Genesis 32 - Gn 32 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -
- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -

Overzicht van Genesis : - Gn 1 - Gn 2 - Gn 3 - Gn 4 - Gn 5 - Gn 6 - Gn 7 - Gn 8 - Gn 9 - Gn 10 - Gn 11 - Gn 12 - Gn 13 - Gn 14 - Gn 15 - Gn 16 - Gn 17 - Gn 18 - Gn 19 - Gn 20 - Gn 21 - Gn 22 - Gn 23 - Gn 24 - Gn 25 - Gn 26 - Gn 27 - Gn 28 - Gn 29 - Gn 30 - Gn 31 - Gn 32 - Gn 33 - Gn 34 - Gn 35 - Gn 36 - Gn 37 - Gn 38 - Gn 39 - Gn 40 - Gn 41 - Gn 42 - Gn 43 - Gn 44 - Gn 45 - Gn 46 - Gn 47 - Gn 48 - Gn 49 - Gn 50 -
Uitleg vers per vers : - Gn 32,1 - Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 - Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -

Overzicht van Tenakh : Tenakh : overzicht , Tenakh : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenakh : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,

Overzicht N.T. : N.T. : overzicht , N.T. : taalgebruik - N.T. A - N.T. B - N.T. C - N.T. D - N.T. E - N.T. F - N.T. G - N.T. H - N.T. I - N.T. J - N.T. K - N.T. L - N.T. M - N.T. N - N.T. O - N.T. P - N.T. Q - N.T. R - N.T. S - N.T. T - N.T. U - N.T. V - N.T. W - N.T. X - N.T. Y - N.T. Z - N.T. : commentaar .

- Genesis taalgebruik - Genesis taalgebruik A - Genesis taalgebruik B - Genesis taalgebruik C - Genesis taalgebruik D - Genesis taalgebruik E - Genesis taalgebruik F - Genesis taalgebruik G - Genesis taalgebruik H - Genesis taalgebruik I - Genesis taalgebruik J - Genesis taalgebruik K - Genesis taalgebruik L - Genesis taalgebruik M - Genesis taalgebruik N - Genesis taalgebruik O - Genesis taalgebruik P - Genesis taalgebruik Q - Genesis taalgebruik R - Genesis taalgebruik S - Genesis taalgebruik T - Genesis taalgebruik U - Genesis taalgebruik Z -


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
http://www.bible-history.com/isbe/            
bijbelvertalingen Lexilogos   bijbelweb info-bible interBible http://www.diebibel.de/
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      


WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat

Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik

Overzicht van de bijbelboeken - bijbeloverzicht -- taalgebruik -
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

Gn 32,1 - Gn 32,1 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 32,2-22 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -

Gn 32,2 - Gn 32,2 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [2] Toen Jakob zijn reis voortzette, kwamen engelen van God hem tegemoet.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 32,3 - Gn 32,3 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [3] En zodra hij die zag, zei Jakob: ‘Het is hier de legerplaats* van God.’ Daarom noemde hij die plaats Machanaïm.       

King James Bible . And when Jacob saw them, he said, This is God's host: and he called the name of that place Mahanaim.
Luther-Bible . 2 Jakob aber zog seinen Weg. Und es begegneten ihm die Engel Gottes. 3 Und als er sie sah, sprach er: Hier ist Gottes Heerlager, und nannte diese Stätte Mahanajim.

Tekstuitleg van Gn 32,3 . Dit vers Gn 32,3 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden en 48 (2 X 2 X 2 X 2 X 3) letters ; verhouding 1 op 4 . De getalwaarde van Gn 32,3 is 2415 (3 X 5 X 7 X 23) .

Gn 32,3.2. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

Gn 32,3.8. wajjiqërâ´(en hij riep, hij heet, hij noemde) < waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 32 (2) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,31 .

Gn 32,3.8. - 9. Gn 32,31 : wajjiqërâ´ ja`äqobh sjem (en Jakob noemde een naam) . Gn 35,15 : wajjiqërâ´ ja`äqobh ´èth sjem (en Jakob noemde een naam) .
- wajjiqërâ´ (èth) sjem (en hij noemde een naam) . Tenakh (13) : (1) Gn 4,17 . (2) Gn 26,20 . (3) Gn 28,19 . (4) Gn 32,3 . (5) Ex 17,7 . (6) Nu 11,3 . (7) Nu 11,34 . (8) Nu 21,3 . (9) Joz 5,9 . (10) Re 1,17 . (11) 1 K 16,24 . (12) 2 Kr 3,17 . (13) Job 42,14 .

Gn 32,3.9. - 10. sjem hammâqôm (naam van de plaats) . Tenakh (16) : (1) Gn 22,14 . (2) Gn 28,19 . (3) Gn 32,3 . (4) Gn 32,31 . (5) Gn 33,17 . (6) Gn 35,15 . (7) Ex 17,7 . (8) Nu 11,3 . (9) Nu 11,34 . (10) Nu 21,3 . (11) Joz 5,9 . (12) Joz 7,26 . (13) Re 2,5 . (14) 2 S 5,20 . (15) 1 Kr 14,11 . (16) 2 Kr 20,26 .

Gn 32,3.8. - 10; wajjiqërâ´ (èth) sjem hammaqôm (en hij noemde de naam van de plaats) . Tenakh (7) : (1) Gn 28,19 (´èth) . (2) Gn 32,3 . (3) Ex 17,7 . (4) Nu 11,3 . (5) Nu 11,34 (´èth) . (6) Nu 21,3 . (7) Joz 5,9 .

Gn 32,3.8. - 11. wajjiqërâ´ sjem hammâqôm hahû´ (en de naam van die plaats heet) . Verwijzing : qârâ´ (roepen, heten) , zie Joz 5,9 . In vijf verzen in de bijbel : (1) Gn 28,19 (´èth) . (2) Gn 32,3 . (3) Nu 11,3 . (4) Nu 11,34 (+ ´èth) . (5) Joz 5,9 .

Gn 32,4 - Gn 32,4 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [4] En* Jakob stuurde boden voor zich uit naar zijn broer Esau in Seïr, het gebied van Edom,       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

11. she`îr (Seïr) . sh-`-j-r : Tenakh (50) . Taalgebruik in Tenakh : she`îr (Seïr) . Getalwaarde : sin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 , jod = 10 , resj = 20 of 200 ; totaal : 67 of 580 . Het betekent ook geitje , bokje . Een ander woord is gëdî (E. goat , N. geit) . Tenakh (50) . Gn (8) : (1) Gn 14,6 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 36,8 . (4) Gn 36,9 . (5) Gn 36,20 . (6) Gn 36,21 . (7) Gn 36,30 . (8) Gn 37,31 .

Gn 32,5 - Gn 32,5 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [5] met de opdracht: ‘Dit moeten jullie mijn heer Esau zeggen: “Zo spreekt uw dienaar Jakob: Ik heb bij Laban gewoond en ben daar tot nu toe gebleven.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

11. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

Gn 32,6 - Gn 32,6 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [6] Ik bezit nu runderen, ezels en schapen, slaven en slavinnen. Ik laat u dit weten om bij mijn heer een gunstig onthaal te vinden.” ’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 32,7 - Gn 32,7 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [7] Bij hun terugkeer zeiden de boden tegen Jakob: ‘We zijn bij uw broer Esau geweest; hij is nu al met vierhonderd man naar u onderweg.’       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

4. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

Gn 32,8 - Gn 32,8 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [8] Jakob werd bang, en in zijn angst verdeelde hij de mensen die bij hem waren, met de schapen, runderen en kamelen, in twee groepen.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

Gn 32,9 - Gn 32,9 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [9] Hij dacht: Als Esau op de ene groep afkomt en die neerslaat, dan kan de andere tenminste ontsnappen.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 32,10 - Gn 32,10 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [10] En Jakob bad: ‘O God van mijn vader Abraham en God van mijn vader Isaak, de heer die tegen mij zei: “Ga terug naar uw land en uw verwanten, en Ik zal u met weldaden overladen”:        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

Gn 32,11 - Gn 32,11 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [11] uw dienaar is al uw gunstbewijzen en al uw blijken van trouw niet waardig. Ik had alleen maar een stok toen ik de Jordaan hier overstak, en nu ben ik tot twee groepen uitgegroeid.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 32,12 - Gn 32,12 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [12] Maar red mij nu ook uit de greep van mijn broer Esau, want ik ben bang dat hij mij verslaat, met moeder en kinderen.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 32,13 - Gn 32,13 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [13] U hebt mij toch beloofd: “Ik zal u met weldaden overladen, en uw nageslacht zal Ik zo talrijk maken als het zand aan de zee, zo talrijk dat het niet te tellen is.” ’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 32,14 - Gn 32,14 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
       
[14] En hij bracht daar de nacht door. [14] Toen nam hij uit zijn bezit geschenken voor zijn broer Esau: 
     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 32,15 - Gn 32,15 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [15] tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd schapen en twintig rammen,        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 32,16 - Gn 32,16 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [16] dertig zogende kamelen met hun jongen, veertig koeien en tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezelshengsten.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

6. ´arëbâ`îm (veertig , 40) . Verwijzing : ´arëbâ`îm (veertig . 40) , zie Ex 24,18 . Getalwaarde : aleph = 1 ; resj = 20 of 200 ; beth = 2 ; ajin = 16 of 70 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 62 of 323 (323) . In eenennegentig verzen in het O.T. . In elf verzen in Gn : (1) Gn 5,13 (veertig in combinatie met 840) . (2) Gn 7,4 (veertig dagen en veertig nachten) . (3) Gn 7,12 (watervloed) . (4) Gn 7,17 (watervloed) . (5) Gn 8,6 (watervloed) . (6) Gn 18,28 (45 rechtvaardigen) . (7) Gn 18,29 (tweemaal : 40 rechtvaardigen) . (8) Gn 25,20 (Isaak = 40 jaar , neemt Rebecca tot vrouw) . (9) Gn 26,34 (Esau nam twee vrouwen, toen hij veertig jaar was) . (10) Gn 32,16 (40 koeien) . (11) Gn 50,3 (rouw na de dood van Jakob) .

Gn 32,17 - Gn 32,17 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [17] Hij verdeelde dit alles in afzonderlijke kudden en vertrouwde die toe aan zijn knechten, met de opdracht: ‘Ga voor mij uit, maar met telkens een afstand tussen de kudden.’       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

11. w-r-û-ch (wërûach = en een geest OF wërèwach = en ruimte, verademing) . wërûach(en geest) : nevenschikkend voegw. wë + zelfst. naamw. rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 . waw = 6 . chet = 8 . Totaal : 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107) . LXX : pneuma (geest) . Taalgebruik in de Septuaginta : pneuma (geest) . Taalgebruik in het N.T. : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . E. spirit . Ned. geest . D. Geist . wërûach (en geest) in Tenakh (39) . Pentateuch (4) : Gn (2) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 32,17 (wërèwach : en ruimte) . (3) Ex 10,13 . (4) Nu 11,31 . rûach (geest) in Tenakh (204) . Pentateuch (19) . Gn (7) : (1) Gn 6,17 . (2) Gn 7,15 . (3) Gn 7,22 . (4) Gn 8,1 . (5) Gn 26,35. (6) Gn 41,38 . (7) Gn 45,27 . rûchî (mijn geest) . Tenakh (31) . Pentateuch (1) Gn 6,3 . Een vorm van pneuma (geest) in het N.T. (379) , in de LXX (382) , in de Pentateuch (26) , Gn (7) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 6,3 . (3) Gn 6,17 . (4) Gn 7,15 . (5) Gn 8,1 . (6) Gn 41,38 . (7) Gn 45,27 .

Gn 32,18 - Gn 32,18 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [18] En hij beval de voorste: ‘Als je mijn broer Esau tegenkomt en hij vraagt bij wie je hoort, waarheen je gaat en van wie de dieren zijn die je voor je uitdrijft,       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 32,19 - Gn 32,19 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [19] dan moet je zeggen: “Van uw dienaar Jakob; zij zijn een geschenk voor mijn heer Esau. Hijzelf komt achter ons aan.” ’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 32,20 - Gn 32,20 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [20] Aan de tweede en de derde en aan iedereen die de leiding van de kudden had, gaf hij ook deze opdracht: ‘Zeg Esau hetzelfde als jullie hem tegenkomen.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 32,21 - Gn 32,21 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [21] Zeg hem: “Uw dienaar Jakob komt achter ons aan.” ’ Want hij dacht: Ik zal hem gunstig stemmen door geschenken te sturen; als ik hem daarna onder ogen kom, zal hij mij misschien vriendelijk ontvangen.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

5. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

Gn 32,22 - Gn 32,22 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
       
[22] Zo gingen de geschenken vooruit, terwijl hijzelf die nacht nog in het kamp bleef. 
     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

- Gn 32,23-33 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -

Gn 32,23 - Gn 32,23 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23anastas de tèn nukta ekeinèn elaben tas duo gunaikas kai tas duo paidiskas kai ta endeka paidia autou kai diebè tèn diabasin tou iabok        [23] Maar tijdens die nacht stond hij op en stak met zijn twee vrouwen, zijn twee slavinnen en zijn elf kinderen de doorwaadbare plaats van de Jabbok over.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,23 .

18. jabboq (Jabbok) . Taalgebruik in Tenakh : jabboq (Jabbok) . Getalwaarde : jod = 10 , beth = 2 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 31 OF 112 (2² X 2² X 7) . Structuur : 1 - 2 - 1 . Tenakh : (1) Gn 32,23 . (2) Nu 21,24 . (3) Dt 2,37 . (4) Dt 3,16 . (5) Joz 12,2 .
- hajjabbok (de Jabbok) . Tenakh (2) : (1) Re 11,13 . (2) Re 11,22 .
Dezelfde getalstructuur als ´âbhaq (worstelen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âbhaq (worstelen) . Getalwaarde : aleph= 1 , beth = 2 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 22 (het aantal letters van het Hebreeuwse alfabet) OF 103 . Structuur : 1 - 2 - 1 . EN : ´âbhâq (stof, stuifzand) . Taalgebruik in Tenakh : ´âbhâq (stof, stuifzand) . Getalwaarde : aleph= 1 , beth = 2 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 22 (het aantal letters van het Hebreeuwse alfabet) OF 103 . Structuur : 1 - 2 - 1 .
Er zou een woordspeling kunnen zijn tussen j´bq (je´âbheq = hij worstelde) (Gn 32,25) en de persoonsnaam j`qb (ja`äqobh = Jakob) .
De rivier Jabbok is een zijrivier van de Jordaan , die de bergketen van Gilead doorkruist . De bron is in de buurt van Amman . De rivier is een kleine 100 km lang en wordt tegenwoordig de Wadi Zerqa genoemd .

Gn 32,24 - Gn 32,24 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
24kai elaben autous kai diebè ton cheimarroun kai diebibasen panta ta autou        [24] Toen Jakob hen met zijn bezittingen over de rivier gebracht had,       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,24 .

Gn 32,25 - Gn 32,25 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
25upeleifthè de iakôb monos kai epalaien anthrôpos met' autou eôs prôi       [25] bleef hij alleen achter. En* een man worstelde met hem tot het aanbreken van de dageraad.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,25 .

Gn 32,25.2. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

Bij de aartsvaders Abraham , Isaak en Jakob spelen de getallen van hun leeftijden een symbolische betekenis .
- Abraham werd 175 jaar oud . 175 = 5² X 7 . (Gn 25,7) . Merkwaardig is de plaats van dit vers in de bijbel : het 25ste hoofdstuk en het 7de vers . Som van de factoren : 5 + 5 + 7 = 17 .
- Isaak werd 180 jaar oud . 180 = 6² X 5 . (Gn 35,28) . Som van de factoren : 6 + 6 + 5 = 17 .
- Jakob werd 147 jaar oud . 147 = 7² X 3 . (Gn 49,33) . Som van de factoren : 7 + 7 + 3 = 17 . Ook hier is de plaats van dit vers in de bijbel merkwaardig : het 49ste hoofdstuk en het 33ste vers .
Het product van drie opeenvolgende getallen ( 5 - 6 - 7) in het kwadraat , opklimmend , met drie opeenvolgende onpare getallen afdalend .
- Jozef leefde 110 jaar . 110 = 5² + 6² + 7² . De som van drie opeenvolgende getallen in het kwadraat . (Gn 50,22) . Deze plaats in de bijbel is wellicht ook merkwaardig . 5 (50ste hoofdstuk) X 22 (22ste vers) = 110 .
Ook de getalwaarde van de namen kan een symbolische waarde hebben .
- Isaak (Gn 21,3) . jitsëchâq (Isaak) . Getalwaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 90 , chet = 8 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 49 (7 X 7) OF 208 (8 X 26) .
- Jakob (Gn 25,26) . ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 OF 182 (7 X 26) .
- Jozef (Gn 30,24) . Jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samek = 15 of 60 , qoph = 17 of 80 ; totaal : 48 (2³ X 2² X 3) OF 156 (6 X 26) .
Het product van drie opeenvolgende getallen (8 - 7 - 6) in het kwadraat , afdalend , met de getalwaarde van de godsnaam JHWH = 26 .
Het is opvallend dat bij Jakob het getal 7 overwegend is . De leeftijd van Jakob is 147 (14 = 2 X 7 ; 7) OF 7² X 3 . Som van de factoren is 17 (7 + 7 + 3) . De getalwaarde van de naam Jakob is 182 (7 X 26) .

Gn 32,25.4. waje´âbheq < verbindingswoord wë + werkw.vorm pass. nifal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âbhaq (worstelen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âbhaq (worstelen) . Getalwaarde : aleph= 1 , beth = 2 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 22 (het aantal letters van het Hebreeuwse alfabet) OF 103 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. palaiô (worstelen, strijden) . Taalgebruik in de LXX : palaiô (worstelen, strijden) . E. wrestle . Oost-Vlaams dialect : wëstln . Lat. luctari . Fr. lutter . D. ringen (wringen, worstelen) . Tenakh (1) Gn 32,25 . Er zou een woordspeling kunnen zijn tussen j´bq (je´âbheq = hij worstelde) (Gn 32,25) en de persoonsnaam j`qb (ja`äqobh = Jakob) .

Gn 32,26 - Gn 32,26 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
26eiden de oti ou dunatai pros auton kai èpsato tou platous tou mèrou autou kai enarkèsen to platos tou mèrou iakôb en tô palaiein auton met' autou        [26] Toen de man merkte dat hij Jakob niet aankon, stootte hij hem bij de worsteling boven tegen de heup, zodat die ontwricht werd.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,26 .

12. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

13. bëhe´âbhëqô < voorzetsel bë + werkw. vorm pass. nifal inf. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. , van het werkw. ´âbhaq (worstelen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âbhaq (worstelen) . Getalwaarde : aleph= 1 , beth = 2 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 22 (het aantal letters van het Hebreeuwse alafabet) OF 103 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. palaiô (worstelen, strijden) . Taalgebruik in de LXX : palaiô (worstelen, strijden) . E. wrestle . Oost-Vlaams dialect : wëstln . Lat. luctari . Fr. lutter . D. ringen (wringen, worstelen) . Er zou een woordspeling kunnen zijn tussen j´bq (je´âbheq = hij worstelde) en de persoonsnaam j`qb (ja`äqobh = Jakob) . Tenakh (1) Gn 32,26 .

Gn 32,27 - Gn 32,27 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
27kai eipen autô aposteilon me anebè gar o orthros o de eipen ou mè se aposteilô ean mè me eulogèsès        [27] Daarop zei de man: ‘Laat mij gaan, want de dageraad is aangebroken.’ Maar hij antwoordde: ‘Ik laat u niet gaan wanneer u mij niet zegent.’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,27 .

Gn 32,28 - Gn 32,28 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
28eipen de autô ti to onoma sou estin o de eipen iakôb        [28] Hij vroeg: ‘Hoe is uw naam?’ Hij antwoordde: ‘Jakob.’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,28 .

6. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

Gn 32,29 - Gn 32,29 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
29eipen de autô ou klèthèsetai eti to onoma sou iakôb alla israèl estai to onoma sou oti enischusas meta theou kai meta anthrôpôn dunatos        [29] Toen zei hij: ‘Voortaan zult u geen Jakob meer heten, maar Israël, want u hebt met God gestreden en met mensen en u hebt hen overwonnen.’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,29 .

Gn 32,29.3. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

Gn 32,29.9. jishërâ´el (Israël) . Taalgebruik in Tenakh : jishërâ´el (Israël) . Taalgebruik in 2 K : jishërâ´el (Israël) . Taalgebruik in Jesaja: jishërâ´el (Israël) . Taalgebruik in Amos : jishërâ´el (Israël) . Getalwaarde : jod = 10 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 , lameth = 12 of 30 ; totaal : 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Gr. israèl (Israël) . Taalgebruik in de LXX : Israèl (Israël) . Taalgebruik in het N.T. : Israèl (Israël) . Tenakh (2044) . Pentateuch (502) . Gn (36) .

Gn 32,29.11. act. qal perfect. 2de pers. mann. enk. shârîthâ (jij streed) van het werkw. shârâh (strijden) . Zie shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . De getalwaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 46 (2 X 23) of 505 (5 X 101) . Structuur : 3 - 2 - 5 . Tenakh (1) Gn 32,29 . jishërâh (hij streed) : jishërâh + ´el = hij streed met God . In Gn 32,29 wordt de naam Israël verklaard als : hij streed met God en met mensen .

Gn 32,30 - Gn 32,30 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
30èrôtèsen de iakôb kai eipen anaggeilon moi to onoma sou kai eipen ina ti touto erôtas to onoma mou kai èulogèsen auton ekei        [30] Jakob vroeg: ‘Maak mij uw naam bekend.’ Maar hij zei: ‘Waarom vraagt u naar mijn naam?’ Toen gaf hij hem op die plaats zijn zegen.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,30 .

2. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

Gn 32,31 - Gn 32,31 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
31kai ekalesen iakôb to onoma tou topou ekeinou eidos theou eidon gar theon prosôpon pros prosôpon kai esôthè mou è psuchè        [31] Jakob noemde die plaats Peniël; ‘Want’, zo zei hij, ‘ik heb God gezien van aangezicht* tot aangezicht, en ik ben toch in leven gebleven.’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,31 . Het vers Gn 32,31 telt 11 woorden en 38 (2 X 19) letters . De getalwaarde van Gn 32,31 is 2817 (3² X 313) .

Gn 32,31.1. wajjiqërâ´(en hij riep, hij heet, hij noemde) < waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 32 (2) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,31 .

Gn 32,31.2. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

Gn 32,31.1. - 2. wajjiqërâ´ ja`äqobh (en Jakob noemde) . Tenakh (3) : (1) Gn 32,31 . (2) Gn 35,15 . (3) Gn 49,1 .

Gn 32,31.1. - 3. Gn 32,31 : wajjiqërâ´ ja`äqobh sjem (en Jakob noemde een naam) . Gn 35,15 : wajjiqërâ´ ja`äqobh ´èth sjem (en Jakob noemde een naam) .
- wajjiqërâ´ (èth) sjem (en hij noemde een naam) . Tenakh (13) : (1) Gn 4,17 . (2) Gn 26,20 . (3) Gn 28,19 . (4) Gn 32,3 . (5) Ex 17,7 . (6) Nu 11,3 . (7) Nu 11,34 . (8) Nu 21,3 . (9) Joz 5,9 . (10) Re 1,17 . (11) 1 K 16,24 . (12) 2 Kr 3,17 . (13) Job 42,14 .

Gn 32,31.3. - 4. sjem hammâqôm ( naam van de plaats) . Tenakh (16) : (1) Gn 22,14 . (2) Gn 28,19 . (3) Gn 32,3 . (4) Gn 32,31 . (5) Gn 33,17 . (6) Gn 35,15 . (7) Ex 17,7 . (8) Nu 11,3 . (9) Nu 11,34 . (10) Nu 21,3 . (11) Joz 5,9 . (12) Joz 7,26 . (13) Re 2,5 . (14) 2 S 5,20 . (15) 1 Kr 14,11 . (16) 2 Kr 20,26 .

Gn 32,31.7. râ´îthî (ik zag, ik heb gezien) act. qal perf. 1ste pers. enk. van het werkw. râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 of 206 . Structuur : 2 - 1 - 5 . Gr. horaô (zien) . Taalgebruik in de Septuaginta : horaô (zien) . Taalgebruik in het N.T. : horaô (zien) . Lat. videre . Fr. voir . Ned. zien . E. to see . D. sehen . pass. Lat. apparere . Fr. apparaître . E. appear . Ned. verschijnen . D. erscheinen . Een vorm van horaô (zien, verschijnen) in het N.T. (114) , in de LXX (1539) . Tenakh (86) . In zes verzen in Gn :
(1) Gn 7,1 (JHWH tot Noach : Ik heb gezien dat je rechtvaardig zijt) .
(2) Gn 16,13 (Hagar noemt God EL Roï) .
(3) Gn 31,12 (De engel van JHWH tot Jakob) .
(4) Gn 32,31 (Jakob over de plaats Penuël : omdat ik God heb gezien van aangezicht tot aangezicht) .
(5) Gn 33,10 (Jakob tot Esau) .
(6) Gn 41,19 .

Gn 32,31.9. - 11. pânîm èl pânîm (van aangezicht tot aangezicht) . Tenakh (5) : (1) Gn 32,31 . (2) Ex 33,11 . (3) Dt 34,10 . (4) Re 6,22 . (5) Ez 20,35 .

Gn 32,32 - Gn 32,32 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
32aneteilen de autô o èlios ènika parèlthen to eidos tou theou autos de epeskazen tô mèrô autou        [32] De zon ging op, zodra hij Peniël voorbij was. En Jakob bleef mank aan zijn heup.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,32 .

Gn 32,33 - Gn 32,33 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
33eneken toutou ou mè fagôsin oi uioi israèl to neuron o enarkèsen o estin epi tou platous tou mèrou eôs tès èmeras tautès oti èpsato tou platous tou mèrou iakôb tou neurou kai enarkèsen         [33] Vandaar dat de Israëlieten tot op de dag van vandaag de spier die boven aan de heup ligt niet* eten, omdat God Jakob boven tegen de heup, tegen de spier van het heupgewricht had gestoten.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,33 .

21. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .


SEPTUAGINTA

1anastas de laban to prôi katefilèsen tous uious autou kai tas thugateras autou kai eulogèsen autous kai apostrafeis laban apèlthen eis ton topon autou2kai iakôb apèlthen eis tèn eautou odon kai anablepsas eiden parembolèn theou parembeblèkuian kai sunèntèsan autô oi aggeloi tou theou3eipen de iakôb ènika eiden autous parembolè theou autè kai ekalesen to onoma tou topou ekeinou parembolai4apesteilen de iakôb aggelous emprosthen autou pros èsau ton adelfon autou eis gèn sèir eis chôran edôm5kai eneteilato autois legôn outôs ereite tô kuriô mou èsau outôs legei o pais sou iakôb meta laban parôkèsa kai echronisa eôs tou nun6kai egenonto moi boes kai onoi kai probata kai paides kai paidiskai kai apesteila anaggeilai tô kuriô mou èsau ina eurè o pais sou charin enantion sou7kai anestrepsan oi aggeloi pros iakôb legontes èlthomen pros ton adelfon sou èsau kai idou autos erchetai eis sunantèsin soi kai tetrakosioi andres met' autou8efobèthè de iakôb sfodra kai èporeito kai dieilen ton laon ton met' autou kai tous boas kai ta probata eis duo parembolas9kai eipen iakôb ean elthè èsau eis parembolèn mian kai ekkopsè autèn estai è parembolè è deutera eis to sôzesthai10eipen de iakôb o theos tou patros mou abraam kai o theos tou patros mou isaak kurie o eipas moi apotreche eis tèn gèn tès geneseôs sou kai eu se poièsô11ikanoutai moi apo pasès dikaiosunès kai apo pasès alètheias ès epoièsas tô paidi sou en gar tè rabdô mou diebèn ton iordanèn touton nun de gegona eis duo parembolas12exelou me ek cheiros tou adelfou mou èsau oti foboumai egô auton mèpote elthôn pataxè me kai mètera epi teknois13su de eipas kalôs eu se poièsô kai thèsô to sperma sou ôs tèn ammon tès thalassès è ouk arithmèthèsetai apo tou plèthous14kai ekoimèthè ekei tèn nukta ekeinèn kai elaben ôn eferen dôra kai exapesteilen èsau tô adelfô autou15aigas diakosias tragous eikosi probata diakosia krious eikosi16kamèlous thèlazousas kai ta paidia autôn triakonta boas tessarakonta taurous deka onous eikosi kai pôlous deka17kai edôken dia cheiros tois paisin autou poimnion kata monas eipen de tois paisin autou proporeuesthe emprosthen mou kai diastèma poieite ana meson poimnès kai poimnès18kai eneteilato tô prôtô legôn ean soi sunantèsè èsau o adelfos mou kai erôta se legôn tinos ei kai pou poreuè kai tinos tauta ta proporeuomena sou19ereis tou paidos sou iakôb dôra apestalken tô kuriô mou èsau kai idou autos opisô èmôn20kai eneteilato tô prôtô kai tô deuterô kai tô tritô kai pasi tois proporeuomenois opisô tôn poimniôn toutôn legôn kata to rèma touto lalèsate èsau en tô eurein umas auton21kai ereite idou o pais sou iakôb paraginetai opisô èmôn eipen gar exilasomai to prosôpon autou en tois dôrois tois proporeuomenois autou kai meta touto opsomai to prosôpon autou isôs gar prosdexetai to prosôpon mou22kai pareporeuonto ta dôra kata prosôpon autou autos de ekoimèthè tèn nukta ekeinèn en tè parembolè23anastas de tèn nukta ekeinèn elaben tas duo gunaikas kai tas duo paidiskas kai ta endeka paidia autou kai diebè tèn diabasin tou iabok24kai elaben autous kai diebè ton cheimarroun kai diebibasen panta ta autou25upeleifthè de iakôb monos kai epalaien anthrôpos met' autou eôs prôi26eiden de oti ou dunatai pros auton kai èpsato tou platous tou mèrou autou kai enarkèsen to platos tou mèrou iakôb en tô palaiein auton met' autou27kai eipen autô aposteilon me anebè gar o orthros o de eipen ou mè se aposteilô ean mè me eulogèsès28eipen de autô ti to onoma sou estin o de eipen iakôb29eipen de autô ou klèthèsetai eti to onoma sou iakôb alla israèl estai to onoma sou oti enischusas meta theou kai meta anthrôpôn dunatos30èrôtèsen de iakôb kai eipen anaggeilon moi to onoma sou kai eipen ina ti touto erôtas to onoma mou kai èulogèsen auton ekei31kai ekalesen iakôb to onoma tou topou ekeinou eidos theou eidon gar theon prosôpon pros prosôpon kai esôthè mou è psuchè32aneteilen de autô o èlios ènika parèlthen to eidos tou theou autos de epeskazen tô mèrô autou33eneken toutou ou mè fagôsin oi uioi israèl to neuron o enarkèsen o estin epi tou platous tou mèrou eôs tès èmeras tautès oti èpsato tou platous tou mèrou iakôb tou neurou kai enarkèsen


Christophe Brabant en Marianne Moyaert (red.) , Worstelen met het woord . Tegendraadse bijbellezingen van Christophe Kapellen , Pelckmans , 2009 ; p. 141-155

' De kinderen in haar lichaam botsten hard tegen elkaar' (Gen 25,22) .

Rebekka's worsteling ANYA TOPOLSKI

Rebekka's verhaal herlezen als een manier om met geloof te worstelen .

Mijn ouders waren holocaustoverlevers, die in 1968 het Communistische Polen onder dwang ontvluchtten. Wat mijn familie heeft meegemaakt heeft diepe wonden geslagen in het hart van mijn ouders en grootouders: ze zijn getekend door angst. Maar ik laat niet toe dat die angst ook mijn leven gaat bepalen. Integendeel zelfs, ik heb ervoor gekozen als praktiserende joodse door het leven te gaan, hoewel die keuze in het licht van mijn (familie)geschiedenis allesbehalve evident was. Ook al is deze keuze niet altijd vanzelfsprekend toch beschouw ik het als een geluk als joodse geboren te zijn. Ik heb leren houden van de joodse geloofspraktijk, van haar rituelen, haar geschriften en haar streven naar wijsheid. Deze traditie is een verrijking voor mijn leven en een bron van vreugde. Joods-zijn geeft kleur aan de kleine en grote gebeurtenissen van mijn leven. Zo verandert het ritueel van de Kabbalat Shabbat (het avondmaal waarmee de sabbat begint op vrijdagavond) een gewone maaltijd in een vierend samenzijn van familie en vrienden. De joodse rituelen bieden mij de tijd en ruimte om de schoonheid en zegeningen van mijn leven te erkennen. Dit kan misschien wat vreemd klinken, maar ik heb ook het gevoel dat mijn karakter past bij wat het betekent joods te zijn. Ik heb de neiging om altijd vragen te stellen, om tegen te spreken en te discussiëren, en vooral om gezag te bevragen en gemakkelijke antwoorden af te wijzen. Was ik niet geboren als joodse, geroepen om de wereld en G-d uit te dagen, dan zou ik misschien alle godsdienstigheid allang opgegeven hebben. Dit zou voor mijn leven alvast een verarming betekenen.
Maar de belangrijkste reden waarom ik het jodendom heb omarmd, is dat geloven binnen deze traditie gedacht wordt als een worsteling. Het is alsof de worsteling de onuitgesproken wortel van alle joodse rituelen en wetten is. Dit worstelen kan veel vormen aannemen. We worden verondersteld te worstelen met onszelf, met anderen en met G-d. Boven alles wordt van ons verwacht dat we de strijd aanbinden met elke vorm van onrechtvaardigheid, ongeacht of het nu gaat om kleine of grote vormen van onrecht. Onrecht is onrecht. Misschien is dat wel de reden waarom het voor niet-joden soms lijkt alsof joden over 'alles' vallen.
In deze bijdrage bind ik de strijd aan met één bijzondere vorm van onrecht. Meer bepaald wil ik mij buigen over de neiging van de joodse traditie om de rol van vrouwen te minimaliseren. Ik besteed daarbij vooral aandacht aan een van de tekstuele wortels van dit onrecht. In het bijzonder zal ik het verhaal van Rebekka herlezen. In de joodse traditie wordt Jakob, een van de twee zonen van Rebekka, geïdentificeerd met de geloofsworsteling (de betekenis van de naam Israël zoals hij door de engel genoemd wordt). Een hernieuwde lezing van het verhaal van Rebbeka maakt echter duidelijk dat niet enkel Jakob, maar ook Rebbeka een belangrijke inspiratiebron is voor wat het betekent Joods te zijn en te worstelen met man/vrouw en G-d. Ik wil aantonen dat de centrale notie van de worsteling verrijkt kan worden wanneer we ook de ervaring van vrouwen zoals Rebekka erkennen.

Het jodendom en Jakob: 'want je hebt met G-d en mensen gestreden en je hebt gewonnen' (Gen 32,29).

Alvorens mij tot Rebbeka te wenden, wil ik eerst kort stilstaan bij het belang van 'naamgeving' in de joodse traditie. In de Thora bepalen namen wie mensen zijn en zullen zijn (bv. Abram/Abraham). Een naam houdt altijd een roeping in. Dit wordt op eminente wijze geïllustreerd in het verhaal van Jakobs nachtelijke worsteling met de vreemde. Wanneer Jakob het land Kanaän nadert waar hij zijn broer Esau na vele jaren opnieuw zal ontmoeten, is hij in de greep van vrees. Aangespoord door Rebekka heeft hij Esau's geboorterecht én zegen 'afgenomen' (Gen 27,36). Jakob heeft misbruik gemaakt van de zwakheid van Esau's karakter, met name van het feit dat hij zich laat leiden door zijn driften. Zijn vrees voor Esau's wraak is dan ook terecht. Daar komt nog bij dat Esau een hele legerschare verzameld heeft. Tijdens de nacht voor hun ontmoeting bidt Jakob om vrede. Terwijl hij in gebed verzonken is, wordt hij overvallen door een onbekende - 'iemand' volgens Genesis 32,25, een engel volgens Hosea 12,4 en volgens de midrasj-traditie is het Esau zelf die hem belaagt. Wat er ook van zij, Jakob worstelt met deze onbekende en weigert zich gewonnen te geven. Hij eist door de vreemde gezegend te worden:

Toen zei de ander: 'Laat mij gaan, het wordt al dag.' Maar Jakob zei: 'Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent.' De ander vroeg: 'Hoe luidt je naam?' 'Jakob' antwoordde hij. Daarop zei hij: 'Voortaan zal je naam niet Jakob zijn maar Israël, want je hebt met G-d en mensen gestreden en je hebt gewonnen' (Gen 32,27-29).

Volgens Jonathan Sacks, opperrabbijn van Engeland: is dit het moment waarop het Joodse volk zijn naam ontvangt. Het had niet onverwachter of mysterieuzer gekund. Jakob staat op het punt om zijn broer Esau, die hij in geen twintig jaar gezien heeft en die gezworen heeft hem te doden, terug te zien. Alleen en bang wordt hij aan het eind van de nacht door een anonieme vreemde aangevallen. Ze worstelen. De tijd verstrijkt. Het morgengloren breekt aan. En zo ontvangt het volk Israël zijn naam, bij uitstek een van de meest vreemde en meest bekljvende ervaringen in de religieuze geschiedenis van de mensheid. ... Jakob worstelt, zoals zijn afstammelingen - de kinderen van Israël - blijven worstelen met een wereld die ons geen vrede gunt. En toch geeft Jakob niet op en wordt hij niet verslagen. Zijn grootste religieuze ervaring doet hij op wanneer hij alleen is, in de nacht en ver van huis. Jakob worstelt met de engel en met innerlijke verscheurdheid en zegt: 'Ik laat je niet gaan, zolang je mij niet zegent.' Dat is de manier waarop hij de hoop van de ondergang redt - zoals Joden altijd gedaan hebben. Hun duisterste nachten zijn altijd het voorspel geweest van de creatiefste gloren (C&C Vayishlach 5769). Het jodendom is geen hiërarchische gezagstraditie. Gezag wordt verworven door studie en ervaring. Dit geldt zeker ook voor Jonathan Sacks die zowel een uitmuntende rabbi als filosoof is. Hoewel zijn commentaar niet dwingend is, ben ik ervan overtuigd dat hij de essentie vat van het verband tussen Jakob, de worsteling en de joodse identiteit. Behoren tot de kinderen van Israël, gerekend worden tot Jakobs afstammelingen, is strijden voor vrede en gerechtigheid en dit betekent worstelen met G-d, medemens en wereld (tikkun olam). En die strijd moet voortgezet worden tegen alle verwachtingen in. Het wezen van het joods geloof bestaat erin om zich niet neer te leggen bij hoe de wereld is zolang die niet is zoals ze behoort te zijn. Het jodendom wacht niet op een verre toekomst waarin gerechtigheid bewaarheid zal worden. Er moet hier en nu reeds geijverd worden voor rechtvaardigheid. Dat is de betekenis van het verhaal van Jakob, dat meteen ook de eigenheid van de joodse traditie verwoordt.

Jodendom en vrouwen

Wie op sabbat door een orthodoxe joodse gemeenschap wandelt, zal wellicht getroffen worden door de scheiding tussen mannen en vrouwen. Op heilige dagen zal men zelden vrouwen van en naar de synagoge zien wandelen. Ze blijven thuis of in elk geval uit het zicht. Veel joden worstelen met de vraag wat de plaats is van vrouwen in de joodse gemeenschap. In niet-orthodoxe middens worden joodse vrouwen vandaag na veel jaren strijd, theoretisch althans, gelijkwaardig behandeld. In niet-orthodoxe kringen kunnen vrouwen aangesteld worden als rabbi. Dit vrij recente fenomeen blijft echter uitzonderlijk. Het treft de kern van de joodse orthodoxe traditie niet. De orthodoxe tak van het jodendom aanvaardt deze gelijkbehandeling niet en zweert bij de patriarchale cultuur. Dergelijke behandeling van man en vrouw geldt daar als niet-orthodox of om het met een joods gevoel voor humor te zeggen als niet-kosher. Een ander voorbeeld dat de scheefgetrokken verhouding tussen mannen en vrouwen typeert, is de wijze waarop jongens en meisjes opgenomen worden in het joodse verbond. Jongens, zoals de Thora het voorschrijft, hebben de bris en een bar mitswa. Voor de meisjes bestaat een naamgevingsritueel dat geen enkele Bijbelse basis heeft. Maar er bestaat, in orthodoxe kringen althans, geen ritueel voor meisjes dat hen als dochters van het verbond erkent. Dat bestaat enkel voor jongens. Enkel in niet-orthodoxe kringen bestaat er voor meisjes een bat mitswa. Maar dat geldt binnen het orthodoxe jodendom als niet-orthodox. Zelf reken ik mij niet tot de orthodoxe strekking. Feit is evenwel dat de orthodoxe joden zeer zichtbaar en herkenbaar zijn en daardoor wellicht vaak geïdentificeerd worden met het jodendom, terwijl er eigenlijk niet zoiets bestaat als het jodendom. Dit is zeker zo binnen de christelijke (Europese) wereld waar het orthodoxe jodendom doorgaans als normatief wordt beschouwd (waarschijnlijk is dat zo omdat orthodoxe joden het gemakkelijkst te definiëren en dus te begrijpen zijn, misschien ook omdat het orthodoxe jodendom het meeste lijkt op het christendom). In termen van economie, politiek, zichtbaarheid en publiciteit is de orthodoxe strekking in elk geval de dominante stem binnen het jodendom. En dat terwijl ze met minder zijn dan de niet- orthodoxe joden. Maar aantal of grootte is niet altijd evenredig met het gewicht of het belang (denk maar aan het verhaal van David en Goliat). Als het jodendom inderdaad een rechtvaardig geloof wil zijn, dan zal het mijns inziens de onrechtvaardige verhouding tussen mannen en vrouwen moeten aanpakken. Het lijdt geen twijfel dat vrouwen wel degelijk een belangrijke rol in het jodendom gespeeld hebben. Maar dit wordt niet of toch onvoldoende erkend. Vrouwen krijgen niet de waardering die zij verdienen. Ze krijgen een tweederangsrol toebedeeld. Terwijl het soms de vrouwen zijn die de heldinnen zijn van Bijbelse verhalen, worden hun mannen of vaders in hun plaats geprezen en herinnerd. (In dit perspectief heeft het me overigens altijd verbaasd dat de bepaling van het jood-zijn wel gebeurt op basis van de afstamming van de moeder). Hoe dan ook is het gevolg dat joodse vrouwen niet enkel uitgesloten worden binnen het ruimere publieke domein, maar ook binnen de meer particuliere publieke ruimte van de joodse gemeenschap. In wezen is de ongelijke behandeling van mannen en vrouwen terug te voeren op één groot probleem: de patriarchale Bijbellezing die de rol en het belang van de vrouwen voor de Joodse traditie steevast minimaliseert of zelfs negeert. De hedendaagse strijd voor gelijkheid in niet-orthodoxe milieus kan er nooit toe leiden dat de onrechtvaardigheid van 5769 jaar van patriarchale Bijbellezing ongedaan wordt gemaakt. Maar deze strijd claimt dat het vanaf nu anders moet, zonder het verleden te ontkennen. Zolang de patriarchale Bijbellezing niet aangepakt wordt, is de strijd voor de gelijkwaardigheid van de vrouw in het jodendom niet ten einde. Om de onrechtvaardige behandeling van vrouwen aan te pakken, stel ik daarom voor terug te keren naar de tekstuele wortels ervan. Door terug te keren naar de Thora, de kern van het jodendom, wil ik een nieuwe manier bepleiten waarop het jodendom omgaat met de traditie van worstelen met G-d en mens. Dat brengt mij bij het verhaal van Rebekka, de moeder van Jakob en de moeder van Israël.

Het verhaal van Rebekka: genealogie, huwelijk, geboorte en verantwoordelijkheid

De eerste aanwijzing die de lezer krijgt in de Bijbel over het belang van Rebekka is te vinden in haar genealogie (Gen 24,15). De meeste genealogieën in de Thora volgen de mannelijke lijn. De genealogie van Rebekka vermeldt naast de mannelijke lijn ook Rebekka's band met Milka, haar grootmoeder. Dat kan een detail lijken, maar volgens de methode van de midrasj zijn het precies dit soort details die te denken geven. Waarom wordt hier verwezen naar de grootmoeder van Rebekka? Dit is nooit eerder gebeurd. Het verhaal lijkt er ook niet om te vragen. Ik zou willen suggereren dat dit ongewone detail wijst op het feit dat Rebekka geen gewone vrouw is: zij is een centrale figuur in het verhaal van de kinderen van Israël en de eerste aanwijzing daarvoor is de vermelding van haar verwantschap met Milka, wat 'koningin' betekent. Drie andere gebeurtenissen in het verhaal die aan de ontmoeting met Isaak voorafgaan, zetten het belang van Rebekka als Bijbelse hoofdrolspeelster verder in de verf. Een eerste gebeurtenis vindt plaats wanneer Eliëzer, de dienaar die door Abraham uitgestuurd is om voor Isaak een geschikte vrouw te vinden, Rebekka ontmoet bij de bron. In tegenstelling tot wat men zou verwachten, snelt Rebekka niet naar de verwanten van haar vader om hen het nieuws te vertellen. Er wordt verteld dat ze zich naar haar moeder haast om te vertellen over de ontmoeting met de vreemdeling. Noch opmerkelijker is het feit dat Eliëzer geschenken geeft aan Rebekka's moeder. Het was nochtans de gewoonte dat hij geschenken aan de vader zou aanbieden. Tot slot krijgt Rebekka, wanneer ze haar familie verlaat om zich bij Isaak te voegen, de zegen van haar moeder en haar zus. Dergelijke 'vrouwelijke' zegeningen zijn zeldzaam in de Thora. Dat maakt ze dan ook heel bijzonder. Zo lezen we: 'Zuster van ons, wij wensen jou duizend maal tienduizend nazaten toe, en moge de stad van de vijand hun in handen vallen' (Gen 24,60). Zoals de zegen die aan Abraham wordt geschonken en die hem meer afstammelingen belooft dan sterren aan de hemel, verwijst de zegen van Rebekka naar haar kinderen (een interessante parallel gezien het vruchtbaarheidsprobleem dat in de daaropvolgende hoofdstukken volgt). Deze drie gebeurtenissen die voorafgaan aan de ontmoeting met Isaak benadrukken dat Rebbeka een uitzonderlijke vrouw is. Het is duidelijk dat zij voorbereid wordt om een cruciale rol te spelen met betrekking tot de oorsprong van het Joodse volk. Daar komt nog bij dat Rebekka de keuze krijgt - een keuze die geen enkele andere vrouw krijgt in de Thora - om zelf te beslissen of zij meegaat met de volstrekt vreemde Eliëzer om haar echtgenoot, Isaak, te ontmoeten. Ze schenkt hem uiteindelijk een groot vertrouwen (Gen 24,58). Misschien betekent dit wel dat Rebekka zich bewust is van haar goddelijke roeping, een roeping die door de patriarchale traditie toegedekt is? Laten we nu zien hoe Rebekka worstelt met die goddeljke roeping. 'De kinderen in haar lichaam botsten hard tegen elkaar. Als het zo moet gaan, dacht ze, waarom leef ik dan nog? En ze ging bij de HEER te rade (Gen 25,22). Dit vers heeft mij steeds geïntrigeerd. De klassieke uitleg van dit vers luidt dat het tegen elkaar botsen van de kinderen in Rebbeka's schoot de voorafschaduwing van de toekomstige worsteling van Jakob is. Deze uitleg minimaliseert evenwel het belang van Rebekka. Ik denk dat een andere uitleg mogelijk is, die meer recht doet aan de specifieke rol van Rebbeka in de joodse traditie en aan de bijzondere betekenis van de worsteling in haar schoot. Laat ons daartoe eerst de aandacht vestigen op de woorden die gebruikt worden om de worsteling van Jakob beschrijven. In Genesis 32,25 drukt het werkwoord vayeavek de worsteling met de vreemdeling uit. De stam van dat werkwoord verwijst naar avek wat stoffig worden betekent. Enkele verzen verder, wanneer Jakob Israël wordt (Gen 32,29), is worstelen gelinkt aan overwinning. De naam Israël betekent dus zoveel als doorzettingsvermogen hebben. Zoals Sacks uitlegt, is het duidelijk dat deze houding kenmerkend is voor de kinderen van Israël: de uitdaging om met anderen en Gd te worstelen met de vurige overtuiging te overwinnen. Wat betekent dit nu met het oog op Rebbeka? Welke zijn de overeenkomsten tussen Jakobs worstelen en de worsteling in Rebekka's schoot (Gen 25,22)? Het woord dat in dat vers gebruikt wordt is ratsats, wat vertaald kan worden als gedrang, duw, stoot, gevecht en zelfs worsteling. Dat werkwoord is echter niet hetzelfde als bij Jakob vayeavek. Rebekka en Jakob worstelen op een andere manier. Het is in dit opzicht niet juist om Rebbeka's worsteling te reduceren tot een voorafschaduwing van Jakobs worstelen. Beide personages geven een ander 'worstelend' antwoord op de uitdagingen van leven en geloof. Geen van beide moet ontkend of geminimaliseerd worden. Jood-zijn is worstelen met G-d, een worsteling die tegelijk universeel en particulier is. Jakob en Rebekka zijn beide zoals elke mens geroepen om te worstelen in hun leven. Geen enkele worsteling is met elkaar vergelijkbaar. Elke worsteling is daarom uniek. 'De kinderen in haar lichaam botsten hard tegen elkaar' (Gen 25,22). Waarom botsten ze tegen elkaar? Voelt Rebekka deze worsteling niet in haar schoot? Volgens de midrash vechten de twee broers omdat ze verschillen van aard. Om het even wanneer ze een gebedshuis of een studieverblijf voorbijkwarn, zou Jakob zich naar buiten geworsteld hebben en wanneer ze een plaats voorbijging van afgoderij zou Esau er alles voorgedaan hebben om naar buiten te komen. Ook onderling worstelden ze, ze strijden om de erfenis van twee werelden (Yalkut Shirnoni; Rashi). In feite beschrijft dit vers Rebekka's strijd. Zij is het die de strijd ervoer. Haar pijn was zo groot dat ze dacht: 'Als het zo moet gaan, waarom leef ik dan nog?' Voor alle duidelijkheid, ze voelt niet alleen fysiek de pijn. Elke zwangere vrouw kent de vrees die opkomt bij het minste kwaaltje. Rebekka moet echt negen maanden van mentale en fysieke beklemming gevoeld hebben. Daarbij kwam nog eens de immense verantwoordelijkheid als aanstaande moeder van het kind van het verbond met de Heer. Terwijl er dus een fysieke strijd zich afspeelde in haar schoot, was het ook een heel gevecht in haar hart en geest. Om die reden 'ging ze bij de HEER te rade' (Gen 25,22). Had Rebekka enig vermoeden van wat haar te wachten stond? Waarom zou ze zich tot de Heer wenden, iets wat geen enkele andere vrouw zou doen om reden van een fysiek ongemak? Voorvoelde ze dat de strijd die zich in haar afspeelde haar zou dwingen te kiezen tussen een van haar kinderen? Een keuze tussen natuur en verantwoordelijkheid. Dacht ze misschien dat het voor onenigheid zou zorgen tussen Isaak en haar? Rebekka's strijd is fysiek, emotioneel en existentieel intens. Te midden van deze inwendige strijd toont ze de moed, of de chutzpah, om zich naar G-d te keren en Hem uit te dagen. L'drosh wordt vertaald als 'raadplegen', maar betekent ook uitdagen, worstelen. Rebekka worstelt dus niet alleen met zichzelf, met anderen (wat in haar gebeurt), maar ook met G-d. Dat is wat precies aan Jakob wordt toegeschreven in Genesis 32. Rebekka vraagt om een verklaring voor haar kwelling. Ze wil achterhalen wat haar ondraaglijke zwangerschap betekent. De HEER zei tegen haar: 'Twee volken zijn er in je schoot, volken die uiteengaan nog voor je hebt gebaard. Het ene zal machtiger zijn dan het andere, de oudste zal de jongste dienen' (Gen 25,23). Meestal wordt Rebekka's vraag geïnterpreteerd als een vraag ingegeven door fysieke en emotionele zorgen. G-ds antwoord is evenwel zuiver politiek van aard. Dit doet vermoeden dat daar ook de werkelijke reden van Rebekka's vraag gezocht moet worden. Haar vraag is niet louter emotioneel of gedreven door fysieke beslommeringen. Ze wil weten wat haar rol is in de geschiedenis van Israël. G-d beseft dit. G-d vertelt haar dat ze een cruciale politieke rol zal spelen in de wording van het joodse volk, een rol die G-d aan haar toevertrouwt, en niet aan haar man. Maar wat is precies de rol die ze moet spelen? Wat wordt er van haar verwacht? Terwijl de tekst op het eerste gezicht de indruk geeft een eenduidig antwoord te verschaffen op deze vraag, is er bij nader inzien sprake van tal van dubbelzinnigheden. Een eerste dubbelzinnigheid is de afwezigheid van het woord et. Door de afwezigheid ervan kan de zin gelezen worden als 'de oudere zal de jongere dienen'. Een andere mogelijke lezing is 'de jongere zal de oudere dienen'. Het is met andere woorden niet geheel duidelijk of Jakob Esau zijn zegening ontfutselde of dat deze zegen altijd reeds voor Jacob bestemd was. Gaf G-d Rebekka, zoals vaak verondersteld wordt, een duidelijke gebod of - en dit is wat ik zou willen argumenteren - is G-ds antwoord veeleer te verstaan als een 'hermeneutische ruimte' waarbinnen Rebekka zelf moet oordelen over haar verantwoordelijkheid voor het verbond, een verantwoordelijkheid waarmee zij duidelijk worstelt? Een tweede onduidelijkheid bevestigt nogmaals dit feit. Deze onduidelijkheid in de tekst heeft betrekking op de termen ouder en jonger (respectievelijk rav en tsa'ir). In het Hebreeuws zijn deze termen niet elkaars directe tegengestelden. Eigenlijk betekent rav niet oudste, maar wel groot, leider of voornaam. Het tegendeel van tsa'ir (jongste) is bechir (oudste of eerstgeborene). Maar die term wordt niet gebruikt in dit vers. Door gebruik te maken van de termen tas'ir (jongste) en raw (leider, groot, voornaam), en niet van bechir (oudste, eerstgeborene) kunnen we vermoeden dat er een verborgen betekenis achter dit vers schuilgaat. Wat zegt de midrasj over dit vers? De midrasj verplicht ons de vraag te stellen wie nu eigenlijk de rav (leider) is. Is Esau, de oudste en eerstgeborene, de leider en is de zegen dus voor hem bestemd? Of is Jakob, de jongste zoon, bestemd om de leider te zijn en de taak van de oudste (Esau) te vervullen? Hoewel Esau de eerstgeborene is, gedraagt hij zich alsof hij niet tot leiden in staat is. Hij wordt geleid door zijn natuurlijke driften. volgens Sacks 'zijn deze vele dubbelzinnigheden niet toevallig, maar maken ze integraal deel uit van de tekst' (C&C Toldot 5767). Ze wijzen erop dat G-d Rebekka een grote verantwoordelijkheid geeft voor het verbond - G-d geeft ons allen zo'n grote verantwoordelijkheid. En Rebekka neemt die verantwoordelijkheid op en neemt zo de toekomst van het Joodse volk in haar handen. Uit G-d antwoord is niet zo duidelijk wie van haar twee zonen de verantwoordelijkheid van het verbond moet en zal erven. Rebekka moet zelf een beslissing nemen, en ze worstelt met deze verantwoordelijkheid. Ze worstelt met de druk van de verantwoordelijkheid dat zij ervoor moet zorgen dat de juiste zoon erfgenaam wordt van het verbond. Hoe kan een moeder tussen hen kiezen? Rebekka's worsteling ontkracht de suggestie dat Rebekka uit eigenbelang trachtte te bemiddelen in de onenigheid tussen haar zonen en Jakob wilde voortrekken. Zelfs als, zoals uit het verhaal blijkt, Rebekka Jakobs temperament verkiest, dan nog zal zij als moeder geen tegenslag wensen voor de ander. Rebekka wordt door G-d uitverkoren ter wille van haar gave om van al G-ds schepselen te houden en ter wille van haar juist oordeel. Dat blijkt vanaf het eerste moment dat er over haar sprake is in de Thora. Vanaf dat ogenblik 'zal Rebekka onrechtstreeks vanachter de schermen haar leiderschap uitoefenen. Net zoals G-d Abrahams dienaren naar de juiste vrouw leidde, namelijk Rebekka, zo zal zij Isaak naar Jakob leiden, de "ware" zoon en de geschikte erfgenaam'. Abraham heeft weinig vertrouwen in het oordeel van Isaak en in zijn betrokkenheid op het verbond. Om die reden zendt hij zijn dienaar uit om een bruid te vinden. Vervolgens 'test' Eliëzer het gemoed en het geduld van Rebekka voor dieren. Is zij bereid bij de bron de dieren te voeden? Isaaks voorkeur voor eten doet hem op een dier gelijken. Zijn reukzin (het laagste van de menselijke vermogens en daarom het meest dierlijke) maakt hem kwetsbaar. Rebekka helpt Jakob om de zegen te verkrijgen die voor Esau 'bedoeld' was door 'misbruik' te maken van Esau's zwakte. Maar was die wel echt voor Esau bedoeld? Ze realiseert zich dat het haar verantwoordelijkheid is om Jakob tot erfgenaam van het verbond te maken. Om die reden overtuigt ze Jakob om Esau's zegen te 'ontnemen', een daad van overtuiging die eerst en vooral duidelijk maakt dat Jakob eerder een angst-haas is en bang is om risico te lopen tenzij het succes gegarandeerd is. Ten tweede illustreert het dat Rebekka bereid is om haar verantwoordelijkheid op te nemen ten aanzien van G-d, zoals ook Abraham, en deze te laten voorgaan op haar liefde voor haar kinderen. Daarenboven moet Rebekka eens te meer te hulp schieten om Jakob aan een bruid te helpen. Wijselijk weet ze Isaak van de risico's voor het verbond te overtuigen wanneer de bruid niet uit het eigen volk afkomstig zou zijn. Dankzij haar vindt Isaak zijn plaats in de verhouding tot zijn zonen, zijn vader en het verbond. Dankzij haar wordt Jakob gedwongen de zegeningen van zijn vader te erkennen - en te verwerven; dankzij haar wordt de broedermoord voorlopig vermeden; en dankzij haar wordt Jakob uitgestuurd om de vrouw van zijn leven te vinden, een avontuur dat zijn schranderheid zal aanscherpen en hem in de juiste verhouding met zijn broer zal plaatsen. Tot slot vindt hij dankzij haar de juiste verhouding met G-d." Is het niet tragisch dat de geschiedenis ervoor gezorgd heeft dat zij vergeten is? Haar zorg voor het verbond werd overvleugeld door haar man Isaak en haar zoon Jakob. Isaak genoot het vertrouwen omdat hij de zoon is van Abraham, de patriarch en vader van Jakob. Maar Isaak zelf - al bij al genomen een eerder pathetisch figuur '~ - heeft nooit de taak of verantwoordelijkheid op zich genomen om de band levendig te houden tussen Abraham en Jakob. Het is veeleer Rebekka die deze taak op zich neemt. Rabbi Sacks vermeldt terecht dat er sprake is van een onevenwicht tussen Rebekka en Isaak. 'In hun huwelijk is Rebekka vaker de actieve partner' (C&C Chaye Sarah 5768). Een nog groter contrast tussen Isaak en Rebekka valt op wanneer we het hebben over Isaaks passiviteit gedurende de Akedah, een passiviteit die Rebekka hem nooit nadoet. Vanaf het moment van hun ontmoeting lijkt het alsof G-d de kant van Rebekka heeft gekozen in plaats van die van Isaak om de continuïteit van het verbond te verzekeren. Maar waarom belooft G-d dan het verbond met Isaak te sluiten (Gen 17,21) wanneer Rebekka de verantwoordelijkheid ervoor neemt? Dat is mijn vraag aan G-d: waarom niet erkennen wie de werkelijke heldin is van dit verhaal?

Rebekka - Moeder van het verbond

De volgende keer dat je de Thora openslaat, denk dan eens aan Rebekka. Haar verhaal, meer nog dan dat van haar man of haar zoon, belichaamt wat het betekent joods te zijn: worstelen met zichzelf, anderen en G-d én overwinnen (wat niet uitsluit dat men bij momenten ook afziet). Rebekka neemt haar leven in handen en haar verantwoordelijkheid ten aanzien van G-d door in te stemmen met het huwelijk met Isaak. Vervolgens ondergaat ze de worsteling van haar twee kinderen in haar schoot. Die brengt een worsteling in haarzelf teweeg en daarop richt ze zich tot G-d (chutzpah). Na de geboorte van haar kinderen neemt ze met al wat in haar macht ligt de verantwoordelijkheid voor het verbond op - ook al lijdt ze eronder. Enerzijds worstelt ze met de verantwoordelijkheid tegenover haar familie en anderzijds met deze tegenover G-d. En van begin tot eind worstelt Rebekka met het gegeven een vrouw te zijn van wie verwacht wordt op de achtergrond en aan de zijlijn te blijven. Deze onrechtvaardigheid wordt tot op vandaag gedeeld door vrouwen, maar daarom nog niet in dezelfde mate. Als vrouwen moeten we dubbel zo hard ijveren voor rechtvaardigheid als mannen, in het bijzonder in godsdiensten en culturen met een patriarchale structuur. Als vrouwen moeten we ijveren om gehoord te worden nog voor we zelfs maar aan de strijd voor verandering kunnen beginnen. We moeten strijden voor de strijd en dus dubbelhard knokken. Vrouwen hebben dus een grotere verantwoordelijkheid en dat maakt hun strijd en succes des te opmerkzamer. Helaas, ook onze samenleving slaagt er niet in dat te erkennen. Het leven van Rebekka is een strijd. Ze volhardt en ze overwint. Belangrijker nog, ze aanvaardt de verantwoordelijkheid jegens de wereld en G-d. Haar verhaal, meer dan enig ander, belichaamt wat het jood-zijn voor mij is. Om die reden herken ik mij in haar worsteling voor haar aandeel in de joodse geschiedenis. Niet alleen is het onrechtvaardig dat haar verhaal vergeten is, het is eveneens onrechtvaardig dat vrouwen tot op vandaag, binnen het jodendom, als een Rebekka behandeld worden. Het minste wat we vandaag kunnen doen om de ernst van haar worsteling en succes te erkennen, is het belang erkennen van zoveel vergeten vrouwelijke sleutelfiguren uit het heden en uit het verleden.

Voor wie verder wil lezen : O.S. Card, Rebekah (Women of Bereishit), New York Forge Books, 2001. A. Diamant, De rode tent, Baarn, De Kern, 1999. E. Frankel, The Five Books of Miriam: A Woman's Cornmentary on the Torah, San Francisco, Harper, 1996. L. Kass, The Beginning of Wisdom: Reading Genesis, Chicago, University of Chicago Press, 2006. C. Keller, Face of the Deep: A Theology of Becoming, Londen, Routledge, 2003. J. Sacks, Celebrating Life, Londen, Continuum, 2003. J. Sacks, Crisis and Covenant: Jewish Thought after the Holocaust, Sherman Studies of Judaism in Modern Times, Manchester, Manchester University Press, 1992. J. Sacks, From Optimism to Hope: Thoughts for the Day, Londen, Continuum, 2004. J. Sacks, A Letter in the Scroll: Understanding Our Jewish Identity and Exploring the Legacy of the World's Oldest Religion, New York, Free Press, 2000. J. Sacks, To Heal a Fractured World: The Ethics of Responsibility, New York, Schocken Books, 2005.


- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q

- wajjiqërâ´(en hij riep, hij heet, hij noemde) < waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 32 (2) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,31 .

- Gn 32,31 : wajjiqërâ´ ja`äqobh sjem (en Jakob noemde een naam) . Gn 35,15 : wajjiqërâ´ ja`äqobh ´èth sjem (en Jakob noemde een naam) .
- wajjiqërâ´ (èth) sjem (en hij noemde een naam) . Tenakh (13) : (1) Gn 4,17 . (2) Gn 26,20 . (3) Gn 28,19 . (4) Gn 32,3 . (5) Ex 17,7 . (6) Nu 11,3 . (7) Nu 11,34 . (8) Nu 21,3 . (9) Joz 5,9 . (10) Re 1,17 . (11) 1 K 16,24 . (12) 2 Kr 3,17 . (13) Job 42,14 .

- R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -