- WEBSITEWEGWIJZER - Genesis 50 - Gn 50 -- Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -
- Gn 49,29-50,14 : De begrafenis van Jakob -- Gn 50,15-21 : De laatste jaren van Jozef -- Gn 50,22-26 : De dood van Jozef -

Overzicht van Genesis : - Gn 1 - Gn 2 - Gn 3 - Gn 4 - Gn 5 - Gn 6 - Gn 7 - Gn 8 - Gn 9 - Gn 10 - Gn 11 - Gn 12 - Gn 13 - Gn 14 - Gn 15 - Gn 16 - Gn 17 - Gn 18 - Gn 19 - Gn 20 - Gn 21 - Gn 22 - Gn 23 - Gn 24 - Gn 25 - Gn 26 - Gn 27 - Gn 28 - Gn 29 - Gn 30 - Gn 31 - Gn 32 - Gn 33 - Gn 34 - Gn 35 - Gn 36 - Gn 37 - Gn 38 - Gn 39 - Gn 40 - Gn 41 - Gn 42 - Gn 43 - Gn 44 - Gn 45 - Gn 46 - Gn 47 - Gn 48 - Gn 49 - Gn 50 -

- Gn 50,1 - Gn 50,2 - Gn 50,3 - Gn 50,4 - Gn 50,5 - Gn 50,6 - Gn 50,7 - Gn 50,8 - Gn 50,9 - Gn 50,10 - Gn 50,11 - Gn 50,12 - Gn 50,13 - Gn 50,14 - Gn 50,15 - Gn 50,16 - Gn 50,17 - Gn 50,18 - Gn 50,19 - Gn 50,20 - Gn 50,21 - Gn 50,22 - Gn 50,23 - Gn 50,24 - Gn 50,25 - Gn 50,26 -


ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 

- Hebreeuwse tekst : http://www.mechon-mamre.org/p/pt/pt0150.htm . http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Hebreeuws OF modern Hebreeuws (NT) .
- Targum Onkelos : http://www.mechon-mamre.org/i/t/u/u0150.htm . Targum Onkelos . Vertaling : http://targum.info/onk/Gen47_50.htm . Vertaling Pseudo-Jonathan : http://targum.info/pj/pjgen47-50.htm .
- Griekse tekst - Septuaginta : http://www.myriobiblos.gr/bible/ot/chapter.asp?book=1&page=50 . Griekse tekst - Septuaginta .
- Vulgata : http://www.intratext.com/IXT/LAT0001/_P1E.HTM . Vulgata .
- Statenvertaling : http://www.statenvertaling.net/bijbel/gene/50.html . Statenvertaling .
- Willibrordvertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/index.php?p=page&i=1514,1539 . Willibrordvertaling .
- De Nieuwe Vertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/index.php?p=page&i=1514,1539 . De Nieuwe Vertaling .
- De Naardense bijbel : http://naardensebijbel.nl/zoek.php . De Naardense bijbel .
- Bible de Jérusalem : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Bible de Jérusalem .
- King James Bible : http://quod.lib.umich.edu/cgi/k/kjv/kjv-idx?type=DIV1&byte=1477 . King James Bible .
- Luther Bibel : http://www.die-bibel.de/online-bibeln/luther-bibel-1984/bibeltext/bibelstelle/1%20Mose%2050/bibel/text/lesen/ch/a78931497b78834a7147056f4ced84e2/ . Luther Bibel .
- Arabisch : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Arabisch .


Gn 49,29-50,14 . De begrafenis van Jakob - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- bijbelverwijzingen -- Gn 49,29-50,14 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,22-26 -- Gn 50,1 - Gn 50,2 - Gn 50,3 - Gn 50,4 - Gn 50,5 - Gn 50,6 - Gn 50,7 - Gn 50,8 - Gn 50,9 - Gn 50,10 - Gn 50,11 - Gn 50,12 - Gn 50,13 - Gn 50,14 -

Gn 50,1 - Gn 50,1 . De begrafenis van Jakob - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- bijbelverwijzingen -- Gn 49,29-50,14 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,22-26 -- Gn 50,1 - Gn 50,2 - Gn 50,3 - Gn 50,4 - Gn 50,5 - Gn 50,6 - Gn 50,7 - Gn 50,8 - Gn 50,9 - Gn 50,10 - Gn 50,11 - Gn 50,12 - Gn 50,13 - Gn 50,14 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1kai epipesôn iôsèf epi to prosôpon tou patros autou eklausen ep' auton kai efilèsen auton  1 quod cernens Ioseph ruit super faciem patris flens et deosculans eum    1 Toen viel Jozef op zijns vaders aangezicht, en hij weende over hem, en kuste hem.   [1] Toen wierp Jozef zich op zijn vader, weende over hem en kuste hem.  [1] Jozef boog zich over zijn vader heen en kuste huilend zijn gezicht.   1 ¶ Jozef valt neer op het aanschijn van zijn vader; hij weent over hem en kust hem.  1. Alors Joseph se jeta sur le visage de son père, le couvrit de larmes et de baisers. 

King James Bible . [1] And Joseph fell upon his father's face, and wept upon him, and kissed him.
Luther-Bibel . 1 Da warf sich Josef über seines Vaters Angesicht und weinte über ihm und küsste ihn.

Tekstuitleg van Gn 50,1 . Het vers Gn 50,1 telt 9 (3²) woorden en 31 letters . De getalwaarde van Gn 50,1 is 1147 (31 X 37) . Het vers bestaat uit 3 nevenschikkende zinnen .

Gn 50,1.1. prefix waw consecutivum wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיִּפֹל = wajjippol (en hij viel) van het werkw. נָפַל = nâphal (vallen) . Taalgebruik in Tenakh : nâphal (vallen) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , pe = 17 of 80 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 43 of 160 . Structuur : 50 - 80 - 30 (5 - 8 - 3) . De som van de elementen is telkens 7 . wjjpl : Tenakh (50) . Pentateuch (12) . Eerdere Profeten (25) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (11) .
- een woord met dezelfde structuur is nâchâsj (slang) . Taalgebruik in Tenakh : nâchâsj (slang) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 ; chet = 8 , sjin = 21 of 300 ; totaal : 43 (16 + 23) of 358 (2 X 179) . Structuur : 50 - 8 - 300 (5 - 8 - 3) . De som van de elementen is telkens 7 . Evenzo nèphèsj (geest) . Taalgebruik in Tenakh : nèphèsj (geest) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , phe = 17 of 80 , sjin = 21 of 300 ; totaal : 52 (2 X 26) of 430 10 X 43) . Structuur : 50 - 80 - 300 (5 - 8 - 3) .
- Ned. : vallen . D. : fallen . E. : to fall . Fr. : tomber . Grieks : πιπτω = piptô (vallen) . Taalgebruik in het NT : piptô (vallen) . Hebreeuws : נָפַל = nâphal (vallen) . Taalgebruik in Tenakh : nâphal (vallen) . Latijn : cadere .

Gn 50,1.2. יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profetezn (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) . Gn 50 : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,4 . (4) Gn 50,7 . (5) Gn 50,8 . (6) Gn 50,14 . (7) Gn 50,15 . (8) Gn 50,16 . (9) Gn 50,17 . (10) Gn 50,19 . (11) Gn 50,22 . (12) Gn 50,23 . (13) Gn 50,24 . (14) Gn 50,25 . (15) Gn 50,26 . Ex (3) : (1) Ex 1,6 . (2) Ex 1,8 . (3) Ex 13,19 . Zevenmaal in Gn 50,22-26 . In zes zinnen is Jôseph (Jozef) onderwerp en staat op de tweede plaats in de zin na het werkwoord in de imperfectum consecutivum .
- Grieks . ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34/35) . Gn (143) . Ex (4) .
- Arabisch : يُوسُفُ = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Koran : jusuf (Jusuf) .

Gn 50,1.4. stat. constr. mann. mv. פְנֵי = pëne(j) (aanschijn van) van het zelfst. naamw. פָּנִים= panîm (gezicht, aangezicht) . Taalgebruik in Tenakh : panîm (gezicht, aangezicht) . Getalwaarde : pe = 17 of 80 , nun = 14 of 50 , mem = 13 of 40 ; totaal : 44 (4 X 11) OF 170 . Structuur : 8 - 5 - 4 . De som van de elementen is 8 . Tenakh (327) . Pentateuch (108) . Eerdere Profeten (62) . Latere Profeten (72) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (71) .

Gn 50,1.5. אָבִיו = abhîw (zijn vader) < mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . ´abh (vader) . Taalgebruik in Tenakh : ´abh (vader) . Getalwaarde : alelph = 1 , beth = 2 ; totaal 3 . Structuur : 1 - 2 . Tenakh (175) . Pentateuch (64) . Eerdere Profeten (64) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (37) . Gn (51) . Gn 50 (6) : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,7 . (4) Gn 50,8 . (5) Gn 50,14 . (6) Gn 50,22 .

Gn 50,1.4. - 5. עַל פְנֵי = `al pëne(j) (aanschijn van) . LXX (135) . Gn 1 (3) : (1) Gn 1,2 (2X) . (2) Gn 1,20 . (3) Gn 1,29 .


Gn 50,2 - Gn 50,2 . De begrafenis van Jakob - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- bijbelverwijzingen -- Gn 49,29-50,14 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,22-26 -- Gn 50,1 - Gn 50,2 - Gn 50,3 - Gn 50,4 - Gn 50,5 - Gn 50,6 - Gn 50,7 - Gn 50,8 - Gn 50,9 - Gn 50,10 - Gn 50,11 - Gn 50,12 - Gn 50,13 - Gn 50,14 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2kai prosetaxen iôsèf tois paisin autou tois entafiastais entafiasai ton patera autou kai enetafiasan oi entafiastai ton israèl  2 praecepitque servis suis medicis ut aromatibus condirent patrem    2 En Jozef gebood zijn knechten, den medicijnmeesters, dat zij zijn vader balsemen zouden; en de medicijnmeesters balsemden Israël.  [2] En hij gaf de geneesheren die in zijn dienst waren de opdracht om zijn vader Israël te balsemen, en de geneesheren deden dat.   [2] Hij droeg de artsen die hij in dienst had op om zijn vader te balsemen, en zij deden wat hij hun opdroeg.  2 Dan gebiedt Jozef de geneesheren in zijn dienst om zijn vader te balsemen; dus balsemen de geneesheren Israël.  2. Puis Joseph donna aux médecins qui étaient à son service l'ordre d'embaumer son père, et les médecins embaumèrent Israël. 

King James Bible .[2] And Joseph commanded his servants the physicians to embalm his father: and the physicians embalmed Israel.
Luther-Bibel . 2 Und Josef befahl seinen Dienern, den Ärzten, dass sie seinen Vater zum Begräbnis salbten. Und die Ärzte salbten Israel,

Tekstuitleg van Gn 50,2 . Het vers Gn 50,2 telt 13 woorden en 52 (2² X 13) letters ; verhouding : 1 op 4 . De getalswaarde van Gn 50,2 is 3382 (2 X 19 X 89) .

Bibliografie
- Kats W., Tellen tot veertig . Bijbelstudies over de periode van veertig dagen in de heilige Schrift , Heerenveen , Barnabas , 1998 , blz. 33-37 .

Gn 50,2.2. יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalswaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Structuur : 1 - 6 - 6 - 8 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) . Gn 50 (15) : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,4 . (4) Gn 50,7 . (5) Gn 50,8 . (6) Gn 50,14 . (7) Gn 50,15 . (8) Gn 50,16 . (9) Gn 50,17 . (10) Gn 50,19 . (11) Gn 50,22 . (12) Gn 50,23 . (13) Gn 50,24 . (14) Gn 50,25 . (15) Gn 50,26 . Ex (3) : (1) Ex 1,6 . (2) Ex 1,8 . (3) Ex 13,19 . Zevenmaal in Gn 50,22-26 . In zes zinnen is Jôseph (Jozef) onderwerp en staat op de tweede plaats in de zin na het werkwoord in de imperfectum consecutivum .
- Grieks . ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34/35) . Gn (143) . Ex (4) .
- Arabisch : يُوسُفُ = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Qoran : jusuf (Jusuf) .

Gn 50,2.7. וַיַּחַנְטוּ = wajjachanëtû (en zij balsemden) < prefix voorzetsel wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. חָנַט = chânat (balsemen) . Getalswaarde : chet = 8 , nun = 14 of 50 , tet = 9 ; totaal : 31 of 67 (priemgetal) . Structuur : 8 - 5 - 9 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (2) : (1) Gn 50,2 . (2) Gn 50,26 . Het is slechts in de contekst van de 'begrafenis' van Jakob en Jozef dat dit werkw. wordt gebruikt . Het is nodig dat Jakob gebalsemd wordt omdat hij in Kanaän begraven werd . Jef werd gebalsemd omdat hij pas na de intocht van het volk Israël in Kanaän daar begraven werd .
- Grieks . act. ind. aor. 3de pers. mv. ενεταφιασαν = enetafiasan (zij balsemden) van het werkw. ενταφιαζω = entafiazô (voor de begrafenis gereedmaken, balsemen, afleggen, begraven) . Bijbel (1) : Gn 50,2 . Een vorm van ενταφιαζω = entafiazô in de LXX (2) : (1) Gn 50,2 . (2) Gn 50,26 , in het NT (2) : (1) Mt 26,12 . (2) Joh 19,40 .
- Ned.: balsemen . Arabisch : ضمخ = damkh . D. : einbalsamieren . E.: embalm . Fr. : embaumer . Grieks : ενταφιαζω = entafiazô (voor de begrafenis gereedmaken, balsemen, afleggen, begraven) . Hebreeuws : חָנַט = chânat (balsemen) . Lat.: condire .
- Het φατνη = fatnè (krib, ruif) van Lc 2,12 en ενταφιαζω = entafiazô (voor de begrafenis gereedmaken, balsemen, afleggen, begraven) van Gn 50,2 hebben f-t gemeenschappelijk (φατ = fat- , en ταφ = taf- ) , meer nog : ze vormen een spiegelbeeld (φατν - νταφ) . Bij de geboorte van Jezus is Maria het personage van de handelingen ; bij de graflegging van Jakob is een zekere Jozef het personage van de handelingen . Het ingewikkeld worden van het kind Jezus en van de gestorven Jezus doet denken aan een Egyptische mummie . Jozef 'begroef' zijn vader Jakob . In Lc 23,53 is er sprake van een zekere Jozef , misschien de vader van Jezus . Het is niet de zoon , maar misschien is het de vader (Jozef) die zijn zoon Jezus 'begraaft' . 'Waar nog niemand had gelegen' kan erop wijzen dat het graf bestemd was voor die zekere Jozef , misschien de vader van Jezus . Nu wordt de zoon in het graf van de vader gelegd .

- הַחֲנֻטִים = hachänutîm (van hen die worden gebalsemd) < bepaald lidw. ha + werkwoordvorm passief qal part. mann. mv. van het werkw. חָנַט = chânat (balsemen) . Tenakh (1) : Gn 50,3 .
- לַחֲנֹט = lachänot (om te balsemen) < prefix voorzetsel lë + act. qal infin. constructus van het werkw. חָנַט = chânat (balsemen) . Tenakh (1) : Gn 50,2 .
- Grieks . act. ind. aor. 3de pers. mv. εθαψαν = ethapsan (zij begroeven) van het werkw. θαπτω = thaptô (begraven) . Taalgebruik in Tenakh : thaptô (begraven) . Bijbel (43) . OT (40) . NT (3) : (1) Mt 14,12 . (2) Hnd 5,6 . (3) Hnd 5,10 . Gn (7) : (1) Gn 25,9 . (2) Gn 25,10 . (3) Gn 35,29 . (4) Gn 49,31 . (5) Gn 50,12 . (6) Gn 50,13 . (7) Gn 50,26 . Een vorm van θαπτω = thaptô (begraven) in de LXX (177) , in het NT (11) : (1) Mt 8,21 . (2) Mt 8,22 . (3) Mt 14,12 . (4) Lc 9,59 . (5) Lc 9,60 . (6) Lc 16,22 . (7) Hnd 2,29 . (8) Hnd 5,6 . (9) Hnd 5,9 . (10) Hnd 5,10 . (11) 1 Kor 15,4 .
- Grieks . act. ind. aor. 3de pers. mv. ενεταφιασαν = enetafiasan (zij balsemden) van het werkw. ενταφιαζω = entafiazô (voor de begrafenis gereedmaken, balsemen, afleggen, begraven) . Bijbel (1) : Gn 50,2 . Een vorm van ενταφιαζω = entafiazô in de LXX (2) : (1) Gn 50,2 . (2) Gn 50,2 , in het NT (2) : (1) Mt 26,12 . (2) Joh 19,40 .
- act. inf. aor. ενταφιασαι = entafiasai (te balsemen) . Bijbel (1) : Gn 50,2 . Een vorm van ενταφιαζω = entafiazô in de LXX (2) : (1) Gn 50,2 . (2) Gn 50,26 , in het NT (2) : (1) Mt 26,12 . (2) Joh 19,40 .
- Latijn . Een vorm van het werkwoord condire (balsemen) . (1) Gn 50,2 : act. conjunct. praes. 3de pers. mv. condirent (dat zij zouden balsemen) . (2) Gn 50,3 : pass. part. aor. gen. mann. en onz. mv. conditorum (van de gebalsemden) . (3) Gn 50,26 : pass. aor. deelw. nom. mann. enk. conditus (gebalsemd) . Arabisch : حَنَّطَ= channadha (balsemen) . Taalgebruik in de Qoran : channadha (balsemen) .

9. abhîw (zijn vader) < mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . ´abh (vader) . Taalgebruik in Tenakh : ´abh (vader) . Getalwaarde : alelph = 1 , beth = 2 ; totaal 3 . Structuur : 1 - 2 . Tenakh (175) . Pentateuch (64) . Eerdere Profeten (64) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (37) . Gn (51) . Gn 50 (6) : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,7 . (4) Gn 50,8 . (5) Gn 50,14 . (6) Gn 50,22 .

10. וַיַּחַנְטוּ = wajjachanëtû (en zij balsemden) < prefix voorzetsel wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. חָנַט = chânat (balsemen) . Getalwaarde : chet = 8 , nun = 14 of 50 , tet = 9 ; totaal : 31 of 67 (priemgetal) . Structuur : 8 - 5 - 9 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (2) : (1) Gn 50,2 . (2) Gn 50,26 . Het is slechts in de contekst van de 'begrafenis' van Jakob en Jozef dat dit werkw. wordt gebruikt .
- הַחֲנֻטִים = hachänutîm (van hen die worden gebalsemd) < bepaald lidw. ha + werkwoordvorm passief qal part. mann. mv. van het werkw. חָנַט = chânat (balsemen) . Tenakh (1) : Gn 50,3 .
- לַחֲנֹט = lachänot (om te balsemen) < prefix voorzetsel lë + act. qal infin. constructus van het werkw. חָנַט = chânat (balsemen) . Tenakh (1) : Gn 50,2 .
- Grieks . act. ind. aor. 3de pers. mv. εθαψαν = ethapsan (zij begroeven) van het werkw. θαπτω = thaptô (begraven) . Taalgebruik in Tenakh : thaptô (begraven) . Bijbel (43) . OT (40) . NT (3) : (1) Mt 14,12 . (2) Hnd 5,6 . (3) Hnd 5,10 . Gn (7) : (1) Gn 25,9 . (2) Gn 25,10 . (3) Gn 35,29 . (4) Gn 49,31 . (5) Gn 50,12 . (6) Gn 50,13 . (7) Gn 50,26 . Een vorm van θαπτω = thaptô (begraven) in de LXX (177) , in het NT (11) : (1) Mt 8,21 . (2) Mt 8,22 . (3) Mt 14,12 . (4) Lc 9,59 . (5) Lc 9,60 . (6) Lc 16,22 . (7) Hnd 2,29 . (8) Hnd 5,6 . (9) Hnd 5,9 . (10) Hnd 5,10 . (11) 1 Kor 15,4 .
- Grieks . act. ind. aor. 3de pers. mv. ενεταφιασαν = enetafiasan (zij balsemden) van het werkw. ενταφιαζω = entafiazô (voor de begrafenis gereedmaken, balsemen, afleggen, begraven) . Bijbel (1) : Gn 50,2 . Een vorm van ενταφιαζω = entafiazô in de LXX (1) : (1) Gn 50,2 (2 vormen) , in het NT (2) : (1) Mt 26,12 . (2) Joh 19,40 .
- act. inf. aor. ενταφιασαι = entafiasai (te balsemen, begrafenis voor te bereiden) . Bijbel (2) : (1) Gn 50,2 . (2) Mt 26,12 . Een vorm van ενταφιαζω = entafiazô in de LXX (1) : Gn 50,2 (2 vormen) , in het NT (2) : (1) Mt 26,12 . (2) Joh 19,40 .
- Latijn . Een vorm van het werkwoord condire (balsemen) . (1) Gn 50,2 : act. conjunct. praes. 3de pers. mv. condirent (dat zij zouden balsemen) . (2) Gn 50,3 : pass. part. aor. gen. mann. en onz. mv. conditorum (van de gebalsemden) . (3) Gn 50,26 : pass. aor. deelw. nom. mann. enk. conditus (gebalsemd) . Arabisch : حَنَّطَ= channadha (balsemen) . Taalgebruik in de Qoran : channadha (balsemen) .

Gn 50,3 - Gn 50,3 . De begrafenis van Jakob - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- bijbelverwijzingen -- Gn 49,29-50,14 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,22-26 -- Gn 50,1 - Gn 50,2 - Gn 50,3 - Gn 50,4 - Gn 50,5 - Gn 50,6 - Gn 50,7 - Gn 50,8 - Gn 50,9 - Gn 50,10 - Gn 50,11 - Gn 50,12 - Gn 50,13 - Gn 50,14 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3kai eplèrôsan autou tessarakonta èmeras outôs gar katarithmountai ai èmerai tès tafès kai epenthèsen auton aiguptos ebdomèkonta èmeras  3 quibus iussa explentibus transierunt quadraginta dies iste quippe mos erat cadaverum conditorum flevitque eum Aegyptus septuaginta diebus    3 En veertig dagen werden aan hem vervuld; want alzo werden vervuld de dagen dergenen, die gebalsemd werden; en de Egyptenaars beweenden hem zeventig dagen.  [3] Dit nam veertig dagen in beslag, want zo lang duurt de balseming. De Egyptenaren rouwden om hem, zeventig dagen lang.   [3] Het balsemen van Israël duurde veertig dagen (zo lang duurt een balseming), en de Egyptenaren beweenden hem zeventig dagen.  3 Veertig dagen worden daarmee volgemaakt, want zó worden de dagen van het balsemen vervuld; ze bewenen hem,– de Egyptenaren, zeventig dagen lang.  3. Cela dura quarante jours, car telle est la durée de l'embaumement. Les Égyptiens le pleurèrent soixante-dix jours.

King James Bible . [3] And forty days were fulfilled for him; for so are fulfilled the days of those which are embalmed: and the Egyptians mourned for him threescore and ten days.
Luther-Bibel . 3 bis vierzig Tage um waren; denn so lange währen die Tage der Salbung. Und die Ägypter beweinten ihn siebzig Tage.

Tekstuitleg van Gn 50,3 . Het vers Gn 50,3 telt 14 (2 X 7) woorden en 56 (2³ X 7) letters ; verhouding : 1 op 4 . De getalwaarde van Gn 50,3 telt 2186 (2 X 1093) .

Gn 50,3.3. אַרְבָּעִימ = ´arëbâ`îm (veertig , 40) . Taalgebruik in Tenakh : ´arëbâ`îm (veertig . 40) . Getalswaarde : aleph = 1 ; resj = 20 of 200 ; beth = 2 ; ajin = 16 of 70 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 62 of 323 (323) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 7 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (91) . Pentateuch (33) . Eerdere Profeten (26) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (22) . Gn (11) : (1) Gn 5,13 (veertig in combinatie met 840) . (2) Gn 7,4 (veertig dagen en veertig nachten) . (3) Gn 7,12 (watervloed) . (4) Gn 7,17 (watervloed) . (5) Gn 8,6 (watervloed) . (6) Gn 18,28 (45 rechtvaardigen) . (7) Gn 18,29 (tweemaal : 40 rechtvaardigen) . (8) Gn 25,20 (Isaak = 40 jaar , neemt Rebecca tot vrouw) . (9) Gn 26,34 (Esau nam twee vrouwen, toen hij veertig jaar was) . (10) Gn 32,16 (40 koeien) . (11) Gn 50,3 (balseming van Jakob) .
- וְאַרְבָּעִימ = wë´arëbâ`îm (en veertig , 40) . Tenakh (8) : (1) Job 42,16 . (2) Ezr 2,8 . (3) Ezr 2,25 . (4) Neh 7,62 . (5) Neh 7,67 . (6) Neh 9,21 . (7) 1 Kr 19,18 . (8) 2 Kr 24,1 .
- Grieks : τεσσαρακοντα = tessarakonta (40) . Zie : telwoorden . Taalgebruik in het NT : telwoorden . Taalgebruik in de LXX : telwoorden . Bijbel (159) . LXX (159) . Gn (12) : + Gn 47,28 . NT (21) . NT (21) : (1) Mt 4,2 . (2) Mc 1,13 . (3) Lc 4,2 . (4) Joh 2,20 . (5) Hnd 1,3 . (6) Hnd 4,22 . (7) Hnd 7,30 . (8) Hnd 7,36 . (9) Hnd 7,42 . (10) Hnd 13,21 . (11) Hnd 23,13 . (12) Hnd 23,21 . (13) 2 Kor 11,24 . (14) Heb 3,10 . (15) Heb 3,17 . (16) Apk 7,4 . (17) Apk 11,2 . (18) Apk 13,5 . (19) Apk 14,1 . (20) Apk 14,3 . (21) Apk 21,17 . Een vorm van τεσσαρακοντα = tessarakonta in de LXX (151) , in het NT (22) .

  telwoorden  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  tesserakonta  (40) 21    21   

- Latijn . quadraginta . Bijbel (146) . OT (124) . NT (22) . Gn (11) .
- Ned. : veertig . Arabisch : اَرْبَعُونَ = ´arba`ûna (veertig) . Aramees : אַרְבָּעִין = ´arëbâ`în (veertig) . D. : vierzig . E. : forty . Fr. : quarante . Grieks : τεσσαρακοντα = tessarakonta (40) . Zie : telwoorden . Taalgebruik in het NT : telwoorden . Hebreeuws : אַרְבָּעִימ = ´arëbâ`îm (veertig , 40) . Taalgebruik in Tenakh : ´arëbâ`îm (veertig . 40) . Latijn : quadraginta .

Gn 50,3.4. יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Getalswaarde : jod = 10 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 OF 56 (2³ X 7) . Structuur : 1 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (209) . Pentateuch (76) . Eerdere Profeten (23) . Latere Profeten (33) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (53) . Pentateuch (76) . Gn (23) .
Grieks . gen. vr. enk. + acc. vr. mv ἡμερας = hèmeras van het zelfst. naamw. ἡμερα = hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in de Septuaginta : hèmera (dag) . Gn (41) . Gn 50 (2) : (1) Gn 50,3 . (2) Gn 50,10 . Een vorm van ἡμερα = hèmera (dag) in de LXX (2418) , in het NT (389) .

  hèmera (dag)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
2 gen. vr. enk. + acc. vr. mv hèmeras  799  675  124  13  11  14  40  26 12  38  46     

- Ned. : dag . Arabisch : يَوم = jaum (dag) . Taalgebruik in de Qoran : dag (jaum) . D. : Tag . E. : day . F. : jour < Lat. diurnum . Cfr journaal . Grieks : ἡμερα = hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Hebreeuws : יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Lat.: dies .

Gn 50,3.3. - 4. אַרְבָּעִים יוֹם = ´arëbâ`îm jôm (40 dagen) . Tenakh (17) . Pentateuch (13) . Andere boeken (4) . In acht verzen van de Pentateuch staat veertig dagen en veertig nachten : (1) Gn 7,4 . (2) Gn 7,12 . (3) Ex 24,18 . (4) Ex 34,28 . (5) Dt 9,9 . (6) Dt 9,11 . (7) Dt 9,18 . (8) Dt 10,10 . In vijf verzen beperkt het zich tot veertig dagen : (1) Gn 7,17 (watervloed) . (2) Gn 8,6 (watervloed) . (3) Gn 50,3 (rouw na de dood van Jakob) . (4) Nu 13,25 (Terugkeer van de bespieders) . (5) Nu 14,34 (Eén dag voor één jaar) . Verder : (1) 1 S 17,16 . (2) Ezr 4,6 . (3) Jon 3,4 .
- τεσσαρακοντα ἡμερας = tessarakonta hèmeras (40 dagen) .
- Bij 40 wordt gewezen op de 40 jaar woestijntocht , op 40 dagen (en nachten) vasten enz. . Maar misschien kan Gn 50,3 ons helpen de betekenis van 40 dagen tussen 'verrijzenis' en 'hemelvaart' te vatten . Na de dood van Jakob nam de balseming van zijn lichaam 40 dagen in beslag . Dan pas kon hij begraven worden . Dan pas heeft het definitieve afscheid plaats en kan het gewone leven hervat worden . Dat zien we ook in het hemelvaartverhaal van Jezus bij de boodschap van de engel : "Wat staan jullie naar de hemel te zien" .
Jezus stierf op de vooravond van de sabbat . Daarom kon hij niet meer gezalfd of 'gebalsemd' worden . Op de eerste dag van de week brachten de vrouwen kruiden mee naar het graf om hem te zalven of 'balsemen' . Was het de bedoeling om de plaats een welriekende geur te geven , dan hadden zij bij het graf de welriekende kruiden kunnen zetten , zonder binnen te gaan . De zalving of 'balseming' kon dus pas op de eerste dag van de week beginnen en vanaf die dag werden 40 dagen gerekend . 40 dagen na Pasen en niet 40 dagen na Goede Vrijdag .

9. וַיַּחַנְטוּ = wajjachanëtû (en zij balsemden) < prefix voorzetsel wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. חָנַט = chânat (balsemen) . Getalwaarde : chet = 8 , nun = 14 of 50 , tet = 9 ; totaal : 31 of 67 (priemgetal) . Structuur : 8 - 5 - 9 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (2) : (1) Gn 50,2 . (2) Gn 50,26 . Het is slechts in de contekst van de 'begrafenis' van Jakob en Jozef dat dit werkw. wordt gebruikt .
- הַחֲנֻטִים = hachänutîm (van hen die worden gebalsemd) < bepaald lidw. ha + werkwoordvorm passief qal part. mann. mv. van het werkw. חָנַט = chânat (balsemen) . Tenakh (1) : Gn 50,3 .
- לַחֲנֹט = lachänot (om te balsemen) < prefix voorzetsel lë + act. qal infin. constructus van het werkw. חָנַט = chânat (balsemen) . Tenakh (1) : Gn 50,2 .
- Grieks . act. ind. aor. 3de pers. mv. εθαψαν = ethapsan (zij begroeven) van het werkw. θαπτω = thaptô (begraven) . Taalgebruik in Tenakh : thaptô (begraven) . Bijbel (43) . OT (40) . NT (3) : (1) Mt 14,12 . (2) Hnd 5,6 . (3) Hnd 5,10 . Gn (7) : (1) Gn 25,9 . (2) Gn 25,10 . (3) Gn 35,29 . (4) Gn 49,31 . (5) Gn 50,12 . (6) Gn 50,13 . (7) Gn 50,26 . Een vorm van θαπτω = thaptô (begraven) in de LXX (177) , in het NT (11) : (1) Mt 8,21 . (2) Mt 8,22 . (3) Mt 14,12 . (4) Lc 9,59 . (5) Lc 9,60 . (6) Lc 16,22 . (7) Hnd 2,29 . (8) Hnd 5,6 . (9) Hnd 5,9 . (10) Hnd 5,10 . (11) 1 Kor 15,4 .
- Grieks . act. ind. aor. 3de pers. mv. ενεταφιασαν = enetafiasan (zij balsemden) van het werkw. ενταφιαζω = entafiazô (voor de begrafenis gereedmaken, balsemen, afleggen, begraven) . Bijbel (1) : Gn 50,2 . Een vorm van ενταφιαζω = entafiazô in de LXX (2) : (1) Gn 50,2 . (2) Gn 50,2 , in het NT (2) : (1) Mt 26,12 . (2) Joh 19,40 .
- act. inf. aor. ενταφιασαι = entafiasai (te balsemen) . Bijbel (1) : Gn 50,2 . Een vorm van ενταφιαζω = entafiazô in de LXX (2) : (1) Gn 50,2 . (2) Gn 50,2 , in het NT (2) : (1) Mt 26,12 . (2) Joh 19,40 .
- Grieks . gen. vr. enk. ταφης = tafès (van de begraving , van de balseming) van het zelfst. naamw. ταφη = tafè (begrafenis, graf) . Taalgebruik in de Bijbel : tafè (begrafenis, graf) . Bijbel (5) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . Een vorm van ταφη = tafè in de LXX (14) , in het NT (1) .
- Latijn . Een vorm van het werkwoord condire (balsemen) . (1) Gn 50,2 : act. conjunct. praes. 3de pers. mv. condirent (dat zij zouden balsemen) . (2) Gn 50,3 : pass. part. aor. gen. mann. en onz. mv. conditorum (van de gebalsemden) . (3) Gn 50,26 : pass. aor. deelw. nom. mann. enk. conditus (gebalsemd) . Arabisch : حَنَّطَ= channadha (balsemen) . Taalgebruik in de Qoran : channadha (balsemen) .

Gn 50,4 - Gn 50,4 . De begrafenis van Jakob - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- bijbelverwijzingen -- Gn 49,29-50,14 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,22-26 -- Gn 50,1 - Gn 50,2 - Gn 50,3 - Gn 50,4 - Gn 50,5 - Gn 50,6 - Gn 50,7 - Gn 50,8 - Gn 50,9 - Gn 50,10 - Gn 50,11 - Gn 50,12 - Gn 50,13 - Gn 50,14 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4epeidè de parèlthon ai èmerai tou penthous elalèsen iôsèf pros tous dunastas faraô legôn ei euron charin enantion umôn lalèsate peri emou eis ta ôta faraô legontes  4 et expleto planctus tempore locutus est Ioseph ad familiam Pharaonis si inveni gratiam in conspectu vestro loquimini in auribus Pharaonis    4 Als nu de dagen zijns bewenens over waren, zo sprak Jozef tot het huis van Farao, zeggende: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, spreekt toch voor de oren van Farao, zeggende:  [4] Na de rouwtijd zei Jozef tegen de hovelingen van de farao: ‘Als ik uw genegenheid gewonnen heb, spreek dan gunstig over mij bij de farao. Zeg hem: 
[4] Toen de rouwperiode voorbij was, zei Jozef tegen de hovelingen van de farao: ‘Als u mij een dienst wilt bewijzen, legt u dan het volgende aan de farao voor:  
4 Voorbij gaan ze, de dagen van zijn bewening; dan spreekt Jozef tot het huis van Farao en zegt: als ik echt genade heb gevonden in uw ogen, spreekt dan voor de oren van Farao en zegt: 4. Quand fut écoulé le temps des pleurs, Joseph parla ainsi au palais de Pharaon : Si vous avez de l'amitié pour moi, veuillez rapporter ceci aux oreilles de Pharaon :  

King James Bible . [4] And when the days of his mourning were past, Joseph spake unto the house of Pharaoh, saying, If now I have found grace in your eyes, speak, I pray you, in the ears of Pharaoh, saying,
Luther-Bibel . 4 Als nun die Trauertage vorüber waren, redete Josef mit den Leuten des Pharao und sprach: Hab ich Gnade vor euch gefunden, so redet mit dem Pharao und sprecht:

Tekstuitleg van Gn 50,4 .

5. יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) . Gn 50 : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,4 . (4) Gn 50,7 . (5) Gn 50,8 . (6) Gn 50,14 . (7) Gn 50,15 . (8) Gn 50,16 . (9) Gn 50,17 . (10) Gn 50,19 . (11) Gn 50,22 . (12) Gn 50,23 . (13) Gn 50,24 . (14) Gn 50,25 . (15) Gn 50,26 . Ex (3) : (1) Ex 1,6 . (2) Ex 1,8 . (3) Ex 13,19 . Zevenmaal in Gn 50,22-26 . In zes zinnen is Jôseph (Jozef) onderwerp en staat op de tweede plaats in de zin na het werkwoord in de imperfectum consecutivum .
- Grieks . ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34/35) . Gn (143) . Ex (4) .
- Arabisch : يُوسُفُ = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Koran : jusuf (Jusuf) .

Gn 50,5 - Gn 50,5 . De begrafenis van Jakob - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- bijbelverwijzingen -- Gn 49,29-50,14 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,22-26 -- Gn 50,1 - Gn 50,2 - Gn 50,3 - Gn 50,4 - Gn 50,5 - Gn 50,6 - Gn 50,7 - Gn 50,8 - Gn 50,9 - Gn 50,10 - Gn 50,11 - Gn 50,12 - Gn 50,13 - Gn 50,14 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5o patèr mou ôrkisen me legôn en tô mnèmeiô ô ôruxa emautô en gè chanaan ekei me thapseis nun oun anabas thapsô ton patera mou kai epaneleusomai 5 eo quod pater meus adiuraverit me dicens en morior in sepulchro meo quod fodi mihi in terra Chanaan sepelies me ascendam igitur et sepeliam patrem meum ac revertar    5 Mijn vader heeft mij doen zweren, zeggende: Zie, ik sterf; in mijn graf, dat ik mij in het land Kanaän gegraven heb, daar zult gij mij begraven! Nu dan, laat mij toch optrekken, dat ik mijn vader begrave, dan zal ik wederkomen.  [5] “Mijn vader heeft mij onder ede laten beloven: Ik ga nu sterven; je moet mij begraven in het graf dat ik in Kanaän heb uitgehouwen.” Laat mij dus mijn vader gaan begraven; daarna kom ik terug.’  [5] Mijn vader heeft mij kort voordat hij stierf laten zweren dat ik hem in het graf zou leggen dat hij in Kanaän heeft laten uithouwen. Ik zou graag toestemming krijgen om mijn vader daar te gaan begraven. Daarna zal ik terugkomen.’   5 mijn vader heeft het mij doen zweren en gezegd: zie, ik ga sterven; in mijn eigen graf dat ik mij heb uitgehakt in het land van Kanaän, dáár moet je mij begraven!– en nu moet ik dus opklimmen en mijn vader begraven, en dan keer ik terug!  5. mon père m'a fait prêter ce serment : Je vais mourir, m'a-t-il dit, j'ai un tombeau que je me suis creusé au pays de Canaan, c'est là que tu m'enterreras. Qu'on me laisse donc monter pour enterrer mon père, et je reviendrai. 

King James Bible . [5] My father made me swear, saying, Lo, I die: in my grave which I have digged for me in the land of Canaan, there shalt thou bury me. Now therefore let me go up, I pray thee, and bury my father, and I will come again.
Luther-Bibel . 5 Mein Vater hat einen Eid von mir genommen und gesagt: Siehe, ich sterbe; begrabe mich in meinem Grabe, das ich mir im Lande Kanaan gegraben habe. So will ich nun hinaufziehen und meinen Vater begraben und wiederkommen.

Tekstuitleg van Gn 50,5 .

Mc 15,46 en mnèmeiôi ho èn lelatomèmenon ek petras (in een monument dat uit een rots was uitgehouwen)
Mt 27,60 en tô kainô autou mnèmeiô o elatomèsen en tè petra (in zijn nieuw monument dat hij in de rots had uitgehouwen) .
   
Gn 50,5 en tô mnèmeiô ô ôruxa emautô en gè chanaan ekei me thapseis (in het monument dat ik voor mezelf groef in het land Kanaän , zal je me daar begraven .
   
Js 22,16 hoti elatomèsas seautôi hôde mnèmeion (omdat je uithouwde voor jezelf hier een monument)
kai epoièsas seautôi en hupsèlôi mnèmeion (en je maakte voor jezelf hogerop een monument)
kai egrapsas seautôi en petrai skènèn ( en je groef voor jezelf in een rots een verblijfplaats) .

5. - 6. ânokhî meth (ik ben stervende) . Bijbel (4) : (1) Gn 48,21 . (2) Gn 50,5 . (3) Gn 50,24 . (4) Dt 4,22 .

7. בְּקִבְרִי = bëqibhërî (in mijn graf) < prefix voorzetsel bë + stat. construct.enk. + suffix bezittel. voornaamw. 1ste pers. mann. enk. . Zie קָבַר = qâbhar (begraven) . Taalgebruik in Tenakh : qâbhar (begraven) . Getalswaarde : qoph = 19 of 100 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 OF 302 (2 X 151) . Structuur : 1 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . q-b-r . Tenakh (22) .
-- (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. קָבַר = qâbhar (hij begroef) . Tenakh (1) : Gn 23,19 .
-- (2) act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. קְבֹר = qëbhor (begraaf) . Tenakh (3) : (1) Gn 23,6 . (2) Gn 23,11 . (3) Gn 23,15 .
-- (3) act. qal part. mann. enk. קֹבֵר = qobher (begravende) . Tenakh (1) : 2 K 9,10 .
-- (4) pass. pual perf. 3de pers. mann. enk. קֻבַּר = qubbar (hij werd begraven) . Tenakh (1) : Gn 25,10 .
-- (5a) zelfst. naamw. קֶבֶר = qèbhèr (graf, begraafplaats) . Tenakh (9) : (1) Gn 23,4 . (2) Gn 50,13 . (3) 2 S 3,32 . (4) 2 S 19,38 . (5) 1 K 13,22 . (6) 2 K 23,6 . (7) Ez 39,11 . (8) Ps 5,10 . (9) Ps 88,6 . (5b) קָבֶר = qâbhèr . Tenakh (7) : (1) Gn 23,9 . (2) Gn 23,20 . (3) Gn 49,30 . (4) 1 K 14,13 . (5) Job 3,22 . (6) Job 5,26 . (7) Js 22,16 .
- Grieks : dat. onz. enk. μνημειῳ = mnèmeiôi (graf, gedenkteken) van het zelfst. naamw. μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in het NT : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in de LXX : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Bijbel (6) : (1) Gn 50,5 : in het graf, dat ik voor mijzelf in het land Kanaän heb uitgegraven, begraaf me daar . (2) Mt 27,60 . (3) Mc 6,29 . (4) Mc 15,46 . (5) Joh 11,17 . (6) Joh 20,11 . Een vorm van μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in de LXX (16) , in het NT (37) .
- εν τῳ μνημειῳ = en tô(i) mnèmeiôi (in het graf, in het gedenkteken) . Bijbel (3) : (1) Gn 50,5 . (2) Mc 6,29 . (3) Joh 11,17 .
- εν μνημειῳ = en mnèmeiôi (in het graf, in het gedenkteken) . Bijbel (1) : Mc 15,46 .


Gn 50,6 - Gn 50,6 . De begrafenis van Jakob - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- bijbelverwijzingen -- Gn 49,29-50,14 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,22-26 -- Gn 50,1 - Gn 50,2 - Gn 50,3 - Gn 50,4 - Gn 50,5 - Gn 50,6 - Gn 50,7 - Gn 50,8 - Gn 50,9 - Gn 50,10 - Gn 50,11 - Gn 50,12 - Gn 50,13 - Gn 50,14 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
6kai eipen faraô anabèthi thapson ton patera sou kathaper ôrkisen se  6 dixitque ei Pharao ascende et sepeli patrem tuum sicut adiuratus es     6 En Farao zeide: Trek op en begraaf uw vader, gelijk als hij u heeft doen zweren. [6] De farao zei: ‘Ga uw vader begraven, zoals hij u heeft laten beloven.’   [6] De farao liet antwoorden: ‘Het is goed, u mag uw vader daar begraven, zoals u hem hebt gezworen.’  6 Farao zegt: klim óp en begraaf je vader, zoals hij je heeft doen zweren!   6. Pharaon répondit : Monte et enterre ton père, comme il te l'a fait jurer. 

King James Bible . [6] And Pharaoh said, Go up, and bury thy father, according as he made thee swear.
Luther-Bibel . 6 Der Pharao sprach: Zieh hinauf und begrabe deinen Vater, wie du ihm geschworen hast.

Tekstuitleg van Gn 50,6 .

1. wajj´omèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Gn 50 (3) : (1) Gn 50,6 . (2) Gn 50,19 . (3) Gn 50,24 .

Gn 50,7 - Gn 50,7 . De begrafenis van Jakob - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- bijbelverwijzingen -- Gn 49,29-50,14 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,22-26 -- Gn 50,1 - Gn 50,2 - Gn 50,3 - Gn 50,4 - Gn 50,5 - Gn 50,6 - Gn 50,7 - Gn 50,8 - Gn 50,9 - Gn 50,10 - Gn 50,11 - Gn 50,12 - Gn 50,13 - Gn 50,14 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7kai anebè iôsèf thapsai ton patera autou kai sunanebèsan met' autou pantes oi paides faraô kai oi presbuteroi tou oikou autou kai pantes oi presbuteroi tès gès aiguptou  7 quo ascendente ierunt cum eo omnes senes domus Pharaonis cunctique maiores natu terrae Aegypti    7 En Jozef toog op, om zijn vader te begraven; en met hem togen op alle Farao's knechten, de oudsten van zijn huis, en al de oudsten des lands van Egypte;  [7] Jozef ging dus zijn vader begraven; alle hovelingen van de farao, de oudsten van zijn huis, en alle oudsten van Egypte vergezelden hem; 
[7] Zo ging Jozef op reis om zijn vader te begraven. Veel dienaren van de farao gingen met hem mee, alle hovelingen en alle andere vooraanstaanden van Egypte,
7 ¶ Dan klimt Jozef óp om zijn vader te begraven. Met hem klimmen op: alle dienaren van Farao, de oudsten van zijn huis, álle oudsten van het land Egypte,   7. Joseph monta enterrer son père, et montèrent avec lui tous les officiers de Pharaon, les dignitaires de son palais et tous les dignitaires du pays d'Égypte,

King James Bible . [7] And Joseph went up to bury his father: and with him went up all the servants of Pharaoh, the elders of his house, and all the elders of the land of Egypt,
Luther-Bibel . 7 Da zog Josef hinauf, seinen Vater zu begraben. Und es zogen mit ihm alle Großen des Pharao, die Ältesten seines Hauses und alle Ältesten des Landes Ägypten,

Tekstuitleg van Gn 50,7 .

2. יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) . Gn 50 : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,4 . (4) Gn 50,7 . (5) Gn 50,8 . (6) Gn 50,14 . (7) Gn 50,15 . (8) Gn 50,16 . (9) Gn 50,17 . (10) Gn 50,19 . (11) Gn 50,22 . (12) Gn 50,23 . (13) Gn 50,24 . (14) Gn 50,25 . (15) Gn 50,26 . Ex (3) : (1) Ex 1,6 . (2) Ex 1,8 . (3) Ex 13,19 . Zevenmaal in Gn 50,22-26 . In zes zinnen is Jôseph (Jozef) onderwerp en staat op de tweede plaats in de zin na het werkwoord in de imperfectum consecutivum .
- Grieks . ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34/35) . Gn (143) . Ex (4) .
- Arabisch : يُوسُفُ = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Koran : jusuf (Jusuf) .

3. לִקְבֹּר = liqëbor (om te begraven) > prefix voorzetsel lë + act. qal inf. van het werkw. קָבַר = qâbhar (begraven) . Taalgebruik in Tenakh : qâbhar (begraven) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 OF 302 (2 X 151) . Structuur : 1 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (5) : (1) Gn 23,8 . (2) Gn 50,7 . (3) Gn 50,14 . (4) 1 K 11,15 . (5) Job 10,19 . Hebreeuws NBG Mt 8,21 . וּלִקְבֹּר = üliqëbor (en om te begraven) . Niet in Tenakh .
- Grieks . act. inf. aor. θαψαι = thapsai (om te begraven) van het werkw. θαπτω = thaptô (begraven) . Taalgebruik in het NT : thaptô (begraven) . Taalgebruik in de LXX : thaptô (begraven) . Bijbel (13) : (1) Gn 23,6 . (2) Gn 23,8 . (3) Gn 47,29 . (4) Gn 50,7 . (5) Gn 50,14 . (6) 1 K 13,29 . (7) 2 K 9,35 . (8) Ez 39,14 . (9) W 18,12 . (10) Mt 8,21 . (11) Mt 8,22 . (12) Lc 9,59 . (13) Lc 9,60 . Een vorm van θαπτω = thaptô (begraven) in de LXX (177) , in het NT (11) : (1) Mt 8,21 . (2) Mt 8,22 . (3) Mt 14,12 . (4) Lc 9,59 . (5) Lc 9,60 . (6) Lc 16,22 . (7) Hnd 2,29 . (8) Hnd 5,6 . (9) Hnd 5,9 . (10) Hnd 5,10 . (11) 1 Kor 15,4 .

5. abhîw (zijn vader) < mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . ´abh (vader) . Taalgebruik in Tenakh : ´abh (vader) . Getalwaarde : alelph = 1 , beth = 2 ; totaal 3 . Structuur : 1 - 2 . Tenakh (175) . Pentateuch (64) . Eerdere Profeten (64) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (37) . Gn (51) . Gn 50 (6) : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,7 . (4) Gn 50,8 . (5) Gn 50,14 . (6) Gn 50,22 .

Gn 50,8 - Gn 50,8 . De begrafenis van Jakob - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- bijbelverwijzingen -- Gn 49,29-50,14 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,22-26 -- Gn 50,1 - Gn 50,2 - Gn 50,3 - Gn 50,4 - Gn 50,5 - Gn 50,6 - Gn 50,7 - Gn 50,8 - Gn 50,9 - Gn 50,10 - Gn 50,11 - Gn 50,12 - Gn 50,13 - Gn 50,14 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8kai pasa è panoikia iôsèf kai oi adelfoi autou kai pasa è oikia è patrikè autou kai tèn suggeneian kai ta probata kai tous boas upeliponto en gè gesem  8 domus Ioseph cum fratribus suis absque parvulis et gregibus atque armentis quae dereliquerant in terra Gessen    8 Daartoe het ganse huis van Jozef, en zijn broeders, en het huis zijns vaders; alleen hun kleine kinderen, en hun schapen, en hun runderen lieten zij in het land Gosen.  [8] verder heel het huis van Jozef, zijn broers en de familie van zijn vader. Alleen de kleine* kinderen en de schapen en runderen lieten zij in Gosen achter.  [8] en verder Jozefs hele gezin, zijn broers en alle andere familieleden; alleen de kinderen en de schapen, geiten en runderen lieten ze in Gosen achter.   8 heel het huis van Jozef en zijn broeders en het huis van zijn vader. Slechts hun kroost, hun wolvee en hun ploegvee hebben ze in het land van Gosjen achtergelaten.  8. ainsi que toute la famille de Joseph, ses frères et la famille de son père. Ils ne laissèrent en terre de Goshèn que les invalides, le petit et le gros bétail. 

King James Bible . [8] And all the house of Joseph, and his brethren, and his father's house: only their little ones, and their flocks, and their herds, they left in the land of Goshen.
Luther-Bibel . 8 dazu das ganze Haus Josefs und seine Brüder und die vom Hause seines Vaters. Allein ihre Kinder, Schafe und Rinder ließen sie im Lande Goschen.

Tekstuitleg van Gn 50,8 .

3. יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) . Gn 50 : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,4 . (4) Gn 50,7 . (5) Gn 50,8 . (6) Gn 50,14 . (7) Gn 50,15 . (8) Gn 50,16 . (9) Gn 50,17 . (10) Gn 50,19 . (11) Gn 50,22 . (12) Gn 50,23 . (13) Gn 50,24 . (14) Gn 50,25 . (15) Gn 50,26 . Ex (3) : (1) Ex 1,6 . (2) Ex 1,8 . (3) Ex 13,19 . Zevenmaal in Gn 50,22-26 . In zes zinnen is Jôseph (Jozef) onderwerp en staat op de tweede plaats in de zin na het werkwoord in de imperfectum consecutivum .
- Grieks . ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34/35) . Gn (143) . Ex (4) .
- Arabisch : يُوسُفُ = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Koran : jusuf (Jusuf) .

6. abhîw (zijn vader) < mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . ´abh (vader) . Taalgebruik in Tenakh : ´abh (vader) . Getalwaarde : alelph = 1 , beth = 2 ; totaal 3 . Structuur : 1 - 2 . Tenakh (175) . Pentateuch (64) . Eerdere Profeten (64) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (37) . Gn (51) . Gn 50 (6) : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,7 . (4) Gn 50,8 . (5) Gn 50,14 . (6) Gn 50,22 .

5. - 6. ûbhe(j)th ´âbhîw (en het huis van zijn vader) . Tenakh (3) : (1) Gn 50,8 . (2) Gn 50,22 . (3) 1 Kr 12,29 .

Gn 50,9 - Gn 50,9 . De begrafenis van Jakob - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- bijbelverwijzingen -- Gn 49,29-50,14 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,22-26 -- Gn 50,1 - Gn 50,2 - Gn 50,3 - Gn 50,4 - Gn 50,5 - Gn 50,6 - Gn 50,7 - Gn 50,8 - Gn 50,9 - Gn 50,10 - Gn 50,11 - Gn 50,12 - Gn 50,13 - Gn 50,14 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9kai sunanebèsan met' autou kai armata kai ippeis kai egeneto è parembolè megalè sfodra  9 habuit quoque in comitatu currus et equites et facta est turba non modica    9 En met hem togen op, zo wagenen als ruiteren; en het was een zeer zwaar heir.   [9] Ook wagens en wagenmenners reden met hen mee, zodat het een indrukwekkende stoet was.   [9] Er gingen ook wagens en ruiters mee, een zeer indrukwekkende stoet.  9 Ook klimt op, samen met hem: én strijdwagen én ruiters; het legerkamp wordt zéér gewichtig.  9. Avec lui montèrent aussi des chars et des charriers : c'était un cortège très imposant.  

King James Bible . [9] And there went up with him both chariots and horsemen: and it was a very great company.
Luther-Bibel . 9 Und es zogen auch mit ihm hinauf Wagen und Gespanne und es war ein sehr großes Heer.

Tekstuitleg van Gn 50,9 .

Gn 50,10 - Gn 50,10 . De begrafenis van Jakob - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- bijbelverwijzingen -- Gn 49,29-50,14 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,22-26 -- Gn 50,1 - Gn 50,2 - Gn 50,3 - Gn 50,4 - Gn 50,5 - Gn 50,6 - Gn 50,7 - Gn 50,8 - Gn 50,9 - Gn 50,10 - Gn 50,11 - Gn 50,12 - Gn 50,13 - Gn 50,14 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10kai paregenonto ef' alôna atad o estin peran tou iordanou kai ekopsanto auton kopeton megan kai ischuron sfodra kai epoièsen to penthos tô patri autou epta èmeras  10 veneruntque ad aream Atad quae sita est trans Iordanem ubi celebrantes exequias planctu magno atque vehementi impleverunt septem dies     10 Toen zij nu aan het plein van het doornbos kwamen, dat aan gene zijde van de Jordaan is, hielden zij daar een grote en zeer zware rouwklage; en hij maakte zijn vader een rouw van zeven dagen.  [10] Toen zij aangekomen waren bij de Atad-dorsvloer, bij de Jordaan, hielden zij een grote, plechtige rouwklacht; zeven dagen lang liet hij om zijn vader rouwen.  [10] Bij Goren-Haätad aangekomen, ten oosten van de Jordaan, hieven ze een lange, aangrijpende rouwklacht aan. Zeven dagen lang liet Jozef om zijn vader treuren.   10 Ze komen aan bij Goren Haätad dat bij de oversteek van de Jordaan ligt, en heffen dáár hun klaaglied aan, een klaagzang, groot en zeer zwaar. Hij houdt voor zijn vader een rouw van zeven dagen. 10. Étant parvenus jusqu'à Gorèn-ha-Atad, - c'est au-delà du Jourdain, - ils y firent une grande et solennelle lamentation, et Joseph célébra pour son père un deuil de sept jours. 

King James Bible . [10] And they came to the threshingfloor of Atad, which is beyond Jordan, and there they mourned with a great and very sore lamentation: and he made a mourning for his father seven days.
Luther-Bibel . 10 Als sie nun nach Goren-Atad kamen, das jenseits des Jordans liegt, da hielten sie eine sehr große und feierliche Klage. Und Josef hielt Totenklage über seinen Vater sieben Tage.

Tekstuitleg van Gn 50,10 .

Gn 50,11 - Gn 50,11 . De begrafenis van Jakob - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- bijbelverwijzingen -- Gn 49,29-50,14 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,22-26 -- Gn 50,1 - Gn 50,2 - Gn 50,3 - Gn 50,4 - Gn 50,5 - Gn 50,6 - Gn 50,7 - Gn 50,8 - Gn 50,9 - Gn 50,10 - Gn 50,11 - Gn 50,12 - Gn 50,13 - Gn 50,14 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11kai eidon oi katoikoi tès gès chanaan to penthos en alôni atad kai eipan penthos mega touto estin tois aiguptiois dia touto ekalesen to onoma autou penthos aiguptou o estin peran tou iordanou  11 quod cum vidissent habitatores terrae Chanaan dixerunt planctus magnus est iste Aegyptiis et idcirco appellaverunt nomen loci illius Planctus Aegypti     11 Als de inwoners des lands, de Kanaänieten, dien rouw zagen op het plein van het doornbos, zo zeiden zij: Dit is een zware rouw der Egyptenaren; daarom noemde men haar naam Abel-mizraim, die aan het veer van de Jordaan is.   [11] De Kanaänitische bewoners van het land zagen die rouwplechtigheden op de Atad-dorsvloer en zeiden: ‘Egypte houdt indrukwekkende rouwklachten’; zo komt het dat die plaats aan de overzijde van de Jordaan Abel-Misraïm* heet.  [11] Toen de Kanaänieten die in die streek woonden het rouwbetoon in Goren-Haätad zagen, zeiden ze: ‘De Egyptenaren zijn in diepe rouw!’ Daarom wordt die plaats, die ten oosten van de Jordaan ligt, ook wel Abel-Misraïm genoemd.  11 Dan ziet de bewoner van het land, de Kanaäniet, de rouw bij Goren Haätad en zeggen ze: een zware rouw is dat voor Egypte!– zodoende heeft men als haar naam uitgeroepen: Aveel Mitsrajim,– rouw–van–Egypte, dat bij de oversteek van de Jordaan ligt.  11. Les habitants du pays, les Cananéens, virent le deuil à Gorèn-ha-Atad et ils dirent : Voilà un grand deuil pour les Égyptiens; et c'est pourquoi on a appelé ce lieu Abel-Miçrayim - c'est au-delà du Jourdain.  

King James Bible . [11] And when the inhabitants of the land, the Canaanites, saw the mourning in the floor of Atad, they said, This is a grievous mourning to the Egyptians: wherefore the name of it was called Abel-mizraim, which is beyond Jordan.
Luther-Bibel . 11 Und als die Leute im Lande, die Kanaaniter, die Klage bei Goren-Atad sahen, sprachen sie: Die Ägypter halten da große Klage. Daher nennt man den Ort »Der Ägypter Klage«; er liegt jenseits des Jordans.

Tekstuitleg van Gn 50,11 .

Gn 50,12 - Gn 50,12 . De begrafenis van Jakob - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- bijbelverwijzingen -- Gn 49,29-50,14 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,22-26 -- Gn 50,1 - Gn 50,2 - Gn 50,3 - Gn 50,4 - Gn 50,5 - Gn 50,6 - Gn 50,7 - Gn 50,8 - Gn 50,9 - Gn 50,10 - Gn 50,11 - Gn 50,12 - Gn 50,13 - Gn 50,14 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12kai epoièsan autô outôs oi uioi autou kai ethapsan auton ekei  12 fecerunt ergo filii Iacob sicut praeceperat eis    12 En zijn zonen deden hem, gelijk als hij hun geboden had;   [12] Daarna voerden Jakobs zonen de opdracht uit die hij hun gegeven had.  
[12] Israëls zonen deden wat hun vader hun had opgedragen: 
12 Zijn zonen doen met hem zó als hij hun had geboden;  12. Ses fils agirent à son égard comme il leur avait ordonné  

King James Bible . [12] And his sons did unto him according as he commanded them:
Luther-Bibel . 12 Und seine Söhne taten, wie er ihnen befohlen hatte,

Tekstuitleg van Gn 50,12 .

Gn 50,13 - Gn 50,13 . De begrafenis van Jakob - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- bijbelverwijzingen -- Gn 49,29-50,14 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,22-26 -- Gn 50,1 - Gn 50,2 - Gn 50,3 - Gn 50,4 - Gn 50,5 - Gn 50,6 - Gn 50,7 - Gn 50,8 - Gn 50,9 - Gn 50,10 - Gn 50,11 - Gn 50,12 - Gn 50,13 - Gn 50,14 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13kai anelabon auton oi uioi autou eis gèn chanaan kai ethapsan auton eis to spèlaion to diploun o ektèsato abraam to spèlaion en ktèsei mnèmeiou para efrôn tou chettaiou katenanti mambrè  13 et portantes eum in terram Chanaan sepelierunt in spelunca duplici quam emerat Abraham cum agro in possessionem sepulchri ab Ephron Hettheo contra faciem Mambre     13 Want zijn zonen voerden hem in het land Kanaän, en begroeven hem in de spelonk des akkers van Machpela, welke Abraham met den akker gekocht had tot een erfbegrafenis van Efron, den Hethiet, tegenover Mamre.  [13] Zij brachten hem over naar Kanaän en begroeven hem in de grot op de akker van Makpela. Abraham had die akker ten oosten van Mamre als eigen begraafplaats gekocht van de Hethiet Efron.   [13] ze brachten hem naar Kanaän en begroeven hem in de grot op de akker in Machpela, dicht bij Mamre, op het stuk land dat Abraham van de Hethiet Efron had gekocht omdat hij een eigen graf wilde hebben.  13 ze dragen hem, zijn zonen, naar het land van Kanaän en begraven hem in de spelonk van het veld van de Machpela, het veld dat Abraham heeft gekocht als eigen graf, van Efron de Chitiet, in het zicht van Mamree.  13. et ils le transportèrent au pays de Canaan et l'ensevelirent dans la grotte du champ de Makpéla, qu'Abraham avait acquise d'Éphrôn le Hittite comme possession funéraire, en face de Mambré. 

King James Bible . [13] For his sons carried him into the land of Canaan, and buried him in the cave of the field of Machpelah, which Abraham bought with the field for a possession of a buryingplace of Ephron the Hittite, before Mamre.
Luther-Bibel . 13 und brachten ihn ins Land Kanaan und begruben ihn in der Höhle auf dem Felde von Machpela, die Abraham gekauft hatte mit dem Acker zum Erbbegräbnis von Efron, dem Hetiter, gegenüber Mamre.

Tekstuitleg van Gn 50,13

6. וַיִּקְבְּרוּ = wajjiqëbërû (en zij begroeven) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. קָבַר = qâbhar (begraven) . Taalgebruik in Tenakh : qâbhar (begraven) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 OF 302 (2 X 151) . Structuur : 1 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (23) : (1) Gn 25,9 . (2) Gn 35,29 . (3) Gn 50,13 . (4) Joz 24,30 . (5) Joz 24,33 . (6) Re 2,9 . (7) Re 16,31 . (8) 1 S 31,13 . (9) 2 S 3,32 . (10) 2 S 4,12 . (11) 2 S 21,14 . (12) 1 K 14,18 . (13) 1 K 15,8 . (14) 1 K 22,37 . (15) 2 K 9,28 . (16) 2 K 10,35 . (17) 2 K 12,22 . (18) 2 K 15,7 . (19) 1 Kr 10,12 . (20) 2 Kr 13,23 . (21) 2 Kr 25,28 . (22) 2 Kr 26,23 . (23) 2 Kr 27,9 .

Gn 50,14 - Gn 50,14 . De begrafenis van Jakob - bijbeloverzicht -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- bijbelverwijzingen -- Gn 49,29-50,14 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,22-26 -- Gn 50,1 - Gn 50,2 - Gn 50,3 - Gn 50,4 - Gn 50,5 - Gn 50,6 - Gn 50,7 - Gn 50,8 - Gn 50,9 - Gn 50,10 - Gn 50,11 - Gn 50,12 - Gn 50,13 - Gn 50,14 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14kai apestrepsen iôsèf eis aigupton autos kai oi adelfoi autou kai oi sunanabantes thapsai ton patera autou  14 reversusque est Ioseph in Aegyptum cum fratribus suis et omni comitatu sepulto patre   14 Daarna keerde Jozef weder in Egypte, hij en zijn broeders, en allen, die met hem opgetogen waren, om zijn vader te begraven, nadat hij zijn vader begraven had.   [14] Nadat Jozef zijn vader begraven had, keerde hij naar Egypte terug, samen met zijn broers en iedereen die hem bij de begrafenis van zijn vader vergezeld had.  [14] Nadat hij zijn vader had begraven keerde Jozef terug naar Egypte, samen met zijn broers en met alle anderen die met hem waren meegegaan.  14 Dan keert Jozef terug naar Egypte, hijzelf, zijn broeders en allen die met hem zijn opgeklommen om zijn vader te begraven,– nadat hij zijn vader heeft begraven.   14. Joseph revint alors en Égypte, ainsi que ses frères et tous ceux qui étaient montés avec lui pour enterrer son père.  

King James Bible . [14] And Joseph returned into Egypt, he, and his brethren, and all that went up with him to bury his father, after he had buried his father.
Luther-Bibel . 14 Als sie ihn nun begraben hatten, zog Josef wieder nach Ägypten mit seinen Brüdern und mit allen, die mit ihm hinaufgezogen waren, seinen Vater zu begraben.

Tekstuitleg van . Gn 50,14 .

2. יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) . Gn 50 : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,4 . (4) Gn 50,7 . (5) Gn 50,8 . (6) Gn 50,14 . (7) Gn 50,15 . (8) Gn 50,16 . (9) Gn 50,17 . (10) Gn 50,19 . (11) Gn 50,22 . (12) Gn 50,23 . (13) Gn 50,24 . (14) Gn 50,25 . (15) Gn 50,26 . Ex (3) : (1) Ex 1,6 . (2) Ex 1,8 . (3) Ex 13,19 . Zevenmaal in Gn 50,22-26 . In zes zinnen is Jôseph (Jozef) onderwerp en staat op de tweede plaats in de zin na het werkwoord in de imperfectum consecutivum .
- Grieks . ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34/35) . Gn (143) . Ex (4) .
- Arabisch : يُوسُفُ = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Koran : jusuf (Jusuf) .

3. mitsërajëmâh (Egyptewaarts) . mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Ex : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Js : mitsërajim (Egypte) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 4 - 9 - 2 - 1 - 4 . Tenakh (28) . Pentateuch (27) . Gn (18) . Ex (3) . Nu (3) . Dt (3) . 2 Kr (1) : 2 Kr 36,4 . Gn (18) : (1) Gn 12,10 . (2) Gn 12,11 . (3) Gn 12,14 . (4) Gn 26,2 . (5) Gn 37,25 . (6) Gn 37,28 . (7) Gn 39,1 . (8) Gn 41,57 . (9) Gn 45,4 . (10) Gn 46,3 . (11) Gn 46,4 . (12) Gn 46,6 . (13) Gn 46,7 . (14) Gn 46,8 . (15) Gn 46,26 . (16) Gn 46,27 . (17) Gn 48,5 . (18) Gn 50,14 .

4. hû´ (hij, d.i.) . Taalgebruik in Tenakh : hû´(hij, d.i.) . Getalwaarde : he = 5 , waw = 6 , aleph = 1 ; totaal : 12 (2² X 3) . Structuur : 5 - 6 - 1 . Tenakh (919) . Pentateuch (394) . Eerdere Profeten (169) . Latere Profeten (96) . 12 Kleine Profeten (42) . Geschriften (218) . Gn (114) . Gn 50 (2) : (1) Gn 50,14 . (2) Gn 50,22 .

13. q-b-r-w : Tenakh (11) : (1) Gn 23,6 . (2) Gn 49,29 . (3) Gn 49,31 . (4) Gn 50,14 . (5) Nu 11,34 . (6) . Joz 24,32 . (7) 2 S 2,4 . (8) 1 K 13,31 . (9) Js 22,16 . (10) Js 53,9 . (11) Ez 39,15 . Zie het werkw. קָבַר = qâbhar (begraven) . Taalgebruik in Tenakh : qâbhar (begraven) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 OF 302 (2 X 151) . Structuur : 1 - 2 - 2 .
-- (1) act. ind. perf. 3de pers. mv. קָבְרוּ = qâbhërû (zij begroeven) : Tenakh (5) : (1) Gn 49,31 (2X) . (2) Nu 11,34 . (3) . Joz 24,32 . (4) 2 S 2,4 . (5) Ez 39,15 .
-- (2) act. imperat. perf. 2de pers. mv. קִבְרוּ = qibhërû (begraaft) . Tenakh (1) : Gn 49,29 .
-- (3) zelfst. naamw. קֻבֻר = qèbhèr + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. קִבְרוֹ = qibhërô (zijn graf) . Tenakh (3) : (1) Gn 23,6 . (2) Js 22,16 . (3) Js 53,9 .
-- (4) act. inf. constructus + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. קָבְרוֹ = qâbhërô (zijn begraven) . Tenakh (1) Gn 50,14 . (2) 1 K 13,31 .

15. abhîw (zijn vader) < mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . ´abh (vader) . Taalgebruik in Tenakh : ´abh (vader) . Getalwaarde : alelph = 1 , beth = 2 ; totaal 3 . Structuur : 1 - 2 . Tenakh (175) . Pentateuch (64) . Eerdere Profeten (64) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (37) . Gn (51) . Gn 50 (6) : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,7 . (4) Gn 50,8 . (5) Gn 50,14 . (6) Gn 50,22 .


Gn 50,15-21 : De laatste jaren van Jozef - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,15 - Gn 50,16 - Gn 50,17 - Gn 50,18 - Gn 50,19 - Gn 50,20 - Gn 50,21 -

Gn 50,15 - Gn 50,15 : De laatste jaren van Jozef - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,15 - Gn 50,16 - Gn 50,17 - Gn 50,18 - Gn 50,19 - Gn 50,20 - Gn 50,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15idontes de oi adelfoi iôsèf oti tethnèken o patèr autôn eipan mèpote mnèsikakèsè èmin iôsèf kai antapodoma antapodô èmin panta ta kaka a enedeixametha autô 15 quo mortuo timentes fratres eius et mutuo conloquentes ne forte memor sit iniuriae quam passus est et reddat nobis malum omne quod fecimus     15 Toen Jozefs broeders zagen, dat hun vader dood was, zo zeiden zij: Misschien zal ons Jozef haten, en hij zal ons gewisselijk vergelden al het kwaad, dat wij hem aangedaan hebben.  
[15] Toen Jozefs broers zagen dat hun vader gestorven was, zeiden ze: ‘Als Jozef zich nu maar niet op ons gaat wreken en ons zwaar laat boeten voor het kwaad dat wij hem aangedaan hebben.’ 
[15] Nu hun vader er niet meer was, zeiden Jozefs broers tegen elkaar: ‘Als Jozef zich nu maar niet tegen ons keert en zich wreekt voor alle ellende die wij hem hebben aangedaan.’  15 ¶ Nu zien de broeders van Jozef onder ogen dat hun vader is gestorven, en ze zeggen: als Jozef ons aanklaagt?– en omgekeerd tot ons laat terugkeren al het kwaad dat wij hebben berokkend aan hém! …  15. Voyant que leur père était mort, les frères de Joseph se dirent : Si Joseph allait nous traiter en ennemis et nous rendre tout le mal que nous lui avons fait ? 

King James Bible . [15] And when Joseph's brethren saw that their father was dead, they said, Joseph will peradventure hate us, and will certainly requite us all the evil which we did unto him.
Luther-Bibel . 15 Die Brüder Josefs aber fürchteten sich, als ihr Vater gestorben war, und sprachen: Josef könnte uns gram sein und uns alle Bosheit vergelten, die wir an ihm getan haben.

Tekstuitleg van . Gn 50,15 .

3. יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) . Gn 50 : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,4 . (4) Gn 50,7 . (5) Gn 50,8 . (6) Gn 50,14 . (7) Gn 50,15 . (8) Gn 50,16 . (9) Gn 50,17 . (10) Gn 50,19 . (11) Gn 50,22 . (12) Gn 50,23 . (13) Gn 50,24 . (14) Gn 50,25 . (15) Gn 50,26 . Ex (3) : (1) Ex 1,6 . (2) Ex 1,8 . (3) Ex 13,19 . Zevenmaal in Gn 50,22-26 . In zes zinnen is Jôseph (Jozef) onderwerp en staat op de tweede plaats in de zin na het werkwoord in de imperfectum consecutivum .
- Grieks . ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34/35) . Gn (143) . Ex (4) .
- Arabisch : يُوسُفُ = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Koran : jusuf (Jusuf) .

10. יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) . Gn 50 : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,4 . (4) Gn 50,7 . (5) Gn 50,8 . (6) Gn 50,14 . (7) Gn 50,15 . (8) Gn 50,16 . (9) Gn 50,17 . (10) Gn 50,19 . (11) Gn 50,22 . (12) Gn 50,23 . (13) Gn 50,24 . (14) Gn 50,25 . (15) Gn 50,26 . Ex (3) : (1) Ex 1,6 . (2) Ex 1,8 . (3) Ex 13,19 . Zevenmaal in Gn 50,22-26 . In zes zinnen is Jôseph (Jozef) onderwerp en staat op de tweede plaats in de zin na het werkwoord in de imperfectum consecutivum .
- Grieks . ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34/35) . Gn (143) . Ex (4) .
- Arabisch : يُوسُفُ = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Koran : jusuf (Jusuf) .

Gn 50,16 - Gn 50,16 : De laatste jaren van Jozef - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,15 - Gn 50,16 - Gn 50,17 - Gn 50,18 - Gn 50,19 - Gn 50,20 - Gn 50,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
16kai paregenonto pros iôsèf legontes o patèr sou ôrkisen pro tou teleutèsai auton legôn  16 mandaverunt ei pater tuus praecepit nobis antequam moreretur    16 Daarom ontboden zij aan Jozef, zeggende: Uw vader heeft bevolen voor zijn dood, zeggende:   [16] Daarom stuurden zij de volgende boodschap naar Jozef: ‘Uw vader heeft voor zijn dood het bevel gegeven:   [16] Daarom lieten ze hem de volgende boodschap brengen: ‘Voordat hij stierf heeft je vader ons opgedragen   16 En ze gebieden om tot Jozef te zeggen: je vader heeft, in het aanschijn van zijn dood, geboden en gezegd:   16. Aussi envoyèrent-ils dire à Joseph : Avant de mourir, ton père a exprimé cette volonté :  

King James Bible . [16] And they sent a messenger unto Joseph, saying, Thy father did command before he died, saying,
Luther-Bibel . 16 Darum ließen sie ihm sagen: Dein Vater befahl vor seinem Tode und sprach:

Tekstuitleg van Gn 50,16 .

3. יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) . Gn 50 : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,4 . (4) Gn 50,7 . (5) Gn 50,8 . (6) Gn 50,14 . (7) Gn 50,15 . (8) Gn 50,16 . (9) Gn 50,17 . (10) Gn 50,19 . (11) Gn 50,22 . (12) Gn 50,23 . (13) Gn 50,24 . (14) Gn 50,25 . (15) Gn 50,26 . Ex (3) : (1) Ex 1,6 . (2) Ex 1,8 . (3) Ex 13,19 . Zevenmaal in Gn 50,22-26 . In zes zinnen is Jôseph (Jozef) onderwerp en staat op de tweede plaats in de zin na het werkwoord in de imperfectum consecutivum .
- Grieks . ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34/35) . Gn (143) . Ex (4) .
- Arabisch : يُوسُفُ = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Koran : jusuf (Jusuf) .

Gn 50,17 - Gn 50,17 : De laatste jaren van Jozef - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,15 - Gn 50,16 - Gn 50,17 - Gn 50,18 - Gn 50,19 - Gn 50,20 - Gn 50,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
17outôs eipate iôsèf afes autois tèn adikian kai tèn amartian autôn oti ponèra soi enedeixanto kai nun dexai tèn adikian tôn therapontôn tou theou tou patros sou kai eklausen iôsèf lalountôn autôn pros auton  17 ut haec tibi verbis illius diceremus obsecro ut obliviscaris sceleris fratrum tuorum et peccati atque malitiae quam exercuerunt in te nos quoque oramus ut servis Dei patris tui dimittas iniquitatem hanc quibus auditis flevit Ioseph    17 Zo zult gij tot Jozef zeggen: Ei, vergeef toch de overtreding uwer broederen, en hun zonde; want zij hebben u kwaad aangedaan; maar nu vergeef toch de overtreding der dienaren van den God uws vaders! En Jozef weende, als zij tot hem spraken.  [17] Dit moeten jullie Jozef zeggen: “Ik smeek je, vergeef toch de misdaad en de zonde die je broers tegen je bedreven hebben, want zij hebben jou kwaad aangedaan. Vergeef dus de dienaren van de God van je vader hun misdaad.” ’ Toen zij zo tot hem spraken, barstte Jozef in tranen uit.   [17] je dit verzoek over te brengen: “Vergeef je broers hun schandelijke misdaad, Jozef. Ze hebben je in de ellende gestort, maar wees nu zo goed om de dienaren van de God van je vader die misdaad te vergeven.”’ Bij het horen van die woorden kon Jozef zijn tranen niet bedwingen.   17 zó zullen jullie zeggen aan Jozef: ach!, vergeef toch de misstap van je broeders en hun zonde dat ze je kwaad hebben berokkend,– schenk nu toch vergiffenis voor de misstap van de dienaars van je vaders God! Jozef weent, als ze zo tot hem spreken.   17. Vous parlerez ainsi à Joseph : Ah ! pardonne à tes frères leur crime et leur péché, tout le mal qu'ils t'ont fait ! Et maintenant, veuille pardonner le crime des serviteurs du Dieu de ton père ! Et Joseph pleura aux paroles qu'ils lui adressaient.

King James Bible . [17] So shall ye say unto Joseph, Forgive, I pray thee now, the trespass of thy brethren, and their sin; for they did unto thee evil: and now, we pray thee, forgive the trespass of the servants of the God of thy father. And Joseph wept when they spake unto him.
Luther-Bibel . 17 So sollt ihr zu Josef sagen: Vergib doch deinen Brüdern die Missetat und ihre Sünde, dass sie so übel an dir getan haben. Nun vergib doch diese Missetat uns, den Dienern des Gottes deines Vaters! Aber Josef weinte, als sie solches zu ihm sagten.

Tekstuitleg van Gn 50,17 .

21. יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) . Gn 50 : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,4 . (4) Gn 50,7 . (5) Gn 50,8 . (6) Gn 50,14 . (7) Gn 50,15 . (8) Gn 50,16 . (9) Gn 50,17 . (10) Gn 50,19 . (11) Gn 50,22 . (12) Gn 50,23 . (13) Gn 50,24 . (14) Gn 50,25 . (15) Gn 50,26 . Ex (3) : (1) Ex 1,6 . (2) Ex 1,8 . (3) Ex 13,19 . Zevenmaal in Gn 50,22-26 . In zes zinnen is Jôseph (Jozef) onderwerp en staat op de tweede plaats in de zin na het werkwoord in de imperfectum consecutivum .
- Grieks . ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34/35) . Gn (143) . Ex (4) .
- Arabisch : يُوسُفُ = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Koran : jusuf (Jusuf) .

Gn 50,18 - Gn 50,18 : De laatste jaren van Jozef - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,15 - Gn 50,16 - Gn 50,17 - Gn 50,18 - Gn 50,19 - Gn 50,20 - Gn 50,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
18kai elthontes pros auton eipan oide èmeis soi oiketai  18 veneruntque ad eum fratres sui et proni in terram dixerunt servi tui sumus     18 Daarna kwamen ook zijn broeders, en vielen voor hem neder, en zeiden: Zie, wij zijn u tot knechten!  [18] Toen kwamen zijn broers zelf, wierpen zich voor hem neer en zeiden: ‘Beschik over ons, wij zijn uw slaven.’   [18] Daarna gingen zijn broers zelf naar hem toe. Ze vielen voor hem op hun knieën en zeiden: ‘We zijn bereid je slaaf te worden.’  18 Dan gaan ook zijn broeders zelf tot hem en vallen voor zijn aanschijn neer; ze zeggen: hier heb je ons als je dienstknechten!   18. Ses frères eux-mêmes vinrent et, se jetant à ses pieds, dirent : Nous voici pour toi comme des esclaves !

King James Bible . [18] And his brethren also went and fell down before his face; and they said, Behold, we be thy servants.
Luther-Bibel . 18 Und seine Brüder gingen hin und fielen vor ihm nieder und sprachen: Siehe, wir sind deine Knechte.

Tekstuitleg van Gn 50,18 .

Gn 50,19 - Gn 50,19 : De laatste jaren van Jozef - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,15 - Gn 50,16 - Gn 50,17 - Gn 50,18 - Gn 50,19 - Gn 50,20 - Gn 50,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
19kai eipen autois iôsèf mè fobeisthe tou gar theou eimi egô  19 quibus ille respondit nolite timere num Dei possumus rennuere voluntatem     19 En Jozef zeide tot hen: Vreest niet; want ben ik in de plaats van God?  [19] Maar Jozef zei hun: ‘Wees maar niet bang: bekleed ik soms de plaats van God?  [19] Maar Jozef zei: ‘Wees maar niet bang. Ik kan toch Gods plaats niet innemen?  19 Maar Jozef zegt tot hen: vreest niet!– want sta ík op de plek van God?–  19. Mais Joseph leur répondit : Ne craignez point ! Vais-je me substituer à Dieu ? 

King James Bible . [19] And Joseph said unto them, Fear not: for am I in the place of God?
Luther-Bibel . 19 Josef aber sprach zu ihnen: Fürchtet euch nicht! Stehe ich denn an Gottes statt?

Tekstuitleg van Gn 50,19 .

1. wajj´omèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Gn 50 (3) : (1) Gn 50,6 . (2) Gn 50,19 . (3) Gn 50,24 .

3. יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) . Gn 50 : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,4 . (4) Gn 50,7 . (5) Gn 50,8 . (6) Gn 50,14 . (7) Gn 50,15 . (8) Gn 50,16 . (9) Gn 50,17 . (10) Gn 50,19 . (11) Gn 50,22 . (12) Gn 50,23 . (13) Gn 50,24 . (14) Gn 50,25 . (15) Gn 50,26 . Ex (3) : (1) Ex 1,6 . (2) Ex 1,8 . (3) Ex 13,19 . Zevenmaal in Gn 50,22-26 . In zes zinnen is Jôseph (Jozef) onderwerp en staat op de tweede plaats in de zin na het werkwoord in de imperfectum consecutivum .
- Grieks . ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34/35) . Gn (143) . Ex (4) .
- Arabisch : يُوسُفُ = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Koran : jusuf (Jusuf) .

Gn 50,20 - Gn 50,20 : De laatste jaren van Jozef - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,15 - Gn 50,16 - Gn 50,17 - Gn 50,18 - Gn 50,19 - Gn 50,20 - Gn 50,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
20umeis ebouleusasthe kat' emou eis ponèra o de theos ebouleusato peri emou eis agatha opôs an genèthè ôs sèmeron ina diatrafè laos polus  20 vos cogitastis de me malum et Deus vertit illud in bonum ut exaltaret me sicut inpraesentiarum cernitis et salvos faceret multos populos    20 Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden.   [20] Jullie hebben kwaad tegen mij beraamd, maar God heeft het ten goede gekeerd, om te bereiken wat nu is gebeurd: het behoud van een talrijk volk.   [20] Jullie hadden kwaad tegen mij in de zin, maar God heeft dat ten goede gekeerd, om te bewerken wat er nu gebeurt: dat een groot volk in leven blijft.  20 en jullie, je hebt tegen mij kwaad bedacht; – Gód heeft dat ten goede gedacht, met het doel om te doen als op deze dag: een groot gezelschap in leven te houden,–  20. Le mal que vous aviez dessein de me faire, le dessein de Dieu l'a tourné en bien, afin d'accomplir ce qui se réalise aujourd'hui : sauver la vie à un peuple nombreux. 

King James Bible . [20] But as for you, ye thought evil against me; but God meant it unto good, to bring to pass, as it is this day, to save much people alive.
Luther-Bibel . 20 Ihr gedachtet es böse mit mir zu machen, aber Gott gedachte es gut zu machen, um zu tun, was jetzt am Tage ist, nämlich am Leben zu erhalten ein großes Volk.

Tekstuitleg van Gn 50,20 .

Gn 50,21 - Gn 50,21 : De laatste jaren van Jozef - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Gn (Genesis) -- Gn 50 -- Gn 50,15-21 -- Gn 50,15 - Gn 50,16 - Gn 50,17 - Gn 50,18 - Gn 50,19 - Gn 50,20 - Gn 50,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
21kai eipen autois mè fobeisthe egô diathrepsô umas kai tas oikias umôn kai parekalesen autous kai elalèsen autôn eis tèn kardian  21 nolite metuere ego pascam vos et parvulos vestros consolatusque est eos et blande ac leniter est locutus     21 Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen, en sprak naar hun hart.  
[21] Wees dus niet bang: ik zal voor jullie en je kleine kinderen zorgen.’ Zo stelde hij hen met hartelijke woorden gerust. 
[21] Wees dus niet bang. Ik zal zelf voor jullie en jullie kinderen zorgen.’ Zo troostte hij hen en stelde hij hen gerust.  21 welnu, vreest niet, ik zal jullie en je kroost onderhouden! Zo troost hij hen en spreekt hij tot hun hart.  21. Maintenant, ne craignez point : c'est moi qui vous entretiendrai, ainsi que les personnes à votre charge. Il les consola et leur parla affectueusement.  

King James Bible . [21] Now therefore fear ye not: I will nourish you, and your little ones. And he comforted them, and spake kindly unto them.
Luther-Bibel . 21 So fürchtet euch nun nicht; ich will euch und eure Kinder versorgen. Und er tröstete sie und redete freundlich mit ihnen.

Tekstuitleg van Gn 50,21 .

9. nâcham (berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten) . Taalgebruik in Tenakh : nâcham (berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , chet = 8 , mem = 13 of 40 : totaal : 35 (5 X 7) OF 98 (2 X 7²) .
- w-j-n-ch-m . Tenakh (19) . act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. wajënächem (en hij troostte) . Tenakh (2) : (1) Gn 50,21 . (2) 2 S 12,24 .
- act. piël imperat. 2de pers. mann. mv. nahämû (troost) . Tenakh (1) : Js 40,1 .
Door het kwaad dat de broers van Jozef hem hadden aangedaan , waren hij en zijzelf in Egypte terechtgekomen . Ze vreesden voor slavernij . Jozef stelt hen gerust (troost hen) en stelt de uittocht uit Egypte in het vooruitzicht . Zo troost ook Deutero-Jesaja het volk in ballingschap in Babylonië en stelt het einde van de ballingschap in het vooruitzicht .


De dood van Jozef : Gn 50,22-26 -- Gn 50,22-26 -- Gn 50 -- Gn 50,22 - Gn 50,23 - Gn 50,24 - Gn 50,25 - Gn 50,26 .

Het verhaal bestaat uit 5 verzen en 72 (2 X 36) woorden . Volgens het woordenaantal is het verhaal circulair of concentrisch opgebouwd : 11 - 14 - 22 - 14 - 11 . In Gn 50,24 en in Gn 50,25 is Jozef telkens aan het woord . De verzen tellen 22 + 14 = 36 woorden (de helft van het aantal woorden van dit verhaal) . De inleiding op de woorden van Jozef telt in Gn 50,24 4 woorden en in Gn 50,25 6 woorden ; totaal : 10 woorden . Het aantal woorden zelf dat Jozef tot zijn broers richt is 18 + 8 = 26 (de getalwaarde van de naam JHWH) .

Gn 50,22 - Gn 50,22 : De dood van Jozef -- Gn 50,22-26 -- Gn 50 -- Gn 50,22 - Gn 50,23 - Gn 50,24 - Gn 50,25 - Gn 50,26
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22kai katôkèsen iôsèf en aiguptô autos kai oi adelfoi autou kai pasa è panoikia tou patros autou kai ezèsen iôsèf etè ekaton deka 22 et habitavit in Aegypto cum omni domo patris sui vixitque centum decem annis  wajjesjèbh Jôseph hû´ ûbêth ´âbhîw bëmitsërajim wajëchî jôseph me´âh wâ`èshèr sjânîm  22 Jozef dan woonde in Egypte, hij en het huis zijns vaders; en Jozef leefde honderd en tien jaren.  [22] Jozef bleef in Egypte wonen, samen met de familie van zijn vader, en hij werd honderdtien jaar oud.  [22] Jozef bleef in Egypte wonen, met zijn hele familie. Hij werd honderdtien jaar. 22 ¶ Jozef blijft wonen in Egypte, hijzelf en het huis van zijn vader; Jozef leeft honderd en tien jaren.  22. Ainsi Joseph et la famille de son père demeurèrent en Égypte, et Joseph vécut cent dix ans.  

King James Bible . [22] And Joseph dwelt in Egypt, he, and his father's house: and Joseph lived an hundred and ten years.
Luther-Bibel . 22 So wohnte Josef in Ägypten mit seines Vaters Hause und lebte hundertundzehn Jahre

a. wajjesjèbh jôseph hû´ ûbêth ´âbhîw bëmitsërajim (en Jozef woonde in Egypte , hijzelf en het huis van zijn vader)
b. wajëchî jôseph me´âh wâ`èshèr sjânîm (en Jozef werd 110 jaar) .

Tekstuitleg van Gn 50,22 . Vers 1529 . Het vers telt 11 woorden en 44 (2² X 11) letters ; verhouding 1 - 4 . De getalwaarde van het vers is 2517 (3 X 839) . Gn 50,22 bestaat uit twee nevenschikkende zinnen , waarvan Jozef telkens onderwerp is . Jozef verbleef ... en Jozef leefde ... (Gn 50,26) . Jozef stierf ...

Bij de aartsvaders Abraham , Isaak , Jakob en Jozef hebben de getallen van hun leeftijden een symbolische betekenis .
1. Abraham werd 175 jaar oud . 175 = 5² X 7 OF (10 X 17) + 5 . (Gn 25,7) . 5 is de getalwaarde van de letter he . Abram en Saraj ontvangen de letter he in hun naam en zij worden vruchtbaar (Gn 17,5 en Gn 17,15) . Merkwaardig is de plaats van dit vers in de bijbel : het 25ste hoofdstuk en het 7de vers . Som van de factoten : 5 + 5 + 7 = 17 . Dit is de getalwaarde van de letter pe (mond) . 17 is de getalwaarde van de Godsnaam JHWH volgens de kleine telling (1 + 5 + 6 + 5 = 17) .
2. Isaak werd 180 jaar oud . 180 = 6² X 5 OF (10 X 17) + 10 . (Gn 35,28) . 6 is de getalwaarde van de letter waw . In Gn 25,19 staat de waw bij het begin van het woord (thôlëdoth) . Getalwaarde : thaw = 22 of 400 ; lamed = 12 of 30 , daleth = 4 , waw = 6 ; totaal : 66 (2 X 3 X 11) OF 840 (2³ X 3 X 5 X 7) . thôlëdoth komt in 7 verzen in Tenakh voor . Op de 6de plaats betreft het Isaak . Som van de factoren : 6 + 6 + 5 = 17 . Dit is de getalwaarde van de letter pe (mond) . 17 is de getalwaarde van de Godsnaam JHWH volgens de kleine telling (1 + 5 + 6 + 5 = 17) .
3. Jakob werd 147 jaar oud . 147 = 7² X 3 OF (8 X 17) + 11 . (Gn 49,33) . Som van de factoren : 7 + 7 + 3 = 17 . 17 is de getalwaarde van de Godsnaam JHWH volgens de kleine telling (1 + 5 + 6 + 5 = 17) . Ook hier is de plaats van dit vers in de bijbel merkwaardig : het 49ste hoofdstuk en het 33ste vers . Jakob diende 7 jaar voor Lea en Rachel (Gn 29,20 en Gn 29,30) . Jakob verbleef 130 (5 X 26) jaar in Kanaän en 17 jaar in Egypte (Gn 47,28) . Merkwaardig is de plaats in de bijbel (Gn 47,28) . De buitenste getallen van 147 is 17 . Het tweede en derde getal van 147 is 47 . 28 = 4 X 7 (hierin schuilt 47) .
1. - 3. Het product van drie opeenvolgende getallen ( 5 - 6 - 7) in het kwadraat , opklimmend , met drie opeenvolgende onpare getallen afdalend .
- De plechtige zegen in Nu 6,24 - Nu 6,25 - Nu 6,26 telt 3 - 5 - 7 woorden .
4. Jozef leefde 110 jaar . 110 = 5² + 6² + 7² OF (6 X 17) + 8 . De som van drie opeenvolgende getallen in het kwadraat . (Gn 50,22) OF de som van de kwadraten van de aartsvaders . Deze plaats in de bijbel is wellicht ook merkwaardig . (50ste hoofdstuk) X 22 (22ste vers) = 110 . 50 is een getal van volheid en met 22 (taw) eindigt het Hebreeuwse alfabet . Met Jozef eindigt de periode van de aartsvaders . Een hele nieuwe periode begint . Die van het volk .
1. - 4. De vier leeftijden samen geeft de som van 612 (2² X 3² X 17) OF (34 X 17) + 34 . Het is een gemiddelde van 9 X 17 OF 153 . Het getal 153 is een driehoeksgetal . Het getal 153 is de som van alle getallen van 1 tot en met 17 . 612 is een vierkant (4 X 153) . Daarmee is het probleem opgelost waarom de som van de factoren bij Jozef geen 17 is . 17 is de getalwaarde van de Godsnaam JHWH volgens de kleine telling (1 + 5 + 6 + 5 = 17) .
Ook de getalwaarde van de namen van Isaak , Jakob en Jozef heeft een symbolische waarde .
2. Isaak (Gn 21,3) . jitsëchâq (Isaak) . Getalwaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 90 , chet = 8 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 49 (7 X 7) OF 208 (8 X 26) .
3. Jakob (Gn 25,26) . ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 OF 182 (7 X 26) .
4. Jozef (Gn 30,24) . Jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samek = 15 of 60 , qoph = 17 of 80 ; totaal : 48 (2² X 2² X 3) OF 156 (6 X 26) .
De getalwaarde van de namen Isaak , Jakob en Jozef volgens de tweede telling wordt gevormd door het product van drie opeenvolgende getallen (8 - 7 - 6) , afdalend , met de getalwaarde van de godsnaam JHWH volgens de gewone telling (26) : 8 X 26 EN 7 X 26 EN 6 X 26 . In totaal geven de twee tellingen 49 + 47 + 48 = 144 (12 X 12) OF 208 + 182 + 156 = 546 (21 X 26) . Het gemiddelde is 48 (4 X 12) OF 182 (7 X 26) .
- Bij de leeftijden en de naamgeving spelen de 2 getalwaarden van de Godsnaam JHWH een beslissende rol . Het getal 17 bij de leeftijden , het getal 26 bij de naamgeving . De leeftijd van Jakob is 147 , de getalwaarde van de naam van Jakob is 47 of 182 (7 X 26) . Bij Jakob overheerst het getal 7 , zowel bij zijn leeftijd als bij de getalwaarde van zijn naam .

    leeftijd   getalwaarde naamgeving
  Abraham 5 X 5 X 7 (17) 175 (10 X 17) + 5  
  Isaak 6 X 6 X 5 (17) 180 (10 X 17) + 10 49 (7 X 7) OF 208 (8 X 26)
  Jakob 7 X 7 X 3 (17) 147 (8 X 17) + 11 47 OF 182 (7 X 26)
  Jozef 5 X 5 X 6 X 6 X 7 X 7 (36) 110 (6 X 17) + 8 48 (2² X 2² X 3) OF 156 (6 X 26)
totaal     612 (34 X 17) + 34 OF 36 X 17 144 (12 X 12) OF 546 (21 X 26)
gemiddeld     153 (9 X 17) 48 (4 X 12) OF 182 (7 X 26) .

Gn 50,22.1. prefix voegwoord wë (consecutivum) + act. qal imperf. 3de pers. mann. enkelv. וַיֵּשֶׁב = wajjesjèbh (en hij verbleef) van het werkw. יָשַׁב = jâsjabh (wonen) . Taalgebruik in Tenakh : jâsjabh (wonen) . Getalwaarde : jod = 10 , sjin = 21 of 300 , beth = 2 ; totaal : 33 (3 X 11) OF 312 (2³ X 3 X 13) . Structuur : 1 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (228) . Pentateuch (58) . Eerdere Profeten (114) . Latere Profeten (14) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (36) . Gn (28) . Gn 50 (1) : Gn 50,22 .

Gn 50,22.2. יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalswaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) . Gn 50 : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,4 . (4) Gn 50,7 . (5) Gn 50,8 . (6) Gn 50,14 . (7) Gn 50,15 . (8) Gn 50,16 . (9) Gn 50,17 . (10) Gn 50,19 . (11) Gn 50,22 . (12) Gn 50,23 . (13) Gn 50,24 . (14) Gn 50,25 . (15) Gn 50,26 . Ex (3) : (1) Ex 1,6 . (2) Ex 1,8 . (3) Ex 13,19 . Zevenmaal in Gn 50,22-26 . In zes zinnen is Jôseph (Jozef) onderwerp en staat op de tweede plaats in de zin na het werkwoord in de imperfectum consecutivum .
- Grieks . ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34) . Gn (143) . Ex (4) .
- Arabisch : يُوسُف = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Qoran : jusuf (Jusuf) .

Gn 50,22.3. בְּמִצְרַיִם = bëmitsërajim (in Egypte) < bë + מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 4 - 9 - 2 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (53) . Pentateuch (33) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (8) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (6) . Gn (7) : (1) Gn 42,1 . (2) Gn 42,2 . (3) Gn 45,13 . (4) Gn 46,27 . (5) Gn 47,29 . (6) Gn 50,22 . (7) Gn 50,26 . Uiterste ring van de concentrische opbouw van Gn 50,22-26 .
- Grieks . αιγυπτοç . Latijn : Aegyptus . Ned. Egypte . Fr. 'Egypte . E. Egypt . D. Ägypten . Aramees : מִצְרַיִם (mitsërajim = Egypte) . Arabisch : مِصْرُ = (misr = Egypte) .

Gn 50,22.4. הוּא = hû´ (hij, d.i.) . Taalgebruik in Tenakh : hû´(hij, d.i.) . Getalwaarde : he = 5 , waw = 6 , aleph = 1 ; totaal : 12 (2² X 3) . Structuur : 5 - 6 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (919) . Pentateuch (394) . Eerdere Profeten (169) . Latere Profeten (96) . 12 Kleine Profeten (42) . Geschriften (218) . Gn (114) . Gn 50 (2) : (1) Gn 50,14 . (2) Gn 50,22 .
- Grieks : αυτος = autos (hij) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . L. ipse . E. he . D. er . Fr. il . Arabisch : هُوَ = huwa (hij) . Taalgebruik in de Qoran : huwa (hij) .

Gn 50,22.5. ûbhe(j)th (en het huis van) < prefix verbindingswoord wë + be(j)th (huis) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)th (huis) . Getalwaarde van be(j)th ; beth = 2 , jod = 10 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 412 (2² X 103) . Structuur : 2 - 1 - 4 . Gr. oikos (huis) . Taalgebruik in de Septuaginta : oikos (huis) . Taalgebruik in het NT : oikos (huis) . Een vorm van oikos in de LXX (2062) , in het NT (112) . Lat. domus . Fr. maison . Ned. huis . E. house . D. Hause . Tenakh (68) . Pentateuch (5) . Eerdere Profeten (27) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (19) . Pentateuch (5) : (1) Gn 46,31 . (2) Gn 50,8 . (3) Gn 50,22 . (4) Ex 8,20 . (5) Nu 18, 1 .

Gn 50,22.4. - 5. hû´ ûbhe(j)th (hij en het huis van) . Tenakh (2) : (1) Gn 50,22 . (2) Am 7,13 .

Gn 50,22.6. אָבִיו = abhîw (zijn vader) < mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . אַב = ´abh (vader) . Taalgebruik in Tenakh : ´abh (vader) . Getalwaarde : alelph = 1 , beth = 2 ; totaal 3 . Structuur : 1 - 2 . Tenakh (175) . Pentateuch (64) . Eerdere Profeten (64) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (37) . Gn (51) . Gn 50 (6) : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,7 . (4) Gn 50,8 . (5) Gn 50,14 . (6) Gn 50,22 .

Gn 50,22.5. - 6. וּבֵית אָבִיו = ûbhe(j)th ´âbhîw (en het huis van zijn vader) . Tenakh (3) : (1) Gn 50,8 . (2) Gn 50,22 . (3) 1 Kr 12,29 .
- בֵית אָבִיו = be(j)th ´âbhîw (huis van zijn vader) . Tenakh (1) : Re 9,5 .

Gn 50,22.7. וַיְחִי = wajëchî (en hij leefde) < prefix voegwoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. חָיַה = châjah (leven, blijven leven) . Taalgebruik in Tenakh : châjah (leven, blijven leven) . Getalswaarde : chet = 8 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 23 . Structuur : 8 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (47) . Pentateuch (35) . Eerdere Profeten (5) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (5) . Gn (33) . Gn 5 (16) : (1) Gn 5,3 . (2) Gn 5,6 . (3) Gn 5,7 . (4) Gn 5,9 . (5) Gn 5,10 . (6) Gn 5,12 . (7) Gn 5,13 . (8) Gn 5,15 . (9) Gn 5,16 . (10) Gn 5,18 . (11) Gn 5,19 . (12) Gn 5,21 . (13) Gn 5,25 . (14) Gn 5,26 . (15) Gn 5,28 . (16) Gn 5,30 . (17) . (18) . (19) . (20) . (21) . (22) . (23) . (24) . (25) . (26) . (27) . (28) . (29) . (30) . (31) . (32) . (33) Gn 50,22 .
- Het versdeel Gn 50,22 sluit aan bij Gn 50,26 . Het eerste woord van dit versdeel van Gn 50,22 (Jozef leefde ...) is het tegendeel van het eerste woord van Gn 50,26 (Jozef stierf ...) . De tussenschakel ligt in Gn 50,24 , waarin Jozef zijn sterven aankondigt (Ik ben stervende) .

Gn 50,22.8. יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) . Gn 50 : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,4 . (4) Gn 50,7 . (5) Gn 50,8 . (6) Gn 50,14 . (7) Gn 50,15 . (8) Gn 50,16 . (9) Gn 50,17 . (10) Gn 50,19 . (11) Gn 50,22 . (12) Gn 50,23 . (13) Gn 50,24 . (14) Gn 50,25 . (15) Gn 50,26 . Ex (3) : (1) Ex 1,6 . (2) Ex 1,8 . (3) Ex 13,19 . Zevenmaal in Gn 50,22-26 . In zes zinnen is Jôseph (Jozef) onderwerp en staat op de tweede plaats in de zin na het werkwoord in de imperfectum consecutivum .
- Grieks . ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34/35) . Gn (143) . Ex (4) .
- Arabisch : يُوسُفُ = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Koran : jusuf (Jusuf) .

Gn 50,22.9. מֵאָה = me´âh (honderd) , zie 100 . Taalgebruik in Tenakh : me´âh (honderd) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 19 , zie 19 , of 46 (2 X 23) , zie 46 . Structuur : 4 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (98) . Pentateuch (15) . Eerdere Profeten (17) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (54) . Gn (6) : (1) Gn 6,3 . (2) Gn 17,17 . (3) Gn 23,1 . (4) Gn 26,12 . (5) Gn 50,22 . (6) Gn 50,26 .
- Grieks . ἑκατον = hekaton (honderd, 100) . Bijbel (211) . OT (194) . NT (17) . Gn (29) .
- Latijn . centum (honderd, 100) . Fr. cent . E. hundred . D. hundert . Aramees : מְאָה = mëâh (honderd, 100) . Arabisch : مِئَة OF مِائَة = mija of miaja (honderd, 100) .

Gn 50,22.10. Hebreeuws . עָשַׂר = `âshâr (tien) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâr (tien) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 57 (3 X 19) OF 570 (2 X 3 X 5 X 19 OF 30 X 19) . Structuur : 7 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (242) . Pentateuch (67) . Eerdere Profeten (55) . Latere Profeten (14) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (103) . 10 doet denken aan de 10 geboden van Mozes , geschreven op de 2 stenen tafelen (12 = 10 + 2) .
`asara (tien) .
- וָעֶשֶׂר = wâ`èshèr (en tien) < wë + עָשַׂר = `âshâr (tien) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâr (tien) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 57 (3 X 19) OF 570 (2 X 3 X 5 X 19) . Structuur : 7 - 3 - 2 . Tenakh (11) : (1) Gn 45,23 . (2) Gn 50,22 . (3) Gn 50,26 . (4) Joz 24,29 . (5) Re 2,8 . (6) 1 K 6,25 . (7) 2 K 5,5 . (8) Ps 112,3 . (9) Spr 30,8 . (10) 2 Kr 1,12 . (11) 2 Kr 4,1 .
- Ned. : tien . Arabisch : عَشَرَة = `asara (tien) . Taalgebruik in de Qoran : `asara (tien) . Aramees : עֲשַׂר = `äshar (tien, 10) . D. : zehn . E. : ten . Fr. : dix . Grieks : δεκα = deka (tien) . Taalgebruik in het NT : deka (tien) . Taalgebruik in de LXX : deka (tien) . Hebreeuws . עָשַׂר = `âshâr (tien) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâr (tien) . Latijn : decem .

Gn 50,22.11. mann. mv. שָׁנִמ = sjânîm (jaren) van het zelfstandig naamwoord שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . De getalswaarde van sjânâh (jaar) is : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (64) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (77) . Gn (46) . Gn 50 (2) : (1) Gn 50,22 . (2) Gn 50,26 .
- Grieks . ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) .
- Ned. : jaar . Arabisch : سَنَة = sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) . Aramees : שְׁנָה = sjënâh (jaar) . D. : Jahr . E. : year . Fr. : an of année . Grieks : ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Latijn : annus (jaar) .

Gn 50,22.9. - 11. מֵאָה וָעֶשֶׂר שָׁנִמ = me´âh wâ`èshèr sjânîm (110 jaar) . Tenakh (4) : (1) Gn 50,22 . (2) Gn 50,26 . (3) Joz 24,29 . (4) Re 2,8 .
- Tweede ring van de concentrische (menorah) opbouw van Gn 50,22-26 (2 - 7) .
- Zowel Jozef als Jozua worden 110 jaar . Zo wordt een verband gelegd tussen beide figuren . 2X wordt de leeftijd van Jozef vermeld , 2X de dood van Jozua . Tussen de twee ouderdommen van Jozef wordt het vooruitzicht van de uittocht gesteld . Tussen de twee vermeldingen van de dood van Jozua wordt de bezitname van het land 'herhaald' .


Gn 50,23 - Gn 50,23 : De dood van Jozef -- Gn 50,22-26 -- Gn 50 -- Gn 50,22 - Gn 50,23 - Gn 50,24 - Gn 50,25 - Gn 50,26
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23kai eiden iôsèf efraim paidia eôs tritès geneas kai uioi machir tou uiou manassè etechthèsan epi mèrôn iôsèf  et vidit Ephraim filios usque ad tertiam generationem filii quoque Machir filii Manasse nati sunt in genibus Ioseph  wajjarë´ Jôseph lë´èphërajim bëne(j) 23 En Jozef zag van Efraïm kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van Machir, den zoon van Manasse, op Jozefs knieën geboren.   [23] Jozef zag de derde generatie van Efraïm; ook de zonen van Makir, de zoon van Manasse, werden op zijn knieën geboren.   [23] Hij zag Efraïms kleinkinderen nog, en ook de geboorte van de kinderen van Machir, de zoon van Manasse, maakte hij nog mee.  23 Jozef ziet bij Efraïm zonen in drie generaties; ook de zonen van Machier, Manasse’s zoon, zijn geboren op de knieën van Jozef.   23. Joseph vit les arrière-petits-enfants qu'il eut d'Éphraïm, de même les fils de Makir, fils de Manassé, naquirent sur les genoux de Joseph.

King James Bible . [23] And Joseph saw Ephraim's children of the third generation: the children also of Machir the son Manasseh were brought up upon Joseph's knees.
Luther-Bibel . 23 und sah Ephraims Kinder bis ins dritte Glied. Auch die Söhne von Machir, Manasses Sohn, wurden dem Hause Josefs zugerechnet.

a. wajjarë´ Jôseph lë´èphërajim bëne(j)

Tekstuitleg van Gn 50,23 . Vers 1530 . Het vers telt 14 (2 X 7) woorden en 51 (3 X 17) letters . De getalwaarde van het vers is 2836 (2² X 709) . Het vers Gn 50,23 besteedt aandacht aan het nageslacht van Jozef . Er zijn merkwaardigheden op te merken . Vooreerst wordt de jongste zoon Efraïm genoemd . Vervolgens het nageslacht van de kleinzoon van Jozef . De kleinzoon Makir wordt aangeduid met verwijzing naar zijn vader : bèn mënasjsjèh (zoon van Manasse) . De oudste zoon van Jozef wordt niet rechtstreeks genoemd .

Gn 50,23.1. wajjarë´ (en hij zag) - wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) < wë + (1) qal actief imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud OF (2) nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenach : râ´âh (zien) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 of 206 . Structuur : 2 - 1 - 5 . Gr. horaô (zien) . Taalgebruik in de Septuaginta : horaô (zien) . Taalgebruik in het N.T. : horaô (zien) . Lat. videre . Fr. voir . Ned. zien . E. to see . D. sehen . pass. Lat. apparere . Fr. apparaître . E. appear . Ned. verschijnen . D. erscheinen . Een vorm van horaô (zien, verschijnen) in het N.T. (114) , in de LXX (1539) . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (19) . Gn (50) . Gn 50 (2) : (1) Gn 50,11 . (2) Gn 50,23 .

Gn 50,23.2. 2. יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) . Gn 50 : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,4 . (4) Gn 50,7 . (5) Gn 50,8 . (6) Gn 50,14 . (7) Gn 50,15 . (8) Gn 50,16 . (9) Gn 50,17 . (10) Gn 50,19 . (11) Gn 50,22 . (12) Gn 50,23 . (13) Gn 50,24 . (14) Gn 50,25 . (15) Gn 50,26 . Ex (3) : (1) Ex 1,6 . (2) Ex 1,8 . (3) Ex 13,19 . Zevenmaal in Gn 50,22-26 . In zes zinnen is Jôseph (Jozef) onderwerp en staat op de tweede plaats in de zin na het werkwoord in de imperfectum consecutivum .
- Grieks . ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34/35) . Gn (143) . Ex (4) .
- Arabisch : يُوسُفُ = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Koran : jusuf (Jusuf) .

Gn 50,23.1. - 2. wajjarë´ Jôseph (en Jozef zag) . Tenakh (4) : (1) Gn 42,7 . (2) Gn 43,16 . (3) Gn 49,17 . (4) Gn 50,23 . Gn 49,17 .

Gn 50,23.3. lë´èphërajim (voor Efraïm) < lë + ´èphërajim (Efraïm) . Taalgebruik in Tenakh : ´èphëraîm (Efraïm) . Getalwaarde : aleph = 1 , pe = 17 of 80 , resj = 20 of 200 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 61 (priemgetal) OF 331 (priemgetal) . Structuur : 1 - 8 - 2 - 1 - 4 . Tenakh (10) : (1) Gn 50,23 . (2) Nu 1,10 . (3) Joz 17,9 . (4) Joz 17,10 . (5) Joz 17,17 . (6) Re 12,5 . (7) Hos 5,12 . (8) Hos 5,14 . (9) Hos 6,10 . (10) Hos 11,3 .

Gn 50,23.2. - 3. jôseph lë´èphërajim (Jozef tot Efraïm) . Tenakh (3) : (1) Gn 50,23 . (2) Nu 1,10 . (3) Joz 17,17 .

Gn 50,23.4. stat. constructus mann. mv. bëne(j) = (zonen van) OF ... + suffix pers. voornaamw. 1ste pers. enk. bâbaj / bânâj (mijn zonen) van het zelfst. naamw. ben (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalwaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . Tenakh (1481) . Pentateuch (582) . Eerdere Profeten (355) . Latere Profeten (83) . 12 Kleine Profeten (25) . Geschriften (436) . Gn (113) . Gn 50 (2) : (1) Gn 50,23 . (2) Gn 50,25 .

6. gam (tezamen, ook, zelfs) . Taalgebruik in Tenakh : gam (tezamen, ook, zelfs) . Getalwaarde : gimel = 3 , mem = 13 of 40 ; totaal : 16 (2² X 2²) OF 43 . Structuur : 3 - 4 . Tenakh (433) . Pentateuch (97) . Eerdere Profeten (97) . Latere Profeten (64) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (146) . Gn (54) . Gn 50 (3) : (1) Gn 50,9 . (2) Gn 50,18 . (3) Gn 50,23 .

Gn 50,23.7. stat. constructus mann. mv. bëne(j) = (zonen van) OF ... + suffix pers. voornaamw. 1ste pers. enk. bâbaj / bânâj (mijn zonen) van het zelfst. naamw. ben (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalwaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . Tenakh (1481) . Pentateuch (582) . Eerdere Profeten (355) . Latere Profeten (83) . 12 Kleine Profeten (25) . Geschriften (436) . Gn (113) . Gn 50 (2) : (1) Gn 50,23 . (2) Gn 50,25 .

Gn 50,23.6. - 7. gam bëne(j) (ook/daarenboven) . Tenakh (6) : (1) Gn 50,23 . (2) Ex 12,31 . (3) Nu 11,4 . (4) Job 30,8 . (5) Ps 49,3 . (6) Jr 2,16 .

Gn 50,23.8. mâkhîr (Makir) . Taalgebruik in Tenakh : mâkhîr (Makir) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , kaph = 11 of 20 , jod = 10 , resj = 20 of 200 ; totaal : 54 (2 X 3³) OF 270 (2 X 3³ X 5) . Structuur : 4 - 2 - 1 - 2 . Tenakh (15) : (1) Gn 50,23 . (2) Nu 27,1 . (3) Nu 32,39 . (4) Nu 36,1 . (5) Joz 13,31 . (6) Joz 17,3 . (7) Re 5,14 . (8) 2 S 9,4 . (9) 2 S 9,5 . (10) Ps 142,5 (part. hifil van nâkhar) . (11) 1 Kr 2,21 . (12) 1 Kr 2,23 . (13) 1 Kr 7,14 . (14) 1 Kr 7,16 . (15) 1 Kr 7,17 . Makir is de oudste zoon van Manasse , de kleinzoon van Jozef .

Gn 50,23.7. - 8. bëne(j) mâkhîr (zonen van Makir) . Tenakh (3) : (1) Gn 50,23 . (2) Nu 32,39 . (3) 1 Kr 2,23 .

Gn 50,23.9. ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalwaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . Tenach (1225) . Pentateuch (284) . Eerdere Profeten (392) . Latere Profeten (231) . 12 Kleine Profeten (26) . Geschriften (292) . Gn (85) . Gn 50 (2) : (1) Gn 50,23 . (2) Gn 50,26 .

Gn 50,23.10. mënasjsjèh (Manasse) . Taalgebruik in Tenakh : mënasjsjèh (Manasse) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , nun = 14 of 50 , sjin = 21 of 300 , he = 5 ; totaal : 53 (priemgetal) OF 395 (5 X 79) . Structuur : 4 - 5 - 3 - 5 . Manasse is de oudste zoon van Jozef , de zoon van Jakob . Tenakh (103) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (29) . Gn (8) : (1) Gn 41,51 . (2) Gn 46,20 . (3) Gn 48,1 . (4) Gn 48,13 . (5) Gn 48,14 . (6) Gn 48,17 . (7) Gn 48,20 . (8) Gn 50,23 .

Gn 50,23.14. יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) . Gn 50 : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,4 . (4) Gn 50,7 . (5) Gn 50,8 . (6) Gn 50,14 . (7) Gn 50,15 . (8) Gn 50,16 . (9) Gn 50,17 . (10) Gn 50,19 . (11) Gn 50,22 . (12) Gn 50,23 . (13) Gn 50,24 . (14) Gn 50,25 . (15) Gn 50,26 . Ex (3) : (1) Ex 1,6 . (2) Ex 1,8 . (3) Ex 13,19 . Zevenmaal in Gn 50,22-26 . In zes zinnen is Jôseph (Jozef) onderwerp en staat op de tweede plaats in de zin na het werkwoord in de imperfectum consecutivum .
- Grieks . ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34/35) . Gn (143) . Ex (4) .
- Arabisch : يُوسُفُ = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Koran : jusuf (Jusuf) .

Gn 50,24 - Gn 50,24 : De dood van Jozef -- Gn 50,22-26 -- Gn 50 -- Gn 50,22 - Gn 50,23 - Gn 50,24 - Gn 50,25 - Gn 50,26
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
24kai eipen iôsèf tois adelfois autou legôn egô apothnèskô episkopè de episkepsetai umas o theos kai anaxei umas ek tès gès tautès eis tèn gèn èn ômosen o theos tois patrasin èmôn abraam kai isaak kai iakôb  23 quibus transactis locutus est fratribus suis post mortem meam Deus visitabit vos et ascendere faciet de terra ista ad terram quam iuravit Abraham Isaac et Iacob    24 En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, hetwelk hij aan Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft.   [24] Daarna sprak Jozef tot zijn broers: ‘Ik ga sterven, maar eens laat God zijn macht zien en leidt Hij jullie van hier naar het land dat Hij onder ede beloofd heeft aan Abraham, Isaak en Jakob.’   [24] Toen hij zijn einde voelde naderen, zei hij tegen zijn broers: ‘God zal zich jullie lot aantrekken: hij zal jullie uit dit land wegleiden en je naar het land brengen dat hij onder ede aan Abraham, Isaak en Jakob heeft beloofd.  24 Dan zegt Jozef tot zijn broeders: ík ga sterven; maar God zal met zijn omzien naar jullie omzien en jullie doen opklimmen uit dit land,– náár het land dat hij heeft gezworen aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob. 24. Enfin Joseph dit à ses frères : Je vais mourir, mais Dieu vous visitera et vous fera remonter de ce pays dans le pays qu'il a promis par serment à Abraham, Isaac et Jacob. 

King James Bible . [24] And Joseph said unto his brethren, I die: and God will surely visit you, and bring you out of this land unto the land which he sware to Abraham, to Isaac, and to Jacob.
Luther-Bibel . 24 Und Josef sprach zu seinen Brüdern: Ich sterbe; aber Gott wird euch gnädig heimsuchen und aus diesem Lande führen in das Land, das er Abraham, Isaak und Jakob zu geben geschworen hat.

Tekstuitleg van Gn 50,24 . Vers 1531 . Het vers telt 22 (2 X 11) woorden en 87 (3 X 29) letters . De getalwaarde van het vers is 5281 (priemgetal) . Volgens het woordenaantal is het verhaal circulair of concentrisch opgebouwd : 11 - 14 - 22 - 14 - 11 . In Gn 50,24 en in Gn 50,25 is Jozef telkens aan het woord . De verzen tellen 22 + 14 = 36 woorden (de helft van het aantal woorden van dit verhaal) . De inleiding op de woorden van Jozef telt in Gn 50,24 4 woorden en in Gn 50,25 6 woorden ; totaal : 10 woorden . Het aantal woorden zelf dat Jozef tot zijn broers richt is 18 + 8 = 26 (de getalwaarde van de naam JHWH) . Dit vers Gn 50,24 vormt de binnenste ring van de concentrische opbouw . Jozef spreekt zijn broers toe in 18 woorden .

Gn 50,24.1. וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordsvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. `-m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) .Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalswaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Gn 1-11 (49) . Gn 12 (4) : (1) Gn 12,1 . (2) Gn 12,7 . (3) Gn 12,11 . (4) Gn 12,18 . In Gn 12,1 is het de 50ste keer . De stam `-m-r in Tenakh (5422) . Gn 50 (3) : (1) Gn 50,6 . (2) Gn 50,19 . (3) Gn 50,24 .

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt Gn 12  
  1879 594 868 120 56 241 315 150 10 95 24 4  

- Lettinga 12, 2012, 53c2 : Het werkw. begint met een aleph . Het is een gutturaal , maar de zwakste van de gutturalen . Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal werkw. een bijzondere behandeling voor de qal imperf. . Dit is het geval voor ons werkw. . In het imperf. gaat een medeklinker vooraf aan de aleph . De aleph quiesceert : ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b) . In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o : jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c) . De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b) . In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a : jomur -> jomar (i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012 , 15g) . In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è , vandaar wajjo´mèr . (Zie ook Jouön , 73) .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . λεγω = legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . IEen vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

    bijbel OT LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Gn 12 Ex Lv Nu Dt NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  act. ind. aor. 3de p. enk. eipen  3024  2426  2275 + 151 684 985 234 63 309 378 4 149 15 98 44 598  118  56  223  114  75  397  511 

- Ned. : zeggen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . Aramees : קְרָא = qërâ´ (roepen) . D. : sagen (zeggen) . E. : to say . Fr. : dire . Grieks : λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Hebreeuws : אָמַר = ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Lat. : legere . l (قَالَ = qâla) en r (קְרָא = qâra) liggen dicht bij elkaar . Orgaan van roepen is de stem ; zie Hebreeuws :קוֹל = qôl (stem, roep) . Taalgebruik in Tenakh : qôl (stem) . Lat. : dicere . Fr. : dire . Italiaans : dire . Spaans : decir .
- In het werkw. אָמַר = ´âmar (zeggen) zit het woord אְמ = ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan .

Gn 50,24.2. יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) . Gn 50 : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,4 . (4) Gn 50,7 . (5) Gn 50,8 . (6) Gn 50,14 . (7) Gn 50,15 . (8) Gn 50,16 . (9) Gn 50,17 . (10) Gn 50,19 . (11) Gn 50,22 . (12) Gn 50,23 . (13) Gn 50,24 . (14) Gn 50,25 . (15) Gn 50,26 . Ex (3) : (1) Ex 1,6 . (2) Ex 1,8 . (3) Ex 13,19 . Zevenmaal in Gn 50,22-26 . In zes zinnen is Jôseph (Jozef) onderwerp en staat op de tweede plaats in de zin na het werkwoord in de imperfectum consecutivum .
- Grieks . ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34/35) . Gn (143) . Ex (4) .
- Arabisch : يُوسُفُ = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Koran : jusuf (Jusuf) .

Gn 50,24.1. - 2. וַיּאֹמֶר יוֹסֵף = wajjo`mèr Jôseph (en Jozef zei) . Tenakh (10) : (1) Gn 40,12 . (2) Gn 41,25 . (3) Gn 45,3 . (4) Gn 45,4 . (5) Gn 46,31 . (6) Gn 47,16 . (7) Gn 47,23 . (8) Gn 48,9 . (9) Gn 48,18 . (10) Gn 50,24 .

 

Gn 50,24.5. - 6. ´ânokhî meth (ik ben stervende) . Tenakh (4) : (1) Gn 48,21 . (2) Gn 50,5 . (3) Gn 50,24 . (4) Dt 4,22 . Dit vormt de tussenschakel tussen Gn 50,22b en Gn 50,26 : (Jozef leefde ... ik ben stervende ... Jozef stierf) .

9. act. qal imperf. 3de pers. enk. יִפְקֹד = jiphëqod (hij zal omzien) van het werkw. פָקַד = pâqad (omzien, aanstellen, voorschrijven, in bewaring geven) . Taalgebruik in Tenakh : pâqad (omzien) . Getalwaarde : pe = 17 of 80 , qoph = 19 of 100 , daled = 4 ; totaal : 40 OF 184 (8 X 23) . Structuur : 8 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 4 . j-p-q-d . Tenakh (16) : (1) Gn 50,24 . (2) Gn 50,25 . (3) Ex 13,19 . (4) Nu 16,29 . (5) Nu 27,16 . (6) 1 S 20,18 . (7) 1 K 20,39 . (8) 2 K 10,19 . (9) Js 23,17 . (10) Js 24,21 . (11) Js 27,1 . (12) Js 27,3 . (13) Jr 13,21 . (14) Zach 11,16 . (15) Spr 19,23 . (16) Job 31,14 .
- Grieks . ind. fut. 3de pers. enk. επισκεψεται = episkepsetai (hij zal naar ons omkijken) van het werkw. επισκεπτομαι = episkeptomai (kijken naar, bekijken) . Taalgebruik in het NT : episkeptomai (kijken naar, bekijken) . Taalgebruik in de LXX : episkeptomai (kijken naar, bekijken) . Bijbel (7) : (1) Gn 50,24 . (2) Gn 50,25 . (3) Ex 13,19 . (4) Lv 13,36 . (5) Zach 10,3 . (6) Jdt 8,33 . (7) Lc 1,78 . Een vorm van επισκεπτομαι = episkeptomai (kijken naar, bekijken) in de LXX (163) , in het NT (11) : (1) Mt 25,36 . (2) Mt 25,43 . (3) Lc 1,68 . (4) Lc 1,78 . (5) Lc 7,16 . (6) Hnd 6,3 . (7) Hnd 7,23 . (8) Hnd 15,14 . (9) Hnd 15,36 . (10) Heb 2,6 . (11) Jak 1,27 . In de LXX kan επισκεπτομαι = episkeptomai de vertaling van 10 Hebreeuwse woorden zijn .

14. hâ´ârèts (het land) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Taalgebruik in Ex : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Gr. gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Een vorm van gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) . Tenakh (851) . Pentateuch (316) . Eerdere Profeten (132) . Latere Profeten (215) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (135) . Gn (113) . Gn 50 (2) : (1) Gn 50,11 . (2) Gn 50,24 .

Gn 50,24.13. - 14. min hâ´ârèts (uit het land) . Tenakh (35) . Pentateuch (11) . Gn (5) . Ex (4) . Lv (1) . Nu (1) . Dt (0) . Eerdere Profeten (8) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (6) . Gn (5) : (1) Gn 2,6 . (2) Gn 7,23 . (3) Gn 10,11 . (4) Gn 31,13 . (5) Gn 50,24 . (6) Ex 1,10 . (7) Ex 3,8 . (8) Ex 9,15 . (9) Ex 12,33 . (10) Lv 26,6 . (11) Nu 21,6 . (12) Joz 7,9 . (13) 1 S 28,9 . (14) 1 S 28,13 . (15) 2 S 12,17 . (16) 2 S 19,10 . (17) 1 K 15,12 . (18) 1 K 22,47 .

13. - 15. min hâ´ârèts hazzo´th (uit dit land) . Tenakh (2) : (1) Gn 31,13 . (2) Gn 50,24 .

16. - 18.

13. - 18. In Gn 12,1 In kreeg Abram de opdracht van JHWH om uit zijn land te trekken naar het land... In Gn 50,24 herinnert Jozef zijn broers aan de woorden van JHWH dat Hij hen vanuit dit land naar het land ... zal leiden . Gn 12,1 en Gn 50,24 omsluiten de verhalen van de aartsvaders en Jozef . Van het ene land naar het andere .

Gn 50,24.16. - 19. ´èl hâ´ârèts ´äsjèr nisjëba` (naar het land dat Hij zwoer) . Tenakh (5) : (1) Gn 50,24 . (2) Nu 14,16 . (3) Dt 6,10 . (4) Dt 26,3. (5) Dt 31,7 .

Gn 50,25 - Gn 50,25 : De dood van Jozef -- Gn 50,22-26 -- Gn 50 -- Gn 50,22 - Gn 50,23 - Gn 50,24 - Gn 50,25 - Gn 50,26
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
25kai ôrkisen iôsèf tous uious israèl legôn en tè episkopè è episkepsetai umas o theos kai sunanoisete ta osta mou enteuthen meth' umôn 24 cumque adiurasset eos atque dixisset Deus visitabit vos asportate vobiscum ossa mea de loco isto     25 En Jozef deed de zonen van Israël zweren, zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken, zo zult gij mijn beenderen van hier opvoeren!  [25] Jozef bezwoer de zonen van Israël: ‘Als de heer zich jullie lot aantrekt, neem dan mijn gebeente met je mee.’   [25] Zweer me dat jullie, wanneer God zich jullie lot aantrekt, mijn lichaam van hier zullen meenemen.’  25 En zweren laat Jozef het de zonen van Israël, door te zeggen: met zijn omzien zal God naar jullie omzien!– laat dan mijn beenderen méé opklimmen van hier!   25. Et Joseph fit prêter ce serment aux fils d'Israël : Quand Dieu vous visitera, vous emporterez d'ici mes ossements. 

King James Bible . [25] And Joseph took an oath of the children of Israel, saying, God will surely visit you, and ye shall carry up my bones from hence.
Luther-Bibel . 25 Darum nahm er einen Eid von den Söhnen Israels und sprach: Wenn euch Gott heimsuchen wird, so nehmt meine Gebeine mit von hier.

Tekstuitleg van Gn 50,25 . Vers 1532 . Het vers telt 14 woorden en 55 letters . De getalwaarde van het vers is 4358 . Jozef spreekt een 2de maal zijn broers toe . De inleiding bestaat uit 6 woorden , het citaat uit 8 woorden .

2. יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) . Gn 50 : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,4 . (4) Gn 50,7 . (5) Gn 50,8 . (6) Gn 50,14 . (7) Gn 50,15 . (8) Gn 50,16 . (9) Gn 50,17 . (10) Gn 50,19 . (11) Gn 50,22 . (12) Gn 50,23 . (13) Gn 50,24 . (14) Gn 50,25 . (15) Gn 50,26 . Ex (3) : (1) Ex 1,6 . (2) Ex 1,8 . (3) Ex 13,19 . Zevenmaal in Gn 50,22-26 . In zes zinnen is Jôseph (Jozef) onderwerp en staat op de tweede plaats in de zin na het werkwoord in de imperfectum consecutivum .
- Grieks . ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34/35) . Gn (143) . Ex (4) .
- Arabisch : يُوسُفُ = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Koran : jusuf (Jusuf) .

4. stat. constructus mann. mv. bëne(j) = (zonen van) OF ... + suffix pers. voornaamw. 1ste pers. enk. bâbaj / bânâj (mijn zonen) van het zelfst. naamw. ben (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalwaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . Tenakh (1481) . Pentateuch (582) . Eerdere Profeten (355) . Latere Profeten (83) . 12 Kleine Profeten (25) . Geschriften (436) . Gn (113) . Gn 50 (2) : (1) Gn 50,23 . (2) Gn 50,25 .

8. act. qal imperf. 3de pers. enk. jiphëqod (hij zal omzien) van het werkw. pâqad (omzien, aanstellen, voorschrijven, in bewaring geven) . Taalgebruik in Tenach : pâqad (omzien) . Getalwaarde : pe = 17 of 80 , qoph = 19 of 100 , daled = 4 ; totaal : 40 OF 184 (8 X 23) . Structuur : 8 - 1 - 4 . Tenakh (16) : (1) Gn 50,24 . (2) Gn 50,25 . (3) Ex 13,19 . (4) Nu 16,29 . (5) Nu 27,16 . (6) 1 S 20,18 . (7) 1 K 20,39 . (8) 2 K 10,19 . (9) Js 23,17 . (10) Js 24,21 . (11) Js 27,1 . (12) Js 27,3 . (13) Jr 13,21 . (14) Zach 11,16 . (15) Spr 19,23 . (16) Job 31,14 .

Gn 50,26 - Gn 50,26 : De dood van Jozef -- Gn 50,22-26 -- Gn 50 -- Gn 50,22 - Gn 50,23 - Gn 50,24 - Gn 50,25 - Gn 50,26
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrord Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
26kai eteleutèsen iôsèf etôn ekaton deka kai ethapsan auton kai ethèkan en tè sorô en aiguptô .  25 mortuus est expletis centum decem vitae suae annis et conditus aromatibus repositus est in loculo in Aegypto   me´âh wâ`èshèr sjânîm  bëmitsërajim 26 En Jozef stierf, honderd en tien jaren oud zijnde; en zij balsemden hem, en men leide hem in een kist in Egypte.   [26] Toen stierf Jozef, honderdtien jaar oud. Hij werd gebalsemd en in Egypte in een sarcofaag* gelegd.   [26] Jozef stierf toen hij honderdtien jaar was. Hij werd gebalsemd en in een sarcofaag gelegd, in Egypte. 26 Dan sterft Jozef als man van honderd en tien jaren; ze balsemen hem en hij wordt in een kist gelegd,– in Egypte.   26. Joseph mourut à l'âge de cent dix ans, on l'embauma et on le mit dans un cercueil en Égypte. 

King James Bible . [26] So Joseph died, being an hundred and ten years old: and they embalmed him, and he was put in a coffin in Egypt.
Luther-Bibel . 26 Und Josef starb, als er hundertundzehn Jahre alt war. Und sie salbten ihn und legten ihn in einen Sarg in Ägypten.
- Targum Onqelos . וּמִית יוֹסֵף, בַּר מְאָה וַעֲסַר שְׁנִין; וַחֲנַטוּ יָתֵיהּ, וְשָׂמוּהִי בַּאֲרוֹנָא בְּמִצְרָיִם

Hebreeuws Gn 50,26a . וַיָּמָת יוֹסֵף בֶּן מֵאָה וָעֶשִׂר שָׁנִים = wajjâmâth jôseph bèn me´âh wâ`èshèr sjânîm (en Jezus stierf , 110 jaar oud) .

Tekstuitleg van Gn 50,26 . Vers 1533 . Het vers telt 11 woorden en 46 (2 X 23) letters . De getalwaarde van het vers is 3189 (3 X 1063) . Dit is het 26ste en laatste vers van Gn 50 en van het boek Genesis . 26 is de getalwaarde van het boek JHWH . De getalwaarde van de naam Jozef is 156 (6 X 26) . De leeftijd van Jozef is 110 (5 X 22) OF (5² + 6² + 7²) . Het vers Gn 50,26 telt 11 woorden en vermeldt dat Jozef 110 jaar werd .

Bij de aartsvaders Abraham , Isaak , Jakob en Jozef hebben de getallen van hun leeftijden een symbolische betekenis .
1. Abraham werd 175 jaar oud . 175 = 5² X 7 OF (10 X 17) + 5 . (Gn 25,7) . 5 is de getalwaarde van de letter he . Abram en Saraj ontvangen de letter he in hun naam en zij worden vruchtbaar (Gn 17,5 en Gn 17,15) . Merkwaardig is de plaats van dit vers in de bijbel : het 25ste hoofdstuk en het 7de vers . Som van de factoren : 5 + 5 + 7 = 17 . Dit is de getalwaarde van de letter pe (mond) . 17 is de getalwaarde van de Godsnaam JHWH volgens de kleine telling (1 + 5 + 6 + 5 = 17) .
2. Isaak werd 180 jaar oud . 180 = 6² X 5 OF (10 X 17) + 10 . (Gn 35,28) . 6 is de getalwaarde van de letter waw . In Gn 25,19 staat de waw bij het begin van het woord (thôlëdoth) . Getalwaarde : thaw = 22 of 400 ; lamed = 12 of 30 , daleth = 4 , waw = 6 ; totaal : 66 (2 X 3 X 11) OF 840 (2³ X 3 X 5 X 7) . thôlëdoth komt in 7 verzen in Tenakh voor . Op de 6de plaats betreft het Isaak . Som van de factoren : 6 + 6 + 5 = 17 . Dit is de getalwaarde van de letter pe (mond) . 17 is de getalwaarde van de Godsnaam JHWH volgens de kleine telling (1 + 5 + 6 + 5 = 17) .
3. Jakob werd 147 jaar oud . 147 = 7² X 3 OF (8 X 17) + 11 . (Gn 49,33) . Som van de factoren : 7 + 7 + 3 = 17 . 17 is de getalwaarde van de Godsnaam JHWH volgens de kleine telling (1 + 5 + 6 + 5 = 17) . Ook hier is de plaats van dit vers in de bijbel merkwaardig : het 49ste hoofdstuk en het 33ste vers . Jakob diende 7 jaar voor Lea en Rachel (Gn 29,20 en Gn 29,30) . Jakob verbleef 130 (5 X 26) jaar in Kanaän en 17 jaar in Egypte (Gn 47,28) . Merkwaardig is de plaats in de bijbel (Gn 47,28) . De buitenste getallen van 147 is 17 . Het tweede en derde getal van 147 is 47 . 28 = 4 X 7 (hierin schuilt 47) .
1. - 3. Het product van drie opeenvolgende getallen ( 5 - 6 - 7) in het kwadraat , opklimmend , met drie opeenvolgende onpare getallen afdalend .
- De plechtige zegen in Nu 6,24 - Nu 6,25 - Nu 6,26 telt 3 - 5 - 7 woorden .
4. Jozef leefde 110 jaar . 110 = 5² + 6² + 7² OF (6 X 17) + 8 . De som van drie opeenvolgende getallen in het kwadraat . (Gn 50,22) . of de som van de kwadraten van de aartsvaders . Deze plaats in de bijbel is wellicht ook merkwaardig . (50ste hoofdstuk) X 22 (22ste vers) = 110 .
1. - 4. De vier leeftijden samen geeft de som van 612 (2² X 3² X 17) OF (34 X 17) + 34 . Het is een gemiddelde van 9 X 17 OF 153 . Het getal 153 is een driehoeksgetal . Het getal 153 is de som van alle getallen van 1 tot en met 17 . 612 is een vierkant (4 X 153) . Daarmee is het probleem opgelost waarom de som van de factoren bij Jozef geen 17 is . 17 is de getalwaarde van de Godsnaam JHWH volgens de kleine telling (1 + 5 + 6 + 5 = 17) .
Ook de getalwaarde van de namen van Isaak , Jakob en Jozef heeft een symbolische waarde .
2. Isaak (Gn 21,3) . jitsëchâq (Isaak) . Getalwaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 90 , chet = 8 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 49 (7 X 7) OF 208 (8 X 26) .
3. Jakob (Gn 25,26) . ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 OF 182 (7 X 26) .
4. Jozef (Gn 30,24) . Jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samek = 15 of 60 , qoph = 17 of 80 ; totaal : 48 (2² X 2² X 3) OF 156 (6 X 26) .
De getalwaarde van de namen Isaak , Jakob en Jozef volgens de tweede telling wordt gevormd door het product van drie opeenvolgende getallen (8 - 7 - 6) , afdalend , met de getalwaarde van de godsnaam JHWH volgens de gewone telling (26) : 8 X 26 EN 7 X 26 EN 6 X 26 . In totaal geven de twee tellingen 49 + 47 + 48 = 144 (12 X 12) OF 208 + 182 + 156 = 546 (21 X 26) . Het gemiddelde is 48 (4 X 12) OF 182 (7 X 26) .
- Bij de leeftijden en de naamgeving spelen de 2 getalwaarden van de Godsnaam JHWH een beslissende rol . Het getal 17 bij de leeftijden , het getal 26 bij de naamgeving . De leeftijd van Jakob is 147 , de getalwaarde van de naam van Jakob is 47 of 182 (7 X 26) . Bij Jakob overheerst het getal 7 , zowel bij zijn leeftijd als bij de getalwaarde van zijn naam .

    leeftijd   getalwaarde naamgeving
  Abraham 5 X 5 X 7 (17) 175 (10 X 17) + 5  
  Isaak 6 X 6 X 5 (17) 180 (10 X 17) + 10 49 (7 X 7) OF 208 (8 X 26)
  Jakob 7 X 7 X 3 (17) 147 (8 X 17) + 11 47 OF 182 (7 X 26)
  Jozef 5 X 5 X 6 X 6 X 7 X 7 (36) 110 (6 X 17) + 8 48 (2² X 2² X 3) OF 156 (6 X 26)
totaal     612 (34 X 17) + 34 OF 36 X 17 144 (12 X 12) OF 546 (21 X 26)
gemiddeld     153 (9 X 17) 48 (4 X 12) OF 182 (7 X 26) .

Gn 50,26.1. וַיָּמֹת / וַיָּמָת = wajjâmoth / wajjâmâth (en hij stierf) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. מות = mwth (sterven, ondergaan) . Taalgebruik in Tenakh : mwth (sterven, ondergaan) . Getalswaarde : mem = 13 of 40 , waw = 6 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 41 OF 446 (2 X 223) . Structuur : 4 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (132) . Pentateuch (41) . Eerdere Profeten (58) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (29) . Gn (24) . Ex (3) . Lv (0) . Nu (13) . Dt (1) . Joz (1) . Re (14) . 1 S (7) . 2 S (13) . 1 K (12) . 2 K (11) . Gn (24) : (1) Gn 5,5 . (2) Gn 5,8 . (3) Gn 5,11 . (4) Gn 5,14 . (5) Gn 5,17 . (6) Gn 5,20 . (7) Gn 5,27 . (8) Gn 5,31 . (9) Gn 9,29 . (10) Gn 11,28 . (11) Gn 11,32 . (12) Gn 25,8 . (13) Gn 25,17 . (14) Gn 35,29 . (15) Gn 36,33 . (16) Gn 36,34 . (17) Gn 36,35 . (18) Gn 36,36 . (19) Gn 36,37 . (20) Gn 36,38 . (21) Gn 36,39 . (22) Gn 38,10 . (23) Gn 46,12 . (24) Gn 50,26 . Joz (1) Joz 24,29 . Ex (3) : (1) Ex 1,6 . (2) Ex 2,23 . (3) Ex 9,6 . Re (14) : (1) Re 1,7 . (2) Re 2,8 . (3) Re 2,21 . (4) Re 3,11 . (5) Re 4,21 . (6) Re 6,30 . (7) Re 8,32 . (8) Re 9,54 . (9) Re 10,2 . (10) Re 10,5 . (11) Re 12,7 . (12) Re 12,10 . (13) Re 12,12 . (14) Re 12,15 . In Dt en Joz komt deze werkwoordvorm וַיָּמֹת = wajjâmoth (en hij stierf) alleen hier voor . Opmerkelijk is dus het einde van Dt , het begin van Joz , het einde van Joz en het begin van Re .
- Grieks : act. aor. 3de pers. enk. απεθανεν = apethanen (hij stierf) van het werkw. αποθνῃσκω = apothnè(i)skô (sterven) . Taalgebruik in de Bijbel : apothnè(i)skô (sterven) . Bijbel (200) . OT (169) . Gn (39) . NT (31) . Ev (18) : (1) Mt 9,24 . (2) Mt 22,27 . (3) Mc 5,35 . (4) Mc 5,39 . (5) Mc 9,26 . (6) Mc 12,21 . (7) Mc 12,22 . (8) Mc 15,44 . (9) Lc 8,52 . (10) Lc 8,53 . (11) Lc 16,22 . (12) Lc 20,29 . (13) Lc 20,32 . (14) Joh 8,52 . (15) Joh 8,53 . (16) Joh 11,14 . (17) Joh 11,21 . (18) Joh 11,32 . Een vorm van αποθνῃσκω = apothnè(i)skô apothnè(i)skô (sterven) in de LXX (600) , in het NT (113) .
- Grieks . act. aor. 3de pers. enk. ετελευτησεν = eteleuthèsen (hij stierf) van het werkw. τελευταω = teleutaô (beëindigen, voltooien, sterven) . Taalgebruik in de Bijbel : teleuteô (beëindigen, voltooien) . Bijbel (23) : (1) Gn 50,26 . (2) Ex 1,6 . (3) Ex 2,23 . (4) Ex 4,19 . (5) Ex 9,6 . (6) Ex 9,7 . (7) Nu 3,4 . (8) Nu 20,1 . (9) Dt 34,5 . (10) Joz 24,33 . (11) Re 2,8 . (12) Job 42,17 . (13) 1 Kr 29,28 . (14) 2 Kr 13,20 . (15) 2 Kr 16,13 . (16) 2 Kr 24,15 . (17) Jdt 8,3 . (18) 2 Mak 7,41 . (19) Sir 30,4 . (20) Mt 9,18 . (21) Mt 22,25 . (22) Hnd 2,29 . (23) Hnd 7,15 . Een vorm van τελευταω = teleuteô in de LXX (93) , in het NT (11) : (1) Mt 2,19 . (2) Mt 9,18 . (3) Mt 15,4 . (4) Mt 22,25 . (5) Mc 7,10 . (6) Mc 9,48 . (7) Lc 7,2 . (8) Joh 11,39 . (9) Hnd 2,29 . (10) Hnd 7,15 . (11) Heb 11,22 .
- Latijn . part. perf. nom. mann. enk. mortuus (gestorven, dood) van het werkw. mori (sterven) . Bijbel (204) , Gn (19) . NT (47) .
- Ned. : sterven . Arabisch : مَاتَ = mâta (sterven) . Taalgebruik in de Qoran : mâta (sterven) . Aramees : מִית = mîth (sterven) . D. : sterben . E. die . Fr. : mourir . Grieks : αποθνῃσκω = apothnè(i)skô (sterven) . Taalgebruik in de Bijbel : apothnè(i)skô (sterven) . Hebreeuws : מות = mwth (sterven, ondergaan) . Taalgebruik in Tenakh : mwth (sterven, ondergaan) . Latijn : mori .

Gn 50,26.2. יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) . Gn 50 : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,4 . (4) Gn 50,7 . (5) Gn 50,8 . (6) Gn 50,14 . (7) Gn 50,15 . (8) Gn 50,16 . (9) Gn 50,17 . (10) Gn 50,19 . (11) Gn 50,22 . (12) Gn 50,23 . (13) Gn 50,24 . (14) Gn 50,25 . (15) Gn 50,26 . Ex (3) : (1) Ex 1,6 . (2) Ex 1,8 . (3) Ex 13,19 . Zevenmaal in Gn 50,22-26 . In zes zinnen is Jôseph (Jozef) onderwerp en staat op de tweede plaats in de zin na het werkwoord in de imperfectum consecutivum .
- Grieks . ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34/35) . Gn (143) . Ex (4) .
- Arabisch : يُوسُفُ = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Koran : jusuf (Jusuf) .

Gn 50,26.1. - 2. יוֹסֵף וַיָּמָת = wajjâmâth jôseph (en Jozef stierf) . Tenakh (2) : (1) Gn 50,26 . (2) Ex 1,6 . Met de dood van iemand wordt een episode beëindigt en begint een nieuwe episode . Het einde van een periode wordt op het einde van een boek verteld , het begin van een nieuwe periode bij het begin van een nieuw boek .
- Binnenste ring van de concentrische opbouw van Gn 50,22-26 (4 - 6) .
- Zowel Jozef als Jozua worden 110 jaar . Zo wordt een verband gelegd tussen beide figuren . 2X wordt de leeftijd van Jozef vermeld , 2X de dood van Jozua . Tussen de twee ouderdommen van Jozef wordt het vooruitzicht van de uittocht gesteld . Tussen de twee vermeldingen van de dood van Jozua wordt de bezitname van het land 'herhaald' .

Gn 50,26.3. בן = ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalwaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . Tenach (1225) . Pentateuch (284) . Eerdere Profeten (392) . Latere Profeten (231) . 12 Kleine Profeten (26) . Geschriften (292) . Gn (85) . Gn 50 (2) : (1) Gn 50,23 . (2) Gn 50,26 .

Gn 50,26.4. מֵאָה = me´âh (honderd) , zie 100 . Taalgebruik in Tenakh : me´âh (honderd) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 19 , zie 19 , of 46 (2 X 23) , zie 46 . Structuur : 4 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (98) . Pentateuch (15) . Eerdere Profeten (17) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (54) . Gn (6) : (1) Gn 6,3 . (2) Gn 17,17 . (3) Gn 23,1 . (4) Gn 26,12 . (5) Gn 50,22 . (6) Gn 50,26 .
- Grieks . ἑκατον = hekaton (honderd, 100) . Bijbel (211) . OT (194) . Gn (29) . NT (17) : (1) Mt 13,8 . (2) Mt 13,23 . (3) Mt 18,12 . (4) Mt 18,28 . (5) Mc 4,8 . (6) Mc 4,20 . (7) Mc 6,40 . (8) Lc 15,4 . (9) Lc 16,6 . (10) Lc 16,7 . (11) Joh 19,39 . (12) Joh 21,11 . (13) Hnd 1,15 . (14) Apk 7,4 . (15) Apk 14,1 . (16) Apk 14,3 . (17) Apk 21,17 .
- Latijn . centum (honderd, 100) . Fr. cent . E. hundred . D. hundert . Aramees : מְאָה = mëâh (honderd, 100) . Arabisch : مِئَة OF مِائَة = mija of miaja (honderd, 100) .

Gn 50,26.3. - 4. מֵאָה בֶּן = ben me´ah (100 'jaar' oud) . Tenakh (7) : (1) Gn 50,26 . (2) Dt 31,2 . (3) Dt 34,7 . (4) Joz 24,29 . (5) Re 2,8 . (6) 2 Kr 24,15 . (7) Js 65,20 .

Gn 50,26.5. וָעֶשֶׂר = wâ`èshèr (en tien) < wë + עָשַׂר = `âshâr (tien) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâr (tien) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 57 (3 X 19) OF 570 (2 X 3 X 5 X 19) . Structuur : 7 - 3 - 2 . Tenakh (11) : (1) Gn 45,23 . (2) Gn 50,22 . (3) Gn 50,26 . (4) Joz 24,29 . (5) Re 2,8 . (6) 1 K 6,25 . (7) 2 K 5,5 . (8) Ps 112,3 . (9) Spr 30,8 . (10) 2 Kr 1,12 . (11) 2 Kr 4,1 .
- Grieks . δεκα = deka (tien) . Taalgebruik in het NT : deka (tien) . Taalgebruik in de LXX : deka (tien) . Bijbel (267) . OT (245) . Pentateuch (61) . Gn (21) . Gn 50 (2) : (1) Gn 50,22 . (2) Gn 50,26 . NT (22) : (1) Mt 20,24 . (2) Mt 25,1 . (3) Mt 25,28 . (4) Mc 10,41 . (5) Lc 13,16 . (6) Lc 14,31 . (7) Lc 15,8 . (8) Lc 17,12 . (9) Lc 17,17 . (10) Lc 19,13 . (11) Lc 19,16 . (12) Lc 19,17 . (13) Lc 19,24 . (14) Lc 19,25 . (15) Hnd 25,6 . (16) Apk 2,10 . (17) Apk 12,3 . (18) Apk 13,1 . (19) Apk 17,3 . (20) Apk 17,7 . (21) Apk 17,12 . (22) Apk 17,16 .
- Latijn . decem . Fr. dix . E. ten . D. zehn . Aramees : עֲשַׂר = `äshar (tien, 10) . Arabisch : عَشَرَة = `asara (tien) . Taalgebruik in de Qoran : `asara (tien) .

Gn 50,26.4. - 5. וָעֶשֶׂר מֵאָה = me´âh wâ`èshèr (honderd en tien , honderdentien, 110) . Tenakh (4) : (1) Gn 50,22 . (2) Gn 50,26 . (3) Joz 24,29 . (4) Re 2,8 .
- 110 is het produkt van 2 getallen : 110 = 5 X 22 . 110 is de som van 3 kwadraten : 5² (25) + 6² (36) + 7² (49) .

Gn 50,26.6. mann. mv. שָׁנִם = sjânîm (jaren) van het zelfstandig naamwoord שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . De getalwaarde van sjânâh (jaar) is : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (64) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (77) . Gn (46) . Gn 50 (2) : (1) Gn 50,22 . (2) Gn 50,26 .
- Grieks . gen. onz. mv. ετων = etôn (van jaren) van het zelfst. naamw. ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . OT (109) . NT (15) : (1) Mc 5,42 . (2) Lc 2,37 . (3) Lc 2,42 . (4) Lc 3,23 . (5) Lc 8,42 . (6) Lc 8,43 . (7) Hnd 4,22 . (8) Hnd 7,30 . (9) Hnd 9,33 . (10) Hnd 24,10 . (11) Hnd 24,17 . (12) Rom 15,23 . (13) 2 Kor 12,2 . (14) Gal 2,1 . (15) 1 Tim 5,9 . Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) .
- Latijn . annus (jaar) . Fr. an of année . Ned. jaar . E. year . D. Jahr . Aramees : שְׁנָה = sjënâh (jaar) . Arabisch : سَنَة = sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) .

Gn 50,26.4. - 6. מֵאָה וָעֶשֶׂר שָׁנִם = me´âh wâ`èshèr sjânîm (110 jaar) . Tenakh (4) : (1) Gn 50,22 . (2) Gn 50,26 . (3) Joz 24,29 . (4) Re 2,8 .
- Tweede ring van de concentrische (menorah) opbouw van Gn 50,22-26 (2 - 7) .
- Zowel Jozef als Jozua worden 110 jaar . Zo wordt een verband gelegd tussen beide figuren . 2X wordt de leeftijd van Jozef vermeld , 2X de dood van Jozua . Tussen de twee ouderdommen van Jozef wordt het vooruitzicht van de uittocht gesteld . Tussen de twee vermeldingen van de dood van Jozua wordt de bezitname van het land 'herhaald' .

Gn 50,26.1. - 6. wajjâmâth jëhôsju`a bin nûn `èbhèd JHWH bèn me´âh wâ`èshèr sjânîm (en Jozua , de zoon van Nun , dienaar van JHWH , stierf , 110 jaar oud) . Tenakh (2) : (1) Joz 24,29 . (2) Re 2,8 .
- שָׁנִים וָעֶשִׂר מֵאָה בֶּן יוֹסֵף וַיָּמָת = wajjâmâth jôseph bèn me´âh wâ`èshèr sjânîm (en Jozef stierf , 110 jaar oud) . Tenakh (1) : Gn 50,26 . Er is een opmerkelijke overeenkomst tussen Jozef en Jozua omtrent hun sterven en ouderdom . Jozef werd geboren in het beloofde land en vertoefde het grootste deel van zijn leven in Egypte . Jozua maakte de woestijntocht mee , nam bezit van het beloofde land en stierf er . Jozef kwam in Egypte als slaaf en het volk maakte de uittocht uit de slavernij van Egypte (begin en einde van de periode) . Jozef is met Egypte verbonden , Jozua met het geschonken land . Daartussen ligt Mozes , de periode van de woestijntocht .
- Zowel Jozef als Jozua worden 110 jaar . Zo wordt een verband gelegd tussen beide figuren . 2X wordt de leeftijd van Jozef vermeld , 2X de dood van Jozua . Tussen de twee ouderdommen van Jozef wordt het vooruitzicht van de uittocht gesteld . Tussen de twee vermeldingen van de dood van Jozua wordt de bezitname van het land 'herhaald' .

Gn 50,26.7. וַיַּחַנְטוּ = wajjachanëtû (en zij balsemden) < prefix voorzetsel wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. חָנַט = chânat (balsemen) . Getalwaarde : chet = 8 , nun = 14 of 50 , tet = 9 ; totaal : 31 of 67 (priemgetal) . Structuur : 8 - 5 - 9 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (2) : (1) Gn 50,2 . (2) Gn 50,26 . Het is slechts in de contekst van de 'begrafenis' van Jakob en Jozef dat dit werkw. wordt gebruikt .
- הַחֲנֻטִים = hachänutîm (van hen die worden gebalsemd) < bepaald lidw. ha + werkwoordvorm passief qal part. mann. mv. van het werkw. חָנַט = chânat (balsemen) . Tenakh (1) : Gn 50,3
- לַחֲנֹט = lachänot (om te balsemen) < prefix voorzetsel lë + act. qal infin. constructus van het werkw. חָנַט = chânat (balsemen) . Tenakh (1) : Gn 50,2 .
- Grieks . act. ind. aor. 3de pers. mv. εθαψαν = ethapsan (zij begroeven) van het werkw. θαπτω = thaptô (begraven) . Taalgebruik in het NT : thaptô (begraven) . Taalgebruik in de LXX : thaptô (begraven) . Bijbel (43) . OT (40) . NT (3) : (1) Mt 14,12 . (2) Hnd 5,6 . (3) Hnd 5,10 . Gn (7) : (1) Gn 25,9 . (2) Gn 25,10 . (3) Gn 35,29 . (4) Gn 49,31 . (5) Gn 50,12 . (6) Gn 50,13 . (7) Gn 50,26 . Een vorm van θαπτω = thaptô (begraven) in de LXX (177) , in het NT (11) : (1) Mt 8,21 . (2) Mt 8,22 . (3) Mt 14,12 . (4) Lc 9,59 . (5) Lc 9,60 . (6) Lc 16,22 . (7) Hnd 2,29 . (8) Hnd 5,6 . (9) Hnd 5,9 . (10) Hnd 5,10 . (11) 1 Kor 15,4 .
- Grieks . act. ind. aor. 3de pers. mv. ενεταφιασαν = enetafiasan (zij balsemden) van het werkw. ενταφιαζω = entafiazô (voor de begrafenis gereedmaken, balsemen, afleggen, begraven) . Bijbel (1) : Gn 50,2 . Een vorm van ενταφιαζω = entafiazô in de LXX (2) : (1) Gn 50,2 . (2) Gn 50,26 , in het NT (2) : (1) Mt 26,12 . (2) Joh 19,40 .
- act. inf. aor. ενταφιασαι = entafiasai (te balsemen) . Bijbel (1) : Gn 50,2 . Een vorm van ενταφιαζω = entafiazô in de LXX (2) : (1) Gn 50,2 . (2) Gn 50,2 , in het NT (2) : (1) Mt 26,12 . (2) Joh 19,40 .
- Latijn . Een vorm van het werkwoord condire (balsemen) . (1) Gn 50,2 : act. conjunct. praes. 3de pers. mv. condirent (dat zij zouden balsemen) . (2) Gn 50,3 : pass. part. aor. gen. mann. en onz. mv. conditorum (van de gebalsemden) . (3) Gn 50,26 : pass. aor. deelw. nom. mann. enk. conditus (gebalsemd) . Arabisch : حَنَّطَ= channadha (balsemen) . Taalgebruik in de Qoran : channadha (balsemen) .
- Bij het balsemen van Jakob en Jozef werd het lichaam in windsels gewikkeld (Gn 50) : (1) Gn 50,2 . (2) Gn 50,26 . Invloed hiervan in Lc 23,53 . In deze tekst werd Jezus na de kruisafneming in een fijn lijnwaad gewikkeld . En bij de geboorte van Jezus werd het kind in doeken gewikkeld (Lc 2,7) .

Gn 50,26.9. Grieks . act. ind. aor. 3de pers. mv. εθηκαν = ethèkan (zij legden) van het werkw. τιθημι = tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . Taalgebruik in het NT : tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . Taalgebruik in de LXX : tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . Bijbel (24) . Pentateuch (1) : Gn 50,26 . NT (7) : (1) Mc 6,29 . (2) Mc 16,6 . (3) Joh 19,42 . (4) Joh 20,2 . (5) Joh 20,13 . (6) Hnd 9,37 . (7) Hnd 13,29 .

  tithèmi (zetten, plaatsen, maken)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. mv. ethèkan (zij legden) 24 17     2   3 2     2 5    

Gn 50,26.10. bâ´âron (in de kist) < voorzetsel bë (in) + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. ´ärôn (ark, kast, kist) . Taalgebruik in Tenakh : ´ärôn (ark, kast, kist) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , waw = 6 , nun = 14 of 50 ; totaal : 41 (5 X 7) OF 257 (priemgetal) . Structuur : 1 - 2 - 6 - 5 . Tenakh (7) : (1) Gn 50,26 . (2) Dt 10,2 . (3) Dt 10,5 . (4) 1 S 6,19 . (5) 1 K 8,9 . (6) 2 K 12,11 . (7) 2 Kr 5,10 .
- Lat. arca ; arcanum (mv. arcana (iets wat in een koffer wordt verborgen of opgeborgen , geheimzinnig) . E. arc , arcane . Gr. hè kibôtos .

Gn 50,26.11. bëmitsërajim (in Egypte) < bë + mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenach : mitsërajim (Egypte) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 4 - 9 - 2 - 1 - 4 . Tenakh (53) . Pentateuch (33) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (8) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (6) . Gn (7) : (1) Gn 42,1 . (2) Gn 42,2 . (3) Gn 45,13 . (4) Gn 46,27 . (5) Gn 47,29 . (6) Gn 50,22 . (7) Gn 50,26 . bëmitsërajim (in Egypte) . Uiterste ring van de concentrische opbouw van Gn 50,22-26 .


- Hebreeuwse tekst OF modern Hebreeuws NT

וַיִּפֹּל יֹוסֵף עַל־פְּנֵי אָבִיו וַיֵּבְךְּ עָלָיו וַיִּשַּׁק־לֹו׃ .1 וַיְצַו יֹוסֵף אֶת־עֲבָדָיו אֶת־הָרֹפְאִים לַחֲנֹט אֶת־אָבִיו וַיַּחַנְטוּ הָרֹפְאִים אֶת־יִשְׂרָאֵל׃ .2 וַיִּמְלְאוּ־לֹו אַרְבָּעִים יֹום כִּי כֵּן יִמְלְאוּ יְמֵי הַחֲנֻטִים וַיִּבְכּוּ אֹתֹו מִצְרַיִם שִׁבְעִים יֹום׃ .3 וַיַּעַבְרוּ יְמֵי בְכִיתֹו וַיְדַבֵּר יֹוסֵף אֶל־בֵּית פַּרְעֹה לֵאמֹר אִם־נָא מָצָאתִי חֵן בְּעֵינֵיכֶם דַּבְּרוּ־נָא בְּאָזְנֵי פַרְעֹה לֵאמֹר׃ .4 אָבִי הִשְׁבִּיעַנִי לֵאמֹר הִנֵּה אָנֹכִי מֵת בְּקִבְרִי אֲשֶׁר כָּרִיתִי לִי בְּאֶרֶץ כְּנַעַן שָׁמָּה תִּקְבְּרֵנִי וְעַתָּה אֶעֱלֶה־נָּא וְאֶקְבְּרָה אֶת־אָבִי וְאָשׁוּבָה׃ .5 וַיֹּאמֶר פַּרְעֹה עֲלֵה וּקְבֹר אֶת־אָבִיךָ כַּאֲשֶׁר הִשְׁבִּיעֶךָ׃ .6 וַיַּעַל יֹוסֵף לִקְבֹּר אֶת־אָבִיו וַיַּעֲלוּ אִתֹּו כָּל־עַבְדֵי פַרְעֹה זִקְנֵי בֵיתֹו וְכֹל זִקְנֵי אֶרֶץ־מִצְרָיִם׃ .7 וְכֹל בֵּית יֹוסֵף וְאֶחָיו וּבֵית אָבִיו רַק טַפָּם וְצֹאנָם וּבְקָרָם עָזְבוּ בְּאֶרֶץ גֹּשֶׁן׃ .8 וַיַּעַל עִמֹּו גַּם־רֶכֶב גַּם־פָּרָשִׁים וַיְהִי הַמַּחֲנֶה כָּבֵד מְאֹד׃ .9 וַיָּבֹאוּ עַד־גֹּרֶן הָאָטָד אֲשֶׁר בְּעֵבֶר הַיַּרְדֵּן וַיִּסְפְּדוּ־שָׁם מִסְפֵּד גָּדֹול וְכָבֵד מְאֹד וַיַּעַשׂ לְאָבִיו אֵבֶל שִׁבְעַת יָמִים׃ .10 וַיַּרְא יֹושֵׁב הָאָרֶץ הַכְּנַעֲנִי אֶת־הָאֵבֶל בְּגֹרֶן הָאָטָד וַיֹּאמְרוּ אֵבֶל־כָּבֵד זֶה לְמִצְרָיִם עַל־כֵּן קָרָא שְׁמָהּ אָבֵל מִצְרַיִם אֲשֶׁר בְּעֵבֶר הַיַּרְדֵּן׃ .11 וַיַּעֲשׂוּ בָנָיו לֹו כֵּן כַּאֲשֶׁר צִוָּם׃ .12 וַיִּשְׂאוּ אֹתֹו בָנָיו אַרְצָה כְּנַעַן וַיִּקְבְּרוּ אֹתֹו בִּמְעָרַת שְׂדֵה הַמַּכְפֵּלָה אֲשֶׁר קָנָה אַבְרָהָם אֶת־הַשָּׂדֶה לַאֲחֻזַּת־קֶבֶר מֵאֵת עֶפְרֹן הַחִתִּי עַל־פְּנֵי מַמְרֵא׃ .13 וַיָּשָׁב יֹוסֵף מִצְרַיְמָה הוּא וְאֶחָיו וְכָל־הָעֹלִים אִתֹּו לִקְבֹּר אֶת־אָבִיו אַחֲרֵי קָבְרֹו אֶת־אָבִיו׃ .14 וַיִּרְאוּ אֲחֵי־יֹוסֵף כִּי־מֵת אֲבִיהֶם וַיֹּאמְרוּ לוּ יִשְׂטְמֵנוּ יֹוסֵף וְהָשֵׁב יָשִׁיב לָנוּ אֵת כָּל־הָרָעָה אֲשֶׁר גָּמַלְנוּ אֹתֹו׃ .15 וַיְצַוּוּ אֶל־יֹוסֵף לֵאמֹר אָבִיךָ צִוָּה לִפְנֵי מֹותֹו לֵאמֹר׃ .16 כֹּה־תֹאמְרוּ לְיֹוסֵף אָנָּא שָׂא נָא פֶּשַׁע אַחֶיךָ וְחַטָּאתָם כִּי־רָעָה גְמָלוּךָ וְעַתָּה שָׂא נָא לְפֶשַׁע עַבְדֵי אֱלֹהֵי אָבִיךָ וַיֵּבְךְּ יֹוסֵף בְּדַבְּרָם אֵלָיו׃ .17 וַיֵּלְכוּ גַּם־אֶחָיו וַיִּפְּלוּ לְפָנָיו וַיֹּאמְרוּ הִנֶּנּוּ לְךָ לַעֲבָדִים׃ .18 וַיֹּאמֶר אֲלֵהֶם יֹוסֵף אַל־תִּירָאוּ כִּי הֲתַחַת אֱלֹהִים אָנִי׃ .19 וְאַתֶּם חֲשַׁבְתֶּם עָלַי רָעָה אֱלֹהִים חֲשָׁבָהּ לְטֹבָה לְמַעַן עֲשֹׂה כַּיֹּום הַזֶּה לְהַחֲיֹת עַם־רָב׃ .20 וְעַתָּה אַל־תִּירָאוּ אָנֹכִי אֲכַלְכֵּל אֶתְכֶם וְאֶת־טַפְּכֶם וַיְנַחֵם אֹותָם וַיְדַבֵּר עַל־לִבָּם׃ .21 וַיֵּשֶׁב יֹוסֵף בְּמִצְרַיִם הוּא וּבֵית אָבִיו וַיְחִי יֹוסֵף מֵאָה וָעֶשֶׂר שָׁנִים׃ .22 וַיַּרְא יֹוסֵף לְאֶפְרַיִם בְּנֵי שִׁלֵּשִׁים גַּם בְּנֵי מָכִיר בֶּן־מְנַשֶּׁה יֻלְּדוּ עַל־בִּרְכֵּי יֹוסֵף׃ .23 וַיֹּאמֶר יֹוסֵף אֶל־אֶחָיו אָנֹכִי מֵת וֵאלֹהִים פָּקֹד יִפְקֹד אֶתְכֶם וְהֶעֱלָה אֶתְכֶם מִן־הָאָרֶץ הַזֹּאת אֶל־הָאָרֶץ אֲשֶׁר נִשְׁבַּע לְאַבְרָהָם לְיִצְחָק וּלְיַעֲקֹב׃ .24 וַיַּשְׁבַּע יֹוסֵף אֶת־בְּנֵי יִשְׂרָאֵל לֵאמֹר פָּקֹד יִפְקֹד אֱלֹהִים אֶתְכֶם וְהַעֲלִתֶם אֶת־עַצְמֹתַי מִזֶּה׃ .25 וַיָּמָת יֹוסֵף בֶּן־מֵאָה וָעֶשֶׂר שָׁנִים וַיַּחַנְטוּ אֹתֹו וַיִּישֶׂם בָּאָרֹון בְּמִצְרָיִם׃ .26


- Targum Onkelos

א וּנְפַל יוֹסֵף, עַל אַפֵּי אֲבוּהִי; וּבְכָא עֲלוֹהִי, וְנַשֵּׁיק לֵיהּ. ב וּפַקֵּיד יוֹסֵף יָת עַבְדּוֹהִי יָת אָסְוָתָא, לְמִחְנַט יָת אֲבוּהִי; וַחֲנַטוּ אָסְוָתָא, יָת יִשְׂרָאֵל. ג וּשְׁלִימוּ לֵיהּ אַרְבְּעִין יוֹמִין, אֲרֵי כֵּין שָׁלְמִין יוֹמֵי חֲנִיטַיָּא; וּבְכוֹ יָתֵיהּ מִצְרָאֵי, שִׁבְעִין יוֹמִין. ד וַעֲבַרוּ, יוֹמֵי בְּכִיתֵיהּ, וּמַלֵּיל יוֹסֵף, עִם בֵּית פַּרְעֹה לְמֵימַר: אִם כְּעַן אַשְׁכַּחִית רַחֲמִין, בְּעֵינֵיכוֹן--מַלִּילוּ כְּעַן, קֳדָם פַּרְעֹה לְמֵימַר. ה אַבָּא קַיֵּים עֲלַי לְמֵימַר, הָאֲנָא מָאִית--בְּקִבְרִי דְּאַתְקֵינִית לִי בְּאַרְעָא דִּכְנַעַן, תַּמָּן תִּקְבְּרִנַּנִי; וּכְעַן, אֶסַּק כְּעַן וְאֶקְבַּר יָת אַבָּא--וַאֲתוּב. ו וַאֲמַר, פַּרְעֹה: סַק וּקְבַר יָת אֲבוּךְ, כְּמָא דְּקַיֵּים עֲלָךְ. ז וּסְלֵיק יוֹסֵף, לְמִקְבַּר יָת אֲבוּהִי; וּסְלִיקוּ עִמֵּיהּ כָּל עַבְדֵי פַּרְעֹה, סָבֵי בֵּיתֵיהּ, וְכֹל, סָבֵי אַרְעָא דְּמִצְרָיִם. ח וְכֹל בֵּית יוֹסֵף, וַאֲחוֹהִי וּבֵית אֲבוּהִי: לְחוֹד, טַפְלְהוֹן וְעָנְהוֹן וְתוֹרֵיהוֹן--שְׁבַקוּ, בְּאַרְעָא דְּגֹשֶׁן. ט וּסְלִיק עִמֵּיהּ, אַף רְתִכִּין אַף פָּרָשִׁין; וַהֲוָת מַשְׁרִיתָא, סַגִּיאָה לַחְדָּא. י וַאֲתוֹ עַד בֵּית אִדְּרֵי דְּאָטָד, דִּבְעִבְרָא דְּיַרְדְּנָא, וּסְפַדוּ תַּמָּן, מִסְפֵּיד רַב וְתַקִּיף לַחְדָּא; וַעֲבַד לַאֲבוּהִי אֶבְלָא, שִׁבְעָא יוֹמִין. יא וַחֲזָא יָתֵיב אֲרַע כְּנַעֲנָאָה יָת אֶבְלָא, בְּבֵית אִדְּרֵי דְּאָטָד, וַאֲמַרוּ, אֵבֶל תַּקִּיף דֵּין לְמִצְרָאֵי; עַל כֵּין קְרָא שְׁמַהּ, אָבֵיל מִצְרַיִם--דִּבְעִבְרָא דְּיַרְדְּנָא. יב וַעֲבַדוּ בְּנוֹהִי, לֵיהּ--כֵּין, כְּמָא דְּפַקֵּידִנּוּן. יג וּנְטַלוּ יָתֵיהּ בְּנוֹהִי, לְאַרְעָא דִּכְנַעַן, וּקְבַרוּ יָתֵיהּ, בִּמְעָרַת חֲקַל כָּפֵילְתָּא: דִּזְבַן אַבְרָהָם יָת חַקְלָא לְאַחְסָנַת קְבוּרָא, מִן עֶפְרוֹן חִתָּאָה--עַל אַפֵּי מַמְרֵא. יד וְתָב יוֹסֵף לְמִצְרַיִם הוּא וַאֲחוֹהִי, וְכָל דִּסְלִיקוּ עִמֵּיהּ לְמִקְבַּר יָת אֲבוּהִי, בָּתַר, דִּקְבַר יָת אֲבוּהִי. טו וַחֲזוֹ אֲחֵי יוֹסֵף, אֲרֵי מִית אֲבוּהוֹן, וַאֲמַרוּ, דִּלְמָא יִטַּר לַנָא דְּבָבוּ יוֹסֵף; וְאָתָבָא יָתִיב, לַנָא, יָת כָּל בִּשְׁתָּא, דִּגְמַלְנָא יָתֵיהּ. טז וּפַקִּידוּ, לְוָת יוֹסֵף לְמֵימַר: אֲבוּךְ פַּקֵּיד, קֳדָם מוֹתֵיהּ לְמֵימַר. יז כְּדֵין תֵּימְרוּן לְיוֹסֵף, בְּבָעוּ שְׁבוֹק כְּעַן לְחוֹבֵי אֲחָךְ וְלִחְטָאֵיהוֹן אֲרֵי בִּשְׁתָּא גַּמְלוּךְ, וּכְעַן שְׁבוֹק כְּעַן, לְחוֹבֵי עַבְדֵי אֱלָהָא דַּאֲבוּךְ; וּבְכָא יוֹסֵף, בְּמַלָּלוּתְהוֹן עִמֵּיהּ. יח וַאֲזַלוּ, אַף אֲחוֹהִי, וּנְפַלוּ, קֳדָמוֹהִי; וַאֲמַרוּ, הָא אֲנַחְנָא לָךְ לְעַבְדִּין. יט וַאֲמַר לְהוֹן יוֹסֵף, לָא תִּדְחֲלוּן: אֲרֵי דָּחֲלָא דַּייָ, אֲנָא. כ וְאַתּוּן, חֲשַׁבְתּוּן עֲלַי בִּישָׁא; מִן קֳדָם יְיָ, אִתְחֲשֵׁיבַת לְטָבָא, בְּדִיל לְמֶעֱבַד כְּיוֹמָא הָדֵין, לְקַיָּמָא עַם סַגִּי. כא וּכְעַן, לָא תִּדְחֲלוּן--אֲנָא אֲזוּן יָתְכוֹן, וְיָת טַפְלְכוֹן; וְנַחֵים יָתְהוֹן, וּמַלֵּיל תַּנְחוּמִין עַל לִבְּהוֹן. כב וִיתֵיב יוֹסֵף בְּמִצְרַיִם, הוּא וּבֵית אֲבוּהִי; וַחֲיָא יוֹסֵף, מְאָה וַעֲסַר שְׁנִין. כג וַחֲזָא יוֹסֵף לְאֶפְרַיִם, בְּנִין תְּלִיתָאִין; אַף, בְּנֵי מָכִיר בַּר מְנַשֶּׁה--אִתְיְלִידוּ, וְרַבִּי יוֹסֵף. כד וַאֲמַר יוֹסֵף לַאֲחוֹהִי, אֲנָא מָאִית; וַייָ מִדְכָר דְּכִיר יָתְכוֹן, וְיַסֵּיק יָתְכוֹן מִן אַרְעָא הָדָא, לְאַרְעָא, דְּקַיֵּים לְאַבְרָהָם לְיִצְחָק וּלְיַעֲקוֹב. כה וְאוֹמִי יוֹסֵף, יָת בְּנֵי יִשְׂרָאֵל לְמֵימַר: מִדְכָר דְּכִיר יְיָ יָתְכוֹן, וְתַסְּקוּן יָת גַּרְמַי מִכָּא. כו וּמִית יוֹסֵף, בַּר מְאָה וַעֲסַר שְׁנִין; וַחֲנַטוּ יָתֵיהּ, וְשָׂמוּהִי בַּאֲרוֹנָא בְּמִצְרָיִם. {ש}


- Griekse tekst - Septuaginta

1kai epipesôn iôsèf epi to prosôpon tou patros autou eklausen ep' auton kai efilèsen auton2kai prosetaxen iôsèf tois paisin autou tois entafiastais entafiasai ton patera autou kai enetafiasan oi entafiastai ton israèl3kai eplèrôsan autou tessarakonta èmeras outôs gar katarithmountai ai èmerai tès tafès kai epenthèsen auton aiguptos ebdomèkonta èmeras4epeidè de parèlthon ai èmerai tou penthous elalèsen iôsèf pros tous dunastas faraô legôn ei euron charin enantion umôn lalèsate peri emou eis ta ôta faraô legontes5o patèr mou ôrkisen me legôn en tô mnèmeiô ô ôruxa emautô en gè chanaan ekei me thapseis nun oun anabas thapsô ton patera mou kai epaneleusomai6kai eipen faraô anabèthi thapson ton patera sou kathaper ôrkisen se7kai anebè iôsèf thapsai ton patera autou kai sunanebèsan met' autou pantes oi paides faraô kai oi presbuteroi tou oikou autou kai pantes oi presbuteroi tès gès aiguptou8kai pasa è panoikia iôsèf kai oi adelfoi autou kai pasa è oikia è patrikè autou kai tèn suggeneian kai ta probata kai tous boas upeliponto en gè gesem9kai sunanebèsan met' autou kai armata kai ippeis kai egeneto è parembolè megalè sfodra10kai paregenonto ef' alôna atad o estin peran tou iordanou kai ekopsanto auton kopeton megan kai ischuron sfodra kai epoièsen to penthos tô patri autou epta èmeras11kai eidon oi katoikoi tès gès chanaan to penthos en alôni atad kai eipan penthos mega touto estin tois aiguptiois dia touto ekalesen to onoma autou penthos aiguptou o estin peran tou iordanou12kai epoièsan autô outôs oi uioi autou kai ethapsan auton ekei13kai anelabon auton oi uioi autou eis gèn chanaan kai ethapsan auton eis to spèlaion to diploun o ektèsato abraam to spèlaion en ktèsei mnèmeiou para efrôn tou chettaiou katenanti mambrè14kai apestrepsen iôsèf eis aigupton autos kai oi adelfoi autou kai oi sunanabantes thapsai ton patera autou15idontes de oi adelfoi iôsèf oti tethnèken o patèr autôn eipan mèpote mnèsikakèsè èmin iôsèf kai antapodoma antapodô èmin panta ta kaka a enedeixametha autô16kai paregenonto pros iôsèf legontes o patèr sou ôrkisen pro tou teleutèsai auton legôn17outôs eipate iôsèf afes autois tèn adikian kai tèn amartian autôn oti ponèra soi enedeixanto kai nun dexai tèn adikian tôn therapontôn tou theou tou patros sou kai eklausen iôsèf lalountôn autôn pros auton18kai elthontes pros auton eipan oide èmeis soi oiketai19kai eipen autois iôsèf mè fobeisthe tou gar theou eimi egô20umeis ebouleusasthe kat' emou eis ponèra o de theos ebouleusato peri emou eis agatha opôs an genèthè ôs sèmeron ina diatrafè laos polus21kai eipen autois mè fobeisthe egô diathrepsô umas kai tas oikias umôn kai parekalesen autous kai elalèsen autôn eis tèn kardian22kai katôkèsen iôsèf en aiguptô autos kai oi adelfoi autou kai pasa è panoikia tou patros autou kai ezèsen iôsèf etè ekaton deka23kai eiden iôsèf efraim paidia eôs tritès geneas kai uioi machir tou uiou manassè etechthèsan epi mèrôn iôsèf24kai eipen iôsèf tois adelfois autou legôn egô apothnèskô episkopè de episkepsetai umas o theos kai anaxei umas ek tès gès tautès eis tèn gèn èn ômosen o theos tois patrasin èmôn abraam kai isaak kai iakôb25kai ôrkisen iôsèf tous uious israèl legôn en tè episkopè è episkepsetai umas o theos kai sunanoisete ta osta mou enteuthen meth' umôn26kai eteleutèsen iôsèf etôn ekaton deka kai ethapsan auton kai ethèkan en tè sorô en aiguptô .

ΚΑΙ ἐπιπεσὼν ᾿Ιωσὴφ ἐπὶ πρόσωπον τοῦ πατρὸς αὐτοῦ, ἔκλαυσεν αὐτὸν καὶ ἐφίλησεν αὐτόν. 2 καὶ προσέταξεν ᾿Ιωσὴφ τοῖς παισὶν αὐτοῦ τοῖς ἐνταφιασταῖς ἐνταφιάσαι τὸν πατέρα αὐτοῦ, καὶ ἐνεταφίασαν οἱ ἐνταφιασταὶ τὸν ᾿Ισραήλ. 3 καὶ ἐπλήρωσαν αὐτοῦ τεσσαράκοντα ἡμέρας· οὕτω γὰρ καταριθμοῦνται αἱ ἡμέραι τῆς ταφῆς. καὶ ἐπένθησεν αὐτὸν Αἴγυπτος ἑβδομήκοντα ἡμέρας. 4 ᾿Επεὶ δὲ παρῆλθον αἱ ἡμέραι τοῦ πένθους, ἐλάλησεν ᾿Ιωσὴφ πρὸς τοὺς δυνάστας Φαραὼ λέγων· εἰ εὗρον χάριν ἐναντίον ὑμῶν λαλήσατε περὶ ἐμοῦ εἰς τὰ ὦτα Φαραὼ λέγοντες· 5 ὁ πατήρ μου ὥρκισέ με λέγων· ἐν τῷ μνημείῳ ᾧ ὤρυξα ἐμαυτῷ ἐν γῇ Χαναάν, ἐκεῖ με θάψεις· νῦν οὖν ἀναβὰς θάψω τὸν πατέρα μου καὶ ἐπανελεύσομαι. 6 καὶ εἶπε Φαραὼ τῷ ᾿Ιωσήφ· ἀνάβηθι, θάψον τὸν πατέρα σου, καθάπερ ὥρκισέ σε. 7 καὶ ἀνέβη ᾿Ιωσὴφ θάψαι τὸν πατέρα αὐτοῦ, καὶ συνανέβησαν μετ᾿ αὐτοῦ πάντες οἱ παῖδες Φαραὼ καὶ οἱ πρεσβύτεροι τοῦ οἴκου αὐτοῦ καὶ πάντες οἱ πρεσβύτεροι τῆς γῆς Αἰγύπτου. 8 καὶ πᾶσα ἡ πανοικία ᾿Ιωσὴφ καὶ οἱ ἀδελφοὶ αὐτοῦ καὶ πᾶσα ἡ οἰκία ἡ πατρικὴ αὐτοῦ, καὶ τὴν συγγένειαν αὐτοῦ καὶ τὰ πρόβατα καὶ τοὺς βόας ὑπελίποντο ἐν γῇ Γεσέμ. 9 καὶ συνανέβησαν μετ᾿ αὐτοῦ καὶ ἅρματα καὶ ἱππεῖς, καὶ ἐγένετο ἡ παρεμβολὴ μεγάλη σφόδρα. 10 καὶ παρεγένοντο εἰς ἅλωνα ᾿Ατάδ, ὅ ἐστι πέραν τοῦ ᾿Ιορδάνου, καὶ ἐκόψαντο αὐτὸν κοπετὸν μέγαν καὶ ἰσχυρὸν σφόδρα· καὶ ἐποίησε τὸ πένθος τῷ πατρὶ αὐτοῦ ἑπτὰ ἡμέρας. 11 καὶ εἶδον οἱ κάτοικοι τῆς γῆς Χαναὰν τὸ πένθος ἐπὶ ἅλωνι ᾿Ατὰδ καὶ εἶπαν· πένθος μέγα τοῦτό ἐστι τοῖς Αἰγυπτίοις· διὰ τοῦτο ἐκάλεσε τὸ ὄνομα αὐτοῦ Πένθος Αἰγύπτου, ὅ ἐστι πέραν τοῦ ᾿Ιορδάνου. 12 καὶ ἐποίησαν αὐτῷ οὕτως οἱ υἱοὶ αὐτοῦ 13 καὶ ἀνέλαβον αὐτὸν οἱ υἱοὶ αὐτοῦ εἰς γῆν Χαναὰν καὶ ἔθαψαν αὐτὸν εἰς τὸ σπήλαιον τὸ διπλοῦν, ὃ ἐκτήσατο ῾Αβραὰμ τὸ σπήλαιον ἐν κτήσει μνημείου παρὰ ᾿Εφρὼν τοῦ Χετταίου, κατέναντι Μαμβρῆ. 14 καὶ ὑπέστρεψεν ᾿Ιωσὴφ εἰς Αἴγυπτον, αὐτὸς καὶ οἱ ἀδελφοὶ αὐτοῦ καὶ οἱ συναναβάντες θάψαι τὸν πατέρα αὐτοῦ. 15 ᾿Ιδόντες δὲ οἱ ἀδελφοὶ ᾿Ιωσὴφ ὅτι τέθνηκεν ὁ πατὴρ αὐτῶν, εἶπαν· μή ποτε μνησικακήσῃ ἡμῖν ᾿Ιωσὴφ καὶ ἀνταπόδομα ἀνταποδῷ ἡμῖν πάντα τὰ κακά, ἃ ἐνεδειξάμεθα εἰς αὐτόν. 16 καὶ παραγενόμενοι πρὸς ᾿Ιωσὴφ εἶπαν· ὁ πατήρ σου ὥρκισε πρὸ τοῦ τελευτῆσαι αὐτὸν λέγων· 17 οὕτως εἴπατε ᾿Ιωσήφ· ἄφες αὐτοῖς τὴν ἀδικίαν καί τὴν ἁμαρτίαν αὐτῶν, ὅτι πονηρά σοι ἐνεδείξαντο· καὶ νῦν δέξαι τὴν ἀδικίαν τῶν θεραπόντων τοῦ Θεοῦ τοῦ πατρός σου. καὶ ἔκλαυσεν ᾿Ιωσὴφ λαλούντων αὐτῶν πρὸς αὐτόν. 18 καὶ ἐλθόντες πρὸς αὐτὸν εἶπαν· οἵδε ἡμεῖς σοὶ ἱκέται. 19 καὶ εἶπεν αὐτοῖς ᾿Ιωσήφ· μὴ φοβεῖσθε, τοῦ γὰρ Θεοῦ εἰμι ἐγώ. 20 ὑμεῖς ἐβουλεύσασθε κατ᾿ ἐμοῦ εἰς πονηρά, ὁ δὲ Θεὸς ἐβουλεύσατο περὶ ἐμοῦ εἰς ἀγαθά, ὅπως ἂν γενηθῇ ὡς σήμερον καὶ τραφῇ λαὸς πολύς. 21 καὶ εἶπεν αὐτοῖς· μὴ φοβεῖσθε· ἐγὼ διαθρέψω ὑμᾶς καὶ τὰς οἰκίας ὑμῶν. καὶ παρεκάλεσεν αὐτοὺς καὶ ἐλάλησεν αὐτῶν εἰς τὴν καρδίαν. 22 Καὶ κατῴκησεν ᾿Ιωσὴφ ἐν Αἰγύπτῳ, αὐτὸς καὶ οἱ ἀδελφοὶ αὐτοῦ καὶ πᾶσα ἡ πανοικία τοῦ πατρὸς αὐτοῦ. καὶ ἔζησεν ᾿Ιωσὴφ ἔτη ἑκατὸν δέκα. 23 καὶ εἶδεν ᾿Ιωσὴφ ᾿Εφραΐμ παιδία ἕως τρίτης γενεᾶς, καὶ οἱ υἱοὶ Μαχεὶρ τοῦ υἱοῦ Μανασσῆ ἐτέχθησαν ἐπὶ μηρῶν ᾿Ιωσήφ. 24 καὶ εἶπεν ᾿Ιωσήφ τοῖς ἀδελφοῖς αὐτοῦ λέγων· ἐγὼ ἀποθνήσκω· ἐπισκοπῇ δὲ ἐπισκέψεται ὁ Θεὸς ὑμᾶς καὶ ἀνάξει ὑμᾶς ἐκ τῆς γῆς ταύτης εἰς τὴν γῆν, ἣν ὤμοσεν ὁ Θεὸς τοῖς πατράσιν ἡμῶν, ῾Αβραάμ, ᾿Ισαὰκ καὶ ᾿Ιακώβ. 25 καὶ ὥρκισεν ᾿Ιωσὴφ τοὺς υἱοὺς ᾿Ισραὴλ λέγων· ἐν τῇ ἐπισκοπῇ, ᾗ ἐπισκέψηται ὁ Θεὸς ὑμᾶς, καὶ συνανοίσετε τὰ ὀστᾶ μου ἐντεῦθεν μεθ᾿ ὑμῶν. 26 καὶ ἐτελεύτησεν ᾿Ιωσὴφ ἐτῶν ἑκατὸν δέκα· καὶ ἔθαψαν αὐτὸν καὶ ἔθηκαν ἐν τῇ σορῷ ἐν Αἰγύπτῳ.


- Vulgata

1 quod cernens Ioseph ruit super faciem patris flens et deosculans eum 2 praecepitque servis suis medicis ut aromatibus condirent patrem 3 quibus iussa explentibus transierunt quadraginta dies iste quippe mos erat cadaverum conditorum flevitque eum Aegyptus septuaginta diebus 4 et expleto planctus tempore locutus est Ioseph ad familiam Pharaonis si inveni gratiam in conspectu vestro loquimini in auribus Pharaonis 5 eo quod pater meus adiuraverit me dicens en morior in sepulchro meo quod fodi mihi in terra Chanaan sepelies me ascendam igitur et sepeliam patrem meum ac revertar 6 dixitque ei Pharao ascende et sepeli patrem tuum sicut adiuratus es 7 quo ascendente ierunt cum eo omnes senes domus Pharaonis cunctique maiores natu terrae Aegypti 8 domus Ioseph cum fratribus suis absque parvulis et gregibus atque armentis quae dereliquerant in terra Gessen 9 habuit quoque in comitatu currus et equites et facta est turba non modica 10 veneruntque ad aream Atad quae sita est trans Iordanem ubi celebrantes exequias planctu magno atque vehementi impleverunt septem dies 11 quod cum vidissent habitatores terrae Chanaan dixerunt planctus magnus est iste Aegyptiis et idcirco appellaverunt nomen loci illius Planctus Aegypti 12 fecerunt ergo filii Iacob sicut praeceperat eis 13 et portantes eum in terram Chanaan sepelierunt in spelunca duplici quam emerat Abraham cum agro in possessionem sepulchri ab Ephron Hettheo contra faciem Mambre 14 reversusque est Ioseph in Aegyptum cum fratribus suis et omni comitatu sepulto patre 15 quo mortuo timentes fratres eius et mutuo conloquentes ne forte memor sit iniuriae quam passus est et reddat nobis malum omne quod fecimus 16 mandaverunt ei pater tuus praecepit nobis antequam moreretur 17 ut haec tibi verbis illius diceremus obsecro ut obliviscaris sceleris fratrum tuorum et peccati atque malitiae quam exercuerunt in te nos quoque oramus ut servis Dei patris tui dimittas iniquitatem hanc quibus auditis flevit Ioseph 18 veneruntque ad eum fratres sui et proni in terram dixerunt servi tui sumus 19 quibus ille respondit nolite timere num Dei possumus rennuere voluntatem 20 vos cogitastis de me malum et Deus vertit illud in bonum ut exaltaret me sicut inpraesentiarum cernitis et salvos faceret multos populos 21 nolite metuere ego pascam vos et parvulos vestros consolatusque est eos et blande ac leniter est locutus 22 et habitavit in Aegypto cum omni domo patris sui vixitque centum decem annis et vidit Ephraim filios usque ad tertiam generationem filii quoque Machir filii Manasse nati sunt in genibus Ioseph 23 quibus transactis locutus est fratribus suis post mortem meam Deus visitabit vos et ascendere faciet de terra ista ad terram quam iuravit Abraham Isaac et Iacob 24 cumque adiurasset eos atque dixisset Deus visitabit vos asportate vobiscum ossa mea de loco isto 25 mortuus est expletis centum decem vitae suae annis et conditus aromatibus repositus est in loculo in Aegypto


- Statenvertaling

1 Toen viel Jozef op zijns vaders aangezicht, en hij weende over hem, en kuste hem. 2 En Jozef gebood zijn knechten, den medicijnmeesters, dat zij zijn vader balsemen zouden; en de medicijnmeesters balsemden Israël. 3 En veertig dagen werden aan hem vervuld; want alzo werden vervuld de dagen dergenen, die gebalsemd werden; en de Egyptenaars beweenden hem zeventig dagen. 4 Als nu de dagen zijns bewenens over waren, zo sprak Jozef tot het huis van Farao, zeggende: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, spreekt toch voor de oren van Farao, zeggende: 5 Mijn vader heeft mij doen zweren, zeggende: Zie, ik sterf; in mijn graf, dat ik mij in het land Kanaän gegraven heb, daar zult gij mij begraven! Nu dan, laat mij toch optrekken, dat ik mijn vader begrave, dan zal ik wederkomen. 6 En Farao zeide: Trek op en begraaf uw vader, gelijk als hij u heeft doen zweren. 7 En Jozef toog op, om zijn vader te begraven; en met hem togen op alle Farao's knechten, de oudsten van zijn huis, en al de oudsten des lands van Egypte; 8 Daartoe het ganse huis van Jozef, en zijn broeders, en het huis zijns vaders; alleen hun kleine kinderen, en hun schapen, en hun runderen lieten zij in het land Gosen. 9 En met hem togen op, zo wagenen als ruiteren; en het was een zeer zwaar heir. 10 Toen zij nu aan het plein van het doornbos kwamen, dat aan gene zijde van de Jordaan is, hielden zij daar een grote en zeer zware rouwklage; en hij maakte zijn vader een rouw van zeven dagen. 11 Als de inwoners des lands, de Kanaänieten, dien rouw zagen op het plein van het doornbos, zo zeiden zij: Dit is een zware rouw der Egyptenaren; daarom noemde men haar naam Abel-mizraim, die aan het veer van de Jordaan is. 12 En zijn zonen deden hem, gelijk als hij hun geboden had; 13 Want zijn zonen voerden hem in het land Kanaän, en begroeven hem in de spelonk des akkers van Machpela, welke Abraham met den akker gekocht had tot een erfbegrafenis van Efron, den Hethiet, tegenover Mamre. 14 Daarna keerde Jozef weder in Egypte, hij en zijn broeders, en allen, die met hem opgetogen waren, om zijn vader te begraven, nadat hij zijn vader begraven had. 15 Toen Jozefs broeders zagen, dat hun vader dood was, zo zeiden zij: Misschien zal ons Jozef haten, en hij zal ons gewisselijk vergelden al het kwaad, dat wij hem aangedaan hebben. 16 Daarom ontboden zij aan Jozef, zeggende: Uw vader heeft bevolen voor zijn dood, zeggende: 17 Zo zult gij tot Jozef zeggen: Ei, vergeef toch de overtreding uwer broederen, en hun zonde; want zij hebben u kwaad aangedaan; maar nu vergeef toch de overtreding der dienaren van den God uws vaders! En Jozef weende, als zij tot hem spraken. 18 Daarna kwamen ook zijn broeders, en vielen voor hem neder, en zeiden: Zie, wij zijn u tot knechten! 19 En Jozef zeide tot hen: Vreest niet; want ben ik in de plaats van God? 20 Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden. 21 Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen, en sprak naar hun hart. 22 Jozef dan woonde in Egypte, hij en het huis zijns vaders; en Jozef leefde honderd en tien jaren. 23 En Jozef zag van Efraïm kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van Machir, den zoon van Manasse, op Jozefs knieën geboren. 24 En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, hetwelk hij aan Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft. 25 En Jozef deed de zonen van Israël zweren, zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken, zo zult gij mijn beenderen van hier opvoeren! 26 En Jozef stierf, honderd en tien jaren oud zijnde; en zij balsemden hem, en men leide hem in een kist in Egypte.


- Willibrordvertaling

Hoofdstuk 50 [1] Toen wierp Jozef zich op zijn vader, weende over hem en kuste hem. [2] En hij gaf de geneesheren die in zijn dienst waren de opdracht om zijn vader Israël te balsemen, en de geneesheren deden dat. [3] Dit nam veertig dagen in beslag, want zo lang duurt de balseming. De Egyptenaren rouwden om hem, zeventig dagen lang. [4] Na de rouwtijd zei Jozef tegen de hovelingen van de farao: 'Als ik uw genegenheid gewonnen heb, spreek dan gunstig over mij bij de farao. Zeg hem: [5] "Mijn vader heeft mij onder ede laten beloven: Ik ga nu sterven; je moet mij begraven in het graf dat ik in Kanaän heb uitgehouwen." Laat mij dus mijn vader gaan begraven; daarna kom ik terug.' [6] De farao zei: 'Ga uw vader begraven, zoals hij u heeft laten beloven.' [7] Jozef ging dus zijn vader begraven; alle hovelingen van de farao, de oudsten van zijn huis, en alle oudsten van Egypte vergezelden hem; [8] verder heel het huis van Jozef, zijn broers en de familie van zijn vader. Alleen de kleine* kinderen en de schapen en runderen lieten zij in Gosen achter. [9] Ook wagens en wagenmenners reden met hen mee, zodat het een indrukwekkende stoet was. [10] Toen zij aangekomen waren bij de Atad-dorsvloer, bij de Jordaan, hielden zij een grote, plechtige rouwklacht; zeven dagen lang liet hij om zijn vader rouwen. [11] De Kanaänitische bewoners van het land zagen die rouwplechtigheden op de Atad-dorsvloer en zeiden: 'Egypte houdt indrukwekkende rouwklachten'; zo komt het dat die plaats aan de overzijde van de Jordaan Abel-Misraïm* heet. [12] Daarna voerden Jakobs zonen de opdracht uit die hij hun gegeven had. [13] Zij brachten hem over naar Kanaän en begroeven hem in de grot op de akker van Makpela. Abraham had die akker ten oosten van Mamre als eigen begraafplaats gekocht van de Hethiet Efron. [14] Nadat Jozef zijn vader begraven had, keerde hij naar Egypte terug, samen met zijn broers en iedereen die hem bij de begrafenis van zijn vader vergezeld had. De laatste jaren van Jozef [15] Toen Jozefs broers zagen dat hun vader gestorven was, zeiden ze: 'Als Jozef zich nu maar niet op ons gaat wreken en ons zwaar laat boeten voor het kwaad dat wij hem aangedaan hebben.' [16] Daarom stuurden zij de volgende boodschap naar Jozef: 'Uw vader heeft voor zijn dood het bevel gegeven: [17] Dit moeten jullie Jozef zeggen: "Ik smeek je, vergeef toch de misdaad en de zonde die je broers tegen je bedreven hebben, want zij hebben jou kwaad aangedaan. Vergeef dus de dienaren van de God van je vader hun misdaad." ' Toen zij zo tot hem spraken, barstte Jozef in tranen uit. [18] Toen kwamen zijn broers zelf, wierpen zich voor hem neer en zeiden: 'Beschik over ons, wij zijn uw slaven.' [19] Maar Jozef zei hun: 'Wees maar niet bang: bekleed ik soms de plaats van God? [20] Jullie hebben kwaad tegen mij beraamd, maar God heeft het ten goede gekeerd, om te bereiken wat nu is gebeurd: het behoud van een talrijk volk. [21] Wees dus niet bang: ik zal voor jullie en je kleine kinderen zorgen.' Zo stelde hij hen met hartelijke woorden gerust. De dood van Jozef [22] Jozef bleef in Egypte wonen, samen met de familie van zijn vader, en hij werd honderdtien jaar oud. [23] Jozef zag de derde generatie van Efraïm; ook de zonen van Makir, de zoon van Manasse, werden op zijn knieën geboren. [24] Daarna sprak Jozef tot zijn broers: 'Ik ga sterven, maar eens laat God zijn macht zien en leidt Hij jullie van hier naar het land dat Hij onder ede beloofd heeft aan Abraham, Isaak en Jakob.' [25] Jozef bezwoer de zonen van Israël: 'Als de heer zich jullie lot aantrekt, neem dan mijn gebeente met je mee.' [26] Toen stierf Jozef, honderdtien jaar oud. Hij werd gebalsemd en in Egypte in een sarcofaag* gelegd.


- De Nieuwe Bijbelvertaling

Hoofdstuk 50 [1] Jozef boog zich over zijn vader heen en kuste huilend zijn gezicht. [2] Hij droeg de artsen die hij in dienst had op om zijn vader te balsemen, en zij deden wat hij hun opdroeg. [3] Het balsemen van Israël duurde veertig dagen (zo lang duurt een balseming), en de Egyptenaren beweenden hem zeventig dagen. [4] Toen de rouwperiode voorbij was, zei Jozef tegen de hovelingen van de farao: 'Als u mij een dienst wilt bewijzen, legt u dan het volgende aan de farao voor: [5] Mijn vader heeft mij kort voordat hij stierf laten zweren dat ik hem in het graf zou leggen dat hij in Kanaän heeft laten uithouwen. Ik zou graag toestemming krijgen om mijn vader daar te gaan begraven. Daarna zal ik terugkomen.' [6] De farao liet antwoorden: 'Het is goed, u mag uw vader daar begraven, zoals u hem hebt gezworen.' [7] Zo ging Jozef op reis om zijn vader te begraven. Veel dienaren van de farao gingen met hem mee, alle hovelingen en alle andere vooraanstaanden van Egypte, [8] en verder Jozefs hele gezin, zijn broers en alle andere familieleden; alleen de kinderen en de schapen, geiten en runderen lieten ze in Gosen achter. [9] Er gingen ook wagens en ruiters mee, een zeer indrukwekkende stoet. [10] Bij Goren-Haätad aangekomen, ten oosten van de Jordaan, hieven ze een lange, aangrijpende rouwklacht aan. Zeven dagen lang liet Jozef om zijn vader treuren. [11] Toen de Kanaänieten die in die streek woonden het rouwbetoon in Goren-Haätad zagen, zeiden ze: 'De Egyptenaren zijn in diepe rouw!' Daarom wordt die plaats, die ten oosten van de Jordaan ligt, ook wel Abel-Misraïm genoemd. [12] Israëls zonen deden wat hun vader hun had opgedragen: [13] ze brachten hem naar Kanaän en begroeven hem in de grot op de akker in Machpela, dicht bij Mamre, op het stuk land dat Abraham van de Hethiet Efron had gekocht omdat hij een eigen graf wilde hebben. [14] Nadat hij zijn vader had begraven keerde Jozef terug naar Egypte, samen met zijn broers en met alle anderen die met hem waren meegegaan. [15] Nu hun vader er niet meer was, zeiden Jozefs broers tegen elkaar: 'Als Jozef zich nu maar niet tegen ons keert en zich wreekt voor alle ellende die wij hem hebben aangedaan.' [16] Daarom lieten ze hem de volgende boodschap brengen: 'Voordat hij stierf heeft je vader ons opgedragen [17] je dit verzoek over te brengen: "Vergeef je broers hun schandelijke misdaad, Jozef. Ze hebben je in de ellende gestort, maar wees nu zo goed om de dienaren van de God van je vader die misdaad te vergeven."' Bij het horen van die woorden kon Jozef zijn tranen niet bedwingen. [18] Daarna gingen zijn broers zelf naar hem toe. Ze vielen voor hem op hun knieën en zeiden: 'We zijn bereid je slaaf te worden.' [19] Maar Jozef zei: 'Wees maar niet bang. Ik kan toch Gods plaats niet innemen? [20] Jullie hadden kwaad tegen mij in de zin, maar God heeft dat ten goede gekeerd, om te bewerken wat er nu gebeurt: dat een groot volk in leven blijft. [21] Wees dus niet bang. Ik zal zelf voor jullie en jullie kinderen zorgen.' Zo troostte hij hen en stelde hij hen gerust. Jozefs dood [22] Jozef bleef in Egypte wonen, met zijn hele familie. Hij werd honderdtien jaar. [23] Hij zag Efraïms kleinkinderen nog, en ook de geboorte van de kinderen van Machir, de zoon van Manasse, maakte hij nog mee. [24] Toen hij zijn einde voelde naderen, zei hij tegen zijn broers: 'God zal zich jullie lot aantrekken: hij zal jullie uit dit land wegleiden en je naar het land brengen dat hij onder ede aan Abraham, Isaak en Jakob heeft beloofd. [25] Zweer me dat jullie, wanneer God zich jullie lot aantrekt, mijn lichaam van hier zullen meenemen.' [26] Jozef stierf toen hij honderdtien jaar was. Hij werd gebalsemd en in een sarcofaag gelegd, in Egypte.


- De Naardense bijbel

50:1 Jozef valt neer op het aanschijn van zijn vader; hij weent over hem en kust hem. Genesis 50:2 Dan gebiedt Jozef de geneesheren in zijn dienst om zijn vader te balsemen; dus balsemen de geneesheren Israël. 50:3 Veertig dagen worden daarmee volgemaakt, want zó worden de dagen van het balsemen vervuld; ze bewenen hem,- de Egyptenaren, zeventig dagen lang. 50:4 Voorbij gaan ze, de dagen van zijn bewening; dan spreekt Jozef tot het huis van Farao en zegt: als ik echt genade heb gevonden in uw ogen, spreekt dan voor de oren van Farao en zegt: 50:5 mijn vader heeft het mij doen zweren en gezegd: zie, ik ga sterven; in mijn eigen graf dat ik mij heb uitgehakt in het land van Kanaän, dáár moet je mij begraven!- en nu moet ik dus opklimmen en mijn vader begraven, en dan keer ik terug! 50:6 Farao zegt: klim óp en begraaf je vader, zoals hij je heeft doen zweren! 50:7 Dan klimt Jozef óp om zijn vader te begraven. Met hem klimmen op: alle dienaren van Farao, de oudsten van zijn huis, álle oudsten van het land Egypte, 50:8 heel het huis van Jozef en zijn broeders en het huis van zijn vader. Slechts hun kroost, hun wolvee en hun ploegvee hebben ze in het land van Gosjen achtergelaten. 50:9 Ook klimt op, samen met hem: én wagenpark én ruiters; het legerkamp wordt zéér gewichtig. 50:10 Ze komen aan bij Goren Haätad dat bij de oversteek van de Jordaan ligt, en heffen dáár hun klaaglied aan, een klaagzang, groot en zeer zwaar. Hij houdt voor zijn vader een rouw van zeven dagen. 50:11 Dan ziet de bewoner van het land, de Kanaäniet, de rouw bij Goren Haätad en zeggen ze: een zware rouw is dat voor Egypte!- zodoende heeft men als haar naam uitgeroepen: Aveel Mitsrajim,- rouw-van-Egypte, dat bij de oversteek van de Jordaan ligt. 50:12 Zijn zonen doen met hem zó als hij hun had geboden; 50:13 ze dragen hem, zijn zonen, naar het land van Kanaän en begraven hem in de spelonk van het veld van de Machpela, het veld dat Abraham heeft gekocht als eigen graf, van Efron de Chitiet, in het zicht van Mamree. 50:14 Dan keert Jozef terug naar Egypte, hijzelf, zijn broeders en allen die met hem zijn opgeklommen om zijn vader te begraven,- nadat hij zijn vader heeft begraven. 50:15 Nu zien de broeders van Jozef onder ogen dat hun vader is gestorven, en ze zeggen: als Jozef ons aanklaagt?- en omgekeerd tot ons laat terugkeren al het kwaad dat wij hebben berokkend aan hém! ... 50:16 En ze gebieden om tot Jozef te zeggen: je vader heeft, in het aanschijn van zijn dood, geboden en gezegd: 50:17 zó zullen jullie zeggen aan Jozef: ach!, vergeef toch de misstap van je broeders en hun zonde dat ze je kwaad hebben berokkend,- schenk nu toch vergiffenis voor de misstap van de dienaars van je vaders God! Jozef weent, als ze zo tot hem spreken. 50:18 Dan gaan ook zijn broeders zelf tot hem en vallen voor zijn aanschijn neer; ze zeggen: hier heb je ons als je dienstknechten! 50:19 Maar Jozef zegt tot hen: vreest niet!- want sta ík op de plek van God?- 50:20 en jullie, je hebt tegen mij kwaad bedacht;- Gód heeft dat ten goede gedacht, met het doel om te doen als op deze dag: een groot gezelschap in leven te houden,- 50:21 welnu, vreest niet, ik zal jullie en je kroost onderhouden! Zo troost hij hen en spreekt hij tot hun hart. 50:22 Jozef blijft wonen in Egypte, hijzelf en het huis van zijn vader; Jozef leeft honderd en tien jaren. 50:23 Jozef ziet bij Efraïm zonen in drie generaties; ook de zonen van Machier, Manasses zoon, zijn geboren op de knieën van Jozef. 50:24 Dan zegt Jozef tot zijn broeders: ík ga sterven; maar God zal met zijn omzien naar jullie omzien en jullie doen opklimmen uit dit land,- náár het land dat hij heeft gezworen aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob. 50:25 En zweren laat Jozef het de zonen van Israël, door te zeggen: met zijn omzien zal God naar jullie omzien!- laat dan mijn beenderen méé opklimmen van hier! 50:26 Dan sterft Jozef als man van honderd en tien jaren; ze balsemen hem en hij wordt in een kist gelegd,- in Egypte.


- Bible de Jérusalem


- King James Bible

Gen.50 [1] And Joseph fell upon his father's face, and wept upon him, and kissed him. [2] And Joseph commanded his servants the physicians to embalm his father: and the physicians embalmed Israel. [3] And forty days were fulfilled for him; for so are fulfilled the days of those which are embalmed: and the Egyptians mourned for him threescore and ten days. [4] And when the days of his mourning were past, Joseph spake unto the house of Pharaoh, saying, If now I have found grace in your eyes, speak, I pray you, in the ears of Pharaoh, saying, [5] My father made me swear, saying, Lo, I die: in my grave which I have digged for me in the land of Canaan, there shalt thou bury me. Now therefore let me go up, I pray thee, and bury my father, and I will come again. [6] And Pharaoh said, Go up, and bury thy father, according as he made thee swear. [7] And Joseph went up to bury his father: and with him went up all the servants of Pharaoh, the elders of his house, and all the elders of the land of Egypt, [8] And all the house of Joseph, and his brethren, and his father's house: only their little ones, and their flocks, and their herds, they left in the land of Goshen. [9] And there went up with him both chariots and horsemen: and it was a very great company. [10] And they came to the threshingfloor of Atad, which is beyond Jordan, and there they mourned with a great and very sore lamentation: and he made a mourning for his father seven days. [11] And when the inhabitants of the land, the Canaanites, saw the mourning in the floor of Atad, they said, This is a grievous mourning to the Egyptians: wherefore the name of it was called Abel-mizraim, which is beyond Jordan. [12] And his sons did unto him according as he commanded them: [13] For his sons carried him into the land of Canaan, and buried him in the cave of the field of Machpelah, which Abraham bought with the field for a possession of a buryingplace of Ephron the Hittite, before Mamre. [14] And Joseph returned into Egypt, he, and his brethren, and all that went up with him to bury his father, after he had buried his father. [15] And when Joseph's brethren saw that their father was dead, they said, Joseph will peradventure hate us, and will certainly requite us all the evil which we did unto him. [16] And they sent a messenger unto Joseph, saying, Thy father did command before he died, saying, [17] So shall ye say unto Joseph, Forgive, I pray thee now, the trespass of thy brethren, and their sin; for they did unto thee evil: and now, we pray thee, forgive the trespass of the servants of the God of thy father. And Joseph wept when they spake unto him. [18] And his brethren also went and fell down before his face; and they said, Behold, we be thy servants. [19] And Joseph said unto them, Fear not: for am I in the place of God? [20] But as for you, ye thought evil against me; but God meant it unto good, to bring to pass, as it is this day, to save much people alive. [21] Now therefore fear ye not: I will nourish you, and your little ones. And he comforted them, and spake kindly unto them. [22] And Joseph dwelt in Egypt, he, and his father's house: and Joseph lived an hundred and ten years. [23] And Joseph saw Ephraim's children of the third generation: the children also of Machir the son Manasseh were brought up upon Joseph's knees. [24] And Joseph said unto his brethren, I die: and God will surely visit you, and bring you out of this land unto the land which he sware to Abraham, to Isaac, and to Jacob. [25] And Joseph took an oath of the children of Israel, saying, God will surely visit you, and ye shall carry up my bones from hence. [26] So Joseph died, being an hundred and ten years old: and they embalmed him, and he was put in a coffin in Egypt.


- Luther Bibel

Jakobs Bestattung 501Da warf sich Josef über seines Vaters Angesicht und weinte über ihm und küsste ihn. 2Und Josef befahl seinen Dienern, den Ärzten, dass sie seinen Vater zum Begräbnis salbten. Und die Ärzte salbten Israel, 3bis vierzig Tage um waren; denn so lange währen die Tage der Salbung. Und die Ägypter beweinten ihn siebzig Tage. 4Als nun die Trauertage vorüber waren, redete Josef mit den Leuten des Pharao und sprach: Hab ich Gnade vor euch gefunden, so redet mit dem Pharao und sprecht: 5Mein Vater hat einen Eid von mir genommen und gesagt: Siehe, ich sterbe; begrabe mich in meinem Grabe, das ich mir im Lande Kanaan gegraben habe. So will ich nun hinaufziehen und meinen Vater begraben und wiederkommen. 6Der Pharao sprach: Zieh hinauf und begrabe deinen Vater, wie du ihm geschworen hast. 7Da zog Josef hinauf, seinen Vater zu begraben. Und es zogen mit ihm alle Großen des Pharao, die Ältesten seines Hauses und alle Ältesten des Landes Ägypten, 8dazu das ganze Haus Josefs und seine Brüder und die vom Hause seines Vaters. Allein ihre Kinder, Schafe und Rinder ließen sie im Lande Goschen. 9Und es zogen auch mit ihm hinauf Wagen und Gespanne und es war ein sehr großes Heer. 10Als sie nun nach Goren-Atad kamen, das jenseits des Jordans liegt, da hielten sie eine sehr große und feierliche Klage. Und Josef hielt Totenklage über seinen Vater sieben Tage. 11Und als die Leute im Lande, die Kanaaniter, die Klage bei Goren-Atad sahen, sprachen sie: Die Ägypter halten da große Klage. Daher nennt man den Ort »Der Ägypter Klage«; er liegt jenseits des Jordans. 12Und seine Söhne taten, wie er ihnen befohlen hatte, 13und brachten ihn ins Land Kanaan und begruben ihn in der Höhle auf dem Felde von Machpela, die Abraham gekauft hatte mit dem Acker zum Erbbegräbnis von Efron, dem Hetiter, gegenüber Mamre. 14Als sie ihn nun begraben hatten, zog Josef wieder nach Ägypten mit seinen Brüdern und mit allen, die mit ihm hinaufgezogen waren, seinen Vater zu begraben. Josefs Edelmut und sein Tod 15Die Brüder Josefs aber fürchteten sich, als ihr Vater gestorben war, und sprachen: Josef könnte uns gram sein und uns alle Bosheit vergelten, die wir an ihm getan haben. 16Darum ließen sie ihm sagen: Dein Vater befahl vor seinem Tode und sprach: 17So sollt ihr zu Josef sagen: Vergib doch deinen Brüdern die Missetat und ihre Sünde, dass sie so übel an dir getan haben. Nun vergib doch diese Missetat uns, den Dienern des Gottes deines Vaters! Aber Josef weinte, als sie solches zu ihm sagten. 18Und seine Brüder gingen hin und fielen vor ihm nieder und sprachen: Siehe, wir sind deine Knechte. 19Josef aber sprach zu ihnen: Fürchtet euch nicht! Stehe ich denn an Gottes statt? 20 Ihr gedachtet es böse mit mir zu machen, aber Gott gedachte es gut zu machen, um zu tun, was jetzt am Tage ist, nämlich am Leben zu erhalten ein großes Volk. 21So fürchtet euch nun nicht; ich will euch und eure Kinder versorgen. Und er tröstete sie und redete freundlich mit ihnen. 22So wohnte Josef in Ägypten mit seines Vaters Hause und lebte hundertundzehn Jahre 23und sah Ephraims Kinder bis ins dritte Glied. Auch die Söhne von Machir, Manasses Sohn, wurden dem Hause Josefs zugerechnet. 24Und Josef sprach zu seinen Brüdern: Ich sterbe; aber Gott wird euch gnädig heimsuchen und aus diesem Lande führen in das Land, das er Abraham, Isaak und Jakob zu geben geschworen hat. 25Darum nahm er einen Eid von den Söhnen Israels und sprach: Wenn euch Gott heimsuchen wird, so nehmt meine Gebeine mit von hier. 26Und Josef starb, als er hundertundzehn Jahre alt war. Und sie salbten ihn und legten ihn in einen Sarg in Ägypten.


- Arabisch

فوقع يوسف على وجه ابيه وبكى عليه وقبّله. .1 وامر يوسف عبيده الاطباء ان يحنطوا اباه. فحنط الاطباء اسرائيل. .2 وكمل له اربعون يوما. لانه هكذا تكمل ايام المحنطين وبكى عليه المصريون سبعين يوما. .3 وبعدما مضت ايام بكائه كلم يوسف بيت فرعون قائلا ان كنت قد وجدت نعمة في عيونكم فتكلموا في مسامع فرعون قائلين. .4 ابي استحلفني قائلا ها انا اموت. في قبري الذي حفرت لنفسي في ارض كنعان هناك تدفنني. فالآن أصعد لادفن ابي وارجع. .5 فقال فرعون اصعد وادفن اباك كما استحلفك .6 فصعد يوسف ليدفن اباه. وصعد معه جميع عبيد فرعون شيوخ بيته وجميع شيوخ ارض مصر .7 وكل بيت يوسف واخوته وبيت ابيه. غير انهم تركوا اولادهم وغنمهم وبقرهم في ارض جاسان. .8 وصعد معه مركبات وفرسان. فكان الجيش كثيرا جدا. .9 فأتوا الى بيدر أطاد الذي في عبر الاردن وناحوا هناك نوحا عظيما وشديدا جدا. وصنع لابيه مناحة سبعة ايام. .10 فلما رأى اهل البلاد الكنعانيون المناحة في بيدر أطاد قالوا هذه مناحة ثقيلة للمصريين. لذلك دعي اسمه آبل مصرايم. الذي في عبر الاردن. .11 وفعل له بنوه هكذا كما اوصاهم. .12 حمله بنوه الى ارض كنعان ودفنوه في مغارة حقل المكفيلة التي اشتراها ابراهيم مع الحقل ملك قبر من عفرون الحثي امام ممرا .13 ثم رجع يوسف الى مصر هو واخوته وجميع الذين صعدوا معه لدفن ابيه بعدما دفن اباه. .14 ولما رأى اخوة يوسف ان اباهم قد مات قالوا لعل يوسف يضطهدنا ويرد علينا جميع الشر الذي صنعنا به. .15 فاوصوا الى يوسف قائلين ابوك اوصى قبل موته قائلا. .16 هكذا تقولون ليوسف آه اصفح عن ذنب اخوتك وخطيتهم فانهم صنعوا بك شرا. فالآن اصفح عن ذنب عبيد اله ابيك. فبكى يوسف حين كلموه. .17 وأتى اخوته ايضا ووقعوا امامه وقالوا ها نحن عبيدك. .18 فقال لهم يوسف لا تخافوا. لانه هل انا مكان الله. .19 انتم قصدتم لي شرا. اما الله فقصد به خيرا لكي يفعل كما اليوم. ليحيي شعبا كثيرا. .20 فالآن لا تخافوا. انا اعولكم واولادكم. فعزّاهم وطيب قلوبهم .21 وسكن يوسف في مصر هو وبيت ابيه. وعاش يوسف مئة وعشر سنين. .22 ورأى يوسف لافرايم اولاد الجيل الثالث. واولاد ماكير بن منسّى ايضا ولدوا على ركبتيّ يوسف. .23 وقال يوسف لاخوته انا اموت. ولكن الله سيفتقدكم ويصعدكم من هذه الارض الى الارض التي حلف لابراهيم واسحق ويعقوب. .24 واستحلف يوسف بني اسرائيل قائلا الله سيفتقدكم. فتصعدون عظامي من هنا. .25 ثم مات يوسف وهو ابن مئة وعشر سنين. فحنطوه ووضع في تابوت في مصر .26


- Structuur


- Taalgebruik

- A

- Bij de aartsvaders Abraham , Isaak en Jakob en Jozef hebben de getallen van hun leeftijden een symbolische betekenis .
- Abraham werd 175 jaar oud . 175 = 5² X 7 . (Gn 25,7) . Merkwaardig is de plaats van dit vers in de bijbel : het 25ste hoofdstuk en het 7de vers . Som van de factoren : 5 + 5 + 7 = 17 .
- Isaak werd 180 jaar oud . 180 = 6² X 5 . (Gn 35,28) . Som van de factoren : 6 + 6 + 5 = 17 .
- Jakob werd 147 jaar oud . 147 = 7² X 3 . (Gn 49,33) . Som van de factoren : 7 + 7 + 3 = 17 . De buitenste getallen van 147 is 17 . Ook hier is de plaats van dit vers in de bijbel merkwaardig : het 49ste (7²) hoofdstuk en het 33ste (3) vers . Jakob verbleef 130 (5 X 26) jaar in Kanaän en 17 jaar in Egypte (Gn 47,28) . Merkwaardig is de plaats in de bijbel (Gn 47,28) . De buitenste getallen van 147 is 17 . Het tweede en derde getal van 147 is 47 . 28 = 4 X 7 (hierin schuilt 47) .
Het product van drie opeenvolgende getallen ( 5 - 6 - 7) in het kwadraat , opklimmend , met drie opeenvolgende onpare getallen afdalend . De som van de factoren is telkens 17.
- Jozef leefde 110 jaar . 110 = 5² + 6² + 7² . De som van drie opeenvolgende getallen in het kwadraat . (Gn 50,22) of de som van de kwadraten van de aartsvaders . Deze plaats in de bijbel is wellicht ook merkwaardig . (50ste hoofdstuk) X 22 (22ste vers) = 110 .
- De vier leeftijden samen geeft de som van 612 (2³ X 3² X 17) . Het is een gemiddelde van 9 X 17 OF 153 . Het getal 153 is ook de som van alle getallen van 1 tot en met 17 .

- abhîw (zijn vader) < mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . ´abh (vader) . Taalgebruik in Tenakh : ´abh (vader) . Getalwaarde : alelph = 1 , beth = 2 ; totaal 3 . Structuur : 1 - 2 . Tenakh (175) . Pentateuch (64) . Eerdere Profeten (64) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (37) . Gn (51) . Gn 50 (6) : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,7 . (4) Gn 50,8 . (5) Gn 50,14 . (6) Gn 50,22 .

- wajj´omèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Gr. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Gn 50 (3) : (1) Gn 50,6 . (2) Gn 50,19 . (3) Gn 50,24 .

- B - C - D - E - F - G - H - I - J

- יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) . Gn 50 : (1) Gn 50,1 . (2) Gn 50,2 . (3) Gn 50,4 . (4) Gn 50,7 . (5) Gn 50,8 . (6) Gn 50,14 . (7) Gn 50,15 . (8) Gn 50,16 . (9) Gn 50,17 . (10) Gn 50,19 . (11) Gn 50,22 . (12) Gn 50,23 . (13) Gn 50,24 . (14) Gn 50,25 . (15) Gn 50,26 . Ex (3) : (1) Ex 1,6 . (2) Ex 1,8 . (3) Ex 13,19 . Zevenmaal in Gn 50,22-26 . In zes zinnen is Jôseph (Jozef) onderwerp en staat op de tweede plaats in de zin na het werkwoord in de imperfectum consecutivum .
- Grieks . ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34/35) . Gn (143) . Ex (4) .
- Arabisch : يُوسُفُ = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Koran : jusuf (Jusuf) .

- K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- Commentaar