BIJBELBOEK Klaagliederen - Kl01 - Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website

- Hebreeuwse tekst : http://www.mechon-mamre.org/p/pt/pt3201.htm .
- Griekse tekst - Septuaginta : http://www.myriobiblos.gr/bible/ot/chapter.asp?book=46&page=1 . Griekse tekst - Septuaginta .
- Vulgata : http://www.intratext.com/IXT/LAT0001/_PNQ.HTM . Vulgata .
- Statenvertaling : http://www.statenvertaling.net/bijbel/klaa/1.html . Statenvertaling .
- Willibrordvertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/index.php?p=page&i=56182,56203 . Willibrordvertaling .
- De Nieuwe Vertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/index.php?p=page&i=56182,56203 . De Nieuwe Vertaling .
- De Naardense bijbel : http://naardensebijbel.nl/zoek.php . De Naardense bijbel .
- Bible de Jérusalem : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Bible de JÚrusalem .
- King James Bible : http://quod.lib.umich.edu/cgi/k/kjv/kjv-idx?type=DIV1&byte=3052580 . King James Bible .
- Luther Bibel : http://www.die-bibel.de/online-bibeln/luther-bibel-1984/bibeltext/bibelstelle/Klagelieder%201/bibel/text/lesen/ch/7e75c06c1dfb57b34c73e56176f6d3c8/ . Luther Bibel .

- Kl - Kl 1 - Kl 2 - Kl 3 - Kl 4 - Kl 5 -

- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -

Overzicht van Tenach : Tenach : overzicht , Tenach : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenach : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,
Overzicht NT
: NT : overzicht , NT : taalgebruik - NT A - NT B - NT C - NT D - NT E - NT F - NT G - NT H - NT I - NT J - NT K - NT L - NT M - NT N - NT O - NT P - NT Q - NT R - NT S - NT T - NT U - NT V - NT W - NT X - NT Y - NT Z - NT : commentaar .

Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   Arabisch : http://wjsn.home.xs4all.nl/arab.htm    4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. http://naardensebijbel.nl/zoek.php .
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing  

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , getallen , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Bibliografie :
Literatuur
Liturgisch gebruik

Overzicht van de bijbelboeken - bijbeloverzicht -- taalgebruik -
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


- Kl 1,1-22 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -

Kl 1,1 - Kl 1,1 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
ΚΑΙ ἐγένετο μετὰ τὸ αἰχμαλωσθῆναι τὸν ᾿Ισραήλ, καὶ ῾Ιερουσαλὴμ ἐρημωθῆναι, ἐκάθισεν ῾Ιερεμίας κλαίων, καὶ ἐθρήνησε τὸν θρῆνον τοῦτον ἐπὶ ῾Ιερουσαλὴμ καὶ εἶπε· 1 Πῶς ἐκάθισε μόνη ἡ πόλις ἡ πεπληθυμμένη λαῶν; ἐγενήθη ὡς χήρα πεπληθυμμένη ἐν ἔθνεσιν, ἄρχουσα ἐν χώραις ἐγενήθη εἰς φόρον. 1 ALEPH quomodo sedit sola civitas plena populo facta est quasi vidua domina gentium princeps provinciarum facta est sub tributo   1 Aleph. Hoe zit die stad zo eenzaam, die vol volks was, zij is als een weduwe geworden, zij, die groot was onder de heidenen, een vorstin onder de landschappen, is cijnsbaar geworden. 1 Wie heeft ooit zo geleden? [1] Ach , hoe eenzaam is de dichtbevolkte stad. De heerseres over de volken is nu een weduwe, de vorstin van de gewesten is nu ondergeschikt. [1] Ach, hoe eenzaam zit zij neer, de eens zo levendige stad. Een weduwe is ze geworden, zij die groot was onder de volken, de vorstin van de gewesten is tot slavernij vervallen. 1:1 Ach, hoe eenzaam zit zij neer, die stad eens zo fier vol mensen, als een weduwe is zij geworden,- eens zo fier onder volken, eens vorstin van de gewesten is zij nu dwangarbeidster geworden. 1. Quoi! elle est assise à l'écart, la Ville populeuse! Elle est devenue comme une veuve, la grande parmi les nations. Princesse parmi les provinces, elle est réduite à la corvée.

King James Bible . [1] How doth the city sit solitary, that was full of people how is she become as a widow she that was was great among the nations, and princess among the provinces, how is she become tributary
Luther-Bibel . 1.1Wie liegt die Stadt so verlassen, die voll Volks war! Sie ist wie eine Witwe, die Fürstin unter den Völkern, und die eine Königin in den Ländern war, muss nun dienen.

Tekstuitleg van Kl 1,1 . Het vers Kl 1,1 telt 14 (2 X 7) woorden en 58 (2 X 29) letters . De getalwaarde van Kl 1,1 is 4581 (3² X 509) .

Kl 1,1.1. ´e(j)khâh (hoe) . Taalgebruik in Tenakh : ´e(j)khâh (hoe) . ajkh Tenakh (18) . ´e(j)khâh (hoe) . Tenakh (16) : (1) Dt 1,12 . (2) Dt 7,17 . (3) Dt 12,30 . (4) Dt 18,21 . (5) Dt 32,30 . (6) Re 20,3 . (7) 2 K 6,15 . (8) Js 1,21 . (9) Jr 8,8 . (10) Jr 48,17 . (11) Ps 73,11 . (12) Hl 1,7 . (13) Kl 1,1 . (14) Kl 2,1 . (15) Kl 4,1 . (16) Kl 4,2 .

Kl 1,1.4. hâ`îr (de stad) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. `îr (stad) . Taalgebruik in Tenakh : `îr (stad) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , jod = 10 , resj = 20 of 200 ; totaal : 46 (2 X 23) OF 280 (2³ X 5 X 7) . Structuur : 7 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 10 -> 1 . Tenakh (283) . Pentateuch (34) . Eerdere Profeten (138) . Latere Profeten (73) . 12 Kleine Profeten (9) . Alle Profet. boeken (220) . Geschriften (29) . Kl (2) : (1) Kl 1,1 . (2) Kl 2,15 .

Kl 1,2 - Kl 1,2 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
2 Κλαίουσα ἔκλαυσεν ἐν νυκτί, καὶ τὰ δάκρυα αὐτῆς ἐπὶ τῶν σιαγόνων αὐτῆς, καὶ οὐχ ὑπάρχει ὁ παρακαλῶν αὐτὴν ἀπὸ πάντων τῶν ἀγαπώντων αὐτήν· πάντες οἱ φιλοῦντες αὐτὴν ἠθέτησαν ἐν αὐτῇ, ἐγένοντο αὐτῇ εἰς ἐχθρούς. 2 BETH plorans ploravit in nocte et lacrimae eius in maxillis eius non est qui consoletur eam ex omnibus caris eius omnes amici eius spreverunt eam et facti sunt ei inimici   2 Beth. Zij weent steeds des nachts, en haar tranen lopen over haar kinnebakken; zij heeft geen trooster onder al haar liefhebbers; al haar vrienden hebben trouwelooslijk met haar gehandeld, zij zijn haar tot vijanden geworden. [2] Iedere nacht weent zij hardop, de tranen stromen over haar wangen. Geen van haar minnaars* komt haar nog troosten; alle vrienden werden ontrouw, nu zijn ze haar vijanden. [2] Heel de nacht weent zij, haar wangen zijn nat van tranen. Er is niemand die haar troost, niemand van haar vele minnaars; geen vriend bleef haar trouw, allen zijn haar vijandig gezind. 1:2 Bitter weent en weent zij in de nacht, haar tranen stromen haar over de wangen, van al haar minnaars is er geen die haar troost; al haar gezellen werden haar ontrouw, zijn haar tot vijanden geworden. •• 2. Elle passe des nuits à pleurer et les larmes couvrent ses joues. Pas un qui la console parmi tous ses amants. Tous ses amis l'ont trahie, devenus ses ennemis!

King James Bible . [2] She weepeth sore in the night, and her tears are on her cheeks: among all her lovers she hath none to comfort her: all her friends have dealt treacherously with her, they are become her enemies.
Luther-Bibel . 2Sie weint des Nachts, dass ihr die Tränen über die Backen laufen. Es ist niemand unter allen ihren Liebhabern, der sie tröstet. Alle ihre Freunde sind ihr untreu und ihre Feinde geworden.

Tekstuitleg van Kl 1,2 . Het vers Kl 1,2 telt 18 (2 X 3²) woorden en 64 (2³ X 2³) letters . De getalwaarde van Kl 1,2 is 2063 (priemgetal) .

Kl 1,2.1. bâkhâh (weeklagen, wenen) . Taalgebruik in Tenakh : bâkhâh (weeklagen, wenen) . Getalwaarde : beth = 2 , kaph = 11 of 20 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 27 (3³) . Structuur : 2 - 2 - 5 . De som van de elementen is 9 . b-kh-h . (1) act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. bâkhâh (hij weent) . (2) act. qal part. mann. enk. bokhèh (wenende) . (3) prefix voorzetsel bë + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. bëkhâh (in jou) . (4) prefix voorzetsel bë + bijwoord bëkhoh (op zo) . (5) zelfst. naamw. bèkèh (geween) . Tenakh (10) : (1) Gn 45,14 . (2) Ex 2,6 . (3) Nu 11,10 . (4) 2 S 19,2 . (5) 2 S 22,30 . (6) 1 K 22,20 . (7) 2 K 8,12 . (8) Hos 12,5 . (9) Ps 141,8 . (10) Ezr 10,1 . b-kh-w . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. mv. bâkhû (zij wenen) . Tenakh (6) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) .

Kl 1,2.5. `al (op, overeenkomstig, omwille van) . Taalgebruik in Tenakh : `al (op, overeenkomstig) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70, lamed = 12 of 30 ; totaal : 28 (2² X 7) of 100 (2² X 5²) . Structuur : 7 - 3 . Tenakh (3075) . Pentateuch (828) . Eerdere Profeten (616) . Latere Profeten (585) . 12 Kleine Profeten (186) . Geschriften (860) . Kl (25) : (1) Kl 1,2 . (2) Kl 1,5 . (3) Kl 1,7 . (4) Kl 1,8 . (5) Kl 1,10 . (6) Kl 1,14 . (7) Kl 1,16 . (8) Kl 1,22 . (9) Kl 2,10 . (10) Kl 2,11 . (11) Kl 2,14 . (12) Kl 2,15 . (13) Kl 2,19 . (14) Kl 3,21 . (15) Kl 3,24 . (16) Kl 3,27 . (17) Kl 3,39 . (18) Kl 3,48 . (19) Kl 3,54 . (20) Kl 4,8 . (21) Kl 4,19 . (22) Kl 4,22 . (23) Kl 5,5 . (24) Kl 5,17 . (25) Kl 5,18 .

Kl 1,2.7. ´ajin (er is niet) . Stat. constr. ´e(j)n . Taalgebruik in Tenakh : ´ajin (er is niet) . Getalwaarde : aleph = 1 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 25 (5²) OF 61 (priemgetal) . Structuur : 1 - 1 - 5 . Tenakh (362) . Pentateuch (74) . Eerdere Profeten (77) . Latere Profeten (63) . 12 Kleine Profeten (25) . Geschriften (123) . Kl (8) : (1) Kl 1,2 . (2) Kl 1,9 . (3) Kl 1,17 . (4) Kl 1,21 . (5) Kl 2,9 . (6) Kl 4,4 . (7) Kl 5,3 . (8) Kl 5,8 .

Kl 1,2.9. mënahem (troostende) < act. piël part. mann. enk. van het werkw. nâcham (berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten) . Taalgebruik in Tenakh : nâcham (berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , chet = 8 , mem = 13 of 40 : totaal : 35 (5 X 7) OF 98 (2 X 7²) . (1) De persoonsnaam Menachem . (2) deelw. Tenakh (6) : (1) Kl 1,2 . (2) Kl 1,9 . (3) Kl 1,16 . (4) Kl 1,17 . (5) Kl 1,21 . (6) Pr 4,1 . Zie ook Kl 2,13 .

Kl 1,2.7. - 9. ´e(j)n mënahem lâh (er is geen troostende voor haar = er is niemand die haar troost) . (1) Kl 1,2 : ´e(j)n lâh mënahem (er is geen troostende voor haar = er is niemand die haar troost . (2) Kl 1,9 . (3) Kl 1,17 . (5) Kl 1,21 = ´e(j)n mënahem lî (er is geen troostende voor mij = er is niemand die mij troost) .

Kl 1,3 - Kl 1,3 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
3 Μετῳκίσθη ᾿Ιουδαία ἀπὸ ταπεινώσεως αὐτῆς καὶ ἀπὸ πλήθους δουλείας αὐτῆς· ἐκάθισεν ἐν ἔθνεσιν, οὐχ εὗρεν ἀνάπαυσιν· πάντες οἱ καταδιώκοντες αὐτὴν κατέλαβον αὐτὴν ἀναμέσον τῶν θλιβόντων. 3 GIMEL migravit Iuda propter adflictionem et multitudinem servitutis habitavit inter gentes nec invenit requiem omnes persecutores eius adprehenderunt eam inter angustias   3 Gimel. Juda is in gevangenis gegaan vanwege de ellende, en vanwege de veelheid der dienstbaarheid; zij woont onder de heidenen, zij vindt geen rust; al haar vervolgers achterhalen ze tussen de engten. [3] Geknecht, onderdrukt en verbannen* leeft Juda onder de volken, ze vindt geen rust, door de achtervolgers werd ze ingehaald en in het nauw gedreven. [3] Juda is verbannen na een tijd van nood en zware onderdrukking; zij zit neer te midden van de volken, maar vindt geen rust: haar vervolgers belagen haar, drijven haar in het nauw. 1:3 Geteisterd door ellende, overmand door knechtschap, is Juda een balling geworden, zit zij neer tussen de volkeren, heeft zij geen troost kunnen vinden; al haar achtervolgers haalden haar in tussen haar benauwers. •• 3. Juda est exilée, soumise à l'oppression, à une dure servitude. Elle demeure chez les nations sans trouver de répit. Tous ses poursuivants l'atteignent en des lieux sans issue.

King James Bible . [3] Judah is gone into captivity because of affliction, and because of great servitude: she dwelleth among the heathen, she findeth no rest: all her persecutors overtook her between the straits.
Luther-Bibel . 3Juda ist gefangen in Elend und schwerem Dienst, es wohnt unter den Heiden und findet keine Ruhe; alle seine Verfolger kommen heran und bedrängen es.

Tekstuitleg van Kl 1,3 . Het vers Kl 1,3 telt 16 (2² X 2²) woorden en 65 (5 X 13) letters . De getalwaarde van Kl 1,3 is 2757 (3 X 919) .

Kl 1,3.1. act. qal perf. 3de pers. vrouw. enk. gâlëthâh (zij werd in ballingschap weggevoerd) van het werkw. gâlâh (openen, ontbloten, openbaren, in ballingschap weggevoerd worden) . Taalgebruik in Tenakh : gâlâh (openen, ontbloten, openbaren) . Getalwaarde : gimel = 3 , lamed = 12 of 30 , he = 5 ; totaal : 20 (2² X 5) of 38 (2 X 19) . Structuur : 3 - 3 - 5 . Tenakh (1) : Kl 1,3 . Zie in Kl ook naar : (1) Kl 2,14 . (2) Kl 4,22 .
- act. piël perf. 3de pers. mv. gillû (zij openbaren) van het werkw. g-l-h . Tenakh (7) . Tenakh (2) : (1) Ez 23,10 . (2) Kl 2,14 .
- lëhagëlôthekh (om je in ballingschap te doen gaan) < prefix voorzetsel lë (om) + werkwoordvorm actief hifil inf. construct. + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. vr. enk. van het werkw. Ternakh (1) : Kl 4,22 .

Kl 1,3.2. jëhûdâh (Juda) . Taalgebruik in Tenakh : jëhûdâh (Juda) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , daleth = 4 ; totaal : 24 (2³ X 3) . Structuur : 1 - 5 - 4 - 5 . Tenakh (633) . Pentateuch (40) . Eerdere Profeten (178) . Latere Profeten (190) . 12 Kleine Profeten (53) . Geschriften (172) . Kl (5) : (1) Kl 1,3 . (2) Kl 1,15 . (3) Kl 2,2 . (4) Kl 2,5 . (5) Kl 5,11 .

Kl 1,3.2.4. ûmerobh (uit de veelheid) < prefix verbindingswoord wë + prefix voorzetsel mn (assimilatie) + zelfst. naamw. . r-b . bijvoegl. naamw. rabh (veel, talrijk, groot) . zelfst. naamw. robh . Zie : Taalgebruik in Tenakh : rabh (veel, talrijk, groot) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , beth = 2 ; totaal : 22 (2X 11) OF 202 (2 X 101) . Structuur : 2 - 2 . Tenakh (2) : (1) Js 24,22 . (2) Kl 1,3 .

Kl 1,3.9. lo´ (niet) . Taalgebruik in Tenakh : lo´(niet) . Taalgebruik in Jesaja : lo´(niet) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld). De getalwaarde van lo´ is de helft van de getalwaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2 . Tenakh (2767) . Pentateuch (801) . Eerdere Profeten (456) . Latere Profeten (611) . 12 Kleine Profeten (150) . Geschriften (749) . Kl (25) : (1) Kl 1,3 . (2) Kl 1,6 . (3) Kl 1,9 . (4) Kl 1,10 . (5) Kl 1,14 . (6) Kl 2,2 . (7) Kl 2,8 . (8) Kl 2,9 . (9) Kl 2,21 . (10) Kl 3,22 . (11) Kl 3,31 . (12) Kl 3,33 . (13) Kl 3,36 . (14) Kl 3,37 . (15) Kl 3,38 . (16) Kl 3,42 . (17) Kl 3,43 . (18) Kl 4,8 . (19) Kl 4,12 . (20) Kl 4,15 . (21) Kl 4,16 . (22) Kl 4,17 . (23) Kl 4,22 . (24) Kl 5,5 . (25) Kl 5,12 .
- wëlo´ (en niet) < prefix verbindingswoord wë + . Tenakh (1381) . Pentateuch (325) . Eerdere Profeten (278) . Latere Profeten (323) . 12 Kleine Profeten (90) . Geschriften (365) . Kl (8) : (1) Kl 2,1 . (2) Kl 2,14 . (3) Kl 2,17 . (4) Kl 2,22 . (5) Kl 3,2 . (6) Kl 3,7 . (7) Kl 3,49 . (8) Kl 4,6 .

Kl 1,3.9. - 10. lo´ mâtsë´âh (zij vond niet) . Tenakh (2) : (1) Lv 23,28 . (2) Kl 1,3 .

Kl 1,4 - Kl 1,4 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
4 ῾Οδοὶ Σιὼν πενθοῦσι παρὰ τὸ μὴ εἶναι ἐρχομένους ἐν ἑορτῇ· πᾶσαι αἱ πύλαι αὐτῆς ἠφανισμέναι, οἱ ἱερεῖς αὐτῆς ἀναστενάζουσιν, αἱ παρθένοι αὐτῆς ἀγόμεναι, καὶ αὐτὴ πικραινομένη ἐν ἑαυτῇ. 4 DELETH viae Sion lugent eo quod non sint qui veniant ad sollemnitatem omnes portae eius destructae sacerdotes eius gementes virgines eius squalidae et ipsa oppressa amaritudine   4 Daleth. De wegen Sions treuren, omdat niemand op het feest komt; al haar poorten zijn woest, haar priesters zuchten: haar jonkvrouwen zijn bedroefd, en zij zelve is in bitterheid. [4] Hoe troosteloos zijn de wegen naar Sion, er komen geen feestgangers meer; de poorten liggen in puin, de priesters klagen, de meisjes treuren: de stad is rampzalig. [4] De wegen naar Sion treuren, er zijn geen feestgangers meer. Haar poorten liggen verlaten, haar priesters zuchten, haar meisjes zijn bedroefd. En zijzelf: bitter is haar lot. 1:4 De wegen naar Sion zijn in rouw, omdat weg zijn wie eens naar de samenkomst kwamen, al haar poorten liggen verlaten, haar priesters zuchten en steunen; haar jonkvrouwen zijn een en al droefheid en zijzelf: bitter is het haar. •• 4. Les chemins de Sion sont en deuil, nul ne vient plus à ses fêtes. Toutes ses portes sont désertes, ses prêtres gémissent, ses vierges se désolent. Elle est dans l'amertume!

King James Bible . [4] The ways of Zion do mourn, because none come to the solemn feasts: all her gates are desolate: her priests sigh, her virgins are afflicted, and she is in bitterness.
Luther-Bibel . 4Die Straßen nach Zion liegen wüst, weil niemand auf ein Fest kommt. Alle Tore der Stadt stehen öde, ihre Priester seufzen, ihre Jungfrauen sehen jammervoll drein, und sie ist betrübt.

Tekstuitleg van Kl 1,4 . Het vers Kl 1,4 telt 16 (2² X 2²) woorden en 68 (2² X 17) letters . De getalwaarde van Kl 1,4 is 3989 (priemgetal) .

Kl 1,4.2. tsijjôn (Sion) . Taalgebruik in Tenakh : tsijjôn (Sion) . Taalgebruik in Jesaja : tsijjôn (Sion) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , jod = 10 , waw = 6 , nun = 14 of 50 ; totaal : 48 (2³ X 2 X 3) OF 156 (2³ X 3 X 13 OF 6 X 26) . Structuur : 9 - 1 - 6 - 5 . Tenakh (108) . Pentateuch (0) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (47) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (38) . Kl (12) : (1) Kl 1,4 . (2) Kl 1,6 . (3) Kl 1,17 . (4) Kl 2,1 . (5) Kl 2,4 . (6) Kl 2,8 . (7) Kl 2,10 . (8) Kl 2,13 . (9) Kl 2,18 . (10) Kl 4,2 . (11) Kl 4,22 . (12) Kl 5,18 .

Kl 1,5 - Kl 1,5 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
5 ᾿Εγένοντο οἱ θλίβοντες αὐτὴν εἰς κεφαλήν, καὶ οἱ ἐχθροὶ αὐτῆς εὐθηνοῦσαν, ὅτι Κύριος ἐταπείνωσεν αὐτὴν ἐπὶ τὸ πλῆθος τῶν ἀσεβειῶν αὐτῆς· τὰ νήπια αὐτῆς ἐπορεύθησαν ἐν αἰχμαλωσίᾳ κατὰ πρόσωπον θλίβοντος. 5 HE facti sunt hostes eius in capite inimici illius locupletati sunt quia Dominus locutus est super eam propter multitudinem iniquitatum eius parvuli eius ducti sunt captivi ante faciem tribulantis   5 He. Haar tegenpartijders zijn ten hoofd geworden, haar vijanden zijn gerust; omdat haar de HEERE bedroefd heeft, vanwege de veelheid harer overtredingen; haar kinderkens gaan henen in de gevangenis voor het aangezicht des tegenpartijders. [5] De overheersers zijn gelukkig: de stad is in hun macht. Vanwege haar vele misdaden heeft de heer haar geslagen. De kinderen lopen gevangen voor de vijand uit. [5] Haar vijanden zijn heer en meester, zo zeker van zichzelf. De HEER heeft haar dit aangedaan om haar vele overtredingen. Haar kinderen zijn gevangen weggevoerd, voor de vijand uit. 1:5 En haar benauwers zijn aan het hoofd gekomen, haar vijanden tevreden gesteld, omdat de Ene haar in droefheid gestort heeft om de overvloed van haar misdaden; haar kindertjes zijn gekerkerd bij de verschijning van een benauwer. •• 5. Ses oppresseurs ont le dessus, ses ennemis sont heureux, car Yahvé l'a affligée pour ses nombreux crimes; ses petits enfants sont partis captifs devant l'oppresseur.

King James Bible . [5] Her adversaries are the chief, her enemies prosper; for the LORD hath afflicted her for the multitude of her transgressions: her children are gone into captivity before the enemy.
Luther-Bibel . 5Ihre Widersacher sind obenauf, ihren Feinden geht's gut; denn der HERR hat über die Stadt Jammer gebracht um ihrer großen Sünden willen, und ihre Kinder sind gefangen vor dem Feind dahingezogen.

Tekstuitleg van Kl 1,5 . Het vers Kl 1,5 telt 16 (2² X 2²) woorden en 57 (3 X 19) letters . De getalwaarde van Kl 1,5 is 3047 (11 X 277) .

Kl 1,5.6. kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Structuur : 2 - 1 . Tenakh (3849) . Pentateuch (884) . Eerdere Profeten (726) . Latere Profeten (841) . 12 Kleine Profeten (241) . Geschriften (1157) . Kl (25) : (1) Kl 1,5 . (2) Kl 1,8 . (3) Kl 1,9 . (4) Kl 1,10 . (5) Kl 1,11 . (6) Kl 1,16 . (7) Kl 1,18 . (8) Kl 1,19 . (9) Kl 1,20 . (10) Kl 1,21 . (11) Kl 1,22 . (12) Kl 2,13 . (13) Kl 3,8 . (14) Kl 3,22 . (15) Kl 3,27 . (16) Kl 3,28 . (17) Kl 3,31 . (18) Kl 3,32 . (19) Kl 3,33 . (20) Kl 4,3 . (21) Kl 4,12 . (22) Kl 4,15 . (23) Kl 4,18 . (24) Kl 5,16 . (25) Kl 5,22 .

Kl 1,5.7. JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Kl (30) : (1) Kl 1,5 . (2) Kl 1,9 . (3) Kl 1,11 . (4) Kl 1,12 . (5) Kl 1,17 . (6) Kl 1,18 . (7) Kl 1,20 . (8) Kl 2,6 . (9) Kl 2,7 . (10) Kl 2,8 . (11) Kl 2,17 . (12) Kl 2,20 . (13) Kl 2,22 . (14) Kl 3,22 . (15) Kl 3,24 . (16) Kl 3,25 . (17) Kl 3,26 . (18) Kl 3,40 . (19) Kl 3,50 . (20) Kl 3,55 . (21) Kl 3,59 . (22) Kl 3,61 . (23) Kl 3,64 . (24) Kl 3,66 . (25) Kl 4,11 . (26) Kl 4,16 . (27) Kl 4,20 . (28) Kl 5,1 . (29) Kl 5,19 . (30) Kl 5,21 .

Kl 1,5.9. `al (op, overeenkomstig, omwille van) . Taalgebruik in Tenakh : `al (op, overeenkomstig) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70, lamed = 12 of 30 ; totaal : 28 (2² X 7) of 100 (2² X 5²) . Structuur : 7 - 3 . Tenakh (3075) . Pentateuch (828) . Eerdere Profeten (616) . Latere Profeten (585) . 12 Kleine Profeten (186) . Geschriften (860) . Kl (25) : (1) Kl 1,2 . (2) Kl 1,5 . (3) Kl 1,7 . (4) Kl 1,8 . (5) Kl 1,10 . (6) Kl 1,14 . (7) Kl 1,16 . (8) Kl 1,22 . (9) Kl 2,10 . (10) Kl 2,11 . (11) Kl 2,14 . (12) Kl 2,15 . (13) Kl 2,19 . (14) Kl 3,21 . (15) Kl 3,24 . (16) Kl 3,27 . (17) Kl 3,39 . (18) Kl 3,48 . (19) Kl 3,54 . (20) Kl 4,8 . (21) Kl 4,19 . (22) Kl 4,22 . (23) Kl 5,5 . (24) Kl 5,17 . (25) Kl 5,18 .

Kl 1,6 - Kl 1,6 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
6 Καὶ ἐξῄρθη ἐκ θυγατρὸς Σιὼν πᾶσα ἡ εὐπρέπεια αὐτῆς· ἐγένοντο οἱ ἄρχοντες αὐτῆς ὡς κριοὶ οὐχ εὑρίσκοντες νομὴν καὶ ἐπορεύοντο ἐν οὐκ ἰσχύϊ κατὰ πρόσωπον διώκοντος. 6 VAV et egressus est a filia Sion omnis decor eius facti sunt principes eius velut arietes non invenientes pascuam et abierunt absque fortitudine ante faciem subsequentis   6 Vau. En van de dochter Sions is al haar sieraad weggegaan; haar vorsten zijn als de herten, die geen weide vinden, en zij gaan krachteloos henen voor het aangezicht des vervolgers. [6] De trots van Sion is uit haar verdwenen. Haar edelen zijn als herten zonder voedsel: uitgeput lopen ze voor de jagers uit. [6] Sion heeft al haar glans verloren. Haar leiders zijn als herten die geen weidegrond meer vinden. Ze zijn gevlucht, van al hun kracht beroofd, voor hun vervolgers uit. 1:6 Fleur en luister, het is alles weg van Sions dochter,- geworden zijn haar vorsten als herten die geen weide wisten te vinden, beroofd van kracht gaan zij heen bij de verschijning van een achtervolger. •• 6. De la fille de Sion s'est retirée toute sa splendeur. Ses princes étaient comme des cerfs qui ne trouvent point de pâture; ils cheminaient sans force devant qui les chassait.

King James Bible . [6] And from the daughter of Zion all her beauty is departed: her princes are become like harts that find no pasture, and they are gone without strength before the pursuer.
Luther-Bibel . 6Es ist von der Tochter Zion aller Schmuck dahin. Ihre Fürsten sind wie Hirsche, die keine Weide finden und matt vor dem Verfolger herlaufen.

Tekstuitleg van Kl 1,6 . Het vers Kl 1,6 telt 17 woorden en 58 (2 X 29) letters . De getalwaarde van Kl 1,6 is 2652 (2² X 3 X 13 X 17) .

Kl 1,6.3. bath (dochter) . Taalgebruik in Tenakh : bath (dochter) . Getalwaarde : beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 24 (2³ X 3) OF 402 (2 X 3 X 67) . Structuur : 2 - 4 . Tenakh (193) . Pentateuch (51) . Sef (2) : (1) Sef 3,10 . (2) Sef 3,14 . Kl (17) : (1) Kl 1,6 . (2) Kl 1,15 . (3) Kl 2,1 . (4) Kl 2,2 . (5) Kl 2,4 . (6) Kl 2,8 . (7) Kl 2,10 . (8) Kl 2,11 . (9) Kl 2,13 . (10) Kl 2,15 . (11) Kl 2,18 . (12) Kl 3,48 . (13) Kl 4,3 . (14) Kl 4,6 . (15) Kl 4,10 . (16) Kl 4,21 . (17) Kl 4,22 .
- Gr. thugatèr (dochter) . Taalgebruik in de LXX : thugatèr (dochter) . Taalgebruik in het NT : thugatèr (dochter) . Een vorm van thugatèr (dochter) in de LXX (641) , in het NT (28) .
- Lat. filia . Fr. la fille . E. daughter . D. Tochter .

Kl 1,6.4. tsijjôn (Sion) . Taalgebruik in Tenakh : tsijjôn (Sion) . Taalgebruik in Jesaja : tsijjôn (Sion) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , jod = 10 , waw = 6 , nun = 14 of 50 ; totaal : 48 (2³ X 2 X 3) OF 156 (2³ X 3 X 13 OF 6 X 26) . Structuur : 9 - 1 - 6 - 5 . Tenakh (108) . Pentateuch (0) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (47) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (38) . Kl (12) : (1) Kl 1,4 . (2) Kl 1,6 . (3) Kl 1,17 . (4) Kl 2,1 . (5) Kl 2,4 . (6) Kl 2,8 . (7) Kl 2,10 . (8) Kl 2,13 . (9) Kl 2,18 . (10) Kl 4,2 . (11) Kl 4,22 . (12) Kl 5,18 .

Kl 1,6.10. lo´ (niet) . Taalgebruik in Tenakh : lo´(niet) . Taalgebruik in Jesaja : lo´(niet) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld). De getalwaarde van lo´ is de helft van de getalwaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2 . Tenakh (2767) . Pentateuch (801) . Eerdere Profeten (456) . Latere Profeten (611) . 12 Kleine Profeten (150) . Geschriften (749) . Kl (25) : (1) Kl 1,3 . (2) Kl 1,6 . (3) Kl 1,9 . (4) Kl 1,10 . (5) Kl 1,14 . (6) Kl 2,2 . (7) Kl 2,8 . (8) Kl 2,9 . (9) Kl 2,21 . (10) Kl 3,22 . (11) Kl 3,31 . (12) Kl 3,33 . (13) Kl 3,36 . (14) Kl 3,37 . (15) Kl 3,38 . (16) Kl 3,42 . (17) Kl 3,43 . (18) Kl 4,8 . (19) Kl 4,12 . (20) Kl 4,15 . (21) Kl 4,16 . (22) Kl 4,17 . (23) Kl 4,22 . (24) Kl 5,5 . (25) Kl 5,12 .
- wëlo´ (en niet) < prefix verbindingswoord wë + . Tenakh (1381) . Pentateuch (325) . Eerdere Profeten (278) . Latere Profeten (323) . 12 Kleine Profeten (90) . Geschriften (365) . Kl (8) : (1) Kl 2,1 . (2) Kl 2,14 . (3) Kl 2,17 . (4) Kl 2,22 . (5) Kl 3,2 . (6) Kl 3,7 . (7) Kl 3,49 . (8) Kl 4,6 .

Kl 1,6.10. -11. lo´ mâtsë´û (zij vonden niet) . Tenakh (4) : (1) Job 32,3 . (2) Jr 14,3 . (3) Kl 1,6 . (4) Kl 2,9 .

Kl 1,7 - Kl 1,7 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
7 ᾿Εμνήσθη ῾Ιερουσαλὴμ ἡμερῶν ταπεινώσεως αὐτῆς καὶ ἀπωσμῶν αὐτῆς· πάντα τὰ ἐπιθυμήματα αὐτῆς, ὅσα ἦν ἐξ ἡμερῶν ἀρχαίων, ἐν τῷ πεσεῖν τὸν λαὸν αὐτῆς εἰς χεῖρας θλίβοντος καὶ οὐκ ἦν ὁ βοηθῶν αὐτῇ, ἰδόντες οἱ ἐχθροὶ αὐτῆς ἐγέλασαν ἐπὶ μετοικεσίᾳ αὐτῆς. 7 ZAI recordata est Hierusalem dierum adflictionis suae et praevaricationis omnium desiderabilium suorum quae habuerat a diebus antiquis cum caderet populus eius in manu hostili et non esset auxiliator viderunt eam hostes et deriserunt sabbata eius   7 Zain. Jeruzalem is, in de dagen harer ellende en harer veelvuldige ballingschap, indachtig aan al haar gewenste dingen, die zij van oude dagen af gehad heeft; dewijl haar volk door de hand des tegenpartijders valt, en zij geen helper heeft; de tegenpartijders zien haar aan, zij spotten met haar rustdagen. [7] Jeruzalem blijft denken aan de rampen van de verbanning en de rijkdom van vroeger. Het zwaard van de vijand sloeg de bewoners neer, ze werden door niemand gesteund, ze werden bespot in hun ondergang. [7] Jeruzalem denkt ten tijde van haar nood en haar zwervend bestaan aan alle kostbaarheden die zij vanouds bezat. Toen haar volk in handen van de vijand viel, schoot niemand haar te hulp; de vijanden die haar zagen, lachten om haar ondergang. 1:7 Gedenken zal Jeruzalem in de dagen van haar vernedering en ontheemdheid, alle kostbaarheden die zij had sinds de dagen van weleer,- tot haar gemeenschap in handen viel van een benauwer, en niemand haar te hulp kwam; toen die verdrukkers haar zagen lachten ze om haar ongeluk. •• 7. Jérusalem se souvient de ses jours de misère et de détresse, quand son peuple succombait aux coups de l'adversaire sans que nul la secourût. Ses adversaires la voyaient, il riaient de sa ruine.

King James Bible . [7] Jerusalem remembered in the days of her affliction and of her miseries all her pleasant things that she had in the days of old, when her people fell into the hand of the enemy, and none did help her: the adversaries saw her, and did mock at her sabbaths.
Luther-Bibel . 7Jerusalem denkt in dieser Zeit, da sie elend und verlassen ist, wie viel Gutes sie von alters her gehabt hat, wie aber all ihr Volk daniedersank unter des Feindes Hand und ihr niemand half. Ihre Feinde sehen auf sie herab und spotten über ihren Untergang.

Tekstuitleg van Kl 1,7 . Het vers Kl 1,7 telt 23 woorden en 86 (2 X 43) letters . De getalwaarde van Kl 1,7 is 4988 (2 X 29 X 43) .

Kl 1,7.2. jërûsjâlaim (Jeruzalem) . Taalgebruik in Tenakh : jërûsjâlaim (Jeruzalem) . Getalwaarde : jod = 10 , resj = 20 of 200 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , mem = 13 of 40 ; totaal : 82 (2 X 41) OF 586 (2 X 293) . Structuur : 1 - 2 - 6 -3 - 3 - 4 . Tenakh (336) . Pentateuch (0) . Eerdere Profeten (66) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (38) . Geschriften (116) . Kl (7) : (1) Kl 1,7 . (2) Kl 1,8 . (3) Kl 1,17 . (4) Kl 2,10 . (5) Kl 2,13 . (6) Kl 2,15 . (7) Kl 4,12 .

Kl 1,7.16. wë´e(j)n (en er is niet) < wë + ´ajin (er is niet) . Stat. constr. ´e(j)n . Taalgebruik in Tenakh : ´ajin (er is niet) . Getalwaarde : aleph = 1 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 25 (5²) OF 61 (priemgetal) . Structuur : 1 - 1 - 5 . Tenakh (211) . Pentateuch (20) . Eerdere Profeten (25) . Latere Profeten (68) . 12 Kleine Profeten (18) . Alle Profet. boeken (111) . Geschriften (80) . Kl (1) : Kl 1,7 .

Kl 1,8 - Kl 1,8 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
8 ῾Αμαρτίαν ἥμαρτεν ᾿Ιερουσαλήμ, διὰ τοῦτο εἰς σάλον ἐγένετο· πάντες οἱ δοξάζοντες αὐτὴν ἐταπείνωσαν αὐτήν, εἶδον γὰρ τὴν ἀσχημοσύνην αὐτῆς, καί γε αὐτὴ στενάζουσα καὶ ἀπεστράφη ὀπίσω. 8 HETH peccatum peccavit Hierusalem propterea instabilis facta est omnes qui glorificabant eam spreverunt illam quia viderunt ignominiam eius ipsa autem gemens et conversa retrorsum   8 Cheth. Jeruzalem heeft zwaarlijk gezondigd, daarom is zij als een afgezonderde vrouw geworden; allen, die haar eerden, achten haar onwaard, dewijl zij haar naaktheid gezien hebben; zij zucht ook, en zij is achterwaarts gekeerd. [8] Vanwege haar zonden werd Jeruzalem een mikpunt van spot. Haar vereerders zagen haar naaktheid, nu verachten ze haar. Ze lijdt daaronder en wendt zich af. [8] Haar zware zonden maakten Jeruzalem tot een voorwerp van spot; wie haar eerden, verachten haar, nu ze haar naaktheid zien. En zij, zij kreunt en zucht en wendt zich af. 1:8 Haar zonde en nog eens zonde is Jeruzalem daarom tot een staat van afzondering geworden; allen die haar vereerden zijn haar gaan verachten nu zij haar naakt hebben gezien, en zij zucht en keert zich achterwaarts. •• 8. Jérusalem a péché gravement, aussi est-elle devenue chose impure. Tous ceux qui l'honoraient la méprisent : ils ont vu sa nudité. Elle, elle gémit et se détourne.

King James Bible . [8] Jerusalem hath grievously sinned; therefore she is removed: all that honoured her despise her, because they have seen her nakedness: yea, she sigheth, and turneth backward.
Luther-Bibel . 8Jerusalem hat sich versündigt; darum muss sie sein wie eine unreine Frau. Alle, die sie ehrten, verschmähen sie jetzt, weil sie ihre Blöße sehen; sie aber seufzt und hat sich abgewendet.

Tekstuitleg van Kl 1,8 .

3. jërûsjâlaim (Jeruzalem) . Taalgebruik in Tenakh : jërûsjâlaim (Jeruzalem) . Getalwaarde : jod = 10 , resj = 20 of 200 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , mem = 13 of 40 ; totaal : 82 (2 X 41) OF 586 (2 X 293) . Structuur : 1 - 2 - 6 -3 - 3 - 4 . Tenakh (336) . Pentateuch (0) . Eerdere Profeten (66) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (38) . Geschriften (116) . Kl (7) : (1) Kl 1,7 . (2) Kl 1,8 . (3) Kl 1,17 . (4) Kl 2,10 . (5) Kl 2,13 . (6) Kl 2,15 . (7) Kl 4,12 .

8. ´ajin (er is niet) . Stat. constr. ´e(j)n . Taalgebruik in Tenakh : ´ajin (er is niet) . Getalwaarde : aleph = 1 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 25 (5²) OF 61 (priemgetal) . Structuur : 1 - 1 - 5 . Tenakh (362) . Pentateuch (74) . Eerdere Profeten (77) . Latere Profeten (63) . 12 Kleine Profeten (25) . Geschriften (123) . Kl (8) : (1) Kl 1,2 . (2) Kl 1,9 . (3) Kl 1,17 . (4) Kl 1,21 . (5) Kl 2,9 . (6) Kl 4,4 . (7) Kl 5,3 . (8) Kl 5,8 .

Kl 1,9 - Kl 1,9 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
9 ᾿Ακαθαρσία αὐτῆς πρὸς ποδῶν αὐτῆς, οὐκ ἐμνήσθη ἔσχατα αὐτῆς· καὶ κατεβίβασεν ὑπέρογκα, οὐκ ἔστιν ὁ παρακαλῶν αὐτήν· ἰδέ, Κύριε, τὴν ταπείνωσίν μου, ὅτι ἐμεγαλύνθη ὁ ἐχθρός. 9 TETH sordes eius in pedibus eius nec recordata est finis sui deposita est vehementer non habens consolatorem vide Domine adflictionem meam quoniam erectus est inimicus   9 Teth. Haar onreinheid is in haar zomen, zij heeft niet gedacht aan haar uiterste, daarom is zij wonderbaarlijk omlaag gedaald; zij heeft geen trooster. HEERE, zie mijn ellende aan, want de vijand maakt zich groot. [9] Haar kleed is besmeurd, aan deze afloop had zij nooit gedacht. Hoe diep is ze gezonken; niemand die haar troost. 'heer, zie mijn ellende, want de vijand triomfeert.' [9] Haar onreinheid kleeft aan de zoom van haar kleed. Dit einde had ze niet voorzien. Ontstellend diep is zij gezonken, er is niemand die haar troost. – HEER, zie toch mijn nood, zie hoe de vijand zich verheft. 1:9 In haar zomen zelfs schuilt haar smet, nooit heeft zij gedacht aan haar toekomst, zij is wonderbaarlijk diep gedaald, maar niemand die haar wil troosten. 'Zie, Ene, mijn vernedering aan, nu een vijand zich groot heeft gemaakt!' •• 9. Sa souillure colle aux pans de sa robe. Elle ne songeait pas à cette fin; elle est tombée si bas! Personne pour la consoler. » Vois, Yahvé, ma misère : l'ennemi triomphe. »

King James Bible . [9] Her filthiness is in her skirts; she remembereth not her last end; therefore she came down wonderfully: she had no comforter. O LORD, behold my affliction: for the enemy hath magnified himself.
Luther-Bibel . 9Ihr Unflat klebt an ihrem Saum. Sie hätte nicht gemeint, dass es ihr zuletzt so gehen würde. Sie ist ja gräulich heruntergestoßen und hat dazu niemand, der sie tröstet. »Ach HERR, sieh an mein Elend; denn der Feind triumphiert!«

Tekstuitleg van Kl 1,9 .

3. lo´ (niet) . Taalgebruik in Tenakh : lo´(niet) . Taalgebruik in Jesaja : lo´(niet) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld). De getalwaarde van lo´ is de helft van de getalwaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2 . Tenakh (2767) . Pentateuch (801) . Eerdere Profeten (456) . Latere Profeten (611) . 12 Kleine Profeten (150) . Geschriften (749) . Kl (25) : (1) Kl 1,3 . (2) Kl 1,6 . (3) Kl 1,9 . (4) Kl 1,10 . (5) Kl 1,14 . (6) Kl 2,2 . (7) Kl 2,8 . (8) Kl 2,9 . (9) Kl 2,21 . (10) Kl 3,22 . (11) Kl 3,31 . (12) Kl 3,33 . (13) Kl 3,36 . (14) Kl 3,37 . (15) Kl 3,38 . (16) Kl 3,42 . (17) Kl 3,43 . (18) Kl 4,8 . (19) Kl 4,12 . (20) Kl 4,15 . (21) Kl 4,16 . (22) Kl 4,17 . (23) Kl 4,22 . (24) Kl 5,5 . (25) Kl 5,12 .
- wëlo´ (en niet) < prefix verbindingswoord wë + . Tenakh (1381) . Pentateuch (325) . Eerdere Profeten (278) . Latere Profeten (323) . 12 Kleine Profeten (90) . Geschriften (365) . Kl (8) : (1) Kl 2,1 . (2) Kl 2,14 . (3) Kl 2,17 . (4) Kl 2,22 . (5) Kl 3,2 . (6) Kl 3,7 . (7) Kl 3,49 . (8) Kl 4,6 .

8. ´ajin (er is niet) . Stat. constr. ´e(j)n . Taalgebruik in Tenakh : ´ajin (er is niet) . Getalwaarde : aleph = 1 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 25 (5²) OF 61 (priemgetal) . Structuur : 1 - 1 - 5 . Tenakh (362) . Pentateuch (74) . Eerdere Profeten (77) . Latere Profeten (63) . 12 Kleine Profeten (25) . Geschriften (123) . Kl (8) : (1) Kl 1,2 . (2) Kl 1,9 . (3) Kl 1,17 . (4) Kl 1,21 . (5) Kl 2,9 . (6) Kl 4,4 . (7) Kl 5,3 . (8) Kl 5,8 .

9. mënahem (troostende) < act. piël part. mann. enk. van het werkw. nâcham (berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten) . Taalgebruik in Tenakh : nâcham (berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , chet = 8 , mem = 13 of 40 : totaal : 35 (5 X 7) OF 98 (2 X 7²) . (1) De persoonsnaam Menachem . (2) deelw. Tenakh (6) : (1) Kl 1,2 . (2) Kl 1,9 . (3) Kl 1,16 . (4) Kl 1,17 . (5) Kl 1,21 . (6) Pr 4,1 . Zie ook Kl 2,13 .

Kl 1,9.14. `njj : (1) `ânëjî (mijn armoede) < ´ânî + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. enk. van het bijvoegl. naamw. `ânî (arm, ellendig, deemoedig) . (2) `änîje(j) < mann. mv. stat. constr. (de armen van) . Taalgebruik in Tenakh : `ânî (arm, ellendig, deemoedig) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , nun = 14 of 50 , jod = 10 ; totaal : 40 (2³ X 5) of 130 (2 X 5 X 13 OF 5 X 26) . Structuur : 7 - 5 - 1 . Tenakh (15) : (1) Gn 31,42 . (2) Gn 41,52 . (3) Js 10,2 . (4) Js 14,32 . (5) Zach 11,7 . (6) Zach 11,11 . (7) Ps 9,14 . (8) Ps 25,18 . (9) Ps 31,8 . (10) Ps 72,4 . (11) Ps 119,153 . (12) Job 10,15 . (13) Job 24,4 . (14) Kl 1,9 . (15) Kl 3,19 .
- Grieks . acc. vr. enk. ταπεινωσιν = tapeinôsin van het zelfst. naamw. ταπεινωσις = tapeinôsis (vernedering, nederigheid) . Taalgebruik in het NT : tapeinôsis (vernedering, nederigheid) . Bijbel (17) . LXX (16) : (1) Gn 29,32 . (2) Gn 31,42 . (3) Dt 26,7 . (4) 1 S 1,11 . (5) 1 S 9,16 . (6) 2 K 14,26 . (7) Ps 9,14 . (8) Ps 22,22 . (9) Ps 25,18 . (10) Ps 31,8 . (11) Ps 90,3 . (12) Ps 119,153 . (13) Kl 1,9 . (14) Neh 9,9 . (15) Jdt 6,19 . (16) Jdt 13,20 . NT (1) Lc 1,48 . Een vorm van ταπεινωσις = tapeinôsis (vernedering, nederigheid) in de LXX (42) , in het NT (4) : (1) Lc 1,48 . (2) Hnd 8,33 . (3) Fil 3,21 . (4) Jak 1,10 . Een vorm van ταπεινωσις = tapeinôsis (vernedering, nederigheid) is in de LXX de vertaling van 5 Hebreeuwse woorden .

Een vorm van `ânî (arm, ellendig, deemoedig) , vertaald met de acc. vr. enk. tapeinôsin , in (1) Gn 31,42 . (2) Gn 41,52 (gen. vr. enk.tapeinôseôs) . (3) Ps 9,14 . (4) Ps 25,18 . (5) Ps 31,8 . (6) Ps 119,153 .
- Latijn . acc. vr. enk. adflictionem van het zelfst. naamw. adflictio (tegenslag, ramp, kwaal) . Bijbel (24) : (1) Gn 16,11 . (2) Gn 31,42 . (3) Ex 2,11 . (4) Ex 3,7 . (5) Ex 3,9 . (6) Ex 4,31 . (7) 1 S 1,11 . (8) 2 S 16,12 . (9) 1 K 8,35 . (10) 2 K 14,26 . (11) Jr 19,3 . (12) Ps 9,14 . (13) Ps 25,18 . (14) Ps 31,8 . (15) Ps 119,153 . (16) Kl 1,3 . (17) Kl 1,9 . (18) Pr 2,11 . (19) Pr 2,17 . (20) Pr 2,26 . (21) Pr 3,10 . (22) Neh 2,17 . (23) Neh 9,9 . (24) Hnd 7,34 .

  bijbelcitaat Een vorm van `ânî (arm, ellendig, deemoedig) Een vorm van tapeinôsis (vernedering, nederigheid) Een vorm van adflictio (tegenslag, ramp, kwaal)
.        
         
         
         
         
         
         
         
         

17. kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Structuur : 2 - 1 . Tenakh (3849) . Pentateuch (884) . Eerdere Profeten (726) . Latere Profeten (841) . 12 Kleine Profeten (241) . Geschriften (1157) . Kl (25) : (1) Kl 1,5 . (2) Kl 1,8 . (3) Kl 1,9 . (4) Kl 1,10 . (5) Kl 1,11 . (6) Kl 1,16 . (7) Kl 1,18 . (8) Kl 1,19 . (9) Kl 1,20 . (10) Kl 1,21 . (11) Kl 1,22 . (12) Kl 2,13 . (13) Kl 3,8 . (14) Kl 3,22 . (15) Kl 3,27 . (16) Kl 3,28 . (17) Kl 3,31 . (18) Kl 3,32 . (19) Kl 3,33 . (20) Kl 4,3 . (21) Kl 4,12 . (22) Kl 4,15 . (23) Kl 4,18 . (24) Kl 5,16 . (25) Kl 5,22 .

Kl 1,10 - Kl 1,10 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
10 Χεῖρα αὐτοῦ ἐξεπέτασε θλίβων ἐπὶ πάντα τὰ ἐπιθυμήματα αὐτῆς· εἶδε γὰρ ἔθνη εἰσελθόντα εἰς τὸ ἁγίασμα αὐτῆς, ἃ ἐνετείλω μὴ εἰσελθεῖν αὐτὰ εἰς ἐκκλησίαν σου. 10 IOTH manum suam misit hostis ad omnia desiderabilia eius quia vidit gentes ingressas sanctuarium suum de quibus praeceperas ne intrarent in ecclesiam tuam   10 Jod. De tegenpartijder heeft zijn hand aan al haar gewenste dingen uitgebreid; immers heeft zij aangezien, dat de heidenen in haar heiligdom gingen, waarvan Gij geboden hadt, dat zij in Uw gemeente niet komen zouden. [10] De vijand legde beslag op haar rijkdommen; de heidenen zag zij haar heiligdom binnendringen, al had U hun de toegang* daartoe ontzegd. [10] De vijand heeft zijn hand naar haar kostbaarheden uitgestrekt. Zij moet aanzien hoe het heiligdom betreden wordt door vreemde volken, aan wie u de toegang tot de gemeenschap had ontzegd. 1:10 Ja, een benauwer heeft zijn hand uitgebreid over al haar kostbaarheden,- ja, aanzien moest zij hoe heidenen haar heiligdom binnenkwamen over wie gij hebt geboden dat zij niet in vergadering bij u zouden komen! •• 10. L'adversaire a étendu la main sur tous ses trésors : elle a vu les païens pénétrer dans son sanctuaire, auxquels tu avais interdit l'entrée de son assemblée.

King James Bible . [10] The adversary hath spread out his hand upon all her pleasant things: for she hath seen that the heathen entered into her sanctuary, whom thou didst command that they should not enter into thy congregation.
Luther-Bibel . 10Der Feind hat seine Hand gelegt an alle ihre Kleinode. Ja, sie musste zusehen, dass die Heiden in ihr Heiligtum gingen, während du geboten hast, sie sollten nicht in deine Gemeinde kommen.

Tekstuitleg van Kl 1,10 . De 10de letter is de jod . Met een vorm van het woord jâd (hand) begint Kl 1,10 en Kl 4,10 .

1.

2. pârash (spannen, uitspreiden, verstrooien) ; de handen uitspreiden . Taalgebruik in Tenakh : pârash (spannen, uitspreiden, verstrooien) . Getalwaarde : pe = 17 of 80 , resj = 20 of 200 , shin = 21 of 300 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 580 (10 X 2 X 29) . Structuur : 8 - 2 - 3 .

14. lo´ (niet) . Taalgebruik in Tenakh : lo´(niet) . Taalgebruik in Jesaja : lo´(niet) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld). De getalwaarde van lo´ is de helft van de getalwaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2 . Tenakh (2767) . Pentateuch (801) . Eerdere Profeten (456) . Latere Profeten (611) . 12 Kleine Profeten (150) . Geschriften (749) . Kl (25) : (1) Kl 1,3 . (2) Kl 1,6 . (3) Kl 1,9 . (4) Kl 1,10 . (5) Kl 1,14 . (6) Kl 2,2 . (7) Kl 2,8 . (8) Kl 2,9 . (9) Kl 2,21 . (10) Kl 3,22 . (11) Kl 3,31 . (12) Kl 3,33 . (13) Kl 3,36 . (14) Kl 3,37 . (15) Kl 3,38 . (16) Kl 3,42 . (17) Kl 3,43 . (18) Kl 4,8 . (19) Kl 4,12 . (20) Kl 4,15 . (21) Kl 4,16 . (22) Kl 4,17 . (23) Kl 4,22 . (24) Kl 5,5 . (25) Kl 5,12 .
- wëlo´ (en niet) < prefix verbindingswoord wë + . Tenakh (1381) . Pentateuch (325) . Eerdere Profeten (278) . Latere Profeten (323) . 12 Kleine Profeten (90) . Geschriften (365) . Kl (8) : (1) Kl 2,1 . (2) Kl 2,14 . (3) Kl 2,17 . (4) Kl 2,22 . (5) Kl 3,2 . (6) Kl 3,7 . (7) Kl 3,49 . (8) Kl 4,6 .

Kl 1,11 - Kl 1,11 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
11 Πᾶς ὁ λαὸς αὐτῆς καταστενάζοντες, ζητοῦντες ἄρτον, ἔδωκαν τὰ ἐπιθυμήματα αὐτῆς ἐν βρώσει τοῦ ἐπιτστρέψαι ψυχήν· ἰδέ, Κύριε, καὶ ἐπίβλεψον, ὅτι ἐγενήθη ἠτιμωμένη. 11 CAPH omnis populus eius gemens et quaerens panem dederunt pretiosa quaeque pro cibo ad refocilandam animam vide Domine considera quoniam facta sum vilis   11 Caph. Al haar volk zucht, brood zoekende, zij hebben hun gewenste dingen voor spijs gegeven, om de ziel te verkwikken. Zie, HEERE, en aanschouw, dat ik onwaard geworden ben. [11] Haar bewoners lijden en zoeken naar voedsel. Zij ruilen hun schatten voor eten om weer op krachten te komen. 'heer, zie, ze spotten met mij.' [11] Alle inwoners zuchten en steunen, op zoek naar wat brood, ze ruilen hun kostbaarheden voor voedsel, om weer levenskracht te krijgen. – HEER, zie mij, merk toch op hoezeer ik word veracht. 1:11 Kreunend en steunend zoeken allen van haar manschap naar brood, hun kostbaarheden gaven ze al voor eten om hun ziel terug te laten keren. 'Zie aan, Ene, en aanschouw hoe veracht ik ben geworden!' •• 11. Son peuple tout entier gémit, en quête de pain; on donne ses bijoux pour de la nourriture, pour retrouver la vie. » Vois, Yahvé, et regarde combien je suis méprisée.

King James Bible . [11] All her people sigh, they seek bread; they have given their pleasant things for meat to relieve the soul: see, O LORD, and consider; for I am become vile.
Luther-Bibel . 11Alles Volk seufzt und geht nach Brot, es gibt seine Kleinode um Speise, um sein Leben zu erhalten. »Ach HERR, sieh doch und schau, wie verachtet ich bin!«

Tekstuitleg van Kl 1,11 .

Kl 1,12 - Kl 1,12 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
12 Οἱ πρὸς ὑμᾶς πάντες παραπορευόμενοι ὁδόν, ἐπιστρέψατε καὶ ἴδετε εἰ ἔστιν ἄλγος κατὰ τὸ ἄλγος μου, ὃ ἐγενήθη· φθεγξάμενος ἐν ἐμοὶ ἐταπείνωσέ με Κύριος ἐν ἡμέρᾳ ὀργῆς θυμοῦ αὐτοῦ. 12 LAMED o vos omnes qui transitis per viam adtendite et videte si est dolor sicut dolor meus quoniam vindemiavit me ut locutus est Dominus in die irae furoris sui   12 Lamed. Gaat het ulieden niet aan, gij allen, die over weg gaat? Schouwt het aan en ziet, of er een smart zij gelijk mijn smart, die mij aangedaan is, waarmede de HEERE mij bedroefd heeft ten dage der hittigheid Zijns toorns. [12] Iedereen die voorbij komt, zie het lijden dat ik moet dragen, het lijden dat de heer mij aandeed* op de dag van zijn toorn; wie heeft ooit zo geleden. [12] Jullie die hier voorbijgaan, raakt het jullie niet? Merk toch op en zie: is er leed als het leed dat mij wordt aangedaan, dat de HEER op de dag van zijn toorn over mij heeft uitgestort? 1:12 Laat u dit koud, allen die op reis voorbijkomt?- aanschouwt en ziet of er een smart is als mijn smart die mij is aangedaan,- waarmee de Ene mij in droefheid gestort heeft ten dage van zijn gloeiende woede! •• 12. Vous tous qui passez par le chemin, regardez et voyez s'il est une douleur pareille à la douleur qui me tourmente, dont Yahvé m'a affligée au jour de sa brûlante colère.

King James Bible . [12] Is it nothing to you, all ye that pass by? behold, and see if there be any sorrow like unto my sorrow, which is done unto me, wherewith the LORD hath afflicted me in the day of his fierce anger.
Luther-Bibel . 12Euch allen, die ihr vorübergeht, sage ich: »Schaut doch und seht, ob irgendein Schmerz ist wie mein Schmerz, der mich getroffen hat; denn der HERR hat Jammer über mich gebracht am Tage seines grimmigen Zorns.

Tekstuitleg van Kl 1,12 .

8. ´im (indien, ofschoon) . Taalgebruik in Tenakh : ´im (indien, ofschoon) EN ´em (moeder) . Taalgebruik in Tenach : ´em (moeder) . Getalwaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 ; totaal : 14 (2 X 7) OF 41 . Tenakh (760) . Pentateuch (172) . Eerdere Profeten (196) . Latere Profeten (64) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (230) . Kl (4) : (1) Kl 1,12 . (2) Kl 2,20 . (3) Kl 3,32 . (4) Kl 5,22 .

Kl 1,13 - Kl 1,13 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
13 ᾿Εξ ὕψους αὐτοῦ ἀπέστειλε πῦρ, ἐν τοῖς ὀστέοις μου κατήγαγεν αὐτό· διεπέτασε δίκτυον τοῖς ποσί μου, ἀπέστρεψέ με εἰς τὰ ὀπίσω, ἔδωκέ με ἠφανισμένην, ὅλην τὴν ἡμέραν ὠδυνωμένην. 13 MEM de excelso misit ignem in ossibus meis et erudivit me expandit rete pedibus meis convertit me retrorsum posuit me desolatam tota die maerore confectam   13 Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag. [13] Uit de hemel slingerde Hij zijn bliksem die door merg en been ging. Hij spande een net voor mijn voeten en dreef mij terug. Eenzaam maakte Hij mij, doodziek, iedere dag. [13] Hij liet uit de hoogte vuur neerdalen,* dat in mijn gebeente brandt. Hij spande een valstrik voor mij, hij deed mij terugdeinzen. Hij verwoestte mijn leven en maakte me ziek, dag na dag. 1:13 Mijn beenderen, daarin liet hij neerdalen een vuur dat hij uitzond uit den hoge; hij spreidde een net uit voor mijn voeten, liet mij terugdeinzen, achterover, gaf mij prijs: een voorwerp van verbijstering, al den dag gemeden als een zieke. •• 13. D'en haut il a envoyé un feu qu'il a fait descendre dans mes os. Il a tendu un filet sous mes pas, il m'a renversée, il m'a rendue désolée, malade tout le jour.

King James Bible . [13] From above hath he sent fire into my bones, and it prevaileth against them: he hath spread a net for my feet, he hath turned me back: he hath made me desolate and faint all the day.
Luther-Bibel . 13Er hat ein Feuer aus der Höhe in meine Gebeine gesandt und lässt es wüten. Er hat meinen Füßen ein Netz gestellt und mich rückwärts fallen lassen; er hat mich zur Wüste gemacht, dass ich für immer siech bin.

Tekstuitleg van Kl 1,13 .

Kl 1,14 - Kl 1,14 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
14 ᾿Εγρηγορήθη ἐπὶ τὰ ἀσεβήματά μου· ἐν χερσί μου συνεπλάκησαν, ἀνέβησαν ἐπὶ τὸν τράχηλόν μου· ἠσθένησεν ἡ ἰσχύς μου, ὅτι ἔδωκε Κύριος ἐν χερσί μου ὀδύνας, οὐ δυνήσομαι στῆναι. 14 NUN vigilavit iugum iniquitatum mearum in manu eius convolutae sunt et inpositae collo meo infirmata est virtus mea dedit me Dominus in manu de qua non potero surgere   14 Nun. Het juk mijner overtredingen is aangebonden door Zijn hand, zij zijn samengevlochten, zij zijn op mijn hals geklommen; Hij heeft mijn kracht doen vervallen; de HEERE heeft mij in hun handen gegeven, ik kan niet opstaan. [14] Zwaar weegt het juk van mijn zonden dat zijn hand op mij legt; het drukt op mijn nek, mijn kracht is gebroken. De Heer leverde mij uit aan machten, voor mij zijn ze onweerstaanbaar. [14] Hij heeft mijn overtredingen gebundeld en ze vastgemaakt als een juk; ze drukken zwaar op mijn nek, mijn kracht is gebroken. De Heer heeft mij uitgeleverd aan hen bij wie ik weerloos ben. 1:14 Nú zit het juk van mijn misdaden vastgebonden; door zijn hand ineengevlochten zijn zij geklommen op mijn hals, hij heeft mijn kracht laten struikelen, mijn Heer heeft mij prijsgegeven in hun hand, ik kan niet opstaan. •• 14. Il a guetté mes crimes : de sa main il m'enlace, son joug est sur mon cou, il fait fléchir ma force. Le Seigneur m'a mise à leur merci, je ne puis plus tenir!

King James Bible . [14] The yoke of my transgressions is bound by his hand: they are wreathed, and come up upon my neck: he hath made my strength to fall, the Lord hath delivered me into their hands, from whom I am not able to rise up.
Luther-Bibel . 14Schwer ist das Joch meiner Sünden; durch seine Hand sind sie zusammengeknüpft. Sie sind mir auf den Hals gekommen, sodass mir alle meine Kraft vergangen ist. Der Herr hat mich in die Gewalt derer gegeben, gegen die ich nicht aufkommen kann.

Tekstuitleg van Kl 1,14 .

14. lo´ (niet) . Taalgebruik in Tenakh : lo´(niet) . Taalgebruik in Jesaja : lo´(niet) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld). De getalwaarde van lo´ is de helft van de getalwaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2 . Tenakh (2767) . Pentateuch (801) . Eerdere Profeten (456) . Latere Profeten (611) . 12 Kleine Profeten (150) . Geschriften (749) . Kl (25) : (1) Kl 1,3 . (2) Kl 1,6 . (3) Kl 1,9 . (4) Kl 1,10 . (5) Kl 1,14 . (6) Kl 2,2 . (7) Kl 2,8 . (8) Kl 2,9 . (9) Kl 2,21 . (10) Kl 3,22 . (11) Kl 3,31 . (12) Kl 3,33 . (13) Kl 3,36 . (14) Kl 3,37 . (15) Kl 3,38 . (16) Kl 3,42 . (17) Kl 3,43 . (18) Kl 4,8 . (19) Kl 4,12 . (20) Kl 4,15 . (21) Kl 4,16 . (22) Kl 4,17 . (23) Kl 4,22 . (24) Kl 5,5 . (25) Kl 5,12 .
- wëlo´ (en niet) < prefix verbindingswoord wë + . Tenakh (1381) . Pentateuch (325) . Eerdere Profeten (278) . Latere Profeten (323) . 12 Kleine Profeten (90) . Geschriften (365) . Kl (8) : (1) Kl 2,1 . (2) Kl 2,14 . (3) Kl 2,17 . (4) Kl 2,22 . (5) Kl 3,2 . (6) Kl 3,7 . (7) Kl 3,49 . (8) Kl 4,6 .

Kl 1,15 - Kl 1,15 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
15 ᾿Εξῆρε πάντας τοὺς ἰσχυρούς μου ὁ Κύριος ἐκ μέσου μου, ἐκάλεσεν ἐπ' ἐμὲ καιρὸν τοῦ συντρίψαι ἐκλεκτούς μου· ληνὸν ἐπάτησε Κύριος παρθένῳ θυγατρὶ ᾿Ιούδα, ἐπὶ τούτοις ἐγὼ κλαίω. 15 SAMECH abstulit omnes magnificos meos Dominus de medio mei vocavit adversum me tempus ut contereret electos meos torcular calcavit Dominus virgini filiae Iuda   15 Samech. De Heere heeft al mijn sterken in het midden van mij vertreden; Hij heeft een bijeenkomst over mij uitgeroepen, om mijn jongelingen te verbreken; de Heere heeft de wijnpers der jonkvrouw, der dochter van Juda, aangetreden. [15] Alle dapperen heeft de Heer uit de stad verdreven. Op een tijd door Hemzelf bepaald heeft Hij de elite vernietigd. De Heer heeft de maagd, de dochter van Juda, in de wijnpers vertrapt. [15] De Heer heeft de machthebbers in mijn midden verworpen, hij heeft het tijdstip bepaald om mijn jongemannen te breken. De Heer heeft vrouwe Juda in de wijnpers vertrapt. 1:15 Om mijn uitgelezen jongemannen te breken heeft hij tegen mij een samenkomst uitgeroepen, weggeslingerd heeft mijn Heer al mijn machtigen in mijn bereik; mijn Heer heeft de wijnpers getreden voor de jonkvrouwe, de dochter van Juda. •• 15. Tous mes braves, le Seigneur les a rejetés du milieu de moi. Il a convoqué contre moi une assemblée pour anéantir mon élite. Le Seigneur a foulé au pressoir la vierge, fille de Juda.

King James Bible . [15] The Lord hath trodden under foot all my mighty men in the midst of me: he hath called an assembly against me to crush my young men: the Lord hath trodden the virgin, the daughter of Judah, as in a winepress.
Luther-Bibel . 15Der Herr hat zertreten alle meine Starken, die ich hatte; er hat gegen mich ein Fest ausrufen lassen, um meine junge Mannschaft zu verderben. Der Herr hat die Kelter getreten der Jungfrau, der Tochter Juda.

Tekstuitleg van Kl 1,15 .

Kl 1,16 - Kl 1,16 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
16 ῾Ο ὀφθαλμός μου κατήγαγεν ὕδωρ, ὅτι ἐμακρύνθη ἀπ' ἐμοῦ ὁ παρακαλῶν με, ὁ ἐπιστρέφων ψυχήν μου· ἐγένοντο οἱ υἱοί μου ἠφανισμένοι, ὅτι ἐκραταιώθη ὁ ἐχθρός. 16 AIN idcirco ego plorans et oculus meus deducens aquam quia longe factus est a me consolator convertens animam meam facti sunt filii mei perditi quoniam invaluit inimicus   16 Ain. Om dezer dingen wille ween ik; mijn oog, mijn oog vliet af van water, omdat de trooster, die mijn ziel zou verkwikken, verre van mij is; mijn kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft. [16] Dus kan ik alleen maar wenen, mijn ogen storten beken van tranen; troost en hulp zijn ver te zoeken. Mijn kinderen zijn wees geworden, de vijand heerst over hen. [16] Hierom ween ik, hierom baden mijn ogen in tranen. Oneindig ver weg is mijn trooster, die mij levenskracht geeft. Mijn kinderen zijn verbrijzeld, want groot was de overmacht van de vijand. 1:16 Precies om dit alles ween ik, stroomt water neer uit mijn oog, want te ver weg van mij is een trooster die mijn ziel kan laten terugkeren; mijn zonen zijn verstard van ontzetting geworden, omdat een vijand de overhand heeft gehad. •• 16. C'est pour cela que je pleure; mes yeux fondent en larmes, car il est loin de moi, le consolateur qui me rendrait la vie. Mes fils sont bouleversés, car l'ennemi est trop fort. »

King James Bible . [16] For these things I weep; mine eye, mine eye runneth down with water, because the comforter that should relieve my soul is far from me: my children are desolate, because the enemy prevailed.
Luther-Bibel . 16Darüber weine ich so, und mein Auge fließt von Tränen; denn der Tröster, der meine Seele erquicken sollte, ist ferne von mir. Meine Kinder sind dahin; denn der Feind hat die Oberhand gewonnen.«

Tekstuitleg van Kl 1,16 .

12. mënahem (troostende) < act. piël part. mann. enk. van het werkw. nâcham (berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten) . Taalgebruik in Tenakh : nâcham (berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , chet = 8 , mem = 13 of 40 : totaal : 35 (5 X 7) OF 98 (2 X 7²) . (1) De persoonsnaam Menachem . (2) deelw. Tenakh (6) : (1) Kl 1,2 . (2) Kl 1,9 . (3) Kl 1,16 . (4) Kl 1,17 . (5) Kl 1,21 . (6) Pr 4,1 . Zie ook Kl 2,13 .

Kl 1,17 - Kl 1,17 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
17 Διεπέτασε Σιὼν χεῖρας αὐτῆς, οὐκ ἔστιν ὁ παρακαλῶν αὐτήν· ἐνετείλατο Κύριος τῷ ᾿Ιακώβ, κύκλῳ αὐτοῦ οἱ θλίβοντες αὐτόν, ἐγενήθη ῾Ιερουσαλὴμ εἰς ἀποκαθημένην ἀναμέσον αὐτῶν. 17 FE expandit Sion manus suas non est qui consoletur eam mandavit Dominus adversum Iacob in circuitu eius hostes eius facta est Hierusalem quasi polluta menstruis inter eos   17 Pe. Sion breidt haar handen uit, daar is geen trooster voor haar; de HEERE heeft van Jakob geboden, dat die rondom hem zijn, zijn tegenpartijders zouden zijn; Jeruzalem is als een afgezonderde vrouw onder hen. [17] Sion strekte de handen, maar niemand kwam haar troosten. De heer riep de vijanden in de omgeving op tegen Jakob. Van hen kan Jeruzalem slechts spot verwachten. [17] Sion strekt haar handen uit, maar er is niemand die haar troost. De HEER heeft de vijanden rondom tegen Jakob opgeroepen; zij bejegenen Jeruzalem alsof ze onrein is. 1:17 Reeds houdt Sion haar handen uitgespreid, maar er is voor haar niemand die troost; ontboden heeft de Ene tegen Jakob die hem omringen om hem te benauwen; geworden is Jeruzalem in hun ogen tot oud vuil. •• 17. Sion tend les mains, pas un qui la console. Yahvé a mandé contre Jacob ses oppresseurs de toutes parts; Jérusalem est devenue chose impure parmi eux.

King James Bible . [17] Zion spreadeth forth her hands, and there is none to comfort her: the LORD hath commanded concerning Jacob, that his adversaries should be round about him: Jerusalem is as a menstruous woman among them.
Luther-Bibel . 17Zion streckt ihre Hände aus, und doch ist niemand da, der sie tröstet; denn der HERR hat gegen Jakob seine Feinde ringsum aufgeboten, sodass Jerusalem zwischen ihnen sein muss wie eine unreine Frau.

Tekstuitleg van Kl 1,17 . Het vers Kl 1,17 telt 15 (3 X 5) woorden en 64 (2³ X 2³) letters . De getalwaarde van Kl 1,17 is 2953 (priemgetal) .

4. ´ajin (er is niet) . Stat. constr. ´e(j)n . Taalgebruik in Tenakh : ´ajin (er is niet) . Getalwaarde : aleph = 1 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 25 (5²) OF 61 (priemgetal) . Structuur : 1 - 1 - 5 . Tenakh (362) . Pentateuch (74) . Eerdere Profeten (77) . Latere Profeten (63) . 12 Kleine Profeten (25) . Geschriften (123) . Kl (8) : (1) Kl 1,2 . (2) Kl 1,9 . (3) Kl 1,17 . (4) Kl 1,21 . (5) Kl 2,9 . (6) Kl 4,4 . (7) Kl 5,3 . (8) Kl 5,8 .

5. mënahem (troostende) < act. piël part. mann. enk. van het werkw. nâcham (berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten) . Taalgebruik in Tenakh : nâcham (berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , chet = 8 , mem = 13 of 40 : totaal : 35 (5 X 7) OF 98 (2 X 7²) . Tenakh (14) . (1) De persoonsnaam Menachem . Tenakh (8) . (2) deelw. Tenakh (6) : (1) Kl 1,2 . (2) Kl 1,9 . (3) Kl 1,16 . (4) Kl 1,17 . (5) Kl 1,21 . (6) Pr 4,1 . Zie ook Kl 2,13 .

4. - 6. ´e(j)n mënahem lâh (er is geen troostende voor haar = er is niemand die haar troost) . (1) Kl 1,2 : ´e(j)n lâh mënahem (er is geen troostende voor haar = er is niemand die haar troost . (2) Kl 1,9 . (3) Kl 1,17 . (5) Kl 1,21 = ´e(j)n mënahem lî (er is geen troostende voor mij = er is niemand die mij troost) .

13. jërûsjâlaim (Jeruzalem) . Taalgebruik in Tenakh : jërûsjâlaim (Jeruzalem) . Getalwaarde : jod = 10 , resj = 20 of 200 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , mem = 13 of 40 ; totaal : 82 (2 X 41) OF 586 (2 X 293) . Structuur : 1 - 2 - 6 -3 - 3 - 4 . Tenakh (336) . Pentateuch (0) . Eerdere Profeten (66) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (38) . Geschriften (116) . Kl (7) : (1) Kl 1,7 . (2) Kl 1,8 . (3) Kl 1,17 . (4) Kl 2,10 . (5) Kl 2,13 . (6) Kl 2,15 . (7) Kl 4,12 .

Kl 1,18 - Kl 1,18 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
18 Δίκαιός ἐστι Κύριος, ὅτι τὸ στόμα αὐτοῦ παρεπίκραναν· ἀκούσατε δή, πάντες οἱ λαοί, καὶ ἴδετε τὸ ἄλγος μου· παρθένοι μου καὶ νεανίσκοι μου ἐπορεύθησαν ἐν αἰχμαλωσίᾳ. 18 SADE iustus est Dominus quia os eius ad iracundiam provocavi audite obsecro universi populi et videte dolorem meum virgines meae et iuvenes mei abierunt in captivitatem   18 Tsade. De HEERE is rechtvaardig, want ik ben Zijn mond wederspannig geweest; hoort toch, alle gij volken, en ziet mijn smart; mijn jonkvrouwen en mijn jongelingen zijn in de gevangenis gegaan. [18] Toch* staat de heer in zijn recht want ik kwam tegen Hem in verzet. Volken, hoor, zie hoe ik lijd: jongens en meisjes zijn gevangen weggevoerd. [18] De HEER staat in zijn recht: ik trotseerde zijn bevel. Luister toch, volken, en zie hoe ik lijd: mijn meisjes en mijn jongemannen zijn gevangen weggevoerd. 1:18 Staat hij, de Ene, niet in zijn recht?, want tegen zijn mond was ik weerspannig,- hoort toch, alle gemeenschappen en ziet mijn smart aan: mijn jonkvrouwen en mijn jongemannen zijn gekerkerd heengegaan! •• 18. « Yahvé, lui, est juste, car à ses ordres je fus rebelle. Écoutez donc, tous les peuples, et voyez ma douleur. Mes vierges et mes jeunes gens sont partis en captivité. .

King James Bible . [18] The LORD is righteous; for I have rebelled against his commandment: hear, I pray you, all people, and behold my sorrow: my virgins and my young men are gone into captivity.
Luther-Bibel . 18Der HERR ist gerecht, denn ich bin seinem Worte ungehorsam gewesen. Höret, alle Völker, und schaut meinen Schmerz! Meine Jungfrauen und Jünglinge sind in die Gefangenschaft gegangen.

Tekstuitleg van Kl 1,18 .

Kl 1,19 - Kl 1,19 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
19 ᾿Εκάλεσα τοὺς ἐραστάς μου, αὐτοὶ δὲ παρελογίσαντό με· οἱ ἱερεῖς μου καὶ οἱ πρεσβύτεροί μου ἐν τῇ πόλει ἐξέλιπον, ὅτι ἐζήτησαν βρῶσιν αὐτοῖς, ἵνα ἐπιστρέψωσι ψυχὰς αὐτῶν, καὶ οὐχ εὗρον. 19 COPH vocavi amicos meos et ipsi deceperunt me sacerdotes mei et senes mei in urbe consumpti sunt quia quaesierunt cibum sibi ut refocilarent animam suam   19 Koph. Ik riep tot mijn liefhebbers, maar zij hebben mij bedrogen; mijn priesters en mijn oudsten hebben in de stad den geest gegeven, als zij spijze voor zich zochten, opdat zij hun ziel mochten verkwikken. [19] Ik heb om mijn minnaars geroepen maar ze lieten mij in de steek. Mijn priesters en de oudsten zochten, omkomend van honger, de stad af naar eten om in leven te blijven. [19] Ik riep om mijn minnaars, maar zij lieten mij in de steek. Mijn priesters en oudsten zijn in de stad omgekomen, zoekend naar voedsel om in leven te blijven. 1:19 Toen ik riep om mijn minnaars hebben die mij verraderlijk laten zitten: mijn priesters en oudsten bezweken in de stad,- terwijl zij zich iets te eten zochten om hun ziel te laten terugkeren. •• 19. J'ai fait appel à mes amants : ils m'ont trahie. Mes prêtres et mes anciens expiraient dans la ville, cherchant une nourriture qui leur rendît la vie.

King James Bible . [19] I called for my lovers, but they deceived me: my priests and mine elders gave up the ghost in the city, while they sought their meat to relieve their souls.
Luther-Bibel . 19Ich rief meine Freunde, aber sie ließen mich im Stich. Meine Priester und meine Ältesten sind in der Stadt verschmachtet, sie gehen nach Brot, um ihr Leben zu erhalten.

Tekstuitleg van Kl 1,19 .

Kl 1,19.5. mann. mv. stat. construct. kohäne(j) (priesters van) OF kohänaj = stat. constr. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. enk. van het zelfst. naamw. kohen (priester) . Taalgebruik in Tenakh : kohen (priester) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20, he = 5 , nun = 14 of 50 ; totaal : 30 (2 X 3 X 5) OF 75 (3 X 5²) . Structuur : 2 - 5 - 5 . Tenakh (13) : (1) 1 S 5,5 . (2) 1 S 22,17 . (3) 1 S 22,21 . (4) 1 K 12,32 . (5) 1 K 13,2 . (6) 1 K 13,33 . (7) 2 K 17,32 . (8) 2 K 23,4 . (9) 2 K 23,9 . (10) 2 K 23,20 . (11) Js 61,6 . (12) Kl 1,19 . (13) 2 Kr 13,9 .

Kl 1,20 - Kl 1,20 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
20 ᾿Ιδέ, Κύριε, ὅτι θλίβομαι· ἡ κοιλία μου ἐταράχθη, καὶ ἡ καρδία μου ἐστράφη ἐν ἐμοί, ὅτι παραπικραίνουσα παρεπικράνθην· ἔξωθεν ἠτέκνωσέ με μάχαιρα ὥσπερ θάνατος ἐν οἴκῳ. 20 RES vide Domine quoniam tribulor venter meus conturbatus est subversum est cor meum in memet ipsa quoniam amaritudine plena sum foris interfecit gladius et domi mors similis est   20 Resch. Aanzie, HEERE, want mij is bange; mijn ingewand is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer wederspannig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood. [20] heer, zie mijn ellende: zie hoe mijn ingewanden branden, binnenin mij keert mijn hart zich om, want mijn verzet was hardnekkig. Buiten rooft het zwaard mijn kinderen, binnen woedt de dood. [20] HEER, zie mijn ellende: mijn ingewanden staan in brand, mijn hart wordt verscheurd, omdat ik zo opstandig ben geweest. Buiten berooft het zwaard mij van mijn kinderen, binnen heerst de dood. 1:20 Vol van onrust zijn mijn ingewanden, zie, Ene, hoe benauwd het mij is; mijn hart heeft zich in mijn binnenste omgekeerd, want weerspannig, ja weerspannig ben ik geweest,- buitenshuis heeft een zwaard kinderloos gemaakt, binnenshuis de dood. •• 20. Vois, Yahvé, quelle est mon angoisse! Mes entrailles frémissent; mon cœur en moi se retourne : Ah! je n'ai fait qu'être rebelle! Au dehors l'épée me prive d'enfants, au dedans, c'est comme la mort.

King James Bible . [20] Behold, O LORD; for I am in distress: my bowels are troubled; mine heart is turned within me; for I have grievously rebelled: abroad the sword bereaveth, at home there is as death.
Luther-Bibel . 20Ach HERR, sieh doch, wie bange ist mir, dass mir's im Leibe davon wehtut! Mir dreht sich das Herz im Leibe um, weil ich so ungehorsam gewesen bin. Draußen hat mich das Schwert und im Hause hat mich der Tod meiner Kinder beraubt.

Tekstuitleg van Kl 1,20 .

Kl 1,21 - Kl 1,21 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
21 ᾿Ακούσατε δή, ὅτι στενάζω ἐγώ, οὐκ ἔστιν ὁ παρακαλῶν με· πάντες οἱ ἐχθροί μου ἤκουσαν τὰ κακά μου καὶ ἐχάρησαν, ὅτι σὺ ἐποίησας· ἐπήγαγες ἡμέραν, ἐκάλεσας καιρόν, ἐγένοντο ὅμοιοι ἐμοί. 21 SEN audierunt quia ingemesco ego et non est qui consoletur me omnes inimici mei audierunt malum meum laetati sunt quoniam tu fecisti adduxisti diem consolationis et fient similes mei   21 Schin. Zij horen, dat ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijn vijanden horen mijn kwaad; en zij zijn vrolijk, dat Gij het gedaan hebt; als Gij den dag zult voortgebracht hebben, dien Gij uitgeroepen hebt, zo zullen zij zijn, gelijk ik ben. [21] Mijn vijanden horen mij zuchten, er is niemand die mij troost. Toen zij van mijn ongeluk hoorden, juichten* ze toe wat U deed. Dit is de dag door U bepaald; ditzelfde lot dat hen treft! [21] Hoor* toch hoe ik zucht, er is niemand die mij troost. Al mijn vijanden hoorden van mijn rampspoed en juichten uw daden toe: de dag die u had bepaald, brak aan. – Laat hen nu delen in mijn lot! 1:21 Wel hebben zij gehoord hoe ik zuchtte en kreunde, ik, maar niemand die mij wilde troosten, al mijn vijanden die van het kwaad over mij hoorden werden er vrolijk van dat gij het hebt gedaan; wil doen komen de dag die gij zult uitroepen, dat zij zullen worden als ik. •• 21. Entends-moi qui gémis : pas un qui me console! Tous mes ennemis ont appris mon mal, ils se réjouissent de ce que tu as fait. Fais venir le Jour que tu avais proclamé, pour qu'ils soient comme moi!

King James Bible . [21] They have heard that I sigh: there is none to comfort me: all mine enemies have heard of my trouble; they are glad that thou hast done it: thou wilt bring the day that thou hast called, and they shall be like unto me.
Luther-Bibel . 21Man hört's wohl, dass ich seufze, und doch habe ich keinen Tröster; alle meine Feinde hören mein Unglück und freuen sich, dass du es gemacht hast. So lass doch den Tag kommen, den du verkündet hast, dass es ihnen gehen soll wie mir.

Tekstuitleg van Kl 1,21 .

5. ´ajin (er is niet) . Stat. constr. ´e(j)n . Taalgebruik in Tenakh : ´ajin (er is niet) . Getalwaarde : aleph = 1 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 25 (5²) OF 61 (priemgetal) . Structuur : 1 - 1 - 5 . Tenakh (362) . Pentateuch (74) . Eerdere Profeten (77) . Latere Profeten (63) . 12 Kleine Profeten (25) . Geschriften (123) . Kl (8) : (1) Kl 1,2 . (2) Kl 1,9 . (3) Kl 1,17 . (4) Kl 1,21 . (5) Kl 2,9 . (6) Kl 4,4 . (7) Kl 5,3 . (8) Kl 5,8 .

Kl 1,22 - Kl 1,22 : Wie heeft ooit zo geleden? - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Kl (Klaagliederen) -- Kl 1 -- Kl 1,1-22 -- Kl 1,1 - Kl 1,2 - Kl 1,3 - Kl 1,4 - Kl 1,5 - Kl 1,6 - Kl 1,7 - Kl 1,8 - Kl 1,9 - Kl 1,10 - Kl 1,11 - Kl 1,12 - Kl 1,13 - Kl 1,14 - Kl 1,15 - Kl 1,16 - Kl 1,17 - Kl 1,18 - Kl 1,19 - Kl 1,20 - Kl 1,21 - Kl 1,22 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
22 Εἰσέλθοι πᾶσα ἡ κακία αὐτῶν κατὰ πρόσωπόν σου, καὶ ἐπιφύλλισον αὐτοῖς, ὃν τρόπον ἐποίησαν ἐπιφυλλίδα περὶ πάντων τῶν ἁμαρτημάτων μου, ὅτι πολλοὶ οἱ στεναγμοί μου, καὶ καρδία μου λυπεῖται. 22 THAU ingrediatur omne malum eorum coram te et devindemia eos sicut vindemiasti me propter omnes iniquitates meas multi enim gemitus mei et cor meum maerens   22 Thau. Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, en doe hun, gelijk als Gij mij gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen; want mijn zuchtingen zijn vele, en mijn hart is mat. [22] Sla ook acht op hun slechtheid en doe* ook met hen wat U vanwege al mijn zonden met mij hebt gedaan. Zo vaak moet ik zuchten, mijn hart is doodziek. [22] Neem hun verdorvenheid in ogenschouw, en doe met hen wat u met mij gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen. Talrijk zijn mijn verzuchtingen, en mijn hart is ziek. 1:22 Zo kome al hun kwaad voor uw aanschijn, en doe gij aan hen zoals ge aan mij om al mijn misdaden hebt gedaan; want mijn verzuchtingen zijn vele, mijn hart is er ziek van. • 22. Que toute leur méchanceté te soit présente et traite-les comme tu m'as traitée pour tous mes crimes! Car nombreux sont mes gémissements. et mon cœur est malade. »

King James Bible . [22] Let all their wickedness come before thee; and do unto them, as thou hast done unto me for all my transgressions: for my sighs are many, and my heart is faint.
Luther-Bibel . 22Lass alle ihre Bosheit vor dich kommen und richte sie zu, wie du mich zugerichtet hast um aller meiner Missetat willen; denn meiner Seufzer sind viel, und mein Herz ist betrübt.

Tekstuitleg van Kl 1,22 .


- Hebreeuwse tekst : http://www.mechon-mamre.org/p/pt/pt3201.htm .


- Griekse tekst - Septuaginta :

ΚΑΙ ἐγένετο μετὰ τὸ αἰχμαλωσθῆναι τὸν ᾿Ισραήλ, καὶ ῾Ιερουσαλὴμ ἐρημωθῆναι, ἐκάθισεν ῾Ιερεμίας κλαίων, καὶ ἐθρήνησε τὸν θρῆνον τοῦτον ἐπὶ ῾Ιερουσαλὴμ καὶ εἶπε· 1 Πῶς ἐκάθισε μόνη ἡ πόλις ἡ πεπληθυμμένη λαῶν; ἐγενήθη ὡς χήρα πεπληθυμμένη ἐν ἔθνεσιν, ἄρχουσα ἐν χώραις ἐγενήθη εἰς φόρον. 2 Κλαίουσα ἔκλαυσεν ἐν νυκτί, καὶ τὰ δάκρυα αὐτῆς ἐπὶ τῶν σιαγόνων αὐτῆς, καὶ οὐχ ὑπάρχει ὁ παρακαλῶν αὐτὴν ἀπὸ πάντων τῶν ἀγαπώντων αὐτήν· πάντες οἱ φιλοῦντες αὐτὴν ἠθέτησαν ἐν αὐτῇ, ἐγένοντο αὐτῇ εἰς ἐχθρούς. 3 Μετῳκίσθη ᾿Ιουδαία ἀπὸ ταπεινώσεως αὐτῆς καὶ ἀπὸ πλήθους δουλείας αὐτῆς· ἐκάθισεν ἐν ἔθνεσιν, οὐχ εὗρεν ἀνάπαυσιν· πάντες οἱ καταδιώκοντες αὐτὴν κατέλαβον αὐτὴν ἀναμέσον τῶν θλιβόντων. 4 ῾Οδοὶ Σιὼν πενθοῦσι παρὰ τὸ μὴ εἶναι ἐρχομένους ἐν ἑορτῇ· πᾶσαι αἱ πύλαι αὐτῆς ἠφανισμέναι, οἱ ἱερεῖς αὐτῆς ἀναστενάζουσιν, αἱ παρθένοι αὐτῆς ἀγόμεναι, καὶ αὐτὴ πικραινομένη ἐν ἑαυτῇ. 5 ᾿Εγένοντο οἱ θλίβοντες αὐτὴν εἰς κεφαλήν, καὶ οἱ ἐχθροὶ αὐτῆς εὐθηνοῦσαν, ὅτι Κύριος ἐταπείνωσεν αὐτὴν ἐπὶ τὸ πλῆθος τῶν ἀσεβειῶν αὐτῆς· τὰ νήπια αὐτῆς ἐπορεύθησαν ἐν αἰχμαλωσίᾳ κατὰ πρόσωπον θλίβοντος. 6 Καὶ ἐξῄρθη ἐκ θυγατρὸς Σιὼν πᾶσα ἡ εὐπρέπεια αὐτῆς· ἐγένοντο οἱ ἄρχοντες αὐτῆς ὡς κριοὶ οὐχ εὑρίσκοντες νομὴν καὶ ἐπορεύοντο ἐν οὐκ ἰσχύϊ κατὰ πρόσωπον διώκοντος. 7 ᾿Εμνήσθη ῾Ιερουσαλὴμ ἡμερῶν ταπεινώσεως αὐτῆς καὶ ἀπωσμῶν αὐτῆς· πάντα τὰ ἐπιθυμήματα αὐτῆς, ὅσα ἦν ἐξ ἡμερῶν ἀρχαίων, ἐν τῷ πεσεῖν τὸν λαὸν αὐτῆς εἰς χεῖρας θλίβοντος καὶ οὐκ ἦν ὁ βοηθῶν αὐτῇ, ἰδόντες οἱ ἐχθροὶ αὐτῆς ἐγέλασαν ἐπὶ μετοικεσίᾳ αὐτῆς. 8 ῾Αμαρτίαν ἥμαρτεν ᾿Ιερουσαλήμ, διὰ τοῦτο εἰς σάλον ἐγένετο· πάντες οἱ δοξάζοντες αὐτὴν ἐταπείνωσαν αὐτήν, εἶδον γὰρ τὴν ἀσχημοσύνην αὐτῆς, καί γε αὐτὴ στενάζουσα καὶ ἀπεστράφη ὀπίσω. 9 ᾿Ακαθαρσία αὐτῆς πρὸς ποδῶν αὐτῆς, οὐκ ἐμνήσθη ἔσχατα αὐτῆς· καὶ κατεβίβασεν ὑπέρογκα, οὐκ ἔστιν ὁ παρακαλῶν αὐτήν· ἰδέ, Κύριε, τὴν ταπείνωσίν μου, ὅτι ἐμεγαλύνθη ὁ ἐχθρός. 10 Χεῖρα αὐτοῦ ἐξεπέτασε θλίβων ἐπὶ πάντα τὰ ἐπιθυμήματα αὐτῆς· εἶδε γὰρ ἔθνη εἰσελθόντα εἰς τὸ ἁγίασμα αὐτῆς, ἃ ἐνετείλω μὴ εἰσελθεῖν αὐτὰ εἰς ἐκκλησίαν σου. 11 Πᾶς ὁ λαὸς αὐτῆς καταστενάζοντες, ζητοῦντες ἄρτον, ἔδωκαν τὰ ἐπιθυμήματα αὐτῆς ἐν βρώσει τοῦ ἐπιτστρέψαι ψυχήν· ἰδέ, Κύριε, καὶ ἐπίβλεψον, ὅτι ἐγενήθη ἠτιμωμένη. 12 Οἱ πρὸς ὑμᾶς πάντες παραπορευόμενοι ὁδόν, ἐπιστρέψατε καὶ ἴδετε εἰ ἔστιν ἄλγος κατὰ τὸ ἄλγος μου, ὃ ἐγενήθη· φθεγξάμενος ἐν ἐμοὶ ἐταπείνωσέ με Κύριος ἐν ἡμέρᾳ ὀργῆς θυμοῦ αὐτοῦ. 13 ᾿Εξ ὕψους αὐτοῦ ἀπέστειλε πῦρ, ἐν τοῖς ὀστέοις μου κατήγαγεν αὐτό· διεπέτασε δίκτυον τοῖς ποσί μου, ἀπέστρεψέ με εἰς τὰ ὀπίσω, ἔδωκέ με ἠφανισμένην, ὅλην τὴν ἡμέραν ὠδυνωμένην. 14 ᾿Εγρηγορήθη ἐπὶ τὰ ἀσεβήματά μου· ἐν χερσί μου συνεπλάκησαν, ἀνέβησαν ἐπὶ τὸν τράχηλόν μου· ἠσθένησεν ἡ ἰσχύς μου, ὅτι ἔδωκε Κύριος ἐν χερσί μου ὀδύνας, οὐ δυνήσομαι στῆναι. 15 ᾿Εξῆρε πάντας τοὺς ἰσχυρούς μου ὁ Κύριος ἐκ μέσου μου, ἐκάλεσεν ἐπ' ἐμὲ καιρὸν τοῦ συντρίψαι ἐκλεκτούς μου· ληνὸν ἐπάτησε Κύριος παρθένῳ θυγατρὶ ᾿Ιούδα, ἐπὶ τούτοις ἐγὼ κλαίω. 16 ῾Ο ὀφθαλμός μου κατήγαγεν ὕδωρ, ὅτι ἐμακρύνθη ἀπ' ἐμοῦ ὁ παρακαλῶν με, ὁ ἐπιστρέφων ψυχήν μου· ἐγένοντο οἱ υἱοί μου ἠφανισμένοι, ὅτι ἐκραταιώθη ὁ ἐχθρός. 17 Διεπέτασε Σιὼν χεῖρας αὐτῆς, οὐκ ἔστιν ὁ παρακαλῶν αὐτήν· ἐνετείλατο Κύριος τῷ ᾿Ιακώβ, κύκλῳ αὐτοῦ οἱ θλίβοντες αὐτόν, ἐγενήθη ῾Ιερουσαλὴμ εἰς ἀποκαθημένην ἀναμέσον αὐτῶν. 18 Δίκαιός ἐστι Κύριος, ὅτι τὸ στόμα αὐτοῦ παρεπίκραναν· ἀκούσατε δή, πάντες οἱ λαοί, καὶ ἴδετε τὸ ἄλγος μου· παρθένοι μου καὶ νεανίσκοι μου ἐπορεύθησαν ἐν αἰχμαλωσίᾳ. 19 ᾿Εκάλεσα τοὺς ἐραστάς μου, αὐτοὶ δὲ παρελογίσαντό με· οἱ ἱερεῖς μου καὶ οἱ πρεσβύτεροί μου ἐν τῇ πόλει ἐξέλιπον, ὅτι ἐζήτησαν βρῶσιν αὐτοῖς, ἵνα ἐπιστρέψωσι ψυχὰς αὐτῶν, καὶ οὐχ εὗρον. 20 ᾿Ιδέ, Κύριε, ὅτι θλίβομαι· ἡ κοιλία μου ἐταράχθη, καὶ ἡ καρδία μου ἐστράφη ἐν ἐμοί, ὅτι παραπικραίνουσα παρεπικράνθην· ἔξωθεν ἠτέκνωσέ με μάχαιρα ὥσπερ θάνατος ἐν οἴκῳ. 21 ᾿Ακούσατε δή, ὅτι στενάζω ἐγώ, οὐκ ἔστιν ὁ παρακαλῶν με· πάντες οἱ ἐχθροί μου ἤκουσαν τὰ κακά μου καὶ ἐχάρησαν, ὅτι σὺ ἐποίησας· ἐπήγαγες ἡμέραν, ἐκάλεσας καιρόν, ἐγένοντο ὅμοιοι ἐμοί. 22 Εἰσέλθοι πᾶσα ἡ κακία αὐτῶν κατὰ πρόσωπόν σου, καὶ ἐπιφύλλισον αὐτοῖς, ὃν τρόπον ἐποίησαν ἐπιφυλλίδα περὶ πάντων τῶν ἁμαρτημάτων μου, ὅτι πολλοὶ οἱ στεναγμοί μου, καὶ καρδία μου λυπεῖται.


- Vulgata

1 ALEPH quomodo sedit sola civitas plena populo facta est quasi vidua domina gentium princeps provinciarum facta est sub tributo 2 BETH plorans ploravit in nocte et lacrimae eius in maxillis eius non est qui consoletur eam ex omnibus caris eius omnes amici eius spreverunt eam et facti sunt ei inimici 3 GIMEL migravit Iuda propter adflictionem et multitudinem servitutis habitavit inter gentes nec invenit requiem omnes persecutores eius adprehenderunt eam inter angustias 4 DELETH viae Sion lugent eo quod non sint qui veniant ad sollemnitatem omnes portae eius destructae sacerdotes eius gementes virgines eius squalidae et ipsa oppressa amaritudine 5 HE facti sunt hostes eius in capite inimici illius locupletati sunt quia Dominus locutus est super eam propter multitudinem iniquitatum eius parvuli eius ducti sunt captivi ante faciem tribulantis 6 VAV et egressus est a filia Sion omnis decor eius facti sunt principes eius velut arietes non invenientes pascuam et abierunt absque fortitudine ante faciem subsequentis 7 ZAI recordata est Hierusalem dierum adflictionis suae et praevaricationis omnium desiderabilium suorum quae habuerat a diebus antiquis cum caderet populus eius in manu hostili et non esset auxiliator viderunt eam hostes et deriserunt sabbata eius 8 HETH peccatum peccavit Hierusalem propterea instabilis facta est omnes qui glorificabant eam spreverunt illam quia viderunt ignominiam eius ipsa autem gemens et conversa retrorsum 9 TETH sordes eius in pedibus eius nec recordata est finis sui deposita est vehementer non habens consolatorem vide Domine adflictionem meam quoniam erectus est inimicus 10 IOTH manum suam misit hostis ad omnia desiderabilia eius quia vidit gentes ingressas sanctuarium suum de quibus praeceperas ne intrarent in ecclesiam tuam 11 CAPH omnis populus eius gemens et quaerens panem dederunt pretiosa quaeque pro cibo ad refocilandam animam vide Domine considera quoniam facta sum vilis 12 LAMED o vos omnes qui transitis per viam adtendite et videte si est dolor sicut dolor meus quoniam vindemiavit me ut locutus est Dominus in die irae furoris sui 13 MEM de excelso misit ignem in ossibus meis et erudivit me expandit rete pedibus meis convertit me retrorsum posuit me desolatam tota die maerore confectam 14 NUN vigilavit iugum iniquitatum mearum in manu eius convolutae sunt et inpositae collo meo infirmata est virtus mea dedit me Dominus in manu de qua non potero surgere 15 SAMECH abstulit omnes magnificos meos Dominus de medio mei vocavit adversum me tempus ut contereret electos meos torcular calcavit Dominus virgini filiae Iuda 16 AIN idcirco ego plorans et oculus meus deducens aquam quia longe factus est a me consolator convertens animam meam facti sunt filii mei perditi quoniam invaluit inimicus 17 FE expandit Sion manus suas non est qui consoletur eam mandavit Dominus adversum Iacob in circuitu eius hostes eius facta est Hierusalem quasi polluta menstruis inter eos 18 SADE iustus est Dominus quia os eius ad iracundiam provocavi audite obsecro universi populi et videte dolorem meum virgines meae et iuvenes mei abierunt in captivitatem 19 COPH vocavi amicos meos et ipsi deceperunt me sacerdotes mei et senes mei in urbe consumpti sunt quia quaesierunt cibum sibi ut refocilarent animam suam 20 RES vide Domine quoniam tribulor venter meus conturbatus est subversum est cor meum in memet ipsa quoniam amaritudine plena sum foris interfecit gladius et domi mors similis est 21 SEN audierunt quia ingemesco ego et non est qui consoletur me omnes inimici mei audierunt malum meum laetati sunt quoniam tu fecisti adduxisti diem consolationis et fient similes mei 22 THAU ingrediatur omne malum eorum coram te et devindemia eos sicut vindemiasti me propter omnes iniquitates meas multi enim gemitus mei et cor meum maerens


- Statenvertaling

1 Aleph. Hoe zit die stad zo eenzaam, die vol volks was, zij is als een weduwe geworden, zij, die groot was onder de heidenen, een vorstin onder de landschappen, is cijnsbaar geworden. 2 Beth. Zij weent steeds des nachts, en haar tranen lopen over haar kinnebakken; zij heeft geen trooster onder al haar liefhebbers; al haar vrienden hebben trouwelooslijk met haar gehandeld, zij zijn haar tot vijanden geworden. 3 Gimel. Juda is in gevangenis gegaan vanwege de ellende, en vanwege de veelheid der dienstbaarheid; zij woont onder de heidenen, zij vindt geen rust; al haar vervolgers achterhalen ze tussen de engten. 4 Daleth. De wegen Sions treuren, omdat niemand op het feest komt; al haar poorten zijn woest, haar priesters zuchten: haar jonkvrouwen zijn bedroefd, en zij zelve is in bitterheid. 5 He. Haar tegenpartijders zijn ten hoofd geworden, haar vijanden zijn gerust; omdat haar de HEERE bedroefd heeft, vanwege de veelheid harer overtredingen; haar kinderkens gaan henen in de gevangenis voor het aangezicht des tegenpartijders. 6 Vau. En van de dochter Sions is al haar sieraad weggegaan; haar vorsten zijn als de herten, die geen weide vinden, en zij gaan krachteloos henen voor het aangezicht des vervolgers. 7 Zain. Jeruzalem is, in de dagen harer ellende en harer veelvuldige ballingschap, indachtig aan al haar gewenste dingen, die zij van oude dagen af gehad heeft; dewijl haar volk door de hand des tegenpartijders valt, en zij geen helper heeft; de tegenpartijders zien haar aan, zij spotten met haar rustdagen. 8 Cheth. Jeruzalem heeft zwaarlijk gezondigd, daarom is zij als een afgezonderde vrouw geworden; allen, die haar eerden, achten haar onwaard, dewijl zij haar naaktheid gezien hebben; zij zucht ook, en zij is achterwaarts gekeerd. 9 Teth. Haar onreinheid is in haar zomen, zij heeft niet gedacht aan haar uiterste, daarom is zij wonderbaarlijk omlaag gedaald; zij heeft geen trooster. HEERE, zie mijn ellende aan, want de vijand maakt zich groot. 10 Jod. De tegenpartijder heeft zijn hand aan al haar gewenste dingen uitgebreid; immers heeft zij aangezien, dat de heidenen in haar heiligdom gingen, waarvan Gij geboden hadt, dat zij in Uw gemeente niet komen zouden. 11 Caph. Al haar volk zucht, brood zoekende, zij hebben hun gewenste dingen voor spijs gegeven, om de ziel te verkwikken. Zie, HEERE, en aanschouw, dat ik onwaard geworden ben. 12 Lamed. Gaat het ulieden niet aan, gij allen, die over weg gaat? Schouwt het aan en ziet, of er een smart zij gelijk mijn smart, die mij aangedaan is, waarmede de HEERE mij bedroefd heeft ten dage der hittigheid Zijns toorns. 13 Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag. 14 Nun. Het juk mijner overtredingen is aangebonden door Zijn hand, zij zijn samengevlochten, zij zijn op mijn hals geklommen; Hij heeft mijn kracht doen vervallen; de HEERE heeft mij in hun handen gegeven, ik kan niet opstaan. 15 Samech. De Heere heeft al mijn sterken in het midden van mij vertreden; Hij heeft een bijeenkomst over mij uitgeroepen, om mijn jongelingen te verbreken; de Heere heeft de wijnpers der jonkvrouw, der dochter van Juda, aangetreden. 16 Ain. Om dezer dingen wille ween ik; mijn oog, mijn oog vliet af van water, omdat de trooster, die mijn ziel zou verkwikken, verre van mij is; mijn kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft. 17 Pe. Sion breidt haar handen uit, daar is geen trooster voor haar; de HEERE heeft van Jakob geboden, dat die rondom hem zijn, zijn tegenpartijders zouden zijn; Jeruzalem is als een afgezonderde vrouw onder hen. 18 Tsade. De HEERE is rechtvaardig, want ik ben Zijn mond wederspannig geweest; hoort toch, alle gij volken, en ziet mijn smart; mijn jonkvrouwen en mijn jongelingen zijn in de gevangenis gegaan. 19 Koph. Ik riep tot mijn liefhebbers, maar zij hebben mij bedrogen; mijn priesters en mijn oudsten hebben in de stad den geest gegeven, als zij spijze voor zich zochten, opdat zij hun ziel mochten verkwikken. 20 Resch. Aanzie, HEERE, want mij is bange; mijn ingewand is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer wederspannig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood. 21 Schin. Zij horen, dat ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijn vijanden horen mijn kwaad; en zij zijn vrolijk, dat Gij het gedaan hebt; als Gij den dag zult voortgebracht hebben, dien Gij uitgeroepen hebt, zo zullen zij zijn, gelijk ik ben. 22 Thau. Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, en doe hun, gelijk als Gij mij gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen; want mijn zuchtingen zijn vele, en mijn hart is mat.


- Willibrordvertaling

[1] Ach , hoe eenzaam is de dichtbevolkte stad. De heerseres over de volken is nu een weduwe, de vorstin van de gewesten is nu ondergeschikt. [2] Iedere nacht weent zij hardop, de tranen stromen over haar wangen. Geen van haar minnaars* komt haar nog troosten; alle vrienden werden ontrouw, nu zijn ze haar vijanden. [3] Geknecht, onderdrukt en verbannen* leeft Juda onder de volken, ze vindt geen rust, door de achtervolgers werd ze ingehaald en in het nauw gedreven. [4] Hoe troosteloos zijn de wegen naar Sion, er komen geen feestgangers meer; de poorten liggen in puin, de priesters klagen, de meisjes treuren: de stad is rampzalig. [5] De overheersers zijn gelukkig: de stad is in hun macht. Vanwege haar vele misdaden heeft de heer haar geslagen. De kinderen lopen gevangen voor de vijand uit. [6] De trots van Sion is uit haar verdwenen. Haar edelen zijn als herten zonder voedsel: uitgeput lopen ze voor de jagers uit. [7] Jeruzalem blijft denken aan de rampen van de verbanning en de rijkdom van vroeger. Het zwaard van de vijand sloeg de bewoners neer, ze werden door niemand gesteund, ze werden bespot in hun ondergang. [8] Vanwege haar zonden werd Jeruzalem een mikpunt van spot. Haar vereerders zagen haar naaktheid, nu verachten ze haar. Ze lijdt daaronder en wendt zich af. [9] Haar kleed is besmeurd, aan deze afloop had zij nooit gedacht. Hoe diep is ze gezonken; niemand die haar troost. 'heer, zie mijn ellende, want de vijand triomfeert.' [10] De vijand legde beslag op haar rijkdommen; de heidenen zag zij haar heiligdom binnendringen, al had U hun de toegang* daartoe ontzegd. [11] Haar bewoners lijden en zoeken naar voedsel. Zij ruilen hun schatten voor eten om weer op krachten te komen. 'heer, zie, ze spotten met mij.' [12] Iedereen die voorbij komt, zie het lijden dat ik moet dragen, het lijden dat de heer mij aandeed* op de dag van zijn toorn; wie heeft ooit zo geleden. [13] Uit de hemel slingerde Hij zijn bliksem die door merg en been ging. Hij spande een net voor mijn voeten en dreef mij terug. Eenzaam maakte Hij mij, doodziek, iedere dag. [14] Zwaar weegt het juk van mijn zonden dat zijn hand op mij legt; het drukt op mijn nek, mijn kracht is gebroken. De Heer leverde mij uit aan machten, voor mij zijn ze onweerstaanbaar. [15] Alle dapperen heeft de Heer uit de stad verdreven. Op een tijd door Hemzelf bepaald heeft Hij de elite vernietigd. De Heer heeft de maagd, de dochter van Juda, in de wijnpers vertrapt. [16] Dus kan ik alleen maar wenen, mijn ogen storten beken van tranen; troost en hulp zijn ver te zoeken. Mijn kinderen zijn wees geworden, de vijand heerst over hen. [17] Sion strekte de handen, maar niemand kwam haar troosten. De heer riep de vijanden in de omgeving op tegen Jakob. Van hen kan Jeruzalem slechts spot verwachten. [18] Toch* staat de heer in zijn recht want ik kwam tegen Hem in verzet. Volken, hoor, zie hoe ik lijd: jongens en meisjes zijn gevangen weggevoerd. [19] Ik heb om mijn minnaars geroepen maar ze lieten mij in de steek. Mijn priesters en de oudsten zochten, omkomend van honger, de stad af naar eten om in leven te blijven. [20] heer, zie mijn ellende: zie hoe mijn ingewanden branden, binnenin mij keert mijn hart zich om, want mijn verzet was hardnekkig. Buiten rooft het zwaard mijn kinderen, binnen woedt de dood. [21] Mijn vijanden horen mij zuchten, er is niemand die mij troost. Toen zij van mijn ongeluk hoorden, juichten* ze toe wat U deed. Dit is de dag door U bepaald; ditzelfde lot dat hen treft! [22] Sla ook acht op hun slechtheid en doe* ook met hen wat U vanwege al mijn zonden met mij hebt gedaan. Zo vaak moet ik zuchten, mijn hart is doodziek.


- De Nieuwe Bijbelvertaling

[1] Ach, hoe eenzaam zit zij neer, de eens zo levendige stad. Een weduwe is ze geworden, zij die groot was onder de volken, de vorstin van de gewesten is tot slavernij vervallen. [2] Heel de nacht weent zij, haar wangen zijn nat van tranen. Er is niemand die haar troost, niemand van haar vele minnaars; geen vriend bleef haar trouw, allen zijn haar vijandig gezind. [3] Juda is verbannen na een tijd van nood en zware onderdrukking; zij zit neer te midden van de volken, maar vindt geen rust: haar vervolgers belagen haar, drijven haar in het nauw. [4] De wegen naar Sion treuren, er zijn geen feestgangers meer. Haar poorten liggen verlaten, haar priesters zuchten, haar meisjes zijn bedroefd. En zijzelf: bitter is haar lot. [5] Haar vijanden zijn heer en meester, zo zeker van zichzelf. De HEER heeft haar dit aangedaan om haar vele overtredingen. Haar kinderen zijn gevangen weggevoerd, voor de vijand uit. [6] Sion heeft al haar glans verloren. Haar leiders zijn als herten die geen weidegrond meer vinden. Ze zijn gevlucht, van al hun kracht beroofd, voor hun vervolgers uit. [7] Jeruzalem denkt ten tijde van haar nood en haar zwervend bestaan aan alle kostbaarheden die zij vanouds bezat. Toen haar volk in handen van de vijand viel, schoot niemand haar te hulp; de vijanden die haar zagen, lachten om haar ondergang. [8] Haar zware zonden maakten Jeruzalem tot een voorwerp van spot; wie haar eerden, verachten haar, nu ze haar naaktheid zien. En zij, zij kreunt en zucht en wendt zich af. [9] Haar onreinheid kleeft aan de zoom van haar kleed. Dit einde had ze niet voorzien. Ontstellend diep is zij gezonken, er is niemand die haar troost. – HEER, zie toch mijn nood, zie hoe de vijand zich verheft. [10] De vijand heeft zijn hand naar haar kostbaarheden uitgestrekt. Zij moet aanzien hoe het heiligdom betreden wordt door vreemde volken, aan wie u de toegang tot de gemeenschap had ontzegd. [11] Alle inwoners zuchten en steunen, op zoek naar wat brood, ze ruilen hun kostbaarheden voor voedsel, om weer levenskracht te krijgen. – HEER, zie mij, merk toch op hoezeer ik word veracht. [12] Jullie die hier voorbijgaan, raakt het jullie niet? Merk toch op en zie: is er leed als het leed dat mij wordt aangedaan, dat de HEER op de dag van zijn toorn over mij heeft uitgestort? [13] Hij liet uit de hoogte vuur neerdalen,* dat in mijn gebeente brandt. Hij spande een valstrik voor mij, hij deed mij terugdeinzen. Hij verwoestte mijn leven en maakte me ziek, dag na dag. [14] Hij heeft mijn overtredingen gebundeld en ze vastgemaakt als een juk; ze drukken zwaar op mijn nek, mijn kracht is gebroken. De Heer heeft mij uitgeleverd aan hen bij wie ik weerloos ben. [15] De Heer heeft de machthebbers in mijn midden verworpen, hij heeft het tijdstip bepaald om mijn jongemannen te breken. De Heer heeft vrouwe Juda in de wijnpers vertrapt. [16] Hierom ween ik, hierom baden mijn ogen in tranen. Oneindig ver weg is mijn trooster, die mij levenskracht geeft. Mijn kinderen zijn verbrijzeld, want groot was de overmacht van de vijand. [17] Sion strekt haar handen uit, maar er is niemand die haar troost. De HEER heeft de vijanden rondom tegen Jakob opgeroepen; zij bejegenen Jeruzalem alsof ze onrein is. [18] De HEER staat in zijn recht: ik trotseerde zijn bevel. Luister toch, volken, en zie hoe ik lijd: mijn meisjes en mijn jongemannen zijn gevangen weggevoerd. [19] Ik riep om mijn minnaars, maar zij lieten mij in de steek. Mijn priesters en oudsten zijn in de stad omgekomen, zoekend naar voedsel om in leven te blijven. [20] HEER, zie mijn ellende: mijn ingewanden staan in brand, mijn hart wordt verscheurd, omdat ik zo opstandig ben geweest. Buiten berooft het zwaard mij van mijn kinderen, binnen heerst de dood. [21] Hoor* toch hoe ik zucht, er is niemand die mij troost. Al mijn vijanden hoorden van mijn rampspoed en juichten uw daden toe: de dag die u had bepaald, brak aan. – Laat hen nu delen in mijn lot! [22] Neem hun verdorvenheid in ogenschouw, en doe met hen wat u met mij gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen. Talrijk zijn mijn verzuchtingen, en mijn hart is ziek.


- De Naardense bijbel

Ach, hoe eenzaam zit zij neer, die stad eens zo fier vol mensen, als een weduwe is zij geworden,- eens zo fier onder volken, eens vorstin van de gewesten is zij nu dwangarbeidster geworden. •• Klaagliederen 1:2 Bitter weent en weent zij in de nacht, haar tranen stromen haar over de wangen, van al haar minnaars is er geen die haar troost; al haar gezellen werden haar ontrouw, zijn haar tot vijanden geworden. •• 1:3 Geteisterd door ellende, overmand door knechtschap, is Juda een balling geworden, zit zij neer tussen de volkeren, heeft zij geen troost kunnen vinden; al haar achtervolgers haalden haar in tussen haar benauwers. •• 1:4 De wegen naar Sion zijn in rouw, omdat weg zijn wie eens naar de samenkomst kwamen, al haar poorten liggen verlaten, haar priesters zuchten en steunen; haar jonkvrouwen zijn een en al droefheid en zijzelf: bitter is het haar. •• 1:5 En haar benauwers zijn aan het hoofd gekomen, haar vijanden tevreden gesteld, omdat de Ene haar in droefheid gestort heeft om de overvloed van haar misdaden; haar kindertjes zijn gekerkerd bij de verschijning van een benauwer. •• 1:6 Fleur en luister, het is alles weg van Sions dochter,- geworden zijn haar vorsten als herten die geen weide wisten te vinden, beroofd van kracht gaan zij heen bij de verschijning van een achtervolger. •• 1:7 Gedenken zal Jeruzalem in de dagen van haar vernedering en ontheemdheid, alle kostbaarheden die zij had sinds de dagen van weleer,- tot haar gemeenschap in handen viel van een benauwer, en niemand haar te hulp kwam; toen die verdrukkers haar zagen lachten ze om haar ongeluk. •• 1:8 Haar zonde en nog eens zonde is Jeruzalem daarom tot een staat van afzondering geworden; allen die haar vereerden zijn haar gaan verachten nu zij haar naakt hebben gezien, en zij zucht en keert zich achterwaarts. •• 1:9 In haar zomen zelfs schuilt haar smet, nooit heeft zij gedacht aan haar toekomst, zij is wonderbaarlijk diep gedaald, maar niemand die haar wil troosten. 'Zie, Ene, mijn vernedering aan, nu een vijand zich groot heeft gemaakt!' •• 1:10 Ja, een benauwer heeft zijn hand uitgebreid over al haar kostbaarheden,- ja, aanzien moest zij hoe heidenen haar heiligdom binnenkwamen over wie gij hebt geboden dat zij niet in vergadering bij u zouden komen! •• 1:11 Kreunend en steunend zoeken allen van haar manschap naar brood, hun kostbaarheden gaven ze al voor eten om hun ziel terug te laten keren. 'Zie aan, Ene, en aanschouw hoe veracht ik ben geworden!' •• 1:12 Laat u dit koud, allen die op reis voorbijkomt?- aanschouwt en ziet of er een smart is als mijn smart die mij is aangedaan,- waarmee de Ene mij in droefheid gestort heeft ten dage van zijn gloeiende woede! •• 1:13 Mijn beenderen, daarin liet hij neerdalen een vuur dat hij uitzond uit den hoge; hij spreidde een net uit voor mijn voeten, liet mij terugdeinzen, achterover, gaf mij prijs: een voorwerp van verbijstering, al den dag gemeden als een zieke. •• 1:14 Nú zit het juk van mijn misdaden vastgebonden; door zijn hand ineengevlochten zijn zij geklommen op mijn hals, hij heeft mijn kracht laten struikelen, mijn Heer heeft mij prijsgegeven in hun hand, ik kan niet opstaan. •• 1:15 Om mijn uitgelezen jongemannen te breken heeft hij tegen mij een samenkomst uitgeroepen, weggeslingerd heeft mijn Heer al mijn machtigen in mijn bereik; mijn Heer heeft de wijnpers getreden voor de jonkvrouwe, de dochter van Juda. •• 1:16 Precies om dit alles ween ik, stroomt water neer uit mijn oog, want te ver weg van mij is een trooster die mijn ziel kan laten terugkeren; mijn zonen zijn verstard van ontzetting geworden, omdat een vijand de overhand heeft gehad. •• 1:17 Reeds houdt Sion haar handen uitgespreid, maar er is voor haar niemand die troost; ontboden heeft de Ene tegen Jakob die hem omringen om hem te benauwen; geworden is Jeruzalem in hun ogen tot oud vuil. •• 1:18 Staat hij, de Ene, niet in zijn recht?, want tegen zijn mond was ik weerspannig,- hoort toch, alle gemeenschappen en ziet mijn smart aan: mijn jonkvrouwen en mijn jongemannen zijn gekerkerd heengegaan! •• 1:19 Toen ik riep om mijn minnaars hebben die mij verraderlijk laten zitten: mijn priesters en oudsten bezweken in de stad,- terwijl zij zich iets te eten zochten om hun ziel te laten terugkeren. •• 1:20 Vol van onrust zijn mijn ingewanden, zie, Ene, hoe benauwd het mij is; mijn hart heeft zich in mijn binnenste omgekeerd, want weerspannig, ja weerspannig ben ik geweest,- buitenshuis heeft een zwaard kinderloos gemaakt, binnenshuis de dood. •• 1:21 Wel hebben zij gehoord hoe ik zuchtte en kreunde, ik, maar niemand die mij wilde troosten, al mijn vijanden die van het kwaad over mij hoorden werden er vrolijk van dat gij het hebt gedaan; wil doen komen de dag die gij zult uitroepen, dat zij zullen worden als ik. •• 1:22 Zo kome al hun kwaad voor uw aanschijn, en doe gij aan hen zoals ge aan mij om al mijn misdaden hebt gedaan; want mijn verzuchtingen zijn vele, mijn hart is er ziek van.


- Bible de Jérusalem

1. Quoi! elle est assise à l'écart, la Ville populeuse! Elle est devenue comme une veuve, la grande parmi les nations. Princesse parmi les provinces, elle est réduite à la corvée. 2. Elle passe des nuits à pleurer et les larmes couvrent ses joues. Pas un qui la console parmi tous ses amants. Tous ses amis l'ont trahie, devenus ses ennemis! 3. Juda est exilée, soumise à l'oppression, à une dure servitude. Elle demeure chez les nations sans trouver de répit. Tous ses poursuivants l'atteignent en des lieux sans issue. 4. Les chemins de Sion sont en deuil, nul ne vient plus à ses fêtes. Toutes ses portes sont désertes, ses prêtres gémissent, ses vierges se désolent. Elle est dans l'amertume! 5. Ses oppresseurs ont le dessus, ses ennemis sont heureux, car Yahvé l'a affligée pour ses nombreux crimes; ses petits enfants sont partis captifs devant l'oppresseur. 6. De la fille de Sion s'est retirée toute sa splendeur. Ses princes étaient comme des cerfs qui ne trouvent point de pâture; ils cheminaient sans force devant qui les chassait. 7. Jérusalem se souvient de ses jours de misère et de détresse, quand son peuple succombait aux coups de l'adversaire sans que nul la secourût. Ses adversaires la voyaient, il riaient de sa ruine. 8. Jérusalem a péché gravement, aussi est-elle devenue chose impure. Tous ceux qui l'honoraient la méprisent : ils ont vu sa nudité. Elle, elle gémit et se détourne. 9. Sa souillure colle aux pans de sa robe. Elle ne songeait pas à cette fin; elle est tombée si bas! Personne pour la consoler. » Vois, Yahvé, ma misère : l'ennemi triomphe. » 10. L'adversaire a étendu la main sur tous ses trésors : elle a vu les païens pénétrer dans son sanctuaire, auxquels tu avais interdit l'entrée de son assemblée. 11. Son peuple tout entier gémit, en quête de pain; on donne ses bijoux pour de la nourriture, pour retrouver la vie. » Vois, Yahvé, et regarde combien je suis méprisée. 12. Vous tous qui passez par le chemin, regardez et voyez s'il est une douleur pareille à la douleur qui me tourmente, dont Yahvé m'a affligée au jour de sa brûlante colère. 13. D'en haut il a envoyé un feu qu'il a fait descendre dans mes os. Il a tendu un filet sous mes pas, il m'a renversée, il m'a rendue désolée, malade tout le jour. 14. Il a guetté mes crimes : de sa main il m'enlace, son joug est sur mon cou, il fait fléchir ma force. Le Seigneur m'a mise à leur merci, je ne puis plus tenir! 15. Tous mes braves, le Seigneur les a rejetés du milieu de moi. Il a convoqué contre moi une assemblée pour anéantir mon élite. Le Seigneur a foulé au pressoir la vierge, fille de Juda. 16. C'est pour cela que je pleure; mes yeux fondent en larmes, car il est loin de moi, le consolateur qui me rendrait la vie. Mes fils sont bouleversés, car l'ennemi est trop fort. » 17. Sion tend les mains, pas un qui la console. Yahvé a mandé contre Jacob ses oppresseurs de toutes parts; Jérusalem est devenue chose impure parmi eux. 18. « Yahvé, lui, est juste, car à ses ordres je fus rebelle. Écoutez donc, tous les peuples, et voyez ma douleur. Mes vierges et mes jeunes gens sont partis en captivité. . 19. J'ai fait appel à mes amants : ils m'ont trahie. Mes prêtres et mes anciens expiraient dans la ville, cherchant une nourriture qui leur rendît la vie. 20. Vois, Yahvé, quelle est mon angoisse! Mes entrailles frémissent; mon cœur en moi se retourne : Ah! je n'ai fait qu'être rebelle! Au dehors l'épée me prive d'enfants, au dedans, c'est comme la mort. 21. Entends-moi qui gémis : pas un qui me console! Tous mes ennemis ont appris mon mal, ils se réjouissent de ce que tu as fait. Fais venir le Jour que tu avais proclamé, pour qu'ils soient comme moi! 22. Que toute leur méchanceté te soit présente et traite-les comme tu m'as traitée pour tous mes crimes! Car nombreux sont mes gémissements. et mon cœur est malade. »


- King James Bible

[1] How doth the city sit solitary, that was full of people how is she become as a widow she that was was great among the nations, and princess among the provinces, how is she become tributary
[2] She weepeth sore in the night, and her tears are on her cheeks: among all her lovers she hath none to comfort her: all her friends have dealt treacherously with her, they are become her enemies.
[3] Judah is gone into captivity because of affliction, and because of great servitude: she dwelleth among the heathen, she findeth no rest: all her persecutors overtook her between the straits.
[4] The ways of Zion do mourn, because none come to the solemn feasts: all her gates are desolate: her priests sigh, her virgins are afflicted, and she is in bitterness.
[5] Her adversaries are the chief, her enemies prosper; for the LORD hath afflicted her for the multitude of her transgressions: her children are gone into captivity before the enemy.
[6] And from the daughter of Zion all her beauty is departed: her princes are become like harts that find no pasture, and they are gone without strength before the pursuer.
[7] Jerusalem remembered in the days of her affliction and of her miseries all her pleasant things that she had in the days of old, when her people fell into the hand of the enemy, and none did help her: the adversaries saw her, and did mock at her sabbaths.
[8] Jerusalem hath grievously sinned; therefore she is removed: all that honoured her despise her, because they have seen her nakedness: yea, she sigheth, and turneth backward.
[9] Her filthiness is in her skirts; she remembereth not her last end; therefore she came down wonderfully: she had no comforter. O LORD, behold my affliction: for the enemy hath magnified himself.
[10] The adversary hath spread out his hand upon all her pleasant things: for she hath seen that the heathen entered into her sanctuary, whom thou didst command that they should not enter into thy congregation.
[11] All her people sigh, they seek bread; they have given their pleasant things for meat to relieve the soul: see, O LORD, and consider; for I am become vile.
[12] Is it nothing to you, all ye that pass by? behold, and see if there be any sorrow like unto my sorrow, which is done unto me, wherewith the LORD hath afflicted me in the day of his fierce anger.
[13] From above hath he sent fire into my bones, and it prevaileth against them: he hath spread a net for my feet, he hath turned me back: he hath made me desolate and faint all the day.
[14] The yoke of my transgressions is bound by his hand: they are wreathed, and come up upon my neck: he hath made my strength to fall, the Lord hath delivered me into their hands, from whom I am not able to rise up.
[15] The Lord hath trodden under foot all my mighty men in the midst of me: he hath called an assembly against me to crush my young men: the Lord hath trodden the virgin, the daughter of Judah, as in a winepress.
[16] For these things I weep; mine eye, mine eye runneth down with water, because the comforter that should relieve my soul is far from me: my children are desolate, because the enemy prevailed.
[17] Zion spreadeth forth her hands, and there is none to comfort her: the LORD hath commanded concerning Jacob, that his adversaries should be round about him: Jerusalem is as a menstruous woman among them.
[18] The LORD is righteous; for I have rebelled against his commandment: hear, I pray you, all people, and behold my sorrow: my virgins and my young men are gone into captivity.
[19] I called for my lovers, but they deceived me: my priests and mine elders gave up the ghost in the city, while they sought their meat to relieve their souls.
[20] Behold, O LORD; for I am in distress: my bowels are troubled; mine heart is turned within me; for I have grievously rebelled: abroad the sword bereaveth, at home there is as death.
[21] They have heard that I sigh: there is none to comfort me: all mine enemies have heard of my trouble; they are glad that thou hast done it: thou wilt bring the day that thou hast called, and they shall be like unto me.
[22] Let all their wickedness come before thee; and do unto them, as thou hast done unto me for all my transgressions: for my sighs are many, and my heart is faint.


- Luther Bibel

11Wie liegt die Stadt so verlassen, die voll Volks war! Sie ist wie eine Witwe, die Fürstin unter den Völkern, und die eine Königin in den Ländern war, muss nun dienen. 2Sie weint des Nachts, dass ihr die Tränen über die Backen laufen. Es ist niemand unter allen ihren Liebhabern, der sie tröstet. Alle ihre Freunde sind ihr untreu und ihre Feinde geworden. 3Juda ist gefangen in Elend und schwerem Dienst, es wohnt unter den Heiden und findet keine Ruhe; alle seine Verfolger kommen heran und bedrängen es. 4Die Straßen nach Zion liegen wüst, weil niemand auf ein Fest kommt. Alle Tore der Stadt stehen öde, ihre Priester seufzen, ihre Jungfrauen sehen jammervoll drein, und sie ist betrübt. 5Ihre Widersacher sind obenauf, ihren Feinden geht's gut; denn der HERR hat über die Stadt Jammer gebracht um ihrer großen Sünden willen, und ihre Kinder sind gefangen vor dem Feind dahingezogen. 6Es ist von der Tochter Zion aller Schmuck dahin. Ihre Fürsten sind wie Hirsche, die keine Weide finden und matt vor dem Verfolger herlaufen. 7Jerusalem denkt in dieser Zeit, da sie elend und verlassen ist, wie viel Gutes sie von alters her gehabt hat, wie aber all ihr Volk daniedersank unter des Feindes Hand und ihr niemand half. Ihre Feinde sehen auf sie herab und spotten über ihren Untergang. 8Jerusalem hat sich versündigt; darum muss sie sein wie eine unreine Frau. Alle, die sie ehrten, verschmähen sie jetzt, weil sie ihre Blöße sehen; sie aber seufzt und hat sich abgewendet. 9Ihr Unflat klebt an ihrem Saum. Sie hätte nicht gemeint, dass es ihr zuletzt so gehen würde. Sie ist ja gräulich heruntergestoßen und hat dazu niemand, der sie tröstet. »Ach HERR, sieh an mein Elend; denn der Feind triumphiert!« 10Der Feind hat seine Hand gelegt an alle ihre Kleinode. Ja, sie musste zusehen, dass die Heiden in ihr Heiligtum gingen, während du geboten hast, sie sollten nicht in deine Gemeinde kommen. 11Alles Volk seufzt und geht nach Brot, es gibt seine Kleinode um Speise, um sein Leben zu erhalten. »Ach HERR, sieh doch und schau, wie verachtet ich bin!« 12Euch allen, die ihr vorübergeht, sage ich: »Schaut doch und seht, ob irgendein Schmerz ist wie mein Schmerz, der mich getroffen hat; denn der HERR hat Jammer über mich gebracht am Tage seines grimmigen Zorns. 13Er hat ein Feuer aus der Höhe in meine Gebeine gesandt und lässt es wüten. Er hat meinen Füßen ein Netz gestellt und mich rückwärts fallen lassen; er hat mich zur Wüste gemacht, dass ich für immer siech bin. 14Schwer ist das Joch meiner Sünden; durch seine Hand sind sie zusammengeknüpft. Sie sind mir auf den Hals gekommen, sodass mir alle meine Kraft vergangen ist. Der Herr hat mich in die Gewalt derer gegeben, gegen die ich nicht aufkommen kann. 15Der Herr hat zertreten alle meine Starken, die ich hatte; er hat gegen mich ein Fest ausrufen lassen, um meine junge Mannschaft zu verderben. Der Herr hat die Kelter getreten der Jungfrau, der Tochter Juda. 16Darüber weine ich so, und mein Auge fließt von Tränen; denn der Tröster, der meine Seele erquicken sollte, ist ferne von mir. Meine Kinder sind dahin; denn der Feind hat die Oberhand gewonnen.« 17Zion streckt ihre Hände aus, und doch ist niemand da, der sie tröstet; denn der HERR hat gegen Jakob seine Feinde ringsum aufgeboten, sodass Jerusalem zwischen ihnen sein muss wie eine unreine Frau. 18Der HERR ist gerecht, denn ich bin seinem Worte ungehorsam gewesen. Höret, alle Völker, und schaut meinen Schmerz! Meine Jungfrauen und Jünglinge sind in die Gefangenschaft gegangen. 19Ich rief meine Freunde, aber sie ließen mich im Stich. Meine Priester und meine Ältesten sind in der Stadt verschmachtet, sie gehen nach Brot, um ihr Leben zu erhalten. 20Ach HERR, sieh doch, wie bange ist mir, dass mir's im Leibe davon wehtut! Mir dreht sich das Herz im Leibe um, weil ich so ungehorsam gewesen bin. Draußen hat mich das Schwert und im Hause hat mich der Tod meiner Kinder beraubt. 21Man hört's wohl, dass ich seufze, und doch habe ich keinen Tröster; alle meine Feinde hören mein Unglück und freuen sich, dass du es gemacht hast. So lass doch den Tag kommen, den du verkündet hast, dass es ihnen gehen soll wie mir. 22Lass alle ihre Bosheit vor dich kommen und richte sie zu, wie du mich zugerichtet hast um aller meiner Missetat willen; denn meiner Seufzer sind viel, und mein Herz ist betrübt.


- Structuur

 


- Taalgebruik

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- Commentaar

Klaagliederen 1
      1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  9.  10.  11.  12.  13.  14.  15.  16.  17.  18.  19.  20.  21.  22.  23.  24.  25.  26.   
 

 

                                                       
 

1

  1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  9.  10.  11.  12.  13.  14.                          
 

2

  15.  16.  17.  18.  19.  20.  21.  22. 23.  24.  25.  26.  27.  28.  29.  30.  31.  32.                   
 

3

  33.  34.  35.  36. 37. 38. 39. 40. 41. 42. 43. 44. 45. 46. 47. 48.                      
 

4

  49. 50. 51. 52. 53. 54. 55. 56. 57. 58. 59. 60. 61. 62. 63. 64.                      
 

5

  65. 66. 67. 68. 69. 70. 71. 72. 73. 74. 75. 76. 77. 78. 79. 80.                      
 

6

  81. 82. 83. 84. 85. 86. 87. 88. 89. 90. 91. 92. 93. 94. 95. 96. 97.                    
 

7

  98. 99. 100. 101. 102. 103. 104. 105. 106. 107. 108. 109. 110. 111. 112. 113. 114. 115. 116. 117. 118. 119. 120.        
 

8

  121. 122. 123. 124. 125. 126. 127. 128. 129. 130. 131. 132. 133. 134. 135. 136. 137. 138.                  
      1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  9.  10.  11.  12.  13.  14.  15.  16.  17.  18.  19.  20.  21.  22.  23.  24.  25.  26.   
 

9

  139. 140. 141. 142. 143. 144. 145. 146. 147. 148. 149. 150. 151. 152. 153. 154. 155.                    
 

10

  156. 157. 158. 159. 160. 161. 162. 163. 164. 165. 166. 167. 168. 169. 170. 171. 172.                    
 

11

  173. 174. 175. 176. 177. 178. 179. 180. 181. 182. 183. 184. 185. 186. 187. 188.                      
 

12

  189. 190. 191. 192. 193. 194. 195. 196. 197. 198. 199. 200. 201. 202. 203. 204. 205. 206. 207. 208.              
 

13

  209. 210. 211. 212. 213. 214. 215. 216. 217. 218. 219. 220. 221. 222. 223.                        
 

14

  224. 225. 226. 227. 228. 229. 230. 231. 232. 233. 234. 235. 236. 237. 238. 239.                      
 

15

  240. 241. 242. 243. 244. 245. 246. 247. 248. 249. 250. 251. 252. 253. 254. 255.                      
 

16

  256. 257. 258. 259. 260. 261. 262. 263. 264. 265. 266. 267. 268. 269. 270. 271. 272. 273. 274. 275.              
 

17

  276. 277. 278. 279. 280. 281. 282. 283. 284. 285. 286. 287. 288. 289. 290.                        
      1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  9.  10.  11.  12.  13.  14.  15.  16.  17.  18.  19.  20.  21.  22.  23.  24.  25.  26.   
 

18

  291. 292. 293. 294. 295. 296. 297. 298. 299. 300. 301. 302. 303. 304. 305. 306.                      
 

19

  307. 308. 309. 310.

311.

312. 313. 314. 315. 316. 317. 318. 319. 320. 321.                        
 

20

  322. 323. 324. 325. 326. 327. 328. 329. 330. 331. 332. 333. 334. 335. 336. 337. 338. 339.                  
 

21

  340. 341. 342. 343. 344. 345. 346. 347. 348. 349. 350. 351. 352. 353. 354. 355. 356. 357. 358. 359.              
 

22

  360. 361. 362. 363. 364. 365. 366. 367. 368. 369. 370. 371. 372. 373. 374. 375. 376.                    
      1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  9.  10.  11.  12.  13.  14.  15.  16.  17.  18.  19.  20.  21.  22.  23.  24.  25.  26.   
                                                           

22 verzen (2 X 11) . 376 woorden (2³ X 47) ; gemiddeld 17,09 woorden per vers . Kl 1,1-11 telt 188 woorden ; Kl 1,12-22 telt eveneens 188 (2² X 47) woorden .