JEREMIA 31 - Jr 31 - Jr 31 - taalgebruik - Jr 31,7-9
Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.html.


Overzicht van Jeremia : - Jr 1 - Jr 2 - Jr 3 - Jr 4 - Jr 5 - Jr 6 - Jr 7 - Jr 8 - Jr 9 - Jr 10 - Jr 11 - Jr 12 - Jr 13 - Jr 14 - Jr 15 - Jr 16 - Jr 17 - Jr 18 - Jr 19 - Jr 20 - Jr 21 - Jr 22 - Jr 23 - Jr 24 - Jr 25 - Jr 26 - Jr 27 - Jr 28 - Jr 29 - Jr 30 - Jr 31 - Jr 32 - Jr 33 - Jr 34 - Jr 35 - Jr 36 - Jr 37 - Jr 38 - Jr 39 - Jr 40 - Jr 41 - Jr 42 - Jr 43 - Jr 44 - Jr 45 - Jr 46 - Jr 47 - Jr 48 - Jr 49 - Jr 50 - Jr 51 - Jr 52 -
Uitleg vers per vers : - Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -

Jr 31,1 - Jr 31,1 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik - Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1en tô chronô ekeinô eipen kurios esomai eis theon tô genei israèl kai autoi esontai moi eis laon  1 in tempore illo dicit Dominus ero Deus universis cognationibus Israhel et ipsi erunt mihi in populum      [1] ‘In die tijd – godsspraak van de heer – zal Ik de God zijn van alle geslachten van Israël en zij zullen mijn volk zijn.’  [1] Dan zal ik voor elke stam van Israël een God zijn, dan is Israël mijn volk – spreekt de HEER.      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 31,2 - Jr 31,2 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2outôs eipen kurios euron thermon en erèmô meta olôlotôn en machaira badisate kai mè olesète ton israèl  2 haec dicit Dominus invenit gratiam in deserto populus qui remanserat gladio vadet ad requiem suam Israhel      [2] Zo spreekt de heer: ‘Het volk dat ontkwam aan het zwaard vond genade in de woestijn* – Israël, op zoek naar rust.’  [2] Dit zegt de HEER: In de woestijn kreeg ik Israël lief, het volk dat aan vernietiging ontkomen was. Ik ging hun voor en gaf hun vrede.     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 31,3 - Jr 31,3 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3kurios porrôthen ôfthè autô agapèsin aiônian ègapèsa se dia touto eilkusa se eis oiktirèma  3 longe Dominus apparuit mihi et in caritate perpetua dilexi te ideo adtraxi te miserans      [3] De heer is van verre voor mij verschenen. Hij zei: ‘Mijn liefde voor u duurt eeuwig, Ik blijf u altijd gunstig gezind.  [3] Van ver ben ik naar je toe gekomen,* vrouwe Israël. Ik heb je altijd liefgehad, mijn liefde zal je altijd vergezellen.     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

5. וְאָהַבְתָּ = wë´âhabhëthâ (en jij bemint) < prefix verbindingswoord wë + act. qal perf. 2de pers. mann. enk. van het werkw. אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Taalgebruik in Tenakh : ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Getalwaarde : aleph = 1 , he = 5 , beth = 2 ; totaal : 8 (2²) . Structuur : 1 - 5 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tussen de aleph en de beth staat de he (aanblazen) . Het Hebreeuws en het Arabisch hebben dezelfde wortel : 'hb . Tenakh (4) : (1) Lv 19,18 . (2) Lv 19,34 . (3) Dt 6,5 . (4) Dt 11,1 .
- act. qal perf. 2de pers. mann. enk. אָהַבְתָּ = ´âhabhëthâ (jij bemint) van het werkw. אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Taalgebruik in Tenakh : ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Getalwaarde : aleph = 1 , he = 5 , beth = 2 ; totaal : 8 (2²) . Structuur : 1 - 5 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tussen de aleph en de beth staat de he (aanblazen) . Het Hebreeuws en het Arabisch hebben dezelfde wortel : 'hb . Tenakh (6) : (1) Gn 22,2 . (2) Hos 9,1 . (3) Ps 45,8 . (4) Ps 52,5 . (5) Ps 52,6 . (6) Pr 9,9 .
- Grieks . act. ind. futurum 2de pers. enk. αγαπησεις = agapèseis (jij bemint) van het werkw. αγαπαω = agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in het NT : agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in de LXX : agapaô (liefhebben) . Bijbel (14) : (1) Lv 19,18 . (2) Lv 19,34 . (3) Dt 6,5 . (4) Dt 11,1 . (5) Mt 5,43 . (6) Mt 19,19 . (7) Mt 22,37 . (8) Mt 22,39 . (9) Mc 12,30 . (10) Mc 12,31 . (11) Lc 10,27 . (12) Rom 13,9 . (13) Gal 5,14 . (14) Jak 2,8 . Een vorm van αγαπαω = agapaô in de LXX (283) , in het NT (141) , in Lc (13?) : (1) Lc 6,27 . (2) Lc 6,32 (2 vormen) . (3) Lc 6,35 . (4) Lc 7,5 . (5) Lc 7,42 . (6) Lc 7,47 . (7) Lc 10,27 . (8) Lc 11,43 . (9) Lc 16,13 . In de LXX kan een vorm van αγαπαω = agapaô de vertaling van 19 verschillende Hebreeuwse werkw. zijn . Vergelijk het Hebreeuws en Grieks werkw. : aleph - a , g - h , p - b .

  agapaô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. fut. 2de pers. enk. agapèseis   14  10       

- Latijn . act. ind. futurum 2de pers. enk. diliges (jij bemint) van het werkw. diligere (beminnen, liefhebben) . Bijbel (12) , zie het Griekse αγαπησεις = agapèseis , maar niet in (1) Lv 19,34 . (2) Dt 11,1 . Lat. amare . Fr. aimer . E. to love . D. lieben . Arabisch : اَدَبَّ = ´ahabba (beminnen, liefhebben) . Taalgebruik in de Qoran : ´ahabba (beminnen, liefhebben .

Jr 31,4 - Jr 31,4 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4eti oikodomèsô se kai oikodomèthèsè parthenos israèl eti lèmpsè tumpanon sou kai exeleusè meta sunagôgès paizontôn  4 rursumque aedificabo te et aedificaberis virgo Israhel adhuc ornaberis tympanis tuis et egredieris in choro ludentium       [4] Israël, Ik richt u weer op. Uw jonge vrouwen slaan weer op de tamboerijn en gaan vrolijk dansen.  [4] Ik breng je weer tot bloei. Je zult weer dansen in de rei en de tamboerijnen laten klinken.     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 31,5 - Jr 31,5 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5eti futeusate ampelônas en oresin samareias futeusate kai ainesate       [5] U legt weer wijngaarden aan op de bergen van Samaria; diegenen die ze planten, zullen er de vruchten van eten.  [5] In Samaria’s bergen zul je wijngaarden planten, en mogen eten van de eerste vruchten.     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 31,6 - Jr 31,6 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
6oti estin èmera klèseôs apologoumenôn en oresin efraim anastète kai anabète eis siôn pros kurion ton theon èmôn  5 adhuc plantabis vineas in montibus Samariae plantabunt plantantes et donec tempus veniat non vindemiabunt 6 quia erit dies in qua clamabunt custodes in monte Ephraim surgite et ascendamus in Sion ad Dominum Deum nostrum      [6] De dag breekt aan dat de wachters in het gebergte van Efraïm* roepen: “Kom, wij trekken naar Sion, naar de heer onze God.”  [6] De dag breekt aan dat in Efraïm de wachters op de bergen roepen: “Kom, laten we op weg gaan naar de Sion, naar de HEER, onze God!”      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

9. wëna`älèh (en laten we opgaan) : wë + werkwoordvorm qal cohortativus 1ste pers. mv. van het werkw. `âlâh (opgaan, opklimmen) . Taalgebruik in Tenach : `âlâh (opgaan, opklimmen) . Tenach : (1) Gn 35,3 . (2) Nu 9,21 . (3) Re 18,9 . (4) Js 2,3 . (5) Jr 6,4 . (6) Jr 6,5 . (7) Jr 31,6 . (8) Mi 4,2 .

Liturgische lezing van de 30ste (dertigste) zondag door het jaar B : Jr 31,7-9 (Jr 31,7-9) :
Dit zegt de Heer: "Jubel van vreugde om Jakob, juich om de heerser der volken; bazuin het rond, prijs God en zeg: de Heer heeft redding gebracht aan zijn volk, aan de rest van Israël. Ik haal hen terug uit het noorden, van het einde der aarde breng ik hen bijeen, ook de blinden en lammen, de zwangere en barende vrouwen. In dichte drommen keren zij terug. In tranen gingen ze heen; getroost leid ik hen terug. Ik voer hen naar stromende beken over gebaande wegen waarop ze niet struikelen. Ik ben toch Israëls vader, en Efraïm is mijn eerstgeborene.

Jr 31,7 - Jr 31,7 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
 7 ὅτι οὕτως εἶπεν κύριος τῷ Ιακωβ Εὐφράνθητε καὶ χρεμετίσατε ἐπὶ κεφαλὴν ἐθνῶν, ἀκουστὰ ποιήσατε καὶ αἰνέσατε, εἴπατε Ἔσωσεν κύριος τὸν λαὸν αὐτοῦ, τὸ κατάλοιπον τοῦ Ισραηλ. 7 quia haec dicit Dominus exultate in laetitia Iacob et hinnite contra caput gentium personate canite et dicite salva Domine populum tuum reliquias Israhel  kî khoh ´âmar JHWH   7 Want zo zegt de HEERE: Roept luide over Jakob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd der heidenen; doet het horen, lofzingt, en zegt: O HEERE! behoud Uw volk, het overblijfsel van Israël.    [7] Want’, zo spreekt de heer: ‘Jubel van vreugde om Jakob, juich om de heerser van de volken. Verkondig overal Gods lof met deze woorden: “De heer heeft redding gebracht over zijn volk, over wat overbleef* van Israël.”   [7] Dit zegt de HEER: Juich van vreugde over Jakob, jubel aan het hoofd van alle volken, roep het uit, zing een lofzang: “De HEER heeft zijn volk gered,* en wat er van Israël nog overbleef bevrijd.”     Car ainsi parle Yahvé Criez de joie pour Jacob, acclamez la première des nations! Faites-vous entendre! louez! Proclamez "Yahvé a sauvé son peuple, le reste d'Israël!"   

King James Bible . "For thus saith the LORD; Sing with gladness for Jacob, and shout among the chief of the nations: publish ye, praise ye, and say, O LORD, save thy people, the remnant of Israel. "  
Luther-Bibel (1984) . 7 Denn so spricht der HERR: Jubelt über Jakob mit Freuden und jauchzet über das Haupt unter den Völkern. Ruft laut, rühmt und sprecht: Der HERR hat seinem Volk geholfen, dem Rest Israels! 

כִּי-כֹה אָמַר יְהוָה, רָנּוּ לְיַעֲקֹב שִׂמְחָה, וְצַהֲלוּ, בְּרֹאשׁ הַגּוֹיִם; הַשְׁמִיעוּ הַלְלוּ, וְאִמְרוּ, הוֹשַׁע יְהוָה אֶת-עַמְּךָ, אֵת שְׁאֵרִית יִשְׂרָאֵל.

Tekstanalyse van Jr 31,7 . Dit vers telt 20 (2 X 2 X 5) woorden en 77 (7 X 11) letters . De getalwaarde van Jr 31,7 is 5393 (priemgetal) .

1. kî (want) . Verwijzing : kî (want) , zie Jr 31,7 . kî (want) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 of 30 . In 3849 verzen in de bijbel . In 365 verzen in Jr . In veertien verzen in Jr 31,7 : (1) Jr 31,6 . (2) Jr 31,7 . (3) Jr 31,9 . (4) Jr 31,11 . (5) Jr 31,15 . (6) Jr 31,16 . (7) Jr 31,18 . (8) Jr 31,19 . (9) Jr 31,20 . (10) Jr 31,22 . (11) Jr 31,25 . (12) Jr 31,30 . (13) Jr 31,33 . (14) Jr 31,34 .
- kî khoh ´âmar JHWH (want zo spreekt JHWH) . In zesenveertig verzen in de bijbel . In acht verzen in Js . Rond de dertig verzen in Jr , o.a. Jr 31,7 .

2. khoh (zo) . Verwijzing : khoh (zo) , zie Jr 31,7 . In 513 verzen in de bijbel. In tweeëntwintig verzen in 1 K : (10) 1 K 17,14 . In 157 verzen bij Jr. In zeven verzen in Jr 31 : (1) Jr 31,2 . (2) Jr 31,7 . (3) Jr 31,15 . (4) Jr 31,16 . (5) Jr 31,23 . (6) Jr 31,35 . (7) Jr 31,37 .
- khoh ´âmar JHWH komt in deze zeven verzen van Jr 31 voor .

3. ´âmar (zeggen) . Verwijzing : ´âmar (zeggen) , zie Jr 1,4 . In 168 verzen in Jeremia . In Jr 31 telkens in de formule koh ´âmar JHWH (zo spreekt JHWH) .

4. JHWH (JHWH) . Verwijzing : JHWH (JHWH) , zie Ex 13,21 . In 5193 verzen in de bijbel . In 604 veren in Jeremia . In zesentwintig verzen in Jr 31 .

7. שָׂמַח = shâmach (zich verheugen) . Taalgebruik in Tenakh : shâmach (zich verheugen) . Getalwaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , chet = 8 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 348 (é² X 3 X 29) . Structuur : 3 - 4 - 8 . De som van de elementen is telkens 6 .
--- shimëchâh (vreugde, blijdschap) . In vijfendertig verzen in de bijbel . In zes verzen bij Jr .

8. tsâhâl (juichen, hinniken) . Verwijzing : tsâhâl (juichen, hinniken) , zie Jr 31,7 .
--- tsahälû (juicht wegens) . Hapax : Js 24,14 . weysälälû (en juicht) . Hapax : Jr 31,7 .

12. halelû (looft) . Piel imperatief mannelijk meervoud. Verwijzing : halal (loven, prijzen) , zie Ps 113,1 .

19. sjä´ar (overblijven, achterblijven) . Verwijzing : sjä´ar (overblijven, achterblijven) , zie Jr 31,7 .
--- sjë´erîth (rest, overige) . In zesenveertig verzen in de bijbel. In negentien verzen bij Jr .

Jr 31,8 - Jr 31,8 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8 idou egô agô autous apo borra kai sunaxô autous ap' eschatou tès gès en eortè fasek kai teknopoièsè ochlon polun kai apostrepsousin ôde  8 ecce ego adducam eos de terra aquilonis et congregabo eos ab extremis terrae inter quos erunt caecus et claudus et praegnans et pariens simul coetus magnus revertentium huc  hinënî  weqibbatsëthîm 8 Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen.    [8] Ik haal ze terug uit het noorden, van het einde van de aarde breng Ik ze bijeen; ook de blinden en de lammen, de zwangere en barende vrouwen. In dichte drommen keren zij terug.  [8] Ik laat hen uit het noorden terugkeren en breng hen samen van de einden der aarde. Ook blinden en lammen komen mee, ook zwangere vrouwen, en vrouwen in barensnood. In dichte drommen keren ze terug     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Statenvertaling Bible de Jérusalem Engelse vertaling Lutherbibel (1984)   
8 Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen.   Voici que moi je les ramène du pays du Nord, je les rassemble des extrémités du monde. Parmi eux l'aveugle et le boiteux, la femme enceinte et la femme qui enfante, tous ensemble : c'est une grande assemblée qui revient ici!   Behold, I will bring them from the north country, and gather them from the coasts of the earth, and with them the blind and the lame, the woman with child and her that travaileth with child together: a great company shall return thither.   8 Siehe, ich will sie aus dem Lande des Nordens bringen und will sie sammeln von den Enden der Erde, auch Blinde und Lahme, Schwangere und junge Mütter, dass sie als große Gemeinde wieder hierher kommen sollen   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Jr 31,8

1. hinënî (en zie ik) . Verwijzing : hinneh (zie) , zie Gn 29,1 . In drieënzestig verzen in Jr , o.a. Jr 31,8 .

2. mebhî´ (doen gaande, leidend) . Hifil participium .
- bw´a (komen, gaan) .
--- mebhî´ (doen komende, brengende) . Hifil participium .

1.  Gn 6,17 Gn 6,13 : wajj´omèr ´älohîm lënoach (en God zei tot Noach)     wa´änî (en ik) LXX : egô de hinënî (zie ik) LXX : idou mebhî´ (ben brengende) LXX : epagô ´èth ...   `al (over)  LXX : epi  
2.                  
3.                  
4.                  
5.                  
6.                  
7.                  
8.                  
9.                  
10.                  
11.                  
12.                  
13.                  
14.                  
15.                  
16.                  
17. Jr 31,8  Jr 31,7 : kî khoh ´âmar JHWH      hinënî (zie ik) LXX : idou egô mebhî´ (ben brengende) LXX : agô ´ôthâm (hen) LXX : autous    
                   
                   
                   
                   
                   
                   
                   
                   
                   
                   
                   
                   
                   
                   

6. weqibbatsëthîm (en ik zal hen verzamelen) . Piel perfectum eerste persoon enkelvoud , voorafgegaan door het koppelwoord waw en gevolgd door het suffix derde persoon meervoud .
- qâbhats (verzamelen) . Verwijzing : qâbhats (verzamelen) , zie Jr 31,8 .
--- weqibètsëkhâ (en hij zal je verzamelen) . Piel perfectum , prefix waw en suffix -khâ . Slechts in 1 vers in de bijbel , nl. Dt 30,3 .
--- weqibbatsëthîm (en ik zal hen verzamelen) . In twee verzen in de bijbel. (1) Jr 31,8 . (2) Ez 34,13 .
--- weqibbatsëthî (en ik zal verzamelen) . Piel perfectum eerste persoon enkelvoud, voorafgegaan door het koppelwoord waw . In negen verzen in de bijbel . In zeven verzen in Ez .
--- jëqabbets (hij zal verzamelen) . Piel imperfectum . In drie verzen in de bijbel .

Jr 31,9 - Jr 31,9 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9en klauthmô exèlthon kai en paraklèsei anaxô autous aulizôn epi diôrugas udatôn en odô orthè kai ou mè planèthôsin en autè oti egenomèn tô israèl eis patera kai efraim prôtotokos mou estin  9 in fletu venient et in precibus deducam eos et adducam eos per torrentes aquarum in via recta et non inpingent in ea quia factus sum Israheli pater et Ephraim primogenitus meus est       [9] Bedroefd gingen zij heen, getroost leid Ik hen terug. Ik voer hen naar stromende* beken, over gebaande wegen waarop ze niet struikelen. Ik ben immers Israëls vader en Efraïm is mijn eerstgeborene.’  [9] Zij komen terug in tranen, ze heffen smeekbeden aan, en ik zal hen leiden. Ik breng hen naar stromende beken en voer hen over geëffende wegen; daar kunnen zij niet struikelen. Want ik ben voor Israël een vader, en Efraïm is mijn eerstgeboren zoon.     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Statenvertaling Bible de Jérusalem Engelse vertaling Lutherbibel (1984)   
9 Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechte weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israël tot een Vader, en Efraïm is Mijn eerstgeborene.   En larmes ils reviennent, dans les supplications je les ramène. Je vais les conduire aux cours d'eau, par un chemin tout droit où ils ne trébucheront pas. Car je suis un père pour Israël et Ephraïm est mon premier-né.   They shall come with weeping, and with supplications will I lead them: I will cause them to walk by the rivers of waters in a straight way, wherein they shall not stumble: for I am a father to Israel, and Ephraim is my firstborn.   9 Sie werden weinend kommen, aber ich will sie trösten und leiten. Ich will sie zu Wasserbächen führen auf ebenem Wege, dass sie nicht zu Fall kommen; denn ich bin Israels Vater und Ephraim ist mein erstgeborener Sohn   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 31,10 - Jr 31,10 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10akousate logon kuriou ethnè kai anaggeilate eis nèsous tas makroteron eipate o likmèsas ton israèl sunaxei auton kai fulaxei auton ôs o boskôn to poimnion autou  10 audite verbum Domini gentes et adnuntiate insulis quae procul sunt et dicite qui dispersit Israhel congregabit eum et custodiet eum sicut pastor gregem suum       [10] Volken, luister naar het woord van de heer, maak het op de verste eilanden bekend: ‘Hij die het volk van Israël verstrooid heeft, brengt het ook weer bijeen. Hij hoedt het zoals een herder zijn kudde.   [10] Volken, luister naar de woorden van de HEER, vertel het verder op de verste eilanden: Hij die Israël verstrooid heeft, zal het samenbrengen en het hoeden, zoals een herder zijn kudde.     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 31,11 - Jr 31,11 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11oti elutrôsato kurios ton iakôb exeilato auton ek cheiros stereôterôn autou  11 redemit enim Dominus Iacob et liberavit eum de manu potentioris       [11] De heer heeft Jakob verlost en uit de hand van zijn overheersers vrijgekocht.  [11] Want de HEER verlost het volk van Jakob, hij bevrijdt hen uit de hand die sterker was dan zij.     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 31,12 - Jr 31,12 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12kai èxousin kai eufranthèsontai en tô orei siôn kai èxousin ep¢ agatha kuriou epi gèn sitou kai oinou kai karpôn kai ktènôn kai probatôn kai estai è psuchè autôn ôsper xulon egkarpon kai ou peinasousin eti  12 et venient et laudabunt in monte Sion et confluent ad bona Domini super frumento et vino et oleo et fetu pecorum et armentorum eritque anima eorum quasi hortus inriguus et ultra non esurient      [12] Zingend trekken zij naar de hoogten van Sion, stralend van vreugde om de goede gaven van de heer, om het koren, de most en de olie, de schapen en de runderen. Ze voelen zich als een besproeide tuin die het nooit aan water ontbreekt.  [12] Zij komen juichend naar de Sion, stralend van vreugde om de gaven van de HEER: koren, wijn, olijfolie, en geiten, schapen, koeien. Zij gedijen als een waterrijke hof, nooit meer zal het hun aan iets ontbreken.     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

 

Jr 31,13 - Jr 31,13 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13tote charèsontai parthenoi en sunagôgè neaniskôn kai presbutai charèsontai kai strepsô to penthos autôn eis charmonèn kai poièsô autous eufrainomenous  13 tunc laetabitur virgo in choro iuvenes et senes simul et convertam luctum eorum in gaudium et consolabor eos et laetificabo a dolore suo      [13] Dan dansen de meisjes van vreugde; de mannen doen mee, jong en oud. Hun droefheid verander Ik in blijdschap, Ik troost hen en geef hun vreugde na verdriet.  [13] Meisjes dansen vrolijk in de rei, jongens en grijsaards dansen mee. Hun rouw verander ik in vreugde, ik troost hen, hun verdriet vergeten zij.     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 31,14 - Jr 31,14 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14megalunô kai methusô tèn psuchèn tôn iereôn uiôn leui kai o laos mou tôn agathôn mou emplèsthèsetai  14 et inebriabo animam sacerdotum pinguedine et populus meus bonis meis adimplebitur ait Dominus      [14] Ik schenk de priesters veel vet van de offers en het volk overstelp Ik met mijn gaven – godsspraak van de heer.’   [14] De priesters schenk ik overvloedig offervlees. Ik overstelp mijn volk met al het goede – spreekt de HEER.     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

 

Jr 31,15 - Jr 31,15 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15outôs eipen kurios fônè en rama èkousthè thrènou kai klauthmou kai odurmou rachèl apoklaiomenè ouk èthelen pausasthai epi tois uiois autès oti ouk eisin 15 haec dicit Dominus vox in excelso audita est lamentationis fletus et luctus Rachel plorantis filios suos et nolentis consolari super eis quia non sunt      [15] Zo spreekt de heer: ‘Luister naar het klagen in Rama*, het droeve geween: Rachel* jammert om haar kinderen en wil niet worden getroost, omdat ze er niet meer zijn.’  [15] Dit zegt de HEER: In Rama hoort men klagen, bitter treuren. Rachel beweent haar zonen, zij wil niet worden getroost. Haar kinderen zijn er niet meer.     

King James Bible . Thus saith the LORD; A voice was heard in Ramah, lamentation, and bitter weeping; Rahel weeping for her children refused to be comforted for her children, because they were not.

Tekstuitleg van Jr 31,15 . Dit vers Jr 31,15 telt 19 woorden en 68 (2 X 3 X 13) letters . De getalwaarde van Jr 31,15 is 3143 (7 X 449) . De inleidingsformule telt 3 woorden en 9 (2 + 3 + 4) letters . Het citaat telt bijgevolg 16 woorden en 59 letters .

1. khoh (zo) . Verwijzing : khoh (zo) , zie Jr 31,7 . In 513 verzen in de bijbel. In tweeëntwintig verzen in 1 K : (10) 1 K 17,14 . In 157 verzen bij Jr. In zeven verzen in Jr 31 : (1) Jr 31,2 . (2) Jr 31,7 . (3) Jr 31,15 . (4) Jr 31,16 . (5) Jr 31,23 . (6) Jr 31,35 . (7) Jr 31,37 .
- khoh ´âmar JHWH komt in deze zeven verzen van Jr 31 voor .

2. ´âmar (zeggen) . Verwijzing : ´âmar (zeggen) , zie Jr 1,4 . In 168 verzen in Jeremia . In Jr 31 telkens in de formule koh ´âmar JHWH (zo spreekt JHWH) .

3. JHWH (JHWH) . Verwijzing : JHWH (JHWH) , zie Ex 13,21 . In 5193 verzen in de bijbel . In 604 veren in Jeremia . In zesentwintig verzen in Jr 31 .

4. qôl (stem) . In 138 verzen in de bijbel . In tweeëntwintig verzen in de Pentateuch . (3) Gn 21,17 ( wajjisjëma` ´èlohîm ´èth qôl hanna`ar = en God luisterde naar de stem van het kind - de zoon van Hagar -) . LXX : eisèkousen de ho theos tès fônès tou paidiou . In éénentwintig verzen in Jeremia . Vaak komt de combinatie van sjâma`(luisteren, horen) en qôl (stem) voor .

6. nisjëma`(een stem wordt gehoord) . Verwijzing : sjâm`â (horen, luisteren) , zie Ex 2,15 . In tweeëntwintig verzen in de bijbel . In negen verzen in Jeremia .

Jr 31,16 - Jr 31,16 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
16outôs eipen kurios dialipetô è fônè sou apo klauthmou kai oi ofthalmoi sou apo dakruôn sou oti estin misthos tois sois ergois kai epistrepsousin ek gès echthrôn  16 haec dicit Dominus quiescat vox tua a ploratu et oculi tui a lacrimis quia est merces operi tuo ait Dominus et revertentur de terra inimici      [16] Zo spreekt de heer: ‘Hou op met wenen, droog uw tranen. Er is een oplossing voor uw lijden – godsspraak van de heer: zij keren terug uit het land van de vijand.   [16] Maar dit zegt de HEER: Huil niet langer, droog je tranen. Je zorg voor hen wordt nu beloond – spreekt de HEER. Ze keren terug uit het land van de vijand.      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

 

Jr 31,17 - Jr 31,17 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
17monimon tois sois teknois  17 et est spes novissimis tuis ait Dominus et revertentur filii ad terminos suos      [17] Er is hoop voor de toekomst: zij komen terug naar hun eigen land.  [17] Je hebt een hoopvolle toekomst, je kinderen keren naar hun eigen land terug – spreekt de HEER.     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

 

Jr 31,18 - Jr 31,18 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
18akoèn èkousa efraim oduromenou epaideusas me kai epaideuthèn egô ôsper moschos ouk edidachthèn epistrepson me kai epistrepsô oti su kurios o theos mou  18 audiens audivi Ephraim transmigrantem castigasti me et eruditus sum quasi iuvenculus indomitus converte me et revertar quia tu Dominus Deus meus       [18] Ik hoor Efraïm steeds klagen: “U hebt mij geslagen om mij als een wilde stier te temmen. Breng mij nu terug, heer, U bent toch mijn God.   [18] Ik heb wel gehoord hoe Efraïm treurt: “U hebt mij geslagen als een jonge os die nog niet is afgericht. Breng mij bij u terug, laat mij terugkeren, want u, HEER, bent mijn God.      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

 

Jr 31,19 - Jr 31,19 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
19oti usteron aichmalôsias mou metenoèsa kai usteron tou gnônai me estenaxa ef¢ èmeras aischunès kai upedeixa soi oti elabon oneidismon ek neotètos mou  19 postquam enim convertisti me egi paenitentiam et postquam ostendisti mihi percussi femur meum confusus sum et erubui quoniam sustinui obprobrium adulescentiae meae      [19] Ik ben nu bekeerd en heb berouw; ik ben tot bezinning gekomen en sla mij op de borst. Ik sta diep beschaamd en ga gebukt onder de zonden van mijn jeugd.”  [19] Ik ben tot inkeer gekomen, ik sla mijzelf nu ik mijn hart doorzie. Ik ben vol berouw, ik schaam mij diep, ga gebukt onder de zonden van mijn jeugd.”     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

 

Jr 31,20 - Jr 31,20 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
20uios agapètos efraim emoi paidion entrufôn oti anth¢ ôn oi logoi mou en autô mneia mnèsthèsomai autou dia touto espeusa ep¢ autô eleôn eleèsô auton fèsin kurios  20 si filius honorabilis mihi Ephraim si puer delicatus quia ex quo locutus sum de eo adhuc recordabor eius idcirco conturbata sunt viscera mea super eum miserans miserebor eius ait Dominus      [20] Is mijn dierbare zoon Efraïm Mij dan zo lief en zo dierbaar, dat Ik na ieder hard woord toch aan hem blijf denken, en zo met hem meevoel, dat Ik mij weer over hem zal ontfermen? – godsspraak van de heer.’  [20] Is Efraïm niet mijn geliefde zoon, is hij niet mijn oogappel? Telkens als ik over hem spreek rijst zijn beeld in mij op, dan raak ik diep bewogen. Ik móet mij over hem ontfermen – spreekt de HEER.      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

 

Jr 31,21 - Jr 31,21 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
21stèson seautèn siôn poièson timôrian dos kardian sou eis tous ômous odon èn eporeuthès apostrafèti parthenos israèl apostrafèti eis tas poleis sou penthousa  21 statue tibi speculam pone tibi amaritudines dirige cor tuum in viam directam in qua ambulasti revertere virgo Israhel revertere ad civitates tuas istas      [21] Zet bakens uit, richt mijlpalen op, let goed op de weg die u volgt. Keer terug, Israël, jonkvrouw, keer terug naar uw steden.   [21] Zet mijlpalen neer, plaats bakens, richt je aandacht op de weg die je volgt. Keer terug, vrouwe Israël, keer terug naar je steden.      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

 

Jr 31,22 - Jr 31,22 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22eôs pote apostrepseis thugatèr ètimômenè oti ektisen kurios sôtèrian eis katafuteusin kainèn en sôtèria perieleusontai anthrôpoi 22 usquequo deliciis dissolveris filia vaga quia creavit Dominus novum super terram femina circumdabit virum      [22] Waarom zoekt u steeds uw eigen weg, opstandige? De heer schept iets nieuws op aarde: een vrouw* zoekt een man.  [22] Hoe lang nog blijf je talmen, hoe lang nog blijf je eigenzinnig, vrouwe Israël? De HEER zal iets nieuws op aarde scheppen: een vrouw maakt een man het hof.      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 31,23 - Jr 31,23 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23outôs eipen kurios eti erousin ton logon touton en gè iouda kai en polesin autou otan apostrepsô tèn aichmalôsian autou eulogèmenos kurios epi dikaion oros to agion autou  23 haec dicit Dominus exercituum Deus Israhel adhuc dicent verbum istud in terra Iuda et in urbibus eius cum convertero captivitatem eorum benedicat tibi Dominus pulchritudo iustitiae mons sanctus      [23] Zo spreekt de heer van de machten, de God van Israël: ‘Wanneer Ik hen in hun vroegere staat herstel, zullen ze in de steden van Juda weer zeggen: “De heer zegene u, zetel van gerechtigheid, heilige berg.”  [23] Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik zal hun lot ten goede keren, en dan zal in de steden van Juda, in het hele land, opnieuw te horen zijn: “Moge de HEER je zegenen, Jeruzalem, woonplaats van gerechtigheid, heilige berg!”     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 31,24 - Jr 31,24 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
24kai enoikountes en tais polesin iouda kai en pasè tè gè autou ama geôrgô kai arthèsetai en poimniô  24 et habitabunt in eo Iudas et omnes civitates eius simul agricolae et minantes greges      [24] Heel Juda woont daar weer samen: stedelingen, boeren en herders.   [24] Stedelingen, boeren en herders zullen weer in Juda wonen.     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 31,25 - Jr 31,25 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
25oti emethusa pasan psuchèn dipsôsan kai pasan psuchèn peinôsan eneplèsa 25 quia inebriavi animam lassam et omnem animam esurientem saturavi      [25] Degenen die uitgeput waren, verkwik Ik, Ik les de dorst van hen die versmachten.’   [25] Wie dorstig zijn, zal ik verkwikken; wie uitgeput zijn, geef ik kracht.’     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 31,26 - Jr 31,26 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
26dia touto exègerthèn kai eidon kai o upnos mou èdus moi egenèthè  26 ideo quasi de somno suscitatus sum et vidi et somnus meus dulcis mihi      [26] Daarop werd ik wakker, ik had een visioen en opnieuw overviel mij de slaap.  [26] Hierop ontwaakte ik en sloeg mijn ogen op. De slaap had mij goedgedaan.      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 31,27 - Jr 31,27 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
27dia touto idou èmerai erchontai fèsin kurios kai sperô ton israèl kai ton ioudan sperma anthrôpou kai sperma ktènous  27 ecce dies veniunt dicit Dominus et seminabo domum Israhel et domum Iuda semine hominis et semine iumentorum      [27] ‘De tijd komt – godsspraak van de heer – dat Ik Israël en Juda weer met mensen en dieren bevolk.  [27] ‘De dag zal komen – spreekt de HEER – dat ik Israël en Juda zal inzaaien met mensen en met dieren.     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 31,28 - Jr 31,28 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
28kai estai ôsper egrègoroun ep¢ autous kathairein kai kakoun outôs grègorèsô ep¢ autous tou oikodomein kai katafuteuein fèsin kurios  28 et sicut vigilavi super eos ut evellerem et demolirer et dissiparem et disperderem et adfligerem sic vigilabo super eos ut aedificem et plantem ait Dominus      [28] Eerst had Ik er alles op gezet hen weg te rukken en af te breken, hen te verwoesten en te vernielen, met ramp op ramp, maar nu heb Ik er alles op gezet om hen op te bouwen en te planten – godsspraak van de heer.  [28] Zoals ik niet aarzelde om hen uit te rukken en te verwoesten, af te breken, kwaad te doen en te vernietigen, zo zal ik niet aarzelen om hen te planten en op te bouwen – spreekt de HEER.     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

 

Jr 31,29 - Jr 31,29 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
29en tais èmerais ekeinais ou mè eipôsin oi pateres efagon omfaka kai oi odontes tôn teknôn èmôdiasan  29 in diebus illis non dicent ultra patres comederunt uvam acerbam et dentes filiorum obstipuerunt       [29] In* die tijd zegt men niet meer: “De vaders eten onrijpe druiven, en de tanden van de kinderen zijn er stroef van.”   [29] Dan zal men niet meer zeggen: “Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden,”      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

 

Jr 31,30 - Jr 31,30 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
30all¢ è ekastos en tè eautou amartia apothaneitai kai tou fagontos ton omfaka aimôdiasousin oi odontes autou  30 sed unusquisque in iniquitate sua morietur omnis homo qui comederit uvam acerbam obstupescent dentes eius      [30] Nee! Iedereen sterft door zijn eigen schuld. Iedereen die onrijpe druiven eet, krijgt zelf stroeve tanden.  [30] maar zal wie zondigt om zijn eigen zonden sterven. Wanneer iemand onrijpe druiven eet, zullen zijn eigen tanden stroef worden.     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

 

Jr 31,31 - Jr 31,31 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
31idou èmerai erchontai fèsin kurios kai diathèsomai tô oikô israèl kai tô oikô iouda diathèkèn kainèn  31 ecce dies veniunt dicit Dominus et feriam domui Israhel et domui Iuda foedus novum      [31] Er komen dagen – godsspraak van de heer – dat Ik met Israël en Juda een nieuw* verbond sluit;  [31] De dag zal komen – spreekt de HEER – dat ik met het volk van Israël en het volk van Juda een nieuw verbond sluit     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

 

Jr 31,32 - Jr 31,32 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
32ou kata tèn diathèkèn èn diethemèn tois patrasin autôn en èmera epilabomenou mou tès cheiros autôn exagagein autous ek gès aiguptou oti autoi ouk enemeinan en tè diathèkè mou kai egô èmelèsa autôn fèsin kurios  32 non secundum pactum quod pepigi cum patribus vestris in die qua adprehendi manum eorum ut educerem eos de terra Aegypti pactum quod irritum fecerunt et ego dominatus sum eorum dicit Dominus      [32] geen verbond zoals Ik met hun voorvaderen gesloten heb, toen Ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte te leiden. Want dit verbond hebben zij verbroken hoewel Ik hun meester was – godsspraak van de heer.  [32] een ander verbond dan ik met hun voorouders sloot toen ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte weg te leiden. Zij hebben dat verbond verbroken, hoewel ze mij toebehoorden – spreekt de HEER.     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

 

Jr 31,33 - Jr 31,33 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
33oti autè è diathèkè èn diathèsomai tô oikô israèl meta tas èmeras ekeinas fèsin kurios didous dôsô nomous mou eis tèn dianoian autôn kai epi kardias autôn grapsô autous kai esomai autois eis theon kai autoi esontai moi eis laon  33 sed hoc erit pactum quod feriam cum domo Israhel post dies illos dicit Dominus dabo legem meam in visceribus eorum et in corde eorum scribam eam et ero eis in Deum et ipsi erunt mihi in populum      [33] Dit is het nieuwe verbond dat Ik in de toekomst met Israël sluit – godsspraak van de heer: Ik schrijf mijn Wet in hun binnenste, Ik grif die in hun hart. Ik zal hun God zijn, en zij zullen mijn volk zijn.  [33] Maar dit is het verbond dat ik in de toekomst met Israël zal sluiten – spreekt de HEER: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal ik hun God zijn en zij mijn volk.     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 31,34 - Jr 31,34 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
34kai ou mè didaxôsin ekastos ton politèn autou kai ekastos ton adelfon autou legôn gnôthi ton kurion oti pantes eidèsousin me apo mikrou autôn kai eôs megalou autôn oti ileôs esomai tais adikiais autôn kai tôn amartiôn autôn ou mè mnèsthô eti  34 et non docebunt ultra vir proximum suum et vir fratrem suum dicens cognoscite Dominum omnes enim cognoscent me a minimo eorum usque ad maximum ait Dominus quia propitiabor iniquitati eorum et peccati eorum non ero memor amplius       [34] Dan zal niemand meer zijn medeburger onderrichten, noch tegen zijn broeder zeggen: “Leer de heer kennen.” Want iedereen, groot en klein, kent Mij al – godsspraak van de heer. Ik vergeef hun misstappen, Ik denk niet meer aan hun zonden.’   [34] Men zal elkaar niet meer hoeven te onderwijzen met de woorden: “Leer de HEER kennen,” want iedereen, van groot tot klein, kent mij dan al – spreekt de HEER. Ik zal hun zonden vergeven en nooit meer denken aan wat ze hebben misdaan.     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 31,35 - Jr 31,35 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
35ean upsôthè o ouranos eis to meteôron fèsin kurios kai ean tapeinôthè to edafos tès gès katô kai egô ouk apodokimô to genos israèl fèsin kurios peri pantôn ôn epoièsan 35 haec dicit Dominus qui dat solem in lumine diei ordinem lunae et stellarum in lumine noctis qui turbat mare et sonant fluctus eius Dominus exercituum nomen illi       [35] Zo spreekt de heer, die de zon heeft gegeven als het licht voor de dag, de maan en de sterren als het licht in de nacht; die de zee opzweept zodat de golven bruisen, die de heer van de machten heet:  [35] Dit zegt de HEER, die de zon heeft gemaakt als het licht voor de dag, de maan en sterren als de lichten voor de nacht, die de zee opzweept, zodat de golven bruisen, wiens naam is HEER van de hemelse machten:     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 31,36 - Jr 31,36 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
36outôs eipen kurios o dous ton èlion eis fôs tès èmeras selènèn kai asteras eis fôs tès nuktos kai kraugèn en thalassè kai ebombèsen ta kumata autès kurios pantokratôr onoma autô  36 si defecerint leges istae coram me dicit Dominus tunc et semen Israhel deficiet ut non sit gens coram me cunctis diebus      [36] ‘Als* deze orde ophoudt te bestaan – godsspraak van de heer – dan blijft ook Israël niet langer mijn volk.’  [36] Pas als deze orde ophoudt te bestaan – spreekt de HEER – bestaat ook Israël niet meer, is het niet meer voor altijd mijn volk.     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 31,37 - Jr 31,37 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
37ean pausôntai oi nomoi outoi apo prosôpou mou fèsin kurios kai to genos israèl pausetai genesthai ethnos kata prosôpon mou pasas tas èmeras  37 haec dicit Dominus si mensurari potuerint caeli sursum et investigari fundamenta terrae deorsum et ego abiciam universum semen Israhel propter omnia quae fecerunt dicit Dominus      [37] Zo spreekt de heer: ‘Evenmin als iemand de hemel boven kan meten of de grondvesten van de aarde beneden kan peilen, evenmin verwerp Ik ooit de nakomelingen van Israël, ondanks alles wat het misdaan heeft – godsspraak van de heer.’  [37] Dit zegt de HEER: Zoals de hoogte van de hemel niet gemeten wordt, de diepte van het fundament der aarde niet gepeild, zo verwerp ik niet het nageslacht van Israël om alles wat het heeft misdaan – spreekt de HEER.     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 31,38 - Jr 31,38 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
38idou èmerai erchontai fèsin kurios kai oikodomèthèsetai polis tô kuriô apo purgou anameèl eôs pulès tès gônias 38 ecce dies veniunt dicit Dominus et aedificabitur civitas Domino a turre Ananehel usque ad portam Anguli et exibit ultra norma mensurae in conspectu eius super collem Gareb et circuibit Goatha       [38] ‘De tijd komt – godsspraak van de heer – dat de stad van de heer wordt herbouwd, van de toren* van Chananel tot aan de Hoekpoort.  [38] De dag zal komen – spreekt de HEER – dat Jeruzalem wordt herbouwd en aan mij wordt gewijd. Dan loopt de muur weer vanaf de Chananeltoren tot aan de Hoekpoort,     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

 

Jr 31,39 - Jr 31,39 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
39kai exeleusetai è diametrèsis autès apenanti autôn eôs bounôn garèb kai perikuklôthèsetai kuklô ex eklektôn lithôn  38 ecce dies veniunt dicit Dominus et aedificabitur civitas Domino a turre Ananehel usque ad portam Anguli et exibit ultra norma mensurae in conspectu eius super collem Gareb et circuibit Goatha       [39] Nog verder loopt het meetlint, rechtdoor, tot de hoogte van Gareb, voordat het afbuigt naar Goa.  [39] en vanaf dat punt zal hij worden verlengd naar de Gareb, en dan een bocht naar Goa maken.     

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Jr 31,40 - Jr 31,40 : Jr 31,1 - Jr 31,2 - Jr 31,3 - Jr 31,4 - Jr 31,5 - Jr 31,6 - Jr 31,7 - Jr 31,8 - Jr 31,9 - Jr 31,10 - Jr 31,11 - Jr 31,12 - Jr 31,13 - Jr 31,14 - Jr 31,15 - Jr 31,16 - Jr 31,17 - Jr 31,18 - Jr 31,19 - Jr 31,20 - Jr 31,21 - Jr 31,22 - Jr 31,23 - Jr 31,24 - Jr 31,25 - Jr 31,26 - Jr 31,27 - Jr 31,28 - Jr 31,29 - Jr 31,30 - Jr 31,31 - Jr 31,32 - Jr 31,33 - Jr 31,34 - Jr 31,35 - Jr 31,36 - Jr 31,37 - Jr 31,38 - Jr 31,39 - Jr 31,40 -- taalgebruik -- Jr 31 - Er is hoop voor de toekomst -

Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
40kai pantes asarèmôth eôs nachal kedrôn eôs gônias pulès ippôn anatolès agiasma tô kuriô kai ouketi ou mè eklipè kai ou mè kathairethè eôs tou aiônos   40 et omnem vallem cadaverum et cineris et universam regionem mortis usque ad torrentem Cedron et usque ad angulum portae Equorum orientalis sanctum Domini non evelletur et non destruetur ultra in perpetuum      [40] Heel het dal* met de lijken en de as, heel het gebied langs de Kedron* tot aan de hoek van de Paardenpoort* in het oosten, wordt aan de heer gewijd. Het wordt nooit meer vernield of verwoest*.’   [40] Hij zal om de vallei lopen waar de doden worden begraven en de as wordt uitgestrooid, en verder om alle akkers tot aan het Kidrondal. Van daar loopt hij naar de hoek van de Paardenpoort in het oosten. Heel dit gebied zal aan de HEER zijn gewijd, en Jeruzalem zal nooit meer worden afgebroken en verwoest.’      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van


MASORETISCHE TEKST (MT)

Jeremiah Chapter 31 יִרְמְיָהוּ

א  כֹּה, אָמַר יְהוָה, מָצָא חֵן בַּמִּדְבָּר, עַם שְׂרִידֵי חָרֶב; הָלוֹךְ לְהַרְגִּיעוֹ, יִשְׂרָאֵל. 1 Thus saith the LORD: the people that were left of the sword have found grace in the wilderness, even Israel, when I go to cause him to rest.
ב  מֵרָחוֹק, יְהוָה נִרְאָה לִי; וְאַהֲבַת עוֹלָם אֲהַבְתִּיךְ, עַל-כֵּן מְשַׁכְתִּיךְ חָסֶד. 2 'From afar the LORD appeared unto me.' 'Yea, I have loved thee with an everlasting love; therefore with affection have I drawn thee.
ג  עוֹד אֶבְנֵךְ וְנִבְנֵית, בְּתוּלַת יִשְׂרָאֵל:  עוֹד תַּעְדִּי תֻפַּיִךְ, וְיָצָאת בִּמְחוֹל מְשַׂחֲקִים. 3 Again will I build thee, and thou shalt be built, O virgin of Israel; again shalt thou be adorned with thy tabrets, and shalt go forth in the dances of them that make merry.
ד  עוֹד תִּטְּעִי כְרָמִים, בְּהָרֵי שֹׁמְרוֹן; נָטְעוּ נֹטְעִים, וְחִלֵּלוּ. 4 Again shalt thou plant vineyards upon the mountains of Samaria; the planters shall plant, and shall have the use thereof.
ה  כִּי יֶשׁ-יוֹם, קָרְאוּ נֹצְרִים בְּהַר אֶפְרָיִם; קוּמוּ וְנַעֲלֶה צִיּוֹן, אֶל-יְהוָה אֱלֹהֵינוּ.  {פ} 5 For there shall be a day, that the watchmen shall call upon the mount Ephraim: arise ye, and let us go up to Zion, unto the LORD our God.' {P}
ו  כִּי-כֹה אָמַר יְהוָה, רָנּוּ לְיַעֲקֹב שִׂמְחָה, וְצַהֲלוּ, בְּרֹאשׁ הַגּוֹיִם; הַשְׁמִיעוּ הַלְלוּ, וְאִמְרוּ, הוֹשַׁע יְהוָה אֶת-עַמְּךָ, אֵת שְׁאֵרִית יִשְׂרָאֵל. 6 For thus saith the LORD: sing with gladness for Jacob, and shout at the head of the nations; announce ye, praise ye, and say: 'O LORD, save Thy people, The remnant of Israel.'
ז  הִנְנִי מֵבִיא אוֹתָם מֵאֶרֶץ צָפוֹן, וְקִבַּצְתִּים מִיַּרְכְּתֵי-אָרֶץ--בָּם עִוֵּר וּפִסֵּחַ, הָרָה וְיֹלֶדֶת יַחְדָּו:  קָהָל גָּדוֹל, יָשׁוּבוּ הֵנָּה. 7 Behold, I will bring them from the north country, and gather them from the uttermost parts of the earth, and with them the blind and the lame, the woman with child and her that travaileth with child together; a great company shall they return hither.
ח  בִּבְכִי יָבֹאוּ, וּבְתַחֲנוּנִים אוֹבִילֵם--אוֹלִיכֵם אֶל-נַחֲלֵי מַיִם, בְּדֶרֶךְ יָשָׁר לֹא יִכָּשְׁלוּ בָּהּ:  כִּי-הָיִיתִי לְיִשְׂרָאֵל לְאָב, וְאֶפְרַיִם בְּכֹרִי הוּא.  {ס} 8 They shall come with weeping, and with supplications will I lead them; I will cause them to walk by rivers of waters, in a straight way wherein they shall not stumble; for I am become a father to Israel, and Ephraim is My first-born. {S}
ט  שִׁמְעוּ דְבַר-יְהוָה גּוֹיִם, וְהַגִּידוּ בָאִיִּים מִמֶּרְחָק; וְאִמְרוּ, מְזָרֵה יִשְׂרָאֵל יְקַבְּצֶנּוּ, וּשְׁמָרוֹ, כְּרֹעֶה עֶדְרוֹ. 9 Hear the word of the LORD, O ye nations, and declare it in the isles afar off, and say: 'He that scattered Israel doth gather him, and keep him, as a shepherd doth his flock.'
י  כִּי-פָדָה יְהוָה, אֶת-יַעֲקֹב; וּגְאָלוֹ, מִיַּד חָזָק מִמֶּנּוּ. 10 For the LORD hath ransomed Jacob, and He redeemeth him from the hand of him that is stronger than he.
יא  וּבָאוּ, וְרִנְּנוּ בִמְרוֹם-צִיּוֹן, וְנָהֲרוּ אֶל-טוּב יְהוָה עַל-דָּגָן וְעַל-תִּירֹשׁ וְעַל-יִצְהָר, וְעַל-בְּנֵי-צֹאן וּבָקָר; וְהָיְתָה נַפְשָׁם כְּגַן רָוֶה, וְלֹא-יוֹסִיפוּ לְדַאֲבָה עוֹד. 11 And they shall come and sing in the height of Zion, and shall flow unto the goodness of the LORD, to the corn, and to the wine, and to the oil, and to the young of the flock and of the herd; and their soul shall be as a watered garden, and they shall not pine any more at all.
יב  אָז תִּשְׂמַח בְּתוּלָה בְּמָחוֹל, וּבַחֻרִים וּזְקֵנִים יַחְדָּו; וְהָפַכְתִּי אֶבְלָם לְשָׂשׂוֹן וְנִחַמְתִּים, וְשִׂמַּחְתִּים מִיגוֹנָם. 12 Then shall the virgin rejoice in the dance, and the young men and the old together; for I will turn their mourning into joy, and will comfort them, and make them rejoice from their sorrow.
יג  וְרִוֵּיתִי נֶפֶשׁ הַכֹּהֲנִים, דָּשֶׁן; וְעַמִּי אֶת-טוּבִי יִשְׂבָּעוּ, נְאֻם-יְהוָה.  {ס} 13 And I will satiate the soul of the priests with fatness, and My people shall be satisfied with My goodness, saith the LORD. {S}
יד  כֹּה אָמַר יְהוָה, קוֹל בְּרָמָה נִשְׁמָע נְהִי בְּכִי תַמְרוּרִים--רָחֵל, מְבַכָּה עַל-בָּנֶיהָ; מֵאֲנָה לְהִנָּחֵם עַל-בָּנֶיהָ, כִּי אֵינֶנּוּ.  {ס} 14 Thus saith the LORD: A voice is heard in Ramah, lamentation, and bitter weeping, Rachel weeping for her children; she refuseth to be comforted for her children, because they are not. {S}
טו  כֹּה אָמַר יְהוָה, מִנְעִי קוֹלֵךְ מִבֶּכִי, וְעֵינַיִךְ, מִדִּמְעָה:  כִּי יֵשׁ שָׂכָר לִפְעֻלָּתֵךְ נְאֻם-יְהוָה, וְשָׁבוּ מֵאֶרֶץ אוֹיֵב. 15 Thus saith the LORD: Refrain thy voice from weeping, and thine eyes from tears; for thy work shall be rewarded, saith the LORD; and they shall come back from the land of the enemy.
טז  וְיֵשׁ-תִּקְוָה לְאַחֲרִיתֵךְ, נְאֻם-יְהוָה; וְשָׁבוּ בָנִים, לִגְבוּלָם.  {ס} 16 And there is hope for thy future, saith the LORD; and thy children shall return to their own border. {S}
יז  שָׁמוֹעַ שָׁמַעְתִּי, אֶפְרַיִם מִתְנוֹדֵד, יִסַּרְתַּנִי וָאִוָּסֵר, כְּעֵגֶל לֹא לֻמָּד; הֲשִׁבֵנִי וְאָשׁוּבָה, כִּי אַתָּה יְהוָה אֱלֹהָי. 17 I have surely heard Ephraim bemoaning himself: 'Thou hast chastised me, and I was chastised, as a calf untrained; turn thou me, and I shall be turned, for Thou art the LORD my God.
יח  כִּי-אַחֲרֵי שׁוּבִי, נִחַמְתִּי, וְאַחֲרֵי הִוָּדְעִי, סָפַקְתִּי עַל-יָרֵךְ; בֹּשְׁתִּי וְגַם-נִכְלַמְתִּי, כִּי נָשָׂאתִי חֶרְפַּת נְעוּרָי. 18 Surely after that I was turned, I repented, and after that I was instructed, I smote upon my thigh; I was ashamed, yea, even confounded, because I did bear the reproach of my youth.'
יט  הֲבֵן יַקִּיר לִי אֶפְרַיִם, אִם יֶלֶד שַׁעֲשֻׁעִים--כִּי-מִדֵּי דַבְּרִי בּוֹ, זָכֹר אֶזְכְּרֶנּוּ עוֹד; עַל-כֵּן, הָמוּ מֵעַי לוֹ--רַחֵם אֲרַחֲמֶנּוּ, נְאֻם-יְהוָה.  {ס} 19 Is Ephraim a darling son unto Me? Is he a child that is dandled? For as often as I speak of him, I do earnestly remember him still; therefore My heart yearneth for him, I will surely have compassion upon him, saith the LORD. {S}
כ  הַצִּיבִי לָךְ צִיֻּנִים, שִׂמִי לָךְ תַּמְרוּרִים--שִׁתִי לִבֵּךְ, לַמְסִלָּה דֶּרֶךְ הלכתי (הָלָכְתְּ); שׁוּבִי בְּתוּלַת יִשְׂרָאֵל, שֻׁבִי אֶל-עָרַיִךְ אֵלֶּה. 20 Set thee up waymarks, make thee guide-posts; set thy heart toward the high-way, even the way by which thou wentest; return, O virgin of Israel, return to these thy cities.
כא  עַד-מָתַי תִּתְחַמָּקִין, הַבַּת הַשּׁוֹבֵבָה:  כִּי-בָרָא יְהוָה חֲדָשָׁה בָּאָרֶץ, נְקֵבָה תְּסוֹבֵב גָּבֶר.  {ס} 21 How long wilt thou turn away coyly, O thou backsliding daughter? For the LORD hath created a new thing in the earth: a woman shall court a man. {S}
כב  כֹּה-אָמַר יְהוָה צְבָאוֹת, אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל, עוֹד יֹאמְרוּ אֶת-הַדָּבָר הַזֶּה בְּאֶרֶץ יְהוּדָה וּבְעָרָיו, בְּשׁוּבִי אֶת-שְׁבוּתָם:  יְבָרֶכְךָ יְהוָה נְוֵה-צֶדֶק, הַר הַקֹּדֶשׁ. 22 Thus saith the LORD of hosts, the God of Israel: yet again shall they use this speech in the land of Judah and in the cities thereof, when I shall turn their captivity: 'The LORD bless thee, O habitation of righteousness, O mountain of holiness.'
כג  וְיָשְׁבוּ בָהּ יְהוּדָה וְכָל-עָרָיו, יַחְדָּו:  אִכָּרִים, וְנָסְעוּ בַּעֵדֶר. 23 And Judah and all the cities thereof shall dwell therein together: the husbandmen, and they that go forth with flocks.
כד  כִּי הִרְוֵיתִי, נֶפֶשׁ עֲיֵפָה; וְכָל-נֶפֶשׁ דָּאֲבָה, מִלֵּאתִי. 24 For I have satiated the weary soul, and every pining soul have I replenished.
כה  עַל-זֹאת, הֱקִיצֹתִי וָאֶרְאֶה; וּשְׁנָתִי, עָרְבָה לִּי.  {ס} 25 Upon this I awaked, and beheld; and my sleep was sweet unto me. {S}
כו  הִנֵּה יָמִים בָּאִים, נְאֻם-יְהוָה; וְזָרַעְתִּי, אֶת-בֵּית יִשְׂרָאֵל וְאֶת-בֵּית יְהוּדָה, זֶרַע אָדָם, וְזֶרַע בְּהֵמָה. 26 Behold, the days come, saith the LORD, that I will sow the house of Israel and the house of Judah with the seed of man, and with the seed of beast.
כז  וְהָיָה כַּאֲשֶׁר שָׁקַדְתִּי עֲלֵיהֶם, לִנְתוֹשׁ וְלִנְתוֹץ וְלַהֲרֹס--וּלְהַאֲבִיד וּלְהָרֵעַ:  כֵּן אֶשְׁקֹד עֲלֵיהֶם לִבְנוֹת וְלִנְטֹעַ, נְאֻם-יְהוָה. 27 And it shall come to pass, that like as I have watched over them to pluck up and to break down, and to overthrow and to destroy, and to afflict; so will I watch over them to build and to plant, saith the LORD.
כח  בַּיָּמִים הָהֵם--לֹא-יֹאמְרוּ עוֹד, אָבוֹת אָכְלוּ בֹסֶר; וְשִׁנֵּי בָנִים, תִּקְהֶינָה. 28 In those days they shall say no more: 'The fathers have eaten sour grapes, and the children's teeth are set on edge.'
כט  כִּי אִם-אִישׁ בַּעֲוֺנוֹ, יָמוּת:  כָּל-הָאָדָם הָאֹכֵל הַבֹּסֶר, תִּקְהֶינָה שִׁנָּיו.  {ס} 29 But every one shall die for his own iniquity; every man that eateth the sour grapes, his teeth shall be set on edge. {S}
ל  הִנֵּה יָמִים בָּאִים, נְאֻם-יְהוָה; וְכָרַתִּי, אֶת-בֵּית יִשְׂרָאֵל וְאֶת-בֵּית יְהוּדָה--בְּרִית חֲדָשָׁה. 30 Behold, the days come, saith the LORD, that I will make a new covenant with the house of Israel, and with the house of Judah;
לא  לֹא כַבְּרִית, אֲשֶׁר כָּרַתִּי אֶת-אֲבוֹתָם, בְּיוֹם הֶחֱזִיקִי בְיָדָם, לְהוֹצִיאָם מֵאֶרֶץ מִצְרָיִם:  אֲשֶׁר-הֵמָּה הֵפֵרוּ אֶת-בְּרִיתִי, וְאָנֹכִי בָּעַלְתִּי בָם--נְאֻם-יְהוָה. 31 not according to the covenant that I made with their fathers in the day that I took them by the hand to bring them out of the land of Egypt; forasmuch as they broke My covenant, although I was a lord over them, saith the LORD.
לב  כִּי זֹאת הַבְּרִית אֲשֶׁר אֶכְרֹת אֶת-בֵּית יִשְׂרָאֵל אַחֲרֵי הַיָּמִים הָהֵם, נְאֻם-יְהוָה, נָתַתִּי אֶת-תּוֹרָתִי בְּקִרְבָּם, וְעַל-לִבָּם אֶכְתְּבֶנָּה; וְהָיִיתִי לָהֶם לֵאלֹהִים, וְהֵמָּה יִהְיוּ-לִי לְעָם. 32 But this is the covenant that I will make with the house of Israel after those days, saith the LORD, I will put My law in their inward parts, and in their heart will I write it; and I will be their God, and they shall be My people;
לג  וְלֹא יְלַמְּדוּ עוֹד, אִישׁ אֶת-רֵעֵהוּ וְאִישׁ אֶת-אָחִיו לֵאמֹר, דְּעוּ, אֶת-יְהוָה:  כִּי-כוּלָּם יֵדְעוּ אוֹתִי לְמִקְּטַנָּם וְעַד-גְּדוֹלָם, נְאֻם-יְהוָה--כִּי אֶסְלַח לַעֲוֺנָם, וּלְחַטָּאתָם לֹא אֶזְכָּר-עוֹד.  {ס} 33 and they shall teach no more every man his neighbour, and every man his brother, saying: 'Know the LORD'; for they shall all know Me, from the least of them unto the greatest of them, saith the LORD; for I will forgive their iniquity, and their sin will I remember no more. {S}
לד  כֹּה אָמַר יְהוָה, נֹתֵן שֶׁמֶשׁ לְאוֹר יוֹמָם, חֻקֹּת יָרֵחַ וְכוֹכָבִים, לְאוֹר לָיְלָה; רֹגַע הַיָּם וַיֶּהֱמוּ גַלָּיו, יְהוָה צְבָאוֹת שְׁמוֹ. 34 Thus saith the LORD, Who giveth the sun for a light by day, and the ordinances of the moon and of the stars for a light by night, who stirreth up the sea, that the waves thereof roar, the LORD of hosts is His name:
לה  אִם-יָמֻשׁוּ הַחֻקִּים הָאֵלֶּה, מִלְּפָנַי--נְאֻם-יְהוָה; גַּם זֶרַע יִשְׂרָאֵל יִשְׁבְּתוּ, מִהְיוֹת גּוֹי לְפָנַי--כָּל-הַיָּמִים.  {ס} 35 If these ordinances depart from before Me, saith the LORD, then the seed of Israel also shall cease from being a nation before Me for ever. {S}
לו  כֹּה אָמַר יְהוָה, אִם-יִמַּדּוּ שָׁמַיִם מִלְמַעְלָה, וְיֵחָקְרוּ מוֹסְדֵי-אֶרֶץ, לְמָטָּה:  גַּם-אֲנִי אֶמְאַס בְּכָל-זֶרַע יִשְׂרָאֵל, עַל-כָּל-אֲשֶׁר עָשׂוּ--נְאֻם-יְהוָה.  {ס} 36 Thus saith the LORD: If heaven above can be measured, and the foundations of the earth searched out beneath, then will I also cast off all the seed of Israel for all that they have done, saith the LORD. {S}
לז  הִנֵּה יָמִים      (בָּאִים), נְאֻם-יְהוָה; וְנִבְנְתָה הָעִיר לַיהוָה, מִמִּגְדַּל חֲנַנְאֵל שַׁעַר הַפִּנָּה. 37 Behold, the days come, saith the LORD, that the city shall be built to the LORD from the tower of Hananel unto the gate of the corner.
לח  וְיָצָא עוֹד קוה (קָו) הַמִּדָּה, נֶגְדּוֹ, עַל, גִּבְעַת גָּרֵב; וְנָסַב, גֹּעָתָה. 38 And the measuring line shall yet go out straight forward unto the hill Gareb, and shall turn about unto Goah.
לט  וְכָל-הָעֵמֶק הַפְּגָרִים וְהַדֶּשֶׁן וְכָל-השרמות (הַשְּׁדֵמוֹת) עַד-נַחַל קִדְרוֹן עַד-פִּנַּת שַׁעַר הַסּוּסִים, מִזְרָחָה--קֹדֶשׁ, לַיהוָה:  לֹא-יִנָּתֵשׁ וְלֹא-יֵהָרֵס עוֹד, לְעוֹלָם.  {פ} 39 And the whole valley of the dead bodies, and of the ashes, and all the fields unto the brook Kidron, unto the corner of the horse gate toward the east, shall be holy unto the LORD; it shall not be plucked up, nor thrown down any more for ever. {P}
CHAPTER 38
1 Ἐν τῷ χρόνῳ ἐκείνῳ, εἶπεν κύριος, ἔσομαι εἰς θεὸν τῷ γένει Ισραηλ, καὶ αὐτοὶ ἔσονταί μοι εἰς λαόν. 2 οὕτως εἶπεν κύριος Εὗρον θερμὸν ἐν ἐρήμῳ μετὰ ὀλωλότων ἐν μαχαίρᾳ, βαδίσατε καὶ μὴ ὀλέσητε τὸν Ισραηλ. 3 κύριος πόρρωθεν ὤφθη αὐτῷ Ἀγάπησιν αἰωνίαν ἠγάπησά σε, [I διὰ τοῦτο I] εἵλκυσά σε εἰς οἰκτίρημα. 4 ἔτι οἰκοδομήσω σε, καὶ οἰκοδομηθήσῃ, παρθένος Ισραηλ, ἔτι λήμψῃ τύμπανόν σου καὶ ἐξελεύσῃ μετὰ συναγωγῆς παιζόντων. 5 ἔτι φυτεύσατε ἀμπελῶνας ἐν ὄρεσιν Σαμαρείας, φυτεύσατε καὶ αἰνέσατε. 6 ὅτι ἔστιν ἡμέρα κλήσεως ἀπολογουμένων ἐν ὄρεσιν Εφραιμ Ἀνάστητε καὶ ἀνάβητε εἰς Σιων πρὸς κύριον τὸν θεὸν ἡμῶν. — 7 ὅτι οὕτως εἶπεν κύριος τῷ Ιακωβ Εὐφράνθητε καὶ χρεμετίσατε ἐπὶ κεφαλὴν ἐθνῶν, ἀκουστὰ ποιήσατε καὶ αἰνέσατε, εἴπατε Ἔσωσεν κύριος τὸν λαὸν αὐτοῦ, τὸ κατάλοιπον τοῦ Ισραηλ. 8 ἰδοὺ ἐγὼ ἄγω αὐτοὺς ἀπὸ βορρᾶ καὶ συνάξω αὐτοὺς ἀπʼ ἐσχάτου τῆς γῆς ἐν ἑορτῇ φασεκ, καὶ τεκνοποιήσῃ ὄχλον πολύν, καὶ ἀποστρέψουσιν ὧδε. 9 ἐν κλαυθμῷ ἐξῆλθον, καὶ ἐν παρακλήσει ἀνάξω αὐτοὺς αὐλίζων ἐπὶ διώρυγας ὑδάτων ἐν ὁδῷ ὀρθῇ, καὶ [I οὐ μὴ I] πλανηθῶσιν ἐν αὐτῇ, ὅτι ἐγενόμην τῷ Ισραηλ εἰς πατέρα, καὶ Εφραιμ πρωτότοκός μού ἐστιν.
10 Ἀκούσατε λόγον κυρίου, ἔθνη, καὶ ἀναγγείλατε εἰς νήσους τὰς μακρότερον, εἴπατε Ὁ λικμήσας τὸν Ισραηλ συνάξει αὐτὸν καὶ φυλάξει αὐτὸν ὡς ὁ βόσκων τὸ ποίμνιον αὐτοῦ. 11 ὅτι ἐλυτρώσατο κύριος τὸν Ιακωβ, ἐξείλατο αὐτὸν ἐκ χειρὸς στερεωτέρων αὐτοῦ. 12 καὶ ἥξουσιν καὶ εὐφρανθήσονται ἐν τῷ ὄρει Σιων, καὶ ἥξουσιν ἐπʼ ἀγαθὰ κυρίου, ἐπὶ γῆν σίτου καὶ οἴνου καὶ καρπῶν καὶ κτηνῶν καὶ προβάτων, καὶ ἔσται ἡ ψυχὴ αὐτῶν ὥσπερ ξύλον ἔγκαρπον, καὶ οὐ πεινάσουσιν ἔτι. 13 τότε χαρήσονται παρθένοι ἐν συναγωγῇ νεανίσκων, καὶ πρεσβῦται χαρήσονται, καὶ στρέψω τὸ πένθος αὐτῶν εἰς χαρμονὴν καὶ ποιήσω αὐτοὺς εὐφραινομένους. 14 μεγαλυνῶ καὶ μεθύσω τὴν ψυχὴν τῶν ἱερέων υἱῶν Λευι, καὶ ὁ λαός μου τῶν ἀγαθῶν μου ἐμπλησθήσεται.
15 Οὕτως εἶπεν κύριος Φωνὴ ἐν Ραμα ἠκούσθη θρήνου καὶ κλαυθμοῦ καὶ ὀδυρμοῦ, Ραχηλ ἀποκλαιομένη οὐκ ἤθελεν παύσασθαι ἐπὶ τοῖς υἱοῖς αὐτῆς, ὅτι οὐκ εἰσίν. 16 οὕτως εἶπεν κύριος Διαλιπέτω ἡ φωνή σου ἀπὸ κλαυθμοῦ καὶ οἱ ὀφθαλμοί σου ἀπὸ δακρύων σου, ὅτι ἔστιν μισθὸς τοῖς σοῖς ἔργοις, καὶ ἐπιστρέψουσιν ἐκ γῆς ἐχθρῶν, 17 μόνιμον τοῖς σοῖς τέκνοις. 18 [I ἀκοὴν ἤκουσα I] Εφραιμ ὀδυρομένου Ἐπαίδευσάς με, καὶ ἐπαιδεύθην ἐγώ, ὥσπερ μόσχος οὐκ ἐδιδάχθην, ἐπίστρεψόν με, καὶ ἐπιστρέψω, ὅτι σὺ κύριος ὁ θεός μου. 19 ὅτι ὕστερον αἰχμαλωσίας μου μετενόησα καὶ ὕστερον τοῦ γνῶναί με ἐστέναξα ἐφʼ ἡμέρας αἰσχύνης καὶ ὑπέδειξά σοι ὅτι ἔλαβον ὀνειδισμὸν ἐκ νεότητός μου. 20 υἱὸς ἀγαπητὸς Εφραιμ ἐμοί, παιδίον ἐντρυφῶν, ὅτι ἀνθʼ ὧν οἱ λόγοι μου ἐν αὐτῷ, [I μνείᾳ μνησθήσομαι αὐτοῦ I], [I διὰ τοῦτο I] ἔσπευσα ἐπʼ αὐτῷ, [I ἐλεῶν ἐλεήσω I] αὐτόν, φησὶν κύριος.
21 Στῆσον σεαυτήν, Σιων, ποίησον τιμωρίαν, δὸς καρδίαν σου εἰς τοὺς ὤμους, ὁδὸν ἣν ἐπορεύθης ἀποστράφητι, παρθένος Ισραηλ, ἀποστράφητι εἰς τὰς πόλεις σου πενθοῦσα. 22 [I ἕως πότε I] ἀποστρέψεις, θυγάτηρ ἠτιμωμένη; ὅτι ἔκτισεν κύριος σωτηρίαν εἰς καταφύτευσιν καινήν, ἐν σωτηρίᾳ περιελεύσονται ἄνθρωποι. 23 οὕτως εἶπεν κύριος Ἔτι ἐροῦσιν τὸν λόγον τοῦτον ἐν γῇ Ιουδα καὶ ἐν πόλεσιν αὐτοῦ, ὅταν ἀποστρέψω τὴν αἰχμαλωσίαν αὐτοῦ Εὐλογημένος κύριος ἐπὶ δίκαιον ὄρος τὸ ἅγιον αὐτοῦ 24 καὶ ἐνοικοῦντες ἐν ταῖς πόλεσιν Ιουδα καὶ ἐν πάσῃ τῇ γῇ αὐτοῦ ἅμα γεωργῷ, καὶ ἀρθήσεται ἐν ποιμνίῳ. 25 ὅτι ἐμέθυσα πᾶσαν ψυχὴν διψῶσαν καὶ πᾶσαν ψυχὴν πεινῶσαν ἐνέπλησα. 26 [I διὰ τοῦτο I] ἐξηγέρθην καὶ εἶδον, καὶ ὁ ὕπνος μου ἡδύς μοι ἐγενήθη. 27 [I διὰ τοῦτο I] ἰδοὺ ἡμέραι ἔρχονται, φησὶν κύριος, καὶ σπερῶ τὸν Ισραηλ καὶ τὸν Ιουδαν σπέρμα ἀνθρώπου καὶ σπέρμα κτήνους. 28 καὶ ἔσται ὥσπερ ἐγρηγόρουν ἐπʼ αὐτοὺς καθαιρεῖν καὶ κακοῦν, οὕτως γρηγορήσω ἐπʼ αὐτοὺς τοῦ οἰκοδομεῖν καὶ καταφυτεύειν, φησὶν κύριος. 29 ἐν ταῖς ἡμέραις ἐκείναις [I οὐ μὴ I] εἴπωσιν Οἱ πατέρες ἔφαγον ὄμφακα, καὶ οἱ ὀδόντες τῶν τέκνων ᾑμωδίασαν, 30 ἀλλʼ ἢ ἕκαστος ἐν τῇ ἑαυτοῦ ἁμαρτίᾳ ἀποθανεῖται, καὶ τοῦ φαγόντος τὸν ὄμφακα αἱμωδιάσουσιν οἱ ὀδόντες αὐτοῦ.
31 Ἰδοὺ ἡμέραι ἔρχονται, φησὶν κύριος, καὶ διαθήσομαι τῷ οἴκῳ Ισραηλ καὶ τῷ οἴκῳ Ιουδα διαθήκην καινήν, 32 οὐ κατὰ τὴν διαθήκην, ἣν διεθέμην τοῖς πατράσιν αὐτῶν ἐν ἡμέρᾳ ἐπιλαβομένου μου τῆς χειρὸς αὐτῶν ἐξαγαγεῖν αὐτοὺς ἐκ γῆς Αἰγύπτου, ὅτι αὐτοὶ οὐκ ἐνέμειναν ἐν τῇ διαθήκῃ μου, καὶ ἐγὼ ἠμέλησα αὐτῶν, φησὶν κύριος, 33 ὅτι αὕτη ἡ διαθήκη, ἣν διαθήσομαι τῷ οἴκῳ Ισραηλ μετὰ τὰς ἡμέρας ἐκείνας, φησὶν κύριος [I Διδοὺς δώσω I] νόμους μου εἰς τὴν διάνοιαν αὐτῶν καὶ ἐπὶ καρδίας αὐτῶν γράψω αὐτούς, καὶ ἔσομαι αὐτοῖς εἰς θεόν, καὶ αὐτοὶ ἔσονταί μοι εἰς λαόν, 34 καὶ [I οὐ μὴ I] διδάξωσιν ἕκαστος τὸν πολίτην αὐτοῦ καὶ ἕκαστος τὸν ἀδελφὸν αὐτοῦ λέγων Γνῶθι τὸν κύριον, ὅτι πάντες εἰδήσουσίν με ἀπὸ μικροῦ αὐτῶν καὶ ἕως μεγάλου αὐτῶν, ὅτι ἵλεως ἔσομαι ταῖς ἀδικίαις αὐτῶν καὶ τῶν ἁμαρτιῶν αὐτῶν [I οὐ μὴ I] μνησθῶ ἔτι. — 35 ἐὰν ὑψωθῇ ὁ οὐρανὸς [I εἰς τὸ μετέωρον I], φησὶν κύριος, καὶ ἐὰν ταπεινωθῇ τὸ ἔδαφος τῆς γῆς κάτω, καὶ ἐγὼ οὐκ ἀποδοκιμῶ τὸ γένος Ισραηλ, φησὶν κύριος, περὶ πάντων, ὧν ἐποίησαν. 36 οὕτως εἶπεν κύριος ὁ δοὺς τὸν ἥλιον εἰς φῶς τῆς ἡμέρας, σελήνην καὶ ἀστέρας εἰς φῶς τῆς νυκτός, καὶ κραυγὴν ἐν θαλάσσῃ καὶ ἐβόμβησεν τὰ κύματα αὐτῆς, κύριος παντοκράτωρ ὄνομα αὐτῷ 37 Ἐὰν παύσωνται οἱ νόμοι οὗτοι ἀπὸ προσώπου μου, φησὶν κύριος, καὶ τὸ γένος Ισραηλ παύσεται γενέσθαι ἔθνος κατὰ πρόσωπόν μου πάσας τὰς ἡμέρας. — 38 ἰδοὺ ἡμέραι ἔρχονται, φησὶν κύριος, καὶ οἰκοδομηθήσεται πόλις τῷ κυρίῳ ἀπὸ πύργου Αναμεηλ ἕως πύλης τῆς γωνίας, 39 καὶ ἐξελεύσεται ἡ διαμέτρησις αὐτῆς ἀπέναντι αὐτῶν ἕως βουνῶν Γαρηβ καὶ περικυκλωθήσεται κύκλῳ ἐξ ἐκλεκτῶν λίθων, 40 καὶ πάντες ασαρημωθ ἕως ναχαλ Κεδρων ἕως γωνίας πύλης ἵππων ἀνατολῆς ἁγίασμα τῷ κυρίῳ καὶ [I οὐκέτι οὐ μὴ I] ἐκλίπῃ καὶ [I οὐ μὴ I] καθαιρεθῇ ἕως τοῦ αἰῶνος.