,6 . (5) Ex 19,7 . (6) Ex 20,1 . (7) Ex 24,3 . (8) Ex 24,8 . (9) Ex 34,1 . (10) Ex 34,27 . (11) Ex 34,28 . (12) Ex 35,1 . Lv (1) : Lv 8,36 . Nu (2) : (1) Nu 14,39 . (2) Nu 16,31 . Dt (18) : (1) Dt 1,1 . (2) Dt 1,18 . (3) Dt 1,44 . (4) Dt 4,9 . (5) Dt 4,13 . (6) Dt 4,30 . (7) Dt 5,22 . (8) Dt 6,6 . (9) Dt 9,10 . (10) Dt 10,2 . (11) Dt 10,4 . (12) Dt 12,28 . (13) Dt 28,14 . (14) Dt 30,1 . (15) Dt 31,1 . (16) Dt 31,28 . (17) Dt 32,45 . (18) Dt 32,46 .

Gn 29,13.23. הָאֵלֶּה = hâ´ellèh (deze) < bepaald lidw. ha + aanwijz. voornaamw. אֵלֶּה = ´ellèh (deze /dit) . Taalgebruik in Tenakh : ´lh . Getalwaarde : aleph = 1 , lamed = 12 of 30 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 1 - 3 - 5 . De som van de elementen is telkens 9 .Tenakh (282) . Pentateuch (84) . Eerdere Profeten (91) . Latere Profeten (65) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (35) . Gn (20) : (1) Gn 15,1 . (2) Gn 15,17 . (3) Gn 20,8 . (4) Gn 21,29 . (5) Gn 22,1 . (6) Gn 22,20 . (7) Gn 24,28 . (8) Gn 29,13 . (9) Gn 34,21 . (10) Gn 35,4 . (11) Gn 38,25 . (12) Gn 39,7 . (13) Gn 39,17 . (14) Gn 39,19 . (15) Gn 40,1 . (16) Gn 41,35 . (17) Gn 43,7 . (18) Gn 44,6 . (19) Gn 44,7 . (20) Gn 48,1 .

Gn 29,13.22. - 23. הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = haddëbharîm hâ´ellèh (deze woorden/gebeurtenissen) . Tenakh (81) . Pentateuch (24) . Gn (10) . Ex (4) . Nu (2) . Dt (8) . Gn (10) : (1) Gn 15,1 . (2) Gn 20,8 . (3) Gn 22,1 . (4) Gn 22,20 . (5) Gn 29,13 . (6) Gn 39,7 . (7) Gn 40,1 . (8) Gn 43,7 . (9) Gn 44,6 . (10) Gn 48,1 . Ex (4) : (1) Ex 19,7 . (2) Ex 20,1 . (3) Ex 24,8 . (4) Ex 34,27 . Lv (0) . Nu (2) : (1) Nu 14,39 . (2) Nu 16,31 . Dt (8) : (1) Dt 4,30 . (2) Dt 5,22 . (3) Dt 6,6 . (4) Dt 12,28 . (5) Dt 30,1 . (6) Dt 31,1 . (7) Dt 31,28 . (8) Dt 32,45 .


Gn 29,14 - Gn 29,14 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14kai eipen autô laban ek tôn ostôn mou kai ek tès sarkos mou ei su kai èn met' autou mèna èmerôn  14 respondit os meum es et caro mea et postquam expleti sunt dies mensis unius    14 Toen zeide Laban tot hem: Voorwaar, gij zijt mijn gebeente en mijn vlees! En hij bleef bij hem een volle maand.  . [14] Laban zei: ‘Waarlijk, jij bent mijn gebeente en mijn vlees.’ En Jakob bleef een volle maand bij hem. 
[14] ‘Het is duidelijk,’ zei Laban, ‘dat je familie van me bent!’ Jakob was een volle maand bij Laban in huis 
14 Laban zegt tot hem: echt, mijn been en mijn vlees ben je!– en zo zit hij bij hem, de dagen van een maand.   29:14 Alors Laban lui dit: "Oui, tu es de mes os et de ma chair!" et Jacob demeura chez lui un mois entier.  

King James Bible . [14] And Laban said to him, Surely thou art my bone and my flesh. And he abode with him the space of a month.
Luther-Bibel . 14 Da sprach Laban zu ihm: Fürwahr, du bist von meinem Gebein und Fleisch. Und als er nun einen Monat lang bei ihm gewesen war,

Tekstuitleg van Gn 29,14 .

Gn 29,15 - Gn 29,15 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15eipen de laban tô iakôb oti gar adelfos mou ei ou douleuseis moi dôrean apaggeilon moi tis o misthos sou estin 15 dixit ei num quia frater meus es gratis servies mihi dic quid mercedis accipias     15 Daarna zeide Laban tot Jakob: Omdat gij mijn broeder zijt, zoudt gij mij derhalve om niet dienen? verklaar mij, wat zal uw loon zijn?  [15] Daarop zei Laban tegen Jakob: ‘Al ben je familie van mij, daarom hoef je nog niet voor niets bij mij te werken. Laat maar horen wat je wilt verdienen.’   [15] toen deze tegen hem zei: ‘Het is niet nodig dat je voor niets voor mij werkt, alleen omdat je familie van me bent. Zeg me maar wat je loon moet zijn.’  15 ¶ Dan zegt Laban tot Jakob: omdat je mijn broeder bent zou je mij moeten dienen om niet?– meld mij toch wat je loon moet zijn!   29:15 Alors Laban dit à Jacob: "Parce que tu es mon parent, vas-tu me servir pour rien? Indique-moi quel doit être ton salaire."  

King James Bible . [15] And Laban said unto Jacob, Because thou art my brother, shouldest thou therefore serve me for nought? tell me, what shall thy wages be?
Luther-Bibel . 15 sprach Laban zu Jakob: Zwar bist du mein Verwandter, aber solltest du mir darum umsonst dienen? Sage an, was soll dein Lohn sein?

Tekstuitleg van Gn 29,15 .

Gn 29,16 - Gn 29,16 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
16tô de laban duo thugateres onoma tè meizoni leia kai onoma tè neôtera rachèl  16 habebat vero filias duas nomen maioris Lia minor appellabatur Rahel    16 En Laban had twee dochters: de naam der grootste was Lea; en de naam der kleinste was Rachel.   [16] Nu had Laban twee dochters: de oudste heette Lea, de jongste Rachel.   [16] Nu had Laban twee dochters; de oudste heette Lea, de jongste Rachel.   16 Nu heeft Laban twee dochters; de naam van de oudste is Lea, de naam van de jongste is Rachel.   29:16 Or Laban avait deux filles: l'aînée s'appelait Léa, et la cadette, Rachel.  

King James Bible . [16] And Laban had two daughters: the name of the elder was Leah, and the name of the younger was Rachel.
Luther-Bibel . 16 Laban aber hatte zwei Töchter; die ältere hieß Lea, die jüngere Rahel.

Tekstuitleg van Gn 29,16 . Een zekere spanning laat zich vermoeden . Jakob heeft de jongste dochter , Rachel , de herderin , bij de put ontmoet . Jakob heeft Rachel lief en wil zeven jaar voor haar werken (Gn 29,18) . Maar Jakob zal echter eerst met Lea , de oudste, moeten trouwen en zal dan met Rachel , de jongste , kunnen trouwen (Gn 29,26) . Jakob had echter Rachel meer lief dan Lea (Gn 29,30) .

6. le´âh (Lea) . Taalgebruik in Tenakh : le´âh (Lea) . Getalswaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 3 - 1 - 5 . Tenakh (26) . Gn (26) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,16 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,23 . (4) Gn 29,25 . (5) Gn 29,31 . (6) Gn 29,32 . Gn 30 (11) : (1) Gn 30,9 . (2) Gn 30,10 . (3) Gn 30,11 . (4) Gn 30,12 . (5) Gn 30,13 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,16 . (8) Gn 30,17 . (9) Gn 30,18 . (10) Gn 30,19 . (11) Gn 30,20 . Lea is de oudste dochter van Laban , de zus van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Izaak . Lea krijgt 6 zonen en 1 dochter . De bijvrouw van Lea is Zilpa .

9. râchel (Rachel) . Taalgebruik in Tenakh : râchel (Rachel) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , lamed = 12 of 20 ; totaal : 40 of 228 (2 X 2 X 3 X 19) . Structuur : 2 - 8 - 2 . In verschillende vormen . In Tenakh : 45 X (44 verzen) . In LXX + NT : 48 (45 X , 44 verzen) + 1 = 49 . râchel (Rachel) . Tenakh (30) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (0) . Gn (30) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . Gn 30 (8) : (1) Ex 30,1. (2) Ex 30,6 . (3) Ex 30,7 . (4) Ex 30,8 . (5) Ex 30,14 . (6) Ex 30,15 . (7) Ex 30,22 . (8) Ex 30,25 . Rachel is de tweede en jongste dochter van Laban , de broer van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Isaak . Rachel is de tweede vrouw van Jakob . Samen kregen zij 2 kinderen : Jozef en Benjamin .
- wërächel (en Rachel) . In vijf verzen in de bijbel : (1) Gn 29,9 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 . (4) Gn 31,34 . (5) Gn 33,7 . De tegenstelling tussen Lea en Rachel in (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 is frappant : Lea is flets maar vruchtbaar , Rachel is mooi maar onvruchtbaar .

Gn 29:,17 - Gn 29,17 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
17oi de ofthalmoi leias astheneis rachèl de kalè tô eidei kai ôraia tè opsei  17 sed Lia lippis erat oculis Rahel decora facie et venusto aspectu    17 Doch Lea had tedere ogen; maar Rachel was schoon van gedaante, en schoon van aangezicht.  [17] Lea had fletse ogen, Rachel was welgevormd en mooi,   [17] Lea’s ogen hadden geen glans, maar Rachel was mooi en aantrekkelijk.   17 Maar de ogen van Lea waren flets, terwijl Rachel is geweest: schoon van gestalte en schoon van aanzien.   29:17 Les yeux de Léa étaient doux, mais Rachel avait belle tournure et beau visage  

King James Bible .[17] Leah was tender eyed; but Rachel was beautiful and well favoured. .
Luther-Bibel . 17 Aber Leas Augen waren ohne Glanz, Rahel dagegen war schön von Gestalt und von Angesicht.

Tekstuitleg van Gn 29,17 .

2. le´âh (Lea) . Taalgebruik in Tenakh : le´âh (Lea) . Getalswaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 3 - 1 - 5 . Tenakh (26) . Gn (26) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,16 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,23 . (4) Gn 29,25 . (5) Gn 29,31 . (6) Gn 29,32 . Gn 30 (11) : (1) Gn 30,9 . (2) Gn 30,10 . (3) Gn 30,11 . (4) Gn 30,12 . (5) Gn 30,13 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,16 . (8) Gn 30,17 . (9) Gn 30,18 . (10) Gn 30,19 . (11) Gn 30,20 . Lea is de oudste dochter van Laban , de zus van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Izaak . Lea krijgt 6 zonen en 1 dochter . De bijvrouw van Lea is Zilpa .

4. râchel (Rachel) . Taalgebruik in Tenakh : râchel (Rachel) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , lamed = 12 of 20 ; totaal : 40 of 228 (2 X 2 X 3 X 19) . Structuur : 2 - 8 - 2 . In verschillende vormen . In Tenakh : 45 X (44 verzen) . In LXX + NT : 48 (45 X , 44 verzen) + 1 = 49 . râchel (Rachel) . Tenakh (30) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (0) . Gn (30) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . Gn 30 (8) : (1) Ex 30,1. (2) Ex 30,6 . (3) Ex 30,7 . (4) Ex 30,8 . (5) Ex 30,14 . (6) Ex 30,15 . (7) Ex 30,22 . (8) Ex 30,25 . Rachel is de tweede en jongste dochter van Laban , de broer van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Isaak . Rachel is de tweede vrouw van Jakob . Samen kregen zij 2 kinderen : Jozef en Benjamin .
- wërächel (en Rachel) . In vijf verzen in de bijbel : (1) Gn 29,9 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 . (4) Gn 31,34 . (5) Gn 33,7 . De tegenstelling tussen Lea en Rachel in (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 is frappant : Lea is flets maar vruchtbaar , Rachel is mooi maar onvruchtbaar .

Gn 29,18 - Gn 29,18 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
18ègapèsen de iakôb tèn rachèl kai eipen douleusô soi epta etè peri rachèl tès thugatros sou tès neôteras  18 quam diligens Iacob ait serviam tibi pro Rahel filia tua minore septem annis    18 En Jakob had Rachel lief; en hij zeide: Ik zal u zeven jaren dienen, om Rachel, uw kleinste dochter.   [18] zodat Jakob verliefd was op Rachel. Daarom stelde hij voor: ‘Ik blijf zeven jaar bij u werken voor uw jongste dochter Rachel.’   [18] Jakob was verliefd op Rachel, daarom zei hij tegen Laban: ‘Ik zal zeven jaar voor u werken om Rachel, uw jongste dochter.’   18 Jakob krijgt Rachel lief; hij zegt: ik wil je zeven jaren dienen om Rachel, je jongste dochter!   29:18 et Jacob aimait Rachel. Il répondit: "Je te servirai sept années pour Rachel, ta fille cadette." 

King James Bible : And Jacob loved Rachel; and said, I will serve thee seven years for Rachel thy younger daughter.
Luther-Bibel . 18 Und Jakob gewann Rahel lieb und sprach: Ich will dir sieben Jahre um Rahel, deine jüngere Tochter, dienen.

Tekstuitleg van Gn 29,18 . Dit vers Gn 29,18 telt 11 woorden en 43 letters . De getalwaarde van dit vers Gn 29,18 is 2802 (2 X 3 X 467) .

1. wajjè´êhabh (en hij beminde) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Taalgebruik in Tenakh : ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Getalswaarde : aleph = 1 , he = 5 , beth = 2 ; totaal : 8 (2²) . Structuur : 1 - 5 - 2 . In negen verzen in de bijbel : (1) Gn 25,28 (Isaak - Esau) . (2) Gn 29,18 (Jakob - Rachel) . (3) Gn 29,30 (Jakob - Rachel meer dan Lea) . (4) Gn 34,3 (Sichem - Dina) . (5) Re 16,4 (Simson - Delila) . (6) 1 K 3,3 (Salomo - JHWH) . (7) Ps 109,17 . (8) Est 2,17 (koning - Ester boven alle vrouwen) . (9) 2 Kr 11,21 (Roboam - Maäka boven alle vrouwen) .

4. râchel (Rachel) . Taalgebruik in Tenakh : râchel (Rachel) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , lamed = 12 of 20 ; totaal : 40 of 228 (2 X 2 X 3 X 19) . Structuur : 2 - 8 - 2 . In verschillende vormen . In Tenakh : 45 X (44 verzen) . In LXX + NT : 48 (45 X , 44 verzen) + 1 = 49 . râchel (Rachel) . Tenakh (30) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (0) . Gn (30) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . Gn 30 (8) : (1) Ex 30,1. (2) Ex 30,6 . (3) Ex 30,7 . (4) Ex 30,8 . (5) Ex 30,14 . (6) Ex 30,15 . (7) Ex 30,22 . (8) Ex 30,25 . Rachel is de tweede en jongste dochter van Laban , de broer van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Isaak . Rachel is de tweede vrouw van Jakob . Samen kregen zij 2 kinderen : Jozef en Benjamin .
- wërächel (en Rachel) . In vijf verzen in de bijbel : (1) Gn 29,9 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 . (4) Gn 31,34 . (5) Gn 33,7 . De tegenstelling tussen Lea en Rachel in (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 is frappant : Lea is flets maar vruchtbaar , Rachel is mooi maar onvruchtbaar .

7. שֶׁבַע / שֵׁבַע = sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13 = (26 + 13) OF 372 (2 X 3 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (175 OF 7 X 25) . Pentateuch (70 OF 7 X 10) . Eerdere Profeten (61) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Alle prof. boeken (70 OF 7 X 10) . Geschriften (35 OF 7 X 5) . Gn (44) . Gn 5 (3) : (1) Gn 5,7 . (2) Gn 5,25 . (3) Gn 5,31 . Gn 11 (1) : Gn 11,21 . Gn 29 (5) : (1) Gn 29,18 . (2) Gn 29,20 . (3) Gn 29,27 . (4) Gn 29,28 . (5) Gn 29,30 .
- Gr. hepta . Bijbel (334) . OT (272) . NT (62) . Een vorm van hepta (zeven) in de LXX (377) , in het NT (87) .
- Lat. septem . Bijbel (325) . OT (264) . NT (61) . Fr. sept . D. Sieben . E. seven . Ned. zeven . Arabisch : sab`ah (zeven) : سَبْعة. Taalgebruik in de Koran : sab`ah (zeven) .
- De eerste medeklinker : s ; in het Grieks werd het een aangeblazen ha ; in het Nederlands werd de s een z . De tweede medeklinker : b ; in het Arabisch en het Duits ; in het Hebreeuws is het een zachte b , uitgesproken als v ; zo ook in het E. en het Ned. ; in het Gr. , het Lat. en het Fr. werd het een p ; in het Fr. wordt de p niet uitgesproken . De derde medeklinker : de ajin in het Arabisch en het Hebreeuws ; in het Gr. en het Lat. door de letter t . Het Franse sept is afkorting van het Lat. septem ; de -en uitgang in het D. , E. en Ned. komt wellicht uit de Latijnse uitgang -em .

8. vr. mv. (met mannelijke uitgang) שָׁנֶים = sjânîm (jaren) van het zelfstandig naamwoord שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . De getalwaarde van שָׁנָה = sjânâh (jaar) is : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (64) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (77) . Gn (46) . Gn 5 (5) : (1) Gn 5,6 . (2) Gn 5,7 . (3) Gn 5,11 . (4) Gn 5,14 . (5) Gn 5,15 . Gn 11 (5) : (1) Gn 11,13 . (2) Gn 11,15 . (3) Gn 11,19 . (4) Gn 11,21 . (5) Gn 11,32 . Gn 29 (4) : (1) Gn 29,18 . (2) Gn 29,20 . (3) Gn 29,27 . (4) Gn 29,30 . Ex (8) : (1) Ex 21,2 . (2) Ex 22,3 . (3) Ex 22,6 . (4) Ex 22,8 . (5) Ex 23,10 . (6) Ex 25,18 . (7) Ex 29,1 . (8) Ex 29,38 . Lv (8) : (1) Lv 19,23 . (2) Lv 23,18 . (3) Lv 25,3 . (4) Lv 25,8 . (5) Lv 25,15 . (6) Lv 25,50 . (7) Lv 27,5 . (8) Lv 27,6 . Dt (4) : (1) Dt 15,12 . (2) Dt 15,18 . (3) Dt 28,63 . (4) Dt 30,9 .
- Grieks . ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) .
- Latijn . annus (jaar) . Fr. an of année . Ned. jaar . E. year . D. Jahr . Aramees : שְׁנָה = sjënâh (jaar) . Arabisch : سَنَة = sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) .

7. - 8. שֶׁבַע שָׁנִים = sjèbha`sjânîm (zeven jaren) . Tenakh (32) : (1) Gn 5,7 . (2) Gn 11,21 . (3) Gn 29,18 . (4) Gn 29,20 . (5) Gn 29,27 . (6) Gn 29,30 . (7) Gn 41,26 (2X) . (8) Gn 41,27 . (9) Gn 41,29 . (10) Gn 41,48 . (11) Gn 47,28 . (12) Lv 25,8 . (13) Nu 13,22 . (14) Dt 15,1 . (15) Dt 31,10 . (16) Re 6,1 . (17) Re 6,25 . (18) Re 12,9 . (19) 2 S 2,11 . (20) 2 S 5,5 . (21) 2 S 24,13 . (22) 1 K 2,11 . (23) 1 K 6,38 . (24) 2 K 8,1 . (25) 2 K 8,2 . (26) 2 K 8,3 . (27) 2 K 12,1 . (28) 1 Kr 3,4 . (29) 1 Kr 29,27 . (30) 2 Kr 24,1 . (31) Jr 34,14 . (32) Ez 39,9 .

Gn 29,19 - Gn 29,19 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
19eipen de autô laban beltion dounai me autèn soi è dounai me autèn andri eterô oikèson met' emou  19 respondit Laban melius est ut tibi eam dem quam viro alteri mane apud me     19 Toen zeide Laban: Het is beter, dat ik haar aan u geve, dan dat ik haar aan een anderen man geve; blijf bij mij. [19] Laban zei: ‘Ik geef haar liever aan jou dan aan iemand anders; blijf dus maar bij mij.’  [19] Laban antwoordde: ‘Ik kan haar beter aan jou geven dan aan een ander. Je kunt dus blijven.’   19 Laban zegt: beter dat ik haar aan jou geef dan dat ik haar geef aan een andere man; blijf bij mij!  29:19 Laban dit: "Mieux vaut la donner à toi qu'à un étranger; reste chez moi." 

King James Bible . [19] And Laban said, It is better that I give her to thee, than that I should give her to another man: abide with me.
Luther-Bibel . 19 Laban antwortete: Es ist besser, ich gebe sie dir als einem andern; bleib bei mir.

Tekstuitleg van Gn 29,19 .

Gn 29,20 - Gn 29,20 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
20kai edouleusen iakôb peri rachèl etè epta kai èsan enantion autou ôs èmerai oligai para to agapan auton autèn  20 servivit igitur Iacob pro Rahel septem annis et videbantur illi pauci dies prae amoris magnitudine     20 Alzo diende Jakob om Rachel zeven jaren; en die waren in zijn ogen als enige dagen, omdat hij haar liefhad.  [20] Zo kwam het dat Jakob zeven jaar werkte om Rachel te krijgen. Die jaren leken hem maar enkele dagen; zoveel hield hij van haar.  [20] Zo werkte Jakob zeven jaar om Rachel, maar voor zijn gevoel waren het maar een paar dagen, zoveel hield hij van haar.  20 Zo dient Jakob zeven jaren voor Rachel; die zijn in zijn ogen als enkele dágen, omdat hij haar liefheeft.   29:20 Donc Jacob servit pour Rachel, pendant sept années qui lui parurent comme quelques jours, tellement il l'aimait.  

King James Bible . [20] And Jacob served seven years for Rachel; and they seemed unto him but a few days, for the love he had to her.
Luther-Bibel . 20 So diente Jakob um Rahel sieben Jahre, und es kam ihm vor, als wären's einzelne Tage, so lieb hatte er sie.

Tekstuitleg van Gn 29,20 .

4. שֶׁבַע / שֵׁבַע = sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13 = (26 + 13) OF 372 (2 X 3 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (175 OF 7 X 25) . Pentateuch (70 OF 7 X 10) . Eerdere Profeten (61) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Alle prof. boeken (70 OF 7 X 10) . Geschriften (35 OF 7 X 5) . Gn (44) . Gn 5 (3) : (1) Gn 5,7 . (2) Gn 5,25 . (3) Gn 5,31 . Gn 11 (1) : Gn 11,21 . Gn 29 (5) : (1) Gn 29,18 . (2) Gn 29,20 . (3) Gn 29,27 . (4) Gn 29,28 . (5) Gn 29,30 .
- Gr. hepta . Bijbel (334) . OT (272) . NT (62) . Een vorm van hepta (zeven) in de LXX (377) , in het NT (87) .
- Lat. septem . Bijbel (325) . OT (264) . NT (61) . Fr. sept . D. Sieben . E. seven . Ned. zeven . Arabisch : sab`ah (zeven) : سَبْعة. Taalgebruik in de Koran : sab`ah (zeven) .
- De eerste medeklinker : s ; in het Grieks werd het een aangeblazen ha ; in het Nederlands werd de s een z . De tweede medeklinker : b ; in het Arabisch en het Duits ; in het Hebreeuws is het een zachte b , uitgesproken als v ; zo ook in het E. en het Ned. ; in het Gr. , het Lat. en het Fr. werd het een p ; in het Fr. wordt de p niet uitgesproken . De derde medeklinker : de ajin in het Arabisch en het Hebreeuws ; in het Gr. en het Lat. door de letter t . Het Franse sept is afkorting van het Lat. septem ; de -en uitgang in het D. , E. en Ned. komt wellicht uit de Latijnse uitgang -em .

5. vr. mv. (met mannelijke uitgang) שָׁנֶים = sjânîm (jaren) van het zelfstandig naamwoord שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . De getalwaarde van שָׁנָה = sjânâh (jaar) is : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (64) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (77) . Gn (46) . Gn 5 (5) : (1) Gn 5,6 . (2) Gn 5,7 . (3) Gn 5,11 . (4) Gn 5,14 . (5) Gn 5,15 . Gn 11 (5) : (1) Gn 11,13 . (2) Gn 11,15 . (3) Gn 11,19 . (4) Gn 11,21 . (5) Gn 11,32 . Gn 29 (4) : (1) Gn 29,18 . (2) Gn 29,20 . (3) Gn 29,27 . (4) Gn 29,30 . Ex (8) : (1) Ex 21,2 . (2) Ex 22,3 . (3) Ex 22,6 . (4) Ex 22,8 . (5) Ex 23,10 . (6) Ex 25,18 . (7) Ex 29,1 . (8) Ex 29,38 . Lv (8) : (1) Lv 19,23 . (2) Lv 23,18 . (3) Lv 25,3 . (4) Lv 25,8 . (5) Lv 25,15 . (6) Lv 25,50 . (7) Lv 27,5 . (8) Lv 27,6 . Dt (4) : (1) Dt 15,12 . (2) Dt 15,18 . (3) Dt 28,63 . (4) Dt 30,9 .
- Grieks . ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) .
- Latijn . annus (jaar) . Fr. an of année . Ned. jaar . E. year . D. Jahr . Aramees : שְׁנָה = sjënâh (jaar) . Arabisch : سَنَة = sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) .

4. - 5. שֶׁבַע שָׁנִים = sjèbha`sjânîm (zeven jaren) .Tenakh (32) : (1) Gn 5,7 . (2) Gn 11,21 . (3) Gn 29,18 . (4) Gn 29,20 . (5) Gn 29,27 . (6) Gn 29,30 . (7) Gn 41,26 (2X) . (8) Gn 41,27 . (9) Gn 41,29 . (10) Gn 41,48 . (11) Gn 47,28 . (12) Lv 25,8 . (13) Nu 13,22 . (14) Dt 15,1 . (15) Dt 31,10 . (16) Re 6,1 . (17) Re 6,25 . (18) Re 12,9 . (19) 2 S 2,11 . (20) 2 S 5,5 . (21) 2 S 24,13 . (22) 1 K 2,11 . (23) 1 K 6,38 . (24) 2 K 8,1 . (25) 2 K 8,2 . (26) 2 K 8,3 . (27) 2 K 12,1 . (28) 1 Kr 3,4 . (29) 1 Kr 29,27 . (30) 2 Kr 24,1 . (31) Jr 34,14 . (32) Ez 39,9 .

Gn 29,21 - Gn 29,21 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
21eipen de iakôb pros laban apodos tèn gunaika mou peplèrôntai gar ai èmerai mou opôs eiselthô pros autèn  21 dixitque ad Laban da mihi uxorem meam quia iam tempus expletum est ut ingrediar ad eam    21 Toen zeide Jakob tot Laban: Geef mijn huisvrouw, want mijn dagen zijn vervuld, dat ik tot haar inga.  
[21] Na de zeven jaren zei Jakob tegen Laban: ‘Geef me mijn vrouw, want mijn tijd is om en ik wil met haar samenleven.’ 
[21] Toen zei Jakob tegen Laban: ‘De termijn is om. Geef me nu mijn vrouw, ik wil met haar slapen.’   21 Dan zegt Jakob tot Laban: welnu, mijn vrouw!– want vervuld zijn mijn dagen: ik wil tot haar ingaan!  29:21 Puis Jacob dit à Laban: "Accorde-moi ma femme car mon temps est accompli, et que j'aille vers elle!"  

King James Bible . [21] And Jacob said unto Laban, Give me my wife, for my days are fulfilled, that I may go in unto her.
Luther-Bibel . 21 Und Jakob sprach zu Laban: Gib mir nun meine Braut; denn die Zeit ist da, dass ich zu ihr gehe.

Tekstuitleg van Gn 29,21 .

Gn 29,22 - Gn 29,22 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22sunègagen de laban pantas tous andras tou topou kai epoièsen gamon 22 qui vocatis multis amicorum turbis ad convivium fecit nuptias    22 Zo verzamelde Laban al de mannen dier plaats, en maakte een maaltijd.  [22] Daarop nodigde Laban alle burgers van de stad uit en richtte een feestmaal aan.  [22] Laban nodigde alle inwoners van de stad uit en gaf een feest.  22 Laban verzamelt alle mannen van die plaats en maakt een feestdronk klaar.   29:22 Laban réunit tous les gens du lieu et donna un banquet.  

King James Bible . [22] And Laban gathered together all the men of the place, and made a feast.
Luther-Bibel . 22 Da lud Laban alle Leute des Ortes ein und machte ein Hochzeitsmahl.

Tekstuitleg van Gn 29,22 .

Gn 29,23 - Gn 29,23 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23kai egeneto espera kai labôn laban leian tèn thugatera autou eisègagen autèn pros iakôb kai eisèlthen pros autèn iakôb  23 et vespere filiam suam Liam introduxit ad eum     23 En het geschiedde des avonds, dat hij zijn dochter Lea nam, en bracht haar tot hem; en hij ging tot haar in.   [23] ’s Avonds echter bracht hij zijn dochter Lea bij Jakob, en hij had gemeenschap met haar.   [23] Toen de avond was gevallen bracht hij zijn dochter Lea bij Jakob, en Jakob sliep met haar.   23 In de avondschemer geschiedt het: dan neemt hij zijn dochter Lea en brengt haar tot hem,– en hij gaat tot háár in…  29:23 Mais voici qu'au soir il prit sa fille Léa et la conduisit à Jacob; et celui-ci s'unit à elle! --  

King James Bible . [23] And it came to pass in the evening, that he took Leah his daughter, and brought her to him; and he went in unto her.
Luther-Bibel . 23 Am Abend aber nahm er seine Tochter Lea und brachte sie zu Jakob; und er ging zu ihr.

Tekstuitleg van Gn 29,23 .

2.

5. le´âh (Lea) . Taalgebruik in Tenakh : le´âh (Lea) . Getalswaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 3 - 1 - 5 . Tenakh (26) . Gn (26) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,16 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,23 . (4) Gn 29,25 . (5) Gn 29,31 . (6) Gn 29,32 . Gn 30 (11) : (1) Gn 30,9 . (2) Gn 30,10 . (3) Gn 30,11 . (4) Gn 30,12 . (5) Gn 30,13 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,16 . (8) Gn 30,17 . (9) Gn 30,18 . (10) Gn 30,19 . (11) Gn 30,20 . Lea is de oudste dochter van Laban , de zus van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Izaak . Lea krijgt 6 zonen en 1 dochter . De bijvrouw van Lea is Zilpa .

Gn 29,24 - Gn 29,24 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
24edôken de laban leia tè thugatri autou zelfan tèn paidiskèn autou autè paidiskèn  24 dans ancillam filiae Zelpham nomine ad quam cum ex more Iacob fuisset ingressus facto mane vidit Liam    24 En Laban gaf haar Zilpa, zijn dienstmaagd, aan Lea, zijn dochter, tot een dienstmaagd.   [24] Laban schonk zijn slavin Zilpa aan zijn dochter Lea als slavin.   [24] Ook gaf Laban haar een van zijn slavinnen mee, Zilpa.   24 Laban geeft haar zijn slavin Zilpa mee,– zijn dochter Lea tot slavin.    29:24 Laban donna sa servante Zilpa comme servante à sa fille Léa.--  

King James Bible . [24] And Laban gave unto his daughter Leah Zilpah his maid for an handmaid.
Luther-Bibel . 24 Und Laban gab seiner Tochter Lea seine Magd Silpa zur Leibmagd.

Tekstuitleg van Gn 29,24 .

Gn 29,25 - Gn 29,25 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
25egeneto de prôi kai idou èn leia eipen de iakôb tô laban ti touto epoièsas moi ou peri rachèl edouleusa para soi kai ina ti parelogisô me 25 et dixit ad socerum quid est quod facere voluisti nonne pro Rahel servivi tibi quare inposuisti mihi   wehinneh lële´âh  25 En het geschiedde des morgens, en ziet, het was Lea. Daarom zeide hij tot Laban: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt; heb ik niet bij u gediend om Rachel? waarom hebt gij mij dan bedrogen?   [25] De volgende ochtend zag Jakob dat het Lea was. Hij zei tegen Laban: ‘Wat hebt u nu met mij uitgehaald? Ik heb toch gewerkt om Rachel te krijgen? Waarom hebt u mij bedrogen?’  [25] ’s Morgens ontdekte Jakob dat het Lea was met wie hij had geslapen. ‘Hoe hebt u mij dit kunnen aandoen!’ wierp hij Laban voor. ‘Ik heb toch om Rachel bij u gewerkt? Waarom hebt u me zo bedrogen!’  25 Het geschiedt in de ochtend: zie, het is Lea!– en hij zegt tot Laban: wat heb je me nu gedaan?– heb ik niet om Rachel bij je gediend?– waarom heb je me dan bedrogen?   29:25 Le matin arriva, et voilà que c'était Léa! Jacob dit à Laban: "Que m'as-tu fait là? N'est-ce pas pour Rachel que j'ai servi chez toi? Pourquoi m'as-tu trompé?"  

King James version . And it came to pass, that in the morning, behold, it was Leah: and he said to Laban, What is this thou hast done unto me? did not I serve with thee for Rachel? wherefore then hast thou beguiled me?
Luther-Bibel . 25 Am Morgen aber, siehe, da war es Lea. Und Jakob sprach zu Laban: Warum hast du mir das angetan? Habe ich dir nicht um Rahel gedient? Warum hast du mich denn betrogen?

Tekstuitleg van Gn 29,25 . Dit vers Gn 29,25 telt 18 ( = 2 X 3 X 3) woorden en 64 ( = 2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 2) letters . De getalwaarde van dit vers Gn 29,25 is 3775 ( = 5 X 5 X 151) .

3. wehinneh (en zie) . In vijfenvijftig verzen in Gn . In drie verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,2a : wehinneh bhë´er = en zie een put ; Gn 29,2b (drie kudden schapen) . (2) Gn 29,6 (wehinneh râchel = en zie Rachel) . (3) Gn 29,25 (wehinneh lële´âh = en zie Lea) . Taalgebruik : hinneh (zie) , zie Gn 29,2 .

5. le´âh (Lea) . Taalgebruik in Tenakh : le´âh (Lea) . Getalswaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 3 - 1 - 5 . Tenakh (26) . Gn (26) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,16 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,23 . (4) Gn 29,25 . (5) Gn 29,31 . (6) Gn 29,32 . Gn 30 (11) : (1) Gn 30,9 . (2) Gn 30,10 . (3) Gn 30,11 . (4) Gn 30,12 . (5) Gn 30,13 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,16 . (8) Gn 30,17 . (9) Gn 30,18 . (10) Gn 30,19 . (11) Gn 30,20 . Lea is de oudste dochter van Laban , de zus van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Izaak . Lea krijgt 6 zonen en 1 dochter . De bijvrouw van Lea is Zilpa .

Gn 29,26 - Gn 29,26 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
26eipen de laban ouk estin outôs en tô topô èmôn dounai tèn neôteran prin è tèn presbuteran  26 respondit Laban non est in loco nostro consuetudinis ut minores ante tradamus ad nuptias     26 En Laban zeide: Men doet alzo niet te dezer onzer plaatse, dat men de kleinste uitgeve voor de eerstgeborene.   [26] Laban antwoordde: ‘Het is bij ons geen gewoonte de jongste uit te huwelijken vóór de oudste.   [26] Laban antwoordde: ‘Het is hier niet de gewoonte om de jongste voor de oudste uit te huwelijken.  26 Laban zegt: dat wordt nooit zo gedaan op deze plek: de geringere weggeven vóór het aanschijn van de eerstelinge;  29:26 Laban répondit: "Ce n'est pas l'usage dans notre contrée de marier la plus jeune avant l'aînée.  

King James Bible . [26] And Laban said, It must not be so done in our country, to give the younger before the firstborn.
Luther-Bibel . 26 Laban antwortete: Es ist nicht Sitte in unserm Lande, dass man die Jüngere weggebe vor der Älteren.

Tekstuitleg van Gn 29,26 .

Gn 29,27 - Gn 29,27 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
27sunteleson oun ta ebdoma tautès kai dôsô soi kai tautèn anti tès ergasias ès erga par' emoi eti epta etè etera  27 imple ebdomadem dierum huius copulae et hanc quoque dabo tibi pro opere quo serviturus es mihi septem annis aliis     27 Vervul de week van deze; dan zullen wij u ook die geven, voor den dienst, dien gij nog andere zeven jaren bij mij dienen zult.   [27] Breng dus eerst met haar de bruiloftsweek* door; de andere kun je ook krijgen, als je nog eens zeven jaar bij mij wilt werken.’  [27] Wacht daarom tot de bruiloftsweek met de een voorbij is, dan krijg je ook de ander, op voorwaarde dat je nog eens zeven jaar voor me werkt.’  27 vervul deze zevendagenplicht, geven wil ik je dan ook déze, voor het dienstwerk waarmee je bij mij zult dienen nog zeven jaren hierna!  29:27 Mais achève cette semaine de noces et je te donnerai aussi l'autre comme prix du service que tu feras chez moi pendant encore sept autres années."  

King James Bible . [27] Fulfil her week, and we will give thee this also for the service which thou shalt serve with me yet seven other years.
Luther-Bibel . 27 Halte mit dieser die Hochzeitswoche, so will ich dir die andere auch geben für den Dienst, den du bei mir noch weitere sieben Jahre leisten sollst.

Tekstuitleg van Gn 29,27 .

14. שֶׁבַע / שֵׁבַע = sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13 = (26 + 13) OF 372 (2 X 3 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (175 OF 7 X 25) . Pentateuch (70 OF 7 X 10) . Eerdere Profeten (61) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Alle prof. boeken (70 OF 7 X 10) . Geschriften (35 OF 7 X 5) . Gn (44) . Gn 5 (3) : (1) Gn 5,7 . (2) Gn 5,25 . (3) Gn 5,31 . Gn 11 (1) : Gn 11,21 . Gn 29 (5) : (1) Gn 29,18 . (2) Gn 29,20 . (3) Gn 29,27 . (4) Gn 29,28 . (5) Gn 29,30 .
- Gr. hepta . Bijbel (334) . OT (272) . NT (62) . Een vorm van hepta (zeven) in de LXX (377) , in het NT (87) .
- Lat. septem . Bijbel (325) . OT (264) . NT (61) . Fr. sept . D. Sieben . E. seven . Ned. zeven . Arabisch : sab`ah (zeven) : سَبْعة. Taalgebruik in de Koran : sab`ah (zeven) .
- De eerste medeklinker : s ; in het Grieks werd het een aangeblazen ha ; in het Nederlands werd de s een z . De tweede medeklinker : b ; in het Arabisch en het Duits ; in het Hebreeuws is het een zachte b , uitgesproken als v ; zo ook in het E. en het Ned. ; in het Gr. , het Lat. en het Fr. werd het een p ; in het Fr. wordt de p niet uitgesproken . De derde medeklinker : de ajin in het Arabisch en het Hebreeuws ; in het Gr. en het Lat. door de letter t . Het Franse sept is afkorting van het Lat. septem ; de -en uitgang in het D. , E. en Ned. komt wellicht uit de Latijnse uitgang -em .

15. vr. mv. (met mannelijke uitgang) שָׁנֶים = sjânîm (jaren) van het zelfstandig naamwoord שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . De getalwaarde van שָׁנָה = sjânâh (jaar) is : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (64) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (77) . Gn (46) . Gn 5 (5) : (1) Gn 5,6 . (2) Gn 5,7 . (3) Gn 5,11 . (4) Gn 5,14 . (5) Gn 5,15 . Gn 11 (5) : (1) Gn 11,13 . (2) Gn 11,15 . (3) Gn 11,19 . (4) Gn 11,21 . (5) Gn 11,32 . Gn 29 (4) : (1) Gn 29,18 . (2) Gn 29,20 . (3) Gn 29,27 . (4) Gn 29,30 . Ex (8) : (1) Ex 21,2 . (2) Ex 22,3 . (3) Ex 22,6 . (4) Ex 22,8 . (5) Ex 23,10 . (6) Ex 25,18 . (7) Ex 29,1 . (8) Ex 29,38 . Lv (8) : (1) Lv 19,23 . (2) Lv 23,18 . (3) Lv 25,3 . (4) Lv 25,8 . (5) Lv 25,15 . (6) Lv 25,50 . (7) Lv 27,5 . (8) Lv 27,6 . Dt (4) : (1) Dt 15,12 . (2) Dt 15,18 . (3) Dt 28,63 . (4) Dt 30,9 .
- Grieks . ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) .
- Latijn . annus (jaar) . Fr. an of année . Ned. jaar . E. year . D. Jahr . Aramees : שְׁנָה = sjënâh (jaar) . Arabisch : سَنَة = sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) .

14. - 15. שֶׁבַע שָׁנִים = sjèbha`sjânîm (zeven jaren) .Tenakh (32) : (1) Gn 5,7 . (2) Gn 11,21 . (3) Gn 29,18 . (4) Gn 29,20 . (5) Gn 29,27 . (6) Gn 29,30 . (7) Gn 41,26 (2X) . (8) Gn 41,27 . (9) Gn 41,29 . (10) Gn 41,48 . (11) Gn 47,28 . (12) Lv 25,8 . (13) Nu 13,22 . (14) Dt 15,1 . (15) Dt 31,10 . (16) Re 6,1 . (17) Re 6,25 . (18) Re 12,9 . (19) 2 S 2,11 . (20) 2 S 5,5 . (21) 2 S 24,13 . (22) 1 K 2,11 . (23) 1 K 6,38 . (24) 2 K 8,1 . (25) 2 K 8,2 . (26) 2 K 8,3 . (27) 2 K 12,1 . (28) 1 Kr 3,4 . (29) 1 Kr 29,27 . (30) 2 Kr 24,1 . (31) Jr 34,14 . (32) Ez 39,9 .

Gn 29,28 - Gn 29,28 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
28epoièsen de iakôb outôs kai aneplèrôsen ta ebdoma tautès kai edôken autô laban rachèl tèn thugatera autou autô gunaika  28 adquievit placito et ebdomade transacta Rahel duxit uxorem    28 En Jakob deed alzo; en hij vervulde de week van deze. Toen gaf hij hem Rachel, zijn dochter, hem tot een vrouw.  
[28] Dat deed Jakob; hij bracht met Lea de bruiloftsweek door, en Laban* gaf hem zijn dochter Rachel als vrouw. 
[28] Jakob stemde toe en wachtte tot de week om was; daarna gaf Laban hem zijn dochter Rachel tot vrouw.   28 Zo doet Jakob hij vervult deze zevendagenplicht; dan geeft hij hem zijn dochter Rachel als zijn vrouw.   29:28 Jacob fit ainsi: il acheva cette semaine de noces et Laban lui donna sa fille Rachel pour femme.  

King James Bible . [28] And Jacob did so, and fulfilled her week: and he gave him Rachel his daughter to wife also.
Luther-Bibel . 28 Das tat Jakob und hielt die Hochzeitswoche. Da gab ihm Laban seine Tochter Rahel zur Frau.

Tekstuitleg van Gn 29,28 .

10. râchel (Rachel) . Taalgebruik in Tenakh : râchel (Rachel) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , lamed = 12 of 20 ; totaal : 40 of 228 (2 X 2 X 3 X 19) . Structuur : 2 - 8 - 2 . In verschillende vormen . In Tenakh : 45 X (44 verzen) . In LXX + NT : 48 (45 X , 44 verzen) + 1 = 49 . râchel (Rachel) . Tenakh (30) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (0) . Gn (30) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . Gn 30 (8) : (1) Ex 30,1. (2) Ex 30,6 . (3) Ex 30,7 . (4) Ex 30,8 . (5) Ex 30,14 . (6) Ex 30,15 . (7) Ex 30,22 . (8) Ex 30,25 . Rachel is de tweede en jongste dochter van Laban , de broer van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Isaak . Rachel is de tweede vrouw van Jakob . Samen kregen zij 2 kinderen : Jozef en Benjamin .
- wërächel (en Rachel) . In vijf verzen in de bijbel : (1) Gn 29,9 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 . (4) Gn 31,34 . (5) Gn 33,7 . De tegenstelling tussen Lea en Rachel in (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 is frappant : Lea is flets maar vruchtbaar , Rachel is mooi maar onvruchtbaar .

Gn 29,29 - Gn 29,29 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
29edôken de laban rachèl tè thugatri autou ballan tèn paidiskèn autou autè paidiskèn  29 cui pater servam Balam dederat     29 En Laban gaf aan zijn dochter Rachel zijn dienstmaagd Bilha, haar tot een dienstmaagd.   [29] Laban schonk zijn slavin Bilha aan Rachel.   [29] Ook gaf Laban haar een van zijn slavinnen mee, Bilha.   29 Laban geeft aan zijn dochter Rachel zijn slavin Bilha mee als haar slavin.  -- 29:29 Laban donna sa servante Bilha comme servante à sa fille Rachel. --  

King James Bible . [29] And Laban gave to Rachel his daughter Bilhah his handmaid to be her maid.
Luther-Bibel . 29 Und er gab seiner Tochter Rahel seine Magd Bilha zur Leibmagd.

Tekstuitleg van Gn 29,29 .

Gn 29,30 - Gn 29,30 : Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,1 - Gn 29,2 - Gn 29,3 - Gn 29,4 - Gn 29,5 - Gn 29,6 - Gn 29,7 - Gn 29,8 - Gn 29,9 - Gn 29,10 - Gn 29,11 - Gn 29,12 - Gn 29,13 - Gn 29,14 - Gn 29,15 - Gn 29,16 - Gn 29,17 - Gn 29,18 - Gn 29,19 - Gn 29,20 - Gn 29,21 - Gn 29,22 - Gn 29,23 - Gn 29,24 - Gn 29,25 - Gn 29,26 - Gn 29,27 - Gn 29,28 - Gn 29,29 - Gn 29,30 -- Gn 29 -- Gn 29,31-35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
30kai eisèlthen pros rachèl ègapèsen de rachèl mallon è leian kai edouleusen autô epta etè etera  30 tandemque potitus optatis nuptiis amorem sequentis priori praetulit serviens apud eum septem annis aliis    30 En hij ging ook in tot Rachel, en had ook Rachel liever dan Lea; en hij diende bij hem nog andere zeven jaren.   [30] Jakob had ook gemeenschap met Rachel; hij hield meer van haar dan van Lea. Zo werkte hij nog eens zeven jaar bij Laban.  [30] Toen sliep Jakob ook met Rachel, en van Rachel hield hij echt, meer dan van Lea. En hij werkte nog eens zeven jaar bij Laban.  30 Hij gaat ook tot Rachel in en heeft Rachel ook meer dan Lea lief; hij dient bij hem nog zeven jaren hierna. 29:30 Jacob s'unit aussi à Rachel et il aima Rachel plus que Léa; il servit chez son oncle encore sept autres années.  

King James Bible . [30] And he went in also unto Rachel, and he loved also Rachel more than Leah, and served with him yet seven other years.
Luther-Bibel . 30 So ging Jakob auch zu Rahel ein und hatte Rahel lieber als Lea; und er diente bei ihm noch weitere sieben Jahre.

Tekstuitleg van Gn 29,30 .

5. wajjè´êhabh (en hij beminde) . In negen verzen in de bijbel : (1) Gn 25,28 (Isaak - Esau) . (2) Gn 29,18 (Jakob - Rachel) . (3) Gn 29,30 (Jakob - Rachel meer dan Lea) . (4) Gn 34,3 (Sichem - Dina) . (5) Re 16,4 (Simson - Delila) . (6) 1 K 3,3 (Salomo - JHWH) . (7) Ps 109,17 . (8) Est 2,17 (koning - Ester boven alle vrouwen) . (9) 2 Kr 11,21 (Roboam - Maäka boven alle vrouwen) .

8. râchel (Rachel) . Taalgebruik in Tenakh : râchel (Rachel) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , lamed = 12 of 20 ; totaal : 40 of 228 (2 X 2 X 3 X 19) . Structuur : 2 - 8 - 2 . In verschillende vormen . In Tenakh : 45 X (44 verzen) . In LXX + NT : 48 (45 X , 44 verzen) + 1 = 49 . râchel (Rachel) . Tenakh (30) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (0) . Gn (30) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . Gn 30 (8) : (1) Ex 30,1. (2) Ex 30,6 . (3) Ex 30,7 . (4) Ex 30,8 . (5) Ex 30,14 . (6) Ex 30,15 . (7) Ex 30,22 . (8) Ex 30,25 . Rachel is de tweede en jongste dochter van Laban , de broer van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Isaak . Rachel is de tweede vrouw van Jakob . Samen kregen zij 2 kinderen : Jozef en Benjamin .
- wërächel (en Rachel) . In vijf verzen in de bijbel : (1) Gn 29,9 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 . (4) Gn 31,34 . (5) Gn 33,7 . De tegenstelling tussen Lea en Rachel in (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 is frappant : Lea is flets maar vruchtbaar , Rachel is mooi maar onvruchtbaar .

13. שֶׁבַע / שֵׁבַע = sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13 = (26 + 13) OF 372 (2 X 3 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (175 OF 7 X 25) . Pentateuch (70 OF 7 X 10) . Eerdere Profeten (61) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Alle prof. boeken (70 OF 7 X 10) . Geschriften (35 OF 7 X 5) . Gn (44) . Gn 5 (3) : (1) Gn 5,7 . (2) Gn 5,25 . (3) Gn 5,31 . Gn 11 (1) : Gn 11,21 . Gn 29 (5) : (1) Gn 29,18 . (2) Gn 29,20 . (3) Gn 29,27 . (4) Gn 29,28 . (5) Gn 29,30 .
- Gr. hepta . Bijbel (334) . OT (272) . NT (62) . Een vorm van hepta (zeven) in de LXX (377) , in het NT (87) .
- Lat. septem . Bijbel (325) . OT (264) . NT (61) . Fr. sept . D. Sieben . E. seven . Ned. zeven . Arabisch : sab`ah (zeven) : سَبْعة. Taalgebruik in de Koran : sab`ah (zeven) .
- De eerste medeklinker : s ; in het Grieks werd het een aangeblazen ha ; in het Nederlands werd de s een z . De tweede medeklinker : b ; in het Arabisch en het Duits ; in het Hebreeuws is het een zachte b , uitgesproken als v ; zo ook in het E. en het Ned. ; in het Gr. , het Lat. en het Fr. werd het een p ; in het Fr. wordt de p niet uitgesproken . De derde medeklinker : de ajin in het Arabisch en het Hebreeuws ; in het Gr. en het Lat. door de letter t . Het Franse sept is afkorting van het Lat. septem ; de -en uitgang in het D. , E. en Ned. komt wellicht uit de Latijnse uitgang -em .

14. vr. mv. (met mannelijke uitgang) שָׁנֶים = sjânîm (jaren) van het zelfstandig naamwoord שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . De getalwaarde van שָׁנָה = sjânâh (jaar) is : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (64) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (77) . Gn (46) . Gn 5 (5) : (1) Gn 5,6 . (2) Gn 5,7 . (3) Gn 5,11 . (4) Gn 5,14 . (5) Gn 5,15 . Gn 11 (5) : (1) Gn 11,13 . (2) Gn 11,15 . (3) Gn 11,19 . (4) Gn 11,21 . (5) Gn 11,32 . Gn 29 (4) : (1) Gn 29,18 . (2) Gn 29,20 . (3) Gn 29,27 . (4) Gn 29,30 . Ex (8) : (1) Ex 21,2 . (2) Ex 22,3 . (3) Ex 22,6 . (4) Ex 22,8 . (5) Ex 23,10 . (6) Ex 25,18 . (7) Ex 29,1 . (8) Ex 29,38 . Lv (8) : (1) Lv 19,23 . (2) Lv 23,18 . (3) Lv 25,3 . (4) Lv 25,8 . (5) Lv 25,15 . (6) Lv 25,50 . (7) Lv 27,5 . (8) Lv 27,6 . Dt (4) : (1) Dt 15,12 . (2) Dt 15,18 . (3) Dt 28,63 . (4) Dt 30,9 .
- Grieks . ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) .
- Latijn . annus (jaar) . Fr. an of année . Ned. jaar . E. year . D. Jahr . Aramees : שְׁנָה = sjënâh (jaar) . Arabisch : سَنَة = sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) .

13. - 14. שֶׁבַע שָׁנִים = sjèbha`sjânîm (zeven jaren) .Tenakh (32) : (1) Gn 5,7 . (2) Gn 11,21 . (3) Gn 29,18 . (4) Gn 29,20 . (5) Gn 29,27 . (6) Gn 29,30 . (7) Gn 41,26 (2X) . (8) Gn 41,27 . (9) Gn 41,29 . (10) Gn 41,48 . (11) Gn 47,28 . (12) Lv 25,8 . (13) Nu 13,22 . (14) Dt 15,1 . (15) Dt 31,10 . (16) Re 6,1 . (17) Re 6,25 . (18) Re 12,9 . (19) 2 S 2,11 . (20) 2 S 5,5 . (21) 2 S 24,13 . (22) 1 K 2,11 . (23) 1 K 6,38 . (24) 2 K 8,1 . (25) 2 K 8,2 . (26) 2 K 8,3 . (27) 2 K 12,1 . (28) 1 Kr 3,4 . (29) 1 Kr 29,27 . (30) 2 Kr 24,1 . (31) Jr 34,14 . (32) Ez 39,9 .



De kinderen van Jakob : Gn 29,31-35 . Gn 29,31-35 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,31 - Gn 29,32 - Gn 29,33 - Gn 29,34 - Gn 29,35 -- Gn 29 -- Gn 29,1-30 -

Gn 29,31 - Gn 29,31 : De kinderen van Jakob - Gn 29,31-35 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,31 - Gn 29,32 - Gn 29,33 - Gn 29,34 - Gn 29,35 -- Gn 29 -- Gn 29,1-30 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
31idôn de kurios oti miseitai leia ènoixen tèn mètran autès rachèl de èn steira  31 videns autem Dominus quod despiceret Liam aperuit vulvam eius sorore sterili permanente  wajjarë´ JHWH  kî shënû´âh leâh wajjiphëthach èth rachëmâh wërächel `äqârâh 31 Toen nu de HEERE zag, dat Lea gehaat was, opende Hij haar baarmoeder; maar Rachel was onvruchtbaar. [31] Toen* de heer zag dat Lea minder bemind werd, opende Hij haar schoot, terwijl Rachel onvruchtbaar bleef.   [31] Toen de HEER zag dat Jakob minder van Lea hield, opende hij haar moederschoot, terwijl Rachel kinderloos bleef.   31 ¶ Als de ENE ziet dat Lea gehaat is opent hij háár moederschoot, terwijl Rachel onvruchtbaar is.  29:31 Yahvé vit que Léa n'était pas aimée et il la rendit féconde, tandis que Rachel demeurait stérile.  

King James version . And when the LORD saw that Leah was hated, he opened her womb: but Rachel was barren.
Luther-Bibel . 31 Als aber der HERR sah, dass Lea ungeliebt war, machte er sie fruchtbar; Rahel aber war unfruchtbar.

Tekstuitleg van Gn 29,31 . Dit vers Gn 29,31 telt 10 ( = 2 X 5) woorden en 37 letters . De getalwaarde van dit vers Gn 29,31 is 2448 ( = 2² X 2² X 3² X 17) . De onvruchtbare Lea werd vruchtbaar . Tegenover de vruchtbare Lea staat de onvruchtbare Rachel . Lea en Rachel , de echtgenotes van Jakob / Israël , zijn de aartsmoeders van de twaalf stammen van Israël . Lea en Rachel zijn gelijken , maar de beschrijving ervan is gevarieerd . In Gn 29,31 - Gn 29,32 is de godsnaam JHWH , in Gn 30,22 - Gn 30,23 God . In Gn 29,31 - Gn 29,32 ligt het accent op het visuele : (en JHWH zag) , in Gn 30,22 - Gn 30,23 op het akoustische (en God luisterde) .

Gn 29,31.1. w-j-r` . (1) act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud וַיַּרְא = wajjarë´ (en hij zag) ; (2) passief nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud וַיֵּרָא = wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) van het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) .

Getalswaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 (2 X 13) of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (19) . Gn (50) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 .
- act. part. aor. nom. mann. enk. ιδων = idôn (gezien) van het werkw. ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Taalgebruik in de LXX : eiden (hij zag) . ειδον / ειδεν = eidon / eiden in het NT (336) .

  zien  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  part. aor. nom. mann. enk. idôn  106  45  61  12  12  20  12  44  47   

- και ιδων = kai idôn (en ziende) . NT (8 / 12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 11,13 . (8) Mc 12,34 . kai ... idôn (en ... gezien) . Mc (1 / 8) : Mc 12,34 . idôn de (gezien echter) in Mc (3 / 12) : (1) Mc 9,25 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 15,39 .
- ιδων δε = idôn de (gezien echter) . LXX (14) . Gn () : (1) Gn 6,5 . (2) Gn 19,1 . (3) Gn 29,31 . (4) Gn 42,1 . (5) Gn 42,7 . (6) . (7) . NT (17) . Mc (5) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 9,25 . (4) Mc 10,14 . (5) Mc 15,39 .
- Grieks : ὁραω = horaô (zien) . Taalgebruik in het NT : horaô (zien) . Taalgebruik in de Septuaginta : horaô (zien) . Een vorm van ὁραω = horaô (zien, verschijnen) in het NT (114) , in de LXX (1539) .
- Ned. : zien . Arabisch : رَاهَ = ra´â (zien) . Taalgebruik in de Qoran : ra´â (zien) . D. : sehen , schauen . E. : to see . Fr. : voir . Gr. : ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) . Hebreeuws : רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Lat. : videre .
- In het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) zien we 2 medeklinkers van het woord אוֹר = ´ôr (licht) nl. de resj en de aleph . Het Hebreeuwse אוֹר = ´ôr (licht) en het begin van het Griekse werkw. ὁραω = horaô (zien) zijn ongeveer gelijkluidend .

1. - 2. וַיַּרְא יהוה = wajjarë´ JHWH (en JHWH zag) .

Tenakh (5) : (1) Gn 6,5 (JHWH zag de slechtheid van de mensen) . (2) Gn 29,31 (JHWH zag Lea) . (3) Ex 3,4 (JHWH zag Mozes de doornstruik naderen . (4) Dt 32,19 (JHWH zag de afdwaling van het volk) . (5) Js 59,15 . De naam van de oudste zoon alludeert hierop : Gn 29,32 : kî râ´âh JHWH bë`ânëjî (want Jahweh keek naar mijn ellende) .
- וַיַּרְא אֱלֹהִים . wajjarë´ ´èlohîm (en God zag) . Tenakh (9) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . (8) Gn 6,12 . (9) Ex 2,2 .
- Grieks : και ειδεν ὁ θεος = kai eiden ho theos (en God zag) . Bijbel (9) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,10 . (4) Gn 1,12 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 1,21 . (7) Gn 1,25 . (8) Gn 1,31 . (9) Jon 3,10 .

Gn 29,31.3. kî (dat) leidt hier een voorwerpszin in : en JHWH zag dat Lea minder bemind was .

Gn 29,31.4. shënû´âh (niet bemind) = passief qal participium deelwoord vrouwelijk enkelvoud van het werkw. shânâ´ (haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Taalgebruik : shânâ´(haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 3 - 5 - 1 . Tenakh (4) : (1) Gn 29,31 . (2) Gn 29,33 . (3) Dt 21,15 . (4) Spr 30,23 .

Gn 29,31.5. le´âh (Lea) . Taalgebruik in Tenakh : le´âh (Lea) . Getalswaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 3 - 1 - 5 . Tenakh (26) . Gn (26) . Gn 29 (6) : (1) Gn 29,16 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,23 . (4) Gn 29,25 . (5) Gn 29,31 . (6) Gn 29,32 . Gn 30 (11) : (1) Gn 30,9 . (2) Gn 30,10 . (3) Gn 30,11 . (4) Gn 30,12 . (5) Gn 30,13 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,16 . (8) Gn 30,17 . (9) Gn 30,18 . (10) Gn 30,19 . (11) Gn 30,20 . Gn 31 (1) : Gn 31,33 . Gn 33 (3) : (1) Gn 33,1 . (2) Gn 33,2 . (3) Gn 33,7 . Gn 34 (1) : Gn 34,1 . Gn 35 (2) : (1) Gn 35,23 . (2) Gn 35,26 . Gn 46 (1) : Gn 46,15 . Gn 49 (1) Gn 49,31 . In Rt 4,11 vinden we ûkhële´âh (en zoals Lea) . Lea is de oudste dochter van Laban , de zus van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Izaak (zoon van Abraham) . Lea krijgt 6 zonen : Ruben , Simeon , Levi , Juda , Issakar , Zebulon en 1 dochter : Dina . De bijvrouw van Lea is Zilpa . Zij krijgt 2 zonen : Gad en Aser . In totaal zijn er bij Lea - Zilpa 8 zonen en 1 dochter . Wat zonen betreft , is de verhouding Lea (6) - Zilpa (2) tot Rachel (2) - Bilha (2) : 2/3 (8) en 1/3 (4) . Anders gezegd : Lea - Bilha heeft dubbel zoveel kinderen als Rachel - Bilha .

Gn 29,31.6. וַיּפְתַּח = wajjiphëthach (en hij opende) < prefix consecutivum wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. פָתַח = pâthach (openen) . Taalgebruik in Tenach : pâthach (openen) . Getalswaarde : pe = 17 of 80 , thaw = 22 of 400 , chet = 8 ; totaal : 47 OF 488 (8 X 61) . Structuur : 8 - 4 - 8 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (17) . Gn (6) : (1) Gn 8,6 . (2) Gn 24,32 . (3) Gn 29,31 . (4) Gn 30,22 . (5) Gn 41,56 . (6) Gn 42,27 . 1 S 1 (1) : 1 S 3,15 .
- Ned. : openen . D. : öffnen (ph = f). E. : to open . Fr. : ouvrir (ph = f -> v) . Grieks : ανοιγω = anoigô (openen) . Taalgebruik in het NT : anoigô (openen) . Hebreeuws : פָקַח = pâqach (openen, opmerkzaam zijn) . Taalgebruik in Tenach : pâqach (openen, opmerkzaam zijn) . Latijn : aperire .

Gr. anoigô (openen) . Taalgebruik in de LXX : anoigô (openen) . Taalgebruik in het N.T. : anoigô (openen) . Lat. aperire . Fr. ouvrir . D. öffnen . E. to open . Een vorm van anoigô (openen) komt in de LXX (182) , in het N.T. (78) voor . w-j-p-th-ch . Tenakh (17) . Gn (6) : (1) Gn 8,6 . (2) Gn 24,32 . (3) Gn 29,31 . (4) Gn 30,22 . (5) Gn 41,56 . (6) Gn 42,27 .
De tegenpool van pâthach (openen) is sâgar (sluiten) . Taalgebruik in Tenach : sâgar (sluiten) .

Gn 29,31.6. - 8. wajjiphëthach èth rachëmâh (en Hij opende haar schoot) . Tenach (2) : (1) Gn 29,31 . (2) Gn 30,22 .
Tegenpool : sâgar rachëmâh (Hij sloot haar schoot) . Tenach (1) : 1 S 1,5 . Zie ook 1 S 1,6 : sâgar ... rachëmâh (Hij sloot ... haar schoot) .

Gn 29,31.9. râchel (Rachel) . Taalgebruik in Tenakh : râchel (Rachel) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , lamed = 12 of 20 ; totaal : 40 of 228 (2 X 2 X 3 X 19) . Structuur : 2 - 8 - 2 . In verschillende vormen . In Tenakh : 45 X (44 verzen) . In LXX + NT : 48 (45 X , 44 verzen) + 1 = 49 . râchel (Rachel) . Tenakh (30) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (0) . Gn (30) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . Gn 30 (8) : (1) Ex 30,1. (2) Ex 30,6 . (3) Ex 30,7 . (4) Ex 30,8 . (5) Ex 30,14 . (6) Ex 30,15 . (7) Ex 30,22 . (8) Ex 30,25 . Rachel is de tweede en jongste dochter van Laban , de broer van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Isaak . Rachel is de tweede vrouw van Jakob . Samen kregen zij 2 kinderen : Jozef en Benjamin .
- wërächel (en Rachel) . In vijf verzen in de bijbel : (1) Gn 29,9 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 . (4) Gn 31,34 . (5) Gn 33,7 . De tegenstelling tussen Lea en Rachel in (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 is frappant : Lea is flets maar vruchtbaar , Rachel is mooi maar onvruchtbaar .

Gn 29,31.10. `äqârâh (onvruchtbaar) . Taalgebruik in Tenach : `äqârâh (onvruchtbaar) . Gr. steiros . Lat. sterilis . Fr. stérile . Ned. onvruchtbaar . D. unfruchtbar . E. barren . Tenach (8) : (1) Gn 11,30 (Sara) . (2) Gn 25,21 (Rebekka) . (3) Gn 29,31 (Rachel) . (4) Re 13,2 (de moeder van Simson) . (5) Re 13,3 . (6) 1 S 2,5 (Hanna , de moeder van Samuël) . (7) Js 54,1 . (8) Job 24,21 . wë`äqârâh (en onvruchtbaar) . Tenach (2) : (1) Ex 23,26 . (2) Dt 7,14 . In deze 10 verzen heeft de LXX steira als vertaling . Gr. nom. vr. enk. steira van het bijvoegl. naamw. steiros (onvruchtbaar) . Taalgebruik in het N.T. : steiros (onvruchtbaar) . Lc (2) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,36 . Een vorm van steiros in de LXX (17) , in het N.T. (4) . soera 3,40 .

Gn 29,32 - Gn 29,32 : De kinderen van Jakob - Gn 29,31-35 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,31 - Gn 29,32 - Gn 29,33 - Gn 29,34 - Gn 29,35 -- Gn 29 -- Gn 29,1-30 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
32kai sunelaben leia kai eteken uion tô iakôb ekalesen de to onoma autou roubèn legousa dioti eiden mou kurios tèn tapeinôsin nun me agapèsei o anèr mou  32 quae conceptum genuit filium vocavitque nomen eius Ruben dicens vidit Dominus humilitatem meam nunc amabit me vir meus  waththahar leâh waththelèth  ben 32 En Lea werd bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Ruben; want zij zeide: Omdat de HEERE mijn verdrukking heeft aangezien, daarom zal mijn man mij nu liefhebben.   [32] Lea werd zwanger, baarde een zoon en noemde hem Ruben*; ‘Want’, zei ze, ‘de heer heeft neergezien op mijn ellende; nu zal mijn man wel van mij gaan houden.’ [32] Lea werd zwanger en bracht een zoon ter wereld, die ze Ruben noemde, ‘want,’ zei ze, ‘de HEER heeft gezien wat ik te verduren heb. Nu zal mijn man van mij houden.’  32 Lea wordt zwanger en baart een zoon; ze roept als naam voor hem: Ruben,– ziet, een zoon!, want, heeft ze gezegd, want gezien heeft de ENE mijn vernedering, ja, nú zal mijn man mij liefhebben. 29:32 Léa conçut et elle enfanta un fils qu'elle appela Ruben, car, dit-elle, "Yahvé a vu ma détresse; maintenant mon mari m'aimera."

King James version . And Leah conceived, and bare a son, and she called his name Reuben: for she said, Surely the LORD hath looked upon my affliction; now therefore my husband will love me.
Luther-Bibel . 32 Und Lea ward schwanger und gebar einen Sohn; den nannte sie Ruben und sprach: Der HERR hat angesehen mein Elend; nun wird mich mein Mann lieb haben.

Tekstuitleg van Gn 29,32 . Dit vers Gn 29,32 telt 17 woorden en 61 (3 X 17) letters ; verhouding 1 op 3 . De getalswaarde van dit vers is 4035 (3 X 5 X 269) . Lea is vruchtbaar , maar probeert de liefde van Jakob te winnen . Rachel is de beminde van Jakob , maar mist de vruchtbaarheid .

1. waththahar (en zij werd zwanger) = actief qal imperfectum derde persoon vrouwelijk enkelvoud van het werkwoord hârâh (zie Jouön 79i , p.160) . Tenakh (28) . Pentateuch (18) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (2) . Gn (13) : (1) Gn 4,1 (Eva - Kaïn) . (2) Gn 4,17 (de vrouw van Kaïn - Henoch) . (3) Gn 16,4 (Hagar) . - Gn 19,36 (beide dochters van Lot - Moab en Ben - Ammi) - (4) Gn 21,2 (Sara - Isaak) . (5) Gn 25,21 (Rebekka - Esau en Jakob) . (6) Gn 29,32 : waththahar leâh waththelèth (en Lea werd zwanger en zij baarde; Lea - Ruben) . (7) Gn 29,33 (Lea - Simeon) . (8) Gn 29,34 (Lea - Levi) . (9) Gn 29,35 (Lea - Juda) . (10) Gn 30,5 : waththahar bilëhâh waththelèth (en Bilha werd zwanger en zij baarde; Bilha - Dan) . (10) Gn 30,7 (Bilha, de slavin van Rachel, - Naftali) . (11) Gn 30,19 (Lea - Zebulon) . (12) Gn 30,23 (Rachel - Jozef) . (13) Gn 38,4 (Sua , de vrouw van Juda, - Onan) . Eerdere Profeten (4) : (1) 1 S 1,20 . (2) 1 S 2,21 . (3) 2 S 11,5 . (4) 2 K 4,17 .

2. le´âh (Lea) . Taalgebruik in Tenakh : le´âh (Lea) . Getalswaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 3 - 1 - 5 . Tenakh (26) . Gn (26) . Gn 29 (6) : (1) Gn 29,16 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,23 . (4) Gn 29,25 . (5) Gn 29,31 . (6) Gn 29,32 . Gn 30 (11) : (1) Gn 30,9 . (2) Gn 30,10 . (3) Gn 30,11 . (4) Gn 30,12 . (5) Gn 30,13 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,16 . (8) Gn 30,17 . (9) Gn 30,18 . (10) Gn 30,19 . (11) Gn 30,20 . Gn 31 (1) : Gn 31,33 . Gn 33 (3) : (1) Gn 33,1 . (2) Gn 33,2 . (3) Gn 33,7 . Gn 34 (1) : Gn 34,1 . Gn 35 (2) : (1) Gn 35,23 . (2) Gn 35,26 . Gn 46 (1) : Gn 46,15 . Gn 49 (1) Gn 49,31 . In Rt 4,11 vinden we ûkhële´âh (en zoals Lea) . Lea is de oudste dochter van Laban , de zus van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Izaak (zoon van Abraham) . Lea krijgt 6 zonen : Ruben , Simeon , Levi , Juda , Issakar , Zebulon en 1 dochter : Dina . De bijvrouw van Lea is Zilpa . Zij krijgt 2 zonen : Gad en Aser . In totaal zijn er bij Lea - Zilpa 8 zonen en 1 dochter . Wat zonen betreft , is de verhouding Lea (6) - Zilpa (2) tot Rachel (2) - Bilha (2) : 2/3 (8) en 1/3 (4) . Anders gezegd : Lea - Bilha heeft dubbel zoveel kinderen als Rachel - Bilha .

1. - 3. waththahar waththelèth (en zij werd zwanger en zij baarde) . In elf verzen in de bijbel : (1) Gn 4,1 (Eva) . (2) Gn 4,17 (de vrouw van Kaïn) . (3) (7) Gn 21,2 (Sara) . (4) (20) Gn 30,17 (Lea) . (5) (22) Gn 30,23 . (6) (27) Gn 38,3 . (7) 2 S 2,21 (Hanna) . (8) 1 Kr 7,23 . (9) Js 8,3 . (10) Hos 1,3 . (11) Hos 1,8 . Zie ook Gn 29,32 : waththahar leâh waththelèth (en Lea werd zwanger en zij baarde) .

4. In tien verzen in Gn : waththelèth ben (en zij baarde een zoon) : (4) Gn 4,25 . (11) Gn 29,32 . (12) Gn 29,33 . (13) Gn 29,34 . (14) Gn 29,35 . (21) Gn 30,19 . (22) Gn 30,23 . (27) Gn 38,3 . (28) Gn 38,4 . (29) Gn 38,5 .

Gn 29,32.7. rë´ûbhen (Ruben) . Taalgebruik in Tenakh : rë´ûbhen (Ruben) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , waw = 6 , ben = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 43 (17 + 26) OF 259 (7 X 37) . Structuur : 2 - 1 - 6 - 2 - 5 . Tenakh (65) . Pentateuch (34) . Eerdere Profeten (22) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (6) . Gn (12) : (1) Gn 29,32 . (2) Gn 30,14 . (3) Gn 35,22 . (4) Gn 35,23 . (5) Gn 37,21 . (6) Gn 37,22 . (7) Gn 37,29 . (8) Gn 42,22 . (9) Gn 42,37 . (10) Gn 46,8 . (11) Gn 46,9 . (12) Gn 49,3 . Ex (2) : (1) Ex 1,2 . (2) Ex 6,14 . rë´ûbhen < act. imper. 2de pers. mann. mv. rë´û (ziet) en ben (zoon) -> ziet een zoon . De etymologische verklaring van Gn 29,32 is : kî râ´âh JHWH bë`ânëjî (want JHWH keek naar mijn vernedering) . In râ´âh (hij keek) zit de resj en de aleph ; in bë`ânëjî (naar mijn vernedering) de beth , de o-klank (`ânë) , de nun . Hij is de oudste zoon van Lea , dochter van Laban en de oudere zus van Rachel en Jakob (zoon van Izaak) . Hij is Jakobs eerstgeborene . Zijn broers (uit Lea en Jakob) zijn : Simeon , Levi , Juda , Issakar , Zebulon ; zijn halfbroers uit Zilpa , de bijvrouw van Lea , en Jakob zijn : Gad en Neftali .

10. כִּי = kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Getalswaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Structuur : 2 - 1 . Tenakh (3849) . Pentateuch (884) . Eerdere Profeten (726) . Latere Profeten (841) . 12 Kleine Profeten (241) . Geschriften (1157) . Genesis (251) . Gn 29 (8) : (1) Gn 29,2 . (2) Gn 29,9 . (3) Gn 29,12 . (4) Gn 29,21 . (5) Gn 29,31 . (6) Gn 29,32 . (7) Gn 29,33 . (8) Gn 29,34 .

Gn 29,32.11. act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. רָאָה = râ´âh (hij zag) . Werkwoord רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . r-´-h . (1) רָאָה =râ´âh (qal perfectum derde persoon enkelvoud) . (2) râ´oh (qal infinitief absolutus) . (3) ro´èh (qal participium) . (4) rë´eh (qal imperatief tweede persoon enkelvoud) . râ´âh (qal perfectum derde persoon enkelvoud) . râ´oh (qal infinitief absolutus) . Tenakh (121) . Pentateuch (29) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (14) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (42) . Gn (12) : (1) Gn 13,15 . (2) Gn 27,27 . (3) Gn 29,10 . (4) Gn 29,32 . (5) Gn 31,5 . (6) Gn 31,42 . (7) Gn 31,43 . (8) Gn 31,50 . (9) Gn 37,14 . (10) Gn 39,23 . (11) Gn 41,41 . (12) Gn 48,11 .

Gn 29,32.10. - 11. Zien :
- רָאָה כִּי = kî râ´âh (omdat hij zag) . Tenakh (6) : (1) Gn 29,32 . (2) Re 20,41 . (3) 2 K 13,4 . (4) 2 K 14,26 . (5) Est 7,7 . (6) Ps 37,13 .
Horen :
- שָׁמַע כִּי = kî sjâma` (want hij luisterde) . Tenakh (13) : (1) Gn 16,11 . (2) Gn 21,17 . (3) Gn 29,33 . (4) Ex 16,9 . (5) 2 S 19,3 . (6) 1 K 5,15 . (7) 1 K 12,16 . (8) 2 K 19,8 . (9) 2 K 20,12 . (10) 2 Kr 10,16 . (11) Ps 6,9 . (12) Ps 28,6 . (13) Js 37,8 .

Gn 29,32.12. יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Gn (128) . Gn 29 (4) : (1) Gn 29,31 . (2) Gn 29,32 . (3) Gn 29,33 . (4) Gn 29,35 .

11. - 12. Zien :
- אֱלֹהִים רָאָה = râ´âh ´èlohîm (God zag) . Tenakh (1) : Gn 31,42 .
- יהוה רָאָה = râ´âh JHWH (JHWH zag) . Tenakh (3) : (1) Gn 29,32 . (2) 2 K 14,26 . (3) 1 Kr 21,15 .
- אֱלֹהִים וַיַּרְא = wajjarë´ ´èlohîm (en God zag) . Tenakh (9) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . (8) Gn 6,5 . (9) Ex 2,25 .
- יהוה וַיַּרְא = wajjarë´ JHWH (en JHWH zag) . Tenakh (5) : (1) Gn 6,5 (JHWH zag de slechtheid van de mensen) . (2) Gn 29,31 (JHWH zag Lea) . (3) Ex 3,4 (JHWH zag Mozes de doornstruik naderen . (4) Dt 32,19 (JHWH zag de afdwaling van het volk) . (5) Js 59,15 .
Horen :
- יהוה שָׁמַע = sjâma` JHWH (JHWH hoorde / luisterde naar) . Tenakh (8) : (1) Gn 16,11 . (2) Gn 29,33 . (3) Dt 1,45 . (4) 2 K 19,4 . (5) Ps 6,9 . (6) Ps 6,10 . (7) Ps 78,21 . (8) Js 37,4 .
- אֱלֹהִים שָׁמַע = sjâma` ´èlohîm (God hoorde / luisterde) . Tenakh (3) : (1) : Gn 21,17 . (2) Ps 68,19 . (3) Ps 78,59 .
- יהוה וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` JHWH (en JHWH hoorde) . Tenakh (10) : (1) Nu 11,1 . (2) Nu 12,2 . (3) Nu 21,3 . (4) Dt 1,34 . (5) Dt 5,28 . (6) Dt 9,19 . (7) Dt 10,10 . (8) Dt 26,7 . (9) 1 K 17,22 . (10) 2 Kr 30,20 .
- אֱלֹהִים וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` ´èlohîm (en God hoorde) . Tenakh (3) :
(1) Gn 21,17 (en God luisterde naar - de stem van de zoon van Hagar -) . LXX : και εισηκουσεν ὁ θεος = eisèkousen de ho theos (God echter luisterde naar) .
(2) Gn 30,17 (לֵאָה אֶל ... = ´èl Le´âh = En God luisterde naar Lea) . LXX : και επηκουσεν ὁ θεος λειας = kai epèkousen ho theos Leias (en God luisterde naar Lea)
(3) Ex 2,24 (נָאֲקָתָם אֶת ... = ´èth na´äqâthâm = en God luisterde naar het weeklagen - van de Hebreeën) . LXX : και εισηκουσεν ὁ θεος τον στεναγμον αυτων = kai eisèkousen ho theos ton stenagmon autôn (en God luisterde naar hun geweeklaag) .
Zie ook Gn 30,22 (אֱלֹהִים אֵלֶהָ וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` ´elêhâ ´èlohîm = en God luisterde naar haar / Rachel) . LXX : και επηκουσεν αυτης ὁ θεος = kai epèkousen autès ho theos .
God luisterde naar wie in een benarde en uitzichtloze situatie was gekomen . Hij luisterde naar Hagar , Lea , Rachel , de Hebreeën . LXX : Is de Hebreeuwse bepaling bij het werkwoord אֶת = ´èth , dan is de LXX εισηκουσεν = eisèkousen , is de Hebreeuwse bepaling אֶל = ´èl , dan is de LXX επηκουσεν = epèkousen .

Ex 3,7.4. - 6. רָאִיתִי אֶת עֳנִי עַמִּי = râ´îthî ´èth `änî `ammî (ik zag de ellende van mijn volk) : slechts in één vers in de bijbel nl. Ex 3,7 .

LXX :

Gn 29,32.10. - 12. Zien :
- כִּי רָאָה יהוה בּעָנְיִי

= kî râ´âh JHWH bë`ânëjî (want JHWH zag naar mijn vernedering) . Tenakh (2) : (1) Gn 29,32 . (2) 2 K 14,26 . Gevolgd door bë`ânëjî (naar mijn vernedering) in Gn 29,32 en ´èth `ânî in 2 K 14,26 .
Horen :
- יהוה שָׁמַע כִּי = kî sjâma` JHWH (want JHWH hoorde) . Tenakh (3) : (1) Gn 16,11 (bij de naamgeving van Ismaël) . (2) Gn 29,33 (bij de naamgeving van Simeon door Lea) . (3) Ps 6,9 .
- אֱלֹהִים שָׁמַע כִּי = kî sjâma ´èlohîm (want God hoorde) . Tenakh (1) : Gn 21,17 .

13. Voorwerp van zien :
- בּעָנְיִי = bë`ânëjî

(naar mijn vernedering) < prefix bë + zelfst. naamw. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. enk. . Tenakh (4) : (1) Gn 29,32 . (2) Ps 119,50 . (3) Ps 119,92 . (4) 1 Kr 22,14 .
- עֳנִי אֶת = ´èth `ânî (de ellende / vernedering) . Tenakh (3) : (1) Ex 3,7 . (2) 2 K 14,26 . (3) Neh 9,9 .
- עָנְיִי אֶת= ´èth `ânëjî (mijn vernedering) . Tenakh (3) : (1) Gn 31,42 . (2) Ps 31,8 . (3) Kl 1,9 .
- עָנְיֵנוּ אֶת  = ´èth `ânëjenû (onze vernedering / nederigheid) : Tenakh (1) : Dt 26,7 .
Voorwerp van horen :
-

11. - 13. יהוה רָאָה = râ´âh JHWH (JHWH zag) . Tenakh (2) : (1) Gn 29,32 (בּעָנְיִי = bë`ânëjî (naar mijn vernedering) . (2) 2 K 14,26 (עֳנִי אֶת = ´èth `ânî (de ellende / vernedering) .

8. - 12. Zien :
- יהוה רָאָה כִּי = kî râ´âh JHWH (want JHWH zag) . Tenakh (2) : (1) Gn 29,32 (בּעָנְיִי = bë`ânëjî (naar mijn vernedering) . (2) 2 K 14,26 (עֳנִי אֶת = ´èth `ânî (de ellende / vernedering)
Horen :
- עָנְיֵך אֶל אֱלֹהִים שָׁמַע כִּי = kî sjâma ´èlohîm ´èl `ânëjekh (want God hoorde naar jouw vernedering) . Tenakh (1) : Gn 2
- קוֹל אֶל אֱלֹהִים שָׁמַע כִּי = kî sjâma ´èlohîm ´èl qôl (want God hoorde naar de stem van) . Tenakh (1) : Gn 21,17 .
- קוֹל יהוה שָׁמַע כִּי = kî sjâma` JHWH qôl (want JHWH hoorde de stem van) . Tenakh (1) : Ps 6,9

Gn 29,32.7. - 13. בּעָנְיִי יהוה רָאָה כִּי רְאוּבֵן = rë´ûbhen (Ruben) kî râ´âh JHWH bë`ânëjî (want JHWH keek naar mijn vernedering) . In רָאָה = râ´âh (hij keek) zit de resj en de aleph ; in בּעָנְיִי = bë`ânëjî (naar mijn vernedering) de beth , de o-klank (`ânë) , de nun . Hij is de oudste zoon van Lea , dochter van Laban en de oudere zus van Rachel en Jakob (zoon van Izaak) . Hij is Jakobs eerstgeborene . Zijn broers (uit Lea en Jakob) zijn : Simeon , Levi , Juda , Issakar , Zebulon ; zijn halfbroers uit Zilpa , de bijvrouw van Lea , en Jakob zijn : Gad en Neftali . In Nu 32 spreken de Rubenieten tot Mozes hun wens uit om zich in het Overjordaanse te vestigen . In Joz 22 hebben zij zich er gevestigd .

Gn 29,33 - Gn 29,33 : De kinderen van Jakob - Gn 29,31-35 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,31 - Gn 29,32 - Gn 29,33 - Gn 29,34 - Gn 29,35 -- Gn 29 -- Gn 29,1-30 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
33kai sunelaben palin leia kai eteken uion deuteron tô iakôb kai eipen oti èkousen kurios oti misoumai kai prosedôken moi kai touton ekalesen de to onoma autou sumeôn  33 rursumque concepit et peperit filium et ait quoniam audivit Dominus haberi me contemptui dedit etiam istum mihi vocavitque nomen illius Symeon   kî sjâma JHWH  33 En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Dewijl de HEERE gehoord heeft, dat ik gehaat was, zo heeft Hij mij ook dezen gegeven; en zij noemde zijn naam Simeon.   [33] Zij werd opnieuw zwanger, baarde een zoon en zei: ‘De heer heeft gehoord dat ik minder bemind word; daarom heeft Hij mij ook dit kind gegeven.’ En zij noemde hem Simeon*.  [33] Ze werd opnieuw zwanger en bracht nog een zoon ter wereld. ‘De HEER heeft gehoord hoe weinig mijn man van me houdt; daarom heeft hij mij er nog een zoon bij gegeven,’ zei ze, en ze noemde hem Simeon.  33 Ze wordt nogmaals zwanger en baart een zoon, en zegt: omdat de ENE heeft gehóórd dat ik gehaat ben geeft hij mij ook deze; ze roept als naam voor hem uit: Simeon,– verhoring.  29:33 Elle conçut encore et elle enfanta un fils; elle dit: "Yahvé a entendu que je n'étais pas aimée et il m'a aussi donné celui-ci"; et elle l'appela Siméon.  

King James Bible : And she conceived again, and bare a son; and said, Because the LORD hath heard that I was hated, he hath therefore given me this son also: and she called his name Simeon.
Luther-Bibel . 33 Und sie ward abermals schwanger und gebar einen Sohn und sprach: Der HERR hat gehört, dass ich ungeliebt bin, und hat mir diesen auch gegeben. Und nannte ihn Simeon.

Tekstuitleg van Gn 29,33 . Dit vers Gn 29,33 telt 19 woorden en 63 (7 X 9) letters . De getalwaarde van Gn 29,33 is 5250 (2 X 3 X 5 X 5 X 5 X 7) . Gn 29,33 vertelt over de zwangerschap en de bevalling van Lea van haar tweede zoon , nl. Simeon .

6.-8. kî sjâma` JHWH (want JHWH hoorde) . Tenakh (3) : (1) Gn 16,11 (bij de naamgeving van Ismaël) . (2) Gn 29,33 (bij de naamgeving van Simeon door Lea) . (3) Ps 6,9 .

Gn 29,33.19. sjimë`ôn (Simeon) . Taalgebruik in Tenakh : sjimë`ôn (Simeon) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 , waw = 6 , nun = 14 of 50 ; totaal : 70 (2 X 5 X 7) of 466 (2 X 233) . Structuur : 3 - 4 - 7 - 6 - 5 . Gr. sumeôn (Simeon) . Bijbel (55) . Tenakh (33) . Pentateuch (18) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (6) . Gn (7) : (1) Gn 29,33 . (2) Gn 34,25 . (3) Gn 34,30 . (4) Gn 42,24 . (5) Gn 43,23 . (6) Gn 46,10 . (7) Gn 49,5 . Ex (2) : (1) Ex 1,2 . (2) Ex 6,15 . Nu (8) . Dt (1) . De etymologische verklaring van Gn 29,33 is : kî sjâma` JHWH (want JHWH hoorde) . In shënû´ âh (passief qal part. vr. enk. (niet bemind wordend) zitten de letters een shin (geen sjin) , een nun en een waw . Simeon is de tweede zoon van Lea en Jakob , dochter van Laban en oudere zus van Rachel . Zijn broers (uit Lea en Jakob) zijn : Ruben , Levi , Juda , Issakar , Zebulon ; zijn halfbroers uit Zilpa , de bijvrouw van Lea , en Jakob zijn : Gad en Neftali .

Gn 29,34 - Gn 29,34 : De kinderen van Jakob - Gn 29,31-35 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,31 - Gn 29,32 - Gn 29,33 - Gn 29,34 - Gn 29,35 -- Gn 29 -- Gn 29,1-30 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
34kai sunelaben eti kai eteken uion kai eipen en tô nun kairô pros emou estai o anèr mou etekon gar autô treis uious dia touto ekalesen to onoma autou leui  34 concepit tertio et genuit alium dixitque nunc quoque copulabitur mihi maritus meus eo quod pepererim illi tres filios et idcirco appellavit nomen eius Levi   waththahar `ôd waththelèth ben   34 En zij werd nog bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Nu zal zich ditmaal mijn man bij mij voegen, dewijl ik hem drie zonen gebaard heb; daarom noemde zij zijn naam Levi.  [34] Zij werd nog eens zwanger, baarde weer een zoon en zei: ‘Ditmaal zal mijn man zich wel aan mij gaan hechten, want ik heb hem drie zonen geschonken.’ Daarom kreeg hij de naam Levi*.   [34] En weer werd ze zwanger en bracht ze een zoon ter wereld. ‘Nu ik hem drie zonen heb gebaard, zal mijn man zich eindelijk aan mij hechten,’ zei ze. Daarom werd hij Levi genoemd.   34 Ze wordt nogmaals zwanger en baart een zoon en zegt: nú, deze keer, zal mijn man zich aan mij hechten, omdat ik hem drie zonen heb gebaard; daarom roept men als zijn naam uit: Levi,– gehecht ben ik!  29:34 Elle conçut encore et elle enfanta un fils; elle dit: "Cette fois, mon mari s'attachera à moi, car je lui ai donné trois fils", et elle l'appela Lévi.  

King James Bible . And she conceived again, and bare a son; and said, Now this time will my husband be joined unto me, because I have born him three sons: therefore was his name called Levi.
Luther-Bibel (1984) .Abermals ward sie schwanger und gebar einen Sohn und sprach: Nun wird mein Mann mir doch zugetan sein, denn ich habe ihm drei Söhne geboren. Darum nannte sie ihn Levi.

Tekstuitleg van Gn 29,34 . Dit vers Gn 29,34 telt 20 (2 X 2 X 5) woorden en 66 (6 X 11) letters . De getalwaarde van Gn 29,34 is 5033 (7 X 719) .

1. waththahar (en zij werd zwanger) . Actief qal imperfectum derde persoon vrouwelijk enkelvoud van het werkwoord hârâh (zie Jouön 79i , p.160) . In achtentwintig verzen in de bijbel . In dertien verzen in Genesis : : (1) Gn 4,1 (Eva - Kaïn) . (2) Gn 4,17 (de vrouw van Kaïn - Henoch) . (3) Gn 16,4 (Hagar) . - Gn 19,36 (beide dochters van Lot - Moab en Ben -Ammi) - (4) Gn 21,2 (Sara - Isaak) . (5) Gn 25,21 (Rebekka - Esau en Jakob) . (6) Gn 29,32 : waththahar leâh waththelèth (en Lea werd zwanger en zij baarde) . (7) Gn 29,33 (Lea - Simeon) . (8) Gn 29,34 (Lea - Levi) . (9) Gn 29,35 (Lea - Juda) . (10) Gn 30,5 : waththahar bilëhâh waththelèth (en Bilha werd zwanger en zij baarde) . (10) Gn 30,7 (Bilha, de slavin van Rachel, - Naftali) . (11) Gn 30,19 (Lea - Zebulon) . (12) Gn 30,23 (Rachel - Jozef) . (13) Gn 38,4 (Sua , de vrouw van Juda, - Onan) . Taalgebruik : thôlëdoth (ontstaansgeschiedenissen) , zie Gn 2,4 .

1. - 3. waththahar `ôd waththelèth (en zij werd nog zwanger en zij baarde) . In zes verzen (telkens tweemaal) in de bijbel : (1) Gn 29,33 . (2) Gn 29,34 . (3) Gn 29,35 . (4) Gn 30,7 . (5) Gn 38,4 . (6) Hos 1,6 . Taalgebruik : thôlëdoth (ontstaansgeschiedenissen) , zie Gn 2,4 .

2. `ôd (nog, opnieuw) . Taalgebruik : `ôd (nog, opnieuw) , zie Gn 29,34 . `ôd (nog, opnieuw) . In 367 verzen in de bijbel . In tweeëndertig verzen in Genesis . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,7 . (2) Gn 29,27 . (3) Gn 29,30 . (4) Gn 29,33 . (5) Gn 29,34 . (6) Gn 29,35 .

3. waththelèth (en zij baarde) . Actief qal imperfectum derde persoon vrouwelijk enkelvoud . Tenakh (63) . Pentateuch (37) . Eerdere Profeten (10) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (12) . Gn (31) : (1) Gn 4,1 (Eva - Kaïn) . (2) Gn 4,17 (de vrouw van Kaïn - Henoch) . (3) Gn 4,20 (Ada - Jabal) . (4) Gn 4,25 (Eva - Set) . (5) Gn 16,15 (Hagar - Ismaël) . (6) Gn 19,37 (oudste dochter van Lot - Moab) . (7) Gn 21,2 (Sara - Isaak) . (8) Gn 22,24 (Reüma, de bijvrouw van Nachor, broer van Abraham) . (9) Gn 24,36 (Taalgebruik naar Sara) . (10) Gn 25,2 (Ketoura, een andere vrouw van Abraham - zonen van Ketoura) . (11) Gn 29,32 (Lea - Ruben) . (12) Gn 29,33 (Lea - Simeon) . (13) Gn 29,34 (Lea - Levi) . (14) Gn 29,35 (Lea - Juda) . (15) Gn 30,3 (wëtheled : en zij zal baren; Bilha, de slavin van Rachel, - Dan) . (16) Gn 30,5 (Bilha, de slavin van Rachel, - Dan) . (17) Gn 30,7 (Bilha, de slavin van Rachel, - Naftali) . (18) Gn 30,10 (Zilpa, de slavin van Lea, - Gad) . (19) Gn 30,12 (Zilpa, de slavin van Lea, - Aser) . (20) Gn 30,17 (Lea - Issakar) . (21) Gn 30,19 (Lea - Zebulon) . (22) Gn 30,23 (Rachel - Jozef) . (23) Gn 35,16 (Rachel - Benjamin) . (24) Gn 36,4 (Ada, de vrouw van Esau, - verschillende zonen) . (25) Gn 36,12 (Timna, een bijvrouw van Esau's zoon Elifaz, - Amalek) . (26) Gn 36,14 (Oholibama, de tweede vrouw van Esau, - verschillende zonen) . (27) Gn 38,3 (Sua, de vrouw van Juda, - Er) . (28) Gn 38,4 (Sua , de vrouw van Juda, - Onan) . (29) Gn 38,5 (Sua , de vrouw van Juda, - Sela) . (30) Gn 46,18 (Taalgebruik naar Zilpa, de slavin van Lea) . (31) Gn 46,25 (Taalgebruik naar Bilha, de slavin van Rachel) . Zie : Taalgebruik in Tenakh : thôlëdôth (ontstaansgeschiedenissen) .

3. 4. In tien verzen in Gn : waththelèth ben (en zij baarde een zoon) : (4) Gn 4,25 (Eva - Set) . (11) Gn 29,32 (Lea - Ruben) . (12) Gn 29,33 (Lea - Simeon) . (13) Gn 29,34 (Lea - Levi) . (14) Gn 29,35 (Lea - Juda) . (21) Gn 30,19 (Lea - Zebulon) . (22) Gn 30,23 (Rachel - Jozef) . (27) Gn 38,3 (Sua, de vrouw van Juda, - Er) . (28) Gn 38,4 (Sua , de vrouw van Juda, - Onan) . (29) Gn 38,5 (Sua , de vrouw van Juda, - Sela) . Taalgebruik : thôlëdoth (ontstaansgeschiedenissen) , zie Gn 2,4 .

8. pass. nifal imperf. 3de pers. mann. enk. = jillâwèh (hij zal zich hechten aan) van het werkw. לָוָה = lâwâh (qal: begeleiden; nifal: zich hechten aan, zich aansluiten bij) . Taalgebruik in Tenakh : lâwâh (qal: begeleiden; nifal: zich hechten aan, zich aansluiten bij) . Getalswaarde : lamed = 12 of 30 , waw = 6 , he = 5 ; totaal : 23 OF 41 . Structuur : 3 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . Bijbel (1) : Gn 29,34 . Een vorm van לָוָה = lâwâh (qal: begeleiden; nifal: zich hechten aan, zich aansluiten bij) in Tenak (12) .

16. - 20. `al khen (daarom) qârâ sjëmô (noemde zijn naam) .

16. 17. `al khen (daarom) . In 154 verzen in de bijbel .

16. `al (op, overeenkomstig) . Taalgebruik : `al (op, overeenkomstig) , zie Gn 29,34 . `al (op, overeenkomstig) . Getalswaarde : ajin = 16 of 70, lamed = 12 of 30 ; totaal : 28 of 100 . In 3075 verzen in de bijbel . In 189 verzen in Genesis . In vier verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,2 . (2) Gn 29,3 . (3) Gn 29,34 . (4) Gn 29,35 . In 217 verzen in Exodus .
- me`al (vanop) . In 206 verzen in de bijbel . In zes verzen in Exodus : (1) Ex 3,5 . (2) Ex 25,22 . (3) Ex 28,28 . (4) Ex 32,12 . (5) Ex 39,21 . (6) Ex 40,36 .

17. khen (zo) . Taalgebruik : khen (zo) , zie Gn 29,34 . khen (zo) . In 514 verzen in de bijbel . In achtenveertig verzen in Genesis . In vier verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,26 . (2) Gn 29,28 . (3) Gn 29,34 . (4) Gn 29,35 .

20. לֵוִי = lewî (Levi) . Taalgebruik in Tenakh : lewî (Levi) . Getalswaarde : lamed = 12 of 30 , waw = 6 , jod = 10 ; totaal : 28 (2² X 7) of 46 (2 X 23) . Structuur : 3 - 6 - 10 . De som van de elementen is telkens 1 . Het getal 46 is gelijk aan 2 X 23 (of : aleph + thaw , kaph + lamed , die samen een lemniscaat of een 8 vormen) . Bijbel (75) . Tenakh (50) . Pentateuch (26) . Eerdere Profeten (5) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (14) . Gn (3) : Gn 29,34 . (2) Gn 34,30 . (3) Gn 46,11 . Ex (5) : (4) Ex 1,2 . (5) Ex 2,1 . (6) Ex 6,16 . (7) Ex 32,26 . (8) Ex 32,28 . Niet in Lv . Nu (15) . Dt (3) . Levi was de derde zoon van Lea en Jakob . Zijn broers (uit Lea en Jakob) zijn (in volgorde van geboorte) : Ruben , Simeon , Juda , Issakar , Zebulon ; zijn halfbroers uit Zilpa , de bijvrouw van Lea en Jakob zijn : Gad en Neftali .
- Grieks : λευι = lewi (Levi) .


Gn 29,35 - Gn 29,35 : De kinderen van Jakob - Gn 29,31-35 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis ) -- Gn 29 -- Gn 29,31 - Gn 29,32 - Gn 29,33 - Gn 29,34 - Gn 29,35 -- Gn 29 -- Gn 29,1-30 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
35kai sullabousa eti eteken uion kai eipen nun eti touto exomologèsomai kuriô dia touto ekalesen to onoma autou iouda kai estè tou tiktein 35 quarto concepit et peperit filium et ait modo confitebor Domino et ob hoc vocavit eum Iudam cessavitque parere     35 En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Ditmaal zal ik den HEERE loven; daarom noemde zij zijn naam Juda. En zij hield op van baren.  [35] Zij werd nog eens zwanger, baarde een zoon en zei: ‘Ditmaal zal ik de heer prijzen.’ Daarom noemde zij hem Juda*. Daarna kreeg zij geen kinderen meer.  [35] En nog een keer werd ze zwanger en bracht ze een zoon ter wereld. ‘Nu zal ik de HEER loven!’ riep ze uit, en ze noemde hem Juda. Hierna kreeg ze geen kinderen meer.  35 Nogmaals wordt ze zwanger en baart een zoon en zegt: deze keer mag ik de ENE wel danken!– daarom roept men als zijn naam uit: Juda,– dankzegging! dan staat ze stil, wat baren betreft.   29:35 Elle conçut encore et elle enfanta un fils; elle dit: "Cette fois, je rendrai gloire à Yahvé"; c'est pourquoi elle l'appela Juda. Puis elle cessa d'avoir des enfants.  

King James Bible . [35] And she conceived again, and bare a son: and she said, Now will I praise the LORD: therefore she called his name Judah; and left bearing.
Luther-Bibel . 35 Zum vierten Mal ward sie schwanger und gebar einen Sohn und sprach: Nun will ich dem HERRN danken. Darum nannte sie ihn Juda. Und sie hörte auf, Kinder zu gebären.

Tekstuitleg van Gn 29,35

7. hifil imperfectum eerste persoon enkelvoud ´ôdèh (ik zal lofzingen, ik loof) van het werkw. jâdah (loven, prijzen) . Taalgebruik in Tenach : jâdah (loven, prijzen) . Getalswaarde : jod = 10 , daleth = 4 , he = 5 ; totaal 19 .
In negen verzen in de bijbel : Gn 29,35 en Js 25,1 . In 7 verzen in de Psalmen : (1) Ps 7,18 (´ôdèh JHWH ; in het laatste vers van de Psalm) . (2) Ps 9,2 (´ôdèh JHWH bekhôl libbî = ik loof JHWH met heel mijn hart ; in het eerste vers van de alfabetische Psalm) . (3) Ps 32,5 . (4) Ps 54,8 . (5) Ps 109,30 . (6) Ps 111,1 . (7) Ps 118,19 .
- Ps 111,1 : hal(ë)lû jâh ´ôdèh JHWH = ik zal JHWH loven .
- Gn 29,35 : ´ôdèh ´èth JHWH = ik zal JHWH loven .

14. jëhûdâh (Juda) . Taalgebruik in Tenakh : jëhûdâh (Juda) . Taalgebruik in Jesaja : jëhûdâh (Juda) . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , daleth = 4 ; totaal : 24 (2³ X 3) . Structuur : 1 - 5 - 4 - 5 . Tenakh (633) . Pentateuch (40) . Eerdere Profeten (178) . Latere Profeten (190) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (172) . Jehûdah (Juda) . In Gn 29,35 wordt verteld dat Lea haar vierde en laatste zoon baarde . Ze noemde hem Jehouda / Juda . De naam werd gezien als een combinatie van Jâh (JHWH) en ´ôdèh ( = ik zal loven) : JHWH zal ik loven .


- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K

- כִּי = kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Getalswaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Structuur : 2 - 1 . Tenakh (3849) . Pentateuch (884) . Eerdere Profeten (726) . Latere Profeten (841) . 12 Kleine Profeten (241) . Geschriften (1157) . Genesis (251) . Gn 29 (8) : (1) Gn 29,2 . (2) Gn 29,9 . (3) Gn 29,12 . (4) Gn 29,21 . (5) Gn 29,31 . (6) Gn 29,32 . (7) Gn 29,33 . (8) Gn 29,34 .

- L

- le´âh (Lea) . Taalgebruik in Tenakh : le´âh (Lea) . Getalswaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 3 - 1 - 5 . Tenakh (26) . Gn (26) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,16 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,23 . (4) Gn 29,25 . (5) Gn 29,31 . (6) Gn 29,32 . Gn 30 (11) : (1) Gn 30,9 . (2) Gn 30,10 . (3) Gn 30,11 . (4) Gn 30,12 . (5) Gn 30,13 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,16 . (8) Gn 30,17 . (9) Gn 30,18 . (10) Gn 30,19 . (11) Gn 30,20 . Lea is de oudste dochter van Laban , de zus van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Izaak . Lea krijgt 6 zonen en 1 dochter . De bijvrouw van Lea is Zilpa .

- M - N - O - P - Q - R

 

- S - T - U - V - W - X -Y - Z -

3 aartsvaders : Abraham , Isaak , Jakob .
1. Abraham X Sara en bijvrouw Hagar .
-- zoon van Sara : Isaak
-- zoon van Hagar : Ismaël
2. Isaak X Rebekka
-- zonen van Rebekka : Esau en Jakob
3. Jakob X Lea en Zilpa, de bijvrouw van Lea , EN X Rachel en Bilha , de bijvrouw van Rachel .
-- zonen van Lea : Ruben , Simeon , Levi , Juda , Issakar en Zebulon .
-- zonen van Zilpa : Gad en Aser .
-- zonen van Rachel : Jozef en Benjamin .
-- zonen van Bilha : Dan en Neftali .

               
zonen van Jakob : Gn 29,32-30,24 . Gn 35,16-18   Gn 29,31-30,24 Gn 35,23-26 Gn 46,8-27 Gn 49,3-27   Ex 1,2-4
zonen van Lea              
1. Ruben zien - vernedering 1. 1. 1. 1.   1.
2. Simeon luisteren - minder bemind zijn 2. 2. 2. 2.   2.
3. Levi zich hechten aan 3. 3. 3. 3.   3.
4. Juda loven 4. 4. 4. 4. leeuw 4.
zonen van Bilha, bijvrouw van Rachel              
5. Dan recht spreken / doen 5. 9. 11. 7.   8.
6. Neftali strijden met mijn zuster 6. 10. 12. 10. jonge hinde 9.
zonen van Zilpa, bijvrouw van Lea              
7. Gad   7. 11. 7. 8.   10
8. Aser   8. 12. 8. 9.   11.
zonen van Lea              
9. Issakar   9. 5. 5. 6. ezel 5.
10. Zebulon   10. 6. 6. 5.   6.
zonen van Rachel              
11. Jozef   11. 7. 9. 11. jonge stier  
12. Benjamin   12. 8. 10. 12. wolf 7.

Rachel is mooi maar Lea heeft fletse ogen . Rachel wordt meer bemind dan haar zus Lea . Uit de namen van de kinderen blijkt dat Lea er alles wil voor doen om de liefde van Jakob te winnen . Rachel is gefocust op kinderen . Daarom is ze jaloers op haar zuster Lea , die kinderen krijgt . Ze moet kinderen krijgen , eist ze van Jakob , maar hij reageert verontwaardigd . Met de liefdesappels van Lea tracht ze vruchtbaar te worden . Ze heeft hiervoor over dat Lea nog meer kinderen krijgt . En wanneer ze Jozef krijgt , wil ze nog meer . Het is niet voldoende . Tenslotte wordt het kinderen krijgen haar fataal , want ze sterft in het kraambed vann Benjamin . Ben-Oni : kind van mijn lijden . Rachel was gefocust op kinderen krijgen en ze is eraan tenonder gegaan .