- WEBSITEWEGWIJZER - JEREMIA 23 - Jr 23 -- Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -- Jr (Jeremia) -- Jr 23 -
Jr 23,1-6

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website - ZOEKEN -

Overzicht : - Jr 1 - Jr 2 - Jr 3 - Jr 4 - Jr 5 - Jr 6 - Jr 7 - Jr 8 - Jr 9 - Jr 10 - Jr 11 - Jr 12 - Jr 13 - Jr 14 - Jr 15 - Jr 16 - Jr 17 - Jr 18 - Jr 19 - Jr 20 - Jr 21 - Jr 22 - Jr 23 - Jr 24 - Jr 25 - Jr 26 - Jr 27 - Jr 28 - Jr 29 - Jr 30 - Jr 31 - Jr 32 - Jr 33 - Jr 34 - Jr 35 - Jr 36 - Jr 37 - Jr 38 - Jr 39 - Jr 40 - Jr 41 - Jr 42 - Jr 43 - Jr 44 - Jr 45 - Jr 46 - Jr 47 - Jr 48 - Jr 49 - Jr 50 - Jr 51 - Jr 52 -
Uitleg vers per vers : - Jr 23,1 - Jr 23,2 - Jr 23,3 - Jr 23,4 - Jr 23,5 - Jr 23,6 - Jr 23,7 - Jr 23,8 - Jr 23,9 - Jr 23,10 - Jr 23,11 - Jr 23,12 - Jr 23,13 - Jr 23,14 - Jr 23,15 - Jr 23,16 - Jr 23,17 - Jr 23,18 - Jr 23,19 - Jr 23,20 - Jr 23,21 - Jr 23,22 - Jr 23,23 - Jr 23,24 - Jr 23,25 - Jr 23,26 - Jr 23,27 - Jr 23,28 - Jr 23,29 - Jr 23,30 - Jr 23,31 - Jr 23,32 - Jr 23,33 - Jr 23,34 - Jr 23,35 - Jr 23,36 - Jr 23,37 - Jr 23,38 - Jr 23,39 - Jr 23,40 -


ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 

- Hebreeuws OF modern Hebreeuws (NT) : http://www.mechon-mamre.org/p/pt/pt1123.htm . http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Hebreeuws OF modern Hebreeuws (NT) .
- Targum Onkelos :
- Griekse tekst - Septuaginta : http://www.myriobiblos.gr/bible/ot/chapter.asp?book=44&page=23 . Griekse tekst - Septuaginta .
- Vulgata : http://www.intratext.com/IXT/LAT0001/_PMW.HTM . Vulgata .
- Statenvertaling : http://www.statenvertaling.net/bijbel/jere/23.html . Statenvertaling .
- Willibrordvertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/?p=page&i=55350,55389 . Willibrordvertaling .
- De Nieuwe Vertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/?p=page&i=55350,55389 . De Nieuwe Vertaling .
- De Naardense bijbel : http://naardensebijbel.nl/zoek.php . De Naardense bijbel .
- Bible de Jérusalem : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Bible de Jérusalem .
- King James Bible : http://quod.lib.umich.edu/cgi/k/kjv/kjv-idx?type=DIV1&byte=2808522 . King James Bible .
- Luther Bibel : http://www.die-bibel.de/online-bibeln/luther-bibel-1984/bibeltext/bibelstelle/Jeremia%2023/bibel/text/lesen/ch/40d9af6cc0fc4b2aa6b92df398830f40/ Luther Bibel .
- Arabisch :http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Arabisch .


Liturgische lezing zestiende (16de) zondag door het jaar B : Jr 23,1-6 . Verwijzing : Jr 23,1-6
Wee de herders, door wie de schapen van mijn kudde omkomen en verloren lopen – godsspraak van de Heer –. Daarom zegt de Heer, Israëls God, tot de herders die mijn volk weiden: door uw schuld zijn mijn schapen verloren gelopen en uiteen gedreven; ge hebt er niet op gelet. Maar ik let wel op u om al uw misdaden – godsspraak van de Heer –. Zelf breng ik de overgebleven schapen bijeen uit alle landen waarheen ik ze heb verdreven. Ik breng ze terug naar hun weiden, ze worden weer vruchtbaar en talrijk. Dan stel ik herders over hen aan, die hen werkelijk weiden. Ze hoeven niet meer bang of angstig te zijn, geen van hen wordt nog vermist – godsspraak van de Heer –. Geloof mij, de tijd komt – godsspraak van de Heer – dat ik een wettige afstammeling van David doe opstaan; hij zal hen met bekwaamheid regeren en het land rechtvaardig en eerlijk besturen. In zijn tijd wordt Juda bevrijd, leeft Israël veilig. En dit is de naam die men hem geeft: de Heer, onze gerechtigheid.

Jr 23,1 - Jr 23,1
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
1ô oi poimenes oi diaskorpizontes kai apolluontes ta probata tès nomès mou  1 vae pastoribus qui disperdunt et dilacerant gregem pascuae meae dicit Dominus    1 Wee den herderen, die de schapen Mijner weide ombrengen en verstrooien! spreekt de HEERE. [1] ‘Wee de herders, door wie de schapen van mijn kudde omkomen en verloren lopen – godsspraak van de heer  [1] ‘Wee de herders, door wie de schapen van mijn kudde omkomen en verloren lopen – godsspraak van de heer.   1 ¶ Wee de kwalijke herders die het wolvee dat ik weid verloren laten lopen en verstrooien!, is de tijding van de ENE.  1. Malheur aux pasteurs qui perdent et dispersent les brebis de mon pâturage oracle de Yahvé!

King James Bible . Jer.23 [1] Woe be unto the pastors that destroy and scatter the sheep of my pasture! saith the LORD.
Luther-Bibel . Gegen die bösen Hirten. Verheißung eines gerechten Königs 231Weh euch Hirten, die ihr die Herde meiner Weide umkommen lasst und zerstreut!, spricht der HERR.

Tekstanalyse van Jr 23,1

1. hôj (wee) . Verwijzing : hoj (wee) , zie Jr 23,1 .

2. ro`îm (herders) . Qal participium praesens nominatief mannelijk meervoud . râ`îm (slechten) . Zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord nominatief mannelijk meervoud van ra`(slecht, boos, kwaad) . In zevenenveertig verzen in de bijbel .
- râ`âh (herderen, weiden) . Verwijzing : râ`âh (herderen, weiden) , zie Jr 23,1 . Qal actief praesens derde persoon mannelijk enkelvoud . ro`eh (herderend, herder) : qal participium nominatief mannelijk enkelvoud . In honderdnegenenvijftig verzen in de bijbel : (1) Gn 13,13 . (2) Gn 37,13 .
--- ro`eh tso´n (de kudde weidend, de herder van de kudde) . In drie verzen in de bijbel : (1) Gn 4,2 . (2) Gn 46,34 . (3) Gn 47,3 .
--- ´ên lâhèm ro`èh (er is voor hen geen herder) . In twee verzen in de bijbel : (1) Nu 27,17 . (2) 1 K 22,17 . ´ên ro`èh (er is geen herder) : Zach 10,2 .
--- këro`èh (als een herder) . In twee verzen in de bijbel : (1) Js 40,11 (LXX : hôs poimèn = zoals een herder) . (2) Jr 31,10 (LXX : hôs ho boskôn = zoals de herder) .
--- mar`îthî (mijn kudde) . In twee verzen in de bijbel : (1) Jr 23,1 . (2) Ez 34,31 . mar`îth (kudde) .

3. më´abbëdîm (die doen verloren gaan) . Piel participium mannelijk meervoud . Slechts in Jr 23,1 .

4. ûmëphitsîm (die verstrooien, laten verspreiden) . Hifil participium meervoud . Slechts in Jr 23,1 .
- phûts (verspreiden, verstrooien) . Verwijzing : phûts (verspreiden, verstrooien) , zie Jr 23,1 .

Jr 23,2 - Jr 23,2 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
2dia touto tade legei kurios epi tous poimainontas ton laon mou umeis dieskorpisate ta probata mou kai exôsate auta kai ouk epeskepsasthe auta idou egô ekdikô ef' umas kata ta ponèra epitèdeumata umôn  2 ideo haec dicit Dominus Deus Israhel ad pastores qui pascunt populum meum vos dispersistis gregem meum eiecistis eos et non visitastis eos ecce ego visitabo super vos malitiam studiorum vestrorum ait Dominus     2 Daarom zegt de HEERE, de God Israëls, alzo van de herderen, die Mijn volk weiden: Gijlieden hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht; ziet, Ik zal over u bezoeken de boosheid uwer handelingen, spreekt de HEERE. . [2] Daarom, zo spreekt de heer, de God van Israël, tegen de herders die mijn volk weiden: “Door uw schuld zijn mijn schapen verdwaald en uiteengedreven; u hebt er niet op gelet. Maar Ik let wel op u, vanwege al uw misdaden – godsspraak van de heer.”  [2] Daarom, zo spreekt de heer, de God van Israël, tegen de herders die mijn volk weiden: “Door uw schuld zijn mijn schapen verdwaald en uiteengedreven; u hebt er niet op gelet. Maar Ik let wel op u, vanwege al uw misdaden – godsspraak van de heer.”  2 Daarom heeft de ENE, Israëls god, zó gezegd tot de kwalijke herders die mijn gemeente kwalijk weiden: gij allen die mijn wolvee hebt verstrooid, hen hebt weggestoten en hen niet hebt opgezocht, zie, ik bezoek aan u het kwaad van uw handelingen, is de tijding van de ENE;  2. C'est pourquoi ainsi parle Yahvé, le Dieu d'Israël, contre les pasteurs qui ont à paître mon peuple : vous avez dispersé mes brebis, vous les avez chassées et ne vous en êtes pas occupés. Eh bien! moi, je vais m'occuper de vous pour vos méfaits, oracle de Yahvé!

King James Bible . [2] Therefore thus saith the LORD God of Israel against the pastors that feed my people; Ye have scattered my flock, and driven them away, and have not visited them: behold, I will visit upon you the evil of your doings, saith the LORD.
Luther-Bibel . 2Darum spricht der HERR, der Gott Israels, von den Hirten, die mein Volk weiden: Ihr habt meine Herde zerstreut und verstoßen und nicht nach ihr gesehen. Siehe, ich will euch heimsuchen um eures bösen Tuns willen, spricht der HERR.

Tekstuitleg van Jr 23,2 .

Jr 23,3 - Jr 23,3 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
3kai egô eisdexomai tous kataloipous tou laou mou apo pasès tès gès ou exôsa autous ekei kai katastèsô autous eis tèn nomèn autôn kai auxèthèsontai kai plèthunthèsontai  3 et ego congregabo reliquias gregis mei de omnibus terris ad quas eiecero eos illuc et convertam eos ad rura sua et crescent et multiplicabuntur    3 En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen Zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen. [3] Ik breng de overgebleven* schapen bijeen uit alle landen waarheen Ik ze heb verdreven. Ik breng ze terug naar hun weiden; ze worden weer vruchtbaar en talrijk.   [3] Ik breng de overgebleven* schapen bijeen uit alle landen waarheen Ik ze heb verdreven. Ik breng ze terug naar hun weiden; ze worden weer vruchtbaar en talrijk.   3 zelf zal ik de rest van mijn wolvee verzamelen uit al de landen waarheen ik hen verstoten heb,– en hen doen terugkeren naar hun oase waar ze kunnen bloeien en groeien;  3. Je rassemblerai moi-même le reste de mes brebis de tous les pays où je les aurai dispersées, et je les ramènerai dans leur prairie : elles seront fécondes et se multiplieront.

King James Bible . [3] And I will gather the remnant of my flock out of all countries whither I have driven them, and will bring them again to their folds; and they shall be fruitful and increase.
Luther-Bibel . 3Und ich will die Übriggebliebenen meiner Herde sammeln aus allen Ländern, wohin ich sie verstoßen habe, und will sie wiederbringen zu ihren Weideplätzen, dass sie sollen wachsen und viel werden.

Tekstuitleg van Jr 23,3 .

-qâbhats (verzamelen) . Taalgebruik in Tenakh : qâbhats (verzamelen) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , beth = 2 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 39 (26 + 13) OF 192 . Structuur : 1 - 2 - 9 . Gr. sunagô (samendrijven, verzamelen) . Taalgebruik in NT : sunagô (samendrijven, verzamelen) . Taalgebruik in de LXX : sunagô (samendrijven, verzamelen) . Een vorm van sunagô is 127 X vertaling van ´âsaph , 73 X van qâbhats , 8 X van qâhal . Nog 47 andere Hebreeuwse woorden worden met sunagô weergegeven . Een vorm van qâbhats (verzamelen) wordt in 18 verschillende Griekse woorden vertaald .
- act. piël 1ste pers. enk. ´äqabbets (ik verzamel) . Tenakh (6) : (1) Js 56,8 . (2) Jr 23,3 . (3) Ez 22,20 . (4) Ez 29,13 . (5) Mi 2,12 . (6) Sef 3,19 .

Jr 23,4 - Jr 23,4 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
4kai anastèsô autois poimenas oi poimanousin autous kai ou fobèthèsontai eti oude ptoèthèsontai legei kurios  4 et suscitabo super eos pastores et pascent eos non formidabunt ultra et non pavebunt et nullus quaeretur ex numero dicit Dominus    4 En Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt de HEERE. [4] Dan stel ik herders over hen aan die hen werkelijk weiden. Ze hoeven niet bang of angstig meer te zijn, geen van hen wordt nog vermist – godsspraak van de heer.  [4] Dan stel ik herders over hen aan die hen werkelijk weiden. Ze hoeven niet bang of angstig meer te zijn, geen van hen wordt nog vermist – godsspraak van de heer.  4 ik zal over hen doen opstaan herders die hen werkelijk weiden,– en zij hoeven niet meer bevreesd of gebroken te zijn en te worden opgezocht, is de tijding van de ENE. ••  4. Je susciterai pour elles des pasteurs qui les feront paître; elles n'auront plus crainte ni terreur; aucune ne se perdra, oracle de Yahvé!

King James Bible . [4] And I will set up shepherds over them which shall feed them: and they shall fear no more, nor be dismayed, neither shall they be lacking, saith the LORD.
Luther-Bibel . 4Und ich will Hirten über sie setzen, die sie weiden sollen, dass sie sich nicht mehr fürchten noch erschrecken noch heimgesucht werden, spricht der HERR.

Tekstuitleg van Jr 23,4 .

- châthath (bevreesd, verschrokken zijn) . Taalgebruik in Tenakh : châthath (bevreesd, verschrokken zijn) . Getalwaarde : chet = 8 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 808 (8 X 101) .
- passief nifal imperf. 3de pers. mann. mv. jechathû (zij worden verschrikt) . Tenakh (5) : (1) 1 S 2,10 . (2) Jr 10,2 . (3) Jr 17,18 . (4) Jr 23,4 . (5) Job 21,13 .

Jr 23,5 - Jr 23,5 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
5idou èmerai erchontai legei kurios kai anastèsô tô dauid anatolèn dikaian kai basileusei basileus kai sunèsei kai poièsei krima kai dikaiosunèn epi tès gès 5 ecce dies veniunt ait Dominus et suscitabo David germen iustum et regnabit rex et sapiens erit et faciet iudicium et iustitiam in terra     5 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. [5] Geloof Mij, de tijd komt dat Ik een wettige telg van David laat opstaan – godsspraak van de heer. Hij zal met bekwaamheid regeren en het land rechtvaardig en eerlijk besturen  [5] Geloof Mij, de tijd komt dat Ik een wettige telg van David laat opstaan – godsspraak van de heer. Hij zal met bekwaamheid regeren en het land rechtvaardig en eerlijk besturen.  5 Zie, er komen dagen, is de tijding van de ENE, dat ik aan David zal doen opstaan een spruit die rechtmatig is,– koninklijk zal hij koning zijn, vol inzicht, en recht en gerechtigheid doen in het land;  5. Voici venir des jours oracle de Yahvé où je susciterai à David un germe juste; un roi régnera et sera intelligent, exerçant dans le pays droit et justice.

King James Bible . [5] Behold, the days come, saith the LORD, that I will raise unto David a righteous Branch, and a King shall reign and prosper, and shall execute judgment and justice in the earth.
Luther-Bibel . 5 Siehe, es kommt die Zeit, spricht der HERR, dass ich dem David einen gerechten Spross erwecken will. Der soll ein König sein, der wohl regieren und Recht und Gerechtigkeit im Lande üben wird.

Tekstuitleg van Jr 23,5 .

Jr 23,6 - Jr 23,6 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
6en tais èmerais autou sôthèsetai ioudas kai israèl kataskènôsei pepoithôs kai touto to onoma autou o kalesei auton kurios iôsedek  6 in diebus illius salvabitur Iuda et Israhel habitabit confidenter et hoc est nomen quod vocabunt eum Dominus iustus noster    6 In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID. . [6] Dan wordt Juda bevrijd, en leeft Israël veilig. Dit is de naam die men het geeft: “heer*, onze gerechtigheid.”   [6] Dan wordt Juda bevrijd, en leeft Israël veilig. Dit is de naam die men het geeft: “heer*, onze gerechtigheid.”   6 in zijn dagen zal Juda worden bevrijd, Israël zal wonen in veiligheid; dit is zijn naam waarmee ze zullen roepen: ENE, onze gerechtigheid!   6. En ses jours, Juda sera sauvé et Israël habitera en sécurité. Voici le nom dont on l'appellera »Yahvé-notre-Justice.»

King James Bible . [6] In his days Judah shall be saved, and Israel shall dwell safely: and this is his name whereby he shall be called, THE LORD OUR RIGHTEOUSNESS.
Luther-Bibel . 6 Zu seiner Zeit soll Juda geholfen werden und Israel sicher wohnen. Und dies wird sein Name sein, mit dem man ihn nennen wird: »Der HERR unsere Gerechtigkeit«.

Tekstuitleg van Jr 23,6 .

Jr 23,7 - Jr 23,7 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
7dia touto idou èmerai erchontai legei kurios kai ouk erousin eti zè kurios os anègagen ton oikon israèl ek gès aiguptou  7 propter hoc ecce dies veniunt dicit Dominus et non dicent ultra vivit Dominus qui eduxit filios Israhel de terra Aegypti    7 Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israëls uit Egypteland heeft opgevoerd.       7. Aussi voici venir des jours oracle de Yahvé où l'on ne dira plus : «Yahvé est vivant, qui a fait monter les Israélites du pays d'Egypte»,

King James Bible . [7] Therefore, behold, the days come, saith the LORD, that they shall no more say, The LORD liveth, which brought up the children of Israel out of the land of Egypt;
Luther-Bibel . 7Darum siehe, es wird die Zeit kommen, spricht der HERR, dass man nicht mehr sagen wird: »So wahr der HERR lebt, der die Israeliten aus Ägyptenland geführt hat!«,

Tekstuitleg van

Jr 23,8 - Jr 23,8 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
8alla zè kurios os sunègagen apan to sperma israèl apo gès borra kai apo pasôn tôn chôrôn ou exôsen autous ekei kai apekatestèsen autous eis tèn gèn autôn  8 sed vivit Dominus qui eduxit et adduxit semen domus Israhel de terra aquilonis et de cunctis terris ad quas eieceram eos illuc et habitabunt in terra sua     8 Maar: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die het zaad van het huis Israëls heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land.       8. mais : «Yahvé est vivant, qui a fait monter et rentrer la race de la maison d'Israël du pays du Nord et de tous les pays où il les avait dispersés, pour qu'ils demeurent sur leur propre sol.»

King James Bible . [8] But, The LORD liveth, which brought up and which led the seed of the house of Israel out of the north country, and from all countries whither I had driven them; and they shall dwell in their own land.
Luther-Bibel . 8sondern: »So wahr der HERR lebt, der die Nachkommen des Hauses Israel herausgeführt und hergebracht hat aus dem Lande des Nordens und aus allen Landen, wohin er sie verstoßen hatte.« Und sie sollen in ihrem Lande wohnen. Worte über die falschen Propheten

Tekstuitleg van

Jr 23,9 - Jr 23,9 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
9en tois profètais sunetribè è kardia mou en emoi esaleuthè panta ta osta mou egenèthèn ôs anèr suntetrimmenos kai ôs anthrôpos sunechomenos apo oinou apo prosôpou kuriou kai apo prosôpou euprepeias doxès autou  9 ad prophetas contritum est cor meum in medio mei contremuerunt omnia ossa mea factus sum quasi vir ebrius et quasi homo madidus a vino a facie Domini et a facie verborum sanctorum eius    9 Aangaande de profeten. Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen bewegen zich; ik ben als een dronken man, en als een man, dien de wijn te boven gaat; vanwege den HEERE, en vanwege de woorden Zijner heiligheid.       9. Sur les prophètes. Mon cœur en moi est brisé, je tremble de tous mes membres. Je suis comme un homme ivre, comme quelqu'un que le vin a dompté, à cause de Yahvé et de ses paroles saintes.

King James Bible . [9] Mine heart within me is broken because of the prophets; all my bones shake; I am like a drunken man, and like a man whom wine hath overcome, because of the LORD, and because of the words of his holiness.
Luther-Bibel . 9Wider die Propheten. Mein Herz will mir in meinem Leibe brechen, alle meine Gebeine zittern; mir ist wie einem trunkenen Mann und wie einem, der vom Wein taumelt, vor dem HERRN und vor seinen heiligen Worten.

Tekstuitleg van

Jr 23,10 - Jr 23,10 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
10oti apo prosôpou toutôn epenthèsen è gè exèranthèsan ai nomai tès erèmou kai egeneto o dromos autôn ponèros kai è ischus autôn ouch outôs  10 quia adulteris repleta est terra quia a facie maledictionis luxit terra arefacta sunt arva deserti factus est cursus eorum malus et fortitudo eorum dissimilis    10 Want het land is vol overspelers, want het land treurt vanwege den vloek, de weiden der woestijn verdorren, omdat hun loop boos is, en hun macht niet recht.       10. Car le pays est rempli d'adultères; oui, à cause d'une malédiction, le pays est en deuil et les pacages du désert sont desséchés; les hommes courent au mal, ils dépensent leur force pour l'injustice.

King James Bible . [10] For the land is full of adulterers; for because of swearing the land mourneth; the pleasant places of the wilderness are dried up, and their course is evil, and their force is not right.
Luther-Bibel . 10Denn das Land ist voller Ehebrecher, und wegen des Fluches vertrocknet das Land und die Weideplätze in der Steppe verdorren. Böse ist, wonach sie streben, und ihre Stärke ist Unrecht.

Tekstuitleg van

Jr 23,11 - Jr 23,11 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
11oti iereus kai profètès emolunthèsan kai en tô oikô mou eidon ponèrias autôn  11 propheta namque et sacerdos polluti sunt et in domo mea inveni malum eorum ait Dominus     11 Want beiden profeten en priesters zijn huichelaars; zelfs in Mijn huis vind Ik hun boosheid, spreekt de HEERE.       11. Oui, même le prophète et le prêtre sont des impies, jusqu'en ma Maison j'ai trouvé leur iniquité, oracle de Yahvé.

King James Bible . [11] For both prophet and priest are profane; yea, in my house have I found their wickedness, saith the LORD.
Luther-Bibel . 11Denn Propheten wie Priester sind ruchlos; auch in meinem Hause finde ich ihre Bosheit, spricht der HERR.

Tekstuitleg van

Jr 23,12 - Jr 23,12 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
12dia touto genesthô è odos autôn autois eis olisthèma en gnofô kai uposkelisthèsontai kai pesountai en autè dioti epaxô ep' autous kaka en eniautô episkepseôs autôn fèsin kurios  12 idcirco via eorum erit quasi lubricum in tenebris inpellentur enim et corruent in ea adferam enim super eos mala annum visitationis eorum ait Dominus    12 Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen; want Ik zal een kwaad over hen brengen in het jaar hunner bezoeking, spreekt de HEERE.       12. Aussi leur voie va se changer pour eux en fondrière; engagés là, dans les ténèbres, ils y culbuteront. Car je vais amener sur eux un malheur, l'année de leur châtiment, oracle de Yahvé.

King James Bible . [12] Wherefore their way shall be unto them as slippery ways in the darkness: they shall be driven on, and fall therein: for I will bring evil upon them, even the year of their visitation, saith the LORD.
Luther-Bibel . 12Darum ist ihr Weg wie ein glatter Weg, auf dem sie im Finstern gleiten und fallen; denn ich will Unheil über sie kommen lassen, das Jahr ihrer Heimsuchung, spricht der HERR.

Tekstuitleg van

Jr 23,13 - Jr 23,13 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
13kai en tois profètais samareias eidon anomèmata eprofèteusan dia tès baal kai eplanèsan ton laon mou israèl  13 et in prophetis Samariae vidi fatuitatem prophetabant in Baal et decipiebant populum meum Israhel     13 Ik heb wel ongerijmdheid gezien in de profeten van Samaria, die door Baäl, profeteerden, en Mijn volk Israël verleidden.       13. Chez les prophètes de Samarie, j'ai vu l'insanité; ils prophétisaient au nom de Baal et égaraient mon peuple Israël.

King James Bible . [13] And I have seen folly in the prophets of Samaria; they prophesied in Baal, and caused my people Israel to err.
Luther-Bibel . 13Auch bei den Propheten zu Samaria sah ich Anstößiges, dass sie weissagten im Namen des Baal und mein Volk Israel verführten;

Tekstuitleg van

Jr 23,14 - Jr 23,14 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
14kai en tois profètais ierousalèm eôraka frikta moichômenous kai poreuomenous en pseudesi kai antilambanomenous cheirôn ponèrôn tou mè apostrafènai ekaston apo tès odou autou tès ponèras egenèthèsan moi pantes ôs sodoma kai oi katoikountes autèn ôsper gomorra  14 et in prophetis Hierusalem vidi similitudinem adulterium et iter mendacii et confortaverunt manus pessimorum ut non converteretur unusquisque a malitia sua facti sunt mihi omnes Sodoma et habitatores eius quasi Gomorra    14 Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik afschuwelijkheid; zij bedrijven overspel, en gaan om met valsheid, en sterken de handen der boosdoeners, opdat zij zich niet bekeren, een iegelijk van zijn boosheid; zij allen zijn Mij als Sodom, en haar inwoners als Gomorra.       14. Mais chez les prophètes de Jérusalem, j'ai vu l'horreur l'adultère, l'obstination dans le mensonge, le soutien donné aux méchants pour que nul ne revienne de sa méchanceté. Ils sont tous pour moi comme Sodome et ses habitants comme Gomorrhe!

King James Bible . [14] I have seen also in the prophets of Jerusalem an horrible thing: they commit adultery, and walk in lies: they strengthen also the hands of evildoers, that none doth return from his wickedness: they are all of them unto me as Sodom, and the inhabitants thereof as Gomorrah.
Luther-Bibel . 14aber bei den Propheten zu Jerusalem sehe ich Gräuel, wie sie ehebrechen und mit Lügen umgehen und die Boshaften stärken, auf dass sich ja niemand bekehre von seiner Bosheit. Sie sind alle vor mir gleichwie Sodom und die Bürger Jerusalems wie Gomorra.

Tekstuitleg van

Jr 23,15 - Jr 23,15 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
15dia touto tade legei kurios idou egô psômiô autous odunèn kai potiô autous udôr pikron oti apo tôn profètôn ierousalèm exèlthen molusmos pasè tè gè 15 propterea haec dicit Dominus exercituum ad prophetas ecce ego cibabo eos absinthio et potabo eos felle a prophetis enim Hierusalem est egressa pollutio super omnem terram     15 Daarom zegt de HEERE der heirscharen van deze profeten alzo: Ziet, Ik zal hen met alsem spijzigen, en met gallewater drenken; want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het ganse land.       15. C'est pourquoi, ainsi parle Yahvé Sabaot contre les prophètes Voici, je vais leur faire manger de l'absinthe et leur faire boire de l'eau empoisonnée, car, venant des prophètes de Jérusalem, l'impiété s'est répandue dans tout le pays.

King James Bible . [15] Therefore thus saith the LORD of hosts concerning the prophets; Behold, I will feed them with wormwood, and make them drink the water of gall: for from the prophets of Jerusalem is profaneness gone forth into all the land.
Luther-Bibel . 15Darum spricht der HERR Zebaoth über die Propheten: Siehe, ich will sie mit Wermut speisen und mit Gift tränken; denn von den Propheten Jerusalems geht das ruchlose Wesen aus ins ganze Land.

Tekstuitleg van

Jr 23,16 - Jr 23,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
16outôs legei kurios pantokratôr mè akouete tous logous tôn profètôn oti mataiousin eautois orasin apo kardias autôn lalousin kai ouk apo stomatos kuriou  16 haec dicit Dominus exercituum nolite audire verba prophetarum qui prophetant vobis et decipiunt vos visionem cordis sui loquuntur non de ore Domini             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 23,17 - Jr 23,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
17legousin tois apôthoumenois ton logon kuriou eirènè estai umin kai pasin tois poreuomenois tois thelèmasin autôn panti tô poreuomenô planè kardias autou eipan ouch èxei epi se kaka  17 dicunt his qui blasphemant me locutus est Dominus pax erit vobis et omni qui ambulat in pravitate cordis sui dixerunt non veniet super vos malum             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 23,18 - Jr 23,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
18oti tis estè en upostèmati kuriou kai eiden ton logon autou tis enôtisato kai èkousen  18 quis enim adfuit in consilio Domini et vidit et audivit sermonem eius quis consideravit verbum illius et audivit             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 23,19 - Jr 23,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
19idou seismos para kuriou kai orgè ekporeuetai eis susseismon sustrefomenè epi tous asebeis èxei  19 ecce turbo dominicae indignationis egredietur et tempestas erumpens super caput impiorum veniet              

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 23,20 - Jr 23,20 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
20kai ouketi apostrepsei o thumos kuriou eôs an poièsè auto kai eôs an anastèsè auto apo egcheirèmatos kardias autou ep' eschatou tôn èmerôn noèsousin auta  20 non revertetur furor Domini usque dum faciat et usque dum conpleat cogitationem cordis sui in novissimis diebus intellegetis consilium eius             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

11. - 12. bë´achärîth hajjâmîm (in de laatste dagen) . In dertien verzen in de bijbel : (1) Gn 49,1 . (2) Nu 24,14 . (3) Dt 4,30 . (4) Dt 31,29 . (5) Js 2,2 . (6) Jr 23,20 . (7) Jr 30,24 . (8) Jr 48,47 . (9) Jr 49,39 . (10) Ez 38,16 . (11) Da 10,14 . (12) Hos 3,5 . (13) Mi 4,1 .

Jr 23,21 - Jr 23,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
21ouk apestellon tous profètas kai autoi etrechon ouk elalèsa pros autous kai autoi eprofèteuon  21 non mittebam prophetas et ipsi currebant non loquebar ad eos et ipsi prophetabant             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 23,22 - Jr 23,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
22kai ei estèsan en tè upostasei mou kai eisèkousan tôn logôn mou kai ton laon mou an apestrefon autous apo tôn ponèrôn epitèdeumatôn autôn 22 si stetissent in consilio meo et nota fecissent verba mea populo meo avertissem utique eos a via sua mala et a pessimis cogitationibus suis             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 23,23 - Jr 23,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
23theos eggizôn egô eimi legei kurios kai ouchi theos porrôthen  23 putasne Deus e vicino ego sum dicit Dominus et non Deus de longe             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 23,24 - Jr 23,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
24ei krubèsetai anthrôpos en krufaiois kai egô ouk opsomai auton mè ouchi ton ouranon kai tèn gèn egô plèrô legei kurios  24 si occultabitur vir in absconditis et ego non videbo eum dicit Dominus numquid non caelum et terram ego impleo ait Dominus              

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 23,25 - Jr 23,25 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
25èkousa a lalousin oi profètai a profèteuousin epi tô onomati mou pseudè legontes ènupniasamèn enupnion 25 audivi quae dixerunt prophetae prophetantes in nomine meo mendacium atque dicentes somniavi somniavi             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 23,26 - Jr 23,26 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
26eôs pote estai en kardia tôn profètôn tôn profèteuontôn pseudè kai en tô profèteuein autous ta thelèmata kardias autôn  26 usquequo istud in corde est prophetarum vaticinantium mendacium et prophetantium seductiones cordis sui             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 23,27 - Jr 23,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
27tôn logizomenôn tou epilathesthai tou nomou mou en tois enupniois autôn a diègounto ekastos tô plèsion autou kathaper epelathonto oi pateres autôn tou onomatos mou en tè baal  27 qui volunt facere ut obliviscatur populus meus nominis mei propter somnia eorum quae narrant unusquisque ad proximum suum sicut obliti sunt patres eorum nominis mei propter Baal              

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 23,28 - Jr 23,28 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
28o profètès en ô to enupnion estin diègèsasthô to enupnion autou kai en ô o logos mou pros auton diègèsasthô ton logon mou ep' alètheias ti to achuron pros ton siton outôs oi logoi mou legei kurios  28 propheta qui habet somnium narret somnium et qui habet sermonem meum loquatur sermonem meum vere quid paleis ad triticum dicit Dominus              

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 23,29 - Jr 23,29 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
29ouchi oi logoi mou ôsper pur flegon legei kurios kai ôs pelux koptôn petran  29 numquid non verba mea sunt quasi ignis ait Dominus et quasi malleus conterens petram              

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 23,30 - Jr 23,30 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
30dia touto idou egô pros tous profètas legei kurios o theos tous kleptontas tous logous mou ekastos para tou plèsion autou  30 propterea ecce ego ad prophetas ait Dominus qui furantur verba mea unusquisque a proximo suo             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 23,31 - Jr 23,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
31idou egô pros tous profètas tous ekballontas profèteias glôssès kai nustazontas nustagmon eautôn  31 ecce ego ad prophetas ait Dominus qui adsumunt linguas suas et aiunt dicit Dominus             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 23,32 - Jr 23,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
32idou egô pros tous profètas tous profèteuontas enupnia pseudè kai diègounto auta kai eplanèsan ton laon mou en tois pseudesin autôn kai en tois planois autôn kai egô ouk apesteila autous kai ouk eneteilamèn autois kai ôfeleian ouk ôfelèsousin ton laon touton  32 ecce ego ad prophetas somniantes mendacium ait Dominus qui narraverunt ea et seduxerunt populum meum in mendacio suo et in miraculis suis cum ego non misissem eos nec mandassem eis qui nihil profuerunt populo huic dicit Dominus             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 23,33 - Jr 23,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
33kai ean erôtèsôsi se o laos outos è iereus è profètès legôn ti to lèmma kuriou kai ereis autois umeis este to lèmma kai raxô umas legei kurios  33 si igitur interrogaverit te populus iste vel propheta aut sacerdos dicens quod est onus Domini dices ad eos ut quid vobis onus proiciam quippe vos dicit Dominus             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 23,34 - Jr 23,34 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
34kai o profètès kai o iereus kai o laos oi an eipôsin lèmma kuriou kai ekdikèsô ton anthrôpon ekeinon kai ton oikon autou  34 et prophetes et sacerdos et populus qui dicit onus Domini visitabo super virum illum et super domum eius             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 23,35 - Jr 23,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
35oti outôs ereite ekastos pros ton plèsion autou kai ekastos pros ton adelfon autou ti apekrithè kurios kai ti elalèsen kurios 35 haec dicetis unusquisque ad proximum et ad fratrem suum quid respondit Dominus et quid locutus est Dominus             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 23,36 - Jr 23,36 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
36kai lèmma kuriou mè onomazete eti oti to lèmma tô anthrôpô estai o logos autou  36 et onus Domini ultra non memorabitur quia onus erit unicuique sermo suus et pervertitis verba Dei viventis Domini exercituum Dei nostri             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 23,37 - Jr 23,37 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
37kai dia ti elalèsen kurios o theos èmôn  37 haec dices ad prophetam quid respondit tibi Dominus et quid locutus est Dominus             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 23,38 - Jr 23,38 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
38dia touto tade legei kurios o theos anth' ôn eipate ton logon touton lèmma kuriou kai apesteila pros umas legôn ouk ereite lèmma kuriou 38 si autem onus Domini dixeritis propter hoc haec dicit Dominus quia dixistis sermonem istum onus Domini et misi ad vos dicens nolite dicere onus Domini             

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 23,39 - Jr 23,39 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
39dia touto idou egô lambanô kai rassô umas kai tèn polin èn edôka umin kai tois patrasin umôn  propterea ecce ego tollam vos portans et derelinquam vos et civitatem quam dedi vobis et patribus vestris a facie mea              

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

11. - 12. nâthaththî lâkhèm (ik zal geven aan jullie) . Tenach (11) : (1) Gn 1,29 . (2) Gn 9,3 . (3) Nu 18, 26 . (4) Dt 3,19 . (5) Dt 3,20 . (6) Dt 9,23 . (7) Spr 4, 2 . (8) Jr 7,14 . (9) Jr 23,39 . (10) Jr 35, 15 . (11) Am 4,6 .

10. - 12. ´äsjèr nâthaththî lâkhèm (dat ik zal geven aan jullie) . In zeven verzen : (1) Nu 18, 26 . (2) Dt 3,19 . (3) Dt 3,20 . (4) Dt 9,23 . (5) Jr 7,14 . (6) Jr 23,39 . (7) Jr 35, 15 .

Jr 23,40 - Jr 23,40 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense vertaling Bible de JÚrusalem
40kai dôsô ef' umas oneidismon aiônion kai atimian aiônion ètis ouk epilèsthèsetai   40 et dabo vos in obprobrium sempiternum et in ignominiam aeternam quae numquam oblivione delebitur               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van


- Hebreeuwse tekst

הֹוי רֹעִים מְאַבְּדִים וּמְפִצִים אֶת־צֹאן מַרְעִיתִי נְאֻם־יְהוָה׃ .1 לָכֵן כֹּה־אָמַר יְהוָה אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל עַל־הָרֹעִים הָרֹעִים אֶת־עַמִּי אַתֶּם הֲפִצֹתֶם אֶת־צֹאנִי וַתַּדִּחוּם וְלֹא פְקַדְתֶּם אֹתָם הִנְנִי פֹקֵד עֲלֵיכֶם אֶת־רֹעַ מַעַלְלֵיכֶם נְאֻם־יְהוָה׃ .2 וַאֲנִי אֲקַבֵּץ אֶת־שְׁאֵרִית צֹאנִי מִכֹּל הָאֲרָצֹות אֲשֶׁר־הִדַּחְתִּי אֹתָם שָׁם וַהֲשִׁבֹתִי אֶתְהֶן עַל־נְוֵהֶן וּפָרוּ וְרָבוּ׃ .3 וַהֲקִמֹתִי עֲלֵיהֶם רֹעִים וְרָעוּם וְלֹא־יִירְאוּ עֹוד וְלֹא־יֵחַתּוּ וְלֹא יִפָּקֵדוּ נְאֻם־יְהוָה׃ ס .4 הִנֵּה יָמִים בָּאִים נְאֻם־יְהוָה וַהֲקִמֹתִי לְדָוִד צֶמַח צַדִּיק וּמָלַךְ מֶלֶךְ וְהִשְׂכִּיל וְעָשָׂה מִשְׁפָּט וּצְדָקָה בָּאָרֶץ׃ .5 בְּיָמָיו תִּוָּשַׁע יְהוּדָה וְיִשְׂרָאֵל יִשְׁכֹּן לָבֶטַח וְזֶה־שְּׁמֹו אֲ‍שֶׁר־יִקְרְאֹו יְהוָה ׀ צִדְקֵנוּ׃ ס .6 לָכֵן הִנֵּה־יָמִים בָּאִים נְאֻם־יְהוָה וְלֹא־יֹאמְרוּ עֹוד חַי־יְהוָה אֲשֶׁר הֶעֱלָה אֶת־בְּנֵי יִשְׂרָאֵל מֵאֶרֶץ מִצְרָיִם׃ .7 כִּי אִם־חַי־יְהוָה אֲשֶׁר הֶעֱלָה וַאֲשֶׁר הֵבִיא אֶת־זֶרַע בֵּית יִשְׂרָאֵל מֵאֶרֶץ צָפֹונָה וּמִכֹּל הָאֲרָצֹות אֲשֶׁר הִדַּחְתִּים שָׁם וְיָשְׁבוּ עַל־אַדְמָתָם׃ ס .8 לַנְּבִאִים נִשְׁבַּר לִבִּי בְקִרְבִּי רָחֲפוּ כָּל־עַצְמֹותַי הָיִיתִי כְּאִישׁ שִׁכֹּור וּכְגֶבֶר עֲבָרֹו יָיִן מִפְּנֵי יְהוָה וּמִפְּנֵי דִּבְרֵי קָדְשֹׁו׃ .9 כִּי מְנָאֲפִים מָלְאָה הָאָרֶץ כִּי־מִפְּנֵי אָלָה אָבְלָה הָאָרֶץ יָבְשׁוּ נְאֹות מִדְבָּר וַתְּהִי מְרוּצָתָם רָעָה וּגְבוּרָתָם לֹא־כֵן׃ .10 כִּי־גַם־נָבִיא גַם־כֹּהֵן חָנֵפוּ גַּם־בְּבֵיתִי מָצָאתִי רָעָתָם נְאֻם־יְהוָה׃ .11 לָכֵן יִהְיֶה דַרְכָּם לָהֶם כַּחֲלַקְלַקֹּות בָּאֲפֵלָה יִדַּחוּ וְנָפְלוּ בָהּ כִּי־אָבִיא עֲלֵיהֶם רָעָה שְׁנַת פְּקֻדָּתָם נְאֻם־יְהוָה׃ .12 וּבִנְבִיאֵי שֹׁמְרֹון רָאִיתִי תִפְלָה הִנַּבְּאוּ בַבַּעַל וַיַּתְעוּ אֶת־עַמִּי אֶת־יִשְׂרָאֵל׃ ס .13 וּבִנְבִאֵי יְרוּשָׁלִַם רָאִיתִי שַׁעֲרוּרָה נָאֹוף וְהָלֹךְ בַּשֶּׁקֶר וְחִזְּקוּ יְדֵי מְרֵעִים לְבִלְתִּי־שָׁבוּ אִישׁ מֵרָעָתֹו הָיוּ־לִי כֻלָּם כִּסְדֹם וְיֹשְׁבֶיהָ כַּעֲמֹרָה׃ ס .14 לָכֵן כֹּה־אָמַר יְהוָה צְבָאֹות עַל־הַנְּבִאִים הִנְנִי מַאֲכִיל אֹותָם לַעֲנָה וְהִשְׁקִתִים מֵי־רֹאשׁ כִּי מֵאֵת נְבִיאֵי יְרוּשָׁלִַם יָצְאָה חֲנֻפָּה לְכָל־הָאָרֶץ׃ פ .15 כֹּה־אָמַר יְהוָה צְבָאֹות אַל־תִּשְׁמְעוּ עַל־דִּבְרֵי הַנְּבִאִים הַנִּבְּאִים לָכֶם מַהְבִּלִים הֵמָּה אֶתְכֶם חֲזֹון לִבָּם יְדַבֵּרוּ לֹא מִפִּי יְהוָה׃ .16 אֹמְרִים אָמֹור לִמְנַאֲצַי דִּבֶּר יְהוָה שָׁלֹום יִהְיֶה לָכֶם וְכֹל הֹלֵךְ בִּשְׁרִרוּת לִבֹּו אָמְרוּ לֹא־תָבֹוא עֲלֵיכֶם רָעָה׃ .17 כִּי מִי עָמַד בְּסֹוד יְהוָה וְיֵרֶא וְיִשְׁמַע אֶת־דְּבָרֹו מִי־הִקְשִׁיב [דְּבָרִי כ] (דְּבָרֹו ק) וַיִּשְׁמָע׃ ס .18 הִנֵּה ׀ סַעֲרַת יְהוָה חֵמָה יָצְאָה וְסַעַר מִתְחֹולֵל עַל רֹאשׁ רְשָׁעִים יָחוּל׃ .19 לֹא יָשׁוּב אַף־יְהוָה עַד־עֲשֹׂתֹו וְעַד־הֲקִימֹו מְזִמֹּות לִבֹּו בְּאַחֲרִית הַיָּמִים תִּתְבֹּונְנוּ בָהּ בִּינָה׃ .20 לֹא־שָׁלַחְתִּי אֶת־הַנְּבִאִים וְהֵם רָצוּ לֹא־דִבַּרְתִּי אֲלֵיהֶם וְהֵם נִבָּאוּ׃ .21 וְאִם־עָמְדוּ בְּסֹודִי וְיַשְׁמִעוּ דְבָרַי אֶת־עַמִּי וִישִׁבוּם מִדַּרְכָּם הָרָע וּמֵרֹעַ מַעַלְלֵיהֶם׃ ס .22 הַאֱלֹהֵי מִקָּרֹב אָנִי נְאֻם־יְהוָה וְלֹא אֱלֹהֵי מֵרָחֹק׃ .23 אִם־יִסָּתֵר אִישׁ בַּמִּסְתָּרִים וַאֲנִי לֹא־אֶרְאֶנּוּ נְאֻם־יְהוָה הֲלֹוא אֶת־הַשָּׁמַיִם וְאֶת־הָאָרֶץ אֲנִי מָלֵא נְאֻם־יְהוָה׃ .24 שָׁמַעְתִּי אֵת אֲשֶׁר־אָמְרוּ הַנְּבִאִים הַנִּבְּאִים בִּשְׁמִי שֶׁקֶר לֵאמֹר חָלַמְתִּי חָלָמְתִּי׃ .25 עַד־מָתַי הֲיֵשׁ בְּלֵב הַנְּבִאִים נִבְּאֵי הַשָּׁקֶר וּנְבִיאֵי תַּרְמִת לִבָּם׃ .26 הַחֹשְׁבִים לְהַשְׁכִּיחַ אֶת־עַמִּי שְׁמִי בַּחֲלֹומֹתָם אֲשֶׁר יְסַפְּרוּ אִישׁ לְרֵעֵהוּ כַּאֲשֶׁר שָׁכְחוּ אֲבֹותָם אֶת־שְׁמִי בַּבָּעַל׃ .27 הַנָּבִיא אֲשֶׁר־אִתֹּו חֲלֹום יְסַפֵּר חֲלֹום וַאֲשֶׁר דְּבָרִי אִתֹּו יְדַבֵּר דְּבָרִי אֱמֶת מַה־לַתֶּבֶן אֶת־הַבָּר נְאֻם־יְהוָה׃ .28 הֲלֹוא כֹה דְבָרִי כָּאֵשׁ נְאֻם־יְהוָה וּכְפַטִּישׁ יְפֹצֵץ סָלַע׃ ס .29 לָכֵן הִנְנִי עַל־הַנְּבִאִים נְאֻם־יְהוָה מְגַנְּבֵי דְבָרַי אִישׁ מֵאֵת רֵעֵהוּ׃ .30 הִנְנִי עַל־הַנְּבִיאִם נְאֻם־יְהוָה הַלֹּקְחִים לְשֹׁונָם וַיִּנְאֲמוּ נְאֻם׃ .31 הִנְנִי עַל־נִבְּאֵי חֲלֹמֹות שֶׁקֶר נְאֻם־יְהוָה וַיְסַפְּרוּם וַיַּתְעוּ אֶת־עַמִּי בְּשִׁקְרֵיהֶם וּבְפַחֲזוּתָם וְאָנֹכִי לֹא־שְׁלַחְתִּים וְלֹא צִוִּיתִים וְהֹועֵיל לֹא־יֹועִילוּ לָעָם־הַזֶּה נְאֻם־יְהוָה׃ .32 וְכִי־יִשְׁאָלְךָ הָעָם הַזֶּה אֹו־הַנָּבִיא אֹו־כֹהֵן לֵאמֹר מַה־מַשָּׂא יְהוָה וְאָמַרְתָּ אֲלֵיהֶם אֶת־מַה־מַשָּׂא וְנָטַשְׁתִּי אֶתְכֶם נְאֻם־יְהוָה׃ .33 וְהַנָּבִיא וְהַכֹּהֵן וְהָעָם אֲשֶׁר יֹאמַר מַשָּׂא יְהוָה וּפָקַדְתִּי עַל־הָאִישׁ הַהוּא וְעַל־בֵּיתֹו׃ .34 כֹּה תֹאמְרוּ אִישׁ עַל־רֵעֵהוּ וְאִישׁ אֶל־אָחִיו מֶה־עָנָה יְהוָה וּמַה־דִּבֶּר יְהוָה׃ .35 וּמַשָּׂא יְהוָה לֹא תִזְכְּרוּ־עֹוד כִּי הַמַּשָּׂא יִהְיֶה לְאִישׁ דְּבָרֹו וַהֲפַכְתֶּם אֶת־דִּבְרֵי אֱלֹהִים חַיִּים יְהוָה צְבָאֹות אֱלֹהֵינוּ׃ .36 כֹּה תֹאמַר אֶל־הַנָּבִיא מֶה־עָנָךְ יְהוָה וּמַה־דִּבֶּר יְהוָה׃ .37 וְאִם־מַשָּׂא יְהוָה תֹּאמֵרוּ לָכֵן כֹּה אָמַר יְהוָה יַעַן אֲמָרְכֶם אֶת־הַדָּבָר הַזֶּה מַשָּׂא יְהוָה וָאֶשְׁלַח אֲלֵיכֶם לֵאמֹר לֹא תֹאמְרוּ מַשָּׂא יְהוָה׃ .38 לָכֵן הִנְנִי וְנָשִׁיתִי אֶתְכֶם נָשֹׁא וְנָטַשְׁתִּי אֶתְכֶם וְאֶת־הָעִיר אֲשֶׁר נָתַתִּי לָכֶם וְלַאֲבֹותֵיכֶם מֵעַל פָּנָי׃ .39 וְנָתַתִּי עֲלֵיכֶם חֶרְפַּת עֹולָם וּכְלִמּוּת עֹולָם אֲשֶׁר לֹא תִשָּׁכֵחַ׃ ס .40


- Targum Onkelos


- Griekse tekst - Septuaginta

Ω οἱ ποιμένες οἱ διασκορπίζοντες καὶ ἀπολλύοντες τὰ πρόβατα τῆς νομῆς μου. 2 διὰ τοῦτο τάδε λέγει Κύριος ἐπὶ τοὺς ποιμαίνοντας τὸν λαόν μου· ὑμεῖς διεσκορπίσατε τά πρόβατά μου καὶ ἐξώσατε αὐτὰ καὶ οὐκ ἐπεσκέψασθε αὐτά, ἰδοὺ ἐγὼ ἐκδικῶ ἐφ' ὑμᾶς κατὰ τὰ πονηρὰ ἐπιτηδεύματα ὑμῶν· 3 καὶ ἐγὼ εἰσδέξομαι τοὺς καταλοίπους τοῦ λαοῦ μου ἐπὶ πάσης τῆς γῆς, οὗ ἔξωσα αὐτοὺς ἐκεῖ, καὶ καταστήσω αὐτοὺς εἰς τὴν νομὴν αὐτῶν, καὶ αὐξηθήσονται καὶ πληθυνθήσονται· 4 καὶ ἀναστήσω αὐτοῖς ποιμένας, οἳ ποιμανοῦσιν αὐτούς, καὶ οὐ φοβηθήσονται ἔτι οὐδὲ πτοηθήσονται, λέγει Κύριος. 5 ἰδοὺ ἡμέραι ἔρχονται, λέγει Κύριος, καὶ ἀναστήσω τῷ Δαυὶδ ἀνατολὴν δικαίαν, καὶ βασιλεύσει βασιλεὺς καὶ συνήσει καὶ ποιήσει κρίμα καὶ δικαιοσύνην ἐπὶ τῆς γῆς. 6 ἐν ταῖς ἡμέραις αὐτοῦ σωθήσεται ᾿Ιούδας, καὶ ᾿Ισραὴλ κατασκηνώσει πεποιθώς, καὶ τοῦτο τὸ ὄνομα αὐτοῦ, ὃ καλέσει αὐτὸν Κύριος ᾿Ιωσεδέκ. 9 ᾿Εν τοῖς προφήταις συνετρίβη ἡ καρδία μου, ἐν ἐμοὶ ἐσαλεύθη πάντα τὰ ὀστᾶ μου, ἐγενήθην ὡς ἀνὴρ συντετριμμένος καὶ ὡς ἄνθρωπος συνεχόμενος ἀπὸ οἴνου ἀπὸ προσώπου Κυρίου καὶ ἀπὸ προσώπου εὐπρεπείας δόξης αὐτοῦ. 10 ὅτι ἀπὸ προσώπου τούτων ἐπένθησεν ἡ γῆ, ἐξηράνθησαν αἱ νομαὶ τῆς ἐρήμου, καὶ ἐγένετο ὁ δρόμος αὐτῶν πονηρὸς καὶ ἡ ἰσχὺς αὐτῶν οὐχ οὕτως. 11 ὅτι ἱερεὺς καὶ προφήτης ἐμολύνθησαν καὶ ἐν τῷ οἴκῳ μου εἶδον πονηρίας αὐτῶν. 12 διὰ τοῦτο γενέσθω ἡ ὁδὸς αὐτῶν αὐτοῖς εἰς ὀλίσθημα ἐν γνόφῳ, καὶ ὑποσκελισθήσονται καὶ πεσοῦνται ἐν αὐτῇ· διότι ἐπάξω ἐπ' αὐτοὺς κακὰ ἐν ἐνιαυτῷ ἐπισκέψεως αὐτῶν, φησὶ Κύριος. 13 καὶ ἐν τοῖς προφήταις Σαμαρείας εἶδον ἀνομήματα· ἐπροφήτευσαν διὰ τῆς Βάαλ καὶ ἐπλάνησαν τὸν λαόν μου ᾿Ισραήλ. 14 καὶ ἐν τοῖς προφήταις ῾Ιερουσαλὴμ ἑώρακα φρικτά, μοιχωμένους καὶ πορευομένους ἐν ψεύδεσι καὶ ἀντιλαμβανομένους χειρῶν πονηρῶν τοῦ μὴ ἀποστραφῆναι ἕκαστον ἀπὸ τῆς ὁδοῦ αὐτοῦ τῆς πονηρᾶς· ἐγενήθησάν μοι πάντες ὡς Σόδομα καὶ οἱ κατοικοῦντες αὐτὴν ὥσπερ Γόμορρα. 15 διὰ τοῦτο τάδε λέγει Κύριος· ἰδοὺ ἐγὼ ψωμιῶ αὐτοὺς ὀδύνην καὶ ποτιῶ αὐτοὺς ὕδωρ πικρόν, ὅτι ἀπὸ τῶν προφητῶν ῾Ιερουσαλὴμ ἐξῆλθε μολυσμὸς πάσῃ τῇ γῇ. 16 οὕτως λέγει Κύριος παντοκράτωρ· μὴ ἀκούετε τοὺς λόγους τῶν προφητῶν, ὅτι ματαιοῦσιν ἑαυτοῖς ὅρασιν, ἀπὸ καρδίας αὐτῶν λαλοῦσι καὶ οὐκ ἀπὸ στόματος Κυρίου. 17 λέγουσι τοῖς ἀπωθουμένοις τὸν λόγον Κυρίου· εἰρήνη ἔσται ὑμῖν· καὶ πᾶσι τοῖς πορευομένοις τοῖς θελήμασιν αὐτῶν, παντὶ τῷ πορευομένῳ πλάνῃ καρδίας αὐτοῦ εἶπαν· οὐχ ἥξει ἐπὶ σὲ κακά. 18 ὅτι τίς ἔστη ἐν ὑποστήματι Κυρίου καὶ εἶδε τὸν λόγον αὐτοῦ; τίς ἠνωτίσατο καὶ ἤκουσεν; 19 ἰδοὺ σεισμὸς παρὰ Κυρίου καὶ ὀργὴ ἐκπορεύεται εἰς συσσεισμόν, συστρεφομένη ἐπὶ τοὺς ἀσεβεῖς ἥξει. 20 καὶ οὐκ ἔτι ἀποστρέψει ὁ θυμὸς Κυρίου, ἕως ἂν ποιήσῃ αὐτὸ καὶ ἕως ἂν στήσῃ αὐτὸ ἀπὸ ἐγχειρήματος καρδίας αὐτοῦ· ἐπ' ἐσχάτου τῶν ἡμερῶν νοήσουσιν αὐτά. 21 οὐκ ἀπέστελλον τοὺς προφήτας, καὶ αὐτοὶ ἔτρεχον· οὐδὲ ἐλάλησα πρὸς αὐτούς, καὶ αὐτοὶ ἐπροφήτευον. 22 καὶ εἰ ἔστησαν ἐν τῇ ὑποστάσει μου καὶ εἰ ἤκουσαν τῶν λόγων μου, καὶ τὸν λαόν μου ἂν ἀπέστρεφον αὐτοὺς ἀπὸ τῶν πονηρῶν ἐπιτηδευμάτων αὐτῶν. 23 Θεὸς ἐγγίζων ἐγώ εἰμι, λέγει Κύριος, καὶ οὐχὶ Θεὸς πόρρωθεν. 24 εἰ κρυβήσεταί τις ἐν κρυφαίοις, καὶ ἐγὼ οὐκ ὄψομαι αὐτόν; μὴ οὐχὶ τὸν οὐρανὸν καὶ τὴν γῆν ἐγὼ πληρῶ; λέγει Κύριος. 25 ἤκουσα ἃ λαλοῦσιν οἱ προφῆται, ἃ προφητεύουσιν ἐπὶ τῷ ὀνόματί μου ψευδῆ λέγοντες· ἠνυπνιασάμην ἐνύπνιον. 26 ἕως πότε ἔσται ἐν καρδίᾳ τῶν προφητῶν τῶν προφητευόντων ψευδῆ καὶ ἐν τῷ προφητεύειν αὐτοὺς τὰ θελήματα τῆς καρδίας αὐτῶν; 27 τῶν λογιζομένων τοῦ ἐπιλαθέσθαι τοῦ νόμου μου ἐν τοῖς ἐνυπνίοις αὐτῶν, ἃ διηγοῦντο ἕκαστος τῷ πλησίον αὐτοῦ, καθάπερ ἐπελάθοντο οἱ πατέρες αὐτῶν τοῦ ὀνόματός μου ἐν τῇ Βάαλ; 28 ὁ προφήτης, ἐν ᾧ τὸ ἐνύπνιόν ἐστι, διηγησάσθω τὸ ἐνύπνιον αὐτοῦ, καὶ ἐν ᾧ ὁ λόγος μου πρὸς αὐτόν, διηγησάσθω τὸν λόγον μου ἐπ' ἀληθείας. τί τὸ ἄχυρον πρὸς τὸν σῖτον; οὕτως οἱ λόγοι μου, λέγει Κύριος. 29 οὐκ ἰδοὺ οἱ λόγοι μου ὥσπερ πῦρ φλέγον, λέγει Κύριος, καὶ ὡς πέλυξ κόπτων πέτραν; 30 ἰδοὺ ἐγὼ διὰ τοῦτο πρὸς τοὺς προφήτας, λέγει Κύριος ὁ Θεός, τοὺς κλέπτοντας τοὺς λόγους μου ἕκαστον παρὰ τοῦ πλησίον αὐτοῦ. 31 ἰδοὺ ἐγὼ πρὸς τοὺς προφήτας τοὺς ἐκβάλλοντας προφητείας γλώσσης καὶ νυστάζοντας νυσταγμὸν ἑαυτῶν. 32 ἰδοὺ ἐγὼ πρὸς τοὺς προφήτας τοὺς προφητεύοντας ἐνύπνια ψευδῆ καὶ διηγοῦντο αὐτὰ καὶ ἐπλάνησαν τὸν λαόν μου ἐν τοῖς ψεύδεσιν αὐτῶν καὶ ἐν τοῖς πλάνοις αὐτῶν καὶ ἐγὼ οὐκ ἀπέστειλα αὐτοὺς καὶ οὐκ ἐνετειλάμην αὐτοῖς καὶ ὠφέλειαν οὐκ ὠφελήσουσι τὸν λαὸν τοῦτον. 33 καὶ ἐὰν ἐρωτήσωσί σε ὁ λαὸς οὗτος ἢ ἱερεὺς ἢ προφήτης λέγων· τί τὸ λῆμμα Κυρίου; καὶ ἐρεῖς αὐτοῖς· ὑμεῖς ἐστε τὸ λῆμμα καὶ ράξω ὑμᾶς, λέγει Κύριος. 34 ὁ προφήτης καὶ οἱ ἱερεῖς καὶ ὁ λαός, οἳ ἂν εἴπωσι· λῆμμα Κυρίου, καὶ ἐκδικήσω τὸν ἄνθρωπον ἐκεῖνον καὶ τὸν οἶκον αὐτοῦ. 35 ὅτι οὕτως ἐρεῖτε ἕκαστος πρὸς τὸν πλησίον αὐτοῦ καὶ ἕκαστος πρὸς τὸν ἀδελφὸν αὐτοῦ· τί ἀπεκρίθη Κύριος, καὶ τί ἐλάλησε Κύριος; 36 καὶ λῆμμα Κυρίου μὴ ὀνομάζετε ἔτι, ὅτι τὸ λῆμμα τῷ ἀνθρώπῳ ἔσται ὁ λόγος αὐτοῦ· 37 καὶ διατί ἐλάλησε Κύριος ὁ Θεὸς ἡμῶν; 38 διὰ τοῦτο τάδε λέγει Κύριος ὁ Θεὸς ἡμῶν· ἀνθ' ὧν εἴπατε τὸν λόγον τοῦτον· λῆμμα Κυρίου, καὶ ἀπέστειλα πρὸς ὑμᾶς λέγων· οὐκ ἐρεῖτε· λῆμμα Κυρίου, 39 διὰ τοῦτο ἰδοὺ ἐγὼ λαμβάνω καὶ ράσσω ὑμᾶς καὶ τὴν πόλιν, ἣν ἔδωκα ὑμῖν καὶ τοῖς πατράσιν ὑμῶν, 40 καὶ δώσω ἐφ' ὑμᾶς ὀνειδισμὸν αἰώνιον καὶ ἀτιμίαν αἰώνιον, ἥτις οὐκ ἐπιλησθήσεται. - 7 Διὰ τοῦτο ἰδοὺ ἡμέραι ἔρχονται, λέγει Κύριος, καὶ οὐκ ἐροῦσιν ἔτι· ζῇ Κύριος, ὃς ἀνήγαγε τὸν οἶκον ᾿Ισραὴλ ἐκ γῆς Αἰγύπτου, 8 ἀλλά· ζῇ Κύριος, ὃς συνήγαγε πᾶν τὸ σπέρμα ᾿Ισραὴλ ἀπὸ γῆς βορρᾶ καὶ ἀπὸ πασῶν τῶν χωρῶν, οὗ ἔξωσεν αὐτοὺς ἐκεῖ. καὶ ἀποκατέστησεν αὐτοὺς εἰς τὴν γῆν αὐτῶν.


- Vulgata

23. 1 vae pastoribus qui disperdunt et dilacerant gregem pascuae meae dicit Dominus 2 ideo haec dicit Dominus Deus Israhel ad pastores qui pascunt populum meum vos dispersistis gregem meum eiecistis eos et non visitastis eos ecce ego visitabo super vos malitiam studiorum vestrorum ait Dominus 3 et ego congregabo reliquias gregis mei de omnibus terris ad quas eiecero eos illuc et convertam eos ad rura sua et crescent et multiplicabuntur 4 et suscitabo super eos pastores et pascent eos non formidabunt ultra et non pavebunt et nullus quaeretur ex numero dicit Dominus 5 ecce dies veniunt ait Dominus et suscitabo David germen iustum et regnabit rex et sapiens erit et faciet iudicium et iustitiam in terra 6 in diebus illius salvabitur Iuda et Israhel habitabit confidenter et hoc est nomen quod vocabunt eum Dominus iustus noster 7 propter hoc ecce dies veniunt dicit Dominus et non dicent ultra vivit Dominus qui eduxit filios Israhel de terra Aegypti 8 sed vivit Dominus qui eduxit et adduxit semen domus Israhel de terra aquilonis et de cunctis terris ad quas eieceram eos illuc et habitabunt in terra sua 9 ad prophetas contritum est cor meum in medio mei contremuerunt omnia ossa mea factus sum quasi vir ebrius et quasi homo madidus a vino a facie Domini et a facie verborum sanctorum eius 10 quia adulteris repleta est terra quia a facie maledictionis luxit terra arefacta sunt arva deserti factus est cursus eorum malus et fortitudo eorum dissimilis 11 propheta namque et sacerdos polluti sunt et in domo mea inveni malum eorum ait Dominus 12 idcirco via eorum erit quasi lubricum in tenebris inpellentur enim et corruent in ea adferam enim super eos mala annum visitationis eorum ait Dominus 13 et in prophetis Samariae vidi fatuitatem prophetabant in Baal et decipiebant populum meum Israhel 14 et in prophetis Hierusalem vidi similitudinem adulterium et iter mendacii et confortaverunt manus pessimorum ut non converteretur unusquisque a malitia sua facti sunt mihi omnes Sodoma et habitatores eius quasi Gomorra 15 propterea haec dicit Dominus exercituum ad prophetas ecce ego cibabo eos absinthio et potabo eos felle a prophetis enim Hierusalem est egressa pollutio super omnem terram 16 haec dicit Dominus exercituum nolite audire verba prophetarum qui prophetant vobis et decipiunt vos visionem cordis sui loquuntur non de ore Domini 17 dicunt his qui blasphemant me locutus est Dominus pax erit vobis et omni qui ambulat in pravitate cordis sui dixerunt non veniet super vos malum 18 quis enim adfuit in consilio Domini et vidit et audivit sermonem eius quis consideravit verbum illius et audivit 19 ecce turbo dominicae indignationis egredietur et tempestas erumpens super caput impiorum veniet 20 non revertetur furor Domini usque dum faciat et usque dum conpleat cogitationem cordis sui in novissimis diebus intellegetis consilium eius 21 non mittebam prophetas et ipsi currebant non loquebar ad eos et ipsi prophetabant 22 si stetissent in consilio meo et nota fecissent verba mea populo meo avertissem utique eos a via sua mala et a pessimis cogitationibus suis 23 putasne Deus e vicino ego sum dicit Dominus et non Deus de longe 24 si occultabitur vir in absconditis et ego non videbo eum dicit Dominus numquid non caelum et terram ego impleo ait Dominus 25 audivi quae dixerunt prophetae prophetantes in nomine meo mendacium atque dicentes somniavi somniavi 26 usquequo istud in corde est prophetarum vaticinantium mendacium et prophetantium seductiones cordis sui 27 qui volunt facere ut obliviscatur populus meus nominis mei propter somnia eorum quae narrant unusquisque ad proximum suum sicut obliti sunt patres eorum nominis mei propter Baal 28 propheta qui habet somnium narret somnium et qui habet sermonem meum loquatur sermonem meum vere quid paleis ad triticum dicit Dominus 29 numquid non verba mea sunt quasi ignis ait Dominus et quasi malleus conterens petram 30 propterea ecce ego ad prophetas ait Dominus qui furantur verba mea unusquisque a proximo suo 31 ecce ego ad prophetas ait Dominus qui adsumunt linguas suas et aiunt dicit Dominus 32 ecce ego ad prophetas somniantes mendacium ait Dominus qui narraverunt ea et seduxerunt populum meum in mendacio suo et in miraculis suis cum ego non misissem eos nec mandassem eis qui nihil profuerunt populo huic dicit Dominus 33 si igitur interrogaverit te populus iste vel propheta aut sacerdos dicens quod est onus Domini dices ad eos ut quid vobis onus proiciam quippe vos dicit Dominus 34 et prophetes et sacerdos et populus qui dicit onus Domini visitabo super virum illum et super domum eius 35 haec dicetis unusquisque ad proximum et ad fratrem suum quid respondit Dominus et quid locutus est Dominus 36 et onus Domini ultra non memorabitur quia onus erit unicuique sermo suus et pervertitis verba Dei viventis Domini exercituum Dei nostri 37 haec dices ad prophetam quid respondit tibi Dominus et quid locutus est Dominus 38 si autem onus Domini dixeritis propter hoc haec dicit Dominus quia dixistis sermonem istum onus Domini et misi ad vos dicens nolite dicere onus Domini 39 propterea ecce ego tollam vos portans et derelinquam vos et civitatem quam dedi vobis et patribus vestris a facie mea 40 et dabo vos in obprobrium sempiternum et in ignominiam aeternam quae numquam oblivione delebitur


- Statenvertaling

1 Wee den herderen, die de schapen Mijner weide ombrengen en verstrooien! spreekt de HEERE. 2 Daarom zegt de HEERE, de God Israëls, alzo van de herderen, die Mijn volk weiden: Gijlieden hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht; ziet, Ik zal over u bezoeken de boosheid uwer handelingen, spreekt de HEERE. 3 En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen Zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen. 4 En Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt de HEERE. 5 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. 6 In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID. 7 Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israëls uit Egypteland heeft opgevoerd. 8 Maar: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die het zaad van het huis Israëls heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land. 9 Aangaande de profeten. Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen bewegen zich; ik ben als een dronken man, en als een man, dien de wijn te boven gaat; vanwege den HEERE, en vanwege de woorden Zijner heiligheid. 10 Want het land is vol overspelers, want het land treurt vanwege den vloek, de weiden der woestijn verdorren, omdat hun loop boos is, en hun macht niet recht. 11 Want beiden profeten en priesters zijn huichelaars; zelfs in Mijn huis vind Ik hun boosheid, spreekt de HEERE. 12 Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen; want Ik zal een kwaad over hen brengen in het jaar hunner bezoeking, spreekt de HEERE. 13 Ik heb wel ongerijmdheid gezien in de profeten van Samaria, die door Baäl, profeteerden, en Mijn volk Israël verleidden. 14 Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik afschuwelijkheid; zij bedrijven overspel, en gaan om met valsheid, en sterken de handen der boosdoeners, opdat zij zich niet bekeren, een iegelijk van zijn boosheid; zij allen zijn Mij als Sodom, en haar inwoners als Gomorra. 15 Daarom zegt de HEERE der heirscharen van deze profeten alzo: Ziet, Ik zal hen met alsem spijzigen, en met gallewater drenken; want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het ganse land. 16 Zo zegt de HEERE der heirscharen: Hoort niet naar de woorden der profeten, die u profeteren; zij maken u ijdel; zij spreken het gezicht huns harten, niet uit des HEEREN mond. 17 Zij zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren: De HEERE heeft het gesproken, gijlieden zult vrede hebben; en tot al wie naar zijns harten goeddunken wandelt, zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen. 18 Want wie heeft in des HEEREN raad gestaan, en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord? 19 Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweder, het zal blijven op der goddelozen hoofd. 20 Des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan, en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij met verstand daarop letten. 21 Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd. 22 Maar zo zij in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun bozen weg, en van de boosheid hunner handelingen. 23 Ben Ik een God van nabij, spreekt de HEERE, en niet een God van verre? 24 Zou zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt de HEERE; vervul Ik niet den hemel en de aarde? spreekt de HEERE. 25 Ik heb gehoord, wat de profeten zeggen, die in Mijn Naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd. 26 Hoe lang? Is er dan een droom in het hart der profeten, die de leugen profeteren? Ja, het zijn profeten van huns harten bedriegerij. 27 Die daar denken om Mijn volk Mijn Naam te doen vergeten, door hun dromen, die zij, een ieder zijn naaste, vertellen; gelijk als hun vaders Mijn Naam vergeten hebben door Baäl. 28 De profeet, bij welken een droom is, die vertelle den droom; en bij welken Mijn woord is, die spreke Mijn woord waarachtiglijk; wat heeft het stro met het koren te doen? spreekt de HEERE. 29 Is Mijn woord niet alzo, als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat? 30 Daarom, ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die Mijn woorden stelen, een ieder van zijn naaste; 31 Ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die hun tong nemen, en spreken: Hij heeft het gesproken; 32 Ziet, Ik wil aan degenen, die valse dromen profeteren, spreekt de HEERE, en vertellen die, en verleiden Mijn volk met hun leugenen en met hun lichtvaardigheid; daar Ik hen niet gezonden, en hun niets bevolen heb, en zij dit volk gans geen nut doen, spreekt de HEERE. 33 Wanneer dan dit volk, of een profeet, of priester u vragen zal, zeggende: Wat is des HEEREN last? Zo zult gij tot hen zeggen: Wat last? Dat Ik ulieden verlaten zal, spreekt de HEERE. 34 En aangaande den profeet, of den priester, of het volk, dat zeggen zal: Des HEEREN last; dat Ik bezoeking zal doen over dien man en over zijn huis. 35 Aldus zult gijlieden zeggen, een iegelijk tot zijn naaste, en een iegelijk tot zijn broeder: Wat heeft de HEERE geantwoord, en wat heeft de HEERE gesproken? 36 Maar des HEEREN last zult gij niet meer gedenken; want een iegelijk zal zijn eigen woord een last zijn, dewijl gij verkeert de woorden van den levenden God, den HEERE der heirscharen, onzen God. 37 Aldus zult gij zeggen tot den profeet: Wat heeft u de HEERE geantwoord en wat heeft de HEERE gesproken? 38 Maar dewijl gij zegt: Des HEEREN last; daarom, zo zegt de HEERE: Omdat gij dit woord zegt: Des HEEREN last, daar Ik tot u gezonden heb, zeggende: Gij zult niet zeggen: Des HEEREN last; 39 Daarom, ziet, Ik zal u ook ganselijk vergeten, en u, mitsgaders de stad, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, van Mijn aangezicht laten varen. 40 En Ik zal u eeuwige smaadheid aandoen, en eeuwige schande, die niet zal worden vergeten.


- Willibrordvertaling

Hoofdstuk 23 [1] 'Wee de herders, door wie de schapen van mijn kudde omkomen en verloren lopen – godsspraak van de heer. [2] Daarom, zo spreekt de heer, de God van Israël, tegen de herders die mijn volk weiden: "Door uw schuld zijn mijn schapen verdwaald en uiteengedreven; u hebt er niet op gelet. Maar Ik let wel op u, vanwege al uw misdaden – godsspraak van de heer." [3] Ik breng de overgebleven* schapen bijeen uit alle landen waarheen Ik ze heb verdreven. Ik breng ze terug naar hun weiden; ze worden weer vruchtbaar en talrijk. [4] Dan stel ik herders over hen aan die hen werkelijk weiden. Ze hoeven niet bang of angstig meer te zijn, geen van hen wordt nog vermist – godsspraak van de heer. [5] Geloof Mij, de tijd komt dat Ik een wettige telg van David laat opstaan – godsspraak van de heer. Hij zal met bekwaamheid regeren en het land rechtvaardig en eerlijk besturen. [6] Dan wordt Juda bevrijd, en leeft Israël veilig. Dit is de naam die men het geeft: "heer*, onze gerechtigheid." [7] Eens komt de tijd – godsspraak van de heer – dat men niet meer zegt: "Zowaar de heer leeft die de Israëlieten uit Egypte heeft geleid", [8] maar: "Zowaar de heer leeft die de nakomelingen van Israël heeft teruggebracht uit het noorden, uit alle landen waarheen Hij hen had verdreven. Op hun eigen grond zullen zij weer wonen." ' Tegen slechte profeten [9] Over de profeten. Ik ben geschokt tot diep in mijn hart, ik beef over al mijn leden. Ik lijk wel dronken, bevangen door de wijn; zo vol ben ik van de heilige woorden van de heer. [10] Overal in het land pleegt men echtbreuk, daarom ligt het land verdord, zijn de oasen in de woestijn uitgedroogd. Zij zijn alleen maar uit op kwaad, hun macht steunt op onrecht. [11] 'Zelfs profeten en priesters zijn slecht, in mijn eigen huis heb Ik hen op misdaden betrapt – godsspraak van de heer. [12] Daarom wordt de weg die zij gaan een glibberig pad in het donker, waar zij struikelen en vallen. Want Ik zal ze met rampen treffen, als de tijd van hun straf is gekomen – godsspraak van de heer. [13] Ik heb gezien dat de profeten van Samaria iets verschrikkelijks deden: zij traden op als profeten van Baäl en misleidden mijn volk Israël. [14] Maar de profeten van Jeruzalem heb Ik nog ergere dingen zien doen: overspel en bedrog. De slechte mensen moedigen zij aan in hun slechtheid, zodat niemand tot inkeer komt. De hele stad is voor Mij één Sodom, de hele bevolking één Gomorra. [15] Daarom', zo spreekt de heer van de machten tot de profeten, 'geef Ik hun alsem te eten en vergif te drinken, want door de profeten van Jeruzalem komt slechtheid over het hele land.' [16] Zo spreekt de heer van de machten: 'Luister niet naar wat de profeten u verkondigen. Ze bedriegen u; hun visioenen zijn hun eigen verzinsels en geen boodschap van de heer. [17] Tegen hen die het woord van de heer minachten, zeggen zij: "Het zal goed met u gaan." En tegen iedereen die volhardt in de slechtheid, zeggen zij: "U zal geen kwaad overkomen." [18] Maar wie van hen had zitting* in de raad van de heer? Wie was erbij en hoorde wat Hij besloot? Wie vernam zijn besluiten en bracht ze over? [19] De stormwind van de heer steekt op, een wervelstorm breekt los over de boosdoeners. [20] De toorn van de heer komt niet tot bedaren tot Hij al zijn plannen heeft uitgevoerd. Later zal dit duidelijk worden voor u. [21] Ik heb die profeten niet gezonden en toch sloven zij zich uit. Ik heb niet tegen hen gesproken en toch treden ze op als profeet. [22] Hadden ze zitting gehad in mijn raad, dan zouden ze mijn volk mijn besluiten verkondigen en het van zijn verkeerde weg afbrengen, van zijn slecht gedrag. [23] Ben Ik een God die in de nabijheid is – godsspraak van de heer; ben Ik niet een God die ver weg is? [24] Nergens kan een mens zich verbergen zonder dat Ik hem zie – godsspraak van de heer. Hemel en aarde zijn vol van Mij – godsspraak van de heer. [25] Ik hoor de profeten die in mijn naam leugens verkondigen, zeggen: "Ik had een droom." [26] Hoelang moet dat nog duren! Wat bezielt die profeten, die verkondigers van hun eigen verzinsels? [27] Ze vertellen mijn volk hun dromen en denken dat het daardoor mijn naam zal vergeten, zoals hun voorvaderen die mijn naam vergaten voor die van Baäl. [28] De profeet die een droom heeft, vertelt slechts een verzinsel; maar hij die mijn woord heeft ontvangen, spreekt in waarheid mijn woord: Stro heeft niets met tarwe gemeen – godsspraak van de heer. [29] Mijn woord* is als een vuur – godsspraak van de heer – als een hamer die een rots in tweeën splijt. [30] Ik verzeker u: Ik ben tegen de profeten die mijn woorden stelen – godsspraak van de heer. [31] Ik ben tegen de profeten die alles wat over hun lippen komt als orakels beschouwen – godsspraak van de heer. [32] Ik ben tegen de profeten die mijn volk misleiden met hun zogenaamde dromen, met hun leugens en hun woordenvloed – godsspraak van de heer. Ik heb hen niet gezonden, Ik heb hun geen opdracht gegeven. Ze zijn voor dit volk van geen enkel nut – godsspraak van de heer. [33] Wanneer iemand, al was het een profeet of een priester, u vraagt: "Wat is de 'last'* van de heer?", antwoord dan: "U bent zelf een last; Ik verwerp u" – godsspraak van de heer. [34] De profeet, de priester of wie dan ook die nog over de "last" van de heer spreekt, straf Ik met heel zijn familie. [35] Vraag elkaar liever: "Wat is het antwoord van de heer? Wat heeft Hij gezegd?" [36] Maar de uitdrukking "last" van de heer mag u niet meer gebruiken. Als u dat toch doet, dan zult u er zelf de last van ondervinden, omdat u de woorden van onze God, de levende God, de heer van de machten, een verkeerde betekenis geeft. [37] U moet de profeet vragen: "Wat is het antwoord van de heer? Wat heeft Hij gezegd?" [38] "Als u blijft spreken over de 'last' van de heer, dan", zo spreekt de heer, "omdat u over de 'last' van de heer blijft spreken, ofschoon Ik u liet waarschuwen dat niet meer te doen, [39] dan til Ik u nu op samen met deze stad, die Ik aan u en aan uw voorvaderen gegeven heb, en verwerp Ik u. [40] Eeuwige vernedering breng Ik over u, eeuwige schande die nooit wordt vergeten." '


- De Nieuwe Bijbelvertaling

Hoofdstuk 23 [1] Wee de herders die de schapen van mijn weiden in het verderf storten en laten verdwalen – spreekt de HEER. [2] Daarom – dit zegt de HEER, de God van Israël, tegen de herders die mijn volk weiden: Jullie hebben mijn schapen verjaagd en laten verdwalen, en jullie zijn ze niet gaan zoeken. Daarom ga ik jullie zoeken: ik zal jullie straffen voor je kwalijke praktijken – spreekt de HEER. [3] Wat er nog van de schapen over is, zal ik bijeenbrengen uit alle landen waarheen ik ze verjaagd heb. Ik breng ze terug naar hun weide, ze zullen vruchtbaar zijn en in aantal toenemen. [4] Ik zal herders over ze aanstellen die ze zo zullen hoeden dat ze geen angst meer kennen en er niet één meer zal worden gemist – spreekt de HEER. [5] De dag zal komen – spreekt de HEER – dat ik aan Davids stam een rechtmatige telg laat ontspruiten, die als koning een wijs beleid zal voeren en die in het land recht en gerechtigheid zal handhaven. [6] Dan wordt Juda verlost en zal Israël in vrede leven. Zijn naam zal zijn "De HEER is onze gerechtigheid". [7] Daarom, de dag zal komen – spreekt de HEER – dat er niet meer wordt gezegd: "Zo waar de HEER leeft, die het volk van Israël uit Egypte heeft bevrijd," [8] maar: "Zo waar de HEER leeft, die de nakomelingen van Israël uit het land van het Noorden heeft bevrijd en uit de andere landen waarheen hij hen verbannen had." Dan zullen ze weer in hun eigen land wonen.' Profetieën over de profeten [9] Over de profeten. 'Gebroken ben ik, heel mijn lichaam beeft, ik lijk wel dronken, beneveld door wijn – door toedoen van de HEER, door zijn heilige woorden.' [10] 'Overal is ontrouw, heel het land zucht onder de vloek, verdroogd is het groen in de woestijn. Ieder vliegt af op het kwaad en vindt zijn kracht in onrecht. [11] Want profeten en priesters zijn verdorven, zelfs in mijn tempel moet ik hun wangedrag aanzien – spreekt de HEER. [12] Daarom zal hun weg een glibberig pad zijn, ze struikelen in het duister, en komen ten val. Als ik met hen afreken, tref ik hen met onheil – spreekt de HEER. [13] Bij Samaria's profeten zag ik ongehoorde dingen: ze lieten zich door Baäl leiden en misleidden Israël, mijn volk. [14] Bij Jeruzalems profeten zie ik gruwelijke dingen: overspel! leugen op leugen! Zij steunen de boosdoeners, zodat die niet breken met hun kwalijke praktijken. Iedereen is even slecht geworden als de inwoners van Sodom en Gomorra. [15] Daarom – dit zegt de HEER van de hemelse machten over de profeten: Ik geef hun alsem te eten en giftig water te drinken, want de profeten van Jeruzalem hebben heel het land met hun verdorvenheid besmet. [16] Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Luister niet naar wat de profeten jullie verkondigen. Ze geven jullie valse hoop. Hun visioenen zijn hun eigen verzinsels, ze komen niet van de HEER. [17] Tegen hen die mij minachten durven ze te zeggen: "De HEER zegt dat het jullie goed zal gaan." En tegen ieder die zich door zijn koppige hart laat leiden zeggen ze: "Nee, onheil blijft je bespaard." [18] Wie het raadsbesluit van de HEER kreeg toevertrouwd, moet zijn woorden in zich opnemen en gehoorzamen. Wie goed naar zijn woorden geluisterd heeft, heeft ze ook begrepen. [19] De HEER zendt een woedende wind, een razende storm treft de verdorvenen. [20] Zijn brandende toorn komt niet tot bedaren voor hij zijn plan geheel heeft uitgevoerd. Eens zullen jullie dat ten volle begrijpen. [21] Ik heb die profeten niet gezonden, toch rennen zij of zij mijn boden waren. Ik heb niet tot hen gesproken, toch spreken zij of zij profeten waren. [22] Hadden ze mijn raadsbesluit vernomen, dan hadden ze mijn volk mijn woorden laten horen, het opgeroepen zijn verdorven levenswandel op te geven, te breken met zijn kwalijke praktijken. [23] Ben ik alleen een God van dichtbij, ben ik niet ook een God van ver? – spreekt de HEER. [24] Als iemand zich verbergt, zou ik hem dan niet zien? – spreekt de HEER. Ben ik niet overal, in de hemel en op aarde? – spreekt de HEER. [25] Ik heb gehoord wat voor leugens die profeten in mijn naam verkondigen. Ze roepen: "Een droom! Ik heb een droom gehad!" [26] Hoe lang nog zullen die leugenachtige profeten, die zichzelf een rad voor ogen draaien, doorgaan? [27] Hoe lang nog zijn ze eropuit om met de dromen die ze elkaar vertellen mijn volk mijn naam te laten vergeten, zoals hun voorouders mijn naam door Baäl zijn vergeten? [28] Een profeet die droomt, vertelt niet meer dan een droom, maar wie mijn woorden kent, geeft mijn woorden betrouwbaar weer. Wat heeft stro met graan gemeen? – spreekt de HEER. [29] Is mijn woord niet als een vuur, als een hamer die een rots verbrijzelt? – spreekt de HEER. [30] Ik zal ze straffen – spreekt de HEER –, ik zal ze straffen, die profeten die elkaar napraten [31] en steeds zo zelfverzekerd "spreekt de HEER" roepen; [32] ik zal ze straffen – spreekt de HEER –, die profeten die misleidende dromen profeteren en mijn volk met hun leugens en aanmatigende praatjes bedriegen. Ik heb hen niet gezonden en ze zijn dit volk op geen enkele manier tot nut – spreekt de HEER. [33] En als een profeet, een priester of wie dan ook vraagt: "Welke last geeft de HEER ons met zijn woorden te dragen?" antwoord dan: Jullie zelf zijn die last,* maar ik zal jullie afwerpen – spreekt de HEER. [34] De profeet, priester of wie dan ook die het nog over een "last van de HEER" heeft straf ik, samen met zijn hele familie. [35] Vraag elkaar liever: "Wat heeft de HEER geantwoord," of: "Wat heeft de HEER gezegd?" [36] Spreek niet langer over een "last van de HEER". Ieder zegt op last van mij te spreken, maar daarmee verdraaien jullie de woorden van de levende God, de HEER van de hemelse machten, jullie God. [37] Vraag een profeet liever wat de HEER geantwoord heeft, of wat hij gezegd heeft. [38] Dit zegt de HEER: Als jullie toch over een "last van de HEER" spreken, terwijl ik jullie heb verboden dat te doen, [39] zal ik jullie optillen* en van me afwerpen, samen met de stad die ik jullie en je voorouders gegeven heb. [40] Ik breng eeuwige smaad en schande over jullie, die nooit zal worden vergeten.'


- De Naardense bijbel

23:1 Wee de kwalijke herders die het wolvee dat ik weid verloren laten lopen en verstrooien!, is de tijding van de Ene. Jeremia 23:2 Daarom heeft de Ene, Israëls god, zó gezegd tot de kwalijke herders die mijn gemeente kwalijk weiden: gij allen die mijn wolvee hebt verstrooid, hen hebt weggestoten en hen niet hebt opgezocht, zie, ik bezoek aan u het kwaad van uw handelingen, is de tijding van de Ene; 23:3 zelf zal ik de rest van mijn wolvee verzamelen uit al de landen waarheen ik hen verstoten heb,- en hen doen terugkeren naar hun oase waar ze kunnen bloeien en groeien; 23:4 ik zal over hen doen opstaan herders die hen werkelijk weiden,- en zij hoeven niet meer bevreesd of gebroken te zijn en te worden opgezocht, is de tijding van de Ene. •• 23:5 Zie, er komen dagen, is de tijding van de Ene, dat ik aan David zal doen opstaan een spruit die rechtmatig is,- koninklijk zal hij koning zijn, vol inzicht, en recht en gerechtigheid doen in het land; 23:6 in zijn dagen zal Juda worden bevrijd, Israël zal wonen in veiligheid; dit is zijn naam waarmee ze zullen roepen: Ene, onze gerechtigheid! •• 23:7 Daarom, zie, er komen dagen, is de tijding van de Ene,- dat ze niet meer zullen zeggen: 'leve de Ene, die de kinderen Israëls heeft doen opklimmen uit het land van Egypte!', 23:8 maar 'leve de Ene die het zaad van het huis Israëls heeft doen opklimmen en laten aankomen uit het land in het noorden en uit al de landen waarheen hij hen had verstoten!'- zij zullen zetelen op hun eigen grond! •• 23:9 Over de profeten: mijn hart is in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen wervelen, ik ben geworden als een dronkeman, als een vent die overloopt van wijn,- vanwege de Ene en vanwege zijn heilige woorden, 23:10 omdat het land vol is van overspeligen, omdat vanwege een vervloeking het land in rouw is, oasen in de woestijn verdrogen; hun loop blijkt op het kwaad uit te zijn en hun heldenmoed is niet oprecht. 23:11 Want én profeet én priester zijn misdadig geworden,- zelfs in mijn eigen huis heb ik hun kwaad moeten vinden, is de tijding van de Ene. 23:12 Daarom wordt hun weg voor hen als een en al glibber in het stikdonker: voortgestoten zullen ze daarin vallen; ik zal kwaad over hen doen komen in het jaar dat ik hen bezoek, is de tijding van de Ene. 23:13 Bij de profeten van Samaria zag ik natuurlijk wartaal,- zij profeteerden bij de baäl en misleidden mijn gemeente Israël,- •• 23:14 maar bij de profeten van Jeruzalem heb ik het afgrijselijkste gezien: overspel bedrijven en wandelen in die leugen; de handen van kwaadstichters hebben zij versterkt, zodat niemand zich bekeert van zijn kwaad; zij allen zijn mij geworden als Sodom en haar ingezetenen als Gomorra! •• 23:15 Daarom, zó heeft de Ene, de Omschaarde, gezegd over de profeten: zie, ik laat hen alsem eten en giftig water drinken,- omdat van Jeruzalems profeten misdaad is uitgegaan over heel het land. • 23:16 Zo heeft gezegd de Ene, de Omschaarde: hoort niet naar de woorden van die profeten die zo tot u profeteren en u de ijlte in sturen: een visioen van eigen hart spreken zij uit, niet uit de mond van de Ene! 23:17 Vol zeggingskracht zeggen zij tot wie mij verachten: het spreken van de Ene is 'ge zult vrede hebben!'- en tot wie voortgaat in de zelfverzekerdheid van zijn hart hebben zij gezegd: 'geen kwaad zal over u komen!' 23:18 Maar wíe van hen stond in de raad van de Ene en zag en hoorde zijn spreken?- wie heeft mijn woord opgemerkt en gehoord? •• 23:19 Zie, een stormwind van de Ene, vol gramschap, is uitgetogen, een wervelende storm,- op het hoofd van boosdoeners stort hij neer. 23:20 De toorn van de Ene keert niet om voordat hij gedaan heeft en gestand heeft gedaan de plannen van zijn hart; in het laatste der dagen zult ge dat met begrip begrijpen. 23:21 Ik heb die profeten niet gezonden, zij zijn zelf gaan lopen; ik heb nooit tot hen gesproken, zij zijn zelf gaan profeteren!- 23:22 als ze in mijn raad hadden gestaan,- zouden ze mijn gemeente mijn woorden doen horen en hen doen terugkeren van hun kwalijke weg en van het kwaad van hun handelingen! •• 23:23 Een God van nabij ben ik, is de tijding van de Ene,- en niet een God van verre; 23:24 als iemand zich op verborgen plaatsen zal verbergen, zal ík hem dan niet zien?, is de tijding van de Ene; ben ik het niet die hemelen en aarde vervult?, is de tijding van de Ene. 23:25 Ik heb gehoord wat de profeten hebben gezegd die in mijn naam leugens profeteren en zeggen: ik heb gedroomd, gedroomd heb ik! 23:26 Tot wanneer schuilen er in het hart van de profeten profeten van de leugen?- profeten van het bedrog van hun hart zijn zij!, 23:27 die erop rekenen om mijn gemeente mijn naam te doen vergeten door hun dromen die ze ieder aan zijn naaste vertellen,- zoals hun vaderen mijn naam vergeten zijn bij de baäl. 23:28 De profeet die een droom bij zich heeft vertelle zijn droom, en als mijn woord bij hem is, spreke hij mijn woord naar waarheid; wat heeft het kaf met het koren?- is de tijding van de Ene. 23:29 Is het niet zo dat mijn spreken is als het vuur?, is de tijding van de Ene,- en als de smidshamer die een rotsblok vergruizelt? •• 23:30 Zie, daarom ben ik tegen die profeten, is de tijding van de Ene,- die mijn woorden stelen, ieder van zijn naaste; 23:31 zie, ik ben tegen de profeten, is de tijding van de Ene,- die hun eigen tong nemen en daarmee een tijding vertolken; 23:32 zie, ik ben tegen profeteerders van leugenachtige dromen, is de tijding van de Ene: als zij die vertellen misleiden zij mijn gemeente met hun leugens en hun gezwets; ík, ik heb hen niet gezonden en heb hun niets geboden, en als het om baat gaat dan brengen zij deze gemeente geen baat, is de tijding van de Ene. 23:33 Wanneer deze gemeente of zo'n profeet of priester je de vraag zal stellen en zal zeggen: wát is de draaglast van de Ene?, zeggen zul je dan tot hen: jullie zelf zijn de draaglast!, en ik zal jullie afwerpen, is de tijding van de Ene. 23:34 En de profeet, de priester, de leek die durft te zeggen: een draaglast van de Ene?, bezoeking zal ik doen over die man en over zijn huis!- 23:35 zó zult ge zeggen, ieder tot zijn naaste en ieder tot zijn broer: wat heeft de Ene geantwoord?, en: wat heeft de Ene gesproken?- 23:36 maar aan een draaglast van de Ene zult ge nooit meer denken,- want die draaglast wordt voor ieder zijn eigen woord, nu ge hebt verdraaid de woorden van een levende God: de Ene, de Omschaarde, onze God. 23:37 Zó zul je zeggen tot zo'n profeet: wat heeft de Ene je geantwoord, wat heeft de Ene je gesproken?- 23:38 maar als ge 'draaglast van de Ene' blijft zeggen, dán, zo heeft gezegd de Ene: omdat ge gezegd hebt dat zo'n woord de draaglast van de Ene is,- en ik dit naar u uitzond en zei: ge zult niet zeggen 'een draaglast van de Ene', 23:39 zie, daarom zal ik u als een draaglast wegdragen,- en u afwerpen, weg van mijn aanschijn, u en de stad die ik u en uw vaderen eens heb gegeven; 23:40 geven zal ik over u eeuwige smaad,- en eeuwige schande die nooit zal worden vergeten! ••


- Bible de Jérusalem

1. Malheur aux pasteurs qui perdent et dispersent les brebis de mon pâturage oracle de Yahvé! 2. C'est pourquoi ainsi parle Yahvé, le Dieu d'Israël, contre les pasteurs qui ont à paître mon peuple : vous avez dispersé mes brebis, vous les avez chassées et ne vous en êtes pas occupés. Eh bien! moi, je vais m'occuper de vous pour vos méfaits, oracle de Yahvé! 3. Je rassemblerai moi-même le reste de mes brebis de tous les pays où je les aurai dispersées, et je les ramènerai dans leur prairie : elles seront fécondes et se multiplieront. 4. Je susciterai pour elles des pasteurs qui les feront paître; elles n'auront plus crainte ni terreur; aucune ne se perdra, oracle de Yahvé! 5. Voici venir des jours oracle de Yahvé où je susciterai à David un germe juste; un roi régnera et sera intelligent, exerçant dans le pays droit et justice. 6. En ses jours, Juda sera sauvé et Israël habitera en sécurité. Voici le nom dont on l'appellera »Yahvé-notre-Justice.» 7. Aussi voici venir des jours oracle de Yahvé où l'on ne dira plus : «Yahvé est vivant, qui a fait monter les Israélites du pays d'Egypte», 8. mais : «Yahvé est vivant, qui a fait monter et rentrer la race de la maison d'Israël du pays du Nord et de tous les pays où il les avait dispersés, pour qu'ils demeurent sur leur propre sol.» 9. Sur les prophètes. Mon cœur en moi est brisé, je tremble de tous mes membres. Je suis comme un homme ivre, comme quelqu'un que le vin a dompté, à cause de Yahvé et de ses paroles saintes. 10. Car le pays est rempli d'adultères; oui, à cause d'une malédiction, le pays est en deuil et les pacages du désert sont desséchés; les hommes courent au mal, ils dépensent leur force pour l'injustice. 11. Oui, même le prophète et le prêtre sont des impies, jusqu'en ma Maison j'ai trouvé leur iniquité, oracle de Yahvé. 12. Aussi leur voie va se changer pour eux en fondrière; engagés là, dans les ténèbres, ils y culbuteront. Car je vais amener sur eux un malheur, l'année de leur châtiment, oracle de Yahvé. 13. Chez les prophètes de Samarie, j'ai vu l'insanité; ils prophétisaient au nom de Baal et égaraient mon peuple Israël. 14. Mais chez les prophètes de Jérusalem, j'ai vu l'horreur l'adultère, l'obstination dans le mensonge, le soutien donné aux méchants pour que nul ne revienne de sa méchanceté. Ils sont tous pour moi comme Sodome et ses habitants comme Gomorrhe! 15. C'est pourquoi, ainsi parle Yahvé Sabaot contre les prophètes Voici, je vais leur faire manger de l'absinthe et leur faire boire de l'eau empoisonnée, car, venant des prophètes de Jérusalem, l'impiété s'est répandue dans tout le pays. 16. Ainsi parle Yahvé Sabaot N'écoutez pas les paroles de ces prophètes qui vous prophétisent; ils vous dupent, ils débitent les visions de leur cœur, rien qui vienne de la bouche de Yahvé; 17. ils osent dire à ceux qui me méprisent »Yahvé a parlé; vous aurez la paix!» et à tous ceux qui suivent l'obstination de leur cœur »Aucun mal ne vous arrivera!» 18. Mais qui donc a assisté au conseil de Yahvé pour voir et entendre sa parole? Qui a fait attention à sa parole et l'a entendue? 19. Voici un ouragan de Yahvé, sa fureur qui éclate, un ouragan se déchaîne, sur la tête des impies, il fait irruption; 20. la colère de Yahvé ne se détournera pas qu'il n'ait accompli et réalisé les desseins de son cœur A la fin des jours, vous comprendrez cela clairement! 21. Je n'ai pas envoyé ces prophètes, et ils courent! Je ne leur ai rien dit, et ils prophétisent! 22. S'ils avaient assisté à mon conseil, ils auraient fait entendre mes paroles à mon peuple, ils les auraient fait revenir de leur voie mauvaise et de la perversité de leurs actions! 23. Ne serais-je un Dieu que de près oracle de Yahvé de loin ne serais-je plus un Dieu? 24. Un homme peut-il se terrer dans des lieux cachés sans que je le voie? oracle de Yahvé Est-ce que le ciel et la terre je ne les remplis pas? Oracle de Yahvé. 25. J'ai entendu comment parlent les prophètes qui prophétisent en mon nom le mensonge en disant : «J'ai eu un songe! J'ai eu un songe!» 26. Jusqu'à quand y aura-t-il au sein des prophètes des gens qui prophétisent le mensonge et annoncent l'imposture de leur cœur? 27. Avec les songes qu'ils se racontent l'un à l'autre, ils s'ingénient à faire oublier mon Nom à mon peuple; ainsi leurs pères ont-ils oublié mon Nom au profit de Baal! 28. Le prophète qui a eu un songe, qu'il raconte un songe! Et celui qui tient de moi une parole, qu'il délivre fidèlement ma parole! Qu'ont de commun la paille et le froment? oracle de Yahvé 29. Ma parole n'est-elle pas comme un feu? oracle de Yahvé N'est-elle pas comme un marteau qui fracasse le roc? 30. Aussi vais-je m'en prendre aux prophètes oracle de Yahvé qui se dérobent mutuellement mes paroles. 31. Je vais m'en prendre aux prophètes oracle de Yahvé qui agitent la langue pour émettre des oracles. 32. Je vais m'en prendre à ceux qui prophétisent des songes mensongers oracle de Yahvé qui les racontent et égarent mon peuple par leurs mensonges et leur vantardise. Moi, je ne les ai pas envoyés, je ne leur ai pas donné d'ordres, et ils ne sont d'aucune utilité à ce peuple, oracle de Yahvé. 33. Et quand ce peuple, ou un prophète, ou un prêtre, te demandera : «Quel est le fardeau de Yahvé?» Tu leur répondras »C'est vous le fardeau, vous dont je vais me délester, oracle de Yahvé!» 34. Et le prophète, le prêtre ou celui du peuple qui dira »Fardeau de Yahvé», je le visiterai cet homme-là, ainsi que sa maison. 35. Ainsi parlerez-vous entre vous, entre frères : «Qu'a répondu Yahvé?» Ou : «Qu'a dit Yahvé?» 36. Mais vous ne mentionnerez plus le »Fardeau de Yahvé», car le fardeau est pour chacun sa propre parole. Et vous pervertissez les paroles du Dieu vivant, Yahvé Sabaot, notre Dieu! 37. Tu parleras ainsi au prophète : «Que t'a répondu Yahvé?» Ou »Qu'a dit Yahvé?» 38. Mais si vous dites »Fardeau de Yahvé», alors, ainsi parle Yahvé : Puisque vous employez cette expression »Fardeau de Yahvé» alors que je vous ai fait avertir de ne plus dire »Fardeau de Yahvé», 39. à cause de cela je vous soulèverai et je vous jetterai loin de ma face, vous et la Ville que j'avais donnée à vous et à vos pères. 40. Et je mettrai sur vous un opprobre éternel, une confusion éternelle et inoubliable!


- King James Bible

Jer.23 [1] Woe be unto the pastors that destroy and scatter the sheep of my pasture! saith the LORD. [2] Therefore thus saith the LORD God of Israel against the pastors that feed my people; Ye have scattered my flock, and driven them away, and have not visited them: behold, I will visit upon you the evil of your doings, saith the LORD. [3] And I will gather the remnant of my flock out of all countries whither I have driven them, and will bring them again to their folds; and they shall be fruitful and increase. [4] And I will set up shepherds over them which shall feed them: and they shall fear no more, nor be dismayed, neither shall they be lacking, saith the LORD. [5] Behold, the days come, saith the LORD, that I will raise unto David a righteous Branch, and a King shall reign and prosper, and shall execute judgment and justice in the earth. [6] In his days Judah shall be saved, and Israel shall dwell safely: and this is his name whereby he shall be called, THE LORD OUR RIGHTEOUSNESS. [7] Therefore, behold, the days come, saith the LORD, that they shall no more say, The LORD liveth, which brought up the children of Israel out of the land of Egypt; [8] But, The LORD liveth, which brought up and which led the seed of the house of Israel out of the north country, and from all countries whither I had driven them; and they shall dwell in their own land. [9] Mine heart within me is broken because of the prophets; all my bones shake; I am like a drunken man, and like a man whom wine hath overcome, because of the LORD, and because of the words of his holiness. [10] For the land is full of adulterers; for because of swearing the land mourneth; the pleasant places of the wilderness are dried up, and their course is evil, and their force is not right. [11] For both prophet and priest are profane; yea, in my house have I found their wickedness, saith the LORD. [12] Wherefore their way shall be unto them as slippery ways in the darkness: they shall be driven on, and fall therein: for I will bring evil upon them, even the year of their visitation, saith the LORD. [13] And I have seen folly in the prophets of Samaria; they prophesied in Baal, and caused my people Israel to err. [14] I have seen also in the prophets of Jerusalem an horrible thing: they commit adultery, and walk in lies: they strengthen also the hands of evildoers, that none doth return from his wickedness: they are all of them unto me as Sodom, and the inhabitants thereof as Gomorrah. [15] Therefore thus saith the LORD of hosts concerning the prophets; Behold, I will feed them with wormwood, and make them drink the water of gall: for from the prophets of Jerusalem is profaneness gone forth into all the land. [16] Thus saith the LORD of hosts, Hearken not unto the words of the prophets that prophesy unto you: they make you vain: they speak a vision of their own heart, and not out of the mouth of the LORD. [17] They say still unto them that despise me, The LORD hath said, Ye shall have peace; and they say unto every one that walketh after the imagination of his own heart, No evil shall come upon you. [18] For who hath stood in the counsel of the LORD, and hath perceived and heard his word? who hath marked his word, and heard it? [19] Behold, a whirlwind of the LORD is gone forth in fury, even a grievous whirlwind: it shall fall grievously upon the head of the wicked. [20] The anger of the LORD shall not return, until he have executed, and till he have performed the thoughts of his heart: in the latter days ye shall consider it perfectly. [21] I have not sent these prophets, yet they ran: I have not spoken to them, yet they prophesied. [22] But if they had stood in my counsel, and had caused my people to hear my words, then they should have turned them from their evil way, and from the evil of their doings. [23] Am I a God at hand, saith the LORD, and not a God afar off? [24] Can any hide himself in secret places that I shall not see him? saith the LORD. Do not I fill heaven and earth? saith the LORD. [25] I have heard what the prophets said, that prophesy lies in my name, saying, I have dreamed, I have dreamed. [26] How long shall this be in the heart of the prophets that prophesy lies? yea, they are prophets of the deceit of their own heart; [27] Which think to cause my people to forget my name by their dreams which they tell every man to his neighbour, as their fathers have forgotten my name for Baal. [28] The prophet that hath a dream, let him tell a dream; and he that hath my word, let him speak my word faithfully. What is the chaff to the wheat? saith the LORD. [29] Is not my word like as a fire? saith the LORD; and like a hammer that breaketh the rock in pieces? [30] Therefore, behold, I am against the prophets, saith the LORD, that steal my words every one from his neighbour. [31] Behold, I am against the prophets, saith the LORD, that use their tongues, and say, He saith. [32] Behold, I am against them that prophesy false dreams, saith the LORD, and do tell them, and cause my people to err by their lies, and by their lightness; yet I sent them not, nor commanded them: therefore they shall not profit this people at all, saith the LORD. [33] And when this people, or the prophet, or a priest, shall ask thee, saying, What is the burden of the LORD? thou shalt then say unto them, What burden? I will even forsake you, saith the LORD. [34] And as for the prophet, and the priest, and the people, that shall say, The burden of the LORD, I will even punish that man and his house. [35] Thus shall ye say every one to his neighbour, and every one to his brother, What hath the LORD answered? and, What hath the LORD spoken? [36] And the burden of the LORD shall ye mention no more: for every man's word shall be his burden; for ye have perverted the words of the living God, of the LORD of hosts our God. [37] Thus shalt thou say to the prophet, What hath the LORD answered thee? and, What hath the LORD spoken? [38] But since ye say, The burden of the LORD; therefore thus saith the LORD; Because ye say this word, The burden of the LORD, and I have sent unto you, saying, Ye shall not say, The burden of the LORD; [39] Therefore, behold, I, even I, will utterly forget you, and I will forsake you, and the city that I gave you and your fathers, and cast you out of my presence: [40] And I will bring an everlasting reproach upon you, and a perpetual shame, which shall not be forgotten.


- Luther Bibel

Gegen die bösen Hirten. Verheißung eines gerechten Königs 231Weh euch Hirten, die ihr die Herde meiner Weide umkommen lasst und zerstreut!, spricht der HERR. 2Darum spricht der HERR, der Gott Israels, von den Hirten, die mein Volk weiden: Ihr habt meine Herde zerstreut und verstoßen und nicht nach ihr gesehen. Siehe, ich will euch heimsuchen um eures bösen Tuns willen, spricht der HERR. 3Und ich will die Übriggebliebenen meiner Herde sammeln aus allen Ländern, wohin ich sie verstoßen habe, und will sie wiederbringen zu ihren Weideplätzen, dass sie sollen wachsen und viel werden. 4Und ich will Hirten über sie setzen, die sie weiden sollen, dass sie sich nicht mehr fürchten noch erschrecken noch heimgesucht werden, spricht der HERR. 5 Siehe, es kommt die Zeit, spricht der HERR, dass ich dem David einen gerechten Spross erwecken will. Der soll ein König sein, der wohl regieren und Recht und Gerechtigkeit im Lande üben wird. 6 Zu seiner Zeit soll Juda geholfen werden und Israel sicher wohnen. Und dies wird sein Name sein, mit dem man ihn nennen wird: »Der HERR unsere Gerechtigkeit«. 7Darum siehe, es wird die Zeit kommen, spricht der HERR, dass man nicht mehr sagen wird: »So wahr der HERR lebt, der die Israeliten aus Ägyptenland geführt hat!«, 8sondern: »So wahr der HERR lebt, der die Nachkommen des Hauses Israel herausgeführt und hergebracht hat aus dem Lande des Nordens und aus allen Landen, wohin er sie verstoßen hatte.« Und sie sollen in ihrem Lande wohnen. Worte über die falschen Propheten 9Wider die Propheten. Mein Herz will mir in meinem Leibe brechen, alle meine Gebeine zittern; mir ist wie einem trunkenen Mann und wie einem, der vom Wein taumelt, vor dem HERRN und vor seinen heiligen Worten. 10Denn das Land ist voller Ehebrecher, und wegen des Fluches vertrocknet das Land und die Weideplätze in der Steppe verdorren. Böse ist, wonach sie streben, und ihre Stärke ist Unrecht. 11Denn Propheten wie Priester sind ruchlos; auch in meinem Hause finde ich ihre Bosheit, spricht der HERR. 12Darum ist ihr Weg wie ein glatter Weg, auf dem sie im Finstern gleiten und fallen; denn ich will Unheil über sie kommen lassen, das Jahr ihrer Heimsuchung, spricht der HERR. 13Auch bei den Propheten zu Samaria sah ich Anstößiges, dass sie weissagten im Namen des Baal und mein Volk Israel verführten; 14aber bei den Propheten zu Jerusalem sehe ich Gräuel, wie sie ehebrechen und mit Lügen umgehen und die Boshaften stärken, auf dass sich ja niemand bekehre von seiner Bosheit. Sie sind alle vor mir gleichwie Sodom und die Bürger Jerusalems wie Gomorra. 15Darum spricht der HERR Zebaoth über die Propheten: Siehe, ich will sie mit Wermut speisen und mit Gift tränken; denn von den Propheten Jerusalems geht das ruchlose Wesen aus ins ganze Land. 16So spricht der HERR Zebaoth: Hört nicht auf die Worte der Propheten, die euch weissagen! Sie betrügen euch; denn sie verkünden euch Gesichte aus ihrem Herzen und nicht aus dem Mund des HERRN. 17Sie sagen denen, die des HERRN Wort verachten: Es wird euch wohlgehen –, und allen, die nach ihrem verstockten Herzen wandeln, sagen sie: Es wird kein Unheil über euch kommen. 18Aber wer hat im Rat des HERRN gestanden, dass er sein Wort gesehen und gehört hätte? Wer hat sein Wort vernommen und gehört? 19Siehe, es wird ein Wetter des HERRN kommen voll Grimm und ein schreckliches Ungewitter auf den Kopf der Gottlosen niedergehen. 20Und des HERRN Zorn wird nicht ablassen, bis er tue und ausrichte, was er im Sinn hat; zur letzten Zeit werdet ihr es klar erkennen. 21Ich sandte die Propheten nicht und doch laufen sie; ich redete nicht zu ihnen und doch weissagen sie. 22Denn wenn sie in meinem Rat gestanden hätten, so hätten sie meine Worte meinem Volk gepredigt, um es von seinem bösen Wandel und von seinem bösen Tun zu bekehren. 23 Bin ich nur ein Gott, der nahe ist, spricht der HERR, und nicht auch ein Gott, der ferne ist? 24 Meinst du, dass sich jemand so heimlich verbergen könne, dass ich ihn nicht sehe?, spricht der HERR. Bin ich es nicht, der Himmel und Erde erfüllt?, spricht der HERR. 25Ich höre es wohl, was die Propheten reden, die Lüge weissagen in meinem Namen und sprechen: Mir hat geträumt, mir hat geträumt. 26Wann wollen doch die Propheten aufhören, die Lüge weissagen und ihres Herzens Trug weissagen 27und wollen, dass mein Volk meinen Namen vergesse über ihren Träumen, die einer dem andern erzählt, wie auch ihre Väter meinen Namen vergaßen über dem Baal? 28Ein Prophet, der Träume hat, der erzähle Träume; wer aber mein Wort hat, der predige mein Wort recht. Wie reimen sich Stroh und Weizen zusammen?, spricht der HERR. 29 Ist mein Wort nicht wie ein Feuer, spricht der HERR, und wie ein Hammer, der Felsen zerschmeißt? 30Darum siehe, ich will an die Propheten, spricht der HERR, die mein Wort stehlen einer vom andern. 31Siehe, ich will an die Propheten, spricht der HERR, die ihr eigenes Wort führen und sprechen: »Er hat's gesagt.« 32Siehe, ich will an die Propheten, spricht der HERR, die falsche Träume erzählen und verführen mein Volk mit ihren Lügen und losem Geschwätz, obgleich ich sie nicht gesandt und ihnen nichts befohlen habe und sie auch diesem Volk nichts nütze sind, spricht der HERR. 33Wenn dich dies Volk oder ein Prophet oder ein Priester fragen wird und sagt: Was ist die Last, die der HERR jetzt ankündigt?, sollst du zu ihnen sagen: Ihr seid die Last, ich will euch wegwerfen, spricht der HERR. – 34Und wenn ein Prophet oder Priester oder die Leute sagen werden: »Das ist die Last des HERRN«, den will ich heimsuchen und sein Haus dazu. 35Vielmehr sollt ihr einer mit dem andern reden und zueinander sagen: »Was antwortet der HERR?«, und: »Was sagt der HERR?« 36Aber sagt nicht mehr »Last des HERRN«; denn einem jeden wird sein eigenes Wort zur Last werden, weil ihr so die Worte des lebendigen Gottes, des HERRN Zebaoth, unseres Gottes, verdreht. 37Darum sollt ihr zum Propheten sagen: »Was antwortet dir der HERR?«, und: »Was sagt der HERR?« 38Wenn ihr aber sagt: »Last des HERRN«, so spricht der HERR: Weil ihr dies Wort Last des HERRN nennt, obgleich ich zu euch gesandt habe und euch sagen ließ, ihr sollt nicht »Last des HERRN« sagen, – 39siehe, so will ich euch aufheben wie eine Last und euch samt der Stadt, die ich euch und euren Vätern gegeben habe, von meinem Angesicht wegwerfen 40und will euch ewige Schande und ewige Schmach zufügen, die nie vergessen werden soll.


- Arabisch

ويل للرعاة الذين يهلكون ويبددون غنم رعيتي يقول الرب. .1 لذلك هكذا قال الرب اله اسرائيل عن الرعاة الذين يرعون شعبي. انتم بددتم غنمي وطردتموها ولم تتعهدوها. هانذا اعاقبكم على شر اعمالكم يقول الرب. .2 وانا اجمع بقية غنمي من جميع الاراضي التي طردتها اليها واردها الى مرابضها فتثمر وتكثر. .3 واقيم عليها رعاة يرعونها فلا تخاف بعد ولا ترتعد ولا تفقد يقول الرب .4 ها ايام تأتي يقول الرب واقيم لداود غصن بر فيملك ملك وينجح ويجري حقا وعدلا في الارض. .5 في ايامه يخلص يهوذا ويسكن اسرائيل آمنا وهذا هو اسمه الذي يدعونه به الرب برنا. .6 لذلك ها ايام تأتي يقول الرب ولا يقولون بعد حيّ هو الرب الذي اصعد بني اسرائيل من ارض مصر. .7 بل حيّ هو الرب الذي اصعد وأتى بنسل بيت اسرائيل من ارض الشمال ومن جميع الاراضي التي طردتهم اليها فيسكنون في ارضهم .8 في الانبياء--انسحق قلبي في وسطي. ارتخت كل عظامي. صرت كانسان سكران ومثل رجل غلبته الخمر من اجل الرب ومن اجل كلام قدسه. .9 لان الارض امتلأت من الفاسقين. لانه من اجل اللعن ناحت الارض جفت مراعي البرية وصار سعيهم للشر وجبروتهم للباطل. .10 لان الانبياء والكهنة تنجسوا جميعا بل في بيتي وجدت شرهم يقول الرب. .11 لذلك يكون طريقهم لهم كمزالق في ظلام دامس فيطردون ويسقطون فيها لاني اجلب عليهم شرا سنة عقابهم يقول الرب. .12 وقد رأيت في انبياء السامرة حماقة. تنبأوا بالبعل واضلوا شعبي اسرائيل. .13 وفي انبياء اورشليم رأيت ما يقشعر منه. يفسقون ويسلكون بالكذب ويشددون ايادي فاعلي الشر حتى لا يرجعوا الواحد عن شره. صاروا لي كلهم كسدوم وسكانها كعمورة. .14 لذلك هكذا قال رب الجنود عن الانبياء. هانذا اطعمهم افسنتينا واسقيهم ماء العلقم لانه من عند انبياء اورشليم خرج نفاق في كل الارض. .15 هكذا قال رب الجنود لا تسمعوا لكلام الانبياء الذين يتنبأون لكم. فانهم يجعلونكم باطلا. يتكلمون برؤيا قلبهم لا عن فم الرب. .16 قائلين قولا لمحتقريّ قال الرب يكون لكم سلام. ويقولون لكل من يسير في عناد قلبه لا يأتي عليكم شر. .17 لانه من وقف في مجلس الرب وراى وسمع كلمته. من اصغى لكلمته وسمع .18 ها زوبعة الرب. غيظ يخرج ونوء هائج. على رؤوس الاشرار يثور. .19 لا يرتد غضب الرب حتى يجري ويقيم مقاصد قلبه. في آخر الايام تفهمون فهما. .20 لم ارسل الانبياء بل هم جروا. لم اتكلم معهم بل هم تنبأوا. .21 ولو وقفوا في مجلسي لأخبروا شعبي بكلامي وردّوهم عن طريقهم الرديء وعن شر اعمالهم. .22 ألعلي اله من قريب يقول الرب ولست الها من بعيد. .23 اذا اختبأ انسان في اماكن مستترة أفما اراه انا يقول الرب. أما املأ انا السموات والارض يقول الرب. .24 قد سمعت ما قالته الانبياء الذين تنبأوا باسمي بالكذب قائلين حلمت حلمت. .25 حتى متى يوجد في قلب الانبياء المتنبئين بالكذب بل هم انبياء خداع قلبهم .26 الذين يفكرون ان ينسّوا شعبي اسمي باحلامهم التي يقصونها الرجل على صاحبه كما نسي اباؤهم اسمي لاجل البعل. .27 النبي الذي معه حلم فليقص حلما والذي معه كلمتي فليتكلم بكلمتي بالحق. ما للتبن مع الحنطة يقول الرب. .28 أليست هكذا كلمتي كنار يقول الرب وكمطرقة تحطم الصخر. .29 لذلك هانذا على الانبياء يقول الرب الذين يسرقون كلمتي بعضهم من بعض. .30 هانذا على الانبياء يقول الرب الذين ياخذون لسانهم ويقولون قال. .31 هانذا على الذين يتنبأون باحلام كاذبة يقول الرب الذين يقصونها ويضلون شعبي باكاذيبهم ومفاخراتهم وانا لم ارسلهم ولا أمرتهم. فلم يفيدوا هذا الشعب فائدة يقول الرب .32 واذا سألك هذا الشعب او نبي او كاهن قائلا ما وحي الرب فقل لهم اي وحي. اني ارفضكم هو قول الرب. .33 فالنبي او الكاهن او الشعب الذي يقول وحي الرب اعاقب ذلك الرجل وبيته. .34 هكذا تقولون الرجل لصاحبه والرجل لاخيه بماذا اجاب الرب وماذا تكلم به الرب. .35 اما وحي الرب فلا تذكروه بعد لان كلمة كل انسان تكون وحيه اذ قد حرّفتم كلام الاله الحي رب الجنود الهنا. .36 هكذا تقول للنبي بماذا اجابك الرب وماذا تكلم به الرب. .37 واذا كنتم تقولون وحي الرب فلذلك هكذا قال الرب من اجل قولكم هذه الكلمة وحي الرب وقد ارسلت اليكم قائلا لا تقولوا وحي الرب .38 لذلك هانذا انساكم نسيانا وارفضكم من امام وجهي انتم والمدينة التي اعطيتكم وآباءكم اياها. .39 واجعل عليكم عارا ابديا وخزيا ابديا لا ينسى .40


- Structuur


- Taalgebruik

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- Commentaar