Genesis 30 - Gn 30 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 30 -
- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -

Overzicht van Tenach : Tenach : overzicht , Tenach : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenach : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,

Gn (Genesis) : overzicht , Gn : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Gn : commentaar ,

Overzicht van Genesis : - Gn 1 - Gn 2 - Gn 3 - Gn 4 - Gn 5 - Gn 6 - Gn 7 - Gn 8 - Gn 9 - Gn 10 - Gn 11 - Gn 12 - Gn 13 - Gn 14 - Gn 15 - Gn 16 - Gn 17 - Gn 18 - Gn 19 - Gn 20 - Gn 21 - Gn 22 - Gn 23 - Gn 24 - Gn 25 - Gn 26 - Gn 27 - Gn 28 - Gn 29 - Gn 30 - Gn 31 - Gn 32 - Gn 33 - Gn 34 - Gn 35 - Gn 36 - Gn 37 - Gn 38 - Gn 39 - Gn 40 - Gn 41 - Gn 42 - Gn 43 - Gn 44 - Gn 45 - Gn 46 - Gn 47 - Gn 48 - Gn 49 - Gn 50 -
Uitleg vers per vers : - Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 - Gn 30,25 - Gn 30,26 - Gn 30,27 - Gn 30,28 - Gn 30,29 - Gn 30,30 - Gn 30,31 - Gn 30,32 - Gn 30,33 - Gn 30,34 - Gn 30,35 - Gn 30,36 - Gn 30,37 - Gn 30,38 - Gn 30,39 - Gn 30,40 - Gn 30,41 - Gn 30,42 - Gn 30,43 -

- Gn 30,1 . Gn 30,2 . Gn 30,3 . Gn 30,4 . Gn 30,5 . Gn 30,6 . Gn 30,7 . Gn 30,8 . Gn 30,9 . Gn 30,10 . Gn 30,11 . Gn 30,12 . Gn 30,13 . Gn 30,14 . Gn 30,15 . Gn 30,16 . Gn 30,17 . Gn 30,18 . Gn 30,19 . Gn 30,20 . Gn 30,21 . Gn 30,22 . Gn 30,23 . Gn 30,24 . Gn 30,25 . Gn 30,26 . Gn 30,27 . Gn 30,28 . Gn 30,29 . Gn 30,30 . Gn 30,31 . Gn 30,32 . Gn 30,33 . Gn 30,34 . Gn 30,35 . Gn 30,36 . Gn 30,37 . Gn 30,38 . Gn 30,39 . Gn 30,40 . Gn 30,41 . Gn 30,42 . Gn 30,43 .


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
bijbelvertalingen Lexilogos De Griekse bijbel bijbelweb info-bible interBible http://www.diebibel.de/
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat

Bibliografie
-
Literatuur .
Liturgisch gebruik

ALGEMEEN OVERZICHT

-
bijbeloverzicht , bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven van Paulus , Apostolische brieven .

Overzicht van het N.T. : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken- bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

Gn 30,1-24 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -

Gn 30, 1 - Gn 30, 1 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
1idousa de rachèl oti ou tetoken tô iakôb kai ezèlôsen rachèl tèn adelfèn autès kai eipen tô iakôb dos moi tekna ei de mè teleutèsô egô  1 cernens autem Rahel quod infecunda esset invidit sorori et ait marito suo da mihi liberos alioquin moriar    1 Als nu Rachel zag, dat zij Jakob niet baarde, zo benijdde Rachel haar zuster; en zij zeide tot Jakob: Geef mij kinderen! of indien niet, zo ben ik dood.  [1] Rachel zag dat zij Jakob geen kinderen schonk. Ze werd jaloers op haar zuster en zei tegen Jakob: ‘Geef mij toch kinderen, anders ga ik dood.’   [1] Omdat Rachel geen kinderen van Jakob kreeg, was ze jaloers op haar zuster. ‘Geef mij kinderen,’ zei ze tegen Jakob, ‘anders ga ik dood!’  1 ¶ Als Rachel moet aanzien dat zij niets heeft gebaard aan Jakob wordt Rachel jaloers op haar zuster; ze zegt tot Jakob: gun mij zonen, zo niet, dan sterf ik!   30:1 Rachel, voyant qu'elle-même ne donnait pas d'enfants à Jacob, devint jalouse de sa sœur et elle dit à Jacob: "Fais-moi avoir aussi des enfants, ou je meurs!" 

King James Bible . [1] And when Rachel saw that she bare Jacob no children, Rachel envied her sister; and said unto Jacob, Give me children, or else I die.
Luther-Bibel . 30 1 Als Rahel sah, dass sie Jakob kein Kind gebar, beneidete sie ihre Schwester und sprach zu Jakob: Schaffe mir Kinder, wenn nicht, so sterbe ich.

Tekstuitleg van Gn 30,1 .

2. râchel (Rachel) . Taalgebruik in Tenakh : râchel (Rachel) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , lamed = 12 of 20 ; totaal : 40 of 228 (2 X 2 X 3 X 19) . Structuur : 2 - 8 - 2 . In verschillende vormen . In Tenakh : 45 X (44 verzen) . In LXX + NT : 48 (45 X , 44 verzen) + 1 = 49 . râchel (Rachel) . Tenakh (30) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (0) . Gn (30) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . Gn 30 (8) : (1) Ex 30,1 Ex 30,1 . (2) Ex 30,6 . (3) Ex 30,7 . (4) Ex 30,8 . (5) Ex 30,14 . (6) Ex 30,15 . (7) Ex 30,22 . (8) Ex 30,25 . Rachel is de tweede en jongste dochter van Laban , de broer van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Isaak . Rachel is de tweede vrouw van Jakob . Samen kregen zij 2 kinderen : Jozef en Benjamin .

6. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 30 (10) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,2 . (3) Gn 30,4 . (4) Gn 30,16 . (5) Gn 30,25 . (6) Gn 30,31 . (7) Gn 30,36 . (8) Gn 30,37 . (9) Gn 30,40 . (10) Gn 30,41 .
- lëja`äqobh (Jakob) < voorzetsel lë (voor, aan) + ja`äqobh (Jakob) . Tenakh (36) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (4) . Gn (23) . Gn 30 (9) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,9 . (5) Gn 30,10 . (6) Gn 30,12 . (7) Gn 30,17 . (8) Gn 30,19 . (9) Gn 30,42 .

8. râchel (Rachel) . Taalgebruik in Tenakh : râchel (Rachel) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , lamed = 12 of 20 ; totaal : 40 of 228 (2 X 2 X 3 X 19) . Structuur : 2 - 8 - 2 . In verschillende vormen . In Tenakh : 45 X (44 verzen) . In LXX + NT : 48 (45 X , 44 verzen) + 1 = 49 . râchel (Rachel) . Tenakh (30) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (0) . Gn (30) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . Gn 30 (8) : (1) Ex 30,1. (2) Ex 30,6 . (3) Ex 30,7 . (4) Ex 30,8 . (5) Ex 30,14 . (6) Ex 30,15 . (7) Ex 30,22 . (8) Ex 30,25 . Rachel is de tweede en jongste dochter van Laban , de broer van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Isaak . Rachel is de tweede vrouw van Jakob . Samen kregen zij 2 kinderen : Jozef en Benjamin .

10. waththo´mèr (en zij zei) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (197) . Pentateuch (57) . Eerdere Profeten (98) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (39) . Gn (49) . Gn 30 (12) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,3 . (3) Gn 30,6 . (4) Gn 30,8 . (5) Gn 30,11 . (6) Gn 30,13 . (7) Gn 30,14 . (8) Gn 30,15 . (9) Gn 30,16 . (10) Gn 30,18 . (11) Gn 30,20 . (12) Gn 30,23 .

12. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 30 (10) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,2 . (3) Gn 30,4 . (4) Gn 30,16 . (5) Gn 30,25 . (6) Gn 30,31 . (7) Gn 30,36 . (8) Gn 30,37 . (9) Gn 30,40 . (10) Gn 30,41 .
- lëja`äqobh (Jakob) < voorzetsel lë (voor, aan) + ja`äqobh (Jakob) . Tenakh (36) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (4) . Gn (23) . Gn 30 (9) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,9 . (5) Gn 30,10 . (6) Gn 30,12 . (7) Gn 30,17 . (8) Gn 30,19 . (9) Gn 30,42 .

Gn 30, 2 - Gn 30, 2 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
2ethumôthè de iakôb tè rachèl kai eipen autè mè anti theou egô eimi os esterèsen se karpon koilias  2 cui iratus respondit Iacob num pro Deo ego sum qui privavit te fructu ventris tui     2 Toen ontstak Jakobs toorn tegen Rachel, en hij zeide: Ben ik dan in plaats van God, Die de vrucht des buiks van u geweerd heeft?   [2] Jakob werd kwaad op Rachel en antwoordde: ‘Neem ik soms de plaats in van God, die je geen kinderen laat krijgen?’  [2] Jakob werd kwaad en antwoordde: ‘Ik ben toch zeker God niet? Híj onthoudt jou het moederschap!’  2 Dan ontbrandt Jakobs toorn tegen Rachel; hij zegt: ben ík het in plaats van God die jou een vrucht in de schoot heeft onthouden?  30:2 Jacob s'emporta contre Rachel et dit: "Est-ce que je tiens la place de Dieu, qui t'a refusé la maternité?"  

King James version . And Jacob's anger was kindled against Rachel: and he said, Am I in God's stead, who hath withheld from thee the fruit of the womb?
Luther Bibel . 2 Jakob aber wurde sehr zornig auf Rahel und sprach: Bin ich doch nicht Gott, der dir deines Leibes Frucht nicht geben will.

Tekstuitleg van Gn 30, 2 . Dit vers Gn 30, 2 telt 13 woorden en 47 letters . De getalwaarde van dit vers Gn 30, 2 is 3076 ( = 2 X 2 X 769) , evenveel als Gn 30,23 .

3. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 30 (10) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,2 . (3) Gn 30,4 . (4) Gn 30,16 . (5) Gn 30,25 . (6) Gn 30,31 . (7) Gn 30,36 . (8) Gn 30,37 . (9) Gn 30,40 . (10) Gn 30,41 .
- lëja`äqobh (Jakob) < voorzetsel lë (voor, aan) + ja`äqobh (Jakob) . Tenakh (36) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (4) . Gn (23) . Gn 30 (9) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,9 . (5) Gn 30,10 . (6) Gn 30,12 . (7) Gn 30,17 . (8) Gn 30,19 . (9) Gn 30,42 .

7. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 30 (8) : (1) Gn 30,2 . (2) Gn 30,6 . (3) Gn 30,8 . (4) Gn 30,17 . (5) Gn 30,18 . (6) Gn 30,20 . (7) Gn 30,22 . (8) Gn 30,23 .

Gn 30, 3 - Gn 30, 3 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
3eipen de rachèl tô iakôb idou è paidiskè mou balla eiselthe pros autèn kai texetai epi tôn gonatôn mou kai teknopoièsomai kagô ex autès  3 at illa habeo inquit famulam Balam ingredere ad eam ut pariat super genua mea et habeam ex ea filios    3 En zij zeide: Zie, daar is mijn dienstmaagd Bilha, ga tot haar in; dat zij op mijn knieën bare, en ik ook uit haar gebouwd worde.   [3] Daarop zei ze: ‘Hier is mijn slavin Bilha; heb gemeenschap met haar; dan kan zij op* mijn knieën baren en kan ik kinderen* krijgen door haar.’   [3] ‘Neem mijn slavin Bilha dan,’ zei ze, ‘en slaap met haar. Als zij kinderen baart, zal ik die op mijn knieën nemen; dan krijg ik door haar toch nakomelingen.’   3 Zij zegt: zie hier mijn slavin Bilha, ga tot háár in,– dan zal zij op mijn knieën baren, zodat ook ik met zonen word opgebouwd, uit haar.  30:3 Elle reprit: "Voici ma servante Bilha. Va vers elle et qu'elle enfante sur mes genoux: par elle j'aurai moi aussi des enfants!" 

King James Bible . [3] And she said, Behold my maid Bilhah, go in unto her; and she shall bear upon my knees that I may also have children by her.
Luther-Bibel . 3 Sie aber sprach: Siehe, da ist meine Magd Bilha; geh zu ihr, dass sie auf meinem Schoß gebäre und ich doch durch sie zu Kindern komme.

Tekstuitleg van Gn 30,3 .

1. waththo´mèr (en zij zei) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (197) . Pentateuch (57) . Eerdere Profeten (98) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (39) . Gn (49) . Gn 30 (12) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,3 . (3) Gn 30,6 . (4) Gn 30,8 . (5) Gn 30,11 . (6) Gn 30,13 . (7) Gn 30,14 . (8) Gn 30,15 . (9) Gn 30,16 . (10) Gn 30,18 . (11) Gn 30,20 . (12) Gn 30,23 .

Gn 30, 4 - Gn 30, 4 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
4kai edôken autô ballan tèn paidiskèn autès autô gunaika eisèlthen de pros autèn iakôb  4 deditque illi Balam in coniugium quae    4 Zo gaf zij hem haar dienstmaagd Bilha tot een vrouw; en Jakob ging tot haar in.  [4] Zij gaf hem dus haar slavin Bilha tot vrouw en Jakob had gemeenschap met haar.   [4] Dus gaf ze hem haar slavin Bilha tot vrouw en Jakob sliep met haar.   4 Ze geeft hem haar slavin Bilha tot vrouw; en Jakob gaat tot haar in.  30:4 Elle lui donna donc pour femme sa servante Bilha et Jacob s'unit à celle-ci.  

King James Bible . [4] And she gave him Bilhah her handmaid to wife: and Jacob went in unto her.
Luther-Bibel . 4 So gab sie ihm Bilha, ihre Leibmagd, zur Frau und Jakob ging zu ihr.

Tekstuitleg van Gn 30,4 .

9. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 30 (10) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,2 . (3) Gn 30,4 . (4) Gn 30,16 . (5) Gn 30,25 . (6) Gn 30,31 . (7) Gn 30,36 . (8) Gn 30,37 . (9) Gn 30,40 . (10) Gn 30,41 .
- lëja`äqobh (Jakob) < voorzetsel lë (voor, aan) + ja`äqobh (Jakob) . Tenakh (36) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (4) . Gn (23) . Gn 30 (9) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,9 . (5) Gn 30,10 . (6) Gn 30,12 . (7) Gn 30,17 . (8) Gn 30,19 . (9) Gn 30,42 .

Gn 30, 5 - Gn 30, 5 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
5kai sunelaben balla è paidiskè rachèl kai eteken tô iakôb uion 5 ingresso ad se viro concepit et peperit filium    5 En Bilha werd zwanger, en baarde Jakob een zoon.   [5] Bilha werd zwanger en schonk Jakob een zoon.   [5] Bilha werd zwanger en baarde Jakob een zoon.  5 Bilha wordt zwanger en baart aan Jakob een zoon.  30:5 Bilha conçut et enfanta à Jacob un fils.  

King James Bible . [5] And Bilhah conceived, and bare Jacob a son.
Luther-Bibel . 5 Und Bilha ward schwanger und gebar Jakob einen Sohn.

Tekstuitleg van Gn 30,5 .

4. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 30 (10) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,2 . (3) Gn 30,4 . (4) Gn 30,16 . (5) Gn 30,25 . (6) Gn 30,31 . (7) Gn 30,36 . (8) Gn 30,37 . (9) Gn 30,40 . (10) Gn 30,41 .
- lëja`äqobh (Jakob) < voorzetsel lë (voor, aan) + ja`äqobh (Jakob) . Tenakh (36) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (4) . Gn (23) . Gn 30 (9) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,9 . (5) Gn 30,10 . (6) Gn 30,12 . (7) Gn 30,17 . (8) Gn 30,19 . (9) Gn 30,42 .

Gn 30, 6 - Gn 30, 6 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
6kai eipen rachèl ekrinen moi o theos kai epèkousen tès fônès mou kai edôken moi uion dia touto ekalesen to onoma autou dan  6 dixitque Rahel iudicavit mihi Dominus et exaudivit vocem meam dans mihi filium et idcirco appellavit nomen illius Dan    6 Toen zeide Rachel: God heeft mij gericht, en ook mijn stem verhoord, en heeft mij een zoon gegeven; daarom noemde zij zijn naam Dan.  [6] Rachel zei: ‘God heeft mij recht gedaan. Hij heeft mijn gebed verhoord en mij een zoon geschonken.’ Daarom noemde zij hem Dan*.  [6] Toen zei Rachel: ‘God heeft mij recht gedaan: hij heeft mij verhoord en mij een zoon gegeven.’ Daarom noemde ze hem Dan.   6 Dan zegt Rachel: God heeft mij recht gedaan en heeft ook gehoord naar mijn stem; hij geeft mij een zoon! Daarom roept men als zijn naam uit: Dan,– hij deed recht!   30:6 Rachel dit: "Dieu m'a rendu justice, même il m'a exaucée et m'a donné un fils"; c'est pourquoi elle l'appela Dan.  

King James Bible . [6] And Rachel said, God hath judged me, and hath also heard my voice, and hath given me a son: therefore called she his name Dan.
Luther-Bibel . 6 Da sprach Rahel: Gott hat mir Recht verschafft und mich erhört und mir einen Sohn gegeben. Darum nannte sie ihn Dan.

Tekstuitleg van Gn 30,6 . Het vers Gn 30,6 telt 15 (3 X 5) woorden en 48 (2² X 2² X 3) letters . De getalwaarde van Gn 30,6 is 3120 (2² X 2² X 3 X 5 X 13) .

Gn 30,6.1. waththo´mèr (en zij zei) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (197) . Pentateuch (57) . Eerdere Profeten (98) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (39) . Gn (49) . Gn 30 (12) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,3 . (3) Gn 30,6 . (4) Gn 30,8 . (5) Gn 30,11 . (6) Gn 30,13 . (7) Gn 30,14 . (8) Gn 30,15 . (9) Gn 30,16 . (10) Gn 30,18 . (11) Gn 30,20 . (12) Gn 30,23 .

Gn 30,6.2. râchel (Rachel) . Taalgebruik in Tenakh : râchel (Rachel) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , lamed = 12 of 20 ; totaal : 40 of 228 (2 X 2 X 3 X 19) . Structuur : 2 - 8 - 2 . In verschillende vormen . In Tenakh : 45 X (44 verzen) . In LXX + NT : 48 (45 X , 44 verzen) + 1 = 49 . râchel (Rachel) . Tenakh (30) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (0) . Gn (30) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . Gn 30 (8) : (1) Ex 30,1. (2) Ex 30,6 . (3) Ex 30,7 . (4) Ex 30,8 . (5) Ex 30,14 . (6) Ex 30,15 . (7) Ex 30,22 . (8) Ex 30,25 . Rachel is de tweede en jongste dochter van Laban , de broer van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Isaak . Rachel is de tweede vrouw van Jakob . Samen kregen zij 2 kinderen : Jozef en Benjamin .

  Gn 29 Gn 30 Gn 31 Gn 33 Gn 35 Gn 46 Gn 48
râchel (Rachel) Hebr. (28) (6) : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . (8) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,6 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,8 . (5) Gn 30,14 . (6) Gn 30,15 . (7) Gn 30,22 . (8) Gn 30,25 . (4) : (1) Gn 31,14 . (2) Gn 31,19 . (3) Gn 31,32 . (4) Gn 31,33 . (2) : (1) Gn 33,1 . (2) Gn 33,2 . (5) : (1) Gn 35,16 . (2) Gn 35,19 . (3) Gn 35,20 . (4) Gn 35,24 . (5) Gn 35,25 .   (2)  : (1) Gn 46,19 . (2) Gn 46,22 . 1 :  Gn 48,7 .
wërâchel (en...) (5) 3 : (1) Gn 29,9 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 .     1 : Gn 31,34 1 : Gn 33,7      
bërâchel (over...) (4)   3 : (1) Gn 29,18 . (2) Gn 29,20 . (3) Gn 29,25 . (1) Gn 30,2 .            
lërâchel (tot...) (5) 3 : (1) Gn 29,11 . (2) Gn 29,12 . (3) Gn 29,29 .     1 : Gn 31,4 .       1 : Gn 46,25  
42 X (41 verzen)  15 X (14 verzen)
rachèl (Rachel) Gr.  (45 X , 44 verzen) 15 X (14 verzen) 9 + 3 = 12 : + (1) Gn 30,3 .  (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,23 .

1. - 2. waththo´mèr râchel (en Rachel zei) . Tenakh (4) : (1) Gn 30,6 . (2) Gn 30,8 . (3) Gn 30,14 . (4) Gn 30,15 .

3. dânnannî (hij deed mij recht) < act. qal perf. 3de pers. mann. enk. + suffix 1ste pers. enk. van het werkw. dîn / dûn (rechten, recht spreken , heersen) . Taalgebruik in Tenakh : dîn / dûn (rechten, recht spreken , heersen) . Getalwaarde : daleth = 4 , jod = 10 of waw = 6 , nun = 14 of 50 ; totaal : 28 (4 X 7) / 24 (2³ X 3) OF 64 (2³ X 2³) OF 60 (2² X 3 X 5) . Structuur : 4 - 1 - 5 OF 4 - 6 - 5 . Tenakh (1) : Gn 30,6 .

4. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 30 (8) : (1) Gn 30,2 . (2) Gn 30,6 . (3) Gn 30,8 . (4) Gn 30,17 . (5) Gn 30,18 . (6) Gn 30,20 . (7) Gn 30,22 . (8) Gn 30,23 .

Gn 30, 7 - Gn 30, 7 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
7kai sunelaben eti balla è paidiskè rachèl kai eteken uion deuteron tô iakôb  7 rursumque Bala concipiens peperit alterum    7 En Bilha, Rachels dienstmaagd, werd wederom bevrucht, en baarde Jakob den tweeden zoon.  [7] Rachels slavin Bilha werd opnieuw zwanger en schonk Jakob een tweede zoon.  [7] Opnieuw werd haar slavin Bilha zwanger, en ze baarde Jakob nog een zoon.   7 Ze wordt nogmaals zwanger en baart, Bilha, Rachels slavin, aan Jakob een tweede zoon.  30:7 Bilha, la servante de Rachel, conçut encore et elle enfanta à Jacob un second fils.  

King James Bible . [7] And Bilhah Rachel's maid conceived again, and bare Jacob a second son.
Luther-Bibel . 7 Abermals ward Bilha, Rahels Leibmagd, schwanger und gebar Jakob ihren zweiten Sohn.

Tekstuitleg van Gn 30,7 .

6. râchel (Rachel) . Taalgebruik in Tenakh : râchel (Rachel) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , lamed = 12 of 20 ; totaal : 40 of 228 (2 X 2 X 3 X 19) . Structuur : 2 - 8 - 2 . In verschillende vormen . In Tenakh : 45 X (44 verzen) . In LXX + NT : 48 (45 X , 44 verzen) + 1 = 49 . râchel (Rachel) . Tenakh (30) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (0) . Gn (30) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . Gn 30 (8) : (1) Ex 30,1. (2) Ex 30,6 . (3) Ex 30,7 . (4) Ex 30,8 . (5) Ex 30,14 . (6) Ex 30,15 . (7) Ex 30,22 . (8) Ex 30,25 . Rachel is de tweede en jongste dochter van Laban , de broer van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Isaak . Rachel is de tweede vrouw van Jakob . Samen kregen zij 2 kinderen : Jozef en Benjamin .

9. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 30 (10) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,2 . (3) Gn 30,4 . (4) Gn 30,16 . (5) Gn 30,25 . (6) Gn 30,31 . (7) Gn 30,36 . (8) Gn 30,37 . (9) Gn 30,40 . (10) Gn 30,41 .
- lëja`äqobh (Jakob) < voorzetsel lë (voor, aan) + ja`äqobh (Jakob) . Tenakh (36) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (4) . Gn (23) . Gn 30 (9) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,9 . (5) Gn 30,10 . (6) Gn 30,12 . (7) Gn 30,17 . (8) Gn 30,19 . (9) Gn 30,42 .

Gn 30, 8 - Gn 30, 8 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
8kai eipen rachèl sunelabeto moi o theos kai sunanestrafèn tè adelfè mou kai èdunasthèn kai ekalesen to onoma autou nefthali  8 pro quo ait Rahel conparavit me Deus cum sorore mea et invalui vocavitque eum Nepthalim    8 Toen zeide Rachel: Ik heb worstelingen Gods met mijn zuster geworsteld; ook heb ik de overhand gehad; en zij noemde zijn naam Nafthali.   [8] Rachel zei: ‘Een harde strijd heb ik met mijn zuster gestreden en ik heb overwonnen.’ Daarom noemde zij hem Naftali*.   [8] ‘Ik heb een zware strijd met mijn zuster gevoerd,’ zei Rachel, ‘maar ik heb gewonnen.’ Ze noemde het kind Naftali.  8 Dan zegt Rachel: godsgrote gevechten heb ik uitgevochten met mijn zuster, ook heb ik overmocht! Ze roept als naam voor hem uit: Naftali,– door mij bevochten!  30:8 Rachel dit: "J'ai lutté contre ma sœur les luttes de Dieu et je l'ai emporté"; et elle l'appela Nephtali.  

King James Bible . [8] And Rachel said, With great wrestlings have I wrestled with my sister, and I have prevailed: and she called his name Naphtali.
Luther-Bibel . 8 Da sprach Rahel: Über alle Maßen habe ich gekämpft mit meiner Schwester und ich habe gesiegt. Und nannte ihn Naftali.

Tekstuitleg van Gn 30,8 .

1. waththo´mèr (en zij zei) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (197) . Pentateuch (57) . Eerdere Profeten (98) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (39) . Gn (49) . Gn 30 (12) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,3 . (3) Gn 30,6 . (4) Gn 30,8 . (5) Gn 30,11 . (6) Gn 30,13 . (7) Gn 30,14 . (8) Gn 30,15 . (9) Gn 30,16 . (10) Gn 30,18 . (11) Gn 30,20 . (12) Gn 30,23 .

2. râchel (Rachel) . Taalgebruik in Tenakh : râchel (Rachel) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , lamed = 12 of 20 ; totaal : 40 of 228 (2 X 2 X 3 X 19) . Structuur : 2 - 8 - 2 . In verschillende vormen . In Tenakh : 45 X (44 verzen) . In LXX + NT : 48 (45 X , 44 verzen) + 1 = 49 . râchel (Rachel) . Tenakh (30) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (0) . Gn (30) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . Gn 30 (8) : (1) Ex 30,1. (2) Ex 30,6 . (3) Ex 30,7 . (4) Ex 30,8 . (5) Ex 30,14 . (6) Ex 30,15 . (7) Ex 30,22 . (8) Ex 30,25 . Rachel is de tweede en jongste dochter van Laban , de broer van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Isaak . Rachel is de tweede vrouw van Jakob . Samen kregen zij 2 kinderen : Jozef en Benjamin .

1. - 2. waththo´mèr râchel (en Rachel zei) . Tenakh (4) : (1) Gn 30,6 . (2) Gn 30,8 . (3) Gn 30,14 . (4) Gn 30,15 .

4. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 30 (8) : (1) Gn 30,2 . (2) Gn 30,6 . (3) Gn 30,8 . (4) Gn 30,17 . (5) Gn 30,18 . (6) Gn 30,20 . (7) Gn 30,22 . (8) Gn 30,23 .

10. watthiqërâ´ (en zij noemde) < wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (32) . Pentateuch (20) . Eerdere Profeten (9) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Gn (18) . Gn 30 (7) : (1) Gn 30,8 . (2) Gn 30,11 . (3) Gn 30,13 . (4) Gn 30,18 . (5) Gn 30,20 . (6) Gn 30,21 . (7) Gn 30,24 .

Gn 30, 9 - Gn 30, 9 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
9eiden de leia oti estè tou tiktein kai elaben zelfan tèn paidiskèn autès kai edôken autèn tô iakôb gunaika  9 sentiens Lia quod parere desisset Zelpham ancillam suam marito tradidit     9 Toen nu Lea zag, dat zij ophield van baren, nam zij ook haar dienstmaagd Zilpa, en gaf die aan Jakob tot een vrouw.   [9] Toen Lea merkte dat ze geen kinderen meer kreeg, gaf zij haar slavin Zilpa aan Jakob als vrouw. 
[9] Omdat Lea geen kinderen meer kreeg, gaf zij Jakob haar slavin Zilpa tot vrouw.  
9 Als Lea ziet dat ze wat baren betreft stil is blijven staan, neemt ze Zilpa, haar slavin, en geeft die aan Jakob tot vrouw.  30:9 Léa, voyant qu'elle avait cessé d'avoir des enfants, prit sa servante Zilpa et la donna pour femme à Jacob.  

King James Bible . [9] When Leah saw that she had left bearing, she took Zilpah her maid, and gave her Jacob to wife.
Luther-Bibel . 9 Als nun Lea sah, dass sie aufgehört hatte zu gebären, nahm sie ihre Leibmagd Silpa und gab sie Jakob zur Frau.

Tekstuitleg van Gn 30,9 .

2. le´âh (Lea) . Taalgebruik in Tenakh : le´âh (Lea) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 3 - 1 - 5 . Tenakh (26) . Gn (26) . Gn 30 (11) : (1) Gn 30,9 . (2) Gn 30,10 . (3) Gn 30,11 . (4) Gn 30,12 . (5) Gn 30,13 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,16 . (8) Gn 30,17 . (9) Gn 30,18 . (10) Gn 30,19 . (11) Gn 30,20 . Lea is de oudste dochter van Laban , de zus van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Izaak . Lea krijgt 6 zonen en 1 dochter . De bijvrouw van Lea is Zilpa .

12. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 30 (10) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,2 . (3) Gn 30,4 . (4) Gn 30,16 . (5) Gn 30,25 . (6) Gn 30,31 . (7) Gn 30,36 . (8) Gn 30,37 . (9) Gn 30,40 . (10) Gn 30,41 .
- lëja`äqobh (Jakob) < voorzetsel lë (voor, aan) + ja`äqobh (Jakob) . Tenakh (36) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (4) . Gn (23) . Gn 30 (9) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,9 . (5) Gn 30,10 . (6) Gn 30,12 . (7) Gn 30,17 . (8) Gn 30,19 . (9) Gn 30,42 .

Gn 30, 10 - Gn 30, 10 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
10eisèlthen de pros autèn iakôb kai sunelaben zelfa è paidiskè leias kai eteken tô iakôb uion  10 qua post conceptum edente filium     10 En Zilpa, Lea's dienstmaagd, baarde Jakob een zoon.  [10] En ook Zilpa, de slavin van Lea, schonk Jakob een zoon.   [10] En Zilpa, de slavin van Lea, baarde Jakob een zoon.   10 Zo baart Zilpa, Lea’s slavin, aan Jakob een zoon.   30:10 Zilpa, la servante de Léa, enfanta à Jacob un fils.  

King James Bible . [10] And Zilpah Leah's maid bare Jacob a son.
Luther-Bibel . 10 Und Silpa, Leas Leibmagd, gebar Jakob einen Sohn.

Tekstuitleg van Gn 30,10 .

4. le´âh (Lea) . Taalgebruik in Tenakh : le´âh (Lea) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 3 - 1 - 5 . Tenakh (26) . Gn (26) . Gn 30 (11) : (1) Gn 30,9 . (2) Gn 30,10 . (3) Gn 30,11 . (4) Gn 30,12 . (5) Gn 30,13 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,16 . (8) Gn 30,17 . (9) Gn 30,18 . (10) Gn 30,19 . (11) Gn 30,20 . Lea is de oudste dochter van Laban , de zus van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Izaak . Lea krijgt 6 zonen en 1 dochter . De bijvrouw van Lea is Zilpa .

5. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 30 (10) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,2 . (3) Gn 30,4 . (4) Gn 30,16 . (5) Gn 30,25 . (6) Gn 30,31 . (7) Gn 30,36 . (8) Gn 30,37 . (9) Gn 30,40 . (10) Gn 30,41 .
- lëja`äqobh (Jakob) < voorzetsel lë (voor, aan) + ja`äqobh (Jakob) . Tenakh (36) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (4) . Gn (23) . Gn 30 (9) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,9 . (5) Gn 30,10 . (6) Gn 30,12 . (7) Gn 30,17 . (8) Gn 30,19 . (9) Gn 30,42 .

Gn 30, 11 - Gn 30, 11 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
11kai eipen leia en tuchè kai epônomasen to onoma autou gad  11 dixit feliciter et idcirco vocavit nomen eius Gad     11 Toen zeide Lea: Er komt een hoop! en zij noemde zijn naam Gad.  [11] Toen zei Lea: ‘Het geluk is gekomen.’ Daarom noemde zij hem Gad*.   [11] ‘Het geluk is met mij!’ zei Lea, en ze noemde hem Gad.  11 Dan zegt Lea: er is gewin gekomen!– en ze roept als naam voor hem uit: Gad,– gewonnen!   30:11 Léa dit: "Par bonne fortune!" et elle l'appela Gad.  

King James Bible . [11] And Leah said, A troop cometh: and she called his name Gad.
Luther-Bibel . 11 Da sprach Lea: Glück zu! Und nannte ihn Gad.

Tekstuitleg van Gn 30,11 .

1. waththo´mèr (en zij zei) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (197) . Pentateuch (57) . Eerdere Profeten (98) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (39) . Gn (49) . Gn 30 (12) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,3 . (3) Gn 30,6 . (4) Gn 30,8 . (5) Gn 30,11 . (6) Gn 30,13 . (7) Gn 30,14 . (8) Gn 30,15 . (9) Gn 30,16 . (10) Gn 30,18 . (11) Gn 30,20 . (12) Gn 30,23 .

2. le´âh (Lea) . Taalgebruik in Tenakh : le´âh (Lea) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 3 - 1 - 5 . Tenakh (26) . Gn (26) . Gn 30 (11) : (1) Gn 30,9 . (2) Gn 30,10 . (3) Gn 30,11 . (4) Gn 30,12 . (5) Gn 30,13 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,16 . (8) Gn 30,17 . (9) Gn 30,18 . (10) Gn 30,19 . (11) Gn 30,20 . Lea is de oudste dochter van Laban , de zus van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Izaak . Lea krijgt 6 zonen en 1 dochter . De bijvrouw van Lea is Zilpa .

1. - 2. waththo´mèr le´âh (en Lea zei) . Tenakh (4) : (1) Gn 30,11 . (2) Gn 30,13 . (3) Gn 30,18 . (4) Gn 30,20 .

4. watthiqërâ´ (en zij noemde) < wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (32) . Pentateuch (20) . Eerdere Profeten (9) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Gn (18) . Gn 30 (7) : (1) Gn 30,8 . (2) Gn 30,11 . (3) Gn 30,13 . (4) Gn 30,18 . (5) Gn 30,20 . (6) Gn 30,21 . (7) Gn 30,24 .

Gn 30, 12 - Gn 30, 12 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
12kai sunelaben zelfa è paidiskè leias kai eteken eti tô iakôb uion deuteron  12 peperit quoque Zelpha alterum     12 Daarna baarde Zilpa, Lea's dienstmaagd, Jakob een tweeden zoon.   [12] Lea’s slavin Zilpa schonk Jakob een tweede zoon.  [12] Toen haar slavin Zilpa Jakob een tweede zoon baarde,  12 Dan baart Zilpa, Lea’s slavin, aan Jakob een tweede zoon;   30:12 Zilpa, la servante de Léa, enfanta à Jacob un second fils.  

King James Bible . [12] And Zilpah Leah's maid bare Jacob a second son.
Luther-Bibel . 12 Danach gebar Silpa, Leas Leibmagd, Jakob ihren zweiten Sohn.

Tekstuitleg van Gn 30,12 .

4. le´âh (Lea) . Taalgebruik in Tenakh : le´âh (Lea) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 3 - 1 - 5 . Tenakh (26) . Gn (26) . Gn 30 (11) : (1) Gn 30,9 . (2) Gn 30,10 . (3) Gn 30,11 . (4) Gn 30,12 . (5) Gn 30,13 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,16 . (8) Gn 30,17 . (9) Gn 30,18 . (10) Gn 30,19 . (11) Gn 30,20 . Lea is de oudste dochter van Laban , de zus van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Izaak . Lea krijgt 6 zonen en 1 dochter . De bijvrouw van Lea is Zilpa .

7. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 30 (10) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,2 . (3) Gn 30,4 . (4) Gn 30,16 . (5) Gn 30,25 . (6) Gn 30,31 . (7) Gn 30,36 . (8) Gn 30,37 . (9) Gn 30,40 . (10) Gn 30,41 .
- lëja`äqobh (Jakob) < voorzetsel lë (voor, aan) + ja`äqobh (Jakob) . Tenakh (36) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (4) . Gn (23) . Gn 30 (9) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,9 . (5) Gn 30,10 . (6) Gn 30,12 . (7) Gn 30,17 . (8) Gn 30,19 . (9) Gn 30,42 .

Gn 30, 13 - Gn 30, 13 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
13kai eipen leia makaria egô oti makarizousin me ai gunaikes kai ekalesen to onoma autou asèr  13 dixitque Lia hoc pro beatitudine mea beatam quippe me dicent mulieres propterea appellavit eum Aser    13 Toen zeide Lea: Tot mijn geluk! want de dochters zullen mij gelukkig achten; en zij noemde zijn naam Aser.  [13] En Lea zei: ‘Ik ben gelukkig, de meisjes zullen mij gelukkig prijzen.’ Daarom noemde zij hem Aser*.  [13] zei Lea: ‘Wat ben ik nu gelukkig! Alle vrouwen zullen mij gelukkig prijzen.’ Ze noemde het kind Aser.  13 en Lea zegt: wat ben ik gelukkig!– want jongedochters zullen mij gelukkig prijzen!– en ze roept als naam voor hem uit: Aser,– gelukkig!  30:13 Léa dit: "Pour ma félicité! car les femmes me féliciteront"; et l'appela Asher. 

King James Bible . [13] And Leah said, Happy am I, for the daughters will call me blessed: and she called his name Asher.
Luther-Bibel . 13 Da sprach Lea: Wohl mir, denn mich werden selig preisen die Töchter. Und nannte ihn Asser.

Tekstuitleg van Gn 30,13 .

1. waththo´mèr (en zij zei) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (197) . Pentateuch (57) . Eerdere Profeten (98) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (39) . Gn (49) . Gn 30 (12) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,3 . (3) Gn 30,6 . (4) Gn 30,8 . (5) Gn 30,11 . (6) Gn 30,13 . (7) Gn 30,14 . (8) Gn 30,15 . (9) Gn 30,16 . (10) Gn 30,18 . (11) Gn 30,20 . (12) Gn 30,23 .

2. le´âh (Lea) . Taalgebruik in Tenakh : le´âh (Lea) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 3 - 1 - 5 . Tenakh (26) . Gn (26) . Gn 30 (11) : (1) Gn 30,9 . (2) Gn 30,10 . (3) Gn 30,11 . (4) Gn 30,12 . (5) Gn 30,13 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,16 . (8) Gn 30,17 . (9) Gn 30,18 . (10) Gn 30,19 . (11) Gn 30,20 . Lea is de oudste dochter van Laban , de zus van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Izaak . Lea krijgt 6 zonen en 1 dochter . De bijvrouw van Lea is Zilpa .

1. - 2. waththo´mèr le´âh (en Lea zei) . Tenakh (4) : (1) Gn 30,11 . (2) Gn 30,13 . (3) Gn 30,18 . (4) Gn 30,20 .

7. watthiqërâ´ (en zij noemde) < wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (32) . Pentateuch (20) . Eerdere Profeten (9) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Gn (18) . Gn 30 (7) : (1) Gn 30,8 . (2) Gn 30,11 . (3) Gn 30,13 . (4) Gn 30,18 . (5) Gn 30,20 . (6) Gn 30,21 . (7) Gn 30,24 .

 

 

Gn 30, 14 - Gn 30, 14 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
14eporeuthè de roubèn en èmerais therismou purôn kai euren mèla mandragorou en tô agrô kai ènegken auta pros leian tèn mètera autou eipen de rachèl tè leia dos moi tôn mandragorôn tou uiou sou  14 egressus autem Ruben tempore messis triticeae in agro repperit mandragoras quos matri Liae detulit dixitque Rahel da mihi partem de mandragoris filii tui    14 En Ruben ging in de dagen van de tarweoogst, en hij vond Dudaim in het veld, en hij bracht die tot zijn moeder Lea. Toen zeide Rachel tot Lea: Geef mij toch van uws zoons Dudaim. [14] In de dagen van de tarweoogst ging Ruben eropuit en vond liefdesappels*, ergens op het veld, en bracht die naar zijn moeder Lea. Rachel zei tegen Lea: ‘Geef mij ook een paar van die liefdesappels van je zoon.’  [14] In de tijd van de tarweoogst vond Ruben buiten in het veld liefdesappels, die hij aan zijn moeder Lea gaf. ‘Geef mij ook eens wat van die liefdesappels van je zoon,’ vroeg Rachel haar.   14 ¶ Ruben gaat in de dagen van de tarweoogst heen, vindt op het veld minne–appels en brengt ze naar zijn moeder, Lea. Dan zegt Rachel tegen Lea: geef toch mij wat van de minne–appels van je zoon!  30:14 Etant sorti au temps de la moisson des blés, Ruben trouva dans les champs des pommes d'amour, qu'il apporta à sa mère, Léa. Rachel dit à Léa: "Donne-moi, s'il te plaît, des pommes d'amour de ton fils",  

King James Bible . [14] And Reuben went in the days of wheat harvest, and found mandrakes in the field, and brought them unto his mother Leah. Then Rachel said to Leah, Give me, I pray thee, of thy son's mandrakes.
Luther-Bibel . 14 Ruben ging aus zur Zeit der Weizenernte und fand Liebesäpfel auf dem Felde und brachte sie heim zu seiner Mutter Lea. Da sprach Rahel zu Lea: Gib mir von den Liebesäpfeln deines Sohnes.

Tekstuitleg van Gn 30,14 .

2. rë´ûbhen (Ruben) . Taalgebruik in Tenakh : rë´ûbhen (Ruben) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , waw = 6 , ben = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 43 OF 259 (7 X 37) . Structuur : 2 - 1 - 6 - 2 - 5 . Tenakh (65) . Pentateuch (34) . Eerdere Profeten (22) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (6) . Gn (12) : (1) Gn 29,32 . (2) Gn 30,14 . (3) Gn 35,22 . (4) Gn 35,23 . (5) Gn 37,21 . (6) Gn 37,22 . (7) Gn 37,29 . (8) Gn 42,22 . (9) Gn 42,37 . (10) Gn 46,8 . (11) Gn 46,9 . (12) Gn 49,3 . Ex (2) : (1) Ex 1,2 . (2) Ex 6,14 . rë´ûbhen < act. imper. 2de pers. mann. mv. rë´û (ziet) en ben (zoon) -> ziet een zoon . De etymologische verklaring van Gn 29,32 is : kî râ´âh JHWH bë`ânëjî (want JHWH keek naar mijn vernedering) . In râ´âh (hij keek) zit de resj en de aleph ; in bë`ônëjî (naar mijn vernedering) de beth , de o-klank (`ânë) , de nun . Hij is de oudste zoon van Lea , dochter van Laban en de oudere zus van Rachel en Jakob (zoon van Izaak) . Hij is Jakobs eerstgeborene . Zijn broers (uit Lea en Jakob) zijn : Simeon , Levi , Juda , Issakar , Zebulon ; zijn halfbroers uit Zilpa , de bijvrouw van Lea , en Jakob zijn : Gad en Neftali . In Nu 32 spreken de Rubenieten tot Mozes hun wens uit om zich in het Overjordaanse te vestigen . In Joz 22 hebben zij zich er gevestigd .

14. waththo´mèr (en zij zei) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (197) . Pentateuch (57) . Eerdere Profeten (98) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (39) . Gn (49) . Gn 30 (12) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,3 . (3) Gn 30,6 . (4) Gn 30,8 . (5) Gn 30,11 . (6) Gn 30,13 . (7) Gn 30,14 . (8) Gn 30,15 . (9) Gn 30,16 . (10) Gn 30,18 . (11) Gn 30,20 . (12) Gn 30,23 .

15. râchel (Rachel) . Taalgebruik in Tenakh : râchel (Rachel) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , lamed = 12 of 20 ; totaal : 40 of 228 (2 X 2 X 3 X 19) . Structuur : 2 - 8 - 2 . In verschillende vormen . In Tenakh : 45 X (44 verzen) . In LXX + NT : 48 (45 X , 44 verzen) + 1 = 49 . râchel (Rachel) . Tenakh (30) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (0) . Gn (30) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . Gn 30 (8) : (1) Ex 30,1. (2) Ex 30,6 . (3) Ex 30,7 . (4) Ex 30,8 . (5) Ex 30,14 . (6) Ex 30,15 . (7) Ex 30,22 . (8) Ex 30,25 . Rachel is de tweede en jongste dochter van Laban , de broer van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Isaak . Rachel is de tweede vrouw van Jakob . Samen kregen zij 2 kinderen : Jozef en Benjamin .

14 . - 15. waththo´mèr râchel (en Rachel zei) . Tenakh (4) : (1) Gn 30,6 . (2) Gn 30,8 . (3) Gn 30,14 . (4) Gn 30,15 .

17. le´âh (Lea) . Taalgebruik in Tenakh : le´âh (Lea) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 3 - 1 - 5 . Tenakh (26) . Gn (26) . Gn 29 (6) : (1) Gn 29,16 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,23 . (4) Gn 29,25 . (5) Gn 29,31 . (6) Gn 29,32 . Gn 30 (11) : (1) Gn 30,9 . (2) Gn 30,10 . (3) Gn 30,11 . (4) Gn 30,12 . (5) Gn 30,13 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,16 . (8) Gn 30,17 . (9) Gn 30,18 . (10) Gn 30,19 . (11) Gn 30,20 . Gn 31 (1) : Gn 31,33 . Gn 33 (3) : (1) Gn 33,1 . (2) Gn 33,2 . (3) Gn 33,7 . Gn 34 (1) : Gn 34,1 . Gn 35 (2) : (1) Gn 35,23 . (2) Gn 35,26 . Gn 46 (1) : Gn 46,15 . Gn 49 (1) Gn 49,31 . In Rt 4,11 vinden we ûkhële´âh (en zoals Lea) . Lea is de oudste dochter van Laban , de zus van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Izaak (zoon van Abraham) . Lea krijgt 6 zonen : Ruben , Simeon , Levi , Juda , Issakar , Zebulon en 1 dochter : Dina . De bijvrouw van Lea is Zilpa . Zij krijgt 2 zonen : Gad en Aser . In totaal zijn er bij Lea - Zilpa 8 zonen en 1 dochter . Wat zonen betreft , is de verhouding Lea (6) - Zilpa (2) tot Rachel (2) - Bilha (2) : 2/3 (8) en 1/3 (4) . Anders gezegd : Lea - Bilha heeft dubbel zoveel kinderen als Rachel - Bilha .

Gn 30, 15 - Gn 30, 15 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
15eipen de leia ouch ikanon soi oti elabes ton andra mou mè kai tous mandragoras tou uiou mou lèmyè eipen de rachèl ouch outôs koimèthètô meta sou tèn nukta tautèn anti tôn mandragorôn tou uiou sou 15 illa respondit parumne tibi videtur quod praeripueris maritum mihi nisi etiam mandragoras filii mei tuleris ait Rahel dormiat tecum hac nocte pro mandragoris filii tui    15 En zij zeide tot haar: Is het weinig, dat gij mijn man genomen hebt, dat gij ook mijns zoons Dudaim nemen zult? Toen zeide Rachel: Daarom zal hij dezen nacht voor uws zoons Dudaim bij u liggen.  [15] Maar zij antwoordde: ‘Is het niet genoeg dat je mij mijn man afneemt? Wil je nu ook nog beslag leggen op de liefdesappels van mijn zoon?’ Rachel zei: ‘Als je mij de liefdesappels van je zoon geeft, mag Jakob vannacht bij jou slapen.’ Toen Jakob dus ’s avonds van het veld kwam, ging Lea hem tegemoet   [15] Maar Lea antwoordde: ‘Is het soms niet genoeg dat je mijn man hebt afgepakt? Wil je nu ook nog de liefdesappels van mijn zoon?’ Rachel zei: ‘In ruil voor de liefdesappels van je zoon mag Jakob vannacht met jou slapen.’  15 Zij zegt tot haar: is het te weinig voor jou om mijn man af te nemen dat je nu ook wilt nemen de minne–appels van mijn zoon? Dan zegt Rachel: daarvoor mag hij vannacht met jou slapen, in ruil voor de minne–appels van je zoon!  30:15 mais Léa lui répondit: "N'est-ce donc pas assez que tu m'aies pris mon mari, pour que tu prennes aussi les pommes d'amour de mon fils?" Rachel reprit: "Eh bien, qu'il couche avec toi cette nuit, en échange des pommes d'amour de ton fils." 

King James Bible . [15] And she said unto her, Is it a small matter that thou hast taken my husband? and wouldest thou take away my son's mandrakes also? And Rachel said, Therefore he shall lie with thee to night for thy son's mandrakes.
Luther-Bibel . 15 Sie antwortete: Hast du nicht genug, dass du mir meinen Mann genommen hast, und willst auch die Liebesäpfel meines Sohnes nehmen? Rahel sprach: Wohlan, lass ihn diese Nacht bei dir schlafen für die Liebesäpfel deines Sohnes.

Tekstuitleg van Gn 30,15 .

12. waththo´mèr (en zij zei) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (197) . Pentateuch (57) . Eerdere Profeten (98) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (39) . Gn (49) . Gn 30 (12) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,3 . (3) Gn 30,6 . (4) Gn 30,8 . (5) Gn 30,11 . (6) Gn 30,13 . (7) Gn 30,14 . (8) Gn 30,15 . (9) Gn 30,16 . (10) Gn 30,18 . (11) Gn 30,20 . (12) Gn 30,23 .

13. râchel (Rachel) . Taalgebruik in Tenakh : râchel (Rachel) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , lamed = 12 of 20 ; totaal : 40 of 228 (2 X 2 X 3 X 19) . Structuur : 2 - 8 - 2 . In verschillende vormen . In Tenakh : 45 X (44 verzen) . In LXX + NT : 48 (45 X , 44 verzen) + 1 = 49 . râchel (Rachel) . Tenakh (30) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (0) . Gn (30) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . Gn 30 (8) : (1) Ex 30,1. (2) Ex 30,6 . (3) Ex 30,7 . (4) Ex 30,8 . (5) Ex 30,14 . (6) Ex 30,15 . (7) Ex 30,22 . (8) Ex 30,25 . Rachel is de tweede en jongste dochter van Laban , de broer van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Isaak . Rachel is de tweede vrouw van Jakob . Samen kregen zij 2 kinderen : Jozef en Benjamin .

12. - 13. waththo´mèr râchel (en Rachel zei) . Tenakh (4) : (1) Gn 30,6 . (2) Gn 30,8 . (3) Gn 30,14 . (4) Gn 30,15 .

Gn 30, 16 - Gn 30, 16 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
16eisèlthen de iakôb ex agrou esperas kai exèlthen leia eis sunantèsin autô kai eipen pros me eiseleusè sèmeron memisthômai gar se anti tôn mandragorôn tou uiou mou kai ekoimèthè met¢ autès tèn nukta ekeinèn  16 redeuntique ad vesperam de agro Iacob egressa est in occursum Lia et ad me inquit intrabis quia mercede conduxi te pro mandragoris filii mei dormivit cum ea nocte illa    16 Als nu Jakob des avonds uit het veld kwam, ging Lea uit hem tegemoet, en zeide: Gij zult tot mij inkomen; want ik heb u om loon zekerlijk gehuurd voor mijns zoons Dudaim; en hij lag dien nacht bij haar.  [16] en zei: ‘Je moet bij mij komen slapen, want ik heb eerlijk voor je betaald met de liefdesappels van mijn zoon.’ Die nacht ging hij dus bij haar slapen.   [16] Toen Jakob ’s avonds thuiskwam uit het veld, ging Lea hem tegemoet en zei: ‘Je moet met mij slapen, ik heb je gehuurd voor de liefdesappels van mijn zoon.’ Dus sliep hij die nacht met haar,   16 Als Jakob van het veld komt in de avondschemer, gaat Lea uit, hem tegemoet en zegt: bij míj moet je binnenkomen, want als een loonwerker heb ik je gehuurd met de minne–appels van mijn zoon!– en hij slaapt met haar, in diezelfde nacht.  30:16 Lorsque Jacob revint des champs le soir, Léa sortit à sa rencontre et lui dit: "Il faut que tu viennes vers moi, car je t'ai pris à gages pour les pommes d'amour de mon fils", et il coucha avec elle cette nuit-là. 

King James Bible . [16] And Jacob came out of the field in the evening, and Leah went out to meet him, and said, Thou must come in unto me; for surely I have hired thee with my son's mandrakes. And he lay with her that night.
Luther Bibel . 16. Als nun Jakob am Abend vom Felde kam, ging Lea hinaus ihm entgegen und sprach: Zu mir sollst du kommen, denn ich habe dich erkauft mit den Liebesäpfeln meines Sohnes. Und er schlief die Nacht bei ihr.

Tekstuitleg van Gn 30,16 .

2. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 30 (10) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,2 . (3) Gn 30,4 . (4) Gn 30,16 . (5) Gn 30,25 . (6) Gn 30,31 . (7) Gn 30,36 . (8) Gn 30,37 . (9) Gn 30,40 . (10) Gn 30,41 .
- lëja`äqobh (Jakob) < voorzetsel lë (voor, aan) + ja`äqobh (Jakob) . Tenakh (36) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (4) . Gn (23) . Gn 30 (9) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,9 . (5) Gn 30,10 . (6) Gn 30,12 . (7) Gn 30,17 . (8) Gn 30,19 . (9) Gn 30,42 .

7. le´âh (Lea) . Taalgebruik in Tenakh : le´âh (Lea) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 3 - 1 - 5 . Tenakh (26) . Gn (26) . Gn 30 (11) : (1) Gn 30,9 . (2) Gn 30,10 . (3) Gn 30,11 . (4) Gn 30,12 . (5) Gn 30,13 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,16 . (8) Gn 30,17 . (9) Gn 30,18 . (10) Gn 30,19 . (11) Gn 30,20 . Lea is de oudste dochter van Laban , de zus van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Izaak . Lea krijgt 6 zonen en 1 dochter . De bijvrouw van Lea is Zilpa .

9. waththo´mèr (en zij zei) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (197) . Pentateuch (57) . Eerdere Profeten (98) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (39) . Gn (49) . Gn 30 (12) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,3 . (3) Gn 30,6 . (4) Gn 30,8 . (5) Gn 30,11 . (6) Gn 30,13 . (7) Gn 30,14 . (8) Gn 30,15 . (9) Gn 30,16 . (10) Gn 30,18 . (11) Gn 30,20 . (12) Gn 30,23 .

Gn 30, 17 - Gn 30, 17 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
17kai epèkousen o theos leias kai sullabousa eteken tô iakôb uion pempton  17 et exaudivit Deus preces eius concepitque et peperit filium quintum   wajjisjëma` ´èlohîm   17 En God verhoorde Lea; en zij werd bevrucht, en baarde Jakob den vijfden zoon.   [17] En God verhoorde Lea: zij werd zwanger en schonk Jakob een vijfde zoon.   [17] en God verhoorde Lea: ze werd zwanger en baarde Jakob voor de vijfde maal een zoon.  17 God verhoort Lea: ze wordt zwanger en baart aan Jakob een vijfde zoon.  30:17 Dieu exauça Léa, elle conçut et elle enfanta à Jacob un cinquième fils;  

King James version . And God hearkened unto Leah, and she conceived, and bare Jacob the fifth son.
Luther Bibel . 17 Und Gott erhörte Lea, und sie ward schwanger und gebar Jakob ihren fünften Sohn

Tekstuitleg van Gn 30, 17 . Dit vers Gn 30, 17 telt 9 ( = 3 X 3) woorden en 35 (= 5 X 7) letters . De getalwaarde van dit vers is 2262 ( = 2 X 3 X 13 X 29) .

2. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 30 (8) : (1) Gn 30,2 . (2) Gn 30,6 . (3) Gn 30,8 . (4) Gn 30,17 . (5) Gn 30,18 . (6) Gn 30,20 . (7) Gn 30,22 . (8) Gn 30,23 .

1. 2. wajjisjëma` ´èlohîm (en God hoorde) . In drie verzen in de bijbel : (1) Gn 21,17 (en God luisterde naar - de stem van de zoon van Hagar -) LXX : eisèkousen de ho theos . (2) Gn 30,17 (En God luisterde naar Lea) LXX : kai epèkousen ho theos . (3) Ex 2,24 (en God luisterde naar het weeklagen van de Hebreeën) LXX : kai eisèkousen ho theos . Zie ook Gn 30,22 (en God luisterde naar haar / Rachel) LXX : kai epèkousen autès ho theos . God luisterde naar wie in een benarde en uitzichtloze situatie was gekomen . Hij luisterde naar Hagar , Lea , Rachel , de Hebreeën . Verwijzing : sjâm`â (horen, luisteren) , zie Ex 2,15 en akou˘ (luisteren, horen) , zie Mt 4,12 . LXX : Is de Hebreeuwse bepaling bij het werkwoord ´èth , dan is de LXX eisèkousen , is de Hebreeuwse ´èl , dan is de LXX epèkousen .

4. le´âh (Lea) . Taalgebruik in Tenakh : le´âh (Lea) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 3 - 1 - 5 . Tenakh (26) . Gn (26) . Gn 29 (6) : (1) Gn 29,16 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,23 . (4) Gn 29,25 . (5) Gn 29,31 . (6) Gn 29,32 . Gn 30 (11) : (1) Gn 30,9 . (2) Gn 30,10 . (3) Gn 30,11 . (4) Gn 30,12 . (5) Gn 30,13 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,16 . (8) Gn 30,17 . (9) Gn 30,18 . (10) Gn 30,19 . (11) Gn 30,20 . Gn 31 (1) : Gn 31,33 . Gn 33 (3) : (1) Gn 33,1 . (2) Gn 33,2 . (3) Gn 33,7 . Gn 34 (1) : Gn 34,1 . Gn 35 (2) : (1) Gn 35,23 . (2) Gn 35,26 . Gn 46 (1) : Gn 46,15 . Gn 49 (1) Gn 49,31 . In Rt 4,11 vinden we ûkhële´âh (en zoals Lea) . Lea is de oudste dochter van Laban , de zus van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Izaak (zoon van Abraham) . Lea krijgt 6 zonen : Ruben , Simeon , Levi , Juda , Issakar , Zebulon en 1 dochter : Dina . De bijvrouw van Lea is Zilpa . Zij krijgt 2 zonen : Gad en Aser . In totaal zijn er bij Lea - Zilpa 8 zonen en 1 dochter . Wat zonen betreft , is de verhouding Lea (6) - Zilpa (2) tot Rachel (2) - Bilha (2) : 2/3 (8) en 1/3 (4) . Anders gezegd : Lea - Bilha heeft dubbel zoveel kinderen als Rachel - Bilha .

7. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 30 (10) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,2 . (3) Gn 30,4 . (4) Gn 30,16 . (5) Gn 30,25 . (6) Gn 30,31 . (7) Gn 30,36 . (8) Gn 30,37 . (9) Gn 30,40 . (10) Gn 30,41 .
- lëja`äqobh (Jakob) < voorzetsel lë (voor, aan) + ja`äqobh (Jakob) . Tenakh (36) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (4) . Gn (23) . Gn 30 (9) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,9 . (5) Gn 30,10 . (6) Gn 30,12 . (7) Gn 30,17 . (8) Gn 30,19 . (9) Gn 30,42 .

Gn 30, 18 - Gn 30, 18 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
18kai eipen leia edôken o theos ton misthon mou anth¢ ou edôka tèn paidiskèn mou tô andri mou kai ekalesen to onoma autou issachar o estin misthos  18 et ait dedit Deus mercedem mihi quia dedi ancillam meam viro meo appellavitque nomen illius Isachar    18 Toen zeide Lea: God heeft mijn loon gegeven, nadat ik mijn dienstmaagd aan mijn man gegeven heb; en zij noemde zijn naam Issaschar.   [18] Toen zei Lea: ‘God heeft mij beloond, omdat ik mijn slavin aan mijn man heb gegeven.’ Daarom noemde zij die zoon Issakar*.  [18] ‘God heeft mij beloond omdat ik mijn slavin aan mijn man heb gegeven,’ zei ze, en ze noemde het kind Issachar.   18 Lea zegt: God heeft mij er loon voor gegeven dat ik mijn slavin aan mijn man heb gegeven! Ze roept als naam voor hem uit: Issachar,– hij zal het lonen!   30:18 Léa dit: "Dieu m'a donné mon salaire, pour avoir donné ma servante à mon mari"; et elle l'appela Issachar. 

King James Bible . [18] And Leah said, God hath given me my hire, because I have given my maiden to my husband: and she called his name Issachar.
Luther-Bibel . 18 und sprach: Gott hat mir gelohnt, dass ich meine Magd meinem Manne gegeben habe. Und nannte ihn Issachar.

Tekstuitleg van Gn 30,18 .

1. waththo´mèr (en zij zei) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (197) . Pentateuch (57) . Eerdere Profeten (98) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (39) . Gn (49) . Gn 30 (12) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,3 . (3) Gn 30,6 . (4) Gn 30,8 . (5) Gn 30,11 . (6) Gn 30,13 . (7) Gn 30,14 . (8) Gn 30,15 . (9) Gn 30,16 . (10) Gn 30,18 . (11) Gn 30,20 . (12) Gn 30,23 .

2. le´âh (Lea) . Taalgebruik in Tenakh : le´âh (Lea) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 3 - 1 - 5 . Tenakh (26) . Gn (26) . Gn 30 (11) : (1) Gn 30,9 . (2) Gn 30,10 . (3) Gn 30,11 . (4) Gn 30,12 . (5) Gn 30,13 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,16 . (8) Gn 30,17 . (9) Gn 30,18 . (10) Gn 30,19 . (11) Gn 30,20 . Lea is de oudste dochter van Laban , de zus van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Izaak . Lea krijgt 6 zonen en 1 dochter . De bijvrouw van Lea is Zilpa .

1. - 2. waththo´mèr le´âh (en Lea zei) . Tenakh (4) : (1) Gn 30,11 . (2) Gn 30,13 . (3) Gn 30,18 . (4) Gn 30,20 .

4. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 30 (8) : (1) Gn 30,2 . (2) Gn 30,6 . (3) Gn 30,8 . (4) Gn 30,17 . (5) Gn 30,18 . (6) Gn 30,20 . (7) Gn 30,22 . (8) Gn 30,23 .

10. watthiqërâ´ (en zij noemde) < wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (32) . Pentateuch (20) . Eerdere Profeten (9) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Gn (18) . Gn 30 (7) : (1) Gn 30,8 . (2) Gn 30,11 . (3) Gn 30,13 . (4) Gn 30,18 . (5) Gn 30,20 . (6) Gn 30,21 . (7) Gn 30,24 .

Gn 30, 19 - Gn 30, 19 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
19kai sunelaben eti leia kai eteken uion ekton tô iakôb  19 rursum Lia concipiens peperit sextum filium    19 En Lea werd wederom bevrucht, en zij baarde Jakob den zesden zoon.  [19] Lea werd nog eens zwanger en schonk Jakob een zesde zoon.  [19] Opnieuw werd ze zwanger en ze baarde Jakob een zesde zoon.   19 Nog eens wordt Lea zwanger en baart aan Jakob een zesde zoon.  30:19 Léa conçut encore et elle enfanta à Jacob un sixième fils.  

King James Bible . [19] And Leah conceived again, and bare Jacob the sixth son.
Luther-Bibel . 19 Abermals ward Lea schwanger und gebar Jakob ihren sechsten Sohn

Tekstuitleg van Gn 30,19 .

3. le´âh (Lea) . Taalgebruik in Tenakh : le´âh (Lea) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 3 - 1 - 5 . Tenakh (26) . Gn (26) . Gn 30 (11) : (1) Gn 30,9 . (2) Gn 30,10 . (3) Gn 30,11 . (4) Gn 30,12 . (5) Gn 30,13 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,16 . (8) Gn 30,17 . (9) Gn 30,18 . (10) Gn 30,19 . (11) Gn 30,20 . Lea is de oudste dochter van Laban , de zus van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Izaak . Lea krijgt 6 zonen en 1 dochter . De bijvrouw van Lea is Zilpa .

7. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 30 (10) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,2 . (3) Gn 30,4 . (4) Gn 30,16 . (5) Gn 30,25 . (6) Gn 30,31 . (7) Gn 30,36 . (8) Gn 30,37 . (9) Gn 30,40 . (10) Gn 30,41 .
- lëja`äqobh (Jakob) < voorzetsel lë (voor, aan) + ja`äqobh (Jakob) . Tenakh (36) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (4) . Gn (23) . Gn 30 (9) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,9 . (5) Gn 30,10 . (6) Gn 30,12 . (7) Gn 30,17 . (8) Gn 30,19 . (9) Gn 30,42 .

Gn 30, 20 - Gn 30, 20 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
20kai eipen leia dedôrètai moi o theos dôron kalon en tô nun kairô airetiei me o anèr mou etekon gar autô uious ex kai ekalesen to onoma autou zaboulôn  20 et ait ditavit me Deus dote bona etiam hac vice mecum erit maritus meus eo quod genuerim ei sex filios et idcirco appellavit nomen eius Zabulon    20 En Lea zeide: God heeft mij, mij heeft Hij begiftigd met een goede gift; ditmaal zal mijn man mij bijwonen; want ik heb hem zes zonen gebaard; en zij noemde zijn naam Zebulon.   [20] Lea zei: ‘God heeft mij een mooi geschenk gegeven; ditmaal zal mijn man wel bij mij blijven, want ik heb hem zes zonen geschonken.’ En zij noemde die zoon Zebulon*.   [20] ‘God heeft mij een mooi geschenk gegeven,’ zei ze, ‘mijn man zal mij op handen dragen nu ik hem zes zonen heb gebaard.’ Ze noemde het kind Zebulon.  20 Lea zegt: begiftigd heeft God mij met een goede gift, ditmaal zal mijn man van mij opgeven, want een zestal zonen heb ik hem gebaard!– en ze roept als naam voor hem uit: Zebulon,– opgift!   30:20 Léa dit: "Dieu m'a fait un beau présent, cette fois mon mari m'honorera, car je lui ai donné six fils"; et elle l'appela Zabulon. 

King James Bible . [20] And Leah said, God hath endued me with a good dowry; now will my husband dwell with me, because I have born him six sons: and she called his name Zebulun.
Luther-Bibel . 20 und sprach: Gott hat mich reich beschenkt; nun wird mein Mann doch bei mir bleiben; denn ich habe ihm sechs Söhne geboren. Und nannte ihn Sebulon.

Tekstuitleg van Gn 30,20 .

1. waththo´mèr (en zij zei) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (197) . Pentateuch (57) . Eerdere Profeten (98) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (39) . Gn (49) . Gn 30 (12) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,3 . (3) Gn 30,6 . (4) Gn 30,8 . (5) Gn 30,11 . (6) Gn 30,13 . (7) Gn 30,14 . (8) Gn 30,15 . (9) Gn 30,16 . (10) Gn 30,18 . (11) Gn 30,20 . (12) Gn 30,23 .

2. le´âh (Lea) . Taalgebruik in Tenakh : le´âh (Lea) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 3 - 1 - 5 . Tenakh (26) . Gn (26) . Gn 30 (11) : (1) Gn 30,9 . (2) Gn 30,10 . (3) Gn 30,11 . (4) Gn 30,12 . (5) Gn 30,13 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,16 . (8) Gn 30,17 . (9) Gn 30,18 . (10) Gn 30,19 . (11) Gn 30,20 . Lea is de oudste dochter van Laban , de zus van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Izaak . Lea krijgt 6 zonen en 1 dochter . De bijvrouw van Lea is Zilpa .

1. - 2. waththo´mèr le´âh (en Lea zei) . Tenakh (4) : (1) Gn 30,11 . (2) Gn 30,13 . (3) Gn 30,18 . (4) Gn 30,20 .

4. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 30 (8) : (1) Gn 30,2 . (2) Gn 30,6 . (3) Gn 30,8 . (4) Gn 30,17 . (5) Gn 30,18 . (6) Gn 30,20 . (7) Gn 30,22 . (8) Gn 30,23 .

16. watthiqërâ´ (en zij noemde) < wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (32) . Pentateuch (20) . Eerdere Profeten (9) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Gn (18) . Gn 30 (7) : (1) Gn 30,8 . (2) Gn 30,11 . (3) Gn 30,13 . (4) Gn 30,18 . (5) Gn 30,20 . (6) Gn 30,21 . (7) Gn 30,24 .

Gn 30, 21 - Gn 30, 21 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
21kai meta touto eteken thugatera kai ekalesen to onoma autès dina  21 post quem peperit filiam nomine Dinam     21 En zij baarde daarna een dochter; en zij noemde haar naam Dina.   [21] Daarna bracht zij nog een dochter ter wereld en noemde haar Dina*.   [21] Daarna bracht ze een dochter ter wereld, die ze Dina noemde.  21 Daarna heeft zij een dochter gebaard; ze riep als naam voor haar uit: Dina!   30:21 Ensuite elle mit au monde une fille et elle l'appela Dina. 

King James Bible . [21] And afterwards she bare a daughter, and called her name Dinah.
Luther-Bibel . 21 Danach gebar sie eine Tochter, die nannte sie Dina.

Tekstuitleg van Gn 30,21 .

4. watthiqërâ´ (en zij noemde) < wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (32) . Pentateuch (20) . Eerdere Profeten (9) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Gn (18) . Gn 30 (7) : (1) Gn 30,8 . (2) Gn 30,11 . (3) Gn 30,13 . (4) Gn 30,18 . (5) Gn 30,20 . (6) Gn 30,21 . (7) Gn 30,24 .

Gn 30, 22 - Gn 30, 22 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
22emnèsthè de o theos tès rachèl kai epèkousen autès o theos kai aneôxen autès tèn mètran 22 recordatus quoque Dominus Rahelis exaudivit eam et aperuit vulvam illius  wajjizëkhor ´èlohîm  èth râchel wajjisjëma` elêhä ´èlohîm 22 God dacht ook aan Rachel; en God verhoorde haar, en opende haar baarmoeder.   [22] Toen was God Rachel indachtig: Hij verhoorde haar en opende haar schoot. 
[22] Toen dacht God eindelijk aan Rachel: hij verhoorde haar en opende haar moederschoot. 
22 Dan gedenkt God Rachel: God hoort naar haar en opent haar moederschoot.   30:22 Alors Dieu se souvint de Rachel, il l'exauça et la rendit féconde.  

King James version . And God remembered Rachel, and God hearkened to her, and opened her womb.
Luther Bibel . 22 Gott gedachte aber an Rahel und erhörte sie und machte sie fruchtbar.

Tekstuitleg van Gn 30, 22 . Dit vers Gn 30, 22 telt 10 ( = 2 X 5) en 40 letters (2 X 2 X 10) ; verhouding 1 - 4 . De getalwaarde is 2684 ( = 2 X 2 X 11 X 61) . De onvruchtbare Rachel (Gn 29,31) wordt vruchtbaar . Lea en Rachel zijn gelijken , maar de beschrijving ervan is gevarieerd . In Gn 29,31 - Gn 29,32 is de godsnaam JHWH , in Gn 30,22 - Gn 30,23 God . In Gn 29,31 - Gn 29,32 ligt het accent op het visuele : (en JHWH zag) , in Gn 30,22 - Gn 30,23 op het akoustische (en God luisterde) . wajjizëkhor ´èlohîm (en God gedacht) + wajjisjëma` ´èlohîm (en God hoorde) van Gn 30, 22 komt in omgekeerde volgorde voor in Ex 2,24 .

Gn 30, 22.1. וִַזְכֹּר = wajjizëkhor (en hij gedacht) < wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. enk. van het werkw. זָכַר = zâkhar (gedenken, zich herinneren) . Taalgebruik in Tenach : zâkhar (gedenken) . z k r . De getalwaarde van z-k-r is : zain = 7 , kaph = 11 of 20 , resj = 20 of 200 . Totaal : 38 (2 X 19) OF 227 (priemgetal) . Structuur : 7 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (7) : (1) Gn 8,1 (God gedacht Noach) . (2) Gn 19,29 (God gedacht Abram) . (3) Gn 30,22 (God gedacht Rachel) . (4) Gn 42,9 (Jozef dacht aan zijn dromen) . (5) Ex 2,24 (... ´èth bërîthô = God gedacht zijn verbond met Abraham , Isaak en Jakob) . (6) Js 63,11 (en het - volk - dacht aan de dagen...) . (7) Ps 78,39 . (8) Ps 106,45 . (9) Pr 11,8 (hij dacht aan de dagen... ) .

Gn 30, 22.1. - 2. wajjizëkhor ´èlohîm (en God gedacht) . In vier verzen in de bijbel : (1) Gn 8,1 (God gedacht Noach) . (2) Gn 19,29 (God gedacht Abram) . (3) Gn 30,22 (God gedacht Rachel) . (5) Ex 2,24 (... ´èth bërîthô = God gedacht zijn verbond met Abraham , Isaak en Jakob) .

4. râchel (Rachel) . Taalgebruik in Tenakh : râchel (Rachel) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , lamed = 12 of 20 ; totaal : 40 of 228 (2 X 2 X 3 X 19) . Structuur : 2 - 8 - 2 . In verschillende vormen . In Tenakh : 45 X (44 verzen) . In LXX + NT : 48 (45 X , 44 verzen) + 1 = 49 . râchel (Rachel) . Tenakh (30) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (0) . Gn (30) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . Gn 30 (8) : (1) Ex 30,1. (2) Ex 30,6 . (3) Ex 30,7 . (4) Ex 30,8 . (5) Ex 30,14 . (6) Ex 30,15 . (7) Ex 30,22 . (8) Ex 30,25 . Rachel is de tweede en jongste dochter van Laban , de broer van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Isaak . Rachel is de tweede vrouw van Jakob . Samen kregen zij 2 kinderen : Jozef en Benjamin .

7. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 30 (8) : (1) Gn 30,2 . (2) Gn 30,6 . (3) Gn 30,8 . (4) Gn 30,17 . (5) Gn 30,18 . (6) Gn 30,20 . (7) Gn 30,22 . (8) Gn 30,23 .

Gn 30, 22.5. - 7. יהוה שָׁמַע = sjâma` JHWH (JHWH hoorde / luisterde naar) . Tenakh (8) : (1) Gn 16,11 . (2) Gn 29,33 . (3) Dt 1,45 . (4) 2 K 19,4 . (5) Ps 6,9 . (6) Ps 6,10 . (7) Ps 78,21 . (8) Js 37,4 .
- אֱלֹהִים שָׁמַע = sjâma` ´èlohîm (God hoorde / luisterde) . Tenakh (3) : (1) : Gn 21,17 . (2) Ps 68,19 . (3) Ps 78,59 .
- יהוה וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` JHWH (en JHWH hoorde) . Tenakh (10) : (1) Nu 11,1 . (2) Nu 12,2 . (3) Nu 21,3 . (4) Dt 1,34 . (5) Dt 5,28 . (6) Dt 9,19 . (7) Dt 10,10 . (8) Dt 26,7 . (9) 1 K 17,22 . (10) 2 Kr 30,20 .
- אֱלֹהִים וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` ´èlohîm (en God hoorde) . Tenakh (3) :
(1) Gn 21,17 (en God luisterde naar - de stem van de zoon van Hagar -) . LXX : και εισηκουσεν ὁ θεος = eisèkousen de ho theos (God echter luisterde naar) .
(2) Gn 30,17 (לֵאָה אֶל ... = ´èl Le´âh = En God luisterde naar Lea) . LXX : και επηκουσεν ὁ θεος λειας = kai epèkousen ho theos Leias (en God luisterde naar Lea)
(3) Ex 2,24 (נָאֲקָתָם אֶת ... = ´èth na´äqâthâm = en God luisterde naar het weeklagen - van de Hebreeën) . LXX : και εισηκουσεν ὁ θεος τον στεναγμον αυτων = kai eisèkousen ho theos ton stenagmon autôn (en God luisterde naar hun geweeklaag) .
Zie ook Gn 30,22 (אֱלֹהִים אֵלֶהָ וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` ´elêhâ ´èlohîm = en God luisterde naar haar / Rachel) . LXX : και επηκουσεν αυτης ὁ θεος = kai epèkousen autès ho theos .
God luisterde naar wie in een benarde en uitzichtloze situatie was gekomen . Hij luisterde naar Hagar , Lea , Rachel , de Hebreeën . LXX : Is de Hebreeuwse bepaling bij het werkwoord אֶת = ´èth , dan is de LXX εισηκουσεν = eisèkousen , is de Hebreeuwse bepaling אֶל = ´èl , dan is de LXX επηκουσεν = epèkousen .

Naast het horen staat het zien .
- אֱלֹהִים רָאָה = râ´âh ´èlohîm (God zag) . Tenakh (1) : Gn 31,42 .
- יהוה רָאָה = râ´âh JHWH (JHWH zag) . Tenakh (3) : (1) Gn 29,32 . (2) 2 K 14,26 . (3) 1 Kr 21,15 .
- אֱלֹהִים וַיַּרְא = wajjarë´ ´èlohîm (en God zag) . Tenakh (9) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . (8) Gn 6,5 . (9) Ex 2,25 .
- יהוה וַיַּרְא = wajjarë´ JHWH (en JHWH zag) . Tenakh (5) : (1) Gn 6,5 (JHWH zag de slechtheid van de mensen) . (2) Gn 29,31 (JHWH zag Lea) . (3) Ex 3,4 (JHWH zag Mozes de doornstruik naderen . (4) Dt 32,19 (JHWH zag de afdwaling van het volk) . (5) Js 59,15 .

Gn 30, 22.8. wajjiphëthach (en hij opende) < wë + act. qal imoerf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. pâthach (openen) . Taalgebruik in Tenach : pâthach (openen) . Getalwaarde : pe = 17 of 80 , thaw = 22 of 400 , chet = 8 ; totaal : 47 OF 488 (8 X 61) . Structuur : 8 - 4 - 8 . Gr. anoigô (openen) . Taalgebruik in de LXX : anoigô (openen) . Taalgebruik in het N.T. : anoigô (openen) . Lat. aperire . Fr. ouvrir . D. öffnen . E. to open . Een vorm van anoigô (openen) komt in de LXX (182) , in het N.T. (78) voor . w-j-p-th-ch . Tenach (17) . Gn (6) : (1) Gn 8,6 . (2) Gn 24,32 . (3) Gn 29,31 . (4) Gn 30,22 . (5) Gn 41,56 . (6) Gn 42,27 .
De tegenpool van pâthach (openen) is sâgar (sluiten) . Taalgebruik in Tenach : sâgar (sluiten) .

Gn 30, 22.8. - 10. wajjiphëthach èth rachëmâh (en Hij opende haar schoot) . Tenach (2) : (1) Gn 29,31 . (2) Gn 30,22 .
Tegenpool : sâgar rachëmâh (Hij sloot haar schoot) . Tenach (1) : 1 S 1,5 . Zie ook 1 S 1,6 : sâgar ... rachëmâh (Hij sloot ... haar schoot) .

Gn 30,23 - Gn 30,23 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
23kai sullabousa eteken tô iakôb uion eipen de rachèl afeilen o theos mou to oneidos  23 quae concepit et peperit filium dicens abstulit Deus obprobrium meum  waththahar waththelèth  ben   23 En zij werd bevrucht, en baarde een zoon; en zij zeide: God heeft mijn smaadheid weggenomen!  [23] Zij werd zwanger, baarde een zoon, en zei: ‘God heeft mijn schande weggenomen.’  [23] Ze werd zwanger en bracht een zoon ter wereld. ‘God heeft me van mijn schande verlost,’ zei ze.  23 Ze wordt zwanger en baart een zoon; ze zegt: God heeft mijn smaad saamgevoegd, 30:23 Elle conçut et elle enfanta un fils; elle dit: "Dieu a enlevé ma honte"; 

King James version . And she conceived, and bare a son; and said, God hath taken away my reproach:
Luther Bibel . 23 Da ward sie schwanger und gebar einen Sohn und sprach: Gott hat meine Schmach von mir genommen;

Tekstuitleg van Gn 30,23 . Dit vers Gn 30,23 telt 8 (2³) woorden en 30 (2 X 3 X 5) letters . De getalwaarde van dit vers Gn 30,23 is 3076 (2² X 769) , evenveel als Gn 30,2 .

Gn 30,23.1. act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. וַתַּהַר = waththahar (en zij werd zwanger) van het werkw. הָרָה = hârâh (zie Jouön 79i , p.160) . Taalgebruik in Tenakh : härâh (zwanger worden, - zijn) . Getalwaarde : he = 5 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 30 (2 X 3 X 5) OF 210 (2 X 3 X 5 X 7) . Structuur : 5 - 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (28) . Pentateuch (18) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (2) . Gn (13) : (1) Gn 4,1 (Eva - Kaïn) . (2) Gn 4,17 (de vrouw van Kaïn - Henoch) . (3) Gn 16,4 (Hagar) . - Gn 19,36 (beide dochters van Lot - Moab en Ben - Ammi) - (4) Gn 21,2 (Sara - Isaak) . (5) Gn 25,21 (Rebekka - Esau en Jakob) . (6) Gn 29,32 : waththahar leâh waththelèth (en Lea werd zwanger en zij baarde; Lea - Ruben) . (7) Gn 29,33 (Lea - Simeon) . (8) Gn 29,34 (Lea - Levi) . (9) Gn 29,35 (Lea - Juda) . (10) Gn 30,5 : waththahar bilëhâh waththelèth (en Bilha werd zwanger en zij baarde; Bilha - Dan) . (10) Gn 30,7 (Bilha, de slavin van Rachel, - Naftali) . (11) Gn 30,19 (Lea - Zebulon) . (12) Gn 30,23 (Rachel - Jozef) . (13) Gn 38,4 (Sua , de vrouw van Juda, - Onan) . Eerdere Profeten (4) : (1) 1 S 1,20 . (2) 1 S 2,21 . (3) 2 S 11,5 . (4) 2 K 4,17 .

Gn 30,23.2. waththelèth (en zij baarde) < wë + actief qal imperfectum derde persoon vrouwelijk enkelvoud van het werkwoord jälad . Zie : thôlëdôth (ontstaansgeschiedenissen) . Taalgebruik in Tenakh : thôlëdôth (ontstaansgeschiedenissen) . Tenakh (63) . Pentateuch (37) . Eerdere Profeten (10) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (12) . Gn (31) : (1) Gn 4,1 (Eva - Kaïn) . (2) Gn 4,17 (de vrouw van Kaïn - Henoch) . (3) Gn 4,20 (Ada - Jabal) . (4) Gn 4,25 (Eva - Set) . (5) Gn 16,15 (Hagar - Ismaël) . (6) Gn 19,37 (oudste dochter van Lot - Moab) . (7) Gn 21,2 (Sara - Isaak) . (8) Gn 22,24 (Reüma, de bijvrouw van Nachor, broer van Abraham) . (9) Gn 24,36 (verwijzing naar Sara) . (10) Gn 25,2 (Ketoura, een andere vrouw van Abraham - zonen van Ketoura) . (11) Gn 29,32 (Lea - Ruben) . (12) Gn 29,33 (Lea - Simeon) . (13) Gn 29,34 (Lea - Levi) . (14) Gn 29,35 (Lea - Juda) . (15) Gn 30,3 (wëtheled : en zij zal baren; Bilha, de slavin van Rachel, - Dan) . (16) Gn 30,5 (Bilha, de slavin van Rachel, - Dan) . (17) Gn 30,7 (Bilha, de slavin van Rachel, - Naftali) . (18) Gn 30,10 (Zilpa, de slavin van Lea, - Gad) . (19) Gn 30,12 (Zilpa, de slavin van Lea, - Aser) . (20) Gn 30,17 (Lea - Issakar) . (21) Gn 30,19 (Lea - Zebulon) . (22) Gn 30,23 (Rachel - Jozef) . (23) Gn 35,16 (Rachel - Benjamin) . (24) Gn 36,4 (Ada, de vrouw van Esau, - verschillende zonen) . (25) Gn 36,12 (Timna, een bijvrouw van Esau's zoon Elifaz, - Amalek) . (26) Gn 36,14 (Oholibama, de tweede vrouw van Esau, - verschillende zonen) . (27) Gn 38,3 (Sua, de vrouw van Juda, - Er) . (28) Gn 38,4 (Sua , de vrouw van Juda, - Onan) . (29) Gn 38,5 (Sua , de vrouw van Juda, - Sela) . (30) Gn 46,18 (verwijzing naar Zilpa, de slavin van Lea) . (31) Gn 46,25 (verwijzing naar Bilha, de slavin van Rachel) .

Gn 30,23.1. - 2. וַתַהַר וַתֵּלֶד = waththahar waththelèth (en zij werd zwanger en zij baarde) . Tenakh (11) : (1) Gn 4,1 (Eva - Kaïn) . (2) Gn 4,17 (de vrouw van Kaïn - Henoch) . (3) (7) Gn 21,2 (Sara - Isaak) . (4) (20) Gn 30,17 (Lea - Issakar) . (5) (22) Gn 30,23 (Rachel - Jozef) . (6) (27) Gn 38,3 (Sua , de vrouw van Juda, - Er) . (7) 1 S 2,21 (Hanna) . (8) 1 Kr 7,23 . (9) Js 8,3 . (10) Hos 1,3 . (11) Hos 1,8 .
Zie ook Gn 29,32 : וַתַהַר לֵאָה וַתֵּלֶד = waththahar leâh waththelèth (en Lea werd zwanger en zij baarde) . Gn 30,5 : וַתַהַר בִּלְהָה וַתֵּלֶד = waththahar bilëhâh waththelèth (en Bilha werd zwanger en zij baarde) .
- וַתַהַר עוֹד וַתֵּלֶד = waththahar `ôd waththelèth (en zij werd nog zwanger en zij baarde) . Tenakh (6) : (1) Gn 29,33 . (2) Gn 29,34 . (3) Gn 29,35 . (4) Gn 30,7 . (5) Gn 38,4 . (6)

Gn 30,23.2. - 3. waththelèth ben (en zij baarde een zoon) . Tenakh (21) : (1) Gn 4,25 (Eva - Set) . (2) Gn 29,32 (Lea - Ruben) . (3) Gn 29,33 (Lea - Simeon) . (4) Gn 29,34 (Lea - Levi) . (5) Gn 29,35 (Lea - Juda) . (6) Gn 30,19 (Lea - Zebulon) . (7) Gn 30,23 (Rachel - Jozef) . (8) Gn 38,3 (Sua, de vrouw van Juda, - Er) . (9) Gn 38,4 (Sua , de vrouw van Juda, - Onan) . (10) Gn 38,5 (Sua , de vrouw van Juda, - Sela) . (11) Ex 2,2 . (12) Ex 2,22 . (13) Rt 4,13 . (14) 1 S 1,20 . (15) 2 S 11,27 . (16) 2 S 12,24 . (17) 2 K 4,17 . (18) 1 Kr 7,23 . (19) Js 8,3 . (20) Hos 1,3 . (21) Hos 1,8 . Eveneens : (1) 1 S 1,20 .

Gn 30,23.4. waththo´mèr (en zij zei) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (197) . Pentateuch (57) . Eerdere Profeten (98) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (39) . Gn (49) . Gn 30 (12) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,3 . (3) Gn 30,6 . (4) Gn 30,8 . (5) Gn 30,11 . (6) Gn 30,13 . (7) Gn 30,14 . (8) Gn 30,15 . (9) Gn 30,16 . (10) Gn 30,18 . (11) Gn 30,20 . (12) Gn 30,23 .

Gn 30,23.5. act. inf. 2de aor. αφελειν = afelein van het werkw. αφαιρεω = afaireô (wegnemen) . Taalgebruik in het NT : afaireô (wegnemen) . Bijbel (7) : (1) Gn 48,17 . (2) 2 K 6,32 . (3) Js 53,10 . (4) Pr 3,14 . (5) Est 8,3 . (6) 1 Mak 8,30 . (7) Lc 1,25 . Een vorm van het werkw. αφαιρεω = afaireô in de LXX (168) , in het NT (9) : (1) Mt 26,51 . (2) Mc 14,47 . (3) Lc 1,25 . (4) Lc 10,42 . (5) Lc 16,3 . (6) Lc 22,50 . (7) Rom 11,27 . (8) Heb 10,4 . (9) Apk 22,19 . In de LXX kan een vorm van het Griekse αφαιρεω = afaireô de vertaling van 36 verschillende Hebreeuwse woorden zijn . In Gn 30,23 lezen we de vorm act. ind. aor. 3de pers. enk. αφειλεν = afeilen (hij nam weg) . Bijbel (21) : (1) Gn 30,23 . (2) Lv 8,29 . (3) Lv 9,21 . (4) 1 S 17,51 . (5) 1 S 24,5 . (6) 1 S 24,6 . (7) 2 S 20,22 . (8) 1 K 15,12 . (9) 1 K 20,41 . (10) Js 7,17 . (11) Js 9,13 . (12) Js 25,8 . (13) Js 40,27 . (14) Job 19,9 . (15) 1 Kr 19,4 . (16) Jdt 13,8 . (17) 1 Mak 11,17 . (18) Sir 47,11 . (19) Mt 26,51 . (20) Mc 14,47 . (21) Lc 22,50 .

Gn 30,23.6. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 30 (8) : (1) Gn 30,2 . (2) Gn 30,6 . (3) Gn 30,8 . (4) Gn 30,17 . (5) Gn 30,18 . (6) Gn 30,20 . (7) Gn 30,22 . (8) Gn 30,23 .

Gn 30,23.8. chèrëpâh (smaad, hoon, schande) . Taalgebruik in Tenakh : chèrëpâh (smaad, hoon, schande) . Getalwaarde : chet = 8 , resj = 20 of 200 , pe = 17 of 80 , he = 5 ; totaal : 50 (2 X 5²) OF 293 (priemgetal) . Structuur : 8 - 2 - 8 - 5 .
- chèrëpâthî (mijn smaad) < zelfst. naamw. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mann. enk. . ch-r-p-th-i . Tenakh (7) : (1) Gn 30,23 . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) .

Gn 30,23.5. - 8. Gn 30,23 : eipen de Rachèl : Afeilen ho theos mou to oneidos (Rachel echter zei : God nam mijn schande weg) . Lc 1,25 : afelein oneidos mou en anthrôpois (om mijn schande onder mensen weg te nemen) . Beide verzen tellen elf lettergrepen .


Gn 30, 24 - Gn 30, 24 : De kinderen van. Jakob - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,1 - Gn 30,2 - Gn 30,3 - Gn 30,4 - Gn 30,5 - Gn 30,6 - Gn 30,7 - Gn 30,8 - Gn 30,9 - Gn 30,10 - Gn 30,11 - Gn 30,12 - Gn 30,13 - Gn 30,14 - Gn 30,15 - Gn 30,16 - Gn 30,17 - Gn 30,18 - Gn 30,19 - Gn 30,20 - Gn 30,21 - Gn 30,22 - Gn 30,23 - Gn 30,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
24kai ekalesen to onoma autou iôsèf legousa prosthetô o theos moi uion eteron  24 et vocavit nomen illius Ioseph dicens addat mihi Dominus filium alterum     24 En zij noemde zijn naam Jozef, zeggende: De HEERE voege mij een anderen zoon daartoe.  [24] Zij noemde hem Jozef*, daarbij denkend: ‘Moge de heer mij nog een zoon geven.’  [24] Ze noemde het kind Jozef en zei: ‘Ik hoop dat de HEER mij er nog een zoon bij geeft.’  24 en roept als naam voor hem uit: Jozef,– hij zal toevoegen! en zegt erbij: de ENE zal mij een andere zoon toevoegen!  30:24 et elle l'appela Joseph, disant: "Que Yahvé m'ajoute un autre fils!"  

King James Bible . [24] And she called his name Joseph; and said, The LORD shall add to me another son.
Luther-Bibel . 24 und sie nannte ihn Josef und sprach: Der HERR wolle mir noch einen Sohn dazugeben! Jakob kommt zu Reichtum

Tekstuitleg van Gn 30, 24 . Het vers Gn 30, 24 telt 10 woorden en 32 ( 2² X 2³) letters . De getalwaarde van Gn 30, 24 is 2358 (2 X 3² X 131) .

1. watthiqërâ´ (en zij noemde) < wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (32) . Pentateuch (20) . Eerdere Profeten (9) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Gn (18) . Gn 30 (7) : (1) Gn 30,8 . (2) Gn 30,11 . (3) Gn 30,13 . (4) Gn 30,18 . (5) Gn 30,20 . (6) Gn 30,21 . (7) Gn 30,24 .

1. - 3. watthiqërâ´ (èth) sjëmô (en zij noemde zijn naam) . Tenakh (18 : 9 + 9) : (1) Gn 4,25 (Eva geeft aan Seth zijn naam) . (2) Gn 19,37 (de oudste dochter van Lot geeft aan Moab zijn naam) . (3) Gn 19,38 (de jongste dochter van Lot geeft aan Ben-Ammi zijn naam) . (4) Gn 29,32 (Lea geeft aan Ruben zijn naam) . (5) Gn 29,33 (Lea geeft aan Simeon zijn naam) . (6) Gn 30,8 (Rachel geeft aan Naftali zijn naam) . (7) Gn 30,11 (Lea geeft aan Gad , de zoon van Zilpa, zijn naam) . (8) Gn 30,13 (Lea geeft aan Aser, de tweede zoon van Zilpa, zijn naam) . (9) Gn 30,18 (Lea geeft aan Issakar, haar vijfde zoon , zijn naam) . (10) Gn 30,20 (Lea geeft aan Issakar, haar zesde zoon , zijn naam) . (11) Gn 30,24 (Rachel geeft aan Jozef , haar oudste zoon , zijn naam) . (12) Gn 35,18 (Rachel geeft aan Ben-Omi , haar jongste zoon , zijn naam ; Jakob geeft hem de naam Benjamin) . (13) Gn 38,4 (Sua geeft aan Onan zijn naam) . (14) Gn 38,5 (Sua geeft aan Sela zijn naam) . (15) Ex 2,10 (de dochter van de farao geeft aan Mozes zijn naam) .(16) Re 13,24 (de vrouw van Manoach geeft aan Simson zijn naam) . (17) 1 S 1,20 (Hanna geeft aan Samuël zijn naam) . (18) 1 Kr 7,16 (Maäka geeft aan Peres zijn naam) .

4. jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) . Gn 30 (2) : (1) Gn 30,24 . (2) Gn 30,25 .
Bij de aartsvaders Abraham , Isaak en Jakob spelen de getallen van hun leeftijden een symbolische betekenis .
- Abraham werd 175 jaar oud . 175 = 5² X 7 . (Gn 25,7) . Merkwaardig is de plaats van dit vers in de bijbel : het 25ste hoofdstuk en het 7de vers . Som van de factoren : 5 + 5 + 7 = 17 .
- Isaak werd 180 jaar oud . 180 = 6² X 5 . (Gn 35,28) . Som van de factoren : 6 + 6 + 5 = 17 .
- Jakob werd 147 jaar oud . 147 = 7² X 3 . (Gn 49,33) . Som van de factoren : 7 + 7 + 3 = 17 . De buitenste getallen van 147 is 17 . Ook hier is de plaats van dit vers in de bijbel merkwaardig : het 49ste (7²) hoofdstuk en het 33ste (3) vers . Jakob verbleef 130 (5 X 26) jaar in Kanaän en 17 jaar in Egypte (Gn 47,28) . Merkwaardig is de plaats in de bijbel (Gn 47,28) . De buitenste getallen van 147 is 17 . Het tweede en derde getal van 147 is 47 . 28 = 4 X 7 (hierin schuilt 47) .
Het product van drie opeenvolgende getallen ( 5 - 6 - 7) in het kwadraat , opklimmend , met drie opeenvolgende onpare getallen afdalend . De som van de factoren is telkens 17.
- Jozef leefde 110 jaar . 110 = 5² + 6² + 7² . De som van drie opeenvolgende getallen in het kwadraat . (Gn 50,22) of de som van de kwadraten van de aartsvaders . Deze plaats in de bijbel is wellicht ook merkwaardig . (50ste hoofdstuk) X 22 (22ste vers) = 110 .
Ook de getalwaarde van de namen van de 'aartsvaders' kan een symbolische waarde hebben .
- Isaak (Gn 21,3) . jitsëchâq (Isaak) . Getalwaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 90 , chet = 8 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 49 (7 X 7) OF 208 (8 X 26) .
- Jakob (Gn 25,26) . ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 OF 182 (7 X 26) .
- Jozef (Gn 30,24) . Jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samekh = 15 of 60 , qoph = 17 of 80 ; totaal : 48 (2³ X 2² X 3) OF 156 (6 X 26) .
Het product van drie opeenvolgende getallen (8 - 7 - 6) , afdalend , met de getalwaarde van de godsnaam JHWH = 26 .

6. act. hifil jussief (imperf.) 3de pers. mann. enk. joseph (hij moge toevoegen) van het werkw.
- De werkw. jâsaph (toevoegen) en ´âsaph ...

Gn 30,25-43 . Jakobs list tegen Laban - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,25 - Gn 30,26 - Gn 30,27 - Gn 30,28 - Gn 30,29 - Gn 30,30 - Gn 30,31 - Gn 30,32 - Gn 30,33 - Gn 30,34 - Gn 30,35 - Gn 30,36 - Gn 30,37 - Gn 30,38 - Gn 30,39 - Gn 30,40 - Gn 30,41 - Gn 30,42 - Gn 30,43

Gn 30, 25 - Gn 30, 25 : Jakobs list tegen Laban - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,25 - Gn 30,26 - Gn 30,27 - Gn 30,28 - Gn 30,29 - Gn 30,30 - Gn 30,31 - Gn 30,32 - Gn 30,33 - Gn 30,34 - Gn 30,35 - Gn 30,36 - Gn 30,37 - Gn 30,38 - Gn 30,39 - Gn 30,40 - Gn 30,41 - Gn 30,42 - Gn 30,43 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
25egeneto de ôs eteken rachèl ton iôsèf eipen iakôb tô laban aposteilon me ina apelthô eis ton topon mou kai eis tèn gèn mou 25 nato autem Ioseph dixit Iacob socero suo dimitte me ut revertar in patriam et ad terram meam     25 En het geschiedde, dat Rachel Jozef gebaard had, dat Jakob tot Laban zeide: Laat mij vertrekken, dat ik ga tot mijn plaats, en naar mijn land.   [25] Toen Rachel Jozef gebaard had, zei Jakob tegen Laban: ‘Laat mij teruggaan naar mijn woonplaats en vaderland.  [25] Toen Rachel Jozef ter wereld had gebracht, zei Jakob tegen Laban: ‘Ik zou graag vertrekken: laat mij teruggaan naar het land waar ik vandaan kom.  25 ¶ Het geschiedt als Rachel Jozef heeft gebaard,– dat Jakob tot Laban zegt: zend mij heen, dat ik kan gaan naar eigen oord en eigen land;  30:25 Lorsque Rachel eut enfanté Joseph, Jacob dit à Laban: "Laisse-moi partir, que j'aille chez moi, dans mon pays.  

King James Bible . [25] And it came to pass, when Rachel had born Joseph, that Jacob said unto Laban, Send me away, that I may go unto mine own place, and to my country.
Luther-Bibel . 25 Als nun Rahel den Josef geboren hatte, sprach Jakob zu Laban: Lass mich ziehen und reisen an meinen Ort und in mein Land.

Tekstuitleg van Gn 30,25 .

4. râchel (Rachel) . Taalgebruik in Tenakh : râchel (Rachel) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , lamed = 12 of 20 ; totaal : 40 of 228 (2 X 2 X 3 X 19) . Structuur : 2 - 8 - 2 . In verschillende vormen . In Tenakh : 45 X (44 verzen) . In LXX + NT : 48 (45 X , 44 verzen) + 1 = 49 . râchel (Rachel) . Tenakh (30) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (0) . Gn (30) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . Gn 30 (8) : (1) Ex 30,1. (2) Ex 30,6 . (3) Ex 30,7 . (4) Ex 30,8 . (5) Ex 30,14 . (6) Ex 30,15 . (7) Ex 30,22 . (8) Ex 30,25 . Rachel is de tweede en jongste dochter van Laban , de broer van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Isaak . Rachel is de tweede vrouw van Jakob . Samen kregen zij 2 kinderen : Jozef en Benjamin .

8. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 30 (10) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,2 . (3) Gn 30,4 . (4) Gn 30,16 . (5) Gn 30,25 . (6) Gn 30,31 . (7) Gn 30,36 . (8) Gn 30,37 . (9) Gn 30,40 . (10) Gn 30,41 .
- lëja`äqobh (Jakob) < voorzetsel lë (voor, aan) + ja`äqobh (Jakob) . Tenakh (36) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (4) . Gn (23) . Gn 30 (9) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,9 . (5) Gn 30,10 . (6) Gn 30,12 . (7) Gn 30,17 . (8) Gn 30,19 . (9) Gn 30,42 .

Gn 30, 26 - Gn 30, 26 : Jakobs list tegen Laban - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,25 - Gn 30,26 - Gn 30,27 - Gn 30,28 - Gn 30,29 - Gn 30,30 - Gn 30,31 - Gn 30,32 - Gn 30,33 - Gn 30,34 - Gn 30,35 - Gn 30,36 - Gn 30,37 - Gn 30,38 - Gn 30,39 - Gn 30,40 - Gn 30,41 - Gn 30,42 - Gn 30,43 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
26apodos tas gunaikas mou kai ta paidia peri ôn dedouleuka soi ina apelthô su gar ginôskeis tèn douleian èn dedouleuka soi  26 da mihi uxores et liberos meos pro quibus servivi tibi ut abeam tu nosti servitutem qua servivi tibi    26 Geef mijn vrouwen, en mijn kinderen, om welke ik u gediend heb, dat ik vertrek; want gij weet mijn dienst, dien ik u gediend heb.   [26] Geef mij mijn vrouwen en kinderen voor wie ik bij u gewerkt heb, en laat mij gaan; u weet zelf hoe hard ik voor u gewerkt heb.’  [26] Geef me mijn vrouwen mee, voor wie ik bij u heb gewerkt, en mijn kinderen, en dan ga ik. U weet hoe hard ik al die tijd voor u heb gewerkt.’  26 geef me mijn vrouwen en de mij geborenen mee waarvoor ik je gediend heb, dan kan ik gaan: want jij wéét met welke dienstbaarheid ik je heb gediend!  30:26 Donne-moi mes femmes, pour lesquelles je t'ai servi, et mes enfants, et que je m'en aille. Tu sais bien quel service j'ai accompli pour toi."  

King James Bible . [26] Give me my wives and my children, for whom I have served thee, and let me go: for thou knowest my service which I have done thee.
Luther-Bibel . 26 Gib mir meine Frauen und meine Kinder, um die ich dir gedient habe, dass ich ziehe; denn du weißt, wie ich dir gedient habe.

Tekstuitleg van Gn 30,26 .


Gn 30, 27 - Gn 30, 27 : Jakobs list tegen Laban - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,25 - Gn 30,26 - Gn 30,27 - Gn 30,28 - Gn 30,29 - Gn 30,30 - Gn 30,31 - Gn 30,32 - Gn 30,33 - Gn 30,34 - Gn 30,35 - Gn 30,36 - Gn 30,37 - Gn 30,38 - Gn 30,39 - Gn 30,40 - Gn 30,41 - Gn 30,42 - Gn 30,43 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
27eipen de autô laban ei euron charin enantion sou oiônisamèn an eulogèsen gar me o theos tè sè eisodô  27 ait ei Laban inveniam gratiam in conspectu tuo experimento didici quod benedixerit mihi Deus propter te   27 Toen zeide Laban tot hem: Zo ik nu genade gevonden heb in uw ogen; ik heb waargenomen, dat de HEERE mij om uwentwil gezegend heeft.  [27] Maar Laban zei tegen Jakob: ‘Je moet ook met mij rekening houden; ik heb uit tekenen opgemaakt dat de heer mij omwille van jou gezegend heeft.’   [27] Laban antwoordde: ‘Neem me vooral niet kwalijk – ik heb uit verschillende tekenen opgemaakt dat de HEER mij omwille van jou heeft gezegend.   27 Laban zegt tot hem: moge ik toch genade gevonden hebben in je ogen,– ik heb bespeurd dat de ENE mij zegent ter wille van jou!  30:27 Laban lui dit: "Si j'ai trouvé grâce à tes yeux... J'ai appris par les présages que Yahvé m'avait béni à cause de toi.  

King James Bible . [27] And Laban said unto him, I pray thee, if I have found favour in thine eyes, tarry: for I have learned by experience that the LORD hath blessed me for thy sake.
Luther-Bibel . 27 Laban sprach zu ihm: Lass mich Gnade vor deinen Augen finden. Ich spüre, dass mich der HERR segnet um deinetwillen.

Tekstuitleg van Gn 30,27 .


Gn 30, 28 - Gn 30, 28 : Jakobs list tegen Laban - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,25 - Gn 30,26 - Gn 30,27 - Gn 30,28 - Gn 30,29 - Gn 30,30 - Gn 30,31 - Gn 30,32 - Gn 30,33 - Gn 30,34 - Gn 30,35 - Gn 30,36 - Gn 30,37 - Gn 30,38 - Gn 30,39 - Gn 30,40 - Gn 30,41 - Gn 30,42 - Gn 30,43 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
28diasteilon ton misthon sou pros me kai dôsô  28 constitue mercedem tuam quam dem tibi     28 Hij zeide dan: Noem mij uitdrukkelijk uw loon, dat ik geven zal.   [28] En hij voegde eraan toe: ‘Zeg maar welk loon je van mij wenst, en ik geef het.’   [28] Stel het loon maar vast dat je van me wilt, ik geef je wat je vraagt.’   28 Hij zegt: bepaal je loon bij mij en ik zal het je geven!   30:28 Aussi, ajouta-t-il, fixe-moi ton salaire et je te payerai."  

King James Bible . [28] And he said, Appoint me thy wages, and I will give it.
Luther-Bibel . 28 Bestimme den Lohn, den ich dir geben soll.

Tekstuitleg van Gn 30,28 .


Gn 30, 29 - Gn 30, 29 : Jakobs list tegen Laban - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,25 - Gn 30,26 - Gn 30,27 - Gn 30,28 - Gn 30,29 - Gn 30,30 - Gn 30,31 - Gn 30,32 - Gn 30,33 - Gn 30,34 - Gn 30,35 - Gn 30,36 - Gn 30,37 - Gn 30,38 - Gn 30,39 - Gn 30,40 - Gn 30,41 - Gn 30,42 - Gn 30,43 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
29eipen de autô iakôb su ginôskeis a dedouleuka soi kai osa èn ktènè sou met¢ emou  29 at ille respondit tu nosti quomodo servierim tibi et quanta in manibus meis fuerit possessio tua    29 Toen zeide hij tot hem: Gij weet, hoe ik u gediend heb, en hoe uw vee bij mij geweest is.   [29] Jakob antwoordde: ‘U weet zelf hoe hard ik voor u gewerkt heb en hoe het onder mijn beheer met uw kudde is gegaan.   [29] Hierop zei Jakob: ‘U weet hoe hard ik voor u heb gewerkt en hoe het met uw vee is gegaan sinds ik het verzorg.  29 Hij zegt tot hem: jij weet hoe ik je gediend heb,– en hoe het onder mij met je vee is geworden;  30:29 Il lui répondit: "Tu sais bien de quelle façon je t'ai servi et ce que ton bien est devenu avec moi.  

King James Bible . [29] And he said unto him, Thou knowest how I have served thee, and how thy cattle was with me.
Luther-Bibel . 29 Er aber sprach zu ihm: Du weißt, wie ich dir gedient habe und was aus deinem Vieh geworden ist unter mir.

Tekstuitleg van Gn 30,29 .


Gn 30, 30 - Gn 30, 30 : Jakobs list tegen Laban - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,25 - Gn 30,26 - Gn 30,27 - Gn 30,28 - Gn 30,29 - Gn 30,30 - Gn 30,31 - Gn 30,32 - Gn 30,33 - Gn 30,34 - Gn 30,35 - Gn 30,36 - Gn 30,37 - Gn 30,38 - Gn 30,39 - Gn 30,40 - Gn 30,41 - Gn 30,42 - Gn 30,43 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
30mikra gar èn osa soi èn enantion emou kai èuxèthè eis plèthos kai èulogèsen se kurios epi tô podi mou nun oun pote poièsô kagô emautô oikon  30 modicum habuisti antequam venirem et nunc dives effectus es benedixitque tibi Dominus ad introitum meum iustum est igitur ut aliquando provideam etiam domui meae     30 Want het weinige, dat gij voor mij gehad hebt, dat is tot een menigte uitgebroken; en de HEERE heeft u gezegend bij mijn voet; nu dan, wanneer zal ik ook werken voor mijn huis?   [30] Vóór mijn komst was uw bezit maar klein; het heeft zich sterk uitgebreid, omdat de heer u gezegend heeft, bij elke stap die ik zette. Wanneer zal ik nu eens voor mijn eigen familie kunnen werken?’   [30] Uit het weinige vee dat u voor mijn komst had, is een enorme kudde gegroeid; de HEER heeft u sinds mijn komst inderdaad gezegend. Maar nu wordt het hoog tijd dat ik voor mijzelf aan de slag ga.’  30 want het was maar een béétje dat van jou was vóór mijn verschijning en het brak uit tot een overvloed, de ENE heeft je gezegend voor mijn voetstap; welnu, wanneer mag ik ook iets kunnen doen aan míjn huishouden?   30:30 Le peu que tu avais avant moi s'est accru énormément, et Yahvé t'a béni sur mes pas. Maintenant, quand travaillerai-je aussi pour ma maison?"  

King James Bible . [30] For it was little which thou hadst before I came, and it is now increased unto a multitude; and the LORD hath blessed thee since my coming: and now when shall I provide for mine own house also?
Luther-Bibel . 30 Du hattest wenig, ehe ich herkam; nun aber ist's geworden zu einer großen Menge, und der HERR hat dich gesegnet auf jedem meiner Schritte. Und nun, wann soll ich auch für mein Haus sorgen?

Tekstuitleg van Gn 30,30 .

19. zëbhûlun / zëbhulôn (Zebulon) . Taalgebruik in Tenakh : zëbhûlun (Zebulon) . Getalwaarde : zajin = 7 , beth = 2 , waw = 6 , lamed = 12 of 30 , nun = 14 of 50 ; totaal : 41 OF 95 (5 X 19) . zëbhûlun . Tenakh (24) . Pentateuch (12) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (2) . Gn (2) : (1) Gn 46,14 . (2) Gn 49,13 . zëbhulôn . Tenakh (6) : (1) Gn 30,20 . (2) Re 4,6 . (3) Re 5,18 . (4) Js 8,23 . (5) Ps 68,28 . (6) 2 Kr 30,10 . Zebulon is de zesde en laatste zoon van Lea en de tiende zoon van Jakob .

Gn 30, 31 - Gn 30, 31 : Jakobs list tegen Laban - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,25 - Gn 30,26 - Gn 30,27 - Gn 30,28 - Gn 30,29 - Gn 30,30 - Gn 30,31 - Gn 30,32 - Gn 30,33 - Gn 30,34 - Gn 30,35 - Gn 30,36 - Gn 30,37 - Gn 30,38 - Gn 30,39 - Gn 30,40 - Gn 30,41 - Gn 30,42 - Gn 30,43 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
31kai eipen autô laban ti soi dôsô eipen de autô iakôb ou dôseis moi outhen ean poièsès moi to rèma touto palin poimanô ta probata sou kai fulaxô  31 dixitque Laban quid dabo tibi at ille ait nihil volo sed si feceris quod postulo iterum pascam et custodiam pecora tua     31 En hij zeide: Wat zal ik u geven? Toen zeide Jakob: Gij zult mij niet met al geven, indien gij mij deze zaak doen zult; ik zal wederom uw kudden weiden, en bewaren.  [31] Daarop zei Laban: ‘Wat moet ik je geven?’ Jakob antwoordde: ‘U hoeft mij niets te geven; ik ben bereid opnieuw uw kudde te hoeden, als u het volgende voorstel aanvaardt.   [31] Laban antwoordde: ‘Zeg maar wat ik je moet geven.’ ‘U hoeft mij niets te geven,’ zei Jakob, ‘als u tenminste wilt ingaan op het volgende voorstel. Ik zal uw vee blijven weiden en verzorgen.  31 Hij zegt: wat moet ik je geven? Jakob zegt: je hoeft me niet wat–dan–ook te geven,– als je maar dit woord voor mij doet, dan zal ik weer je wolvee weiden, het bewaken:   30:31 Laban reprit: "Que faut-il te payer?" Jacob répondit: "Tu n'auras rien à me payer: si tu fais pour moi ce que je vais dire, je reprendrai la conduite de ton troupeau.  

King James Bible . [31] And he said, What shall I give thee? And Jacob said, Thou shalt not give me any thing: if thou wilt do this thing for me, I will again feed and keep thy flock:
Luther-Bibel . 31 Er aber sprach: Was soll ich dir denn geben? Jakob sprach: Du sollst mir gar nichts geben; sondern wenn du mir tun willst, was ich dir sage, so will ich deine Schafe wieder weiden und hüten.

Tekstuitleg van Gn 30,31 .

6. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 30 (10) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,2 . (3) Gn 30,4 . (4) Gn 30,16 . (5) Gn 30,25 . (6) Gn 30,31 . (7) Gn 30,36 . (8) Gn 30,37 . (9) Gn 30,40 . (10) Gn 30,41 .
- lëja`äqobh (Jakob) < voorzetsel lë (voor, aan) + ja`äqobh (Jakob) . Tenakh (36) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (4) . Gn (23) . Gn 30 (9) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,9 . (5) Gn 30,10 . (6) Gn 30,12 . (7) Gn 30,17 . (8) Gn 30,19 . (9) Gn 30,42 .

Gn 30, 32 - Gn 30, 32 : Jakobs list tegen Laban - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,25 - Gn 30,26 - Gn 30,27 - Gn 30,28 - Gn 30,29 - Gn 30,30 - Gn 30,31 - Gn 30,32 - Gn 30,33 - Gn 30,34 - Gn 30,35 - Gn 30,36 - Gn 30,37 - Gn 30,38 - Gn 30,39 - Gn 30,40 - Gn 30,41 - Gn 30,42 - Gn 30,43 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
32parelthatô panta ta probata sou sèmeron kai diachôrison ekeithen pan probaton faion en tois arnasin kai pan dialeukon kai ranton en tais aixin estai moi misthos  32 gyra omnes greges tuos et separa cunctas oves varias et sparso vellere et quodcumque furvum et maculosum variumque fuerit tam in ovibus quam in capris erit merces mea    32 Ik zal heden door uw ganse kudde gaan, daarvan afzonderende al het gespikkelde en geplekte vee, en al het bruine vee onder de lammeren, en het geplekte en gespikkelde onder de geiten; en zulks zal mijn loon zijn.   [32] Ik ga vandaag al uw kleinvee langs; zet u dan alle gevlekte en gespikkelde dieren bijeen en zonder ook alle zwarte schapen af. Als loon wil ik enkel de gespikkelde* en gevlekte geiten.   [32] Laat mij vandaag uw hele kudde doorgaan en er alle dieren uit halen die gespikkeld of gevlekt zijn: van de schapen elk zwart dier en van de geiten alles wat gevlekt of gespikkeld is. Dat wil ik als loon.   32 ik zal heel je kudde wolvee vandaag doorkruisen en daaruit verwijderen elk lam dat gespikkeld of gevlekt is, én elk zwart lam bij de schapen, én de gespikkelden en gevlekten bij de geiten: dát zal mijn loon wezen;   30:32 "Je passerai aujourd'hui dans tout ton troupeau. Sépares-en tout animal noir parmi les moutons et ce qui est tacheté ou moucheté parmi les chèvres. Tel sera mon salaire,  

King James Bible . [32] I will pass through all thy flock to day, removing from thence all the speckled and spotted cattle, and all the brown cattle among the sheep, and the spotted and speckled among the goats: and of such shall be my hire.
Luther-Bibel . 32 Ich will heute durch alle deine Herden gehen und aussondern alle gefleckten und bunten Schafe und alle schwarzen Schafe und die bunten und gefleckten Ziegen. Was nun bunt und gefleckt sein wird, das soll mein Lohn sein.

Tekstuitleg van Gn 30,32 .


Gn 30, 33 - Gn 30, 33 : Jakobs list tegen Laban - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,25 - Gn 30,26 - Gn 30,27 - Gn 30,28 - Gn 30,29 - Gn 30,30 - Gn 30,31 - Gn 30,32 - Gn 30,33 - Gn 30,34 - Gn 30,35 - Gn 30,36 - Gn 30,37 - Gn 30,38 - Gn 30,39 - Gn 30,40 - Gn 30,41 - Gn 30,42 - Gn 30,43 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
33kai epakousetai moi è dikaiosunè mou en tè èmera tè aurion oti estin o misthos mou enôpion sou pan o ean mè è ranton kai dialeukon en tais aixin kai faion en tois arnasin keklemmenon estai par¢ emoi  33 respondebitque mihi cras iustitia mea quando placiti tempus advenerit coram te et omnia quae non fuerint varia et maculosa et furva tam in ovibus quam in capris furti me arguent    33 Zo zal mijn gerechtigheid op den dag van morgen met mij betuigen, als gij komen zult over mijn loon, voor uw aangezicht; al wat niet gespikkeld en geplekt is onder de geiten en bruin onder de lammeren, dat zij bij mij gestolen.   [33] U kunt mij vertrouwen; als u later mijn loon in ogenschouw komt nemen, mogen alle niet-gevlekte of gespikkelde geiten en alle niet-zwarte schapen gelden als door mij gestolen.’   [33] Of ik eerlijk te werk ga zal blijken als u mijn loon komt inspecteren: alle geiten die niet gespikkeld of gevlekt zijn en alle schapen die niet zwart zijn, mag u als gestolen beschouwen.’   33 want getuigen zal voor mij mijn oprechtheid op de dag van morgen, wanneer ik zal komen om mijn loon, voor jouw aanschijn: al wat niet gespikkeld of gevlekt is bij de geiten en zwart bij de schapen is gestolen waar bij mij!   30:33 3et mon honnêteté portera témoignage pour moi dans la suite: quand tu viendras vérifier mon salaire, tout ce qui ne sera pas moucheté ou tacheté parmi les chèvres, ou noir parmi les moutons, sera chez moi un vol." 

King James Bible . [33] So shall my righteousness answer for me in time to come, when it shall come for my hire before thy face: every one that is not speckled and spotted among the goats, and brown among the sheep, that shall be counted stolen with me.
Luther-Bibel . 33 So wird meine Redlichkeit morgen für mich zeugen, wenn du kommst wegen meines Lohnes, den ich von dir nehmen soll: Was nicht gefleckt oder bunt unter den Ziegen und nicht schwarz sein wird unter den Lämmern, das sei ein Diebstahl, wenn es sich bei mir findet.

Tekstuitleg van Gn 30,33 .

Gn 30, 34 - Gn 30, 34 : Jakobs list tegen Laban - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,25 - Gn 30,26 - Gn 30,27 - Gn 30,28 - Gn 30,29 - Gn 30,30 - Gn 30,31 - Gn 30,32 - Gn 30,33 - Gn 30,34 - Gn 30,35 - Gn 30,36 - Gn 30,37 - Gn 30,38 - Gn 30,39 - Gn 30,40 - Gn 30,41 - Gn 30,42 - Gn 30,43 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
34eipen de autô laban estô kata to rèma sou  34 dixit Laban gratum habeo quod petis    34 Toen zeide Laban: Zie, och ja, het zij naar uw woord!  [34] Laban zei: ‘Goed, ik neem je voorstel aan.’   [34] ‘Goed,’ zei Laban, ‘ik neem je voorstel aan.’   34 Laban zegt: zie, geschiede naar jouw woord!,  30:34 Laban dit: "C'est bien; qu'il en soit comme tu as dit."  

King James Bible . [34] And Laban said, Behold, I would it might be according to thy word.
Luther-Bibel . 34 Da sprach Laban: Wohlan, es sei, wie du gesagt hast.

Tekstuitleg van Gn 30,34 .

Gn 30, 35 - Gn 30, 35 : Jakobs list tegen Laban - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,25 - Gn 30,26 - Gn 30,27 - Gn 30,28 - Gn 30,29 - Gn 30,30 - Gn 30,31 - Gn 30,32 - Gn 30,33 - Gn 30,34 - Gn 30,35 - Gn 30,36 - Gn 30,37 - Gn 30,38 - Gn 30,39 - Gn 30,40 - Gn 30,41 - Gn 30,42 - Gn 30,43 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
35kai diesteilen en tè èmera ekeinè tous tragous tous rantous kai tous dialeukous kai pasas tas aigas tas rantas kai tas dialeukous kai pan o èn leukon en autois kai pan o èn faion en tois arnasin kai edôken dia cheiros tôn uiôn autou 35 et separavit in die illo capras et oves hircos et arietes varios atque maculosos cunctum autem gregem unicolorem id est albi et nigri velleris tradidit in manu filiorum suorum    35 En hij zonderde af ten zelfden dage de gesprenkelde en geplekte bokken en al de gespikkelde en geplekte geiten, al waar wit aan was, en al het bruine onder de lammeren; en hij gaf dezelve in de hand zijner zonen.   [35] Nog diezelfde dag zette Laban de gestreepte en gespikkelde bokken en alle gevlekte en gespikkelde geiten bijeen, alles waar maar iets wits aan was, en ook alle zwarte schapen. Hij vertrouwde die kudde toe aan zijn zonen.  [35] Maar nog diezelfde dag zette hij de gestreepte en gevlekte bokken apart en de gespikkelde en gevlekte geiten, alles waaraan maar iets wits te zien was, en alle zwarte schapen, en hij stelde die dieren onder de hoede van zijn zonen.   35 en hij verwijdert op diezelfde dag de gestreepte en gevlekte bokken en alle gespikkelde en gevlekte geiten, alles waar laban, – wit aan is, en al wat zwart is onder de schapen, en geeft dat in de hand van zijn zoons.  30:35 Ce jour-là, il mit à part les boucs rayés et tachetés, toutes les chèvres mouchetées et tachetées, tout ce qui avait du blanc, et tout ce qui était noir parmi les moutons. Il les confia à ses fils  

King James Bible . [35] And he removed that day the he goats that were ringstraked and spotted, and all the she goats that were speckled and spotted, and every one that had some white in it, and all the brown among the sheep, and gave them into the hand of his sons.
Luther-Bibel . 35 Und er sonderte an jenem Tage aus die sprenkligen und bunten Böcke und alle gefleckten und bunten Ziegen, wo nur etwas Weißes daran war, und alles, was schwarz war unter den Lämmern, und tat's unter die Hand seiner Söhne

Tekstuitleg van Gn 30,35 .


Gn 30, 36 - Gn 30, 36 : Jakobs list tegen Laban - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,25 - Gn 30,26 - Gn 30,27 - Gn 30,28 - Gn 30,29 - Gn 30,30 - Gn 30,31 - Gn 30,32 - Gn 30,33 - Gn 30,34 - Gn 30,35 - Gn 30,36 - Gn 30,37 - Gn 30,38 - Gn 30,39 - Gn 30,40 - Gn 30,41 - Gn 30,42 - Gn 30,43 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
36kai apestèsen odon triôn èmerôn ana meson autôn kai ana meson iakôb iakôb de epoimainen ta probata laban ta upoleifthenta  36 et posuit spatium itineris inter se et generum dierum trium qui pascebat reliquos greges eius    36 En hij stelde een weg van drie dagen tussen hem, en tussen Jakob; en Jakob weidde de overige kudde van Laban.   [36] Hij bepaalde dat er tussen hem en Jakob een afstand van drie dagreizen moest blijven; en Jakob mocht alleen het kleinvee van Laban weiden dat nog over was.  [36] Hij bepaalde dat Jakob drie dagreizen bij hem vandaan moest blijven. Het vee dat overgebleven was, mocht Jakob weiden.  36 Hij stelt in: een afstand van drie dagen tussen hem en Jakob; terwijl Jakob herder wordt over wat er van Labans wolvee is overgebleven.   30:36 et il mit trois jours de chemin entre lui et Jacob. Et Jacob faisait paître le reste du bétail de Laban.  

King James Bible . [36] And he set three days' journey betwixt himself and Jacob: and Jacob fed the rest of Laban's flocks.
Luther-Bibel . 36 und machte einen Raum, drei Tagereisen weit, zwischen sich und Jakob. Jakob aber weidete die übrigen Herden Labans.

Tekstuitleg van Gn 30,36 .

7. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 30 (10) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,2 . (3) Gn 30,4 . (4) Gn 30,16 . (5) Gn 30,25 . (6) Gn 30,31 . (7) Gn 30,36 . (8) Gn 30,37 . (9) Gn 30,40 . (10) Gn 30,41 .
- lëja`äqobh (Jakob) < voorzetsel lë (voor, aan) + ja`äqobh (Jakob) . Tenakh (36) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (4) . Gn (23) . Gn 30 (9) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,9 . (5) Gn 30,10 . (6) Gn 30,12 . (7) Gn 30,17 . (8) Gn 30,19 . (9) Gn 30,42 .

Gn 30, 37 - Gn 30, 37 : Jakobs list tegen Laban - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,25 - Gn 30,26 - Gn 30,27 - Gn 30,28 - Gn 30,29 - Gn 30,30 - Gn 30,31 - Gn 30,32 - Gn 30,33 - Gn 30,34 - Gn 30,35 - Gn 30,36 - Gn 30,37 - Gn 30,38 - Gn 30,39 - Gn 30,40 - Gn 30,41 - Gn 30,42 - Gn 30,43 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
37elaben de eautô iakôb rabdon sturakinèn chlôran kai karuinèn kai platanou kai elepisen autas iakôb lepismata leuka perisurôn to chlôron efaineto de epi tais rabdois to leukon o elepisen poikilon  37 tollens ergo Iacob virgas populeas virides et amigdalinas et ex platanis ex parte decorticavit eas detractisque corticibus in his quae spoliata fuerant candor apparuit illa vero quae integra erant viridia permanserunt atque in hunc modum color effectus est varius     37 Toen nam zich Jakob roeden van groen populierenhout, en van hazelaar, en van kastanje; en hij schilde daarin witte strepen, ontblotende het wit, hetwelk aan die roeden was. [37] Toen haalde Jakob verse takken van populieren, amandelbomen en platanen, en bracht er witte strepen op aan, door het wit van de takken bloot te leggen.   [37] Jakob brak jonge takken van populieren, amandelbomen en platanen en schilde ze zo dat het wit van de takken in strepen bloot kwam.  37 ¶ Dan neemt Jakob zich verse takken van de witte labanspopulier, van hazelaar en plataan, en kerft daarin witte labanskerven, blootleggend het labanswit op de takken.   30:37 Jacob prit des baguettes fraîches de peuplier, d'amandier et de platane et il les écorça de bandes blanches, mettant à nu l'aubier qui était sur les baguettes. 

King James Bible . [37] And Jacob took him rods of green poplar, and of the hazel and chesnut tree; and pilled white strakes in them, and made the white appear which was in the rods.
Luther-Bibel . 37 Und Jakob nahm frische Stäbe von Pappeln, Mandelbäumen und Platanen und schälte weiße Streifen daran aus, sodass an den Stäben das Weiße bloß wurde,

Tekstuitleg van Gn 30,37 .

3. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 30 (10) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,2 . (3) Gn 30,4 . (4) Gn 30,16 . (5) Gn 30,25 . (6) Gn 30,31 . (7) Gn 30,36 . (8) Gn 30,37 . (9) Gn 30,40 . (10) Gn 30,41 .
- lëja`äqobh (Jakob) < voorzetsel lë (voor, aan) + ja`äqobh (Jakob) . Tenakh (36) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (4) . Gn (23) . Gn 30 (9) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,9 . (5) Gn 30,10 . (6) Gn 30,12 . (7) Gn 30,17 . (8) Gn 30,19 . (9) Gn 30,42 .

Gn 30, 38 - Gn 30, 38 : Jakobs list tegen Laban - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,25 - Gn 30,26 - Gn 30,27 - Gn 30,28 - Gn 30,29 - Gn 30,30 - Gn 30,31 - Gn 30,32 - Gn 30,33 - Gn 30,34 - Gn 30,35 - Gn 30,36 - Gn 30,37 - Gn 30,38 - Gn 30,39 - Gn 30,40 - Gn 30,41 - Gn 30,42 - Gn 30,43 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
38kai parethèken tas rabdous as elepisen en tais lènois tôn potistèriôn tou udatos ina ôs an elthôsin ta probata piein enôpion tôn rabdôn elthontôn autôn eis to piein 38 posuitque eas in canalibus ubi effundebatur aqua ut cum venissent greges ad bibendum ante oculos haberent virgas et in aspectu earum conciperent    38 En hij leide deze roeden, die hij geschild had, in de goten, en in de drinkbakken van het water, waar de kudde kwam drinken, tegenover de kudde; en zij werden verhit, als zij kwamen om te drinken.  [38] De takken die hij zo bewerkt had, legde hij vlak voor het kleinvee in de troggen en drinkbakken. De dieren waren namelijk gewend te paren als ze daar kwamen drinken.   [38] Die afgeschilde takken legde hij in de drinkbakken. Wanneer de geiten kwamen drinken, werden de wijfjes, die tegenover de bokken stonden, namelijk bronstig. 38 Hij plaatst de takken die hij heeft ingekerfd in de goten, in de waterdrinkbakken,– waar ze komen om te drinken, het ene wolvee pal voor het andere wolvee. Ze worden bronstig als ze komen om te drinken;  30:38 Il mit les baguettes qu'il avait écorcées en face des bêtes dans les auges, dans les abreuvoirs où les bêtes venaient boire, et les bêtes s'accouplaient en venant boire. 

King James Bible . [38] And he set the rods which he had pilled before the flocks in the gutters in the watering troughs when the flocks came to drink, that they should conceive when they came to drink.
Luther-Bibel . 38 und legte die Stäbe, die er geschält hatte, in die Tränkrinnen, wo die Herden hinkommen mussten zu trinken, dass sie da empfangen sollten, wenn sie zu trinken kämen.

Tekstuitleg van Gn 30,38 .

15. וַיֵּחַמְנָה = wajechamënâh (het werd bronstig) < waw consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. vr. mv. van het werkw. יָחַם = jâcham (verhit zijn, bronstig zijn) . Taalgebruik in Tenakh : jâcham (verhit zijn, bronstig zijn) . De thaw van het imperf. 3de pers. vr. enk. en mv. is vervangen door een jod . Hierdoor begint de werkw. vorm met een jod en eindigt met een he , zoals de godsnaam JHWH .
- In 3 teksten in Tenakh komt dit voor :
1. Gn 30,38 : וַיֵּחַמְנָה = wajechamënâh (het werd bronstig) < waw consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. vr. mv. van het werkw. יָחַם = jâcham (verhit zijn, bronstig zijn) . Taalgebruik in Tenakh : jâcham (verhit zijn, bronstig zijn) .
2. 1 S 6,12 : וַיִּשַּׁרְנָה = wajjisjsjarënâh (en ) < waw consecutivum + act; qal imperf. 3de pers. vr. mv. van het werkw. יָשַׁר = jâsjar (recht zijn , rechtuit gaan , rechtschapen zijn) . Taalgebruik in Tenakh : jâsjar (recht zijn , rechtuit gaan , rechtschapen zijn) .
3. act. qal imperf. 3de pers. vr. mv. יַעֱמֹדְנָה = ja`ämodënâh (en zij staan) van het werkw. עָמַד = `âmad (gestand doen, zich stellen, staan) . Taalgebruik in Tenakh : `âmad (gestand doen, zich stellen, staan) .

Gn 30, 39 - Gn 30, 39 : Jakobs list tegen Laban - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,25 - Gn 30,26 - Gn 30,27 - Gn 30,28 - Gn 30,29 - Gn 30,30 - Gn 30,31 - Gn 30,32 - Gn 30,33 - Gn 30,34 - Gn 30,35 - Gn 30,36 - Gn 30,37 - Gn 30,38 - Gn 30,39 - Gn 30,40 - Gn 30,41 - Gn 30,42 - Gn 30,43 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
39egkissèsôsin ta probata eis tas rabdous kai etikton ta probata dialeuka kai poikila kai spodoeidè ranta  factumque est ut in ipso calore coitus oves intuerentur virgas et parerent maculosa et varia et diverso colore respersa     39 Als dan de kudde verhit werd bij de roeden, zo lammerde de kudde gesprenkelde, gespikkelde, en geplekte.   [39] De dieren die bij de takken gepaard hadden wierpen gestreepte, gevlekte en gespikkelde jongen.   [39] Als ze bij de takken besprongen werden, wierpen ze gestreepte, gespikkelde en gevlekte jongen.   39 ze worden bronstig, het wolvee, bij de takken,– en het wolvee baart gestreepten, gespikkelden en gevlekten.   30:39 Elles s'accouplèrent donc devant les baguettes et elles mirent bas des petits rayés, mouchetés et tachetés. 

King James Bible . [39] And the flocks conceived before the rods, and brought forth cattle ringstraked, speckled, and spotted.
Luther-Bibel . 39 So empfingen die Herden über den Stäben und brachten Sprenklige, Gefleckte und Bunte.

Tekstuitleg van Gn 30,39 .


Gn 30, 40 - Gn 30, 40 : Jakobs list tegen Laban - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,25 - Gn 30,26 - Gn 30,27 - Gn 30,28 - Gn 30,29 - Gn 30,30 - Gn 30,31 - Gn 30,32 - Gn 30,33 - Gn 30,34 - Gn 30,35 - Gn 30,36 - Gn 30,37 - Gn 30,38 - Gn 30,39 - Gn 30,40 - Gn 30,41 - Gn 30,42 - Gn 30,43 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
40tous de amnous diesteilen iakôb kai estèsen enantion tôn probatôn krion dialeukon kai pan poikilon en tois amnois kai diechôrisen eautô poimnia kath¢ eauton kai ouk emixen auta eis ta probata laban  40 divisitque gregem Iacob et posuit virgas ante oculos arietum erant autem alba quaeque et nigra Laban cetera vero Iacob separatis inter se gregibus    40 Toen scheidde Jakob de lammeren, en hij wendde het gezicht der kudde op het gesprenkelde, en al het bruine onder Labans kudde; en hij stelde zijn kudden alleen, en hij zette ze niet bij de kudde van Laban.   [40] De aldus verkregen jongen hield Jakob apart; met deze gevlekte en zwarte dieren liet hij Labans kleinvee paren en op deze wijze vormde hij een eigen kudde, die hij niet bij Labans kudde liet komen.  [40] De schapen zette Jakob apart en hij zorgde ervoor dat hun koppen bij het paren gericht waren naar de dieren van Laban die gestreept of zwart waren. Zo vormde hij zijn eigen kudden, die hij gescheiden hield van Labans vee.   40 De schapen heeft Jakob afgezonderd en hij heeft de blik van het wolvee gericht naar het gestreepte en al het zwarte bij het wolvee van Laban; hij heeft voor zichzelf kudden apart gezet,– hij heeft ze niet neergezet bij het wolvee van Laban.  30:40 Quant aux moutons, Jacob les mit à part et il tourna les bêtes vers ce qui était rayé et tout ce qui était noir dans le troupeau de Laban. Ainsi il se constitua des troupeaux à lui, qu'il ne mit pas avec les troupeaux de Laban. 

King James Bible . [40] And Jacob did separate the lambs, and set the faces of the flocks toward the ringstraked, and all the brown in the flock of Laban; and he put his own flocks by themselves, and put them not unto Laban's cattle.
Luther-Bibel . 40 Da sonderte Jakob die Lämmer aus und machte sich eigene Herden; die tat er nicht zu den Herden Labans.

Tekstuitleg van Gn 30,40 .

3. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 30 (10) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,2 . (3) Gn 30,4 . (4) Gn 30,16 . (5) Gn 30,25 . (6) Gn 30,31 . (7) Gn 30,36 . (8) Gn 30,37 . (9) Gn 30,40 . (10) Gn 30,41 .
- lëja`äqobh (Jakob) < voorzetsel lë (voor, aan) + ja`äqobh (Jakob) . Tenakh (36) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (4) . Gn (23) . Gn 30 (9) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,9 . (5) Gn 30,10 . (6) Gn 30,12 . (7) Gn 30,17 . (8) Gn 30,19 . (9) Gn 30,42 .

 

Gn 30, 41 - Gn 30, 41 : Jakobs list tegen Laban - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,25 - Gn 30,26 - Gn 30,27 - Gn 30,28 - Gn 30,29 - Gn 30,30 - Gn 30,31 - Gn 30,32 - Gn 30,33 - Gn 30,34 - Gn 30,35 - Gn 30,36 - Gn 30,37 - Gn 30,38 - Gn 30,39 - Gn 30,40 - Gn 30,41 - Gn 30,42 - Gn 30,43 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
41egeneto de en tô kairô ô enekissèsen ta probata en gastri lambanonta ethèken iakôb tas rabdous enantion tôn probatôn en tais lènois tou egkissèsai auta kata tas rabdous  41 igitur quando primo tempore ascendebantur oves ponebat Iacob virgas in canalibus aquarum ante oculos arietum et ovium ut in earum contemplatione conciperent    41 En het geschiedde, telkens als de kudde der vroegelingen verhit werd, zo stelde Jakob de roeden voor de ogen der kudde in de goten, opdat zij hittig werden bij de roeden.  [41] Alleen voor de sterke dieren die bronstig werden legde Jakob zijn takken in de troggen, om ze bij die takken te laten paren.   [41] Steeds als de sterke geiten bronstig werden, legde Jakob de takken vlak voor hun ogen in de drinkbak, zodat ze bij de takken besprongen zouden worden.  41 Het is geschied: bij elke bronst van de sterksten uit het wolvee, heeft Jakob de takken neergezet voor de ogen van het wolvee, in de drinkbakken om met die takken bronst op te wekken.   30:41 De plus, chaque fois que s'accouplaient les bêtes robustes, Jacob mettait les baguettes devant les yeux des bêtes dans les auges, pour qu'elles s'accouplent devant les baguettes.  

King James Bible . [41] And it came to pass, whensoever the stronger cattle did conceive, that Jacob laid the rods before the eyes of the cattle in the gutters, that they might conceive among the rods.
Luther-Bibel . 41 Wenn aber die Brunstzeit der kräftigen Tiere war, legte er die Stäbe in die Rinnen vor die Augen der Herde, dass sie über den Stäben empfingen.

Tekstuitleg van Gn 30,41 .

7. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 30 (10) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,2 . (3) Gn 30,4 . (4) Gn 30,16 . (5) Gn 30,25 . (6) Gn 30,31 . (7) Gn 30,36 . (8) Gn 30,37 . (9) Gn 30,40 . (10) Gn 30,41 .
- lëja`äqobh (Jakob) < voorzetsel lë (voor, aan) + ja`äqobh (Jakob) . Tenakh (36) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (4) . Gn (23) . Gn 30 (9) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,9 . (5) Gn 30,10 . (6) Gn 30,12 . (7) Gn 30,17 . (8) Gn 30,19 . (9) Gn 30,42 .

Gn 30, 42 - Gn 30, 42 : Jakobs list tegen Laban - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,25 - Gn 30,26 - Gn 30,27 - Gn 30,28 - Gn 30,29 - Gn 30,30 - Gn 30,31 - Gn 30,32 - Gn 30,33 - Gn 30,34 - Gn 30,35 - Gn 30,36 - Gn 30,37 - Gn 30,38 - Gn 30,39 - Gn 30,40 - Gn 30,41 - Gn 30,42 - Gn 30,43 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
42ènika d¢ an etekon ta probata ouk etithei egeneto de ta asèma tou laban ta de episèma tou iakôb  42 quando vero serotina admissura erat et conceptus extremus non ponebat eas factaque sunt ea quae erant serotina Laban et quae primi temporis Iacob    42 Maar als de kudde spade hittig werd, zo stelde hij ze niet, zodat de spadelingen Laban, en de vroegelingen Jakob toekwamen.  [42] Voor de zwakke dieren legde hij ze er niet in. Zodoende kreeg Laban alleen zwakke dieren en Jakob sterke.   [42] Maar was het zwak vee, dan gebruikte hij de takken niet. Zo kreeg Laban de zwakke dieren en Jakob de sterke.  42 En bij wat verkwijnde uit het wolvee heeft hij niets neergezet; zo is het geschied: de kwijnenden voor Laban en de sterken voor Jakob!  30:42 Quand les bêtes étaient chétives, il ne les mettait pas, et ainsi ce qui était chétif fut pour Laban, ce qui était robuste fut pour Jacob. 

King James Bible . [42] But when the cattle were feeble, he put them not in: so the feebler were Laban's, and the stronger Jacob's.
Luther-Bibel . 42 Aber wenn die Tiere schwächlich waren, legte er sie nicht hinein. So wurden die schwächlichen Tiere dem Laban zuteil, aber die kräftigen dem Jakob.

Tekstuitleg van Gn 30,42 .

Gn 30,42.1. וּבְהַעֱטִיף = ûbhëha`ätîph (en in het verkwijnen) < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel bë + werkwoordvorm act. hifil inf. constr. van het werkw. עָטַף = `âtaph (zwak zijn, krachteloos woorden, verkwijnen) . Taalgebruik in Tenakh : `âtaph (zwak zijn, krachteloos woorden, verkwijnen) . Tenakh (1) : Gn 30,42 . De eind-pe heeft de getalswaarde van 26 of 800 . Gn 30,37-42 beschrijft hoe Jakob buitengewoon rijk werd . De getalswaarde van de eind-pe is dezelfde als die van de godsnaam JHWH .

9. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 30 (10) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,2 . (3) Gn 30,4 . (4) Gn 30,16 . (5) Gn 30,25 . (6) Gn 30,31 . (7) Gn 30,36 . (8) Gn 30,37 . (9) Gn 30,40 . (10) Gn 30,41 .
- lëja`äqobh (Jakob) < voorzetsel lë (voor, aan) + ja`äqobh (Jakob) . Tenakh (36) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (4) . Gn (23) . Gn 30 (9) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,9 . (5) Gn 30,10 . (6) Gn 30,12 . (7) Gn 30,17 . (8) Gn 30,19 . (9) Gn 30,42 .

Gn 30, 43 - Gn 30, 43 : Jakobs list tegen Laban - Gn 30 -- verwijzingen -- Gn 30,1-24 -- Gn 30,25-43 -- Gn 30,25 - Gn 30,26 - Gn 30,27 - Gn 30,28 - Gn 30,29 - Gn 30,30 - Gn 30,31 - Gn 30,32 - Gn 30,33 - Gn 30,34 - Gn 30,35 - Gn 30,36 - Gn 30,37 - Gn 30,38 - Gn 30,39 - Gn 30,40 - Gn 30,41 - Gn 30,42 - Gn 30,43 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
43kai eploutèsen o anthrôpos sfodra sfodra kai egeneto autô ktènè polla kai boes kai paides kai paidiskai kai kamèloi kai onoi   43 ditatusque est homo ultra modum et habuit greges multos ancillas et servos camelos et asinos        43 En die man brak gans zeer uit in menigte, en hij had vele kudden, en dienstmaagden, en dienstknechten, en kemelen, en ezelen.  [43] Zo werd Jakob buitengewoon rijk. Hij kreeg grote kudden, slavinnen en slaven, kamelen en ezels.  [43] Jakobs bezit werd groter en groter: hij kreeg niet alleen veel schapen en geiten, maar ook slaven en slavinnen, kamelen en ezels.  43 De man breidt uitermate uit: een overvloed aan wolvee, slavinnen en dienaars, kamelen en ezels wordt van hem.   30:43 L'homme s'enrichit énormément et il eut du bétail en quantité, des servantes et des serviteurs, des chameaux et des ânes.  

King James Bible . [43] And the man increased exceedingly, and had much cattle, and maidservants, and menservants, and camels, and asses.
Luther-Bibel . 43 Daher wurde der Mann über die Maßen reich, sodass er viele Schafe, Mägde und Knechte, Kamele und Esel hatte.

Tekstuitleg van Gn 30,43 .


SEPTUAGINT

1idousa de rachèl oti ou tetoken tô iakôb kai ezèlôsen rachèl tèn adelfèn autès kai eipen tô iakôb dos moi tekna ei de mè teleutèsô egô2ethumôthè de iakôb tè rachèl kai eipen autè mè anti theou egô eimi os esterèsen se karpon koilias3eipen de rachèl tô iakôb idou è paidiskè mou balla eiselthe pros autèn kai texetai epi tôn gonatôn mou kai teknopoièsomai kagô ex autès4kai edôken autô ballan tèn paidiskèn autès autô gunaika eisèlthen de pros autèn iakôb5kai sunelaben balla è paidiskè rachèl kai eteken tô iakôb uion6kai eipen rachèl ekrinen moi o theos kai epèkousen tès fônès mou kai edôken moi uion dia touto ekalesen to onoma autou dan7kai sunelaben eti balla è paidiskè rachèl kai eteken uion deuteron tô iakôb8kai eipen rachèl sunelabeto moi o theos kai sunanestrafèn tè adelfè mou kai èdunasthèn kai ekalesen to onoma autou nefthali9eiden de leia oti estè tou tiktein kai elaben zelfan tèn paidiskèn autès kai edôken autèn tô iakôb gunaika10eisèlthen de pros autèn iakôb kai sunelaben zelfa è paidiskè leias kai eteken tô iakôb uion11kai eipen leia en tuchè kai epônomasen to onoma autou gad12kai sunelaben zelfa è paidiskè leias kai eteken eti tô iakôb uion deuteron13kai eipen leia makaria egô oti makarizousin me ai gunaikes kai ekalesen to onoma autou asèr14eporeuthè de roubèn en èmerais therismou purôn kai euren mèla mandragorou en tô agrô kai ènegken auta pros leian tèn mètera autou eipen de rachèl tè leia dos moi tôn mandragorôn tou uiou sou15eipen de leia ouch ikanon soi oti elabes ton andra mou mè kai tous mandragoras tou uiou mou lèmyè eipen de rachèl ouch outôs koimèthètô meta sou tèn nukta tautèn anti tôn mandragorôn tou uiou sou16eisèlthen de iakôb ex agrou esperas kai exèlthen leia eis sunantèsin autô kai eipen pros me eiseleusè sèmeron memisthômai gar se anti tôn mandragorôn tou uiou mou kai ekoimèthè met¢ autès tèn nukta ekeinèn17kai epèkousen o theos leias kai sullabousa eteken tô iakôb uion pempton18kai eipen leia edôken o theos ton misthon mou anth¢ ou edôka tèn paidiskèn mou tô andri mou kai ekalesen to onoma autou issachar o estin misthos19kai sunelaben eti leia kai eteken uion ekton tô iakôb20kai eipen leia dedôrètai moi o theos dôron kalon en tô nun kairô airetiei me o anèr mou etekon gar autô uious ex kai ekalesen to onoma autou zaboulôn21kai meta touto eteken thugatera kai ekalesen to onoma autès dina22emnèsthè de o theos tès rachèl kai epèkousen autès o theos kai aneôxen autès tèn mètran23kai sullabousa eteken tô iakôb uion eipen de rachèl afeilen o theos mou to oneidos24kai ekalesen to onoma autou iôsèf legousa prosthetô o theos moi uion eteron25egeneto de ôs eteken rachèl ton iôsèf eipen iakôb tô laban aposteilon me ina apelthô eis ton topon mou kai eis tèn gèn mou26apodos tas gunaikas mou kai ta paidia peri ôn dedouleuka soi ina apelthô su gar ginôskeis tèn douleian èn dedouleuka soi27eipen de autô laban ei euron charin enantion sou oiônisamèn an eulogèsen gar me o theos tè sè eisodô28diasteilon ton misthon sou pros me kai dôsô29eipen de autô iakôb su ginôskeis a dedouleuka soi kai osa èn ktènè sou met¢ emou30mikra gar èn osa soi èn enantion emou kai èuxèthè eis plèthos kai èulogèsen se kurios epi tô podi mou nun oun pote poièsô kagô emautô oikon31kai eipen autô laban ti soi dôsô eipen de autô iakôb ou dôseis moi outhen ean poièsès moi to rèma touto palin poimanô ta probata sou kai fulaxô32parelthatô panta ta probata sou sèmeron kai diachôrison ekeithen pan probaton faion en tois arnasin kai pan dialeukon kai ranton en tais aixin estai moi misthos33kai epakousetai moi è dikaiosunè mou en tè èmera tè aurion oti estin o misthos mou enôpion sou pan o ean mè è ranton kai dialeukon en tais aixin kai faion en tois arnasin keklemmenon estai par¢ emoi34eipen de autô laban estô kata to rèma sou35kai diesteilen en tè èmera ekeinè tous tragous tous rantous kai tous dialeukous kai pasas tas aigas tas rantas kai tas dialeukous kai pan o èn leukon en autois kai pan o èn faion en tois arnasin kai edôken dia cheiros tôn uiôn autou36kai apestèsen odon triôn èmerôn ana meson autôn kai ana meson iakôb iakôb de epoimainen ta probata laban ta upoleifthenta37elaben de eautô iakôb rabdon sturakinèn chlôran kai karuinèn kai platanou kai elepisen autas iakôb lepismata leuka perisurôn to chlôron efaineto de epi tais rabdois to leukon o elepisen poikilon38kai parethèken tas rabdous as elepisen en tais lènois tôn potistèriôn tou udatos ina ôs an elthôsin ta probata piein enôpion tôn rabdôn elthontôn autôn eis to piein39egkissèsôsin ta probata eis tas rabdous kai etikton ta probata dialeuka kai poikila kai spodoeidè ranta40tous de amnous diesteilen iakôb kai estèsen enantion tôn probatôn krion dialeukon kai pan poikilon en tois amnois kai diechôrisen eautô poimnia kath¢ eauton kai ouk emixen auta eis ta probata laban41egeneto de en tô kairô ô enekissèsen ta probata en gastri lambanonta ethèken iakôb tas rabdous enantion tôn probatôn en tais lènois tou egkissèsai auta kata tas rabdous42ènika d¢ an etekon ta probata ouk etithei egeneto de ta asèma tou laban ta de episèma tou iakôb43kai eploutèsen o anthrôpos sfodra sfodra kai egeneto autô ktènè polla kai boes kai paides kai paidiskai kai kamèloi kai onoi


VULGAAT

1 cernens autem Rahel quod infecunda esset invidit sorori et ait marito suo da mihi liberos alioquin moriar 2 cui iratus respondit Iacob num pro Deo ego sum qui privavit te fructu ventris tui 3 at illa habeo inquit famulam Balam ingredere ad eam ut pariat super genua mea et habeam ex ea filios 4 deditque illi Balam in coniugium quae 5 ingresso ad se viro concepit et peperit filium 6 dixitque Rahel iudicavit mihi Dominus et exaudivit vocem meam dans mihi filium et idcirco appellavit nomen illius Dan 7 rursumque Bala concipiens peperit alterum 8 pro quo ait Rahel conparavit me Deus cum sorore mea et invalui vocavitque eum Nepthalim 9 sentiens Lia quod parere desisset Zelpham ancillam suam marito tradidit 10 qua post conceptum edente filium 11 dixit feliciter et idcirco vocavit nomen eius Gad 12 peperit quoque Zelpha alterum 13 dixitque Lia hoc pro beatitudine mea beatam quippe me dicent mulieres propterea appellavit eum Aser 14 egressus autem Ruben tempore messis triticeae in agro repperit mandragoras quos matri Liae detulit dixitque Rahel da mihi partem de mandragoris filii tui 15 illa respondit parumne tibi videtur quod praeripueris maritum mihi nisi etiam mandragoras filii mei tuleris ait Rahel dormiat tecum hac nocte pro mandragoris filii tui 16 redeuntique ad vesperam de agro Iacob egressa est in occursum Lia et ad me inquit intrabis quia mercede conduxi te pro mandragoris filii mei dormivit cum ea nocte illa 17 et exaudivit Deus preces eius concepitque et peperit filium quintum 18 et ait dedit Deus mercedem mihi quia dedi ancillam meam viro meo appellavitque nomen illius Isachar 19 rursum Lia concipiens peperit sextum filium 20 et ait ditavit me Deus dote bona etiam hac vice mecum erit maritus meus eo quod genuerim ei sex filios et idcirco appellavit nomen eius Zabulon 21 post quem peperit filiam nomine Dinam 22 recordatus quoque Dominus Rahelis exaudivit eam et aperuit vulvam illius 23 quae concepit et peperit filium dicens abstulit Deus obprobrium meum 24 et vocavit nomen illius Ioseph dicens addat mihi Dominus filium alterum 25 nato autem Ioseph dixit Iacob socero suo dimitte me ut revertar in patriam et ad terram meam 26 da mihi uxores et liberos meos pro quibus servivi tibi ut abeam tu nosti servitutem qua servivi tibi 27 ait ei Laban inveniam gratiam in conspectu tuo experimento didici quod benedixerit mihi Deus propter te 28 constitue mercedem tuam quam dem tibi 29 at ille respondit tu nosti quomodo servierim tibi et quanta in manibus meis fuerit possessio tua 30 modicum habuisti antequam venirem et nunc dives effectus es benedixitque tibi Dominus ad introitum meum iustum est igitur ut aliquando provideam etiam domui meae 31 dixitque Laban quid dabo tibi at ille ait nihil volo sed si feceris quod postulo iterum pascam et custodiam pecora tua 32 gyra omnes greges tuos et separa cunctas oves varias et sparso vellere et quodcumque furvum et maculosum variumque fuerit tam in ovibus quam in capris erit merces mea 33 respondebitque mihi cras iustitia mea quando placiti tempus advenerit coram te et omnia quae non fuerint varia et maculosa et furva tam in ovibus quam in capris furti me arguent 34 dixit Laban gratum habeo quod petis 35 et separavit in die illo capras et oves hircos et arietes varios atque maculosos cunctum autem gregem unicolorem id est albi et nigri velleris tradidit in manu filiorum suorum 36 et posuit spatium itineris inter se et generum dierum trium qui pascebat reliquos greges eius 37 tollens ergo Iacob virgas populeas virides et amigdalinas et ex platanis ex parte decorticavit eas detractisque corticibus in his quae spoliata fuerant candor apparuit illa vero quae integra erant viridia permanserunt atque in hunc modum color effectus est varius 38 posuitque eas in canalibus ubi effundebatur aqua ut cum venissent greges ad bibendum ante oculos haberent virgas et in aspectu earum conciperent factumque est ut in ipso calore coitus oves intuerentur virgas et parerent maculosa et varia et diverso colore respersa 40 divisitque gregem Iacob et posuit virgas ante oculos arietum erant autem alba quaeque et nigra Laban cetera vero Iacob separatis inter se gregibus 41 igitur quando primo tempore ascendebantur oves ponebat Iacob virgas in canalibus aquarum ante oculos arietum et ovium ut in earum contemplatione conciperent 42 quando vero serotina admissura erat et conceptus extremus non ponebat eas factaque sunt ea quae erant serotina Laban et quae primi temporis Iacob 43 ditatusque est homo ultra modum et habuit greges multos ancillas et servos camelos et asinos


Statenvertaling

1 Als nu Rachel zag, dat zij Jakob niet baarde, zo benijdde Rachel haar zuster; en zij zeide tot Jakob: Geef mij kinderen! of indien niet, zo ben ik dood. 2 Toen ontstak Jakobs toorn tegen Rachel, en hij zeide: Ben ik dan in plaats van God, Die de vrucht des buiks van u geweerd heeft? 3 En zij zeide: Zie, daar is mijn dienstmaagd Bilha, ga tot haar in; dat zij op mijn knieën bare, en ik ook uit haar gebouwd worde. 4 Zo gaf zij hem haar dienstmaagd Bilha tot een vrouw; en Jakob ging tot haar in. 5 En Bilha werd zwanger, en baarde Jakob een zoon. 6 Toen zeide Rachel: God heeft mij gericht, en ook mijn stem verhoord, en heeft mij een zoon gegeven; daarom noemde zij zijn naam Dan. 7 En Bilha, Rachels dienstmaagd, werd wederom bevrucht, en baarde Jakob den tweeden zoon. 8 Toen zeide Rachel: Ik heb worstelingen Gods met mijn zuster geworsteld; ook heb ik de overhand gehad; en zij noemde zijn naam Nafthali. 9 Toen nu Lea zag, dat zij ophield van baren, nam zij ook haar dienstmaagd Zilpa, en gaf die aan Jakob tot een vrouw. 10 En Zilpa, Lea's dienstmaagd, baarde Jakob een zoon. 11 Toen zeide Lea: Er komt een hoop! en zij noemde zijn naam Gad. 12 Daarna baarde Zilpa, Lea's dienstmaagd, Jakob een tweeden zoon. 13 Toen zeide Lea: Tot mijn geluk! want de dochters zullen mij gelukkig achten; en zij noemde zijn naam Aser. 14 En Ruben ging in de dagen van de tarweoogst, en hij vond Dudaim in het veld, en hij bracht die tot zijn moeder Lea. Toen zeide Rachel tot Lea: Geef mij toch van uws zoons Dudaim. 15 En zij zeide tot haar: Is het weinig, dat gij mijn man genomen hebt, dat gij ook mijns zoons Dudaim nemen zult? Toen zeide Rachel: Daarom zal hij dezen nacht voor uws zoons Dudaim bij u liggen. 16 Als nu Jakob des avonds uit het veld kwam, ging Lea uit hem tegemoet, en zeide: Gij zult tot mij inkomen; want ik heb u om loon zekerlijk gehuurd voor mijns zoons Dudaim; en hij lag dien nacht bij haar. 17 En God verhoorde Lea; en zij werd bevrucht, en baarde Jakob den vijfden zoon. 18 Toen zeide Lea: God heeft mijn loon gegeven, nadat ik mijn dienstmaagd aan mijn man gegeven heb; en zij noemde zijn naam Issaschar. 19 En Lea werd wederom bevrucht, en zij baarde Jakob den zesden zoon. 20 En Lea zeide: God heeft mij, mij heeft Hij begiftigd met een goede gift; ditmaal zal mijn man mij bijwonen; want ik heb hem zes zonen gebaard; en zij noemde zijn naam Zebulon. 21 En zij baarde daarna een dochter; en zij noemde haar naam Dina. 22 God dacht ook aan Rachel; en God verhoorde haar, en opende haar baarmoeder. 23 En zij werd bevrucht, en baarde een zoon; en zij zeide: God heeft mijn smaadheid weggenomen! 24 En zij noemde zijn naam Jozef, zeggende: De HEERE voege mij een anderen zoon daartoe. 25 En het geschiedde, dat Rachel Jozef gebaard had, dat Jakob tot Laban zeide: Laat mij vertrekken, dat ik ga tot mijn plaats, en naar mijn land. 26 Geef mijn vrouwen, en mijn kinderen, om welke ik u gediend heb, dat ik vertrek; want gij weet mijn dienst, dien ik u gediend heb. 27 Toen zeide Laban tot hem: Zo ik nu genade gevonden heb in uw ogen; ik heb waargenomen, dat de HEERE mij om uwentwil gezegend heeft. 28 Hij zeide dan: Noem mij uitdrukkelijk uw loon, dat ik geven zal. 29 Toen zeide hij tot hem: Gij weet, hoe ik u gediend heb, en hoe uw vee bij mij geweest is. 30 Want het weinige, dat gij voor mij gehad hebt, dat is tot een menigte uitgebroken; en de HEERE heeft u gezegend bij mijn voet; nu dan, wanneer zal ik ook werken voor mijn huis? 31 En hij zeide: Wat zal ik u geven? Toen zeide Jakob: Gij zult mij niet met al geven, indien gij mij deze zaak doen zult; ik zal wederom uw kudden weiden, en bewaren. 32 Ik zal heden door uw ganse kudde gaan, daarvan afzonderende al het gespikkelde en geplekte vee, en al het bruine vee onder de lammeren, en het geplekte en gespikkelde onder de geiten; en zulks zal mijn loon zijn. 33 Zo zal mijn gerechtigheid op den dag van morgen met mij betuigen, als gij komen zult over mijn loon, voor uw aangezicht; al wat niet gespikkeld en geplekt is onder de geiten en bruin onder de lammeren, dat zij bij mij gestolen. 34 Toen zeide Laban: Zie, och ja, het zij naar uw woord! 35 En hij zonderde af ten zelfden dage de gesprenkelde en geplekte bokken en al de gespikkelde en geplekte geiten, al waar wit aan was, en al het bruine onder de lammeren; en hij gaf dezelve in de hand zijner zonen. 36 En hij stelde een weg van drie dagen tussen hem, en tussen Jakob; en Jakob weidde de overige kudde van Laban. 37 Toen nam zich Jakob roeden van groen populierenhout, en van hazelaar, en van kastanje; en hij schilde daarin witte strepen, ontblotende het wit, hetwelk aan die roeden was. 38 En hij leide deze roeden, die hij geschild had, in de goten, en in de drinkbakken van het water, waar de kudde kwam drinken, tegenover de kudde; en zij werden verhit, als zij kwamen om te drinken. 39 Als dan de kudde verhit werd bij de roeden, zo lammerde de kudde gesprenkelde, gespikkelde, en geplekte. 40 Toen scheidde Jakob de lammeren, en hij wendde het gezicht der kudde op het gesprenkelde, en al het bruine onder Labans kudde; en hij stelde zijn kudden alleen, en hij zette ze niet bij de kudde van Laban. 41 En het geschiedde, telkens als de kudde der vroegelingen verhit werd, zo stelde Jakob de roeden voor de ogen der kudde in de goten, opdat zij hittig werden bij de roeden. 42 Maar als de kudde spade hittig werd, zo stelde hij ze niet, zodat de spadelingen Laban, en de vroegelingen Jakob toekwamen. 43 En die man brak gans zeer uit in menigte, en hij had vele kudden, en dienstmaagden, en dienstknechten, en kemelen, en ezelen.


King James Bible

[1] And when Rachel saw that she bare Jacob no children, Rachel envied her sister; and said unto Jacob, Give me children, or else I die. [2] And Jacob's anger was kindled against Rachel: and he said, Am I in God's stead, who hath withheld from thee the fruit of the womb? [3] And she said, Behold my maid Bilhah, go in unto her; and she shall bear upon my knees that I may also have children by her. [4] And she gave him Bilhah her handmaid to wife: and Jacob went in unto her. [5] And Bilhah conceived, and bare Jacob a son. [6] And Rachel said, God hath judged me, and hath also heard my voice, and hath given me a son: therefore called she his name Dan. [7] And Bilhah Rachel's maid conceived again, and bare Jacob a second son. [8] And Rachel said, With great wrestlings have I wrestled with my sister, and I have prevailed: and she called his name Naphtali. [9] When Leah saw that she had left bearing, she took Zilpah her maid, and gave her Jacob to wife. [10] And Zilpah Leah's maid bare Jacob a son. [11] And Leah said, A troop cometh: and she called his name Gad. [12] And Zilpah Leah's maid bare Jacob a second son. [13] And Leah said, Happy am I, for the daughters will call me blessed: and she called his name Asher. [14] And Reuben went in the days of wheat harvest, and found mandrakes in the field, and brought them unto his mother Leah. Then Rachel said to Leah, Give me, I pray thee, of thy son's mandrakes. [15] And she said unto her, Is it a small matter that thou hast taken my husband? and wouldest thou take away my son's mandrakes also? And Rachel said, Therefore he shall lie with thee to night for thy son's mandrakes. [16] And Jacob came out of the field in the evening, and Leah went out to meet him, and said, Thou must come in unto me; for surely I have hired thee with my son's mandrakes. And he lay with her that night. [17] And God hearkened unto Leah, and she conceived, and bare Jacob the fifth son. [18] And Leah said, God hath given me my hire, because I have given my maiden to my husband: and she called his name Issachar. [19] And Leah conceived again, and bare Jacob the sixth son. [20] And Leah said, God hath endued me with a good dowry; now will my husband dwell with me, because I have born him six sons: and she called his name Zebulun. [21] And afterwards she bare a daughter, and called her name Dinah. [22] And God remembered Rachel, and God hearkened to her, and opened her womb. [23] And she conceived, and bare a son; and said, God hath taken away my reproach: [24] And she called his name Joseph; and said, The LORD shall add to me another son. [25] And it came to pass, when Rachel had born Joseph, that Jacob said unto Laban, Send me away, that I may go unto mine own place, and to my country. [26] Give me my wives and my children, for whom I have served thee, and let me go: for thou knowest my service which I have done thee. [27] And Laban said unto him, I pray thee, if I have found favour in thine eyes, tarry: for I have learned by experience that the LORD hath blessed me for thy sake. [28] And he said, Appoint me thy wages, and I will give it. [29] And he said unto him, Thou knowest how I have served thee, and how thy cattle was with me. [30] For it was little which thou hadst before I came, and it is now increased unto a multitude; and the LORD hath blessed thee since my coming: and now when shall I provide for mine own house also? [31] And he said, What shall I give thee? And Jacob said, Thou shalt not give me any thing: if thou wilt do this thing for me, I will again feed and keep thy flock: [32] I will pass through all thy flock to day, removing from thence all the speckled and spotted cattle, and all the brown cattle among the sheep, and the spotted and speckled among the goats: and of such shall be my hire. [33] So shall my righteousness answer for me in time to come, when it shall come for my hire before thy face: every one that is not speckled and spotted among the goats, and brown among the sheep, that shall be counted stolen with me. [34] And Laban said, Behold, I would it might be according to thy word. [35] And he removed that day the he goats that were ringstraked and spotted, and all the she goats that were speckled and spotted, and every one that had some white in it, and all the brown among the sheep, and gave them into the hand of his sons. [36] And he set three days' journey betwixt himself and Jacob: and Jacob fed the rest of Laban's flocks. [37] And Jacob took him rods of green poplar, and of the hazel and chesnut tree; and pilled white strakes in them, and made the white appear which was in the rods. [38] And he set the rods which he had pilled before the flocks in the gutters in the watering troughs when the flocks came to drink, that they should conceive when they came to drink. [39] And the flocks conceived before the rods, and brought forth cattle ringstraked, speckled, and spotted. [40] And Jacob did separate the lambs, and set the faces of the flocks toward the ringstraked, and all the brown in the flock of Laban; and he put his own flocks by themselves, and put them not unto Laban's cattle. [41] And it came to pass, whensoever the stronger cattle did conceive, that Jacob laid the rods before the eyes of the cattle in the gutters, that they might conceive among the rods. [42] But when the cattle were feeble, he put them not in: so the feebler were Laban's, and the stronger Jacob's. [43] And the man increased exceedingly, and had much cattle, and maidservants, and menservants, and camels, and asses.


LUTHER BIBEL

30 1 Als Rahel sah, dass sie Jakob kein Kind gebar, beneidete sie ihre Schwester und sprach zu Jakob: Schaffe mir Kinder, wenn nicht, so sterbe ich. 2 Jakob aber wurde sehr zornig auf Rahel und sprach: Bin ich doch nicht Gott, der dir deines Leibes Frucht nicht geben will. 3 Sie aber sprach: Siehe, da ist meine Magd Bilha; geh zu ihr, dass sie auf meinem Schoß gebäre und ich doch durch sie zu Kindern komme. 4 So gab sie ihm Bilha, ihre Leibmagd, zur Frau und Jakob ging zu ihr. 5 Und Bilha ward schwanger und gebar Jakob einen Sohn. 6 Da sprach Rahel: Gott hat mir Recht verschafft und mich erhört und mir einen Sohn gegeben. Darum nannte sie ihn Dan. 7 Abermals ward Bilha, Rahels Leibmagd, schwanger und gebar Jakob ihren zweiten Sohn. 8 Da sprach Rahel: Über alle Maßen habe ich gekämpft mit meiner Schwester und ich habe gesiegt. Und nannte ihn Naftali. 9 Als nun Lea sah, dass sie aufgehört hatte zu gebären, nahm sie ihre Leibmagd Silpa und gab sie Jakob zur Frau. 10 Und Silpa, Leas Leibmagd, gebar Jakob einen Sohn. 11 Da sprach Lea: Glück zu! Und nannte ihn Gad. 12 Danach gebar Silpa, Leas Leibmagd, Jakob ihren zweiten Sohn. 13 Da sprach Lea: Wohl mir, denn mich werden selig preisen die Töchter. Und nannte ihn Asser. 14 Ruben ging aus zur Zeit der Weizenernte und fand Liebesäpfel auf dem Felde und brachte sie heim zu seiner Mutter Lea. Da sprach Rahel zu Lea: Gib mir von den Liebesäpfeln deines Sohnes. 15 Sie antwortete: Hast du nicht genug, dass du mir meinen Mann genommen hast, und willst auch die Liebesäpfel meines Sohnes nehmen? Rahel sprach: Wohlan, lass ihn diese Nacht bei dir schlafen für die Liebesäpfel deines Sohnes. 16 Als nun Jakob am Abend vom Felde kam, ging Lea hinaus ihm entgegen und sprach: Zu mir sollst du kommen, denn ich habe dich erkauft mit den Liebesäpfeln meines Sohnes. Und er schlief die Nacht bei ihr. 17 Und Gott erhörte Lea, und sie ward schwanger und gebar Jakob ihren fünften Sohn 18 und sprach: Gott hat mir gelohnt, dass ich meine Magd meinem Manne gegeben habe. Und nannte ihn Issachar. 19 Abermals ward Lea schwanger und gebar Jakob ihren sechsten Sohn 20 und sprach: Gott hat mich reich beschenkt; nun wird mein Mann doch bei mir bleiben; denn ich habe ihm sechs Söhne geboren. Und nannte ihn Sebulon. 21 Danach gebar sie eine Tochter, die nannte sie Dina. 22 Gott gedachte aber an Rahel und erhörte sie und machte sie fruchtbar. 23 Da ward sie schwanger und gebar einen Sohn und sprach: Gott hat meine Schmach von mir genommen; 24 und sie nannte ihn Josef und sprach: Der HERR wolle mir noch einen Sohn dazugeben! Jakob kommt zu Reichtum 25 Als nun Rahel den Josef geboren hatte, sprach Jakob zu Laban: Lass mich ziehen und reisen an meinen Ort und in mein Land. 26 Gib mir meine Frauen und meine Kinder, um die ich dir gedient habe, dass ich ziehe; denn du weißt, wie ich dir gedient habe. 27 Laban sprach zu ihm: Lass mich Gnade vor deinen Augen finden. Ich spüre, dass mich der HERR segnet um deinetwillen. 28 Bestimme den Lohn, den ich dir geben soll. 29 Er aber sprach zu ihm: Du weißt, wie ich dir gedient habe und was aus deinem Vieh geworden ist unter mir. 30 Du hattest wenig, ehe ich herkam; nun aber ist's geworden zu einer großen Menge, und der HERR hat dich gesegnet auf jedem meiner Schritte. Und nun, wann soll ich auch für mein Haus sorgen? 31 Er aber sprach: Was soll ich dir denn geben? Jakob sprach: Du sollst mir gar nichts geben; sondern wenn du mir tun willst, was ich dir sage, so will ich deine Schafe wieder weiden und hüten. 32 Ich will heute durch alle deine Herden gehen und aussondern alle gefleckten und bunten Schafe und alle schwarzen Schafe und die bunten und gefleckten Ziegen. Was nun bunt und gefleckt sein wird, das soll mein Lohn sein. 33 So wird meine Redlichkeit morgen für mich zeugen, wenn du kommst wegen meines Lohnes, den ich von dir nehmen soll: Was nicht gefleckt oder bunt unter den Ziegen und nicht schwarz sein wird unter den Lämmern, das sei ein Diebstahl, wenn es sich bei mir findet. 34 Da sprach Laban: Wohlan, es sei, wie du gesagt hast. 35 Und er sonderte an jenem Tage aus die sprenkligen und bunten Böcke und alle gefleckten und bunten Ziegen, wo nur etwas Weißes daran war, und alles, was schwarz war unter den Lämmern, und tat's unter die Hand seiner Söhne 36 und machte einen Raum, drei Tagereisen weit, zwischen sich und Jakob. Jakob aber weidete die übrigen Herden Labans. 37 Und Jakob nahm frische Stäbe von Pappeln, Mandelbäumen und Platanen und schälte weiße Streifen daran aus, sodass an den Stäben das Weiße bloß wurde, 38 und legte die Stäbe, die er geschält hatte, in die Tränkrinnen, wo die Herden hinkommen mussten zu trinken, dass sie da empfangen sollten, wenn sie zu trinken kämen. 39 So empfingen die Herden über den Stäben und brachten Sprenklige, Gefleckte und Bunte. 40 Da sonderte Jakob die Lämmer aus und machte sich eigene Herden; die tat er nicht zu den Herden Labans. 41 Wenn aber die Brunstzeit der kräftigen Tiere war, legte er die Stäbe in die Rinnen vor die Augen der Herde, dass sie über den Stäben empfingen. 42 Aber wenn die Tiere schwächlich waren, legte er sie nicht hinein. So wurden die schwächlichen Tiere dem Laban zuteil, aber die kräftigen dem Jakob. 43 Daher wurde der Mann über die Maßen reich, sodass er viele Schafe, Mägde und Knechte, Kamele und Esel hatte.


- A

- waththo´mèr (en zij zei) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (197) . Pentateuch (57) . Eerdere Profeten (98) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (39) . Gn (49) . Gn 30 (12) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,3 . (3) Gn 30,6 . (4) Gn 30,8 . (5) Gn 30,11 . (6) Gn 30,13 . (7) Gn 30,14 . (8) Gn 30,15 . (9) Gn 30,16 . (10) Gn 30,18 . (11) Gn 30,20 . (12) Gn 30,23 .

- B - C - D - E

- ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Gn (140) . Gn 30 (8) : (1) Gn 30,2 . (2) Gn 30,6 . (3) Gn 30,8 . (4) Gn 30,17 . (5) Gn 30,18 . (6) Gn 30,20 . (7) Gn 30,22 . (8) Gn 30,23 .

- F - G - H - I - J

- ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 30 (10) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,2 . (3) Gn 30,4 . (4) Gn 30,16 . (5) Gn 30,25 . (6) Gn 30,31 . (7) Gn 30,36 . (8) Gn 30,37 . (9) Gn 30,40 . (10) Gn 30,41 .
- lëja`äqobh (Jakob) < voorzetsel lë (voor, aan) + ja`äqobh (Jakob) . Tenakh (36) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (4) . Gn (23) . Gn 30 (9) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,9 . (5) Gn 30,10 . (6) Gn 30,12 . (7) Gn 30,17 . (8) Gn 30,19 . (9) Gn 30,42 .

- K - L

- le´âh (Lea) . Taalgebruik in Tenakh : le´âh (Lea) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 3 - 1 - 5 . Tenakh (26) . Gn (26) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,16 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,23 . (4) Gn 29,25 . (5) Gn 29,31 . (6) Gn 29,32 . Gn 30 (11) : (1) Gn 30,9 . (2) Gn 30,10 . (3) Gn 30,11 . (4) Gn 30,12 . (5) Gn 30,13 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,16 . (8) Gn 30,17 . (9) Gn 30,18 . (10) Gn 30,19 . (11) Gn 30,20 . Lea is de oudste dochter van Laban , de zus van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Izaak . Lea krijgt 6 zonen en 1 dochter . De bijvrouw van Lea is Zilpa .

- M - N - O - P - Q

- watthiqërâ´ (èth) sjëmô (en zij noemde zijn naam) . Tenakh (18 : 9 + 9) : (1) Gn 4,25 (Eva geeft aan Seth zijn naam) . (2) Gn 19,37 (de oudste dochter van Lot geeft aan Moab zijn naam) . (3) Gn 19,38 (de jongste dochter van Lot geeft aan Ben-Ammi zijn naam) . (4) Gn 29,32 (Lea geeft aan Ruben zijn naam) . (5) Gn 29,33 (Lea geeft aan Simeon zijn naam) . (6) Gn 30,8 (Rachel geeft aan Naftali zijn naam) . (7) Gn 30,11 (Lea geeft aan Gad , de zoon van Zilpa, zijn naam) . (8) Gn 30,13 (Lea geeft aan Aser, de tweede zoon van Zilpa, zijn naam) . (9) Gn 30,18 (Lea geeft aan Issakar, haar vijfde zoon , zijn naam) . (10) Gn 30,20 (Lea geeft aan Issakar, haar zesde zoon , zijn naam) . (11) Gn 30,24 (Rachel geeft aan Jozef , haar oudste zoon , zijn naam) . (12) Gn 35,18 (Rachel geeft aan Ben-Omi , haar jongste zoon , zijn naam ; Jakob geeft hem de naam Benjamin) . (13) Gn 38,4 (Sua geeft aan Onan zijn naam) . (14) Gn 38,5 (Sua geeft aan Sela zijn naam) . (15) Ex 2,10 (de dochter van de farao geeft aan Mozes zijn naam) .(16) Re 13,24 (de vrouw van Manoach geeft aan Simson zijn naam) . (17) 1 S 1,20 (Hanna geeft aan Samuël zijn naam) . (18) 1 Kr 7,16 (Maäka geeft aan Peres zijn naam) .

- R

- râchel (Rachel) . Taalgebruik in Tenakh : râchel (Rachel) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , lamed = 12 of 20 ; totaal : 40 of 228 (2 X 2 X 3 X 19) . Structuur : 2 - 8 - 2 . In verschillende vormen . In Tenakh : 45 X (44 verzen) . In LXX + NT : 48 (45 X , 44 verzen) + 1 = 49 . râchel (Rachel) . Tenakh (30) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (0) . Gn (30) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . Gn 30 (8) : (1) Ex 30,1. (2) Ex 30,6 . (3) Ex 30,7 . (4) Ex 30,8 . (5) Ex 30,14 . (6) Ex 30,15 . (7) Ex 30,22 . (8) Ex 30,25 . Rachel is de tweede en jongste dochter van Laban , de broer van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Isaak . Rachel is de tweede vrouw van Jakob . Samen kregen zij 2 kinderen : Jozef en Benjamin .

- S - T - U - V - W - X -Y - Z -