GENESIS 35 - Gn 35 -- TAALGEBRUIK -- COMMENTAAR -
- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 -
- Gn 35,1-15 - Gn 35,16-29 -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Tekstuitleg vers per vers -

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -

Overzicht van Tenach : Tenach : overzicht , Tenach : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenach : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,

Gn (Genesis) : overzicht , Gn : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Gn : commentaar ,

Overzicht van Genesis : - Gn 1 - Gn 2 - Gn 3 - Gn 4 - Gn 5 - Gn 6 - Gn 7 - Gn 8 - Gn 9 - Gn 10 - Gn 11 - Gn 12 - Gn 13 - Gn 14 - Gn 15 - Gn 16 - Gn 17 - Gn 18 - Gn 19 - Gn 20 - Gn 21 - Gn 22 - Gn 23 - Gn 24 - Gn 25 - Gn 26 - Gn 27 - Gn 28 - Gn 29 - Gn 30 - Gn 31 - Gn 32 - Gn 33 - Gn 34 - Gn 35 - Gn 36 - Gn 37 - Gn 38 - Gn 39 - Gn 40 - Gn 41 - Gn 42 - Gn 43 - Gn 44 - Gn 45 - Gn 46 - Gn 47 - Gn 48 - Gn 49 - Gn 50 -
Overzicht vers per vers : - Gn 35,1 - Gn 35,2 - Gn 35,3 - Gn 35,4 - Gn 35,5 - Gn 35,6 - Gn 35,7 - Gn 35,8 - Gn 35,9 - Gn 35,10 - Gn 35,11 - Gn 35,12 - Gn 35,13 - Gn 35,14 - Gn 35,15 - Gn 35,16 - Gn 35,17 - Gn 35,18 - Gn 35,19 - Gn 35,20 - Gn 35,21 - Gn 35,22 - Gn 35,23 - Gn 35,24 - Gn 35,25 - Gn 35,26 - Gn 35,27 - Gn 35,28 - Gn 35,29 -


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
bijbelvertalingen Lexilogos De Griekse bijbel bijbelweb info-bible interBible http://www.diebibel.de/
1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat
- ´èphërâthâh (Efrata) , zie Gn 35,19 .
- rachel (Rachel) , zie Gn 35,19 .
Bibliografie
Literatuur .
Liturgisch gebruik

ALGEMEEN OVERZICHT

-
bijbeloverzicht , bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven van Paulus , Apostolische brieven .

Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën) :

Jakob te Betel : Gn 35,1-15 .


  Gn 35,1 Gn 35,2 Gn 35,3 Gn 35,4 Gn 35,5 Gn 35,6 Gn 35,7 Gn 35,8 Gn 35,9 Gn 35,10 Gn 35,11 Gn 35,12 Gn 35,13 Gn 35,14 Gn 35,15  
woorden                                
letters                                
getalwaarde                                

  Gn 35,16 Gn 35,17 Gn 35,18 Gn 35,19 Gn 35,20 Gn 35,21 Gn 35,22 Gn 35,23 Gn 35,24 Gn 35,25 Gn 35,26 Gn 35,27 Gn 35,28 Gn 35,29  
woorden                              
letters                              
getalwaarde                              

Jakob in Betel . Gn 35,1-15 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 -- Gn 35,1-15 -- Gn 35,1 - Gn 35,2 - Gn 35,3 - Gn 35,4 - Gn 35,5 - Gn 35,6 - Gn 35,7 - Gn 35,8 - Gn 35,9 - Gn 35,10 - Gn 35,11 - Gn 35,12 - Gn 35,13 - Gn 35,14 - Gn 35,15 -

Gn 35,1 - Gn 35,1 : Jakob in Betel - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 -- Gn 35,1-15 -- Gn 35,1 - Gn 35,2 - Gn 35,3 - Gn 35,4 - Gn 35,5 - Gn 35,6 - Gn 35,7 - Gn 35,8 - Gn 35,9 - Gn 35,10 - Gn 35,11 - Gn 35,12 - Gn 35,13 - Gn 35,14 - Gn 35,15 -
<
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1eipen de o theos pros iakôb anastas anabèthi eis ton topon baithèl kai oikei ekei kai poièson ekei thusiastèrion tô theô tô ofthenti soi en tô apodidraskein se apo prosôpou èsau tou adelfou sou  1 interea locutus est Deus ad Iacob surge et ascende Bethel et habita ibi facque altare Deo qui apparuit tibi quando fugiebas Esau fratrem tuum     1 Daarna zeide God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Beth-el, en woon aldaar; en maak daar een altaar dien God, Die u verscheen, toen gij vluchttet voor het aangezicht van uw broeder Ezau. [1] God zei tegen Jakob: ‘Ga naar Betel en vestig u daar. Richt er een altaar op voor de God die u verschenen is, toen u vluchtte voor uw broer Esau.’  [1] God zei tegen Jakob: ‘Ga naar Betel. Blijf daar en bouw er een altaar voor de God die daar aan jou verschenen is toen je op de vlucht was voor je broer Esau.’   1 ¶ God zegt tot Jakob: sta op, klim op naar Bet El,– huis van God en zet je daarheen; maak daar een altaar voor de God die zich aan jou heeft laten zien toen je op de vlucht was voor het aanschijn van je broer Esau! 1. Dieu dit à Jacob : Debout ! Monte à Béthel et fixe-toi là-bas. Tu y feras un autel au Dieu qui t'est apparu lorsque tu fuyais la présence de ton frère Ésaü. 

King James Bible . [1] And God said unto Jacob, Arise, go up to Bethel, and dwell there: and make there an altar unto God, that appeared unto thee when thou fleddest from the face of Esau thy brother.
Luther-Bibel . 1 Und Gott sprach zu Jakob: Mach dich auf und zieh nach Bethel und wohne daselbst und errichte dort einen Altar dem Gott, der dir erschien, als du flohst vor deinem Bruder Esau.

Tekstuitleg van Gn 35,1 .

7. - 8. be(j)th ´el (Betel) . Tenakh (39) . Gn (8) : (1) Gn 12,8 . (2) Gn 13,3 . (3) Gn 28,19 . (4) Gn 31,13 . (5) Gn 31,13 . (6) Gn 35,6 . (7) Gn 35,7 . (8) Gn 35,15 . Ook nog Tenakh (7) : (1) Gn 35,1 . (2) Re 20,18 . (3) Re 20,26 . (4) Re 20,31 . (5) Ezr 2,28. (6) Neh 7,32 . (7) Am 4,4 .

10. sj-m . sjâm (daar) OF sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17) . Structuur : 3 - 4 . Gr. onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in de Septuaginta : onoma (naam) . Stam : N ... M . Lat. nomen . Fr. nom . Ned. naam . D. Name . Eng. name . Een vorm van onoma (naam) in de LXX (1045) , in het NT (228) . Tenakh (684) . Pentateuch (190) . Eerdere Profeten (190) . Latere Profeten (136) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (145) . Gn (89) . Gn 35 (5) : (1) Gn 35,1 . (2) Gn 35,3 . (3) Gn 35,7 . (4) Gn 35,15 . (5) Gn 35,27 .

12. sj-m . sjâm (daar) OF sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17) . Structuur : 3 - 4 . Gr. onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in de Septuaginta : onoma (naam) . Stam : N ... M . Lat. nomen . Fr. nom . Ned. naam . D. Name . Eng. name . Een vorm van onoma (naam) in de LXX (1045) , in het NT (228) . Tenakh (684) . Pentateuch (190) . Eerdere Profeten (190) . Latere Profeten (136) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (145) . Gn (89) . Gn 35 (5) : (1) Gn 35,1 . (2) Gn 35,3 . (3) Gn 35,7 . (4) Gn 35,15 . (5) Gn 35,27 .

Gn 35,2 - Gn 35,2 : Jakob in Betel - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 -- Gn 35,1-15 -- Gn 35,1 - Gn 35,2 - Gn 35,3 - Gn 35,4 - Gn 35,5 - Gn 35,6 - Gn 35,7 - Gn 35,8 - Gn 35,9 - Gn 35,10 - Gn 35,11 - Gn 35,12 - Gn 35,13 - Gn 35,14 - Gn 35,15 -
<
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2eipen de iakôb tô oikô autou kai pasin tois met' autou arate tous theous tous allotrious tous meth' umôn ek mesou umôn kai katharisasthe kai allaxate tas stolas umôn  2 Iacob vero convocata omni domo sua ait abicite deos alienos qui in medio vestri sunt et mundamini ac mutate vestimenta vestra     2 Toen zeide Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uw klederen;   [2] Jakob zei toen tegen zijn familie en tegen iedereen die met hem meetrok: ‘Doe de vreemde* goden weg die jullie bij je hebben, reinig je en trek andere kleren aan.   [2] Toen zei Jakob tegen zijn familieleden en tegen alle anderen die bij hem waren: ‘Doe de vreemde goden die jullie hebben weg, reinig je en trek schone kleren aan.   2 Dan zegt Jakob tot zijn huis en tot al wie bij hem is: verwijdert de goden uit den vreemde die ge bij u hebt, reinigt u en verwisselt uw kleren:   2. Jacob dit à sa famille et à tous ceux qui étaient avec lui : Otez les dieux étrangers qui sont au milieu de vous, purifiez-vous et changez vos vêtements. 

King James Bible . [2] Then Jacob said unto his household, and to all that were with him, Put away the strange gods that are among you, and be clean, and change your garments:
Luther-Bibel . 2 Da sprach Jakob zu seinem Hause und zu allen, die mit ihm waren: Tut von euch die fremden Götter, die unter euch sind, und reinigt euch und wechselt eure Kleider,

Tekstuitleg van Gn 35,2 .

Gn 35,3 - Gn 35,3 : Jakob in Betel - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 -- Gn 35,1-15 -- Gn 35,1 - Gn 35,2 - Gn 35,3 - Gn 35,4 - Gn 35,5 - Gn 35,6 - Gn 35,7 - Gn 35,8 - Gn 35,9 - Gn 35,10 - Gn 35,11 - Gn 35,12 - Gn 35,13 - Gn 35,14 - Gn 35,15 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3kai anastantes anabômen eis baithèl kai poièsômen ekei thusiastèrion tô theô tô epakousanti moi en èmera thlipseôs os èn met' emou kai diesôsen me en tè odô è eporeuthèn  3 surgite et ascendamus in Bethel ut faciamus ibi altare Deo qui exaudivit me in die tribulationis meae et fuit socius itineris mei     3 En laat ons ons opmaken, en optrekken naar Beth-el; en ik zal daar een altaar maken dien God, Die mij antwoordt ten dage mijner benauwdheid, en met mij geweest is op den weg, die ik gewandeld heb. [3] Wij gaan naar Betel; ik wil daar een altaar oprichten voor de God die mij verhoord heeft toen ik in moeilijkheden verkeerde, en die mij beschermd heeft op mijn reis.’   [3] Laten we naar Betel gaan: daar wil ik een altaar bouwen voor de God die naar mij heeft omgezien toen ik diep in de ellende zat en die mij op mijn hele reis ter zijde heeft gestaan.’   3 we zullen opstaan en klimmen naar Bet El; ik ga daar een altaar maken voor de God die mij antwoordde ten dage van mijn angst,– en met mij is geweest op de weg die ik ben gegaan!   3. Partons et montons à Béthel ! J'y ferai un autel au Dieu qui m'a exaucé lorsque j'étais dans l'angoisse et m'a assisté dans le voyage que j'ai fait. 

King James Bible . [3] And let us arise, and go up to Bethel; and I will make there an altar unto God, who answered me in the day of my distress, and was with me in the way which I went.
Luther-Bibel . 3 und lasst uns aufbrechen und nach Bethel ziehen, dass ich dort einen Altar errichte dem Gott, der mich erhört hat zur Zeit meiner Trübsal und mit mir gewesen ist auf dem Wege, den ich gezogen bin.

Tekstuitleg van Gn 35,3 .

2. wëna`älèh (en laten we opgaan) : wë + werkwoordvorm qal cohortativus 1ste pers. mv. van het werkw. `âlâh (opgaan, opklimmen) . Taalgebruik in Tenach : `âlâh (opgaan, opklimmen) . Tenach : (1) Gn 35,3 . (2) Nu 9,21 . (3) Re 18,9 . (4) Js 2,3 . (5) Jr 6,4 . (6) Jr 6,5 . (7) Jr 31,6 . (8) Mi 4,2 .

6. sj-m . sjâm (daar) OF sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17) . Structuur : 3 - 4 . Gr. onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in de Septuaginta : onoma (naam) . Stam : N ... M . Lat. nomen . Fr. nom . Ned. naam . D. Name . Eng. name . Een vorm van onoma (naam) in de LXX (1045) , in het NT (228) . Tenakh (684) . Pentateuch (190) . Eerdere Profeten (190) . Latere Profeten (136) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (145) . Gn (89) . Gn 35 (5) : (1) Gn 35,1 . (2) Gn 35,3 . (3) Gn 35,7 . (4) Gn 35,15 . (5) Gn 35,27 .

13. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij/het was) van het werkw. hâjâh (zijn) . De getalwaarde van wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 . Totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 35 (6) : (1) Gn 35,3 . (2) Gn 35,5 . (3) Gn 35,16 . (4) Gn 35,17 . (5) Gn 35,18 . (6) Gn 35,22 .

Gn 35,4 - Gn 35,4 : Jakob in Betel - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 -- Gn 35,1-15 -- Gn 35,1 - Gn 35,2 - Gn 35,3 - Gn 35,4 - Gn 35,5 - Gn 35,6 - Gn 35,7 - Gn 35,8 - Gn 35,9 - Gn 35,10 - Gn 35,11 - Gn 35,12 - Gn 35,13 - Gn 35,14 - Gn 35,15 -
<
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4kai edôkan tô iakôb tous theous tous allotrious oi èsan en tais chersin autôn kai ta enôtia ta en tois ôsin autôn kai katekrupsen auta iakôb upo tèn tereminthon tèn en sikimois kai apôlesen auta eôs tès sèmeron èmeras  4 dederunt ergo ei omnes deos alienos quos habebant et inaures quae erant in auribus eorum at ille infodit ea subter terebinthum quae est post urbem Sychem    4 Toen gaven zij Jakob al die vreemde goden, die in hun hand waren, en de oorsierselen, die aan hun oren waren, en Jakob verborg ze onder den eikeboom, die bij Sichem is.  [4] Toen gaven zij aan Jakob al de vreemde goden die zij hadden, en ook de oorringen* die ze droegen; en Jakob, begroef alles onder de terebint bij Sichem.  [4] Ze gaven Jakob alle afgodsbeelden die ze in hun bezit hadden, en ook hun oorringen, en Jakob begroef alles onder de terebint bij Sichem.   4 Dan geven ze aan Jakob alle goden uit den vreemde in hun handen en de ringen in hun oren; en Jakob bergt ze weg onder de godseik bij Sjechem.   4. Ils donnèrent à Jacob tous les dieux étrangers qu'ils possédaient et les anneaux qu'ils portaient aux oreilles, et Jacob les enfouit sous le chêne qui est près de Sichem.  

King James Bible . [4] And they gave unto Jacob all the strange gods which were in their hand, and all their earrings which were in their ears; and Jacob hid them under the oak which was by Shechem.
Luther-Bibel . 4 Da gaben sie ihm alle fremden Götter, die in ihren Händen waren, und ihre Ohrringe, und er vergrub sie unter der Eiche, die bei Sichem stand.

Tekstuitleg van Gn 35,4 .

Gn 35,5 - Gn 35,5 : Jakob in Betel - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 -- Gn 35,1-15 -- Gn 35,1 - Gn 35,2 - Gn 35,3 - Gn 35,4 - Gn 35,5 - Gn 35,6 - Gn 35,7 - Gn 35,8 - Gn 35,9 - Gn 35,10 - Gn 35,11 - Gn 35,12 - Gn 35,13 - Gn 35,14 - Gn 35,15 -
<
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5kai exèren israèl ek sikimôn kai egeneto fobos theou epi tas poleis tas kuklô autôn kai ou katediôxan opisô tôn uiôn israèl 5 cumque profecti essent terror Dei invasit omnes per circuitum civitates et non sunt ausi persequi recedentes    5 En zij reisden heen; en Gods verschrikking was over de steden, die rondom hen waren, zodat zij de zonen van Jakob niet achterna jaagden.  [5] Toen zij opbraken, werden de steden in de omtrek door God met schrik geslagen, zodat zij de zonen van Jakob niet durfden achtervolgen.  [5] Daarna braken ze op. God joeg de inwoners van de steden in de omtrek zo’n angst aan dat ze het niet waagden Jakobs zonen te achtervolgen.   5 Als ze opbreken valt er een verlamming van God over de steden die hen omringen; die hebben niet achter de zonen van Jakob aangejaagd.  5. Ils levèrent le camp et une terreur divine tomba sur les villes d'alentour : on ne poursuivit pas les fils de Jacob. 

King James Bible . [5] And they journeyed: and the terror of God was upon the cities that were round about them, and they did not pursue after the sons of Jacob.
Luther-Bibel . 5 Und sie brachen auf. Und es kam ein Gottesschrecken über die Städte, die um sie her lagen, sodass sie den Söhnen Jakobs nicht nachjagten.

Tekstuitleg van Gn 35,5 .

2. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij/het was) van het werkw. hâjâh (zijn) . De getalwaarde van wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 . Totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 35 (6) : (1) Gn 35,3 . (2) Gn 35,5 . (3) Gn 35,16 . (4) Gn 35,17 . (5) Gn 35,18 . (6) Gn 35,22 .

Gn 35,6 - Gn 35,6 : Jakob in Betel - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 -- Gn 35,1-15 -- Gn 35,1 - Gn 35,2 - Gn 35,3 - Gn 35,4 - Gn 35,5 - Gn 35,6 - Gn 35,7 - Gn 35,8 - Gn 35,9 - Gn 35,10 - Gn 35,11 - Gn 35,12 - Gn 35,13 - Gn 35,14 - Gn 35,15 -
<
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
6èlthen de iakôb eis louza è estin en gè chanaan è estin baithèl autos kai pas o laos os èn met' autou  6 venit igitur Iacob Luzam quae est in terra Chanaan cognomento Bethel ipse et omnis populus cum eo     6 Alzo kwam Jakob te Luz, hetwelk is in het land Kanaän (dat is Beth-el), hij en al het volk, dat bij hem was.  [6] Toen Jakob met al zijn mensen in Luz, ook wel Betel genoemd, in Kanaän was aangekomen,   [6] Toen Jakob met alle mensen die met hem meetrokken in Luz was aangekomen, het huidige Betel, in Kanaän,   6 ¶ Jakob komt aan bij Loez in het land van Kanaän,– dat is Bet El,– huis van God; hij en heel de gemeenschap die met hem is.  6. Jacob arriva à Luz, au pays de Canaan, - c'est Béthel, - lui et tous les gens qu'il avait.  

King James Bible . [6] So Jacob came to Luz, which is in the land of Canaan, that is, Bethel, he and all the people that were with him.
Luther-Bibel . 6 So kam Jakob nach Lus im Lande Kanaan, das nun Bethel heißt, samt all dem Volk, das mit ihm war,

Tekstuitleg van Gn 35,6 .

8. - 9. be(j)th ´el (Betel) . Tenakh (39) . Gn (8) : (1) Gn 12,8 . (2) Gn 13,3 . (3) Gn 28,19 . (4) Gn 31,13 . (5) Gn 31,13 . (6) Gn 35,6 . (7) Gn 35,7 . (8) Gn 35,15 . Ook nog Tenakh (7) : (1) Gn 35,1 . (2) Re 20,18 . (3) Re 20,26 . (4) Re 20,31 . (5) Ezr 2,28. (6) Neh 7,32 . (7) Am 4,4 .

Gn 35,7 - Gn 35,7 : Jakob in Betel - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 -- Gn 35,1-15 -- Gn 35,1 - Gn 35,2 - Gn 35,3 - Gn 35,4 - Gn 35,5 - Gn 35,6 - Gn 35,7 - Gn 35,8 - Gn 35,9 - Gn 35,10 - Gn 35,11 - Gn 35,12 - Gn 35,13 - Gn 35,14 - Gn 35,15 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7kai ôkodomèsen ekei thusiastèrion kai ekalesen to onoma tou topou baithèl ekei gar epefanè autô o theos en tô apodidraskein auton apo prosôpou èsau tou adelfou autou  7 aedificavitque ibi altare et appellavit nomen loci Domus Dei ibi enim apparuit ei Deus cum fugeret fratrem suum     7 En hij bouwde aldaar een altaar, en noemde die plaats El Beth-el; want God was hem aldaar geopenbaard geweest, als hij voor zijns broeders aangezicht vlood.  [7] bouwde hij daar een altaar en noemde de plaats ‘God van Betel’, omdat God zich daar aan hem geopenbaard had, toen hij op de vlucht was voor zijn broer.   [7] bouwde hij er een altaar; hij noemde die plaats ‘God is in Betel’, omdat God zich daar aan hem geopenbaard had toen hij op de vlucht was voor zijn broer.   7 Daar bouwt hij een altaar en roept voor dit oord uit: El Bet El,– Godheid van Godshuis!, omdat daar de Godskrachten zich aan hem hebben onthuld toen hij op de vlucht was voor het aanschijn van zijn broer.   7. Là, il construisit un autel et appela le lieu El Béthel, car Dieu s'y était révélé à lui lorsqu'il fuyait la présence de son frère. 

King James Bible . [7] And he built there an altar, and called the place El-beth-el: because there God appeared unto him, when he fled from the face of his brother.
Luther-Bibel . 7 und er baute dort einen Altar und nannte die Stätte El-Bethel, weil Gott sich ihm daselbst offenbart hatte, als er vor seinem Bruder floh.

Tekstuitleg van Gn 35,7 .

2. sj-m . sjâm (daar) OF sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17) . Structuur : 3 - 4 . Gr. onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in de Septuaginta : onoma (naam) . Stam : N ... M . Lat. nomen . Fr. nom . Ned. naam . D. Name . Eng. name . Een vorm van onoma (naam) in de LXX (1045) , in het NT (228) . Tenakh (684) . Pentateuch (190) . Eerdere Profeten (190) . Latere Profeten (136) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (145) . Gn (89) . Gn 35 (5) : (1) Gn 35,1 . (2) Gn 35,3 . (3) Gn 35,7 . (4) Gn 35,15 . (5) Gn 35,27 .

1. - 3. וַיִּבֶן שָׁם מִזְבֵחַ = wajjibhèn sjâm mizëbeach (en hij bouwde daar een altaar) . Tenakh (6) : (1) Gn 12,7 (Abram te Sichem) . (2) Gn 12,8 (Abram tussen Betel en Ai) . (3) Gn 13,18 (Abram te Hebron) . (4) Gn 26,25 (Isaak te Berseba) . (5) Gn 35,7 (Jakob te Betel) . (6) 1 S 7,17 (Samuël te Rama) .

4. wajjiqërâ´(en hij riep, hij heet, hij noemde) < waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 35 (4) : (1) Gn 35,7 . (2) Gn 35,8 . (3) Gn 35,10 . (4) Gn 35,15 .

7. - 8. be(j)th ´el (Betel) . Tenakh (39) . Gn (8) : (1) Gn 12,8 . (2) Gn 13,3 . (3) Gn 28,19 . (4) Gn 31,13 . (5) Gn 31,13 . (6) Gn 35,6 . (7) Gn 35,7 . (8) Gn 35,15 . Ook nog Tenakh (7) : (1) Gn 35,1 . (2) Re 20,18 . (3) Re 20,26 . (4) Re 20,31 . (5) Ezr 2,28. (6) Neh 7,32 . (7) Am 4,4 .

10. sj-m . sjâm (daar) OF sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17) . Structuur : 3 - 4 . Gr. onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in de Septuaginta : onoma (naam) . Stam : N ... M . Lat. nomen . Fr. nom . Ned. naam . D. Name . Eng. name . Een vorm van onoma (naam) in de LXX (1045) , in het NT (228) . Tenakh (684) . Pentateuch (190) . Eerdere Profeten (190) . Latere Profeten (136) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (145) . Gn (89) . Gn 35 (5) : (1) Gn 35,1 . (2) Gn 35,3 . (3) Gn 35,7 . (4) Gn 35,15 . (5) Gn 35,27 .

Gn 35,8 - Gn 35,8 : Jakob in Betel - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 -- Gn 35,1-15 -- Gn 35,1 - Gn 35,2 - Gn 35,3 - Gn 35,4 - Gn 35,5 - Gn 35,6 - Gn 35,7 - Gn 35,8 - Gn 35,9 - Gn 35,10 - Gn 35,11 - Gn 35,12 - Gn 35,13 - Gn 35,14 - Gn 35,15 -
<
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8apethanen de debbôra è trofos rebekkas katôteron baithèl upo tèn balanon kai ekalesen iakôb to onoma autès balanos penthous  8 eodem tempore mortua est Debbora nutrix Rebeccae et sepulta ad radices Bethel subter quercum vocatumque est nomen loci quercus Fletus     8 En Debora, de voedster van Rebekka, stierf, en zij werd begraven onder aan Beth-el; onder dien eik, welks naam hij noemde Allon-bachuth.  [8] Daarna stierf Debora, de voedster van Rebekka; zij werd begraven ten zuiden van Betel, onder de eik die hij Allon-Bakut noemde.  [8] (De voedster van Rebekka, Debora, stierf daar. Ze werd ten zuiden van Betel begraven, onder een eik die daarom Eik van geween werd genoemd.)  8 Dan sterft Debora, de voedster van Rebekka; zij wordt begraven beneden Bet El onder de godseik; hij roept als naam voor hem: Alon Bachoet,– godseik van geween 8. Alors mourut Débora, la nourrice de Rébecca, et elle fut ensevelie au-dessous de Béthel, sous le chêne; aussi l'appela-t-on le Chêne-des-Pleurs. 

King James Bible . [8] But Deborah Rebekah's nurse died, and she was buried beneath Bethel under an oak: and the name of it was called Allon-bachuth.
Luther-Bibel . 8 Da starb Debora, die Amme der Rebekka, und wurde begraben unterhalb von Bethel unter der Eiche; die wurde genannt die Klageeiche.

Tekstuitleg van Gn 35,8 .

10. wajjiqërâ´(en hij riep, hij heet, hij noemde) < waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 35 () : (1) Gn 35,7 . (2) Gn 35,8 . (3) Gn 35,10 . (4) Gn 35,15 .

Gn 35,9 - Gn 35,9 : Jakob in Betel - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 -- Gn 35,1-15 -- Gn 35,1 - Gn 35,2 - Gn 35,3 - Gn 35,4 - Gn 35,5 - Gn 35,6 - Gn 35,7 - Gn 35,8 - Gn 35,9 - Gn 35,10 - Gn 35,11 - Gn 35,12 - Gn 35,13 - Gn 35,14 - Gn 35,15 -
<
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9ôfthè de o theos iakôb eti en louza ote paregeneto ek mesopotamias tès surias kai èulogèsen auton o theos  9 apparuit autem iterum Deus Iacob postquam reversus est de Mesopotamiam Syriae benedixitque ei     9 En God verscheen Jakob wederom, als hij van Paddan-aram gekomen was; en Hij zegende hem.  
[9] Toen Jakob uit Paddan-Aram terugkeerde, verscheen God hem opnieuw en sprak deze zegen over hem uit:  
[9] Nu Jakob was teruggekeerd uit Paddan-Aram, verscheen God hem opnieuw, en hij zegende hem.   . • 9 Nóg eens laat God zich zien aan Jakob als bij aankomt uit Padan Aram; en hij zegent hem.   9. Dieu apparut encore à Jacob, à son retour de Paddân-Aram, et il le bénit.  

King James Bible . [9] And God appeared unto Jacob again, when he came out of Padan-aram, and blessed him.
Luther-Bibel . 9 Und Gott erschien Jakob abermals, nachdem er aus Mesopotamien gekommen war, und segnete ihn

Tekstuitleg van Gn 35,9 .

1. - 2. wajjerâ´ JHWH (en JHWH verscheen) . Tenach (5) : (1) Gn 12,7 (bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän) . (2) Gn 17,1 (bij de verbondssluiting met Abraham) . (3) Dt 31,15 (bij de aanstelling van Jozua) . (4) 1 K 9,2 (aan Salomo) . (5) 2 Kr 7,12 (aan Salomo) .
- wajjerâ´ ´elâjw JHWH (en JHWH verscheen aan hem) . Tenach (3) : (1) Gn 18,1 (JHWH aan Abraham) . (2) Gn 26,2 (JHWH aan Isaak) . (3) Gn 26,24 (JHWH aan Isaak) .
- wajjerâ´ khëbhôd JHWH (en de heerlijkheid van JHWH verscheen) . Tenach (4) : (1) Lv 9,23 . (2) Nu 16,19 . (3) Nu 17,7 . (4) Nu 20,6 .
- wajjerâ´ malë´akh JHWH (en de engel van JHWH verscheen) . Tenach (2) : (1) Ex 3,2 (aan Mozes in de doornstruik) . (2) Re 13,3 (aan de moeder van Simson) .
- wajjerâ´ ´èlohîm (en God verscheen) . Enkel in Gn 35,9 (aan Jakob) .
- wajjerâ´ (en Hij verscheen aan Abraham... ) . Tenach (1) : Ex 6,3 (aan Mozes) .
Volgens deze gegevens zou JHWH driemaal aan Abram / Abraham verschenen zijn : (1) Gn 12,7 . (2) Gn 17,1 . (3) Gn 18,1 .
Tweemaal wordt uitdrukkelijk vermeld dat JHWH verscheen aan Abram (wajjerâ´ JHWH ´èl ´abhërâm : (1) Gn 12,7 . (2) Gn 17,1) . In Gn 18,1 wordt de naam van Abraham niet vermeld . Het kan betekenen dat het vers in het verlengde ligt van het vorige hoofdstuk waar de belofte van Isaak werd aangekondigd . Dit is een belangrijk verschijnen van JHWH , want in Gn 18 wordt de geboorte van Isaak aangekondigd .

Gn 35,10 - Gn 35,10 : Jakob in Betel - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 -- Gn 35,1-15 -- Gn 35,1 - Gn 35,2 - Gn 35,3 - Gn 35,4 - Gn 35,5 - Gn 35,6 - Gn 35,7 - Gn 35,8 - Gn 35,9 - Gn 35,10 - Gn 35,11 - Gn 35,12 - Gn 35,13 - Gn 35,14 - Gn 35,15 -
<
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10kai eipen autô o theos to onoma sou iakôb ou klèthèsetai eti iakôb all' israèl estai to onoma sou  10 dicens non vocaberis ultra Iacob sed Israhel erit nomen tuum et appellavit eum Israhel     10 En God zeide tot hem: Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israël.  [10] ‘Uw naam is wel Jakob, maar voortaan zult u geen Jakob meer heten, maar Israël.’ Zo gaf Hij hem de naam Israël*.   [10] Hij zei: ‘Tot nu toe heette je Jakob. Die naam zul je niet langer dragen: Israël is je nieuwe naam.’ Zo gaf God hem de naam Israël.  10 God zegt hem: je naam is Jakob; niet langer moet als naam voor jou worden geroepen Jakob,– hij licht de hiel, nee, Israël,– vechter van God, zal je naam wezen en hij roept als naam voor hem uit: Israël!   10. Dieu lui dit : Ton nom est Jacob, mais on ne t'appellera plus Jacob, ton nom sera Israël. Aussi l'appela-t-on Israël.  

King James Bible . [10] And God said unto him, Thy name is Jacob: thy name shall not be called any more Jacob, but Israel shall be thy name: and he called his name Israel.
Luther-Bibel . 10 und sprach zu ihm: Du heißt Jakob; aber du sollst nicht mehr Jakob heißen, sondern Israel sollst du heißen. Und so nannte er ihn Israel.

Tekstuitleg van Gn 35,10 .

16. וַיִּקְרָא = wajjiqërâ´ (en hij riep, hij noemde) < prefix waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord קָרָא = qârâ´ (roepen, noemen) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 35 (4) : (1) Gn 35,7 . (2) Gn 35,8 . (3) Gn 35,10 . (4) Gn 35,15 .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. εκαλεσεν = ekalesen (hij riep) van het werkw. καλεω = kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . Een vorm van καλεω = kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) .

kaleô (roepen) actief bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev. P. A. b.
act. ind. aor. 3de pers. enk. ekalesen 204 195 9 3 1 1     4   5  

- Ned. : roepen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . Aramees : קְרָא =qërâ´ (roepen) . D. : rufen . E. : to call . Fr. : appeler (Lat. . appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Grieks : καλεω = kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Hebreeuws : קָרָא = qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Lat. : vocare (vox = stem) . l (qâla) en r (qâra) liggen dicht bij elkaar . Orgaan van roepen is de stem ; zie Hebreeuws :קוֹל = qôl (stem, roep) . Taalgebruik in Tenakh : qôl (stem) .


Gn 35,11 - Gn 35,11 : Jakob in Betel - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 -- Gn 35,1-15 -- Gn 35,1 - Gn 35,2 - Gn 35,3 - Gn 35,4 - Gn 35,5 - Gn 35,6 - Gn 35,7 - Gn 35,8 - Gn 35,9 - Gn 35,10 - Gn 35,11 - Gn 35,12 - Gn 35,13 - Gn 35,14 - Gn 35,15 -
<
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11eipen de autô o theos egô o theos sou auxanou kai plèthunou ethnè kai sunagôgai ethnôn esontai ek sou kai basileis ek tès osfuos sou exeleusontai  11 dixitque ei ego Deus omnipotens cresce et multiplicare gentes et populi nationum erunt ex te reges de lumbis tuis egredientur    11 Voorts zeide God tot hem: Ik ben God de Almachtige! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, een hoop der volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw lenden voortkomen.  [11] Ook sprak God tot hem: ‘Ik ben God de Almachtige. Wees vruchtbaar en word talrijk, een volk, een menigte van volken zal uit u voortkomen, en koningen zullen uit uw lendenen afkomstig zijn. [11] En hij vervolgde: ‘Ik ben God, de Ontzagwekkende. Wees vruchtbaar en word talrijk; je zult uitgroeien tot een volk, tot een hele menigte volken, en er zullen koningen uit je voortkomen.   11 God zegt tot hem: ik ben God–de–Almachtige,– draag vrucht en wees overvloedig; een volk, een verzameling van volkeren zal er uit jou worden; koningen zullen uit je lendenen voortkomen;   11. Dieu lui dit : Je suis El Shaddaï. Sois fécond et multiplie. Une nation, une assemblée de nations naîtra de toi et des rois sortiront de tes reins. 

King James Bible . [11] And God said unto him, I am God Almighty: be fruitful and multiply; a nation and a company of nations shall be of thee, and kings shall come out of thy loins;
Luther-Bibel . 11 Und Gott sprach zu ihm: Ich bin der allmächtige Gott; sei fruchtbar und mehre dich! Ein Volk und eine Menge von Völkern sollen von dir kommen, und Könige sollen von dir abstammen,

Tekstuitleg van Gn 35,11 .

5. - 6. אֵל שַׁדַּי = el sjaddaj (´el sjaddaj) . Tenakh (4) : (1) Gn 17,1 . (2) Gn 35,11 . (3) Gn 48,3 . (4) Ez 10,5 .
- וְאֵל שַׁדַּי = wë´el sjaddaj (en el sjaddaj) . Tenakh (2) : (1) Gn 28,3 . (2) Gn 43,14 .
- In sommige van bovengenoemde teksten vertaalt de LXX sjaddaj in παντοκρατωρ = pantokratôr (almachtig) , de Vulgaat in omnipotens . We gissen : de sjin werd een shin , een daleth een resj ; we krijgen dan : שַׂרַי = sharaj (mijn vorsten) : stat. constr. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. enk. ; het is dezelfde uitgang die we vinden in לְפָנַי = lëphânaj (voor mijn aangezicht) in hetzelfde vers . Het werd dan = ´el sharaj (god van mijn vorsten) , god over alle vorsten , almachtige god . Veronderstel eens dat er = Shâraj (Saraj) zou gestaan heb . Saraj is de vrouw van Abram .

Gn 35,12 - Gn 35,12 : Jakob in Betel - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 -- Gn 35,1-15 -- Gn 35,1 - Gn 35,2 - Gn 35,3 - Gn 35,4 - Gn 35,5 - Gn 35,6 - Gn 35,7 - Gn 35,8 - Gn 35,9 - Gn 35,10 - Gn 35,11 - Gn 35,12 - Gn 35,13 - Gn 35,14 - Gn 35,15 -
<
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12kai tèn gèn èn dedôka abraam kai isaak soi dedôka autèn soi estai kai tô spermati sou meta se dôsô tèn gèn tautèn  12 terramque quam dedi Abraham et Isaac dabo tibi et semini tuo post te    12 En dit land, dat Ik aan Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik u geven; en aan uw zaad na u zal Ik dit land geven.   [12] Het land dat Ik aan Abraham en Isaak heb gegeven, geef Ik aan u en ook aan uw nakomelingen.’   [12] Ik geef jou het land dat ik aan Abraham en aan Isaak heb gegeven; ook aan je nakomelingen geef ik dit land.’   12 het land dat ik heb gegeven aan Abraham en aan Isaak geef ik aan jou; en aan je zaad ná jou zal ik het land geven!  12. Le pays que j'ai donné à Abraham et à Isaac, je te le donne, et à ta postérité après toi je donnerai ce pays.  

King James Bible . [12] And the land which I gave Abraham and Isaac, to thee I will give it, and to thy seed after thee will I give the land.
Luther-Bibel . 12 und das Land, das ich Abraham und Isaak gegeben habe, will ich dir geben und will's deinem Geschlecht nach dir geben.

Tekstuitleg van Gn 35,12 .

Gn 35,13 - Gn 35,13 : Jakob in Betel - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 -- Gn 35,1-15 -- Gn 35,1 - Gn 35,2 - Gn 35,3 - Gn 35,4 - Gn 35,5 - Gn 35,6 - Gn 35,7 - Gn 35,8 - Gn 35,9 - Gn 35,10 - Gn 35,11 - Gn 35,12 - Gn 35,13 - Gn 35,14 - Gn 35,15 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13anebè de o theos ap' autou ek tou topou ou elalèsen met' autou  13 et recessit ab eo     13 Toen voer God van hem op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had.   [13] God steeg op van de plaats waar Hij met hem gesproken had.  [13] Hierna ging God weg van de plaats waar hij met Jakob had gesproken.   13 Dan stijgt God op van hem,– in het oord waar hij met hem heeft gesproken.  13. Et Dieu remonta d'auprès de lui.  

King James Bible . [13] And God went up from him in the place where he talked with him.
Luther-Bibel . 13 Und Gott fuhr auf von ihm an der Stätte, da er mit ihm geredet hatte.

Tekstuitleg van Gn 35,13 .

Gn 35,14 - Gn 35,14 : Jakob in Betel - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 -- Gn 35,1-15 -- Gn 35,1 - Gn 35,2 - Gn 35,3 - Gn 35,4 - Gn 35,5 - Gn 35,6 - Gn 35,7 - Gn 35,8 - Gn 35,9 - Gn 35,10 - Gn 35,11 - Gn 35,12 - Gn 35,13 - Gn 35,14 - Gn 35,15 -
<
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14kai estèsen iakôb stèlèn en tô topô ô elalèsen met' autou stèlèn lithinèn kai espeisen ep' autèn spondèn kai epecheen ep' autèn elaion  14 ille vero erexit titulum lapideum in loco quo locutus ei fuerat Deus libans super eum libamina et effundens oleum     14 En Jakob stelde een opgericht teken op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had, een stenen opgericht teken; en hij stortte daarop drankoffer, en goot olie daarover.  [14] Op de plaats waar God met Jakob had gesproken, richtte deze een heilige steen op; op deze steen goot hij een plengoffer van olie uit.  [14] Daar, op die plaats, zette Jakob een steen rechtop, en hij wijdde hem door er een wijnoffer op te brengen en er olie over uit te gieten.   14 Jakob stelt een standkei op in het oord waar hij met hem heeft gesproken,– een staand teken van steen; hij plengt over haar een plenggave en giet over haar olijfolie uit.  14. Jacob dressa une stèle à l'endroit où il lui avait parlé, une stèle de pierre, sur laquelle il fit une libation et versa de l'huile.  

King James Bible . [14] And Jacob set up a pillar in the place where he talked with him, even a pillar of stone: and he poured a drink offering thereon, and he poured oil thereon.
Luther-Bibel . 14 Jakob aber richtete ein steinernes Mal auf an der Stätte, da er mit ihm geredet hatte, und goss Trankopfer darauf und begoss es mit Öl.

Tekstuitleg van Gn 35,14 .

Gn 35,15 - Gn 35,15 : Jakob in Betel - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 -- Gn 35,1-15 -- Gn 35,1 - Gn 35,2 - Gn 35,3 - Gn 35,4 - Gn 35,5 - Gn 35,6 - Gn 35,7 - Gn 35,8 - Gn 35,9 - Gn 35,10 - Gn 35,11 - Gn 35,12 - Gn 35,13 - Gn 35,14 - Gn 35,15 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15kai ekalesen iakôb to onoma tou topou en ô elalèsen met' autou ekei o theos baithèl 15 vocansque nomen loci Bethel     15 En Jakob noemde den naam dier plaats, alwaar God met hem gesproken had, Beth-el.  [15] Aan de plaats waar God tot hem gesproken had, gaf Jakob de naam Betel.  [15] Hij noemde die plaats, waar God met hem had gesproken, Betel.   15 Jakob roept als naam uit voor het oord waar God met hem heeft gesproken: Bet El,– huis van God!   15. Et Jacob donna le nom de Béthel au lieu où Dieu lui avait parlé. 

King James Bible . [15] And Jacob called the name of the place where God spake with him, Bethel.
Luther-Bibel . 15 Und Jakob nannte die Stätte, da Gott mit ihm geredet hatte, Bethel.

Tekstuitleg van Gn 35,15 . Het vers Gn 35,15 telt 20 (2² X 5) woorden en 70 (2 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Gn 35,15 is 3886 (2 X 29 X 67) .

Gn 35,15.1. wajjiqërâ´(en hij riep, hij heet, hij noemde) < waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 35 (4) : (1) Gn 35,7 . (2) Gn 35,8 . (3) Gn 35,10 . (4) Gn 35,15 .

Gn 35,15.1. - 2. wajjiqërâ´ ja`äqobh (en Jakob noemde) . Tenakh (3) : (1) Gn 32,31 . (2) Gn 35,15 . (3) Gn 49,1 .

Gn 35,15.4. sj-m . sjâm (daar) OF sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17) . Structuur : 3 - 4 . Gr. onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in de Septuaginta : onoma (naam) . Stam : N ... M . Lat. nomen . Fr. nom . Ned. naam . D. Name . Eng. name . Een vorm van onoma (naam) in de LXX (1045) , in het NT (228) . Tenakh (684) . Pentateuch (190) . Eerdere Profeten (190) . Latere Profeten (136) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (145) . Gn (89) . Gn 35 (5) : (1) Gn 35,1 . (2) Gn 35,3 . (3) Gn 35,7 . (4) Gn 35,15 . (5) Gn 35,27 .

Gn 35,15.1. - 4. Gn 32,31 : wajjiqërâ´ ja`äqobh sjem (en Jakob noemde een naam) . Gn 35,15 : wajjiqërâ´ ja`äqobh ´èth sjem (en Jakob noemde een naam) .
- wajjiqërâ´ (èth) sjem (en hij noemde een naam) . Tenakh (13) : (1) Gn 4,17 . (2) Gn 26,20 . (3) Gn 28,19 . (4) Gn 32,3 . (5) Ex 17,7 . (6) Nu 11,3 . (7) Nu 11,34 . (8) Nu 21,3 . (9) Joz 5,9 . (10) Re 1,17 . (11) 1 K 16,24 . (12) 2 Kr 3,17 . (13) Job 42,14 .

Gn 35,15.4. - 5. sjem hammâqôm (naam van de plaats) . Tenakh (16) : (1) Gn 22,14 . (2) Gn 28,19 . (3) Gn 32,3 . (4) Gn 32,31 . (5) Gn 33,17 . (6) Gn 35,15 . (7) Ex 17,7 . (8) Nu 11,3 . (9) Nu 11,34 . (10) Nu 21,3 . (11) Joz 5,9 . (12) Joz 7,26 . (13) Re 2,5 . (14) 2 S 5,20 . (15) 1 Kr 14,11 . (16) 2 Kr 20,26 .

Gn 35,15.9. sj-m . sjâm (daar) OF sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17) . Structuur : 3 - 4 . Gr. onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in de Septuaginta : onoma (naam) . Stam : N ... M . Lat. nomen . Fr. nom . Ned. naam . D. Name . Eng. name . Een vorm van onoma (naam) in de LXX (1045) , in het NT (228) . Tenakh (684) . Pentateuch (190) . Eerdere Profeten (190) . Latere Profeten (136) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (145) . Gn (89) . Gn 35 (5) : (1) Gn 35,1 . (2) Gn 35,3 . (3) Gn 35,7 . (4) Gn 35,15 . (5) Gn 35,27 .

Gn 35,15.11. - 12. be(j)th ´el (Betel) . Tenakh (39) . Gn (8) : (1) Gn 12,8 . (2) Gn 13,3 . (3) Gn 28,19 . (4) Gn 31,13 . (5) Gn 31,13 . (6) Gn 35,6 . (7) Gn 35,7 . (8) Gn 35,15 . Ook nog Tenakh (7) : (1) Gn 35,1 . (2) Re 20,18 . (3) Re 20,26 . (4) Re 20,31 . (5) Ezr 2,28. (6) Neh 7,32 . (7) Am 4,4 .

Gn 35,16-29 : Dood van Rachel en Isaak - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 - Gn 35,1-15 - Gn 35,16-29 -- Gn 35,16 - Gn 35,17 - Gn 35,18 - Gn 35,19 - Gn 35,20 - Gn 35,21 - Gn 35,22 - Gn 35,23 - Gn 35,24 - Gn 35,25 - Gn 35,26 - Gn 35,27 - Gn 35,28 - Gn 35,29 -

Gn 35,16 - Gn 35,16 : Dood van Rachel en Isaak - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 - Gn 35,1-15 - Gn 35,16-29 -- Gn 35,16 - Gn 35,17 - Gn 35,18 - Gn 35,19 - Gn 35,20 - Gn 35,21 - Gn 35,22 - Gn 35,23 - Gn 35,24 - Gn 35,25 - Gn 35,26 - Gn 35,27 - Gn 35,28 - Gn 35,29 -

Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
16aparas de iakôb ek baithèl epèxen tèn skènèn autou epekeina tou purgou gader egeneto de ènika èggisen chabratha eis gèn elthein efratha eteken rachèl kai edustokèsen en tô toketô  16 egressus inde venit verno tempore ad terram quae ducit Efratham in qua cum parturiret Rahel     16 En zij reisden van Beth-el; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren.  
[16] Na hun vertrek uit Betel, even voor Efrata*, bracht Rachel een kind ter wereld. De bevalling was moeilijk.  
[16] Toen ze weer uit Betel waren vertrokken en nog maar een uur of twee van Efrat verwijderd waren, moest Rachel bevallen.   16 ¶ Ze breken op van Bet El en het geschiedt nog maar een stuk land vóór aankomst in Efrat,– dat Rachel baart en het zwaar krijgt bij haar baren. 16. Ils partirent de Béthel. Il restait un bout de chemin pour arriver à Éphrata quand Rachel accoucha. Ses couches furent pénibles  

King James Bible . [16] And they journeyed from Bethel; and there was but a little way to come to Ephrath: and Rachel travailed, and she had hard labour.
Luther-Bibel . Und sie brachen auf von Bethel. Und als es noch eine Strecke Weges war bis Efrata, da gebar Rahel. Und es kam sie hart an über der Geburt.

Tekstuitleg van Gn 35,16 .

4. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij/het was) van het werkw. hâjâh (zijn) . De getalwaarde van wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 . Totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 35 (6) : (1) Gn 35,3 . (2) Gn 35,5 . (3) Gn 35,16 . (4) Gn 35,17 . (5) Gn 35,18 . (6) Gn 35,22 .

Gn 35,17 - Gn 35,17 : Dood van Rachel en Isaak - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 - Gn 35,1-15 - Gn 35,16-29 -- Gn 35,16 - Gn 35,17 - Gn 35,18 - Gn 35,19 - Gn 35,20 - Gn 35,21 - Gn 35,22 - Gn 35,23 - Gn 35,24 - Gn 35,25 - Gn 35,26 - Gn 35,27 - Gn 35,28 - Gn 35,29 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
17egeneto de en tô sklèrôs autèn tiktein eipen autè è maia tharsei kai gar outos soi estin uios  17 ob difficultatem partus periclitari coepit dixitque ei obsetrix noli timere quia et hunc habebis filium    17 En het geschiedde, als zij het hard had in haar baren, zo zeide de vroedvrouw tot haar: Vrees niet; want dezen zoon zult gij ook hebben!  [17] Tijdens die zware bevalling zei de vroedvrouw tegen haar: ‘Wees maar niet bang, want je krijgt weer een zoon.’  Het was een moeizame bevalling en ze had het erg zwaar, maar de vroedvrouw zei tegen haar: ‘Troost je: je hebt er een zoon bij!’ 17 Het geschiedt als ze het zo zwaar heeft bij het baren, dat de baarhulp tot haar zegt: vrees niet, want ook deze is een zoon voor jou!   17. et, comme elle accouchait difficilement, la sage-femme lui dit : Rassure-toi, c'est encore un fils que tu as !  

King James Bible . [17] And it came to pass, when she was in hard labour, that the midwife said unto her, Fear not; thou shalt have this son also.
Luther-Bibel . 17 Da ihr aber die Geburt so schwer wurde, sprach die Wehmutter zu ihr: Fürchte dich nicht, denn auch diesmal wirst du einen aSohn haben.

Tekstuitleg van Gn 35,17 .

Gn 35,18 - Gn 35,18 : Dood van Rachel en Isaak - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 - Gn 35,1-15 - Gn 35,16-29 -- Gn 35,16 - Gn 35,17 - Gn 35,18 - Gn 35,19 - Gn 35,20 - Gn 35,21 - Gn 35,22 - Gn 35,23 - Gn 35,24 - Gn 35,25 - Gn 35,26 - Gn 35,27 - Gn 35,28 - Gn 35,29 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
18egeneto de en tô afienai autèn tèn psuchèn apethnèsken gar ekalesen to onoma autou uios odunès mou o de patèr ekalesen auton beniamin  18 egrediente autem anima prae dolore et inminente iam morte vocavit nomen filii sui Benoni id est filius doloris mei pater vero appellavit eum Beniamin id est filius dexterae  wajëhî bëtse´th   18 En het geschiedde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin.  [18] Toen het leven van haar week en zij op sterven lag, noemde zij hem Ben-Oni*; maar zijn vader gaf hem de naam Benjamin.   [18] En terwijl het leven al van haar week – want ze stierf – gaf zij hem de naam Ben-Oni.* Maar zijn vader noemde hem Benjamin.*  18 En het geschiedt, als haar ziel uit haar weggaat –want ze is stervende– roept ze als naam voor hem ‘Ben Oni’, – ongelukskind!. Maar zijn vader heeft voor hem uitgeroepen ‘Benjamin’, – lievelingszoon!  18. Au moment de rendre l'âme, car elle se mourait, elle le nomma Ben-Oni, mais son père l'appela Benjamin. 

King James Bible . And it came to pass, as her soul was in departing, (for she died) that she called his name Benoni: but his father called him Benjamin.
Luther-Bibel (1984) . 18 Als ihr aber das Leben entwich und sie sterben mußte, nannte sie ihn Ben-Oni, aber sein Vater nannte ihn Ben-Jamin.

Tekstuitleg van Gn 35,18 . Dit vers Gn 35,18 telt 13 woorden en 47 letters . De getalwaarde van Gn 35,18 is 3130 (2 X 5 X 313) .

Gn 35,18.1. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij/het was) van het werkw. hâjâh (zijn) . De getalwaarde van wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 . Totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 35 (6) : (1) Gn 35,3 . (2) Gn 35,5 . (3) Gn 35,16 . (4) Gn 35,17 . (5) Gn 35,18 . (6) Gn 35,22 .

Gn 35,18.2. bëts´eth (in het uittrekken) < voorzetsel bë + act. qal inf. stat. construct. van het werkw. jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) . Taalgebruik in Tenakh : jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) . Taalgebruik in Ex : jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) . Getalwaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 70 , aleph = 1 ; totaal : 29 OF 81 (3³ X 3²) . Structuur : 1 - 7 - 1 . De Griekse vertaling van jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) is vaak een vorm van het werkw. exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in de LXX : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in het NT : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Een vorm van exagô (uitleiden, naar buiten leiden) in de LXX (221) , in het NT (12) . Tenakh (9) : (1) Gn 35,18 . (2) Ex 23,16 . (3) 1 S 25,37 . (4) 1 K 8,10 . (5) Ez 27,33 . (6) Ez 47,3 . (7) Ps 114,1 . (8) 2 Kr 4,11 . (9) 2 Kr 20,21 .
In Gn 35,18 liet Rachel de geest . Zowel in Gn 35,18 als in Mt 27,50 wordt het Griekse werkwoord afièmi (af-laten) gebruikt . Gn 35,18 : egeneto en tôi afienai autèn tèn psuchèn (het gebeurde echter terwijl zij haar geest liet) . Mt 27,50 : afèken to pneuma (hij liet de geest) . afienai . Infinitief . In negen verzen in de bijbel . In drie verzen in het OT . In zes verzen in het NT .

Gn 35,18.6. - 7. watthiqërâ´ (èth) sjëmô (en zij noemde zijn naam) . Tenakh (18 : 9 + 9) : (1) Gn 4,25 (Eva geeft aan Seth zijn naam) . (2) Gn 19,37 (de oudste dochter van Lot geeft aan Moab zijn naam) . (3) Gn 19,38 (de jongste dochter van Lot geeft aan Ben-Ammi zijn naam) . (4) Gn 29,32 (Lea geeft aan Ruben zijn naam) . (5) Gn 29,33 (Lea geeft aan Simeon zijn naam) . (6) Gn 30,8 (Rachel geeft aan Naftali zijn naam) . (7) Gn 30,11 (Lea geeft aan Gad , de zoon van Zilpa, zijn naam) . (8) Gn 30,13 (Lea geeft aan Aser, de tweede zoon van Zilpa, zijn naam) . (9) Gn 30,18 (Lea geeft aan Issakar, haar vijfde zoon , zijn naam) . (10) Gn 30,20 (Lea geeft aan Issakar, haar zesde zoon , zijn naam) . (11) Gn 30,24 (Rachel geeft aan Jozef , haar oudste zoon , zijn naam) . (12) Gn 35,18 (Rachel geeft aan Ben-Omi , haar jongste zoon , zijn naam ; Jakob geeft hem de naam Benjamin) . (13) Gn 38,4 (Sua geeft aan Onan zijn naam) . (14) Gn 38,5 (Sua geeft aan Sela zijn naam) . (15) Ex 2,10 (de dochter van de farao geeft aan Mozes zijn naam) .(16) Re 13,24 (de vrouw van Manoach geeft aan Simson zijn naam) . (17) 1 S 1,20 (Hanna geeft aan Samuël zijn naam) . (18) 1 Kr 7,16 (Maäka geeft aan Peres zijn naam) .

Gn 35,18.8. - 9. bèn ´ônî (zoon van mijn smart) . ´ônî (met 4 medeklinkers aleph , waw , nun , jod) lijkt verrassend sterk op ´ädonâj (met 4 medeklinkers aleph , daleth , nun , jod) . En ´ädonâj kan wel eens verwijzen naar Aton Ai (de ene God van Ai) . Zo zou de jongste zoon van Rachel wel eens de zoon van Aton Ai kunnen genoemd worden .

Gn 35,19 - Gn 35,19 : Dood van Rachel en Isaak - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 - Gn 35,1-15 - Gn 35,16-29 -- Gn 35,16 - Gn 35,17 - Gn 35,18 - Gn 35,19 - Gn 35,20 - Gn 35,21 - Gn 35,22 - Gn 35,23 - Gn 35,24 - Gn 35,25 - Gn 35,26 - Gn 35,27 - Gn 35,28 - Gn 35,29 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
19 apethanen de rachèl kai etafè en tè odô efratha autè estin bèthleem  19 mortua est ergo Rahel et sepulta in via quae ducit Efratham haec est Bethleem  waththâmâth  rachel 19 Alzo stierf Rachel; en zij werd begraven aan den weg naar Efrath, hetwelk is Bethlehem. [19] Rachel overleed en werd begraven langs de weg naar Efrata of Betlehem.   [19] Toen Rachel overleden was, werd ze begraven langs de weg naar Efrat, het tegenwoordige Betlehem.   19 Rachel sterft,– en wordt begraven langs de weg naar Efrat, dat is Betlehem.  19. Rachel mourut et fut enterrée sur le chemin d'Éphrata - C'est Bethléem.  

King James Bible . And Rachel died, and was buried in the way to Ephrath, which is Bethlehem.
Luther-Bibel (1984) . 19 So starb Rahel und wurde begraben an dem Wege nach Efrata, das nun Bethlehem heißt.

Tekstanalyse van Gn 35,19 . Dit vers Gn 35,19 telt 7 woorden en 30 (2 X 2 X 5) letters . De getalwaarde van Gn 35,19 is 3206 (2 X 7 X 229) .

1. waththâmâth (en zij stierf) < wë + .act. qal imperfectum derde persoon vrouwelijk enkelvoud van het werkw. mwth (sterven, ondergaan) . Taalgebruik in Tenakh : mwth (sterven, ondergaan) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , waw = 6 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 41 OF 446 (2 X 223) . Structuur : 4 - 6 - 4 . Tenakh (9) : : (1) Gn 23,2 (Sara) . (2) Gn 35,8 (Debora , de voedster van Rebekka) . (3) Gn 35,19 (Rachel) . (4) Gn 38,12 (Juda's vrouw , de dochter van Sua) . (5) Nu 20,1 (Mirjam) . (6) Re 20,5 (de bijvrouw van een Leviet) . (7) Js 50,2 . (8) Ez 24,18 . (9) 1 Kr 2,19 (Azuba , de vrouw van Kaleb) .

2. râchel (Rachel) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , lamed = 12 of 20 ; totaal : 40 of 228 (2 X 2 X 3 X 19) . In dertig verzen in de bijbel .

  Gn 29 Gn 30 Gn 31 Gn 33 Gn 35 Gn 46 Gn 48
râchel (Rachel) Hebr. (28) (6) : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . (8) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,6 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,8 . (5) Gn 30,14 . (6) Gn 30,15 . (7) Gn 30,22 . (8) Gn 30,25 . (4) : (1) Gn 31,14 . (2) Gn 31,19 . (3) Gn 31,32 . (4) Gn 31,33 . (2) : (1) Gn 33,1 . (2) Gn 33,2 . (5) : (1) Gn 35,16 . (2) Gn 35,19 . (3) Gn 35,20 . (4) Gn 35,24 . (5) Gn 35,25 .   (2)  : (1) Gn 46,19 . (2) Gn 46,22 . 1 :  Gn 48,7 .
wërâchel (en...) (5) 3 : (1) Gn 29,9 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 .     1 : Gn 31,34 1 : Gn 33,7      
bërâchel (over...) (4)   3 : (1) Gn 29,18 . (2) Gn 29,20 . (3) Gn 29,25 . (1) Gn 30,2 .            
lërâchel (tot...) (5) 3 : (1) Gn 29,11 . (2) Gn 29,12 . (3) Gn 29,29 .     1 : Gn 31,4 .       1 : Gn 46,25  
42 X (41 verzen)  15 X (14 verzen)
rachèl (Rachel) Gr.  (45 X , 44 verzen) 15 X (14 verzen) 9 + 3 = 12 : + (1) Gn 30,3 .  (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,23 .

In Gn 48,7 . (29) 1 S 10,2 . (30) Jr 31,15 .
De tegenstelling tussen Lea en Rachel in (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 is frappant : Lea is flets maar vruchtbaar , Rachel is mooi maar onvruchtbaar .
- LXX . rachèl (Rachel) . In achtenveertig verzen in de bijbel . In zevenenveertig verzen in het OT . In één vers in het NT : Mt 2,18 .

5. - 7. ´èphërâthâh , hiw´ bêth lâchèm (Efrata , dit is Bethlehem) : Gn 35,19 en Gn 48,7 .

5. ´èphërâthâh (Efrata) . Verwijzing : ´èphërâthâh (Efrata) , zie Gn 35,19 . ´èphërâthâh (Efrata) . Getalwaarde : aleph = 1 , pe = 17 of 80 , resj = 20 of 200 , taw = 22 of 400 , he = 5 ; totaal : 65 of 686 . Efrata komt in zeven verzen in de bijbel voor . (1) Gn 35,16 . (2) Gn 35,19 . (3) Gn 48,7 . (4) Mi 5,1 . (5) 1 Kr 2,19 (Kaleb huwde Efrat :en zij baarde hem Chur) . (6) 1 Kr 2,50 - 1 Kr 2,51 (De zonen van Chur, de eerstgeborene van Efrat waren ... Salma, de vader van Bethlehem) . (7) 1 Kr 4,4 (Dat waren de zonen van Chur, de eerstgeborene van Efrat, de vader van Bethlehem) . Ook nog Rt 4,11 . In de omgeving van Efrata bracht Rachel , de lievelingsvrouw van Jakob, haar tweede zoon Benjamin ter wereld ; zijzelf stierf in het kraambed . Daar werd Rachel ook begraven . De getalwaarde

Gn 35,20 - Gn 35,20 : Dood van Rachel en Isaak - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 - Gn 35,1-15 - Gn 35,16-29 -- Gn 35,16 - Gn 35,17 - Gn 35,18 - Gn 35,19 - Gn 35,20 - Gn 35,21 - Gn 35,22 - Gn 35,23 - Gn 35,24 - Gn 35,25 - Gn 35,26 - Gn 35,27 - Gn 35,28 - Gn 35,29 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
20kai estèsen iakôb stèlèn epi tou mnèmeiou autès autè estin stèlè mnèmeiou rachèl eôs tès sèmeron èmeras   20 erexitque Iacob titulum super sepulchrum eius hic est titulus monumenti Rahel usque in praesentem diem    20 En Jakob richtte een gedenkteken op boven haar graf, dit is het gedenkteken van Rachels graf tot op dezen dag. [20] Jakob plaatste een gedenkteken op haar graf; deze gedenksteen op het graf van Rachel staat er vandaag nog.  [20] Op haar graf plaatste Jakob een gedenksteen, die tot op de dag van vandaag de plaats van Rachels graf aangeeft.  20 Jakob stelt een standkei op boven haar graf; dat is de standkei van Rachels graf tot op vandaag.   20. Jacob dressa une stèle sur son tombeau; c'est la stèle du tombeau de Rachel, qui existe encore aujourd'hui.  

King James Bible . [20] And Jacob set a pillar upon her grave: that is the pillar of Rachel's grave unto this day.
Luther-Bibel . 20 Und Jakob richtete einen Stein auf über ihrem Grab; das ist das Grabmal Rahels bis auf diesen Tag.

Tekstuitleg van Gn 35,20 .

Gn 35,21 - Gn 35,21 : Dood van Rachel en Isaak - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 - Gn 35,1-15 - Gn 35,16-29 -- Gn 35,16 - Gn 35,17 - Gn 35,18 - Gn 35,19 - Gn 35,20 - Gn 35,21 - Gn 35,22 - Gn 35,23 - Gn 35,24 - Gn 35,25 - Gn 35,26 - Gn 35,27 - Gn 35,28 - Gn 35,29 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  21 egressus inde fixit tabernaculum trans turrem Gregis     
[21] Daarop trok Israël verder, en hij sloeg even voorbij Migdal-Eder zijn tent op. [22] Terwijl Israël in dat gebied verbleef, had Ruben gemeenschap met Bilha, de bijvrouw van zijn vader; en Israël kwam dat te weten. 

[21] Israël reisde verder en sloeg zijn tent op even voorbij Migdal-Eder. 
21 ¶ Israël breekt op,– en spreidt zijn tent uit aan gene zijde van Migdal Eder.    21. Israël partit et planta sa tente au-delà de Migdal-Édèr. 

King James Bible .[21] And Israel journeyed, and spread his tent beyond the tower of Edar.
Luther-Bibel . 21 Und Israel zog weiter und schlug sein Zelt auf jenseits von Migdal-Eder.

Tekstuitleg van Gn 35,21 .

1. וַיִּסַּע = wajjishshâ` (en hij brak op) < prefix verbindingspartikel waw (en) en qal actief imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkw. נָסָע = nâsâ` (opbreken, reizen) . Taalgebruik in Tenakh : nâsâ` (opbreken, reizen) . Tenakh (13) . Gn (5) : (1) Gn 12,9 . (2) Gn 13,11 . (3) Gn 20,1 . (4) Gn 35,21 . (5) Gn 46,1 .
- Lettinga 12, 2012, 52) . Werkw. met een gutturaal als 3de stamvocaal . In de qal imperf. is onder invloed van de gutturaal de voorafgaande korte vocaal vrijwel altijd een korte a . Paradigma 5 .

3. וַיַּעְתֵּק = wajja`theq (en hij ging verder) < prefix waw consecutivum + act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. עָתַק = `âthaq (opbreken) . Taalgebruik in Tenakh : `âthaq (opbreken) . Tenakh (2) : (1) Gn 12,8 . (2) Gn 26,22 .

Gn 35,22 - Gn 35,22 : Dood van Rachel en Isaak - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 - Gn 35,1-15 - Gn 35,16-29 -- Gn 35,16 - Gn 35,17 - Gn 35,18 - Gn 35,19 - Gn 35,20 - Gn 35,21 - Gn 35,22 - Gn 35,23 - Gn 35,24 - Gn 35,25 - Gn 35,26 - Gn 35,27 - Gn 35,28 - Gn 35,29 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22egeneto de ènika katôkèsen israèl en tè gè ekeinè eporeuthè roubèn kai ekoimèthè meta ballas tès pallakès tou patros autou kai èkousen israèl kai ponèron efanè enantion autou èsan de oi uioi iakôb dôdeka 22 cumque habitaret in illa regione abiit Ruben et dormivit cum Bala concubina patris sui quod illum minime latuit erant autem filii Iacob duodecim   22 En het geschiedde, als Israël in dat land woonde, dat Ruben heenging, en lag bij Bilha, zijns vaders bijwijf; en Israël hoorde het. En de zonen van Jakob waren twaalf. 
[22] Jakobs zonen waren twaalf in getal. 
[22] Tijdens Israëls verblijf in deze streek sliep Ruben eens met Bilha, zijn vaders bijvrouw. Israël hoorde ervan. Twaalf zonen had Jakob.   22 Het geschiedt als Israël woont in die landstreek dat Ruben heengaat en slaapt met Bilha, de bijvrouw van zijn vader; dat hóórt Israël… • Zo worden de zonen van Jakob een twaalftal  22. Pendant qu'Israël habitait dans cette région, Ruben alla coucher avec Bilha, la concubine de son père, et Israël l'apprit. Les fils de Jacob furent au nombre de douze. 

King James Bible . [22] And it came to pass, when Israel dwelt in that land, that Reuben went and lay with Bilhah his father's concubine: and Israel heard it. Now the sons of Jacob were twelve:
Luther-Bibel . 22 Und es begab sich, als Israel im Lande wohnte, ging Ruben hin und legte sich zu Bilha, seines Vaters Nebenfrau. Und das kam vor Israel. 22Es hatte aber Jakob zwölf Söhne.

Tekstuitleg van Gn 35,22 .

1. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij/het was) van het werkw. hâjâh (zijn) . De getalwaarde van wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 . Totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 35 (6) : (1) Gn 35,3 . (2) Gn 35,5 . (3) Gn 35,16 . (4) Gn 35,17 . (5) Gn 35,18 . (6) Gn 35,22 .

7. rë´ûbhen (Ruben) . Taalgebruik in Tenakh : rë´ûbhen (Ruben) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , waw = 6 , ben = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 43 OF 259 (7 X 37) . Structuur : 2 - 1 - 6 - 2 - 5 . Tenakh (65) . Pentateuch (34) . Eerdere Profeten (22) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (6) . Gn (12) : (1) Gn 29,32 . (2) Gn 30,14 . (3) Gn 35,22 . (4) Gn 35,23 . (5) Gn 37,21 . (6) Gn 37,22 . (7) Gn 37,29 . (8) Gn 42,22 . (9) Gn 42,37 . (10) Gn 46,8 . (11) Gn 46,9 . (12) Gn 49,3 . Ex (2) : (1) Ex 1,2 . (2) Ex 6,14 . rë´ûbhen < act. imper. 2de pers. mann. mv. rë´û (ziet) en ben (zoon) -> ziet een zoon . De etymologische verklaring van Gn 29,32 is : kî râ´âh JHWH bë`ânëjî (want JHWH keek naar mijn vernedering) . In râ´âh (hij keek) zit de resj en de aleph ; in bë`ônëjî (naar mijn vernedering) de beth , de o-klank (`ânë) , de nun . Hij is de oudste zoon van Lea , dochter van Laban en de oudere zus van Rachel en Jakob (zoon van Izaak) . Hij is Jakobs eerstgeborene . Zijn broers (uit Lea en Jakob) zijn : Simeon , Levi , Juda , Issakar , Zebulon ; zijn halfbroers uit Zilpa , de bijvrouw van Lea , en Jakob zijn : Gad en Neftali . In Nu 32 spreken de Rubenieten tot Mozes hun wens uit om zich in het Overjordaanse te vestigen . In Joz 22 hebben zij zich er gevestigd .

Het getal twaalf omsluit Gn 35,22 en Gn 49,28 omsluiten de verhalen tussen de dood van Rachel en de laatste zegenwensen en de dood van Jakob . Er heeft zich een 12-tal gevormd .

Zie 1 Kr 2,1 - 1 Kr 2,2

Gn 35,23 - Gn 35,23 : Dood van Rachel en Isaak - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 - Gn 35,1-15 - Gn 35,16-29 -- Gn 35,16 - Gn 35,17 - Gn 35,18 - Gn 35,19 - Gn 35,20 - Gn 35,21 - Gn 35,22 - Gn 35,23 - Gn 35,24 - Gn 35,25 - Gn 35,26 - Gn 35,27 - Gn 35,28 - Gn 35,29 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23uioi leias prôtotokos iakôb roubèn sumeôn leui ioudas issachar zaboulôn 23 filii Liae primogenitus Ruben et Symeon et Levi et Iudas et Isachar et Zabulon   23 De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Zebulon.  [23] De zonen van Lea waren Ruben, Jakobs eerstgeborene, Simeon, Levi, Juda, Issakar en Zebulon. 
[23] Zonen van Lea: Jakobs oudste zoon Ruben, en verder Simeon, Levi, Juda, Issachar en Zebulon. 
; 23 de zonen van Lea: Jakobs eersteling Ruben; Simeon, Levi en Juda, Issachar en Zebulon;  23. Les fils de Léa : le premier-né de Jacob, Ruben, puis Siméon, Lévi, Juda, Issachar et Zabulon. 

King James Bible . [23] The sons of Leah; Reuben, Jacob's firstborn, and Simeon, and Levi, and Judah, and Issachar, and Zebulun:
Luther-Bibel . 23 Die Söhne Leas waren diese: Ruben, der erstgeborene Sohn Jakobs, Simeon, Levi, Juda, Issachar und Sebulon.

Tekstuitleg van Gn 35,23 . Het vers Gn 35,23 telt 10 (2 X 5) woorden en 47 letters . De getalwaarde van Gn 35,23 is 1972 (2² X 17 X 29) . Gn 35,23b telt 5 woorden en 19 letters . Gn 35,23-26 telt 33 (3 X 11) woorden en 132 (2² X 3 X 11 OF 11 X 12) . Samen met Gn 35,22b telt het 38 (2 X 19) woorden en 151 (priemgetal) letters . In Gn 35,23-26 worden de zonen van Jakob opgesomd . De volgorde is : Lea , Rachel , Bilha (de bijvrouw van Rachel) en Zilpa (de bijvrouw van Lea) . Lea en Zilpa, de bijvrouw van Lea , vormen de buitenste kring ; Rachel en Bilha , de bijvrouw van Rachel , vormen de binnenste kring . Eerst de 6 zonen van Lea : Ruben , Simeon , Levi , Juda , Issakar , Zebulon . Dan de 2 zonen van Rachel : Jozef en Benjamin . Dan de 2 zonen van Bilha , de bijvrouw van Rachel : Dan en Neftali . Tenslotte de 2 zonen van Zilpa , de bijvrouw van Lea : Gad en Aser . In Ex 1,2-4 wordt de opsomming van de zonen van Jakob op dezelfde wijze gestructureerd .

5. rë´ûbhen (Ruben) . Taalgebruik in Tenakh : rë´ûbhen (Ruben) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , waw = 6 , ben = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 43 OF 259 (7 X 37) . Structuur : 2 - 1 - 6 - 2 - 5 . Tenakh (65) . Pentateuch (34) . Eerdere Profeten (22) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (6) . Gn (12) : (1) Gn 29,32 . (2) Gn 30,14 . (3) Gn 35,22 . (4) Gn 35,23 . (5) Gn 37,21 . (6) Gn 37,22 . (7) Gn 37,29 . (8) Gn 42,22 . (9) Gn 42,37 . (10) Gn 46,8 . (11) Gn 46,9 . (12) Gn 49,3 . Ex (2) : (1) Ex 1,2 . (2) Ex 6,14 . rë´ûbhen < act. imper. 2de pers. mann. mv. rë´û (ziet) en ben (zoon) -> ziet een zoon . De etymologische verklaring van Gn 29,32 is : kî râ´âh JHWH bë`ânëjî (want JHWH keek naar mijn vernedering) . In râ´âh (hij keek) zit de resj en de aleph ; in bë`ônëjî (naar mijn vernedering) de beth , de o-klank (`ânë) , de nun . Hij is de oudste zoon van Lea , dochter van Laban en de oudere zus van Rachel en Jakob (zoon van Izaak) . Hij is Jakobs eerstgeborene . Zijn broers (uit Lea en Jakob) zijn : Simeon , Levi , Juda , Issakar , Zebulon ; zijn halfbroers uit Zilpa , de bijvrouw van Lea , en Jakob zijn : Gad en Neftali . In Nu 32 spreken de Rubenieten tot Mozes hun wens uit om zich in het Overjordaanse te vestigen . In Joz 22 hebben zij zich er gevestigd .

Gn 35,24 - Gn 35,24 : Dood van Rachel en Isaak - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 - Gn 35,1-15 - Gn 35,16-29 -- Gn 35,16 - Gn 35,17 - Gn 35,18 - Gn 35,19 - Gn 35,20 - Gn 35,21 - Gn 35,22 - Gn 35,23 - Gn 35,24 - Gn 35,25 - Gn 35,26 - Gn 35,27 - Gn 35,28 - Gn 35,29 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
24uioi de rachèl iôsèf kai beniamin  24 filii Rahel Ioseph et Beniamin   24 De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin. [24] De zonen van Rachel waren Jozef en Benjamin. [24] Zonen van Rachel: Jozef en Benjamin.   24 (35:23) de zonen van Rachel: Jozef en Benjamin;  24. Les fils de Rachel : Joseph et Benjamin.  

King James Bible . [24] The sons of Rachel; Joseph, and Benjamin:
Luther-Bibel . 24 Die Söhne Rahels waren: Josef und Benjamin.

Tekstuitleg van Gn 35,24 . Het vers Gn 35,24 telt 4 (2²) woorden en 16 (2 X 2³) letters . De getalwaarde van Gn 35,24 is 614 (2 X 307) .

Gn 35,25 - Gn 35,25 : Dood van Rachel en Isaak - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 - Gn 35,1-15 - Gn 35,16-29 -- Gn 35,16 - Gn 35,17 - Gn 35,18 - Gn 35,19 - Gn 35,20 - Gn 35,21 - Gn 35,22 - Gn 35,23 - Gn 35,24 - Gn 35,25 - Gn 35,26 - Gn 35,27 - Gn 35,28 - Gn 35,29 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
25uioi de ballas paidiskès rachèl dan kai nefthali 25 filii Balae ancillae Rahelis Dan et Nepthalim    25 En de zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Nafthali.  [25] De zonen van Bilha, de slavin van Rachel, waren Dan en Naftali.   [25] Zonen van Rachels slavin Bilha: Dan en Naftali. 25 de zonen van Bilha, Rachels slavin: Dan en Naftali;  25. Les fils de Bilha, la servante de Rachel : Dan et Nephtali. 

King James Bible . [25] And the sons of Bilhah, Rachel's handmaid; Dan, and Naphtali:
Luther-Bibel . 25 Die Söhne Bilhas, Rahels Magd: Dan und Naftali. 26Die Söhne Silpas, Leas Magd: Gad und Asser. Das sind die Söhne Jakobs, die ihm geboren sind in Mesopotamien. Jakobs Heimkehr. Isaaks Tod

Tekstuitleg van Gn 35,25 . Het vers Gn 35,25 telt 6 (2 X 3) woorden en 23 letters .

Gn 35,26 - Gn 35,26 : Dood van Rachel en Isaak - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 - Gn 35,1-15 - Gn 35,16-29 -- Gn 35,16 - Gn 35,17 - Gn 35,18 - Gn 35,19 - Gn 35,20 - Gn 35,21 - Gn 35,22 - Gn 35,23 - Gn 35,24 - Gn 35,25 - Gn 35,26 - Gn 35,27 - Gn 35,28 - Gn 35,29 -
<
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
26uioi de zelfas paidiskès leias gad kai asèr outoi uioi iakôb oi egenonto autô en mesopotamia tès surias  26 filii Zelphae ancillae Liae Gad et Aser hii filii Iacob qui nati sunt ei in Mesopotamiam Syriae    26 En de zonen van Zilpa, Lea's dienstmaagd: Gad en Aser. Deze zijn de zonen van Jakob, die hem geboren zijn in Paddan-aram.   [26] De zonen van Zilpa, de slavin van Lea, waren Gad en Aser. Dat zijn de zonen van Jakob, die in Paddan-Aram geboren zijn.  [26] Zonen van Lea’s slavin Zilpa: Gad en Aser. Dit waren de zonen van Jakob, die hij in Paddan-Aram kreeg.  26 de zonen van Zilpa, Lea’s slavin: Gad en Aser; dat zijn de zonen van Jakob die hem zijn gebaard in Padan Aram.  26. Les fils de Zilpa, la servante de Léa : Gad et Asher. Tels sont les fils qui furent enfantés à Jacob en Paddân-Aram.  

King James Bible . [26] And the sons of Zilpah, Leah's handmaid; Gad, and Asher: these are the sons of Jacob, which were born to him in Padan-aram.
Luther-Bibel . 26 Die Söhne Silpas, Leas Magd: Gad und Asser. Das sind die Söhne Jakobs, die ihm geboren sind in Mesopotamien.

Tekstuitleg van Gn 35,26 . Het vers Gn 35,26 telt 13 woorden en 46 (2 X 23) letters . De getalwaarde van Gn 35,26 is 2766 (2 X 3 X 461) .

Gn 35,27 - Gn 35,27 : Dood van Rachel en Isaak - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 - Gn 35,1-15 - Gn 35,16-29 -- Gn 35,16 - Gn 35,17 - Gn 35,18 - Gn 35,19 - Gn 35,20 - Gn 35,21 - Gn 35,22 - Gn 35,23 - Gn 35,24 - Gn 35,25 - Gn 35,26 - Gn 35,27 - Gn 35,28 - Gn 35,29 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
27èlthen de iakôb pros isaak ton patera autou eis mambrè eis polin tou pediou autè estin chebrôn en gè chanaan ou parôkèsen abraam kai isaak  27 venit etiam ad Isaac patrem suum in Mambre civitatem Arbee haec est Hebron in qua peregrinatus est Abraham et Isaac    27 En Jakob kwam tot Izak, zijn vader, in Mamre, te Kirjath-arba, hetwelk is Hebron, waar Abraham als vreemdeling had verkeerd, en Izak. 
[27] Jakob ging naar zijn vader Isaak, in Mamre bij Kirjat-Arba, nu Hebron geheten, de woonplaats van Abraham en van Isaak.

[27] Ten slotte kwam Jakob terug bij zijn vader Isaak in Mamre, bij Kirjat-Arba, dat nu Hebron heet, de woonplaats van Abraham en van Isaak.  
27 Jakob komt wonen bij zijn vader Isaak te Mamree, bij Kirjat Arba,– dat is Hebron, waar Abraham zwerver–te–gast is geweest en Isaak ook.  27. Jacob arriva chez son père Isaac, à Mambré, à Qiryat-Arba, - c'est Hébron, - où séjournèrent Abraham et Isaac. 

King James Bible . [27] And Jacob came unto Isaac his father unto Mamre, unto the city of Arbah, which is Hebron, where Abraham and Isaac sojourned.
Luther-Bibel . 27 Und Jakob kam zu seinem Vater Isaak nach Mamre, nach Kirjat-Arba, das ist Hebron, wo Abraham und Isaak als Fremdlinge gelebt hatten.

Tekstuitleg van Gn 35,27 .

13. sj-m . sjâm (daar) OF sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17) . Structuur : 3 - 4 . Gr. onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in de Septuaginta : onoma (naam) . Stam : N ... M . Lat. nomen . Fr. nom . Ned. naam . D. Name . Eng. name . Een vorm van onoma (naam) in de LXX (1045) , in het NT (228) . Tenakh (684) . Pentateuch (190) . Eerdere Profeten (190) . Latere Profeten (136) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (145) . Gn (89) . Gn 35 (5) : (1) Gn 35,1 . (2) Gn 35,3 . (3) Gn 35,7 . (4) Gn 35,15 . (5) Gn 35,27 .

Gn 35,28 - Gn 35,28 : Dood van Rachel en Isaak - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 - Gn 35,1-15 - Gn 35,16-29 -- Gn 35,16 - Gn 35,17 - Gn 35,18 - Gn 35,19 - Gn 35,20 - Gn 35,21 - Gn 35,22 - Gn 35,23 - Gn 35,24 - Gn 35,25 - Gn 35,26 - Gn 35,27 - Gn 35,28 - Gn 35,29 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
28egenonto de ai èmerai isaak as ezèsen etè ekaton ogdoèkonta  28 et conpleti sunt dies Isaac centum octoginta annorum    28 En de dagen van Izak waren honderd jaren, en tachtig jaren.  [28] Toen Isaak honderdtachtig jaar was   [28] Isaak leefde honderdtachtig jaar.  28 De dagen van Isaak worden honderd jaar en tachtig jaar.   28. La durée de la vie d'Isaac fut de cent quatre-vingts ans, 

King James Bible . [28] And the days of Isaac were an hundred and fourscore years.
Luther-Bibel . 28 Und Isaak wurde hundertundachtzig Jahre alt,

Tekstuitleg van Gn 35,28 .
Bij de aartsvaders Abraham , Isaak en Jakob spelen de getallen van hun leeftijden een symbolische betekenis .
- Abraham werd 175 jaar oud . 175 = 5² X 7 . (Gn 25,7) . Merkwaardig is de plaats van dit vers in de bijbel : het 25ste hoofdstuk en het 7de vers .
- Isaak werd 180 jaar oud . 180 = 6² X 5 . (Gn 35,28) .
- Jakob werd 147 jaar oud . 147 = 7² X 3 . (Gn 49,33) . Ook hier is de plaats van dit vers in de bijbel merkwaardig : het 49ste hoofdstuk en het 33ste vers .
Het product van drie opeenvolgende getallen ( 5 - 6 - 7) in het kwadraat , opklimmend , met drie onpare getallen afdalend .
- Jozef leefde 110 jaar . 110 = 5² + 6² + 7² . De som van drie opeenvolgende getallen in het kwadraat . (Gn 50,22) . Deze plaats in de bijbel is wellicht ook merkwaardig . 5 (50ste hoofdstuk) X 22 = 110 .

4. - 5. מְאַת שָׁנָה = mëath sjânâh (100 jaar) . Tenakh (5) : (1) Gn 11,10 . (2) Gn 21,5 . (3) Gn 25,7 . (4) Gn 25,17 . (5) Gn 35,28

Gn 35,29 - Gn 35,29 : Dood van Rachel en Isaak - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 35 - Gn 35,1-15 - Gn 35,16-29 -- Gn 35,16 - Gn 35,17 - Gn 35,18 - Gn 35,19 - Gn 35,20 - Gn 35,21 - Gn 35,22 - Gn 35,23 - Gn 35,24 - Gn 35,25 - Gn 35,26 - Gn 35,27 - Gn 35,28 - Gn 35,29 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
29kai eklipôn apethanen kai prosetethè pros to genos autou presbuteros kai plèrès èmerôn kai ethapsan auton èsau kai iakôb oi uioi autou   29 consumptusque aetate mortuus est et adpositus populo suo senex et plenus dierum et sepelierunt eum Esau et Iacob filii sui     29 En Izak gaf den geest en stierf, en werd verzameld tot zijn volken, oud en zat van dagen; en zijn zonen Ezau en Jakob begroeven hem.  [29] gaf hij de geest en stierf; oud en verzadigd van jaren werd hij met zijn voorvaderen verenigd; zijn zonen Esau en Jakob begroeven hem.  [29] Toen blies hij de laatste adem uit en werd hij met zijn voorouders verenigd, na een lang leven. Hij werd begraven door zijn zonen Esau en Jakob.  29 Isaak overlijdt: hij sterft en wordt verzameld bij zijn medemensen, oud en verzadigd van dagen; hem begraven Esau en Jakob, zijn zonen. •   29. et Isaac expira. Il mourut et il fut réuni à sa parenté, âgé et rassasié de jours; ses fils Ésaü et Jacob l'ensevelirent.  

King James Bible .[29] And Isaac gave up the ghost, and died, and was gathered unto his people, being old and full of days: and his sons Esau and Jacob buried him.
Luther-Bibel . 29 verschied und starb und wurde versammelt zu seinen Vätern, alt und lebenssatt. Und seine Söhne Esau und Jakob begruben ihn.

Tekstuitleg van Gn 35,29 .

10. וַיִּקְבְּרוּ = wajjiqëbërû (en zij begroeven) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. קָבַר = qâbhar (begraven) . Taalgebruik in Tenakh : qâbhar (begraven) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 OF 302 (2 X 151) . Structuur : 1 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (23) : (1) Gn 25,9 . (2) Gn 35,29 . (3) Gn 50,13 . (4) Joz 24,30 . (5) Joz 24,33 . (6) Re 2,9 . (7) Re 16,31 . (8) 1 S 31,13 . (9) 2 S 3,32 . (10) 2 S 4,12 . (11) 2 S 21,14 . (12) 1 K 14,18 . (13) 1 K 15,8 . (14) 1 K 22,37 . (15) 2 K 9,28 . (16) 2 K 10,35 . (17) 2 K 12,22 . (18) 2 K 15,7 . (19) 1 Kr 10,12 . (20) 2 Kr 13,23 . (21) 2 Kr 25,28 . (22) 2 Kr 26,23 . (23) 2 Kr 27,9 .


1eipen de o theos pros iakôb anastas anabèthi eis ton topon baithèl kai oikei ekei kai poièson ekei thusiastèrion tô theô tô ofthenti soi en tô apodidraskein se apo prosôpou èsau tou adelfou sou2eipen de iakôb tô oikô autou kai pasin tois met' autou arate tous theous tous allotrious tous meth' umôn ek mesou umôn kai katharisasthe kai allaxate tas stolas umôn3kai anastantes anabômen eis baithèl kai poièsômen ekei thusiastèrion tô theô tô epakousanti moi en èmera thlipseôs os èn met' emou kai diesôsen me en tè odô è eporeuthèn4kai edôkan tô iakôb tous theous tous allotrious oi èsan en tais chersin autôn kai ta enôtia ta en tois ôsin autôn kai katekrupsen auta iakôb upo tèn tereminthon tèn en sikimois kai apôlesen auta eôs tès sèmeron èmeras5kai exèren israèl ek sikimôn kai egeneto fobos theou epi tas poleis tas kuklô autôn kai ou katediôxan opisô tôn uiôn israèl6èlthen de iakôb eis louza è estin en gè chanaan è estin baithèl autos kai pas o laos os èn met' autou7kai ôkodomèsen ekei thusiastèrion kai ekalesen to onoma tou topou baithèl ekei gar epefanè autô o theos en tô apodidraskein auton apo prosôpou èsau tou adelfou autou8apethanen de debbôra è trofos rebekkas katôteron baithèl upo tèn balanon kai ekalesen iakôb to onoma autès balanos penthous9ôfthè de o theos iakôb eti en louza ote paregeneto ek mesopotamias tès surias kai èulogèsen auton o theos10kai eipen autô o theos to onoma sou iakôb ou klèthèsetai eti iakôb all' israèl estai to onoma sou11eipen de autô o theos egô o theos sou auxanou kai plèthunou ethnè kai sunagôgai ethnôn esontai ek sou kai basileis ek tès osfuos sou exeleusontai12kai tèn gèn èn dedôka abraam kai isaak soi dedôka autèn soi estai kai tô spermati sou meta se dôsô tèn gèn tautèn13anebè de o theos ap' autou ek tou topou ou elalèsen met' autou14kai estèsen iakôb stèlèn en tô topô ô elalèsen met' autou stèlèn lithinèn kai espeisen ep' autèn spondèn kai epecheen ep' autèn elaion15kai ekalesen iakôb to onoma tou topou en ô elalèsen met' autou ekei o theos baithèl16aparas de iakôb ek baithèl epèxen tèn skènèn autou epekeina tou purgou gader egeneto de ènika èggisen chabratha eis gèn elthein efratha eteken rachèl kai edustokèsen en tô toketô17egeneto de en tô sklèrôs autèn tiktein eipen autè è maia tharsei kai gar outos soi estin uios18egeneto de en tô afienai autèn tèn psuchèn apethnèsken gar ekalesen to onoma autou uios odunès mou o de patèr ekalesen auton beniamin19apethanen de rachèl kai etafè en tè odô efratha autè estin bèthleem20kai estèsen iakôb stèlèn epi tou mnèmeiou autès autè estin stèlè mnèmeiou rachèl eôs tès sèmeron èmeras22egeneto de ènika katôkèsen israèl en tè gè ekeinè eporeuthè roubèn kai ekoimèthè meta ballas tès pallakès tou patros autou kai èkousen israèl kai ponèron efanè enantion autou èsan de oi uioi iakôb dôdeka23uioi leias prôtotokos iakôb roubèn sumeôn leui ioudas issachar zaboulôn24uioi de rachèl iôsèf kai beniamin25uioi de ballas paidiskès rachèl dan kai nefthali26uioi de zelfas paidiskès leias gad kai asèr outoi uioi iakôb oi egenonto autô en mesopotamia tès surias27èlthen de iakôb pros isaak ton patera autou eis mambrè eis polin tou pediou autè estin chebrôn en gè chanaan ou parôkèsen abraam kai isaak28egenonto de ai èmerai isaak as ezèsen etè ekaton ogdoèkonta29kai eklipôn apethanen kai prosetethè pros to genos autou presbuteros kai plèrès èmerôn kai ethapsan auton èsau kai iakôb oi uioi autou


1 interea locutus est Deus ad Iacob surge et ascende Bethel et habita ibi facque altare Deo qui apparuit tibi quando fugiebas Esau fratrem tuum 2 Iacob vero convocata omni domo sua ait abicite deos alienos qui in medio vestri sunt et mundamini ac mutate vestimenta vestra 3 surgite et ascendamus in Bethel ut faciamus ibi altare Deo qui exaudivit me in die tribulationis meae et fuit socius itineris mei 4 dederunt ergo ei omnes deos alienos quos habebant et inaures quae erant in auribus eorum at ille infodit ea subter terebinthum quae est post urbem Sychem 5 cumque profecti essent terror Dei invasit omnes per circuitum civitates et non sunt ausi persequi recedentes 6 venit igitur Iacob Luzam quae est in terra Chanaan cognomento Bethel ipse et omnis populus cum eo 7 aedificavitque ibi altare et appellavit nomen loci Domus Dei ibi enim apparuit ei Deus cum fugeret fratrem suum 8 eodem tempore mortua est Debbora nutrix Rebeccae et sepulta ad radices Bethel subter quercum vocatumque est nomen loci quercus Fletus 9 apparuit autem iterum Deus Iacob postquam reversus est de Mesopotamiam Syriae benedixitque ei 10 dicens non vocaberis ultra Iacob sed Israhel erit nomen tuum et appellavit eum Israhel 11 dixitque ei ego Deus omnipotens cresce et multiplicare gentes et populi nationum erunt ex te reges de lumbis tuis egredientur 12 terramque quam dedi Abraham et Isaac dabo tibi et semini tuo post te 13 et recessit ab eo 14 ille vero erexit titulum lapideum in loco quo locutus ei fuerat Deus libans super eum libamina et effundens oleum 15 vocansque nomen loci Bethel 16 egressus inde venit verno tempore ad terram quae ducit Efratham in qua cum parturiret Rahel 17 ob difficultatem partus periclitari coepit dixitque ei obsetrix noli timere quia et hunc habebis filium 18 egrediente autem anima prae dolore et inminente iam morte vocavit nomen filii sui Benoni id est filius doloris mei pater vero appellavit eum Beniamin id est filius dexterae 19 mortua est ergo Rahel et sepulta in via quae ducit Efratham haec est Bethleem 20 erexitque Iacob titulum super sepulchrum eius hic est titulus monumenti Rahel usque in praesentem diem 21 egressus inde fixit tabernaculum trans turrem Gregis 22 cumque habitaret in illa regione abiit Ruben et dormivit cum Bala concubina patris sui quod illum minime latuit erant autem filii Iacob duodecim 23 filii Liae primogenitus Ruben et Symeon et Levi et Iudas et Isachar et Zabulon 24 filii Rahel Ioseph et Beniamin 25 filii Balae ancillae Rahelis Dan et Nepthalim 26 filii Zelphae ancillae Liae Gad et Aser hii filii Iacob qui nati sunt ei in Mesopotamiam Syriae 27 venit etiam ad Isaac patrem suum in Mambre civitatem Arbee haec est Hebron in qua peregrinatus est Abraham et Isaac 28 et conpleti sunt dies Isaac centum octoginta annorum 29 consumptusque aetate mortuus est et adpositus populo suo senex et plenus dierum et sepelierunt eum Esau et Iacob filii sui


TAALGEBRUIK


COMMENTAAR


- A - B

- be(j)th ´el (Betel) . Tenakh (39) . Gn (8) : (1) Gn 12,8 . (2) Gn 13,3 . (3) Gn 28,19 . (4) Gn 31,13 . (5) Gn 31,13 . (6) Gn 35,6 . (7) Gn 35,7 . (8) Gn 35,15 . Ook nog Tenakh (7) : (1) Gn 35,1 . (2) Re 20,18 . (3) Re 20,26 . (4) Re 20,31 . (5) Ezr 2,28. (6) Neh 7,32 . (7) Am 4,4 .

- C - D - E - F - G - H

- wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij/het was) van het werkw. hâjâh (zijn) . De getalwaarde van wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 . Totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Gn 35 (6) : (1) Gn 35,3 . (2) Gn 35,5 . (3) Gn 35,16 . (4) Gn 35,17 . (5) Gn 35,18 . (6) Gn 35,22 .

- I - J - K - L - M - N - O - P - Q

- wajjiqërâ´(en hij riep, hij heet, hij noemde) < waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô (roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148) . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 35 () : (1) Gn 35,7 . (2) Gn 35,8 . (3) Gn 35,10 . (4) Gn 35,15 .

- R - S

- sj-m . sjâm (daar) OF sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17) . Structuur : 3 - 4 . Gr. onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in de Septuaginta : onoma (naam) . Stam : N ... M . Lat. nomen . Fr. nom . Ned. naam . D. Name . Eng. name . Een vorm van onoma (naam) in de LXX (1045) , in het NT (228) . Tenakh (684) . Pentateuch (190) . Eerdere Profeten (190) . Latere Profeten (136) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (145) . Gn (89) . Gn 35 (5) : (1) Gn 35,1 . (2) Gn 35,3 . (3) Gn 35,7 . (4) Gn 35,15 . (5) Gn 35,27 .

- T - U - V - W - X -Y - Z -