Genesis 32 - Gn 32 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -
- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -

- Hebreeuws OF modern Hebreeuws (NT) : http://www.mechon-mamre.org/i/t/t0132.htm . http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Hebreeuws OF modern Hebreeuws (NT) .
- Targum Onkelos : http://www.mechon-mamre.org/i/t/u/u0132.htm . Targum Onkelos .
- Griekse tekst - Septuaginta : http://www.spindleworks.com/septuagint/Genesis.htm . Griekse tekst - Septuaginta .
- Aramees - Peshitta NT : http://unbound.biola.edu/index.cfm?method=searchResults.doSearch . Aramees - Peshitta .
- Vulgata : http://www.intratext.com/IXT/LAT0001/_PW.HTM . Vulgata .
- Statenvertaling : http://www.statenvertaling.net/bijbel/luka/24.html . Statenvertaling .
- Willibrordvertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/?p=page&i=932,965 . Willibrordvertaling .
- De Nieuwe Vertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/?p=page&i=932,965 . De Nieuwe Vertaling .
- De Naardense bijbel : http://naardensebijbel.nl/zoek.php . De Naardense bijbel .
- Bible de Jérusalem : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Bible de Jérusalem .
- King James Bible : http://quod.lib.umich.edu/cgi/k/kjv/kjv-idx?type=DIV1&byte=4609530 . King James Bible .
- Luther Bibel : http://www.die-bibel.de/online-bibeln/luther-bibel-1984/bibeltext/bibelstelle/Lukas%2024/bibel/text/lesen/ch/899d58043b75483a5525c5c4b3d191f4/ . Luther Bibel .
- Arabisch :http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Arabisch .

Overzicht van Genesis : - Gn 1 - Gn 2 - Gn 3 - Gn 4 - Gn 5 - Gn 6 - Gn 7 - Gn 8 - Gn 9 - Gn 10 - Gn 11 - Gn 12 - Gn 13 - Gn 14 - Gn 15 - Gn 16 - Gn 17 - Gn 18 - Gn 19 - Gn 20 - Gn 21 - Gn 22 - Gn 23 - Gn 24 - Gn 25 - Gn 26 - Gn 27 - Gn 28 - Gn 29 - Gn 30 - Gn 31 - Gn 32 - Gn 33 - Gn 34 - Gn 35 - Gn 36 - Gn 37 - Gn 38 - Gn 39 - Gn 40 - Gn 41 - Gn 42 - Gn 43 - Gn 44 - Gn 45 - Gn 46 - Gn 47 - Gn 48 - Gn 49 - Gn 50 -
Uitleg vers per vers : - Gn 32,1 - Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 - Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -

Overzicht van Tenakh : Tenakh : overzicht , Tenakh : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenakh : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,

Overzicht N.T. : N.T. : overzicht , N.T. : taalgebruik - N.T. A - N.T. B - N.T. C - N.T. D - N.T. E - N.T. F - N.T. G - N.T. H - N.T. I - N.T. J - N.T. K - N.T. L - N.T. M - N.T. N - N.T. O - N.T. P - N.T. Q - N.T. R - N.T. S - N.T. T - N.T. U - N.T. V - N.T. W - N.T. X - N.T. Y - N.T. Z - N.T. : commentaar .

- Genesis taalgebruik - Genesis taalgebruik A - Genesis taalgebruik B - Genesis taalgebruik C - Genesis taalgebruik D - Genesis taalgebruik E - Genesis taalgebruik F - Genesis taalgebruik G - Genesis taalgebruik H - Genesis taalgebruik I - Genesis taalgebruik J - Genesis taalgebruik K - Genesis taalgebruik L - Genesis taalgebruik M - Genesis taalgebruik N - Genesis taalgebruik O - Genesis taalgebruik P - Genesis taalgebruik Q - Genesis taalgebruik R - Genesis taalgebruik S - Genesis taalgebruik T - Genesis taalgebruik U - Genesis taalgebruik Z -


bijbelvertalingen Lexilogos   bijbelweb info-bible interBible http://www.diebibel.de/
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing   http://www.bible-history.com/isbe/  

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@telenet.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm .
- STARTPAGINA -- BIJ DE HAND -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
OF (met aanvullingen) : - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : - Arabisch , allochtonen , Aramees , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , getallen , globalisering en antiglobalisering , Grieks , Hebreeuws , Hebreeuwse lessen ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , Latijn , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen .

Woordenschat

Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik

Overzicht van de bijbelboeken - bijbeloverzicht -- taalgebruik -
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

Gn 32,1 - Gn 32,1 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [1] De volgende ochtend kuste Laban zijn zonen en dochters vaarwel, gaf hun zijn zegen en ging naar zijn woonplaats terug. Boden en geschenken voor Esau [1] De volgende morgen vroeg kuste Laban zijn kleinkinderen en zijn dochters, en zegende hen. Daarna ging hij terug naar huis.* Jakob oog in oog met Esau    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 32,2-22 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -

Gn 32,2 - Gn 32,2 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
ΚΑΙ ᾿Ιακὼβ ἀπῆλθεν εἰς τὴν ὁδὸν ἑαυτοῦ. καὶ ἀναβλέψας εἶδε παρεμβολὴν Θεοῦ παρεμβεβληκυῖαν, καὶ συνήντησαν αὐτῷ οἱ ἄγγελοι τοῦ Θεοῦ. 1 Iacob quoque abiit itinere quo coeperat fueruntque ei obviam angeli Dei   1 Jakob toog ook zijns weegs; en de engelen Gods ontmoetten hem. [2] Toen Jakob zijn reis voortzette, kwamen engelen van God hem tegemoet.   [2] Jakob trok verder. Plotseling verschenen er engelen van God op zijn weg.    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,2 . Vers Gn 32,2 telt 7 woorden en 31 letters . De getalwaarde van Gn 32,2 is 873 (3² X 97) .

Gn 32,3 - Gn 32,3 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2 εἶπε δὲ ᾿Ιακώβ, ἡνίκα εἶδεν αὐτούς· παρεμβολὴ Θεοῦ αὕτη· καὶ ἐκάλεσε τὸ ὄνομα τοῦ τόπου ἐκείνου Παρεμβολαί. 2 quos cum vidisset ait castra Dei sunt haec et appellavit nomen loci illius Manaim id est Castra   2 En Jakob zeide, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde den naam derzelver plaats Mahanaim. [3] En zodra hij die zag, zei Jakob: ‘Het is hier de legerplaats* van God.’ Daarom noemde hij die plaats Machanaïm.  [3] 'Een leger van God!' riep Jakob uit toen hij hen zag, en hij noemde die plaats Machanaïm.*    

King James Bible . And when Jacob saw them, he said, This is God's host: and he called the name of that place Mahanaim.
Luther-Bible . 2 Jakob aber zog seinen Weg. Und es begegneten ihm die Engel Gottes. 3 Und als er sie sah, sprach er: Hier ist Gottes Heerlager, und nannte diese Stätte Mahanajim.

Tekstuitleg van Gn 32,3 . Dit vers Gn 32,3 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden en 48 (2 X 2 X 2 X 2 X 3) letters ; verhouding 1 op 4 . De getalwaarde van Gn 32,3 is 2415 (3 X 5 X 7 X 23) .

Gn 32,3.2. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

Gn 32,3.8. wajjiqërâ´(en hij riep, hij heet, hij noemde) < waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 .
- Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 32 (2) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,31 .

Gn 32,3.8. - 9. Gn 32,31 : wajjiqërâ´ ja`äqobh sjem (en Jakob noemde een naam) . Gn 35,15 : wajjiqërâ´ ja`äqobh ´èth sjem (en Jakob noemde een naam) .
- wajjiqërâ´ (èth) sjem (en hij noemde een naam) . Tenakh (13) : (1) Gn 4,17 . (2) Gn 26,20 . (3) Gn 28,19 . (4) Gn 32,3 . (5) Ex 17,7 . (6) Nu 11,3 . (7) Nu 11,34 . (8) Nu 21,3 . (9) Joz 5,9 . (10) Re 1,17 . (11) 1 K 16,24 . (12) 2 Kr 3,17 . (13) Job 42,14 .

Gn 32,3.9. - 10. sjem hammâqôm (naam van de plaats) . Tenakh (16) : (1) Gn 22,14 . (2) Gn 28,19 . (3) Gn 32,3 . (4) Gn 32,31 . (5) Gn 33,17 . (6) Gn 35,15 . (7) Ex 17,7 . (8) Nu 11,3 . (9) Nu 11,34 . (10) Nu 21,3 . (11) Joz 5,9 . (12) Joz 7,26 . (13) Re 2,5 . (14) 2 S 5,20 . (15) 1 Kr 14,11 . (16) 2 Kr 20,26 .

Gn 32,3.8. - 10; wajjiqërâ´ (èth) sjem hammaqôm (en hij noemde de naam van de plaats) . Tenakh (7) : (1) Gn 28,19 (´èth) . (2) Gn 32,3 . (3) Ex 17,7 . (4) Nu 11,3 . (5) Nu 11,34 (´èth) . (6) Nu 21,3 . (7) Joz 5,9 .

Gn 32,3.8. - 11. wajjiqërâ´ sjem hammâqôm hahû´ (en de naam van die plaats heet) . Verwijzing : qârâ´ (roepen, heten) , zie Joz 5,9 . In vijf verzen in de bijbel : (1) Gn 28,19 (´èth) . (2) Gn 32,3 . (3) Nu 11,3 . (4) Nu 11,34 (+ ´èth) . (5) Joz 5,9 .

Gn 32,4 - Gn 32,4 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3 ᾿Απέστειλε δὲ ᾿Ιακὼβ ἀγγέλους ἔμπροσθεν αὐτοῦ πρὸς ῾Ησαῦ τὸν ἀδελφὸν αὐτοῦ εἰς γῆν Σηείρ, εἰς χώραν ᾿Εδώμ. 3 misit autem et nuntios ante se ad Esau fratrem suum in terram Seir regionis Edom   3 En Jakob zond boden uit voor zijn aangezicht tot Ezau, zijn broeder, naar het land Seir, de landstreek van Edom. [4] En* Jakob stuurde boden voor zich uit naar zijn broer Esau in Seïr, het gebied van Edom,  4] Jakob stuurde boden vooruit naar zijn broer Esau in Seïr, het gebied van Edom,    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,4 . Het vers Gn 32,4 telt 11 woorden en 44 (4 X 11) letters ; verhouding : 1 op 4 . De getalswaarde van Gn 32,4 is 2521 (priemgetal) .

Gn 32,4.1. act. part. aor. nom. mann. enk. αποστειλας = aposteilas (hebbende weggezonden) van het werkw. αποστελλω = apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . Taalgebruik in het NT : apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . Taalgebruik in de LXX : apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . Taalgebruik in Mc : apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . Bijbel (20) . LXX (13) . NT (7) . Een vorm van αποστελλω = apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) in de LXX (691) (Lust J. ... Greek-English Lexicon of the Septuagint , Stuttgart , 2003) , in het NT (131) (Morgenthaler Robert , Statistik...) . Volgens diezelfde auteurs komt een vorm van αποστολος = apostolos in de Septuaginta niet voor , in het NT (79) . In de evangelies komt αποστολος = apostolos (apostel) slechts 9X voor , 1X in Mt , Mc , Joh en 6X in Lc .
Volgens Muraoka T. , A Greek - Hebrew / Aramaic two-way Index to the Septuagint (Leuven , Peeters , 2010 , blz. 16) is een vorm van het werkw. αποστελλω = apostellô in de LXX een vertaling van een 15-tal Hebreeuwse werkw. werkw. . Hierbij zijn de Aramese werkw. nëchat , sjëlach , tûb en tërad .
- שָׁלַח = sjâlach (zenden) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlach (zenden) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , chet = 8 ; totaal : 41 OF 338 (2 X 13²) . Structuur : 3 - 3 - 8 . De som van de elementen is telkens 5 . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. sjâlach (hij zond) . (2) act. piël imperat. 2de pers. mann. enk. sallach (zend) . (3) act. qal part. mann. enk. שֹׁלֵחַ = sjoleach (zendende) : Ex 23,20 .
- וַיִּשְׁלַח = wajjisjëlach (en hij zond) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. . (2) wajësjallach (en hij zond) < wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. שָׁלַח = sjâlach (zenden) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlach (zenden) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , chet = 8 ; totaal : 41 OF 338 (2 X 13²) . Structuur : 3 - 3 - 8 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (212) . Pentateuch (32) . Eerdere Profeten (128) . Latere Profeten (14) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (35) . In het Grieks vertaald met αποστειλας = aposteilas (hebbende weggezonden) , o.a. in Pentateuch (4) : (1) Gn 31,4 . (2) Gn 41,8 . (3) Gn 41,14 . (4) Ex 9,27 .

Gn 32,4.2. יַעֳקֹב = ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .
- Bij het werkwoord van de qatalvorm hoort een imperfectum van het type jaqtul (Lettinga 43g) . a is in gesloten lettergrepen zonder klemtoon dikwijls i geworden ; uit jaqtul ontstaat יִקְטֹל = jiqtol (hij zal doden) (Lettinga 13g) . u is in lettergrepen met klemtoon o geworden ; uit jaqtul ontstond יִקְטֹל = jiqtol (hij zal doden) (Lettinga 13p) . Bij het imperf. qal is de klinker van het preformatief door de nabijheid van de laryngalis a (Lettinga 48c) . De sëwa quiescens is dikwijls vervangen door hatef , die de klank van de voorafgaande klinker heeft aangenomen (Lettinga 48,e) .

Bij de aartsvaders Abraham , Isaak en Jakob spelen de getallen van hun leeftijden een symbolische betekenis .
- Abraham werd 175 jaar oud . 175 = 5² X 7 . (Gn 25,7) . Merkwaardig is de plaats van dit vers in de bijbel : het 25ste hoofdstuk en het 7de vers . Som van de factoren : 5 + 5 + 7 = 17 .
- Isaak werd 180 jaar oud . 180 = 6² X 5 . (Gn 35,28) . Som van de factoren : 6 + 6 + 5 = 17 .
- Jakob werd 147 jaar oud . 147 = 7² X 3 . (Gn 49,33) . Som van de factoren : 7 + 7 + 3 = 17 . Ook hier is de plaats van dit vers in de bijbel merkwaardig : het 49ste hoofdstuk en het 33ste vers .
Het product van drie opeenvolgende getallen ( 5 - 6 - 7) in het kwadraat , opklimmend , met drie opeenvolgende onpare getallen afdalend .
- Jozef leefde 110 jaar . 110 = 5² + 6² + 7² . De som van drie opeenvolgende getallen in het kwadraat . (Gn 50,22) . Deze plaats in de bijbel is wellicht ook merkwaardig . 5 (50ste hoofdstuk) X 22 (22ste vers) = 110 .
Ook de getalwaarde van de namen kan een symbolische waarde hebben .
- Isaak (Gn 21,3) . jitsëchâq (Isaak) . Getalwaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 90 , chet = 8 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 49 (7 X 7) OF 208 (8 X 26) .
- Jakob (Gn 25,26) . ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 OF 182 (7 X 26) .
- Jozef (Gn 30,24) . Jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samek = 15 of 60 , qoph = 17 of 80 ; totaal : 48 (2³ X 2² X 3) OF 156 (6 X 26) .
Het product van drie opeenvolgende getallen (8 - 7 - 6) , afdalend , met de getalwaarde van de godsnaam JHWH = 26 .
Het is opvallend dat bij Jakob het getal 7 overwegend is . De leeftijd van Jakob is 147 (14 = 2 X 7 ; 7) OF 7² X 3 . Som van de factoren is 17 (7 + 7 + 3) . De getalwaarde van de naam Jakob is 182 (7 X 26) .

Gn 32,4.1. - 2. וַיִּשְׁלַח יַעֳקֹב = wajjisjëlach ja`äqobh (en Jakob zond) . Tenakh (2) : (1) Gn 31,4 . (2) Gn 32,4 .

Gn 32,4.8. אַרְצָה = ´arëtsâh (naar het land) . Tenakh (94) . Gn (22) : (1) Gn 11,31 . (2) Gn 12,5 . (3) Gn 18,2 . (4) Gn 19,1 . (5) Gn 20,1 . (6) Gn 24,53 .

Gn 32,4.11. שֵׂעִיר = she`îr (Seïr) . sh-`-j-r : Tenakh (50) . Taalgebruik in Tenakh : she`îr (Seïr) . Getalwaarde : sin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 , jod = 10 , resj = 20 of 200 ; totaal : 67 of 580 . Het betekent ook geitje , bokje . Een ander woord is gëdî (E. goat , N. geit) . Tenakh (50) . Gn (8) : (1) Gn 14,6 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 36,8 . (4) Gn 36,9 . (5) Gn 36,20 . (6) Gn 36,21 . (7) Gn 36,30 . (8) Gn 37,31 .

Se`îr (Seïr)   O.T.  Gn   Lv   Nu   Dt   Joz   Ez  1 Kr  2 Kr 
  50 8 15 

Gn 32,4.13. אֶדוֹם = ´ëdôm (Edom, rood) . Taalgebruik in Tenakh : ´ëdôm (Edom) . Getalswaarde : aleph = 1 , daleth = 4 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 24 (2³ X 3) OF 51 . Structuur : 1 - 4 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (80) . Pentateuch (21) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (14) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (22) . Gn (11) : (1) Gn 25,30 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 36,1 . (4) Gn 36,8 . (5) Gn 36,9 . (6) Gn 36,16 . (7) Gn 36,17 . (8) Gn 36,19 . (9) Gn 36,21 . (10) Gn 36,31 . (11) Gn 36,43 .


Gn 32,5 - Gn 32,5 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4 καὶ ἐνετείλατο αὐτοῖς λέγων· οὕτως ἐρεῖτε τῷ κυρίῳ μου ῾Ησαῦ· οὕτως λέγει ὁ παῖς σου ᾿Ιακώβ· μετὰ Λάβαν παρῴκησα, καὶ ἐχρόνισα ἕως τοῦ νῦν, 4 praecepitque eis dicens sic loquimini domino meo Esau haec dicit frater tuus Iacob apud Laban peregrinatus sum et fui usque in praesentem diem   4 En hij gebood hun, zeggende: Zo zult gij zeggen tot mijn heer, tot Ezau: Zo zegt Jakob, uw knecht: Ik heb als vreemdeling gewoond bij Laban, en heb er tot nu toe vertoefd; [5] met de opdracht: ‘Dit moeten jullie mijn heer Esau zeggen: “Zo spreekt uw dienaar Jakob: Ik heb bij Laban gewoond en ben daar tot nu toe gebleven.   [5] en droeg hun het volgende op: 'Jullie moeten tegen mijn heer, tegen Esau, zeggen: "Uw dienaar Jakob laat u weten dat hij een tijdlang bij Laban heeft gewoond en pas nu bij hem is weggegaan.    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,5 . Het vers Gn 32,5 telt 17 woorden en 59 letters . De getalwaarde van Gn 32,5 is 4160 (2³ X 2³ X 5 X 13) .

11. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

Gn 32,6 - Gn 32,6 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5 καὶ ἐγένοντό μοι βόες καὶ ὄνοι καὶ πρόβατα καὶ παῖδες καὶ παιδίσκαι, καὶ ἀπέστειλα ἀναγγεῖλαι τῷ κυρίῳ μου ῾Ησαῦ, ἵνα εὕρῃ ὁ παῖς σου χάριν ἐναντίον σου. 5 habeo boves et asinos oves et servos atque ancillas mittoque nunc legationem ad dominum meum ut inveniam gratiam in conspectu tuo   5 En ik heb ossen en ezelen, schapen en knechten en maagden; en ik heb gezonden om mijn heer aan te zeggen, opdat ik genade vinde in uw ogen. [6] Ik bezit nu runderen, ezels en schapen, slaven en slavinnen. Ik laat u dit weten om bij mijn heer een gunstig onthaal te vinden.” ’   [6] Hij heeft daar runderen, ezels en schapen en geiten in bezit gekregen, en ook slaven en slavinnen. Deze boodschap laat hij aan u, zijn heer, overbrengen in de hoop dat u hem goedgezind zult zijn."'    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,6 . Het vers van Gn 32,6 telt 13 woorden en 54 (2 X 3³) letters . De getalwaarde van Gn 32,6 is 2337 (3 X 19 X 41) .

Gn 32,7 - Gn 32,7 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
6 καὶ ἀνέστρεψαν οἱ ἄγγελοι πρὸς ᾿Ιακὼβ λέγοντες· ἤλθομεν πρὸς τὸν ἀδελφόν σου ῾Ησαῦ, καὶ ἰδοὺ αὐτὸς ἔρχεται εἰς συνάντησίν σοι καὶ τετρακόσιοι ἄνδρες μετ᾿ αὐτοῦ. 6 reversi sunt nuntii ad Iacob dicentes venimus ad Esau fratrem tuum et ecce properat in occursum tibi cum quadringentis viris   6 En de boden kwamen weder tot Jakob, zeggende: Wij zijn gekomen tot uw broeder, tot Ezau; en ook trekt hij u tegemoet, en vierhonderd mannen met hem. [7] Bij hun terugkeer zeiden de boden tegen Jakob: ‘We zijn bij uw broer Esau geweest; hij is nu al met vierhonderd man naar u onderweg.’  [7] Toen de boden bij Jakob terugkwamen, meldden ze hem: 'We zijn bij uw broer Esau geweest, en hij komt u tegemoet, met vierhonderd man.' [    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,7 . Het vers Gn 32,7 telt 17 woorden en 64 (2³ X 2³) letters . De getalwaarde van Gn 32,7 is 3498 (2 X 3 X 11 X 53) .

4. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

Gn 32,8 - Gn 32,8 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7 ἐφοβήθη δὲ ᾿Ιακὼβ σφόδρα, καὶ ἠπορεῖτο. καὶ διεῖλε τὸν λαὸν τὸν μεθ᾿ ἑαυτοῦ καὶ τοὺς βόας καὶ τὰς καμήλους καὶ τὰ πρόβατα εἰς δύο παρεμβολάς, 7 timuit Iacob valde et perterritus divisit populum qui secum erat greges quoque et oves et boves et camelos in duas turmas   7 Toen vreesde Jakob zeer, en hem was bange; en hij verdeelde het volk, dat met hem was, en de schapen, en de runderen, en de kemels, in twee heiren; [8] Jakob werd bang, en in zijn angst verdeelde hij de mensen die bij hem waren, met de schapen, runderen en kamelen, in twee groepen.   8] Jakob schrok hevig, het angstzweet brak hem uit. Daarom verdeelde hij zijn mensen over twee kampen, evenals zijn schapen en geiten en zijn runderen en kamelen.    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,8 . Het vers Gn 32,8 telt 17 woorden en 63 (3² X 7) letters . De getalwaarde van Gn 32,8 is 4629 (3 X 1543) .

2. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

Gn 32,9 - Gn 32,9 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8 καὶ εἶπεν ᾿Ιακώβ· ἐὰν ἔλθῃ ῾Ησαῦ εἰς παρεμβολὴν μίαν καὶ κόψῃ αὐτήν, ἔσται ἡ παρεμβολὴ ἡ δευτέρα εἰς τὸ σώζεσθαι. 8 dicens si venerit Esau ad unam turmam et percusserit eam alia turma quae reliqua est salvabitur   8 Want hij zeide: Indien Ezau op het ene heir komt, en slaat het, zo zal het overgeblevene heir ontkomen. [9] Hij dacht: Als Esau op de ene groep afkomt en die neerslaat, dan kan de andere tenminste ontsnappen.  [9] Als Esau op het ene kamp afkomt en daar alles doodt, dacht hij, kan het andere kamp tenminste nog ontkomen.    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,9 .

Gn 32,10 - Gn 32,10 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9 εἶπε δὲ ᾿Ιακώβ· ὁ Θεὸς τοῦ πατρός μου ῾Αβραὰμ καὶ ὁ Θεὸς τοῦ πατρός μου ᾿Ισαάκ, Κύριε σὺ ὁ εἰπών μοι, ἀπότρεχε εἰς τὴν γῆν τῆς γενέσεώς σου καὶ εὖ σε ποιήσω, 9 dixitque Iacob Deus patris mei Abraham et Deus patris mei Isaac Domine qui dixisti mihi revertere in terram tuam et in locum nativitatis tuae et benefaciam tibi   9 Voorts zeide Jakob: O, God mijns vaders Abrahams, en God mijns vaders Izaks, o HEERE! Die tot mij gezegd hebt: Keer weder tot uw land, en tot uw maagschap, en Ik zal wel bij u doen! [10] En Jakob bad: ‘O God van mijn vader Abraham en God van mijn vader Isaak, de heer die tegen mij zei: “Ga terug naar uw land en uw verwanten, en Ik zal u met weldaden overladen”:   [10] En hij bad: 'God van mijn voorvader Abraham, God van mijn vader Isaak, HEER, die tegen mij gezegd heeft: "Ga terug naar je land, naar je familie, ik zal jou voorspoed geven" –    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

Gn 32,11 - Gn 32,11 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10 ἱκανούσθω μοι ἀπὸ πάσης δικαιοσύνης καὶ ἀπὸ πάσης ἀληθείας, ἧς ἐποίησας τῷ παιδί σου· ἐν γὰρ τῇ ῥάβδῳ μου ταύτῃ διέβην τὸν ᾿Ιορδάνην τοῦτον, νυνὶ δὲ γέγονα εἰς δύο παρεμβολάς. 10 minor sum cunctis miserationibus et veritate quam explesti servo tuo in baculo meo transivi Iordanem istum et nunc cum duabus turmis regredior   10 Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden! [11] uw dienaar is al uw gunstbewijzen en al uw blijken van trouw niet waardig. Ik had alleen maar een stok toen ik de Jordaan hier overstak, en nu ben ik tot twee groepen uitgegroeid.   [11] ik ben alle weldaden en al de trouw die u aan mij, uw dienaar, bewezen hebt niet waard. Met alleen mijn stok ben ik indertijd de Jordaan hier overgestoken, en nu kan ik mijn mensen zelfs over twee kampen verdelen.    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 32,12 - Gn 32,12 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11 ἐξελοῦ με ἐκ χειρὸς τοῦ ἀδελφοῦ μου, ἐκ χειρὸς ῾Ησαῦ, ὅτι φοβοῦμαι ἐγὼ αὐτόν, μή ποτε ἐλθὼν πατάξῃ με καὶ μητέρα ἐπὶ τέκνοις. 11 erue me de manu fratris mei de manu Esau quia valde eum timeo ne forte veniens percutiat matrem cum filiis   11 Ruk mij toch uit mijns broeders hand, uit Ezau's hand; want ik vreze hem, dat hij niet misschien kome, en mij sla, de moeder met de zonen! [12] Maar red mij nu ook uit de greep van mijn broer Esau, want ik ben bang dat hij mij verslaat, met moeder en kinderen.  [12] Ik smeek u, red mij uit de handen van Esau, mijn broer, ik vrees dat hij ons zal aanvallen en mij en iedereen zal doden, ook de kinderen en hun moeders.    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 32,13 - Gn 32,13 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12 σὺ δὲ εἶπας· εὖ σε ποιήσω καὶ θήσω τὸ σπέρμα σου ὡς τὴν ἄμμον τῆς θαλάσσης, ἣ οὐκ ἀριθμηθήσεται ἀπὸ τοῦ πλήθους. 12 tu locutus es quod bene mihi faceres et dilatares semen meum sicut harenam maris quae prae multitudine numerari non potest   12 Gij hebt immers gezegd: Ik zal gewisselijk bij u weldoen, en Ik zal uw zaad stellen als het zand der zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden! [13] U hebt mij toch beloofd: “Ik zal u met weldaden overladen, en uw nageslacht zal Ik zo talrijk maken als het zand aan de zee, zo talrijk dat het niet te tellen is.” ’   [13] U hebt immers zelf gezegd: "Ik zal jou grote voorspoed geven en veel nakomelingen, ze zullen zo talrijk zijn als zandkorrels aan de zee – niet te tellen zullen ze zijn."'    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 32,14 - Gn 32,14 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13 καὶ ἐκοιμήθη ἐκεῖ τὴν νύκτα ἐκείνην. καὶ ἔλαβεν ὧν ἔφερε δῶρα καὶ ἐξαπέστειλεν ῾Ησαῦ τῷ ἀδελφῷ αὐτοῦ, 13 cumque dormisset ibi nocte illa separavit de his quae habebat munera Esau fratri suo   13 En hij vernachtte aldaar dienzelfden nacht; en hij nam van hetgeen, dat hem in zijn hand kwam, een geschenk voor Ezau zijn broeder;
[14] En hij bracht daar de nacht door. [14] Toen nam hij uit zijn bezit geschenken voor zijn broer Esau: 
[14] Nadat Jakob de nacht daar had doorgebracht, stelde hij uit het vee dat hij bezat een geschenk voor zijn broer Esau samen:    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 32,15 - Gn 32,15 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14 αἶγας διακοσίας, τράγους εἴκοσι, πρόβατα διακόσια, κριοὺς εἴκοσι, 14 capras ducentas hircos viginti oves ducentas arietes viginti   14 Tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen; [15] tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd schapen en twintig rammen,   [15] tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen,    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 32,16 - Gn 32,16 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15 καμήλους θηλαζούσας, καὶ τὰ παιδία αὐτῶν τριάκοντα, βόας τεσσαράκοντα, ταύρους δέκα, ὄνους εἴκοσι καὶ πώλους δέκα. 15 camelos fetas cum pullis suis triginta vaccas quadraginta et tauros viginti asinas viginti et pullos earum decem   15 Dertig zogende kemelinnen met haar veulens, veertig koeien en tien varren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels. [16] dertig zogende kamelen met hun jongen, veertig koeien en tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezelshengsten.   [16] dertig nog zogende kamelen met hun veulens, veertig koeien, tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezelshengsten. [    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

6. אַרְבָּעִימ = ´arëbâ`îm (veertig , 40) . Taalgebruik in Tenakh : ´arëbâ`îm (veertig . 40) . Getalwaarde : aleph = 1 ; resj = 20 of 200 ; beth = 2 ; ajin = 16 of 70 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 62 of 323 (323) . Tenakh (91) . Pentateuch (33) . Eerdere Profeten (26) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (22) . Gn (11) : (1) Gn 5,13 (veertig in combinatie met 840) . (2) Gn 7,4 (veertig dagen en veertig nachten) . (3) Gn 7,12 (watervloed) . (4) Gn 7,17 (watervloed) . (5) Gn 8,6 (watervloed) . (6) Gn 18,28 (45 rechtvaardigen) . (7) Gn 18,29 (tweemaal : 40 rechtvaardigen) . (8) Gn 25,20 (Isaak = 40 jaar , neemt Rebecca tot vrouw) . (9) Gn 26,34 (Esau nam twee vrouwen, toen hij veertig jaar was) . (10) Gn 32,16 (40 koeien) . (11) Gn 50,3 (balseming van Jakob) .
- וְאַרְבָּעִימ = wë´arëbâ`îm (en veertig , 40) . Tenakh (8) : (1) Job 42,16 . (2) Ezr 2,8 . (3) Ezr 2,25 . (4) Neh 7,62 . (5) Neh 7,67 . (6) Neh 9,21 . (7) 1 Kr 19,18 . (8) 2 Kr 24,1 .
- Grieks . τεσσαρακοντα = tessarakonta (40) . Zie : telwoorden . Taalgebruik in het NT : telwoorden . Taalgebruik in de LXX : telwoorden . Tenakh (115) . Pentateuch (44) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (29) . Gn (12) : + Gn 47,28 .
- Latijn . quadraginta . Bijbel (146) . OT (124) . NT (22) . Gn (11) . Fr. quarante . N. veertig . E. forty . D. vierzig . Aramees : אַרְבָּעִין = ´arëbâ`îm (veertig) . Arabisch : اَرْبَعُونَ = ´arba`ûna (veertig) .

Gn 32,17 - Gn 32,17 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
16 καὶ ἔδωκεν αὐτὰ τοῖς παισὶν αὐτοῦ ποίμνιον κατὰ μόνας. εἶπε δὲ τοῖς παισὶν αὐτοῦ· προπορεύεσθε ἔμπροσθέν μου, καὶ διάστημα ποιεῖτε ἀνὰ μέσον ποίμνης καὶ ποίμνης. 16 et misit per manus servorum suorum singulos seorsum greges dixitque pueris suis antecedite me et sit spatium inter gregem et gregem   16 En hij gaf die in de hand zijner knechten, elke kudde bijzonder; en hij zeide tot zijn knechten: Gaat gijlieden door, voor mijn aangezicht, en stelt ruimte tussen kudde en tussen kudde. [17] Hij verdeelde dit alles in afzonderlijke kudden en vertrouwde die toe aan zijn knechten, met de opdracht: ‘Ga voor mij uit, maar met telkens een afstand tussen de kudden.’  17] Elk van die kudden stelde hij onder het toezicht van een knecht, en hij gaf de knechten opdracht om voor hem uit te trekken en tussen de verschillende kudden een ruime afstand te laten.    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

11. w-r-û-ch (wërûach = en een geest OF wërèwach = en ruimte, verademing) . wërûach(en geest) : nevenschikkend voegw. wë + zelfst. naamw. rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 . waw = 6 . chet = 8 . Totaal : 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107) . LXX : pneuma (geest) . Taalgebruik in de Septuaginta : pneuma (geest) . Taalgebruik in het N.T. : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . E. spirit . Ned. geest . D. Geist . wërûach (en geest) in Tenakh (39) . Pentateuch (4) : Gn (2) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 32,17 (wërèwach : en ruimte) . (3) Ex 10,13 . (4) Nu 11,31 . rûach (geest) in Tenakh (204) . Pentateuch (19) . Gn (7) : (1) Gn 6,17 . (2) Gn 7,15 . (3) Gn 7,22 . (4) Gn 8,1 . (5) Gn 26,35. (6) Gn 41,38 . (7) Gn 45,27 . rûchî (mijn geest) . Tenakh (31) . Pentateuch (1) Gn 6,3 . Een vorm van pneuma (geest) in het N.T. (379) , in de LXX (382) , in de Pentateuch (26) , Gn (7) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 6,3 . (3) Gn 6,17 . (4) Gn 7,15 . (5) Gn 8,1 . (6) Gn 41,38 . (7) Gn 45,27 .

Gn 32,18 - Gn 32,18 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
17 καὶ ἐνετείλατο τῷ πρώτῳ, λέγων· ἐάν σοι συναντήσῃ ῾Ησαῦ ὁ ἀδελφός μου καὶ ἐρωτᾷ σε, λέγων· τίνος εἶ καὶ ποῦ πορεύῃ, καὶ τίνος ταῦτα τὰ προπορευόμενά σου; 17 et praecepit priori dicens si obvium habueris Esau fratrem meum et interrogaverit te cuius es et quo vadis et cuius sunt ista quae sequeris   17 En hij gebood de eerste, zeggende: Wanneer Ezau, mijn broeder, u ontmoeten zal, en u vragen, zeggende: Wiens zijt gij? en waarheen gaat gij? en wiens zijn deze voor uw aangezicht? [18] En hij beval de voorste: ‘Als je mijn broer Esau tegenkomt en hij vraagt bij wie je hoort, waarheen je gaat en van wie de dieren zijn die je voor je uitdrijft,  [18] Tegen de eerste knecht zei hij: 'Als je mijn broer Esau tegenkomt en hij vraagt je bij wie je hoort en waar je heen gaat, en van wie de dieren zijn die je voor je uit drijft, [    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 32,19 - Gn 32,19 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
18 ἐρεῖς· τοῦ παιδός σου ᾿Ιακώβ· δῶρα ἀπέσταλκε τῷ κυρίῳ μου ῾Ησαῦ, καὶ ἰδοὺ αὐτὸς ὀπίσω ἡμῶν. 18 respondebis servi tui Iacob munera misit domino meo Esau ipse quoque post nos venit   18 Zo zult gij zeggen: Dat is een geschenk van uw knecht Jakob, gezonden tot mijn heer, tot Ezau, en zie, hij zelf is ook achter ons! [19] dan moet je zeggen: “Van uw dienaar Jakob; zij zijn een geschenk voor mijn heer Esau. Hijzelf komt achter ons aan.” ’   19] dan moet je zeggen: "Ik hoor bij uw dienaar Jakob, en dit is een geschenk dat bestemd is voor zijn heer, voor Esau. Jakob zelf komt achter ons aan."' [    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 32,20 - Gn 32,20 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
19 καὶ ἐνετείλατο τῷ πρώτῳ καὶ τῷ δευτέρῳ καὶ τῷ τρίτῳ καὶ πᾶσι τοῖς προπορευομένοις ὀπίσω τῶν ποιμνίων τούτων, λέγων· κατὰ τὸ ρῆμα τοῦτο λαλήσατε ῾Ησαῦ ἐν τῷ εὑρεῖν ὑμᾶς αὐτὸν 19 similiter mandata dedit secundo ac tertio et cunctis qui sequebantur greges dicens hisdem verbis loquimini ad Esau cum inveneritis eum   19 En hij gebood ook den tweede, ook den derde, ook allen, die de kudden nagingen, zeggende: Naar ditzelfde woord zult gij spreken tot Ezau, als gij hem vinden zult. [20] Aan de tweede en de derde en aan iedereen die de leiding van de kudden had, gaf hij ook deze opdracht: ‘Zeg Esau hetzelfde als jullie hem tegenkomen.   20] Ook de tweede en de derde knecht en alle verdere knechten die hij met de kudden meestuurde droeg hij dit op. 'Jullie moeten precies hetzelfde tegen Esau zeggen als jullie hem tegenkomen,' zei hij.    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Gn 32,21 - Gn 32,21 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
20 καὶ ἐρεῖτε· ἰδοὺ ὁ παῖς σου ᾿Ιακὼβ παραγίνεται ὀπίσω ἡμῶν. εἶπε γάρ· ἐξιλάσομαι τὸ πρόσωπον αὐτοῦ ἐν τοῖς δώροις τοῖς προπορευομένοις αὐτοῦ, καὶ μετὰ τοῦτο ὄψομαι τὸ πρόσωπον αὐτοῦ· ἴσως γὰρ προσδέξεται τὸ πρόσωπόν μου. 20 et addetis ipse quoque servus tuus Iacob iter nostrum insequitur dixit enim placabo illum muneribus quae praecedunt et postea videbo forsitan propitiabitur mihi   20 En gij zult ook zeggen: Zie, uw knecht Jakob is achter ons! Want hij zeide: Ik zal zijn aangezicht verzoenen met dit geschenk, dat voor mijn aangezicht gaat, en daarna zal ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mijn aangezicht aannemen. [21] Zeg hem: “Uw dienaar Jakob komt achter ons aan.” ’ Want hij dacht: Ik zal hem gunstig stemmen door geschenken te sturen; als ik hem daarna onder ogen kom, zal hij mij misschien vriendelijk ontvangen.  [21] 'En vergeet vooral niet te zeggen: "Uw dienaar Jakob zelf komt achter ons aan."' Hij dacht namelijk: Ik zal proberen Esau mild te stemmen met het geschenk dat ik vooruitstuur; pas daarna durf ik hem zelf onder ogen te komen, misschien is hij dan bereid mij welwillend te ontvangen.    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

5. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

14. וְאַחֲרֵי = wë´achäre(j) (en achter, en na) <. prefix voegwoord wë + voorzetsel (de vorm van een stat. constr. mann. mv.) . Zie : אַחֲרֵי = ´achäre(j) (achter, na) . Taalgebruik in Tenakh : ´achäre(j) (achter) . Getalwaarde : aleph = 1 , chet = 8 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 219 (3 X 73) . Structuur : 1 - 8 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (45) . Pentateuch (17) . Eerdere Profeten (8) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (8) . Gn (5) : (1) Gn 15,14 . (2) Gn 23,19 . (3) Gn 25,26 . (4) Gn 32,21 . (5) Gn 45,15 .
- אַחֲרֵי = ´achäre(j) (achter, na) . Taalgebruik in Tenakh : ´achäre(j) (achter) . Getalwaarde : aleph = 1 , chet = 8 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 219 (3 X 73) . Structuur : 1 - 8 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (294) . Pentateuch (80) . Eerdere Profeten (134) . Latere Profeten (37) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (38) . Gn (39) . Gn 25 (1) : Gn 25,26 .
- In dit woord vinden we de letters אח = ach terug , die staan voor אָח = ´âch (broer) .

Gn 32,22 - Gn 32,22 . Boden en geschenken voor Esau - taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
21 καὶ προεπορεύετο τὰ δῶρα κατὰ πρόσωπον αὐτοῦ, αὐτὸς δὲ ἐκοιμήθη τὴν νύκτα ἐκείνην ἐν τῇ παρεμβολῇ. 21 praecesserunt itaque munera ante eum ipse vero mansit nocte illa in Castris   21 Alzo ging dat geschenk heen voor zijn aangezicht; doch hij zelf vernachtte dienzelfden nacht in het leger.
[22] Zo gingen de geschenken vooruit, terwijl hijzelf die nacht nog in het kamp bleef. 
[22] Zo ging het geschenk voor hem uit, maar zelf bleef hij die nacht nog in het tentenkamp. [    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van


- Gn 32,1 - Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 - Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -


- Gn 32,23-33 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -

Gn 32,23 - Gn 32,23 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23anastas de tèn nukta ekeinèn elaben tas duo gunaikas kai tas duo paidiskas kai ta endeka paidia autou kai diebè tèn diabasin tou iabok  22 cumque mature surrexisset tulit duas uxores suas et totidem famulas cum undecim filiis et transivit vadum Iaboc   22 En hij stond op in dienzelfden nacht, en hij nam zijn twee vrouwen, en zijn twee dienstmaagden, en zijn elf kinderen, en hij toog over het veer van de Jabbok. [23] Maar tijdens die nacht stond hij op en stak met zijn twee vrouwen, zijn twee slavinnen en zijn elf kinderen de doorwaadbare plaats van de Jabbok over.   23] Het was nog nacht toen Jakob opstond en de Jabbok overstak op een doorwaadbare plaats, samen met zijn beide vrouwen, zijn twee bijvrouwen en zijn elf kinderen.    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,23 . In Gn 32,23 steekt Jakob mee de rivier de Jabbok over , in Gn 32,24 - Gn 32,25 laat hij allen en alles oversteken en blijft hij alleen achter op de andere oever van de rivier . In elk geval vormt Jakob als laatste de achterhoede (zie het woord עָקֵב = `âqebh (hiel, hoef, achterhoede) . Taalgebruik in Tenakh : `âqebh (hiel, hoef, achterhoede) . Bij de geboorte van de tweeling hield Jakob de hiel van zijn broer Esau vast (Gn 25,26) . Hij kwam dus als laatste . Aan de oever van de rivier staat Jakob voor een overgang , een nieuwe geboorte . Dit wordt nog duidelijker wanneer Jakob een nieuwe naam krijgt : Israël . Dan roept de nacht en de duisternis ook de duisternis van de moederschoot op . Daar waar de kinderen aan het vechten , wie eerst zou komen . Esau behaalde de overwinning . Jakob kwam als laatste met een lengte (van Esau) verschil . Zo sterk was de tweestrijd dat Jakob de hiel van zijn broer vasthield . In Gn 32,23 moet Jakob niet het onderspit delven . De tegenstrever en Jakob zijn even sterk . Het is een worsteling van aangezicht tot aangezicht . Het is een strijd tussen gelijken waarbij je kwetsbaar bent . Jakob vraagt aan de ander om hem te zegenen . Hij toont respect voor zijn tegenstander en hij beseft dat hij hem kan zegenen , het goede toewensen . De ander openbaart aan Jakob wie hij is . Hij is in staat om face te face te worstelen met God en mensen .

Gn 32,23.15. (1) וַיַּעֲבֹר = wajja`äbhor (en hij trok door) < prefix verbindingswoord wë (consecutivum) + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. . (2) וַיַּעֲבֵר = wajja`äbher (en hij deed voorbijgaan) < wë + act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) . Taalgebruik in Tenakh : `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 272 (2² X 2² X 17) . Structuur : 7 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (48) . Pentateuch (7) . Eerdere Profeten (30) . Latere Profeten (0) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (8) . Gn (6) : (1) Gn 8,1 . (2) Gn 12,6 . (3) Gn 31,21 . (4) Gn 32,23 . (5) Gn 32,24 . (6) Gn 41,46 . In de nacht staat Jakob op om zijn vrouwen en kinderen naar de overkant (èbhèr - oever) te brengen . Jakob zal alleen aan de andere kant van de oever overblijven .

Gn 32,23.18. יַבֹּק = jabboq (Jabbok) . Taalgebruik in Tenakh : jabboq (Jabbok) . Getalwaarde : jod = 10 , beth = 2 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 31 OF 112 (2² X 2² X 7) . Structuur : 1 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 4. Tenakh : (1) Gn 32,23 . (2) Nu 21,24 . (3) Dt 2,37 . (4) Dt 3,16 . (5) Joz 12,2 .
- הַיַּבֹּק = hajjabbok (de Jabbok) . Tenakh (2) : (1) Re 11,13 . (2) Re 11,22 .
Dezelfde getalstructuur als ´âbhaq (worstelen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âbhaq (worstelen) . Getalwaarde : aleph= 1 , beth = 2 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 22 (het aantal letters van het Hebreeuwse alfabet) OF 103 . Structuur : 1 - 2 - 1 . EN : ´âbhâq (stof, stuifzand) . Taalgebruik in Tenakh : ´âbhâq (stof, stuifzand) . Getalwaarde : aleph= 1 , beth = 2 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 22 (het aantal letters van het Hebreeuwse alfabet) OF 103 . Structuur : 1 - 2 - 1 .
Er zou een woordspeling kunnen zijn tussen j´bq (וַיִאָבִק = je´âbheq = hij worstelde) (Gn 32,25) en de persoonsnaam j`qb ( יַעֳקֹב = ja`äqobh = Jakob) .
De rivier Jabbok is een zijrivier van de Jordaan , die de bergketen van Gilead doorkruist . De bron is in de buurt van Amman . De rivier is een kleine 100 km lang en wordt tegenwoordig de Wadi Zerqa genoemd .


- Gn 32,1 - Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 - Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -


Gn 32,24 - Gn 32,24 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
24kai elaben autous kai diebè ton cheimarroun kai diebibasen panta ta autou  23 transductisque omnibus quae ad se pertinebant   23 En hij nam ze, en deed hen over die beek trekken; en hij deed overtrekken hetgeen hij had. Jakob worstelend met de engel » meer [24] Toen Jakob hen met zijn bezittingen over de rivier gebracht had,  [24] Nadat hij hen over de rivier had geholpen, bracht hij ook al zijn bezittingen naar de overkant.    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,24 .

2.

5. (1) וַיַּעֲבֹר = wajja`äbhor (en hij trok door) < prefix verbindingswoord wë (consecutivum) + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. . (2) וַיַּעֲבֵר = wajja`äbher (en hij deed voorbijgaan) < wë + act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) . Taalgebruik in Tenakh : `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 272 (2² X 2² X 17) . Structuur : 7 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (48) . Pentateuch (7) . Eerdere Profeten (30) . Latere Profeten (0) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (8) .


- Gn 32,1 - Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 - Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -


Gn 32,25 - Gn 32,25 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
25upeleifthè de iakôb monos kai epalaien anthrôpos met' autou eôs prôi 24 remansit solus et ecce vir luctabatur cum eo usque mane   24 Doch Jakob bleef alleen over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging. [25] bleef hij alleen achter. En* een man worstelde met hem tot het aanbreken van de dageraad.   [25] Maar zelf bleef hij achter, helemaal alleen, en er worstelde iemand met hem totdat de dag aanbrak.    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,25 .
- Genesis 32,25 . Tot mijn verbazing ontdekte ik dat er zovele gelijkenissen zijn tussen Gn 32,23-33,3 en Mc 6,45-52 . Het lijkt me wel dat Marcus in Mc 6,45-52 een midrasj op Gn 32,23-25 / Gn 33,1-3 verwerkt . Ik maakte volgende tekst :
- En Jakob bleef achter , alleen , en een mens worstelde met hem tot het opkomen van het ochtendgloren .
Jakob was indertijd gevlucht (Genesis 27,41-42) . Hij had zijn broer de vaderlijke zegen van de eerstgeborene ontfutseld . Esau had zijn broer willen doden . Na zovele jaren komt Jakob terug . Tussen zijn broer Esau en hem ligt de rivier de Jabbok . Esau is onderweg met vierhonderd man . Jakob doet al zijn dienaren , vrouwen en kinderen de rivier oversteken . Bijgevolg lopen zij het gevaar dat zij door Esau buit worden gemaakt . Hij blijft aan de overkant , alleen . Hij worstelt die nacht met zijn evenbeeld . Zal hij zijn broer Esau in de ogen durven kijken . Kan hij van een listig en bedrieglijk mens een broeder-mens worden? Hij worstelt de hele nacht . Tegen de ochtend komt het ochtendgloren . In zijn innerlijke duisternis daagt licht op . Hij zal oversteken en zijn broer vredevol tegemoet gaan .
In Marcus 6,45 dwingt Jezus de leerlingen de boot in te stappen en naar de overkant te varen , naar het gebied waar het gevaar van Herodes dreigt , die Johannes de Doper had gedood . Hij jaagt hen bij wijze van spreken de dood in . Zo deed Jakob zijn dienaren , vrouwen en alles wat hij bezat , de rivier oversteken. Jezus is alleen aan land , zoals Jakob alleen is aan de overkant van de rivier . Jezus bidt gedurende de nacht . Hij luistert naar zijn God . Zal hij zijn verantwoordelijkheid opnemen ? Jakob worstelt de hele nacht met een mens . Rond de vierde nachtwake (voor het ochtendgloren) gaat Jezus naar zijn leerlingen toe . Jakob steekt de rivier over , nadat de zon is opgegaan .
Heeft Jakob die nacht de dood onder ogen gekeken ?
De gelijkenissen tussen Jakob en Jezus zijn groot : het oversteken , alleen zijn , de nacht , het bidden of worstelen , het ochtendgloren . Zou Jezus Herodes als zijn broer bekijken en hem recht in de ogen kijken ? Loopt hij dan niet het gevaar om gevangen te worden genomen en gedood ? Dat is eveneens het geval voor de leerlingen . Zij lopen toch gevaar . Heeft Jezus tijdens die nacht de dood onder ogen gekeken ?

Gn 32,25.1. prefix voegwoord wa-consecutivum + pass. nifal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיִּוָּתֵר = wajjiwwâther (en hij werd achtergelaten) van het werkw. יָתַר = jâthar (overblijven , over hebben , overvloed geven) . Taalgebruik in Tenakh : jâthar (overblijven , over hebben , overvloed geven) . Getalswaarde : jod = 10 , thaw = 22 of 400 , resj = 20 of 200 ; totaal : 52 (4 X 13) OF 610 (2 X 5 X 61) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (5) . Een vorm van יָתַר = jâthar in Tenakh (80) . In de LXX is יָתַר = jâthar de vertaling van 11 Hebreeuwse (werk)woord .
- oorspronk. wathar > jâthar . Bij de werkw. die beginnen met waw is de oorspronkelijke waw aan het begin van een vorm i geworden (Lettinga 53b; 11g) .
- nifal imperf. 3de pers. mann. enk. oorspronk. janqantil > jinqâtel . De korte a in gesloten lettergreep zonder klemtoon werd i (Lettinga 13g) . De korte a in open lettergreep onmiddellijk voor de hoofdklemtoon werd lange a (Lettinga 13i) . De i is in lettergrepen met klemtoon e geworden (Lettinga 13m) . > jiqqâtel . De nun is geassimileerd met de volgende medeklinker .
- pass. ind. aor. 3de pers. enk. ὑπελειφθη = hupeleiphthè (pass. : achterblijven, overblijven; hij bleef achter) van het werkw. ὑπολειπω = hupoleipô (achterlaten, overlaten) . LXX (12) . Pentateuch (4) : (1) Gn 32,25 . (2) Gn 44,20 . (3) Ex 10,15 . (4) Ex 10,19 .

Gn 32,25.2. יַעֳקֹב = ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het NT : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .
- Bij het werkwoord van de qatalvorm hoort een imperfectum van het type jaqtul (Lettinga 43g) . a is in gesloten lettergrepen zonder klemtoon dikwijls i geworden ; uit jaqtul ontstaat יִקְטֹל = jiqtol (hij zal doden) (Lettinga 13g) . u is in lettergrepen met klemtoon o geworden ; uit jaqtul ontstond יִקְטֹל = jiqtol (hij zal doden) (Lettinga 13p) . Bij het imperf. qal is de klinker van het preformatief door de nabijheid van de laryngalis a (Lettinga 48c) . De sëwa quiescens is dikwijls vervangen door hatef , die de klank van de voorafgaande klinker heeft aangenomen (Lettinga 48,e) .
- De naam Jakob komt voort uit de Griekse transcriptie Jakôb van het Hebreeuwse ja`aqob. In het Hebreeuws is het de verleden tijd (weergegeven door het prefix j) van het werkwoord `âqab (bedriegen, vasthouden): hij bedriegt / bedroog. Isaak noemde hem zo omdat Jakob als tweede geboren werd terwijl hij de hiel van zijn broertje Esau vasthield (Genesis 25,26). Hiel heeft in het Hebreeuws dezelfde medeklinkers (`qb) als de stamletters van de naam Jakob (`qb uit ja`aqob).`âqeb betekent hiel, achterhoede. Jakob had bij zijn geboorte zijn oudste broer Esau een voetje willen lichten: hij hield de hiel van zijn broer vast . De strijd tussen die twee begon al in de moederschoot: zij botsten tegen elkaar op (Genesis 25,22). Jakob was listig en wist hem het eerstgeboorterecht van Esau afhandig te maken (Genesis 25,31). Daarna ontfutselde Jakob de vaderlijke zegen aan de eerstgeborene die Esau toekwam (Genesis 27). Esau was van plan om Jakob te doden en Jakob vlucht (Genesis 27,41-45). Door scha en schande zal Jakob leren wat het betekent eerlijk te zijn en zijn medemens (broer) recht in de ogen te kijken. Jakob zal door zijn oom tweemaal bedrogen worden; eerst wat zijn bruid betreft, daarna met de schapen die hem zullen toebehoren. Na vele jaren komt Jakob terug . Hij komt aan de Jabbok; zijn broer Esau is gelegerd aan de overkant van de rivier. Jakob worstelt die nacht. Het is een worsteling met zijn schaduwzijde. Er grijpt een innerlijke verandering bij Jakob plaats. Hij zal zijn broer 's anderendaags recht in de ogen kijken en zich kwetsbaar opstellen. De klank Jabbok komt sterk overeen met de klank Jakob. Er is in de naam Jabbok iets opmerkelijks : twee medeklinkers zijn van plaats veranderd, die de verandering van Jakob weergeeft. In Genesis 32,25 is er sprake dat Jakob worstelde met een man... In het Hebreeuws staat wajjebeq (van het werkwoord ´âbaq :worstelen): en hij worstelde. Zie hier eveneens de verandering van medeklinkers.
Wat geeft dit allemaal weer. De aartsvader Jakob (hij bedriegt/bedroog), de vader van de 12 zonen en van de 12 stammen van Israël zal groeien van listig man, bedrieger naar een rechtschapen man, die de ander in de ogen kijkt. Wat van Jakob gezegd wordt, geldt evenzeer van het volk van Israël : het zal moeten leren groeien naar rechtvaardigheid, rechtschapenheid.
Heel het boek Genesis verhaalt het moeilijke proces van menswording. Hoe kan de ene mens voor de ander een broer / zus worden.

Bij de aartsvaders אַבְרָהָם = Abraham , יִצְחָק = Isaak , יַעֳקֹב = Jakob en יוֹסֵף = Jozef hebben de getallen van hun leeftijden een symbolische betekenis .
1. Abraham werd 175 jaar oud . 175 = 5² X 7 OF (10 X 17 = 170) + 5 . (Gn 25,7) . 5 is de getalswaarde van de letter he . Abram en Saraj ontvangen de letter he in hun naam en zij worden vruchtbaar (Gn 17,5 en Gn 17,15) . Merkwaardig is de plaats van dit vers in de bijbel : het 25ste hoofdstuk en het 7de vers . Som van de factoten : 5 + 5 + 7 = 17 . Dit is de getalswaarde van de letter pe (mond) . 17 is de getalswaarde van de Godsnaam JHWH volgens de kleine telling (1 + 5 + 6 + 5 = 17) .
2. Isaak werd 180 jaar oud . 180 = 6² X 5 OF (10 X 17 = 170) + 10 . (Gn 35,28) . 6 is de getalswaarde van de letter waw . In Gn 25,19 staat de waw bij het begin van het woord (thôlëdoth) . Getalswaarde : thaw = 22 of 400 ; lamed = 12 of 30 , daleth = 4 , waw = 6 ; totaal : 66 (2 X 3 X 11) OF 840 (2³ X 3 X 5 X 7) . thôlëdoth komt in 7 verzen in Tenakh voor . Op de 6de plaats betreft het Isaak . Som van de factoren : 6 + 6 + 5 = 17 . Dit is de getalswaarde van de letter pe (mond) . 17 is de getalswaarde van de Godsnaam JHWH volgens de kleine telling (1 + 5 + 6 + 5 = 17) .
3. Jakob werd 147 jaar oud . 147 = 7² X 3 OF (8 X 17 = 136) + 11 . (Gn 49,33) . Som van de factoren : 7 + 7 + 3 = 17 . 17 is de getalswaarde van de Godsnaam JHWH volgens de kleine telling (1 + 5 + 6 + 5 = 17) . Ook hier is de plaats van dit vers in de bijbel merkwaardig : het 49ste hoofdstuk en het 33ste vers . Jakob diende 7 jaar voor Lea en Rachel (Gn 29,20 en Gn 29,30) . Jakob verbleef 130 (5 X 26) jaar in Kanaän en 17 jaar in Egypte (Gn 47,28) . Merkwaardig is de plaats in de bijbel (Gn 47,28) . De buitenste getallen van 147 is 17 . Het tweede en derde getal van 147 is 47 . 28 = 4 X 7 (hierin schuilt 47) .
1. - 3. Het product van drie opeenvolgende getallen ( 5 - 6 - 7) in het kwadraat , opklimmend , met drie opeenvolgende onpare getallen afdalend (7 - 5 - 3) .
- De plechtige zegen in Nu 6,24 - Nu 6,25 - Nu 6,26 telt 3 - 5 - 7 woorden .
4. Jozef leefde 110 jaar . 110 = 5² ( = 25) + 6² ( = 36) + 7² ( = 49) OF (6 X 17) + 8 . De som van drie opeenvolgende getallen in het kwadraat . (Gn 50,22) OF de som van de kwadraten van de aartsvaders . Deze plaats in de bijbel is wellicht ook merkwaardig . (50ste hoofdstuk) X 22 (22ste vers) (5 X 22) = 110 .
1. - 4. De vier leeftijden samen geeft de som van 612 (2² X 3² X 17) OF : (10 + 10 + 8 + 6 = 34) X 17 PLUS (5 + 10 + 11 + 8 = .34 = 2 X 17) OF 36 X 17 . Het gemiddelde van de leeftijden van de aartsvaders is 9 X 17 OF 153 . Het getal 153 is een driehoeksgetal . Het getal 153 is de som van alle getallen van 1 tot en met 17 . 612 is een vierkant (4 X 153) . Daarmee is het probleem opgelost waarom de som van de factoren bij Jozef geen 17 is . 17 is de getalswaarde van de Godsnaam JHWH volgens de kleine telling (1 + 5 + 6 + 5 = 17) .
Ook de getalswaarde van de namen van Isaak , Jakob en Jozef heeft een symbolische waarde .
2. Isaak (Gn 21,3) . יִצְחָק = jitsëchâq (Isaak) . Getalswaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 90 , chet = 8 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 49 (7 X 7) OF 208 (8 X 26) .
3. Jakob (Gn 25,26) . יַעֳקֹב = ja`äqobh (Jakob) . Getalswaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 OF 182 (7 X 26) .
4. Jozef (Gn 30,24) . יוֹסֵף = Jôseph (Jozef) . Getalswaarde : jod = 10 , waw = 6 , samek = 15 of 60 , qoph = 17 of 80 ; totaal : 48 (2² X 2² X 3) OF 156 (6 X 26) .
De getalswaarde van de namen Isaak , Jakob en Jozef volgens de tweede telling wordt gevormd door het product van drie opeenvolgende getallen (8 - 7 - 6) , afdalend , met de getalswaarde van de godsnaam JHWH volgens de gewone telling (26) : 8 X 26 EN 7 X 26 EN 6 X 26 . In totaal geven de twee tellingen 49 + 47 + 48 = 144 (12 X 12) OF 208 + 182 + 156 = 546 (21 X 26) . Het gemiddelde is 48 (4 X 12) OF 182 (7 X 26) .
- Bij de leeftijden en de naamgeving spelen de 2 getalswaarden van de Godsnaam JHWH een beslissende rol . Het getal 17 bij de leeftijden , het getal 26 bij de naamgeving . De leeftijd van Jakob is 147 , de getalswaarde van de naam van Jakob is 47 of 182 (7 X 26) . Bij Jakob overheerst het getal 7 , zowel bij zijn leeftijd als bij de getalswaarde van zijn naam .

    leeftijd   getalswaarde naamgeving
  Abraham 5 X 5 X 7 (5 + 5 + 7 = 17) 175 (10 X 17) + 5  
  Isaak 6 X 6 X 5 (6 + 6 + 5 = 17) 180 (10 X 17) + 10 49 (7 X 7) OF 208 (8 X 26)
  Jakob 7 X 7 X 3 (7 + 7 + 3 = 17) 147 (8 X 17) + 11 47 OF 182 (7 X 26)
  Jozef (5 X 5) + (6 X 6) + (7 X 7) (5 + 5 + 6 + 6 + 7 + 7 = 36) 110 (6 X 17) + 8 48 (2² X 2² X 3) OF 156 (6 X 26)
totaal     612 (34 X 17) + 34 OF 36 X 17 144 (12 X 12) OF 546 (21 X 26)
gemiddeld     153 (9 X 17) 48 (4 X 12) OF 182 (7 X 26) .

Er zou een woordspeling kunnen zijn tussen j´bq (je´âbheq = hij worstelde) (Gn 32,25) en de persoonsnaam j`qb (ja`äqobh = Jakob) .

Gn 32,25.3. לְבַדּוֹ = lëbhaddô (voor zijn afzondering) < prefix voorzetsel lë + zelfst. naamw. mann. enk. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Zie het zelfst. naamw. בַּד = bad (afzondering, deel) . Taalgebruik in Tenakh : bad (afzondering, deel) . Tenakh (36) . Pentateuch (18) . Gn (7) : (1) Gn 2,18 . (2) Gn 30,40 . (3) Gn 32,17 . (4) Gn 32,25 . (5) Gn 42,38 . (6) Gn 43,32 . (7) Gn 44,20 . Ex (3) : (1) Ex 12,16 . (2) Ex 22,19 . (3) Ex 24,2 . Dt (2) : (1) Dt 8,3 . (2) Dt 22,25 .
- Grieks : bijvoegl. naamw. nom. mann. enk. μονος = monos (alleen) . Bijbel (75) . LXX (55) . Pentateuch (16) . NT (20) .

1. - 3. Gelijkaardig aan Gn 32,25 is Gn 44,20 .

Gn 32,25.4. וַיֵּאָבֵק = waje´âbheq < verbindingswoord wë + werkw.vorm pass. nifal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. אָבַק = ´âbhaq (worstelen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âbhaq (worstelen) . Getalwaarde : aleph= 1 , beth = 2 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 22 (het aantal letters van het Hebreeuwse alfabet) OF 103 . Structuur : 1 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (1) Gn 32,25 . Er zou een woordspeling kunnen zijn tussen j´bq (וַיִאָבִק = je´âbheq = hij worstelde) (Gn 32,25) en de persoonsnaam j`qb ( יַעֳקֹב =ja`äqobh = Jakob) .
- nifal imper. 3de pers. mann. enk. oorspronk. janqantil > jinqâtel . De korte a in gesloten lettergreep zonder klemtoon werd i (Lettinga 13g) . De korte a in open lettergreep onmiddellijk voor de hoofdklemtoon werd lange a (Lettinga 13i) . De i is in lettergrepen met klemtoon e geworden (Lettinga 13m) . > jiqqâtel . De nun assimileert met de aleph , maar kan niet verdubbelen . Hierdoor komt de i in een open lettergreep te staan en wordt e .
-
- Ned. : worstelen . Oost-Vlaams dialect : wëstln . D. : ringen (wringen, worstelen) . E. : wrestle . Fr. : lutter . Gr. : παλαιω = palaiô (worstelen, strijden) . Taalgebruik in de LXX : palaiô (worstelen, strijden) . Lat. luctari .

Gn 32,25.5. mann. enk. אִישׁ = ´îsj (man, ieder) . Taalgebruik in Tenakh : ´îsj (man) . Getalwaarde : aleph = 1, jod = 10, sjin = 21 of 300 ; totaal : 32 (2² X 2³) of 311 (priemgetal) . Structuur : 1 - 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (1023) . Pentateuch (251) . Eerdere Profeten (402) . Latere Profeten (135) . 12 Kleine Profeten (37) . Geschriften (198) .
- naamwoord met 2 medeklinkers en 1 oorspronkelijk lange klinker . De lange klinker i is onveranderd gebleven (Lettinga 13d) .
- nom. mann. enk. ανθρωπος = anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het NT : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in de LXX : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) . Bijbel (512) . OT (394) . NT (118) . Een vorm van ανθρωπος = anthrôpos (mens) in de LXX (1430) , in het NT (548) .

  anthrôpos (mens) bijbel  LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt NT  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
1 nom. mann. enk. anthrôpos 512 394 122         32         118 21 14 24 21  10  27  59  80 
  Totaal   1760 1233                     527 108 53 94 57  45  145  25  255  312

Gn 32,25.6. עִמּוֹ = `immô (met / tegen hem) < voorzetsel `im + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. enk. .
- μετ' αυτου = met' autou (met hem) . LXX (26) . NT (45) .

Gn 32,25.7. עַד = `ad (tot) . Taalgebruik in Tenakh : `ad (tot) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , daleth = 4 ; totaal : 20 (2² X 5) OF 74 (2 X 37) . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (1012) . Gn (59) .

Gn 32,25.8. actief inf. construct. עֲלוֹת = `älôth (opgaan) van het werkw. עָלָה = `âlâh (opgaan, opklimmen) . Taalgebruik in Tenakh : `âlâh (opgaan, opklimmen) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , lamed = 12 of 30 , he = 5 ; totaal : 33 (3 X 11) OF 105 (3 X 5 X 7) . Structuur : 7 - 3 - 5 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (1) : Gn 32,25 .
- Bij de werkw. op h hebben de inf. constr. de vrouwelijke uitgang ôth (Lettinga 56s) .

Gn 32,25.9. שָׁחַר = sjachar (morgenrood, dageraad) . Taalgebruik in Tenakh : sjachar (morgenrood, dageraad) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , het = 8 , resj = 20 of 200 ; totaal : 49 (7²) OF 508 (2² X 127) . Structuur : 3 - 8 - 2 . De som van de elementen is telkens 4 .
- הַשָּׁחַר = hasjsjachar (het morgenrood, de dageraad) < prefix bepaald lidw. ha + שָׁחַר = sjachar (morgenrood, dageraad) . Taalgebruik in Tenakh : sjachar (morgenrood, dageraad) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , het = 8 , resj = 20 of 200 ; totaal : 49 (7²) OF 508 (2² X 127) . Structuur : 3 - 8 - 2 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (10) : (1) Gn 19,15 . (2) Gn 32,25 . (3) Gn 32,27 . (4) Joz 6,15 . (5) Joz 13,19 . (6) Joz 19,25 . (7) 1 S 9,26 . (8) Jon 4,7 . (9) Ps 22,1 . (10) Neh 4,15 .
- Wellicht een zelfst. naamw. met 3 medeklinkers en oorspronkelijk 2 korte klinkers . In open lettergrepen onmiddellijk vóór de hoofdklemtoon is de a verlengd tot â (Lettinga 13i) .
- Grieks : πρωι = prôi (morgen) . Taalgebruik in het NT : prôï (vroeg) . Taalgebruik in de LXX : prôï (vroeg) . Bijbel (181) .

prôi ('s morgens)   bijbel LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  181  169 62         19 24 8 8 3 12  6       11     



- Gn 32,1 - Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 - Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -


Gn 32,26 - Gn 32,26 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
26eiden de oti ou dunatai pros auton kai èpsato tou platous tou mèrou autou kai enarkèsen to platos tou mèrou iakôb en tô palaiein auton met' autou  25 qui cum videret quod eum superare non posset tetigit nervum femoris eius et statim emarcuit וַיַּ֗רְא כִּ֣י לֹ֤א יָכֹל֙ ל֔וֹ וַיִּגַּ֖ע בְּכַף־יְרֵכ֑וֹ וַתֵּ֙קַע֙ כַּף־יֶ֣רֶךְ יַעֲקֹ֔ב בְּהֵֽאָבְק֖וֹ עִמּֽוֹ׃ 25 En toen Hij zag, dat Hij hem niet overmocht, roerde Hij het gewricht zijner heup aan, zodat het gewricht van Jakobs heup verwrongen werd, als Hij met hem worstelde. [26] Toen de man merkte dat hij Jakob niet aankon, stootte hij hem bij de worsteling boven tegen de heup, zodat die ontwricht werd.   [26] Toen de ander zag dat hij het niet van hem kon winnen, raakte hij Jakobs heup aan, en daardoor raakte Jakobs heup tijdens die worsteling ontwricht.    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,26 .

6. prefix verbindingsgwoord wë consecutivum + act. ind. jiqtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. וַיִּגַּע = wajjigga` (en hij stootte) van het werkw. נָגַע = nâga` (aanraken, stoten, slaan) . Taalgebruik in Tenakh : nâga` (aanraken, stoten, slaan) . Voor het botsen in de moederschoot van Rebekka wordt een ander werkw. gebruikt :

6. - 7. De vorm van de naam יַעֳקֹב = ja`äqobh (hij bedriegt , Jakob) is een qal ind. jiqtol (imperfect.) 3de pers. mann. enk. van het werkw. עָקַב = `âqab (bedriegen) . Taalgebruik in Tenakh : `âqab (bedriegen) .

9. prefix verbindingswoord wë + pass. nifal . jiqtol (imperfect.) 3de pers. vr. enk. = waththeqa ` (en werd ontwricht) van het werkw. יָקָע = jâqâ` (verwrongen worden , ontwrichten , zich vervreemden van) . Taalgebruik in Tenakh : jâqâ` (verwrongen worden , ontwrichten , zich vervreemden van) . יָקָע כַף = jâqâ` kaph (de holte van de heup ontwrichten) zou naar de naam יַעֳקֹב =ja`äqobh kunnen verwijzen .

10. כַף = khaph (handpalm) . Taalgebruik in Tenakh : khaph (handpalm) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 30 (2 X 3 X 5) OF 120 (2³ X 3 X 5) . Structuur : 2 - 1 . Arabisch : kaff (handpalm) . Taalgebruik in de Qoran : kaff (handpalm) .

11. יָרֵך = jârekh (heup, zijde, voetstuk) . Taalgebruik in Tenakh : jârekh (heup, zijde, voetstuk) .

12. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

13. בְּהֵאָבְקוֹ = bëhe´âbhëqô < voorzetsel bë + werkw. vorm pass. nifal inf. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. van het werkw. אָבַק =´âbhaq (worstelen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âbhaq (worstelen) . Getalwaarde : aleph= 1 , beth = 2 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 22 (het aantal letters van het Hebreeuwse alafabet) OF 103 . Structuur : 1 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (1) : Gn 32,26 . Er zou een woordspeling kunnen zijn tussen j´bq (וַיִאָבִק = je´âbheq = hij worstelde) (Gn 32,25) en de persoonsnaam j`qb ( יַעֳקֹב =ja`äqobh = Jakob) .
- Ned. : worstelen . Oost-Vlaams dialect : wëstln . D. : ringen (wringen, worstelen) . E. : wrestle . Fr. : lutter . Gr. : παλαιω = palaiô (worstelen, strijden) . Taalgebruik in de LXX : palaiô (worstelen, strijden) . Lat. luctari .


- Gn 32,1 - Gn 32,2 - Gn 32,3 - Gn 32,4 - Gn 32,5 - Gn 32,6 - Gn 32,7 - Gn 32,8 - Gn 32,9 - Gn 32,10 - Gn 32,11 - Gn 32,12 - Gn 32,13 - Gn 32,14 - Gn 32,15 - Gn 32,16 - Gn 32,17 - Gn 32,18 - Gn 32,19 - Gn 32,20 - Gn 32,21 - Gn 32,22 - Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -


Gn 32,27 - Gn 32,27 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
27kai eipen autô aposteilon me anebè gar o orthros o de eipen ou mè se aposteilô ean mè me eulogèsès  26 dixitque ad eum dimitte me iam enim ascendit aurora respondit non dimittam te nisi benedixeris mihi   26 En Hij zeide: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent. [27] Daarop zei de man: ‘Laat mij gaan, want de dageraad is aangebroken.’ Maar hij antwoordde: ‘Ik laat u niet gaan wanneer u mij niet zegent.’   [27] Toen zei de ander: 'Laat mij gaan, het wordt al dag.' Maar Jakob zei: 'Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent.' [    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,27 .

Gn 32,28 - Gn 32,28 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
28eipen de autô ti to onoma sou estin o de eipen iakôb  27 ait ergo quod nomen est tibi respondit Iacob   27 En Hij zeide tot hem: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob. [28] Hij vroeg: ‘Hoe is uw naam?’ Hij antwoordde: ‘Jakob.’   28] De ander vroeg: 'Hoe luidt je naam?' 'Jakob,' antwoordde hij.    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,28 .

Gn 32,28.1. וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. אמר = ´-m-r (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) .

Gn 32,28.2. אֵלָיו = ´elâ(j)w (tot hem) . Voorvoegsel ´el + suffix 3de pers. mann. enk. . Zie : ´l : voorzetsel אֶל = ´èl (naar, tot) OF godsnaam El . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl OF ontkenning ´al (niet) . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (407) . Pentateuch (118) . Eerdere Profeten (182) . Latere Profeten (32) . 12 Kleine Profeten (15) . Geschriften (60) . Gn (53) .

Gn 32,28.1. - 2. וַיּאֹמֶר אֵלָיו = wajjo´mèr ´elâ(j)w (en hij zei tot hem) . Tenakh (83) . Gn (17) : (1) Gn 15,7 . (2) Gn 15,9 . (3) Gn 17,1 . (4) Gn 19,21 . (5) Gn 20,6 . (6) Gn 22,1 . (7) Gn 24,5 . (8) Gn 24,6 . (9) Gn 26,9 . (10) Gn 27,1 (2X) . (11) Gn 27,26 . (12) Gn 27,39 . (13) Gn 30,27 . (14) Gn 30,29 . (15) Gn 32,28 . (16) Gn 33,13 . (17) Gn 43,3 .

Gn 32,28.6. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

Gn 32,29 - Gn 32,29 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
29eipen de autô ou klèthèsetai eti to onoma sou iakôb alla israèl estai to onoma sou oti enischusas meta theou kai meta anthrôpôn dunatos  28 at ille nequaquam inquit Iacob appellabitur nomen tuum sed Israhel quoniam si contra Deum fortis fuisti quanto magis contra homines praevalebis   28 Toen zeide Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht. [29] Toen zei hij: ‘Voortaan zult u geen Jakob meer heten, maar Israël, want u hebt met God gestreden en met mensen en u hebt hen overwonnen.’   [29] Daarop zei hij: 'Voortaan zal je naam niet Jakob zijn maar Israël, want je hebt met God en mensen gestreden en je hebt gewonnen.'    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,29 .

Gn 32,29.3. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (48) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (28) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

Gn 32,29.9. יִשְׂרָאֵל = jishërâ´el (Israël) . Getalwaarde : jod = 10 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 , lameth = 12 of 30 ; totaal : 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Structuur : 1 - 3 - 2 - 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 1 . De eigennaam is samengesteld uit een werkwoordvorm en een zelfst. naamw. : act. ind. imperf. 3de pers. mann. enk. = jishrâ´ (hij strijdt) van het werkw. שָׂרָה = shârâh (strijden) + אֵל = ´el (God) : God strijdt . In Gn 32,29 wordt de naam Israël verklaard als : hij streed met God en met mensen . Dat gebeurt in het verhaal van de nachtelijke strijd van Jakob aan de Jabbok .

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt  
  2044 502 765 350 89 337 36 157 58 196 55  

- Grieks : ισραηλ = israèl (Israël) . Taalgebruik in de LXX : Israèl (Israël) . Taalgebruik in het NT : Israèl (Israël) .

Gn 32,29.11. act. qal perfect. 2de pers. mann. enk. shârîthâ (jij streed) van het werkw. shârâh (strijden) . Zie שָׂרָה = shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . De getalwaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 46 (2 X 23) of 505 (5 X 101) . Structuur : 3 - 2 - 5 . Tenakh (1) Gn 32,29 . jishërâh (hij streed) : jishërâh + ´el = hij streed met God . In Gn 32,29 wordt de naam Israël verklaard als : hij streed met God en met mensen .

Gn 32,30 - Gn 32,30 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
30èrôtèsen de iakôb kai eipen anaggeilon moi to onoma sou kai eipen ina ti touto erôtas to onoma mou kai èulogèsen auton ekei  29 interrogavit eum Iacob dic mihi quo appellaris nomine respondit cur quaeris nomen meum et benedixit ei in eodem loco   29 En Jakob vraagde, en zeide: Geef toch Uw naam te kennen. En Hij zeide: Waarom is het, dat gij naar Mijn naam vraagt? En Hij zegende hem aldaar. [30] Jakob vroeg: ‘Maak mij uw naam bekend.’ Maar hij zei: ‘Waarom vraagt u naar mijn naam?’ Toen gaf hij hem op die plaats zijn zegen.   [30] Jakob vroeg: 'Zeg me toch hoe u heet.' Maar hij kreeg ten antwoord: 'Waarom vraag je naar mijn naam?' Toen zegende die ander hem daar.    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,30 .

2. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

Gn 32,31 - Gn 32,31 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
31kai ekalesen iakôb to onoma tou topou ekeinou eidos theou eidon gar theon prosôpon pros prosôpon kai esôthè mou è psuchè  30 vocavitque Iacob nomen loci illius Phanuhel dicens vidi Deum facie ad faciem et salva facta est anima mea   30 En Jakob noemde den naam dier plaats Pniël: Want, zeide hij ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest. [31] Jakob noemde die plaats Peniël; ‘Want’, zo zei hij, ‘ik heb God gezien van aangezicht* tot aangezicht, en ik ben toch in leven gebleven.’   [31] Jakob noemde die plaats Peniël, 'want,' zei hij, 'ik heb oog in oog gestaan met God en ben toch in leven gebleven.'    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,31 . Het vers Gn 32,31 telt 11 woorden en 38 (2 X 19) letters . De getalwaarde van Gn 32,31 is 2817 (3² X 313) .

Gn 32,31.1. wajjiqërâ´(en hij riep, hij heet, hij noemde) < waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 32 (2) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,31 .

Gn 32,31.2. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .

Gn 32,31.1. - 2. wajjiqërâ´ ja`äqobh (en Jakob noemde) . Tenakh (3) : (1) Gn 32,31 . (2) Gn 35,15 . (3) Gn 49,1 .

Gn 32,31.1. - 3. Gn 32,31 : wajjiqërâ´ ja`äqobh sjem (en Jakob noemde een naam) . Gn 35,15 : wajjiqërâ´ ja`äqobh ´èth sjem (en Jakob noemde een naam) .
- wajjiqërâ´ (èth) sjem (en hij noemde een naam) . Tenakh (13) : (1) Gn 4,17 . (2) Gn 26,20 . (3) Gn 28,19 . (4) Gn 32,3 . (5) Ex 17,7 . (6) Nu 11,3 . (7) Nu 11,34 . (8) Nu 21,3 . (9) Joz 5,9 . (10) Re 1,17 . (11) 1 K 16,24 . (12) 2 Kr 3,17 . (13) Job 42,14 .

Gn 32,31.3. - 4. sjem hammâqôm ( naam van de plaats) . Tenakh (16) : (1) Gn 22,14 . (2) Gn 28,19 . (3) Gn 32,3 . (4) Gn 32,31 . (5) Gn 33,17 . (6) Gn 35,15 . (7) Ex 17,7 . (8) Nu 11,3 . (9) Nu 11,34 . (10) Nu 21,3 . (11) Joz 5,9 . (12) Joz 7,26 . (13) Re 2,5 . (14) 2 S 5,20 . (15) 1 Kr 14,11 . (16) 2 Kr 20,26 .

Gn 32,31.7. râ´îthî (ik zag, ik heb gezien) act. qal perf. 1ste pers. enk. van het werkw. râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 of 206 . Structuur : 2 - 1 - 5 . Gr. horaô (zien) . Taalgebruik in de Septuaginta : horaô (zien) . Taalgebruik in het N.T. : horaô (zien) . Lat. videre . Fr. voir . Ned. zien . E. to see . D. sehen . pass. Lat. apparere . Fr. apparaître . E. appear . Ned. verschijnen . D. erscheinen . Een vorm van horaô (zien, verschijnen) in het N.T. (114) , in de LXX (1539) . Tenakh (86) . In zes verzen in Gn :
(1) Gn 7,1 (JHWH tot Noach : Ik heb gezien dat je rechtvaardig zijt) .
(2) Gn 16,13 (Hagar noemt God EL Roï) .
(3) Gn 31,12 (De engel van JHWH tot Jakob) .
(4) Gn 32,31 (Jakob over de plaats Penuël : omdat ik God heb gezien van aangezicht tot aangezicht) .
(5) Gn 33,10 (Jakob tot Esau) .
(6) Gn 41,19 .

9. פָּנִים = panîm (gezicht, aangezicht) . Taalgebruik in Tenakh : panîm (gezicht, aangezicht) . Getalwaarde : pe = 17 of 80 , nun = 14 of 50 , mem = 13 of 40 ; totaal : 44 (4 X 11) OF 170 . Structuur : 8 - 5 - 4 . De som van de elementen is 8 .
- Ned. : aangezicht . D. : Angesicht . E. : face . Fr. : la face . Gr. προσωπον = prosôpon (aangezicht) . Taalgebruik in het NT : prosôpon (aangezicht) . Taalgebruik in de Septuaginta. : prosôpon (aangezicht) . Taalgebruik in Lc : prosôpon (aangezicht) . pros : naar , bij (aan-) , ôpon , zie optie , optieken enz ... op- : zien . aangezicht , waarnaar je kijkt . Of : pro -s -opon , waaruit het Latijnse per- son -a (doorheen -klinken) , wat wijst op een masker waardoor men sprak . Lat. facies .

11. פָּנִים= panîm (gezicht, aangezicht) . Taalgebruik in Tenakh : panîm (gezicht, aangezicht) . Getalwaarde : pe = 17 of 80 , nun = 14 of 50 , mem = 13 of 40 ; totaal : 44 (4 X 11) OF 170 . Structuur : 8 - 5 - 4 . De som van de elementen is 8 .
- Ned. : aangezicht . D. : Angesicht . E. : face . Fr. : la face . Gr. προσωπον = prosôpon (aangezicht) . Taalgebruik in het NT : prosôpon (aangezicht) . Taalgebruik in de Septuaginta. : prosôpon (aangezicht) . Taalgebruik in Lc : prosôpon (aangezicht) . pros : naar , bij (aan-) , ôpon , zie optie , optieken enz ... op- : zien . aangezicht , waarnaar je kijkt . Of : pro -s -opon , waaruit het Latijnse per- son -a (doorheen -klinken) , wat wijst op een masker waardoor men sprak . Lat. facies .

Gn 32,31.9. - 11. פָּנִים אֶל פָּנִים = pânîm èl pânîm (van aangezicht tot aangezicht) . Tenakh (5) : (1) Gn 32,31 . (2) Ex 33,11 . (3) Dt 34,10 . (4) Re 6,22 . (5) Ez 20,35 . Voor het eerst heeft Jakob een mens van aangezicht tot aangezicht aangekeken , niet door achterbakse gedragingen of listen .

Gn 32,32 - Gn 32,32 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
32aneteilen de autô o èlios ènika parèlthen to eidos tou theou autos de epeskazen tô mèrô autou  31 ortusque est ei statim sol postquam transgressus est Phanuhel ipse vero claudicabat pede   31 En de zon rees hem op, als hij door Pniël gegaan was; en hij was hinkende aan zijn heup. [32] De zon ging op, zodra hij Peniël voorbij was. En Jakob bleef mank aan zijn heup.   [32] Zodra hij bij Peniël was overgestoken, zag hij de zon opkomen. Jakob liep mank.    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,32 .

Gn 32,33 - Gn 32,33 . Jakob worstelt met God - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Gn (Genesis) -- Gn 32 -- Gn 32,2-22 -- Gn 32,23-33 -- Gn 32,23 - Gn 32,24 - Gn 32,25 - Gn 32,26 - Gn 32,27 - Gn 32,28 - Gn 32,29 - Gn 32,30 - Gn 32,31 - Gn 32,32 - Gn 32,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
33eneken toutou ou mè fagôsin oi uioi israèl to neuron o enarkèsen o estin epi tou platous tou mèrou eôs tès èmeras tautès oti èpsato tou platous tou mèrou iakôb tou neurou kai enarkèsen   32 quam ob causam non comedunt filii Israhel nervum qui emarcuit in femore Iacob usque in praesentem diem eo quod tetigerit nervum femoris eius et obstipuerit   32 Daarom eten de kinderen Israëls de verrukte zenuw niet, die op het gewricht der heup is, tot op dezen dag, omdat Hij het gewricht van Jakobs heup aangeroerd had, aan de verrukte zenuw. [33] Vandaar dat de Israëlieten tot op de dag van vandaag de spier die boven aan de heup ligt niet* eten, omdat God Jakob boven tegen de heup, tegen de spier van het heupgewricht had gestoten.  [33] Omdat de ander hem had aangeraakt bij de spier die boven het heupgewricht ligt, eten de Israëlieten de heupspier niet, tot op de dag van vandaag.    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Gn 32,33 .

21. ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Genesis : Ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 of 182 (2 X 7 X 13 of 7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . Taalgebruik in de LXX : iakôb (Jakob) . Taalgebruik in het N.T. : iakôb (Jakob) . Tenakh (252) . Gn (132) . Gn 32 (14) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 32,5 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 32,8 . (6) Gn 32,10 . (7) Gn 32,21 . (8) Gn 32,25 . (9) Gn 32,26 . (10) Gn 32,28 . (11) Gn 32,29 . (12) Gn 32,30 . (13) Gn 32,31 . (14) Gn 32,33 . In 14 (2 X 7) verzen in Gn 32 ; in 7 verzen in Gn 32,2-22 en in 7 verzen in Gn 32,23-33 .


- Hebreeuwse tekst

32:2 וְיַעֲקֹב הָלַךְ לְדַרְכֹּו וַיִּפְגְּעוּ־בֹו מַלְאֲכֵי אֱלֹהִים׃ .1 32:3 וַיֹּאמֶר יַעֲקֹב כַּאֲשֶׁר רָאָם מַחֲנֵה אֱלֹהִים זֶה וַיִּקְרָא שֵׁם־הַמָּקֹום הַהוּא מַחֲנָיִם׃ פ .2 32:4 וַיִּשְׁלַח יַעֲקֹב מַלְאָכִים לְפָנָיו אֶל־עֵשָׂו אָחִיו אַרְצָה שֵׂעִיר שְׂדֵה אֱדֹום׃ .3 32:5 וַיְצַו אֹתָם לֵאמֹר כֹּה תֹאמְרוּן לַאדֹנִי לְעֵשָׂו כֹּה אָמַר עַבְדְּךָ יַעֲקֹב עִם־לָבָן גַּרְתִּי וָאֵחַר עַד־עָתָּה׃ .4 32:6 וַיְהִי־לִי שֹׁור וַחֲמֹור צֹאן וְעֶבֶד וְשִׁפְחָה וָאֶשְׁלְחָה לְהַגִּיד לַאדֹנִי לִמְצֹא־חֵן בְּעֵינֶיךָ׃ .5 32:7 וַיָּשֻׁבוּ הַמַּלְאָכִים אֶל־יַעֲקֹב לֵאמֹר בָּאנוּ אֶל־אָחִיךָ אֶל־עֵשָׂו וְגַם הֹלֵךְ לִקְרָאתְךָ וְאַרְבַּע־מֵאֹות אִישׁ עִמֹּו׃ .6 32:8 וַיִּירָא יַעֲקֹב מְאֹד וַיֵּצֶר לֹו וַיַּחַץ אֶת־הָעָם אֲשֶׁר־אִתֹּו וְאֶת־הַצֹּאן וְאֶת־הַבָּקָר וְהַגְּמַלִּים לִשְׁנֵי מַחֲנֹות׃ .7 32:9 וַיֹּאמֶר אִם־יָבֹוא עֵשָׂו אֶל־הַמַּחֲנֶה הָאַחַת וְהִכָּהוּ וְהָיָה הַמַּחֲנֶה הַנִּשְׁאָר לִפְלֵיטָה׃ .8 32:10 וַיֹּאמֶר יַעֲקֹב אֱלֹהֵי אָבִי אַבְרָהָם וֵאלֹהֵי אָבִי יִצְחָק יְהוָה הָאֹמֵר אֵלַי שׁוּב לְאַרְצְךָ וּלְמֹולַדְתְּךָ וְאֵיטִיבָה עִמָּךְ׃ .9 32:11 קָטֹנְתִּי מִכֹּל הַחֲסָדִים וּמִכָּל־הָאֱמֶת אֲשֶׁר עָשִׂיתָ אֶת־עַבְדֶּךָ כִּי בְמַקְלִי עָבַרְתִּי אֶת־הַיַּרְדֵּן הַזֶּה וְעַתָּה הָיִיתִי לִשְׁנֵי מַחֲנֹות׃ .10 32:12 הַצִּילֵנִי נָא מִיַּד אָחִי מִיַּד עֵשָׂו כִּי־יָרֵא אָנֹכִי אֹתֹו פֶּן־יָבֹוא וְהִכַּנִי אֵם עַל־בָּנִים׃ .11 32:13 וְאַתָּה אָמַרְתָּ הֵיטֵב אֵיטִיב עִמָּךְ וְשַׂמְתִּי אֶת־זַרְעֲךָ כְּחֹול הַיָּם אֲשֶׁר לֹא־יִסָּפֵר מֵרֹב׃ .12 32:14 וַיָּלֶן שָׁם בַּלַּיְלָה הַהוּא וַיִּקַּח מִן־הַבָּא בְיָדֹו מִנְחָה לְעֵשָׂו אָחִיו׃ .13 32:15 עִזִּים מָאתַיִם וּתְיָשִׁים עֶשְׂרִים רְחֵלִים מָאתַיִם וְאֵילִים עֶשְׂרִים׃ .14 32:16 גְּמַלִּים מֵינִיקֹות וּבְנֵיהֶם שְׁלֹשִׁים פָּרֹות אַרְבָּעִים וּפָרִים עֲשָׂרָה אֲתֹנֹת עֶשְׂרִים וַעְיָרִם עֲשָׂרָה׃ .15 32:17 וַיִּתֵּן בְּיַד־עֲבָדָיו עֵדֶר עֵדֶר לְבַדֹּו וַיֹּאמֶר אֶל־עֲבָדָיו עִבְרוּ לְפָנַי וְרֶוַח תָּשִׂימוּ בֵּין עֵדֶר וּבֵין עֵדֶר׃ .16 32:18 וַיְצַו אֶת־הָרִאשֹׁון לֵאמֹר כִּי יִפְגָּשְׁךָ עֵשָׂו אָחִי וִשְׁאֵלְךָ לֵאמֹר לְמִי־אַתָּה וְאָנָה תֵלֵךְ וּלְמִי אֵלֶּה לְפָנֶיךָ׃ .17 32:19 וְאָמַרְתָּ לְעַבְדְּךָ לְיַעֲקֹב מִנְחָה הִוא שְׁלוּחָה לַאדֹנִי לְעֵשָׂו וְהִנֵּה גַם־הוּא אַחֲרֵינוּ׃ .18 32:20 וַיְצַו גַּם אֶת־הַשֵּׁנִי גַּם אֶת־הַשְּׁלִישִׁי גַּם אֶת־כָּל־הַהֹלְכִים אַחֲרֵי הָעֲדָרִים לֵאמֹר כַּדָּבָר הַזֶּה תְּדַבְּרוּן אֶל־עֵשָׂו בְּמֹצַאֲכֶם אֹתֹו׃ .19 32:21 וַאֲמַרְתֶּם גַּם הִנֵּה עַבְדְּךָ יַעֲקֹב אַחֲרֵינוּ כִּי־אָמַר אֲכַפְּרָה פָנָיו בַּמִּנְחָה הַהֹלֶכֶת לְפָנָי וְאַחֲרֵי־כֵן אֶרְאֶה פָנָיו אוּלַי יִשָּׂא פָנָי׃ .20 32:22 וַתַּעֲבֹר הַמִּנְחָה עַל־פָּנָיו וְהוּא לָן בַּלַּיְלָה־הַהוּא בַּמַּחֲנֶה׃ .21 32:23 וַיָּקָם ׀ בַּלַּיְלָה הוּא וַיִּקַּח אֶת־שְׁתֵּי נָשָׁיו וְאֶת־שְׁתֵּי שִׁפְחֹתָיו וְאֶת־אַחַד עָשָׂר יְלָדָיו וַיַּעֲבֹר אֵת מַעֲבַר יַבֹּק׃ .22 32:24 וַיִּקָּחֵם וַיַּעֲבִרֵם אֶת־הַנָּחַל וַיַּעֲבֵר אֶת־אֲשֶׁר־לֹו ׃ .23 32:25 וַיִּוָּתֵר יַעֲקֹב לְבַדֹּו וַיֵּאָבֵק אִישׁ עִמֹּו עַד עֲלֹות הַשָּׁחַר׃ .24 32:26 וַיַּרְא כִּי לֹא יָכֹל לֹו וַיִּגַּע בְּכַף־יְרֵכֹו וַתֵּקַע כַּף־יֶרֶךְ יַעֲקֹב בְּהֵאָבְקֹו עִמֹּו׃ .25 32:27 וַיֹּאמֶר שַׁלְּחֵנִי כִּי עָלָה הַשָּׁחַר וַיֹּאמֶר לֹא אֲשַׁלֵּחֲךָ כִּי אִם־בֵּרַכְתָּנִי׃ .26 32:28 וַיֹּאמֶר אֵלָיו מַה־שְּׁמֶךָ וַיֹּאמֶר יַעֲקֹב׃ .27 32:29 וַיֹּאמֶר לֹא יַעֲקֹב יֵאָמֵר עֹוד שִׁמְךָ כִּי אִם־יִשְׂרָאֵל כִּי־שָׂרִיתָ עִם־אֱלֹהִים וְעִם־אֲנָשִׁים וַתּוּכָל׃ .28 32:30 וַיִּשְׁאַל יַעֲקֹב וַיֹּאמֶר הַגִּידָה־נָּא שְׁמֶךָ וַיֹּאמֶר לָמָּה זֶּה תִּשְׁאַל לִשְׁמִי וַיְבָרֶךְ אֹתֹו שָׁם׃ .29 32:31 וַיִּקְרָא יַעֲקֹב שֵׁם הַמָּקֹום פְּנִיאֵל כִּי־רָאִיתִי אֱלֹהִים פָּנִים אֶל־פָּנִים וַתִּנָּצֵל נַפְשִׁי׃ .30 32:32 וַיִּזְרַח־לֹו הַשֶּׁמֶשׁ כַּאֲשֶׁר עָבַר אֶת־פְּנוּאֵל וְהוּא צֹלֵעַ עַל־יְרֵכֹו׃ .31 32:33 עַל־כֵּן לֹא־יֹאכְלוּ בְנֵי־יִשְׂרָאֵל אֶת־גִּיד הַנָּשֶׁה אֲשֶׁר עַל־כַּף הַיָּרֵךְ עַד הַיֹּום הַזֶּה כִּי נָגַע בְּכַף־יֶרֶךְ יַעֲקֹב בְּגִיד הַנָּשֶׁה׃ .32

א וַיַּשְׁכֵּם לָבָן בַּבֹּקֶר, וַיְנַשֵּׁק לְבָנָיו וְלִבְנוֹתָיו--וַיְבָרֶךְ אֶתְהֶם; וַיֵּלֶךְ וַיָּשָׁב לָבָן, לִמְקֹמוֹ. ב וְיַעֲקֹב, הָלַךְ לְדַרְכּוֹ; וַיִּפְגְּעוּ-בוֹ, מַלְאֲכֵי אֱלֹהִים. ג וַיֹּאמֶר יַעֲקֹב כַּאֲשֶׁר רָאָם, מַחֲנֵה אֱלֹהִים זֶה; וַיִּקְרָא שֵׁם-הַמָּקוֹם הַהוּא, מַחֲנָיִם. {פ} ד וַיִּשְׁלַח יַעֲקֹב מַלְאָכִים לְפָנָיו, אֶל-עֵשָׂו אָחִיו, אַרְצָה שֵׂעִיר, שְׂדֵה אֱדוֹם. ה וַיְצַו אֹתָם, לֵאמֹר, כֹּה תֹאמְרוּן, לַאדֹנִי לְעֵשָׂו: כֹּה אָמַר, עַבְדְּךָ יַעֲקֹב, עִם-לָבָן גַּרְתִּי, וָאֵחַר עַד-עָתָּה. ו וַיְהִי-לִי שׁוֹר וַחֲמוֹר, צֹאן וְעֶבֶד וְשִׁפְחָה; וָאֶשְׁלְחָה לְהַגִּיד לַאדֹנִי, לִמְצֹא-חֵן בְּעֵינֶיךָ. ז וַיָּשֻׁבוּ, הַמַּלְאָכִים, אֶל-יַעֲקֹב, לֵאמֹר: בָּאנוּ אֶל-אָחִיךָ, אֶל-עֵשָׂו, וְגַם הֹלֵךְ לִקְרָאתְךָ, וְאַרְבַּע-מֵאוֹת אִישׁ עִמּוֹ. ח וַיִּירָא יַעֲקֹב מְאֹד, וַיֵּצֶר לוֹ; וַיַּחַץ אֶת-הָעָם אֲשֶׁר-אִתּוֹ, וְאֶת-הַצֹּאן וְאֶת-הַבָּקָר וְהַגְּמַלִּים--לִשְׁנֵי מַחֲנוֹת. ט וַיֹּאמֶר, אִם-יָבוֹא עֵשָׂו אֶל-הַמַּחֲנֶה הָאַחַת וְהִכָּהוּ--וְהָיָה הַמַּחֲנֶה הַנִּשְׁאָר, לִפְלֵיטָה. י וַיֹּאמֶר, יַעֲקֹב, אֱלֹהֵי אָבִי אַבְרָהָם, וֵאלֹהֵי אָבִי יִצְחָק: יְהוָה הָאֹמֵר אֵלַי, שׁוּב לְאַרְצְךָ וּלְמוֹלַדְתְּךָ--וְאֵיטִיבָה עִמָּךְ. יא קָטֹנְתִּי מִכֹּל הַחֲסָדִים, וּמִכָּל-הָאֱמֶת, אֲשֶׁר עָשִׂיתָ, אֶת-עַבְדֶּךָ: כִּי בְמַקְלִי, עָבַרְתִּי אֶת-הַיַּרְדֵּן הַזֶּה, וְעַתָּה הָיִיתִי, לִשְׁנֵי מַחֲנוֹת. יב הַצִּילֵנִי נָא מִיַּד אָחִי, מִיַּד עֵשָׂו: כִּי-יָרֵא אָנֹכִי, אֹתוֹ--פֶּן-יָבוֹא וְהִכַּנִי, אֵם עַל-בָּנִים. יג וְאַתָּה אָמַרְתָּ, הֵיטֵב אֵיטִיב עִמָּךְ; וְשַׂמְתִּי אֶת-זַרְעֲךָ כְּחוֹל הַיָּם, אֲשֶׁר לֹא-יִסָּפֵר מֵרֹב. יד וַיָּלֶן שָׁם, בַּלַּיְלָה הַהוּא; וַיִּקַּח מִן-הַבָּא בְיָדוֹ, מִנְחָה--לְעֵשָׂו אָחִיו. טו עִזִּים מָאתַיִם, וּתְיָשִׁים עֶשְׂרִים, רְחֵלִים מָאתַיִם, וְאֵילִים עֶשְׂרִים. טז גְּמַלִּים מֵינִיקוֹת וּבְנֵיהֶם, שְׁלֹשִׁים; פָּרוֹת אַרְבָּעִים, וּפָרִים עֲשָׂרָה, אֲתֹנֹת עֶשְׂרִים, וַעְיָרִם עֲשָׂרָה. יז וַיִּתֵּן, בְּיַד-עֲבָדָיו, עֵדֶר עֵדֶר, לְבַדּוֹ; וַיֹּאמֶר אֶל-עֲבָדָיו, עִבְרוּ לְפָנַי, וְרֶוַח תָּשִׂימוּ, בֵּין עֵדֶר וּבֵין עֵדֶר. יח וַיְצַו אֶת-הָרִאשׁוֹן, לֵאמֹר: כִּי יִפְגָשְׁךָ עֵשָׂו אָחִי, וּשְׁאֵלְךָ לֵאמֹר, לְמִי-אַתָּה וְאָנָה תֵלֵךְ, וּלְמִי אֵלֶּה לְפָנֶיךָ. יט וְאָמַרְתָּ, לְעַבְדְּךָ לְיַעֲקֹב--מִנְחָה הִוא שְׁלוּחָה, לַאדֹנִי לְעֵשָׂו; וְהִנֵּה גַם-הוּא, אַחֲרֵינוּ. כ וַיְצַו גַּם אֶת-הַשֵּׁנִי, גַּם אֶת-הַשְּׁלִישִׁי, גַּם אֶת-כָּל-הַהֹלְכִים, אַחֲרֵי הָעֲדָרִים לֵאמֹר: כַּדָּבָר הַזֶּה תְּדַבְּרוּן אֶל-עֵשָׂו, בְּמֹצַאֲכֶם אֹתוֹ. כא וַאֲמַרְתֶּם--גַּם הִנֵּה עַבְדְּךָ יַעֲקֹב, אַחֲרֵינוּ: כִּי-אָמַר אֲכַפְּרָה פָנָיו, בַּמִּנְחָה הַהֹלֶכֶת לְפָנָי, וְאַחֲרֵי-כֵן אֶרְאֶה פָנָיו, אוּלַי יִשָּׂא פָנָי. כב וַתַּעֲבֹר הַמִּנְחָה, עַל-פָּנָיו; וְהוּא לָן בַּלַּיְלָה-הַהוּא, בַּמַּחֲנֶה. כג וַיָּקָם בַּלַּיְלָה הוּא, וַיִּקַּח אֶת-שְׁתֵּי נָשָׁיו וְאֶת-שְׁתֵּי שִׁפְחֹתָיו, וְאֶת-אַחַד עָשָׂר, יְלָדָיו; וַיַּעֲבֹר, אֵת מַעֲבַר יַבֹּק. כד וַיִּקָּחֵם--וַיַּעֲבִרֵם, אֶת-הַנָּחַל; וַיַּעֲבֵר, אֶת-אֲשֶׁר-לוֹ. כה וַיִּוָּתֵר יַעֲקֹב, לְבַדּוֹ; וַיֵּאָבֵק אִישׁ עִמּוֹ, עַד עֲלוֹת הַשָּׁחַר. כו וַיַּרְא, כִּי לֹא יָכֹל לוֹ, וַיִּגַּע, בְּכַף-יְרֵכוֹ; וַתֵּקַע כַּף-יֶרֶךְ יַעֲקֹב, בְּהֵאָבְקוֹ עִמּוֹ. כז וַיֹּאמֶר שַׁלְּחֵנִי, כִּי עָלָה הַשָּׁחַר; וַיֹּאמֶר לֹא אֲשַׁלֵּחֲךָ, כִּי אִם-בֵּרַכְתָּנִי. כח וַיֹּאמֶר אֵלָיו, מַה-שְּׁמֶךָ; וַיֹּאמֶר, יַעֲקֹב. כט וַיֹּאמֶר, לֹא יַעֲקֹב יֵאָמֵר עוֹד שִׁמְךָ--כִּי, אִם-יִשְׂרָאֵל: כִּי-שָׂרִיתָ עִם-אֱלֹהִים וְעִם-אֲנָשִׁים, וַתּוּכָל. ל וַיִּשְׁאַל יַעֲקֹב, וַיֹּאמֶר הַגִּידָה-נָּא שְׁמֶךָ, וַיֹּאמֶר, לָמָּה זֶּה תִּשְׁאַל לִשְׁמִי; וַיְבָרֶךְ אֹתוֹ, שָׁם. לא וַיִּקְרָא יַעֲקֹב שֵׁם הַמָּקוֹם, פְּנִיאֵל: כִּי-רָאִיתִי אֱלֹהִים פָּנִים אֶל-פָּנִים, וַתִּנָּצֵל נַפְשִׁי. לב וַיִּזְרַח-לוֹ הַשֶּׁמֶשׁ, כַּאֲשֶׁר עָבַר אֶת-פְּנוּאֵל; וְהוּא צֹלֵעַ, עַל-יְרֵכוֹ. לג עַל-כֵּן לֹא-יֹאכְלוּ בְנֵי-יִשְׂרָאֵל אֶת-גִּיד הַנָּשֶׁה, אֲשֶׁר עַל-כַּף הַיָּרֵךְ, עַד, הַיּוֹם הַזֶּה: כִּי נָגַע בְּכַף-יֶרֶךְ יַעֲקֹב, בְּגִיד הַנָּשֶׁה.


- Targum Onkelos

א וְאַקְדֵּים לָבָן בְּצַפְרָא, וְנַשֵּׁיק לִבְנוֹהִי וְלִבְנָתֵיהּ--וּבָרֵיךְ יָתְהוֹן; וַאֲזַל וְתָב לָבָן, לְאַתְרֵיהּ. ב וְיַעֲקוֹב, אֲזַל לְאוֹרְחֵיהּ; וְעָרַעוּ בֵּיהּ, מַלְאֲכַיָּא דַּייָ. ג וַאֲמַר יַעֲקוֹב כַּד חֲזָנוּן, מַשְׁרִי מִן קֳדָם יְיָ דָּא; וּקְרָא שְׁמֵיהּ דְּאַתְרָא הַהוּא, מַחֲנָיִם. {פ} ד וּשְׁלַח יַעֲקוֹב אִזְגַּדִּין קֳדָמוֹהִי, לְוָת עֵשָׂו אֲחוּהִי, לְאַרְעָא דְּשֵׂעִיר, לְחַקְלֵי אֱדוֹם. ה וּפַקֵּיד יָתְהוֹן, לְמֵימַר, כְּדֵין תֵּימְרוּן, לְרִבּוֹנִי לְעֵשָׂו: כִּדְנָן אֲמַר, עַבְדָּךְ יַעֲקוֹב, עִם לָבָן דַּרִית, וְאוֹחַרִית עַד כְּעַן. ו וַהֲווֹ לִי תּוֹרִין וּחְמָרִין, עָן וְעַבְדִּין וְאַמְהָן; וּשְׁלַחִית לְחַוָּאָה לְרִבּוֹנִי, לְאַשְׁכָּחָא רַחֲמִין בְּעֵינָךְ. ז וְתָבוּ, אִזְגַּדַּיָּא, לְוָת יַעֲקוֹב, לְמֵימַר: אֲתֵינָא לְוָת אֲחוּךְ, לְוָת עֵשָׂו, וְאַף אָתֵי לְקַדָּמוּתָךְ, וְאַרְבַּע מְאָה גֻּבְרָא עִמֵּיהּ. ח וּדְחֵיל יַעֲקוֹב לַחְדָּא, וְעַקַת לֵיהּ; וּפַלֵּיג יָת עַמָּא דְּעִמֵּיהּ, וְיָת עָנָא וְיָת תּוֹרֵי וְגַמְלַיָּא--לְתַרְתֵּין מַשְׁרְיָן. ט וַאֲמַר, אִם יֵיתֵי עֵשָׂו לְמַשְׁרִיתָא חֲדָא וְיִמְחֵינַהּ--וּתְהֵי מַשְׁרִיתָא דְּתִשְׁתְּאַר, לְשֵׁיזָבָא. י וַאֲמַר, יַעֲקוֹב, אֱלָהֵיהּ דְּאַבָּא אַבְרָהָם, וֵאלָהֵיהּ דְּאַבָּא יִצְחָק: יְיָ דַּאֲמַר לִי, תּוּב לְאַרְעָךְ וּלְיַלָּדוּתָךְ--וְאוֹטֵיב עִמָּךְ. יא זְעֵירָן זָכְוָתִי מִכֹּל חִסְדִּין, וּמִכָּל טָבְוָן, דַּעֲבַדְתְּ, עִם עַבְדָּךְ: אֲרֵי יְחִידַאי, עֲבַרִית יָת יַרְדְּנָא הָדֵין, וּכְעַן הֲוֵיתִי, לְתַרְתֵּין מַשְׁרְיָן. יב שֵׁיזֵיבְנִי כְּעַן מִיְּדָא דַּאֲחִי, מִיְּדָא דְּעֵשָׂו: אֲרֵי דָּחֵיל אֲנָא, מִנֵּיהּ--דִּלְמָא יֵיתֵי וְיִמְחֵינַנִי, אִמָּא עַל בְּנַיָּא. יג וְאַתְּ אֲמַרְתְּ, אוֹטָבָא אוֹטֵיב עִמָּךְ; וַאֲשַׁוֵּי יָת בְּנָךְ סַגִּיאִין כְּחָלָא דְּיַמָּא, דְּלָא יִתְמְנוֹן מִסְּגֵי. יד וּבָת תַּמָּן, בְּלֵילְיָא הַהוּא; וּנְסֵיב מִן דְּאַיְתִי בִּידֵיהּ, תִּקְרֻבְתָּא--לְעֵשָׂו אֲחוּהִי. טו עִזֵּי מָאתַן, וְתֵישַׁיָּא עַסְרִין, רַחְלֵי מָאתַן, וְדִכְרֵי עַסְרִין. טז גַּמְלֵי מֵינְקָתָא וּבְנֵיהוֹן, תְּלָתִין; תּוֹרָתָא אַרְבְּעִין, וְתוֹרֵי עַסְרָא, אֲתָנָן עַסְרִין, וְעִלֵּי עַסְרָא. יז וִיהַב, בְּיַד עַבְדּוֹהִי, עֶדְרָא עֶדְרָא, בִּלְחוֹדוֹהִי; וַאֲמַר לְעַבְדּוֹהִי, עֵיבַרוּ קֳדָמַי, וְרַוְחָא תְּשַׁוּוֹן, בֵּין עֶדְרָא וּבֵין עֶדְרָא. יח וּפַקֵּיד יָת קַדְמָאָה, לְמֵימַר: אֲרֵי יְעָרְעִנָּךְ עֵשָׂו אֲחִי, וְיִשְׁאֲלִנָּךְ לְמֵימַר, דְּמַאן אַתְּ וּלְאָן אַתְּ אָזֵיל, וּדְמַאן אִלֵּין דִּקְדָמָךְ. יט וְתֵימַר, דְּעַבְדָּךְ דְּיַעֲקוֹב--תִּקְרֻבְתָּא הִיא דִּמְשַׁלְחָא, לְרִבּוֹנִי לְעֵשָׂו; וְהָא אַף הוּא, אָתֵי בָּתְרַנָא. כ וּפַקֵּיד אַף יָת תִּנְיָנָא, אַף יָת תְּלִיתָאָה, אַף יָת כָּל דְּאָזְלִין, בָּתַר עֶדְרַיָּא לְמֵימַר: כְּפִתְגָמָא הָדֵין תְּמַלְּלוּן עִם עֵשָׂו, כַּד תַּשְׁכְּחוּן יָתֵיהּ. כא וְתֵימְרוּן--אַף הָא עַבְדָּךְ יַעֲקוֹב, אָתֵי בָּתְרַנָא: אֲרֵי אֲמַר אֲנִיחִנֵּיהּ לְרֻגְזֵיהּ, בְּתִקְרֻבְתָּא דְּאָזְלָא קֳדָמַי, וּבָתַר כֵּין אֶחְזֵי אַפּוֹהִי, מָאִם יִסַּב אַפָּי. כב וַעֲבַרַת תִּקְרֻבְתָּא, עַל אַפּוֹהִי; וְהוּא בָּת בְּלֵילְיָא הַהוּא, בְּמַשְׁרִיתָא. כג וְקָם בְּלֵילְיָא הוּא, וּדְבַר יָת תַּרְתֵּין נְשׁוֹהִי וְיָת תַּרְתֵּין לְחֵינָתֵיהּ, וְיָת חַד עֲסַר, בְּנוֹהִי; וַעֲבַר, יָת מַעֲבַר יֻבְקָא. כד וּדְבַרִנּוּן--וְאַעְבְּרִנּוּן, יָת נַחְלָא; וְאַעְבַּר, יָת דְּלֵיהּ. כה וְאִשְׁתְּאַר יַעֲקוֹב, בִּלְחוֹדוֹהִי; וְאִשְׁתַּדַּל גֻּבְרָא עִמֵּיהּ, עַד דִּסְלֵיק צַפְרָא. כו וַחֲזָא, אֲרֵי לָא יְכֵיל לֵיהּ, וּקְרֵיב, בִּפְתֵי יִרְכֵּיהּ; וְזָע פְּתֵי יִרְכָּא דְּיַעֲקוֹב, בְּאִשְׁתַּדָּלוּתֵיהּ עִמֵּיהּ. כז וַאֲמַר שַׁלְּחַנִי, אֲרֵי סְלֵיק צַפְרָא; וַאֲמַר לָא אֲשַׁלְּחִנָּךְ, אֱלָהֵין בָּרֵיכְתָּנִי. כח וַאֲמַר לֵיהּ, מַאן שְׁמָךְ; וַאֲמַר, יַעֲקוֹב. כט וַאֲמַר, לָא יַעֲקוֹב יִתְאֲמַר עוֹד שְׁמָךְ--אֱלָהֵין יִשְׂרָאֵל: אֲרֵי רָב אַתְּ קֳדָם יְיָ וְעִם גֻּבְרַיָּא, וִיכֵילְתָּא. ל וּשְׁאֵיל יַעֲקוֹב, וַאֲמַר חַו כְּעַן שְׁמָךְ, וַאֲמַר, לְמָא דְּנָן אַתְּ שָׁאֵיל לִשְׁמִי; וּבָרֵיךְ יָתֵיהּ, תַּמָּן. לא וּקְרָא יַעֲקוֹב שְׁמֵיהּ דְּאַתְרָא, פְּנִיאֵל: אֲרֵי חֲזֵיתִי מַלְאֲכָא דַּייָ אַפִּין בְּאַפִּין, וְאִשְׁתֵּיזַבַת נַפְשִׁי. לב וּדְנַח לֵיהּ שִׁמְשָׁא, כַּד עֲבַר יָת פְּנוּאֵל; וְהוּא מַטְלַע, עַל יִרְכֵּיהּ. לג עַל כֵּין לָא אָכְלִין בְּנֵי יִשְׂרָאֵל יָת גִּידָא נַשְׁיָא, דְּעַל פְּתֵי יִרְכָּא, עַד, יוֹמָא הָדֵין: אֲרֵי קְרֵיב בִּפְתֵ


- Griekse tekst - Septuaginta

1anastas de laban to prôi katefilèsen tous uious autou kai tas thugateras autou kai eulogèsen autous kai apostrafeis laban apèlthen eis ton topon autou2kai iakôb apèlthen eis tèn eautou odon kai anablepsas eiden parembolèn theou parembeblèkuian kai sunèntèsan autô oi aggeloi tou theou3eipen de iakôb ènika eiden autous parembolè theou autè kai ekalesen to onoma tou topou ekeinou parembolai4apesteilen de iakôb aggelous emprosthen autou pros èsau ton adelfon autou eis gèn sèir eis chôran edôm5kai eneteilato autois legôn outôs ereite tô kuriô mou èsau outôs legei o pais sou iakôb meta laban parôkèsa kai echronisa eôs tou nun6kai egenonto moi boes kai onoi kai probata kai paides kai paidiskai kai apesteila anaggeilai tô kuriô mou èsau ina eurè o pais sou charin enantion sou7kai anestrepsan oi aggeloi pros iakôb legontes èlthomen pros ton adelfon sou èsau kai idou autos erchetai eis sunantèsin soi kai tetrakosioi andres met' autou8efobèthè de iakôb sfodra kai èporeito kai dieilen ton laon ton met' autou kai tous boas kai ta probata eis duo parembolas9kai eipen iakôb ean elthè èsau eis parembolèn mian kai ekkopsè autèn estai è parembolè è deutera eis to sôzesthai10eipen de iakôb o theos tou patros mou abraam kai o theos tou patros mou isaak kurie o eipas moi apotreche eis tèn gèn tès geneseôs sou kai eu se poièsô11ikanoutai moi apo pasès dikaiosunès kai apo pasès alètheias ès epoièsas tô paidi sou en gar tè rabdô mou diebèn ton iordanèn touton nun de gegona eis duo parembolas12exelou me ek cheiros tou adelfou mou èsau oti foboumai egô auton mèpote elthôn pataxè me kai mètera epi teknois13su de eipas kalôs eu se poièsô kai thèsô to sperma sou ôs tèn ammon tès thalassès è ouk arithmèthèsetai apo tou plèthous14kai ekoimèthè ekei tèn nukta ekeinèn kai elaben ôn eferen dôra kai exapesteilen èsau tô adelfô autou15aigas diakosias tragous eikosi probata diakosia krious eikosi16kamèlous thèlazousas kai ta paidia autôn triakonta boas tessarakonta taurous deka onous eikosi kai pôlous deka17kai edôken dia cheiros tois paisin autou poimnion kata monas eipen de tois paisin autou proporeuesthe emprosthen mou kai diastèma poieite ana meson poimnès kai poimnès18kai eneteilato tô prôtô legôn ean soi sunantèsè èsau o adelfos mou kai erôta se legôn tinos ei kai pou poreuè kai tinos tauta ta proporeuomena sou19ereis tou paidos sou iakôb dôra apestalken tô kuriô mou èsau kai idou autos opisô èmôn20kai eneteilato tô prôtô kai tô deuterô kai tô tritô kai pasi tois proporeuomenois opisô tôn poimniôn toutôn legôn kata to rèma touto lalèsate èsau en tô eurein umas auton21kai ereite idou o pais sou iakôb paraginetai opisô èmôn eipen gar exilasomai to prosôpon autou en tois dôrois tois proporeuomenois autou kai meta touto opsomai to prosôpon autou isôs gar prosdexetai to prosôpon mou22kai pareporeuonto ta dôra kata prosôpon autou autos de ekoimèthè tèn nukta ekeinèn en tè parembolè23anastas de tèn nukta ekeinèn elaben tas duo gunaikas kai tas duo paidiskas kai ta endeka paidia autou kai diebè tèn diabasin tou iabok24kai elaben autous kai diebè ton cheimarroun kai diebibasen panta ta autou25upeleifthè de iakôb monos kai epalaien anthrôpos met' autou eôs prôi26eiden de oti ou dunatai pros auton kai èpsato tou platous tou mèrou autou kai enarkèsen to platos tou mèrou iakôb en tô palaiein auton met' autou27kai eipen autô aposteilon me anebè gar o orthros o de eipen ou mè se aposteilô ean mè me eulogèsès28eipen de autô ti to onoma sou estin o de eipen iakôb29eipen de autô ou klèthèsetai eti to onoma sou iakôb alla israèl estai to onoma sou oti enischusas meta theou kai meta anthrôpôn dunatos30èrôtèsen de iakôb kai eipen anaggeilon moi to onoma sou kai eipen ina ti touto erôtas to onoma mou kai èulogèsen auton ekei31kai ekalesen iakôb to onoma tou topou ekeinou eidos theou eidon gar theon prosôpon pros prosôpon kai esôthè mou è psuchè32aneteilen de autô o èlios ènika parèlthen to eidos tou theou autos de epeskazen tô mèrô autou33eneken toutou ou mè fagôsin oi uioi israèl to neuron o enarkèsen o estin epi tou platous tou mèrou eôs tès èmeras tautès oti èpsato tou platous tou mèrou iakôb tou neurou kai enarkèsen

ΚΑΙ ᾿Ιακὼβ ἀπῆλθεν εἰς τὴν ὁδὸν ἑαυτοῦ. καὶ ἀναβλέψας εἶδε παρεμβολὴν Θεοῦ παρεμβεβληκυῖαν, καὶ συνήντησαν αὐτῷ οἱ ἄγγελοι τοῦ Θεοῦ. 2 εἶπε δὲ ᾿Ιακώβ, ἡνίκα εἶδεν αὐτούς· παρεμβολὴ Θεοῦ αὕτη· καὶ ἐκάλεσε τὸ ὄνομα τοῦ τόπου ἐκείνου Παρεμβολαί. 3 ᾿Απέστειλε δὲ ᾿Ιακὼβ ἀγγέλους ἔμπροσθεν αὐτοῦ πρὸς ῾Ησαῦ τὸν ἀδελφὸν αὐτοῦ εἰς γῆν Σηείρ, εἰς χώραν ᾿Εδώμ. 4 καὶ ἐνετείλατο αὐτοῖς λέγων· οὕτως ἐρεῖτε τῷ κυρίῳ μου ῾Ησαῦ· οὕτως λέγει ὁ παῖς σου ᾿Ιακώβ· μετὰ Λάβαν παρῴκησα, καὶ ἐχρόνισα ἕως τοῦ νῦν, 5 καὶ ἐγένοντό μοι βόες καὶ ὄνοι καὶ πρόβατα καὶ παῖδες καὶ παιδίσκαι, καὶ ἀπέστειλα ἀναγγεῖλαι τῷ κυρίῳ μου ῾Ησαῦ, ἵνα εὕρῃ ὁ παῖς σου χάριν ἐναντίον σου. 6 καὶ ἀνέστρεψαν οἱ ἄγγελοι πρὸς ᾿Ιακὼβ λέγοντες· ἤλθομεν πρὸς τὸν ἀδελφόν σου ῾Ησαῦ, καὶ ἰδοὺ αὐτὸς ἔρχεται εἰς συνάντησίν σοι καὶ τετρακόσιοι ἄνδρες μετ᾿ αὐτοῦ. 7 ἐφοβήθη δὲ ᾿Ιακὼβ σφόδρα, καὶ ἠπορεῖτο. καὶ διεῖλε τὸν λαὸν τὸν μεθ᾿ ἑαυτοῦ καὶ τοὺς βόας καὶ τὰς καμήλους καὶ τὰ πρόβατα εἰς δύο παρεμβολάς, 8 καὶ εἶπεν ᾿Ιακώβ· ἐὰν ἔλθῃ ῾Ησαῦ εἰς παρεμβολὴν μίαν καὶ κόψῃ αὐτήν, ἔσται ἡ παρεμβολὴ ἡ δευτέρα εἰς τὸ σώζεσθαι. 9 εἶπε δὲ ᾿Ιακώβ· ὁ Θεὸς τοῦ πατρός μου ῾Αβραὰμ καὶ ὁ Θεὸς τοῦ πατρός μου ᾿Ισαάκ, Κύριε σὺ ὁ εἰπών μοι, ἀπότρεχε εἰς τὴν γῆν τῆς γενέσεώς σου καὶ εὖ σε ποιήσω, 10 ἱκανούσθω μοι ἀπὸ πάσης δικαιοσύνης καὶ ἀπὸ πάσης ἀληθείας, ἧς ἐποίησας τῷ παιδί σου· ἐν γὰρ τῇ ῥάβδῳ μου ταύτῃ διέβην τὸν ᾿Ιορδάνην τοῦτον, νυνὶ δὲ γέγονα εἰς δύο παρεμβολάς. 11 ἐξελοῦ με ἐκ χειρὸς τοῦ ἀδελφοῦ μου, ἐκ χειρὸς ῾Ησαῦ, ὅτι φοβοῦμαι ἐγὼ αὐτόν, μή ποτε ἐλθὼν πατάξῃ με καὶ μητέρα ἐπὶ τέκνοις. 12 σὺ δὲ εἶπας· εὖ σε ποιήσω καὶ θήσω τὸ σπέρμα σου ὡς τὴν ἄμμον τῆς θαλάσσης, ἣ οὐκ ἀριθμηθήσεται ἀπὸ τοῦ πλήθους. 13 καὶ ἐκοιμήθη ἐκεῖ τὴν νύκτα ἐκείνην. καὶ ἔλαβεν ὧν ἔφερε δῶρα καὶ ἐξαπέστειλεν ῾Ησαῦ τῷ ἀδελφῷ αὐτοῦ, 14 αἶγας διακοσίας, τράγους εἴκοσι, πρόβατα διακόσια, κριοὺς εἴκοσι, 15 καμήλους θηλαζούσας, καὶ τὰ παιδία αὐτῶν τριάκοντα, βόας τεσσαράκοντα, ταύρους δέκα, ὄνους εἴκοσι καὶ πώλους δέκα. 16 καὶ ἔδωκεν αὐτὰ τοῖς παισὶν αὐτοῦ ποίμνιον κατὰ μόνας. εἶπε δὲ τοῖς παισὶν αὐτοῦ· προπορεύεσθε ἔμπροσθέν μου, καὶ διάστημα ποιεῖτε ἀνὰ μέσον ποίμνης καὶ ποίμνης. 17 καὶ ἐνετείλατο τῷ πρώτῳ, λέγων· ἐάν σοι συναντήσῃ ῾Ησαῦ ὁ ἀδελφός μου καὶ ἐρωτᾷ σε, λέγων· τίνος εἶ καὶ ποῦ πορεύῃ, καὶ τίνος ταῦτα τὰ προπορευόμενά σου; 18 ἐρεῖς· τοῦ παιδός σου ᾿Ιακώβ· δῶρα ἀπέσταλκε τῷ κυρίῳ μου ῾Ησαῦ, καὶ ἰδοὺ αὐτὸς ὀπίσω ἡμῶν. 19 καὶ ἐνετείλατο τῷ πρώτῳ καὶ τῷ δευτέρῳ καὶ τῷ τρίτῳ καὶ πᾶσι τοῖς προπορευομένοις ὀπίσω τῶν ποιμνίων τούτων, λέγων· κατὰ τὸ ρῆμα τοῦτο λαλήσατε ῾Ησαῦ ἐν τῷ εὑρεῖν ὑμᾶς αὐτὸν 20 καὶ ἐρεῖτε· ἰδοὺ ὁ παῖς σου ᾿Ιακὼβ παραγίνεται ὀπίσω ἡμῶν. εἶπε γάρ· ἐξιλάσομαι τὸ πρόσωπον αὐτοῦ ἐν τοῖς δώροις τοῖς προπορευομένοις αὐτοῦ, καὶ μετὰ τοῦτο ὄψομαι τὸ πρόσωπον αὐτοῦ· ἴσως γὰρ προσδέξεται τὸ πρόσωπόν μου. 21 καὶ προεπορεύετο τὰ δῶρα κατὰ πρόσωπον αὐτοῦ, αὐτὸς δὲ ἐκοιμήθη τὴν νύκτα ἐκείνην ἐν τῇ παρεμβολῇ. 22 ᾿Αναστὰς δὲ τὴν νύκτα ἐκείνην ἔλαβε τὰς δύο γυναῖκας καὶ τὰς δύο παιδίσκας καὶ τὰ ἕνδεκα παιδία αὐτοῦ καὶ διέβη τὴν διάβασιν τοῦ ᾿Ιαβώκ· 23 καὶ ἔλαβεν αὐτοὺς καὶ διέβη τὸν χειμάρρουν καὶ διεβίβασε πάντα τὰ αὐτοῦ. 24 ὑπελείφθη δὲ ᾿Ιακὼβ μόνος, καὶ ἐπάλαιεν ἄνθρωπος μετ᾿ αὐτοῦ ἕως πρωΐ. 25 εἶδε δέ, ὅτι οὐ δύναται πρὸς αὐτόν, καὶ ἥψατο τοῦ πλάτους τοῦ μηροῦ αὐτοῦ, καὶ ἐνάρκησε τὸ πλάτος τοῦ μηροῦ ᾿Ιακὼβ ἐν τῷ παλαίειν αὐτὸν μετ᾿ αὐτοῦ. 26 καὶ εἶπεν αὐτῷ· ἀπόστειλόν με· ἀνέβη γὰρ ὁ ὄρθρος. ὁ δὲ εἶπεν· οὐ μή σε ἀποστείλω, ἐὰν μή με εὐλογήσῃς. 27 εἶπε δὲ αὐτῷ· τί τὸ ὄνομά σου ἐστίν, ὁ δὲ εἶπεν· ᾿Ιακώβ. 28 καὶ εἶπεν αὐτῷ· οὐ κληθήσεται ἔτι τὸ ὄνομά σου ᾿Ιακώβ, ἀλλ᾿ ᾿Ισραὴλ ἔσται τὸ ὄνομά σου, ὅτι ἐνίσχυσας μετὰ Θεοῦ, καὶ μετ᾿ ἀνθρώπων δυνατὸς ἔσῃ. 29 ἠρώτησε δὲ ᾿Ιακὼβ καὶ εἶπεν· ἀνάγγειλόν μοι τὸ ὄνομά σου. καὶ εἶπεν· ἱνατί τοῦτο ἐρωτᾶς σὺ τὸ ὄνομά μου; καὶ εὐλόγησεν αὐτὸν ἐκεῖ. 30 καὶ ἐκάλεσεν ᾿Ιακὼβ τὸ ὄνομα τοῦ τόπου ἐκείνου, Εἶδος Θεοῦ· εἶδον γὰρ Θεὸν πρόσωπον πρὸς πρόσωπον, καὶ ἐσώθη μου ἡ ψυχή. 31 ἀνέτειλε δὲ αὐτῷ ὁ ἥλιος, ἡνίκα παρῆλθε τὸ εἶδος τοῦ Θεοῦ· αὐτὸς δέ ἐπέσκαζε τῷ μηρῷ αὐτοῦ· 32 ἕνεκεν τούτου οὐ μὴ φάγωσιν υἱοὶ ᾿Ισραὴλ τὸ νεῦρον, ὃ ἐνάρκησεν, ὅ ἐστιν ἐπὶ τοῦ πλάτους τοῦ μηροῦ, ἕως τῆς ἡμέρας ταύτης, ὅτι ἥψατο τοῦ πλάτους τοῦ μηροῦ ᾿Ιακὼβ τοῦ νεύρου, ὃ ἐνάρκησεν.


Naardense vertaling

32:1 In de ochtend recht Laban zijn schouders, kust zijn zonen en zijn dochters en zegent hen; dan gaat Laban heen en keert terug naar zijn woonplaats. Genesis 32:2 Als Jakob zijns weegs is gegaan* stuiten boden van God op hem. 32:3 Jakob zegt, met dat hij ze heeft gezien: een heel leger van God is dit!, en hij roept als naam voor dat oord uit: Machanajim,- dubbelleger! • 32:4 Dan zendt Jakob voor zijn verschijning boden uit naar Esau, zijn broer; naar het land Seïr,- harigheid, het veld van het bloedrode Edom. 32:5 Hij geeft hun een gebod en zegt: zo zult ge zeggen tot mijn heer, tot Esau: zo heeft je dienaar Jakob gezegd: bij Laban ben ik te gast geweest en achtergebleven ben ik tot nu toe; 32:6 mij gewerd os en ezel, wolvee, dienaar en slavin; ik zend bericht om dit te melden aan mijn heer, om genade te vinden in je ogen! 32:7 De boden keren terug naar Jakob en zeggen: aangekomen zijn wij bij je broer, bij Esau, die óók op weg gegaan is, jou tegemoet,- met vierhonderd man bij zich! 32:8 Dan wordt Jakob zeer bevreesd, het benauwt hem; hij verdeelt het gezelschap dat hij bij zich heeft en ook het wolvee, het ploegvee en de kamelen, in twee legers. 32:9 Hij zegt: als Esau afkomt op het ene leger en dat verslaat, zal het leger dat resteert er nog zijn om te ontsnappen! 32:10 Dan zegt Jakob: God van mijn vader Abraham, God van mijn vader Isaak,- Ene!- die tot mij hebt gezegd 'keer terug naar je land, je geboortegrond, ik zal het goed met je maken!'- 32:11 te klein ben ik voor alle bewijzen van vriendschap en alle trouw die gij hebt bewezen aan uw dienaar; want met slechts mijn stok bij me ben ik deze Jordaan overgestoken en nu ben ik geworden tot twee legers!- 32:12 red mij toch uit de hand van mijn broer, uit de hand van Esau want ik ben bevreesd voor hem, dat hij komt en mij verslaat, moeders en zonen erbij; 32:13 zelf hebt gij gezegd: 'goed, heel goed zal ik het met je maken; je zaad zal ik maken als het zand van de zee, dat niet te tellen is zo veel!' 32:14 Dáár overnacht hij die nacht; dan neemt hij uit wat hem in handen is gekomen een broodgift voor zijn broer Esau: 32:15 tweehonderd geiten en twintig bokken; tweehonderd ooien en twintig rammen; 32:16 dertig zogende kamelinnen met haar jongen; veertig vaarzen en een tiental varren, twintig ezelinnen en tien ezelsveulens! 32:17 Hij geeft ze zijn dienaars in handen, kudde bij kudde apart, hij zegt tot zijn dienaars: steekt over, voor mijn aanschijn uit en houdt ruimte tussen kudde en kudde! 32:18 Hij geeft de koploper een gebod en zegt: wanneer Esau, mijn broer, jou aantreft en je ondervraagt en zegt 'van wie ben je en waar ga je heen, en van wie zijn al deze vóór je aanschijn?'- 32:19 zeggen zul je dan: van uw dienaar, van Jakob; een broodgift is dat, gezonden aan mijn heer, aan Esau; en zie, zelf is hij hier óók, achter ons! 32:20 Hij gebiedt dit ook de tweede, ook de derde, ook allen die meegaan achter de kudden aan, en zegt: in deze bewoording zult ge het woord richten tot Esau wanneer ge hem hebt gevonden; 32:21 zeggen zult ge: ook is hier uw dienaar Jakob, achter ons!- want, zei hij: laat ik zijn aanschijn verzoenen door de broodgift die voor mijn aanschijn uitgaat; dáárna durf ik zijn aanschijn aan te zien,- misschien zal hij zijn aanschijn ópheffen! 32:22 Zo maakt de broodgift voor zijn aanschijn uit de oversteek, terwijl hij die nacht overnacht in het legerkamp. 32:23 Dan staat hij in die nacht op, neemt mee zijn twee vrouwen en zijn twee slavinnen en zijn elf geborenen,- en steekt de oversteek van de Jabok* over. 32:24 Hij neemt ze mee en laat ze de beek oversteken; wat hem toebehoort laat hij oversteken. 32:25 Jakob blijft alléén achter; dan worstelt een man met hem totdat het morgenrood opklimt. 32:26 Als hij ziet dat hij geen overmacht op hem heeft raakt hij hem in de holte van zijn heup; zo wordt de holte van Jakobs heup ontwricht in zijn worsteling met hem. 32:27 Hij zegt: laat me los, want het morgenrood is opgeklommen; hij zegt: ik laat je niet los tenzij je me zegent! 32:28 Hij zegt tot hem: hoe is je naam?- en hij zegt 'Jakob',- hij licht de hiel! 32:29 Hij zegt: niet 'Jakob',- hij licht de hiel, zal nog worden gezegd als je naam, maar 'Israël',- vechter met God!- want gevochten héb je, met God en met mensen en je hebt overmocht! 32:30 Dan stelt Jakob een vraag en zegt: meld mij toch je naam! Hij zegt: waarom eigenlijk vraag je naar mijn naam!- hij zegent hem daar. 32:31 Jakob roept als naam voor het oord uit 'Peniël',- aanschijn van God, 'omdat ik God heb gezien van aanschijn tot aanschijn en mijn ziel is gered!' 32:32 Dan gaat de zon over hem stralen zodra hij Penoeël is doorgestoken; maar hij loopt voortaan mank, om zijn heup. 32:33 Dáárom eten de zonen Israëls nooit de spanspier die over de holte van de heup loopt,- tot op deze dag; omdat hij de holte van Jakobs heup, de spanspier, heeft geraakt.


- Vulgata

1 Iacob quoque abiit itinere quo coeperat fueruntque ei obviam angeli Dei 2 quos cum vidisset ait castra Dei sunt haec et appellavit nomen loci illius Manaim id est Castra 3 misit autem et nuntios ante se ad Esau fratrem suum in terram Seir regionis Edom 4 praecepitque eis dicens sic loquimini domino meo Esau haec dicit frater tuus Iacob apud Laban peregrinatus sum et fui usque in praesentem diem 5 habeo boves et asinos oves et servos atque ancillas mittoque nunc legationem ad dominum meum ut inveniam gratiam in conspectu tuo 6 reversi sunt nuntii ad Iacob dicentes venimus ad Esau fratrem tuum et ecce properat in occursum tibi cum quadringentis viris 7 timuit Iacob valde et perterritus divisit populum qui secum erat greges quoque et oves et boves et camelos in duas turmas 8 dicens si venerit Esau ad unam turmam et percusserit eam alia turma quae reliqua est salvabitur 9 dixitque Iacob Deus patris mei Abraham et Deus patris mei Isaac Domine qui dixisti mihi revertere in terram tuam et in locum nativitatis tuae et benefaciam tibi 10 minor sum cunctis miserationibus et veritate quam explesti servo tuo in baculo meo transivi Iordanem istum et nunc cum duabus turmis regredior 11 erue me de manu fratris mei de manu Esau quia valde eum timeo ne forte veniens percutiat matrem cum filiis 12 tu locutus es quod bene mihi faceres et dilatares semen meum sicut harenam maris quae prae multitudine numerari non potest 13 cumque dormisset ibi nocte illa separavit de his quae habebat munera Esau fratri suo 14 capras ducentas hircos viginti oves ducentas arietes viginti 15 camelos fetas cum pullis suis triginta vaccas quadraginta et tauros viginti asinas viginti et pullos earum decem 16 et misit per manus servorum suorum singulos seorsum greges dixitque pueris suis antecedite me et sit spatium inter gregem et gregem 17 et praecepit priori dicens si obvium habueris Esau fratrem meum et interrogaverit te cuius es et quo vadis et cuius sunt ista quae sequeris 18 respondebis servi tui Iacob munera misit domino meo Esau ipse quoque post nos venit 19 similiter mandata dedit secundo ac tertio et cunctis qui sequebantur greges dicens hisdem verbis loquimini ad Esau cum inveneritis eum 20 et addetis ipse quoque servus tuus Iacob iter nostrum insequitur dixit enim placabo illum muneribus quae praecedunt et postea videbo forsitan propitiabitur mihi 21 praecesserunt itaque munera ante eum ipse vero mansit nocte illa in Castris 22 cumque mature surrexisset tulit duas uxores suas et totidem famulas cum undecim filiis et transivit vadum Iaboc 23 transductisque omnibus quae ad se pertinebant 24 remansit solus et ecce vir luctabatur cum eo usque mane 25 qui cum videret quod eum superare non posset tetigit nervum femoris eius et statim emarcuit 26 dixitque ad eum dimitte me iam enim ascendit aurora respondit non dimittam te nisi benedixeris mihi 27 ait ergo quod nomen est tibi respondit Iacob 28 at ille nequaquam inquit Iacob appellabitur nomen tuum sed Israhel quoniam si contra Deum fortis fuisti quanto magis contra homines praevalebis 29 interrogavit eum Iacob dic mihi quo appellaris nomine respondit cur quaeris nomen meum et benedixit ei in eodem loco 30 vocavitque Iacob nomen loci illius Phanuhel dicens vidi Deum facie ad faciem et salva facta est anima mea 31 ortusque est ei statim sol postquam transgressus est Phanuhel ipse vero claudicabat pede 32 quam ob causam non comedunt filii Israhel nervum qui emarcuit in femore Iacob usque in praesentem diem eo quod tetigerit nervum femoris eius et obstipuerit


- Statenvertaling

1 Jakob toog ook zijns weegs; en de engelen Gods ontmoetten hem. 2 En Jakob zeide, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde den naam derzelver plaats Mahanaim. 3 En Jakob zond boden uit voor zijn aangezicht tot Ezau, zijn broeder, naar het land Seir, de landstreek van Edom. 4 En hij gebood hun, zeggende: Zo zult gij zeggen tot mijn heer, tot Ezau: Zo zegt Jakob, uw knecht: Ik heb als vreemdeling gewoond bij Laban, en heb er tot nu toe vertoefd; 5 En ik heb ossen en ezelen, schapen en knechten en maagden; en ik heb gezonden om mijn heer aan te zeggen, opdat ik genade vinde in uw ogen. 6 En de boden kwamen weder tot Jakob, zeggende: Wij zijn gekomen tot uw broeder, tot Ezau; en ook trekt hij u tegemoet, en vierhonderd mannen met hem. 7 Toen vreesde Jakob zeer, en hem was bange; en hij verdeelde het volk, dat met hem was, en de schapen, en de runderen, en de kemels, in twee heiren; 8 Want hij zeide: Indien Ezau op het ene heir komt, en slaat het, zo zal het overgeblevene heir ontkomen. 9 Voorts zeide Jakob: O, God mijns vaders Abrahams, en God mijns vaders Izaks, o HEERE! Die tot mij gezegd hebt: Keer weder tot uw land, en tot uw maagschap, en Ik zal wel bij u doen! 10 Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden! 11 Ruk mij toch uit mijns broeders hand, uit Ezau's hand; want ik vreze hem, dat hij niet misschien kome, en mij sla, de moeder met de zonen! 12 Gij hebt immers gezegd: Ik zal gewisselijk bij u weldoen, en Ik zal uw zaad stellen als het zand der zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden! 13 En hij vernachtte aldaar dienzelfden nacht; en hij nam van hetgeen, dat hem in zijn hand kwam, een geschenk voor Ezau zijn broeder; 14 Tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen; 15 Dertig zogende kemelinnen met haar veulens, veertig koeien en tien varren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels. 16 En hij gaf die in de hand zijner knechten, elke kudde bijzonder; en hij zeide tot zijn knechten: Gaat gijlieden door, voor mijn aangezicht, en stelt ruimte tussen kudde en tussen kudde. 17 En hij gebood de eerste, zeggende: Wanneer Ezau, mijn broeder, u ontmoeten zal, en u vragen, zeggende: Wiens zijt gij? en waarheen gaat gij? en wiens zijn deze voor uw aangezicht? 18 Zo zult gij zeggen: Dat is een geschenk van uw knecht Jakob, gezonden tot mijn heer, tot Ezau, en zie, hij zelf is ook achter ons! 19 En hij gebood ook den tweede, ook den derde, ook allen, die de kudden nagingen, zeggende: Naar ditzelfde woord zult gij spreken tot Ezau, als gij hem vinden zult. 20 En gij zult ook zeggen: Zie, uw knecht Jakob is achter ons! Want hij zeide: Ik zal zijn aangezicht verzoenen met dit geschenk, dat voor mijn aangezicht gaat, en daarna zal ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mijn aangezicht aannemen. 21 Alzo ging dat geschenk heen voor zijn aangezicht; doch hij zelf vernachtte dienzelfden nacht in het leger. 22 En hij stond op in dienzelfden nacht, en hij nam zijn twee vrouwen, en zijn twee dienstmaagden, en zijn elf kinderen, en hij toog over het veer van de Jabbok. 23 En hij nam ze, en deed hen over die beek trekken; en hij deed overtrekken hetgeen hij had. schilderij van Rembrandt Harmensz. van Rijn: Jakob worstelend met de engel » meer 24 Doch Jakob bleef alleen over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging. 25 En toen Hij zag, dat Hij hem niet overmocht, roerde Hij het gewricht zijner heup aan, zodat het gewricht van Jakobs heup verwrongen werd, als Hij met hem worstelde. 26 En Hij zeide: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent. 27 En Hij zeide tot hem: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob. 28 Toen zeide Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht. 29 En Jakob vraagde, en zeide: Geef toch Uw naam te kennen. En Hij zeide: Waarom is het, dat gij naar Mijn naam vraagt? En Hij zegende hem aldaar. 30 En Jakob noemde den naam dier plaats Pniël: Want, zeide hij ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest. 31 En de zon rees hem op, als hij door Pniël gegaan was; en hij was hinkende aan zijn heup. 32 Daarom eten de kinderen Israëls de verrukte zenuw niet, die op het gewricht der heup is, tot op dezen dag, omdat Hij het gewricht van Jakobs heup aangeroerd had, aan de verrukte zenuw.


- Willibrordvertaling

[1] De volgende ochtend kuste Laban zijn zonen en dochters vaarwel, gaf hun zijn zegen en ging naar zijn woonplaats terug. Boden en geschenken voor Esau [2] Toen Jakob zijn reis voortzette, kwamen engelen van God hem tegemoet. [3] En zodra hij die zag, zei Jakob: 'Het is hier de legerplaats* van God.' Daarom noemde hij die plaats Machanaïm. [4] En* Jakob stuurde boden voor zich uit naar zijn broer Esau in Seïr, het gebied van Edom, [5] met de opdracht: 'Dit moeten jullie mijn heer Esau zeggen: "Zo spreekt uw dienaar Jakob: Ik heb bij Laban gewoond en ben daar tot nu toe gebleven. [6] Ik bezit nu runderen, ezels en schapen, slaven en slavinnen. Ik laat u dit weten om bij mijn heer een gunstig onthaal te vinden." ' [7] Bij hun terugkeer zeiden de boden tegen Jakob: 'We zijn bij uw broer Esau geweest; hij is nu al met vierhonderd man naar u onderweg.' [8] Jakob werd bang, en in zijn angst verdeelde hij de mensen die bij hem waren, met de schapen, runderen en kamelen, in twee groepen. [9] Hij dacht: Als Esau op de ene groep afkomt en die neerslaat, dan kan de andere tenminste ontsnappen. [10] En Jakob bad: 'O God van mijn vader Abraham en God van mijn vader Isaak, de heer die tegen mij zei: "Ga terug naar uw land en uw verwanten, en Ik zal u met weldaden overladen": [11] uw dienaar is al uw gunstbewijzen en al uw blijken van trouw niet waardig. Ik had alleen maar een stok toen ik de Jordaan hier overstak, en nu ben ik tot twee groepen uitgegroeid. [12] Maar red mij nu ook uit de greep van mijn broer Esau, want ik ben bang dat hij mij verslaat, met moeder en kinderen. [13] U hebt mij toch beloofd: "Ik zal u met weldaden overladen, en uw nageslacht zal Ik zo talrijk maken als het zand aan de zee, zo talrijk dat het niet te tellen is." ' [14] En hij bracht daar de nacht door. [14] Toen nam hij uit zijn bezit geschenken voor zijn broer Esau: [15] tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd schapen en twintig rammen, [16] dertig zogende kamelen met hun jongen, veertig koeien en tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezelshengsten. [17] Hij verdeelde dit alles in afzonderlijke kudden en vertrouwde die toe aan zijn knechten, met de opdracht: 'Ga voor mij uit, maar met telkens een afstand tussen de kudden.' [18] En hij beval de voorste: 'Als je mijn broer Esau tegenkomt en hij vraagt bij wie je hoort, waarheen je gaat en van wie de dieren zijn die je voor je uitdrijft, [19] dan moet je zeggen: "Van uw dienaar Jakob; zij zijn een geschenk voor mijn heer Esau. Hijzelf komt achter ons aan." ' [20] Aan de tweede en de derde en aan iedereen die de leiding van de kudden had, gaf hij ook deze opdracht: 'Zeg Esau hetzelfde als jullie hem tegenkomen. [21] Zeg hem: "Uw dienaar Jakob komt achter ons aan." ' Want hij dacht: Ik zal hem gunstig stemmen door geschenken te sturen; als ik hem daarna onder ogen kom, zal hij mij misschien vriendelijk ontvangen. [22] Zo gingen de geschenken vooruit, terwijl hijzelf die nacht nog in het kamp bleef. Jakob worstelt met God [23] Maar tijdens die nacht stond hij op en stak met zijn twee vrouwen, zijn twee slavinnen en zijn elf kinderen de doorwaadbare plaats van de Jabbok over. [24] Toen Jakob hen met zijn bezittingen over de rivier gebracht had, [25] bleef hij alleen achter. En* een man worstelde met hem tot het aanbreken van de dageraad. [26] Toen de man merkte dat hij Jakob niet aankon, stootte hij hem bij de worsteling boven tegen de heup, zodat die ontwricht werd. [27] Daarop zei de man: 'Laat mij gaan, want de dageraad is aangebroken.' Maar hij antwoordde: 'Ik laat u niet gaan wanneer u mij niet zegent.' [28] Hij vroeg: 'Hoe is uw naam?' Hij antwoordde: 'Jakob.' [29] Toen zei hij: 'Voortaan zult u geen Jakob meer heten, maar Israël, want u hebt met God gestreden en met mensen en u hebt hen overwonnen.' [30] Jakob vroeg: 'Maak mij uw naam bekend.' Maar hij zei: 'Waarom vraagt u naar mijn naam?' Toen gaf hij hem op die plaats zijn zegen. [31] Jakob noemde die plaats Peniël; 'Want', zo zei hij, 'ik heb God gezien van aangezicht* tot aangezicht, en ik ben toch in leven gebleven.' [32] De zon ging op, zodra hij Peniël voorbij was. En Jakob bleef mank aan zijn heup. [33] Vandaar dat de Israëlieten tot op de dag van vandaag de spier die boven aan de heup ligt niet* eten, omdat God Jakob boven tegen de heup, tegen de spier van het heupgewricht had gestoten.


- De Nieuwe Bijbelvertaling

[1] De volgende morgen vroeg kuste Laban zijn kleinkinderen en zijn dochters, en zegende hen. Daarna ging hij terug naar huis.* Jakob oog in oog met Esau [2] Jakob trok verder. Plotseling verschenen er engelen van God op zijn weg. [3] 'Een leger van God!' riep Jakob uit toen hij hen zag, en hij noemde die plaats Machanaïm.* [4] Jakob stuurde boden vooruit naar zijn broer Esau in Seïr, het gebied van Edom, [5] en droeg hun het volgende op: 'Jullie moeten tegen mijn heer, tegen Esau, zeggen: "Uw dienaar Jakob laat u weten dat hij een tijdlang bij Laban heeft gewoond en pas nu bij hem is weggegaan. [6] Hij heeft daar runderen, ezels en schapen en geiten in bezit gekregen, en ook slaven en slavinnen. Deze boodschap laat hij aan u, zijn heer, overbrengen in de hoop dat u hem goedgezind zult zijn."' [7] Toen de boden bij Jakob terugkwamen, meldden ze hem: 'We zijn bij uw broer Esau geweest, en hij komt u tegemoet, met vierhonderd man.' [8] Jakob schrok hevig, het angstzweet brak hem uit. Daarom verdeelde hij zijn mensen over twee kampen, evenals zijn schapen en geiten en zijn runderen en kamelen. [9] Als Esau op het ene kamp afkomt en daar alles doodt, dacht hij, kan het andere kamp tenminste nog ontkomen. [10] En hij bad: 'God van mijn voorvader Abraham, God van mijn vader Isaak, HEER, die tegen mij gezegd heeft: "Ga terug naar je land, naar je familie, ik zal jou voorspoed geven" – [11] ik ben alle weldaden en al de trouw die u aan mij, uw dienaar, bewezen hebt niet waard. Met alleen mijn stok ben ik indertijd de Jordaan hier overgestoken, en nu kan ik mijn mensen zelfs over twee kampen verdelen. [12] Ik smeek u, red mij uit de handen van Esau, mijn broer, ik vrees dat hij ons zal aanvallen en mij en iedereen zal doden, ook de kinderen en hun moeders. [13] U hebt immers zelf gezegd: "Ik zal jou grote voorspoed geven en veel nakomelingen, ze zullen zo talrijk zijn als zandkorrels aan de zee – niet te tellen zullen ze zijn."' [14] Nadat Jakob de nacht daar had doorgebracht, stelde hij uit het vee dat hij bezat een geschenk voor zijn broer Esau samen: [15] tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen, [16] dertig nog zogende kamelen met hun veulens, veertig koeien, tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezelshengsten. [17] Elk van die kudden stelde hij onder het toezicht van een knecht, en hij gaf de knechten opdracht om voor hem uit te trekken en tussen de verschillende kudden een ruime afstand te laten. [18] Tegen de eerste knecht zei hij: 'Als je mijn broer Esau tegenkomt en hij vraagt je bij wie je hoort en waar je heen gaat, en van wie de dieren zijn die je voor je uit drijft, [19] dan moet je zeggen: "Ik hoor bij uw dienaar Jakob, en dit is een geschenk dat bestemd is voor zijn heer, voor Esau. Jakob zelf komt achter ons aan."' [20] Ook de tweede en de derde knecht en alle verdere knechten die hij met de kudden meestuurde droeg hij dit op. 'Jullie moeten precies hetzelfde tegen Esau zeggen als jullie hem tegenkomen,' zei hij. [21] 'En vergeet vooral niet te zeggen: "Uw dienaar Jakob zelf komt achter ons aan."' Hij dacht namelijk: Ik zal proberen Esau mild te stemmen met het geschenk dat ik vooruitstuur; pas daarna durf ik hem zelf onder ogen te komen, misschien is hij dan bereid mij welwillend te ontvangen. [22] Zo ging het geschenk voor hem uit, maar zelf bleef hij die nacht nog in het tentenkamp. [23] Het was nog nacht toen Jakob opstond en de Jabbok overstak op een doorwaadbare plaats, samen met zijn beide vrouwen, zijn twee bijvrouwen en zijn elf kinderen. [24] Nadat hij hen over de rivier had geholpen, bracht hij ook al zijn bezittingen naar de overkant. [25] Maar zelf bleef hij achter, helemaal alleen, en er worstelde iemand met hem totdat de dag aanbrak. [26] Toen de ander zag dat hij het niet van hem kon winnen, raakte hij Jakobs heup aan, en daardoor raakte Jakobs heup tijdens die worsteling ontwricht. [27] Toen zei de ander: 'Laat mij gaan, het wordt al dag.' Maar Jakob zei: 'Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent.' [28] De ander vroeg: 'Hoe luidt je naam?' 'Jakob,' antwoordde hij. [29] Daarop zei hij: 'Voortaan zal je naam niet Jakob zijn maar Israël, want je hebt met God en mensen gestreden en je hebt gewonnen.' [30] Jakob vroeg: 'Zeg me toch hoe u heet.' Maar hij kreeg ten antwoord: 'Waarom vraag je naar mijn naam?' Toen zegende die ander hem daar. [31] Jakob noemde die plaats Peniël, 'want,' zei hij, 'ik heb oog in oog gestaan met God en ben toch in leven gebleven.' [32] Zodra hij bij Peniël was overgestoken, zag hij de zon opkomen. Jakob liep mank. [33] Omdat de ander hem had aangeraakt bij de spier die boven het heupgewricht ligt, eten de Israëlieten de heupspier niet, tot op de dag van vandaag.


- De Naardense bijbel


- Bible de Jérusalem


- King James Bible


- Luther Bibel


- Arabisch

واما يعقوب فمضى في طريقه ولاقاه ملائكة الله. .1 وقال يعقوب اذ رآهم هذا جيش الله. فدعا اسم ذلك المكان محنايم .2 وارسل يعقوب رسلا قدامه الى عيسو اخيه الى ارض سعير بلاد ادوم. .3 وامرهم قائلا هكذا تقولون لسيدي عيسو. هكذا قال عبدك يعقوب. تغربت عند لابان ولبثت الى الآن. .4 وقد صار لي بقر وحمير وغنم وعبيد واماء. وارسلت لاخبر سيدي لكي اجد نعمة في عينيك .5 فرجع الرسل الى يعقوب قائلين أتينا الى اخيك الى عيسو. وهو ايضا قادم للقائك واربع مئة رجل معه. .6 فخاف يعقوب جدا وضاق به الامر. فقسم القوم الذين معه والغنم والبقر والجمال الى جيشين. .7 وقال ان جاء عيسو الى الجيش الواحد وضربه يكون الجيش الباقي ناجيا .8 وقال يعقوب يا اله ابي ابراهيم واله ابي اسحق الرب الذي قال لي ارجع الى ارضك والى عشيرتك فاحسن اليك. .9 صغير انا عن جميع الطافك وجميع الامانة التي صنعت الى عبدك. فاني بعصاي عبرت هذا الاردن والآن قد صرت جيشين. .10 نجّني من يد اخي من يد عيسو. لاني خائف منه ان يأتي ويضربني الام مع البنين. .11 وانت قد قلت اني احسن اليك واجعل نسلك كرمل البحر الذي لا يعدّ للكثرة .12 وبات هناك تلك الليلة واخذ مما اتى بيده هدية لعيسو اخيه. .13 مئتي عنز وعشرين تيسا مئتي نعجة وعشرين كبشا .14 ثلاثين ناقة مرضعة واولادها اربعين بقرة وعشرة ثيران عشرين اتانا وعشرة حمير. .15 ودفعها الى يد عبيده قطيعا قطيعا على حدة. وقال لعبيده اجتازوا قدّامي واجعلوا فسحة بين قطيع وقطيع. .16 وامر الاول قائلا اذا صادفك عيسو اخي وسألك قائلا لمن انت والى اين تذهب ولمن هذا الذي قدامك .17 تقول لعبدك يعقوب. هو هدية مرسلة لسيدي عيسو. وها هو ايضا وراءنا. .18 وامر ايضا الثاني والثالث وجميع السائرين وراء القطعان قائلا بمثل هذا الكلام تكلّمون عيسو حينما تجدونه. .19 وتقولون هوذا عبدك يعقوب ايضا وراءنا. لانه قال استعطف وجهه بالهدية السائرة امامي وبعد ذلك انظر وجهه. عسى ان يرفع وجهي. .20 فاجتازت الهدية قدامه. واما هو فبات تلك الليلة في المحلّة .21 ثم قام في تلك الليلة واخذ امرأتيه وجاريتيه واولاده الاحد عشر وعبر مخاضة يبّوق. .22 اخذهم واجازهم الوادي واجاز ما كان له. .23 فبقي يعقوب وحده. وصارعه انسان حتى طلوع الفجر. .24 ولما رأى انه لا يقدر عليه ضرب حقّ فخذه. فانخلع حقّ فخذ يعقوب في مصارعته معه. .25 وقال اطلقني لانه قد طلع الفجر. فقال لا اطلقك ان لم تباركني. .26 فقال له ما اسمك. فقال يعقوب. .27 فقال لا يدعى اسمك في ما بعد يعقوب بل اسرائيل. لانك جاهدت مع الله والناس وقدرت. .28 وسأل يعقوب وقال اخبرني باسمك. فقال لماذا تسأل عن اسمي. وباركه هناك .29 فدعا يعقوب اسم المكان فنيئيل. قائلا لاني نظرت الله وجها لوجه ونجّيت نفسي. .30 واشرقت له الشمس اذ عبر فنوئيل وهو يخمع على فخذه. .31 لذلك لا يأكل بنو اسرائيل عرق النّسا الذي على حقّ الفخذ الى هذا اليوم. لانه ضرب حقّ فخذ يعقوب على عرق النّسا .32


- Structuur


- Taalgebruik

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- Commentaar


Christophe Brabant en Marianne Moyaert (red.) , Worstelen met het woord . Tegendraadse bijbellezingen van Christophe Kapellen , Pelckmans , 2009 ; p. 141-155

' De kinderen in haar lichaam botsten hard tegen elkaar' (Gen 25,22) .

Rebekka's worsteling ANYA TOPOLSKI

Rebekka's verhaal herlezen als een manier om met geloof te worstelen .

Mijn ouders waren holocaustoverlevers, die in 1968 het Communistische Polen onder dwang ontvluchtten. Wat mijn familie heeft meegemaakt heeft diepe wonden geslagen in het hart van mijn ouders en grootouders: ze zijn getekend door angst. Maar ik laat niet toe dat die angst ook mijn leven gaat bepalen. Integendeel zelfs, ik heb ervoor gekozen als praktiserende joodse door het leven te gaan, hoewel die keuze in het licht van mijn (familie)geschiedenis allesbehalve evident was. Ook al is deze keuze niet altijd vanzelfsprekend toch beschouw ik het als een geluk als joodse geboren te zijn. Ik heb leren houden van de joodse geloofspraktijk, van haar rituelen, haar geschriften en haar streven naar wijsheid. Deze traditie is een verrijking voor mijn leven en een bron van vreugde. Joods-zijn geeft kleur aan de kleine en grote gebeurtenissen van mijn leven. Zo verandert het ritueel van de Kabbalat Shabbat (het avondmaal waarmee de sabbat begint op vrijdagavond) een gewone maaltijd in een vierend samenzijn van familie en vrienden. De joodse rituelen bieden mij de tijd en ruimte om de schoonheid en zegeningen van mijn leven te erkennen. Dit kan misschien wat vreemd klinken, maar ik heb ook het gevoel dat mijn karakter past bij wat het betekent joods te zijn. Ik heb de neiging om altijd vragen te stellen, om tegen te spreken en te discussiëren, en vooral om gezag te bevragen en gemakkelijke antwoorden af te wijzen. Was ik niet geboren als joodse, geroepen om de wereld en G-d uit te dagen, dan zou ik misschien alle godsdienstigheid allang opgegeven hebben. Dit zou voor mijn leven alvast een verarming betekenen.
Maar de belangrijkste reden waarom ik het jodendom heb omarmd, is dat geloven binnen deze traditie gedacht wordt als een worsteling. Het is alsof de worsteling de onuitgesproken wortel van alle joodse rituelen en wetten is. Dit worstelen kan veel vormen aannemen. We worden verondersteld te worstelen met onszelf, met anderen en met G-d. Boven alles wordt van ons verwacht dat we de strijd aanbinden met elke vorm van onrechtvaardigheid, ongeacht of het nu gaat om kleine of grote vormen van onrecht. Onrecht is onrecht. Misschien is dat wel de reden waarom het voor niet-joden soms lijkt alsof joden over 'alles' vallen.
In deze bijdrage bind ik de strijd aan met één bijzondere vorm van onrecht. Meer bepaald wil ik mij buigen over de neiging van de joodse traditie om de rol van vrouwen te minimaliseren. Ik besteed daarbij vooral aandacht aan een van de tekstuele wortels van dit onrecht. In het bijzonder zal ik het verhaal van Rebekka herlezen. In de joodse traditie wordt Jakob, een van de twee zonen van Rebekka, geïdentificeerd met de geloofsworsteling (de betekenis van de naam Israël zoals hij door de engel genoemd wordt). Een hernieuwde lezing van het verhaal van Rebbeka maakt echter duidelijk dat niet enkel Jakob, maar ook Rebbeka een belangrijke inspiratiebron is voor wat het betekent Joods te zijn en te worstelen met man/vrouw en G-d. Ik wil aantonen dat de centrale notie van de worsteling verrijkt kan worden wanneer we ook de ervaring van vrouwen zoals Rebekka erkennen.

Het jodendom en Jakob: 'want je hebt met G-d en mensen gestreden en je hebt gewonnen' (Gen 32,29).

Alvorens mij tot Rebbeka te wenden, wil ik eerst kort stilstaan bij het belang van 'naamgeving' in de joodse traditie. In de Thora bepalen namen wie mensen zijn en zullen zijn (bv. Abram/Abraham). Een naam houdt altijd een roeping in. Dit wordt op eminente wijze geïllustreerd in het verhaal van Jakobs nachtelijke worsteling met de vreemde. Wanneer Jakob het land Kanaän nadert waar hij zijn broer Esau na vele jaren opnieuw zal ontmoeten, is hij in de greep van vrees. Aangespoord door Rebekka heeft hij Esau's geboorterecht én zegen 'afgenomen' (Gen 27,36). Jakob heeft misbruik gemaakt van de zwakheid van Esau's karakter, met name van het feit dat hij zich laat leiden door zijn driften. Zijn vrees voor Esau's wraak is dan ook terecht. Daar komt nog bij dat Esau een hele legerschare verzameld heeft. Tijdens de nacht voor hun ontmoeting bidt Jakob om vrede. Terwijl hij in gebed verzonken is, wordt hij overvallen door een onbekende - 'iemand' volgens Genesis 32,25, een engel volgens Hosea 12,4 en volgens de midrasj-traditie is het Esau zelf die hem belaagt. Wat er ook van zij, Jakob worstelt met deze onbekende en weigert zich gewonnen te geven. Hij eist door de vreemde gezegend te worden:

Toen zei de ander: 'Laat mij gaan, het wordt al dag.' Maar Jakob zei: 'Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent.' De ander vroeg: 'Hoe luidt je naam?' 'Jakob' antwoordde hij. Daarop zei hij: 'Voortaan zal je naam niet Jakob zijn maar Israël, want je hebt met G-d en mensen gestreden en je hebt gewonnen' (Gen 32,27-29).

Volgens Jonathan Sacks, opperrabbijn van Engeland: is dit het moment waarop het Joodse volk zijn naam ontvangt. Het had niet onverwachter of mysterieuzer gekund. Jakob staat op het punt om zijn broer Esau, die hij in geen twintig jaar gezien heeft en die gezworen heeft hem te doden, terug te zien. Alleen en bang wordt hij aan het eind van de nacht door een anonieme vreemde aangevallen. Ze worstelen. De tijd verstrijkt. Het morgengloren breekt aan. En zo ontvangt het volk Israël zijn naam, bij uitstek een van de meest vreemde en meest bekljvende ervaringen in de religieuze geschiedenis van de mensheid. ... Jakob worstelt, zoals zijn afstammelingen - de kinderen van Israël - blijven worstelen met een wereld die ons geen vrede gunt. En toch geeft Jakob niet op en wordt hij niet verslagen. Zijn grootste religieuze ervaring doet hij op wanneer hij alleen is, in de nacht en ver van huis. Jakob worstelt met de engel en met innerlijke verscheurdheid en zegt: 'Ik laat je niet gaan, zolang je mij niet zegent.' Dat is de manier waarop hij de hoop van de ondergang redt - zoals Joden altijd gedaan hebben. Hun duisterste nachten zijn altijd het voorspel geweest van de creatiefste gloren (C&C Vayishlach 5769). Het jodendom is geen hiërarchische gezagstraditie. Gezag wordt verworven door studie en ervaring. Dit geldt zeker ook voor Jonathan Sacks die zowel een uitmuntende rabbi als filosoof is. Hoewel zijn commentaar niet dwingend is, ben ik ervan overtuigd dat hij de essentie vat van het verband tussen Jakob, de worsteling en de joodse identiteit. Behoren tot de kinderen van Israël, gerekend worden tot Jakobs afstammelingen, is strijden voor vrede en gerechtigheid en dit betekent worstelen met G-d, medemens en wereld (tikkun olam). En die strijd moet voortgezet worden tegen alle verwachtingen in. Het wezen van het joods geloof bestaat erin om zich niet neer te leggen bij hoe de wereld is zolang die niet is zoals ze behoort te zijn. Het jodendom wacht niet op een verre toekomst waarin gerechtigheid bewaarheid zal worden. Er moet hier en nu reeds geijverd worden voor rechtvaardigheid. Dat is de betekenis van het verhaal van Jakob, dat meteen ook de eigenheid van de joodse traditie verwoordt.

Jodendom en vrouwen

Wie op sabbat door een orthodoxe joodse gemeenschap wandelt, zal wellicht getroffen worden door de scheiding tussen mannen en vrouwen. Op heilige dagen zal men zelden vrouwen van en naar de synagoge zien wandelen. Ze blijven thuis of in elk geval uit het zicht. Veel joden worstelen met de vraag wat de plaats is van vrouwen in de joodse gemeenschap. In niet-orthodoxe middens worden joodse vrouwen vandaag na veel jaren strijd, theoretisch althans, gelijkwaardig behandeld. In niet-orthodoxe kringen kunnen vrouwen aangesteld worden als rabbi. Dit vrij recente fenomeen blijft echter uitzonderlijk. Het treft de kern van de joodse orthodoxe traditie niet. De orthodoxe tak van het jodendom aanvaardt deze gelijkbehandeling niet en zweert bij de patriarchale cultuur. Dergelijke behandeling van man en vrouw geldt daar als niet-orthodox of om het met een joods gevoel voor humor te zeggen als niet-kosher. Een ander voorbeeld dat de scheefgetrokken verhouding tussen mannen en vrouwen typeert, is de wijze waarop jongens en meisjes opgenomen worden in het joodse verbond. Jongens, zoals de Thora het voorschrijft, hebben de bris en een bar mitswa. Voor de meisjes bestaat een naamgevingsritueel dat geen enkele Bijbelse basis heeft. Maar er bestaat, in orthodoxe kringen althans, geen ritueel voor meisjes dat hen als dochters van het verbond erkent. Dat bestaat enkel voor jongens. Enkel in niet-orthodoxe kringen bestaat er voor meisjes een bat mitswa. Maar dat geldt binnen het orthodoxe jodendom als niet-orthodox. Zelf reken ik mij niet tot de orthodoxe strekking. Feit is evenwel dat de orthodoxe joden zeer zichtbaar en herkenbaar zijn en daardoor wellicht vaak geïdentificeerd worden met het jodendom, terwijl er eigenlijk niet zoiets bestaat als het jodendom. Dit is zeker zo binnen de christelijke (Europese) wereld waar het orthodoxe jodendom doorgaans als normatief wordt beschouwd (waarschijnlijk is dat zo omdat orthodoxe joden het gemakkelijkst te definiëren en dus te begrijpen zijn, misschien ook omdat het orthodoxe jodendom het meeste lijkt op het christendom). In termen van economie, politiek, zichtbaarheid en publiciteit is de orthodoxe strekking in elk geval de dominante stem binnen het jodendom. En dat terwijl ze met minder zijn dan de niet- orthodoxe joden. Maar aantal of grootte is niet altijd evenredig met het gewicht of het belang (denk maar aan het verhaal van David en Goliat). Als het jodendom inderdaad een rechtvaardig geloof wil zijn, dan zal het mijns inziens de onrechtvaardige verhouding tussen mannen en vrouwen moeten aanpakken. Het lijdt geen twijfel dat vrouwen wel degelijk een belangrijke rol in het jodendom gespeeld hebben. Maar dit wordt niet of toch onvoldoende erkend. Vrouwen krijgen niet de waardering die zij verdienen. Ze krijgen een tweederangsrol toebedeeld. Terwijl het soms de vrouwen zijn die de heldinnen zijn van Bijbelse verhalen, worden hun mannen of vaders in hun plaats geprezen en herinnerd. (In dit perspectief heeft het me overigens altijd verbaasd dat de bepaling van het jood-zijn wel gebeurt op basis van de afstamming van de moeder). Hoe dan ook is het gevolg dat joodse vrouwen niet enkel uitgesloten worden binnen het ruimere publieke domein, maar ook binnen de meer particuliere publieke ruimte van de joodse gemeenschap. In wezen is de ongelijke behandeling van mannen en vrouwen terug te voeren op één groot probleem: de patriarchale Bijbellezing die de rol en het belang van de vrouwen voor de Joodse traditie steevast minimaliseert of zelfs negeert. De hedendaagse strijd voor gelijkheid in niet-orthodoxe milieus kan er nooit toe leiden dat de onrechtvaardigheid van 5769 jaar van patriarchale Bijbellezing ongedaan wordt gemaakt. Maar deze strijd claimt dat het vanaf nu anders moet, zonder het verleden te ontkennen. Zolang de patriarchale Bijbellezing niet aangepakt wordt, is de strijd voor de gelijkwaardigheid van de vrouw in het jodendom niet ten einde. Om de onrechtvaardige behandeling van vrouwen aan te pakken, stel ik daarom voor terug te keren naar de tekstuele wortels ervan. Door terug te keren naar de Thora, de kern van het jodendom, wil ik een nieuwe manier bepleiten waarop het jodendom omgaat met de traditie van worstelen met G-d en mens. Dat brengt mij bij het verhaal van Rebekka, de moeder van Jakob en de moeder van Israël.

Het verhaal van Rebekka: genealogie, huwelijk, geboorte en verantwoordelijkheid

De eerste aanwijzing die de lezer krijgt in de Bijbel over het belang van Rebekka is te vinden in haar genealogie (Gen 24,15). De meeste genealogieën in de Thora volgen de mannelijke lijn. De genealogie van Rebekka vermeldt naast de mannelijke lijn ook Rebekka's band met Milka, haar grootmoeder. Dat kan een detail lijken, maar volgens de methode van de midrasj zijn het precies dit soort details die te denken geven. Waarom wordt hier verwezen naar de grootmoeder van Rebekka? Dit is nooit eerder gebeurd. Het verhaal lijkt er ook niet om te vragen. Ik zou willen suggereren dat dit ongewone detail wijst op het feit dat Rebekka geen gewone vrouw is: zij is een centrale figuur in het verhaal van de kinderen van Israël en de eerste aanwijzing daarvoor is de vermelding van haar verwantschap met Milka, wat 'koningin' betekent. Drie andere gebeurtenissen in het verhaal die aan de ontmoeting met Isaak voorafgaan, zetten het belang van Rebekka als Bijbelse hoofdrolspeelster verder in de verf. Een eerste gebeurtenis vindt plaats wanneer Eliëzer, de dienaar die door Abraham uitgestuurd is om voor Isaak een geschikte vrouw te vinden, Rebekka ontmoet bij de bron. In tegenstelling tot wat men zou verwachten, snelt Rebekka niet naar de verwanten van haar vader om hen het nieuws te vertellen. Er wordt verteld dat ze zich naar haar moeder haast om te vertellen over de ontmoeting met de vreemdeling. Noch opmerkelijker is het feit dat Eliëzer geschenken geeft aan Rebekka's moeder. Het was nochtans de gewoonte dat hij geschenken aan de vader zou aanbieden. Tot slot krijgt Rebekka, wanneer ze haar familie verlaat om zich bij Isaak te voegen, de zegen van haar moeder en haar zus. Dergelijke 'vrouwelijke' zegeningen zijn zeldzaam in de Thora. Dat maakt ze dan ook heel bijzonder. Zo lezen we: 'Zuster van ons, wij wensen jou duizend maal tienduizend nazaten toe, en moge de stad van de vijand hun in handen vallen' (Gen 24,60). Zoals de zegen die aan Abraham wordt geschonken en die hem meer afstammelingen belooft dan sterren aan de hemel, verwijst de zegen van Rebekka naar haar kinderen (een interessante parallel gezien het vruchtbaarheidsprobleem dat in de daaropvolgende hoofdstukken volgt). Deze drie gebeurtenissen die voorafgaan aan de ontmoeting met Isaak benadrukken dat Rebbeka een uitzonderlijke vrouw is. Het is duidelijk dat zij voorbereid wordt om een cruciale rol te spelen met betrekking tot de oorsprong van het Joodse volk. Daar komt nog bij dat Rebekka de keuze krijgt - een keuze die geen enkele andere vrouw krijgt in de Thora - om zelf te beslissen of zij meegaat met de volstrekt vreemde Eliëzer om haar echtgenoot, Isaak, te ontmoeten. Ze schenkt hem uiteindelijk een groot vertrouwen (Gen 24,58). Misschien betekent dit wel dat Rebekka zich bewust is van haar goddelijke roeping, een roeping die door de patriarchale traditie toegedekt is? Laten we nu zien hoe Rebekka worstelt met die goddeljke roeping. 'De kinderen in haar lichaam botsten hard tegen elkaar. Als het zo moet gaan, dacht ze, waarom leef ik dan nog? En ze ging bij de HEER te rade (Gen 25,22). Dit vers heeft mij steeds geïntrigeerd. De klassieke uitleg van dit vers luidt dat het tegen elkaar botsen van de kinderen in Rebbeka's schoot de voorafschaduwing van de toekomstige worsteling van Jakob is. Deze uitleg minimaliseert evenwel het belang van Rebekka. Ik denk dat een andere uitleg mogelijk is, die meer recht doet aan de specifieke rol van Rebbeka in de joodse traditie en aan de bijzondere betekenis van de worsteling in haar schoot. Laat ons daartoe eerst de aandacht vestigen op de woorden die gebruikt worden om de worsteling van Jakob beschrijven. In Genesis 32,25 drukt het werkwoord vayeavek de worsteling met de vreemdeling uit. De stam van dat werkwoord verwijst naar avek wat stoffig worden betekent. Enkele verzen verder, wanneer Jakob Israël wordt (Gen 32,29), is worstelen gelinkt aan overwinning. De naam Israël betekent dus zoveel als doorzettingsvermogen hebben. Zoals Sacks uitlegt, is het duidelijk dat deze houding kenmerkend is voor de kinderen van Israël: de uitdaging om met anderen en Gd te worstelen met de vurige overtuiging te overwinnen. Wat betekent dit nu met het oog op Rebbeka? Welke zijn de overeenkomsten tussen Jakobs worstelen en de worsteling in Rebekka's schoot (Gen 25,22)? Het woord dat in dat vers gebruikt wordt is ratsats, wat vertaald kan worden als gedrang, duw, stoot, gevecht en zelfs worsteling. Dat werkwoord is echter niet hetzelfde als bij Jakob vayeavek. Rebekka en Jakob worstelen op een andere manier. Het is in dit opzicht niet juist om Rebbeka's worsteling te reduceren tot een voorafschaduwing van Jakobs worstelen. Beide personages geven een ander 'worstelend' antwoord op de uitdagingen van leven en geloof. Geen van beide moet ontkend of geminimaliseerd worden. Jood-zijn is worstelen met G-d, een worsteling die tegelijk universeel en particulier is. Jakob en Rebekka zijn beide zoals elke mens geroepen om te worstelen in hun leven. Geen enkele worsteling is met elkaar vergelijkbaar. Elke worsteling is daarom uniek. 'De kinderen in haar lichaam botsten hard tegen elkaar' (Gen 25,22). Waarom botsten ze tegen elkaar? Voelt Rebekka deze worsteling niet in haar schoot? Volgens de midrash vechten de twee broers omdat ze verschillen van aard. Om het even wanneer ze een gebedshuis of een studieverblijf voorbijkwarn, zou Jakob zich naar buiten geworsteld hebben en wanneer ze een plaats voorbijging van afgoderij zou Esau er alles voorgedaan hebben om naar buiten te komen. Ook onderling worstelden ze, ze strijden om de erfenis van twee werelden (Yalkut Shirnoni; Rashi). In feite beschrijft dit vers Rebekka's strijd. Zij is het die de strijd ervoer. Haar pijn was zo groot dat ze dacht: 'Als het zo moet gaan, waarom leef ik dan nog?' Voor alle duidelijkheid, ze voelt niet alleen fysiek de pijn. Elke zwangere vrouw kent de vrees die opkomt bij het minste kwaaltje. Rebekka moet echt negen maanden van mentale en fysieke beklemming gevoeld hebben. Daarbij kwam nog eens de immense verantwoordelijkheid als aanstaande moeder van het kind van het verbond met de Heer. Terwijl er dus een fysieke strijd zich afspeelde in haar schoot, was het ook een heel gevecht in haar hart en geest. Om die reden 'ging ze bij de HEER te rade' (Gen 25,22). Had Rebekka enig vermoeden van wat haar te wachten stond? Waarom zou ze zich tot de Heer wenden, iets wat geen enkele andere vrouw zou doen om reden van een fysiek ongemak? Voorvoelde ze dat de strijd die zich in haar afspeelde haar zou dwingen te kiezen tussen een van haar kinderen? Een keuze tussen natuur en verantwoordelijkheid. Dacht ze misschien dat het voor onenigheid zou zorgen tussen Isaak en haar? Rebekka's strijd is fysiek, emotioneel en existentieel intens. Te midden van deze inwendige strijd toont ze de moed, of de chutzpah, om zich naar G-d te keren en Hem uit te dagen. L'drosh wordt vertaald als 'raadplegen', maar betekent ook uitdagen, worstelen. Rebekka worstelt dus niet alleen met zichzelf, met anderen (wat in haar gebeurt), maar ook met G-d. Dat is wat precies aan Jakob wordt toegeschreven in Genesis 32. Rebekka vraagt om een verklaring voor haar kwelling. Ze wil achterhalen wat haar ondraaglijke zwangerschap betekent. De HEER zei tegen haar: 'Twee volken zijn er in je schoot, volken die uiteengaan nog voor je hebt gebaard. Het ene zal machtiger zijn dan het andere, de oudste zal de jongste dienen' (Gen 25,23). Meestal wordt Rebekka's vraag geïnterpreteerd als een vraag ingegeven door fysieke en emotionele zorgen. G-ds antwoord is evenwel zuiver politiek van aard. Dit doet vermoeden dat daar ook de werkelijke reden van Rebekka's vraag gezocht moet worden. Haar vraag is niet louter emotioneel of gedreven door fysieke beslommeringen. Ze wil weten wat haar rol is in de geschiedenis van Israël. G-d beseft dit. G-d vertelt haar dat ze een cruciale politieke rol zal spelen in de wording van het joodse volk, een rol die G-d aan haar toevertrouwt, en niet aan haar man. Maar wat is precies de rol die ze moet spelen? Wat wordt er van haar verwacht? Terwijl de tekst op het eerste gezicht de indruk geeft een eenduidig antwoord te verschaffen op deze vraag, is er bij nader inzien sprake van tal van dubbelzinnigheden. Een eerste dubbelzinnigheid is de afwezigheid van het woord et. Door de afwezigheid ervan kan de zin gelezen worden als 'de oudere zal de jongere dienen'. Een andere mogelijke lezing is 'de jongere zal de oudere dienen'. Het is met andere woorden niet geheel duidelijk of Jakob Esau zijn zegening ontfutselde of dat deze zegen altijd reeds voor Jacob bestemd was. Gaf G-d Rebekka, zoals vaak verondersteld wordt, een duidelijke gebod of - en dit is wat ik zou willen argumenteren - is G-ds antwoord veeleer te verstaan als een 'hermeneutische ruimte' waarbinnen Rebekka zelf moet oordelen over haar verantwoordelijkheid voor het verbond, een verantwoordelijkheid waarmee zij duidelijk worstelt? Een tweede onduidelijkheid bevestigt nogmaals dit feit. Deze onduidelijkheid in de tekst heeft betrekking op de termen ouder en jonger (respectievelijk rav en tsa'ir). In het Hebreeuws zijn deze termen niet elkaars directe tegengestelden. Eigenlijk betekent rav niet oudste, maar wel groot, leider of voornaam. Het tegendeel van tsa'ir (jongste) is bechir (oudste of eerstgeborene). Maar die term wordt niet gebruikt in dit vers. Door gebruik te maken van de termen tas'ir (jongste) en raw (leider, groot, voornaam), en niet van bechir (oudste, eerstgeborene) kunnen we vermoeden dat er een verborgen betekenis achter dit vers schuilgaat. Wat zegt de midrasj over dit vers? De midrasj verplicht ons de vraag te stellen wie nu eigenlijk de rav (leider) is. Is Esau, de oudste en eerstgeborene, de leider en is de zegen dus voor hem bestemd? Of is Jakob, de jongste zoon, bestemd om de leider te zijn en de taak van de oudste (Esau) te vervullen? Hoewel Esau de eerstgeborene is, gedraagt hij zich alsof hij niet tot leiden in staat is. Hij wordt geleid door zijn natuurlijke driften. volgens Sacks 'zijn deze vele dubbelzinnigheden niet toevallig, maar maken ze integraal deel uit van de tekst' (C&C Toldot 5767). Ze wijzen erop dat G-d Rebekka een grote verantwoordelijkheid geeft voor het verbond - G-d geeft ons allen zo'n grote verantwoordelijkheid. En Rebekka neemt die verantwoordelijkheid op en neemt zo de toekomst van het Joodse volk in haar handen. Uit G-d antwoord is niet zo duidelijk wie van haar twee zonen de verantwoordelijkheid van het verbond moet en zal erven. Rebekka moet zelf een beslissing nemen, en ze worstelt met deze verantwoordelijkheid. Ze worstelt met de druk van de verantwoordelijkheid dat zij ervoor moet zorgen dat de juiste zoon erfgenaam wordt van het verbond. Hoe kan een moeder tussen hen kiezen? Rebekka's worsteling ontkracht de suggestie dat Rebekka uit eigenbelang trachtte te bemiddelen in de onenigheid tussen haar zonen en Jakob wilde voortrekken. Zelfs als, zoals uit het verhaal blijkt, Rebekka Jakobs temperament verkiest, dan nog zal zij als moeder geen tegenslag wensen voor de ander. Rebekka wordt door G-d uitverkoren ter wille van haar gave om van al G-ds schepselen te houden en ter wille van haar juist oordeel. Dat blijkt vanaf het eerste moment dat er over haar sprake is in de Thora. Vanaf dat ogenblik 'zal Rebekka onrechtstreeks vanachter de schermen haar leiderschap uitoefenen. Net zoals G-d Abrahams dienaren naar de juiste vrouw leidde, namelijk Rebekka, zo zal zij Isaak naar Jakob leiden, de "ware" zoon en de geschikte erfgenaam'. Abraham heeft weinig vertrouwen in het oordeel van Isaak en in zijn betrokkenheid op het verbond. Om die reden zendt hij zijn dienaar uit om een bruid te vinden. Vervolgens 'test' Eliëzer het gemoed en het geduld van Rebekka voor dieren. Is zij bereid bij de bron de dieren te voeden? Isaaks voorkeur voor eten doet hem op een dier gelijken. Zijn reukzin (het laagste van de menselijke vermogens en daarom het meest dierlijke) maakt hem kwetsbaar. Rebekka helpt Jakob om de zegen te verkrijgen die voor Esau 'bedoeld' was door 'misbruik' te maken van Esau's zwakte. Maar was die wel echt voor Esau bedoeld? Ze realiseert zich dat het haar verantwoordelijkheid is om Jakob tot erfgenaam van het verbond te maken. Om die reden overtuigt ze Jakob om Esau's zegen te 'ontnemen', een daad van overtuiging die eerst en vooral duidelijk maakt dat Jakob eerder een angst-haas is en bang is om risico te lopen tenzij het succes gegarandeerd is. Ten tweede illustreert het dat Rebekka bereid is om haar verantwoordelijkheid op te nemen ten aanzien van G-d, zoals ook Abraham, en deze te laten voorgaan op haar liefde voor haar kinderen. Daarenboven moet Rebekka eens te meer te hulp schieten om Jakob aan een bruid te helpen. Wijselijk weet ze Isaak van de risico's voor het verbond te overtuigen wanneer de bruid niet uit het eigen volk afkomstig zou zijn. Dankzij haar vindt Isaak zijn plaats in de verhouding tot zijn zonen, zijn vader en het verbond. Dankzij haar wordt Jakob gedwongen de zegeningen van zijn vader te erkennen - en te verwerven; dankzij haar wordt de broedermoord voorlopig vermeden; en dankzij haar wordt Jakob uitgestuurd om de vrouw van zijn leven te vinden, een avontuur dat zijn schranderheid zal aanscherpen en hem in de juiste verhouding met zijn broer zal plaatsen. Tot slot vindt hij dankzij haar de juiste verhouding met G-d." Is het niet tragisch dat de geschiedenis ervoor gezorgd heeft dat zij vergeten is? Haar zorg voor het verbond werd overvleugeld door haar man Isaak en haar zoon Jakob. Isaak genoot het vertrouwen omdat hij de zoon is van Abraham, de patriarch en vader van Jakob. Maar Isaak zelf - al bij al genomen een eerder pathetisch figuur '~ - heeft nooit de taak of verantwoordelijkheid op zich genomen om de band levendig te houden tussen Abraham en Jakob. Het is veeleer Rebekka die deze taak op zich neemt. Rabbi Sacks vermeldt terecht dat er sprake is van een onevenwicht tussen Rebekka en Isaak. 'In hun huwelijk is Rebekka vaker de actieve partner' (C&C Chaye Sarah 5768). Een nog groter contrast tussen Isaak en Rebekka valt op wanneer we het hebben over Isaaks passiviteit gedurende de Akedah, een passiviteit die Rebekka hem nooit nadoet. Vanaf het moment van hun ontmoeting lijkt het alsof G-d de kant van Rebekka heeft gekozen in plaats van die van Isaak om de continuïteit van het verbond te verzekeren. Maar waarom belooft G-d dan het verbond met Isaak te sluiten (Gen 17,21) wanneer Rebekka de verantwoordelijkheid ervoor neemt? Dat is mijn vraag aan G-d: waarom niet erkennen wie de werkelijke heldin is van dit verhaal?

Rebekka - Moeder van het verbond

De volgende keer dat je de Thora openslaat, denk dan eens aan Rebekka. Haar verhaal, meer nog dan dat van haar man of haar zoon, belichaamt wat het betekent joods te zijn: worstelen met zichzelf, anderen en G-d én overwinnen (wat niet uitsluit dat men bij momenten ook afziet). Rebekka neemt haar leven in handen en haar verantwoordelijkheid ten aanzien van G-d door in te stemmen met het huwelijk met Isaak. Vervolgens ondergaat ze de worsteling van haar twee kinderen in haar schoot. Die brengt een worsteling in haarzelf teweeg en daarop richt ze zich tot G-d (chutzpah). Na de geboorte van haar kinderen neemt ze met al wat in haar macht ligt de verantwoordelijkheid voor het verbond op - ook al lijdt ze eronder. Enerzijds worstelt ze met de verantwoordelijkheid tegenover haar familie en anderzijds met deze tegenover G-d. En van begin tot eind worstelt Rebekka met het gegeven een vrouw te zijn van wie verwacht wordt op de achtergrond en aan de zijlijn te blijven. Deze onrechtvaardigheid wordt tot op vandaag gedeeld door vrouwen, maar daarom nog niet in dezelfde mate. Als vrouwen moeten we dubbel zo hard ijveren voor rechtvaardigheid als mannen, in het bijzonder in godsdiensten en culturen met een patriarchale structuur. Als vrouwen moeten we ijveren om gehoord te worden nog voor we zelfs maar aan de strijd voor verandering kunnen beginnen. We moeten strijden voor de strijd en dus dubbelhard knokken. Vrouwen hebben dus een grotere verantwoordelijkheid en dat maakt hun strijd en succes des te opmerkzamer. Helaas, ook onze samenleving slaagt er niet in dat te erkennen. Het leven van Rebekka is een strijd. Ze volhardt en ze overwint. Belangrijker nog, ze aanvaardt de verantwoordelijkheid jegens de wereld en G-d. Haar verhaal, meer dan enig ander, belichaamt wat het jood-zijn voor mij is. Om die reden herken ik mij in haar worsteling voor haar aandeel in de joodse geschiedenis. Niet alleen is het onrechtvaardig dat haar verhaal vergeten is, het is eveneens onrechtvaardig dat vrouwen tot op vandaag, binnen het jodendom, als een Rebekka behandeld worden. Het minste wat we vandaag kunnen doen om de ernst van haar worsteling en succes te erkennen, is het belang erkennen van zoveel vergeten vrouwelijke sleutelfiguren uit het heden en uit het verleden.

Voor wie verder wil lezen : O.S. Card, Rebekah (Women of Bereishit), New York Forge Books, 2001. A. Diamant, De rode tent, Baarn, De Kern, 1999. E. Frankel, The Five Books of Miriam: A Woman's Cornmentary on the Torah, San Francisco, Harper, 1996. L. Kass, The Beginning of Wisdom: Reading Genesis, Chicago, University of Chicago Press, 2006. C. Keller, Face of the Deep: A Theology of Becoming, Londen, Routledge, 2003. J. Sacks, Celebrating Life, Londen, Continuum, 2003. J. Sacks, Crisis and Covenant: Jewish Thought after the Holocaust, Sherman Studies of Judaism in Modern Times, Manchester, Manchester University Press, 1992. J. Sacks, From Optimism to Hope: Thoughts for the Day, Londen, Continuum, 2004. J. Sacks, A Letter in the Scroll: Understanding Our Jewish Identity and Exploring the Legacy of the World's Oldest Religion, New York, Free Press, 2000. J. Sacks, To Heal a Fractured World: The Ethics of Responsibility, New York, Schocken Books, 2005.


De worsteling van Jakob (Gn 32,23-32) .
De geschiedenis van Jakob begint in de moederschoot van zijn moeder Rebecca (Gn 25,21-26) . Zijn moeder is zwanger van een tweeling , hijzelf Jakob en zijn broer Esau . In de moederschoot boksen zij tegen elkaar op zodat de moeder zich afvraagt waarom haar dit moet overkomen (Gn 25,22) . Zij zoekt hulp en gaat naar de tempel om advies . Daar wordt haar o.a. verteld dat de oudste de jongste zal dienen . Zoals in verhalen alles mogelijk is , kan Jakob ervoor zorgen dat hij als jongste geboren wordt . Hij houdt de hiel van Esau , zijn oudste broer vast . Hij ontleent zijn naam (ja äqov) aan de hiel (âqev) van Esau die Jakob vasthield . Maar de naam ja-aqov is een werkwoordvorm van het Hebreeuwse werkwoord âqav , dat bedriegen betekent . Jakob betekent dus : hij bedriegt . Na    ar die betekenis verwijst Esau wanneer hij ontdekt dat Jakob zich de zegen van de eerstgeborene heeft toegeëigend . Hij zegt : “ Terecht heet hij Jakob , want hij heeft mij nu al tweemaal bedrogen.” (Gn 27,36) .
Jakob vlucht naar zijn oom Laban , de broer van zijn moeder Rebecca . Daar krijgt hij van 4 vrouwen 11 zonen en verwerft hij een grote kudde kleinvee . Na 20 jaar verlaat hij stiekem zijn oom Laban . Hij gaat op weg naar Kanaän . Om er te komen , moet hij door Edom , het gebied van Esau , zijn broer . Met allerlei heilwensen en geschenken via boden tracht hij zijn broer gunstig te stemmen (Gn 32,4-22) .
Alle bezittingen en dienaars van Jakob zijn de rivier Jabbok overgestoken behalve zijn vrouwen en kinderen . Tijdens de nacht staat Jakob op en laat ook zijn vrouwen en zijn kinderen de rivier oversteken . Zelf blijft hij aan de andere oever van de Jabbok alleen achter . Is hij bereid om alles , zelfs  vrouwen en kinderen op te offeren om zijn eigen vel te redden ? Hij vormt de achterhoede – hetzelfde woord als hiel (Gn 25,26) . Veronderstel dat Esau al zijn bezittingen in beslag neemt , dienaren , vrouwen en kinderen gevangen neemt of doodt , dan kan hij – Jakob – verschanst achter de veilige grens de Jabbokrivier op tijd op de vlucht slaan en ontkomen aan Esau . Vanuit het verhaal van het boksen in de moederschoot (Gn 25) weten we dat de oudste de jongste zal dienen en dat hij – Jakob – zijn broer te slim af is geweest door als laatste te komen . Hoe gaan Jakob en Esau  nu tegen elkaar opboksen en wie zal het halen ?
De auteur van Genesis houdt van woordspelingen . Hij schuwt er niet voor terug om medeklinkers van plaats te verwisselen . Zo ziet hij een verband tussen het Hebreeuwse werkwoord âqav (bedriegen) en âvaq (worstelen) . En de worsteling vind plaats aan de Jabbok (javoq) . Zo zijn de Hebreeuwse woorden Jakob – hiel – bedreigen – Jabbok en worstelen aan elkaar gelinkt . Wie Jakob zegt , heeft weet van dat netwerk van woorden .  
Tijdens die nacht wordt er geworsteld tussen ‘iemand’ en Jakob tot het ochtendgloren . Die iemand ziet dat hij Jakob niet aankan (Gn 32,26) . In Gn 32,29 zegt de ‘onbekende’  : “Jij hebt met God en mensen gestreden en jij kunt het aan.” Voor het eerst in de Jakobverhalen zien we dat Jakob in het strijdperk treedt , niet heimelijk handelt en wegvlucht maar de worsteling en strijd met iemand aanbindt . Dat leert Jakob omdat een onbekende het initiatief neemt om met hem te worstelen en te strijden . De ander stoot tegen Jakobs heupgewricht . Deze zin lijkt bijna de tegenhanger van de zin : hij hield de hiel van Esau vast (Gn 25,26) .  Vanaf de moederschoot kent Jakob de zwakke plek van Esau : hij is gemakkelijk om de tuin te leiden ; je kunt hem erin loeren . Nu ervaart Jakob dat iemand anders zijn zwakke plek kent . De ander ontwricht Jakobs heup . Dit is wellicht opnieuw een allusie op de naam van Jakob . De heup ontwrichten: jqâ kof .
Voor het eerst wordt de stilte doorbroken en komt er een dialoog in 7 deeltjes . De onbekende man neemt opnieuw het initiatief  : “zend mij want de ochtend gloort” . De man vraagt aan Jakob om hem los te laten en hem te laten gaan . De man wil de strijd staken . Wat zal Jakob doen ? Zal hij zich met geweld van de ander meester maken ? Het antwoord van Jakob is verrassend : “ik zend je niet tenzij je mij zegent.” Jakob wil de andere loslaten op voorwaarde dat hij hem zegent / goede dingen over hem zegt . Jakob toont respect voor zijn tegenstander . Hij ziet in hem het goede en beseft dat hij goede dingen zal zeggen . In plaats van overmacht vraagt Jakob bevestiging . Hierop stelt de tegenstander een vraag . Hij weet dat hij Jakob heet , wat betekent bedrieger . Ook Jakob weet dat van zichzelf . De ander stelt de vraag : wat is je naam / hoe heet je . En Jakob  antwoordt : Jakob . In de strijd met de vreemde onbekende heeft hij Jakob leren kennen als een eerlijke worstelaar , als een eerlijke strijder . Daarom komt die naam nu niet meer overeen met wat Jakob (bedreiger) is . De vreemde onbekende zegt daarom ook : jij zult voortaan niet meer Jakob genoemd worden maar Israël , want je hebt met God en mensen gestreden . Jakob krijgt een andere naam , zoals ook Abraham en Sarah een andere naam hadden gekregen . De naam Israël betekent in feite : God strijdt , maar de auteur interpreteert de naam als : “jij hebt met God en mensen gestreden.”  Israël is de naam van het volk , waarvan Jakob met zijn 12 zonen de stichter is . De ander heeft aan Jakob ‘geopenbaard’ wie hij is : een eerlijkje worstelaar met God en mensen in respect voor het anders-zijn van de ander . Hiermee wordt ook verduidelijkt wie Israël is , wat zijn ware aard , identiteit is . Je zou verwachten dat de auteur vanaf nu de naam Israël zou gebruiken , maar in Gn 32,30 blijft hij de naam Jakob gebruiken . Jakob is benieuwd wie met hem geworsteld heeft en hem een nieuwe naam heeft gegeven en vraagt : vertel me toch jouw naam (Gn 32,30) . De andere antwoordt en besluit : waarom vraag je toch naar mijn naam . Hij wil als ‘t ware zeggen : Jakob , je zou het moeten weten ; ik heb je gezegd wie jij bent , dan zou je toch kunnen weten wie ik ben . Als afscheid zegent de onbekende hem daar . Het doet denken aan de priesterlijke zegen die de hogepriester uitspreekt op het einde van een synagogedienst :  

]

“Moge de HEER u zegenen en u beschermen,

 

 

moge de HEER het licht van zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn,

 

 

moge de HEER u zijn gelaat toewenden en u vrede geven.”

Jakob noemt die plaats Peniël , dat betekent : aangezicht van God . De auteur is opnieuw zo vrij om het te interpreteren als : ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht .  Daarmee wordt de inhoud van het hele verhaal duidelijk . Israël is het volk dat worstelt met God en mensen en wiens God eveneens worstelt met zijn volk . Het is een worsteling van aangezicht tot aangezicht .
In Gn 32,32 lezen we : de zon ging voor hem op zodra hij Peniël overstak . Hier komt het Hebreeuwse werkwoord âvar (vandaar ivri , Hebreeër) tegen dat we 2X (Gn 32,23-24) bij het begin van de pericope aantroffen . Jakob is in staat de rivier over te steken en naar de andere oever te gaan waar hij Esau zal ontmoeten . Merkwaardig is wel wat staat in Gn 33, 3 : “Zelf ging hij voor hen uit… “ . Jakob speelt geen achterhoede meer die bij gevaar de vlucht kan nemen ; hij gaat nu vrouwen en kinderen vooraf en gaat zo kwetsbaar (als mankepoot) zijn broer Esau tegemoet .
28 februari 2014
Arseen De Kesel


- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q

- wajjiqërâ´(en hij riep, hij heet, hij noemde) < waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 32 (2) : (1) Gn 32,3 . (2) Gn 32,31 .

- Gn 32,31 : wajjiqërâ´ ja`äqobh sjem (en Jakob noemde een naam) . Gn 35,15 : wajjiqërâ´ ja`äqobh ´èth sjem (en Jakob noemde een naam) .
- wajjiqërâ´ (èth) sjem (en hij noemde een naam) . Tenakh (13) : (1) Gn 4,17 . (2) Gn 26,20 . (3) Gn 28,19 . (4) Gn 32,3 . (5) Ex 17,7 . (6) Nu 11,3 . (7) Nu 11,34 . (8) Nu 21,3 . (9) Joz 5,9 . (10) Re 1,17 . (11) 1 K 16,24 . (12) 2 Kr 3,17 . (13) Job 42,14 .

- R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -